Longverpleegkundige - Verpleegkundigen & Verzorgenden ...

venvn.nl

Longverpleegkundige - Verpleegkundigen & Verzorgenden ...

Longverpleegkundige

© Copyright AVVV Utrecht, januari 2004

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

bestand, of openbaar gemaakt, in welke vorm dan ook, zonder schriftelijke voorafgaande

toestemming van de AVVV. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave voor welk

doeleinde dan ook, dient men zich tot de AVVV te richten.


Longverpleegkundige

NEDERLANDSE VERENIGING VAN LONGVERPLEEGKUNDIGEN (N.V.L.)

3


Inhoudsopgave

Voorwoord 7

1 Verantwoording 8

1.1 Inleiding

1.2 Betekenis van dit beroepsdeelprofiel

2 Positionering van longverpleegkunde 9

2.1 Inleiding

2.2 Ontwikkeling van longverpleegkunde

2.3 Autonomie in het handelen

3 Zorgvragers en zorgvragen 11

3.1 Inleiding

3.2 De oorsprong van de zorgvragen

3.3 Kenmerken van de groep zorgvragers

3.4 Aard van de zorgvragen naar urgentie en complexiteit

3.5 Effecten van de zorgvraag voor gezondheid en bestaan

3.6 Settings

4 De betekenis en meerwaarde van longverpleegkunde 14

4.1 Inleiding

4.2 Betekenis en meerwaarde

- op het terrein van longverpleegkunde

- voor de zorgvrager

- voor medeprofessionals

- binnen zorgorganisaties

- binnen de gezondheidszorg

5 Taakgebieden, kerntaken en competenties 17

5.1 Inleiding

5.2 Zorgvragergebonden taken

- longverpleegkundige zorg introduceren en verkennen

- gegevens verzamelen

- verpleegkundige diagnoses vaststellen

- beoogd resultaat van verpleegkundige zorg formuleren

- verpleegkundige interventies kiezen

- observeren en signaleren

- begeleiden, ondersteunen en zelfmanagement

- verpleegtechnische handelen

- preventie

- saneren

- coördinatie van de totale zorg

- evalueren van het verpleegproces en het totale zorgproces

5.3 Professiegebonden taken

- de eigen deskundigheid bevorderen

- de deskundigheid van anderen bevorderen

- consultatie

- de kwaliteit van verpleegkundige zorg bevorderen

- de beroepsuitoefening professionaliseren

- innovatie en onderzoek

5


5.4 Organisatiegebonden taken

- zorgbeleid en het beleid van de organisatie-eenheid

- bijdragen aan het beheer van de organisatie-eenheid

- samenwerken

Bijlagen 30

Begrippenlijst

Gebruikte afkortingen

Geraadpleegde bronnen

Opstellers beroepsdeelprofiel

6


Voorwoord

Waarom dit beroepsdeelprofiel?

De verpleegkundige beroepsuitoefening beweegt mee met de dynamiek in de hedendaagse

gezondheidszorg. Een dynamiek die op gang wordt gehouden door continu veranderende

zorgvragen, ontwikkelingen in medisch-technisch handelen en de voortdurend bewegende

arbeidsmarktsituatie.

Hierdoor zien wij momenteel een grote verscheidenheid aan vormen van verpleegkundige

beroepsuitoefening.

De talrijke differentiaties en specialisaties, en de daarvoor benodigde opleidingen, roepen echter

een beeld op van verbrokkeling en gebrek aan samenhang. Dit wordt in de hand gewerkt door het

benadrukken van een ieders bijzonderheid en het veronachtzamen van de gemeenschappelijkheid

in het verpleegkundig beroep. Ook de argumenten om het bestaan van een differentiatie of

specialisatie te verklaren zijn divers en ondergraven daardoor juist het bestaansrecht ervan.

Binnen lidorganisaties van verpleegkundigen bestaat daarom grote behoefte hun

beroepsuitoefening te beschrijven en te verantwoorden door middel van beroepsdeelprofielen. De

uniformiteit daarin laat elke differentiatie of specialisatie tot haar recht komen. Alle

beroepsdeelprofielen tezamen dragen bij aan samenhang en transparantie van de verpleegkundige

beroepsstructuur.

In het verlengde hiervan wordt gezocht naar passende vormen van kwalificering door middel van

opleidingen en naar registratie als bekrachtiging en erkenning van de positie die men inneemt

binnen het beroepenveld en de gezondheidszorg. Om die reden zijn deze beroepsdeelprofielen

evenzeer van belang voor overige beroepsbeoefenaren, de wetgever, de algemene beroepsgroep,

overheid (VWS), onderwijsinstellingen, werkgevers en vakbonden.

AVVV

Utrecht, 2004

7


1. Verantwoording

1.1 Inleiding

Zorgvragers met longaandoeningen hebben specifieke zorgvragen en daarbij speelt het chronische

karakter van hun aandoening een belangrijke rol. Zij vragen naast verpleegtechnische zorg ook

begeleiding en ondersteuning voor het bereiken van adequaat zelfmanagement en ervaren

kwaliteit van leven. De zorg is hoogcomplex en vraagt een specifieke deskundigheid van

verpleegkundigen. Deze deskundigheid wordt gelegd bij de longverpleegkundige. Zij verleent en

begeleidt in de directe patiëntenzorg hoog-complexe zorg in situaties, waarbij voor het analyseren

en oplossen van verpleegproblemen specifieke kennis en vaardigheden op het gebied van

longziekten vereist zijn (NVCV, 1996). Deze taken dienen ten minste 40% deel uit te maken van het

dienstverband.

Naast de directe patiëntenzorg verricht zij professiegebonden taken: deskundigheidsbevordering,

kwaliteit van zorg, consultatie, innovatie en onderzoek. Deze taken hebben als doel de zorg- en

behandelmethoden voor de zorgvragers met longaandoeningen in de toekomst te verbeteren.

1.2 Betekenis van dit beroepsdeelprofiel

Het voorliggende beroepsdeelprofiel is een verbijzondering van het Beroepsprofiel van de

verpleegkundige (Leistra, 1999). Het geeft een expliciete beschrijving van de beroepsuitoefening als

longverpleegkundige, zodat alle betrokkenen hiervan een helder beeld krijgen.

De essentie van het verpleegkundig beroep komt herkenbaar terug in het referentiekader, gevormd

door de taakgebieden, kerntaken en competenties uit het beroepsprofiel.

De verbijzondering wordt zichtbaar in de specificering of uitbreiding van taakgebieden, kerntaken

en competenties binnen de context waarin de longverpleegkundige haar beroep uitoefent.

De beschrijving van de context, de zorgvragen en de zorgvragers vormt tevens een basis voor

legitimering en validering. Het gaat dan om het onderscheid ten opzichte van andere

verpleegkundigen en andere hulpverleners in de gezondheidszorg, en om de toegevoegde waarde

ten opzichte van al bestaande vormen van verpleegkundige beroepsuitoefening. Hiermee worden

aanknopingspunten ontwikkeld die leiden tot de positionering van de longverpleegkundige binnen

een deelgebied van de verpleegkundige beroepsuitoefening.

De terminologie die in dit document wordt gehanteerd, sluit aan bij de ontwikkelingen binnen de

verschillende zorgsectoren en het huidige opleidingsstelsel.

Om recht te doen aan het grote aantal vrouwelijke verpleegkundigen is ervoor gekozen de term

verpleegkundige in de tekst met de vrouwelijke vorm aan te duiden. Hiermee worden zowel mannen

als vrouwen bedoeld.

In navolging van het Beroepsprofiel van de verpleegkundige (Leistra, 1999) gebruiken we de

werkveldoverstijgende term zorgvrager. Hiermee worden, afhankelijk van het werkveld, mannelijke

en vrouwelijke patiënten, cliënten of bewoners bedoeld. Voor de leesbaarheid gebruiken we de

term zorgvrager in de mannelijke vorm.

8


2. Positionering van longverpleegkunde

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van de ontwikkeling van longverpleegkunde en een duiding

van autonomie in handelen.

2.2 Ontwikkeling van longverpleegkunde

Extramuraal is een aantal ontwikkelingen van invloed geweest op het ontstaan en bestaan van de

differentiatie longverpleegkunde.

Doordat de medische zorg, die vanuit ziekenhuizen aan zorgvragers met longziekten (toen nog

CARA genoemd) geboden werd, niet toereikend was én vanwege het feit dat de prevalentie van

longziekten toenam, kwam in de tachtiger jaren meer aandacht voor deze zorgcategorie. In 1980

werd de zorg toegekend aan de thuiszorgverenigingen en kwam ze in handen van

wijkverpleegkundigen.

Daarnaast ging men, mede onder invloed van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek, steeds

meer het belang inzien van secundaire en tertiaire preventie zoals: saneringshuisbezoeken,

voorlichting en instructie met betrekking tot medicatie, leefregels zoals stoppen met roken,

opvoedingsadviezen en zelfmanagementstrategieën. Met zelfmanagement kan de zorgvrager

adequaat inspelen op veranderingen.

Aangezien de zorgverlening aan zorgvragers met longziekten complex is, is mede hierdoor de

functie longverpleegkundige ontstaan. Ook kwam er meer aandacht voor de gevolgen van het

chronisch ziek zijn, zoals omgaan met verlies van gezondheid. Men vond dat chronisch zieken recht

hebben op goede informatie en begeleiding. Met de verandering van de zorgvraag van ADL naar

bovengenoemde specifieke zorgaspecten veranderde ook het takenpakket van de

verpleegkundige, wat weer tot gevolg had dat er behoefte ontstond aan andere deskundigheid dan

die de extramuraal werkende verpleegkundige bezit. Het Astmafonds als patiëntenvereniging heeft

van meet af aan een belangrijke bijdrage geleverd aan de scholing van extramuraal werkende

verpleegkundigen. Later zijn deze zich gaan verenigen tot de Nederlandse Vereniging van

Longverpleegkundigen.

Ook intramuraal is een aantal ontwikkelingen te noemen die van invloed zijn geweest op het

ontstaan van de differentiatie longverpleegkunde.

De medicatie voor zorgvragers met longziekten zoals astma- en Chronic Obstructieve Pulmonary

Disease (COPD) is in de loop der tijd verbeterd. De toedieningsvorm: inhalatie, die zonder instructie

en controle veel fouten tot gevolg had, heeft geleid tot verpleegkundige spreekuren op

poliklinieken van ziekenhuizen. De verwachting is dat als zorgvragers goed worden geïnstrueerd er

minder heropnames nodig zullen zijn.

De intra- en extramurale ontwikkelingen hebben elkaar beïnvloed en geleid tot het zogenoemde

transmurale spreekuur, waarbij ziekenhuis en thuiszorg samenwerken om continuïteit in de zorg te

realiseren. Hiervan verwacht men een nog groter preventief effect dan van de poliklinische

spreekuren alleen.

2.3 Autonomie in handelen

De longverpleegkundige is autonoom voor wat betreft het geven van instructie, educatie,

informatie, (psychosociale) begeleiding, mantelzorgondersteuning en bevordering van het

zelfmanagement van de zorgvrager. Daarnaast handelt zij zelfstandig in het kader van

deskundigheidbevordering en het geven van consulten met betrekking tot eigen en andere

disciplines. Ook stelt zij zelfstandig procedures en protocollen op voor het te voeren zorgbeleid bij

longziekten. Voor wat betreft innovatieprocessen initieert zij vernieuwingen bij het management en

verzorgt ze zelfstandig de opzet en implementatie van innovatieprojecten, inclusief de

noodzakelijke randvoorwaarden zoals scholing. Ten behoeve van de kwaliteit van zorg levert zij

zelfstandig het verpleegkundig aandeel bij de ontwikkeling van multidisciplinaire landelijke

richtlijnen. Zij voert het verpleegkundig deel van het wetenschappelijk onderzoek zelfstandig uit.

9


Dit betreft het genereren van vraagstelling bij individuele problemen tot algemene

onderzoeksvragen, problemen bij anderen onder de aandacht brengen, en het uitvoeren van een

deel van het onderzoek. Ook bij het schrijven van een onderzoeksopzet kan zij een bijdrage leveren.

De longverpleegkundige voert een (poliklinisch) spreekuur en is autonoom in de beslissingen die ze

neemt bij de toedieningsvorm van het medicatiebeleid van een zorgvrager met een longziekte.

Binnen marges leert zij de zorgvrager zijn eigen medicatie aan te passen aan de veranderde

gezondheidstoestand: zelfmanagement van medicatie. Bij een aantal medische handelingen werkt

zij autonoom binnen geprotocolleerde werkinstructies.

10


3 Zorgvragers en zorgvragen

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van zorgvragen, zorgverlener, zorgverlening, zorgvrager en

zorgcontext, als onderbouwing van een specifieke vorm van beroepsuitoefening.

3.2 De oorsprong van de zorgvragen

Zorgvragen ontstaan veelal als de draagkracht de draaglast overschrijdt. Dit kan op somatisch,

psychisch of sociaal gebied en heeft vaak te maken met onvoldoende aanpassing aan de eisen die

de ziekte stelt.

Ook allergieën die zich in pulmonale klachten uiten en hyperreactiviteit van de luchtwegen kunnen

tot zorgvragen leiden. Daarnaast kan door algemene conditieverslechtering, bijvoorbeeld vanwege

slechte voeding, de weerstand verminderen en de klachten toenemen, waardoor zorgvragen

ontstaan. Naast bovengenoemde oorzaken spelen ook psychosociale factoren een rol. Zoals

aanpassingsproblemen, doordat men de gevolgen van ziekten en leefregels niet kan inpassen in het

dagelijkse leven, bijvoorbeeld: roken en beroepsblootstelling. Ook acceptatieproblemen

veroorzaken zorgvragen.

3.3 Kenmerken van de groep zorgvragers

De categorie zorgvragers met longziekten valt onder de zorgcategorie: chronisch zieken. In dit

deelprofiel worden voornamelijk de obstructieve longziekten genoemd. Volwassen zorgvragers

lijden aan een obstructieve longziekte zoals astma of COPD of andere longziekten. Bij kinderen gaat

het veelal om astma, cystic fibrosis en het RS-virus. In het ziekteverloop van longziekten kunnen

kortstondige acute fasen optreden.

COPD omvat de ziektebeelden chronische bronchitis en longemfyseem. COPD is een chronische

aandoening waarbij de longfunctie versneld achteruit gaat en klachten vrijwel voortdurend

aanwezig zijn. De prognose van COPD is afhankelijk van de ernst van de longfunctiestoornis op het

moment van de diagnose en van de jaarlijkse afname van de longfunctie. Ondanks de inzet van een

behandeling wordt een normale longfunctie niet bereikt.

Ook astma is een chronische obstructieve luchtwegaandoening. Het betreft een ontsteking van de

luchtwegen die gepaard gaat met reversibel vernauwingen van de luchtwegen en een verhoogde

luchtwegreactiviteit voor verschillende prikkels. In tegenstelling tot zorgvragers met COPD zijn bij

zorgvragers met astma de klachten veelal niet voortdurend aanwezig; symptomen en ziektelast zijn

in de tijd variabel.

Chronisch zieken hebben een aantal kenmerken met elkaar gemeen, ongeacht de aard van hun

ziekte. Zij ervaren veelal langdurige problemen ten gevolge van hun ziekte. Door het verlies van de

lichamelijke structuur of veranderingen in de somatische of psychologische functies, ontstaan

beperkingen. Het betreft vooral problemen met activiteiten in het dagelijks persoonlijk

functioneren. Dit beïnvloedt ook hun maatschappelijk participeren (Pool, 2001). Specifiek voor

zorgvragers met longziekten geldt dat zij bang zijn voor een acute benauwdheidaanval. Zij blijven

liefst thuis of dicht bij huis omdat zij zich in hun eigen omgeving het meest veilig voelen tijdens een

dergelijk aanval. Daardoor kunnen zij in een sociaal isolement raken. Specifiek voor

longgerelateerde klachten is de angst voor verstikking, (‘geen lucht’ kunnen krijgen). Dit is een

levensbedreigende gewaarwording die het omgaan met de ziekte sterk bepaalt.

Het aantal gediagnosticeerde patiënten zal, voor wat COPD betreft, de komende jaren aanmerkelijk

toenemen. De prevalentie van COPD neemt beduidend toe met de leeftijd. Wat astma betreft is de

prevalentie de afgelopen 20-30 jaren zowel bij kinderen als volwassenen toegenomen. De

verklaring hiervoor is verbeterde diagnostiek en het gegeven dat een groter gedeelte van jonge

mensen allergisch wordt.

11


3.4 Aard van de zorgvragen naar urgentie en complexiteit

De meest voorkomende zorgvragen zijn: infectiegevaar, verkeerde voedselinname (te veel of te

weinig), therapieontrouw, kennistekort (GVO), zelfzorgtekorten, oververmoeidheid, verminderd

activiteitsvermogen, verminderd ademvermogen, verstoorde gasuitwisseling, sociaal isolement,

eenzaamheid, identiteitsproblemen, verstoord zelfbeeld, angst, verminderd aanpassingsvermogen,

ineffectieve coping en overbelasting van mantelzorgers.

Of een zorgvraag acuut of complex is, is afhankelijk van het veld en van de (pulmonale) situatie.

In de tweede lijn zijn acute zorgvragen benauwdheidaanvallen als gevolg van een luchtweginfectie

en de verstoorde gasuitwisseling.

Meer urgent zijn de acute respiratoire insufficiëntie met zuurstofdaling als gevolg van een

verstoorde gasuitwisseling. Minder acuut zijn kortademigheid bij inspanning, wat kan lijden tot

inactiviteit.

Complex zijn: angst voor benauwdheid met als gevolg inactiviteit, co-morbiditeit (bijvoorbeeld

wanneer ernstig hartfalen het longlijden compliceert), verstoorde relatie door verschil in

copinggedrag van een echtpaar t.a.v. het ziekteproces, door schaamte en daardoor afwijzing van

noodzakelijke hulpmiddelen.

3.5 Effecten van de zorgvraag voor gezondheid en bestaan

Zowel de aandoening als de gevolgen hiervan, die zich uiten in stoornissen en beperkingen,

veroorzaken gezondheids- en bestaansproblemen. Gezondheidsproblemen komen voor op

lichamelijk, psychosociaal en sociaal gebied. Bestaansproblemen zijn problemen die betrekking

hebben op het leven en het sociale netwerk van de zorgvrager.

Lichamelijke problemen kunnen voorkomen in allerlei gradaties: van acute levensbedreigende

problemen tot invaliditeit. In het laatste geval verslechtert de lichamelijke conditie langzaam door

toenemende kortademigheid. Naarmate het leven vordert, is er een grotere kans op co-morbiditeit.

Pool (1998) noemt als meest in het oog springende psychosociale problematiek:

- verliesverwerking en de emotionele en gedragsmatige effecten daarvan;

- bestaansproblemen op het sociale en materiële vlak;

- de effecten van lichamelijke veranderingen en beperkingen op het zelfbeeld en de identiteit

van de chronische ziekte:

- de invloed van langdurige afhankelijkheid van zorg op het welbevinden en kwaliteit van

leven, zoals de chronisch zieke die zelf ervaart.

Vaak zijn verschijnselen van angst, schaamte, subassertiviteit en depressieve gevoelens waar te

nemen. Door stoornissen en beperkingen raakt het dagelijks leven ontwricht. Deze ontwrichting op

haar beurt veroorzaakt weer sociale problemen. Het sociale netwerk krimpt en dat leidt weer tot een

sociaal isolement.

De zorgvrager met longziekten moet een evenwicht vinden tussen de gevolgen van de ziekte en de

behandeling en de eisen die hij aan zijn leven en zijn levensstijl stelt. Het leven aanpassen aan de

chronisch ziekte is geen eenvoudige opgave. Het is een voortdurend proces van afwegingen maken

tussen persoonlijke wensen, ambities en keuzes en aanpassingen die de ziekte eist (Pool, 2001).

De impact die longziekten op de mens en zijn dagelijks leven hebben, is uniek van aard omdat het

ziektebeeld door de sociale omgeving niet als zodanig wordt herkend. Het verborgen karakter

hiervan heeft te maken met de omgeving; het fysieke milieu. Bijvoorbeeld: de problemen die de

zorgvrager heeft of krijgt in een ruimte waarin gerookt wordt of door de weersomstandigheden en

dergelijke, worden door de omgeving vaak niet herkend. Door medicatiegebruik krijgen sommige

zorgvragers een blozend uiterlijk dat onterecht door omstanders als teken van gezondheid wordt

opgevat.

3.6 Settings

Intramuraal komen zorgvragers met longklachten voor in ziekenhuizen, verpleeg- en

verzorgingshuizen en revalidatiecentra. Hier zijn longverpleegkundigen werkzaam behalve in

verpleeg- en verzorgingshuizen. In ziekenhuizen werken zij veelal op de poliklinieken.

Extramuraal ontmoet de longverpleegkundige zorgvragers met longklachten in de thuiszorg,

12


huisartsenpraktijk, GGD (schoolarts) en consultatiebureau. In de thuiszorg werken drie verschillende

functionarissen. Allereerst de longverpleegkundigen; de meeste thuiszorgorganisaties hebben

longverpleegkundigen in dienst. Vervolgens werken er ook wijkverpleegkundigen met het

aandachtsgebied astma en COPD. Daarnaast worden er ook wijk- en praktijkverpleegkundigen voor

astma en COPD ingezet. De wijkverpleegkundige met het aandachtsgebied astma en COPD heeft

met de longverpleegkundige gemeen dat zij dezelfde zorgvragergebonden taken uitvoert, zoals

Advies, Instructie en Voorlichting (AIV), begeleiding en curatieve (hoogcomplexe) zorg. Zij houden

verpleegkundige spreekuren. Daarnaast draagt zij kennis over aan wijkverpleegkundigen en

-verzorgenden. De wijk- en praktijkverpleegkundigen zijn anders opgeleid dan de

longverpleegkundigen en de wijkverpleegkundigen met het aandachtsgebied astma en COPD. Het

niveau van zorguitvoering verschilt dus. Voort zijn er transmurale spreekuren waarin samenwerking

tussen ziekenhuizen en thuiszorg plaats vindt.

Aangezien de incidentiecijfers van longziekten met name van astma en COPD hoog zijn, is de

behoefte aan longverpleegkundigen in het hele land aanwezig. Het aantal longverpleegkundigen

dat landelijke werkt, voldoet niet volledig aan de behoefte hiervan. Er is nog een tekort aan

longverpleegkundigen

13


4 De betekenis en meerwaarde van longverpleegkundige

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt antwoord gegeven op de vraag wie de longverpleegkundige is, wat zij doet

en waar zij zich mee onderscheidt van andere verpleegkundigen en hulpverleners in de

gezondheidszorg. Het accent ligt daarbij op de toegevoegde waarde ten opzichte van al bestaande

vormen van verpleegkundige beroepsuitoefening.

4.2 Betekenis en meerwaarde

4.2.1 Op het terrein van longverpleegkunde

De longverpleegkundige verleent en begeleidt (hoog) complexe patiëntenzorg in situaties waarbij

voor het analyseren en oplossen van verpleegproblemen specifieke kennis en vaardigheden, op het

gebied van longziekten, vereist zijn.

De meeste voorkomende longziekten zijn chronisch van aard. Een aantal zorgvragen komt voort uit

het chronisch ziek zijn en komt grotendeels overeen met zorgvragen van andere zorgvragers met

chronische ziekten. Deze zorgvragen liggen op het gebied van bestaansproblemen en hebben

betrekking op het leven en het sociale netwerk van de zorgvrager, zoals het vinden van een

evenwicht tussen de gevolgen van de ziekte en de behandeling en de eisen die zij aan hun leven

stellen.

Bij zorgvragers met longziekten is er daarnaast sprake van specifieke zorgvragen op het gebied van

medicatie, leefwijze (stoppen met roken), saneringsvragen, gebruik van zuurstof in de thuissituatie,

wat te doen wanneer je kind een benauwdheidaanval krijgt, enzovoort. De longverpleegkundige

geeft voorlichting over al deze onderwerpen zodat zelfmanagement gestimuleerd wordt en de

zorgvrager op den duur meer autonoom kan functioneren. De longverpleegkundige heeft met

betrekking tot bovengenoemde zorgaspecten deskundigheid ontwikkeld. Het is deze specifieke

deskundigheid waarin de longverpleegkundige zich onderscheidt van andere verpleegkundigen.

De longverpleegkundige heeft door scholing en ervaring specifieke expertise op het gebied van

longverpleegkunde en zorgverlening verworven. Bijvoorbeeld somatische zorgverlening op het

gebied van nieuwe ontwikkelingen van inhalatietechniek, medicatiegebruik, zuurstofgebruik,

saneringsadviezen, het meten van piekstroom en spirometrie. Psychosociale zorgverlening, zoals

het omgaan met angst voor kortademigheid en het sociale netwerk in stand houden.

De huidige longverpleegkundigen zijn meestal in het bezit van een vervolgopleiding: bijvoorbeeld

verpleegkundig specialist, gezondheidswetenschappen (afstudeerrichting verplegingswetenschap)

of lerarenopleiding verpleegkunde. Daarnaast zijn zij geschoold in de verpleging van zorgvragers

met longziekten. Deze specifieke opleidingen worden gegeven in Bunnik, Rotterdam, Vugt,

Nieuwegein en Groningen. Met deze bagage start de beginnende longverpleegkundige. Tijdens

werkervaring ontstaat een voortdurende professionele ontwikkeling, waardoor hun expertise op

een steeds hoger niveau wordt gebracht.

De differentiatie longverpleegkunde is een van de oudste differentiaties. Er is overlap met

kinderverpleegkunde. Daarnaast is er een verschil tussen kinderlongverpleegkunde en

longverpleegkunde voor volwassenen. Dit betreft vooral dat deel dat betrekking heeft op het

ontwikkelingsniveau van het kind. Ook is er een kleine overlap met oncologieverpleegkunde

betreffende het ziektebeeld longkanker en met de reumaverpleegkunde ten aanzien van sarcoidose

en SLE-patiënten. Met TBC-verpleegkunde is er weinig overlap; deze verpleegkundigen werken

voornamelijk bij GG en GD ’s. De verpleegkundige differentiaties hebben gemeen dat zij chronisch

zieken en dus verwante zorgvragen behandelen. Co-morbiditeit op het gebied van hart- en

vaatziekten en diabetes mellitus deelt de longverpleegkunde met de differentiaties hart- en

vaatverpleegkunde en de diabetesverpleegkunde.

Aanverwante beroepsgroepen, zoals artsen en fysiotherapeuten behandelen ziekten en stoornissen

en dragen daardoor bij aan herstel. De behandeling betreft vaak een deel van de totale

14


ehandeling. De longverpleegkundige heeft naast haar eigen bijdrage die vooral tot uiting komt in

advies, instructie, voorlichting en begeleiding van de zorgvrager, een belangrijke taak in de

coördinatie van de totale zorg en behandeling. Zij probeert zorgverlening en behandelingen van

medeprofessionals in een multidisciplinair verband op elkaar af te stemmen. Ze heeft een beeld van

de totale zorg en behandeling die een zorgvrager wordt geboden. Daarin werkt zij holistisch en

streeft continuïteit in zorgverlening na.

De longverpleegkundige houdt zich verder ook bezig met (wetenschappelijk) onderzoek, scholing,

leiden van innovatieprojecten en ontwikkelen van zorgbeleid.

4.2.2 Voor de zorgvrager

De longverpleegkundige geeft eenduidige AIV. Zij begeleidt de zorgvrager in het omgaan met zijn

ziekte. De longverpleegkundige heeft oog voor de ‘wisselende’ mogelijkheden van de zorgvrager.

Ook heeft zij aandacht voor preventie en psychosociale zorg. Met het oog op zelfmanagement

kunnen klachten en ziekenhuisopnames worden voorkomen. Continuïteit in de zorg wordt

bevorderd, enerzijds doordat de longverpleegkundige het totale veld van zorg en instanties

waarmee de zorgvrager te maken krijgt overziet, anderzijds doordat zij als deskundige in de

behandeling van longziekten op gelijkwaardig niveau met artsen kan samenwerken.

Voor de zorgvrager is verpleegkundige zorg laagdrempelig; de longverpleegkundige is voor vragen

en klachten gemakkelijk aanspreekbaar. Zorgvragers ervaren bovengenoemde aspecten van zorg

als

meerwaarde van de zorg. Het kan voor hen een toename van kwaliteit van leven betekenen.

4.2.3 Voor medeprofessionals

Voor medeprofessionals vervult de longverpleegkundige een centrale rol. Zij is de spin in het web

van zorgverlening aan de zorgvrager en is direct aanspreekbaar. Er zijn drie soorten

medeprofessionals waarmee de longverpleegkundige te maken heeft: verpleegkundigen en

verzorgenden, artsen en paramedici.

De longverpleegkundige schoolt verpleegkundigen en verzorgenden, biedt protocollen en

richtlijnen aan en coacht zo nodig bij de verpleegkundige zorg die zorgvragers geboden wordt. Zij

stuurt de wijkverpleegkundige met het aandachtsgebied astma en COPD aan, door een bijdrage te

leveren op het gebied van zorgvernieuwing, (wetenschappelijk)onderzoek en kwaliteitsbewaking.

Ook schoolt ze onder andere apothekersassistenten in inhalatietechnieken en treedt initiërend op in

het kader van deskundigheidsbevordering.

Voor artsen; zoals huisartsen, longartsen/internisten, kinder(long)artsen en apothekers, ligt de

meerwaarde in het effectief werken: het spaart tijd, verhoogt de kwaliteit van zorg en tevredenheid

bij de zorgvrager en er zijn minder heropnames nodig. Ook levert de longverpleegkundige een

bijdrage aan de medische zorgverlening. De meerwaarde voor de paramedici: fysiotherapeuten,

diëtisten, maatschappelijk werkenden en gezinsverzorgenden betreft de coördinatie van zorg. De

longverpleegkundige is vaak casemanager van de zorgvrager en degene die de zorg coördineert.

4.2.4 Binnen zorgorganisaties

Door de aanwezigheid van de longverpleegkundige kan de zorgorganisatie kwalitatief betere zorg

aanbieden. Op de eerste plaats omdat op basis van signalen van zorgvragers, huisartsen,

specialisten, apothekers en verpleegkundige opleidingsinstituten, nieuwe zorgproducten kunnen

worden ontwikkeld. Daarnaast wordt de zorg van hogere kwaliteit door goede continuïteit. Dit

laatste werkt bovendien kostenbeheersend, en efficiënt, want wachtlijsten worden korter. Door

scholing van alle medewerkers van de zorgorganisatie draagt de longverpleegkundige bij aan

deskundigheidsverhoging. Dit komt de organisatie als geheel ten goede. Het imago van de

organisatie kan daardoor verbeteren.

Naast de gezondheidszorginstellingen waar longverpleegkundigen werkzaam zijn, werken zij ook

veel samen met andere instellingen. Dit is inherent aan de zorg met betrekking tot longziekten. Het

maakt tevens duidelijk hoe groot de coördinerende functie is van de longverpleegkundige. Voor

deze instellingen heeft het een meerwaarde dat de zorgverlener die de zorgvrager het best kent,

met hen in overleg treedt.

15


4.2.5 Binnen de gezondheidszorg

De longverpleegkundige neemt een belangrijk deel van de directe patiëntenzorg op zich. Zij neemt

maatregelen die een verdere verslechtering van het ziekteproces positief beïnvloeden.

Voorbeelden hiervan zijn: het geven van patiënteneducatie, begeleiding bij stoppen met roken, het

geven van inhalatie-instructies en het vroegtijdig signaleren van dreigende exacerbaties. Hierdoor

levert de longverpleegkundige een bijdrage aan verlaging van medische consumptie, verbetering

van zorgverlening en vermeerdering van kwaliteit van leven. Een betere zorgverlening kan ook het

imago van de gezondheidszorg, specifiek de verpleegkundige zorg verbeteren. Vooral tijdens de

verpleegkundige spreekuren kan zij zich profileren en wordt zichtbaar hoe de kwaliteit van zorg

verhoogd kan worden. Zij is een stuwende kracht met betrekking tot innovatie en ontwikkeling van

specialistische verpleegkundige zorg.

Doordat de longverpleegkundige preventief werkt, kan op den duur sprake zijn van

kostenverlaging, doordat ziekten, klachten of verergering worden voorkomen.

16


5 Taakgebieden, kerntaken en competenties

5.1 Inleiding

In samenhang met voorliggende onderwerpen wordt in dit hoofdstuk een beschrijving gegeven

van de deskundigheid van een longverpleegkundige.

Deze deskundigheid manifesteert zich op 3 taakgebieden, te weten:

• Zorgvragergebonden taken: de verzameling van taken die verbonden zijn aan het primair

proces, de directe zorgverlening.

• Professiegebonden taken: de verzameling van taken die verbonden zijn aan behoud,

ontwikkeling en kwaliteit van professionele beroepsuitoefening.

• Organisatiegebonden taken: de verzameling van taken die verbonden zijn aan beleid en

beheer met betrekking tot voorwaarden voor de directe zorgverlening in een zorgorganisatie of

in een organisatie-eenheid.

Kerntaken zijn inhoudelijk samenhangende beroepsactiviteiten die door de longverpleegkundige

worden uitgeoefend; dat wil zeggen de kenmerkende werkzaamheden van de

longverpleegkundige, geordend in logische volgorde van het beroep.

Kernopgaven zijn opgaven of problemen, waarmee de longverpleegkundige regelmatig in

aanraking komt en daarom typerend zijn voor longverpleegkunde. De longverpleegkundige moet

bij de uitvoering van haar taken een oplossing, aanpassing of reactie vinden voor deze problemen

of dilemma’s om succesvol te zijn als longverpleegkundige.

Kerntaken en kernopgaven geven richting aan een of meerdere competenties.

Een competentie wordt in dit profiel omschreven als:

Een - continu te onderhouden en te ontwikkelen - combinatie van vaardigheden, kennis, attitudes en

persoonskenmerken, nodig om in een bepaalde werksituatie adequaat, effectief en efficiënt te handelen.

De competenties – geformuleerd in termen van gedrag en resultaten – beschrijven de vermogens

van een longverpleegkundige om taken en opgaven in haar beroepsuitoefening op een adequate,

proces- en productgerichte wijze aan te pakken.

Elke competentie wordt gecompleteerd met opsommingen van concreet en waarneembaar

handelen en gedrag, die representatief zijn voor het competente gedrag. In feite geeft een

competentie aan wat een longverpleegkundige doet, in welke situatie en met welk doel. Zoals de

begripsomschrijving aangeeft, berust competent gedrag op een samenhangend gebruik van

onderliggende vaardigheden, (wetenschappelijke) kennis, attitudes en persoonskenmerken.

De beroepsuitoefening als longverpleegkundige bouwt voort op een al aanwezig

competentieniveau als basisverpleegkundige en de - door opleiding en beroepservaring -

verkregen expertise. Taken en competenties die daartoe gerekend mogen worden zijn niet meer

opgenomen in dit profiel. Het handelingsrepertoire van een longverpleegkundige kenmerkt zich

door de voor iedere gezondheidszorgwerker geldende methodische beroepsuitoefening en

beroepsmatig handelen, maar omvat daarnaast specifieke vaardigheden, procedures en

handelingen.

Context en kernopgaven

Zorgvragers met COPD ervaren een slechtere kwaliteit van leven dan mensen uit de algemene

bevolking. Dit geldt vooral voor aspecten als fysiek en sociaal functioneren en algemene

gezondheidsevaluatie. Multidisciplinaire zorgverlening is noodzakelijk.

Zorgvragers met longziekten moeten een evenwicht vinden tussen de gevolgen van de ziekte en de

behandeling, en de eisen die zij aan hun leven en hun levensstijl stellen. Zelfmanagement van

longziekten is vooral gericht op een zo normaal mogelijk leven met de ziekte, ofwel: het vinden van

bovengenoemd evenwicht. Dit wordt bemoeilijkt doordat gezondheidsaspecten ten opzichte van

17


estaansaspecten niet altijd in één behandeling in positieve zin met elkaar te verenigen zijn. Een

belangrijk deel van de taak van de longverpleegkundige richt zich hierop. Zij werkt aan (reacties op)

gezondheids- en daaraan gerelateerde bestaansproblemen, naar een meer gewenste situatie. Het

spreekt voor zich dat de zorgvrager in het afwegingsproces wordt betrokken.

Veel zorgvragers ontvangen poliklinische zorg van de transmuraal werkende longverpleegkundige

die in een ziekenhuis een spreekuur houdt. De organisatiestructuren van de participerende

instellingen zijn veelal niet goed op elkaar afgestemd. Daardoor verloopt de samenwerking tussen

hulpverleners niet altijd goed, waardoor de zorgverlening wordt belemmerd.

Bovengenoemde context en de kernopgaven daarbinnen geven het beroepsdeel een eigen

inkleuring.

De longverpleegkundige zal tijdens het verpleegkundig handelen problemen die inherent zijn aan

het beroepsdeel moeten oplossen. Zij staat voor de opgave:

- haar zorg steeds aan te passen aan de ‘wisselende’ mogelijkheden van de zorgvrager, ondanks

de doelmatigheid die aan haar beroepsmatig handelen gesteld worden vanuit de instelling

- om tijdens de uitvoering van zorg een evenwicht te vinden tussen gezondheidsproblemen

enerzijds en bestaansproblemen anderzijds

- om vakinhoudelijk steeds goed op de hoogte te zijn van relevante ontwikkelingen, ondanks de

beperkingen van de instelling zoals tijdsdruk en financiën

- om poliklinisch kwalitatief goede zorg te verlenen, ondanks organisatorische belemmeringen

die het werken vanuit twee organisaties (transmuraal) met zich meebrengt

- in haar handelen een evenwicht te vinden met betrekking tot de behoefte van de zorgvrager

enerzijds en de mogelijkheden die de afdeling haar biedt anderzijds.

5.2 Zorgvragergebonden taken

A. Kerntaak: Longverpleegkundige zorg introduceren en verkennen

De longverpleegkundige vormt zich een beeld van de zorgvrager en zijn uitgangssituatie om

wanneer noodzakelijk te verwijzen naar andere disciplines. Daarnaast informeert zij de zorgvrager

over de gang van zaken binnen de organisatie. In geval van voorlichting en training aan een groep

zorgvragers bespreekt zij de mogelijkheden van de zorgverlening. Hierbij stemt ze de informatie af

op de behoefte.

Competentie

Alvorens zorg te verlenen is het noodzakelijk dat de longverpleegkundige een goed beeld heeft van

de zorgvrager en zijn situatie, zodat de zorg wordt toegewezen aan de beroepsbeoefenaar met de

juiste en voldoende deskundigheid.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• de zorgvraag van de zorgvrager en eventueel de mantelzorger inschat. Tijdens het

contact met de zorgvrager worden alle aspecten van de ziekte en behandeling bekeken.

Wanneer nodig worden andere disciplines betrokken in het totale zorgplan. Zij zal als

coördinator (casemanager) dit organiseren en begeleiden

• andersoortige zorgvragen herkent en doorverwijst naar andere disciplines

(fysiotherapeut, diëtiste, maatschappelijk werker) en naar andere instanties zoals woonen

vervoersvoorzieningen, RIO, zorgwinkel

• de complexiteit van de situatie inschat en de vereiste deskundigheid beoordeelt

• minder complexe taken aan verzorgenden en verpleegkundigen delegeert, waarbij zij

zelf de rol van regisseur behoudt. In deze rol gaat het om het vaststellen en bewaken

van zorgresultaten en zorgtrajecten

• veranderingen in de zorgvraag, in de omgevingsfactoren en in de complexiteit van

interventies herkent, waardoor de indicatiestelling en zorgtoewijzing kan worden

bijgesteld. Voorbeelden zijn: inschakelen van een psycholoog bij depressie,

ergonomische aanpassing bij te kort aan energie, het inschakelen van de juiste instelling

18


of persoon op het juiste moment

• de zorgvrager informeert over de structuur en werkwijze van de instelling, bijvoorbeeld

bij een poliklinisch bezoek of een opname die gepland is.

B. Kerntaak: Gegevens verzamelen

Het verpleegkundig aanbod dient aan te sluiten bij de zorgbehoefte van de zorgvrager met

longaandoeningen. Dit wordt bereikt door een continue, systematische verzameling van gegevens

over de gezondheidssituatie van de zorgvrager. Specifieke accenten liggen op de gevolgen van de

longziekten voor het dagelijks leven, de beleving van de zorgvrager en de wijze waarop hij

zelfmanagement vorm geeft.

Competentie

Om onderlinge afstemming tussen eigen en andere disciplines te realiseren verzamelt, selecteert,

analyseert en interpreteert de longverpleegkundige gegevens, zodat integrale zorg geboden kan

worden.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• systematisch gegevens om een juist en volledig beeld van de situatie van de zorgvrager

te verkrijgen

• een anamnese afneemt aan de hand van een richtlijn, die ontwikkeld is voor de (hoog)

complexe zorg

• gerichte observaties uitvoert bestaande uit het verzamelen, selecteren, interpreteren en

controleren van de gegevens bij de zorgvrager en naasten (hetero-anamnese)

• het verzamelen van gegevens aanpast aan de omstandigheden van de zorgvrager, het

doel van de zorgverlening en de aard van de problematiek

• zich een totaalbeeld vormt van de meestal complexe situatie van de zorgvragers en

naasten

• gegevens op een transparante en toegankelijke wijze schriftelijk vastlegt, rekening

houdend met de rechten van de zorgvrager

• ook aan de behandelend arts rapporteert met betrekking tot het zorgplan en de

geplande activiteiten op korte en langere termijn.

C. Kerntaak: Verpleegkundige diagnoses vaststellen

Aan de hand van de verzamelde gegevens stelt de longverpleegkundige de verpleegkundige

diagnoses vast in samenwerking met de zorgvrager. Zij realiseert zich dat gezondheids- of daaraan

gerelateerde bestaansproblemen verweven en complex tot zeer complex zijn. Te onderscheiden

zijn acute (bijvoorbeeld benauwdheidaanvallen), langdurige (bijvoorbeeld ondergewicht),

chronische (bijvoorbeeld therapieontrouw), actuele of potentiële problemen.

Competentie

Om de juiste verpleegkundige diagnoses vast te stellen analyseert en interpreteert zij een veelheid

van elkaar beïnvloedende factoren en trekt hieruit conclusies, zodat verpleegkundige diagnoses van

de zorgvrager correct worden vastgesteld.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• op basis van de (on) mogelijkheden en de vermogens van de zorgvrager en zijn context,

de verpleegkundige diagnoses vaststelt en deze beargumenteert

• wanneer de aanwezige (standaard) procedures niet toereikend zijn zelf procedures

ontwerpt om de juiste verpleegkundige diagnoses in beeld te krijgen

• de samenhang en wisselwerking analyseert van de problematiek van de zorgvrager en

hierin prioriteiten aangeeft.

19


D. Kerntaak: Beoogd resultaat van verpleegkundige zorg formuleren

De longverpleegkundige formuleert het beoogde resultaat van de zorgverlening van de zorgvrager

en geeft hierin prioriteiten aan. Hierbij krijgt zij te maken met belangen van anderen, zoals de

longarts en fysiotherapeut die in vergelijking met haar relatief meer gericht zijn op

gezondheidsproblemen en wat minder op bestaansproblemen. Dit kan de afstemming van de

verschillende disciplines onderling bemoeilijken. Zij zal het verpleegplan moeten verantwoorden en

beargumenteren.

Omdat het ziekteproces verergert - de longfunctie bij COPD neemt jaarlijks af - zullen resultaten

gericht zijn op reduceren of erger voorkomen, op het aanvaarden van de ziekte en op

zelfmanagement. De longverpleegkundige formuleert haalbare resultaten en maakt onderscheid in

resultaten op korte en op lange termijn.

Competentie

Om richting te geven aan de verpleegkundige zorg formuleert de longverpleegkundige in overleg

met zorgvrager het gewenste resultaat van zorgverlening, zodat de beoogde resultaten concreet en

haalbaar zijn en er rekening wordt gehouden met de kwaliteit van leven van de zorgvrager.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• een verpleegplan opstelt en ervoor zorgt dat dit deel uitmaakt van het dossier van de

zorgvrager

• in overleg met de zorgvrager beoogde resultaten formuleert, rekening houdend met de

condities waaronder, de termijn waarop en de weg waarlangs dit gebeurt

• deze beoogde resultaten herformuleert indien de situatie verandert

• in samenwerking met de zorgvrager en naasten en andere disciplines afstemming zoekt

over beoogde resultaten

• samen met andere disciplines tot één zorgaanbod komt dat afgestemd is en prioriteiten

aangeeft op de door de zorgvrager opgestelde hulpvraag.

E. Kerntaak: Verpleegkundige interventies kiezen

De longverpleegkundige gebruikt een breed scala aan interventies om doelgerichte verandering in

de situatie te bewerkstelligen. Met name interventies op psychosociaal gebied en in het bijzonder

de AIV, dat samen met begeleiding uitgroeit tot patiënteneducatie. Dit betekent dat zij samen met

de zorgvrager stapsgewijs en gedragsmatig werkt naar de beoogde gedragsveranderingen:

zelfmanagement. De keuze voor een interventie is onder meer afhankelijk van het beoogde

resultaat en de steeds wisselende mogelijkheden van de zorgvrager. Naast interventies die

voortkomen vanuit haar autonome aandacht- en competentiegebied verricht zij handelingen, die

voortvloeien uit multidisciplinaire zorgverlening, zoals voedingsadviezen. Ook signaleert zij

problemen waarvan de behandeling buiten haar aandacht- en competentiegebied valt:

saturatiedaling en exacerbaties.

Competentie

Om richting te geven aan de verpleegkundige zorg kiest de longverpleegkundige effectieve

interventies, zodat de kans om het beoogde resultaat te bereiken zo groot mogelijk is.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• interventies kiest en deze keuze beargumenteert afhankelijk van de gewenste

zorgresultaten en van de mogelijkheden van de zorgvrager

• creatief te werk gaat of nieuwe procedures ontwikkelt om tot de juiste keuzen van

verpleegkundige interventies te komen

• het belang van de interventies uitlegt aan de zorgvrager, diens naasten en

medebehandelaars.

20


F. Kerntaak: Observeren en signaleren

De longverpleegkundige observeert, analyseert en interpreteert behoeften van de zorgvrager die

het uitgangspunt vormen voor de verpleegkundige zorgverlening. Deze observaties vinden plaats

in het kader van haar eigen zorgverlening en van de zorgverlening van andere disciplines.

Daarnaast heeft de longverpleegkundige een rol in het signaleren van gezondheidsbedreigende

factoren.

Competentie

Om het verpleegproces te bewaken, observeert, signaleert en stelt de longverpleegkundige

voortdurend het totale zorgproces bij, zodat de zorgverlening voortdurend adequaat plaats kan

vinden.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• behoeften van de zorgvrager herkent, de veranderingen hierin of in de

gezondheidstoestand, zoals toenemende benauwdheid, gewichtsverlies en

vermoeidheid

• gerichte observaties uitvoert betreffende de ademhaling en het inspanningsniveau

• potentiële en feitelijke reacties op gezondheids- of daaraan gerelateerde

bestaansproblemen signaleert, zoals: ineffectief copinggedrag, overbelasting van de

mantelzorg of roken in aanwezigheid van kinderen

• gezondheidsbedreigende factoren signaleert en hierop adequaat reageert door o.m.

het geven van advies bij beroepskeuze, therapieontrouw en zuurstof toediening bij een

acute aanval.

G. Kerntaak: Begeleiden: ondersteunen en zelfmanagement

Bij begeleiden gaat de longverpleegkundige in eerste instantie uit van een ondersteunende

benadering. Zij wordt tijdens haar poliklinisch spreekuur (vaak) geconfronteerd met zorgvragers en

hun naasten met tekorten in kennis- en vaardigheden, wat misverstanden en een gevoel van

onzekerheid doet ontstaan. Deze misverstanden kunnen aanleiding geven tot therapieontrouw.

Voor naasten is het feit dat de zorgvrager longziekten heeft niet gemakkelijk. Vaak moeten zij zelf dit

leren accepteren, terwijl zij tegelijkertijd voor de taak staan hun naaste (de zorgvrager) te

ondersteunen. De kans bestaat dat zij in hun rol als naasten te kort schieten: ineffectieve coping. Bij

kinderen geldt daarbij nog de onzekerheid over het omgaan en opvoeden van het kind.

De meeste interventies die de longverpleegkundige uitvoert, liggen op het psychosociale gebied.

Zij is erop gericht de zorgvrager en naasten het vertrouwen in de situatie, de arts en in henzelf terug

te laten vinden. Daarbij brengt zij ook de positieve kanten van het (dagelijks) leven onder de

aandacht.

In bepaalde situaties is ondersteunende begeleiding echter niet toereikend. Zij zal dan overgaan tot

coachende of meer sturende begeleiding. Dit is afhankelijk van de aard van de problemen, de

gemoedstoestand en de verstandelijke condities van de zorgvrager en mantelzorger.

Competentie

Om de zorgvrager met longziekten in staat te stellen het evenwicht te vinden tussen de gevolgen

van de ziekte en de behandeling enerzijds en de eisen die hij aan zijn leven en zijn levensstijl stelt

anderzijds, begeleidt de longverpleegkundige hem op een professionele en cliëntgerichte wijze,

zodat hij beter in staat is zijn problemen te hanteren en meer samenhang in zijn leven ervaart.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• voorlichting geeft aan de individuele zorgvrager met longziekten of naasten: informatie,

instructie, educatie en begeleiding

• gesprekstechnieken en educatiemiddelen aanpast aan het niveau en

verwerkingsproces van de zorgvrager en informatie (ook van andere disciplines) op een

begrijpelijke manier overdraagt

• advies en instructie geeft over praktische zaken zoals hulpverleningsmogelijkheden en

21


hulpmiddelen en medicatie

• de omgeving van de zorgvrager beïnvloedt waardoor deze veiliger wordt, een klimaat

schept waarin preventie kan gedijen en gebruik maakt van interventiemethoden die

hem stimuleren tot gewenst gedrag

• het sociale netwerk van zorgvragers met longziekten begeleidt en

opvoedingsondersteuning geeft aan ouders van kinderen met longziekten

• psychosociale zorg verleent bij het verwerken van de ziekte (verlieservaring), het

aanvaardingsproces en het aanpassingsproces

• de zorgvrager begeleidt bij diverse gemoedstoestanden en bij praktische, sociale,

ethische en levensbeschouwelijke zaken

• de communicatie bevordert van de zorgvrager met derden en deze in stand houdt

• een groep begeleidt bij activiteiten en interacties in groepsprocessen met een

therapeutisch karakter

• zelfstandig een verpleegkundig spreekuur voert.

Competentie

Om het zelfmanagement te bevorderen van zorgvragers met longziekten begeleidt de

longverpleegkundige de zorgvragers op een professionele en cliëntgerichte wijze, zodat deze een

gezondere leefstijl kiest op basis van een grotere mate van zelfmanagement, dan wel verlichting

van lijden ervaart.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• een respectvolle samenwerkingsrelatie creëert

• een afweging maakt tussen professioneel perspectief (afgeleid van de objectieve ernst

van longziekten) en het perspectief van de zorgvrager (afgeleid van zijn beleving van de

longziekte)

• de inhoud van een consult vaststelt

• de veranderingsbereidheid vaststelt

• de motivatie en self-efficacy versterkt passend bij de veranderingsbereidheid

• vaststelt wanneer gedragsverandering en verlichting van lijden prioriteit heeft

• zelfstandig een verpleegkundig spreekuur voert.

H. Kerntaak: Verpleegtechnisch handelen

Verpleegtechnisch handelen is het uitvoeren van handelingen inzake diagnostische en

therapeutische werkzaamheden van de eigen en van andere disciplines. Hiermee wordt gedoeld op

zowel voorbehouden handelingen, als op overige verrichtingen die wel risicovol zijn.

Competentie

Voor haar eigen diagnostische en therapeutische werkzaamheden en die van andere disciplines,

zoals de (kinder)longarts, voert de longverpleegkundige verpleegtechnische handelingen volgens

voorschriften uit, zodat de zorgvrager kan vertrouwen op deskundige en adequate behandeling van

zijn benauwdheidproblemen en de gevolgen hiervan.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• in overleg met de arts de (poliklinische) behandeling van benauwdheidaanvallen bij

longziekten uitvoert

• uitvoering geeft aan verpleegtechnische handelingen en deze volgens voorschriften

toepast, zoals het toedienen van zuurstof en het toedienen van medicijnen in acute

fasen, non-infasieve beademing en het afnemen van spirometriemetingen

• zorgdraagt voor het medicijngebruik van de zorgvrager

• vitale functies bewaakt

• meewerkt aan klinisch diagnostische onderzoek en behandeling, uitgevoerd door de

eigen discipline en andere disciplines.

22


I. Kerntaak: Preventie

Ten aanzien van preventie wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire preventie (voorkomen

dat een gezondheids- en/of daaraan gerelateerde bestaansproblemen ontstaat), secundaire

preventie (opsporen van een gezondheids- en/of daaraan gerelateerde bestaansprobleem in een

vroeg stadium) en tertiaire preventie (verbeteren van het functioneren en verminderen van het

lijden van zorgvragers).

Competentie

Om de prevalentie van longziekten te verlagen en de aanwezige ziekten in ernst te verminderen

worden schadelijke factoren opgespoord en bestreden, zodat factoren die de ziekte of de gevolgen

hiervan verergeren zoveel mogelijk worden vermeden, zich uitend in het zo lang mogelijk in stand

houden van gezondheid en kwaliteit van leven.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• specifieke kenmerken van risicopopulaties, symptomen van en reacties op ziekten of

stoornissen kan signaleren en interpreteren, en op basis hiervan primaire preventie

toepast

• vroegtijdig en pro-actief interventies uitvoert, waarbij zij keuze maakt uit verschillende

beïnvloedingsmethoden, zo mogelijk gebaseerd op wetenschappelijke inzichten

• een situatieanalyse maakt op basis waarvan besloten wordt dat GVO nodig is

• cursussen aan kinderen en volwassenen met longziekten geeft om kennis te vergroten,

vaardigheden te verbeteren, de self-efficacy te verhogen en de positieve coping te

optimaliseren op het gebied van: stoppen met roken, saneren, leefregels,

hulpmiddelengebruik

• voorbeeldgedrag toont en niet rookt in aanwezigheid van zorgvragers

• op verzoek meewerkt aan landelijke screeningsprogramma ’s en een bijdrage levert aan

de uitvoering hiervan

• zelfstandig een verpleegkundig spreekuur voert.

J. Kerntaak: Saneren

De longverpleegkundige spoort op systematische wijze prikkels op in de leefomgeving van de

zorgvrager om de ernst van longziekten te verminderen. Het is belangrijk dat saneringsadviezen en

-maatregelen afgestemd zijn op de ziekte, de betrokken prikkel en de medicamenteuze en overige

behandeladviezen, en dat de zorgvrager gemotiveerd is.

Competentie

Om klinische symptomen van zorgvragers te verminderen optimaliseert de longverpleegkundige

de leefomgeving van de zorgvrager. Zij neemt maatregelen of voert activiteiten uit die blootstelling

aan relevante allergene- en niet allergene prikkels verminderen, zodat klinische symptomen van

longziekten bij zorgvragers op den duur verminderen.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• een allergeen-, en irritantia-inventarisatie sanatieplan kan opstellen.

• de zorgvrager motiveert om het sanatieplan uit te voeren en hierbij rekening houdt met

de wenselijkheid en haalbaarheid van het plan

• voorlichting, instructie en advies geeft betreffende de te nemen maatregelen in de

woon- en werkomgeving

• de zorgvrager bij uitvoering begeleidt en de klinische effecten van de sanatie evalueert

• wanneer nodig het plan bijstelt

• nazorg blijft geven om de gedragsveranderingen te bestendigen.

23


K. Kerntaak: Coördineren van de totale zorg

Coördineren is het op elkaar afstemmen van de verschillende vormen van zorg rond de zorgvrager.

Hiervoor is overleg nodig met de eigen en andere disciplines. De coördinatie is ook gericht op het

bewaken van de continuïteit van de verpleegkundige zorg of andere multidisciplinaire zorg.

Rapporteren en overdracht zijn hiervoor belangrijke vereisten.

Competentie

Om continuïteit in de zorgverlening te realiseren coördineert de longverpleegkundige de totale

zorg, zodat er geen hiaten, overlappingen of tegenstrijdigheden in de totale zorgverlening ontstaan

en de continuïteit wordt gewaarborgd.

Competentie

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• contacten onderhoudt met andere disciplines ten behoeve van de uniformiteit,

continuïteit en coördinatie van de (totale) verleende zorg

• de behandelend arts raadpleegt bij twijfel of bij complicaties

• ervoor zorgt dat de zorgvrager tijdig naar de juiste hulpverlener wordt doorverwezen

• de verleende zorg en gegeven adviezen vastlegt in het verpleegkundige dossier

• schriftelijke rapporteert aan derden over de verleende longverpleegkundige zorg

• in multidisciplinair verband optreedt als casemanager van de zorgvrager (als schakel

binnen de zorgketen).

L. Kerntaak: Evalueren van het verpleegproces en van het totale zorgproces

De longverpleegkundige beoordeelt het effect van haar verpleegkundige interventies. Dat betekent

dat zij nagaat of er verbetering is in de richting van de beoogde resultaten, of de zorg efficiënt en

effectief is uitgevoerd en of de zorgvrager tevreden is.

Competentie

Om de kwaliteit van het verpleegproces en het totale zorgproces te beoordelen evalueert de

longverpleegkundige tussentijds en na afsluiting van het zorgproces, zodat het effect van de

zorgverlening wordt bewaakt en de zorgverlening wanneer nodig wordt bijgesteld.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• nagaat wat het effect is van de uitgevoerde verpleegkundige interventies (informatie,

instructie, educatie en begeleiding, en de genomen maatregelen) aan zorgvragers en

hun naasten, zowel tussentijds als na afloop

• hierbij evaluatiecriteria hanteert

• tussentijdse veranderingen signaleert en op basis hiervan het verpleegplan bijstelt

• aan derden zoals de longarts en kinderarts rapporteert over de verleende zorg.

5.3 Professiegebonden taken

A. Kerntaak: De eigen deskundigheid bevorderen

De longverpleegkundige is ervoor verantwoordelijk de eigen deskundigheid op peil te houden.

Hierdoor kan zij de kwaliteit van haar beroepsuitoefening garanderen en een bijdrage leveren aan

de professionalisering van het verpleegkundig beroep. Zij participeert in een netwerk en de

beroepsvereniging (NVL), en draagt mede zorg voor relevante literatuur.

Competentie

Inherent aan de functie van longverpleegkundige is permanente educatie noodzakelijk, zodat de

kwaliteit van de beroepsuitoefening door de longverpleegkundige voldoet aan maatschappelijke

en beroepsinhoudelijke criteria.

24


Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• eigen kennis en vaardigheden verwerft en op peil houdt door het volgen van bij- en

nascholingsprogramma ’s, themabijeenkomsten, klinische lessen, symposia en

congressen, participeren in intercollegiale bijeenkomsten en het bijhouden van

vakliteratuur

• een levenslange leerhouding ontwikkelt en van daaruit leermogelijkheden uit de

beroepspraktijk en wetenschappelijke: ‘evidence-based’ of ‘best’ practice kennis

signaleert en interpreteert

• zich laat instrueren, adviseren en voorlichten over methoden, technieken,

classificatiesystemen, verpleegkundige theorieën en modellen in het bijzonder met

betrekking tot longverpleegkunde

• uit eigen ervaringen leert door te reflecteren op haar eigen handelen

• de grenzen hanteert van haar eigen deskundigheid en zo nodig consult vraagt.

B. Kerntaak: De deskundigheid van anderen bevorderen

De longverpleegkundige is verantwoordelijk voor deskundigheidsbevordering van anderen.

Hierdoor kan zij de kwaliteit van de beroepsuitoefening van anderen bevorderen.

Competentie

Om hiaten in deskundigheid van anderen te voorkomen draagt de longverpleegkundige

voortdurend zorg voor bij- en nascholing, zodat de kwaliteit van de beroepsuitoefening door eigen

en andere disciplines voldoet aan maatschappelijke en beroepsinhoudelijke criteria.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• een bijdrage levert aan individuele en teamgerichte overdrachten, intervisie- en

themabijeenkomsten, symposia en congressen

• zelfstandig bij- en nascholingsprogramma ’s en klinische lessen verzorgt

• op verzoek van collega’ s en andere disciplines binnen de instelling of derden (verpleegen

verzorgingshuizen, thuiszorginstellingen en mantelzorgers), informatie en advies

geeft over longziekten

• een scala van didactische werkvormen kan hanteren passend bij de diverse

cursistengroepen

• informatie op een begrijpelijke wijze kan overbrengen aan diverse doelgroepen

professionals: een presentatie of lezing verzorgen en een artikel schrijven

• (nieuwe) collega’s, leerlingen en stagiaires begeleidt en instrueert in alle fasen van het

verpleegproces.

C. Kerntaak: Consultatie

De longverpleegkundige treedt op als consulent en geeft inhoudelijke adviezen aan andere

hulpverleners, zoals verpleegkundigen, medici en paramedici, over hulpverlening aan zorgvragers

met longziekten. Deze consulten zijn zowel zorgvragergebonden als niet-zorgvragergebonden.

Door het registreren van de aard van de consultaties kunnen tekortkomingen en problemen in de

zorgverlening worden opgespoord.

Competentie

Om de zorgverlening door andere medewerkers van eigen en andere disciplines te verbeteren

verleent de longverpleegkundige consulten, zodat de consultvrager zorg van goede kwaliteit kan

verlenen.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• consultvragen van derden analyseert en op verzoek van individuele collega’s

(verpleegkundigen en verzorgenden) en medewerkers van andere disciplines binnen en

buiten de instelling, consultatie geeft over longverpleegkunde

• consultvragen omzet in programma’s voor deskundigheidsbevordering, in richtlijnen

en protocollen.

25


D. Kerntaak: De kwaliteit van verpleegkundige zorg bevorderen

De longverpleegkundige draagt zorg voor een goede kwaliteit van de verleende zorg die aansluit

bij de behoefte van de zorgvrager en doelmatig en doeltreffend is. Naast de zorg voor de

individuele zorgvrager bevordert zij ook de kwaliteit van zorg voor de zorgvragersdoelgroep. Dit

doet zij onder andere door op systematische wijze knelpunten in de verpleegkundige zorgverlening

op te sporen en aan de orde te stellen. Maar ook door het ontwikkelen en verspreiden van

richtlijnen, die gebaseerd zijn op ‘evidence-based’ practice of op consensus over ‘best practice’. Zij

werkt hierbij met vastgestelde kaders voor richtlijnontwikkelingen en doet dit in instellingsverband,

met beroepsgenoten in regionale of landelijke beroepsverenigingen, eventueel met andere

instanties zoals vereniging van medische specialisten, CBO enzovoort. Voorbeelden hiervan zijn:

richtlijn zuurstofvoorziening, richtlijn sanering en richtlijn vernevelen.

Competentie

Om de zorg, aan zorgvragers met longziekten te standaardiseren, overdraagbaar te maken en de

kwaliteit te borgen, hanteert de longverpleegkundige verschillende instrumenten zoals richtlijnen,

standaarden en protocollen, zodat de zorgvrager en mantelzorger informatie en zorg ontvangen

gebaseerd op de meest recente ‘evidence-based’ practice en de hoogst haalbare kwaliteit.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• onderwerpen kiest die zich lenen voor veralgemenisering en kwaliteitsverbetering

• formats gebruikt die een instellings- dan wel landelijk karakter hebben

• indien meerdere disciplines bij de zorg betrokken zijn deze disciplines bij de

richtlijnontwikkelingen betrekt

• een bijdrage levert aan richtlijnen die door andere (medische) disciplines worden

ontwikkeld en waar ook zorgtechnische aspecten aan verbonden zijn, zoals het geven

van voorlichting en instructie aan zorgvragers en mantelzorgers

• richtlijnen implementeert en deze in de praktijk toetst

• richtlijnen op vastgestelde tijden bijstelt aan de meest recente wetenschappelijke

informatie of nieuwe inzichten.

E. Kerntaak: De beroepsuitoefening professionaliseren

Professionalisering heeft betrekking op het ontwikkelen van opvattingen over taken, houding en

verantwoordelijkheden van de longverpleegkundige. De beroepsuitoefening wordt zo afgebakend

van andere disciplines. Ondersteunend hierbij zijn de eigen beroepsorganisatie: de NVL en de

regionale netwerken.

Het werk van de longverpleegkundige overstijgt de eigen afdeling, zorgeenheid en ziekenhuis.

Regionaal vindt informatie-uitwisseling, afstemming en tot slot overeenstemming plaats om

kwaliteitszorg en zorginnovatie te bevorderen.

Competentie

Om het beroep van longverpleegkundige te ontwikkelen tot een professie die aansluit bij de

maatschappelijke ontwikkeling vervult de longverpleegkundige een actieve rol in de relevante

zorgvernieuwing, zodat opvattingen over beroep worden onderhouden.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• een bijdrage levert aan de positie van de eigen beroepsgroep door te participeren in

netwerken van belangen- en beroepsgroepen van de eigen beroepsorganisatie NVL

• haar eigen functie-inhoud en uitvoering ontwikkelt

• op een hoger plan werkt op het gebied van consultschappen, zorginnovatie, zorgbeleid

en onderzoek

• behalve voor haar eigen instelling ook regionaal en landelijk in interdisciplinaire

samenwerkingsverbanden werkt

• een bijdrage levert aan het ontwikkelen van een functie- en beroepsdeelprofiel

26


• zich identificeert met de waarde van het beroep en deze in de dagelijkse praktijk

uitdraagt

• deelneemt in professionele verenigingen en hiervan afgeleide werk- en taakgroepen

• deelneemt aan het opzetten van verrpleegkundige adviesraden

• participeert bij de implementatie van nieuwe classificatiesystemen, standaarden en

modellen

• verworven kennis en vaardigheden overdraagt aan beroepsgenoten onder andere door

het verzorgen van presentaties en scholing als ook publicaties, voor zover mogelijk

‘evidence-based’ of ‘best’ practice.

F. Kerntaak: Innovatie en onderzoek

Zorg is aan verandering onderhevig, waardoor vernieuwingen noodzakelijk blijven. Problemen in de

zorgverlening kunnen op twee manieren door onderzoek worden ondersteund. Enerzijds kunnen

problemen vertaald worden naar onderzoeksvragen en anderzijds kunnen reeds bestaande

resultaten, verkregen door ‘evidence-based’ en ‘best’ practice, worden toegepast.

Innovatie of zorgvernieuwing is een taak van de longverpleegkundige, zowel in de eigen

werksetting als in regionaal verband. Een belangrijk onderdeel hierbij is de implementatie op de

werkvloer. Voorbeelden van zorgvernieuwing zijn: het invoeren van een medicijnenwijzer, die

multidisciplinair in regionaal verband gebruikt gaat worden, substitutie van taakuitvoering bij

controle zorgvragers van longarts naar longverpleegkundige en van huisarts naar

longverpleegkundige, en het opzetten van een rookstop-beleid en rookstop-poli.

Competentie

Om de zorg aan zorgvragers met longziekten te verbeteren, levert de longverpleegkundige een

bijdrage aan wetenschappelijk onderzoek en zorgvernieuwing, zodat de zorg efficiënt, effectief en

met behoud of verbetering van kwaliteit wordt uitgevoerd.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• vernieuwing op de werkvloer implementeert, bijvoorbeeld door scholing van

medewerkers, aanpassen van werkprocessen, ontwerpen van nieuw

voorlichtingsmateriaal en begeleiden van medewerkers bij de invoering van de nieuwe

werkwijze

• de kwaliteit borgt door jaarlijkse updates, bijvoorbeeld door het instellen en

bijeenroepen van een werkgroepen

• de vraagstelling genereert bij individuele problemen tot algemene onderzoeksvragen

• onderzoek initieert door anderen voor het probleem te interesseren

• een bijdrage levert aan het opstellen van een onderzoeksaanvraag

• een bijdrage levert aan de uitvoering van het onderzoek

• resultaten uit wetenschappelijk werk naar de eigen werksituatie vertaalt.

5.4 Organisatiegebonden taken

A. Kerntaak: Zorgbeleid en het beleid van de organisatie-eenheid

Vanuit haar inhoudelijke deskundigheid levert de longverpleegkundige een bijdrage aan het

ontwikkelen, bijstellen, vaststellen en uitvoeren van beleid. Zij moet op de hoogte blijven van

nieuwe ontwikkelingen, bijvoorbeeld het ontstaan van nieuwe producten (medicatie,

voorlichtingsmateriaal) en deze eventueel introduceren in de organisatie.

Competentie

Om de zorgvernieuwing gestalte te kunnen geven ontwikkelt de longverpleegkundige zorgbeleid,

zodat de voorwaarden om zorg op een gewenst kwaliteitsniveau uit te kunnen voeren, aanwezig

zijn.

27


Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• op de hoogte is van vernieuwingen op het gebied van verpleegtechnisch apparatuur

• beleid ontwikkelt vanuit gesignaleerde knelpunten in de organisatie-eenheid of

instelling

• de organisatorische maatregelen implementeert rondom zorgvernieuwingen, zoals het

opzetten van een poli

• vanuit het nieuw ontwikkelde beleid ook beleid ontwikkelt voor de bijhorende nieuwe

taken van verpleegkundigen en verzorgenden en de daarvoor noodzakelijke scholing

en deskundigheidsbevordering.

B. Kerntaak: Bijdragen aan het beheer van de organisatie-eenheid

Ook beheersmatig heeft de longverpleegkundige een aantal voorwaardenscheppende taken. Het

gaat bijvoorbeeld om beheer en aanschaf informatiematerialen, literatuur en in sommige gevallen

vernevelaars of longfunctieapparaten.

Competentie

Om te zorgen dat financiële middelen en hulpmiddelen steeds voorradig zijn, verricht de

longverpleegkundige beheersmatige taken, zodat de zorg doelmatig, doeltreffend en veilig wordt

gegeven.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• verpleegtechnische apparatuur gebruikt en zorg draagt voor het onderhoud

• volgens de vastgestelde richtlijnen handelt, zoals de richtlijn zuurstofvoorziening, de

richtlijn sanering en de richtlijn vernevelen

• op effectieve en efficiënte wijze omgaat met materiële, financiële en personele

middelen van de organisatie-eenheid

• bureauactiviteiten voertuit en geautomatiseerde registratie- en informatiesystemen kan

hanteren.

C. Kerntaak: Samenwerken

Voor de uitvoering van de verpleegkundige zorg werken de meeste longverpleegkundigen

solistisch. De longverpleegkundige gaat bij multidisciplinaire en transmurale zorg

samenwerkingsrelaties aan met andere beroepsgenoten, deskundigen en behandelaars. Met deze

deskundigen en behandelaars wordt op instellings-, regionaal en landelijk niveau samengewerkt

om afstemming te bereiken. Op instellingsniveau betreft dit bijvoorbeeld GVO, op regionaal niveau

innovatieprojecten en op landelijk niveau werkt zij samen met de CBO en de AVVV aan de

ontwikkeling van richtlijnen en protocollen.

Competentie

Om continuïteit in de directe patiëntenzorg te realiseren en de zorg regionaal en landelijk op een

hoger niveau te tillen, gaat de longverpleegkundige samenwerkingsrelaties aan met eigen en

andere disciplines, zodat de kwaliteit van de gewenste zorgverlening op een aanvaardbaar niveau

plaatsvindt.

Dit betekent in concreet handelen en gedrag dat de longverpleegkundige:

• adequaat omgaat met feedback, waardering en kritiek

• haar eigen mening geeft en opkomt voor haar eigen positie

• fungeert als contactpersoon tussen relevante disciplines of instellingen

• samenwerkt met collega’s van de eigen instelling

• samenwerkt met medewerkers van gezondheidszorg gerelateerde disciplines van de

eigen instelling: artsen, huisartsen en specialisten) zoals: internisten, allergologen,

kinderartsen, longartsen, kinderlongartsen

• in de huisartsenpraktijk samenwerkt met praktijkondersteuner en doktersassistenten

• daarnaast samenwerkt met diëtisten, bewegingsagogen, fysiotherapeuten,

28


ergotherapeuten, logopedisten, maatschappelijk werkenden, longfunctielaboranten,

ademtherapeuten, psychologen, orthopedagogen, pedagogisch medewerkers en

psychomotore-therapeuten

• deelneemt aan overlegsituaties die voor uitoefening van de functie of het functioneren

van de dienst als totaal noodzakelijk zijn

• samenwerkt met andere instanties buiten de instelling, zoals:

o Regionaal Indicatie Orgaan (RIO)

o zorgverzekeraars

o GGZ-instellingen

o verpleeg- en verzorgingshuizen en herstellingsklinieken

o centra voor longrevalidatie

o GGD: schoolartsen, schoolverpleegkundigen en leerkrachten

o producenten van medicatie en voorlichtingsmaterialen

o leveranciers van hulpmiddelen en zuurstof

o sociale dienst van gemeenten (WVG)

o gemeenten en woningstichtingen

o Algemeen Nederlands Gehandicapten Organisatie (ANGO)

o Astmafonds en overige patiëntenverenigingen

o opleidingsinstituten (ROC, Hogescholen en vervolgopleidingen).

29


Bijlagen

Begrippenlijst

Beroepsdeelprofiel

Best practices

Casemanagement

Deelgebied van

verpleegkundige

beroepsuitoefening

Differentiatie

Evidence-based

nursing

Format

beroepsdeelprofiel

(Kern)competenties

Kernopgaven

Kerntaken

Niveau van

verpleegkundige

beroepsuitoefening

Saneren

Een verbijzondering van het verpleegkundig beroepsprofiel, gericht op

een expliciete beschrijving van verpleegkundige beroepsuitoefening,

verbonden aan een niveau en verbonden aan een welomschreven groep

zorgvragers.

A best practice is a technique or methodology that, through experience,

has proven to reliably lead to a desired result. A commitment to using the

best practices in any field is a commitment to using all the knowledge

and technology at one's disposal to ensure success. The term is used

frequently in the fields of health care, government administration, the

education system, project management, hardware and software product

development, and elsewhere.

Casemanagement binnen zorg- en dienstverlening is het proces van

regisseren van Managed Care, Disease Management en de inbreng en

betrokkenheid van relevante (maatschappelijke) factoren teneinde het

remdement van (samengestelde) zorgprocessen en

dienstverleningsketens te optimaliseren.

Een te onderscheiden deel of terrein van verpleegkundige

beroepsuitoefening op basis van een representatieve groepering van

zorgvragers. Dat wil zeggen een groepering van zorgvragers met eigen,

herkenbare en te generaliseren zorgvragen.

Een te onderscheiden vorm van verpleegkundige zorg aan specifieke

zorgvragers binnen een bepaald deelgebied op een bepaald niveau.

Evidence-based practice is het gewetensvol, expliciet en oordeelkundig

gebruik van het huidige beste bewijsmateriaal om beslissingen te nemen

voor individuele patiënten.

Raamwerk met richtlijnen dat beroepsdeelprofielen voorziet van een

gestandaardiseerde basis (AVVV)

De vermogens van een verpleegkundige om kernopgaven in

beroepsuitoefening op een adequate, proces- en productgerichte wijze

aan te kunnen pakken.

De opgaven of problemen waarmee een verpleegkundige regelmatig te

maken heeft, die kenmerkend zijn voor het beroep en waarbij van de

verpleegkundige een oplossing en een aanpak wordt verwacht.

Dergelijke problemen stellen de verpleegkundige voor keuzes of

dilemma's en zijn daarmee complex van aard.

Sets van inhoudelijk samenhangende beroepsactiviteiten die door een

belangrijk deel van de verpleegkundigen worden uitgeoefend; dat wil

zeggen: zij weerspiegelen de kenmerkende werkzaamheden van de

verpleegkundige, geordend in logische volgorde van het beroep.

Beroepsuitoefening geordend naar verpleegkundige bekwaamheid, die

parallel loopt met een groei in professionele beroepsuitoefening en met

beroepservaring. Een niveau in beroepsuitoefening is niet alleen

gekoppeld aan specialisatie in een bepaald type zorg.

Saneren is de leefomgeving van de zorgvrager optimaliseren door die

maatregelen te treffen of activiteiten uit te voeren om de vermindering

van de blootstelling aan relevante allergene en niet-allergene prikkels te

bewerkstelligen, met als doel een vermindering van klinische symptomen

van longziekten bij zorgvragers.

30


Self-efficacy

Verpleegkundige

beroepsstructuur

Self-efficacy is aangeleerde verwachting van succes, gerelateerd aan

gedrag in een bepaalde situatie, ongeacht de obstakels.

Structuur van niveaus en deelgebieden in verpleegkundige

beroepsuitoefening.

Gebruikte afkortingen

AIV

ANGO

AVVV

AZG

CAD

CBO

COPD

GGD

NHLBI

NIVEL

NIZW

NVCV

NVL

RIMV

ROC

RIO

STG

WHO

WVG

Advies, Instructie en Voorlichting

Algemene Nederlandse Gehandicapten Organisatie

Algemene Vereniging voor Verpleegkundigen en Verzorgenden

Academisch Ziekenhuis Groningen

Consultatie Bureau voor Alcohol en Drugs

Centraal Begeleidingsorgaan voor Intercollegiale Toetsing

Chronic Obstructive Pulmonary Disease

Gemeentelijke Gezondheidsdienst

National Heart, Lung and Blood Institute

Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg

Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn

Nederlandse Vereniging van Cara Verpleegkundigen

Nederlandse Vereniging van Longverpleegkundigen

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu

Regionaal Opleidingscentrum

Regionaal Indicatie Orgaan

Stichting Toekomstscenario Gezondheidszorg

World Health Organisation

Wet Voorzieningen Gehandicapten

31


Geraadpleegde bronnen

Th. Achterberg, Effectief Verplegen 1 (Dwingeloo 2002)

Beroepsdeelprofiel diabetesverpleegkundige. Eerste Associatie van diabetes verpleegkundigen (2001)

J.E.M.H. Bronswijk, Allergologische woningsanatie en de rol van de wijkverpleegkundige

Format beroepdeelprofiel AVVV (Utrecht 2002)

Functieprofiel van de Gespecialiseerde Verpleegkundige-Cara. Nederlandse Vereniging van Cara-

Verpleegkundigen (‘s Gravenmoer 1996)

Global Initiative for Chronic Obstructive Lung Disease (2000)

K. Cox e.a. Evidence-based practice voor verpleegkundigen; methodiek en implementatie (Utrecht 2004)

M. P. Ter Hinkel e.a. Richtlijn zelfmanagement van patiënten met COPD in de huisartsenpraktijk (Utrecht

2003)

E. Leistra e.a. Beroepsprofiel van de verpleegkundige (Maarssen/Utrecht 1999)

A. Pool e.a., Met het Oog op de toekomst; beroepscompetenties van hbo-verpleegkundigen (Utrecht

2001)

Pool en Egberts, Verpleegkundige psychosociale zorg aan chronisch zieken (Utrecht 1998)

Stuurgroep Toekomstscenario’s Gezondheidszorg, Lucht via lijnen; een verkenning van disease

management bij COPD en astma (Zoetermeer 2000)

Opstellers beroepsdeelprofiel

Dit beroepsdeelprofiel is tot stand gekomen binnen het kader van het programma

Beroepsontwikkeling van de Algemene Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden (AVVV). Het

is samengesteld door de ontwikkelgroep Beroepsdeelprofiel Longverpleegkundige, bestaande uit

vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Longverpleegkundigen (NVL):

Nicolien Wiers, longverpleegkundige/teamcoördinator: AZG, Centrum voor revalidatie,

longrevalidatieteam, Groningen/Haren

Ada de Jong, verpleegkundig specialist Kind en Jeugd, Ziekenhuis de Heel, Zaandam

Raymond van Duurling, verpleegkundig specialist astma en COPD, academisch ziekenhuis,

Maastricht

Annet Setz, longverpleegkundige: astma en COPD, icare, Emmen.

32

More magazines by this user
Similar magazines