NJB-1510

jaapbaar

NJB-1510

NEDERLANDS JURISTENBLAD

DIGITALISERING

STRAFRECHTSKETENS

IN EUROPA

• Overschrijding redelijke termijn: actie

• Executieplicht van het OM

• Van ’s Konings Dierentuin naar

Reflectie-Kamer

• Stemmen bij volmacht

• Meer over immuniteit en

geheimhoudingsplicht

P. 610-664 JAARGANG 90 13 MAART 2015

10

10311893


Inleiding tot het Nederlandse

Internationaal Privaatrecht

Deze inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht is bestemd voor studenten

en voor hen die zich snel op een bepaald onderwerp van ipr willen oriënteren.

De nadruk in deze inleiding ligt op het conflictenrecht of verwijzingsrecht, maar ook de hoofdzaken van het internationaal

bevoegdheidsrecht en het recht inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse rechterlijke beslissingen

worden behandeld. Het internationaal privaatrecht is geen rustig bezit. Het wordt gekenmerkt door snelle ontwikkelingen.

Om het dynamische karakter van het internationaal privaatrecht tot zijn recht te laten komen, wordt in dit boek niet

volstaan met een momentopname maar is getracht de stof zo veel mogelijk in zijn ontwikkeling te schetsen.

Deze twaalfde druk is up-to-date gebracht met name met nieuwe Europese regelgeving, rechtspraak en literatuur.

Redactie:

L. Strikwerda

Druk: 11

ISBN: 9789013127003

Datum verschijning: 9 januari 2015

Aantal pagina’s: 356

Prijs:

€ 42,- (incl. btw)

www.kluwer.nl/shop

in onze shop bestelt u zonder verzendkosten


P. 610-664 JAARGANG 90 13 MAART 2015

Inhoud

Vooraf 497 611

Prof. mr. T. Hartlief

Opkomst en ondergang van

de klachtplicht

Wetenschap 498 612

Dr. S.A. de Blok

A.P. Seepma MSc

Prof. dr. D.P. van Donk

Mr. I. Roukema

Ervaringen met digitalisering in

vier Europese strafrechtketens

Praktijk 499 619

Mr. J.L. Baar

Stilzitten loont niet,

als de tijd verstrijkt

Opinie 500 624

Mr. S. Meijer

De executieplicht van het

Openbaar Ministerie

O&M 501 626

Dr. J.A.O. Eskes

Van ’s Konings Dierentuin naar

Reflectie-Kamer

Opinie 502 627

Mr. R. Steenbergen

Stemmen bij volmacht

One man, one secret vote?

Reacties 503-504

Prof. mr. R.J.B. Schutgens 629

Ook uit de school klappende

raadsleden zijn immuun

Prof. mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens

Naschrift 630

Met het arrest EDCO/

FAR TRADING is de

zaak ROND:

de KLACHTPLICHT van

art. 6:89/7:23 is NIET

MEER dan een

SPECIFIEK geval van

RECHTSVERWERKING

Pagina 611

DIGITALISERING moet

ONDERDEEL worden van de

wijze waarop de KETEN werkt

en niet als een ADDITIONEEL

werkproces worden

OPGETUIGD Pagina 616

De ADVOCAAT zal zelf

moeten pogen om de zaak in

BEWEGING te krijgen en,

als beweging uitblijft, om de

INACTIVITEIT van het OM

af te doen straffen

Pagina 620

10311893

NEDERLANDS JURISTENBLAD

DIGITALISERING

STRAFRECHTSKETENS

IN EUROPA

• Overschrijding redelijke termijn: actie

• Executieplicht van het OM

• Van ’s Konings Dierentuin naar

Reflectie-Kamer

• Stemmen bij volmacht

• Meer over immuniteit en

geheimhoudingsplicht

10

Het is opvallend dat in dit enige

voorbeeld, waarbij de EERSTE

KAMER het KABINET

definitief de voet DWARS

zet, LOKALE BELANGEN

de hoofdrol spelen. Dat geeft te

denken Pagina 626

In NEDERLAND wordt

vaak gedacht dat ‘wij’ de

verkiezingen PERFECT

geregeld hebben, dus waar

zou de OVSE over kunnen

KLAGEN? Pagina 627

Rubrieken

505-516 Rechtspraak 631

517 Boeken 640

518-527 Tijdschriften 641

528-534 Wetgeving 649

535-537 Nieuws 656

538 Universitair nieuws 660

539 Personalia 662

540 Agenda 663

Omslag: File cabinets in a digital space

© Andrea Danti /Shutterstock

De OFFICIER VAN

JUSTITIE die met de

TENUITVOERLEGGING

van bevelen tot voorlopige

hechtenis is belast komt NIET

de VRIJHEID toe om zich

op grond van zijn EIGEN

OORDEEL aan die last te

onttrekken Pagina 625

De PARLEMENTAIRE

IMMUNITEIT beschermt

de volksvertegenwoordiger ook

in RECHTSSTATELIJK

MINDER ZONNIGE

TIJDEN, waarvan niemand

kan garanderen dat die er nooit

zullen komen Pagina 629

Van het gedateerde BOS/

POLARIS systeem is

AFSCHEID genomen. Daar

zijn korte, TRANSPARANTE

RICHTLIJNEN voor in de

plaats gekomen Pagina 657


NEDERLANDS JURISTENBLAD

Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven

Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion

(vz.), Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins, Taru Spronken,

Peter J. Wattel

Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht),

Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,

Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen -

beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en

rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,

Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,

bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en

jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,

Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts pleging,

Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechtssociologie,

P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,

C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,

straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht,

Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,

arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der

intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,

Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,

verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,

Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,

Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,

mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht

Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op

verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert

toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging

t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.

Citeerwijze NJB 2015/[publicatienr.], [afl.], [pag.]

Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,

Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,

tel. (0172) 466399, e-mail njb-NL@wolterskluwer.com

Internet www.njb.nl en www.wolterskluwer.nl

Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman

Adjunct-secretaris Berber Goris

Vormgeving Colorscan bv, Den Haag, www.colorscan.nl.

Uitgever Simon van der Linde

Uitgeverij Wolters Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.

Op alle uitgaven van Wolters Kluwer zijn de algemene

leveringsvoorwaarden van toepassing, zie www.wolterskluwer.nl.

Abonnementenadministratie, productinformatie Wolters

Kluwer Afdeling Klantenservice, www.wolterskluwer.nl/

klantenservice, tel. (0570) 673 555.

Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 322,51 (incl.

btw.). NJB Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 350

(excl. btw), extra gebruiker € 87,50 (excl. btw). Combinatieabonnement:

Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 350

(excl. btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 84 (excl. btw).

Bij dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt

u toegang tot NJB Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij

abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers

€ 7,85. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment

worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar

vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige

periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie

maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar

worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het

abonnement automatisch met een jaar verlengd.

Gebruik persoonsgegevens Wolters Kluwer legt de gegevens

van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over

eenkomst . De gegevens kunnen door Wolters

Kluwer, of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt

om u te informeren over relevante producten en diensten.

Indien u hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons

opnemen.

Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél

Capital Media Services

Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen

Tel. 024 - 360 77 10, mail@capitalmediaservices.nl

ISSN 0165-0483 NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en

augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van

deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de

auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid

voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch

voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën

uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m

16m Auteurswet jo. Besluit van 27 november 2002,

Stb. 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde

vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te

Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB).

Wet op het financieel toezicht

Tekst & toelichting - Wet

=

€ 199, 50

€ 285

COMBIDEAL

30% korting

bij aanschaf van

beide boeken

Wet op het financieel toezicht

Tekst & toelichting - Lagere Regelgeving

Houd inzicht in

de gelaagde

structuur van

de Wft

Sinds de inwerkingtreding van de Wet op

het financieel toezicht (Wft) hebben ruim

50 wetswijzigingen het daglicht gezien.

Daarmee ging een stroom aan

kamerstukken met officiële toelichtingen

gepaard hetgeen het achterhalen van de

complete toelichting bij de artikelen uit

de Wft tot een complexe en tijdrovende

zoektocht maakt.

3e druk | ISBN 9789013124507 | 1.812 pagina’s 1e druk | ISBN 9789013124514 | 1.568 pagina’s

Prijs: € 145,- (incl. btw)

Prijs: € 140,- (incl. btw)

Deze twee uitgaven besparen u

deze zoektocht!

Ga voor meer informatie of bestellen naar www.wolterskluwer.nl/wft


Vooraf

497

Opkomst en ondergang van de klachtplicht

10

Het kon de crediteur zomaar gebeuren: eerst

geconfronteerd worden met een tekortschietende

debiteur en dan ook nog een schadevergoedings-

of ontbindingsactie zien stranden op een beroep van

diezelfde schuldenaar op schending van de klachtplicht.

Neem Edco die petten van Far Trading koopt. Aangesproken

tot betaling stelt Edco dat de geleverde petten ondermaats

zijn. Far werpt vervolgens schending van de klachtplicht

tegen (art. 7:23 BW). Omdat gebruikelijk is dat geleverde

goederen meteen steekproefsgewijze worden gecontroleerd,

moet het probleem (kort) na aflevering op 21 april 2000

ontdekt zijn, zeker nu de petten ook nog zijn omgepakt.

Bovendien heeft Edco wel over verkeerde kleuren geklaagd

op 21 april. Over de kwaliteit echter pas op 4 juli. Nu dat

niet binnen bekwame tijd na ontdekking is, is Edco te laat,

zo vindt ook het hof: Edco moet alsnog betalen.

Na aanvankelijk een onbeduidend bestaan te hebben

geleid, werd de in art. 6:89 (algemeen) en 7:23 (non-conformiteit)

gesitueerde klachtplicht rond de eeuwwisseling

door de praktijk ‘ontdekt’. Zij kreeg daarbij ruim baan van

de Hoge Raad. Bij niet tijdig klagen verliest de crediteur al

zijn rechten. Een beroep op schending van de klachtplicht

behoort sindsdien tot de standaardverweren van tekortschietende

debiteuren.

Natuurlijk verdienen zij bescherming tegen late en

moeilijk te betwisten klachten. Zij mogen rekenen op tijdig

onderzoek en, mocht er iets mis zijn, op tijdig protesteren.

De ruimhartige rechtspraak voegde echter een

opmerkelijke variant toe aan de rechtsfiguren die gevolgen

verbinden aan tijdsverloop. Bij verjaring is enkel tijdsverloop

reden voor rechtsverlies, doch betreffen de termijnen

minimaal enkele jaren. Bij rechtsverwerking is enkel

tijdsverloop onvoldoende: vereist zijn bijzondere omstandigheden

zoals onredelijke benadeling van de debiteur of

verzwaring van diens positie.

Precies daartussenin manoeuvreerde zich de klachtplicht.

Zij lijkt op rechtsverwerking zij het dat de cruciale

rechtsgevolgen niet pas bij bijzondere omstandigheden

optreden maar toch al bij enkel tijdsverloop. Zo is feitelijk

sprake van verjaring maar dan na zeer korte tijd. Dat verklaart

de aantrekkingskracht. De balans was echter zoek:

de belangen van de teleurgestelde crediteur leken achtergesteld

bij die van de tekortschietende debiteur.

Kritiek kon niet uitblijven. Deze vergaande bescherming

van wanprestanten is toch niet terecht? De Hoge

Raad werd opgeroepen minder snel schending van de

klachtplicht aan te nemen althans de rechtsgevolgen te

matigen door niet steeds rechtsverlies op te leggen maar

op maat gesneden oplossingen zoals een tegemoetkoming

op het vlak van het te leveren bewijs.

Het blijkt niet aan dovemans oren gericht. Relativering

is troef in recente rechtspraak. 1 Of de crediteur tijdig heeft

geklaagd, is (buiten consumentenkoop) afhankelijk van alle

omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of en zo

ja welk nadeel de debiteur van het tijdsverloop ondervindt.

Dat tijdsverloop is dus niet doorslaggevend. De rechter

dient rekening te houden met enerzijds het ingrijpende

rechtsgevolg voor de crediteur (verval alle rechten) en

anderzijds met de concrete belangen waarin de debiteur is

geschaad door het late tijdstip van klagen zoals een benadeling

in zijn bewijspositie of aantasting van de mogelijkheden

de gevolgen van de wanprestatie te beperken.

Daarmee zijn we al sterk opgeschoven in de richting

van rechtsverwerking: verval van rechten is niet langer

aan tijdsverloop gekoppeld, maar vereist bijzondere

omstandigheden. In Edco/Far Trading 2 trekt de Hoge Raad

deze lijn door. In cassatie betoogt Edco dat het hof bij de

vraag of zij tijdig heeft geklaagd, niet op alle omstandigheden

heeft gelet en vooral niet op de vraag of Far werkelijk

nadeel heeft nu Edco pas op 4 juli heeft geprotesteerd.

Voor het eerst spreekt de Hoge Raad van specifieke

in de wet geregelde vormen van rechtsverwerking. In het

kader van de stelplicht en bewijslast bij 6:89/7:23 legt hij

vervolgens de link met dit leerstuk. Stelplicht en bewijslast

zijn pas aan de orde indien de schuldenaar een klachtplichtverweer

voert. Ambtshalve toepassen is niet toegestaan.

Voert de schuldenaar dit verweer dan rusten

stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten die

een beroep op art. 6:89/7:23 kunnen dragen juist op hem.

Het is immers een bevrijdend verweer. Het is dus aan verkoper

om te stellen wanneer het gebrek door de koper

ontdekt is of had moeten zijn én dat door tijdsverloop

inmiddels geen sprake meer is van tijdig klagen. Tegelijkertijd

is voor de vraag naar verval noodzakelijk vast te

stellen of en zo ja op welk moment is geklaagd. Hier geldt

dan een bijzondere regel in de zin van art. 150 Rv: het is

aan de crediteur (Edco) te stellen of en zo ja op welk

moment is geklaagd. Zou ook hier de stelplicht bij de debiteur

liggen dan zou te zeer afbreuk worden gedaan aan de

beschermende strekking van art. 6:89/7:23.

In casu komt Edco duur te staan dat zij niet kan verwijzen

naar eerdere stellingen over aan- of afwezigheid

van nadeel voor Far door het tijdsverloop. Ambtshalve

onderzoek stond het hof niet vrij. Het heeft zich gericht

op de vraag of de door Far gestelde feiten voldoende zijn

voor een beroep op art. 7:23. Als gezegd heeft Far gesteld

dat het gebrek kort na aflevering op 21 april moet zijn

ontdekt en dat Edco op die datum alleen over verkeerde

kleuren heeft geklaagd. Dat Far geen nadeel van het tijdsverloop

tot 4 juli heeft ondervonden, had Edco zelf moeten

betrekken bij haar betwisting van Fars art. 7:23-verweer.

Bij een gemotiveerd beroep van Far op nadeel zou

deze hiervan het bewijsrisico dragen.

Met dit arrest is de zaak rond: de klachtplicht van

art. 6:89/7:23 is niet meer dan een specifiek geval van

rechtsverwerking. Dat geldt niet alleen haar toepassingsvoorwaarden

en rechtsgevolgen, maar ook stelplicht en

bewijslast. Zo wordt aan de reële belangen van zowel

tekortschietende debiteur als teleurgestelde crediteur

recht gedaan. Het evenwicht is hersteld.

Ton Hartlief

1. Zie onder meer HR NJ 2013, 5 en HR NJ 2014, 495-497

2. HR RvdW 2015, 66

Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 611


498

Wetenschap

Ervaringen met

digitalisering in vier

Europese strafrechtketens

Carolien de Blok, Aline Seepma, Dirk Pieter van Donk en Inge Roukema 1

Digitalisering en automatisering van (delen van) het strafrechtproces beogen zowel omvangrijke

verbeteringen als kostenbesparingen. Het unieke karakter van het strafrecht maakt het lastig, zo niet

onmogelijk, een vergelijking te maken met digitaliseringstrajecten in andere (publieke) sectoren.

Dit artikel poogt op basis van een omvangrijke studie naar digitalisering van vier ogenschijnlijk voorop

lopende Europese landen (Denemarken, Engeland, Estland en Oostenrijk) inzicht te verwerven en mogelijke

lessen te trekken voor dit ambitieuze project in de Nederlandse strafrechtketen.

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de daaronder

ressorterende organisaties in het strafrecht

worden geconfronteerd met omvangrijke bezuinigingen.

Tegelijkertijd verwachten zowel maatschappij als

politiek dat het niveau van veiligheid en justitie gewaarborgd

blijft en zelfs verhoogd wordt. Volgens de Algemene

Rekenkamer is echter sprake van een niet goed functionerende

en presterende strafrechtketen, 2 oftewel de keten van

organisaties die betrokken zijn bij de opsporing, vervolging

en berechting van verdachten. Deze conclusie wordt door

de Minister van Veiligheid en Justitie onderschreven. 3 Voor

de fundamentele en ingrijpende verbetering van de prestaties

van de strafrechtketen is volgens de minister een groot

aantal maatregelen noodzakelijk. 4

In het Actieprogramma ‘Sneller recht doen, sneller

straffen’ 5 gaf de minister aan welke initiatieven in gang

zijn gezet voor een betere en snellere afdoening van strafzaken.

Het geheel van bestaande en nieuwe maatregelen

is sinds zomer 2012 gebundeld in het Programma Versterking

Prestatie Strafrechtketen (VPS) binnen het Directoraat-Generaal

Rechtspleging en Rechtshandhaving. Een

van de maatregelen voor de fundamentele en ingrijpende

verbetering van de prestaties van de strafrechtketen is de

beoogde invoering van het ‘digitaal procesdossier strafrecht’.

6 Het doel daarbij is een ‘digitaal ondersteunde procesgang

in het strafrecht, waarbij een digitaal procesdossier

de verbindende factor is. Werken met een digitaal

procesdossier betekent dat elke ketenorganisatie de eigen

producten digitaal beschikbaar stelt voor een volgende

stap in de keten door ze in te voegen in een digitaal procesdossier’.

7

Deze digitale uitwisseling van processtukken vormt

een eerste stap in het volledig digitaal werken in de strafrechtketen.

Het streven was dan ook om in 2016 de processtukken

in de strafrechtketen digitaal te kunnen uitwisselen

tussen de ketenpartners. 8 Hiertoe zijn al

verschillende veranderingen ingezet. Omdat het Wetboek

van Strafvordering uitgaat van papieren processtukken,

maakt het digitale procesdossier juridische voorzieningen

noodzakelijk voor de status van stukken in het procesdossier

evenals voor de inzage in processtukken door alle

relevante partijen. 9 In 2013 is een waarmerk-, teken- en

validatieservice ontwikkeld voor de ketenorganisaties.

Voor de waarborging van de authenticiteit en integriteit

van elektronische processtukken is in november 2014 het

wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering ingediend.

10

De veranderingen, zowel met betrekking tot digitalisering

als aanpalende veranderingen in het strafproces,

zoals het wijzigen van de wettelijke bepalingen rond het

strafproces, het afslanken van administratieve ondersteuning

en het uniformeren, standaardiseren en vereenvoudigen

van de wijze van werken door rechters, zijn door het

innovatieve karakter en de veelheid ervan zeer complex, 11

terwijl de verwachtingen vanuit politiek en maatschappij

ten aanzien van het verbeteren van prestaties in de keten

hooggespannen zijn. Beleidsrapporten en berichten in de

media over achtergebleven prestaties en hoge kosten van

digitaliseringsprojecten binnen de overheid 12 verhogen de

druk om digitalisering in de strafrechtketen te laten slagen.

Tegelijkertijd is er weinig kennis beschikbaar over

digitalisering in het domein van publieke dienstverlening

612 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


in het algemeen en al helemaal niet ten aanzien van digitalisering

van juridische processen. Inzicht in wat wel en

wat niet werkt ontbreekt dan ook vrijwel geheel. Echter,

Nederland is niet het enige land dat digitalisering en

digitale uitwisseling van informatie in de strafrechtketen

nastreeft. Ook in het buitenland is een tendens te zien

richting digitalisering en digitale informatieoverdracht,

zowel binnen organisaties in de strafrechtketen als

tussen organisaties die onderdeel uitmaken van de strafrechtketen.

13 Om te kunnen leren van ervaringen die

internationaal zijn opgedaan rondom het digitaliseren

van informatieoverdracht in de strafrechtketen heeft de

beleidsdirectie Veiligheid en Bestuur (DVB) het Wetenschappelijk

Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

verzocht hiernaar onderzoek te laten doen. Over de uitkomsten

van dit onderzoek, 14 uitgevoerd door de faculteit

Economie en Bedrijfskunde en de faculteit Rechtsgeleerdheid

van de Rijksuniversiteit Groningen, wordt in dit artikel

verslag gedaan.

Ketenperspectief

Het onderhavige onderzoek naar ervaringen rondom digitalisering

in het strafrecht neemt een ketenperspectief als

uitgangspunt. Om een keten als één geheel te laten werken

is het van groot belang dat de werkprocessen en werkzaamheden

van verschillende ketenpartners, zoals politie, OM en

rechtbanken, zo zijn georganiseerd dat zij goed op elkaar

aansluiten. Het afstemmen en coördineren van werkzaamheden

tussen ketenpartners wordt in het algemeen als

essentieel gezien om de prestaties van een keten, bijvoorbeeld

in termen van kwaliteit, snelheid en of kosten te verbeteren.

15 Daarin is de toepassing van informatie en communicatie

technologie (ICT) een belangrijk hulpmiddel. 16

Ook voor de Nederlandse strafrechtketen wordt verondersteld

dat digitalisering leidt tot betere overdracht van informatie

(in termen van kwaliteit en snelheid), waardoor organisaties

beter en gemakkelijker met elkaar kunnen

samenwerken en werkzaamheden met elkaar kunnen coördineren.

17 Tegelijkertijd zijn het ontwerp en de ontwikkeling

van een keten afhankelijk van de context waarin deze

keten wordt gevormd en moet opereren. 18 Wetgeving waarin

het rechtssysteem en de rol en positie van professionals

daarin worden omschreven vormt een belangrijk element

in de context van de strafrechtketen.

Wetgeving waarin het rechtssysteem

en de rol en positie van

professionals daarin worden

omschreven vormt een belangrijk

element in de context van de

strafrechtketen

Samenvattend brengt het voor dit onderzoek als uitgangspunt

genomen ketenperspectief drie elementen bij

elkaar: 1. organisatie van ketenpartners (en hun werkprocessen),

2. technologie en 3. de keten-specifieke context in

de vorm van wetgeving. Deze drie elementen vormen het

startkader voor de dataverzameling en -analyse in dit

onderzoek. Aan de hand van deze elementen abstraheren

we van zaak-specifieke kenmerken en individuele organisaties

in de strafrechtketen en gaan we op zoek naar

gemene delers en structuren die belangrijke lessen opleveren

voor het vormgeven van digitalisering in de Nederlandse

strafrechtketen.

Onderzoeksuitvoering

De vraag die in dit onderzoek centraal stond was: Welke

Auteurs

Nationale Politie, Openbaar Ministerie en

12. Tijdelijke commissie ICT projecten bij

F. Sahin & E.P. Robinson ‘Flow coordination

1. Dr. S.A. de Blok, A.P. Seepma MSc,

rechtspraak maar ook voor informatieuit-

de Overheid. Naar grip op ICT – Parlemen-

and information sharing in supply chains:

prof. dr. D.P. van Donk en mr. I. Roukema

wisseling met overige ketenpartners zoals

tair onderzoek naar ICT-projecten bij de

review, implications, and directions for

werkten ten tijde van het onderzoek allen

Koninklijke Marechaussee, Bijzondere

overheid, 15 oktober 2014.

future research’. Decision Sciences, 2002,

bij het Departement Operations, Faculteit

Opsporingsdiensten, Raad voor de Kinder-

13. M. Fabri & F. Contini (eds.): ’Justice and

vol. 33, no. 4, p. 505-536.

Economie en Bedrijfskunde aan de Rijks-

bescherming, reclasseringsorganisaties,

Technology in Europe. How IC is changing

16. Zie voor een overzicht X. Zhang, D.P.

universiteit Groningen. Contactgegevens:

Dienst Justitiële Inrichtingen, Bureaus

the judicial business’, The Hague, 2001;

van Donk, & T. van der Vaart, ‘Does ICT

Nettelbosje 2, 9747 AE Groningen,

Jeugdzorg, GGZ, Centraal Justitieel Incasso-

D. Reiling, ‘Technology In Courts In Europe:

influence supply chain management and

c.de.blok@rug.nl; 050-3633784.

bureau, Bureaus Jeugdzorg en Justitiële

Opinions, Practices And Innovations’, Inter-

performance? A review of survey-based

Informatiedienst. Zie Kamerstukken II

national Journal For Court Administration,

research’, International Journal of Operati-

Noten

2011/12, 29279, 147, p. 15; Kamerstukken

June 2012.

ons and Production Management, 2011,

2. Algemene Rekenkamer, Prestaties in de

II 2012/13, 29279, 165, p. 5; nieuwsbericht

14. C. de Blok, A. Seepma, I. Roukema, D.P.

vol. 31, no. 11, p. 1215-1247.

Strafrechtketen, Sdu, 2012.

V&J-site 5-7-2013.

van Donk, B. Keulen & R. Otte, Digitalise-

17. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 147.

3. Kamerstukken II 2011/12, 33173, 1 en

9. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 147,

ring in strafrechtketens. Ervaringen in

18. P.R. Lawrence, & J.W. Lorsch, ‘Differen-

2.

p. 17.

Denemarken, Engeland, Oostenrijk en

tiation and Integration in Complex Organi-

4. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 147.

10. Kamerstukken II 2014/15, 34090 nr. 3,

Estland vanuit supply chain perspectief,

zations’. Administrative Science Quarter-

5. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 126.

p. 1

Den Haag: WODC 2014.

ly, 1967, vol. 12, no. 1, p. 1-47; R. Sousa,

6. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 147,

11. R. Robroek, Het rapport Elias en de

15. Zie onder meer J.T. van der Vaart & D.P.

& C.A. Voss, ‘Contingency research in ope-

p. 14-17; idem -156 p. 2 en -165 p. 5-6.

strafrechtspraak. Kwaliteit, innovatie én

Van Donk, ‘A critical review of survey-based

rations management practices’, Journal of

7. Kamerstukken II 2011/12, 29279, 147,

digitalisering: kan dat wel? Ivoren Toga, 25

research in supply chain integration’, Inter-

Operations Management, 2008, vol. 26,

p. 15.

november 2014; Taskforce OM-ZM, Recht

national Journal of Production Econo-

no. 6, p. 697-713.

8. Dit geldt voor uitwisseling tussen de

doen, samenwerken loont, februari 2014.

mics, 2008, vol. 111, no. 1, p. 42-55;

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 613


Wetenschap

Landen Politie OM ZM Strafrechtketenbreed

Interviews Interviews Observaties Interviews Observaties Interviews Documenten

# uur # uur # uur # uur # uur # r #

Denemarken 1 2 2 3 - - 1 2 1 2 3 3 18

Engeland 1 2 4 5 - - 3 4 4 4 5 5 33

Oostenrijk - - 2 2 2 1 2 1 2 3 3 4 9

Estland 2 2 2 3 3 1 3 3 2 3 7 8 7

Totaal 4 6 10 13 5 2 9 10 9 12 18 20 67

Tabel 1 – Dataverzameling in de vier onderzochte landen

keuzes zijn er in de gekozen landen gemaakt ten aanzien

van digitalisering in de keten en wat waren de positieve en

negatieve opgedane bevindingen daarbij? Onder digitalisering

werd in het kader van dit onderzoek verstaan: het

omzetten van de fysieke verslaglegging, uitwisseling en

toegankelijkheid van processtukken naar digitale verslaglegging,

uitwisseling en toegankelijkheid in het strafrecht.

De onderzoeksvraag is beantwoord op basis van

interviews en observaties in vier landen, alsmede op basis

van documentatie vanuit deze vier landen. De vier landen

die de empirische basis vormden voor dit onderzoek

waren Denemarken, Engeland, Oostenrijk en Estland. Deze

landen zijn geselecteerd op basis van bestaande literatuur

over gebruik van elektronische hulpmiddelen in Europese

landen, gesprekken met Nederlandse juridische deskundigen

en beschikbare tijd. Voornaamste reden om deze vier

Alle landen hebben een begin

gemaakt met het digitaliseren van

informatieoverdracht maar nergens

kan een dossier digitaal in de gehele

keten worden overdragen

landen te kiezen is dat deze landen een relatief hoog

niveau van digitalisering leken te hebben. 19 De vier landen

zijn in de periode april-mei 2014 door steeds twee onderzoekers

(een jurist en SC deskundige) bezocht. Tijdens

deze bezoeken zijn interviews gehouden op basis van een

interviewprotocol, 20 documenten verzameld en observaties

(in rechtbanken en bij het OM) gedaan. 21 Ter voorbereiding

op de landenbezoeken is desk research gedaan en

is er per land door middel van videoconferenties een aantal

voorbereidende interviews afgenomen. Tabel 1 (boven)

geeft per land een overzicht van alle verzamelde data.

Een belangrijk uitgangspunt en een impliciete veronderstelling

van dit onderzoek zijn dat in een aantal

Europese landen digitalisering in de strafrechtketen al

ingevoerd zou zijn. Door de kwalitatieve dataverzameling

heeft het onderzoek een zeer grote hoeveelheid aan gedetailleerde

informatie opgeleverd en een groot aantal relevante

inzichten en aandachtspunten met betrekking tot

digitalisering in strafrechtketens. Ondanks de rijkheid aan

data kent dit onderzoek, net als elk onderzoek ook beperkingen.

Een eerste beperking is dat, vanwege de beperkte

onderzoektijd slechts vier landen zijn onderzocht. Daarnaast

hebben we door de soms lastige toegang tot respondenten

niet in alle landen afgevaardigden van alle relevante

ketenpartijen kunnen interviewen. Zoals hiervoor is

aangegeven is de focus de gehele keten van strafrecht

geweest, waarbij met name op de interactie tussen partijen

is gefocust. Dit is inherent aan het gekozen ketenperspectief.

Daarmee is in dit onderzoek minder aandacht

geweest voor de inrichting van en werkwijze in interne

processen. Tenslotte hebben we ons in dit onderzoek

beperkt tot politie, Openbaar Ministerie en rechtbanken

voor strafzaken in eerste aanleg. Daarmee is een aantal

belangrijke partijen buiten beschouwing gelaten: de verdediging,

slachtoffers/getuigen, de reclassering en het

gevangeniswezen. Het is duidelijk dat met betrekking tot

digitalisering aan deze partijen ook aandacht besteed zal

moeten worden.

Bevindingen

Een aantal kenmerken van de onderzochte landen, met

betrekking tot digitalisering in de strafrechtketen, zijn

weergegeven in Tabel 2 (hiernaast). In deze tabel is te zien

dat de aanleiding en doelstellingen van digitalisering tussen

de landen verschillen. Daarnaast is ook te zien dat alle

landen een begin gemaakt hebben met het digitaliseren

van informatieoverdracht in de strafrechtketen, maar dat

tegelijkertijd in niet één land een dossier digitaal in de

gehele keten kan worden overgedragen.

De inzichten in elk van de vier landen laten grote

verschillen zien in de wijze waarop en de mate waarin

digitalisering georganiseerd en gerealiseerd is. Wanneer

we de mate waarin digitalisering gerealiseerd is afmeten

aan de mogelijkheid om digitaal informatie over te dragen

tussen partijen in de gehele keten, dan staan twee

van de vier onderzochte landen, Denemarken en Oostenrijk,

in feite aan het begin. Bij Denemarken is het mislukken

van eerdere projecten hiervan de oorzaak en in Oostenrijk

het langzaam op gang komen van visievorming op

en implementatie van digitalisering in de keten. Twee landen,

Estland en Engeland, zijn een stuk verder maar ook

hier is het nog niet mogelijk om in de gehele keten 22 dossiers

digitaal uit te wisselen.

Hieronder bespreken we aan de hand van het in

figuur 1 gepresenteerde onderzoekskader factoren die de

voortgang en mate van succes van digitaliseringstrajecten

in de strafrechtketen in de vier onderzochte landen hebben

beïnvloed.

614 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Aanleiding voor

digitalisering

Doelstelling van

digitalisering

Digitale overdracht

van informatie en

documentatie mogelijk?

Digitaal overdragen

informatie in hele

keten?

Digitale overdracht

van compleet dossier

mogelijk?

Status digitaal

strafdossier

Lopende initiatieven

mb.t. digitalisering

Denemarken Engeland Estland Oostenrijk

Digitalisering van alle

overheidsorganen

(e-Government)

Informatie overzetten

op digitale drager

Slechts binnen ketenpartijen,

niet ertussen,

op pilots na

Nee

Bezuinigingen bij de

individuele ketenpartners

Kostenbesparing in de

keten

Transparantie

Betere dienstverlening

aan burgers

Werkwijze professionals

Beter ondersteunen

van professionals

Ja Ja Alleen voor werkproces

onbekende dader

en elektronisch

berichtenverkeer

Nee, tot rechtbank,

m.u.v. diverse pilots

waarin rechtbank is

aangesloten

Nee Nee Nee Nee

Voor de wet is papier

origineel

Nieuwe start met digitalisering

van gehele

keten

Papieren en digitaal

dossier gelden als origineel,

in de praktijk met

name papieren dossier

gebruikt in rechtbank

Digitaal bewijsmateriaal

Pilots voor aansluiten

rechtbanken

Ja

Voor de wet is

papier origineel

Meten van ketenbrede

prestaties

Nee

Rechters beschouwen

papier als

origineel

Bezig met formuleren

visie en plan van

aanpak

Tabel 2 – kenmerken ketendigitalisering in de onderzochte landen

Organisatie ketenpartners

Ketenperspectief

Uit de geanalyseerde data blijkt dat voor het slagen van

digitalisering elke partner in de strafrechtketen zich zal

moeten realiseren dat een volgende ketenpartner bepaalde

informatiebehoeften heeft waaraan de eerdere partner

in de keten moet bijdragen. Met andere woorden, elke

partner zal zijn werkzaamheden vanuit dit ketenperspectief

moeten bezien. In Estland heeft men hiertoe helder

gemaakt wat elke ketenpartij toevoegt aan dienstverlening

aan de burger. In Engeland accepteert men dat het

optimaliseren van een keten soms betekent dat een grotere

administratieve last voor de politie verderop in de

keten besparingen oplevert. Het belang van een focus op

de keten als geheel is ook een van de inzichten waartoe

men in Denemarken kwam na een mislukt digitaliseringsproject.

Het ketenperspectief vormt daar nu de basis en

zal ook vertaald worden in de manier waarop toekomstige

projecten ingericht gaan worden, bijvoorbeeld door het

vaststellen van ketendoelstellingen en het belonen van

gedrag dat optimaal is voor de keten als geheel.

Voor het uitdragen en bewaken van het ketenperspectief

is een juiste aansturing van de keten van belang.

Deze aansturing kan op verschillende manieren worden

ingevuld: door het Ministerie van Justitie (Denemarken),

door een overkoepelende coördinerende minister (Engeland)

of door nauwe samenwerking tussen verschillende

ministeries (zoals in Estland). Om het handelen naar een

ketenvisie te stimuleren zijn in alle landen fora opgezet

waarin vertegenwoordigers van alle ketenpartijen 23

samenkomen en waar samen met de regievoerder betrokkenheid

en commitment worden gecreëerd.

Op operationeel niveau kan een ketenperspectief

worden gestimuleerd door standaardisatie in de over te

dragen informatie. Dit is bijvoorbeeld te zien in Engeland,

waar een standaardvorm voor een dossier is ontwikkeld

voor de simpele hoog-volume zaken, met daarin alle informatie

die voor de verschillende ketenpartners noodzakelijk

is. In Estland heeft men ervoor gekozen automatische

meldingen te versturen wanneer de ene ketenpartij van

de andere informatie of documentatie nodig heeft. Op

deze manier zijn de wederzijdse afhankelijkheden in de

keten inzichtelijk gemaakt.

Het werken vanuit een ketenvisie vraagt van alle

ketenpartijen een omslag. Men is van oudsher, vanuit de

19. Zie onder meer: D. Reiling, ‘Technology

In Courts In Europe: Opinions, Practices

And Innovations’ International Journal For

Court Administration, June 2012; M. Fabri,

‘Comparing the use of information and

communication technologies in European

public prosecution offices’ in: M. Fabri (ed.),

Information and communication technology

for the public prosecutor’s office, Bologna:

Clueb 2007; Legal Guidance on digital

working across the Criminal Justice System,

2012; www.egov-estonia.eu/e-file; www.

justiz.gv.at/web2013/html/default/2c9484

852308c2a60123708554d203e7.de.html.

20. C. de Blok, A. Seepma, I. Roukema, D.P.

van Donk, B. Keulen & R. Otte (2014),

Digitalisering in strafrechtketens. Ervaringen

in Denemarken, Engeland, Oostenrijk

en Estland vanuit supply chain perspectief.

Den Haag: WODC 2014.

21. De observaties omvatten het bijwonen

van rechtszittingen en het bekijken van

gebruikte technologie en informatiesystemen.

22. Onder de gehele keten verstaan we in

dit onderzoek, zoals eerder beschreven in

de afbakening, de politie, het OM en de

rechtbank in eerste aanleg.

23. In dit onderzoek: politie, OM en rechtbanken.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 615


Wetenschap

gedachte van autonoom werkende organisaties, gewend

te denken vanuit de eigen organisatie en hiërarchie, budgetten,

doelstellingen en werkprocessen. Waar autonomie

in het uitvoeren van de inhoudelijke publieke taak

een groot goed is, betekent dit echter niet dat operationele

en administratieve processen ook onafhankelijk van

elkaar georganiseerd moeten worden. Wanneer hier

onvoldoende aandacht aan wordt besteed, vormt dit een

belemmering bij de invoering van een ketenbenadering

in de strafrechtketen.

Procesverbetering

De organisatorische inbedding is van groot belang voor

het slagen van digitaliseringsinitiatieven. Digitalisering

moet onderdeel worden van de wijze waarop de keten

werkt en niet als een additioneel werkproces worden

opgetuigd. Het is daarom van belang om in het bereiken

van veranderingen het werkproces dat zich afspeelt tussen

de ketenpartners centraal te stellen. Zo worden doublures

voorkomen en werkprocessen gestroomlijnd. Het

geheel en al onveranderd laten van de bestaande processen

en het één-op-één overzetten van oorspronkelijke

(papieren) processen naar een onveranderde digitale situatie

bleek in Oostenrijk en Denemarken niet succesvol.

Hiermee wordt de informatieoverdracht tussen organisaties

niet voldoende verbeterd. Dit wordt nog erger als het

volledige papieren proces in stand blijft, zoals in Denemarken,

omdat daardoor veel dubbel werk uitgevoerd

dient te worden. Voortdurende communicatie over het

ketenproces is van belang: uit te voeren activiteiten worden

al snel als overbodig werk ervaren wanneer onvoldoende

duidelijk wordt gemaakt dat elders in de keten

hierdoor werk wordt bespaard.

Rol van technologie

Bewaken individuele karakter

Uit de interviews komt naar voren dat in de digitalisering

van werkprocessen het eigen karakter van elke

ketenpartner moet worden gerespecteerd. Dit betreft

onder meer de informatiesystemen, waar elke ketenpartner

in heeft geïnvesteerd en die elke partner zich eigen

heeft gemaakt. Het creëren van één oplossing in de vorm

van één geïntegreerd informatiesysteem voor de gehele

keten doet te weinig recht aan de verschillen tussen de

organisaties. In Denemarken werd gestreefd naar het vervangen

van alle bestaande systemen door één systeem,

maar door de omvang daarvan en omdat alle ketenpartijen

de eigen oorspronkelijke functionaliteiten in dit systeem

wilden onderbrengen, bleek het uiteindelijk te

instabiel om mee te werken. In Engeland en Estland blijven

de ketenpartners gebruik maken van de eigen informatiesystemen.

Deze verschillende systemen zijn in

Engeland door een groot aantal koppelingen met elkaar

verbonden. In Estland is één centrale architectuur ontwikkeld

waar alle bestaande systemen op aansluiten,

waardoor deze met elkaar kunnen communiceren. De

combinatie van het eigenaarschap over het eigen systeem

en tegelijkertijd het inbrengen van een ketenperspectief

en creëren van uitwisselingsmogelijkheden tussen

de ketenpartners, lijkt in deze landen tot succesvolle

digitalisering geleid te hebben.

616 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Het vertrouwen dat ketenpartners hebben in elkaars

werkzaamheden, lijkt invloed te hebben op het al dan niet

bij wet regelen van voorwaarden als authenticiteit

De huidige situatie in alle vier de landen is dat de

systemen en architecturen die op dit moment worden

gebruikt voor digitale uitwisseling van documenten allen

niet in staat zijn een geheel digitaal dossier tussen de ene

en de andere ketenpartner uit te wisselen. Alle systemen

sturen individuele documenten over (die al dan niet gezamenlijk

worden overgestuurd, maar niet in de vorm van

één dossier), waar de volgende (of laatste) ketenpartner

dan weer een compleet dossier van dient te maken. De

doelstelling is, zeker in Engeland en Estland, om toe te

werken naar een geïntegreerd digitaal dossier dat men bij

het OM en in de rechtbank op verschillende wijzen kan

organiseren (chronologisch, per getuige, per type bewijs,

enz.) en waarin men aantekeningen kan maken, maar een

dergelijk dossier is nog niet in gebruik.

Rol van private IT leveranciers

In de onderzochte landen heeft men de rol van private IT

leveranciers steeds op een verschillende manier ingevuld.

In Denemarken is de rol van het externe IT-bedrijf, mede

door het ontbreken van betrokkenheid en kennis bij partijen

binnen de strafrechtketen, veel te groot geworden

ten opzichte van de rol van de ketenpartijen. Hierdoor

werd het project meer een IT-project en ging budgetoverschrijding

gepaard met achterblijvende prestaties van het

IT-systeem. Engeland werkt met een langdurig contract,

waarbij het ingehuurde IT-bedrijf belang heeft bij goed

werkende systemen. In Estland maakt men gebruik van

zowel een interne IT-organisatie als van externe partijen.

Deze laatsten zijn betrokken vanuit de redenering dat er

op die manier niet vanaf nul begonnen hoeft te worden

met het ontwikkelen van nieuwe systemen. Wanneer nieuwe

systemen nodig zijn, worden deze ingekocht bij private

organisaties, maar daarnaast waar nodig ook weer aangepast

door de interne IT-organisatie. Als een benodigd systeem

niet te koop is, wordt het ontwikkeld door de interne

IT-organisatie. Op deze manier lijkt Estland een balans

te zoeken naar het zo efficiënt en effectief mogelijk inzetten

van diverse partijen rondom digitaliseringsprojecten,

waarbij zowel de publieke IT-organisatie als private ITondernemingen

worden gestimuleerd toe te werken naar

goed presterende systemen. Daarbij lijkt het voordeel op

te leveren wanneer men bestaande, bewezen systemen

van private IT leveranciers als uitgangspunt neemt bij

digitalisering.

Acceptatie van technologie

Zoals bij elke verandering, zal ook de ingezette technologie

moeten worden geaccepteerd door de professionals

die ermee moeten werken. Wanneer technische voorzieningen

leiden tot meer overzicht (Estland), zicht op zaken

in de keten (Estland) of op de eigen werkzaamheden

(rechters in Estland, OM in Oostenrijk), wordt digitalisering

en de inzet van IT als positief ervaren, ook omdat

men meer gelijkwaardigheid voelt tussen ketenpartners.

Dit leidt tot het gevoel dat de processen onder controle

blijven van de betrokken professionals, die daaraan veel

belang hechten. Ook wanneer administratieve activiteiten,

zoals het toewijzen van zaken, worden geautomatiseerd

en daarmee tijdsbesparing opleveren, wordt dit door professionals

als positief gezien. Door het inzetten van rekenmodellen

op basis van capaciteit en specialistische kennis

wordt het ook mogelijk zaken gerichter toe te wijzen, dit

gebeurt in Engeland en Oostenrijk bij het OM en in Estland

bij de rechtbanken.

Rol van wetgeving

Hoewel er expliciet gevraagd is naar organisatorische,

technische en juridische aspecten die rondom digitalisering

geregeld moesten worden, lijken juridische beperkingen

in de onderzochte landen slechts een zeer geringe rol

te spelen. In de onderzochte landen zijn naar aanleiding

van de ingezette digitalisering geen wetten of anderszins

vastgelegde voorwaarden opgesteld of aangepast over

authenticiteit, integriteit en/of compleetheid van informatie

in het strafrechtdossier. Dit is deels terug te leiden

naar de rol van het dossier in de strafrechtketen. In Oostenrijk

en Estland wordt op basis van de inhoud van het

dossier, in combinatie met het ter terechtzitting aangevoerde

bewijs, zoals getuigenverklaringen en andere

getoonde bewijzen, toegewerkt naar een uitspraak. De

rechter is voorafgaand aan de zitting bekend met de

inhoud van het dossier en kan de vragen die hij ter zitting

wil stellen aan de getuige(n)/verdachte(n) aan de hand

daarvan voorbereiden. In Engeland (en in mindere mate

in Denemarken) speelt het dossier met name een rol in de

voorbereiding op de zitting voor de aanklager en de verdediging.

De rechter is in de meeste zaken voorafgaand

aan de zitting niet op de hoogte van de inhoud van het

dossier, de zaak moet dus in zijn geheel gepresenteerd

worden ter terechtzitting. Daarnaast is mogelijk dat er

door de geïnterviewden minder concrete zaken rondom

juridische voorzieningen naar voren zijn gebracht omdat

de rechtbanken nog altijd gebruik maken van het papieren

dossier en men daarom nog niet aangelopen is tegen

juridische zaken die pas gaan spelen als een zaak uitsluitend

met een digitaal dossier ter terechtzitting komt.

Naast de reeds genoemde redenen lijkt tegelijkertijd

ook het vertrouwen dat ketenpartners hebben in elkaars

werkzaamheden, invloed te hebben op het al dan niet bij

wet regelen van voorwaarden als authenticiteit. Zo wordt

in Oostenrijk geaccepteerd dat digitale documenten die

het OM van de politie ontvangt geen handtekening bevatten,

omdat men zegt te weten dat dit document van de

politie afkomstig is. Ook kan men, indien gewenst, via het

geautomatiseerde berichtensysteem achterhalen vanaf

waar een document verstuurd is. Een soortgelijke situatie

doet zich voor in Engeland.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 617


Wetenschap

Digitalisering is geen doel op zich,

maar juist een middel, dat samen

met bijvoorbeeld het wettelijke

kader, de stroomlijning verder

faciliteert

Organisch aanpassen

In alle landen is de wetgeving aangepast op het moment

dat dat nodig was, bijvoorbeeld omdat men ergens tegenaan

liep wat op dat moment niet goed of eenduidig geregeld

bleek. Een eerste stap hierin leek in Engeland en Oostenrijk

het verruimen van de interpretatie van wetgeving

en procedures. Zo heeft men in Oostenrijk wetgeving ten

aanzien van digitale informatie-uitwisseling binnen de

gehele publieke dienstverlening zodanig opgesteld dat

deze op zowel fysieke als digitale informatiedragers van

toepassing is. Meer specifieke procedures en voorzieningen

zijn in Estland opgesteld, maar pas nadat men zeker

wist dat het gedigitaliseerde ketenproces goed werkte in

de praktijk. Op dat moment heeft men specifiek in wetgeving

vastgelegd welke soorten informatie digitaal beschikbaar

moeten zijn, voor wie en hoe met deze digitale informatie

omgegaan dient te worden.

Verplicht gebruik door advocaten

In dit onderzoek hebben we ons beperkt tot het ketenproces

tot en met de rechtbank. Tegelijkertijd kwam uit de

interviews naar voren dat ook informatie-uitwisseling

met advocaten digitaal plaatsvindt, zowel in Engeland

(door beveiligde email), Oostenrijk (via automatisch

berichtenverkeer) als Estland (via automatisch berichtenverkeer).

De voorzieningen die gebruikt worden voor communicatie

met de verdediging besteden veel aandacht aan

beveiliging. Om burgers en advocaten te stimuleren

gebruik te maken van digitale informatie-uitwisseling zijn

in zowel Oostenrijk als Estland de verschuldigde griffierechten

bij digitaal werken verlaagd, in beide landen is

uiteindelijk ook bij wet vastgelegd dat informatie digitaal

uitgewisseld moet worden.

Conclusies

Een eerste conclusie is dat digitalisering in de onderzochte

landen nog matig is ontwikkeld. Voor Nederland levert

dit het inzicht op dat digitalisering van de strafrechtketen

wellicht niet zoveel achterloopt als wordt verondersteld.

Een tweede conclusie is dat er niet één beste wijze van

invoering of van organiseren is gevonden en dat digitalisering

lang niet altijd planbaar is. Voor Nederland betekent

dit dat een structuur gevonden moet worden die

past bij de ervaren problematiek en nagestreefde doelstellingen.

Op dit moment is al een groot aantal partijen

betrokken in een netwerk van verbeter- en digitaliseringsprogramma’s

en innovatie-initiatieven. De hier gecreëerde

commitment en afspraken moeten worden omgezet naar

activiteiten op allerlei niveaus die in overeenstemming

zijn met elkaar en met de te realiseren doelen. In de

onderzochte landen lag binnen de lange-termijnvisie de

focus op het stap voor stap boeken van vooruitgang. Bijvoorbeeld

door te starten met het digitaliseren van het

ketenproces rondom een type zaak met lage impact, zoals

Oostenrijk heeft gedaan voor zaken met een onbekende

dader. Op kleine schaal geleerde lessen kunnen zo worden

meegenomen in vervolgtrajecten rondom meer omvattende

zaak typen.

Op basis van de bevindingen van dit onderzoek

moet digitalisering vooral onderdeel zijn van een continu

verbetertraject dat streeft naar betere afstemming en

stroomlijning in een keten van organisaties. Digitalisering

is geen doel op zich, maar juist een middel, dat samen

met bijvoorbeeld het wettelijke kader, de stroomlijning

verder faciliteert. Organisatorische belemmeringen, veelal

gegroeid uit gewoonte en historie, bemoeilijken die

stroomlijning en dienen doorbroken te worden. Een

belangrijke uitdaging blijft daarbij om een balans te vinden

tussen enerzijds inhoudelijke zorgvuldigheid en professionele

autonomie en anderzijds kosten, procedurele

afstemming door de keten en snelheid.

618 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Praktijk 499

Stilzitten loont niet,

als de tijd verstrijkt

Jaap Baar 1

Ondanks dat op overschrijdingen van de redelijke termijn sinds het arrest van juni 2008 van de Hoge Raad,

niet langer de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie volgt, betekent dit niet dat de verdediging

bij een inactief opsporingsapparaat met lege handen staat. Het is echter niet meer zo dat de verdediging zelf

ook inactief kan blijven; activiteit is het sleutelwoord. Indien het OM blijft stilzitten, ondanks (aantoonbare)

pogingen van de verdediging de zaak in beweging te krijgen, kan dit een rechter tot de conclusie brengen dat

de zaak beëindigd dient te worden.

In 2008 wees de Hoge Raad een arrest dat het nodige

stof deed opwaaien. Uit het arrest volgt dat overschrijdingen

van de redelijke termijn niet leiden tot

de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie,

ook niet in uitzonderlijke gevallen. 2 Op het arrest

was en is veel kritiek. Zo stelt Mevis in zijn noot onder

het arrest dat niet-ontvankelijkheid vanwege tijdsoverschrijding

reeds was voorbehouden aan zeer uitzonderlijke

gevallen. Hij vraagt zich dan ook af waarom de Hoge

Raad tot het oordeel komt dat er geen gevallen meer

denkbaar zijn waarin de niet-ontvankelijkheid een passende

sanctie is. 3

Daarbij volgt ook uit de rechtspraak van feitelijke

instanties dat men niet altijd blij is met het arrest van de

Hoge Raad. In uitzonderlijke gevallen wordt bij een termijnoverschrijding

toch tot de niet-ontvankelijkheid gekomen,

door bijkomende omstandigheden aan te nemen. 4

Deze omstandigheden lijken soms een beetje gekunsteld

en lijken vooral in de overwegingen te worden

betrokken om het arrest van de Hoge Raad te omzeilen.

Zo overweegt Rechtbank Amsterdam in een uitspraak

waar tot niet-ontvankelijkheid op grond van termijnoverschrijding

wordt gekomen dat van belang is dat niet enkel

de redelijke termijn is overschreden, maar dat er ook geen

enkele goede reden is gegeven voor de langdurige inactiviteit.

5 Daarnaast komt het zelfs nog wel eens voor dat het

Openbaar Ministerie zelf om de niet-ontvankelijkheid

vraagt, op grond van aanzienlijke termijnoverschrijding. 6

Ook naar aanleiding van de aangepaste regelgeving

rond verjaring van strafbare feiten is er de roep tot herziening

van de in het arrest geformuleerde uitgangspunten. 7

Menig strafrechtjurist is dan ook nog immer de mening

toegedaan dat de Hoge Raad terug dient te komen op het

arrest van 17 juni 2008. 8

Daar staat echter tegenover dat het gerechtshof te

Amsterdam in een drietal arresten van een en dezelfde

datum de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkheid

van het Openbaar Ministerie heeft vernietigd met

de overweging dat ‘overschrijding van de redelijke termijn

– ook wanneer deze aanzienlijk is en ook in jeugdzaken –

Auteur

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ0191;

Rb. Amsterdam 21 november 2013,

ECLI:NL:RBAMS:2013:9469;

Rb. Amsterdam 19 maart 2013,

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7798;

Rb. Gelderland 8 mei 2013,

ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ9697; Rb. Breda 21

maart 2012, ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9618

en Rb. Alkmaar 17 april 2012, NJFS

2012/171.

5. Rb. Amsterdam 5 april 2012,

ECLI:NL:RBAMS:2012:BW4337, NJFS 2012/172.

6. Rb. Amsterdam 13 maart 2014,

ECLI:NL:RBAMS:2014:1218.

7. N. Vreede, ‘Is de tijd rijp voor terugkeer

van de sanctie niet-ontvankelijkverklaring

op overschrijding redelijke termijn?’

NJB 2013/1545, afl. 26.

mijn in jeugdstrafzaken nader beschouwd’,

Tijdschrift voor Familie- en Jeugdrecht,

2013/93, afl. 11; Reacties van Kwakman &

Weijers op Jensma, ‘De Uitspraak: Mag het

parket langer dan twee jaar wachten met

het vervolgen van een minderjarige?’, NRC.

NL recht en bestuur, 12 november 2013

(www.nrc.nl/rechtenbestuur/2013/11/12/

de-uitspraak-mag-het-parket-langer-dantwee-jaar-wachten-met-het-vervolgen-vaneen-minderjarige/).

1. Mr. J.L. Baar is advocaat bij Hoogendam

Advocaten te Den Haag. De auteur dankt

Daan Cornelissen voor zijn input en commentaar

op eerdere versies.

Noten

2. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358,

m.nt. Mevis, r.o. 3.21.

3. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358,

m.nt. Mevis.

4. Hof Den Bosch 16 januari 2013,

8. Zie naast de hier al aangehaalde literatuur:

H. Anker, ‘Hoge Raad zou moeten

terugkomen op zijn jurisprudentie inzake

undue delay’, Nieuwsbrief Strafrecht

2013/182, afl. 7; El Hessaini en Taghi, ‘Een

onredelijke termijn en dan? Redelijke ter-

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 619


Praktijk

niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar

Ministerie en dat vermindering van de op te leggen straf

telkens de aangewezen sanctie is.’ 9 Vermeldenswaardig is

voorts nog dat het hof opmerkt dat de aangepaste verjaringsregels

niet tot een ander oordeel leiden.

De rechtbank heeft in een van die zaken inmiddels,

na terugwijzing, artikel 9a Sr toegepast en heeft ten aanzien

van de niet-ontvankelijkheid overwogen dat het

gerechtshof zich sinds de genoemde uitspraak in meerdere

arresten en in verschillende samenstellingen op het

standpunt heeft gesteld dat overschrijding van de redelijke

termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van

het Openbaar Ministerie. De rechtbank merkt vervolgens

op: ‘De rechtbank dient zich, als lagere rechterlijke instantie,

te conformeren aan deze uitspraak van het Gerechtshof.’

10 Een zinsnede waarin overigens de teleurstelling

doorklinkt.

Nu niet te verwachten valt dat er op de jurisprudentie

van de Hoge Raad teruggekomen zal worden, dient

bezien te worden welke andere mogelijkheden er zijn om

voortgang te betrachten en te voorkomen dat vervolging

van verdachten nodeloos wordt vertraagd.

Daartoe is in de eerste plaats van belang de bredere

ontwikkeling in het strafrecht te bezien.

Een actievere verdediging

Zo valt uit de jurisprudentie af te leiden dat meer en meer

een actieve rol van de verdediging verwacht wordt.

Een sprekend voorbeeld daarvan is het overzichtsarrest

van 1 juli 2014 van de Hoge Raad, inzake het oproepen

en horen van getuigen. Borgers zegt in zijn noot

onder dat arrest: ‘Wie het overzichtsarrest op zich laat

inwerken, kan aan één conclusie in elk geval niet ontkomen:

de lat voor de verdediging wordt hoog gelegd door de

Hoge Raad.’ 11 Dit artikel leent zich niet voor een uitvoerige

bespreking van dat arrest, maar vermeldenswaardig is

bijvoorbeeld dat de Hoge Raad ten aanzien van de maatstaf

van het verdedigingsbelang opmerkt dat van de verdediging

mag worden verlangd dat ten aanzien van iedere

getuige die door de verdediging is opgegeven, meer dan

summier, gemotiveerd wordt waarom het horen van deze

getuige van belang is voor enige in de strafzaak te nemen

beslissing. 12 Ook noemenswaardig is dat uit de rechtsoverwegingen

2.35 en 2.75 af te leiden valt dat het op de weg

van de verdediging ligt om, indien er meerdere terechtzittingen

plaatshebben, op latere zittingen te klagen over

verzuimen die op eerdere terechtzittingen hebben plaatsgevonden.

Indien dit nagelaten wordt kan dit consequenties

hebben voor de cassatieprocedure. 13

Zoals gezegd, leent dit artikel zich niet voor een uitgebreide

bespreking van het arrest, daartoe zij verwezen

naar de eerder genoemde uitgebreide noot van Borgers. In

ieder geval kan uit het arrest afgeleid worden dat van de

verdediging een zeer actieve houding verwacht wordt. Dit

arrest staat niet op zichzelf. Zo signaleert Franken al langer

deze koers, welke volgens Franken ook herkenbaar is

in de jurisprudentie over verweren en uitdrukkelijk onderbouwde

standpunten, dat rechters ongemotiveerd aan

standpunten en verweren voorbij mogen gaan, indien

deze niet terdege zijn onderbouwd. 14

Tekenend is ook het interview met Willem van

Schendel, vicepresident van de Hoge Raad, in het Advocatenblad

van juli 2014, met als titel ‘De advocaat moet

actiever zijn’. 15 Op de vraag of advocaten zich meer moeten

roeren, antwoordt Van Schendel: ‘(...)Als je gedurende

zes zittingen je mond daarover houdt en het punt pas in

cassatie inbrengt, dan ben je wel erg laat. De rol van de

advocaat moet dus actiever zijn, hij moet niet pas in cassatie

klagen.’ Het is dus evident dat een actievere rol van de

advocaat wordt verwacht.

Een zinsnede waarin de

teleurstelling doorklinkt

De vraag is nu hoe zich dat kan vertalen in zaken

waar de redelijke termijn wordt overschreden, waar het

Openbaar Ministerie dus een grote mate van inactiviteit

laat zien. Mijns inziens past de jurisprudentie van de

Hoge Raad met betrekking tot de redelijke termijn, in de

koers dat ook de verdediging niet meer kan blijven stilzitten.

Als het Openbaar Ministerie soms jarenlang niet in

beweging komt, kan de verdediging niet ook stil blijven

zitten en als het dan uiteindelijk tot een zitting komt,

daar beloond worden met de niet-ontvankelijkheid van

het Openbaar Ministerie. De advocaat zal zelf moeten

pogen om de zaak in beweging te krijgen en, als beweging

uitblijft, om de inactiviteit af te doen straffen.

Artikel 36 Wetboek van Strafvordering

Een eerste handreiking daartoe kan gevonden worden in

een van de drie eerder genoemde arresten van het Hof

Amsterdam in een jeugdstrafrechtzaak, waar het hof oordeelde

dat de rechtbank het Openbaar Ministerie ten

onrechte niet-ontvankelijk had verklaard. Het hof overweegt:

‘Overigens is het hof met de advocaat-generaal van

oordeel dat artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering

de verdachte de mogelijkheid biedt om een verklaring dat

de zaak is geëindigd uit te lokken, hetgeen in deze zaak

niet is geschied.’ 16 Behalve dat uit deze overweging evident

volgt dat inderdaad een actieve houding van de verdediging

wordt verwacht, nu de verdediging min of meer

wordt verweten dat niet een verzoek tot beëindiging van

de zaak is gedaan, geeft het hof hier ook een aanwijzing

op welke wijze getracht kan worden een inactief OM af te

straffen. Met een geslaagd beroep op artikel 36 Sv zal

immers feitelijk gezien hetzelfde resultaat als een nietontvankelijkheid

bereikt worden.

Dat de weg van artikel 36 Sv bedoeld is om te waken

tegen inactiviteit, volgt ook uit de wetsgeschiedenis met

betrekking tot dat artikel. Zo overweegt Rechtbank Rotterdam

in een beslissing op een artikel 36 Sv-verzoek: ‘Artikel

36 Sv strekt ertoe dat een verdachte zich kan beschermen

tegen de onzekerheid of aan zijn of haar strafzaak (verder)

gevolg zal worden gegeven, alsmede tegen een onredelijk

oponthoud in de afhandeling van de strafzaak (Kamerstukken

II, vergaderjaar 2009-2010, 32 177, nr. 3, blz. 13).’ 17

In de kamerstukken die zien op de Wet versterking

positie rechter-commissaris, waarbij artikel 36 Sv is aangepast,

heeft de wetgever tevens nog opgemerkt dat de

620 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


© Shutterstock

rechtbank tot een eindezaakverklaring zal komen ‘indien

gelet op de inactiviteit van de kant van het Openbaar

Ministerie of de zeer lange duur van het onderzoek, onredelijk

is dat de vervolging nog doorgang vindt.’ 18

In dit verband is ook de beschikking van de Rechtbank

Den Bosch van 1 december 2009 noemenswaardig,

waar eveneens tot toewijzing van een artikel 36 Sv-verzoek

werd gekomen. In de eerste plaats overweegt de

rechtbank dat het gegeven dat er na het indienen van het

verzoekschrift een dagvaarding aan de verzoekster is

betekend, niet aan een toewijzing in de weg behoeft te

staan. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het wettelijk

systeem ook de mogelijkheid een verzoek te doen als

er al een strafprocedure bij de rechtbank aanhangig is. In

zeer uitgebreide overwegingen schetst de rechtbank het

tijdsverloop in die zaak, om vervolgens te concluderen

dat artikel 36 Sv ertoe strekt dat een verdachte niet onredelijk

lang in onzekerheid hoeft te verkeren omtrent zijn

vervolging. De rechtbank overweegt: ‘Gelet op het tijdsverloop

in de onderhavige strafzaak, het niet voortvarende

handelen van het openbaar ministerie en mede in ogenschouw

genomen dat het openbaar ministerie ondanks

diverse toezeggingen gedurende zeer lange tijd nalatig is

gebleven de verdediging voor haar procespositie belangrijke

stukken te verstrekken, acht de rechtbank het verzoek

voor inwilliging vatbaar.’ 19 Deze overweging heeft zeer

veel weg van de overwegingen die in de in de inleiding

aangehaalde uitspraken en arresten, waar tot niet-ontvankelijkheid

geconcludeerd wordt, voorkomen. 20 Daaruit

volgt dus dat met een artikel 36 Sv verzoek feitelijk hetzelfde

bereikt kan worden als met een niet-ontvankelijkheidsverklaring

naar aanleiding van een termijnoverschrijding,

op grond van dezelfde argumenten. Nu de

Ook hier is activiteit of zelfs

pro-activiteit weer het sleutelwoord

jurisprudentie van de Hoge Raad, ondanks enkele ‘dissidente’

uitspraken in feitelijke aanleg, eerder meer lijkt te

worden bevestigd, dan dat deze op zijn retour is, lijkt artikel

36 Sv dan ook de aangewezen weg om afstraffing van

termijnoverschrijdingen te bewerkstelligen.

Praktische toepassing van artikel 36 Sv

De vraag is nu hoe in de praktijk een zogenaamd artikel

36-verzoek het beste kan worden ingekleed. Klakkeloos

na een overschrijding van de redelijke termijn een dergelijk

verzoek indienen, zal immers in de regel niet erg zinvol

blijken.

9. Hof Amsterdam 24 april 2014,

ECLI:NL:GHAMS:2014:1603; zie ook van

diezelfde datum

ECLI:NL:GHAMS:2014:1602 en

ECLI:NL:GHAMS:2014:1604.

10. Rb. Amsterdam 6 oktober 2014,

ECLI:NL:RBAMS:2014:6554.

11. HR 1 juli 2014, NJ 2014/441 m.nt.

M.J. Borgers.

12. Idem, r.o. 2.6.

13. Idem, zie noot par. 6.

14. Franken, ‘Instemming en afstand’,

DD 2015/1; zie voor de bespreking van de

jurisprudentie over verweren en onderbouwde

standpunten: Franken, ‘De zittingsrechter

in strafzaken’, DD 2012/34.

17. Rb. Rotterdam 16 december 2014, raadkamernummer

14/1541 (niet gepubliceerd).

18. Kamerstukken II 2009/10, 32177, nr. 3,

p. 13.

19. Rb. Den Bosch 1 december 2009,

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK4849.

20. Zie noot 2.

15. M. Knapen, ‘De advocaat moet actiever

zijn’, interview met Willem van Schendel,

Advocatenblad juli 2014, p. 29-31.

16. Hof Amsterdam 24 april 2014,

ECLI:NL:GHAMS:2014:1603.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 621


Praktijk

© Shutterstock

Ook hier is activiteit of zelfs pro-activiteit weer het

sleutelwoord. In een zaak die traag verloopt of traag dreigt

te gaan verlopen, zal op gezette tijden een verzoek aan

het Openbaar Ministerie gericht moeten worden de zaak

voortvarend op te pakken. Als reactie daarop uitblijft, kan

de verdediging zich tot de rechter-commissaris wenden,

zolang het opsporingsonderzoek nog loopt. Indien het

opsporingsonderzoek is afgerond, zal wel direct op artikel

36 Sv teruggevallen moet worden. 21

Artikel 180 lid 1 Sv bepaalt dat de rechter-commissaris

waakt tegen nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek.

Aan de rechter-commissaris kan ingevolge lid

2 van artikel 180 Sv het verzoek worden gedaan de voortgang

van het onderzoek te beoordelen en de rechter-commissaris

kan blijkens lid 3 zelfs een termijn stellen aan de

officier van justitie voor beëindiging van het opsporingsonderzoek.

Daarnaast kan de R-C de zaak aan de rechtbank

voorleggen, met het oog op toepassing van artikel

36 Sv. Ook in artikel 36 Sv zelf is sinds de inwerkingtreding

van de Wet versterking positie rechter-commissaris

opgenomen dat beëindiging op voordracht van de R-C kan

plaatsvinden.

De verdediging zal als het ware een

dossier moeten opbouwen waaruit

blijkt dat getracht is de zaak in

beweging te krijgen

Het is aanbevelenswaardig de zaak eerst aan de rechter-commissaris

voor te leggen en niet direct een verzoek

tot beëindiging bij de rechtbank neer te leggen. Uit de

wetsgeschiedenis rond artikel 180 lid 3 Sv en de aanpassing

van artikel 36 lid 1 Sv, volgt dat de mogelijkheid is

bedoeld voor uitzonderlijke gevallen ‘waarin de rechtercommissaris

van opvatting is, dat er geen redelijke grond

meer bestaat om de vervolging tegen de verdachte door te

zetten.’ 22 Indien de rechter-commissaris een voordracht

tot beëindiging van de zaak doet, heeft deze derhalve al

geoordeeld dat er geen redelijke grond meer bestaat de

vervolging door te zetten, dit maakt dat de rechtbank eerder

geneigd zal zijn de zaak geëindigd te verklaren.

De (gepubliceerde) jurisprudentie met betrekking tot

artikel 36 Sv-verzoeken is schaars. Uit de wel gepubliceerde

beschikkingen valt evenwel op te maken dat het enkele

feit dat er een termijnoverschrijding is, niet voldoende is.

Zo wordt in een beschikking van Rechtbank Haarlem overwogen

dat er weliswaar sprake was van fors tijdsverloop,

maar dat het ging om ernstige strafbare feiten. Daarnaast

was de vertraging deels veroorzaakt door problematiek

met geheimhoudersgesprekken, welke problematiek door

het Openbaar Ministerie erkend werd. 23

De genoemde uitspraak is om nog een reden van

belang, nu de rechtbank daar weliswaar het verzoek de

zaak te beëindigen afwijst, maar wel komt tot toewijzing

van het subsidiaire verzoek van de verdediging de officier

van justitie met inachtneming van het bepaalde in artikel

267 Sv een termijn te stellen waarbinnen tot dagvaarding

dan wel tot kennisgeving van niet verdere vervolging

moet worden overgegaan.

622 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Door naast het primaire verzoek de zaak te beëindigen

het subsidiaire verzoek te doen een termijn te stellen,

houdt de verdediging nog een troef in handen. Indien

immers binnen die termijnstelling niet tot dagvaarding

wordt overgegaan, levert dit weer een argument op voor

een hernieuwd verzoek tot het afgeven van een verklaring

einde zaak.

Ook uit een zaak van Hof Den Haag volgt dat het feit

dat de termijn is overschreden, niet maakt dat een verzoek

tot beëindiging voor toewijzing in aanmerking komt.

Het hof merkt op dat niet is uitgesloten dat de zaak

wegens overschrijding van de redelijke termijn geëindigd

kan worden verklaard, maar dat dit oordeel slechts kan

worden gegeven in die gevallen waarin sprake is van zeer

bijzondere omstandigheden. In die zaak was van belang

dat er weliswaar een termijnoverschrijding was, maar dat

het Openbaar Ministerie niet stil had gezeten. Er was dus

geen sprake van dat de vervolging van de verdachte niet

werd voortgezet. 24

Het gegeven dat het onderzoek niet stil ligt of dat

blijkt dat het Openbaar Ministerie nader onderzoek verricht

of dat nog moet doen, is in meer zaken een overweging

die aan het niet honoreren van een verzoek tot

beëindiging ten grondslag ligt. 25 Overigens komt in dergelijke

zaken wel voor dat besloten wordt het verzoek niet af

te wijzen, maar de behandeling voor een bepaalde tijd aan

te houden, ook als geen verzoek een termijn te stellen is

gedaan. 26

Ook uit de hier eerder genoemde uitspraak van de

Rechtbank Den Bosch volgt dat tijdsverloop an sich niet

voldoende is. 27 In die zaak was er ook sprake van dat procestukken,

ondanks toezeggingen, zeer laat waren verstrekt.

Voorts valt uit de overwegingen in die uitspraak af

te leiden dat de verdediging vele verzoeken om die stukken

had gedaan en dat de verdediging voorts gedurende

drie jaar en zeven maanden getracht heeft duidelijkheid

te verkrijgen omtrent de vervolging en de bestaande verdenking.

Ook hieruit blijkt dat een actieve verdediging

kan bijdragen aan het slagen van een verzoek tot beëindiging

van de zaak. Indien het Openbaar Ministerie blijft

stilzitten, ondanks pogingen van de verdediging de zaak

in beweging te krijgen, kan dit een rechter tot de conclusie

brengen dat de zaak beëindigd dient te worden.

Dit artikel leent zich niet voor een verdere uitgebreide

theoretische uitweiding ten aanzien van artikel 36 Sv

en de eventuele formaliteiten die daarbij komen kijken.

Van belang is nog om hier op te merken dat het artikel

ook van toepassing is in ontnemingszaken en dat een

artikel 36-verzoek in elk stadium van het proces, dus ook

in hoger beroep en cassatie, kan worden gedaan. 28

Hoewel artikel 36 Sv dus uitkomst kan bieden om

forse overschrijdingen van de redelijke termijn gesanctioneerd

te krijgen, maakt dat uiteraard niet dat klakkeloos

na twee jaar, de termijn die in de regel als redelijk wordt

gezien voor behandeling van een strafzaak bij één instantie,

met vrucht een beëindigingsverzoek gedaan kan worden.

Ook vóór het arrest van de Hoge Raad van 17 juni

2008 was de niet-ontvankelijkheid op basis van termijnoverschrijding

voorbehouden aan uitzonderlijke gevallen.

Uit de hier besproken jurisprudentie volgt dat ook bij een

beroep op artikel 36 Sv van een forse termijnoverschrijding,

zonder dat daar een rechtvaardiging voor is, sprake

zal moeten zijn en dat van eventuele bijkomende omstandigheden

sprake moet zijn, alvorens een beëindigingsverzoek

op grond van tijdsverloop voor toewijzing vatbaar is.

De verdediging zal als het ware een dossier moeten

opbouwen waaruit blijkt dat getracht is de zaak in beweging

te krijgen. Voor zover mogelijk kan daarbij ook de

rechter-commissaris betrokken worden. Indien ondanks

deze inspanningen de zaak toch blijft liggen, kan met

vrucht een beroep op artikel 36 Sv gedaan worden.

Conclusie

Ondanks dat op overschrijdingen van de redelijke termijn

sinds het arrest van juni 2008 van de Hoge Raad, niet langer

de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

volgt, betekent dit niet dat de verdediging er niet zorg

voor kan dragen dat een inactief opsporingsapparaat nog

net zo hard wordt afgeschaft. Het is echter niet meer zo

dat de verdediging zelf ook inactief kan blijven, tot aan de

zitting. Stilzitten loont niet meer. Het is niet langer

opportuun en in het belang van cliënt om rustig af te

wachten, indien het Openbaar Ministerie niet van zich

laat horen. Geheel in lijn met de bredere ontwikkeling

binnen het strafrecht, wordt een actieve houding verwacht.

De verdediging zal aan de bak moeten om het

Openbaar Ministerie in beweging te krijgen en om, als die

beweging er niet komt, afstraffing van die inactiviteit te

bewerkstelligen.

Met andere woorden, inactiviteit moet actief bestreden

worden.

21. Zie ook: Sdu commentaar op Wetboek

van Strafvordering artikel 36, bijgewerkt tot

1 januari 2013.

22. Kamerstukken II, 2009/10, 32177, 3,

p. 22.

23. Rb. Haarlem 30 september 2010,

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8713.

ECLI:NL:RBONE:2013:BZ4988.

werkt tot 1 januari 2013 en Sv, A.L. Melai

& M.S. Groenhuijsen e.a. (red.), Artikel 36

Sv, bijgewerkt tot 1 oktober 2013.

24. Hof Den Haag 23 februari 2012,

ECLI:NL:GHSGR:2012:BV9767.

25. Rb. Zutphen 18 juni 2010,

ECLI:NL:RBZUT:2010:BM8261; Rb. Oost-

Nederland 20 maart 2013,

26. Idem.

27. Rb. Den Bosch 1 december 2009,

ECLI:NL:RBSHE:2009:BK4849.

28. Zie verder: Sdu commentaar op Wetboek

van Strafvordering artikel 36, bijge-

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 623


500

Opinie

De executieplicht van

het Openbaar Ministerie

Sonja Meijer 1

Bart van U. wordt verdacht van de moord op oud-minister Els Borst in februari vorig jaar en op zijn zus in

afgelopen januari. 2 Beide vrouwen werden vermoord in een periode dat de verdachte vast had behoren te

zitten. In deze bijdrage wordt uitgelegd waarom het Openbaar Ministerie een in een eerdere zaak tegen

deze verdachte gegeven bevel gevangenneming had behoren uit te voeren en wordt het belang van de

executieplicht benadrukt.

In september 2012 heeft het Hof Den Haag een gevangenisstraf

van drie jaar opgelegd aan Bart van U.

wegens verboden wapenbezit. 3 Het hof legt een hogere

straf op dan de rechtbank (10 maanden gevangenisstraf

waarvan 4 voorwaardelijk) omdat verdachte weigerde zijn

medewerking te verlenen aan een persoonlijkheidsonderzoek

en begeleiding door de reclassering. Het hof is van

oordeel dat de verdachte zonder adequate behandeling en

begeleiding een ernstige bedreiging voor de (veiligheid

van de) samenleving kan zijn en beveelt in zijn vonnis de

gevangenneming. Van U. is niet bij de uitspraak aanwezig,

omdat hij op dat moment voor zijn werk aan boord is van

een schip. Hij tekent op een later moment cassatie aan bij

de Hoge Raad. 4

Ondanks het bevel van de rechter tot gevangenneming

besluit de advocaat-generaal dat Van U. het vervolg

van zijn zaak in vrijheid mag afwachten. Volgens het

Openbaar Ministerie was die beslissing ingegeven door

het grote verschil tussen de straf van het hof en de eerste

strafoplegging van de rechtbank in Rotterdam.

De zaak zorgde voor de nodige ophef. Het Openbaar

Ministerie kondigt aan een onderzoekscommissie in te

stellen die ‘grondig en breed’ moet onderzoeken hoe het

komt dat Bart van U. steeds psychiatrische hulp wist te

ontlopen hoewel hij meerdere keren in contact kwam met

justitie en er grote zorgen bestonden rondom zijn psychische

gesteldheid. Het is niet duidelijk of in dat onderzoek

ook de vraag wordt meegenomen waarom het Openbaar

Ministerie een door de rechter opgelegd bevel tot het

gevangennemen van Van U. niet heeft uitgevoerd. In de

uitzending van Nieuwsuur van 1 februari jl. reageert het

Openbaar Ministerie door te zeggen dat zij de beslissing

van de rechter nog niet konden uitvoeren, omdat de verdachte

cassatie had ingesteld. Het instellen van cassatie

staat echter niet in de weg aan de plicht van het Openbaar

Ministerie om een bevel van het hof tot gevangenneming

uit te voeren. Ik leg uit waarom dat zo is.

Het bevel gevangenneming dat door het hof werd

gegeven is een rechterlijke uitspraak, dat wil zeggen een

op de terechtzitting gegeven beslissing (artikel 138 Sv).

De eis dat de beslissing ‘op de terechtzitting’ moet zijn

gegeven moet in die zin worden uitgelegd dat de inhoud

van die beslissing openbaar (bekend) behoort te worden

gemaakt en dat die bekendmaking de eigenlijke beslissing

vormt. 5 ‘Uitspraken’ worden evenals ‘beschikkingen’

van een rechter (dat wil zeggen de niet op de terechtzitting

gegeven beslissingen) door artikel 138 Sv aangeduid

als ‘rechterlijke beslissingen’. Het bevel gevangenneming

is kortom een uitspraak en daarmee ook een rechterlijke

beslissing.

De constatering dat het bevel gevangenneming een

rechterlijke beslissing is, is van belang, omdat ingevolge

artikel 557 lid 1 Sv - voor zover niet anders door de wet is

bepaald - beslissingen van de strafrechter niet ten uitvoer

mogen worden gelegd zolang daartegen nog een gewoon

rechtsmiddel openstaat. Door hoger beroep of cassatie

wordt de tenuitvoerlegging van die beslissing geschorst of

opgeschort (artikel 557 lid 2 Sv). De wet maakt op dit uitgangspunt

evenwel een aantal uitzonderingen, onder

meer voor bevelen die bij vonnis of arrest zijn verleend

die dadelijk uitvoerbaar zijn (artikel 557 lid 3 Sv).

De vraag is dus of het bevel (tot gevangenneming)

dat in dit geval door het hof bij arrest was verleend dadelijk

uitvoerbaar was. Het bevestigende antwoord daarop

vinden we in artikel 73 Sv dat bepaalt dat de bevelen tot

voorlopige hechtenis (bevelen tot inbewaringstelling,

gevangenhouding en gevangenneming) dadelijk uitvoerbaar

zijn. De dadelijke uitvoerbaarheid impliceert dat

bevelen tot voorlopige hechtenis direct uitvoerbaar zijn.

De ratio hiervan is dat een verdachte deze bevelen door

de instelling van een rechtsmiddel niet illusoir moet

kunnen maken. 6

624 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Het bevel gevangenneming van het gerechtshof was

kortom dadelijk uitvoerbaar en het Openbaar Ministerie

had dit bevel ook moeten uitvoeren. Daarvoor zijn twee

redenen te noemen.

Ten eerste heeft het Openbaar Ministerie niet alleen

de bevoegdheid, maar ook de wettelijke plicht om rechterlijke

beslissingen uit te voeren. 7 Deze zogenoemde executieplicht

werd door de Hoge Raad voor bevelen ten aanzien

van de voorlopige hechtenis expliciet vastgesteld in

HR 24 mei 1991, NJ 1991/646 m.nt. ThWvV waarin hij

overwoog dat in het stelsel van artikel 63-88 in samenhang

met artikel 553 Sv ligt besloten dat de officier van

justitie die ingevolge laatstgenoemd artikel met de tenuitvoerlegging

van bevelen tot voorlopige hechtenis is belast

niet de vrijheid toekomt om zich op grond van zijn eigen

oordeel aan die last te onttrekken.

Enige andere uitleg van dit uitgangspunt zou er voor

zorgen dat een officier van justitie of een advocaat-generaal

zijn of haar persoonlijke opvatting over de wenselijkheid

van de uitvoering boven de rechterlijke beslissing

kan plaatsen. De executieplicht ligt besloten in het systeem

van de wet waaraan het stelsel van ‘checks and

balances’ ten grondslag ligt: de wetgevende, rechtsprekende

en uitvoerende macht dienen gescheiden te zijn. In dit

stelsel ligt een heldere afbakening van taken en bevoegdheden

tussen de verschillende machten besloten. Zo is de

rechter belast met het doen van rechterlijke beslissingen

en is de uitvoerende macht belast met de tenuitvoerlegging

daarvan. De verschillende machten houden elkaar

daardoor in evenwicht en kunnen elkaar controleren.

Voorkomen wordt daardoor dat het Openbaar Ministerie

of de Minister van Veiligheid en Justitie een (politiek)

onwelgevallige rechterlijke beslissing niet uitvoert.

In de tweede plaats is het niet uitvoeren van het

bevel gevangenneming onbegrijpelijk gelet op de motivering

van het hof. Het hof had het bevel niet hoeven te

geven, maar voelde zich daartoe kennelijk wel genoodzaakt

nu ‘(g)elet op de bewezen verklaarde feiten, de

gevaarzettende combinatie van het dragen van wapens en

de denkbeelden van de verdachte, de vasthoudendheid

waarmee de verdachte meent gerechtvaardigd te zijn zichzelf

boven de wet te stellen, de verklaringen die de verdachte

tegenover de politie en ter terechtzitting in eerste

aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd, alsmede gelet

op het feit dat de verdachte op geen enkele wijze zijn

medewerking heeft willen verlenen aan een diepgaand

onderzoek naar zijn persoon en zijn psychisch functioneren,

terwijl er aanwijzingen zijn voor (mogelijk ernstige)

persoonlijkheidsproblematiek bij de verdachte’ het hof

van oordeel was dat de verdachte zonder een adequate

behandeling en begeleiding een ernstige bedreiging voor

de (veiligheid in de) samenleving kon zijn.

Het komt in de praktijk met enige regelmaat voor dat

het Openbaar Ministerie rechterlijke beslissingen niet uitvoert.

Uit een rapport van de Algemene Rekenkamer van

februari 2012 bleek dat het Openbaar Ministerie in de periode

2004 tot 2008 zo’n 2200 door de rechter opgelegde vrijheidsstraffen

en geldboetes niet uitvoerde. 8 Deze straffen

werden ‘ter verjaring opgelegd’, dat wil zeggen dat het

Een verdachte moet deze bevelen

door de instelling van een

rechtsmiddel niet illusoir kunnen

maken

Openbaar Ministerie geen inspanning verrichtte om de

opgelegde straf uit te voeren tot het moment dat de straf

verjaard was. Dat gebeurde bijvoorbeeld omdat de veroordeelde

onvindbaar was, detentieongeschikt of omdat er

- zoals in deze zaak - later hoger beroep was ingesteld.

De minister beloofde destijds beterschap en kondigde

aan de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen

onder de directe verantwoordelijkheid van de minister te

willen brengen om daarop strakker te kunnen sturen. 9

Het probleem is echter niet zonder meer verholpen door

het verschuiven van de verantwoordelijkheid. Het gaat er

om dat die verantwoordelijkheid ook daadwerkelijk wordt

genomen.

PvdA Tweede-Kamerlid Jeroen Recourt kondigde

inmiddels in de Telegraaf van 28 januari jl. aan Kamervragen

te zullen stellen aan minister Opstelten. Het zou

goed zijn wanneer de minister bij de beantwoording van

de Kamervragen helderheid verschaft: rechterlijke beslissingen

moeten door het Openbaar Ministerie worden uitgevoerd.

Auteur

mij gepubliceerde opinie in NRC Handelsblad

van 2 februari jl.

S. Meijer, ‘De dadelijke uitvoerbaarheid van

rechterlijke beslissingen’, DD 2013,

p. 59-77.

7. HR 1 februari 1991, NJ 1991/413 m.nt.

ThWvV. Zie hierover nader S. Meijer, Openbaar

ministerie en tenuitvoerlegging (diss.

Tilburg), Nijmegen: Wolf Legal Publishers

2012, p. 109-182.

8. Rapport Algemene Rekenkamer ‘Prestaties

in de strafrechtsketen’ van februari

2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33173, 2,

p. 25).

9. Kamerstukken II 2011/12, 33000 VI, 11

(brief Staatssecretaris van Veiligheid en

Justitie d.d. 25 oktober 2011). Zie ook het

wetsvoorstel Herziening tenuitvoerlegging

strafrechtelijke beslissingen, Kamerstukken

II 2014/15, 34086, 2.

1. Mr. S. Meijer is universitair docent

straf(proces)recht aan de Vrije Universiteit

in Amsterdam. Zij promoveerde in 2012 op

haar proefschrift Openbaar ministerie en

tenuitvoerlegging (Wolf Legal Publishers,

2012).

3. Hof Den Haag, 25 september 2012,

ECLI:NL:GHSGR:2012:BY1999.

4. Het arrest van het hof is in cassatie

gedeeltelijk vernietigd en teruggewezen:

HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:698.

5. Aant. 5 op art. 138 Sv, in Melai & Groenhuijsen

e.a.

6. Kamerstukken 1913/14, 286, 3, p. 83 en

Noten

2. Zie over deze zaak ook een eerder door

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 625


501

O&M

Van ’s Konings Dierentuin naar

Reflectie-Kamer

Jan Eskes 1

Nederland heeft de Eerste Kamer te

danken aan de Belgen. Toen Souverein

Vorst Willem, gebruik

makend van Napoleons vlucht van

Elba op 16 maart 1815, een machtsgreep

deed door via een Proclamatie

zichzelf de Koningskroon op te

zetten en – overigens met goedvinden

van het Congres van Wenen –

België annexeerde, moest een en

ander in een grondwet gelegaliseerd

worden. De Belgen beschikten

ruimschoots over adellijke titels en

verlangden in de grondwetscommissie

daarom een Eerste Kamer

naar Engels model.

standige mensen konden voortaan

lid worden! Een en ander doet potsierlijk

aan. In 1917 kwam aan deze

onzin een einde door de vereisten

voor het lidmaatschap van Tweede en

Eerste Kamer gelijk te stellen en in

1922 werd ook bij de Eerste Kamerverkiezingen

het stelsel van evenredige

vertegenwoordiging ingevoerd.

Vermeldenswaard is overigens dat de

Eerste Kamer eenmaal om politieke

redenen is ontbonden. Het kabinet-

Kuyper (1901-1904) zag dat het geen

meerderheid in de Eerste Kamer zou

krijgen voor een aanpassing van de

Hoger Onderwijswet en dat dit na

ontbinding wel het geval zou zijn.

De Eerste Kamer werd aldus in 1904

ontbonden. De Grondwet van 1887

gaf de regering in artikel 73 (thans

artikel 64) daarvoor de volledige

bevoegdheid. Aan dit mijns inziens

ten onrechte veel bekritiseerde

besluit 2 hebben de studenten van de

bijzondere universiteiten de effectus

civilis bij hun afstuderen te danken.

In 1925 kwam het waarachtig tot een

‘heldendaad’ van de Eerste Kamer

toen zij het tractaat met België over

de zeggenschap inzake de Wielingen,

een vaargeul in de Oosterschelde,

verwierp. 3

Minister van Buitenlandse Zaken

Van Karnebeek trad af.

Over het algemeen heeft de Eerste

Kamer zich keurig gedragen. Als het

tot een afstemmen van een wetsontwerp

kwam, dan werd er ‘gelijmd’ of

bleef het bij een aftreden van één

minister. Zo is het in 1907 gegaan

met het door de Eerste Kamer afwijzen

van de oorlogsbegroting van het

kabinet De Meester. Het daarop volgende

ontslagbesluit van de hele

regering werd ingetrokken en alleen

minister Staal van Defensie trad af.

Hetzelfde gebeurde toen de Eerste

Kamer na de ‘nacht van Van Thijn’ in

2005 een grondwetswijziging inzake

de gekozen burgemeester afwees en

Willem I had daar wel oren

naar, mits hijzelf de leden

kon benoemen. Zo ontstond

via de Grondwet van augustus

1815 de Eerste Kamer, die al snel de

bijnaam kreeg van ‘la Ménagerie du

Roi’. Koning Willem I was gesteld op

zijn Eerste Kamer, maar Koning Willem

II nog meer. Het verhaal gaat dat

toen de Grondwet van 1848 bepaalde

dat de Eerste Kamer voortaan gekozen

zou worden door Provinciale Staten,

de vorst de voorzitter van de

nieuwe Kamer een zelfportret beloofde,

dat in de vergaderzaal zou moeten

hangen: ‘Zodat ik altijd bij U zal

zijn’! Het portret hangt er nog steeds.

Om het elitekarakter van de nieuwe

kamer toch enigszins te handhaven

werd bepaald dat de leden gekozen

dienden te worden uit de ‘hoogst

aangeslagenen in de Rijks directe

belastingen’. Bij de herziening van

1887 bepaalde de Grondwet dat ook

lieden verkozen konden worden, die

‘eene of meer hooge en gewigtige

openbare betrekkingen, bij de wet

aangewezen, bekleeden of bekleed

hebben’. Zo konden onder meer hoogleraren,

officieren, rechters, oudministers

en oud-Tweede Kamerleden

Eerste Kamerlid worden. Dus

niet alleen zeer rijke, maar ook veralleen

minister De Graaf aftrad. In

1999 na de ‘nacht van Wiegel’ waarin

een wijziging van de Grondwet

betreffende het correctief referendum

het niet haalde, werd er

‘gelijmd’.

Het enige voorbeeld van een kabinet

dat door de Eerste Kamer werkelijk

naar huis werd gestuurd dateert van

meer dan 150 jaar geleden. Het kabinet

Rochussen (1858-1860) kwam ten

val toen na vier dagen debatteren de

Eerste Kamer – onder gejuich van de

publieke tribune – de ontwerp-Spoorwegwet

verwierp. Het geplande

spoorwegnet zou vooral Rotterdam

ten goede komen, wat verzet uitlokte

van Amsterdamse Kamerleden en

afgevaardigden uit de noordelijke

provincies.

Het is opvallend dat in dit enige

voorbeeld, waarbij de Eerste Kamer

het kabinet definitief de voet dwars

zet, lokale belangen de hoofdrol spelen.

Dat geeft te denken. In een gedegen

artikel in NRC Handelsblad van 4

februari beschrijft professor Elzinga

de opkomst van een bundeling van

lokale partijen, die via de Provinciale

Statenverkiezingen een gezamenlijke

gooi willen doen naar een Senaatsfractie.

Elzinga schat voorzichtig dat

de kans op een fractie van tien tot

twaalf zetels tot de mogelijkheden

behoort. Het lijkt er daarmee op dat

het kabinet-Rutte II, in de peilingen

toch al zwak staand, met deze vreemde

eend in de bijt geen werkbare

meerderheid in de Eerste Kamer zal

vinden of keer op keer zijn wetsvoorstellen

zal zien sneuvelen.

Auteur

1. Dr. J.A.O. Eskes is oud-docent Staatsrecht aan de

Universiteit Utrecht.

Noten

2. Zie mijn artikel ‘Ontbinding van de Eerste Kamer?’ in

NJB 2013, afl. 37, p. 2611.

3. Zie R.L. Schuursma, Het onaannemelijk tractaat (diss.

Utrecht), 1976

626 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Opinie 502

Stemmen bij volmacht

One man, one secret vote?

Robert Steenbergen 1

In 2014 stond het thema verkiezingen volop in de

belangstelling. Met de gemeenteraadsverkiezingen in

maart en de verkiezingen voor het Europees Parlement

in mei was er genoeg voer voor discussie. 2 De Kiesraad

heeft zoals gebruikelijk na de verkiezingen een

advies uitgebracht aan de Minister van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties. 3

In het advies van de Kiesraad wordt onder andere

gesproken over het ronselen van volmachten bij de

gemeenteraadsverkiezingen. Het stemmen bij volmacht is

een punt dat de afgelopen jaren al bij verschillende verkiezingen

onderwerp van kritiek is geweest, met name

vanuit de OVSE. In aanloop naar de verkiezingen voor de

Provinciale Staten en de waterschappen wordt in dit artikel

na enkele algemene opmerkingen over waarnemersmissies

op die kritiek ingegaan.

1. Waarnemersmissies

Bij verkiezingen in een van de lidstaten worden door de

OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in

Europa, met regelmaat waarnemersmissies georganiseerd.

Waarnemers bekijken dan de gang van zaken tijdens de

verkiezingen.

Er is alle reden om waarnemersmissies te steunen.

Kritiek op de zogenaamde nieuwe democratieën is er

genoeg. De stembussen zijn soms doorzichtig, kiezers worden

in bussen van stembureau naar stembureau gereden,

of er wordt niet geregistreerd dat iemand al gestemd

heeft. Waarnemersmissies rapporteren over dergelijke

misstanden, zodat het betreffende land het verkiezingsproces

kan verbeteren.

Ook vanuit Nederland klinkt regelmatig kritiek op de

stembusgang in andere landen. Regeringen worden aangespoord

om de rapporten serieus te nemen. Men zou

verwachten dat Nederland datzelfde doet, maar dit is,

zoals hieronder wordt betoogd, lang niet altijd het geval.

In Nederland wordt vaak gedacht dat ‘wij’ de verkiezingen

perfect geregeld hebben, dus waar zou de OVSE over kunnen

klagen?

2. De volmacht

De OVSE is over het algemeen inderdaad positief over de

wijze waarop verkiezingen in Nederland geregeld zijn en

de wijze waarop deze plaatsvinden. Toch heeft de OVSE bij

iedere verkiezing dezelfde kritiek: het stemmen bij volmacht.

4 Het stemmen bij volmacht, ingevoerd in 1928,

biedt kiezers die niet in persoon aan de stemming kunnen

meedoen de mogelijkheid toch van hun actief stemrecht

gebruik te maken. Het verlenen van de volmacht

kan op twee manieren: door een schriftelijke aanvraag of

door overdracht van de stempas, de zogenaamde onderhandse

volmacht. De schriftelijke volmacht is ook in andere,

ons omringende landen een bekend fenomeen, maar

wat betreft de onderhandse volmacht is Nederland vrijwel

het enige land dat deze manier van stemmen kent. Omdat

de onderhandse volmacht een laagdrempelige, makkelijk

te regelen manier is, wordt deze in Nederland verreweg

het meest gebruikt. 5

3. Kritiek op het stemmen bij volmacht

Hoe nobel het doel van de volmacht ook is, volgens de

OVSE is het in strijd met twee essentiële principes van het

verkiezingsproces: het beginsel van one man, one vote en

het stemgeheim. 6 De OVSE raakt met de kritiek een goed

– maar politiek gevoelig – punt.

Ten eerste het beginsel van one man, one vote. Dit

principe houdt in dat iedere kiezer één stem heeft; meervoudig

stemmen is uiteraard niet toegestaan. Als het kies-

Auteur

van het verkiezingsproces?’, NJB

2014/1058, afl. 21, p. 1427-1431.

3. Advies van de Kiesraad naar aanleiding

van de gemeenteraadsverkiezingen en de

verkiezing voor het Europees Parlement

2014, geraadpleegd via www.kiesraad.nl/

sites/default/files/

Advies%20n.a.v.%20gemeenteraadsverkiezingen%20en%20verkiezing%20Europees%20parlement%202014.pdf;

bijlage

bij Kamerstukken II 2013/14, 31142, 46.

4. De meest recente rapporten zijn OSCE/

ODIHR, Elections assessment mission report

(2007), OSCE/ODIHR, Early Parliamentary

Elections Mission Report (2010) en OSCE/

ODIHR, Early Parliamentary Elections Mission

Report (2012). Deze zijn te vinden op

http://www.osce.org/odihr/elections/

netherlands.

5. H. van der Kolk, Over het aantal volmachtstemmen.

Een verkennend rapport

voor de Kiesraad over het gebruik van

volmachtstemmen in gemeenten bij de

Tweede Kamerverkiezingen van 2012, de

gemeenteraadsverkiezingen van 2014 en de

Europese verkiezingen van 2014, p. 4,

geraadpleegd via www.kiesraad.nl.

6. Zie voor de Tweede Kamerverkiezingen

van 12 september 2012: OSCE/ODIHR,

Early Parliamentary Elections Mission Report

(2012), p. 6.

1. Mr. R. Steenbergen is juridisch medewerker

bij de afdeling bestuursrecht van de

Rechtbank Midden-Nederland. De bijdrage

is op persoonlijke titel geschreven. Auteur

bedankt prof. mr. R. de Lange en mr. L.

Roorda voor hun opmerkingen.

Noten

2. Zie bijvoorbeeld R. de Jong, ‘Stemvrijheid

en stemgeheim. Eroderende waarborgen

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 627


Opinie

stelsel kiezers meer dan een stem verschaft, moet voor

iedereen eenzelfde aantal stemmen gelden. 7 Dit leidt bij

het volmachtstemmen tot problemen. De OVSE ziet volmachtstemmen

namelijk vooral als een manier om mensen

een tweede (of derde) stem te geven. Daarvan lijkt mij

slechts sprake in twee gevallen: 1. de volmachtgever laat

de gemachtigde volledig vrij in zijn of haar keuze, of 2. de

gemachtigde besluit ondanks een verzoek van de volmachtgever

dat niet te volgen en op de partij van zijn of

haar eigen voorkeur te stemmen. Of dit ook daadwerkelijk

gebeurt, is echter in het geheel niet te controleren. Deze

oncontroleerbaarheid zorgt er derhalve voor dat de volmacht

de facto een tweede stem oplevert.

Ten tweede geldt het stemgeheim als uitgangspunt. 8

Voor de kiezer moeten de omstandigheden en voorwaarden

geschapen worden die ervoor zorgen dat hij vrijelijk

en in het geheim al dan niet van het kiesrecht gebruik

kan maken. Het stemgeheim wordt onder andere geschonden

als een kiezer bij het verlenen van de volmacht aan

de gemachtigde opdraagt om op lijst 11, kandidaat 25 te

stemmen. Dit gebeurt meestal echter op vrijwillige basis.

Er is geen enkele verplichting om iemand te machtigen,

noch om daarbij aan te geven op welke partij de gemachtigde

zou moeten stemmen. 9 Desalniettemin betreft het

strikt genomen een schending van het stemgeheim. Ook

als sprake is van het ronselen van volmachten wordt het

stemgeheim geschonden, maar dan lang niet altijd op

vrijwillige basis. Denk bijvoorbeeld aan een vrouw die

zich vanuit haar geloofsovertuiging verplicht voelt om

haar man te machtigen om namens haar te stemmen.

4. De reactie op de kritiek

De reactie uit politiek Den Haag laat zich raden. Het stemmen

bij volmacht wordt breed gedragen, verhoogt de

opkomst 10 en legitimiteit van de uitslag. Tegenwerpingen

als deze zijn onvoldoende overtuigend. Tot op heden weigeren

regering en parlement de door de OVSE gesignaleerde

problemen te (willen) zien.

Een mogelijke praktische overweging die een rol

speelt bij deze afweging, is het politiek en maatschappelijk

draagvlak dat het stemmen bij volmacht nog altijd heeft. 11

Het afschaffen of verder beperken van het aantal volmachten

zou dan ook kunnen leiden tot een lagere opkomst. 12

Als dit gebeurt, zou dat ten koste gaan van de democratische

legitimatie die politici aan de verkiezingen ontlenen.

Toch is er alle reden om de aanbevelingen van de

OVSE meer ter harte te nemen. Volmachten volledig

afschaffen is dan niet eens nodig. De OVSE heeft bijvoorbeeld

voorgesteld dat de volmachtgever in persoon naar het

gemeentehuis gaat om toestemming voor de volmacht te

verlenen, zodat ook bij de schriftelijke aanvraag identificatie

nodig is. De onderhandse volmacht wordt in een dergelijk

voorstel wel een stuk minder aantrekkelijk of zelfs volledig

afgeschaft, waardoor het risico bestaat dat bepaalde kiezersgroepen

minder gebruikmaken van het stemrecht. 13

Misbruik, met name ten aanzien van de vrijwilligheid,

kan verder worden beperkt door de kring van

gemachtigden te beperken. Het beperken van de kring

van gemachtigden tot bijvoorbeeld echtgenoten, geregistreerd

partners, ouders, kinderen en wellicht ook overige

familieleden die nauw bloed- of aanverwant zijn, zou een

stap zijn om tegemoet te komen aan de aanbevelingen

van de OVSE. Dit kan gedeeltelijk gecontroleerd worden

door middel van de kopie van het identiteitsbewijs. Op

deze manier wordt voorkomen dat volmachten door willekeurige

derden geronseld kunnen worden. 14 Ook kan worden

overwogen om het aantal machtigingen dat een

gemachtigde mag aannemen, terug te brengen tot één.

Dit maakt het minder gemakkelijk om op grote schaal via

volmachten te frauderen.

In ons omringende landen worden alternatieven

voor het stemmen bij volmacht gebruikt, die ook kunnen

worden overwogen. Gedacht kan dan worden aan briefstemmen

of de mogelijkheid om voor de verkiezingsdag

al te stemmen. Met name bij het systeem van advance

voting, zoals dat bijvoorbeeld in Zweden wordt gebruikt,

geldt dat dit vele malen veiliger is dan het stemmen bij

volmacht, maar hier geldt dat dit vooral een oplossing is

voor gezonde kiezers. 15

5. Slot

Het stemmen bij volmacht kan internationaal op kritiek

rekenen. Deze kritiek is vanuit historisch oogpunt, met

misbruik en het ronselen van stemmen, op zichzelf

terecht. Het stemmen bij volmacht is in de huidige opzet

immers kwetsbaar. Zo is het stemgeheim niet gewaarborgd

en dreigt het principe van gelijk stemrecht op de

helling te komen doordat niet met zekerheid kan worden

vastgesteld of de gemachtigde de keuze van de volmachtgever

volgt. Deze kritiek leidt er in de waarnemersrapporten

van de OVSE toe dat gepleit wordt voor een aanpassing

van het systeem. Nederland zou er goed aan doen die

rapporten ter harte te nemen en het systeem van het

stemmen bij volmacht aan te passen.

7. Vergelijk bijv. het Duitse kiesstelsel, waar

zowel gestemd wordt volgens evenredige

vertegenwoordiging als via een districtenstelsel.

Alle kiezers hebben daar twee stemmen.

8. Zie hierover ook R. de Jong, ‘Stemvrijheid

en stemgeheim. Eroderende waarborgen

van het verkiezingsproces?’, NJB

2014/1058, afl. 21, p. 1427-1431.

9. In dat laatste geval bestaat wel het

gevaar dat de gemachtigde op de partij van

zijn of haar eigen voorkeur stemt en op die

manier het beginsel van one man, one vote

met voeten treedt.

blijkt dat 84% van de kiezers vindt dat het

stemmen bij volmacht moet blijven. Zie

Sociale samenhang: Participatie, vertrouwen

en Integratie, Den Haag/Heerlen: CBS

2010, p. 73.

13. Te denken valt aan bijvoorbeeld zieken

en ouderen.

14. Hoewel ook deze eis fraude niet volledig

uitsluit, bijvoorbeeld door het fenomeen van

family voting. Zie S. Lukowski, Verkiezingsfraude

vanuit strafrechtelijk perspectief, in:

J.G. van Eerden & R. de Jong (red.), Fraude

en ongewenste beïnvloeding. Lezingen

uitgesproken op het symposium ter gelegenheid

van het 90-jarig bestaan van de Kiesraad,

Den Haag: Kiesraad 2008, p. 31.

15. R. de Jong, ‘Stemmen bij volmacht en

ondersteuningsverklaringen in historisch en

rechtsvergelijkend perspectief’, in: J.G. van

Eerden & R. de Jong (red.), Fraude en ongewenste

beïnvloeding. Lezingen uitgesproken

op het symposium ter gelegenheid van

het 90-jarig bestaan van de Kiesraad, Den

Haag: Kiesraad 2008, p. 116.

10. Uit onderzoeken blijkt dat bij ongeveer

8 à 12% van de stemmen sprake is van een

volmachtstem. Zie o.a. Verkiezingen: Participatie,

Vertrouwen en Integratie, Den

Haag/Heerlen: CBS 2011, p. 149.

11. Uit een onderzoek van het CBS uit 2010

blijkt dat 84% van de kiezers vindt dat het

stemmen bij volmacht moet blijven. Zie

Sociale samenhang: Participatie, Vertrouwen

en Integratie, Den Haag/Heerlen: CBS

2010, p. 73.

12. Uit een onderzoek van het CBS uit 2010

628 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Reactie

503

Ook uit de school klappende

raadsleden zijn immuun

Roel Schutgens 1

Krachtens artikel 25 Gemeentewet

(Gemw) kan de

gemeenteraad voor bepaalde

stukken geheimhouding opleggen.

Raadsleden die de inhoud van zulke

stukken toch bekend maken, zijn te

vervolgen op basis van artikel 272 Sr,

dat het onthullen van ambtsgeheimen

strafbaar stelt. Een enkele keer

schendt een raadslid deze geheimhoudingsplicht

door tijdens de raadsvergadering

uit de school te klappen.

In mijn NJV-preadvies over parlementaire

immuniteit wordt betoogd dat

in zo’n geval de immuniteit van artikel

22 Gemw aan vervolging in de

weg staat. 2

Hennekens ziet dat anders. 3 Volgens

hem hebben artikel 22 Gemw enerzijds

en artikel 272 Sr anderzijds

‘ieder voor zich op een ander onderwerp

betrekking’: de ene bepaling

‘ziet op het mogen openbaren van

door straf gesanctioneerde meningsuitingen

en de andere op het verbod

om een geheim in de openbaarheid

te brengen. Dat zijn twee geheel verschillende

gedragingen.’ De beide

bepalingen staan volgens Hennekens

als het ware naast elkaar, zodat de

immuniteit vervolging op basis van

artikel 272 Sr niet uitsluit.

Volgens mij is de formulering van

artikel 22 Gemw echter klip en klaar:

‘De leden van het gemeentebestuur

(…) kunnen niet in rechte worden

vervolgd of aangesproken voor (…)

hetgeen zij in de vergadering van de

raad hebben gezegd.’ Daar valt moeilijk

iets anders in te lezen dan een

verbod aan de rechter om de woorden

die een volksvertegenwoordiger

tijdens de vergadering uitspreekt, te

toetsen aan het recht. Anders dan

Hennekens veronderstelt, vestigt

artikel 22 Gemw (net als artikel 71

Gw) niet een verbod op vervolging

wegens bepaalde typen uitlatingen

of uitingsdelicten, maar vormt het

een algemene blokkade om een

volksvertegenwoordiger in rechte ter

verantwoording te roepen voor zijn

in de raadsvergadering verboden. De

immuniteit wijst alleen een andere

handhaver voor die verboden aan:

niet de rechter, maar de voorzitter

van de raad. Bovendien worden daarbij

geen punitieve sancties opgelegd,

maar slechts ordebevoegdheden toegepast.

Dit alles is naar mijn oordeel geldend

recht. Daarmee is het nog niet per se

wenselijk recht. Hennekens wekt de

indruk dat hij een beperking van de

immuniteit voor uit de school klappende

raadsleden meer dan nodig

vindt. Inderdaad is het onbevredigend

dat een raadslid dat zijn ambtsplicht

flagrant schendt door geheimen

te onthullen, daarmee wegkomt.

Maar dat onbevredigende lijkt mij

eigen aan het verschijnsel immuniteit.

Is het niet nog onbevredigender

dat een volksvertegenwoordiger in de

vergadering individuele burgers kan

belasteren zonder daar later op wat

voor wijze dan ook ter verantwoording

geroepen te kunnen worden? 4

Uiteindelijk lijkt mij dit echter de

prijs die wij als samenleving betalen

voor de evidente voordelen van de

immuniteit: het feit dat zij één toeuitlatingen

in de vergadering. Een

officier van justitie die een raadslid

zou vervolgen omdat die (volgens

hem!) in de vergadering een geheim

heeft onthuld, doet precies wat artikel

22 Gemw hem verbiedt.

Hennekens’ opvatting lijkt mij echter

niet alleen in strijd met de letter van

de immuniteitsbepaling, maar ook

met de strekking daarvan. De immuniteit

beoogt de rechter buiten het

politieke debat te houden en de

volksvertegenwoordiger te vrijwaren

van iedere angst voor vervolging

voor wat hij in zijn ambtsuitoefening

naar voren brengt. Als bepaalde

typen uitlatingen buiten de immuniteit

worden gebracht, wordt die

beschermende, van angst vrijwarende

werking aangetast. Dat geldt net

zo goed indien Hennekens’ visie

ingang zou vinden. Niet alleen flagrante

schendingen van de geheimhoudingsplicht

zouden dan immers

vervolgd kunnen worden, maar ook

de gevallen waarin de volksvertegenwoordiger

iets zegt wat hij naar zijn

oprechte overtuiging nog net wel

mag onthullen. Alle gevallen waarin

de volksvertegenwoordiger raakt aan

of hint op een geheim kunnen dan

immers aan de strafrechter worden

voorgelegd. Het ‘chilling effect’ dat

daarvan kan uitgaan, is precies wat

de immuniteit wil voorkomen. Vervolging

op basis van artikel 272 Sr

zou artikel 22 Gemw dan ook ondergraven.

Artikel 22 Gemw is daarom

te beschouwen als een lex specialis

ten opzichte van artikel 272 Sr (of

artikel 137d Sr, 262 Sr, 6:167 BW,

enz.). Beide bepalingen kunnen niet

tegelijkertijd worden toegepast, en

omdat artikel 22 Gemw een specifieke

groep personen in een bijzonder

geval beschermt, krijgt het voorrang

boven het algemenere artikel 272 Sr.

Overigens doet de immuniteit niet af

aan de geheimhoudingsplicht als

zodanig, net zo min als zij derogeert

aan (andere) uitingsdelicten. Geheimen

onthullen of haat zaaien is ook

Auteur

1. Prof. mr. R.J.B. Schutgens is hoogleraar Algemene

rechtswetenschap aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Noten

2. Vanzelfsprekend betoogden anderen al eerder hetzelfde.

Zie de losbladige De Gemeentewet en haar toepassing, aant.

3 bij art. 22 (Versteden) en daarin genoemde visie van Elzinga

en van de Staatssecretaris van BZK. Zelfs Hoos, die een

duidelijke tegenstander is van dit stelsel, onderschrijft dat het

geldend recht is. Zie N. Hoos, ‘Een maas in de wet. Het lekken

van informatie door immuniteitsgerechtigde ambtsdragers’,

NJB 2012/587. In Gst. 2010/17 noemt Versteden

overigens een niet-gepubliceerd Politierechtervonnis dat

berust op een redenering die aansluit bij die van Hennekens.

3. H.Ph.J.A.M. Hennekens, ‘Derogeert immuniteit aan de

geheimhoudingsplicht?’, NJB 2015/91, afl. 2, p. 102-105.

4. Ontleend aan EHRM 14 december 2002, EHRC 2003, 16

(A. vs. Verenigd Koninkrijk). Het Britse en het Nederlandse

recht stemmen op dit punt inhoudelijk overeen.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 629


Reactie

vluchtsoord creëert waar de volksvertegenwoordiger

vrij van angst voor

vervolging het establishment kan

bekritiseren. Daar moeten wij volgens

mij niet te lichtvaardig afscheid

van nemen. De parlementaire immuniteit

beschermt de volksvertegenwoordiger

ook in rechtsstatelijk minder

zonnige tijden, waarvan niemand

kan garanderen dat die er nooit zullen

komen. Die bescherming raakt

uitgehold als wij de duidelijke, formele

afbakening van het toepassingsbereik

van de immuniteit (alles

wat ter vergadering is gezegd, wordt

gedekt) los te laten, en, zoals Hennekens

doet, op materiële gronden categorieën

van uitlatingen te gaan

onderscheiden waarvoor zij niet

meer zou gelden. 5

5. De Hoge Raad houdt dan ook terecht vast aan een formele

begrenzing van het beschermingsgebied van de parlementaire

immuniteit, zie HR 17 juni 2011, AA 2012/928

(Straffeloos schimpen in de Staten).

504 Naschrift

Naschrift

Hub Hennekens 1

Tot mijn vreugde stel ik vast

dat Schutgens mijn mening

deelt. Hij schrijft namelijk: ‘de

immuniteit derogeert niet aan de

geheimhoudingsplicht als zodanig’.

Dat is nu precies mijn standpunt.

Vervolging van die schending kan

dus plaats vinden, waarbij het niet

gaat om wat een volksvertegenwoordiger

heeft gezegd, maar dat hij zijn

plicht geschonden heeft door het

geheim te openbaren. In de casus

waarin de Hoge Raad uitspraak deed

op 7 juni 2011, AA 2012/228 was

geen sprake van schending van de

geheimhoudingsplicht, maar van

‘uitlatingen jegens een persoon inzake

het begaan van strafbare feiten’.

Daarmee en daarom kan die verwijzing

niet dienstig zijn voor het antwoord

op de vraag die inzake het

onderhavige onderwerp speelt.

Verder stel ik vast dat Schutgens

evenwel de indruk wekt uitsluitend

aan de voorzitter van de

gemeenteraad de bevoegdheid toe te

denken om tegen schending van de

geheimhoudingsplicht te kunnen

optreden. Dat nu is in tegenstelling

tot hetgeen hij daaraan voorafgaand

terecht heeft opgemerkt. De bevoegdheid

van de burgemeester tot het

nemen van een ordemaatregel staat

naast die van de officier van justitie

om dat strafbaar feit te vervolgen.

Van de immuniteitsregeling

voor volksvertegenwoordigers heb ik

geen afscheid genomen noch een

dergelijk afscheid voor wenselijk

geoordeeld. Het is wel in een rechtsstaat

van belang dat volksvertegenwoordigers

zich houden aan het geldende

recht, waarvan zowel de

geheimhoudingsplicht als de immuniteit

onderdeel zijn.

Door mij is geen onderscheid

gemaakt in categorieën van uitlatingen,

zoals Schutgens mij toedenkt.

Het kan zijn dat Schutgens op het

verkeerde been is gezet door de volgende

passage in mijn artikel (p. 103,

r.k.): ‘Het zou bovendien aanvechtbaar

zijn om tot geheimhouding te

besluiten ten aanzien van strafbare

uitingen.’ In mijn artikel heb ik die

passage opgenomen als een extra

argument – zie het woord ‘bovendien’

– van mijn principieel standpunt

dat het strafbare feit dat

bestaat in schending van de geheimhoudingsplicht

juist niet valt onder

de immuniteitsregeling, terwijl de

inhoud van hetgeen door of na

schending wordt gezegd redelijkerwijze

geen strafbaar feit zal opleveren.

De geheimhoudingsplicht pleegt

namelijk geen betrekking te hebben

op het doen van strafbare uitingen.

Dat zou onzinnig zijn. Zij zou reeds

op die grond onrechtmatig zijn. Zou

– dit bij wijze van hypothetisch voorbeeld

– een dergelijke plicht tot

geheimhouding worden opgelegd en

deze aan het oordeel van de administratieve

rechter worden onderworpen,

dan zou hij zonder meer tot vernietiging

van dat besluit overgaan.

Dit is geen rechtens houdbare WOBgrond.

Aan de hand van het vigerend

systeem heb ik aangetoond dat het

onderscheid tussen enerzijds verplicht

zwijgen – dat is per definitie

geen uiting, hetgeen Schutgens (b)

lijkt te ontkennen – en anderzijds

het spreken door zich te bedienen

van strafbare uitlatingen in ons

recht goed in elkaar zit. Plicht en

immuniteit zijn zo geregeld als in

een rechtsstaat past. Voorts stel ik

vast dat geen van de door mij geleverde

argumenten door Schutgens

wordt bestreden, hetgeen mij in mijn

opvatting sterkt. In wezen is er geen

verschil van inzicht tussen ons op dit

terrein.

Auteur

1. Prof. mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens is emeritus hoogleraar

staats- en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen

en voormalig lid van de Raad van State.

630 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Rechtspraak

Aanbevolen citeerwijze:

NJB 2015/ … (nummer uitspraak)

Hoge Raad (civiele kamer) 631

Afd. bestuursrechtspraak RvS 632

Centrale Raad van Beroep 636

Hoge Raad (civiele kamer)

Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.

Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof

van Justitie van het Caribische deel van het

Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te

zien op www.rechtspraak.nl.

505

27 februari 2015, nr. 14/00219

(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens,

C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot,

T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr. L.

Timmerman)

ECLI:NL:HR:2015:499

Bestuurdersaansprakelijkheid. Een (middellijk)

bestuurster van een vennootschap

dient een spoedaanvraag in tot faillietverklaring

van de vennootschap. Op dezelfde

dag geeft zij aan de bank opdracht tot betalingen

ten laste van een bankrekening van

de vennootschap. Het hof overweegt dat

gesteld noch gebleken is dat aan de

bestuurster persoonlijk een ernstig verwijt

kan worden gemaakt. HR: Het hof heeft

hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting,

hetzij zijn oordeel ontoereikend

gemotiveerd.

(BW art. 6:162)

ING, adv. mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, vs. X

en A Beheer, niet verschenen.

Feiten en procesverloop

X is enig aandeelhoudster en bestuurster van

A Beheer. A Beheer is enig aandeelhoudster

en bestuurster van A. Op 25 maart 2008

heeft X telefonisch aan ING verzocht tot

nader order geen betalingsopdrachten uit te

voeren ten laste van een bankrekening die A

bij ING aanhield. In de ochtend van 28 maart

2008 heeft X het faillissement van A aangevraagd.

Rond 13:30 uur heeft X aan ING betalingsopdrachten

ter zake van loon verstrekt

zonder melding te maken van de faillissementsaanvraag.

Ter uitvoering van deze

opdrachten heeft ING in totaal € 41.732 afgeschreven

van de bankrekening van A, die

daardoor rood kwam te staan. Om 14:14 uur

werd het faillissement van A uitgesproken.

De curator in het faillissement van A heeft

ING in rechte betrokken. In die hoofdzaak is

ING inmiddels onherroepelijk veroordeeld

tot betaling van € 24.796 (zie HR 23 maart

2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614, NJ 2012/421

(ING vs. Manning q.q.)).

In het onderhavige vrijwaringsgeding heeft

ING gevorderd dat X en A Beheer hoofdelijk

worden veroordeeld tot betaling van al datgene

waartoe ING in de hoofdzaak mocht

worden veroordeeld. De rechtbank heeft de

vordering toegewezen. Het hof heeft de vordering

alsnog afgewezen.

Hoge Raad

De onderdelen 4a-4c voeren aan dat ING aan

haar op bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde

vordering ten grondslag heeft gelegd

dat X persoonlijk een ernstig verwijt kan

worden gemaakt omdat zij namens A aan

ING een betalingsopdracht heeft verstrekt,

terwijl zij wist of redelijkerwijs behoorde te

begrijpen dat A hiervoor niet zou kunnen

instaan en geen verhaal zou bieden voor de

schade die ING als gevolg hiervan zou lijden.

De onderdelen voegen hieraan toe dat ING

ter nadere onderbouwing van het persoonlijk

ernstig verwijt het volgende heeft gesteld:

X wilde dat het faillissement van A per direct

zou worden uitgesproken. In de faillissementsaanvraag

staat immers dat het van

belang is dat de eigen aangifte ‘per omgaand’

en ‘met de hoogste spoed’ wordt behandeld.

X (dan wel haar advocaat) heeft op geen

enkel moment – noch in de faillissementsaanvraag

noch in het telefonisch contact met

de griffie – een nuance aangebracht op het

verzoek om het faillissement per omgaande

uit te spreken.

In het licht van deze omstandigheden was er

sprake van een ‘reële kans (…) dat het faillissement

van A nog diezelfde dag zou worden

uitgesproken’.

X heeft de faillissementsaanvraag in de ochtend

van 28 maart 2008 met haar advocaat

besproken, zodat zij op de hoogte was van de

inhoud van de faillissementsaanvraag en van

het feit dat het een spoedaanvraag was.

Deze wetenschap brengt met zich dat X er

‘rekening mee diende te houden dat het faillissement

van A nog diezelfde dag zou worden

uitgesproken en dus dat het niet langer geoorloofd

was om ten laste van de bankrekening

van A bij ING betalingen te verrichten’.

Door de betalingsopdrachten niettemin te

verstrekken heeft X ‘willens en wetens het

risico genomen dat ING (…) op enig moment

door de (toekomstige) curator van A zou worden

aangesproken om het met de betalingen

corresponderende bedrag nogmaals aan de

boedel af te dragen’.

In het licht van deze stellingen heeft het hof

door te oordelen dat gesteld noch gebleken is

dat X persoonlijk een ernstig verwijt kan

worden gemaakt en dat ook onvoldoende is

gesteld voor het kunnen aannemen van aansprakelijkheid

van A Beheer, hetzij blijk gegeven

van een onjuiste rechtsopvatting hetzij

die oordelen ontoereikend gemotiveerd. De

onderdelen 4a-4c slagen dus. Onderdeel 4d

komt op tegen de overweging van het hof dat

ING niet heeft gesteld dat X op de hoogte

was van de terugwerkende kracht tot 00:00

uur van een uit te spreken faillissement.

Geklaagd wordt in de eerste plaats dat niet

valt in te zien dat een eventueel gebrek aan

kennis van de Faillissementswet zou afdoen

aan het persoonlijk ernstig verwijt dat X kan

worden gemaakt. De klacht is ongegrond.

Voor aansprakelijkheid van een bestuurder

van een vennootschap voor een tekortkoming

of onrechtmatige daad van die vennootschap

is vereist dat de bestuurder ter

zake van de daaruit voortvloeiende benadeling

van derden persoonlijk een ernstig verwijt

kan worden gemaakt. Onbekendheid

met een bepaalde wettelijke regel kan in dit

verband mede van belang zijn. Voorts wordt

geklaagd dat het niet op de weg lag van ING

om te stellen dat X op de hoogte was van de

terugwerkende kracht van de faillissementsuitspraak.

Deze klacht slaagt. Het was aan X

om in het kader van haar verweer aan te voeren

dat zij niet op de hoogte was van het feit

dat een faillissement terugwerkt tot 00:00

uur van de dag waarop het is uitgesproken.

Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig

de conclusie van de A-G.

De A-G gaat onder 3.12 in op de maatstaf

voor bestuurdersaansprakelijkheid.

506

27 februari 2015, nr. 14/01730

(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin

Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan, G. de

Groot, V. van den Brink; A-G mr. F.F.

Langemeijer)

ECLI:NL:HR:2015:500

Gevangenisstraf. Tenuitvoerlegging. Een

verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf

waarvan de duur korter is dan de

duur van het reeds door hem ondergane

voorarrest. Daarnaast wordt de tenuitvoerlegging

gelast van een eerder voorwaardelijk

aan hem opgelegde gevangenisstraf. In

dit kort geding vordert hij een bevel tot staking

van de tenuitvoerlegging van laatstbedoelde

straf. Het hof wijst dit toe. HR: Het

oordeel van het hof is ten onrechte gebaseerd

op de opvatting dat het Openbaar

Ministerie de bevoegdheid heeft af te zien

van tenuitvoerlegging van de straf. De door

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 631


Rechtspraak

het hof in aanmerking genomen feiten en

omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt

als bijzondere omstandigheden op

grond waarvan het Openbaar Ministerie de

tenuitvoerlegging kan stopzetten.

(Sv art. 90 lid 4, 553; RO art. 79)

De Staat der Nederlanden, adv. mrs. J.W.H.

van Wijk en G.C. Nieuwland, vs. V, adv. mr.

A.H.H. Vermeulen.

Feiten en procesverloop

Bij arrest van 11 juli 2013 heeft het hof V veroordeeld

tot een gevangenisstraf voor de

duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest,

met opheffing van de voorlopige hechtenis

en bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling.

V had op die datum reeds dertien

maanden en vijf dagen in voorarrest doorgebracht.

Bij hetzelfde arrest heeft het hof voor

de duur van zes maanden de tenuitvoerlegging

gelast van een gevangenisstraf die in

een andere strafzaak voorwaardelijk aan V

was opgelegd. De tenuitvoerlegging van die

gevangenisstraf is begonnen op 21 september

2013.

In dit kort geding heeft V gevorderd dat de

Staat wordt gelast de tenuitvoerlegging te

staken. De voorzieningenrechter heeft de vordering

afgewezen. Het hof heeft de vordering

alsnog toegewezen.

Hoge Raad

Volgens art. 553 Sv geschiedt de tenuitvoerlegging

van beslissingen van de strafrechter

door het Openbaar Ministerie. Een veroordelende

beslissing van de strafrechter moet

worden ten uitvoer gelegd (vgl. HR 1 februari

1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0130, NJ 1991/413;

HR 3 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5977,

NJ 2009/139). Dit is slechts anders als de

beslissing nog niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging,

of als de executiebevoegdheid is

vervallen op de voet van een wettelijk voorschrift,

zoals in geval van een op de wet

gegrond gratiebesluit.

De Aanwijzing executie van het College van

procureurs-generaal (Stcrt. 2013, nr. 5107),

die kan worden aangemerkt als ‘recht’ in de

zin van art. 79 RO, houdt in: ‘Het OM is verplicht

door de rechter opgelegde straffen en

maatregelen te executeren. Dit betekent dat

het OM in geen geval de bevoegdheid heeft

straffen te compenseren anders dan van

rechtswege of krachtens een rechterlijke uitspraak

ex art. 90 lid 4 Sv (...). Het OM kan

gelet op de bijzondere omstandigheden van

het geval en bij wijze van hoge uitzondering

– bijvoorbeeld omdat een zaak niet gratieerbaar

is of tenuitvoerlegging geen redelijk

doel meer dient – besluiten om te stoppen

met de executie.’ Buiten de hiervoor bedoelde

gevallen is het Openbaar Ministerie niet

bevoegd definitief geheel of gedeeltelijk af te

zien van de tenuitvoerlegging van een voor

tenuitvoerlegging vatbare veroordelende

beslissing van de strafrechter. Aan de Aanwijzing

executie kan het Openbaar Ministerie

evenmin de bevoegdheid ontlenen om af te

zien van (volledige) tenuitvoerlegging van

opgelegde straffen. Dit laat onverlet de

slechts ‘bij wijze van hoge uitzondering’ te

hanteren mogelijkheid tot het stopzetten

van de executie als bedoeld in de Aanwijzing

executie in het geval dat zich ‘bijzondere

omstandigheden’ voordoen. Uit het voorgaande

volgt dat het oordeel van het hof dat

het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet

heeft kunnen weigeren gebruik te maken

van de bevoegdheid van de Aanwijzing executie

blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Het oordeel is immers ten onrechte

gebaseerd op de opvatting dat het Openbaar

Ministerie de bevoegdheid heeft af te zien

van tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

De omstandigheid dat de wet voor

een geval als het onderhavige niet voorziet

in aftrek (verdiscontering) van voorarrest bij

de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter

zake van een ander feit dan dat waarvan de

verdenking tot het voorarrest heeft geleid,

kan in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen

niet, ook niet in samenhang met de

overige door het hof in aanmerking genomen

feiten en omstandigheden, worden aangemerkt

als een bijzondere omstandigheid

op grond waarvan het Openbaar Ministerie

de tenuitvoerlegging met toepassing van de

Aanwijzing executie kan stopzetten. De Hoge

Raad kan zelf de zaak afdoen. De gedingstukken

laten geen andere conclusie toe dan dat

de vordering op grond van het voorgaande

niet toewijsbaar is.

Volgt vernietiging van het arrest van het hof

en bekrachtiging van het vonnis van de voorzieningenrechter.

De A-G concludeert tot vernietiging en verwijzing.

Hij houdt rekening met de mogelijkheid

van een gratieverzoek (onder 2.11 en 2.17).

Hij bespreekt het wettelijk kader onder 2.1-

2.7.

Raad van State

Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.

Klein Nulent, mr. drs. J. de Vries en mw. mr. D.

van Leeuwen, allen werkzaam bij de directie

bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Volledige versies van deze uitspraken zijn te

vinden op www.raadvanstate.nl.

507

4 februari 2015, nr. 201308203/1/R3

(Mrs. Parkins-de Vin, Helder en Van der

Wiel)

ECLI:NL:RVS:2015:237

Art. 3.1 Wet ruimtelijke ordening noch

milieuregelgeving staan in de weg aan het

opnemen van een geluidverdeelplan in het

bestemmingsplan; de vastgestelde normen

voor de verdeling van de geluidruimte moeten

kunnen worden afgeleid uit het

bestemmingsplan.

(Wro art. 3.1; Wet geluidhinder art. 40, 163,

164)

Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante

sub 1], gevestigd te Papendrecht, 2. de

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Betoncentrale Papendrecht

BV, gevestigd te Papendrecht, appellanten,

en de raad van de gemeente Papendrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk

036/2013, heeft de raad het bestemmingsplan

‘Bedrijventerrein Oosteind’ vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en

Betoncentrale Papendrecht beroep ingesteld.

Overwegingen

2. Het betreft een bestemmingsplan voor het

bedrijventerrein Oosteind te Papendrecht,

dat een industrieterrein is in de zin van artikel

1 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh).

In het plan is onder meer de geluidzone ingevolge

artikel 40 van de Wgh gewijzigd. Daarnaast

is als bijlage bij het bestemmingsplan

een zonebeheerplan met als onderdeel een

geluidverdeelplan vastgesteld.

(…)

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels

gelden met betrekking tot het gebruik

van gronden en bouwwerken de volgende

regels:

a. bedrijven ter plaatse van de aanduiding

‘gezoneerd industrieterrein’ zijn uitsluitend

toegestaan voor zover zij niet meer geluid

produceren dan aan hen is toegekend op

basis van het geluidverdeelplan dat onderdeel

is van het zonebeheerplan zoals opgenomen

in bijlage 3;

(…).

Ingevolge lid 4.4.1 kan het bevoegd gezag bij

omgevingsvergunning afwijken van het

bepaalde in lid 4.3.1, onder a, en bedrijven toestaan

indien zij niet meer geluid produceren

dan aan hen is toegekend op basis van een

geactualiseerde versie van het geluidverdeel-

632 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Rechtspraak

plan dat onderdeel is van het zonebeheerplan.

3.4. In hoofdstuk 1 van het zonebeheerplan,

dat als bijlage 3 is opgenomen bij de plantoelichting,

is vermeld dat de hoeveelheid te vergunnen

geluid voor het industrieterrein

‘Oosteind’ beperkt is. Voor een duurzame

invulling en optimaal gebruik van het terrein

is het noodzakelijk om zorgvuldig met

het uitgeven van geluidruimte en de verdeling

ervan om te gaan. Het zonebeheerplan

geeft daar invulling aan, zo staat in dat

hoofdstuk. Voorts is het zonebeheerplan wat

het aspect geluid betreft een vervangend

instrument voor de gebruikelijke indeling

van bedrijvigheid in milieucategorieën.

Volgens het geluidverdeelplan, opgenomen

in hoofdstuk 3 van het zonebeheerplan, worden

hierin de huidige bedrijvigheid en de te

verwachten ontwikkelingen vertaald in een

geluidverdeling voor het gehele gezoneerde

industrieterrein. Een goede verdeling maakt

het mogelijk om enerzijds veel activiteiten

en geluid toe te staan en anderzijds de omgeving

te beschermen tegen teveel industrielawaai.

De verdeling van de geluidruimte en de

beschikbare geluidreserveringen zijn

beschreven in het door de Omgevingsdienst

Zuid-Holland Zuid opgestelde rapport ‘Akoestisch

onderzoek Industrieterrein Oosteind

t.b.v. het bestemmingsplan Bedrijventerrein

Oosteind, te Papendrecht, 2013’ van 12 april

2013. Bij dit onderzoek behoort een zonebewakingsmodel

dat bestaat uit een Geomilieu

rekenmodel met daarin de toegekende

geluidruimte per bedrijfslocatie en diverse

reserveringsbronnen.

Bij het opstellen van het geluidverdeelplan is

uitgegaan van de huidige vergunde geluidruimte

van de bestaande bedrijven, zoals

vastgelegd in het zonebewakingsmodel ‘ZBM

Oosteind 2013 GM-v2.13’, peildatum april

2013. Uitgangspunt bij de geluidverdeling is

dat alle bedrijven hun huidige vergunde

geluidruimte behouden. Voor bedrijven die

onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit

vallen, is een norm van 50 dB(A)

op 50 m van de inrichting gehanteerd. Voor

bedrijven aan de rand van het industrieterrein

is daarnaast rekening gehouden met de

maatwerkvoorschriften. Met deze verdeling

is volgens de raad verzekerd dat er geen overschrijding

van de geluidnorm op de grens

van de geluidzone zal plaatsvinden en evenzeer

dat vastgestelde hogere waarden voor

woningen niet zullen worden overschreden.

De beschikbare geluidruimte wordt afgeleid

van de immissiewaarden, de deelbijdrage die

geleverd mag worden op de bepalende zoneen

MTG-punten (Maximaal Toelaatbare

Grenswaarden). De zonebeheerder bepaalt

aan welke punten wordt getoetst.

In paragraaf 3.3 van het geluidverdeelplan is

voorts opgenomen dat uit het akoestisch

onderzoek is gebleken dat enige geluidruimte

beschikbaar is. De reserveringen zijn als

indicatieve emissiegetallen in een tabel weergegeven,

waarbij een verdeling is gemaakt

over vier gebieden, te weten Kooyhaven,

Johannahaven, kade Kooyhaven en centraal

IT Ketelhaven. De reserveringen zijn opgenomen

om de op het bedrijventerrein gevestigde

bedrijven meer flexibiliteit te kunnen bieden

zonder dat daardoor de maximale

toetswaarden worden overschreden.

3.5. Door de zogenoemde statische verwijzing

in artikel 4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, van de

planregels naar het geluidverdeelplan dat

onderdeel is van het zonebeheerplan zoals

opgenomen in bijlage 3 van het bestemmingsplan,

maakt de inhoud van dit geluidverdeelplan

deel uit van het bestemmingsplan. De

Afdeling is van oordeel dat de bestreden planregeling,

gelet op het doel hiervan, een ruimtelijk

relevant karakter heeft. Met het geluidverdeelplan

wordt immers beoogd een

doelmatige verdeling van de beschikbare

geluidruimte over de diverse percelen van het

industrieterrein, en daarmee een doelmatig

grondgebruik, te waarborgen. Dit doel kan niet

worden bereikt door het stellen van geluidgrenswaarden

aan individuele inrichtingen bij

de verlening van vergunningen. In dit verband

is van belang dat de Afdeling in haar uitspraak

van 2 november 2011 in zaak nr.

201008546/1/M1 heeft overwogen dat in de

Wet milieubeheer niet is bepaald, noch daaruit

kan worden afgeleid, dat een omgevingsvergunningaanvraag

mede moet worden getoetst

aan een krachtens artikel 164 van de Wet

geluidhinder vastgesteld zonebeheerplan. Nu

gelet hierop de verdeling van de beschikbare

geluidruimte op een industrieterrein niet in

het kader van de vergunningverlening is

gewaarborgd, heeft de raad in redelijkheid

kunnen besluiten om een verdeling van de

beschikbare geluidruimte in het bestemmingsplan

te waarborgen. Anders dan Betoncentrale

Papendrecht betoogt staat artikel 3.1,

eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening

(hierna: Wro), noch de milieuwet- en regelgeving,

gelet op het voorgaande, er aan in de weg

dat het geluidverdeelplan in het bestemmingsplan

wordt opgenomen. Daarbij neemt de

Afdeling in aanmerking dat uit de geschiedenis

van de totstandkoming van artikel 3.1, eerste

lid, van de Wro (Kamerstukken II 2002/03,

28916, 3, p. 21-22) volgt dat de redactie van

artikel 3.1 van de Wro het mogelijk maakt een

relatie te leggen tussen de ruimtelijke ordening

en het beleidsterrein van milieu.

3.6. De Afdeling acht het evenwel in strijd

met de rechtszekerheid dat de door de raad

vastgestelde normen voor de verdeling van

de geluidruimte niet zijn af te leiden uit het

bestemmingsplan, zoals dat elektronisch

beschikbaar wordt gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl,

welk bestemmingsplan bestaat

uit de planverbeelding, planregels en in dit

geval het geluidverdeelplan. Gelet hierop is

onvoldoende inzichtelijk welke geluidruimte

in het bestemmingsplan aan de gronden binnen

het gezoneerde industrieterrein is toegekend

en is niet controleerbaar of dit is gebaseerd

op de huidige vergunde geluidruimte

van de aldaar gevestigde bedrijven. De Afdeling

is van oordeel dat de kaarten die zijn

opgenomen in de bijlagen 3a, 3b en 4 bij het

akoestisch onderzoek, dat aan het zonebewakingsmodel

ten grondslag ligt, deze duidelijkheid

evenmin bieden. Deze kaarten laten niet

een verdeling van de geluidruimte per

bedrijfslocatie zien, maar tonen de cumulatieve

geluidbelasting. De thans door de raad

gekozen plansystematiek, waarin voor het

kennisnemen van de in het plan opgenomen

verdeling van de geluidruimte een bij de

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid beschikbaar

gesteld digitaal rekenmodel kan worden

ingezien of kan worden opgevraagd, moet

met het oog op de rechtszekerheid ontoereikend

worden geacht.

Voorts moet naar het oordeel van de Afdeling

vanuit een oogpunt van rechtszekerheid

in de genoemde onderdelen van het bestemmingsplan

bindend zijn vastgelegd welk

rekenmodel en, voor zover van toepassing,

welke versie daarvan, wordt gebruikt om te

berekenen of aan de geluidnormering in de

planregels wordt voldaan. In dat kader is

voorts niet aanvaardbaar dat pas bij een aanvraag

om uitbreiding van een bedrijf door de

zonebeheerder wordt bepaald op welke zoneen

MTG-punten de bijdrage aan de immissiewaarden

dient te worden getoetst.

Gelet op het voorgaande slaagt het betoog

van Betoncentrale Papendrecht en [appellante

sub 1] dat de wijze waarop in het plan de

geluidruimte is verdeeld onvoldoende controleerbaar

is. Het besluit is in zoverre in

strijd met de rechtszekerheid vastgesteld.

Ter voorlichting van partijen overweegt de

Afdeling dat het vanuit een oogpunt van

rechtszekerheid op zichzelf wel aanvaardbaar

kan zijn dat bedrijven vanwege de behoefte

aan specifieke akoestische expertise een deskundige

moeten inschakelen om vast te kunnen

stellen in hoeverre de eerder aan hen

vergunde geluidruimte wordt gerespecteerd

in het bestemmingsplan.

3.7. Wat betreft het betoog dat een wijziging

van het geluidverdeelplan bij toepassing van

de afwijkingsbevoegdheid gelet op de gebrekkige

inzichtelijkheid niet kenbaar is en daarnaast

niet duidelijk is welk geluidverdeelplan

geldt, overweegt de Afdeling als volgt. In het

zonebeheerplan, dat met uitzondering van het

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 633


Rechtspraak

hierin opgenomen geluidverdeelplan geen

onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan,

is opgenomen dat het college van burgemeester

en wethouders bevoegd is om het

geluidverdeelplan te wijzigen in het geval

geen geluidreservering beschikbaar is voor de

desbetreffende locatie. Hierbij zal de geluidruimte

voor een elders gelegen perceel dienen

te worden verlaagd, hetgeen in een vergunning

of een maatwerkschrift dient te worden

vastgelegd. Pas daarna kan op basis van een

geactualiseerde versie van het geluidverdeelplan

een vergunning worden verleend of een

maatwerkvoorschrift worden vastgesteld. In

het plan en het daartoe behorende geluidverdeelplan

is evenwel alleen een bevoegdheid

opgenomen voor het bevoegd gezag om bij

omgevingsvergunning af te wijken van het in

het bestemmingsplan vastgestelde geluidverdeelplan

en geen bevoegdheid om het geluidverdeelplan,

dat onderdeel is van het bestemmingsplan,

door middel van een wijziging te

actualiseren. De Afdeling is gelet daarop van

oordeel dat, nu uit de afwijkingsbevoegdheid

volgt dat een omgevingsvergunning kan worden

verleend in het geval een bedrijf bij uitbreiding

niet meer geluid zal gaan produceren

dan aan hem is toegekend op basis van

een geactualiseerde versie van het geluidverdeelplan,

onduidelijk is waaraan bij toepassing

van de afwijkingsbevoegdheid wordt

getoetst. Het besluit is ook in zoverre in strijd

met de rechtszekerheid vastgesteld. Het

betoog slaagt.

3.8. Gelet op het voorgaande behoeven de

overige beroepsgronden over het geluidverdeelplan

en artikel 4, lid 4.3.1, aanhef en

onder a, en lid 4.4.1 van de planregels geen

bespreking.

4. In hetgeen Betoncentrale Papendrecht en

[appellante sub 1] hebben aangevoerd ziet de

Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het

bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel

4, lid 4.3.1, aanhef en onder a, en lid 4.4.1

van de planregels is genomen in strijd is met

het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is

gegrond, zodat het bestreden besluit in

zoverre dient te worden vernietigd. De raad

heeft bij de vaststelling van het plan voor

een systematiek gekozen waarbij vanwege de

regulering van het geluid door middel van

een zonebeheerplan, het aspect geluid niet is

meegewogen bij het toekennen van een milieucategorie

en gelet daarop veelal een lagere

milieucategorie aan de percelen is toegekend.

Gelet hierop hangt artikel 4, lid 4.3.1,

aanhef en onder a, en lid 4.4.1 van de planregels

dusdanig samen met de rest van het

plan dat het gehele plan voor vernietiging in

aanmerking komt. (…)

508

18 februari 2015, nr. 201405805/1/A3

(Mr. Verheij)

ECLI:NL:RVS:2015:463

Weigering VOG wegens strafzaak waarin

OM niet-ontvankelijk is verklaard; weigering

ondeugdelijk gemotiveerd.

(WJG art. 28, 35)

Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant]

vs. de uitspraak van Rechtbank Rotterdam

van 6 juni 2014 in zaak nr. 13/5512 in

het geding tussen: [appellant] en de Staatssecretaris

van Veiligheid en Justitie.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de staatssecretaris

een aanvraag van [appellant] om

afgifte van een Verklaring Omtrent het

Gedrag (hierna: een VOG) voor de functie van

medewerker gastouderbureau afgewezen.

(…)

3. Aan het in bezwaar [bij besluit van 25 juli

2013] gehandhaafde besluit van 26 maart

2013 heeft de staatssecretaris ten grondslag

gelegd (…) een niet onherroepelijk vonnis van

de meervoudige strafkamer van de rechtbank

Den Haag (hierna: de strafkamer) van 18 januari

2013 (hierna: het vonnis) (…), waarbij het

OM niet-ontvankelijk is verklaard. Het OM

heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

[appellant] is vervolgd voor oplichting,

gewoontewitwassen en drie gevallen van valsheid

in geschrifte. De staatssecretaris heeft

zich op het standpunt gesteld dat hij het vonnis

in de beoordeling kan betrekken, nu dit

een justitieel gegeven is. Daarbij is volgens de

staatssecretaris niet van belang dat het OM

niet-ontvankelijk is verklaard, nu de onschuld

van [appellant] hiermee niet vaststaat. Deze

feiten zullen, indien herhaald, aan een

behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor

[appellant] een VOG heeft gevraagd in de

weg staan, aldus de staatssecretaris.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat (…) de

staatssecretaris het vonnis aan zijn standpunt

over het objectieve criterium ten grondslag

heeft mogen leggen. Dat het OM door de strafkamer

niet-ontvankelijk is verklaard, maakt

niet dat de verdenking jegens [appellant] is

weggenomen. Voorts heeft het OM tegen het

vonnis hoger beroep ingesteld en staat het

vonnis niet per definitie aan een succesvolle

vervolging in de weg, aldus de rechtbank.

(…)

6.1. In het vonnis overweegt de strafkamer

dat op basis van onjuiste uitgangspunten ten

onrechte is aangenomen dat er redengevende

feiten en omstandigheden waren op

grond waarvan een vermoeden bestond van

het plegen van strafbare feiten. De strafkamer

concludeert dat zich normschendingen

in het voorbereidend onderzoek en onherstelbare

vormverzuimen hebben voorgedaan.

Dit leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring

van het OM. Daarbij merkt de strafkamer in

het vonnis ten overvloede op dat een bewezenverklaring

voor de ten laste gelegde feiten

niet in de rede had gelegen.

Ten tijde van het besluit van 25 juli 2013 had

de strafkamer een inhoudelijk oordeel gegeven

over de jegens [appellant] bestaande verdenking.

Dat het OM tegen het vonnis van de

strafkamer hoger beroep had ingesteld, doet

aan het oordeel van de strafkamer niet af.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich

niet zonder nadere motivering op het standpunt

kunnen stellen dat ten tijde van het

besluit van 25 juli 2013 aan het objectieve

criterium werd voldaan.

Het betoog slaagt.

509

19 februari 2015, nr. 201209532/1/V2

(Mrs. Lubberdink, Sevenster, Verheij)

ECLI:NL:RVS:2015:526

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

heeft terecht noodzakelijk geacht dat de

vreemdeling naast bewijs van administratieve

aard bewijs van feitelijk verblijf in gastlidstaat

overlegt. Nu de vreemdeling niet

aannemelijk heeft gemaakt dat hij en referente

een aaneengesloten periode van meer

dan drie maanden in de gastlidstaat hebben

verbleven, komt hij niet in aanmerking voor

een document waaruit rechtmatig verblijf

als gemeenschapsonderdaan blijkt.

(Richtlijn 2004/38/EG; Verdrag betreffende de

Werking van de Europese Unie art. 21 lid 1;

Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de VW

2000) art. 9)

Uitspraak op het hoger beroep van: de

[vreemdeling], appellant, vs. de uitspraak van

Rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats

Middelburg, van 6 september 2012 in zaak nr.

12/8511 in het geding tussen: de [vreemdeling]

en de [Minister voor Immigratie, Integratie

en Asiel; thans de staatssecretaris].

(…)

3.3. Niet in geschil is dat referente de Nederlandse

nationaliteit bezit en dat zij is

getrouwd met de vreemdeling, die in het

bezit is van de Marokkaanse nationaliteit. De

vreemdeling is derhalve een derdelands

familielid van een burger van de Unie. De

vreemdeling stelt dat hij vanaf novem-

634 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Rechtspraak

ber 2009 met referente heeft samengewoond

in België en dat zij in maart 2011 samen zijn

teruggekeerd naar Nederland.

3.4. In het besluit van 15 februari 2012 en

zoals ter zitting bij de Afdeling nader is toegelicht,

heeft de staatssecretaris zich op het

standpunt gesteld dat de vreemdeling niet

aannemelijk heeft gemaakt dat referente feitelijk

in België heeft verbleven. Daartoe heeft

de staatssecretaris allereerst opgemerkt dat

referente ten tijde van het gestelde verblijf in

België werkzaam is geweest in Nederland.

Van de vreemdeling mag daarom worden

verwacht dat hij meer stukken inbrengt

waaruit blijkt dat referente en hij daar daadwerkelijk

hebben verbleven. De door de

vreemdeling overgelegde stukken, zoals het

Belgisch EU-verblijfsdocument van de vreemdeling,

het Belgisch EU-document van referent,

een verklaring van de gemeente Antwerpen

waaruit de gezinssamenstelling

blijkt, en diverse brieven van instanties

geadresseerd aan het adres van referente en

de vreemdeling in Antwerpen, zijn administratief

van aard. Volgens de staatssecretaris

heeft de vreemdeling hiermee niet aannemelijk

gemaakt dat referente en hij ook daadwerkelijk

in België hebben verbleven. De door

de vreemdeling overgelegde huurovereenkomst

op naam van hem en referente voor

een appartement in Antwerpen is weliswaar

een sterk bewijsstuk, maar in combinatie

met de werkzaamheden in Nederland en het

ontbreken van andere bewijzen van feitelijk

verblijf, is dit volgens de staatssecretaris

onvoldoende. De vreemdeling komt derhalve

niet in aanmerking voor een document als

bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de

Vw 2000, aldus de staatssecretaris.

3.5. De staatssecretaris heeft terecht noodzakelijk

geacht dat de vreemdeling naast bewijs

van administratieve aard, zoals een inschrijving

en een EU-verblijfsdocument, bewijs van

feitelijk verblijf overlegt (zie het arrest Hof

van Justitie van 12 maart 2014, C-456/12, O. en

B., ECLI:EU:C:2014:135, punten 57-60). Met de

overgelegde stukken heeft de vreemdeling

niet aannemelijk gemaakt dat referente en hij

het door hen gehuurde appartement ook

daadwerkelijk hebben bewoond voor een aaneengesloten

periode van meer dan drie maanden,

aangezien de vreemdeling geen stukken

heeft overgelegd waaruit blijkt dat referente

en hij feitelijk in de gestelde periode in België

hebben verbleven. Dit, mede tegen de achtergrond

van de overige stukken, zoals de overgelegde

arbeidsovereenkomsten van referente

waaruit blijkt dat referente in die periode voltijds

voor een werkgever in Den Haag en vervolgens

voor een werkgever in Rotterdam

heeft gewerkt, is onvoldoende om het gestelde

verblijf in België aannemelijk te achten. Gelet

op het onder 3.4. weergegeven standpunt,

heeft de staatssecretaris zich terecht op het

standpunt gesteld dat de vreemdeling niet

aannemelijk heeft gemaakt dat referente en

hij langer dan drie maanden in een gastlidstaat

hebben verbleven en daar een gezinsleven

hebben opgebouwd of bestendigd.

(…)

510

19 februari 2015, nr. 201306220/1/V2

(Mrs. Lubberdink, Sevenster en Verheij)

ECLI:NL:RVS:2015:517

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

heeft terecht noodzakelijk geacht dat de

vreemdeling naast bewijs van administratieve

aard bewijs van feitelijk verblijf in gastlidstaat

overlegt. De staatssecretaris heeft

niet deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling

een verblijf van een aaneengesloten

periode van meer dan drie maanden in de

gastlidstaat niet aannemelijk heeft gemaakt.

(Richtlijn 2004/38/EG; Verdrag betreffende de

Werking van de Europese Unie art. 21 lid 1;

Vreemdelingenwet 2000 (VW 2000) art. 9)

Uitspraak op het hoger beroep van: de

[staatssecretaris], appellant, vs. de uitspraak

van Rechtbank Den Haag, zittingsplaats

Amsterdam, van 19 juni 2013 in zaak nr.

12/34537 in het geding tussen: de [vreemdeling]

en de [staatssecretaris].

(…)

3.3. Niet in geschil is dat referent de Nederlandse

nationaliteit bezit en dat hij is

getrouwd met de vreemdeling, die in het

bezit is van de Ghanese nationaliteit. De

vreemdeling is derhalve een derdelands

familielid van een burger van de Unie. De

vreemdeling stelt dat zij vanaf mei 2010 met

referent heeft samengewoond in Spanje en

dat zij in juni 2011 plotseling zijn teruggekeerd

naar Nederland, omdat referent in

Nederland werk kon krijgen.

3.4. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris

zich op het standpunt gesteld dat

de vreemdeling niet aannemelijk heeft

gemaakt dat zij en referent voor een periode

van meer dan drie maanden in Spanje hebben

verbleven. Daartoe heeft de staatssecretaris

van belang geacht dat de vreemdeling weliswaar

een bewijs van inschrijving van de

vreemdeling en referent in een Spaanse

gemeente, een Spaans EU-verblijfsdocument

van de vreemdeling en een document waaruit

blijkt dat referent zich in Spanje heeft ingeschreven

als een daar verblijvende burger van

de Unie heeft overgelegd, maar dat referent

gedurende hun gestelde verblijf in Spanje

ingeschreven is gebleven in de Nederlandse

Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens

(thans: de Basisregistratie personen)

en niet in Spanje heeft gewerkt. Volgens de

staatssecretaris zijn veel stukken ingebracht

die zien op momentopnamen, zoals documenten

uit het ziekenhuis van Almeria, facturen

en bonnen van verschillende aankopen en

buskaartjes, en kan daaruit niet worden afgeleid

welke periode de vreemdeling en referent

daadwerkelijk in Spanje hebben verbleven. De

overgelegde getuigenverklaringen van onder

meer priesters van de vreemdeling, de huisarts

van referent in Nederland en de huisbaas

van de vreemdeling en referent in Spanje,

kunnen niet worden aangemerkt als objectief

en verifieerbaar en kunnen derhalve alleen als

ondersteunend bewijs worden beschouwd. De

staatssecretaris mist van belang zijnde stukken,

zoals een huurovereenkomst die ziet op

de periode waarin de vreemdeling en referent

naar eigen zeggen hebben verbleven in Spanje

of huurbetalingen over die periode, dan wel

een inschrijving van de kinderen op een

school in Spanje.

3.5. De staatssecretaris heeft terecht noodzakelijk

geacht dat de vreemdeling naast bewijs

van administratieve aard, zoals een inschrijving

en een EU-verblijfsdocument, bewijs van

feitelijk verblijf overlegt (zie het arrest Hof

van Justitie van 12 maart 2014, C-456/12, O. en

B., ECLI:EU:C:2014:135, punten 57-60). De Afdeling

kan de staatssecretaris echter niet volgen

in zijn standpunt dat uit de door de vreemdeling

overgelegde bewijsstukken, in onderlinge

samenhang bezien, niet kan worden afgeleid

welke periode referent en zij in Spanje hebben

verbleven. Dat de vreemdeling bepaalde door

de staatssecretaris genoemde bewijsstukken

niet heeft overgelegd, maakt dit niet anders,

nu de staatssecretaris omtrent het aannemelijk

maken van een verblijf in een gastlidstaat

geen beleidsregels heeft opgesteld, anderszins

niet kenbaar heeft gemaakt met welke documenten

hij het verblijf aannemelijk gemaakt

acht en de vreemdeling conform de door de

staatssecretaris ter zitting benadrukte vrije

bewijsleer wel diverse andere bewijsstukken

heeft overgelegd. Hoewel de bewijskracht van

getuigenverklaringen in veel gevallen beperkt

is, kan voorts aan dergelijke verklaringen tezamen

genomen en omdat zij stroken met

bewijsstukken met grotere bewijskracht, tegen

de achtergrond van hetgeen de vreemdeling

in dit geval aannemelijk moet maken, niet

iedere betekenis worden ontzegd. Gelet op al

hetgeen de vreemdeling heeft overgelegd,

heeft de staatssecretaris met zijn onder 3.4.

weergegeven standpunt, niet deugdelijk

gemotiveerd dat de vreemdeling niet aanne-

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 635


Rechtspraak

melijk heeft gemaakt dat referent en zij langer

dan drie maanden in Spanje hebben verbleven

en daar gezinsleven hebben

opgebouwd of bestendigd. De rechtbank heeft

derhalve terecht geen aanleiding gezien om

de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit

van 11 oktober 2012 in stand te laten.

(…)

511

20 februari 2015, nr. 201409294/1/V3

(Mrs. Lubberdink, Parkins-de Vin en

Borman)

ECLI:NL:RVS:2015:597

Zicht op uitzetting binnen redelijke termijn

naar Sierra Leone ontbreekt, zodat de inbewaringstelling

van de vreemdeling onrechtmatig

is.

(VW 2000 art. 59)

Uitspraak op het hoger beroep van: de

[vreemdeling], appellant, vs. de uitspraak van

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht,

van 10 november 2014 in zaak nr. 14/21688

in het geding tussen: de [vreemdeling] en de

[Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie].

(…)

1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen

(uitspraak van 22 april 2014 in zaak nr.

201401780/1/V3), is voor het zicht op uitzetting

mede bepalend of de autoriteiten van

het land van herkomst van de vreemdeling

voldoende medewerking verlenen aan het

verkrijgen van de voor uitzetting benodigde

documenten.

De staatssecretaris heeft zich, zo volgt uit de

eerdere door hem verstrekte inlichtingen, op

diplomatiek niveau langdurig ingespannen

om de autoriteiten van Sierra Leone te bewegen

tot afgifte van laissez passer ten behoeve

van gedwongen vertrek, maar deze inspanningen

hebben niet geleid tot afgifte van

deze documenten.

Uit de door de staatssecretaris verstrekte

inlichtingen volgt dat hij op grond van de

verklaringen van de minister van Buitenlandse

Zaken van Sierra Leone verwacht dat

de autoriteiten van dat land bereid zijn om

aan de DT&V laissez passer te verstrekken.

Uit deze inlichtingen volgt ook dat de door

de staatssecretaris gestelde medewerking van

de autoriteiten van Sierra Leone niettemin

tot nog toe niet tot afgifte van laissez passer

aan de DT&V heeft geleid. Evenmin heeft de

staatssecretaris enig stuk overgelegd waaruit

concreet blijkt hoe en wanneer de autoriteiten

van Sierra Leone de gestelde medewerking

gaan verwezenlijken.

Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris

niet aannemelijk gemaakt dat aanknopingspunten

bestaan die zijn verwachting

rechtvaardigen dat vreemdelingen met

aan de DT&V verstrekte laissez passer binnen

afzienbare tijd naar Sierra Leone kunnen

worden uitgezet.

(…) Indien [de] medewerking [van de autoriteiten

van het land van herkomst] niet aannemelijk

is gemaakt, kan, zoals eerder is overwogen

in de uitspraak van 5 september 2008

in zaak nr. 200805982/1, een vreemdeling

niet langer ter motivering van de bewaring

worden tegengeworpen dat hij niet of in

onvoldoende mate aan zijn verplichting tot

medewerking voldoet. Anders dan de staatssecretaris

betoogt, ziet deze uitspraak ook op

de situatie waarin vreemdelingen bij de autoriteiten

van het land van herkomst kunnen

worden gepresenteerd maar bij voortduring

geen laissez passer ten behoeve van uitzetting

worden verstrekt.

Evenmin kan de staatssecretaris worden

gevolgd in het betoog dat niettemin zicht op

uitzetting binnen redelijke termijn niet ontbreekt,

omdat, samengevat, de Internationale

Organisatie voor Migratie (hierna: de IOM)

door de DT&V wordt gefaciliteerd. Zoals de

Afdeling in de uitspraak van 11 april 2014

heeft overwogen, is een mogelijk vertrek van

de vreemdeling met behulp van de IOM na

een door de staatssecretaris geregelde presentatie

geen uitzetting als bedoeld in de uitspraak

van de Afdeling van 1 juli 2009 in

zaak nr. 200902298/1.

2. Op grond van het vorenstaande moet worden

vastgesteld dat het zicht op uitzetting

binnen redelijke termijn naar Sierra Leone

ontbreekt, zodat de inbewaringstelling van

de vreemdeling van aanvang af onrechtmatig

is.

(…)

512

23 februari 2015, nr. 201408880/1/V3

(Mrs. Lubberdink, Van der Spoel, Verheij)

ECLI:NL:RVS:2015:674

Bij het opleggen van de maatregel van

bewaring dient de rechter vol te toetsen of

in een specifiek geval andere afdoende

maar minder dwingende maatregelen dan

een bewaring doeltreffend kunnen worden

toegepast.

(VW 2000 art. 59)

Uitspraak op het hoger beroep van: de

[Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie],

appellant, tegen de uitspraak van Rechtbank

Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van

30 oktober 2014 in zaak nr. 14/23640 in het

geding tussen: de [vreemdeling] en de

[staatssecretaris].

1.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de

uitspraak van 23 januari 2015 in zaak

nr. 201408655/1/V3 (www.raadvanstate.nl)

volgt uit punt 62 van het arrest van het Hof

van Justitie (hierna: het Hof) van 5 juni 2014,

C-146/14 PPU, Mahdi (ECLI:EU:C:2014:1320;

hierna: het arrest Mahdi) dat de rechter bij

de beoordeling van de rechtmatigheid van

een verlengingsbesluit moet kunnen beslissen

over elk relevant feitelijk en juridisch

element om te bepalen of een verlenging van

de bewaring gerechtvaardigd is in het licht

van de in de punten 58 tot en met 61 van dat

arrest vermelde vereisten. Punt 61 heeft

onder meer betrekking op de vraag of in een

specifiek geval andere afdoende maar minder

dwingende maatregelen dan een bewaring

doeltreffend kunnen worden toegepast.

Volgens het Hof impliceert de voormelde

bevoegdheid van de rechter een grondig

onderzoek naar de feitelijke elementen van

het concrete geval. Ook oordeelt het Hof dat

de rechter zijn beslissing in de plaats van die

van de administratieve autoriteit moet kunnen

stellen en moet kunnen beslissen over

de mogelijkheid om een vervangende maatregel

te gelasten. Deze overwegingen van het

Hof laten zich, in samenhang bezien en gelet

op de daarbij gebruikte bewoordingen, niet

rijmen met een enigszins terughoudende

toetsing door de rechter. Die toetsingsmaatstaf

dient derhalve te worden verlaten, aldus

de Afdeling in de uitspraak van 23 januari

2015.

De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit

geval, dat de oplegging van een maatregel

van bewaring betreft, anders te oordelen.

Daartoe wordt, in navolging van het Hof in

punt 44 van het arrest Mahdi, overwogen dat

de bewaring en de verlenging ervan soortgelijke

maatregelen zijn, aangezien beide tot

gevolg hebben dat de betrokken vreemdeling

van zijn vrijheid wordt beroofd om zijn

terugkeer voor te bereiden en/of om over te

gaan tot zijn verwijdering.

(…)

Centrale Raad van Beroep

Deze rubriek wordt verzorgd door mr. A.B.J.

van der Ham, vice-president van de Centrale

Raad van Beroep, en mr. J.E. Jansen, hoofd

Wetenschappelijk bureau van de Centrale

Raad van Beroep.

636 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Rechtspraak

513

17 februari 2015, nr. 14/2102 WWB-T

(Mrs. Korte Claessens, Hink)

ECLI:NL:CRVB:2015:459

De stelling van appellante dat in haar

woning geen spullen van R zullen worden

aangetroffen is een relevante gewijzigde

omstandigheid. Het college had nader onderzoek

dienen in te stellen naar de woon- en

leefsituatie van appellante in de hier te

beoordelen periode en in dat kader in de

eerste plaats moeten onderzoeken of de door

appellante gestelde gewijzigde omstandigheid

zich daadwerkelijk voordoet.

(Awb art. 4:6)

(…)

Overwegingen

4.3. Indien periodieke bijstand is beëindigd

of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag

indient gericht op het verkrijgen van

bijstand met ingang van een later gelegen

datum, ligt het op de weg van de aanvrager

om aan te tonen dat sprake is van een wijziging

in de omstandigheden in die zin dat hij

op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden

voor het recht op bijstand.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak

van 19 juli 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BR2972), kan, als iemand

een nieuwe aanvraag om bijstand naar de

norm voor een alleenstaande (ouder) indient,

nadat de bijstand eerder is beëindigd, herzien

of ingetrokken wegens het voeren van een

gezamenlijke huishouding en de betrokkene

- al dan niet onder aanwending van rechtsmiddelen

tegen die beëindiging, herziening of

intrekking - volhoudt dat geen sprake is of is

geweest van een gezamenlijke huishouding,

de aanvrager in beginsel volstaan met de

onderbouwde stelling dat de (vermeende)

partner op een ander adres woont. Als dat zo

is, is immers niet langer voldaan aan één van

de criteria voor het vaststellen van een gezamenlijke

huishouding, te weten dat beiden

hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

Het is vervolgens aan het college om nader

onderzoek te verrichten, indien aan de juistheid

van deze stelling wordt getwijfeld.

4.5. Appellante heeft verklaard dat zij geen

gezamenlijke huishouding met R voert en ter

onderbouwing daarvan gesteld dat er geen

spullen en geen kleding van R in haar

woning meer aanwezig zijn. Zij heeft het college

uitgenodigd ter verificatie daarvan een

huisbezoek af te leggen. Vaststaat dat het

college naar aanleiding van deze stelling

geen nader onderzoek heeft verricht. Partijen

houdt verdeeld de vraag of appellante met

deze stelling heeft aangetoond dat sprake is

van een wijziging in de omstandigheden.

4.6. Gelet op 4.2 is de stelling van appellante

dat in haar woning geen spullen van R zullen

worden aangetroffen een relevante gewijzigde

omstandigheid. Deze omstandigheid is verder

concreet en verifieerbaar voor het college, terwijl

appellante deze omstandigheid niet verder

kan aantonen. Nu appellante volhield

geen gezamenlijke huishouding te voeren,

had het op de weg van het college gelegen

nader onderzoek in te stellen naar de woonen

leefsituatie van appellante in de hier te

beoordelen periode en in dat kader in de eerste

plaats te onderzoeken of de door appellante

gestelde gewijzigde omstandigheid zich

daadwerkelijk voordoet. Het college had niet

mogen volstaan met het afwijzen van de aanvraag

omdat geen sprake is van gewijzigde

omstandigheden. Van het college had mogen

worden verlangd, als hetgeen appellante naar

voren had gebracht als onvoldoende werd

geacht, dat het aangaf welke (nadere) gegevens

nog zouden moeten worden verstrekt,

dan wel dat ter verificatie van de gestelde

woon- en leefsituatie een huisbezoek zou worden

afgelegd, zoals nadien bij een latere aanvraag

kennelijk wel is gebeurd. Dat appellant

het gesprek van 5 juni 2013 voortijdig heeft

afgebroken, doet er niet aan af dat zij tijdens

dit gesprek verklaard heeft over een relevante

gewijzigde omstandigheid.

4.7. Gelet op het voorgaande kan het bestreden

besluit in rechte geen stand houden,

omdat het college, door nader onderzoek naar

de woon- en leefsituatie van appellante achterwege

te laten, heeft gehandeld in strijd met

de zorgvuldigheids- en motiveringseisen als

bedoeld in artikel 3:2 en artikel 7:12 van de

Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.8. Uit 4.7 volgt dat het college de aanvraag

om bijstand van 9 april 2013 opnieuw zal

moeten beoordelen. Omdat de Raad geen

mogelijkheden ziet zelf in de zaak te voorzien,

zal het college een nieuwe beslissing moeten

nemen op het bezwaar van appellante. De

Raad tekent hierbij nog aan dat uit de enkele

- mede aan het intrekkingsbesluit ten grondslag

gelegde - omstandigheid dat van een op

naam van appellante staande auto de verzekering

op naam van R staat en deze auto door R

werd gebruikt, geen toereikende ondersteuning

kan bieden voor het standpunt dat sprake

is van hoofdverblijf in dezelfde woning.

4.9. Met het oog op definitieve geschillenbeslechting

ziet de Raad aanleiding om het

college op te dragen het in 4.6 geconstateerde

gebrek te herstellen door binnen zes

weken een nieuw besluit te nemen met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak

is overwogen.

514

17 februari 2015, nr. 14/4667 WWB

(Mrs. Hillen, Bandringa, Rombouts)

ECLI:NL:CRVB:2015:421

Nu de Verordening 2013 onvoldoende criteria

bevat om de hoogte en de duur van de

verlaging van de algemene bijstand te kunnen

vaststellen, betekent dit dat art. 6 van

de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende

kracht mist.

(WWB art. 8 lid 1 aanhef en onder b)

(…)

Overwegingen

4.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en

onder b, van de WWB stelt de gemeenteraad

regels vast met betrekking tot het verlagen

van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede

lid, van de WWB. Zoals de Raad eerder heeft

overwogen (uitspraak van 14 maart 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BP6843) is hiermee aan

de gemeenteraad de exclusieve bevoegdheid

toegekend om regels vast te stellen met

betrekking tot onder meer het verlagen van

de bijstand wegens het niet nakomen van

aan de bijstand verbonden verplichtingen.

Zoals de Raad eveneens eerder heeft overwogen

(uitspraak van 8 juli 2008,

ECLI:NL:CRVB:2008:BD6943) dient deze verordening

met name criteria te bevatten om de

hoogte en de duur van de verlaging te kunnen

vaststellen.

4.2. De Raad heeft bij uitspraak van 25 februari

2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:608) met betrekking

tot artikel 8 van de Verordening afstemming

en handhaving WWB Rotterdam 2009

(Verordening 2009) geoordeeld dat de Verordening

2009, zoals gewijzigd met ingang van

1 juli 2011, geen criteria bevat op grond

waarvan de hoogte en de duur van een maatregel

per gedraging kan worden bepaald. Aan

de orde is de vraag of de Verordening 2013,

die met ingang van 1 april 2013 in werking is

getreden, deze criteria wel bevat.

4.3. Artikel 6 van de Verordening 2013 luidt

als volgt:

Re-integratie en werkloosheid

1. Het niet of onvoldoende nakomen van een

verplichting als bedoeld in artikel 9 van de

WWB, artikel 37 van de IOAW, artikel 37 van

de IOAZ of het door eigen toedoen niet

behouden van algemeen geaccepteerde

arbeid, leidt tot een schriftelijke waarschuwing

of een maatregel, tenzij de IOAW of

IOAZ op grond van artikel 3 van deze verordening

wordt geweigerd.

2. Bij een lichte verplichting wordt volstaan

met een schriftelijke waarschuwing.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 637


Rechtspraak

3. De hoogte van de maatregel in verband

met een gedraging, als bedoeld in het eerste

lid, bedraagt bij:

a. het onvoldoende nakomen van een verplichting:

30% gedurende een maand;

b. het niet nakomen van een verplichting of

het door eigen toedoen niet behouden van

algemeen geaccepteerde arbeid: 100% gedurende

een maand.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat hoewel

de tekst van artikel 8 van de Verordening

2009 en artikel 6 van de Verordening 2013

gelijkluidend zijn, artikel 6 van de Verordening

2013, in het bijzonder bezien in relatie

tot de bij deze verordening behorende integrale

toelichting, wel voldoende criteria

bevat om maatregelwaardige gedragingen te

kunnen onderscheiden.

4.5. De Raad stelt voorop dat voor een bijstandsgerechtigde

uit de verordening zelf

duidelijk moet blijken welke gevolgen door

het college aan zijn gedraging kunnen worden

verbonden. De toelichting is niet de

plaats waar de criteria moeten worden opgenomen.

Deze is hooguit bedoeld om de in de

verordening opgenomen criteria te verduidelijken.

In artikel 6 van de Verordening 2013

ontbreken de criteria om het onderscheid te

maken tussen een lichte en een gewone verplichting

en tussen het niet of onvoldoende

nakomen van een dergelijke verplichting. Dit

voert tot de conclusie dat de gemeenteraad

met artikel 6 van de Verordening 2013 geen

juiste uitvoering heeft gegeven aan de hem

in het kader van artikel 8 van de WWB toegekende

verordenende bevoegdheid. Het standpunt

van appellant dat deze criteria in de

toelichting op de Verordening 2013 voldoende

zijn omschreven, leidt dan ook niet tot

een andere conclusie, nog daargelaten dat

ook de toelichting, hoewel uitgebreider dan

de toelichting bij de Tweede wijziging van

Verordening 2009, nog steeds onvoldoende

onderscheid aanbrengt tussen de lichte en

gewone verplichting en tussen het niet of

onvoldoende nakomen van een verplichting.

Nu de Verordening 2013 derhalve onvoldoende

criteria bevat om de hoogte en de duur

van de verlaging van de algemene bijstand te

kunnen vaststellen, betekent dit dat artikel 6

van de Verordening 2013 in zijn geheel verbindende

kracht mist.

515

24 februari 2015, nr. 13/668 WWB

(Mrs. Bandringa, Claessens, Rombouts)

ECLI:NL:CRVB:2015:543

Door het met terugwerkende kracht verlenen

van een verblijfsvergunning door de

staatssecretaris is het college wettelijke

rente verschuldigd over de achteraf toegekende

bijstand.

(Awb Art. 8:73)

(….)

Overwegingen

5.3. Thans is uitsluitend nog in geschil de weigering

van het college om de wettelijke rente

te vergoeden over de na te betalen bijstand

vanaf 8 november 2011. Deze nabetaling

betreft het verschil tussen de alleenstaande

oudernorm en de reeds betaalde algemene en

bijzondere bijstand aan appellante 3.

5.4. Het eerst achteraf met terugwerkende

kracht verlenen van een verblijfsvergunning

aan appellanten 1 en 2 door de secretaris

kan niet zonder betekenis blijven voor de

(rente)schade die appellanten lijden doordat

eerst op een later moment bijstand is verleend.

Door de verlening van bijstand met

terugwerkende kracht met ingang van 8

november 2011 heeft het college erkend dat

de eerdere weigering bijstand te verlenen

achteraf bezien niet in stand kan blijven. De

besluitvorming van de staatssecretaris dient

daarom voor risico van het college te komen.

Daaraan doet niet af dat, zoals het college

naar voren heeft gebracht, het college er

geen verwijt van kan worden gemaakt dat

niet eerder tot verlening van bijstand is overgegaan.

De Raad verwijst in dit verband naar

zijn - aan het college voorgehouden -uitspraak

van 8 oktober 2009,

ECLI:NL:CRVB:2009:BK0507. In dat geval ging

het om de aansprakelijkheid van de Sociale

verzekeringsbank (Svb) voor schade voortvloeiend

uit een besluit inzake de weigering

van kinderbijslag, welk besluit door een

onrechtmatig besluit van het Uitvoeringsinstituut

werknemersverzekeringen inzake de

intrekking van een WAO-uitkering, achteraf

bezien, onjuist was. Tevens verwijst de Raad

naar zijn in die uitspraak genoemde - en

eveneens aan het college voorgehouden - uitspraak

van 24 januari 2001,

ECLI:NL:CRVB:2001:AA9616. In die uitspraak

was de aansprakelijkheid van de Svb aan de

orde ter zake van schade voortvloeiend uit

een besluit dat door een wetswijziging met

terugwerkende kracht, achteraf bezien,

onrechtmatig was.

5.5. De vertegenwoordiger van het college

heeft ter zitting naar voren gebracht dat het

college het niet eens is met de in 5.4 genoemde

uitspraken, maar heeft geen steekhoudende

argumenten aangedragen waarom de Raad

de - op rechtspraak van de Hoge Raad gebaseerde

- lijn van deze uitspraken in dit geval

niet zou moeten volgen. Op de verplichting

tot betaling van wettelijke rente, zoals geregeld

in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is

in het derde lid van dit artikel een uitzondering

gemaakt en die uitzondering is in het

geval van appellanten niet aan de orde.

5.6. Uit 5.4 en 5.5 vloeit voort dat het college

ten onrechte heeft geweigerd de wettelijke

rente over de na te betalen bijstand te

vergoeden. De Raad zal daarom het beroep

tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren

en dit besluit vernietigen voor zover het die

weigering betreft. In aanmerking genomen

dat appellanten in hoger beroep hebben

verzocht het college te veroordelen tot vergoeding

van schade, zal de Raad het college

veroordelen tot vergoeding van de wettelijke

rente over de na te betalen bijstand. De

wettelijke rente moet worden berekend

overeenkomstig de uitspraak van de Raad

van 25 januari 2012,

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

Appellanten 1 en 2 hebben verzocht om vergoeding

van de kosten die zij in verband met

de behandeling van hun bezwaren tegen de

besluiten van 29 december 2011 hebben

moeten maken.

516

25 februari 2015, nr. 12/5700 WAO

(Mrs. Greebe, Lange, Elshoff)

ECLI:NL:CRCVB:2015:540

Het feit dat appellant op 28 juni 2011 alsnog

een verblijfsvergunning is verleend,

kan niet tot gevolg hebben dat hij met

terugwerkende kracht vanaf 15 mei 2000

als werknemer verzekerd was voor de WAO.

(Awb Art. 4:6)

(…)

Overwegingen

4.1. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn

uitspraak van 14 januari 2015,

ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor

een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een

eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking

van die uitkering naar zijn strekking worden

beoordeeld. Met een aanvraag kan worden

beoogd dat (met ingang van de datum waarop

dat besluit zag) wordt teruggekomen van

het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een

beroep te doen op een regeling bij toegenomen

arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of

dat om herziening wordt verzocht voor de

toekomst. Indien in een voorkomend geval

niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag

wordt beoogd, ligt het op de weg van

het Uwv daarover bij de aanvrager nadere

638 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Rechtspraak

informatie in te winnen. Het onderscheid in

wat de belanghebbende heeft beoogd, is van

belang voor de beoordeling van de aanvraag

door het Uwv en de toetsing van de beslissing

op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2. In de uitspraak van 14 januari 2015 is

verder uiteengezet op welke wijze dergelijke

aanvragen door de aanvrager moeten worden

onderbouwd en door het Uwv moeten worden

beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen

van het Uwv op dergelijke aanvragen

toetst. Voor het voorliggende geval betekent

dit het volgende.

4.3. Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de

aanvraag van appellant naar zijn strekking

worden beoordeeld. Het betreft hier een herhaalde

aanvraag voor een uitkering op

grond van de WAO per 14 mei 2001, zowel

voor het verleden als naar de toekomst. Een

Amber-beoordeling is in deze zaak niet aan

de orde.

4.4. Voor zover de aanvraag betrekking heeft

op de datum in het verleden moet worden

onderzocht of appellant bij zijn aanvraag

nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om

alsnog in aanmerking te komen voor een

WAO-uitkering heeft appellant aangevoerd

dat hem met ingang van 28 juni 2011 een

vergunning tot verblijf is toegekend. Wat

appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag

naar voren heeft gebracht, kan niet

worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde

omstandigheden als bedoeld in artikel

4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het feit dat appellant op 28 juni 2011 alsnog

een verblijfsvergunning is verleend, kan

immers niet tot gevolg hebben dat hij met

terugwerkende kracht vanaf 15 mei 2000 als

werknemer verzekerd was voor de WAO.

4.5. Voor zover de aanvraag betrekking heeft

op de toekomst wordt het volgende overwogen.

4.5.1. Met betrekking tot de Koppelingswet

hanteert het Uwv een beleid waarbij het

werknemerschap met terugwerkende kracht

naar 1 juli 1998 wordt beëindigd, tenzij het

verzekerde risico zich heeft voorgedaan vóór

het moment waarop door het Uwv is vastgesteld

dat het werknemerschap ontbreekt. Dit

beleid is alleen van toepassing indien de verzekeringsrechtelijke

positie op reguliere wijze

is verkregen (ECLI:NL:CRVB:2005:AU3910).

4.5.2. Het staat vast dat bij appellant het

verzekerde risico zich heeft voorgedaan op

een moment waarop het Uwv nog niet had

vastgesteld dat bij appellant het werknemerschap

ontbreekt. Partijen verschillen van

mening over het antwoord op de vraag of

appellant zijn verzekeringsrechtelijke positie

op reguliere wijze heeft verkregen.

4.5.3. Het Uwv heeft met de in 3.2 vermelde

brief van de Belastingdienst voldoende aangetoond

dat appellant zijn verzekeringsrechtelijke

positie destijds niet op reguliere wijze

heeft verkregen.

4.5.4. Appellant is er niet in geslaagd om

voldoende tegenbewijs te leveren. De jaaropgave

1993 van het GUO, waaruit blijkt dat

appellant in dat jaar een uitkering op grond

van de Ziektewet heeft ontvangen en dus

kennelijk als werknemer was verzekerd voor

die wet, heeft betrekking op een periode

vóór de invoering van de Koppelingswet en

zegt niets over de periode daarna. Het feit

dat de Belastingdienst, blijkens de brief van

13 juni 2014, geen informatie meer kan verstrekken

omdat het rapport dat is uitgebracht

naar aanleiding van het boekenonderzoek

bij Spitsbaard inmiddels is vernietigd,

komt voor rekening en risico van appellant.

De eigen verklaring van appellant van 10

juni 2014, inhoudende dat hij nooit een vals

Nederlands paspoort op zijn naam heeft

gehad, dat hij[naam 1] zijn Marokkaanse

paspoort heeft laten zien en dat [naam 1]

van dat paspoort een kopie heeft gemaakt,

kan niet als tegenbewijs dienen.

4.5.5. Uit wat onder 4.5.1 tot en met 4.5.4 is

overwogen volgt dat appellant op 15 mei

2000 niet als werknemer verzekerd was voor

de WAO. Appellant heeft geen feiten en

omstandigheden vermeld die het Uwv aanleiding

hadden moeten geven tot een ander,

voor appellant gunstiger, besluit dan het

besluit waarvan herziening is gevraagd.

AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS

Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact

op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk

voorkomen.

Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen

geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de NJBlezers

waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.

• Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat

3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen

op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de

maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de

bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch

worden verantwoord.

• Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat

2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als

doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.

• Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woorden.

Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante

actuele ontwikkelingen in een deelgebied.

• Essays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende

beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan

bij voorkeur in de tekst zelf.

• Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.

Dit is 800 woorden.

• Bijdragen voor de rubriek O&M omvatten maximaal 1200 woorden.

• Bijdragen voor de rubriek Reacties blijven binnen de 600 woorden

en een naschrift binnen de 300 woorden.

- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen

meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen

vindplaatsen.

- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending

zal worden geplaatst.

- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelfde

vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.

Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de

andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.

- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen

schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te

vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.

- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen

aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging

t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.

Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de

brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op www.njb.nl onder de

knop ‘Magazine’.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 639


517

Boeken

Klokkenluiders

De vrijheid van meningsuiting van

werknemers in verhouding tot de

geheimhoudingsplicht: een onderzoek

naar de rechtsbescherming van klokkenluiders

in de private sector en de

noodzaak tot het invoeren van een

wettelijke regeling

Klokkenluiderskwesties

kenmerken zich

door een spanningsveld

tussen de vrijheid

van meningsuiting

van werknemers

en de op hen rustende

geheimhoudingsplicht.

De rechtsbescherming van

klokkenluiders in de private sector is

al jarenlang veelvuldig onderwerp van

discussie, zowel in juridische vakliteratuur

als in de politiek. Tot op heden

kent het Nederlandse arbeidsrecht

geen specifieke wetgeving om dergelijke

werknemers te beschermen. Wel

zijn er algemene normen zoals het

goed werknemerschap van art. 7:611

BW die bescherming kunnen bieden.

De afgelopen jaren zijn verschillende

initiatieven genomen inzake de

rechtspositie van klokkenluiders en

hun arbeidsrechtelijke bescherming.

Het initiatiefwetsvoorstel Huis voor

klokkenluiders is hier een recent

voorbeeld van. Dit boek beoogt

inzicht te geven in de rechtsbescherming

van klokkenluiders in de private

sector. De vrijheid van meningsuiting,

de geheimhoudingsplicht, de rechtspraak,

de huidige wijze van bescherming

en de noodzaak tot het invoeren

van een wettelijke regeling en het

wetsvoorstel Huis voor klokkenluiders

komen aan bod. Ter afsluiting volgen

conclusies en aanbevelingen. Dit boek

betreft een geactualiseerde versie van

de masterscriptie van de auteur.

Mr. F.T.M. Vankan

Uitgeverij Paris 2015, 94 p., € 24,50

ISBN 978 94 6251 067 8

De privaatrechtelijke

dwangsom

In de ruim 80 jaar dat de dwangsom

in de Nederlandse wetgeving is opgenomen

heeft dit indirecte middel van

tenuitvoerlegging zich ontwikkeld

tot hét dwangmiddel bij uitstek. Vele

vragen zijn gerezen en veelal beantwoord;

over de dwangsom is reeds

het nodige geschreven, zoals blijkt

uit de opgenomen lijst van de voornaamste

literatuur. En er is heel veel

rechtspraak aangaande de dwangsom.

Met name uit de rechtspraak

blijkt dat niet altijd duidelijk is welke

mogelijkheden en onmogelijkheden

in dit verband bestaan. Daarom zijn

in dit boek de contouren van dit

dwangmiddel in kaart gebracht. Enkele

vragen waarop in 2007 bij de eerste

druk nog geen antwoord was te

geven, zijn inmiddels wel beantwoord

door de rechtspraak of in de

literatuur en meegenomen in deze

nieuwe geactualiseerde druk.

A.W. Jongbloed

Cahier Privaatrecht

Ars Aequi Libri 2015, 128 p., € 19,50

ISBN 978 90 6916 559 2

De erven Kerdijk

Cohen, Pechtold, Buma & Rutte over

Nederland

Arnold Kerdijk (1846-

1905) was verantwoordelijk

voor de oprichting

van belangrijke instituten,

zoals de Rijkspostspaarbank

en het Centraal

Bureau voor de

Statistiek. Maar ook als

parlementariër liet de ondogmatische

Kerdijk een erfenis na die de

moeite van het bestuderen waard is.

De afgelopen jaren zijn kopstukken

uit de Nederlandse politiek uitgenodigd

om tijdens de jaarlijkse Kerdijklezing

hun visie op de toekomst uiteen

te zetten. Na Job Cohen,

Alexander Pechtold en Sybrand van

Haersma Buma werd de lezing in

2014 verzorgd door minister president

Mark Rutte. De vier lezingen

zijn in dit boekje voor het eerst

gebundeld. Cohen neemt in aanval

op de huidige meritocratische

samenleving het standpunt in dat de

overheid mensen actief naar een

beter bestaan mag leiden. De overheid

moet de zwaksten dienen opdat

zij zich op volle kracht kunnen ontplooien.

Daar staat tegenover dat zij

mensen ook mag aanspreken op hun

gedrag als zij hun maatschappelijke

taak verwaarlozen. Pechtold kiest een

andere invalshoek uit de erfenis van

Kerdijk en gaat uit van een streven

de samenleving niet aan extremen

ten prooi te laten vallen. Om het

extremisme buiten de deur te houden,

is enerzijds goed onderwijs

noodzakelijk. Anderzijds vertrouwt

hij op instituties en de mogelijkheden

van de Europese integratie. Van

Haersma Buma omarmt vanuit het

christendemocratische vertrouwen

in het ‘maatschappelijk middelveld’

Kerdijks visie om de maatschappij te

versterken vanuit organisaties en

zonder directe overheidsbemoeienis.

Rutte benadrukte in de vierde Kerdijks-lezing

dat het bij Kerdijk maar

om één ding draait: ‘zoveel mogelijk

kansen [creëren] voor zoveel mogelijk

mensen.’ De verantwoordelijkheid

om dat mogelijk te maken hebben

we samen, het is aan de mensen zelf

om wat van hun leven te maken. Een

succesvolle samenleving begint volgens

Rutte bij het individu, al moet

de overheid wel goed en toegankelijk

onderwijs garanderen.

Wibo Schepel en Adriaan van

Veldhuizen

Boom Juridische uitgevers 2015, 78 p., € 19,95

ISBN 978 94 6290 024 0

Digital Rights Management

Systems vs. users’ privacy

At the time of their introduction,

Digital Rights Management systems

were often triumphantly presented as

the decisive technological response to

digital piracy. However, shortly after

their introduction it became clear

that this technological protection presents

a rather small, but costly speed

bump on the digital highway leading

to the protected content, and not a

panacea for this undesirable phenomenon.

As a result, Digital Rights

Management systems have undergone

crucial transformation. With their

further development, the Digital

Rights Management systems ceased

to focus solely on combating piracy

and started to collect vast amounts of

information about the users and content

usage for various purposes. This

book describes the crucial stages of

this process, evaluates the extent of

the threat to the privacy of users’

using protected content and assesses

both - legality and legitimacy of the

current use of Digital Rights Management

systems. Although this book

emphasizes privacy and data protection

legislation in the European Union

and Digital Rights Management systems

usage interrelation, it also offers

non-legal insight by adding social and

economical views on the development

in the field.

Robert Kutiš

Wolf Legal Publishers 2014, 71 p., € 14,95

ISBN 978 94 6240 186 0

640 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Tijdschriften

518

Burgerlijk (proces)recht

Bedrijfsjuridische berichten

Nr. 4, 24 februari 2015

Mr. I.M.G. de Bakker, Bb 2015/11

Intentie tot benadeling schuldeisers

afgestraft

– Contractsvrijheid is en blijft het

uitgangspunt in ons contractenrecht.

Partijen mogen echter niet zo maar

alles overeenkomen. Daarbij is een

verschil waarneembaar tussen de

intentie tot het verrichten van een

rechtshandeling die tot benadeling

van crediteuren leidt en de feitelijke

vaststelling dat dit het gevolg is van

een verrichte rechtshandeling. Juist

dit verschil was aanleiding voor de

procedure die heeft geleid tot één

van de laatste arresten uit 2014:

HR 19 december 2014,

ECLI:NL:HR:2014:3650. In deze bijdrage

gaat schr. aan de hand van dit

arrest van de Hoge Raad in op een

belangrijk verschil in vertrekpunt

tussen art. 3:40 BW (nietig door in

strijd met goede zeden of openbare

orde) en art. 3:45 BW (vernietigbaar

door pauliana).

ORP

6e jrg. nr. 2, maart 2015

Mr. D.F. Spoormans

Kijken door een nieuwe bril naar de

stelplicht en bewijslast bij de

klachtplicht

– De Hoge Raad

heeft op 12 december

2014 een nieuw

arrest gewezen in de

kwestie Far Trading

B.V./Edco Eindhoven

B.V. Met dit arrest is

een duidelijke invulling

gegeven aan de verdeling van de

stelplicht en bewijslast bij een

beroep op de klachtplicht van de artt.

6:89 en 7:23 BW. Die invulling is

anders dan eerder werd aangenomen.

Mr. G.J.L. Bergervoet

Borgtocht als bijzondere vorm van

contractuele hoofdelijkheid

– De wijze waarop de overeenkomst

van borgtocht moet worden onderscheiden

van de onbenoemde overeenkomst

van contractuele hoofdelijkheid

is een onderwerp waar men

zowel in de wetenschap als in de

praktijk mee worstelt. Deze worsteling

valt goed te begrijpen. Borgtocht

is in het systeem van het BW namelijk

geregeld als een bijzondere vorm

van contractuele hoofdelijkheid,

maar uit de wettelijke definitie van

borgtocht in art. 7:850 BW kan een

helder onderscheid tussen de rechtsfiguren

niet worden afgeleid.

WPNR

146e jrg. nr. 7052, 28 februari 2015

Mr. A. Karapetian

Bestuurdersaansprakelijkheid na

Van de Riet/Hoffmann: over hoe het

is, hoe het was en zou moeten zijn

– De recente rechtspraak van de

Hoge Raad over de bestuurdersaansprakelijkheid

uit onrechtmatige

daad roept diverse vragen op. Deze

zijn van belang bij de verdere ontwikkeling

van het juridische kader

waarbinnen bestuurders van rechtspersonen

aansprakelijk kunnen worden

gesteld. Gepleit wordt voor een

herleving van de focus op de norm.

Mr. B. Hoops

De faillissementspauliana tegen de

overdracht onder opschortende

voorwaarde van faillissement van

de vervreemder: Een waakhond met

muilband?

– In deze bijdrage toont schr. aan

waarom het wetenschapsvereiste een

in beginsel onoverkomelijke drempel

vormt voor de toepassing van art. 42

Faillissementswet op de overdracht

onder opschortende voorwaarde van

faillissement van de vervreemder.

Mr. R.J. Holtman

Transparant offreren (I)

– Offerteperikelen in twee delen. In

het eerste deel geeft schr. een opsomming

van de rechtspraak van het Hof

Amsterdam over de stelling dat werkzaamheden

die redelijkerwijs te voorzien

zijn, niet mogen leiden tot

meerwerk.

WR Tijdschrift voor

Huurrecht

Nr. 2, februari 2015

Mr. M. Vols, WR 2015/16

Artikel 8 EVRM en de gedwongen

ontruiming van de huurwoning

vanwege overlast

– In steden is burenoverlast voor

veel inwoners een dagelijks terugkerend

probleem. Veelal kan de overlast

door de buren zelf of samen met

buurtbemiddelaars worden opgelost,

maar soms is een meer ingrijpend

optreden vereist. Als

de overlastveroorzaker

zijn woning huurt, is

het doorgaans de verhuurder

die uiteindelijk

tegen ernstige

woonoverlast optreedt.

De gedwongen ontruiming

van de huurwoning vormt het

ultimum remedium binnen de overlastbestrijding.

Het EVRM biedt

rechtsbescherming tegen de gedwongen

ontruiming van de woning. Het

EHRM merkt het verlies van de

woning aan als zeer ingrijpende

inmenging in het recht op respect

voor het privéleven en woning. Uit

art. 8 EVRM vloeit volgens het Europese

Hof voort dat de bewoner de

proportionaliteit en redelijkheid van

het (dreigende) verlies van de

woning door een rechter moet kunnen

laten toetsen. In dit artikel analyseert

schr. eerst de Europese jurisprudentie

over art. 8 EVRM om de

precieze betekenis van de voorwaarden

te achterhalen. Vervolgens

onderzoekt schr. of en hoe aan de

Europese voorwaarden wordt voldaan

in de gerechtelijke ontbindingsprocedure

(art. 7:231 lid 1 BW), de

opzeggingsprocedure (art. 7:274 BW)

en de buitengerechtelijke ontbindingsprocedure

(art. 7:231 lid 2 BW).

519

Fiscaal recht

Weekblad Fiscaal Recht

143e jrg. nr. 7086, 26 februari 2015

Drs. H.A. Bergman, mr. F.R. Herreveld

“We willen werkbare beslissingen

nemen in zaken waar veel mensen

op een verlossend woord wachten”

Maarten Feteris is de eerste fiscalist

als president van de Hoge Raad

– Nee, het was zeker geen afspraak

of regel dat er nooit een fiscalist tot

president van de Hoge Raad zou worden

benoemd. De opvolging werd tot

voor kort echter bepaald door de

betrekkelijke eenvoud van het

anciënniteitsprincipe — en laat op

de moments suprêmes nu nooit een

fiscalist de langst zittende raadsheer

zijn geweest. Inmiddels staan bij de

benoeming geschiktheid en kwaliteit

voorop. Dat verklaart waarom fiscalist

Maarten Feteris (1960) sinds 1

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 641


Tijdschriften

november 2014 president van

’s lands hoogste rechtscollege is.

E. Sparidis MSc

De rechtsbetrekking in de BTW

– De rechtsbetrekking vormt de

hoeksteen van de BTW. De rechtsbetrekking

bepaalt de wijze waarop de

BTW over leveringen van goederen

en diensten wordt geheven. In de

BTW worden de feiten echter ook

vastgesteld op basis van het beginsel

van de economische realiteit. Bij misbruik

van recht worden de onder de

rechtsbetrekking beoogde gevolgen

zelfs onthouden. In dit artikel worden

de relevante aspecten van de

rechtsbetrekking en haar gevolgen

besproken.

Mr. A.M. Vroom LLM

Bijzondere regimes onder het

verdrag met Malta

– Dit artikel gaat in op de vraag of

de Maltese flat-rate foreign tax credit

en de ‘belastingteruggaafregeling’

gezien kunnen worden als gelijksoortig

aan het Malta International Business

Activities-regime, en daardoor

een bijzondere regeling vormen voor

de toepassing van het belastingverdrag

tussen Nederland en Malta.

Wanneer er sprake is van zo’n bijzondere

regeling kan geen beroep worden

gedaan op toepassing van het

belastingverdrag met Malta. Daarbij

wordt ook gekeken naar het huidige

Maltese belastingsysteem.

520

Handels- & economisch recht

Bedrijfsjuridische berichten

Nr. 4, 24 februari 2015

Mr. M.J.E. van den Bergh, Bb 2015/12

Haviltexen over en/of-schade

– Op 14 oktober 2014 heeft het

Gerechtshof Amsterdam

(ECLI:NL:GHAMS:2014:4215) een

(tussen)-arrest gewezen met voor de

transactie- en contractpraktijk interessante

aspecten. Het hof buigt zich

over de uitleg van een basket and

cap-clausule en spreekt zich terzijde

nog kort uit over de wijze van berekening

van schadevergoeding bij

garantie-inbreuken. Beide punten

stipt schr. in deze bijdrage aan. De

feiten zijn als volgt. In 2008 koopt

het Poolse Okechamp S.A. (Koper)

65% van de aandelen in champignonverwerker

F&F Europe B.V. van het

Belgische Jothima N.V. (Verkoper). Op

grond van een met Verkoper gesloten

aandeelhoudersovereenkomst wordt

in 2012 ook de resterende 35%

gekocht. In eerste aanleg heeft Koper

van Verkoper een schadevergoeding

van zo’n € 1.7 M gevorderd op grond

van diverse beweerde inbreuken op

de in de koopovereenkomst (SPA) verstrekte

garanties. In de ogen van

Koper schort er nogal wat aan de

onderneming. Het betreft een dertigtal

individuele claims van zeer uiteenlopende

hoogte, over allerlei

zaken, van een defect aan een stoomketel

tot het ten onrechte afdekken

van renteclaims door middel van

swaps. Rechtbank Amsterdam heeft

bij (niet gepubliceerd) vonnis van 30

november 2011 de vorderingen van

Koper afgewezen nu niet is komen

vast te staan dat de Verkoper “met

inachtneming van art. 7.4” is tekortgeschoten.

Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2015/13

Renovatie van de Faillissementswet

in zeven wetsvoorstellen

– De Faillissementswet staat in de

steigers voor groot onderhoud. Zeven

grote klussen worden achter elkaar

uitgevoerd, deels overlappend qua

tijd. Welke zeven klussen zijn dat?

Het wetgevingsprogramma herijking

faillissementsrecht bestaat uit een

zevental afzonderlijke wetsvoorstellen,

die zich laten bundelen in drie

thema’s – namelijk (a) de bestrijding

van faillissementsfraude; (b) de

bevordering van het reorganiserend

vermogen van bedrijven; en (c) de

modernisering van de faillissementsprocedure.

Juridisch up to Date

Nr. 4, 19 februari 2015

Mr. J.V. Tetelepta

De toepasselijkheid van algemene

voorwaarden in nationale en

internationale handel

– In de nationale en internationale

handel wordt veelvuldig gebruik

gemaakt van algemene voorwaarden.

Of het nu gaat om standaardvoorwaarden

zoals de voorwaarden van

de Fenex, de Nederlandse organisatie

voor expeditie en logistiek, die door

een (douane-)expediteur worden

gehanteerd of om eigen algemene

voorwaarden van bijvoorbeeld een

schoenenlabel die worden gebruikt

in de relatie met de in het buitenland

gevestigde fabrikant van de

schoenen, de vraag die op het

moment dat er een dispuut ontstaat,

rijst is steevast: zijn er algemene

voorwaarden van toepassing en zo ja,

welke? In dit artikel gaat schr. in op

de toepasselijkheid van algemene

voorwaarden zowel in nationale als

in internationale handel.

Maandblad voor

Vermogensrecht

25e jrg. nr. 2, februari 2015

Mr. A.G.F. Ancery, mr. M.A.M. Essed

Staatsimmuniteit van executie

– Hoewel het merendeel

van de staten

‘gewoon’ aan een veroordelend

vonnis voldoet,

moet niet worden

onderschat dat

het contracteren met

een (vreemde) staat

het inherente gevaar

kent dat een eventueel veroordelend

vonnis niet ten uitvoer kan worden

gelegd, wanneer die staat zich met

succes op immuniteit van zijn goederen

beroept. In alle gevallen waarin

men zich in een vermogensrechtelijke

verhouding met een vreemde

overheid bevindt, dient men er dan

ook voor beducht te zijn, dat – mocht

daarin een conflict rijzen – verhaal

(in de vorm van conservatoir of executoriaal

beslag) vaak een met hindernissen

beladen route blijkt. Schr.

bespreekt in dit artikel wat het

gevaar inhoudt en hoe men zich

hiertegen kan wapenen.

Prof. mr. drs. J.W.A. Biemans

Algemene beschouwingen over

koop van vermogensrechten (en

meer)

– Art. 7:1 BW bepaalt dat koop de

overeenkomst is waarbij de een zich

verbindt om een zaak te geven en de

ander om daarvoor een prijs in geld

te betalen. Een koop kan ook betrekking

hebben op een vermogensrecht.

In dat geval zijn de bepalingen van

koop van toepassing voor zover dit

in overeenstemming is met de aard

van het recht, aldus art. 7:47 BW.

Door de schakelbepaling van art. 7:47

BW heeft de regeling van koop in feite

betrekking op goederen in plaats

van alleen op zaken. Mede aan de

hand van twee recente arresten van

de Hoge Raad gaat schr. in deze bijdrage

in op de toepasselijkheid van

de algemene en bijzondere bepalin-

642 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Tijdschriften

gen van koop.

Mr. drs. A.M.M. Hendrikx

Profiteren van andermans

wanprestatie. Beschouwingen naar

aanleiding van Hoge Raad 28 maart

2014, ECLI:NL:HR:2014:740,

NJ 2014/194 (Joba/Tjin-Hin-Tjoe)

– Soms moet de partij jegens wie

wanprestatie is gepleegd niet alleen

de wanpresterende partij aanspreken

om haar belangen voldoende te kunnen

beschermen, maar ook de derde

die bij de wanprestatie is betrokken.

Het enkele profiteren van andermans

wanprestatie door een derde is op

zichzelf genomen niet onrechtmatig.

Een illustratie hiervan biedt het in

deze bijdrage te bespreken arrest van

28 maart 2014 inzake Joba/Tjin-Hin-

Tjoe waarin de Hoge Raad heeft

bevestigd dat, naast wetenschap van

de wanprestatie, bijzondere omstandigheden

vereist zijn om te oordelen

dat het profiteren van andermans

wanprestatie onrechtmatig is. In de

ogen van de Hoge Raad is een belangenafweging

tussen de benadeelde

en de profiterende derde hierbij een

aandachtspunt.

Mr. M.L. Tuil

(Geen) aansprakelijkheid bij

onjuiste gegevensverschaffing bij

zekerheidsverlening. Een rol voor

‘dwalingsaansprakelijkheid’ na

Hoge Raad 5 augustus 2014,

ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22

(RCI/X)?

– In deze bijdrage gaat schr. in op

het arrest RCI/X waaruit lijkt te volgen

dat de bestuurder die toestaat

dat de vennootschap onjuiste informatie

verschaft over de zekerhedenpositie

van de beoogde financier niet

snel aansprakelijk is.

ORP

6e jrg. nr. 2, maart 2015

Mr. R. Elkerbout LL.M.

Mededingingsrechtelijke aspecten

van online verkoopbeperkingen

in exclusieve en selectieve

distributiestelsels

– Er heeft de laatste jaren een flinke

toename van de verkoop van (merk)

producten en diensten via het internet

plaatsgevonden. Online verkoop

is ‘booming business’. In deze bijdrage

bespreekt schr. de mededingingsrechtelijke

status van online verkoop

in exclusieve en selectieve distributiestelsels.

SEW Tijdschrift voor

Europees en economisch

recht

63e jrg. nr. 2, februari 2015

L.M. Schouten,

A.J.C. de Moor-van Vugt

De onafhankelijkheid van de

Autoriteit Consument en Markt

– Onafhankelijkheid

wordt breed erkend

als een essentieel vereiste

voor goed toezicht.

In deze bijdrage

wordt onderzocht in

hoeverre de onafhankelijkheid

van de Autoriteit

Consument en Markt (ACM)

voldoende is gewaarborgd. De aanleiding

hiertoe wordt gevormd door de

veelheid aan kritiek die hierover tijdens

de parlementaire behandeling

van de Instellingswet ACM is geuit,

en door de steeds strengere eisen die

de Europese Unie stelt aan de onafhankelijkheid

van nationale toezichthouders.

Geconcludeerd wordt dat de

onafhankelijkheid van de ACM op

onderdelen moet worden aangescherpt.

H.C.E.P.J. Janssen

Producentenorganisaties in de

groenten- en fruitsector en het

belang van regie over de afzet

– In de groenten- en fruitsector spelen

producentenorganisaties al sinds

1966 een belangrijke rol bij de ordening

van de markt. Vanaf 1 januari

2014 kunnen ook in andere landbouwsectoren

producentenorganisaties

deze rol vervullen. Hiertoe moeten

deze producentenorganisaties

wel zijn erkend. Teneinde voor erkenning

in aanmerking te komen moet

zijn voldaan aan de erkenningscriteria.

Het hebben van een formele

erkenning is echter niet voldoende.

Een erkende producentenorganisatie

moet de erkenningscriteria voortdurend

naleven. De praktijk in de

groenten- en fruitsector laat zien dat

dit lang niet altijd gemakkelijk is.

Recente jurisprudentie toont bovendien

aan dat het niet naleven van de

erkenningscriteria nadelige gevolgen

kan hebben. Mede omdat in alle

landbouwsectoren die onder de

GMO-Verordening vallen producentenorganisaties

erkend kunnen worden,

wordt in dit artikel aan de hand

van recente regelgeving en jurisprudentie

uiteengezet hoe de GMOregels

worden toegepast en gehandhaafd

in de groenten- en fruitsector.

De nadruk ligt daarbij op de verkoop

door de producentenorganisatie van

de producten van de leden en de

gevolgen van het ontbreken van voldoende

regie over deze afzet.

Vennootschap &

Onderneming

25e jrg. nr. 2, februari 2015

Mr. M.M. van den Berg

Beschermingsconstructies bij IPO’s

anno 2015

– Beschermen van het vennootschappelijk

belang gebeurde in het

verleden door middel van beschermingsconstructies.

Omdat echter

aandeelhouderswaarde en de (kortetermijn)belangen

van aandeelhouders

meer aandacht kregen is het

belang van beschermingsconstructies

naar de achtergrond geraakt

omdat aandeelhoudersbelangen zich

moeilijk verdragen met beschermingsconstructies.

Door middel van

een beschermingsconstructie kan de

zeggenschap van aandeelhouders in

geval van een dreigende vijandige

overname of indien een aandeelhoudersmeerderheid

een wijziging van

de strategie wenst die strijdt met het

vennootschappelijk belang tijdelijk

worden beperkt. In de praktijk dienen

beschermingsconstructies ertoe

om onder meer dwingende en oneerlijke

overnametactieken, zoals een

partieel en two-tier front-end loaded

bod, te voorkomen. Beschermingsconstructies

bieden het bestuur tijd

en onderhandelingsmacht om de

alternatieven te bezien en om te streven

naar het best mogelijke resultaat

voor de aandeelhouders en stakeholders.

Beschermingsconstructies

mogen niet worden ontworpen om

permanent wijzigingen in de controle

van de vennootschap te voorkomen.

Ze mogen dus niet worden

gebruikt om het bestuur af te schermen

van controle door de aandeelhouders

en bieden geen absolute

bescherming. Maar toch bieden zij

het bestuur een belangrijk machtsinstrument.

Mr. D. Dijkmans van Gunst

Investeren, profiteren, winst

uitkeren: het wetsvoorstel

vergroten investeringsmogelijkheden

in medisch-specialistische

zorg maakt het mogelijk

– Winstuitkering in de zorg is volgens

voorstanders noodzakelijk om

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 643


Tijdschriften

de kwaliteit, dienstverlening en doelmatigheid

van (medisch-specialistische)

zorg te verbeteren, aldus de

voorstanders en de memorie van toelichting

bij het wetsvoorstel. Het

wetsvoorstel wijziging van de Wet

toelating zorginstellingen en enkele

andere wetten teneinde investeringsmogelijkheden

in medisch-specialistische

zorg te bevorderen (Wet vergroten

investeringsmogelijkheden in

medisch-specialistische zorg) beoogt

de aanbieders van medisch-specialistische

zorg, zoals ziekenhuizen, maar

ook zelfstandige behandelcentra

(ZBC’s), meer mogelijkheden te bieden

om eigen vermogen aan te trekken

door de investeringsmogelijkheden

in de medisch-specialistische

zorg te verruimen. Zo hoeven zorgaanbieders

minder vreemd vermogen

aan te trekken of kan vreemd

vermogen beter, tegen gunstiger

voorwaarden (rente), worden aangetrokken.

Indien een privaat kapitaalverschaffer

bijdraagt aan het eigen

vermogen wordt het ook voor verstrekkers

van vreemd vermogen

(banken) minder risicovol om een

lening te verstrekken.

Mr. K. Bungenberg

De verzettermijn van artikel 2:404

lid 5 BW- fataal of toch flexibel ?

– Het verstrekken van een 403-verklaring

is slechts in weinig Europese

landen mogelijk. In de Nederlandse

praktijk wordt hier echter veel

gebruik van gemaakt. Voor crediteuren

bestaat de verzettermijn bij het

voornemen tot intrekking van de

overblijvende aansprakelijkheid. Aan

de hand van een recente beschikking

van de Rechtbank Rotterdam wordt

in deze bijdrage de vraag behandeld

hoe fataal – of juist hoe flexibel – de

verzettermijn is. De beschikking van

de Rechtbank Rotterdam sluit aan bij

de beschikking van het Gerechtshof

Amsterdam van 23 juli 1993, waarin

is geoordeeld dat er onder omstandigheden

een verplichting is om een

enig crediteur separaat op de hoogte

van een beëindiging van de overblijvende

aansprakelijkheid te stellen.

Op die manier kan een dergelijke crediteur

de nodige stappen nemen om

zich tegen de beëindiging te verzetten.

Uit de beschikking kan geen

algemene verplichting worden afgeleid

om bekende grote schuldeisers

over het voornemen tot beëindiging

van de overblijvende aansprakelijkheid

te informeren. Bovendien is hier

sprake van een andere feitenconstellatie

en was in de uitspraak van 29

juli 1993 niet aan alle formele vereisten

van art. 2:404 BW voldaan (er was

niet in een landelijk verspreid dagblad

gepubliceerd, maar in een kleiner

blad). Volgens schr. is geen separate

mededeling aan de schuldeisers

van de dochter vereist.

Mr. C. Sarfo

Grenzeloos uitkeren?

– Met de inwerkingtreding van de

Wet vereenvoudiging en flexibilisering

bv-recht (Wet flex-BV) is art.

2:216 BW geheel herzien. Per 1 oktober

2012 is het uitgangspunt van de

wet dat de algemene vergadering

bevoegd is tot bestemming van de

winst die door de vaststelling van de

jaarrekening is bepaald, en tot vaststelling

van uitkeringen, voor zover

het eigen vermogen groter is dan de

reserves die krachtens de wet of de

statuten moeten worden aangehouden.

De statuten kunnen deze

bevoegdheden beperken of toekennen

aan een ander orgaan, bijvoorbeeld

aan een vergadering van houders

van aandelen van een bepaalde

soort of aanduiding. De vraag is of

het daartoe bevoegde orgaan, indien

de vennootschap geen wettelijke of

statutaire reserves behoeft aan te

houden, kan besluiten tot een uitkering

die de ‘vrij uitkeerbare reserves’

overstijgt of zelfs kan besluiten tot

een uitkering als er geen ‘vrij uitkeerbare

reserves’ zijn? De uitkering leidt

immers tot een negatief eigen vermogen

of tot vergroting van een

bestaand negatief eigen vermogen.

Als het mogelijk is, heeft een dergelijk

besluit tot uitkering, zoals bij elk

besluit tot uitkering, geen gevolgen

zolang het bestuur geen goedkeuring

heeft verleend. Het bestuur moet de

vraag beantwoorden of de vennootschap

na de uitkering kan blijven

voortgaan met het betalen van haar

opeisbare schulden – de uitkeringstest.

In deze bijdrage wordt uiteengezet

waarom een uitkering bij of leidend

tot een negatief vermogen mag

geschieden.

521

Intellectuele eigendom,

mediarecht & informatierecht

Privacy & Informatie

Nr. 1, februari 2015

Drs. E.M.I. Wolper

Privacyrisico’s verzekerd

– In Amerika is het voor organisaties

inmiddels gebruikelijk om een verzekering

af te sluiten die, in het geval

van een privacyincident, de schade

en kosten als gevolg daarvan vergoedt.

Schr. betoogt dat dit ook in

Nederland het overwegen waard is.

Na eerst een aantal voorbeelden te

hebben gegeven van privacyincidenten

wordt uiteengezet hoe een verzekering

tegen privacyincidenten en

netwerkincidenten (cyberverzekering)

verzekeringstechnisch in elkaar

zit. Daarna bespreekt schr. het wijzigingsvoorstel

van de Wet Bescherming

persoonsgegevens (Wbpg),

waarin de meldplicht van een datalek

aan de toezichthouder en de boetebevoegdheid

worden uitgebreid.

Met deze uitbreidingen nemen de

risico’s op kosten en schade bij privacyincidenten

voor de organisatie toe.

Vervolgens wordt gekeken welke elementen

een cyberverzekering zou

moeten dekken en de verzekeringseisen

die dat met zich brengt. Schr. is

van mening dat in de toekomst het

afsluiten van een cyberverzekering

voor organisaties gebruikelijk wordt,

omdat de continuïteit van een organisatie

in gevaar kan komen door

cyberrisico’s.

522

Jeugd-, relatie- & erfrecht

Advocatenblad

95e jrg. nr. 3, maart 2015

Mr. S. Kok

Echtscheiding? Vergeet het

bijzonder partnerpensioen niet

– Na echtscheiding

heeft de ex-partner

van rechtswege recht

op uitbetaling van een

deel van het ouderdomspensioen

en een

aanspraak op bijzonder

partnerpensioen.

644 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Tijdschriften

Bij echtscheiding blijft het partnerpensioen

vaak onbesproken of wordt

zelfs helemaal vergeten. Soms wordt

ten onrechte verondersteld dat met

een uitsluiting van de Wet verevening

pensioenrechten bij scheiding

ook het bijzonder partnerpensioen is

geregeld. Het niet goed doordenken

en/of vastleggen van wat bij echtscheiding

moet gebeuren met het

partnerpensioen kan voor alle

betrokkenen vervelende consequenties

hebben. In verband hiermee zet

schr. een en ander op een rijtje en

geeft voorbeelden voor clausules

voor de situatie waarin (ex-)partners

géén afstand doen van partnerpensioen,

de situatie waarin beide (ex-)

partners afstand doen en tot slot de

situatie waarin één van beide (ex-)

partners afstand doet van het partnerpensioen.

Tot slot somt schr. de

punten op die bij het opstellen van

het echtscheidingsconvenant achtereenvolgens

aandacht moeten krijgen.

EB Tijdschrift voor

scheidingsrecht

Nr. 2, februari 2015

Mr. B. van den Anker, EB 2015/11

Samenleven en alimentatie

ontvangen? II

– In zijn artikel

‘Samenleven en alimentatie

ontvangen?’

(EB 2009/32)

signaleerde schr.

aan de hand van op

dat moment recente

jurisprudentie, dat

steeds meer met succes een beroep

op art. 1:160 BW wordt gedaan en dat

de rechtspraak steeds vaker bereid is

tot omkering van de bewijslast, waardoor

een situatie van ‘samenleven als

gehuwden’ sneller wordt aangenomen.

Aanleiding daarvoor was de uitspraak

van het Hof ‘s-Gravenhage van

9 juli 2008 (LJN BD9380) waarin de

bewijslast werd omgekeerd. In die

procedure betwistte de vrouw dat zij

samenleefde met een ander als

waren zij gehuwd, omdat zij een latrelatie

had. De (met bewijsstukken

onderbouwde) argumenten van de

man brachten het hof er echter toe

om op grond van de redelijkheid en

billijkheid de bewijslast van de stelling

dat er over en weer geen financiele

verwevenheid tussen de vrouw en

haar partner bestond, bij de vrouw

neer te leggen. De vrouw slaagde niet

in haar bewijsopdracht. Het hof oordeelde

daarom dat de aanspraak van

de vrouw op alimentatie op grond

van art. 1:160 BW van rechtswege

was geëindigd. De vrouw poogde

haar aanspraak op alimentatie nog

te redden door het instellen van cassatie.

Dat was echter zonder succes

(art. 81 RO). Ondanks de door de feitenrechters

gegeven signalen lijkt

art. 1:160 BW ruim vijf jaar later nog

steeds stevig in het zadel te zitten.

De Hoge Raad laat de teugels niet

vieren.

Mr. M.C.J.M. Hermus, EB 2015/12

Huwelijksvermogen in

faillissementsituaties

– Onlangs is wetsvoorstel 33 987

(Wijziging Boek 1 BW teneinde de

wettelijke gemeenschap van goederen

te beperken en wijziging Faillissementswet)

na advies van de Raad

van State aangepast. Het voorstel is

een revolutionaire wending ten

opzichte van het bestaande stelsel

van de wettelijke gemeenschap van

goederen en tevens een codificatie

van de praktijk van drie vermogens

die reeds lang bestaat door het op

ruime schaal in testamenten en

schenkingen toepassen van de zogenaamde

uitsluitingsclausule. De

beleggingsleer “Hollands Koopmanschap”

wordt in het voorstel gekoppeld

aan het Belgisch wettelijk stelsel

zoals dat nu al kan bij huwelijkse

voorwaarden. Die beleggingsleer en

de risico’s voor de ondernemer in tijden

van economische crisis zijn voor

schr. aanleiding het nieuwe wetsvoorstel

in een breder perspectief te

plaatsen, namelijk dat van de schrijnende

schuldensituaties, zowel in het

nieuwe voorstel als in de praktijk van

de bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen

uitsluiting van iedere

gemeenschap van goederen. In beide

situaties wordt getracht aan de hand

van rechtsvragen duidelijkheid te

krijgen over de reikwijdte van de

voorgestelde wijzigingen in het

huwelijksvermogensrecht in faillissementssituaties

en een aanbeveling te

doen voor een sociaal-maatschappelijk

wenselijke afhandeling van faillissementen,

zowel nu als in de toekomst.

Schr. komt met een voorstel

tot aanpassing van art. 63 Faillissementswet

(Fw), toekenning van een

overnamerecht aan de niet gefailleerde

echtgenoot ook in de situatie van

echtgenoten die gehuwd zijn buiten

iedere gemeenschap van goederen,

maar wel een eenvoudige gemeenschap

hebben (mede-eigendom van

woning bijvoorbeeld) en vervolgens

met een pleidooi voor een restrictieve

toepassing door curatoren en

rechters-commissarissen van art. 61

lid 4 Fw (anticiperende werking) voor

bestaande situaties. De beleggingsleer

– economische mede-eigendom

– vormt hierbij een belangrijke inspiratiebron.

Mr. A.R. van Wieren, EB 2015/13

Kinderalimentatie: niet langer een

taak van de ouders, maar van de

overheid?

– De Expertgroep Alimentatienormen

heeft eind november 2014 in

reactie op de Wet hervorming kindregelingen,

in werking getreden op 1

januari 2015, het volgende advies

gepubliceerd: “Met ingang van 1

januari 2015 komen alleenstaande

ouders die in aanmerking komen

voor een kindgebonden budget ook

in aanmerking voor een verhoging

van dit kindgebonden budget met

maximaal € 3.050,00 (voor 2015).

Deze verhoging wordt de alleenstaande

ouderkop genoemd. De

expertgroep beveelt aan om dit totale

kindgebonden budget in mindering

te doen strekken op het gevonden

tabelbedrag. Dit kan er in een

aantal gevallen toe leiden dat er geen

behoefte meer resteert waarin de

ouders moeten voorzien. In een dergelijk

geval is er dus geen aanleiding

voor het opleggen van een onderhoudsbijdrage

ten laste van de andere,

niet-verzorgende ouder.” Dat dit

advies verstrekkende gevolgen heeft

voor de beantwoording van de vraag

in hoeverre de niet-verzorgende

ouder nog kinderalimentatie dient te

voldoen, wordt in dit artikel uitgewerkt.

Dat de kosten van verzorging

en opvoeding van kinderen een primaire

verantwoordelijkheid hoort te

zijn van ouders en hoe dat in samenhang

met kinderalimentatie gerealiseerd

kan worden, wordt eveneens

beschreven.

Tijdschrift Erfrecht

16e jrg. nr. 1, februari 2015

Mr. A.J. Luimes

Bestuursrechtelijke handhaving en

de beneficiair aanvaardende

erfgenaam

– Dit artikel gaat over geldschulden

die voortvloeien uit een bestuurlijk

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 645


Tijdschriften

handhavingsbesluit en beneficiaire

aanvaarding. De aanleiding daarvoor

wordt gevormd door een tweetal

tamelijk recente uitspraken van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State. Deze uitspraken worden

uitgebreid besproken. Verder

gaat het artikel in op de niet door de

Afdeling beantwoorde vraag of een

bestuursrechtelijke geldschuld kan

worden verhaald op het privévermogen

van de beneficiair aanvaardende

erfgenaam.

523

Omgevingsrecht

Milieu & Recht

42e jrg. nr. 2, februari 2015

Mr. G.C.W. van der Feltz,

M en R 2015/16

Wet windenergie op zee

– Op 16 oktober 2014 heeft minister

Kamp het wetsontwerp Regels

omtrent windenergie op zee bij de

Tweede Kamer ingediend. Voorafgaande

daaraan had een consultatie

plaatsgevonden. Daarnaast is via de

Nederlandse Windenergie Associatie

de industrie bij de voorbereiding van

het wetsvoorstel betrokken. Op basis

van het nieuwe wettelijke kader moet

in de gebieden Borssele, Zuid-Hollandse

en Noord-Hollandse kust

3.450 MW worden gerealiseerd in

jaarlijkse tranches van 700 MW. Om

deze doelstellingen te halen, wil het

kabinet volgens het Nationale Waterplan

2016-2012 (NW2) bij de gebieden

Zuid-Hollandse en Noord-Hollandse

kust extra windenergiegebied

aanwijzen binnen de 12 mijlszone.

Deze (nog controversiële) aanwijzing

vindt later plaats door een partiële

herziening van het NW2. In deze bijdrage

bespreekt schr. achtergrond en

inhoud van het wetsvoorstel en het

subsidiesysteem Stimulering duurzame

energieproductie plus (SDE+) en

gaat hij vervolgens in op enkele vragen

rond de in het wetsvoorstel voorgestelde

aanpak.

Nieuw Juridisch Weekblad

14e jrg. nr. 317, 25 februari 2015

P. De Smedt

Vlaamse stedenbouwhandhaving -

deel 1

– (België) In deze tweedelige bijdrage

bestudeert schr. grondig het decreet

van 25 april 2014 betreffende de

handhaving van de omgevingsvergunning

(BS 27 augustus 2014). Met

dit decreet beoogt de decreetgever

dat de handhaving in de ruimtelijke

ordening en de milieuhandhaving

compatibel zijn met elkaar. Het eerste

deel behandelt de handhaving in

de preventieve fase, met name de

raadgeving, de aanmaning en het

bestuurlijk stakingsbevel. Schr. gaat

ook in op de sancties. Het tweede

deel onderzoekt de herstelmaatregelen

en het programmatorisch handhaven.

524

Rechtspleging & procesrecht

Advocatenblad

95e jrg. nr. 3, maart 2015

Mr. J. Veldhuis

Nieuwe basisprocedure onder de

loep

– Op 22 januari 2015 is bij de Tweede

Kamer ingediend het wetsvoorstel

tot wijziging van het wetboek van

Burgerlijke Rechtsvordering en de

Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken

II, 2014-15, 34 059). Dit wetsvoorstel

maakt onderdeel uit van het

programma Kwaliteit en innovatie

rechtspraak (KEI). Het voorstel

beoogt met behulp van de mogelijkheden

van digitalisering de toegankelijkheid

van de rechtspraak te vergroten.

Schr. bespreekt het

wetsvoorstel met aandacht voor de

voorgestelde wijzigingen in de procesinleiding

en het aanhangig worden

van een geding en de nieuwe

civiele basisprocedure in eerste aanleg.

Voorts gaat schr. kort in op het

griffierecht en het voorstel om digitaal

procederen voor partijen in

beginsel (gefaseerd) verplicht te stellen.

De voorgenomen invoerdatum, 1

januari 2016, is misschien niet haalbaar,

maar het is volgens schr. wel

zeker dat het digitaliseren wordt

doorgezet.

T. Sillevis Smitt

‘We zijn er niet om mooie

theoretische arresten te schrijven’

– Als hoofd belastingprocespraktijk

bij PwC fungeerde Maarten Feteris

als schaduwrechter. ‘Men zei vaak:

“Wat ben je toch voorzichtig.”’ Sinds

1 november is hij president van de

Hoge Raad. Naar eigen zeggen werd

hij aangenomen omdat hij een bindende

factor kan zijn. In dit interview

spreekt de nieuwe president

over art. 80a, de rol van de Hoge Raad

en zichzelf.

Rechtskundig Weekblad

78e jrg. nr. 24, 14 februari 2015

A. Ooms

Tikt de klok sneller of trager voor

het Grondwettelijk Hof?

Een analyse van de impact van een

constitutionele procedure op het

beginsel van de redelijke termijn

– (België) Stellen dat Justitie te kampen

heeft met een aanzienlijke

gerechtelijke achterstand is een open

deur intrappen. De oorzaken van

deze gerechtelijke achterstand zijn

talrijk en zeer divers. Het voeren van

een constitutionele procedure is één

van de oorzaken die ertoe kan leiden

dat een procedure langer duurt. Deze

bijdrage onderzoekt op welke manier

het EHRM de duurtijd van een constitutionele

procedure toetst aan het

beginsel van de redelijke termijn,

gewaarborgd in art. 6, § 1 EVRM. Tikt

de klok sneller of trager voor een

constitutioneel hof? Na een korte

uiteenzetting over de toepasselijkheid

van art. 6, § 1 EVRM op constitutionele

procedures, wordt dieper

ingegaan op de bijzondere rol van

een Grondwettelijk Hof als bewaker

van de Grondwet, de grondslag van

deze rol en de implicaties van een

constitutionele procedure op het

beginsel van de redelijke termijn.

Deze bijdrage onderzoekt, op basis

van een grondige en genuanceerde

analyse van de klassieke criteria ter

beoordeling van het beginsel van de

redelijke termijn - de complexiteit, de

houding van de partijen, de houding

van de overheid en het belang van de

zaak - of er sprake is van een afwijkende

beoordeling ten aanzien van

een constitutioneel hof. Ten slotte

worden enkele kritische slotbedenkingen

en beleidsaanbevelingen

geformuleerd.

Tijdschrift voor Arbitrage

Nr. 1, februari 2015

Mr. R. Schellaars, TvA 2015/2

Het nieuwe LCIA Arbitrage

Reglement

– De London Court of International

Arbitration heeft in 2014 een nieuw

646 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Tijdschriften

arbitragereglement

vastgesteld. Dit is op

25 juli 2014 in finale

vorm gepubliceerd

en met ingang van 1

oktober 2014 van

toepassing (LCIA

Reglement). In deze

bijdrage worden de belangrijkste wijzigingen

gesignaleerd. Zulks tegen de

achtergrond van de Nederlandse

arbitragewet en -praktijk en het feit

dat dit reglement in de Nederlandse

praktijk (nog) relatief weinig lijkt te

worden toegepast.Ter vergelijking

verwijst schr. op enkele plaatsen naar

het NAI Reglement uit 2010 en 2015

en het ICC Reglement uit 2012.

525

Sportrecht

Tijdschrift voor Sport &

Recht

Nr. 4, december 2014

Mr. M.A. de Vlieger

De FIFA uit haar schulp?

– De voetballerij

kijkt met argusogen

naar de perikelen

rondom het rapport

van FIFA-onderzoeker

Michael J. Garcia

over vermeende corruptie

bij de toewijzing

van de WK’s 2018 en 2022. De

FIFA weigerde aanvankelijk publicatie

van dit rapport en maakte slechts

een samenvatting openbaar die volgens

Garcia zelf geen recht deed aan

zijn conclusies. De druk op de FIFA

om het Garcia-rapport in volle

omvang te publiceren, neemt echter

toe. Op 17 december 2014 besloot de

FIFA weliswaar alsnog dat het rapport

volledig openbaar wordt

gemaakt, maar tot feitelijke publicatie

kwam het nog niet. Schr. onderzocht

daarom of er juridische mogelijkheden

zijn voor de KNVB om in

Nederland inzage, afschrift of uittreksel

van het Garcia-rapport te vorderen.

Hij bespreekt daarbij te

nemen hordes als het arbitragebeding

in de FIFA-statuten, het al dan

niet bestaan van rechtsmacht van de

Nederlandse rechter en het al dan

niet bestaan van een toepasselijke

rechtsgrond voor deze vordering.

Mr. J.A.L.J. Vermeulen LLM

Bescherming van minderjarige

voetballers vs. internationale opleidingsvergoeding;

back to the future

– Voetbal is als een perpetuum

mobile: een EK in 13 landen, doellijntechnologie,

met spuitbussen ‘bewapende’

scheidsrechters, enzovoort. Er

gaan zelfs stemmen op om niet één,

maar twee WK’s te verplaatsen naar

een land met een ‘frisser’ klimaat.

Terecht kan worden gesteld dat

’s werelds meest favoriete balsport

immer in beweging is. Een van de

kernwaarden van de FIFA en die van

diverse andere stakeholders in de

internationale voetbalwereld blijft in

de loop der jaren echter onveranderd,

namelijk de bescherming van minderjarige

voetballers. In een poging

om deze categorie kwetsbare sportbeoefenaars

te beschermen tegen

verscheidene kwalijke invloeden zijn

met name het afgelopen decennium

in wet- en regelgeving diverse voorzieningen

getroffen. In deze bijdrage

staan de recente ontwikkelingen ten

aanzien van een van deze reglementaire

bepalingen centraal, te weten

de berekening van de internationale

opleidingsvergoeding in het geval

van minderjarige spelers. Daartoe

wordt allereerst in vogelvlucht een

historische context geschetst van het

ontstaan van de opleidingsvergoeding.

Vervolgens wordt op hoofdlijnen

uiteengezet wanneer door een

club een internationale opleidingsvergoeding

is verschuldigd. Daarna

wordt de evolutie van de lex specialis

ten aanzien van minderjarige voetballers

besproken. Hieruit komt

onder andere de vraag naar voren of

door de opvolgende wijzigingen in

dat kader mogelijk een soort ‘twilightzone’

voor de jaren 2009-2014 is

ontstaan. Het artikel wordt tot slot

uitgeleid middels een aantal samenvattende

overwegingen.

526

Staats- & bestuursrecht

Nederlands Tijdschrift voor

Bestuursrecht

Nr. 2, februari 2015

J.C.A. de Poorter, NTB 2015/7

Het belang van de amicus curiae

voor de rechtsvormende taak van de

hoogste bestuursrechters. Naar een

regeling van de amicus curiae in de

Algemene wet bestuursrecht

– Hoe kan de rechter zich bij de uitoefening

van zijn rechtsvormende

taak oriënteren op de gevolgen die

een rechtsvormende beslissing heeft

voor de rechtspraktijk? Schr. heeft

daarvoor het idee geopperd in bijzondere

gevallen en onder strikte

voorwaarden de mogelijkheid te creeren

informatie te verkrijgen via een

derde ‘partij’; een zogenaamde amicus

curiae. Hij werkt dat idee verder

uit tot in een voorstel voor een regeling

in de Awb.

T.N. Sanders, NTB 2015/8

De derdebelanghebbende bij de

invordering van een dwangsom: op

zoek naar een nieuwe balans

– Met de komst van de invorderingsbeschikking

in het kader van de

dwangsom is de derdebelanghebbende

een speler in het invorderingsproces

geworden. Schr. beziet in dit artikel

de positie en de belangen van de

derdebelanghebbende. Die zijn over

het algemeen goed gewaarborgd,

behalve voor wat betreft de mogelijkheden

in verband met de verjaring

van de invorderingsbevoegdheid.

Schr. vindt op dit punt ingrijpen

door de wetgever wenselijk.

T.W. Fransen, B.J.P.G. Roozendaal,

S.A.L. van de Sande, NTB 2015/9

Kroniek

Overheidsaansprakelijkheid

– Deze kroniek heeft betrekking op

de periode van 1 juli 2014 tot 1 januari

2015. Besproken worden onder

andere: schadevergoeding; onrechtmatige

overheidsdaad; rechtmatige

overheidsdaad; schadeloosstelling

wegens onteigening; nadeelcompensatie/tegemoetkoming

in planschade;

risicoaanvaarding.

R.J.M.H. de Greef, N. Jak,

R. Nehmelman, NTB 2015/10

Kroniek Bestuurlijke organisatie

– Deze kroniek heeft betrekking op

de periode 1 januari 2014-31 juli

2014. Besproken worden onder andere:

openbare lichamen, bestuursorganen

en rechtspersonen; attributie,

delegatie en mandaat; centrale overheid

en decentrale overheden; interbestuurlijk

toezicht; samenwerking.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 647


Tijdschriften

527

Straf (proces)recht,

penitentiair recht &

criminologie

Advocatenblad

95e jrg. nr. 3, maart 2015

Mr. J.S. Nan

Vaker aan de strafbeschikkingstafel

– Op 12 januari 2015 verscheen het

eerste rapport van de procureurgeneraal

dat is opgesteld in het

kader van het toezicht op het Openbaar

Ministerie zoals bedoeld in art.

122 Rechterlijke Organisatie. In dit

rapport ‘Beschikt en gewogen. Over

de naleving van de wet door het

Openbaar Ministerie bij het uitvaardigen

van strafbeschikkingen’ wordt

verslag gedaan van de resultaten van

een onderzoek naar de afdoening

door middel van de strafbeschikking.

Schr. bespreekt de bevindingen van

de onderzoekers en de aanbevelingen

die zij in dit rapport doen. Naar aanleiding

van de bevindingen uit dit

rapport besteedt schr. aandacht aan

de positie van de advocatuur bij de

gang van zaken rond het opleggen

van een strafbeschikking bij ZSM

afdoening en de pilot ‘ZSM en rechtsbijstand’.

Schr. is van mening dat in

het traject naar de strafbeschikking

rechtsbijstand een plaats moet krijgen

om er voor te zorgen dat de

rechten die een verdachte heeft niet

over het hoofd worden gezien en de

bewijsvoering op orde is.

Delikt en Delinkwent

45e jrg. nr. 2, februari 2015

M.J. Borgers & T. Kooijmans,

DD 2015/8

Van probleem naar oplossing en

weer terug: het conceptwetsvoorstel

aanpassing witwaswetgeving

– In de rechtspraak van de Hoge Raad

is de reikwijdte van het witwasdelict

door middel van de zogeheten kwalificatie-uitsluitingsgrond

ingeperkt.

Het doel daarvan is (onder andere)

het voorkomen van een automatische

verdubbeling van strafbaarheid. In de

rechtspraktijk is de indruk ontstaan

dat deze rechtspraak in sommige

situaties een belemmering oplevert

voor een effectieve bestrijding van

misdaadgeld. Het gaat dan met name

om de situatie waarin de rechter aanneemt

dat een voorwerp afkomstig is

uit een door de verdachte zelf begaan

misdrijf, terwijl vervolging ter zake

van dat grondmisdrijf niet haalbaar

is. In een recent verschenen conceptwetsvoorstel

wordt daarom voorgesteld

de strafbaarstelling van witwassen

uit te breiden door expliciet

strafbaar te stellen het verwerven of

voorhanden hebben van een voorwerp

dat onmiddellijk afkomstig is

uit enig misdrijf dat de schuldige

heeft gepleegd. De vraag rijst echter

of en, zo ja, in welke vorm, een probleem

is ontstaan ten gevolge van de

rechtspraak van de Hoge Raad en, zo

dat het geval mocht zijn, of het conceptwetsvoorstel

wel voorziet in de

juiste oplossing voor dat specifieke

probleem. In deze bijdrage wordt

betoogd dat de rechtspraak van de

Hoge Raad weliswaar tot enige verwarring

kan leiden, maar dat daaruit

geen wezenlijke belemmeringen lijken

voort te vloeien. Invoering van

het conceptwetsvoorstel roept bovendien

nieuwe problemen op.

Strafblad

13e jrg. nr. 1, maart 2015

Themanummer: De ongehoorzame

rechter

Mr. D.J.C. Aben

Zoals het een braaf ambtenaar

betaamt

– Op het gebied van

de sanctionering van

vormverzuimen ex art.

359a Wetboek van

Strafvordering is de

rechtsbescherming

gebaat bij meer ongehoorzaamheid

van de

feitenrechter aan de

rechtspraak van de Hoge Raad. In

deze bijdrage stelt schr. zich in zijn

rol als A-G onder andere de volgende

vragen over hiermee samenhangende

onderwerpen: meer politieke

invloed op rechtspraak van de Hoge

Raad? Meer rechterlijke ongehoorzaamheid?

Meer sanctionering van

vormverzuimen?

Mr. R.P. Boon, prof. mr. T.M. Schalken

Draagt rechterlijke ongehoorzaamheid

bij aan de rechtsontwikkeling?

– Uit onderzoek in de jurisprudentie

blijkt dat de feitenrechtspraak vaak

kritischer is dan de Hoge Raad in de

sanctionering van vormverzuimen

en de beoordeling van het vervolgingsbeleid,

terwijl de Hoge Raad via

een steeds strenger wordende ‘disciplinerende

cassatiemodus’ tracht de

feitenrechter in het gareel te houden.

Mr. dr. R. Kuiper

De nieuwe benadering van

vormfouten: ‘Mag ik het zo

samenvatten?’

– Hoe staat de rechtspraak over

vormfouten ervoor? Mag de strafrechter

niks meer van de Hoge Raad?

Was vroeger alles beter? Wordt het

tijd voor rechterlijke ongehoorzaamheid?

Op die vragen geeft schr. antwoord.

Mr. R. de Winter

Drogredenen vergen geen

gehoorzaamheid

– Dit betreft een beschouwing vanuit

uiteenlopende perspectieven op

de jurisprudentie van de Hoge Raad

inzake vormverzuimen in het vooronderzoek.

Mr. J.H. Janssen

Evenwicht en passie in de

strafrechtspleging

– Wanneer de bij de strafrechtspleging

betrokken ‘partijen’ met voldoende

(professionele) passie de

basisdoelen van de strafrechtspleging

nastreven, ontstaat een evenwicht

waarin deze strafrechtspleging

tot volle wasdom kan komen. Als disbalans

dreigt is compensatie tussen

deze partijen tot op zekere hoogte

mogelijk, maar is waakzaamheid

geboden.

Dr. mr. D.V.A. Brouwer

Het peil in de polder

– De Hoge Raad ziet de rechtsontwikkeling

als nieuwe hooftaak.

Daarmee infilteert hij het terrein dat

klassiek aan de wetgever was voorbehouden,

waarmee de vraag rijst of de

benoemingsprocedure en samenstelling

van de Hoge Raad eigenlijk wel

geschikt is voor die medewetgevende

taak. Uit de recente jurisprudentie

van de Hoge Raad blijkt daarbij een

grootscheepse verplaatsing van kosten

van de rechter naar de verdediging.

Daarmee beïnvloedt de Hoge

Raad de rentabiliteit en dus de continuïteit

van de advocatenpraktijken

in negatieve zin. Deze bijdrage is een

kritische beschouwing van de jurisprudentie

van de Hoge Raad, vooral

waar het de herschikking van de kosten

van het strafproces betreft.

Mr. A.A. Franken

Gezocht: raadsheer in de Hoge Raad

– In deze bijdrage gaat schr. in op de

samenstelling van de Hoge Raad en

van zijn Parket.

648 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Wetgeving

Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen

en gepubliceerde staatsbladen

met links naar de integrale

Kamerstukken is opgenomen op de

NJB-site www.njb.nl

Staatsblad

Europees Beschermingsbevel

Inwerkingtreding

528 - Besluit tot vaststelling van het

tijdstip van inwerkingtreding van de

wet van 28 januari 2015, houdende

implementatie van richtlijn 2011/99/

EU betreffende het Europees beschermingsbevel

(PbEU L 338) (Stb. 2015,

40)

– De wet treedt in werking m.i.v.

01-03-2015.

Inwerkingtredingsbesluit van 19-02-2015, Stb. 2015, 81

Elektronisch bekendmaken

529 - Wet tot wijziging van het Wetboek

van Burgerlijke Rechtsvordering

en enige andere wetten in verband

met bekendmakingen aan personen

zonder bekende woon- of verblijfplaats

– Met deze wet wordt mogelijk

gemaakt dat bekendmakingen aan

personen zonder bekende woon- of

verblijfplaats elektronisch worden

gedaan. Deze publicaties vinden

thans in dagbladen plaats.

De wet ziet op vier categorieën publicaties

aan personen zonder bekende

woon- of verblijfplaats die via het

internet zullen worden gedaan. Het

betreft ten eerste de uittreksels van

exploten op grond van artikel 54 van

het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

(Rv), de zogenoemde openbare

exploten. In de tweede plaats

betreft het de bekendmakingen van

oproepingen van verkeersovertreders

in het kader van gijzeling op grond

van artikel 28 Wet administratiefrechtelijke

handhaving verkeersvoorschriften

(Wahv). Met betrekking tot

de uittreksels van openbare exploten

is door de Koninklijke Beroepsorganisatie

van Gerechtsdeurwaarders

(KBvG) geadviseerd om deze elektronisch

te publiceren. Voorts betreft

het de oproepingen aan personen

zonder bekend adres in het kader

van gijzeling van degenen aan wie in

een strafbeschikking een geldboete

is opgelegd (art. 578b Wetboek van

Strafvordering) en de oproepingen

van belanghebbenden zonder bekende

woon- of verblijfplaats in civiele

verzoekschriftprocedures (art. 272

Rv). Tevens is in verband met het

voorgaande de Bekendmakingswet

gewijzigd, strekkend tot het in rekening

kunnen brengen van kosten

van publicaties in de Staatscourant.

Inwerkingtreding op een bij kb te

bepalen tijdstip.

Wet van 11-02-2015, Stb. 2015, 82 (Kamerstukken

33 956)

Medezeggenschap bij

grensoverschrijdende fusie

530 - Wet tot Wijziging van Boek 2

van het Burgerlijk Wetboek in verband

met de wijziging van de regels

voor werknemersmedezeggenschap

in geval van grensoverschrijdende

fusie van kapitaalvennootschappen

– Het Hof van Justitie EU heeft op 20

juni 2013 geoordeeld dat Nederland

zijn verplichtingen inzake werknemersmedezeggenschap

bij grensoverschrijdende

fusies van kapitaalvennootschappen

niet is nagekomen

(Arrest C-635/11). Het Hof heeft

bepaald dat Nederland, door artikel

16 lid 2, onderdeel b, van Richtlijn

2005/56/EG betreffende grensoverschrijdende

fusies van kapitaalvennootschappen

(de GOF-richtlijn) niet

om te zetten, niet heeft verzekerd

dat werknemers van in andere lidstaten

gelegen vestigingen van de uit

een grensoverschrijdende fusie ontstane

vennootschap die haar statutaire

zetel in Nederland heeft, dezelfde

medezeggenschapsrechten

hebben als werknemers die in Nederland

werkzaam zijn. Met deze wet

wordt beoogd om artikel 333k van

Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

zodanig te wijzigen, dat het in overeenstemming

is met artikel 16 van

de GOF-richtlijn in het licht van de

uitspraak van het Hof van Justitie. De

wet sluit zoveel mogelijk aan bij de

bepalingen in artikel 16 van de GOFrichtlijn,

zodat ruimte wordt gelaten

aan de fuserende vennootschappen

om tot een invulling van de medezeggenschapsregeling

te komen en

om onnodige toepassing van de

Europese regeling zoveel mogelijk te

voorkomen.

Inwerkingtreding op een bij kb te

bepalen tijdstip.

Wet van 11-02-2015, Stb. 2015, 84 (Kamerstukken

34 012)

Maximumboete rookverbod

531 - Wet tot wijziging van de Tabakswet

ter invoering van een verhoogd

strafmaximum op overtreding van

het rookverbod (Verhoging strafmaximum

overtreding rookverbod

Tabakswet)

– De huidige Tabakswet kent twee

wettelijke strafmaxima voor wat

betreft op te leggen bestuurlijke boeten:

a. € 450.000 voor overtreding van het

reclameverbod door fabrikanten,

groothandels of importeurs van

tabaksproducten;

b. € 4.500 voor alle overige overtredingen.

De regering acht het gewenst deze

twee trappen aan te vullen met een

tussenliggend maximum voor het

overtreden van het rookverbod. Voor

het boetemaximum dat geldt bij een

overtreding van het bepaalde bij of

krachtens de artikelen 8 of 10 van de

Tabakswet wordt voorgesteld aan te

sluiten bij de vierde boetecategorie

als bedoeld in artikel 23, vierde lid,

van het Wetboek van Strafrecht. Dat

boetebedrag bedraagt op dit moment

€ 20.250. Dit bedrag wordt tweejaarlijks

geïndexeerd. Hiermee wordt

invulling gegeven aan het kabinetsbeleid

om bestuurlijke boetes zoveel

mogelijk te laten aansluiten bij de

boetecategorieën van het strafrecht.

De wetswijziging zelf is echter

slechts technisch van aard, in die zin

dat het geen directe consequenties

heeft op de hoogte van de boetes op

dit moment. De hoogte van de boete

wordt uiteindelijk bepaald in een

algemene maatregel van bestuur.

Indien in de toekomst wordt besloten

tot een verdere verhoging van de

boetes voor specifiek de overtreding

van het rookverbod in de horeca, zal

ook de politieke discussie plaatsvinden

over hoe deze verhoging zich

verhoudt tot de inzet van andere

instrumenten voor de handhaving

van deze norm.

Inwerkingtreding op een bij kb te

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 649


Wetgeving

5. Land- en tuinbouw, veeteelt

(inspectie landbouwgronden, kassen,

bemesting, detectie dierziekten);

6. Media en journalistiek (fotografieen

filmopnames).

Al deze domeinen vertegenwoordigen

naar het oordeel van het kabinet

een maatschappelijk belang, waarbij

de inzet van drones op korte termijn

reële potentie biedt. In algemene zin

acht het kabinet het nodig dat de

mogelijkheden voor beroepsmatig

gebruik van drones in de luchtvaartregelgeving

worden vergroot, in elk

geval daar waar het gaat om het

gebruik van drones door politie,

brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

Het is het voornemen om

op 1 juli 2015 regelgeving in werking

te laten treden als één van de voorwaarden

om operaties met drones

mogelijk te maken. Nog niet op alle

domeinen is de gedachtevorming

even ver als op het domein van de

veiligheid. Op die domeinen worden

stappen gezet om tot een inventarisatie

van behoeften en mogelijkheden

te komen. Daarbij is van belang

dat de inzet van drones in sommige

gevallen onder de exclusieve verantwoordelijkheid

van de overheid

geschiedt (bijvoorbeeld op het terrein

van de veiligheid), in andere

gevallen juist niet (bijvoorbeeld

media en journalistiek).

Het gebruik van drones kan echter

ook van invloed zijn op de veiligheid

van andere luchtruimgebruikers en

van mensen en objecten op de grond.

Aangezien er vooralsnog nog relatief

weinig statistische informatie

beschikbaar is over de exacte impact

van drones op de veiligheid, zullen

ze geleidelijk in het luchtruim worden

toegelaten. Daardoor is het

mogelijk voor zowel de autoriteiten

als de sector om op een veilige

manier aan dit nieuwe fenomeen in

de luchtvaart te wennen. Het kabinet

is van oordeel dat de toekomstige

regelgeving rondom drones eenduidig,

helder en goed toepasbaar moet

zijn voor alle soorten gevallen waarin

drones kunnen worden ingezet. De

op te leggen sancties moeten in een

goede verhouding staan tot de

zwaarte en ernst van de overtreding.

Daarnaast dient die regelgeving vanzelfsprekend

handhaafbaar te zijn

door politie en justitie, alsmede

inspectiediensten. De huidige situatie

is op dit punt vrij complex doorbepalen

tijdstip.

Wet van 11-02-2015, Stb. 2015, 91 (Kamerstukken

33 738)

Wet basisnet

Inwerkingtreding

532 - Besluit houdende vaststelling

van het tijdstip van inwerkingtreding

van (o.a.) de wet van 10 juli 2013 tot

wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen en enige andere wetten

in verband met de totstandkoming

van een basisnet (Wet basisnet)

(Stb. 2013, 307)

– De wet treedt in werking m.i.v.

01-04-2015.

Inwerkingtredingsbesluit van 20-02-2015, Stb. 2015, 92

533

Vervolgstukken

Cliëntenrechten zorg

Brief van de Minister van VWS

(24-02-2015) over het wetsvoorstel

houdende regels ter bevordering van

de kwaliteit van zorg en de behandeling

van klachten en geschillen in de

zorg (Wet kwaliteit, klachten en

geschillen zorg).

– Brief over uitstel van de beantwoording

van de opmerkingen en

vragen n.a.v. regels ter bevordering

van de kwaliteit van zorg en behandeling

van klachten en geschillen in

de zorg.

Kamerstukken I 2014/15, 32 402, L

Woningcorporaties

Eindverslag (24-02-2015) over het

wetsvoorstel tot herziening van de

regels over toegelaten instellingen

en instelling van een Nederlandse

Autoriteit toegelaten instellingen

volkshuisvesting (Herzieningswet

toegelaten instellingen volkshuisvesting).

Kamerstukken I 2014/15, 32 769, E

Elektronische

patiëntgegevens

Voorlopig verslag (03-03-2015) over

het wetsvoorstel tot wijziging van de

Wet cliëntenrechten zorg, de Wet

gebruik burgerservicenummer in de

zorg, de Wet markt ordening gezondheidszorg

en de Zorgverzekeringswet

(cliënten rechten bij elektronische

verwerking van gegevens).

Kamerstukken I 2014/15, 33 509, B

Flexibel cameratoezicht

Brief van de Minister van VenJ, de

Staatssecretaris van IenM en de

Minister van EZ (02-03-2015) over

het wetsvoorstel tot wijziging van de

Gemeentewet in verband met de verruiming

van de bevoegdheid van de

burgemeester tot de inzet van cameratoezicht.

– Brief bij de aanbieding van het verkennend

WODC-onderzoek over het

gebruik van drones. Het WODConderzoek

is uitgevoerd aan de hand

van de volgende vraagstelling: Wat

zijn de verwachte kansen en bedreigingen

van het gebruik van drones,

in hoeverre bieden de huidige wettelijke

kaders ruimte voor deze kansen

alsmede voor maatregelen tegen

deze bedreigingen en, voor zover die

ruimte er niet is, wat zijn de contouren

van de wet- en regelgeving die

daarvoor wel ruimte zou bieden?

Deze vraagstelling omvat vele verschillende

aspecten die een grote

onderlinge verwevenheid laten zien:

luchtvaartveiligheid, marktkansen,

innovatie, inzet door publieke organisaties,

beroepsmatig gebruik,

recreatief gebruik, gebruik door

kwaadwillenden, technische en productie-eisen,

handhaving en naleving,

privacy, aansprakelijkheid etc.

Mede in het licht van het rapport

van het WODC meent het kabinet dat

deze kansen en bedreigingen aanleiding

geven tot het ontwikkelen van

specifiek beleid met betrekking tot

drones. Het nader uitwerken van

beleid zal enige tijd vergen. Het kabinet

meent er goed aan te doen echter

nu al een kabinetsstandpunt op

hoofdlijnen te geven, dat mede een

agenderend karakter heeft.

Volgens het kabinet tekenen zich

voor kansrijk gebruik van drones, de

volgende verschillende domeinen af:

1. Veiligheid (opsporing, handhaving

van de openbare orde, search and

rescue, calamiteiten, branden en

rampen, hulpverlening);

2. Infrastructuur (onderhoud windmolens,

dijken, bruggen, hoogspanningsmasten,

bovenleidingen);

3. Bewaken en beveiligen (beveiligen

publieke en private objecten);

4. Onderzoek (cartografie, milieu,

weer en klimaat);

650 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Wetgeving

dat verschillende regimes bestaan

voor respectievelijk het beroepsmatig

en het recreatief gebruik. Het

WODC-rapport stelt dat de huidige

aansprakelijkheidswetgeving toereikend

lijkt te zijn voor het gebruik

van drones. Onderzoekers wijzen er

wel op dat er zich in de toekomst

mogelijk nieuwe vragen van aansprakelijkheid

kunnen voordoen, naarmate

het gebruik van drones toeneemt.

De veiligheid van het gebruik van

drones wordt mede bepaald door de

kwaliteit van het systeem: de drone,

het bedieningsstation, de benodigde

frequenties en de kwaliteit van de

verbinding. Het kabinet wil bezien in

hoeverre het mogelijk en wenselijk is

om – al dan niet in Europees verband

– nadere technische en operationele

eisen aan drones te stellen.

Ook nadere eisen aan de piloot zullen

in de overweging van het kabinet

over de wenselijkheid van nadere

eisen meegenomen worden.

Het WODC-rapport schetst voorts een

aantal intentionele bedreigingen die

aan drones zijn verbonden. Het

potentieel gebruik van drones door

kwaadwillenden heeft de aandacht

van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding

en Veiligheid

(NCTV) samen met relevante nationale

en internationale veiligheidspartners.

Als onderdeel van deze aanpak

worden de risico’s van misbruik van

onbemande systemen in kaart

gebracht en beschermende maatregelen

(detectie, classificatie en interventie)

ontwikkeld.

Het kabinet denkt dat de huidige

wet- en regelgeving ter bescherming

van de privacy voldoende algemene

waarborgen bevat om de privacy

tegen het huidige gebruik van drones

te beschermen. Het rapport bevat

geen indicaties dat deze wet- en

regelgeving op dit punt ontoereikend

zou zijn. Naar de mate waarin toekomstige

regelgeving met betrekking

tot het gebruik van drones mogelijk

meer ruimte voor het gebruik daarvan

zal geven, zal wel moeten worden

bezien of in die regelgeving aanvullende

specifieke waarborgen ter

bescherming van de privacy zullen

moeten worden opgenomen.

Bij de regelgeving voor drones wordt

onderscheid gemaakt tussen recreatief

en beroepsmatig gebruik. Recreatief

gebruik valt onder de Regeling

modelvliegen. Beroepsmatig gebruik

valt onder de in ontwikkeling zijnde

regelgeving die wordt omschreven.

Deze kan niet los gezien worden van

de ontwikkelingen op dit gebied in

Europa. Het WODC-onderzoek geeft

duidelijk aan dat de huidige regelgeving

die in ontwikkeling is in Nederland

goed aansluit bij de regelgeving

in de ons omringende landen.

Kamerstukken I 2014/15, 33 582, E

Doorberekenen kosten

veiligheidsonderzoeken

Memorie van antwoord (02-03-2015)

bij het wetsvoorstel tot wijziging van

de Wet veiligheidsonderzoeken in

verband met het opnemen van een

grondslag voor het doorberekenen

van kosten verbonden aan het uitvoeren

van veiligheidsonderzoeken

alsmede enkele andere wijzigingen.

Kamerstukken I 2014/15, 33 763, B

Kiesrecht niet-Nederlandse

ingezetenen BES-eilanden

Brieven van de Minister van BZK

(27-02-2015) over het wetsvoorstel

tot wijziging van de Kieswet en de

Wet openbare lichamen Bonaire, Sint

Eustatius en Saba, houdende aanpassing

van de regeling met betrekking

tot het kiesrecht van niet-Nederlanders

bij eilandsraadsverkiezingen.

– Brief inzake de stand van zaken en

ontwikkelingen met betrekking tot

het voorstel tot wijziging van de

Kieswet en de Wet openbare lichamen

Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

houdende aanpassing van de regeling

met betrekking to wijziging van

tot wijziging van de Kieswet en de

Wet openbare lichamen Bonaire, Sint

Eustatius en Saba, houdende aanpassing

van de regeling met betrekking

tot het kiesrecht van niet-Nederlanders

bij eilandraadsverkiezingen (nr.

11) en brief inzake de stand van

zaken en ontwikkelingen met betreking

tot Kamerdossier 33900 (D).

Kamerstukken II en I 2014/15, 33 900, nr. 11 en D

Raadgevend referendum

Brief van de Minister van BZK

(26-02-2015) over het initiatiefwetsvoorstel

van de leden Fokke, Voortman

en Schouw, houdende regels

inzake het raadgevend referendum.

– Brief inzake het afschrift met de

bekrachtiging van het voorstel van

wet 33934.

Kamerstukken I 2014/15, 33 934, F

Novelle kerntaken

volkshuisvesting

Eindverslag (24-02-2015) over het

wetsvoorstel tot wijziging van de

Herzieningswet toegelaten instellingen

volkshuisvesting.

Kamerstukken I 2014/15, 33 966, N

Wgbh/cz en Kieswet

Brief van de Staatssecretaris van

VWS (25-02-2015) over het wetsvoorstel

ter uitvoering van het op 13

december 2006 te New York tot stand

gekomen Verdrag inzake de rechten

van personen met een handicap (Trb.

2007, 169).

Kamerstukken II 2014/15, 33 990, nr. 8

Versterking positie ouders

kinderopvang

Voorlopig verslag (03-03-2015) over

het wetsvoorstel tot wijziging van de

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen

peuterspeelzalen in verband met de

aanpassing van het klachtrecht voor

ouders, de wijziging van het adviesrecht

van de oudercommissie en

enkele andere aanpassingen (Wet

versterking positie ouders kinderopvang

en peuterspeelzalen).

Kamerstukken I 2014/15, 34 045, B

Werken na AOW-leeftijd

Nota van wijziging (18-02-2015) bij

het wetsvoorstel houdende aanpassing

van enige arbeidsrechtelijke

bepalingen die een belemmering

kunnen vormen voor werknemers en

ambtenaren die na de AOW-gerechtigde

leeftijd willen blijven werken

(Wet werken na de AOW-gerechtigde

leeftijd).

Kamerstukken II 2014/15, 34 073, nr. 7

Erfgoedwet

Verslag (03-03-2015) over het wetsvoorstel

houdende bundeling en aanpassing

van regels op het terrein van

cultureel erfgoed.

Kamerstukken II 2014/15, 34 109, nr. 6

Associatieovereenkomsten

Oekraïne, Moldavië en

Georgië

Nota n.a.v. het verslag (27-02-2015)

over de wetsvoorstellen houdende

goedkeuring van de op 27 juni 2014

te Brussel tot stand gekomen Associatieovereenkomsten

tussen de Europese

Unie en de Europese Gemeenschap

voor Atoomenergie en haar

lidstaten, enerzijds, en Oekraïne, res-

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 651


Wetgeving

Detentie en masterplan DJI

Verslag van een algemeen overleg

(vastgesteld 02-02-2015) over een

aantal onderwerpen betreffende

detentie.

– De vaste commissie voor VenJ heeft

op 22 januari 2015 overleg gevoerd

met de Staatssecretaris van VenJ

over: • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 25 juni 2014 met

een reactie op de aangenomen

moties bij de Wijziging van de Penitentiaire

beginselenwet en het Wetboek

van Strafrecht in verband met

de herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging

van vrijheidsbenemende

sancties en de invoering van

elektronische detentie (Kamerstuk 33

745, nr. 31); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 30 juni 2014

over de voortgang van de implementatie

van het Masterplan DJI (Kamerstuk

24 587, nr. 588); • de brief van de

Staatssecretaris van VenJ d.d. 1 september

2014 met de antwoorden op

vragen van de commissie over de

voortgang van het Masterplan DJI en

over de reactie op vragen over de verdwijning

van honderden banen

in het gevangeniswezen (Kamerstuk

24 587, nr. 596); • de brief van de

Staatssecretaris van VenJ d.d. 21 juli

2014 over de huisregels in penitentiaire

inrichtingen (Kamerstuk 24 587,

nr. 595); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 17 november 2014

over het beklagrecht van gedetineerden,

het aantal isolatieplaatsingen in

verband met het weigeren van plaatpectievelijk

Moldavië en Georgië,

anderzijds (Trb. 2014, 160, Trb. 2014,

207 en Trb. 2014, 210).

Kamerstukken II 2014/15, 34 115, nr. 6

Sociale veiligheid scholen

Nota n.a.v. het verslag (02-03-2015)

over het wetsvoorstel tot wijziging

van enige onderwijswetten in verband

met het invoeren van de verplichting

voor scholen zorg te dragen

voor de sociale veiligheid op school.

Kamerstukken II 2014/15, 34 130, nr. 6

534

Nota’s,

rapporten &

verslagen

Bankenunie en informatie

Brief van de Minister van Financiën

(23-02-2015) over de start van de

Europese bankenunie en de gevolgen

daarvan voor werkafspraken met de

Tweede Kamer aangaande informatieverschaffing

over ingrepen in de

financiële sector.

– Naar aanleiding van de financiële

crisis in 2008 en 2009 en de maatregelen

die in deze periode noodzakelijk

waren om de financiële stabiliteit

te borgen, heeft de Parlementaire

Enquêtecommissie Financieel Stelsel

(commissie De Wit) aanbevelingen

geformuleerd. Eén van de aanbevelingen

betreft het opstellen van een

informatieprotocol teneinde de informatiepositie

van de Tweede Kamer

voorafgaand aan crisismaatregelen

voor de financiële sector te versterken.

De achtergrond voor deze aanbeveling

is gelegen in het parlementaire

budgetrecht. Deze brief geeft een

nadere invulling van deze aanbeveling,

waarbij een onderscheid wordt

gemaakt tussen voorgenomen ingrepen

bij banken en mogelijke ingrepen

bij andere financiële instellingen.

Voor besluiten over ingrepen bij

banken geldt namelijk een nieuw

Europees kader, dat gevolgen heeft

voor de inhoud van het informatieprotocol.

Binnen de Europese bankenunie

is het doel om bij afwikkeling

een beroep op publieke

middelen zoveel mogelijk te beperken.

Een van de instrumenten die

daaraan moet bijdragen is het instrument

van bail-in. Bail-in zorgt ervoor

dat verliezen en kosten van herkapitalisatie

in de eerste plaats worden

opgevangen door de aandeelhouders

en schuldeisers. Mocht bail-in onvoldoende

blijken dan kan gebruik worden

gemaakt van middelen uit het

gemeenschappelijke afwikkelingsfonds,

dat gefinancierd wordt door de

sector zelf. De komst van de Europese

bankenunie heeft gevolgen voor

de positie van de Minister van Financiën

en de werkafspraken met de

Tweede Kamer. De besluitvorming

over de afwikkeling van Nederlandse

banken vindt voortaan plaats binnen

een Europees gereguleerd kader. Dit

Europees kader wordt gevormd door

de richtlijn inzake het herstel en

afwikkeling van banken (Bank Recovery

Resolution Directive, BRRD) en

de Single Resolution Mechanism-verordening

(SRM). In de implementatie

van dit kader wordt in Nederland

voorzien door het voorstel voor de

‘Implementatiewet Europees kader

voor herstel en afwikkeling van banken

en beleggingsondernemingen.’

Dit wetsvoorstel zal nog dit voorjaar

bij de Kamer worden ingediend. Het

SRM tilt de besluitvorming over de

afwikkeling van de grootste banken

(en de grensoverschrijdende banken)

in de lidstaten die deelnemen aan de

Europese bankenunie vanaf 1 januari

2016 naar Europees niveau. De SRB

wordt vanaf 1 januari 2016 verantwoordelijk

voor eventuele beslissingen

omtrent het afwikkelen van een

grote Nederlandse bank. Dit heeft tot

gevolg dat het nationale parlementaire

budgetrecht niet langer in het

geding is bij afwikkeling van een

bank en dat bovendien de Minister

van Financiën geen zelfstandige rol

meer heeft bij de besluitvorming ten

aanzien van de afwikkeling van een

bank. Dit brengt met zich mee dat er

geen sprake meer zal zijn van voorafgaande

betrokkenheid van het nationale

parlement bij besluitvorming

over afwikkeling van een Nederlandse

bank. Bovendien is in dit verband

binnen het Europees kader informatie-uitwisseling

vooraf met het nationale

parlement niet toegestaan. Nu

besluitvorming over afwikkeling van

banken in belangrijke mate op Europees

niveau plaatsvindt, verschuift

de verantwoording over het optreden

van de afwikkelingsautoriteit(en)

eveneens grotendeels van nationaal

naar Europees niveau. Zo legt de SRB

met betrekking tot de uitvoering van

de SRM-verordening verantwoording

af aan het Europees parlement, de

Europese Raad en de Europese Commissie.

Nationale parlementen krijgen

jaarlijks een verslag van de SRB

toegestuurd over de uitvoering van

de aan de SRB opgedragen taken en

kunnen vragen of opmerkingen bij

de SRB indienen ten aanzien van de

aan de SRB toevertrouwde verantwoordelijkheden.

Het voorstel voor concrete werkafspraken

in een informatieprotocol,

waarin de nieuwe situatie is verdisconteerd,

is als bijlage bij deze brief

meegestuurd.

Kamerstukken II 2014/15, 21 501-07, nr. 1241

652 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Wetgeving

sing in een meerpersoonscel (MPC)

en de verslavingszorg binnen het

gevangeniswezen (Kamerstuk 24 587,

nr. 607); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 19 september

2014 met informatie inzake de personele

gevolgen van de definitieve cijfers

in het kader van het Prognose

Model Justitiële ketens (PMJ) en de

aanvullende besparingsmaatregelen

bij de Dienst Justitiële Inrichtingen

(DJI) (Kamerstuk 24 587, nr. 603); •

de brief van de Staatssecretaris van

VenJ d.d. 21 november 2014 met het

verslag van een schriftelijk overleg

over de personele gevolgen van de

definitieve cijfers in het kader van

het Prognose Model Justitiële ketens

(PMJ) en de aanvullende besparingsmaatregelen

bij de Dienst Justitiële

Inrichtingen (DJI) (Kamerstuk 24 587,

nr. 603) en over het feit dat het wetsvoorstel

tot wijziging van de Penitentiaire

beginselenwet en het Wetboek

van Strafrecht in verband met de

herijking van de wijze van de tenuitvoerlegging

van vrijheidsbenemende

sancties en de invoering van elektronische

detentie (33 745) in de Eerste

Kamer is verworpen (Kamerstuk 24

587, nr. 608); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 24 november

2014 ter aanbieding van het WODCrapport

Terugval in recidive (Kamerstuk

29 270, nr. 94); • de brief van de

Staatssecretaris van VenJ d.d. 9

december 2014 met een reactie op

een brief van de commissie van toezicht

(CvT) van de penitentiaire

inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis,

van 22 september jl. inzake het

antwoord op het advies over het

weekendbezoek voor kinderen van

moeders in detentie (Kamerstuk 24

587, nr. 609); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 16 december

2014 over de detentiecapaciteit Sint-

Eustatius (Kamerstuk 24 587, nr. 610);

• de brief van de Staatssecretaris van

VenJ d.d. 19 januari 2015 met een

actualisatie van de voortgang implementatie

Masterplan DJI en stand

van zaken bij de onderhandelingen

over de komst van Noorse gedetineerden

(Kamerstuk 24 587, nr. 613).

Van dit overleg brengt de commissie

woordelijk verslag uit.

Kamerstukken II 2014/15, 24 587, nr. 615

Herindeling en kosten

Brief van de Minister van BZK (16-02-

2015) over een onderzoek naar de

ontwikkeling van de uitgaven van

gemeenten die in het recente verleden

heringedeeld zijn.

– Elk jaar kiest een aantal gemeenten

voor een herindeling. Een gemeente

heeft meer ambities dan zij zelfstandig

kan waarmaken of voelt dat zij

zelfstandig niet langer al haar taken

naar behoren kan uitvoeren. Deze

jaarlijkse herindelingen zorgen voor

een geleidelijke schaalvergroting van

gemeenten. Dat heeft verschillende

effecten. Het Centrum voor Onderzoek

van de Economie van de Lagere

Overheden (COELO) van de Rijksuniversiteit

Groningen heeft onderzoek

uitgevoerd onder leiding van prof. dr.

Allers naar de ontwikkeling van de

uitgaven van gemeenten die in het

recente verleden heringedeeld zijn.

De belangrijkste bevinding in het

COELO-onderzoek ‘The effects of

local government amalgamation on

public spending and service levels.

Evidence from 15 years of municipal

boundary reform’ is dat gemeentelijke

herindelingen geen significant

effect hebben op de totale gemeentelijke

uitgaven. Er worden door

gemeenten gemiddeld dus geen

besparingen ingeboekt na een herindeling.

Maar gemeenten die voor een

herindeling hebben gekozen, hebben

daarvoor vaak andere redenen gehad

dan het inboeken van besparingen.

Het is dan ook van belang om het

vraagstuk van besparingen in deze

context te bezien. Herindelingen

moeten worden bezien in het licht

van de vooraf geformuleerde doelstellingen

en de maatschappelijke,

bestuurlijke en economische opgaven

waarvoor gemeenten staan. Uit

onderzoek blijkt dat deze doelstellingen

vaak worden behaald. Sturen op

besparingen lijkt op dit moment

geen belangrijke overweging of

noodzaak te zijn bij herindelingen.

De minister acht het waarschijnlijk

dat gemeenten herindelingen en

daaruit voortvloeiende kostenvoordelen

inzetten om de kwaliteit te verbeteren

in brede zin van het woord:

de effectiviteit van gemeentelijk

beleid, de gemeentelijke dienstverlening,

de kwaliteit van het ambtenarenapparaat,

het publieke voorzieningenniveau

en de kwaliteit van het

bestuur. De onderzoekers komen echter

tot de conclusie dat het voorzieningenniveau

van nieuw gevormde

gemeenten niet stijgt en leiden dit af

uit het volgende: (1) de uitgaven op

de begrotingspost cultuur & recreatie

zijn niet gestegen en (2) de woningprijzen

zijn niet gestegen. Hier zijn,

volgens de minister, een aantal kanttekeningen

bij te plaatsen. De vooronderstelling

dat eventuele schaalvoordelen

van een herindeling vooral

zullen worden besteed aan cultuur &

recreatie is betwistbaar. Doordat

nieuw gevormde gemeentes bijvoorbeeld

ambities realiseren op het

terrein van ruimtelijke ontwikkeling,

bijvoorbeeld met een woningbouwproject

zouden de huizenprijzen ook

kunnen dalen, wat de tweede aanname

onderuit haalt.

Kamerstukken II 2014/15, 28 750, nr. 61

Interparlementaire Unie

Verslagen van de 130e en 131e zitting

van de Assemblee van de Interparlementaire

Unie (vastgesteld op

resp. 29-09-2014 en 26-02-2015) resp.

gehouden van 16–20 maart 2014 en

12–16 oktober 2014 te Genève.

– Aan de 130e zitting van de IPU

hebben parlementaire delegaties uit

145 landen en 35 delegaties van

waarnemers (internationale en interparlementaire

instellingen) deelgenomen.

Aan de 131e zitting van de

IPU hebben parlementaire delegaties

uit 147 landen en 35 delegaties van

waarnemers (internationale en interparlementaire

instellingen) deelgenomen.

Er is over een waaier aan

onderwerpen gesproken.

Staten-Generaal 2014/15, 29 679, nrs. 20 en 21

Prüm business case VK

Brief van de Minister van VenJ (24-

02-2015) over het feit dat Nederland

en het Verenigd Koninkrijk op 24

februari 2015 een Memorandum of

Understanding hebben getekend

over het houden van de Prüm business

case.

– Dit ter uitvoering van het Europese

Raadsbesluit 2014/836/EU van 27

november 2014 tot vaststelling

van bepaalde regelingen en overgangsregelingen

betreffende de

beëindiging van de deelname van

het Verenigd Koninkrijk van Groot-

Brittannië en Noord-Ierland aan een

aantal handelingen van de Unie op

het gebied van de politiële samenwerking

en de justitiële samenwerking

in strafzaken die voor de inwerkingtreding

van het Verdrag van

Lissabon zijn vastgesteld. In dit

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 653


Wetgeving

Raadsbesluit zijn de handelingen

vastgesteld die vóór het Verdrag

van Lissabon zijn ingevoerd op het

gebied van de politiële samenwerking

en de justitiële samenwerking

in strafzaken, waaraan het Verenigd

Koninkrijk zal blijven deelnemen. In

deze handelingen zijn niet de Prümbesluiten

opgenomen (Verdrag van

Prüm tussen België, Duitsland, Spanje,

Frankrijk, Luxemburg, Nederland

en Oostenrijk inzake de intensivering

van de grensoverschrijdende

samenwerking, in het bijzonder ter

bestrijding van het terrorisme, de

grensoverschrijdende criminaliteit

en de illegale migratie, Stb. 2008, 25).

Gezien de praktische en operationele

betekenis van de Prüm-besluiten

voor de rechtshandhaving en de

voorkoming, de opsporing en het

onderzoek van strafbare feiten is

tevens in dit Raadsbesluit bepaald

dat het Verenigd Koninkrijk een business

case uitvoert naar de werking

en tenuitvoerlegging van de Prümbesluiten

teneinde te beoordelen

welke verdiensten en praktische

voordelen verbonden zijn aan de

mogelijkheid dat het Verenigd

Koninkrijk toetreedt tot de Prümbesluiten.

Het Verenigd Koninkrijk

zal de business case uitvoeren met

vier EU-lidstaten, waaronder Nederland.

De uitvoering van de business

case omvat de uitwisseling van DNAprofielen

op een wijze die overeen

komt met die in de Prüm-besluiten.

Nederland en het Verenigd Koninkrijk

sturen hiertoe elkaar 1000 DNAprofielen

van sporen van onopgeloste

misdrijven voor vergelijking in de

nationale DNA-databank van het

andere land op grond van artikel 7

van de Overeenkomst, door de Raad

vastgesteld overeenkomstig artikel

34 van het Verdrag betreffende de

Europese Unie, betreffende de wederzijdse

rechtshulp in strafzaken tussen

lidstaten van de Europese Unie.

Het Memorandum of Understanding

loopt af op 31 augustus 2015. Indien

de business case over de werking en

tenuitvoerlegging positief is, moet

het Verenigd Koninkrijk uiterlijk op

31 december 2015 besluiten of het

de Raad binnen een tijdsbestek van

de volgende vier weken in kennis zal

stellen van zijn wens deel te nemen

aan de Prüm-besluiten.

Kamerstukken I 2014/15, 30 881, A

Kamerstukken II 2014/15, 32 317, nr. 271

Arbeidsvoorwaarden Rijk

Brief van de Minister voor WRD (24-

02-2015) bij de toezending van een

onderzoek naar hoe de arbeidsvoorwaarden

van de sector Rijk zich verhouden

ten opzichte van de arbeidsvoorwaarden

van de markt.

– Het onderzoek, uitgevoerd door

AWVN, is als bijlage bij deze brief te

vinden.

Kamerstukken II 2014/15, 31 490, nr. 167

Aanpak UberPOP taxi’s

Brief van de Staatssecretaris van

IenM (25-02-2015) over de aanpak

van de illegale UberPOP-activiteiten.

– De particuliere chauffeurs die rijden

voor UberPOP worden gezien als

snorders en worden dan ook als

zodanig bestraft met een proces-verbaal

en een last onder dwangsom. De

ILT heeft in de afgelopen zes maanden

in totaal 14 snorderacties uitgevoerd,

waaronder acties tegen Uber-

POP chauffeurs. Daarbij heeft de ILT

aan 10 UberPOP chauffeurs een last

onder dwangsom opgelegd van

€ 10.000 per chauffeur. De chauffeur

moet dit bedrag betalen als hij

opnieuw betrapt wordt op illegaal

taxivervoer. Daarnaast is tegen elk

van deze tien chauffeurs proces-verbaal

opgemaakt. Dit strafrechtelijke

deel van de handhaving gebeurt

onder verantwoordelijkheid van het

OM. Behalve de chauffeurs pakt de

ILT ook het bedrijf Uber aan en heeft

ze Uber een last onder dwangsom

opgelegd van € 10.000 per overtreding

tot een maximum van

€ 100.000. Deze last onder dwangsom

is inmiddels 6 keer verbeurd. De

snorderaanpak en het opleggen van

sancties vraagt voortdurend zorgvuldigheid

van de inspecteurs. De snorderaanpak

moet stand houden

bij de rechter; dat is het geval. Normaal

gesproken is de bewindsvrouw

transparant over de manier van werken

van de ILT en de wijze waarop de

inspectie de handhaving uitvoert.

Maar in een zaak als deze, waarin het

gaat om illegale praktijken, is discretie

over de handhaving instrumenteel

voor het succes ervan. Deze

discretie is noodzakelijk om te voorkomen

dat overtreders teveel kennis

krijgen van gebruikte opsporingsmethoden.

Kamerstukken II 2014/15, 31 521, nr. 86

Ouderbijdrage jeugdzorg

Brief van de Staatssecretaris van

VWS (24-02-2015) over de ouderbijdrage

in het kader van de Jeugdwet.

– De Jeugdwet regelt in welke gevallen

een ouderbijdrage verplicht is.

Daarbij is grotendeels aangesloten

bij de systematiek uit de Wet op de

jeugdzorg. Nieuw is het opnemen

van de hardheidsclausule in de wet.

Overigens houden jeugdigen die tot

1-1-2015 onder de Awbz en de Zvw

hun zorg ontvingen en vanaf 1 januari

2015 in het overgangsrecht onder

de Jeugdwet vallen, onder het overgangsrecht

dezelfde rechten en

plichten. Gedurende het overgangsrecht

zijn deze jeugdigen met hun

huidige indicatie en/of verwijzing tot

uiterlijk 31 december 2015 geen

ouderbijdrage verschuldigd. De groep

die overgaat vanuit de Wet op de

jeugdzorg betaalt nu een ouderbijdrage

en is dat ook onder het

overgangsrecht verschuldigd. In een

aantal gevallen is op grond van de

Jeugdwet geen ouderbijdrage verschuldigd.

Gemeenten hoeven dan

geen informatie door te geven aan

het CAK. Het gaat om de volgende

situaties: • de jeugdige wordt niet

meer door zijn ouders verzorgd en

opgevoed ten tijde van een adoptieproces,

• het gezag van de ouders is

beëindigd, • de jeugdhulp wordt

geboden in een noodsituatie voor

maximaal zes weken (crisis) • als de

rechter een alimentatiebijdrage

oplegt voor degene die alimentatie

betaalt.

Daarnaast kan het CAK de ouderbijdrage

buiten invordering stellen. De

ouder hoeft in dat geval de ouderbijdrage

niet te betalen. Hiervan is

sprake als de bijdrageplichtige:

• algemene bijstand ontvangt, • als

asielzoeker een verstrekking ontvangt,

• als TBS’er zak- en kleedgeld

ontvangt, • gedetineerd is en geen

inkomen heeft, • opgenomen is in

een psychiatrisch ziekenhuis en geen

inkomen heeft. In de Wet op de

jeugdzorg ontbrak de mogelijkheid

van de hardheidsclausule. In de

Jeugdwet is de hardheidsclausule

opgenomen om maatwerk te bieden

en de ouderbijdrage niet te innen

wanneer deze inning zal leiden tot

onbillijkheden. De bewindsman heeft

toegezegd de hardheidsclausule

zodanig uit te werken, dat de ouderbijdrage

geen drempel opwerpt voor

654 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Wetgeving

zorg. Er zal onderzoek worden verricht

naar de (uitvoeringspraktijk

van de) ouderbijdrage om inzicht te

krijgen in: • de gevolgen van de

ouderbijdrage voor het zorggebruik,

• de kosten en baten van de ouderbijdrage,

• de gevolgen van een eventuele

wijziging van de ouderbijdrage.

Het instrument van de hardheidsclausule

zal onderdeel zijn van het

onderzoek.

Kamerstukken II 2014/15, 31 839, nr. 461

Huwelijks- en gezinsmigratie

Verslag van een Algemeen Overleg

(vastgesteld 26-02-2015) over een aantal

onderwerpen betreffende huwelijks-

en gezinsmigratie en de bed,

bad, broodregeling voor illegalen.

– De vaste commissie voor Veiligheid

en Justitie heeft op 14 januari 2015

overleg gevoerd met Staatssecretaris

Teeven van Veiligheid en Justitie

over: • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 25 april 2014 inzake

antwoorden op vragen van de

commissie over huwelijks- en

gezinsmigratie (Kamerstuk 32 175,

nr. 52); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 18 december 2014

inzake reactie op de voorlopige uitspraken

van de Centrale Raad van

Beroep inzake bed, bad, brood

(Kamerstuk 19 637, nr. 1940); • de

brief van de Staatssecretaris van

VenJ d.d. 18 december 2014 met de

reactie op het advies van de

Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

(ACVZ) Na de vlucht herenigd

(Kamerstuk 19 637, nr. 1938);

• de brief van de Staatssecretaris van

VenJ d.d. 29 oktober 2014 inzake

reactie op het rapport Gezinnen

gezien? en reactie op richtsnoeren

van de Europese Commissie inzake

gezinshereniging (Kamerstuk 30 573,

nr. 127); • de brief van de Staatssecretaris

van VenJ d.d. 31 oktober 2014

inzake gevolgen van de uitspraak van

het EHRM in de zaak Jeunesse vs

Nederland (Kamerstuk 32 317, nr.

254). Van dit overleg brengt de commissie

een woordelijk verslag uit.

Kamerstukken II 2014/15, 32 175, nr. 55

Dublinverordening en AMV’s

Verslag van een schriftelijk overleg

(vastgesteld 25-02-2015) over de

amendering van de EU-Dublinverordening.

– De vaste commissie voor Immigratie

& Asiel / JBZ-raad heeft op 27

januari 2015 de geannoteerde agenda

van de informele JBZ-Raad van

29-30 januari 2015 besproken. In de

geannoteerde agenda wordt ingegaan

op de stand van zaken over de

amendering van de EU-Dublinverordening.

De leden van de fractie van

GroenLinks hebben de Staatssecretaris

van VenJ bij brief van 28 januari

2015 gewezen op de notitie van de

Commissie Meijers (CM1501) van 27

januari 2015 en gevraagd op die notitie

te reageren, waarbij de fractie van

de SP zich heeft aangesloten.

Het voorstel tot aanpassing van de

EU-Dublinverordening betreft het

artikel dat regelt welke lidstaat verantwoordelijk

is voor het behandelen

van de eerste en daarop volgende

asielaanvragen van een alleenstaande

minderjarige vreemdeling (amv).

De Commissie Meijers pleit voor een

regel dat de lidstaat waar de amv verblijft,

verantwoordelijk is voor het

behandelen van het aldaar ingediende

asielverzoek, ongeacht of deze

daaraan voorafgaand al een asielprocedure

heeft doorlopen in een andere

lidstaat of niet. De Commissie

Meijers verwijst hierbij naar de algemene

regel die het Hof van Justitie

van de EU in de zaak C-648/11 formuleert.

In het arrest van 6 juni 2013

heeft het Hof verwoord dat het

belang van de amv is dat de vaststelling

van de verantwoordelijke lidstaat

niet langer duurt dan strikt

noodzakelijk, hetgeen impliceert dat

deze in beginsel niet aan een andere

lidstaat wordt overgedragen. Daarnaast

betoogt de Commissie Meijers

dat de lidstaten beter gebruik moeten

maken van de mogelijkheden die

het Unierecht biedt om door een

amv in verschillende lidstaten ingediende

(identieke) asielverzoeken af

te doen door middel van een onderlinge

dossierdeling. Het Kabinet is

van opvatting dat het in het belang

van de amv is dat hem zo snel mogelijk

duidelijkheid wordt gegeven over

zijn toekomstperspectief: hetzij een

asielvergunning indien asielrechtelijke

bescherming geboden dient te

worden, hetzij een spoedige terugkeer

naar het land van herkomst

wanneer bescherming niet aan de

orde is. Vanuit die opvatting kan het

Kabinet, in lijn met de uitspraak van

het Hof, instemmen met een Dublinregel

die bepaalt dat de lidstaat waar

de amv verblijft verantwoordelijk is

voor het behandelen van het daar

ingediende asielverzoek. Het Kabinet

vindt wel dat een uitzondering op

deze hoofdregel mogelijk moet zijn,

indien een andere lidstaat al een

asielverzoek van deze amv inhoudelijk

heeft beoordeeld. Als de amv na

deze inhoudelijke beslissing doorreist

naar een andere lidstaat, moet

hij in beginsel weer kunnen worden

overgedragen naar de lidstaat die al

een inhoudelijke beslissing op zijn

asielverzoek heeft genomen, en hem

daarmee al duidelijkheid heeft verstrekt

over zijn toekomstperspectief.

De staatssecretaris benadrukt dat

deze opvatting niet enkel het standpunt

is van het Kabinet, maar evenzo

van de andere lidstaten. De afwijkende

stelsels van de diverse lidstaten

en de taalkundige barrières maken

dat het vergelijken van in verschillende

lidstaten ingediende asielverzoeken

in veel gevallen tijdrovend

dan wel ondoenlijk is. De enige lidstaat

die zorgvuldig en snel kan vaststellen

of er relevante nieuwe feiten

en omstandigheden zijn ingebracht,

is de lidstaat die ook het eerdere

asielverzoek heeft beoordeeld. Het

argument van de Commissie Meijers

dat de lidstaten op grond van de

EU-Dublinverordening de mogelijkheid

hebben om informatie uit

asieldossiers met elkaar te delen,

neemt de vorenstaande (praktische

en juridische) obstakels niet weg.

Kamerstukken I 2014/15, 34 163, A

Staat van de Europese Unie

2015

Brieven van de Minister van BuZa

(23-02-2015) bij de aanbieding van

de Staat van de Europese Unie 2015.

– Deze ‘Staat’ heeft als titel ‘Een

democratische en concurrerende

Unie die werkt voor alle burgers’ en

is als bijlage bij de brieven te vinden.

Kamerstukken I 2014/15, 34 166, A

Kamerstukken II 2014/15, 34 166, nr. 1

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 655


Nieuws

535

Alcoholslot ter ziele

Iemand die verplicht moet deelnemen

aan het alcoholslotprogramma

kan daarnaast niet ook nog strafrechtelijk

worden vervolgd. Dat

heeft de Hoge Raad op 3 maart 2015

geoordeeld (ECLI:NL:HR: 2015:434).

Op 4 maart 2015 oordeelde de Afdeling

bestuursrechtspraak van de

Raad van State ook nog eens dat het

CBR helemaal geen alcoholslotprogramma

meer mag opleggen

(ECLI:NL:RVS: 2015:622).

Deelname aan het alcoholslotprogramma

(asp) wordt

opgelegd bij een bestuurder

van een auto die bij een controle

een (veel) hoger alcoholgehalte in

zijn adem of bloed heeft dan toegestaan.

Verplichte deelname aan een

asp houdt in:

• Het op eigen kosten - 4000 tot

5000 euro - een alcoholslot in de

auto laten zetten.

• de intrekking van het oude rijbewijs

en verstrekking van een nieuw

gecodeerd rijbewijs waarmee alleen

in een auto met alcoholslot kan

worden gereden.

• Twee jaar meedoen aan het programma.

• Tussentijdse verplichte onderzoeken

van de blaasresultaten zijn op

kosten van de deelnemer.

Bestuurlijke maatregel vs

strafrecht

Het alcoholslotprogramma is een

bestuurlijke maatregel die wordt

opgelegd door het Centraal Bureau

Rijvaardigheidsbewijzen. Een rechter

komt hier niet aan te pas. Maar rijden

onder invloed is ook strafbaar

en daarom kunnen mensen die verplicht

deelnemen aan het alcoholslotprogramma

daarnaast ook strafrechtelijk

worden vervolgd en

gestraft. Daarbij kan ook de rijbevoegdheid

worden beperkt.

De vraag in de zaak waarin de Hoge

Raad oordeelde is of dat eigenlijk

niet betekent dat deze mensen tweemaal

worden bestraft voor hetzelfde

feit. De Hoge Raad vindt dat de

bestuurlijke maatregel van het alcoholslotprogramma

erg lijkt op de

situatie dat een rechter de betrokkene

bestraft. Dat kan dus inderdaad

worden gezien als een dubbele

bestraffing als er daarnaast strafrechtelijk

wordt gestraft. Daarom

kan iemand die al moet deelnemen

aan het alcoholslotprogramma niet

meer ook nog strafrechtelijk worden

vervolgd. Tot dat oordeel was het

hof eerder ook al gekomen.

Wordt iemand nu toch nog strafrechtelijk

vervolgd dan moet het openbaar

ministerie niet-ontvankelijk

worden verklaard in die vervolging.

De Hoge Raad wijst erop dat mensen

die eerder zowel een alcoholslotprogramma

kregen opgelegd als strafrechtelijk

werden vervolgd wegens

hetzelfde rijden onder invloed geen

herziening van de veroordeling kunnen

vragen.

Raad van State

Op 4 maart 2015 oordeelde de Afdeling

bestuursrechtspraak van de

Raad van State bovendien dat het

CBR helemaal geen alcoholslotprogramma

meer mag opleggen. De

Afdeling is van oordeel dat de regeling

waarin het alcoholslotprogramma

is opgenomen onverbindend is,

omdat die in een substantieel aantal

gevallen onevenredig kan uitwerken.

De regeling houdt immers geen

rekening met de uiteenlopende

gevolgen van het programma voor

verschillende personen en situaties.

Onevenredig

De Afdeling bestuursrechtspraak is

van oordeel dat de minister van Infrastructuur

en Milieu bij het opstellen

van de regeling “de mogelijk ingrijpende

gevolgen van de oplegging van

het alcoholslotprogramma, die zich in

de praktijk regelmatig voordoen, niet

afdoende heeft afgewogen”. Het CBR

moet een asp opleggen als aan de

voorwaarden van de regeling wordt

voldaan, zonder dat het daarbij rekening

mag houden met de persoonlijke

omstandigheden van de bestuurder.

De regeling geeft het CBR

evenmin ruimte om een individuele

afweging te maken wanneer het asp

in een concreet geval te ingrijpende

gevolgen heeft. Het verplicht opleggen

van een asp leidt daarom in de

praktijk tot ongelijkheid en willekeur,

omdat het voor de één veel ernstiger

gevolgen heeft dan voor de ander. Om

die reden acht de Afdeling bestuursrechtspraak

de bepaling waarin die

verplichting is opgenomen, onverbindend.

De Afdeling is zich ervan

bewust dat zij de regeling in eerdere

uitspraken wel verbindend heeft

geacht, maar komt in deze uitspraak

tot een ander oordeel. Uit het toenemend

aantal zaken dat in de loop der

tijd aan de Afdeling is voorgelegd,

blijkt dat het “niet slechts gaat om

incidentele gevallen, maar dat de

onevenredigheid van het alcoholslotprogramma

een structureel karakter

heeft”. Maar “een rechterlijke uitspraak

waarin de rechter blijk geeft

van een gewijzigde rechtsopvatting is

geen grond voor herziening”, aldus

ook de Afdeling en ook het CBR is niet

verplicht alle onherroepelijke alcoholslotprogramma’s

opnieuw te bekijken.

Als de minister een nieuwe regeling

voor het asp wil opstellen, zal er een

meer gedifferentieerde regeling moeten

worden ontworpen of de kosten

van een asp moeten substantieel naar

beneden en ook de samenloop met

het strafrecht zal daarbij moeten worden

betrokken, aldus de Afdeling

bestuursrechtspraak.

Mensen die eerder zowel een asp kregen

opgelegd als strafrechtelijk werden vervolgd

kunnen geen herziening vragen

656 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Nieuws

536

Nieuwe Aanwijzing kader voor

strafvordering en OM-afdoeningen

51 nieuwe richtlijnen voor strafvordering

Enige tijd geleden heeft het College

van procureurs-generaal besloten

het stelsel van beleidsregels te vernieuwen.

Op 1 maart 2015 trad een

vijftigtal nieuwe richtlijnen voor

strafvordering in werking. In de bijbehorende

nieuwe Aanwijzing

kader voor strafvordering en OMafdoeningen

worden algemene uitgangspunten

bij de richtlijnen gegeven,

alsmede strafverzwarende

factoren benoemd.

In deze aanwijzing worden de

algemene uitgangspunten

beschreven die het Openbaar

Ministerie hanteert in het gebruik

van de strafvorderingsrichtlijnen met

betrekking tot daders van misdrijven

waarop het meerderjarigenstrafrecht

wordt toegepast. Daarnaast worden

enkele algemene en specifieke strafverzwarende

en strafverminderende

factoren, die in richtlijnen zijn opgenomen,

beschreven en toegelicht. In

de bijlagen bij deze aanwijzing is

aangegeven hoe de richtlijnen zijn

opgebouwd en staan de afrondingsregels

vermeld.

Ons sanctiestelsel is steeds verder

geëvolueerd. Hierdoor zijn er binnen

het strafrecht aanzienlijk meer

mogelijkheden ontstaan om een toegesneden

sanctie op te leggen. Nieuwe

ontwikkelingen en gezichtspunten

hebben geleid tot een nieuw

stelsel van richtlijnen. Van het gedateerde

bos/polaris systeem is

afscheid genomen. Daarvoor zijn korte,

transparante richtlijnen in de

plaats gekomen die enerzijds normerend

zijn en anderzijds de professional

de benodigde ruimte geven om

te komen tot een afdoening, die

gericht is op de bijzondere omstandigheden

van de zaak. De algemene

uitgangspunten die van toepassing

zijn bij het vorderen van straffen en

straftoemeting door het OM zijn in

de aanwijzing opgenomen en zijn

van toepassing op de richtlijnen.

Algemene uitgangspunten

Vanouds wordt veel gewicht toegekend

aan vergelding, generale en

speciale preventie. Tegenwoordig

wordt ook veel belang gehecht aan

herstel van de gevolgen van de

inbreuk op de rechten van de getroffen

burgers (genoegdoening aan het

slachtoffer van een strafbaar feit,

herstel in de oude toestand). Bij de

strafvordering en straftoemeting

hanteert het OM de volgende algemene

uitgangspunten.

Maatwerk binnen gegeven kaders

Het OM streeft naar interventies die

een voelbare normbevestiging alsmede

een zichtbare reactie op criminaliteit

opleveren en maximaal bijdragen

aan herstel van het toegebrachte

leed. De sanctie dient in verhouding

te staan tot de ernst van het feit, de

omstandigheden waaronder het is

gepleegd en de persoon van de verdachte.

Aansluiten bij de concrete

problemen van burgers betekent dat

interventies zichtbaar, merkbaar en

herkenbaar moeten zijn voor slachtoffers,

daders én de buurt waarin het

delict is gepleegd. Doordat het OM in

Van het gedateerde bos/polaris systeem

is afscheid genomen

de ZSM-aanpak op basis van alle relevante

informatie een snelle beslissing

realiseert, neemt het belang van

de hieronder genoemde tweede stap

bij het gebruik van de richtlijnen toe.

Na het doorlopen van de eerste stap

(uitgangspunt van de richtlijn) is er

namelijk ruimte om in te gaan op de

maatschappelijke context van het

specifieke feit en om te komen tot

een op de zaak toegesneden afdoening.

Bij die tweede stap in de beoordeling

zal niet alleen rekening worden

gehouden met factoren die in de

richtlijn, de aanwijzing of andere

beleidsregels zijn beschreven maar

ook met factoren die niet in richtlijnen

zijn opgenomen, zoals bijvoorbeeld

prioriteiten in het veiligheidsbeleid,

gevoeligheid van de zaak,

impact op de omgeving, adviezen

van ketenpartners (zoals reclassering),

persoonlijke omstandigheden

van de verdachte. Ook kan dan een

buitengerechtelijke afdoening in

overweging worden genomen. Het

OM zal bij afdoeningen waar mogelijk

gebruik maken van de strafbeschikking.

Schadevergoeding

Uitgangspunt is dat in alle strafzaken

met slachtoffers/schade de (totale)

schade door de dader(s) dient te

worden vergoed. Bij de beslissing

over de wijze van afdoen van de

strafzaak wordt daarom schadevergoeding

aan het/de slachtoffer(s) als

verplicht element meegenomen en

conservatoir beslag ten behoeve van

schadevergoeding aan het slachtoffer

nadrukkelijk overwogen.

Criminaliteit veroorzaakt tevens een

maatschappelijke schadepost. De

samenleving neemt deze kosten via

verzekeringen of rechtstreeks voor

haar rekening. Indien toegebrachte

schade wordt gedragen door de

samenleving dient de officier van

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 657


Nieuws

justitie te overwegen om naast een

taakstraf of vrijheidsstraf storting

van geld in een waarborgfonds

geweldsmisdrijven of ander fonds

ten gunste van slachtoffers op te leggen

of te vorderen in het kader van

een bijzondere voorwaarde bij een

(deels) voorwaardelijke straf.

Indien er ten tijde van de vervolgingsbeslissing

of het formuleren

van de eis ter terechtzitting door de

verdachte geen schade is vergoed en

er onvoldoende aanwijzingen zijn dat

de verdachte in staat is om de door

hem veroorzaakte schade binnen

afzienbare termijn te vergoeden, kan

afhankelijk van de omvang van de

schade gekozen worden voor een

andere strafmodaliteit (taakstraf en/

of onvoorwaardelijke gevangenisstraf)

en/of een kwantitatieve verhoging

van de strafbeschikking, transactie

of eis ter terechtzitting.

Ontneming

Afpakken van wederrechtelijk genoten

voordeel is uitgangspunt. Het

doel is zichtbaar en voelbaar maken

dat misdaad niet mag lonen.

Herstel van de verstoorde rechtsorde

en voorkomen van recidive

Naast bescherming van het slachtoffer

zijn herstel van de verstoorde

rechtsorde en het terugdringen van

recidive doelstellingen van het OM.

Het voorkomen van recidive dient

bewerkstelligd te worden door het

opleggen van gedragsaanwijzingen

en het vorderen van vrijheidsbeperkende

maatregelen en bijzondere

voorwaarden. Met name bij first

offenders die ernstige en/of recidivegevoelige

delicten plegen kan een

geheel of gedeeltelijk voorwaardelijke

straf, gericht op effectieve gedragsbeïnvloeding

het meest passend zijn.

Daarbij kunnen naast de algemene

voorwaarde dat de veroordeelde geen

nieuwe strafbare feiten zal plegen

ook bijzondere voorwaarden worden

ingezet (art. 14c Wetboek van Strafrecht).

Het instrument van de voorwaardelijke

sanctiemodaliteiten kan

meerdere doelen dienen (stok achter

de deur, herstel van geleden schade

en resocialisatie) en draagt bewezen

bij aan het beperken en voorkomen

van recidive. Verder is een gedragsaanwijzing

ex art. 509hh Wetboek

van strafvordering een passend

instrument om – vooruitlopend op

de strafrechtelijke afdoening door de

rechter – ernstige overlast (verstoringen

van de openbare orde of belastend

gedrag jegens personen of goederen)

te beëindigen en recidive te

voorkomen.

De richtlijnen

Artikel 130, lid 4 van de Wet op de

Rechterlijke Organisatie bepaalt dat

het college van procureurs-generaal

algemene en bijzondere aanwijzingen

kan geven betreffende de uitoefening

van de taken en bevoegdheden

van het OM. Richtlijnen maken

deel uit van deze aanwijzingen en

bevatten dwingende, normatieve

regels inzake de strafvordering. Bij de

totstandkoming van richtlijnen worden

invloeden vanuit de politiek en

vanuit de samenleving betrokken. In

de richtlijnen is per feit zichtbaar

wat als landelijk uniform uitgangspunt

bij de beoordeling van strafzaken

wordt gehanteerd. Omdat een

straf proportioneel moet zijn, dient

altijd een beoordeling van het individuele

geval plaats te vinden. Het toepassen

van alle strafvorderingsrichtlijnen

in een strafzaak gebeurt

daarom in twee stappen:

1. Uitgangspunt. Bij de eerste stap

wordt aan de hand van de richtlijnen

bepaald welke sanctie als landelijk

uitgangspunt geldt voor soortgelijke

feiten.

2. Maatwerk. Bij de tweede stap van

de beoordeling wordt bepaald of het

gevonden uitgangspunt passend is

in de specifieke strafzaak die ter

beoordeling voorligt. De richtlijnen

benoemen naast het uitgangspunt

enkele veelvoorkomende strafverzwarende

factoren. Daarnaast zijn er

strafverminderende omstandigheden,

waarmee rekening gehouden

kan worden.

In de bijlagen bij de Aanwijzing is

opgenomen hoe de richtlijnen zijn

opgebouwd, welke verhoudingen er

worden aangehouden tussen de verschillende

sanctiemodaliteiten, hoe

omzetting naar andere sanctiemodaliteiten

plaatsvindt en welke afrondingsregels

er in de richtlijnen worden

toegepast.

Bij recidive, poging, voorbereiding,

medeplichtigheid en de vanuit de

politiek aangegeven prioriteiten worden

verhogings- of verlagingspercentages

genoemd in deze aanwijzing

en/of in de richtlijnen. Deze percentages

dienen te worden toegepast op

de sanctie in de richtlijntabel om het

uitganspunt te bepalen (de hierboven

beschreven stap 1). Recidive is in

de meeste gevallen al in de richtlijntabellen

opgenomen. Cumulatie van

meerdere toepasselijke verhogingspercentages

kan in sommige gevallen

leiden tot onredelijk hoge straffen.

Indien zich dat voordoet dient

bij de uiteindelijke straftoemeting

(stap 2 hierboven) dit tot uiting te

worden gebracht.

Strafverzwarende factoren

Medeplegen: Bij delicten waarbij de

openbare veiligheid of het veiligheidsgevoel

van de burgers wordt

aangetast en bij delicten met slachtoffers

zal het medeplegen respectievelijk

het veiligheidsrisico, de overlast

en de impact van het strafbare

feit op het slachtoffer in de regel vergroten

en daarom als strafverzwarende

omstandigheid in de richtlijn worden

vermeld.

Recidive: Bij het bepalen van de strafeis

of de op te leggen sanctie wordt

ingeval van recidive aangesloten bij

het uitgangspunt van de recidivebepaling

in artikel 43a Sr, dat de grondslag

voor strafverhoging geeft wanneer

ten tijde van het plegen van het

nieuwe feit minder dan 5 jaar zijn

verlopen na een eerdere veroordeling

wegens een soortgelijk misdrijf (43b

Sr). De strafverhoging kan oplopen

tot minimaal 100%.

Specifieke strafverzwarende factoren

Deze factoren vloeien voort uit

afspraken met de Minister van Veiligheid

en Justitie en/of handhavingspartners.

Bij geweld tegen

Ambtenaren en andere gezagsfunctionarissen

is het uitgangspunt dat de

sanctie in de richtlijn met 200%

wordt verhoogd. Spelen discriminatoire

aspecten bij een ingrijpend feit

dan is het uitgangspunt uitgangspunt

een strafverzwaring van 100%

ten opzichte van het uitgangspunt in

de richtlijn. Ook verstoring van de

openbare orde en ernstige overlast

geven zijn strafverzwarende factoren

die specifiek worden benoemd. Letsel

bij het slachtoffer en wapengebruik

werken ook strafverzwarend. Heeft

het slachtoffer ‘burgermoed’ getoond

dan is dat ook extra strafverzwarend.

658 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Nieuws

Strafverminderende factoren

Deze worden niet specifiek benoemd

maar kunnen worden meegewogen

in stap 2 (maatwerk) van de beoordeling

door het OM.

De Aanwijzing kader voor strafvordering

en OM-afdoeningen (2015A001)

is te vinden op www.om.nl en is ook

gepubliceerd in de Staatscourant:

Stcr. 2015, 4952.

De nieuwe richtlijnen zijn gepubliceerd

in de Staatscourant, zoek op

overheid.nl, Staatscourant, gehele

tekst: 2015A001.

537

Gerechtelijke statistieken 2014

Hof van Justitie EU

De productiviteit van het Europese

Hof van Justitie is de afgelopen vijf

jaar met 36,9 % gestegen. In 2014

werden 719 zaken afgedaan. Het

voorbije jaar is het meest productieve

in de geschiedenis van het Hof.

Bij het Hof zijn 622 nieuwe

zaken aanhangig gemaakt,

een daling van 11%. Deze

betrekkelijke verlaging betreft voornamelijk

de hogere voorzieningen en

prejudiciële verwijzingen. Wat die

laatste betreft, waren dat er 428 in

2014.

Wat de duur van de procedures

betreft, zijn de statistische gegevens

ook positief. Bij de prejudiciële verwijzingen

was die duur gemiddeld 15

maanden, zo snel ging het niet eerder.

Bij de rechtstreekse beroepen en

de hogere voorzieningen was de

gemiddelde behandelingsduur respectievelijk

20 maanden en 14,5

maanden, in beide gevallen een verlaging

ten opzichte van 2013.

Naast de hervormingen van zijn

werkmethoden in de afgelopen jaren,

is de verbetering van de efficiency

van het Hof bij de behandeling van

de zaken ook te danken aan het feit

dat meer gebruik wordt gemaakt van

de diverse procedurele instrumenten

waarover het beschikt om de behandeling

van bepaalde zaken te versnellen

(prejudiciële spoedprocedure,

berechting bij voorrang, versnelde

procedure, vereenvoudigde procedure

en de mogelijkheid om

zonder

conclusie van de advocaat-generaal

uitspraak te doen).

De prejudiciële spoedprocedure

is in 4 zaken toegestaan. Deze

zaken zijn afgedaan binnen een

gemiddelde duur van 2,2 maanden,

zoals in 2013.

Gerecht van de EU

De grote stijging van het werkvolume

van het Gerecht blijkt

uit het aantal bepleitte zaken in

2014 (waarvan een belangrijk

deel zal worden afgedaan in

2015), te weten 390, dit wil zeggen

een stijging van meer dan

40% ten opzichte van 2013.

Ook het aantal aanhangig

gemaakte zaken is sterk gestegen

(met name door het grote

aantal verknochte zaken op het

gebied van staatssteun en

beperkende maatregelen), tot

een nog nooit vertoond aantal

(912 zaken). Het aantal bij het

Gerecht aanhangige zaken

(1423 zaken) is dan ook met bijna

honderd zaken toegenomen ten

opzichte van 2013. De verhouding tussen

het aantal aanhangige zaken en

het aantal afgedane zaken (een ratio

die een aanwijzing vormt voor de theoretisch

te verwachten procesduur) is

echter de laagste sinds bijna tien jaar.

Hof van Justitie EU

Gerecht EU

De gemiddelde procesduur van de in

2014 afgedane zaken is een afspiegeling

van deze positieve tendens. Die

procesduur is verminderd met 3,5

maand (van 26,9 maand in 2013

naar 23,4 maand in 2014), toch een

ombuiging van meer dan 10%.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 659


538

Universitair Nieuws

Wilt u dat uw (juridische) proefschrift

of dat van iemand die u kent

aangekondigd wordt in deze rubriek

dan kunt u het proefschrift en een

samenvatting sturen naar het redactiebureau;

zie colofon.

Oraties

Opschaling van gemeenten

noodzakelijk

Prof. mr. R. (Remco) Nehmelman,

hoogleraar ‘Publiek Organisatierecht,

in het bijzonder waterbeheer’ aan de

Universiteit Utrecht, zal op 20 maart

2015 zijn ambt aanvaarden met het

uitspreken van de oratie: ‘De Staat

achter de dijken’.

Sinds 1 januari van dit jaar hebben

gemeenten er enorme bestuurlijke

taken bijgekregen op het gebied

van jeugdzorg, werk en inkomen en

zorg aan langdurig zieken en ouderen.

Deze operatie is ongekend en is

de grootste decentralisatieoperatie

die in Nederland ooit is doorgevoerd.

Met deze opschaling van taken is

echter de bestuurlijke omvang van

gemeenten niet groter geworden. De

teller blijft momenteel staan op 393

gemeenten. Dit heeft als gevolg dat

veel gemeenten te klein zijn om de

nieuwe zorgtaken zelfstandig goed

uit te voeren. Gemeenten gaan dan

ook steeds vaker met elkaar samenwerken.

Dit heeft als gevolg dat veel

gemeenteraadsleden geen controle

meer kunnen uitoefenen op deze

‘weggegeven’ bovengemeentelijke

taken. Volgens Nehmelman is dit

vanuit staatsrechtelijk oogpunt een

onaanvaardbare ontwikkeling. Daarbij

komt ook nog eens dat veel

gemeenteraadsleden zowel qua tijd

en kennis niet goed in staat zijn om

de complexe en omvangrijke

gemeentelijke taken te controleren.

Het college van B&W krijgt daardoor

te veel macht die niet kan rekenen

op voldoende tegenmacht. Om deze

situatie te veranderen is volgens

Nehmelman een omvangrijke

opschaling van gemeenten noodzakelijk.

Alleen opschalen is echter niet

genoeg. Naast het reduceren van het

aantal gemeenten, waardoor de

gemeentelijke groei in omvang kan

worden gerealiseerd, zijn volgens

hem ook zeven fundamentele staatsrechtelijke

wijzigingen nodig die

resulteren dat gemeenten daadwerkelijk

‘volwassen’ worden.

Naast de positie van de gemeenten,

wordt ook kort ingegaan op de positie

van de provincies en waterschappen.

Plaats: Aula van het Academiegebouw, Domplein 29 te

Utrecht

Dr. A.F.M. (Alex) Brenninkmeijer,

benoemd tot hoogleraar ‘Institutionele

aspecten van de rechtsstaat’ aan

de Universiteit Utrecht, zal op maandag

20 april 2015 om 16.15 uur zijn

ambt aanvaarden met het houden

van een oratie, getiteld: ‘Stresstest

rechtsstaat Nederland’.

Plaats: Aula van het Academiegebouw, Domplein 29 te

Utrecht

Aanmelding: RSVP vóór 10 april 2015: m.walraven@uu.nl

Promoties

Re-integratie van de zieke

werknemer

Mark Diebels heeft in

zijn promotieonderzoek

bekeken of met

het Nederlandse reintegratierecht

wordt

voldaan aan Europese

beleidsdoelstellingen.

Is het re-integratierecht

in lijn met EU-doelstellingen?

‘Europa’ heeft invloed op de rechten

en plichten bij re-integratie. EU-lidstaten

zijn verplicht in hun werkgelegenheidsbeleid

rekening te houden

met gezamenlijke Europese doelstellingen,

die zijn samen te vatten met

het woord ‘flexicurity’, dat gelijk is

aan het streven naar sociale rechtvaardigheid.

Het Nederlandse re-integratierecht

kan - anders gezegd - pas

aan flexicuritydoelen voldoen als het

sociaal rechtvaardig is. Dat begrip

wordt rechtsfilosofisch besproken en

concreter gemaakt door de leidende

waarden en beginselen van het

Nederlandse sociaal recht te benoemen.

Dat zijn: gelijke behandeling,

bestaanszekerheid, subsidiaire verantwoordelijkheid,

bescherming

(waaronder ongelijkheidscompensatie),

solidariteit en insluiting. Het huidige

re-integratierecht is vervolgens

daarop beoordeeld. Is bij de regels

rond loondoorbetaling bij ziekte, de

controlevoorschriften, de verzuimvoorschriften

en de re-integratievoorschriften

rekenschap gegeven van die

waarden en beginselen? Diebels concludeert

van wel: bij elk van die

onderwerpen wordt steeds ten minste

één waarde of beginsel gediend.

Flexicurity wordt vervolgens alleen

gediend als het re-integratierecht

concreet aan zieke werknemers een

betrouwbare en flexibele contractspositie

biedt, hun optimale inzet

bevordert of als een balans bestaat

tussen de rechten en plichten van

alle betrokkenen. Op het gebied van

de loondoorbetalingsplicht en op het

gebied van de verzuimvoorschriften

schiet de Nederlandse regeling tekort

doordat geen van deze resultaten

wordt bevorderd.

Hoe kan het beter? Met 26 aanbevelingen

om het re-integratierecht

anders vorm te geven is aandacht

geschonken aan herstel van de

balans in rechten en plichten. Op dat

onderdeel is in het gehele re-integratierecht

vooruitgang te boeken. De

aanbevelingen zijn deels geïnspireerd

door een vergelijking met

Duitsland. Daar is de loondoorbetalingsplicht

zes weken, waarna de zieke

werknemer in de Duitse ZW

stroomt. Toch zijn de cijfers in Duitsland

beter: het ziekteverzuimpercentage

is lager en de kosten van de

Duitse WIA zijn lager.

De belangrijkste aanbevelingen zijn:

• Voer de discussie of loondoorbetaling

bij arbeidsongeschiktheid

gewenst is bij alle ziekteoorzaken, of

die te beperken tot werkgerelateerde

arbeidsongeschiktheidsrisico’s.

• Bekort de loondoorbetalingsperiode

bij ziekte, tot één jaar voor grote organisaties

(om een prikkel te houden

om aan re-integratie te werken) en tot

13 weken voor MKB-bedrijven (om

het risico dat gezondheid een selectiecriterium

wordt zo klein mogelijk te

houden). Naar Duits voorbeeld kan

ook voor iedere organisatie één jaar

worden aangehouden, met een collectief

gefinancierde compensatieregeling

voor MKB, zodat een deel van het

doorbetaalde salaris van het UWV kan

worden teruggevorderd.

• Vergroot de verantwoordelijkheid

van de werknemer (net als al geldt

in de WIA), door een plicht op te

nemen om arbeidsongeschiktheid te

voorkomen en zich adequaat te

laten behandelen.

• Schaf de re-integratieplicht buiten

660 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Universitair Nieuws

de eigen werkgever (tweede spoor) af

en vervang de loonsanctie, waarbij de

werkgever tot een jaar langer loon

moet doorbetalen, door een eenvoudiger

alternatief, zoals wellicht een

verhaalssanctie.

Met het opvolgen van de aanbevelingen

ontstaat een systeem dat meer in

balans is en dus aansluit bij wat de

EU van Nederland vraagt, maar wat

nog steeds sociaal rechtvaardig is.

Diebels is op 18 december 2014

gepromoveerd aan Tilburg University.

Zijn promotor was prof. dr.

A.C.J.M. Wilthagen.

Mark Diebels

Re-integratie van de zieke

werknemer; Nederland, Duitsland

en flexicurity

Monografieën Sociaal Recht, deel 66

Kluwer 2014, 696 p., € 52

ISBN 978 90 1312 779 9

Corruption in Post-Socialist

Countries

Corruption is, in the

last two decades, considered

as one of the

biggest problems within

the international

community, which

harms not only a particular

state or society

but the whole world. International

initiatives taken by the UN, the OECD

and the Council of Europe, provided

various measures and tools in order

to support and guide countries in

their combat against corruption. These

anti-corruption policies created a

repression –prevention - transparency

model for corruption combat.

Recent researches on the effects of

this model show non impressive

results.

Among the countries which experience

problems of corruption, even

though they follow the dominant

anti-corruption trends, are transitional,

post-socialist countries. To this

group belong the countries which

are emerging from centrally planned

to an open market economy. As is

argued in this research of Ana

Jakovljević, any sound anti-corruption

policy implemented in post-socialist

countries should take into

account their idiosyncrasies which

are the results of the previous regime.

A closer look to socialism provides

an interesting description in

terms of its institutional setting,

mentality of the individuals and

their interrelation. Although in theory

designed as a system which

should increase wealth and cooperation

among the people, socialism

failed to fulfil its promise. In order to

cover the failure, the system instead

of making people free, imprisoned

them figuratively and in large number

of cases literally. As a result of

the repression and distorted incentives,

homo sovieticus was born. Imagined

as a super hero, he ended up as

a sceptical, amoral creature who sees

nothing wrong in stealing from the

state. There is an indication that

homo sovieticus changed to a certain

extent but when all arguments are

put together it is highly likely that

he still lives in civil service.

If this idiosyncrasy is taken into

account, the suggestion in this thesis

is that in the cases of corruption

combat in public administration in

post-socialist countries, instead of

dominant anti-corruption scheme

repression-prevention-transparency,

corruption combat should be improved

through the implementation of a

new one, structure-conduct-performance.

This scheme in its first element,

the structure, includes the

type of public administration which

should be implemented because it

curbs corruption the best way. Analysis

provided a view which puts the

Neo Weberian State as the first best

and Weberian administration as the

second best solution. The second element,

the conduct, should be treated

according to the Responsive Regulation-theory.

This theory says that the

regulators are more able to speak

softly when they carry big sticks.

More precisely, the more sanctions

can be kept in the background, the

more regulation can be transacted

through moral suasion, and the more

effective the regulation will be. Based

on this an anti-corruption pyramid

might provide the optimal results.

This pyramid aims to coordinate

human’s preferences, propensity to

corruption based in cultural specificities

and transparency and accountability,

and to put constraints on

unwanted behavior by imposing

administrative and criminal sanctions.

Regarding relevant cultural

aspects pyramid addresses: universalism

and particularism, individualism

and collectivism, and power distance.

The imposition of sanctions is

further regulated by disciplinary

anti-corruption pyramid and criminal

anti-corruption pyramid whose

implementation is based on the type

of the corrupt act in question: if it is

‘legal’ then the former pyramid

should be applied and if it is ‘illegal’

the latter one. Finally, if the first two

elements are implemented the anticorruption

performance should be

improved. This new ‘pyramid approach’,

suggested to post-socialist countries,

asks public administration

itself to engage in corruption combat,

leaving criminal justice system

as the ultimate weapon, used only

for the very harmful misdeeds. With

this selfcontrol mechanism, administration

should be able to build internal

coherence and strength.

There is no doubt that corruption

harms societies in many ways and

that policy makers should promote

zero tolerance to corruption. However,

in the case of transitional countries

instead of the first best, for a

while the second best solution

should be applied which is suggested

by the anti-corruption pyramid(s).

Going one step back does not necessarily

mean failure but rather

taking a run at faster improvement.

Jakovljević is a PhD student in the

Erasmus Mundus European Doctorate

in Law and Economics programme.

She will defend her thesis at 19

March 2015. Her supervisors are prof.

dr. K. Heine and prof. dr. T. Eger.

Ana Jakovljević

Fighting Corruption with Pyramids:

A Law and Economics Approach

to Combating Corruption in Post-

Socialist Countries?

(Een handelseditie wordt verwacht in 2015)

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 661


539

Personalia

Hoogleraar

Met ingang van 2

maart 2015 is mr.

dr. Laura Parret

benoemd tot bijzonder

hoogleraar

‘Staatssteun in de

Europese rechtsorde’ aan de Universiteit

Utrecht. Met deze leerstoel op

het gebied van staatssteun heeft de

universiteit een primeur in Nederland.

Parret is partner bij advocatenkantoor

Houthoff Buruma en al ruim

twintig jaar actief op het terrein van

het Europees en mededingingsrecht

in ruime zin. In die periode heeft ze

deze rechtsdomeinen vanuit verschillende

perspectieven kunnen beoefenen:

in de praktijk als advocaat en

als rechter, en in academische context

als docent en onderzoeker. Parret

is gepromoveerd aan de Universiteit

Tilburg en heeft een succesvolle

academische carrière als onderzoeker

en docent op het gebied van Europees

en mededingingsrecht. Er staanveel

publicaties op haar naam, met

name op het gebied van rechtsbescherming,

mededinging en bredere

thema’s op het vlak van Europese

wetgeving. Staatssteun is de afgelopen

jaren in de praktijk en academische

interesse van Parret steeds

belangrijker geworden. De leerstoel

‘Staatssteun in de Europese rechtsorde’

is een belangrijke aanvulling in

het onderzoeksterrein van Rechtsgeleerdheid

aan de Universiteit Utrecht

en sluit aan bij de Europeesrechtelijke

benadering van sociaal-economische

vraagstukken zoals die onder

andere worden bestudeerd binnen

het Europa Instituut en Utrecht Centre

for Regulation and Enforcement

in Europe, RENFORCE.

Tilburg University

heeft Morag Goodwin

met ingang van

1 maart 2015

benoemd tot hoogleraar

Global Law

and Development bij het departement

European and International

Law van Tilburg Law School. Goodwin

is gespecialiseerd in het (internationale)

recht in een geglobaliseerde

wereld, met name bij ontwikkelingsvraagstukken.

In het kader van de

leerstoel Global Law and Development

zal Goodwin zich verdiepen in

de relatie tussen recht en ontwikkeling

vanuit een mondiaal perspectief,

met andere woorden in de impact

van globalisering op de rol van het

recht binnen ontwikkelingsvraagstukken.

Ze wil bijdragen aan een

beter begrip van hoe het recht kwesties

beinvloedt zoals participatie, uitsluiting

en marginalisering, bijvoorbeeld

bij gemeenschappen van de

Roma. Ze is programma-directeur van

EDOLAD (European Joint Doctorate in

Law and Development) – een samenwerkingsverband

tussen zes universiteiten

gefinancieerd door de Europese

Unie (www.edolad.eu). Ook leidt ze

een door NWO gefinancieerd project

voor de ontwikkeling van een onderzoeksmethodologie

om de sociale uitsluiting

in kaart te brengen van de

Batwa-minderheid in Rwanda.

Advocatuur

Allen & Overy maakte

bekend dat

Ferdinand

Grapperhaus met

ingang van 1 maart

Arnold Croiset van

Uchelen opvolgt als bestuursvoorzitter

van kantoor Amsterdam. Grapperhaus

heeft ruim dertig jaar ervaring

als advocaat en werkt sinds 1998 als

advocaat en partner bij Allen & Overy

in Amsterdam. Daarnaast is hij sinds

2006 kroonlid van de Sociaal-Economische

Raad (SER) en sinds 2005

hoogleraar Europees arbeidsrecht aan

de Universiteit van Maastricht.

Het splinternieuwe Amsterdamse

advocatenkantoor Visser Schaap &

Kreijger is gespecialiseerd in intellectuele

eigendom, media en mededinging.

De partners van het nieuwe kantoor,

Dirk Visser, Jacqueline Schaap en Paul

Kreijger, hebben jarenlange ervaring

als advocaat. Zij hebben eerder gewerkt

bij grote kantoren en een vooraanstaand

Nederlands niche kantoor. De

cliënten van het kantoor zijn onder

andere producenten, omroepen, uitgevers,

ontwerpers, retailbedrijven, merkhouders,

adverteerders en non-profit

organisaties in binnen- en buitenland.

Visser is gespecialiseerd

in auteursrecht,

databankenrecht,

merken- en modellenrecht,

portretrecht en

de naburige rechten.

Voor het plaatsen van berichten

in deze rubriek kunt u uw tips

en informatie sturen naar

njb@kluwer.nl.

Schaap is gespecialiseerd

in het mediarecht,

auteursrecht,

portretrecht, merkenen

modellenrecht,

reclamerecht en het

recht met betrekking tot oneerlijke

handelspraktijken en kansspelen.

Kreijger is gespecialiseerd

in Europees

recht, mededingingsrecht,

oneerlijke handelspraktijken,

bestuursrecht, telecommunicatierecht,

mediarecht,

auteursrecht, privacyrecht, reclamerecht,

franchise en distributie.

De advocaten van het kantoor, Naomi

Ketelaar en Patty de Leeuwe, adviseren,

bemiddelen en procederen op

alle niveaus, van kort geding tot het

Hof van Justitie van de Europese

Unie. Zij houden zich uitsluitend

bezig met de gebieden waarin zij

gespecialiseerd zijn. Ook adviseren

zij andere advocaten en geven

second opinions en legal opinions.

Ketelaar is gespecialiseerd

in het merkenrecht,

reclamerecht,

mediarecht, auteursrecht,

privacyrecht en

e-commerce.

De Leeuwe is gespecialiseerd

in auteursrecht,

merken- en

modellenrecht, portretrecht

en de naburige

rechten.

Inge de Laat sluit zich

per 1 maart 2015 als

partner aan bij het

advocatenkantoor

Rutgers & Posch,

onafhankelijk advocatenkantoor

opgericht in februari

2013 in Amsterdam door partners

van toonaangevende, internationale

kantoren. Tot deze datum was Inge

de Laat partner arbeidsrecht bij Kennedy

Van der Laan. De Laat zet haar

arbeidsrechtpraktijk verder voort. Zij

houdt zich bezig met alle aspecten

662 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Personalia

van het arbeidsrecht, waaronder collectieve

en individuele ontslagzaken

en outsourcing. Daarnaast is zij

gespecialiseerd op het gebied van

privacy, gezondheidsrecht en medezeggenschapsrecht.

Inge’s cliënten

zijn nationale en internationale

bedrijven en zorginstellingen.

Per 1 maart is de

sectie Ondernemingsrecht

van

Ploum Lodder Princen

versterkt met

Albert Wiggers. Wiggers

stapt over van Simmons & Simmons

LLP en treedt bij Ploum Lodder

Princen aan als partner. Hij is gespecialiseerd

in het ondernemingsrecht

en contractenrecht, en heeft een brede

ervaring in fusies & overnames,

joint ventures en private equity/venture

capital transacties. Wiggers adviseert

diverse nationale en internationale

cliënten, die actief zijn op

verschillende markten, en heeft specialistische

kennis op het gebied van

transacties in de sectoren energie,

afval en transport & logistiek.

Bart le Blanc treedt

toe als partner van

het fiscale team van

Norton Rose Fulbright

in Amsterdam.

Hij is reeds ruim 17

jaar werkzaam als fiscalist in een

internationale praktijk en heeft ruime

ervaring met fiscale advisering

bij grensoverschrijdende fusies en

overnames, herstructureringen en

financieringen. Hij focust op de energiesector

en adviseert zowel Amerikaanse

als Europese cliënten met

belangen in Latijns-Amerika.

Per 1 maart 2015 is

Jan Dingemans toegetreden

als partner bij

Holla Advocaten, waar

hij werkzaam zal zijn

in de vastgoed- en

ondernemingsrechtpraktijk. Dingemans

komt van het Utrechtse kantoor

De Advocaten van Van Riet, waar hij

de afgelopen twintig jaar een van de

drijvende krachten was. Als curator

was hij onder meer betrokken bij Arena

Recycling, Vastgoedconcern Domus

en Selexyz Boekhandels.

Naboth van den Broek

heeft zich als partner

aangesloten bij het

Amerikaanse advocatenkantoor

WilmerHale,

waar hij verbonden

is aan de vestigingen in Brussel en

Washington DC. Hij is gespecialiseerd

in kwesties omtrent internationale

handel en investeringen en heeft in

het verleden onder meer opgetreden

voor Boeing, General Electric en Philips.

Van den Broek focust op complexe

internationale economische

geschillen en arbitrages.

Agenda

540

23 04 2015

Congres Faillissement en

fraude

Het Centrum voor Financieel Recht

van de FdR, Universiteit van Amsterdam

organiseert in samenwerking

met het Eggens Instituut (UvA) dit

congres. Diverse sprekers uit het

straf-, privaat- en bestuursrecht

belichten de bestrijding van fraude

vanuit hun rechtsgebied, waarbij een

van de centrale vragen is: wanneer is

de inzet van welk rechtsgebied en

welk middel het meest opportuun?

Sprekers zijn: prof. dr. Edgar du Perron

(UvA), prof. dr. Rijnhard Haentjens

(UvA), prof. mr. Tineke Hilverda

(Radboud Universiteit Nijmegen),

prof. dr. Adrienne de Moor-van Vugt

(UvA), mr. Frits Kemp (advocaat en

lid initiatiefgroep 1 Overheid) en mr.

Christiaan Zijderveld (advocaat) Dagvoorzitter:

dr. Rolef de Weijs (UvA).

Tijd: donderdag 23 april van 13.00 tot 17.00 uur

Plaats: Universiteitsbibliotheek UvA (Doelenzaal), Singel

425 te Amsterdam

Aanmelding: via: www.eggens.uva.nl

Inlichtingen: via: dr. Rolef de Weijs, e-mail: r.j.deweijs@

uva.nl. Deelname kost € 75. Voor UvA-studenten die het

vak Insolventierecht volgen en medewerkers van de UvA

zijn max. 10 gratis plaatsen beschikbaar. Indien u hiervoor

in aanmerking wilt komen, kunt u contact opnemen met

het secretariaat van het Eggens Instituut: pao-fdr@uva.nl,

tel: 020 5253407.

23 04 2015

Reclamerechtlunch

Dé jaarlijkse bijeenkomst over het

reclamerecht. Jan Kabel en Ebba

Hoogenraad bespreken belangrijke

en actuele jurisprudentie.

Kabel spreekt over Europese ontwikkelingen

op het gebied van reclame en

oneerlijke handelspraktijken. Het gaat

deze keer niet alleen om de inhoud

(B2B en B2C misleidende en vergelijkende

reclame), maar ook om de presentatie

van reclame (onderbreking,

omvang, virtuele en split screen reclame,

sponsoring, product placement,

e.d.) en om reclame voor specifieke

producten, doelgroepen en diensten.

Hoogenraad spreekt over de ontwikkelingen

in het Nederlandse reclamerecht

bij de rechter en de Stichting

Reclame Code. Wie is als adverteerder

verantwoordelijk is voor de inhoud

van reclame? Is een voorlichtingsspotje

van VWS reclame of informatie?

Wanneer moeten (vergelijkende)

claims worden gestaafd met gedegen

onderzoek en wat geldt als uitnodiging

tot aankoop?

Tijd: donderdag 23 april van 12.00 tot 15.15 uur

Plaats: De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10 te

Amsterdam

Aanmelding: via: http://delex.nl/reclamerechtlunch2015

Inlichtingen: via: service@delex.nl of tel: 020-345 22 12.

Er zijn 3 PO-punten toegekend door de Orde van Advocaten.

Deelname kost € 350, sponsoren Reclameboek,

IE-Forum of lid VvRr betalen € 295 en rechterlijke macht/

wetenschappelijk personeel (full time) betalen € 100.

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10 663


Agenda kort

12 01 en 27 04 2015

Studiemiddagen Europees burgerlijk

procesrecht

NJB 2014/2205, afl. 42, p. 3044

16 01 t/m 19 06 2015

Fraude, Compliance &

Onderneming bijeenkomsten

NJB 2014/2205, afl. 42, p. 3044

02 02 t/m 18 06 2015

Duurzaamheidsdenken in het Recht

NJB 2015/144, afl. 2, p. 165

13 03 2015

TvOB Symposium

NJB 2015/203, afl. 3, p. 238

13 03 2015

M/V en verder

NJB 2015/347, afl. 6, p. 415

17 03 2015

De betekenis van het EU Handvest

voor commerciële communicatie

NJB 2015/452, afl. 8, p. 547

18 03 2015

Het wordende denken

NJB 2015/402, afl. 7, p.485

19 03 2015

Informatie-uitwisseling

tussen concurrenten

NJB 2015/347, afl. 6, p. 415

19 03 2015

Staatssteun tussen markt en

samenleving

NJB 2015/496, afl. 9, p. 608

20 03 2015

ACIS-symposium

NJB 2015/144, afl. 2, p. 166

20 03 2015

Zee- en vervoerrecht

NJB 2015/245, afl. 4, p. 288

20 t/m 28 03 2015

Movies That Matter

NJB 2015/245, afl. 4, p. 289

26 03 2015

Juridische aspecten bij zaken doen in

Azië (deel 1)

NJB 2015/347, afl. 6, p. 415

26 t/m 29 03 2015

EYBA Spring Conference

NJB 2015/452, afl. 8. p. 547

27 03 2015

Arbeidsmigranten uitgebuit

NJB 2015/402, afl. 7, p. 485

27 03 2015

Zijn er meerdere wegen naar Rome?

NJB 2015/294, afl. 5, p. 352

27 03 2015

Gelijkheid in het EU-recht

NJB 2015/496, afl. 9, p. 609

31 03 2015

Corporate mediation and the new

ICC Mediation Rules

NJB 2015/452,, afl. 8. p. 547

10 04 2015

Nieuwe tijden, nieuw privaatrecht

NJB 2015/452, afl. 8. p. 547

16 04 2015

UCERF-Symposium

NJB 2015/452, afl. 8. p. 548

17 04 2015

Wilsbekwaamheid bij kinderen

NJB 2015/402, afl. 7, p. 485

20 04 2015

Nieuw auteurscontractenrecht

NJB 2015/496, afl. 9, p. 609

23 04 2015

Piraterij(bestrijding)

NJB 2015/402 afl. 7, p. 485

23 04 2015

Congres Faillissement en fraude

NJB 2015/540, afl. 10, p. 663

23 04 2015

Reclamerechtlunch

NJB 2015/540, afl. 10, p. 663

24 04 2015

Jaarvergadering Vereniging voor

Gezondheidsrecht 2015

NJB 2015/347, afl. 6, p. 416

24 04 2015

Legal aspects of corporate social

engagement

NJB 2015/452, afl. 8. p. 548

18 t/m 22 05 2015

Jaarvergadering Henri Capitant

NJB 2015/402, afl. 7, p. 485

20 05 2015

Zorg geven en vrijheid nemen

NJB 2015/452, afl. 8. p. 548

11 06 2015

Fourth European Conference on

Symptom Validity Assessment (SVA)

NJB 2015/203, afl. 3, p. 238

06 07 t/m 04 09 2015

Haagse Academie voor

Internationaal Recht 2015

NJB 2015/244, afl. 4, p. 289

01 10 2015

The ‘Utrecht School’: Past, Present

and Future

NJB 2015/88, afl. 1, p. 91

20 03 2015

Afschaffing POK-toets in het

asielrecht

NJB 2015/452, afl. 8, p. 547

Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op www.njb.nl.

664 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 13-03-2015 – AFL. 10


Thronus

Iustitiae

Inspirerende prenten met bespiegelende teksten

De reeks zeventiende-eeuwse prenten met de titel Thronus Iustitiae laat

dertien voorstellingen zien die alle betrekking hebben op de rechtspraak.

De prenten zijn bedoeld als voorbeelden voor rechters en bleken na

vierhonderd jaar nog steeds ruim voldoende inspiratie te leveren voor een

aantal rechters en oud-rechters van de Rechtbank Arnhem en wetenschappers

van de Radboud Universiteit te Nijmegen. De auteurs kregen de ruimte om

hun gedachten over het rechterschap op te schrijven naar aanleiding van

de zelf gekozen afbeelding en het lezen van de bijbehorende versregels. Het

resultaat is een aantrekkelijk boekje dat ruimte geeft voor bespiegeling over

het rechtssysteem en de rol van de rechter hierin.

In deze tweede druk zijn een aantal teksten herzien en schreven

wetenschappers van de juridische faculteit Nijmegen een tweede essay bij

elke prent.

Onder redactie van:

J.D.A. den Tonkelaar

E.S.F. den Tonkelaar

Druk: 2

ISBN: 9789013123708

Datum verschijning: 31 oktober 2014

Aantal pagina’s: 116

Prijs:

€ 35,- (incl. btw)

www.kluwer.nl/shop

in onze shop bestelt u zonder verzendkosten


Verzekerd

van verdieping

Drie Internationaal privaatrecht-delen

in de Asser-serie

www.kluwer.nl/asser-ipr

De Asser-serie is de onmisbare kennisbron van civielrechtelijk Nederland en biedt sinds jaar en dag toonaangevend

commentaar op het burgerlijk recht. Op papier en online. Wilt u zich écht verdiepen in het civiel recht, dan kunt u niet

om de Asser-serie heen.

De drie Internationaal privaatrecht-delen uit de Asser-serie:

Asser 10-I Algemeen deel IPR

mr. A.P.M.J. Vonken

m.m.v. mr. S. van Dongen, prof. mr. X.E. Kramer en

prof. mr. H.L.E. Verhagen

Dit boek biedt een uiteenzetting van een aantal IPR-kwesties van

algemene aard: begripsvorming, rechtsbronnen, de relatie van het

IPR tot het Unierecht, de structuur van de verwijzingsregel, kwesties

van temporele aard, problemen van samenloop en van interpretatie.

Daarnaast komen ook de rechtstheoretische grondslag van de

meest gangbare verwijzingsprocedés en een reeks algemene leerstukken

van IPR aan de orde.

1 e druk, ISBN 9789013111491

552 pagina’s. Prijs € 101,- (incl. btw)

Asser 10-II Internationaal personen-, familieen

erfrecht

mr. A.P.M.J. Vonken

m.m.v. prof. mr. F.W.J.M. Schols

Dit boek behandelt een aantal regels van conflictenrecht op het

terrein van het personen-, familie- en erfrecht. Daarbij komen de

voor Nederland geldende internationale verdragen, Europese verordeningen

en nationale bepalingen uit Boek 10 BW aan de orde.

Verder wordt ook aandacht geschonken aan enkele erkenningsregels

inzake in het buitenland tot stand gekomen rechterlijke beslissingen,

rechtshandelingen en rechtsfeiten.

1 e druk, ISBN 9789013109177

504 pagina’s. Prijs € 90,50 (incl. btw)

Asser 10-III Internationaal vermogensrecht

prof. mr. X.E. Kramer, prof. mr. H.L.E. Verhagen,

m.m.v. mr. S. van Dongen en mr. A.P.M.J. Vonken

In dit boek wordt het internationaal vermogensrecht integraal behandeld.

Daarbij is zo veel mogelijk de structuur van het Nederlandse

burgerlijk recht aangehouden, maar is ook nagestreefd om recht te

doen aan de eigenheid van het internationaal privaatrecht en de

daarbij behorende veelheid van - grotendeels internationale en Europese

- bronnen. Ook het rechtspersonenrecht en aspecten van het

insolventierecht komen aan bod.

1 e druk, ISBN 9789013126808

920 pagina’s. Prijs € 175,- (incl. btw)

Meer informatie of bestellen?

Ga naar www.kluwer.nl/asser-ipr

Similar magazines