eerste gezang

resources4.kb.nl

eerste gezang

GODS GROOTHEID

IN DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N AT U .U R.


GODS GROOTHEID

IN D E W O N D E R B A A R E

S C H O O N H E D E N

D E R

N A T U U R .

HELDENDICHT.

IN ZEVEN GEZANGEN.

Hoofdzaakelijk gevolgd naar het Franfche Werk van den

Heere DULARD; Medelid van de Maatfchappije

der befchaafde Letteren, te Marfeille.

Door eenen edelmoedigen beminnaar van IVijsgeerte,

Godsdienst, en Dichtkunde,

IN 's GRAA

VENHAAGE,

BIJ B: S C H E U R L E E R .

MDCCLXXXL


Quam magnificata funt opera tua,

Omnia in fapientia fecisti;

Impleta est terra posfesjione tua.

éjelwahh


V O O R B E R I C H T .

JJet Werk dat wij onzen Leezeren in de volgends

bladeren aanbieden, is oorfprongelijk in Franfcbg

Vaarzen befcbreeven, door den Natuurkundigen

Dichter DÜLARD, en heeft in dié taal, zoo uit

hoofde van het grootsch en verheven onderwerp, als

om des Autheurs godvruchtig oogmerk en keurige,

uitvoering, reeds voor lange de goedkeuring onzer

Vaderlandfche Kenner en moogen ivechdraagen; die

dan ook te recht verlangd hebben, dat hetzelve

door eene bekwaame hand in Nederduitfche Dichtmaat

mogf worden overgebragt; welke begeerte

inzonderheid ter harte ging aan wijlen den Heere

HENDRIK SCHEURLEER fenior, m

's Haage, op zviens kosten en aanfpooring verfcheidene

Lieden van kunde zich verëenigden $

om dit voortref lijk Werk met eenige verandering

overëenkoomftig de gejleldheid van ons Vaderland

dichtmaatig te vertaaien. De uitgaaf van hetzelve

door V overlijden van gemelden Heere SCHEUR­

LEER eenigen tijd vertraagd zijnde, hebben

* £ deszelfs


Vi

VOORBERICHT.

deszelfs Bloedverwanten en Erven, om aan zijnen

ijver en nagedachtenis zooveel • moogelijk te vol

doen, de laatfte hand aan dit Werk gelegd, in

diervoegen als het thans in 't publiek verfchijnt.

Wij vertrouwen van de hefcheidenheid des

Leezers, dat de voorkoomende feilen, van welke

geen boek vrij is , ligtelijk verfchooning zullen

vinden, ten gevalle van V goed oogmerk der uitgeeveren,

alsmede wegens de nuttigheid en 't g

zuigt der verhandelde ftoffe.

T E N

G E D E N K E N

VAN DEN H E E R E

HENDRIK SCHEURLEER, SENIOR.

3Ëen yvraer voor Gods eer, uit eerbied voor zyn magt,

Die

DUURD'S fchoon tafreel, vol vinding, kunde en kracht,

Ten kosten van zyn beurs in 't Neêrduitsch deed herlecven;

Was SCHEURLEER, die deez' fchat zyn' landgenoot dorst geven.

dengemoedigd door Hoogachting.

GEZEGENDE


G E Z E G E N D E

NAGEDACHTENIS.

üZïraalge Schim, eens wakkren Mans,

Die voor lang reeds voer ten hemel,

Boven al het aardsch gewemel!

Ik vlecht U eene eerekrans;

Gij gewoon aan englentoonen,

Zult mijn' laagen zang verfchoonen!

* * *

Gij die reeds mijn teedre jeugd,

Waardige Oom, ten fpoorflag

En door gunst mijn' ijver wekte,

ftrekte,

Op het pad van kunde en deugd,

Wekt in rijper' tijd mijn fnaaren:

Tijd! waar zijt gij heen gevaaren?

5§f

Ja met recht, het juist verhaal,

Van DULARD, zijn kracht van denken,

Wekte U, ons zijn Werk te fchenken,-

In Neêrduitfche maat en taal:

Om de fchoonheên op te zingen,

Die God wrocht in alle dingen. —*

* 4 Hitf


Hier'gloeit eédle godsdienstmin!

Brit, laat vrij uw' Newton ftijgen;

Hij moet met Descartes zwijgen,

Stemt hij niet met Mozes in.

Durven ftoute Spinozisten

Thans, voor de eeüwge ftoff', nog twisten?. .1

* * *

Hoor mijn' Dichter, bij de Zee,

't Nut van Ebbe en Vloed vermelden;

Volg hem, op de pekelvelden,

Streef door 't zout, van reê tot ree:

Houw en zaag met ftomme visfchen ;

Niets in 't Diep moet de aandacht misfen.

* * *

Open 's aardrijks vruchtbren grond;

Zie de diamanten blinken;

't Zonlicht in de kimmen zinken;

Dat de donder in het rond

Klaatrend roll' door dikke zwerken.

God is groot in al zijn Werken!

* * *

'k Zie hier zout en zwavelftof,

Wijd verfpreid door 's aardrijks deelen;

Bloemen, die de zinnen ftreelen,

Sieren veld en bosch en hof!

Heester, druif, en graangewasfen 3

Groeien langs geboomde plasfen l

Lucht'


Luehtdoorklievers, gij verfchijnt i

Broeit in *t kunftig nest uw jongen:

VJugtig Hert verfnel uw fprongen!

Tot ge uit ons gezicht verdwijnt.

Beever, werk met muil en pooten,

Gij moet ook Gods magt vergrooten.

Mensch! ö pronkbeeld der Natuur J

Die begaafd met de eedle Reden,

't Eindperk zijt der zeldzaamheden;

Gij verfchijnt ter rechter uur:

üwe ziel zal eeuwig leeven!

*k Zie. 't bewijs wordt klaar gegeeven.

4^

^

Maar gij zijt een doemelingl

Èn in Adam fnood gevallen;

Hij, als 't zichtbaar Hoofd van allenj

Was 't, die 't vonnis dus ontving:

„ Stervend zult gij eeuwig fterven,

„ Mij en mijne Volheid derven!"

* # *

Was er niet een Heilgezant,

Eén uit duizend, afgezonden;

Die 't rantfoengeld had gevonden,

En zijn ziel gefteld ten Pand:

Eeuwig waart ge ontbloot van luister,

Zwervende in het aakligst duister,

* 5 Ja,


Ja, verloste Christenfchaar,

't Zij uw weg op deeze weereld,

Zij vol doornen, of bepeereld;

Vrees niet langer voor gevaar:

Laat men u naargeestig waanen,

Nooit zal uw gelukzon taanen.

* * *

Gij, te vreden met uw iot,

Zelfs in bange tegenfpoeden,

Weet dat God het zal vergoeden;

Gij, gevormd tot lof van God,

Zult met SCHEURLEER eeuwig leeven,

Om Gods grootheid eer te geeven.

ANNA

FREDRICA VAN LEEUWEN,

gebooren BURGHART.

A E N D E N L E E Z E R

FRAEYE

VAN

DIT

DICHTSTUK.

2^rie hier Gods Grootheid in de Schoonheid der Natuur,

Dichtkundig afgemaeld in zeven puikgezangen,

Waerïn zyn goedheid, magt en wil, en wys beftuur

En roem en heerlykheid zich beurtelings vervangen:

Zwyg! Godvcrzaeker, zwyg! juich 1 juich Mesfias kerk!

Gy rust onwrikbaer op de gronden van dit Werk.

ANTHONY

DE HEN.

O P


OP

NEDERDUITSCHE

DE

UITGAJVE

DULARD'S

V A N

DICHTSTUK,

GODS

IN

GETIJTELD:

GROOTHEID

DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

DER NATUUR.

2^ijn er eedier bezigheden

Dan zijn' Schepper eer te bieden?

Is er luisterrijker zangftof

Dan de glorie van de Algoedheid?

Zijn er zaliger vermaaken

Dan het nagaan der beftuuring

Van 't Heel-Al den fterfling aanfchaft?

Wis, die Zee en Aarde en Water,

Vuur en Lucht en Land en Bosfchen,

Vruchten, Bloemt») Vogels, Dieren,

En,


Eh, dat boven alles uitmunt,

't Reedlijk en Gezellig Menschdom

Met het oog een's Wijsgeers inziet.

Met het hart een's Christens afmaalt.

Smaakt een weergaêloos genoegen,

En doet duizend andren juichen

Om de wijsheid, om de liefde en

Om de magt des hoogften Vaders.

Welk een' lof verdient dan zulk een,

Die DULARD'S voortref lijk Leerdicht

Ons in 't Nederduitsch doet leezen!

Dat is, nut doen met zijn gaaven!

Dat is, waarheid uittebreiden!

Dat is, deugd te doen beminnen!

Wie zou zulk een keus dan laaken?

Wie niet wenfchen, dat men voortaan

Zoo den Buitenlander navolg ?

REINIER VAN SPAAN,

KLINK*


KL I N K D I C H T

OP DE ZEVEN

VOORTREFFELYKE

ZANGEN:

GODS

GROOTHEID

IN DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN DER NATUUR.

Cjry

5

die dit Boek doorleest, blijf niet aan 't zienlijk' hangen;

Maar hef uw logge ziel tot Hem, die eeuwig leeft;

Van Wien en Zon, en Maan, en dit Heel-Al, eerst heeft

Zijn luister, zijnbeftaan, waarmeê hetpraalt, ontvangen!

Hy, 't eenig onderwerp van deze grootfche Zangen;

Wiens Woord dit al volbragt; Hy, die zijn eer nooit geeft

Een'andren; Hy, voor Wien de Afgodendienaar beeft;

Hy, 't eenig voorwerp van der Vroomen zielsverlangen;

De almagtige eeuwge God, die door zijn goede hand

Het Aardsch en Hemelsch heir in orde houdt en ftand;

Geleide ons door zijn' Geest, en wille ons zo befluuren,

Dat wy fteeds knielen voor den Heiland, onzen Heer,

Die alles, wat Hy fchiep, alleen fchiep tot zijn eer ;

Want in Hem is ons heil, 't welk eeuwiglijk zal duuren

l

PEILARETES

ALETHOPIIILUS.


T O T L O F

DICHTKUNDIG

GODS

IN DE

VA N

SCHOONHEDEN

HET

GROOTHEID

WONDERBAARE

WERK:

DER NATUUR:

zeer geleerdelijk hefchouzvd in zeven

Boeken, of Gezangen.

"^(^"ie met aendacht befchouwt de werken der Natuur,

Bewondert en aenbidt Gods wijs en goed beftuur.

Waer ziet men toch op de aerde; op bergen en in dalen;

In zeên; aen 't luchtgewelf; Gods wijsheid niet doorftraelen!

Hij, die dit Al, zoofchoon, uit Niet heeft voortgebragt,

Befchermt en onderhoudt door onbepaelbre magt,

Is'tgrootfche Voorwerp van deez'wéldoorwrochte Boeken.

Elk blad geefc ftofs genoeg voor hem, die wil doorzoeken

De wondren der Natuur. Doch , men flae hier niet ftil;

Maer zie met 't diepst ontzag Gods goeden, wijzen wil,

Om 't zondig Mcnschdom nog ten beste te gedenken,

En hun genade en heil in eeuwigheid te fchenken

Door'tzoenbloed van zijn' Zoon! Dit grootfte Wonderwerk,

Die wijsheid zonder einde en goedheid zonder perk

Gaen boven het verfiand van Englen en van Menfchen.

Dit heil alleen zij 't doel van ftudij en van wenfehen!

PMLALETHES

ARETOPII1LUS.


I N H O U D

V A N

EERSTE

H E T

GEZANG;

Betreffende $e gcftcldheid van 't

Geheel - Al in 't algemeénó

^jrod de HEER, zijne Almagt willende bekend maaken,

fchept de hemelfche lichaamen, en alle Wezens, zoowel

hoofdftoffelijke, als die met zintuigen begaafd zijn. Verfcheidenheid

der gedachten van de hedendaagfche Wijsgeeren

over het maalfel van 't Heel-Al. Kort verhaal der

fiellingen van DESCARTES, GASSEND us, en N E W T O N .

Vat er in deeze onderscheidene gevóelens i

geen klaarblijkelijkheid

te vinden is. Dat noopens het werk der Schepping

het verhaal van Mo ZES alleen, de handtastelijk

waare ftelling is. Inleiding tot den Sterrenhemeh Befchrijving

der Zonjte. De ftelling van PTOLOMEUS ên diè

van COPERNICUS. DePlaneeien zijn duistere lichaanlen 3

en ontvangen haar licht van de Zon. Wonderbaare evenredigheid

van de geplaatstheid der Zonne ten opzichte der

Aarde. Dat de Aarde eene dagelijkfche en jaarlijkfche

beweeging heeft. Dat zijdoor omwenteling om haar en As

in vier-en-twintig uwen het onderfcheid van dag en nacht

yerwzaakt, en haarm wegftmp om de Zm in een jaar

A

imr-


* INHOUD* VAN HET EERSTE GEZANG.

doorloopende, de vier jaargetijden voortbrengt. Befchrïj'

ving van Winter, Lente, Zomer en Herfst. Uitweiding

over den bloei der Kwijlen en Weetenfchappen in Engeland

en Nederland. Vlekken der Zonne. Derzelver oorfprong,

afloop, en vernieuwing. Van hei licht. Deszelfs aart

en natuur is ondoorgrondelijk :' zijnde een onmeetbaars

vloeibaarheid, flrekt het zich uit tot in den kring der vasts

fterren; en de zichtbaarheid daarvan, fpruit uit de aanbot-*

fing van vaste lichaamen voort. Van de Koleuren, en hos

die worden voortgebragt.-. Haare werkingen op het net"

vlies van het oog, door wederkaatfmg van het licht. Lat

alle Jlraalen van het licht eene bijzondere eigene natuur

hebben, welke onveranderlijk is. Van de Maan,. en haare

yerwisfelingen. Hoe zij de Zon doet taanen.. Dat haar

lichaam kleiner is dan dat der Aarde, in wier draaikring

de Maan loopt. Taaning der Maan , en de oorzaak daarvan.

Vlekken in de Maan. Redenen welke doen gisfen, dat de

Maan en andere Planeeten bewoond zijn. Van de Staartfttrren.

Dezelve^ zijn Planeeten, die in den draaikring

van de Aarde koomende, eenen verbaazend langwerpig--

ronden loopkring om de Zon maaken. Van de vaste

Sterren. Dat die moogelijk Zonnen zijn,- wélke volgens

onze kundigheid van v t weereldgeflel nog andere Planeeten,

die rondom haar loopen , ook verlichten. Hetgeen dat:

wij den Melkweg noemen, is een verbaazend getal van

raste Sterren. Aanmerkingen over de onmeetbaare ruimte

en de evenredigheid van den loop der hemelfche lichaamen a

dien zij daarin hebben. Wederlegging der Epicurifchs

jlell'uig of ken tan di licbaamelijke deeltjes.

GODS-


GODS GROOTHEID

IN DE

WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N A T U U R ,

EERSTE

GEZANG.

jf K vorm een groot ontwerp,mijn zangftof kent geen paaieik

Mijn dichtpenfeel poogt nu de Werken aftemaalen

Van 't Eeuwig Wezen zelf: zijn vruchtbaar wondërwoörd'

Bragt Hemel, Aarde en Zee, uit enkel Niet > hervoorts

ö God, die 't gansch Heel-Al doet draaien of doet rusten $

Wiens onbegrensde magt en wijsheid zich Verlustten

ïn 't kunstrijk fcheppen van dit wonderbaar gewelf $

Die niets zoo groot of zoo volmaakt kent als U zelv*$ •

En voor uw opperwet al 't fchepfel neèr doet knielen $

Laat heilig hemelvuur mijn' traagen geest bezielen!


4 GODS GROOTHEID IN DE

Daar 'k uw al wijsheid zing, zij heeft noch perk noch maat,

Eir, uit uw' handen-Werk met al zijn fchoon fieraad,

Uw grootheid, kracht, en roem, als eindloos, wil verheffen.

Vérafgevallen Mensch, dit moet uw trotsheid treffen ,

Uw dwaaling neeme een eind'; ontfluit hier hart en oor:

Gods hooggeducht gezag ftraalt in zijn Werken door.

Zweer vaifchc leering af, misleide Godverzaaker,

Word fchaamrood, en erkén den Kunftenaar, den Maaker

Ea. Hpofdbeltuurder van 't wijdüitgeftrekt Heel-Al.

't Beginloos Wezen, 't welk nooit einde kennen zal,

Der goden Heer en God, aanbidlijk hoog verheveny

Een Koning die zijn eer den vorsten nooit zal geeven,

De onwankleTroonmonarch , de Alleenheer, had zijn'lust

Ia zich en in 't genot der ongeftoorde rust.

En vm zichzelv' omringd, vond Hij, geheel inwendig

Afcoos rechtvaardig, rein, almagtig, ja beftendig

Volmaakt en groot, in dat volprachtig kabinet*

Zijn heerlijkheid in zich alleen ten top gezet.

Maar, ö hoe peilloos zijn de onmeetbre heilbefluiten!

Wie kan den afgrond van Gods diepe wijsheid uitten?

Zif


SCHOONHEDEN QKK NATUUR. Eerfte Gezang, y

Zie daar het oogcnblik, zie daar het wonderüur,

Waarïn Hij, door zijn magt, het weezen aan Natuur

En Tijd zou geeven, en veel duizend qnderfcbeiden

Bijzondre Wezens, uit een Niet, zou toebereiden,

In 't uitgeftrekt Heel-Al door zijner handen magt.

God fprak: en op die ftem vol majefteit en kracht

Ontvangen 't aardrijk en de hemel ftraks hun weezen,

Het heuglijk licht koomt uit de duisternis gereezen.

De hemeltoortfen ftaan in 't Firmament ten prijk,

De zee rolt haaren vloed ganscb voj en waterrijk.

Al de aarde, wijd en zijd, begint haar pracht te baaren,

En dekt zich met gebloemt, en gras, en vrucht, en blaêren.

De visch zweeft door de zee, de vogel door de lucht:

Met duizend dieren wordt het aardfche vlak bevrucht.

DeMensch, uw meesterftuk, Eerste Oorzaak aller dingen!

Verfchijnt van uwe hand in de ondermaanfche kringen.

Al 't werk is dus tot ftand, het leeft ook, door U zelv';

En uw doorzichtig oog befchouwt van 't hoogst gewelf

Defchopnhe^dvan't Hcel-Al 3

flechtsdooreenwoord geworden*

Met vergenoegd vermaak, in de allerüiterfte orden.

Laat ons de bouwkunst van dat pronkftuk't welk Gods hand

Zoo heerlijk heeft gewrocht, in lucht, in zee, cnlan


* GODS GROOTHEID IN DE

('tZij Hem tot heerlijkheid en hoogen luister) zingen,

En, in het famenftel van zulke lichaams, dringen,

Die werkend zijn.

Laat ons in 't allerdiepfte treên

Der ftofgeheimen en natuuivverborgenheên,

In haar beftaan en loop, beweeging en betrekking.

Schenk mij dan hulp, uw Geest zij mijn' geest ter ontdekking

Van zooveel wondren en geheimen, groote God!

Sta op: verwar, befchaam,ftel door mijn' Zang ten fpott',

Ja grijp in 't godloos hart, den grouwelijken drijver (»)

Van een wanfehapen leer; zijn ftoutheid wekt mijn' ijver.

Weerleg hem tegen wil en dank, door zijn gezicht;

Qpdat h"j dus erkénn' uw grootheid en zijn' pligt.

6 Walge r

O) drijver] SPINOZA, de beruchte Voorganger der hedendaagfehe

ïtlaterialiiten. of ftofd rij veren, die ftellen dat de ftof eeuwig is, en

dat alles ftof is, enz., overleed in 't jaar 1677. Hij fchreef de

beweeging van 't Heel-Al toe, aan eene eeuwige beweeging der

fiofFe, door baar zelve, en zonder tusfehenkoomst van eenen eerften

JJeweeger bewoogen. Volgens hem is GOD alles, en alles is

(GOD. De ftof, dé éénige zelfftandigheid, is de algemeene ziel,

yraarMenfchen, Beesten, en Planten, de wijzingen of vormingen

van zijn. Zoodanig is de ftelling van SPINOZA, grondig wederlegd

door P. LAMÏ, een' BenediSijner, en andere Christen-

^ijfgeeren. SPINOZA heeft zijne godlooze fiellingen gevormd op

eene oude ftelling wegens de2ielder weereld, doorP YTIIA GORA S

voortgebragt, en in fraaie Vaarzen uitgelegd in het VI. Boek der

•jQneadc van V1 R G 1 j, j y s, vs. 724, en vet volgen?;


SCHOONHEDEN DER NATUUR. EerfieCezmg. 7

b Walgelijke hoop.van veel fpitsvondigheden,

& Vraagen, al te zeer bevrucht met ijdle reden,

Waarvan het los begin, waarvan 't loos onderfcheid

Ons vérr' van 't rechte fpoor der zuivre waarheid leidt;

Schoon elk zijn ftelling als onfeilbaar dóór wil drijven!

Dees wil (&>, ö weereld, uw begin en loop, toefchrijven

Aan vlugtig weemlend ftof, aan zaadjes, die, hoe fijn

En hoe onzichtbaar, voor onze oogen zwervend zijn,

Van

0&) Dees wil! GASSENDUS. Volgens deezen fchranderen

hervormer van de ftelling van EPI CURU S , koomen de Zon, de

Planeeten en alle Wezens, zoowel de famengeftelde als de eenvoudige

, voort, van de ondeelbaare lichaamtjes, die zich in de ledige

ruimte (Faewwm) te famen fchakelen, en in eene kringswijze lijn

fcewoogen worden; waarvan hij erkende dat GOD het begin is,

zoowel als van hunne beweeging. De gedmirige binding en

ontbinding van deeze dwaalende lichaamtjes veroorzaakt die gedurige

veranderingen, welke men in de (loffelijke weereld ziet:

zoo is ook de groei der lichaamen veroorzaakt door eene nieuwe

verzameling der ondeelbaare deeltjes (Atomi) , die daarbij

jioomen, en hunne ontbinding wordt veroorzaakt door derzelver

ontfchakeling. Deeze ftelling berust nog me£r op de verbeelding,

dan die der Draaikringen, en men moet bekennen , dat de leer

.van de ondeelbaare deeltjes, de ftoutheid der Wijsgeeren zeer

vernedert. Maar 't zou teffens onrechtvaardig weezen, van de

Wijsgeerte te willen oordelen uit de (tellingen van EPICUEUS

of SJINOZA : zij moet niet vermengd worden tfiet de doohngen

van gekwetfte harsfenen,

A4


% GÖQS GROOTHEID IN I>E

Van wier beweeging God zou de opperöorzaak weezen.

Een ander (c), die zoo hoog de Reden heeft gepreczen

Dat hij haar wreekt, en zelfs een martlaar van haar wordt

Heeft uwe bouwing, door een dwaaling aangepord,

Aan een driedubble ftof (d), hardnekkig toegefchrceven:

Met een ontclbre reeks dwaalkringen^ voortgedreeven

(O Een ander] DE SC ARTE?. De oordeelkundige BAILI.PT,

de Schrijver van het leeven deezes Wijsgeers, leert om, «vat

die groote man heefc moeten ondergaan , omdat hij de eerfte

was, die het juk afwierp, 't welk ARISTOTELES voorzoo

veele eeuwen den Wijsgeeren had opgelegd. Da tegenfpraaken,

die hem gedaan zijn, hebben hefn, öm zoo te fpreeken, overieefd.'

Zijne ftellingen zijn 'nog tegenwoordig aan dezelfde tegenwerpingen,

hoewel van een' verfchillender aart , " blootgefteld:

Want, fchoon men deszelfs geestige gevoelens niet meêr veroordeelt,

als tot ongodisterij leidende'; men befchuldigt ze echter',

béhalven met veele tastelijke dwaah'ngén, ook met tegenftrijdig'

heden tegen de ondervinding aan': en daarom w.orden zijne ftei-

»ingen ook wel eens Verdichtfelen der Natuur genoemd.

Cd) driedubble flof,] De fijae of oneindig dunne ftof, van

de door wrijving gebrijzelde hoekjes der teerling of zeskant'vier^

hoekige deeltjes voertkoornende. "De bolachtige ftof, of de kleine

bolletjes, verduid en. gerond door dezelfde wrijving. De langwerpig

gegroefde of gevoorde iïof N

zjjnde de allergroffte en

hoekachtigftegebrookene ftukskens. De verfcheidene fchikking en

verfchillende verdeeling van deeze driederhandeftof, maaken, volgeus

DE sc ARTES, de Draaikringen, de Zon, de vaste Sterree,

de Dvvaalfterren en Staartfterren. . r.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. EerfieGezang. 9

En telkens omgevoerd, vervulde hij Natuur.

6 Albion, uw Eer (e), uw roem, die altoos duur',

Die ijvervolle held, kampvechter voor de wetten

Der ftof beweeging, wil in 't groot Heel-Al niets zetten,

Tot een begmfèl, dan een magt, die tot zich trekt.

Terwijl hem deeze magt tot een beginlel ftrekt,

Durft hij de lichaamskracht van allerhande zaaken,

Der werkkracht deezer magt gansch onderhevig maaken.

't Wordt aan een lichaam, naar 't gemeene middelpunt,

pus opgetrokken, weêr op zijne beurt, gegund,

(O óJlbion, vwEer%\ Te weeten NEWTON. De Heer de FON-

TENELLE geeft den Leezer een zeer onpartijdig en juist denkbeeld

der ftelling van deezen Wijsgeer, ëén der grootfte verftanden iu

de hooge Weetenfchappen , die ooit de N^atuuj; heeft voo«gebragt,

wanneer hij, in des'zelfs toffpraak zich dus uitdrukt: „ Alle

„ lichaamen (volgens NEWTON) weegen het één op het ander,

'l of trekken zich onderling aan, naarmaate van hunne zwaarte, of

van de menigvuldigheid der ftoffe die zij bevatten: en als zij

om een gemeen middelpunt draaien, van hetwelk zij bij gevoig

]\ zijn aangetrokken, en 't welk zij teffens ook aantrekken, verande-

" ren hunne aantrekkrachten voorts, in de tegenftellige maat der

"vierkanten hunnes afftands, van dat middelpunt. Zoo'weegs

" elk 'der vijf Wachters of Maanen van Saturnus op de vier ande-

" ren, en deeze op den eerften. Alle vijf weegèn zij op Saturnus,

en hij op hen: Deeze en alle andere lichaamen weegen te gelijk

op de Zon, en de Zon op hen allen. Welke eene Meetkunde

), heeft men noodig gehad, om dien mengelklomp van betrekkin,^

M

gen te ontwarren l "

A 5


lo

GODS GROOTHEID IN I>E

Ook andren zoo tot zich te trekken, en te daalcn,

Wanneer de zwaarte zulks, bijgraaden, neer wil haaien.

Maar, groote Geesten, hoe die tegenftrijdigbeên,

Die zoo'verbaazend zijn, en elk een plaats bekleen

Met roem in 't wereldrond, nu best te faam verëenigd ?

Hoe wordt uw fcherp gefchil gerust, verzacht, geleenigdf

Die fielt, wat dees ontkent; en al uw twistgeding

Geeft ons geduurig recht, tot losfe twijfeling.

Wij zien, verwonderd, op waarfchijnlijkheên u bouwen;

Doch ijdel.— God wille uw'verwaanden trots aanfchouwen

In mededoogen: Hij heeft u alreeds geftraft

En onderling den twist u tot een plaag verfchaft (ƒ)..

Uw wijsheid, fterveling, is wel een dag, doch duister,

Men zoek'dan eedier licht, waar 't praalt met voller luister,

't Moet

00 Ik heb gezien de bezigheid die Goeden kinderm der menfehen

gegeeven heeft, om hen zeiven daarmede te bekommeren. Ook heeft Hi

ée eeuwen in hun harte gelegd, zonder dat een mensch het Jrk dat

GoD gemaakt heeft, kan uitvinden. PREU: III, vs. 10 en 11.

Madame de BOCCAG., i„ baar Heldendicht, genaamd LeParadn

7

r ' g r ^ ^ ^ 5 , inOttavo^ladz.öoen,, maakt

ook zeer llerluke bedenkingen over de ijdele nafpoonngen d

fcedendaagCche Sterrekimdige Wijsgeeren.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfie Gezang, n

't Moet waarheid weezen, en geen gisfing. Gij alleen,

Die in het braambosch, daar het brandde, tot God trcên,

En op den Sinaï mogt zien den Ongeziencn,

Hem vraagen zijnen Naam, en naar zijn voorfchrift dienen,

£ Dagverhaaler van des aardrijks eerftcn ftond,

Gij zijt het, die alleen mij lichten moogt en kondt,

In deezen diepen nacht van zooveel duistre zaaken,

En uwe ftelling (g) moet ik tot een Wet mij maaken.

ö Middel

(*-) En utre ftelling'] Om naauwkeurig te fpreeken, kan het gene

datMozES ons verhaalt, noopens hef werk derScheppinge n.et

wel een ftelling genoemd worden; 'tis enkel een historisch verhaal

hetwelk ons geheel eenpaarig leert, dat het maakfel van lederdeel

van het weereldgevaarte, en de vorming van elk bijzonder Wezen,

hetzij hoofdftoffelijk, hetzij met zintuigen begaafd, het

werk is van eenen bijzonderen wil des SCHEPJE ES en het u.twerkfel

van een bijzonder daarop gevolgd bevel Dit eenvoud*

Ve haal is niet alleen van eene allergrootlle zekerheid, omdat het

door Godlijke Openbaaring aan ons is overgeleverd;.maar het gaat

ookalïewijsgeerige fteilingen verre te boven, en .s veel verdaanbaarder

dan deeze , door middel van welken men a les zoekt uitte-

, Z door de beweegingen der ondeelbaare lichaamtjes, door

Kring ,1oor Seklingen, enz. - fteilingen", welker eerfte

f w

e als inb eldingen en hersfenfehimmen zijn aangezien, en de

55e maar alleen voor waarfchijnlijk worden aangenoomen. Daarom

zeggn wij, met een' Franfchen Dichter, te recht:

9

KoomonderwerpU, Mensch! 'tgeloof erlang die trappen,

" Dat het een weereld demp', Hechts in uw brein gegrond!

" weesnSbefchaamd, dat gij, met MOZES na te ftappen

" DE sc ARTES tegenfpreekt en NEWTON ftopt den mond.,

" Zie KACINE, in zün Dichtftuk, genaamd,

L'mvrage dts fix :ws.


z GODS GROOTHEID IN BB

6 Middel in God$ band, gij fpreekt en ik geloof.

$ Ja: 't onmeetbaar Rond, ó Leidsman die de kloof

Ia Faroo's Scbelfzee floegt; al 't vast', en 't los gewemel,

Al wat lichaamlijk is, de zee en aarde en hemel,

Zijn elk afzonderlijk gefcbapen, ieder, naar

T

£ Bijzonder willen van den grooten Schepper, waar

7

tDe Kunstbeer goedvond, en in onderfcheiden' orden,

Op 't ©ogenblik volbragt, als Hij ze wou doen worde*.

6 Voetbank van den troon des Hoogden, groot van lof,

Gij heerlijk blaauw gewelf, azuure

ftarrenhof!

En gij twee Ronden die 'k met gadelooze vonken ,

In 't heerlijkst flonkerlicht van duizenden zie pronken.,

Die onveranderbaar uw.' weg loopt in uw' kreits.

é Ongeftoorde gang, zoo ordenlijk als weitsch!

6 Samenftemming dier twee groote glorieüchten,

6 Vastbepaalde loop, in rijzen, daalen, zwichten,

Wat treft gij allen ons met veel verwondering!

* Zie gansch verrukt in zijn' ftraalrijken ommekring,

Een glansvol opperlicht, de liefde van al de aarde,*

De praal des hemels, en van een onfchatbre waarde.

(üO twet Ronden.] Zon en Maan.

De


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 13

De rei-aanvoerder van 't onmeetbaar Firmament.

Zijn glorie rast aldaar, als in een ftaatfie-tent

Die zbn baart ons den dag, door haare woisderglanfen;

Zij deelt de tijden af, zij merkt in 's hemels tranfeo.

De jaargetijden. Op haar heerelrjk gezicht

Sprong'taardrijkop van vreugd enblijdfchap, cm haar licht,

En heeft den naam van Hem die haar uitzendt gezegend.

Met duizend gaaven heeft zij alles mild bejegend.

En levert telkens, als uit niets, ons groot Heel-AL

Wat oog weêrftaat de kracht van deezen wonderbal,

En al zijn' glans, zijn' gloed, en heerlijk lichtvermoogen*

6 Edel Firmament, alleen uw fchoone boogen

Zijn haar tot fterkten en fcheidmuuren om haar heen (£).

Zij licht, zij kleurt en fiert; zij is 't die aarde en zeen,

Door haare vuuren kan verwarmen , en bezieden.

De felle zondvloed kon de weereld wel vernielen,

Tot een lang-uitgeftelde en welverdiende ftraf,

Maar trok niets aan de kracht van haare ftraalen af,

Die

(O Hij heeft in hei uitfftmjü eene tent gejleU vmr de zenne.

(t) Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omUep tet

dati ket eiwit dtsztWm'. Ps: XIX, vs. 5 *n 7»


U GODS GROOTHEID IN DE

Die ze uitftort en verfpreidt, en, nergens afgebrooken,

Elk' oogenblik als uit haar' fchoot zijn opgelooken.

Zij kweekt en voedt altoos zich uit haar eigen ftof;

Nog even leevensvol, treedt zij thans uit haar hof,

Als toen ze de eerfte reis in 't oog van 't halfrond praalde

En haar groot lichaam in hcur boogen liep en ftraalde.

Zij zijnde 't beeld van Hem, door wien ze alleen b'eftaat,

Taant de allerfterkfte glans terftond voor haar gelaat.

Zij herichetst zijne kracht en hooge onmeetbaarheden,

Ze is de éénge zon (7) die wij in 't hemelrond zien treeden

Door haar wordt dus aan ons Gods Eenheid afgebeeld;

Ze is 't voorwerp daar Natuur met al haar pracht in fpeelt.

Wat wonders deed niet God al voor onze oogen praaien!

De fchoonfte nochtans zijn, ö Zon, in uwe ftraalen.

't Verwonderd menschdom zaagt gij oudtijds, overal

4

In honderd landen (w), al uw glorie ten gevall'

Aïtaareri

(O éénge zen.] Deeze uitdrukking , ik beken het, is niet

naauwkeurig en volgens de gronden der Sterrekunde; want de vaste

Herren zijn zoowel zonnen als ónze Zon. Dus is deeze de ééttige

niet: maar ze is het voor onze oogen. Dit voldoet; en ik fpreek

hier meêr als Dichter, d.an als Sterrekundige.

(«) In honderd Imden] De oudfte en algemeenfte Afgodendienst

is geweest het aanbidden der Zonne. De Perziaanen, volgens het

verhaal


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. T$

Altaaren ftichtcn en verkwistig wierook bieden.

Uw weldaên bragten die geheel-verdwaalde lieden,

Veelmeer erbarmenis dan laclierije waard,

Tot heiligfchennis, die, al 't aardrijk door vermaard,

Kon, als daarop gegrond, min-afgodsdienftig fchijnen.

Gelukkig waar' 't voor hen geweest, de mistgordijnen

Te kunnen oopnen, en dus Hem, die eeuwig leeft,

In u te vinden, als die u gefebapen heeft.

ö Dwaaze ftelling, die een' ieder' doet verdoolen,

En door 't vooróórdeel, en der Ouden dwaaze Schooiert

Geteeld zijt, wijk van hier: gij wilt den hemel, aan

Het aardrijk en de zee alléén, ten dienst doen ftaan,

En, dat het fterrenhéir, zon, maan, in 's hemels boogerï

Beurtliigs om de Aarde loopt, wier as, fïeeds onbewoogerc

Stilftaande ,

verhaal van H e E O t> o T O S I. Boek, r 3 Hoofdft. bragten baar

hunne offeranden, onder den naam van Mithra. Zij was de eerfte

Godheid van de oude Indiaanfehe volkeren. De wilden in Pem

en Chili bidden haar , volgens de allernieuwfte vernaaien , nog

héden aan. Vossius telt in zijne g< leerde Verhandeling over den

Oorfprong Van den Afgodendienst de heidenfche volken op, die de

zon als eene Godheid, onder verfcheidene naamen aanbaden, en,

haar Tempels hebben toegewijd : onder andere ook gewag maakeride

van Heliapolis, of Zonneilad, aldus genaamd uit oorzaak van den

bijzonderen en plegtigen dienst, welken de inwoonders van *die

Stad ter eere van de zon hebben geöeiFend.


ï6 GODS GROOTHEID IN DE

Stilftaande, van 't Heel-Al 't vast' middelpunt zou zijn»

Een andre ftelling, meer gegrondvest in den fchijn

Van waarheid, was ook meer eenvoudig, en herftelde

Dien blaam, waardoor de zon beleedigd was, en velde

't Slotvonnis: dat deeze Aarde, ontzet Van zulk gebied

s

Waarvan liaari tegens recht, een opdragt was gefchied,

Eéns 's jaarlijks Kaaren loop doet om den zonbol heenen:

En, gansch bepaald, dien weg bok nimmermeer verkleenen j

Of ooit vergrooten mag: in een' zoo vasten kring,

Dat zij niet dwaalen kan in haar omwenteling.

De zon, der fterren vorst, is, in 't rijk der planeeterf

Het flipte middelpunt,-daar ze op haar' troon gezeten j

Elk één van deezen ziet in eenen wijden trans

Omloopen, die in zich, van aart heel zonder glafcs,

Maar onderfcheiden zijn in afftand, vlugte, en grootheid,

En rondom haar (ra), die zelf zoowel als deezen bloot leidt

Én

. (n") En roniin haar] Volgens de vermaarde ftelling vfri

KEPLER (een' Wijsgeer die in de Sterrekunde den naam van

Wetgeever verdient te draagen) doén de Planeeten of Dwaalfterren

van den eerften rang, haare omwenteling in bepaalde loopkringen»

welke door het midden van den zonneweg gaan; zijnde zij allé

onderworpen aan eene onveranderlijke wet, naar welke dezelve kegélkringswijze

rondom de Zon loópen, die haar tot eene algémeeno

Voedfter


SCHOONHEDEN DER NATUUR. ÊerJfeGezang, #

En onderhevig is aan ftofbeweegings- wet,

En fnellijk om haar'as draait, wonderbaar (ra) en net;

Bij beurtverwisfeling, nu klimmen dan weêr daa!en,

En nimmer, hoe het gaat, eens uit den kring verdwaalen.

In hunner midden praalt ze, en 't is haar aantrekkracht *

Die hun een' loop gebiedt, nü hard, dan weder zacht.

Gelijk èen magtig Vorst, die op zijn' troon gefteegen s

't Gehoorzaam volk zijn wet doet eeren allerwegen^

En een getrouwe hulde ontvangt van al zijn hof.

't Glansloos dwaalfterren tal, hoe zeer verfchillend , of

In grootheid, of in loop, leent van de zon zijn klaarte' 9

Vérfcheiden heengekaatst op en door elk gevaarte;

Elk fpoedt zijn' weg en loop in zijn' bijzondren pligt (o).

Erf als de zon aan hun verbergt haar glansrijk licht,

• Zoó

Yoedfter ftrekt. Deeze wet, door Je groote Planeeten of Hoofd»

dwaalfterren ftiptelijk waargenoomcn, en 't eerst door

KÜPLER

voor meer dan 150 jaaren ontdekt, is de grondflig der hedendaag-

Xche Sterrekunde, en ftaaft zonderling de ftelling van COPARHICHS.

(n) draait, wonderbaar"]

baaren as, gefchiedt in 25 dagen en 6 uuren.

De omwenteling der Zönne oni,

(0) bijzondren pligt.] Saturnus, de verst-afftaande Planeet,

loopt in 29 jaaren, maanden, en 17 dagen, rondom de Zon:.

Jupiter, in 11 jaaren, 10 maanden 14 dagen; Mars, inéén jaar

g

10 maanden.


i$ GOErS GRÖOTHEIÖ IN DE

Zoo zijn er onder hen, in wier bepaalde kringen

Men ziet planeetjes (p) van veel zachter glinsteringen'

En mindre grootte, 's nachts helfiikkerend, den glans;

Der zon vervangen in den wijden weereldtrans,

sDie> loopend in den kring van 'tgrootst der hemellichten,

Niet voor de zonne zelv' in inelle vlugheid zwichten.

Maar hoe verbaazend is(^) het lichaam van dien kloot,

Wat's de afftand tusfehen hem en de Aarde fchrikklijk groot t

Indien

io maanden, 21 dagen; de Aarde in 365 dagen, 5 uuren, 48mifcuuten;

Venus, in 7 maanden, 14 dagenen 18 uuren: Mercurius.,

in 2 maanden en 27 dagen. Dusdanig is de naauwkeurigheid der

Sterrekunde , dat zij in haare reekening, zoo van jaaren, als'

maanden en dagen, ja minuuten zelfs niet feilt.

(p) planeetjes'] De 10 kleiner Planeeten, welke in den omtrek

van grootere Planeeten hunne omwenteling hebben, en even eens

als de Maan onderhevig zijn, aan de beweeging der Aarde. De

vier Wachters of Maanen van Jupittr, welke, de ééne in verderen

of grooteren afftand als de andere, om die Planeet draaien: en de

vijf Wachters of Maanen van Saturnus, welke ter zijde van zijnen

lichtring omloopen; zoo dat die 10 kleinere, zoowel als de 6

Hoofdplaneeten, alle hunnen omloop hebben, om de Zon, die de

algemeene voedfter of verwarmfter is, van alle de Planeeten.

(?) hoe verbaazend is] Volgens de allernetfte uitrsekening der

Sterrekundigen is de Zon wel een miliioenmaa! grooter dan de

Aarde: en de afftand van dezeive, is omtrent driecudertig millioenen

uuren. Deeze verbaazende afftand is nog maar gering in vergelijking

van dien van Saturnus, welke omtrent tweehonderd zesë'ntagtig*

millioenen uuren van de Zon afftaat, en wiens lichaam negert

honderdcntïgt.'gniaaL greeter is, dan dat der Aar Je,


SCHOONHEDEN £> ER

NATUUR. Éerfiê Gezang. ig

Indien die kleiner was, zou haar de zon verflinden,

En was hij grooter, kon zij nimmer 't middel vinden,

Noch om haar, licht en warm te maaken, door haar' gloed,

Noch vruchtbaar zoo doen zijn, gelijk zij weezen moet.

ö Hoofdbeftuurder, die, uw ondoorgrondbre wetten,

Aan al 't gefchapendom, alwijs hebt willen zetten \

Ja waarelij k het zijn de diepe onpeilbaarheên

Van uwe wijsheid, en die zijn het ook alleen,

Die zulk een evenwigt daartusfchen konden geeven s

Een evenwigt zoo net, als heerlijk en verheven;

Gij hebt aan de Aarde twee beweegingen gezet,

Waarin zij nooit verflaauwt of immer wordt belet,

Het is een dagelijkfche en jaarelijkfche draaijing.

Haar bol loopt zonder rust, altoos door ommezwaaijing.

Zij wentelt daaglijks ééns om haaren as, niet meer.

En over 't halve rond, den vlakken Hemifphecr,

Dus rustloos loopèhd, brengt zij fteeds naar Gods behangen

De donkre nachten voort en ook de lichte dagen,

Bij beurtvervvisfeling: zij nadert voorwaards aan,

Öm van het Westerdeel naar 't Ooften heen te gaan,

Vanwaar zij zich dan weêr naar 't Westen moet begeeven.

Dit aardrijk rendera 't vlak des zonnewegs gedreeven,

U £

Gaat:


2o

GODS GROOTHEID IN DE

Gaat nimmer buiten één' der zon-keerkringen uit f>)$

Die haar ter wederzijde, als 't perk der loopbaan, fluit.

Die perken kan zij niet ontduiken noch verzetten.

Zij nadert of onttrekt, naar vastbepaalde wetten,

Zich aan dat glansrijk licht, en toont in 's hemels boog

't Zelve in verfcheidenheid van graaden aa» ons oog.

Haar wisfelloop brengt elk faizoen met vaste banden

Onwrikbaar faamgehecht, fteeds weer aan zee en landen

v

En wij zien telkens die getijden, keer op keer,

Elkander volgen, zich vertoonen, en dan weêr,

Elk op zijn beurt, gelijk een magtig Vorst regeeren,

Die van zijn weerpartij met lof mag wederkeeren.

Wanneer de Waterman zijn kruiken ledig ftort

Op de Aarde, koomt de kou haar op het lijf; zij wordt

Verkleumd, verftijfd, en als de hartacr toegcflooten.

Ze is als ontzield: ze kwijnt: haar kracht is haar ontfchooten.

Ze is als verflagen en van teelmagt gansch beroofd.

De goede dagen zijn nu wech, de kroon van 't hoofd.

Geen

(O keerkringen] De Kreefts-zonnekeerkring, of zomer-zonnefland,

die omtrent den 22 Juni invalt: en de Steenboks-zonnekeerkring,

of winter-zonneftand, invallende omtrent den 22 December.

Met het . eerfte tijdftip begint de Aarde rugwaards te

loopen; en met het tweede voorwaards.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 21

Geen' glans, geen lieflijkheid, heeft ze over in dees dagen,

De guure Noordewind doet op zijn fpoor, de vlaagcn

Vanfneeuw, van hagel, rijp en woênde ftormen treên.

De dikke en zwarte wolk geeft niets dan duisterheên,

En vormt een' donkren nacht, voor land en lucht en water.

Het bruisfehend ftroomgeweld ftort met verwoed geklater,

Van 't hoogst der bergen neer, dat alle veldvreugd zucht,

En fleept, door zijnen vloed, nu overal geducht,

Ondanks den weêrftand, die hem anders kanbetoomen,

Geheele kudden, en de breedgekruinde boomen,

Ja zelfs ook fteenen mede in zijne ontzinde kracht.

En naauwlijks zwijgt de ftorm, getemd doorhoogermagt,

Of een geftrenge vorst bevloert de ftille baaren.

Het zilver' heir der blankgevinde waterfchaaren,

Dat boven zich, vol fchriks, zijn anders zwalpend dak

Ziet ftilftaan, gladgekemd, doorfchijnend, fpiegelvlak,

Moet bij gebrek van lucht, fchier de ademhaaling derven,

En vreest elk oogenblik, te zullen moeten ftervcn.

't Wordt kermis op den droom: Nu is de vloed een vloer.

Men wandelt nu gerust, waar korts het fpeeljacht voer.,

Men {laat de tenten neêr op de ongetrouwe golven.

Maar Waaghals beef vrij: want de dood ligt hier bedolven.

B s

Ze


22 GODS GROOTHEID IN DE •

Ze ontfchuilt uw' oogen in het allerijslijkst ijs.

Zie, jonglingfchap, zie toe: beraad u, zijt gij wijs.

Gij ftaat, gij wandelt hier, op de ongetrouwe plasfen,

3

t Gevaar treedt op uw zij': de dood kan u verrasfen.

Maar ach! al ftaat men hier als met een been in 't graf,

Men laat toch van zijn' lust en wintervreugd niet af.

3

kZie ginds, een' ganfchen ftoet van onbedachte knaapen,

Aan dat gevaarelijk vermaak zich zelv' vergaapen;

Ik zie wat wonderbaars! De voeten zijn gevlerkt.

De vleugels zijn van ftaal. De vlugt wordt niet beperkt i

Geen vogel vliegt zoo fnel: ze zijn niet te achterhaalen.

Ja Rijkaart, fchoon uw kas het dubbel wil betaalen,

Gij vindt geen ros, 't welk hen, in vlugheid evenaart,

'k Zie jonker Ligthoofd op zijn bijna vliegend paard,

Met lompen Wouter hier een weddingfehapje waagen.

Daar fteekt men af: maar wacht!. hoe euvel wil het daagen,

Als Ligthoofd aan dien boer zijn goudbeurs dokken moet ?

Hoe vliegt dat paard, maar ook de boer wijkt niet een' voet!

De vierpoot mindert, en de tweevoet wint in krachten.

L'w goudbeurs, Ligthoofd! zal niet in uw' zak vernachten.

Gij zijt ze kwijt, de boer vliegt u te vérr' vooruit,

Gij wordt belachen,.en uw fpaarpot is zijn buit!

Pit


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 23

Dit moedigt al den ftoet der ijzren vleugelmannen,

Men ziet nu ieders kracht verwakkerd, ingefpannen,

En zelfs verdubbeld, om ook haast met eer en lof,

Bekend te worden in 't bevrqozen waterhof.

Dees is de vlugfte, die de netfte in 't fchaatfe-rijden.

pees wil de aanfchouwers door een nieuwe kunst verblijden,

En vliegt op ééne vlerk, een wijl tijds, langs het fpoor.

Die rijdt nu buiten om 5 en dan weêr binnen door.

't Glad ijzer op glad ijs maakt veelen hier tot wonders*

Elk heeft een nieuwe kunst, enzoekt weêr iets bijzonders:

Terwijl de handfleêvaart het Jufferfehap verblijdt,

En 't liefderijk falet, den Oostenwind ten fpijt,

Verlaaten doet, om, daar de moede minnaars zwoegen-

En hijgen, 't ijsveld met de Heden, blij, te ploegen;

Weergalmen tent op tent van 't dronkemans gefchreeuw,

Enveêl, en bas, en fluit. Maar ginds zie'k een'Hebreeuw 1

Waagt die zijn lijf op 't ijs, dan heeft het zeker bindten,

Ja toch, een ganfche ftoet Narr'-fleden vol van finten.

Vol mommerijen en gekskappen volgt hem na.

Bezie hier ieder paard, hoe trotsch, hoe moedig 't gaa,

Op 's meesters hovaardij, die 't beest een pluim doet draagen 5

En in het bellentuig gareelen heeft geflagen,

B 4

Dochs


44 GODS GROOTHEID IN DE

Doch, moedig dier, fta af: gij weet niet wat u naakt,

Hoe ras wordt uwe kracht op 't glibbrig ijs gekraakt.

Op '* glazen ijspad woont zoo weinig mededongen.

Maar met dat ijsvermaak is ons de dag ontvloogen.

Dc günftrende avondfter lokt ieder, weêr naar huis.

Dus gaat de winter om: nu met het woest gedruis

Van ftormen, dan weêr met een reeks van regenbuien,

Die ginds en vérr' het land verdrinken, uit het zuiên,

Of eindelijk met mist, en hagel, fneeuw en ijs.

Wanneer de zon weêr aan den dierkring haare reiz'

Begint, zien wij ze opnieuw met leevendiger vonken

En vruchtbre krachten als herbooren fchooner pronken.

L)an toont ze aan 't aardrijk haar bekoorelijk gelaat.

Zc fchijnt een bruid, die, na den ilaap, heur armen ftaat.

Qm baars beminnaars hals, geheel verliefd en teder.

Al haar aanminnigheên en praal neemt zij nu weder

Gelijk herfchapen aan; en in dit frisch faizoen,

Bedekken bosch en veld zich zelv' met jeugdig groen.

Het fchoonst gehloemt ontfpruit en toont ons zijn vermoogen.

Voldoet aan onzen reuk en ftreelt de keurigfte oogen,

pe Zuidewind klapwiekt en fladdert aan en af.

Lykoris leunt verheugd op haaren herdersftaf,

Zij

t


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 25

Zij leidt de lammren en de teèrgewolde geitjes

Aan zilvrcn beekjes, vol van roode en blaauwe keitjes.

Zij vleit zich vergenoegd in 't malfche gras ter neer,

En zingt, ö Vrijheid, uw bcminlijkhcên en eer.

De bouwman, moede met den vlegelftaf te zwoegen,

Gaat met het forsch gefpan de vette landen ploegen.

Hier egt men: ginder zaait, men 't zomergraan verblijd,

En wacht een rijke winst na eenen korten tijd.

't Gevogelt' broeit en zingt, vol wondere eigenfehappen.

De fchraale kievit koomt zijn eigen nest beklappen.

Het vee verlaat den ft al.

De dankbaare Ooievaar

Verlaat den Nijl, en brengt den zoetten tijd van 't jaar.

Hij laat zi,n aankoomst blij en klepperbekkend hooren.

*c Gebloemte ftreelt het oog, gelijk de vogel de ooren,

En wekt Natuur als op, uit eenen

winternacht.

Maar wat verrukkelijk gezicht, en welk een pracht!

Hier praalt een goudgeel veld van olievolle bloemen.

Daar mag de boomgaard op eenzilvren pronkkuif roemen.

Ginds prijkt de korenhalm, met air, op air gelaên.

Hier zien wij velden vol van fchoone bloeïfems ftaan,

Waarop de nijvre Bij, nu af- dan aangevloogen,

Een leerzaam voorbeeld ftrekt. voor leerbegeerige oogen;

B 5

Als


z6 GODS GROOTHEID IN DE

Als zij de raaten met den zoeten honig vult,

En haaren koning eert; doch ook maar éénen duldto

Hier fleept de melkkoe, met haar jadders volgelaaden,

Haar' breeden kosfem door de malfche klaverbladen.

Ginds giet de melkmeid, van den zilverblanken boom

Tot aan den bovenrand, den zuivelftaar vol room.

Hier flaat de karenton fchuimbekkend aan het raazen.

Daar legt men boter op: ginds wringt men verfche kaazen.

Hier fpeelt Menalkas op bet herderlijke riet,

Voor jeugdige Amaril, een vrolijk minnelied.

In een' grasrijken beemd, aan fchoonbebloemde zoomen,

Van frisfche beekjes en zacht-kabbelende ftroomen.

De jonge Daphnis fcheert met grijzen Melibé,

Al zingend, hier, de vacht van 't witgewolde vee;

En groet den morgenftond met keur van zachte wijzen..

Daar hoort men Koridon den koelen avond prijzen,

Wijl 't uurtje nadert, om naar Kloris heen te gaan.

't Bosch dreunt van deuntjes, die de nachtegaaltjes flaan.

'k Hoor in zijn bogtighof, het ruisfchend beekje raazen.'

In 't malfche klaverveld gaan thans de kudden graazen.

ó Pril faizoen, ge ontvliedt te fchielijk aan ons oog.

Maar als de Leeuw zich toont aan 's hemels blaauwen boog-,

Schijnt


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang, ij

Schijnt ons de zon weêr al haar kracht bijëen te haaien,

En vrij wat meerder vuurs te fpreiden uit biar ftraalen.

Haar gloed, die telkens weêr opnieuw herbooren fchijnt,

Maakt dat het koren en het gras als aêmloos kwijnt.

Der ftroomen bed krimpt in: zij dropgen uit, en treuren.

De flijk wordt hard en ftug, en de oevers zien wij fcheuren.

De rijke korenair verfmacht van bangen dorst,

En roept den hemel toe, uit een verkwijnde borst.

Het water, als een damp, ten dampkring opgeroogen,

Ontzegt den regen , fcooon 'thet aardrijk uit ziet droogen.

En weigert tijden lang zulk eenen dierbren fchat.

Of zoo het fomtijds, uit de lucht, ter neder fpat,

Zoo is 't niet anders, dan met fchrikkclijke plasfen,

Of harde bollen, die uit water faamgewasfen,

Alömm' verwoefting zelfs aanrechten door hun kracht.

Dan toont de zon ons weêr een lieffclijker magt,

En maakt den zomer, om zijn gaaven, hoog te pri;zen.

Daar zien wij reeds van vérr' de zwangre halmen rijzen,

Op 't vriendelijkst geftreeld door Damons herdersftaf.

Ginds weidt de kromme zeis den vetten zaadöogst af.

Hier maait, daar keert, ginds zet men't hooi op fpitfe rooken.

pier wordt de volle vlam in 't ftoppelveld geftooken.

Daar


23 GODS GROOTHEID IN DÉ

Daar ftaat de vlegel, bij het juichend landgeluid,

Van 't zvveetend dorschgerei, het graan ten halmen uit.

Hier zwoegt het wagenros: daar ftapelt Bouwman bergen,

Van hooi en goudgeel graan, die 't wolkgevaarte tergen;

En past de fchuuren vol met allerhande graan,

Dat, in den winter, mensch en beesten zal verzaên,

Zoowel de laagc ftulp als vorstelijke Hoven:

Zoowel die met den ploeg den barren kleigrond klooven,

Als, die de baaren van het ongetemde zout

Op maat van wind en tij doorkruisfen met een hout.

Gijfmeert, öZomer, door uw zweet, de ftramme leden ;

En fchoon een rijkaart, die u zelv' kunt voên en kleeden,

Zijt gij een dienaar toch van 's Winters barre woên.

Nu koomt ook eindelijk het vierde jaarfaizoen,

'tWelk aan den wijngaardman tot loutre vreugd kan ftrekken,,

Wanneer hij met gezang den wijnberg op mag trekken,

Met korven op den rug, en 't krommes in de hand,

Waarmeê hij zijne vrucht, de blijd&hap van al 't land,

Gaat in het hangen van de booge bergen fnijden,

Tot hij zich over all' zijn' arbeid mag verblijden;

En hupplcnd wederom naar zijn gehuchtje treedt.

Nu prijkt de boomgaard in zijn prachtigst ftaatfiekiecd;

Hier


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezangi 2#

Hier opent ons Natuur" haar geurige oofttrezoorem

Nu zwijgt de broeikunst, die ons 't hart eerst kon bekooren;

Natuur zet aan de vrucht een volle rijpheid bij.

Hoevérr' dat ooit de kunst ter vruchtnavolging zij,

Toch moet zij voor Natuur en haare fchoonheid wijken:

Die mag met duizenden uitmuntendheden prijken,

Die geen navolging ooit kan leevren aan den fmaak

Van één' der zinnen, of dien tintien met vermaak.

KoomLekkertand, beproef: uw kunst is hoog gefteegen,

Voor alle uw moeite loont zij u met rijken zegen;

Maar zie en proef, hoevérr' hier uwe kunst bezwijkt.

Die edelheid waarmee Natuur een vrucht verrijkt,

En zelfs doortintelt, is niet in uw kunst te vinden.

Zoo wijkt een blaasbalg voor de moogendheid der wisden.

Zoo wint het van een kaars de heldre middagzon,

'k Zag wel een' leerling die zijn' Moester overwon,

Maar, en de Meester en de leerling waren menfehen.

Hier ftonden zij gelijk; maar gij kunt noch met wenfehen

Noch door uw kunst en vlijt, door vuur noch gloênden drek ,

Herftellen aan den grond dat verregaand gebrek.

Natuur en gij, kunt nooit hier in gelijkheid koomen.

Wat zien wij hier een pracht van rijkgelaaden boomen!

De


30 GODS GROOTHEID IN DE

De bloozende appel lacht de tanden vrolijk aan.

Hoe lieflijk zien wij ginds de perzik-tuining liaan

?

Bekleed met eedier wol en gloeiender fcharlaken,

Dan Romen ooit aan 't lijf van Cezar heefc zien blaaken,

De gloeiende abrikoos, aan gindfehen ouden muur,

Voldoet den fijnften fmaak, geftoofd door zonnevuur.

DJ geele peer braveert uw goud, ö Peruaanen.

De purpre tuinmorel, uw' wijn, ö Gaditaanen.

De blanke en blaauwe pruim den trotfehen paarelfchat^

Dien eens Cleopatra (s) verzoop in druivennat!

De fmaaklijke okkernoot hangt fierlijk voor onze oogen ,

Met een driedubble fchelle om 't b'lanÊe hart omtoogen.

Hier delft men meekrap, d&ir de drooge aardakels op;

Ginds oogst men raapen in. De vreugd rijst hu ten top,

Wanneer de bouwman met de hoop van lange tijden,

Den wclgevoeden hengst ter marktplaats heen doet rijden,

Of fchip op fchip met zijn beminde vrucht belaadt.

Terwijl de Herfst aldus allengs ten einde gaat,

Zet weêr de boer den voet al ploegend, in de voren,

En zaait, al tripplcnd heen, van 'tjongfte winterkoren,

Eeri

. •; Zie in 't Le;m ran Kgteer & BOOS tos.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. $t

Een rijkelijke maat, op 't omgelegen veld,

Opdat zijn pand, bij hem, aan 't aardrijk aanbefteld,

Verrotte, wortels fchiete, opnieuw beginn' te leeven,

En honderdvoudig vrucht den Landheer weêr moog' geeven i

Ten nutte van zijn kas, ten dienst van 't algemeen.

Nu, zijnde dag en nacht juist even lang van fchreên, (i)

Tlaagt ons geen fcherpe kou: de hitte kan men draagen;

Doch de aarde mist den fleur der korts voorgaande dagen.

Zij treurt nu, en het rijk der vruchten heeft thans uit.

Het blad wordt geel van plant en bloem en gras en kruid;

't Verdort; én al 't geboomt ontbloot van zijn fieraadje^

Hoe fier 't ook korts nog was op zijne pronkpluimaadje,

Is thans een gearmde fïronk, die treurt in zijnen grond.

Deeze is uw orden, 6 Getijden, in het rond.

ó God almagtig* die de tijden fchiept der jaaren,

Ontvang den wierookgeur van onze hartaltaaren.

Wij knielen needrig voor uw' hoogen zetel neêr,

En brengen plegtig U den hoogften lof en eer.

U zij de dank! uw naam zij eindeloos gepreezen,

Uw roem gaat boven ons begrip, ê fcheppend Wezen.

Al

(O «ven lang van fchreén,} De Hwfss dag- «n nachtevening.


92 GODS GROOTHEID IN DE

AI wat wij zeggen is maar fiechts een fchets van *t geer?'

Wij fchuldig zijn aan U, en ook aan U alléén,

Die door 't vcrdeelen van die twee paar jaargetijden,

Ons voedt en onderhoudt, en telkens wilt verblijden.

Met fpijs en vrolijkheid verzadend al wat leeft.

Wij danken U, die ons den vruchtbren wasdom geeft j

Den wasdo n, zonder wien geen jaargetij zou draagen,

Geen zaaijing baaten, en geen planting immer flaagen.

Wij danken U, die zoo alwijs de vruchtbaarheid

Gefehapen hebt, en dóór uw goedheid haar verfpreidt.

Wij offren U ons hart* wij ofFren onze zielen,

Terwijl wij voor uw' troon eerbiedig nederknielen,

U fmeckend deezen dank te ontvangen van een handj

Die, wasdom van U bidt, hetzij ze zaait of plant.

S

* * * * *

GEZICHTKUNDE! in het eind ziet gij dan, naar Gods orden.

Het uur dat voor uw oog de hemel nieuw zal worden.

En gij veel beter, dan nog ooit in vroeger' tijd,

Ziüt moogen inzien in het glinftrend luenttapijt.

De


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. gVj

De Alleenheer (niet het lot) geeft zelf, ter voorbereiding,

Geeftdoor een groot gefchenk(w)aan uwekunstdeuitbreiding j

't- Is 't onüitfpreeklijk, onberouwelijk befluit

Der- hoogfte Alwijsheid, door geen' fterveling gefluit,

't Welk ons die gaaf wil door de hand der kindsheid fchenken.

(God willende eene zaak, vérr' boven 't menschlijk denken

Gefchieden doen, heeft wel behaagen fomtijds, door

De zwak'fte middlen ons te leiden in dat fpoor).

Een

(u) Geeft door een groot gefehenk'] De kinderj van eenen Bril-

Jeinaaker te Middelburg in Zeeland , fpeelende in den winkel van

hunnen vader, plaatften, zegt men, twee glazen, het één vóór

hét ander, op eenigen afftand; zij zagen, met verwondering, den

haan op den kerktoren bij uitfleekendheid groot, en als of hij heel

habij was : zij deeden.hunnen vader djt ook zien en opmerken,

en die maakte voorts welhaast den eerden Verrekijker, waarvan

men zich heeft bediend.

ZACHARIAS JANSEN en JACOBUSMETIUS, hebben die

gelukkige ontdekking om ftrijd voltooid en GALILÉUS, heeft

er zich in 't jaar 1609 't eerst in de Sterrekunde van bediend.

Dusdanig Ws 't begin, waar men de uitvinding des Verrekijkers

aan verfchuldigd is. De eenvoudigheid der uitvinding van dit

werktuig, 't welk onze kennis in de Sterrekunde zoo vérr' heefc

gebragt, is omtrent dezelfde alsdievande uitvinding desZeilJleens;

der Drukkonst, der Water- en Windmoolens enz. ten blijke, dat da

Schepper der Natuur de allerë-'nvoudigfte oorzaaken wel wil gebruiken

om de allerfchoonfte uitwerkingen te doen gebooren worden:

en't is niet min merkwaardig, dat die zoo noodige kunstgeheimen,

dewelke door hunne eenvoudigheid, zich, om zoo ta

fpreeken, vanzelv' hebben ontdekt, geduurende eene lange reeka

yap eeuwen veihoolen zijn gebleeven, tot het der godjijke goedheid

behaagd heeft, dezelve te doen voortkeomen,

c


34 GODS GROOTHEID IN DÊ

Een lange buis, die in zich zelv' wordt ingefchooven 5

Heeft aan elk eind een glas; en (wiezou'tooitgelooven?)

't Gezicht wordt fchcrper, en het voorwerp meer nabije

En grooter ook. Dat nooit een ijdle jaloezij

ó Linkeus (v) ons bekruipe, om uwe vérziende oogen.

Dit noodig werktuig toont, door edel kunstvermoogen,

Nieuw Zoroasterdom, aan uw verrijkt gezicht,

Veel nieuwe fterren, vol van heerlijkheid en licht;

Werduïstren van wier glans,en'tfchijnen(»>)van wierftraalen'

U dient, ö Stuurman, om van 't fpoor niet af te dwaalen,

En opdat ge in mv vaart op zee niet wordt verleid.

Men ziet ook door dit glas de onzuivre ftof verfpreid,

Die uwen gloed, ó Zon, te mets gansch bleek doet worden.

Maar zoudie bron van 't licht, de zon, zoo groot van orden,

Der

(v) 6 Linkeus ] Eén der Argosvaarderen: hij had een bijuitftek

doordringend gezicht: De Fabel verhaalt wonderen daarvan;

en VALERIUS FI.ACCUS weeft dit geestig in zijn Gedicht

over den togt der Argosvaarderen, I. Boek, 463 vers, en vervolgens.

(w) 't Verduistren van wier glans, en 't fchijtien] Deeze nieuwe

Sterren zijn de Wachters of Maösen van J'upiter, door GALI-

LÉUS; en van Saturnus, door CASSINI 't eerst ontdekt; en 't

waarneemen van de verdonkering en weêr opheldering dier Wachters

of Maanen van Jupiter, heeft in 't bijzonder veel toegebragt

aan het voltooien de kennis van lengte «o breedte, tót meerdei

zekerheid in de Zeevaart.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 35-

Der vlekken oorzaak (x) ook wel hebben in zich zelv'f

Ik zie hen, als zij is aan 's hemels blaauw gewelf,

Bij beurten kleiner zijn, dan grooter, nu vertrekken,

Dan wederkoomen, nu weêr fchijnen, dan zich dekken.

Die iin en afloop dus in wisfeling beftaat.

Laat ons nü toonen hoe het daaromtrent al gaat (y).

Hei

O) Der vlekken oorzaak] De vlekken der Zonne zijn 'teerst

waargenoomen, in 't jaar 1611, door GALILÉUS, of door den

Jezuïet P. Sc H EIKER, die hem de eerfte ontdekking hefiigli,k

betwist heeft. Een verfchil, bijna ZOQ onafgedaan als dat van

LEII;NITZ en NEWTON, over de beroemde ontdekking van da

Differentiaal-Reekening. 't Pleit hangt nog aan den fpijker.

(y) hoe het daaromtrent al gaat. ] De Heer DE MAIRAN zegt

Jn zijne geleerde Verhandeling over 't Noorderlicht, (V. Deel

3. Vraag) dat de vlekken, die men veeltijth ziet, op de oppervlakte

van dc Zon, kunnen voortkoomen, van de menigvuldige

gistingen, en invallen der grove ftoffen, waaraan de dampkring

der Zonne, moogelijk wel onderhevig is. Deeze gisfing, verfterkc

door het gevoelen van DESCARTES, heeft, beken ik, veel waarfchijnlijkheid

: maar de oorzaak aan welke wij de vlekken der

Zonne hierboven toefchrijven, is even zoo waarfchijnlijk.

Vopr

het overige is de natuur der vlekken, of de ftof, waaruit zij ge.

vormd worden, dezelfde in de ftelling van MAIRAN, met d«f

onze: 't is altijd een gisting der grovere deelen : Deeze twea

meeningen verfchiilen alleen hierin, dat de eerfte, te weetea

de Heer DE MAIRAN, de grove deelen, welke de vlekken der

Zonne veröorzaaken , plaatst in den dampkring der Zonne; ea

dat wij integendeel die enderftellen, in het lichaam der Zonn?

?elve tc zijn,


35 GODS GROOTHEID IN bit

Het blinkend daglicht ftooft in zijnen buik en boogen^

Altoos een zee van vuur, dat fchielijk wordt bewoogen,

Van 't middelpunt der zon naar 't einde; en in zijn' loop

Zich wentelende, vormt die draaijing eenen hoop

En ganfche opftapeling van veel onzuiverheden;

Gelijk een kookend vogt ook door diezelfde reden

Opborrelt, en aan ons een vuile fchuim geeft uit.

Die hoop van vlekken nu niet in haar' loop gefluit,

In duisterheid en ook in grootheid onderfeheideri,

Moet aan het oppervlak der zonne (2) zich verfpreiden;

Haar' glans verdooven : ja wat zeg ik, zelfs die ftoet

Van donkre ftoffen, zou den wonderbaaren gloed

Der zonne, graadelings (0) uitblusfchen en doen zwichten;

Zoo niet die ftofF zoo ras als ze in het grootst der Lichten

Wordt

(2) aan het oppervlak dtr zonne] Men heeft aan de oppervlakte der

zonne, al tot vijfenveertig vlekken toe gezien, van onderfcheidene

groo6te,deééne meerder, de andere min duister, maaralle onophoudelijk

loopende, als in eene brandende vIoeiftofFe. In het jaar 170S

heeft men eene zoo groote verzameling van vlekken in de zon

gezien, waarvan de omvang in onderftelling van bolrondheid, duizend

zevenhonderd agtëntvvintigmaal grooter was, dan de Aarde: zie

de Academifche Gefchiedenisfen van 't jaar 1706, bladz. 123.

(a) der zonne, graadelings] • De verdwijning van fommige vasté

fterren, uit oorzaaken ons onbekend, daed FLAMSTEED en

andere


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 37

Wordt voortgebragt, ook al zoo fpoedig, door de kracht

Der zon, verflonden wierd, en weêr tot niet gebragt.

Aan deeze eenvoudige en natuurelijke reden

Der vlekken in de zon en haare duisterheden,

Het allerëerst ontdekt, door Galiléus brein,

Moest gij het wijten (Z>), ö zeeghaftig ftout Romein,

En

andere Sterrekundigen oordeelen, dat dezelve, onderfteld zijnde

Zonnen te weezen, geheel zouden uitgedoofd zijn, doordien zij,

naar hun zeggen, van tijd tot tijd verdonkerd wordende, door de

vlekken, welke zich op elkander hadden opgefteld, eene dikke

Isorst, op haare oppervlakte hebben gemaakt. Door dit Aftronomisch

uitwerkfel, daar zij de oorzaak met zoo veel vrijpostigheid

van opgaven, hebben zij beflooten, dat de Planeeten ook voorheen

Zonnen waren geweest, dewelke door veel verdikkingen der grove

deelen, die op haare oppervlakte gisteden, verko.rst en.de verduisterd

zijnde, daardoor zijn geworden gansch duistere lichaamen en

bewoonbaare aarde : Doch deeze voorgegeevene vormverandering

der Zonnen in Planeeten of bewoonbaare aardrijken, is grondig

wederlegd, door den Schrijver van Le Speüacle de la Nature: of

Sjhouwtooneel der Natuur, 3 Deel. bladz. 505. En 't is alzoo ongegrond

te zeggen, dat een Zon door verkorsting een bewoonbaare

aarde kan worden, als het onmoogelijk is, dat een fteen door

famenloop der beweegingen een mensch wordt.

(fe) Moest gij het wijten, ] PLUTARCHUS, PLINJUS en

SENECA zeggen, dat in 'tgeheelejaar, waarïn CEZAR vermoord

werd (zijnde het 7o8fte na de bouwing van Romen ) de zon niet dan

eenen bleeken en kwijnenden glans heeft gegeeven. De eerfte verzekert

zelfs, dat zij zoo weinig warmte gaf, dat de vruchten niet

:ijp weiden.

VIROILIUS fpreekt ook van deeze vgrflaauwing

d e ?

C 3.


3$ GODS GROOTHEID, IN DE

En aan geen' Jupiter, als of zich die wou wrecken,

Dat gij de zon zaagt op dien droeven dag verbleeken,

Wanneer de grootfte van uw ridderlijk geflacht,

Bij u veelmeêr dan (e) maar door Tijtels hoog geacht,

(ö Kon mijn Zangeres hem ook rechtvaardig hecten)

Gansch onverfchrokken bij zijn moordren neergezeten»

Van welken ieder hem den dood gezwooren had,

9

t Slagtoffer heeft verftrckt van uw verflaafde Stad,

Ik wil die dwaaling (d) u gemakkelijk vergeeven:

Want alle weetenfchap, die hoog was, zeer verheven

• En

des zonne!ichts, in eene fcboone uitweiding, op het einde van het

eerfteBoek zijner Landgedichten. De Romeinen zagen deezs bleek hei J

der zonne aan, als eene wraak der Góden , gelijk ook verfcheideno

kwaade verfchijnfelen , die zich , zegt men, na den dood van

CEZJR vertoonden, en van welke OVIDIUS N A S O , eene zeer

Dichterlijke Schilderij maakt, aan 't einde van zijn XV. Boek der

ilerfcheppirtgen.

(c) Bij u veelmeêr dan] CEZAR was min lofwaardig door

het groote getal zijner overwinningen , voor het gemeenebest

behaald, dan door de groote uitgeihekthcid van zijn' geest, de

grootheid zijner ziel, zijne zachtmoedigheid en andere deugden,

waarvan echter zijn heerschzucht den glans zeer verduisterd

heeft. Van al 't Romeinfche volk zou CEZAB na3r mijn gevoelen

de allerberoemdfte en allerwaardigfte zijn geweest, indien hij

piinder naar de alleenheerfching had geftaan.

Cd) Ik wil die dwaalingJ De Romeinen, die voor de welfpreek'endh^id

en de Dichtkunde eenen zoo goeden finaak hadden ,

bezaten


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 39

En afgetrokken, werd bij u nooit recht gefmaakt;

Uw ijver voor den krijg heeft alle kunst verzaakt,

Zich nooit verwaardigd, om, befcheiden haar te hooren.

Gij zaagt haar, koel van oog, in Griekens wijze chooren

Gehandhaafd en beloond, ö Volken - Koningin!

Gij zette op ééne kunst alleen uw hart en zin,

Dat al de weereld aan uw' Scepter mogt' gewennen,

Uw Wet mogt' hulden, en geen andre magt erkennen;

Maar gij, beheerfcheres van Koningen zoudt zijn.

ö. Romen, fchoon uw roem hierdoor te groeien fchijn',

't Was

bezaten echter alleen een' middelmaatigen voor de hooge Weetenfchappen.

Eerst omtrent eene eeuw voor de geboorte des Heilands,

hebben zij begonnen , die te oeffenen : en LUCRETIUS

was de eerfte, die hen in eenen hoogen top van denking heeft*

gebragt. De Sterrekunde, bij voorbeeld , was te Romen in 't

jaar 564, volgens het verhaal van TITUS LIVIUS, XXXVIII

Boek. 36 Hoofddeel, zoo onbekend, dat men, geduurende 3 dagen

Openbaare gebeden inftelde, bij gelegenheid van eene Eclips of

zonnetaaning, welke als een voorteeken van iets kwaads opgenoomen

werd. SENECA, die gefchreeven heeft omtrent in 't softe jaar

derChristen-jaarreekening, meldt, dat men nog maar federt weinige

jaaren de oorzaak der maantaaningen zeker en ontwijfelbaar kende:

„ Waardoor de maan taant, hebben wij deredenen federt korten

„ maarontdekt." Nst. Qtiaft. Lib. Vil. Cap 25. De Romeinen hadden

noch Sterre- noch Landmeetkundigen van eenige vermaardheid:

LUCRETIUS en PLINIUS, zijn de eenigfte Natuurkundigen va»

naam onder hen: maar helaas! wat Natuurkundige; inzonderheid,,

de eerfte.

C 4


4

Die zelfde hand, waarmeê hij krijgsdeugd heeft beloond,

% Bedrog te keer gegaan en alle trouw gekroond,

Zjich door het weereldrond geheel ontzaglijk maakte,

pen twist en krijg verdrong, dat.hun de lende kraakte,

I*.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 41

Ja 't overwonnen volk op al de heldendaên

En op zijn' Koning zelv' 't verwonderd oog deed flaan,

Beftuurde hij, zoo wél, in zijne legertenten,

Als hij daarmede in 't land de fchrandre geesttalenten.

Beloonde, en weetenfchap en kunst zette in den groei,

Verdeelend zijnen ftaf dus in een' rijken bloei,

Hier tusfchen d' Oorelog, ddar tusfchen Weetenfchappen.

Wat kwamen onder zijn befcherming toen, bij trappen,

Alle eedle Geesten, als bij hunnen Vader faam,

Uitmaakend eenen ftoet ontzaglijk groot van naam!

Dees zocht op Vondels fpoor de kunften aantekweeken:

Die deed alsDemostheen, de weereld van zich fpreeken(e):

Dees liep den hemel- of natuurgeheimen door (ƒ):

Die fteld' de tijden der onweetendheid zich voor(g):

Wier onvergaanbaare en hoogroemenswaarde Schriften

Zijn overal verfpreid, gelijk doorluchte giften:

Een fchat, door weetenfchap, en kunst, en geest vermaard.

Kunstkweeker, naam en kroon van eenen Koning waard,

Gij

{


4* GODS GROOTHEID IN

N S

Gij zaagt uw fchoolen in haar eer en luister bloeien

(k);

Door Werken vol van geest zaagt gij de glorie groeien

Van uw Grootraeestren, zelfs in alle weetenfchap,

Tillotfons, Spanheims, mild begroet, met handgeklap

Van medevrijers cn opvolgers hunner glorie.

Dus pronkt ge, ö William, in 's Rijks en 's Lands Hiftorie,

Tot uwen hoogen en onfterffelijken ro.em.

ó Eedle Boekerij (i),

wat fchuilde de eêlfte bloem

Der kunften onder u, met veel verftand-trezooren,

Die daaglijks zooveel vrucht opbragt aan wijze chooren!

Gefchriftbewaardfter van alle eeuwen, glorieboog,

Geleerdheidskweekfchool, thans ontdekt voor ieders oogl

Hier is aan iedre kunst het burgerrecht gegeeven.

Hier ziet men 't kunstpcnfeel in zijn volmaaktheid leeven (*).

Daar fpreekt het marmer zelf, ö Tiber, uit uw Mijn (/).

De Arachnes ziet men hier altoos onledig zijn (?«):

Men

(A) De Maatfchappij der Weetenfchappen in Engeland.

( i ) De Koninglijke Boekzaal in Engeland, en die van 's Lands

Hooge School te Leyden.

( x ) De Broederfchap van Piclura in 's Graavenhaage.

CO De Beeldhouwen'.)'.

Cm) De beroemde Leydfche, Haarlemfche en Engelfche Manufaduur

Weeverijen..


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 43

Men voert haar' vingrenwerk naar alle weerelddeelen,

Bekwaam den Vorsten zelfs het hooge hart te ftrcelcn!

Der helden dapperheid ontftaat noch loon noch lof,

Maar ook de kunften treên aan 't vorstelijke hof.

De Koopmanfchap, die ziel en zenuw aller Staaten,

Proeg Neêrlands naam en dien der Engelfche onderzaaten;

De ganfche weereld door, in 't verst-gelegen land;

Zij gaf ons 't Indisch goud, en wakkerde ook 't verftand

In alle naarftigheid, door Gods gefchonken' zegen,

o Nederland.! 6 Rijk van Albion! — door degen,

Gebeden, en beleid van William, behoed,

Werd alles binnen u veredeld.

Draagt uw' moed

En roem daar eeuwig op; maar zoekt gij roemensreden,

Draagt nog veel meerder roems op de edelmoedigheden,

Vol krijgsdeugd en verftand van deezen grooten Vorst,

Die voor uw waar belang het alles waagen dorst;

Op uwe liefde voor zijn Hyis, Perfoon, en krooning.

At/-

TJ? Tj? TJ?

6 Gij, wiens grondbeftaan(w) en rijkeprachtvertooning

't Begrip

(«) 6 Gij, wiens grondbeftaan'] De natuur des lichts heeft aan

ês fchranderfte onderzoekers der Natuurkunde, veel werk gegeeven;

doch


44 GODS GROOTHEID IN DE

't Begrip te boven gaat, door 't ftraalen van wiens licht

Al wat ik zie, terftond kan treffen mijn gezicht,

Gij, wie ik aarde, zee, en hemel, fraai zie kleuren,

Door wie'tHeel-Al het hoofd ter flaapkoets uit mag beuren,

Gij, groot onmeetbaare en zoo zuivre vloeibaarheid,

Die 't groot Heel-Al vervult, en glansrijk overfpreidt,

6 Fijn, onvatbaar Licht! naar welke kunst en orden

Is 't heerlijk pronkftuk van uw lichaam eerst geworden?

Zooveele fterrcn als wij in het hemelsch plein,

Gezaaid zien, vlotten in uw vloeibaarheid, die rein

En zuiver is; en nooit doen zij ons haare glanfen

Befchouwen, aan de rijkgefternde hemeltranfen,

Dan voor zopverr' het licht doo.r haar bewoogen is.

Dus wordt ook 's nachts verzacht de dikke duisternis:

't Is 't Licht alleen dat van de ftraalen, die zij fchietcn,

De indrukfels ons ook dpet zoo aangenaam genieten.

De

éoch zij hebben de rechte kennis daarvan niet kunnen bereiken,

Zij weeten niet, en zullen waarfchijnlijk nooit weeten, door wat

weg het licht verfpreid wordt. Want God de Heer aan JOB

vraagende: waar is de weg daar 't licht woont, en de plaats, daar

hetzelve verdeeld wordt ? Cap. XXXVIII vs. 19 en 24. konde

hij daar niets op antwoorden. De grond van 't wezen des lichts,

dat de oogen aandoende, de gedaanten en orden der lichaamen ons

doe: zien, blijft nog altoos een raadfel.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 45

De zon die 't licht zoo drijft, door fchudding, keer op keer,

Stort zulks in weinig tijds O) op onze wooning neêr.

Gelijk men van rondom, wanneer men in ftil water

Iets zwaars ter neder werpt, nietflechts hoorteen geklater,

Maar ook ziet uitgebreid de kringen op het vlak

Tot aan zijn boorden tóe: zoo fpreidt van 't fterrendak

Zich oogenblikkelijk het licht, en doet zijn ftraalen

Met ongemeenen glans door al 't uitfpanfel praaien.

Dit gansch onkenbaar licht, omtrent deszelfs natuur *

Is rondom ons des nachts, verwachtend Hechts het uur,

Dat het wordt aangepord óm wederom te daagen:

't Staal vuurt\ zoo ras het aan den kei wordt aangeflagen.

Zoo is 't noodzaaklijk, dat, uit flingeringen, die

Een hort heeft voortgebragt, het zich bewoogen zie,

En aanftonds weêr in die beweeging zich vertöone.

Door deeze werking wordt aldus het licht, die fchoone

Dagbrengfter,

(0) Stort zulks in weinig tijds] Volgens de reékening van

NEWTON, heeft het Licht niet meêr dan 7 of 8 minuuten noodig

•m van de Zon tot de Aarde te koomen: dat is, om 33 mülioenen

uuren afteleggen : Men kan niet weeten , wat tijd het noodig

heeft, om van de vaste Sterren tot onze aarde tc koomen, Wijl

baar afftand onnarcekenbaar is.


46 GODS GROOTHEID IN DE

Dagbrengfter, onderfteund in 't hoogfte luchtgewelf.

Niets werkt in 't groot Heel-AI iets van als uit zich zelv'.

Natuur behelst altoos een' famenhang van zaaken,

Tot wiens grondkennis nooit een ftervling kan geraaken:

Want alle uitwerking, die het fchepfel ziet, of hoort,

Koomt in Natuur uit een weltreffende oorzaak voort.

Gelijk een bal, die 'k daar befchouw, vlügtuit mijn oogen:

Wat wonder ? 't is mijn hand, die hem eerst heeft bewoogen.

De kei bevat een vuur, 't welk in hem ligt als dood:

Doch zal dat vuur zich zelv' vertodnen, moet een ftootj

Die zeer gevoelig is, den harden keifteeri treffen.

Geen klank, hoe zeer ik ook mijn doren dp mag heffen,

Dringt tot hen door, zoo niet de lucht alvodrens beeft,

En eenig lichaam haar een' flag veroorzaakt heeft.

Maar door wat wonderweg; ftaat ons nu nog te merken,"

Hoe dat dit helder licht op grover ftoff' kan werken;

Hoe en door welke kunst, die ons gezicht bekoort,

Zoo menig voorwerp, elk van onderfcheiden foort

Door 't glinfterend geftraal hier voor ons oog kan zweeven.

Vanwaar toch kan het ons die fchoone kleuren geeven£

Ja zooveel kleuren, zoo verfchillig, onderling,

Nu eens met deeze dan met die verandering?


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 47

Hoe of


4S

GODS GROOTHEID IN DE

Gij zijt het die mijn ruw en onvolmaakt Tafreel

Meêr op kunt heldren en voltooien:— mijn penfeel

Leg ik voor u ter neêr: van u mag ik begeeren,

Die kunst in hooger trap te ontvouwen en te leeren.—

ö Heerlijk kunstgeheim, dat 'k hier zie afgemaald!

Een ftraal, wanneer hij heeft het doorfchijnglas ( q ) beftraald,

Kan ons het fraai gezicht van zeven kleuren geeven (V),

Diehoofdöorfpronglijkzijn: en haar wordt tocgefchreeven

Dat zij zich onderling vermengend, onder haar,

Door die verëeniging, zoo fterk als wonderbaar,

Wel duizend nieuwe door die famenftemming teelen;

Gelijk een ftroom, wen die in onderfcheiden deelen

Door

over de veelheid der weerelden. De leer van den Heere NEW­

TON, over de Gezichtkunde is daarïn uitgelegd, niet alleen op

eene nette en klaarc manier', maar zelfs op eenen aangenaamen en

vluggen tranc.

(q) het doorfchijnglas] (Prisma.) Een driekantig glas van omtrent

een* halven voet lengte, waarïn men door behulp der licbtftraalen.

de verfcheidenheid der kleuren gewaar wordt.

f>) van zeven kleuren geeven,] NEWTON,

in zijne Gezichtkunde

verdeelt eenen ftraal in zeven deelen, welke hij hoofdkleuren

noemt, te weeten: rood, oranje, geel, groen, llaauw, indigo

en violet; en uit derzelver vermenging zegt hij, dat alle de onderfcoorige

kleuren gebooren worden, te weeten: graauw, bruin»

tlijf'kleur, hvdkhur, enz. P. CASXJSL, die volgeestige uitvinder


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 49

Door buizen is geleid, tot duizend beekjes groeit,

En lang* het vruchtbaar veld met zilvren golfjes vloeit.

Het fijne weeffel nu van die gekleurde ftraalen

Kan zelfs niet in het minft' ooit van zijn wezen dwaalen:

Geenkunst brengt zulks tot niet(Y): in't midden ftaan geplaatst,

Het blaauw en rood; geen glans hoe fterk gewederkaatst

Verandert hen: Gelijk geen mensch kan doen verdwijnen

Het allerminfte deel, hoe klein het ook mag fchijnen,

Van

der in de Meetkunde, verzekert integendeel (in de VI. aanmerking

van zijne Gezichtkunde, biadz. 87.) dat een ftraal niet

meêr heeft dan drie kleuren , rood, geel en blaauw; en dat de

voortkooming der andere kleuren uit derzelver vermenging ontftaat.

De Heer Du FAY, door wiens te vroegtijdig affterven de

Weetenfchappen veel verlooren hebben, houdt datzelfde gevoelen

ftaande : Doch 't gezag van die beide, hoe hoog men het ook

acht, kan echter bij slat van NEWTON niet haaien; als zijnde

gegrond op de allerfijnfte en best-overtuigende ondervindingen

door middel van het doorzichtglas of Prisma.

(j) Geen kunst brengt zulks tot niet: 3 Laat eenen rooden ftraal

gaan, door een tweede, derde of vierde Prisma, door een geel of

door een blaauw glas: men zal nooit iets anders zien dan rood. En

zoo ook eenen blaauwen, hij zal blaauw blijven overal, waar men

hém doorlaat, in alle proeven die men daaromtrent maakt. De

ftraalen hebben alle eene eigene natuur, die niet verandert. Zie •

het Schouwburg der Natuur of Le Spettacle de la Nature, IV. Deel,

bladz. 169.

D


So GODS GROOTHEID IN DE

Van water, lucht, en licht, in zijn gedaante of perk»

ö Eeuwigrijke bron van wijsheid! 't is uw werk:

Al wat er is of was, kwam uit uw fchathuis daalen,

Gij, kunt het ook alleen weêr door uw magt vermaalen!—

Welk is de ftand, de loop, welk is het maakfel, van

Den bol, die in den nacht, alleen best lichten kan?

Waartoe, nu lichtrijk, dan weêr duister in zijn boogen,

Bedekt hij zijnen glans voor onze opmerkende oogen?

Nu toont hij zich gelijk een boog, voor ons gezicht:

Dan groeit in zachten loop weêr dagelijks zijn licht.

Wanneer zijn volle kring hoog in de lucht mag prijken.

Doet hij in 't groot Heel-Al den nacht den dag gelijken,

Doch wen hij graadelings weêr afneemt in zijn' boog,

Verkleent hij daaglijks, en ontduikt het menschlijk oog.

Van u, 6 Zon, is die verandering gefprooten:

Heur klaarheid heeft de maan van uwen glans genooten.

Uw ftraalen fcheppen door weêrkaatfing, haar, dien gloed.

Naar dat ze u nader koomt, of van u wijken moet;

Juist naar die maat heeft zij, of meêr of minder klaarte,

Ja haar verwisfeling.

Maar taant ge, ö groot gevaarte!

ó Zon, en wordt uw bol verduisterd. Ja ik zie 't:

Uw lichtöntvangfter, door het opperwijs gebied

Genoodzaakt,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 51

Genoodzaakt, nabij u, in uwen trans te koomen,

Heefc tusfchen de Aarde en u voor altoos plaats genoomen

In haaren loop: En op de ontleende glanfen fier,

Stuit zij den doortogt van uw helder-fchijnend vier,

En koomt door haare dikte u aan ons oog ontrooven.

Zijt dan gewrooken! zij blijv' van uw' kring verfchooven,

Aan de Aard' geklonken, en wordt daar nog zonderling

Herömm' gefieept, als een gevangne in haaren kring,

Opdat zij cijnsbaar aan den aardbol mooge worden,

Voor wien zij wijken moet in grootheid (ï) en in orden.

Verdraag nooit ftrafFeloos, ö zon, dien hoon der maan.

Zorg dat op uwe beurt, haar tintellicht ook taan'.

Gij maakt reeds een begin. Ik zie haar' glans verbleeken.

Haar zilver fchittrend licht is gansch van haar geweeken.

Zij wordt nu zwart en doodsch: Atheniënzer Vloot («),

Die zwartheid joeg u zelfs, door fchrik, in uwen dood.

En

CO in grootheid] Volgens den Heere CASSINI, is de Maan

tweeënvijftigmaal kleiner dan de Aarde. In haaren hoogden afftand

ftaat zij omtrent negentigduizend, en in haaren laagften , omtrent

agtënzeventigduizend uuren, van de Aarde af. Anderen reekenen

den middelafftand der Maan van de Aarde, op 240,000 Engelfch»

mijlen.

(«) Atheniënzer Vloot,] THUCIDIDES in zijn VII.Boek, Vertaalt

, dat des daags vuor den befaamden llag in de haven van

X) 3 Syrakusea^


$% - GODS GROOTHEID IN DE

En gij, grofvolkje(v),'twelkwein 't véïfte land ontmoeten,

'tWelk 'tgoud vertreedt, dat daar wast onder uwe voeten,

Wiens ftem klinkt door de lucht en dat in zulk een' tijd

Uit enkel bijgeloof bevreesd zijt voor een' ftrijd,

En dien belachelijk te keer gaat met fchalmeien!

Sta van uw dwaaling af: laat ze u niet meêr verleiên:

Zie wat die duifterheid veroorzaakt aan de maan.

Het aardrijk wendend voort, langs zijn gewoone baan,

Heeft nu zich tusfchen maan en zon, die hem verkwikte

Door haaren glans, geplaatst, en door zijn grootte en dikte

Dat

Syrakuzen de Maan taande; waardoor de Atheniënzers,

die met hunne

Vloot de Stad belegerden, ten uiterflen verfchrikt werden. N r-

CIAS hun Admiraal, nam die taaning voor een kwaad voorteeken,

< en ftelde uit bijgeloof den aftogt, dien zij wél overlegd hadden in

denzei ven nacht te willen doen, nog verder uit: het welk gelegenheid

gaf, tot dat gevecht van den volgenden dag, waarin de Atheniënzer i

geheel geflagen zijn geworden: Dus veel kwaads veroorzaakt bijgeloof.

; ( v) Engij, grof volkje,] Men leest in de vernaaien van West-Indiën,

dat de inboorelingen van Chili, wanneer zij eenemaantaaning zien,

zich over de velden verfpreiden, en onder een ijslijk gefchreeuw

op koperen ketels flaan. Zij meenen dat de Maan dan in gevaaris,

van door een' Draak verflonden te worden, en dat hij haar

bedekt, door zijne gedrochtige grootheid, welke zij zeggen te weezen

van ^ooelleboogen, dat is 300 voeten; verbeeldende zij zich dat hun

gedruis den Draak verfchrikt en op de vlugt jaagt: En als de Maars

dan weêr te voorfchijn koomt, vieren zij al dansfende en zingende

die ingebeelde overwinning, als door hun lieder hulp behaald.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 53

Dat vuur heel onderfchept. De maanhol is bedekt

Met eenen voorhang, die zijn' glans aan hem onttrekt.

Zoo fpreiden ook geen' glans de heldre lichtflambouwen,

Wanneer ik tusfchen die, en 'toog, mijn hand wil houên;

Het lichaam, tusfchen in geplaatst, moet mijn gezicht

Terftond berooven, door zijn dikte, van het licht. -

Wat zal ons 't oppervlak der maan nog meêr ontdekken ,

Als 't vérreziende - glas tot hulp van 't oog mag ftrekken ? .

Ik fta verbaasd. Hier fchijn ik hoog gebergt te zien!

Hier fchijnen zee en ftroom (w) en afgrond zich te biên j

Aan

(w) Hier fchijnen zet en Jiroem]

De verzekerende toon, waarmede

DER HAM, in zijne Voorrede voor zijne Sterrekundige Godgeleerdheid

van deeze Zeën en Rivieren fpreekt, fchijnt mij wat al

te ftout: De zaak is alleen maar moogelijk, en'tkon wel zijn, dat

in de Maan noch Zeën noch Rivieren waren, gelijk

die

HUIGENS,

ze echter denkt bevolkt te weezen , in zijne Cosmotheoros

bladz. 114, tracht te bewijzen.

Meêr omzichtigheid vindt men in

*t zeggen van den Heer DEFONTENELLE, over dit onderwerp. De

Wijsgeeren zegt hij, welke met hunne Verrekijkers naar de Maan

reizen, hebben daar zeën, meiren, hooge bergen en diepe afgronden

ontdekt. Dit is echter meêr niet dan een gisfing, en men

heeft het ook maar aanteneemen, als iets van vérren afftand koomende:

Zie zijne Meerderheid van Weerelden, in de tweede Samenfpraak.

Maar zoo de zeën en meiren al niet meêr zijn dan een gisfing, de

bergen, en wel zeer hooge, hebben echter eene genoegzaame zekerheid;

met den Verrekijker ziet men niet alleen de gebergten,

D s

» a w


54 GODS GROOTHEID IN DE

Aan mijn gezicht! Wij zien dus onzen bol en deezen

In veele trekken zelfs vrij evcnvormig weezen;

En dat zij beide dik en even duister zijn.

Gelijk als ook des nachts de maan, door haaren fchijn,

Aan't aardrijk licht verfchaft, zoo leent die bol zijn klaarheid

Ook beurtlings aan de maan, na een beweczen waarheid.

Zij kaatfen weêr te rug, bij vaste wisfeling,

Het licht, dat van de zon, elkeen van hun, ontving.

Zou nu die zon, die hier op aarde haare ftraalen

Op zooveel duizenden van menfehen neêr doet daalen,

Alleenlijk in de maan, verlichten enkel ftofF ?

Of zou ze, op wezens die ook denken, uit haar hof

De heldre ftraalen van haar' glans niet min verfpreiden,

Om die zoowel als ons, daardoor als opteleiden,

Tot overdenking van een tweede weereldrond,

Dat van zijn fchepping af, in de uiterftc orde ftond,

Van fchatten, fchoonheên, en natuurvermaaklijkhedenV

Deeze onderftelling (x) is aanneemlijk, en op reden

Geftaafd ;

maar ook zelfs de fchaduw daarvan: Want de Heer CASSINI

(in de Memoires de iAcademie van 't jaar 1724. bladz. 405. ) van

derzel.er hoogte fpreekende; zegt er éénen te hebben gezien,

weikers hoogte hem wel drie uuren gaans toefcheen te zijn.

(K) Deeze onderftelling'] Ik fpreek van de bewooneren der

JHaane en der andere Planeeten, alleen bij gisfing, en om niet met

fliizwijgen


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. SS

Geftaafd; want nimmer was, ó Schepper van 'tHeel-Al,

Een gisfing, die U meêr tot glorie ftrekken zal:

Zij werpt den mensch voor uw alwijsheid neêr als wormen.

Zou in 't planeeten-heir wel elk een weereld vormen,

Die van den zonnegloed verkreeg' haar licht en fchijn?

Zou verder elke Ster een Zonne teffens zijn,

En elk afzonderlijk een weereldrond beftraalen,

Dat bij het onze kon in allen deele haaien,

'Bewoond]

ftilzwijgen voorbijtegaan eene ftelling, welke, fchoon door

fommigen op wélgegronde waarfchijnlijkheden omhelsd , echter

door anderen, om redenen, niet min aanneemelijk, verworpen

wordt. Van alle de Geleerden, die daarover fpreeken, zal ik er

alleen twee aanhaalen. De Heer FABRICIUS, die zoo groot

een Natuurkenner als Godgeleerde is, fielt: „ Daar is niets zoo

„ laag, zoo onnozel, nog meêr tegens de reden ftrijdig, dan, van

,, de onbegrijpelijk hooge en wijze werken Gods te denken, dat

,, de Planeeten alleen maar ftrekken zouden, om onze Aarde des

„ nachts te verlichten, daar 'tin tegendeel redenlijk is, te ftellen,

„ dat ze bewoond worden door fchepfelen, in ftaat, zoowel als

„ wij, om befpiegelaars en bewonderaars van de uitmuntende werken

„ des Allerhoogften te zijn". Zie zijne Waterkundige Godgeleerdlteid,

tweede Boek, eerfte Hoofddeel. De fchrandere Schrijver van 'tWerk,

Spedacle de la Nature, vierde Deel, bladz. 499. met meêr omzichtigheid

fpreekende, zegt: „ het denkelijk te zijn, dat eronder-

„ fcheidene fchepfelen op de Planeeren woonen , om hunnen

„ Schepper te looven; alzoo er in zulks te denken niets gelegen

„ is, dan datgene 'twelk overëenkoomt met Gods groote Almagt,

„ en met de dankbaarheid, welke alle fchepfels aan Hem verfchul*

„ digd zijn".

D 4


56* "GODS GROOTHEID IN DE

Bewoond van wezens, die begaafd met denkenskracht !

Door U gefchapen zijn, ten blijke van uw magt,

U, Schepper! als van U afhangend, hulde biênde,

En met het oog van 't hart U en uw daaden ziende,

Erkennend al uw goed, hun hart, ö Hemelheer!

Gewillig offrend als een' wierook tot uw eer?...

Wil mij, indien ik dwaal, die ftelling, Heer, vergeeven !

'k Sprak dus, opdat uw Naam daardoor mogt' zijn verheven.

Geen zucht tot ijdlen roem, heeft mij daartoe gefpoord,

Maar liefde tot uw eer.

Welk een onmeetbre poort

En loopbaan zou het voor uw oppermagt ontfluiten,

Indien uw majeftcit vol godlijkheên, ook buiten

Deeze ééne weereld nog ontelbaare andren hadd',

Waarin een heilig volk danköfïïend U aanbad'!

~ ~

Een onbekend geftcrnt'(j)5meêrfchroomli J

;k,dande donder,

Enfchrikklijk in het oog, maakt al het menschdom, onder

(y) Een onbekend gejlemt',"] Er is geen vaste ftelling omtrent de

Staartfterren, alzoo het onderzoek daarvan maar is begonnen in 't

jaar 1680, bij gelegenheid dat er toen één zich vertoonde, grooter

en helderder dan men ooit te vooren gezien had.

Ook zal men

«mogelijk de waare oorzaak der ongeregeldheid van haaren loop ,

en

De


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eer/te Gezang. 57

De tintelende maan verbaasd en gansch bedeesd.

't Is een verfchijnfel, dat gansch ongewoon, een meest

Onvaster orde houdt door 's hemels ruime boogen,

Entoont, met vlammend hair(z)en ftaart,zich aan onze oogen.

Verflagen

en de verfcheidenheid haarer gedaante niet uitvinden , dan,na eene

lange proefneeming en aanteekening der wederkoomst, gang en

verfchijning der Staartfterren van eenigen bijzonderen rang. Al wat

wij totnogtoe van de Staartfterren zeker weeten, is, dat zij dwaal- .

fterrenziin, dat dezelve in onzen draaikring inkoomen, en fpoedig "

weder daaruitgaande, hunnen loop vervolgen, rondom de Zon, I

als de aluemeene Voedfter, langs de uiterfte einden haarer kegelkringen.

NEWTON, zegt in zijne Wiskunjïige Beginfelen, dat de

Staartfterren haaren loop van nog veel vei der af hebben, dan Sa- i

turnus. ó Hoe groot moet dan de uitgeftrektheid deezer kegel- of

eirondkring van haaren loop weezen!

Van ouds, en ook ten

tijde van COPERNICUS, wiens dood in *t jaar 1543 voorviel,

had men reeds al zeerveele Staartfterren gezien; en na dien tijd

beeft men er wederom, veele en gansch verfcheidene, gezien en

geteld: Zie daar dan, het getal der Dwaalfterren, zeer vermeerderd,

en onzen draaikring vrij meerder uitgeftrekt, danDsscARTE*

ooit gemeend heeft.

(2) met vlammend hair ] De ftaart van de Staander, die zich

als vlammend hair aan 't oog vertoont, is datgene 't welk de

menfehen 't meest verfchrikt, en zooveel toebrengt, dat dezelve

worden aangezien, als boden van God gezonden, om zijne wraak

aantekondigen, en als voorloopers van Oorlog, Pest, en Honger:

Deeze ftaart nu, of vlammend hair, zoo ontzaglijk voor 't gemeen,

is, volgens het algemeenfte gevoelen, niets anders dan een

groote menigte van uitdampingen, die de Zon, door de werkzaamheid

van haare warmte van het lichaam der Staartfterre aftrekt,

naarmaate, dat zij de Zon nadert, en die voorts overvloeien in den

dampkring, welke rondom die Ster is. De Heer MAIRAN, geeft in

D 5

z i

J' n e


58 GODS GROOTHEID IN DE

Verflagen volken, ei verbant toch uwen fchrik!

Vreest niet dat een Tyran nu ieder oogenblik

Uw woonplaats nadert met verwoesting, roof, en moorden,

Dat een verpeste lucht in uw gezegende oorden,

AI uw bevolkte fteên ten fombren kerkhof maakt,

Dat ieder element op u zijn felheid braakt,

En dood en honger koomt in uwe velden blaazen!

Te veel, te veel kon u de onwcetendhcid verbaazen:

Door de oude dwaaling waart gij reeds maar al te lang

Voor de ingebeelde roê van zulk gefternte bang.

Die vreemde ballen zijn ontbloot van alle krachten:

Gij moet in onzen kring als reizigers haar achten,

Die, in -verfcheidenheid van afftand, van de zon,

Ook beurtlings naadren tot die heldre ftraalenbron;

Gefchapen, om te gaan door lange kegelkringen,

Somtijds verfchijnend (a) hier, voor 'toogderftervelingen,

Niet

zijne Verhandeling van 't Noorderlicht (V. Deel, Vraage 24) eene

andere gedachte omzichtiglijk als twijfelachtig op, welke echter

niet min waarfchijnlijk is, dan die wij hier hebben ter neêr

gefield.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerjte Gezang. &

Niet om een' ftrafdag hun te fchetfen voor het oog,

Voleindend hunnen loop aan 's hemels ruimen boog.

Wat onderfcheiden' ftoet van tintelende ftarren

Zie 'k aan 't azuur gewelf in fchijn zich als verwarren,

Die echter met haar' glans vast praaien in 't Heel-Al!

Maar wie toch fchetst ons ooit hun talleloos getal?

Alleen Gij kunt het doen, ö God (i) en groote Koning,

Die aan haar allen gaaft, van pool tot pool, haar wooning,

Aan

dat de Staartfter die in 't jaar 1682 verfcheen, dezelfde is. die

zich in 't jaar 1607 heeft vertoond, en zoo te rug gaande, ook in

't jaar 1531 en 1456: en hieruit befioot hij dan, dat zij naar alle

waarfchijnlijkheid in 't jaar 1758 weder zou verfchijnen, als blijkende,

bij opreekening der tusfchenftanden van tijd, waarin zich

dezelve heeft vertoond, dat zij haaren loop in 75 jaaren voleindigt.

Men leest ook in datzelfde Werk, bladz.7S. dat de Heer NEWTON

in zijne Wiskundige beginselen van de Wijsbegeerte verhaalt, hoe

dat de Heer HALLEY hebbende opgemerkt, dat zich viermaal

achtereenvolgende, telkens na eenen tusfchentijd van S7Sjaaren,

te weeten bij den dood van JULIUS CEZAR, vervolgens in 't

jaar na CHRISTUS geboorte 531; voorts in 't jaar noó in de

maand Februari, en eindelijk op het laatst van *t jaar 1680, een

zeer groote Staartfter had vertoond, die telkens eenen verfchrikkelijk

grooten ftaartheeft gehad, hij C te weeten de Heer HALI.EÏ)

hieruit den kegelkrings - loop derzelver had bepaald, en verder

daaruit opgemaakt, dat deeze Staartfter in 't jaar 2255 zich

•weder zal koomen vertoonen. 't Zal dan aan de Halleyaanen van

dien tijd, (taan, zijne voorfpelling te bewaarheden.

ib~) Gij kunt het doen, & God] PSALM CXLVII, vers 4. Hij'

telt het getal der Jlerren; Hij noemt ze allen bij naamen.


6a GODS GROOTHEID IN DE

Aan ieder haaren naam en vastgeftelden pligt,

En door een woord dit al hebt wonderbaar verricht.

En haar beftuurend in haar uitgeftrekte kringen,

Aan zeekre wetten boeide, ö Schepper aller dingen. .

Herftellers, vol van roem, der kunst vol zeldzaamheên,

Timocharisfen en Hipparchen, Ptolomeen,

Van deeze lichten durfde gij 'f getal bepaalcn (c).

Maar, daar een dikke wolk van neevlen u deed dwaalen,

Verdonkrend

(c) 't getal bepaalen.'j De Sterrekundigen van den ouden tijd,

telden niet meêr dan duizend en tweeëntwintig vaste Sterren ; en wij

zouden er zekerlijk nog heden niet meêr tellen, indien de Verrekijker

niet ware uitgevonden. Die groote mannen hierboven genoemd,

hadden naar aile gedachten dezelfde ontdekkingen in de

Sterrekunde kunnen doen , als zij het gebruik des Telescoops hadden

gehad. Dies handelen wij onrechtvaardig, zoo wij in de

Ouden hunnen geringen voortgang in de Natuur- Ontleed- en

Stuurmanskunde willen berispen. De verbaazende voortgang, dien

zij in de welfpreekendheid, Dichtkunde en vrije kunsten hebben

gemaakt, is een bewijs, dat zij noch in geest noch in befpiegelende

kennis, minderwaren, dan wij : Waaruit volgt, dat als zij

gebruik hadden kunnen maaken van de Luchtpomp, het Vergrootglas,

hetCompas en den Zeilfteen, zij naderen nader zouden zijn

gekoomen in de Weetenfchappea, die door de noodige werktuigen

bij onzen tijd in hoogeren trap van volmaaktheid zijn gebragt.

Het voordeel 'twelk wij hebben, boven de Ouden, in opzicht van

de daadelijke en oeffenende kennis, zijn wij alleen aan 't geval

verfchuldigd; en het past ons weinig, trotsch te zijn op Weetenfchappen

enkel door "t geluk verkreegen, en op rijkdommen, welke

wij als hunne nakoomelingen, aan de ontdekkingen des tijds te danken

hebben.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang.


6z

GODS GROOTHEID IN DE

Die met het doorzichtglas, 't welk u tot licht verftrekte,

Omtrent het ftargeftel veel nieuws het eerst ontdekte:

En, als gebooren tot Grootmeester in uw kunst,

6 Zoroasters, mogt, uit een bijzondre gunst,

De fterren meeten, net befchrijven, en vermeêren (ƒ).

Juist als die held (g), naar wiens ontdekking al 't begeeren

Der weereld zag, zoo nut voor elke volgende eeuw,

De nieuwe Typhis

Die,

Een

die'beroemde waterleeuw,

vindend eenen weg door de onbekende ftroomen,

volkrijk vierde deel der weereld op deed koomen.

De heldre fterren nu, in eindeloos getal,

Staan als onwrikbaar aan 't uitfpanfel van 't Heel - Al;

En, in gelijkheid met de zon, als lichtflambouwen,

Bezitten ze in zichzelv' den glans, dien wij befchouwen.

Terwijl

der hedendaagfche Sterrekunde. Hij is het, die door middel van

den Verrekijker, het eerst, in het uitfpanfel, de verbaazende ontdekking

van meerder Sterren dan te vooren bekend waren , heeft

gedaan , en ook daardoor de Stuurmanskunst heeft volmaakt.

In zijnen Nuntius Sidereus of Sterrekundige Berichter, toont hij

zulks duidelijk aan, werwaards wij den Leezer wijzen.

f/) en vermeêren] Te weeten, door de ontdekking der vier

Maanen, bij den Planeet Jupiter, welke hij het gefternte deMedicis

genoemd heeft.

(g) Juist als die held,] CHKISTOFFEL COIÜMIHS, ia

't jaar 1492

O) Typhis,"} De Stuurman der Jrgosvaardireru,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. EerfieGezang. 63

Terwijl zij als de zon, het leeven, en het licht

Verfpreiden, is haar ftand (i) voor 't allerfcherpst gezicht

Oneindig groot, en heeft noch perk, noch maat, noch paaien.

En mooglijk hebben zij nog luisterrijker ftraalen;

Misfchienookgrooter(£): ja rondom haar, in heur'kring,

Zijn mooglijk klooten(/), gansch ontbloot van flikkering,

Die

( O haar ftand, ] De ftand der Zonne van de Sterren af, is onmeetbaar.

Wat onderneemingen men ook gedaan heeft, (zegt de

Heer CASSIM, de jonge) om den afftand te weeten, van de

Ster Sirius genaamd (zijnde de helderstfchijnende aan *t zoogenaamde

teeken van den grooten hond, die men onderdek het

meest nabij onzen aardkloot te zijn ), is zulks echter zonder vrucht

geweest; alzoo men naar de alleinetfte opmerkingen, onder alle de

vasre Sterren geen één Parallaxis of verfcheellicht heeft gevonden,

of dezelve is bijna geheel onmerkbaar geweest. Elem. d'Aftron.

I. Bock, 5 Hoofddeel Hetgeen dat de Heer C A s s i w i zegt, van de

onmoogelijkheid der meeting des afdands van den Sirius, in opzicht

tot de Aarde, kan men ook zeggen van alle de vaste Sterren, ten

opzichte haares afdands van de Zon. En wat moet dan niet wel

de afftand weezen van de Zon tot die Sterren, in het hoogst des

Firmaments geplaatst, die men de Melkweg noemt? — zijnde die

hoogte zoo verbaazende, dat men er 't gezicht door de allerbeste

Verrekijkers niet van kan bereiken, als gaande die verfebrikkelijka

afftand alle verbeelding te boven.

(fc) Misfchien ook grooter: ] De Heer C A S s IN r, denkt niet te

veel te zeggen, als hij den Diameter of middelli n van de Ster

Sirius ftelt te weezen van omtrent 33 millioenen uuren; en derhalven,

Sirius een lichaam of Globus te zijn, welke met het één

einde aan de Zon en met het andere aan de Aarde zoude raaken}

indien hij tusfchen beide ftond.

(i) Zijn mooglijk klooten,] Met veel redenen onderftelt men,

dat de vasie Sterren ook Zonnen zijnde, tot verlichting ftrekken

aan zoodanige voor ons onzichtbaare Globen of Planeeten, die

ieder


6*4 GODS GROOTHEID IN DE

Die zij opkleuren, en verwarmen, en verlichten,

t'-Wijl deeze hunnen loop naar zeekre maat verrichten.

Een flaauwe blankheid(m),fchier onzichtbaar voor het oog,

Vertoont zich, als een weg van licht, aan 's hemels boog:

Wat

ieder in heuren draaikring den omloop doen, om zulk eene Ster,

r als om haare Zon, en algemeen middelpunt. En deeze waarfchijnlijke

gisfing wordt gegrond ophetgene wij omtrent den loop onzer

bekende Zon en Planeeten kunnen opmaaken, behoudens nochtans

de orë ndige verfcheidenheid die de Schepper der Natuur kon gegeeven

hebben, aan de fchikking en gedaanten van alle die voor ons

onzichtoaare weerelden.

(m) Een flaauwe blankheid"] 't Is die blanke ftrook , of ft reep, welke

zich vertoont bij den Zuider-As in het Tweelings-teeken. De

GnekfcheSterrekundigen noemen het y


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 6$

Wat is toch dit gezicht? mag ik mij zelv' betrouwen?

'tls door de kunst geftaafd, bevestigd door 't befchouwenj

'k Zie nog een fterrenheir geplaatst in 't Firmament.

Haar afftand van den kloot des aardrijks, onbekend

Aan'tmeuschdom, is zoo groot, dat elk zich moet verliezen,

Wanneer de geest dien peilt, of een getal wil kiezen.

Zoo dat men niets vermag, dan op zijn' hoogen troon

Te aanbidden, Hem, wiens magt dien glans zoo rijk en fchoon

En

om alle werkingen der Nauiur ftiptelijk natevorsfehen, wat-vertooningen

en veranderingen zij ook daarïn gewaar werden, doch

konden de rechte oorzaaken daarvan niet bereiken. En dat zij

niet dóórdrongen tot de algemeene grondbeginfelen, als bij voorbeeld:

de beweegingen, wetten en eigenfehappen der lichaamen,

de werkingen die deeze op malkander hebben, de drukking en

veerkracht der Lucht, de persfing en tegenpersfingdervloeiftoffen,

en nog veele andere Natuur-Verichijnfelen; was, omdat ze zich

vergenoegden met enkel goede redeneeringen te maaken, en zich

nog niet op de proefneming wisten toeteleggen , welke nevens

andere voordeden ook dit heeft; dat men daardoor de loopbaan:

der opmerkingen ruimer en grooter, en teffens zekerder maakt.

Dit en wat bij gelegenheid der Sterrekunde elders gezegd is,

ftrekt tot volkoomene verdediging der oude Wijsgeeren, tegen

welke men onbefchaamdelijk eenen zeer harden uitval doet, iri

zeker Wijsgeerig Werk, daar men dezelve met den naam van zeer

Hechte Natuurkenners bekladt, zonder eens te overweegen, dafr

om ten minften het even zoo goed te weezen als wij, zij geen

ander gebrek , dan aan proefondervindelijke werktuigen hebben

gehad,

£


GODS GROOTHEID IN DE

En dat ontelbaar tal der fterren wilde maaken,

Zoo boven al 't getal, als Hij, in alle zaaken

Almagtig, 't oeverzand geplaatst heeft aan de zeen.

Wat zijt gij uitgeftrekt, onmeetbaar in uw fchreên,

Ontzaglijk Hemelrond!

Mijn geest is mij bezweeken!

Bij dit zijt gij een klein ondeelbaar deel geleeken,

6 Aardrijk, en alleen een fchaduw! — Talloos zelf

Zijn al de weerelden, en zonnen, aan 't gewelf.

In zooveel gangen en hergangen, voorgefchreeven

Aan all' die bollen, en hun tot een wet gegeeven

In de ommewenteling, toont zich geen hinderpaal,

Geen fchokking, maar een zoet akkoord, en vaste fchaal,

Die nimmer wijkt, een onveranderlijke regel;

ö Wonderwerk, zoo hoog beftempeld met Gods zegel!

Voelt thans de Epicurist, hoe dwaas, hoe vérr' misleid,

Zichzelv' getroffen, door 't nadruklijkst klaar befcheid?

Of zal hij, onbefchroomd, die ordens vol van wetten

Nog op de reekening van 't blinde Noodlot (») zetten?

Roemt

(n) op de retkening van't blinde Noodlot] Van deezen onverSnderlijken

loop der hemelfche lichaamen, van deeze orde en overeenkoomst

tusfchen hen regeerende, neemt CICBRO een bewijs

legende ftelling van Encvsus, wanneer hij zegt:

„Kunnen

„ alle


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Eerfte Gezang. 6>

Roemt hij 't beweegen van elk nimmer-deelbaar deel?

Belachlijk is voorwaar dat ftelfel in 't geheel;

Het redenlicht verdrijft die ingebeelde droomen.

Hoe heeft de bloote ftof, door denken, magt bekoomen

Van binding, ordening, beweeging, keuze en wil?

Of is de Wezensbron, de Kunstnaar, die de fpil

Der Weereld heeft gemaakt; is 't Voorwerp van mijn Zangen ,

Door wien, al wat beftaat, het aanzijn heeft ontvangen;

Is de Opperöorzaak zelf dan mooglijk de eerfte ftof?

ö Denkbeeld, veel te dwaas, te grouwlijk en te grof,

Vlugt eeuwig van mij weeh! gij zijt ontbloot van reden;

Ik zie, ik haat, en vloek, uw tegenftrijdigheden.

Die

„ alle deeze befebrijvingen der Gefternten, deeze zoo groote ver-

„ fiering des hemels enz., aan gezonde hersfenen toefchijnen voort-

„ gebragt te weezen uit lichaamtjes, die bij geval en zonder orde

herwaards en derwaards famenloopen ? Of heeft ook eenig andere

,, Natuur, ontbloot van geest en reden, kunnen uitvoeren, die

„ dingen, die om gemaakt te worden, niet alleen reden hebben

„ noodig gehad, maar ook zonder de allergiootfte redenkaveling

„ niet begreepen kunnen worden , hoe ze zijn ? " CICERO, over

„ de Natuur der Goden, n Boek .Wam. 44. Deeze zoo wezenlijke

redeneering is 'tgevolg van eene tegenwerping, daar geen Epicurist

iets tegen kan inbrengen : „ Indien de famenloop der ondeelbaar-

,, heden eene Weereld heeft kunnen voortbrengen, waaiöm kon

„ hij dan geen' Tempel, Huis of Stad maaken , waaraan vrij

„ minder moeite vast is, en 't welk vrij ligter te doen valt. '*

E 2


o8 GODS GROOTHEID IN DB . . .

Dit uitgeftrekt Heel- Al, vol O R D E , fchoonheid, pracht,

Is 't heerlijk Werk, ö God, van uw geduchte magt,

Van U (o), wiens grootheid blinkt uit al de ftarreboogen,

Wien 't ganfche fchepf lenheir, als Maaker, moet verhoogen ï

(O Dit uitgeflrekt Heel-Al, vol ORDE, — is 't heerlijk Werk,

6 God, — van U,] Deeze waarheid, dwaas genoeg door SPINOZA

beftreeden, alsmede doorHonnES en TOLAND, is zelfs door

PLATO en eenige andere wijze Heidenen al erkend geweest: Ik

zal niet meêr dan twee getuigenisfen ophaalen, en de Dichtkunde

zal de eer hebben, mij de ééne te leveren.

CICERO, (de Nat. Deor. Lib.2. Num.iS-') twijfelt niet, of

een wijsheid, zeer heerlijk, ja godliik, is de eerfte oorzaak van

deeze ftandvastige geregeldheid, waarover men zich verwondert,

in den loop en in de omwenteling der hemelfche lichaamen. CLAU-

D I A N u s erkende, dat alle de deelen, welke het getai der weereld

uitmaaken, het werk waren van den raad eenes Gods, van eene

opperde Wijsheid, die hunne orde had gevormd, en alle hunna

werktuiglijke beweegingen geregeld: Hij zingt aldus in Ruj, LID. I.

„ Nam cum difpofiti quafijfem fadera mundi,

„ Prafcriptofque maris Jiuxus, terrceque meatus

r

„ Etlucis, nottifque vices: tune omnia rebar

,', Conf.Ho firmata Dei, qui lege moveri _

„ Sidera, qui fruges diverfo tempore nafci,

'„ Qtti variam Pliceben alieno jujferit igne

„ Compleri, folemque fuo, ponexerit undis

„ Littora, tellurem medio libraverit axe.

't Welk in 't Nederduitsch hierop uitkoomt.

i t

Toen ik 't verband zocht van 't geordend Weereldrond,

l, Den vasten vloed der Zee, de gangen in het rond

„ Des Aardrijks, en de beurt der nachten en der dagen,

,', Begreep ik, dat dit Al, zoo fchoon en zoo voldraagen,

„ Geheel geregeld was door 't overleg van God,

,\ Die all' 't gefternte naar zijn wet en wijs gebod

„ Omkopen doet: Die aan de vruchten onderfcheiden

I Geboortetijden geeft: Door vreemd vuur laat bereiden

V, Het licht der Maan; en door het eigen, dat der Zon:

„ Die aan de Zee haar perk en ftranden ftellen kon,

„ En de Aarde, die de Zee in de armen blijft omvangen,

„ Op haaren As net wist in evenwigt te hangen.

INHOUD


I N H O U D

VA N

TWEEDE

H E T

GEZANG.

Behelzende eene befchrijving van de Zee,

en alles wat in dezelve is.

'tafereel van de Zee in haare ftilte, alsmede van der*

zeiver onftuimigheid. Ebbe en Vloed, van welke de waare

oorzaak ons onbekend, echter van groote nuttigheid is.

Onderzoek over de eigenfchappen van het Zout der Zee.

Dat de Zee door middel van opgeeving en uitwaasfeming

haarer wateren de Rivieren vloeibaar maakt. De werktuiglijke

oorzaak van de geftadige uitwaasfeming der Zee.

Van de Visfchen. Befchrijving van den Walvisch. Uitweiding

over de Visfcherij in de ijszee. Befchrijving van

den Haai, Zaagvisch, Zwaardvisch, enz. Hun tegenfirijdige

aart, en vechterijen met hunne wederpartijderen,

is het werk der godlijke Voorzienigheid. Befchrijving van

den Dolfijn. Van de dubbelgedarte Visfchen, die uit '

de Zee op 'i Land koomen, gelijk als de Zeekoe, Zeekalf

en Walrus. Dat zij noodwendig uit het water moeten

koomen, om verfche lucht in te ademen. Hunne bijzondere

voorzorg, om niet overvallen te worden, terwijl

zij op het ftrand flaapen. Van de Vliegende Visfchen.

Het werktuig waardoor ze vliegen. Het voordeel, dat

zij van deeze magt, die aan hun foort eigen is, trekken.

E 3

Vm


70 INHOUD VAN HET TWEEDE GEZANG.

Van de Visfchen welke om de lekkerheid van hun vleesch

gezocht worden. Optelling der allerlekkerften. Wonderbaarlijke

vruchtbaarheid der Visfchen in 't algemeen.

De Zee, als een fchouwburg van onëenigheid en oorlogen

cnder de Visfchen afgebeeld. Behendigheid van den Steenen

Inkt-Visch,"om zich aan hunne vervolgeren te onttrekken.

Van de Schulp- Visfchen. Dat de vloed hen op het

Jlrand brengt. Befchrijving van eenen Schulp-Visch,

de Stuurman of Schipper genoemd. Befchrijving van

den purperen Zee Slak , denPorcehinen Zeehoorn, enden,

Paarl d'amour Visch. Van de Zee - Planten. Dat de

gronden va'i fommige Zeen bezaaid zijn, met een ontelbaar

getal planten van verfchsidene foorten. Begin van haaren

groei: haar nut, ten opzichte van de kruipende Visfchen.

Befchrijving van den Spons en 't Koraal. Van de Eilanden.

Dat ze door de verandering, welke de Zondvloed in het

aardrijk heft gemaakt, zijn voortgebragt. Befchrijving

van de fchrikkelijke uitwerking des Zmidvloeds. Uitweiding

wegens het Britfche Eiland. Van de Zeevaart.

Ontdekking van Amerika. Tafereel daarvan, en van deszelfs

rijkdommen. Handel bij wege van ruiling, tusfchen

deszelfs Inwoonderen en de Europedanen. Dat de Zeevaart

dient tot Gods algemeene oogmerken, ten opzichte van het

•welzijn der menfchelijke Maatfchappije; en aan zijne

bijzondere oogmerken, ten opzichte der verkondiging van

't Heilig Evangelie,

GODS


G O D S G R O O T H E I D

IN DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N A T U U R.

TWEEDE

GEZANG.

^Verlaatend nu den loop van 't hooge Sterrendak

En zijne Lichten, liaan we, 6 Zee, op al uw vlak,

Op uwen Vloed en Ebbe en diepte onze oogen neder.

Wij willen Gods onmeetbre en hooge grootheid weder

Befchouwen, uit een reeks van wondren in uw' kring.

Laat 'sHeeren Wijsheid, die zoo groot als zonderling

In alles doorftraalt, laat zijn Almagt ons verrukken,

En een verwondering in onze zielen drukken!

E 4

6 Zee,


7* GODS GROOTHEID IN DE

NJL ^Sh *£•

5$? W ~

6 Zee, die nu bedaard, ftraks alles woedend tart,

Wie 't keurigst oog fomtijds met lucht en wolk' verwart;

Tooneel van wuftheid en inwendige oorelogen,

Dat door uw golvend nat het aardrijk hebt omtoogen,

En uit uw fchattrezoor 't Heel-Al verrijkt aanfehouwt;

Veel volken famenbindt, vereent, en. vreedzaam houdt,

ö Zee, wat wondren zijn van u al niet te melden!

Uw kleur fchijnt als vermengd van 't lachend groen der velden

Met tintiend blaauw azuur van 's hemels Firmament.

Wat zachte kalmte hebt ge u thans als aangewend!

Het Zuidewindje kamt uw' zilvren vloed nu effen.

De Lucht-Tyrans, een heir, 't welk zich zoo durft verheffen,

Zijn nu bedaard! Wij zien een fchaar en ganfche rij

Bewooners van de Zee, laveeren, zij aan zij,

Zich domplen, hupplen, en als op de golven rusten!

De zachtgeplooide vloed reikhalst naar 's aardrijks kusten ,

En kust al kabblend, blij, 't ontelbaar oeverzand.

Uw Fabel, Ce'ix! grijpt hier in haar volheid ftand,

Dat,uw Alcione, met u, de zoete vruchten

Van uwe min hier broeit, vol teerheid en genugten.

Maar


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 73

Maar ach! die kalmte is wech, en de opgeruide vloed

Loeit als een dolle ftier uit wreevlen overmoed.

Nu vliegt hij fchielijk op, tot aan de dikke wolken:

Dan ftort hij fchuimend neer, tot in de diepfte kolken,

'k Zie honderd golven ftraks met opgefperden muil,

Nu, tegen 't wolktapijt, fluks in des afgronds kuil,

Den woesten weêrftuit van haar ijslijk ftormen werpen.

Die ftort weêr neêr, terwijl de winden vreeslijk fnerpen,

En vormt een grouwzaam hoog gebergte op 't pekelveld.

De vloed beukt op den vloed. In 't loeiend ftroomgeweld

Vermengt de Noordewind, heel dol, zijn fnorkend huilen.

Ach! de opgefpalkte zee, gereed met open muilen,

Des aardrijks grooten kloot in haaren balg te flaan,

Springt over de oevers heen, en maakt zich open baan.

Vrees niet! Een breidel die gebieden kan en teuglen

Weet uwen vloed, 6 Zee, hoe opgeruid, te vleuglen.

Gods magt, Gods vinger fchreef, engafaanhemeen perk (a)

Een' ringmuur in het zand, heel ondoordringbaar fterk.

Op

( O Gods vinger — hem een perk] Tot hiertoe zult gij koomen

en niet verder; en hier zal hij zich ftellen tegen den hoogmoed

uwer golven. JOB XXXVIII, vers 11.

E 5


74 GODS GROOTHEID IN ÖÈ

Op dit doorlucht gezicht zie ik uw trotfche baaren,

Hoeftout, geheel verfchrikt, haarbuldrendwoênbedaaren,

En wijken, buigend zelfs met eerbied voordien HEER.

Op dit tafreel verfchijnt een wonder tot Gods eer,

Een zaak, die ons verrukt, en doet ons zelv' verliezen;

'k Zie beurtelings de zee 't ftrandmijden en weêr kiezen.

Ik zie haar telkens zich verhoogen, langzaam aan,

Om op beftemden tijd (Z?) weêr ncderwaards te gaan.

ö Stadige aankoomst en zoo welgeregelde orden 1

Waarvan het middel nooit nog is ontdekt geworden:

Wier werkende oorzaak fteeds 't beminlijk oogelijn (c)

En 't waardig voorwerp van verwondering zal zijn,

Voor

(&) beftemden tijd} Het water blijft in zijnen Vloed, vijftien

minuuten of daaromtrent, ftiiitaan, in zijne grootfte hoogte; In

deszelfs Ebbe ook omtrent een kwartier uurs in deszelfs laagte.

De Vloed duurt 6 uuren, geduurende dewelke de Zee van't Zuiden

naar het Noorden is voortvloeiende ; En in den tijd van weêr

andere 6 uuren vloeit zij van 't Noorden naar het Zuiden.

(O 't beminlijk oogelijn] De hedendaagfche Natuurkundigen,

zijn het niet ééns , omtrent de waare oorzaaken der Watergetijden,

en hunne verfcheidene gevoelens, zijn veelal maar gisfingen. Ik zal

alleen de twee vermaardfte derzelver aanhaalen : DESCARTES

ftelt, dat de draaikringen van de fijne ftoffe, gedrukt door de

Maan, het water van de zee dringen, en hetzelve door die persfing

doen rijzen. Maar zou men nu nog wel durven gewag maaken,

Tan draaikringen der fijne ItöfFe, terwijl men doch weet, dat het

nieuwere


• SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 7$

Voor geest bij geest, hoe wijs, hoe fcherpziende en verheven!

Bewonderaars, die door den weetlust voortgedreeven*

Steeds wandelt in een' nacht van dikke duisternis,

Naarfpoorders van hetgeen geheel verborgen is,

Ei, laat ons aan Natuur de wolk die dit wil dekkeri

Toch niet misgunnen: maar laat, zonder ze op te trekken,

Ons veeleer achting biên aan die verborgenheid,

Die God voor ons gezicht met fluiers overfpreidt!

Nieuwe

nieuwere gevoelen van aantrekkingskracht de heerfchende fmaak is.

NEWTON fielt, dat de wateren van den Oceaan drukkende zijn

naar het middelpunt der Aarde, volgens de wetten der zwaartekracht

: Dus het er vérr' af is , dat zij zouden gedrongen worden

door de Maan; maar integendeel verhoogd door de aantrekkingskracht

: en dat zij vallen, als de kracht van terugdrijving op hen

werkt. Doch die ftelling van NEWTON, hoe waarfchijnlijk zij

ook voorkoomt, kan niet wel voor een vast bewijs doorgaan,

alzoo de grond, waarop ze gebouwd is, wat men ook in zijn

voordeel zeggen mag, geen wiskundige waarheid is, zijnde het

niet meêr dan een waarfchijnlijke onderftelling, naar't gevoelen

der Wijsgeeren, welke weeten, hoe zeer de meeste oorzaaken van

de uitwerkingen der Natuur verborgen zijn : Bij gevolg is ook de

ftandvastige beurtelingfche en geregelde Ebbe en Vloed tot heden

toe een raadfel, en zal het moogelijk wel altoos blijven Een iegelijke

vernuftigs geest mag dan met LUCANÜS (Pharf. Eerfte Boek'

vers 417) uitroepen, over dit wonder der Natuur: Zoek vrij, die

uw werk maakt, om de natuurgeheimen te peilen: Foor mij mag da

torzaak, die den geftadigen toe- en afloop werkt, wel verborgen blijven,

want de hemel heeft liet zea gewild.


f6

GODS GROOTHEID IN DE

Nieuwe Ariftoteles Qd), hoe weinig kan het maaken,

Al kunt gij de oorzaak van Euripes vloed niet raaken.

Wij trekken heerlijk nut voor ons van Ebbe en Vloed.

Dit is 't geen ik verlang: aanbiddende in 't gemoed,

Al 't werk van eenen God, die goedig, wijs en magtig,

Hen heeft beflooten in de ftranden wonder krachtig,

Om fchip bij fchip door hen te leiden naar het land:

Om al de baaren en het fchier onpeilbaar zand

Voor eenen ftilftand, die bederven kan, te hoeden;

Om een behoudend zout te fpreiden door de vloeden,

En van de onzuivre ftofF, die door de ftroomen, aan

Het ftrand wordt uitgebraakt, te beter hen te ontfiaan,

Door

(


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 77

Door't werkend zout, dat haar opvreet of moet verdrijven.

Dit 's 't niet alleen wat gij aan 't zout hebt toetefchrij ven,

' 6 Zee! maar ook, wat geeft het u al heil en fchat!

Gering is 't, dat het in zich zelv' een magt bevat,

Die, voor onreinheid en ontfteeking uwe baaren

Behoedend, haare deugd en krachten kan bewaaren.

't Behoudt het leeven van uw ganfche burgerij:

Het geeft haar groei en bloei: De golf draagt in 't getij

Veel beter 't zwaar gewigt der groote waterdieren,

Die 't menschlijk oog ziet op hun vlugge vinnen zwieren.

En 't onderhoudt de kracht der golven op de zee,

Ter voering van den last der fchepen, die van reê

Tot reê, met volle vlag ter haven in gaan zeilen,

Om d' ingebragten fchat aan Koopliên uitteveilen.

Het zout, eerst dun gemaakt, en vlug geworden, flijgt

Voorts in de uitwaasfeming der zee omhoog, en krijgt

Meêr fijnheid, graadelings; dus kan het zich verfpreiden

Den ganfchen dampkring door.— En tot het toebereiden

Van vruchtbren regen, wordt dit zout als ingelijfd,

In


73 GODS GROOTHEID IN DE

Dan geeft dit zuivre fap van 't zout door al het land,

Een'milden groei, aan boom, aan kruid, en gras, en plant.

Maar van welk nut kan'tzout,gro/zijnde,'twerktuig weezen?

Het kan door zijn gewigt, op 't pekelnat gereezen,

Den heeten brand der zon, de fterke lucht, weêrftaan,

Wanneer zij beiden op die groote waterbaan

Hun nutte werking doen, elk door bijzondre wetten. •

Het wil de aantrekkingskragt dier beiden niet beletten

Een maatig deel van vogt te haaien uit den vloed,

Als juist noodzaaklijk'is, of dienftig weezen moet,

Om 't groen gebergte en veld en bouwland te befproeien.

Waardoor rivier en beek en aardgewas kan groeien;

6 Neen! — Maar hield dit zout hen verders niet in toom,

Zij trokken 't water op uit zee als eenen ftroom:

Zij zouden land en veld en heuvlen doen verdrinken;

Het aardrijk zou gewis in 't water als verzinken.

't Is billijk, dat het Zout onze ernftige aandacht wekt:

Wijl 't waarlijk dag aan dag den mensch ter hulpe ftrekt;

Want, buiten 'tzout, zou al ons voedfel fmaak ontbeeren.

Het kan van onze fpijz' bederf en wanfmaak weeren.

Van al wat leeven toont, of kracht heeft, is 't misfehien

Dat wel, 'tgeen 't meeste werkt >fchoon wij 't het minfte zien..

't Schijnt


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 79

'tSchijnt aan de geesten, die 't bezielt en indringt, leeven,

Beweeging, krachten, en het wezen zelfs, te geeven.

Geduchte God, wiens hand reeds van de Schepping af,

't Zeewater, buiten 't zout zoo krachteloos als laf,

Inwendig, met het zout, zoo kunftig deed verëenen!

Dit edel werktuig toont, ( hoe flecht het heeft gefcheenen,

Zoo voor uw wijsheid als uw magt) van alle kant,

Dat 't zwakfte werktuig kan, als Gij wilt, in uw hand

Door wondren zonder eind, of aantal, ons verbaazen,

Ja 't allerfchranderst brein en 't kloekst verftand verdwaazen!

* * * * *

6 Diepe Zee, hoe fier ziet gij den ganfchen ftoet

Van zooveel honderden Rivieren (e), aan uw' vloed,

Als

(O Rivieren] Naar de naauwkeurigfte uitreekenïngen op de

wereldkaarten van de Heeren DE L'ISLE en HOMAN

heb ik

bevonden dat het getal der Rivieren, welke van den aardbodem

mde Zee loopen, beftaatin agthonderd vierenveertig; te weeten:

uit Europa, loopen er in Zee . . . , 2o»

s

Aziën. , .

J M a . ; ; ; ; ; m

en uit Amerika.

I ? 0

Wij zouden ze alle onderfcheidenlijk noemen kunnen, lieten wij

s niet na, omdat het deeze aanmerking te veel vergrootèn zou

844


Zo

GODS GROOTHEID IN DE

Als aan een' Oppervorst, haar leen verheergewaaden,

En ondanks haaren moed, zoo blijkbaar uit haar daaden

Op laage beeken, die geheel ontelbaar zijn,

Zich zelv' verliezen in uw leevend kristallijn!

Verfmolten in uw golf, als in uw zand begraaven.

Maar zorg ook, dat gij nooit uw' moed te hoog laat draaven

Op deeze hulde; erken fteeds uw afhanglijkheid.


t Vloedbewaarfters van de hoogfte Majefteit,

In welker naam alleen gij moogt die hulde ontvangen!

Gij zijt de panden, waar Rivieren naar verlangen:

Waarborgen, dat haar vloed nooit uitgedroogd zal zijn.

Voor ons is 't dat zij nooit, hoe wonder dit u fchijn',

Uitdroogen moogen; gij zijt de oorzaak van haar vloeien.

Gij, gij zijt de oorfprong, die haar water moet doen groeien.

De ontelbre dampen, die van uw azuuren vlak

Geduurig ftijgen op, naar 't hooge fterrendak,

En door den regen (ƒ) weêr op aarde nederdaalen,

Zijn de oorfprong die haar fteeds zoo waterrijk doet praaien,

Haar

(ƒ) En door den regen] De oorfprong der ftroomen is nu niet

meêr twijfelachtig, geliik weleer; zijnde het een beweezene

zaak, dat zij voortkoomen door den veelvuldigen regen, welke

nedervalt op de gebergten, ic welker binnenften hun beginfel isï

Breeder


SCHOONHEDEN DÉR NATUUR. Tweede Gezang. St

Haar nut doet weezen, en verleent een vruchtbre kracht*

Maar door wat wegen, door wat wonderbaare magt

Heft toch het water, in de dampen opgeflootenj

Ondanks 't gewigt van 't zout, naar boven toegefchooteri,

Den dampen ingelijfd, zich op* naar 't luchtgewest?

Hoe draagt het daar die vlugge en vloeibre hoofdftoff' best ?

De hitte van de zon, fteeds vruchtbaar en aan 't werken,

Is telkens bezig om de uitbreiding meêr te fterken

Van al de lucht, die in het water is gedrukt.

Vrij zijnde, en aan de magt, die haar eerst perste, ontrukt,

Zoo werkt zij dan, en maakt de waterbel, hoe ftugge,

Door haare veerkracht nu geftadig dun en vlugge.

Zij beiden opgehaald door hitte en zonneglans,

Verheffen zich terftond, 6 Dampkring, naar uw' trans>

Daar ze aan een lucht, met haar gelijk in wigt, geraaken*

En zijnde in evenwigt, de regendampen maaken*

Dit zijn de weldaên die uw zegenende hand,

Door middel van de zee, ö God, verleent aan 't land:

OntelbrS

Breeder melding maaken Wij* in de zevende aanteekening van het

Derde Gezang, omtrent de oude ftelling hiervan, die niemand

meêr ftaande houdt, dan eenige weinige Carteziaanen,


ts. GODS GROOTHEID IN DE

Ontelbre wcldaên, die, als telkens weêr herbooren,

Getuigen, dat we aan U met lijf en ziel behooren,

En hart en wierook U verfchuld zijn, U alleen:

Maar, opdat des te meêr de diepe aanbidlijkhcên

Van uw al wijsheid mogten pronken voor onze oogen,

SchieptGij, alrnagtig God, door uw geducht vermoogen ,

En uwe vruchtbre Hem, in allen Oceaan,

Gedierten, die Gij ons ten dienfte wilt doen flaan,

En, uw onkreukbre wet, die Gij hun voorfchrijft, dienen.

,, Ik wil, dat ieder foort (fprak'twoord desOngezienen)

w

Haar foortgelijken door voorttecling geeven zal,

,, Door onuitputbaar zaad in overgroot getal!"

En, opdien zelfden ftond, ontvangen duizend fchaaren

Van dieren hun beftaan, bevolkende al de baaren,

Gehuisvest, zwervend in het water, heen en weêr,

Verëcnigd en verdeeld, vlug, welgemaakt, en zeer

Bcgeerig naar het aas, 't welk God hun wou bereiden?

In grootte en maakfel en in foorten onderfcheiden.

Zij volgen fteeds hunn' aart, trouw, zonder overleg;

Als zijnde die hun gids en leidsman op hunn' weg.

' Gij moogt dit talloos heir gefchubde waterlieden,

Gevreesde Walvisch, als een Zeevorftin 3

gebieden;

Gij


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweedt Gezang. 83

Gij draagt als Heerfcheres de kroon: in 't waterrijk

Is niets, ö wonderbaar gevaarte, aan u gelijk.

De golf zucht onder u, gedrukt en ingetoogen.

Hoe vreeslijk grootfg) vertoont uw lichaam zich aan de oogen!

Het water dat gij in uw' balg vangt, keer' op keer,

En met een groot gedruis al fpeelend ook dan weêr

Paaruitwerptjwordtzeerfraai door twee ontflootenbuizen(A)

Geworpen naar de lucht, als uit twee fterke Huizen:

Terwijl dat water, 't welk ge als zuilen opwaards fchiet,

Weêr nederdaalend, als kristal ter golve invlieg

Bij u,

(g) Hoe vreeslijk groot] De grootfïen zijn wel roo 1110 voeten

lang, en dus vindt men ze in Groenland. In Noord - Amerika en

elders, zijn ze doorgaans een "ge voeten kleiner : Ze beftaan wel

in veertien of vijftienderlei foorten.


g 4

GODS GROOTHEID IN DE

Bij u, woest Groenland (i), waar de koude 't all' doet bceven»

Waar ftaag de menfchen bij een' duistren hemel leeven,

Heeft deeze Stroomvorstin, in 't aaklig bar gewest

Der bulderende zee, haar groot gebied gevest.

Daar woont ze ( k ); en 't groot getal van heure waterfchaaren

Verëischt niet minder dan zoo ruim een veld van baaren.—

Door

(t) woest Groenland,] Ditgroote gewest, uitmaakende een gedeelte

der landen, om het Noorder-Aspunt gelegen, is uitgevonden volgens

de Deenfche jaarreekening in 't jaar 770, door eenen Noorweger

ERICH DË ROODE. De uittermaate felle koude, de altoosduurende

ijsklippen, de duisternis, die daar 6 maanden duurt, en de

onvruchtbaarheid, waarmede het land vervuld is, kunnen genoegzaam

rechtvaardigen den naam van Landen der Verwoestingen, welken

de beroemde Zeeman, JAN DAVIDSZ., aan deeze landen,

die zoo nabij den Noorderas liggen, toen hij in 't jaar 1585 daar

aangeland was, gegeeven heeft.

Daar woont ze;] 't Schijnt dat de Schepper aan iedere

foort van Visfchen , bijzondere woonplaatfen heeft toegeweezea.

Zoo zien wij, bij voorbeeld, in de Middenlandfche Zee , zulke Visfchen,

die men geheel niet, of zelden in den Oceaan vindt; en ddar

•worden er ook veelen gevonden, die men nooit of weinig in de

anderen ziet: 't Is alleen in de Atlantifche Zee, dat men vliegende

Visfchen vindt. De Haai en Potvisck koomen zelden uit de Amelikaanfche

Zee • De Hoornvisch gelijk de Schoudervisch (beide

vijanden van den Walvisch') ziet men weinig de Noorder-Zee verhaten

; en dus gaat het meestendeel met al de groote Visfchen.

Aangaande de Walvisjchen fchijnt het, dat de Tszee hun tot een

'wooning aangeweezen , en als voor hen gevormd zij. Zelden

zwemmen ze véraf, en ze zijn in zoo groot eene menigte, vooral

Kaar den kant van Spitsbergen in Groenland, dat zij in zulk een

groot getal bijeen zwemmen, als in onze Vijvers dc Karpers.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 85

v

Door welk een fterkte, door wat fioutheid, die 't geluk

Bevoordeeld heeft, hebt ge eerst het groote meesterftuk

Van zulk een fchrikdier te overwinnen, ondernoomen,

6 Waaghals! en hoe hebt gij den triumf bekoomen?

Gij trcfte 't fchrikdier uit een welbemande boot,

Met een' harpoen (/) in 't lijf: Het plofte neer, en vlood.

Het bloed, dat ge in de vlugt zaagt uit de wonden vloeien,

Deed daarömftreeks de zee gelijk van purper gloeien.

Een lange lijn, gehecht aan een' verftaalden pijl,

Schiet met het fchrikdier voort naar d' afgrond, in der ijl,

En doet in 't uiterst u zijn weêröpborling weeten.

't Is bloedeloos, enfterfc; zijn romp ligt als verfmeeten

Op 't vlak der baaren, en drijft met de winden voort.

De vlooteling fchiet toe: hij fpringt den romp aan boord,

En trekt hem, met het touw, allengskens,ftrandwaardsheenen,

Zijn wondre grootheid en gezicht, die ijslijk fcheenen»

Verwekken nog, hoe dood het dier is, angst en fchrik.

Nu valt de kunst aan 't werk, en neemt op 't oogenblik

't Gereedfchap

CO Met een" harpoen] De harpoen is een ijzer, puntig aan twee

zijden, gelijkende een flits, en buitengemeen fcherp, vast aa«

een hantvatfel of fteel, van omtrent 5 a 6 voeten lang.

F3


go* GODS GROOTHEID IN DE

'tGereedfchap aan de hand, om 't groote dier te ontleeden.

Affchu wlijk beest, gij fchenkt veel fchats (m) aan onze fteden.

In groote fchepen laadt men 't vet van uwen romp,

En geeft het volkje van dien fchraalen oord, 't welk lomp

En klein is, vetten traan, waar 't in die lange nachten (n)

Alleen wat lichts moet in de laage hut van wachten,

Waarin het daglicht, dat de ziel is der Natuur,

*t Gezicht des volks ontwijkt, zes maanden op den duur.

Om 't nimmer vrolijk oog, door de onverlichte dagen,

In deezen woesten oord, meêr fchriks op 't lijf te jaagen.

Terwijl

(«O gij fchenkt veel fchats] De Olie of Traan van den Walvisch

waarmede zoo groot een handel gedreeven wordt, wordt nlömme

veelszins gebruikt, en in 't geheele Noorden brandt men geene

andere olie. De Scheepstimmerlieden bedienen zich daarvan, om

de kiel te fmeeren en de fchepen te teeren en te harpuizen. De

Vollers om de wol te bereiden. De Looiers om de huiden te doen

doortrekken. De Schilders om fommige kleuren te maatigen. In

SÜVABÏS Koopman: Woordenboek, uit hetwelk ik deeze omftandigheden

gehaald heb, kan men zien, tot wat verfcheidene andere

gebruiken, men dezelve ook nog bezigt; en bijzonder, hoe dat de

baarden, die aan hunne kaakebeenen gehecht zijn, toebereid en

gebruikt worden.

(nl lange nachten] Geduurende dezelve, en wel inzonderheid

In December en Januari, wanneer daar nooit de minfte zonncftraal

kopmt, genieten de Groenlanders veelinaaten goed Noorderlicht.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang.

Terwijl de Koopman zoo verlekkerd op den buit

Van uwe baarden, in de prachtige Kajuit

Den forfchen Scheepsvoogd blij en lachend koomt begroeten.

En met een' roemer wijns ter wéllekoomst ontmoeten.

De Reeder is verheugd: Matroos wuift met den hoed;

De zee behaagt hem wel, maar 'tland nog ruim zoo goed.

Hier mag hij ouders, vrouw, en kinders, weder vinden.

Hier zit hij met gekout bij maagen en bij vrinden;

En doet verflag van al 't geleeden groot gevaar:

Wat fchip den eerften visch mogt vangen in dit jaar:

Wie vischloos wederkwam: wie 'tmeeste heefc gevangen: •

Elk blijft hem aan den mond, om zijne rede, hangen.

Nu toont hij uit de lijst der ganfche Vischvangst aan,

Wat Reeder dit jaar best zal met zijn reekning ftaan:

Wat Hamburg, en Brittanje, en Holland, met hun fchepen,

Uit dat zoo woeste land in hunne havens fleepen.

Hij legt de lijsten hier van vroeger jaaren bij,

En plaatst ze naast malkaêr, op eene lange rij.

Men telt, en eindlijk koomt, uit al dat faamvergaêren,

't Getal van vier- fomtijds vijfduizend alle jaaren. —~

Wat fchrikdier toont zich aan mijn beevend oog, zoo groot ?

't Vervult de golven met verwoesting, fchrik en dood!

F 4

o Vloeibre


U GODS GROOTHEID IN DB

•ê Vloeibre Hoofdftof, geen van uw gefchubde fchaaren

Kan immer aan den Haai in wreedheid evenaaren.

De grootte en rondheid maakt zijn' kop gansch vreefelijk.

Daar zijne breede rug is kwastig, knobbelrijk,

Vol dikke fchubben, waarop alles, af moet fluiten.

Wat heeft het dier een' ftrot, die, ijslijk in 't ontfiuiten,

In éénen flok een' mensch inzwelgt, geheel en al (o).

Zes rijen tanden, vast gefiooten, als een wal,

Zaagswij^e fcherp gepunt, ftaan in den muil, als muuren:

Op iedre kinbak, ('t welk meêr aanvals doet verduuren)

Zijn ze in een evental trapswijze fterk gehecht,

Als zooveel wapens, die aan hem zijn toegelegd.

Zijn fcherpziend oog doet hem in 't diepst der zee ontdekken ,

Wat hem tot eene prooi en voedfcl zal verftrekken.

Hij duikt en Hokt het op; al 't oovrig vreest en vliedt:

Zulks geeft hem nieuwen moed, hij laat het rooven niet.

6 Schrikdier,

( o) een' mensch inzwelgt, geheel en al ] De alöni bekende reiziger

DAMPIER, zegt zelf ooggetuigen geweest te zijn, dat een Haai

pf Zeehond, een' mensch geheellijk inilokte, zonder denzelven

eens te kaauwen. Doorgaans zijn de Haaien wel 20 voeten lang^

fn weegen gewoonlijk 12 a, 1390 ponden, zwaar.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang,

b Schrikdier, dolle Haai! roê, fchrik der wijde baaren,

Gij zoudt uw eigen foort zelfs in uw woên niet fpaaren.

Wat zie ik nog een reeks van dieren, die Natuur

Gansch vreeslijk maakt voor'toog, gereed door ijvervuur,

Om met elkandren fteeds een' feilen ftrijd te waagen!

De fterke Hocher (p),

die altoos een' haat blijft draagen

Tot allen Walvisch, Haai, of fterkgefpierden Hond,

Zag vaak, als hij verwoed dat fchrikdier tegenftond,


De fchaal der dapperheid naar zijne zijde hellen,

Nu weêr naar die des Honds, om zijnen trots te vellen.

De dappre Zaagvisch

, fterk gewapend met een zaag,

Scheurt in zijn felle woede, altoos tot vechten graag,

't Zij

(p) De fterke Hochir,] Deeze Visfchen hebben de lengte van

40 a 50 voeten. PLIMIUS verhaalt daarvan: „ dat-ze groot

„ zijn , hebbende groote en fchrikkelijke tanden, en dat ze de

„ Walvisfchen inzonderheid haatende en vijandig zijn , dezelve

„ overvallende in hunne fchuilplaatfen : geduurende de dragt

„ hunner jongen, rijten zij hun den buik op, fchietende tot hen

,, met fcherpe tanden en fnavel, en vernielen ze, enz." PUK.

Van de Dieren, V. Boek, bladz. 5ïo. Amft. 1703.

CO Zaagvisch,2 De Zaagvisch draagt dien naam vanwege een

lang breed been aan zijne bovenkaaken, wederzijds voorzien zijnde

van verfcheidene gekartelde tanden, als die van een zaag. Het

dient hem, om de Visfchen, die hij vervolgt, of t

van welke hij vervolgd

wordt, déórtezaagen. Op. zijnen rug heeft hij twee vinnen,

F {,

vier


9& GODS GROOTHEID IN DÏ

't Zij hij Zijn lijf befchermt, of zijnen buit blijft volgen,

Zijns vijands dapper lijf in twéé, geheel verbolgen!

Hij wint, 't zij hij befpringt, of zelf befprongen wordt.

Ik zie den Zwaardvisch (r), die, met krachten aangegord,.

Zeerwel gewapend is, met een' gepunten degen,

Waarmee hij fomtijds zelfs de fchepen heeft doorreegen (Y).

Hij daagt den Walvisch fteeds tot eenen tweeftrijd uit,

Hij waagt den aanval eerst: hij valt hem op de huid:

En

ar le Père de CHARLEVOIX, Tom I. pag. 80.

O) doorreegen.] Xiphias, id eft G'.adius, roftro macro nato eft &

abhccnavesperfoffamerguntur: PLIN., Lib.XXXII, Cap. 2. Dat is:

De Xiphius of Zwaardvisch, heeft een' afgepunten fnavel, en door

deezen worden de doorboorde fchepen in den grond gpboord.

Zie PLIW. 3i Boek 2 Hoofdftuk. '


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 91

En velt zijn' hoogmoed door getal en kracht van flagen.

IkziedenHoorenvisch(f) en Weerwald (u) ginds opdaagen^,

Zijnde altoos onderling geneegen tot den ftrijd,

En vaardig tot de wraak van een geleeden fpijt,

't Zij om de weerpartij in 't ftrijdperk uittelokken,

Of van hun eigen huid te weeren, onverfchrokken. ——.

Gij laat dan toe, 6 God, ja 't is naar uw beftuur,

Dat die gedrochten in het zeenat op den duur

Malkander onderling met kracht beöoreloogen:

•t Is in zich zeiven goed, geregeld door 't vermoogen

Van uw alwijsheid, die het beste kent en geeft,

Dat zij, alzoo hun haat beftendig duurt en leeft,

Elkaêr vermoorden, en hun aantal dus vermindren,

Opdat hun wreed geflacht teminder zou verhindren

Do

("«) H zie tien Hoorenvisch] De Hoornvisch is zoo genoemd,

ömdat hij eenen hoorn heeft van 5 of 6 voeten lang, die hem ten

muil uitfteekt en voor een wapentuig dient, waarmede hij zelfs

den allermagtigften Walvisch niet fchroomt aantetasten, en er ook

wel fomtijds een fchip mede doorboort: Dees Visch heeft in den

bek eene opening, waardoor hij het water uitwerpt; is zeerfterk,

vlug, bezwaarlijk te vangen, en omtrent van iötot 20 voeten lang:

Zie de Befchrijving der Dieren van Spitsbergen,


9* GODS GROOTHEID IN DE

De tamme Visfchen, en dat heir, uit overmoed

Qpilokkend, niet zou gansch ontvolken allen vloed—«

Wat heerlijk voorwerp zie 'k op 't vlak zich zelv' verheffen

De zoele Zuidewind kamt fchier de baaren effen.

Het water fpeelt: ik zie een' zeeling opgedaagd,

Die aan uw oog zoozeer, ö vlooteling, behaagt.

Hij beurt zich op; hij fpeelt, en dopt zich in de baaren.

Hij is gerust (v) en fier, onkundig van gevaaren.

De zon geeft hem een' glans als ze op hem nederkaatst

Veel fchubben zie ik op zijn fijne huid geplaatst.

Hij klieft de zilte golf, door vlugge vaart gedrecven,

Men heeft den bijnaam van den zeepijl hem gegeeven.

Beroemde Visch, u prijst, u roemt de Fabeltaal.

Dees is de loon, dat gij, indien men aan 't verhaal

Geloof mag geeven, den Arion (w) wildct hoeden,

Den grooten Zanger, wien, na veele tegenfpoeden,

De

Cv) Hij is gerust"} De Dolfijn vreest den mensch niet als of

die hem vreemd ware, hij koomt de fchepen tegemoet, als verheugd

cn dobberende op de baaren, en toonende zijne fnelheid, zoo

fchiet hij de fchepen telkens voorbij, hoe fnel die ook zeilen.

PLIN. van de Dieren, IX. Boek 8 Hoofdlhik: De Italiaanen, geeven

den naam van Zeeroover aan den Dolfijn, omdat hij alle Visfchen

verflint, die onder zijne magt zijn.

(w") den Arion] PLIKIUS, A u L U S G E I. L I U S , en vóór hen

HERODOTUS, in zijn ecrlts Boek, door O. DATÜSB, vertaald,

Amji.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 93

De graage bootsgezel beroofd en dood Wou zien;

Maar eer hij zijnen nek wilde aan den moordbijl biên,

En zijn begraafenis in 't hart der golven vinden,

Beklaagde hij zijn lot bij alle Zee en Winden,

En zong zoo kunftig en beklaagelijk een' toon,

Geholpen door zijn Lier, meêr dan zij was gewoon

Doorklinkende op dien ftond, dat gij ftraks opgekoomen,

Hem op uw' rug als op een' certroon hebt genoomen,

En aan 't gedreigd gevaar, zoo groot een'held, ontrukt.

Dees is de loon dan, dien gij van uw' bijftand plukt,

Dat u de dochters van 't geheugen, door 't herhaalen

Van uwen wondertoon, om ftrijd, u deeden praaien

In 't hoog gefternt'(x), om ook een flonkerlicht te zijn.

Ware ik een Franschman, ö beroemde Zeedolfijn,

Ik

^Amfi. 1665. 4*. bladz. 10. geeven dit geval voor waarheid op.

De eerstgemelde haalt op dit onderwerp verfcheidene voorbeelden

bij, van de voorgegeevene vriendfehap des Dolfijns voor den

mensch. Ik zeg voorgegeevene, want die vriendfehap is even

zoo fabelachtig als 't geval van AR ION, 't welk echter nog

eenigzins op eene gefchiedenis geftaafd is. Zie Mythologie expliqui

par VHift. de Monfr. I'Abbé BONIEK Tom. 8. Liv. VII. Chap. 8.

(x) In 't hoog geftemt' J Het hoog gefternte genaamd de

Dolfijn ia het Noorder-gedeelte des Sterrenhemels


94 GODS GROOTHEID IN DE

Ik zou mijn Dichtaêr hier nog hooger doen ontfpringen*

Efl op een' luchten toon dus verder vrolijk zingen:

j, ö Dolfijn wees verheugd: 'k weet voor u eedier' roem;

„ 't Is weinig dat u juist een Fabel edel noem';

„ 't Is luifterrijker, en het dient meêr tot uw glorie,

„ Dat ook uw naam bekend is, in de Staatshiftorie (j)

„ Des Rijks waarin thans heerscht het ftamhuisvanBourbon 4

"

* * * * *

Is 't een verbeelding, of bedriegt mij 't licht der zon t

o Neen! 'k zie midden uit den vloed der zoute baaren

Opkoomen, dobberziek, het heir der Zee-Rund fchaarem

ö Wa-

(y) in de Staatshiftorie'] Ik bedoel hier die Aflc van Overgifte,

zoo beroemd in de Hiftorie van Frankrijk, waarbij HUMBERT,

Dauphin van Viennois, zijn Land, het Danpkiné, overgaf aan KAREL ,

den zoon van PniLir van Valais, op voorwaarde, dat voor altoos

alle de oudfte zoonen der Koningen van Frankrijk, den naam van

Dauphin zouden draagen, en het wapen van het Dauphiné, zoowel

als dat van Frankrijk, in hunne fchilden voeren. De Abt van

Choifi onderricht ons hieromtrent in zijne Gefchiedenis van Pa i L i r

van Valais.


SCHOONHEDEN DER-NATUUR. Tweede Gezang. 95

6 Waterkoe O),.hoe galmt de lucht op uw geloei!

De rest van 't Zee-Rund heir (a) beknelt ge in uwe boei.

Ei flaap, en laat ze op 'tftrand in zachte fluimring rusten!

Ginds ziet mijn nieuwsgraag oog, van deeze waterkusten

s

Een' Zee-Os (£), in zijn vlugt, den Geit niet ongelijk,

Een rots beklautren in het groene zcefchuimrijk.

Al

(s) 6 Waterkoe, ] Hetgefchreeuw van den Lamentin of Zeekoe,"

gelijke zeerwel naar dat van eene Koe, waarom hij ook de Zeekoe

genaamd worde. Dees twijfelachtige Visch, heeft twee voeten als

handen, ieder van vier vingeren. P. DU TEHTRE, befchrijft in

zijn Hifi. des Antilies de wijze, waarop men haar vangt in de Zee

van Amerika.

O) De rest van 't Zee -Rund heir] Te weeten: Zeekalveren:

(

Deeze (zegt VIRGHHIS in 't 2. Boek der Landgedichten) geeven

zich op 't ftrand aan den flaap over. Zij ilaapen zeer vast, en de

Ouden hebben daar een fpreekwoord van gemaakt: Dus zegt Ju--

VENALIS, in zijn derde Hekeldicht:

Eripiunt fommm Drufo vitulisque marinis.

dat'is: „ ze ontrooven D E U zus, en het Zeekalf hunnen flaap."

Volgens de Befchrijving van Spitsbergen, 4deHoofdil. heeft het Zeekalf

eenenkop,niet ongelijk aan dien van eenen hond: korteooren,

grooteen ingezonken oogen, tanden als vlijmen: zwaare,

lange

en puntige klaauwen, en eenen korten Haart, baffende als honden,

die heesch van keel zijn.

(ZO Een' Zee-Os] of Walrus. Dit tweeflachtig dier gelijke

wél naar een Zeekalf; maar is veel grover en grooter

Het heeft

eenen muil zoo groot als die van een' Os, aan welken hij ook in

grootte gelijkt.

Zijne oogen die rood als bloed zijn, 'ftaan vérr*

boven de neusgaten : Ieder zijner 4 pootcn, heeft 5 vingers,

waarvan


9ff

GODS GROOTHEID IN DÉ

Al 't oovrig vee, 't welk ik aan uwe wufte zanden,

ö Zee, befchouw, verbeeldt de glorie onzer landen,

Het nuttig Rundvee in die weiden hier en daar,

Doch 'k zie bij dit Tafreel, ö wondre waterfchaar,

Geen' herder Dorilas, hoe 'k zoek met fcherpziende oogen.

Maar welk een drift leidt haar door wonderbaar vermoogen

Langs 't afgelegen ftrand? wat is het, dat haar doet

Verlaaten voor een poos den gladgekamden vloed?

3

t Zijn veel, ja veelerlei, werkzaame en vreemde zaaken,

Die famen 't wondre lijf van dit gedierte uitmaakcn.

Dat lichaam, zoo bereid, volgt ftiptelijk de wet

Aan deeze foort van zee- en Iandvee vastgezet:

Dat ieder menigmaal zich moet naar 't ftrand begeeven,

En aan de lucht den weg, tot onderhoud van 't leeven,

Moet

waarvan de nagels kort en puntig zijn : zijn hals is zoo dik, dat

hij niet dan met veel moeite den kop kan wenden: hij heeft aan

't boven kaakbeen 2 tanden van een'voet lengte, zeer wit, en meêr

geacht dan ivoor, en die cirkelsgewijs krom naar de borst gaaa,

welke zeer breed is. Het geloei van eenen Walrus, is afgrijslijk:

hij gaat graag uit het water, en klautert heel vlug tegen de rotfen

op, die langs het ftrand zijn, en op de vreeslijke fchorsfen ijs,

die op de zee drijven. Zie de Befchrijving van de Gedierten van

Spitsbergen, 4de Hoofdft.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 97

Moet oopnen door de long, en ademen die in.

't Ontbreekt het voedfel fchaars: de lucht nog ruim zoo min.

Het ademt zijne lucht ter longe in, op de ftranden,

Terwijl de zoete ilaap het lokt in zijne banden.

Men zegt, dat dén van hun, bij *t afgedwaalde heir,

Den Linx en Argus fpeelt, en, waakend, buiten 't men 4 ,

Een'mensch aannaadren ziende, op die gevreesde ontdekking

Een' zwaaren noodkreet geeft, al 'toovrig heir ter wekking»

Eikéén ontwaakt als op dat fein, bevreesd te moê;

Zij vlugten, en de golf fluit achter hen zich toe

Maar

Cc) achter hen zich toe.} Dit verhaal vindt toen in DAMPIER.'

Doch in de Befchrijving van Spitsbergen wordt gemeld, dat terwijl

de groote hoop flaapt, er één is, die de wacht houdt; alzoo mea

bemerkt heeft, dat bij aannadering van een' mensch, aahftonds één

van hen, aan den naastbij hem liggenden een' tandflag geeft, en die

weder aan den naast hem flaapenden, en zoo voorts tot den Iaatften

toe. Waarop ontwaakt zijnde , richten zij zich met de voorflo

pooten op, en zien om, met fchuwe oogen: maakende groot gefchreeuw,

flaan zij met hunne flagtanden op de rotfen of op het

ijs, als of zij de tanden wilden fcherpen, en dan hun achterfte

pfloten naar vooren wendende, buitelen zij met hoopen in de zee.'

Zie Befchrijving van Spitsbergen, IV. Hoofdft.

G


9g GODS GROOTHEID IN OE

Maar wie toch zijt gij, die het eerst aan uwe handen

Geleerd hebt, zulk eendier, zoo vreeslijk, aanteranden?

't Is al vervaarlijk wat het bij en aan zich heeft.

Hoe heeft door kouden fchrik het hart u wel gebeefd!

Doch door de hoop op winst geftreeld, hebt gij begonnen

Dien hachelijken ftrijd, en 't fchrikdier overwonnen.

Gij fcheidt den kop reeds van den ijsfelijken romp;

Dat klein gedeelte houdt ge, en laat dien grooten klomp

Op 't ftrand, ter prooi van zee en ongeftuime winden.

Uit zijne tanden zult ge uw' buit en voordeel vinden;

Europa vlamt reeds op dien kostelijken buit!

Maar welk een hoorn fteekt daar, aan zijnen kop, vooruit?

Dit 's dubble winst voor u. Dit mes fnijdt aan twee kanten.

Gansch Aziën geeft uit zijn ftrijdbaare Olifanten,

Die puikgedierten van den morgenlandfchen troon,

Geen blank ivoor zoo wit, geen elpenbeen zoo fchoon.

Men zoufchier zeggen dat de zee, de vruchtbaare aarde

Naarbootfend, al wat zij daar ziet van kunst of waarde,

Wil overneemen, en naarvolgen, van het ruim

Des aardrijks, op haar groen en ongemeeten fchtrim.

Al wat ons 't aardrijk toont in fraaie kunsttafreelen,

Wil ze in gelijken graad ons oog ook mededeelen.

'k Zie


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 99

5

k Zie onderfcheiden foort van Visfchen uit den vloed

Zich heffen (^), en de lucht gevlerkt en wélgemoed

Doorklieven

3

en in 't zwerk rondom op wieken vliegen»

De lucht mistrouwt haar oog, of't ook haar mogt' bedriegen,

Nu zij zelfs Visfchen in haar' wijden kring befchouwt,

Die, fnel gewiekt, de lucht nu klieven, fluks en ftout^

Dan, zich neêrftortend, ftraks weêr zeewaards heenen drijven^

Omdat hün vinnen zich als uitgedroogd verflijven.

Maar hoe toch is die vlugt, die we eertijds door 't verhaal

Der Dichters kenden, en nu blijkt geen loogentaal,

Maar wezenlijk te zijn, en door wat recht hun eigen ?

De Schepper van 't Heel-Al kan naar zijn wil 't al neigen $

En

((/) Zich heffen,"] In 't tweede deel der Algemetnt Hifiorifctit

Reisbefchrijving wordt van de vliegende Visfchen gezegd, dat

ze als verbaazend voorkoomen, aan diegenen, welke hen voor

de eerfte maal zien : want gansch vreemd is het, eene menigte

van Visfchen, den Haring gelijk , met vlerken uit het water

te zien opkoomen, en door de lucht heen vliegen als of het vogelen

waren. De Heer G U Y O N , zegt in zijne CéfcUedenis van

Indien, dat de vliegende Visfchen in grooten getale uit de Zee>

koomen, ter hoogte van een' piek boven 't water, en omtrent de

lengte van 100 voeten, doch verder niet, vliegen, alzoo hunne

wieken in de lucht droog' worden, die naar de vlerken der Vlederr

muizen gelijken. Part. 1. Liv. Chap. 46.

G %


IOO

GODS GROOTHEID IN DE

En heeft aan hunne foort die vlerken toegeftaan.

't Is hun een weldaad en 't wijst ons de alwijsheid aan:

Dit heerlijk middel ter verlenging hunner dagen

Beveiligt hen, wanneer hun vijand hen durft jaagen,

En hun geen hoop meêr van ontvlugten oovrig is.

Hun uitgefpreide vin ftelt dan te leur den visch

Die hen vervolgt, en doet hen aan zijn woede ontkoomen;

Niet anders dan in 't bosch en lommerrijke boomen

Een wilde duif die reeds den moorder ziet ter jagt,

Die op haar leeven loert, zich half verlooren, acht.

De jaager volgt, zij vliegt terftond op fnelle vleuglen:

Zij klieft het blaauw azuur, haar vlugt is niet te teuglen;

Gelukkig, zoo zij in 't gevaar, nu door de lucht

De fikfe handen van den moordenaar ontvlugt.

ö Visfchen, eêl van fmaak, gezaaid aan onze boorden,

Uw heir vertoont zich fchoon voor 't oog,van oord tot oorden*

ö Steur, uw lekker vleesch, zoo vol verheven' fmaak,

Is aan een' kostbren disch een versch en eêl vermaak.

ö Schoone Tarbot, gij Faizant (e) der zoute baaren,

Lekkre Tong, de roem van al de waterfchaaren,

ó Kabbeljaauw,

Ce) Faizant] Zijn lekkere fmaak is oorzaak, dat hij (Tarbot)

roo genoemd wordt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang.

m

ê Kabbeljaauw, ö Griet, ö Spiering, Kreeft en Schol;

Wat is de zee van al uw heiren altoos vol!

Ik zie den Pieterman, die Visfchers zelfs doet beeven

Voor zijnen angel, die hun fteek op fteek kan geeven:

Denrooden Zeehaan (ƒ), die aan onzen fmaak voldoet:

En u, Sardijntje (g), 'twelk, in onzen moed zoo zoet,

Uw zilvren lichaam plooit met honderd vreemde trekjes,

Befprankeld met een' gloed van fchoone azuure vlekjes.

Gij die alömme uw' lof en roem en glorie hoort,

En England met uw heir als met een' wal omboordt,

ö Frisfche Haring O), die, met zooveel vlugge fchepen,

De rijke winsten in ons Nederland doet fleepen;

Ook

Cf) Zeehaan,] in 't Fransch Rougtt, heeft vanwege zijne

roode kleur, dien naam ontvangen: en is door M A I T U U S en

PLINIUS, Rubellio genaamd.

Cg) Sardijntje,] Die vischjes zijn zonder graat, zeer lekker

om teeeten, en niet boven 4 duim lang, en bijna een* duim

breed. Ze zijn bij uitftek overvloedig op de kusten van Frankrijk

aan de Middenlandfche Zee. De kleine Sardijntjes , noemt men

ansjovis.

(*) 6 Frisfche Haring,} De Haring is al te bekend, dan dat wij

hem befcbrijven zouden. De uitvinding van denzei ven te kaaken,

en dan te zouten , in te pakken, en te bewaaren, ja zelfs naar

vreemde landen toetezenden : brengt in Holland duizenden van

menfchen het brood op tafel en 't hembd aan *t lijf. Wij zouden

fcem, en al wat hem aangaat, hier breeder befchrijven, indien dat

G 3

groot»


ïeu

GÓDS GROOTHEID IN DÏ

Ook gij verdient een plaats in dit mijn Zee-Gedicht:

Wél moet hij vaaren, die ons 't eerst heeft onderricht

De kunst, vanu, öVisch, na uwe vangst, te kaaken,

Waardoor veel duizenden aan 't eerlijk brood geraaken.

Gij, na uw' dood behoed voor 't rotten en bederf,

Verfterkt ons leevend. Ja gij houdt fcheeps-timmerwerf

In eenen frisfchen bloei: gij zegent onze baanen:

De nettebreier leeft door u: gij kroont het taanen

Met rijke winst, en doet de kookerijen gaan.

Gij kleedt en reedt matroos: ja van den Schipper aan,

Tot op den jongen toe, geeft gij hun kost en kleeders,

Gij bouwt zelfs huizen, ja Paleizen voor de Reeders

Der fnelle kielen, waar uw visfeher zich op waagt.

Gij, die door uw Gezang, 'twelk 'tkeurigst oor behaagt,

't Aaloude Vlaardingen der eeuwen hebt geheiligd,

En door uw' heldentoon die Stedemaagd beveiligd,

Meêr dan Amphion, de eer der wélbemuurde Stad (f),

Die in haar' ommekring tienmaal tien poorten had.

ó Hoogvliet,

groote wonder van de Nederduitfche Dichtkunde in zijne Eerekroon

voor Vlaardingen, dat zoo overfchoon niet gedaan hadde, dat wij

daar niets weeten bij te voegen, en den Leezer derwaards heenen

wijzen.

(») derwélbemuurdt Stad,]; Theles of Diofcopolis ook Kecatompyls

genaamd, Stad in Egypten.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. ro$

ö Hoogvliet, gij hebt ons zijn vangst, zijnkaaken, pakken,

En wat daaraan behoort, voordeel en ongemakken,

Zoo kunstig afgefchetst, dat ik uw heerlijk Werk,

Voorlang geheiligd aan Apollo's gloriekerk,

Alleen te noemen heb, om ieder te overtuigen,

Dat daaruit al het zoet des Harings is te zuigen,

Van zijn geboorte af aan, door vangst en kaaking heen,

Tot kreuple Stijn (k) daarmee door Neêrlands volle fteén

En dorpen omfchreeuwt, om hem aan ons uitteventen,

'k Moest wijken van uw fpoor, of naar uw fchilderprenten,

Indien ik meerder van den Haring, fchetfen zou,

Des ik zijn nuttigheid hier klaarder niet, ontvouw.

ö Talrijk Visfchenheir, verfchillend in uw fmaaken,

Gij koomt met duizenden mij uit den vloed genaaken.

Gij zijt de kinders van het woord vol vruchtbaarheid,

't Welk aardrijk,lucht en zee, met fchepflen overfpreidt»

En zegenende deed vermenigvuldigd worden (/).

Gij fpraakt niets vruchteloos, en alles volgt uw orden,

Geduchte

(k) kreuple Stijn] Nog onlangs, vermaarde haringüitroeplter door

de Steden van Holland.

O) vermenigvuldigd wordtn.] Zie GENESIS Cap. I, vers 22.

G 4


104 GODS GROOTHEID IN DE

Geduchte Majesteit: De waterburgerij

Volgt de opperwet getrouw van uwe heerfchappij,

Bevolkt oneindig het onmeetbaar ruim der baaren,

Teelt voort, vernieuwt, en vult de golven met heur fchaaren.

Elk deezer visfchen foort, om heuren fmaak begeerd,

Heeft haaren vijand, dien zij vreest en overheert,

't Zij ze openlijk of in 't geheim elkander haaten.

Zij zullen heuren haat en wrok niet ligt verlaaten;

Maar dienen hem getrouw, en leevren telkens flag,

Door eenen oorelog, die nimmer einde zag.

öZee! zoo is uw ruimte een reeks van oorlogsvelden,

'tTooneel der tweedragt en der ftrijdcn van uw helden:

Een rijk waarin de magt fteeds de onmagt drukt en plaagt:

Waar alles krijgslist is, en kunst die kunst belaagt,

Waar hinderlaag en vrees fchermutflen en regeeren,

Waar nu de vijand wijkt, dan weêr mag triumfceren,

En 't aardfche krijgstooneel vernieuwt in 't pekelveld.

Eén hunner (m) toont aan mij een fchouwfpel van geweld:

't Zij

(«O Eén hunner] Te weeten. de Siddervisch: In een Gefchrift

gevoegd bij de gedenkftukken van de Academie der Weetenfchappen

(van'tjaar 1714 biadz.344)legt de Heer DE REAUMUR, de oorsaak

uit van dc verkleuming, welke de Sidde rvisch toebrengt, aan degenen


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 105

't Zij hij aanvallend zelf, zijn' vijand wil befpringen,

Of door de vlugt zich uit zijn neepen zoekt te ontwringen;

Wier kracht hij, als geleerd daaröp, verijdeld heeft.

Zijn vijand is verkleumd, wordt flaaprig, trilt en beeft,

En kan zich, fchoon hij wil, niet aan zijn' tand onttrekken.

De fterke Visfcher kan den arm niet meerder rekken; .

Hij wordt fluks als geheel verfteend en uitgedoofd:

Zoo zegt men, dat weleer het fchrikkelijke hoofd

Van

genen die hen aanraaken. De Siddervisch, in de Middenlandfcho

Zee, en daaromtrent, gelijk ook in eenige der Surinaamfcbe Stroomen

gevonden, is eenigzins gelijk aan onze Heilbot, en, heeft, als alle

• Platvisch, een' hoog verheven' rug met fterke vinnen bezet Wanneer

hij zich wil wreeken van dengenen die hem zoekt aanteranden,

zoo trekt hij den hoogen rug zoodanig in, dat hij alle zijne kracht

daardoor ingefpannen hebbende, en de rug weêr fchieiijk opfchietcnde,

hij zijnen vijanden daardoor zoo fterke flagen weet te geeven,

dat zij er als door verftij ven, en in onmagt raaken : en, zegt de Heer

DE REAUMUR, de eigene bevinding, welke ik daarvan heb,

deed mij afzien om verdere proeföndervindingen daarvan te neemen.

En PLIKIUS, in zijn Vde Boek verhaalt, dat de Sidderof

Slaapvisch wel weet, de andere Visfchen, die over hem koomen

zwemmen in eene fluimerigheid te brengen, en ze zoodanig verkleumt,

dat hij ze krijgt, en hun vleesch tot zijne fpijze gebruikt:

En alle de genen, welke deezen Visch maar aanraaken , worden

daardoor zoo verftijfd, dat, gelijk ALBERTUS zegt, één zijner

gezellen dien Vissh maar haastig aangeroerd hebbende, zijn arm

een halfjaar verftijfd isgebleeven, fchoon hij verfcheidene middelen

daartegen gebruikt heeft. P11 N. van ie Dieren, bladz, 557.

Jmji. 1703.

GS


ior5 GODS GROOTHEID IN DE

Van Cethus Dochter (ra), 't welk met ijsfelijke flangen

En addren in de plaats van hairen was omhangen >

Door Perzeus echter overwonnen, ieder een'

Die 't aanzag, plotfeling verandren deed in fteen.

Een ander vliedt met kunst zijns vijands booze laagen,

Wiensvreetlusthem bcftonddoor'tzwalpendfchuim te jaagen.

Hij heeft een flaauwe hoop in 't uitterst oogenblik:

Zijn wapentuig brengt in zijn' vijand eenen fchrik:

Hij fpuwt een zwarte vogt zijn weerpartij in de oogen:

De zee wordt rondom met een donkre wolk omtoogen:

Zijn woênde vijand van het fpoor dus afgeleid,

Vindt zijne prooi niet, fchoon hij zich daar nog meê vleit,

't Geval fluit hem den muil, hij opent onverfchrokken

Dien weêr, den vlugteling zich vleiende inteflokken (o).

Gelijk een haas in 'tbosch, die 't naauwlijks gaande houdt,

Gereed gansch ademloos te vallen in het woud,

Zich nu vertoont, dan weêr verbergt in hegge en Kruiken,

En door die krijgslist weet des jaagers hand te ontduiken.

Gij

00 Cethus Dochter, ] Medusa.

(o) inteflokken.] PLINIUS, IX.Roek, Cap. 29. van de Inktvisfehen

fpreekende, zegt: wanneer zij voelen dat ze gevangen

worden, florten zij eenen Inkt uit, die hun voor bloed dient, en

zij ontvlieden onder liet zwart gemaakte water.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang.

ïö?

Gij zijt het groote God, Gij zijt het ook alleen,

Die, deez' behendigheid, hun geeft, in woeste zeen.

Door U verijdlen zij al veele hinderlaagen.

Die fchoone giften, al die loosheên, die wij zagen,

De nabuurinnen van de Reden, fchoon hun vremd,

Zijn echter de oorzaak die de magt der fterken temt,

En houdt in evenwigt door uw alwijze leiding:

Wat hebt Ge aan hunnen haat en onverzoenbre fcheiding,

In 't ondoorgrondbaar diep van uwen wijzen raad,

In zijn befluiten zoo onwrikbaar, niet een zaad

Van veel geheimen, die zoo nuttig zijn, verbonden!

Gansch onüitputlijk is Natuur: wie kan haar gronden?

Hoe maatloos zijn op ons die giften, uitgeftort!

De Mensch, die uit zich zelv' fteeds aangedreeven wordt

Om zelfs ook uit de zee voor zich de fpijs te haaien,

Oogst honderdvoud te min, als ze uit haar rijke zaaien

Aan ons (want voor den Mensch is 'talles) geeven kan.

De visfchen, wien de fchulp (f) tot een vast dakwerk van

Verweering

(p) wien de fchulp] Zie over den Schulpvisch , het tweede

gedeelte van een Werk , genaamd l'Hiftoire Naturelle , eclairds

dans deux de fes parties principales, la Lithologie cif la Conchyiiologie,

dat is : De Natuurlijke Gefchiedenis, verlicht in twee haarer deelen;


ioS

GODS GROOTHEID IN DE

Verweering ftrekken moet, die houden ook onze oogen

Door veel verfchillendheid verwonderd, opgetoogen!

Deez' zijn als aan den voet des rotsfteens vastgeplant;

En die weêr ordenloos verfpreid op 't gulle zand.

Het

wasfend water naar de ftranden heengedreeven,

Koomt hunne heiren, op de ftranden, aan ons geeven,

En levert hen, nu van zijn hoogten neergedaald,

In onze hand, die hen met blijdfchap binnen haalt.

6 Zeekreeft, Oester, en gij Mosfel, van de zoomen

Der zee, zie ik u dus op mijne tafel koomen?

En ronde fteekelvisch, vooral zoo goed van fmaak

Dien wonderfchulp, uw huis, befchouw ik met vermaak;

Van

de Steen- en Schulpkimde. De fchranderheid van den Schrijver, de

Heer DARGENVILLE, Lid van de Maatfchappije der Weetenfchappen

van Montpellier, heeft niets nagelaaten, wat men verlangen

kan, omtrent het geflacht, de gedaante en de eigenfchappen

der Zee- en- Rivier Schulpvisfchen.

(5) zoogoed van fmaak!] De Schulpvisch, Zee Egel genaamd,

is wel bekend aan 't volk der Middenlandfche Zeeftranden. Zijn

gedaante is een platachtig rond, vol van uitkoomende pinnen of

fteekels, die hem voor pooten dienen ; waarmee hij voortrolt.

Zijn kleur is nu grijs, dan eenigzins violet; maar meest zwart. De

opening , waardoor hij zich voedt, is voorzien met 5 kleene

tandjes, en geplaatst aan het onderfte middelpunt van den fchulpu

Het


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 109

Van kleur veranderlijk: rondom vol fcherpe fpooren,

Wat heerlijk kunstpenfeel, hoe hoog in alle chooren

Der Schilderkunst beroemd, gepreezen en vermaard,

Kan immermeer aan ons dien zoo verfcheiden' aart,

Als onderfcheiden vorm en eigenfchappen, maaien,

Van den gefchulpten visch, die zijne fterke fchaalen,

Al waar hij is, en kruipt, meevoert op zee en ftrand?

Wat meestertrek fchetst ons, door eene fikfe hand,

De wondre fchoonheên van zijn fchulpen, vol van bogten,

De neiging die Natuur wou aan elk foort verknochten?

Hoe zonderling vergaêrt en, onophoudelijk

Voortteelend, fteeds vermeert, het ftrand- en 't waterrijk ?

En door wat kunst elk zich weet voor gevaar te dekken?

Maar dit zoo heerelijk tafreel vol fchoone trekken,

Durft mijne hand niet zelf afmaaien op 't papier;

En meêr getroffen door den onnavolgbren zwier,

Die

Het vleesch, dat in den fchulp zit, is als verdeeld in s hoogroode

of bleekgeele kwabben. En dit is de nette befchrijving van

dien Visch : welke de Schrijvers van Le Speüacle de la Nature en

de L'Hift. Natur. eclaircie, niet duidelijk hebbende opgegeeven,

ik noodig oordeelde, dus naauwkeurig te melden, omdat die Visch

van zulk een' lekkeren fmaak is, dat de liefhebbers daarvan, hem

veel hooger achten, dan met groene baarden voorziene Oesters,

hoe heerlijk die ook zijn «oogen,


ito GODS GROOTHEID IN DE

Die heerlijk blinkt in al die meesterlijke ftreeketij

Dan magtig om hier mijn gedachten uittefpreeken,

Of die te drukken op 't papieren fchilderveld,

Heb ik hier mijn penfeel en tong een perk gefteld.

Ik zwijg; 'k verwonder mij: Gods grootheid zij gepreezen!

'k Vernoeg me, mag ik een verrukt aanfchouwer weezen.

De kunst is eng beperkt: Natuur kent perk noch paal.

Maar boven allen Visch, verrukt gij mij, ö praal,

6 Pronk der golven, door alle uw behendigheden,

Zee-Reiziger (r), die ftout, met uwe zilvrcn leden,

De Zee doorkruist en klieft, als een klein vlottend fchip,

Die u omzichtig wacht voor alle bank en klip,

Hoe evenvormig zijt ge, ö Visch, den zeekafteelen,

Die 't menschdom toeftelt, in alle uwe lichaamsdeelen?

De groote fcheepsbouwkunstder menfchen, is in 'tkleen^

In 't wondre famenftel uws lichaams, kort bijeen.

Zijt

(r) Zee-Reiziger,'] Dezelve wordt in de Middenlandfcbe Zee

gevonden, en in 't Spettacle de la Nature, III.Deel bladz. 231.

kan men er eene fraaie befchrijving over leezen. Dit Werk is ook

in 't Nederduitsch vertaald, onder den naam van Schouwburg der

Natuur: Zie ook V L1 w 1 u s, van de Dieren, V. Boek bladz. 550,

dmjl. 1703.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 11

X

Zijt van uw fchip zelf zeil, riem, roer en mast, in 't vaaren;

Wees fchipper en matroos en ftuurman op de baaren,

Gelijk een goed piloot! Ik twijfel geenszins meêr,

Of 't allerëerfte fchip, 't welk Griekenland welëer

Met zooveel Helden naar 't rijk Colchos heeft gezonden (s)j

Is naar uw vorm gemaakt, en kunstig uitgevonden:

Dat fchip 't welk 't wijdberoemd en Gouden Vlies vandaar

Heeft durven rooven, met ontelbaar lijfsgevaar.

De aaloudheid wist die zaak op veelerlei manieren,

In haar verdichtfels, fraai en geestig optefieren.

ö Wijdberoemde (r) Visch, oudfchathuisderTyriers(V),

Gij, van de rots gedaald, fchenkt ons een verw vol viers;

Een

(O Colchos heeft gezonden] De beweegredenen voor den rogt

der Ar genanten, is te vinden in de Hiftorifche Uitlegging der Fabelen,

door den Heere Abt B ANIEE : uit het Fransch vertaald, 3Deelen

in üftavo.

CO 6 Wijdberoemde Visch,] De purpere Zee-Slak heeft in 't

midden van den nek eene witte ader; wanneer dezelve leevendig

gevangen wordt, is daarïnhet heerlijk purper te vinden: Ze wordt

in de Middenlandfche Zee en Archipel gevangen.

C«) fchathuis der Tyriers] Men fchrijft aan die van Tyrus, d»

uitvinding der purperverw toe ; hunne naarftigheid heeft deeze

kostbaare verw tot den hoogden trap van volmaaktheid gebragt.

Zij was de bloeiendfte tak van hunnen handel, en de bron van hunne.

oufchatbaare


na

GODS GROOTHEID IN DE

Een rijke vogt, die we u zien uit het lichaam vloeien,

Doet alle wol, daarin gedoopt, volheerlijk gloeien,

Enfchenkt haar eenen glans (v), die door geen'andren gloed

Verdoofd kan worden, maar de meester blijven moet.

'k Zie Romen op die kleur trotsch en hovaardig worden»

'tGeeft haar een voorrechten een' naamder aadlijkeOrden(w),

'k Zie Sceptervoerders zelfs in deeze verw, zoo fchoon,

Zich tooien, bij het goud van hunnen glorietroon.

En gij, ö Visch (#), wien ik een zilvren dak zie dekken ,

Een dak,'twelk de oogen kan door fchoonheid tot zich trekken,

En

onfchatbaare rijkdommen. PLINIÜS , IX. Hoek, Hoofdft. 40.

verhaalt ons, dat hetTyrisch Purper te Romen in zeer groote hoogachting

was. De Heer DE REAUMUR heeft van deeze Purper-Slak

eene verftandige Verhandeling gevoegd in de Gedenkfchriften van

de Academie der Weetenfchappen van 't jaar 1711, bladz. 168.

Zie ook HÜBNERS Kunst-Woordenboek, op het woord murex,

O) eenen glans, ] De glans van het Tjrrisch Purper, heeft den

toets der tijden uitgedaan. De Heer R O L L I N , in zijn Aaloude

Bijl. VI. Deel, verhaalt, dat A L E X A N D E R bij het inneemen van

Suzan 500000 ponden Purper had gevonden, dat federt 198 jaaren

aldaar bewaard was, en nog zijnen eigenen glans en luister had,

en naderhand voor honderd rijksdaalders het pond verkocht werd.

(w) der aadlijke Orden,] Te Romen hadden alleen de Burgemeesters

en Raadsheeren, het recht om purpere rokken te draagen.

(x) En gij, óFisch,]

Zeehoorn-Slak.

Porceleinen Zeehoorn-Visch, of groote


SCHOONHEDEN DER NATUUR, tweede Gezang, t i j

En u het recht vergunt, te roemen niet alleen:

Dat gij een wooning hebt, die, door bevalligheêii

Van kleuren, het gezicht verrukt houdt opgetoogen.

Wanneer het hemelsblaauw met groen en purper, de oogen

Zoo vrolijk toelacht en op ü verliëven doet,

En zich verliezen in uw' fchitterenden gloed i

Maar oók, dat ge oudtijds, zoo de Dichters ons vêrhaalen.

Gelijk een zegekoets mogt voor vrouw Venus praaien*

Die, dicht omftuwd met al de Tritons en Najaên,

Terwijl de Zuidewind vast fladderde £f en dan,

En roozengeurtjes blies, naar Paphos voortgereeden,

Zich aldaar, als Godes der min, zag aangebeden.

En gij ook eindelijk, op wien het Oostersch Land (vj

Zoo prachtig eenen roem draagt aan 't gelukkig ftrand,

Die uit een kostbaar lap, 't welk in u ligt te broeien,

Eén' lieffelijken zwerm van bolletjes ziét groeien j

Dig

C y ) Oostersch Land] De twee befaamdfle Paarlvisfcherijen zijn iri

Oost-Indig„ aan de Kaap Commorijn en *t Eiland Ceylon. De West-

Indien leveren wel grooter paarlen, maar ze zijn onvolmaakter m

water, kleur en grootte: Zie in de Reizen van TAVERNIER,

II Boek. Hoofdd. 2. de wijze waaróp men in het Oosten depaarlea

rischt.

0

H


ii 4

GODS GROOTHEID IN DE

Die op het voelen van den vroegen zonneglans,

Wien de Indiaan aanbidt uit zijnen tempeltrans (z),

• U zelv' ontfluit en met de heldre en malfche dropjes

Des nuchtren dageraads Qa) uw paarlemoeren topjes

Bevogtigt, en u voedt, indien men waarheid fpreekt;

Gij die u om de hand, die u ftout openbreekt,

Om uwen lieven fchat uit uwen fchoot te rooven,

' Streng toeflint, ja haar zelfs afnijpt of óp durft klooven, •

Verblindend Paarlemoer, ö rijkdom van de Zee,

Deel aan het groot Heel-Al uw rijke paarels mee,

Waarop men zooveel roemt, die ieder wil waardeeren:

Laat haar de kruinen van de Koningen verëeren (£),

Door

(3) tempeltrans, ] Al van ouds aanbaden de hidiaanen de Zon,

en nog hedendaags wordt bij die volkeren afgodendienst daaraan

gepleegd.

O ) Des nuchtren dageraads] Zie deeze en nog meêr omftandigheden

in PLINIUS Natuurlijke Gefckiedenisfen, IX. Boek

35. Hoofdft

(6) Koningen verëeren,] De kroon van de Spaanfche Koningen,

pronkt met die beroemde Paarl, waarmeê PHILIP II. dezelve

verrijkt heeft•, zijnde zoo groot als een duivenei, en van gedaante

als eene peer. Cleopatra , had in haare ooren twee paarlen, de

fchoonfte die men nog ooit gezien heeft, en waarvan ieder een

millioen was waardig gefchat. PLINIUS en MACEOBIUS verhaaien,

tot wat buitengemeene overdaad één van die paarlen is

gebruikt geweest: De andere paarl heeft Keizer AUGUSTUS

in tweeën doen klieven, en aan de ooren hangen van het beeld

van V B n u «. in den allergoden Tempel te Romen.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang, i,

Door haar gewigt, haar blankte en evenredigheên,

En 't Vrouwentimmer met een' fchooner' glans bekleen i

* * * * *

Wat heerlijk wonder doet zich nu op aan onze oogen,

Is 't vruchtbaar veld ook in den Oceaan getoogen?

De grond is ingeleid (c) met gras en kruid en plant.

De duiker.brengt haar fluks den Stuurman in de hand.

Wat vindt men hier een groot getal, aan alle kanten,

Van kruiden, wortels, en van allerhande planten;

Verfchillend in hun vorm, ioort, ommetrek en trap.

Zij vinden onder in het Water lijmrig fap,

Éi

(O De grond ü ingeleid] Men weet, dat.de Zee op veele plaatfen

toet kruid en mos voorzien is, zoodat als het dieploot daarop valt,

het veel daarvan naar boven medebrengt. PLTNIUS, maakt ook

gewag van ganfche Bosfchaadien, die op den grond van den Indifchen

Oceaan gevonden worden, XIII. Boek, 25 Hoofdft. Volgens

het verhaal van den Heer DE ROB BH, in gijne Weereldbefchrijving,

js het oppervlak der Zee, dicht bij de Kaap de Goede Hoop, zoo

bedekt met mos, even na eenen ftorm, dat men dezelve voor

een groot weiland zou aanzien. Men vindt daar vooral eene groote

menigte van Wier, een kruid dat hoog groen is, vrij wel naar

gemaaid gras gelijkt, en waarvan de punten door elkaêr zijn gevlochten:

Zie ook hierover La Thtohgitdil'Eau, Liv. I. Chap. 7,

H *


ÏI6

GODS GROOTHEID IN DB

En nog veel andre lucht- en ook falpeterdeelen.

De kracht van elk verfchilt, naar ze in natuur verfcheelerf;

En hun gelukkig juist te famenloopen maakt

Een broeijing, waar de ftof aan 't gisten door geraakt.

De rechte toevloed van die, anders zoo verfcheiden,

Werktuigen faam vereend, kan ze allen toebereiden:

Ja geeft bij duizenden gewasfen, uit dien broei,

Een' ieder naar zijn' aart, een' leevendigen groei.

Schoon 't menschdom hun gebruik bijna zou kunnen misfen,

Zij ftorten niet te min op 't kruipend heir der Visfchen

Hun weJdaên uit: Dat vindt zijn voênde vogt daar weêr,

't Legt op het bed van mos zijn teedere eiers neêr,

De visch vindt in dat loof een fchuilplaats voor de laagen

Waarin zijn vijand hem zocht onvoorziens te jaagen.—

De Spons (d), zoo buigzaam en gansch voos in heuren aart,

Bijna geelverwig, ruim geluchtgaat, wijd vermaard,

Verkrijgt ook eindelijk een plaats in mijn Gezangen.

Gij, om de rotfen die der ftranden zijde omvangen,

Den

Cd) De Spons, ] Niemand is onkundig van het nut der Sponfen

zoo fijne als grove, en de verfebeidene gebruiken, die men van

dezelve maakt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. u 7

Den voet omkruisfend, gij laat, door uw lichaam, dat

Een zeef fchijnt, open baan, voor allerhande nat.

Gij flqrpt 'het ijlings in uw wijde en open gaaten.

Maar als mijn hand u drukt zult gij 't weêr loopen laaten:

Gij werpt het wech: gij ftort het uit, en toont aan 't oog

Al wederpm, wat eerst uw lichaam in zich zoog;

Zoolang men dagen telt, zal u het water teelen,

En tot een veelerlei gebruik aan de aarde uitdeden.

Waar u de arbeidzaamheid gebruikt met vlijt en kunst.—

Bij mijne Zangfter zijt gij óók niet uit de gunst

Geraakt, ö Heesters (e)! hier gewis een plaatsje waardig,

Schoon ge in Europa (ƒ), maar helaas! al te onrechtvaardig,

Niet

CO ê Heesters!] Zie in FHiJloire Phyfique de la Mer, par Mr.

Ie Comte de MARSIGLJ, of de Natuurkundige Cefchiedenis der Zee

*>or den Heere Graave van MARSTGLI , de heerlijke aanmerking,'

welke die beroemde Natuurkenner gemaakt heeft, over het Koraal,

enin 't bijzonder over de bloemen van deeze zee-plant, welke hij

* eerst heeft ontdekt. De Heer REAUMUR verzekert nochtans,

dat die bloemen, als ze wél worden opgemerkt, niet anders zijn,

dan een ophooping van kleine bloedelooze diertjes : Zie de

Voorrede voor het VI. Deel van zijn Hifi. des InfeUes, of Gefchicdeins

der bloedelooze diertjes, bladz. 74.

00 Schoon ge in Europa, ] Men maakt in Europa zeer weinig

werk van het Koraal, en men verzuimt al te veel de Koraalvis!'

fcherij in deMiddenlandfche Zee: maar in Aziên xht men dezelve

H 3 hoog.


ïi?} GODS GROOTHEID IN DE

I\ T iet wordt zoo hoog gefchat als gij wel waardig zijt;

Het Oosterftrand wreekt u, en fielt u, ons ten fpijt,

Vérr' boven al-hetgeen, waarmee ons land kan praaien.

Uw rood is fchoonder dan ooit Schilders konden maaien»

Uw. ftam en takjes zijn in 't diepst der wijde zeen.

Als gij daar buiten koomt, maakt u de lucht tot fteen.

Ook zien we u tot een asfche en vruchtbaar zout geworden,

Terwijl gij dienftig zijt aan Arts Galenus Orden:

En naauwlijks ziet u een beminnaar van die kunst,

Of gij trekt zijn gezicht tot u, en wint zijn gunst.

ÖGod, defchoonhéên, die Ge in Zee zoo mild wilt deelen,

Zijn de onüitputbre bron van duizend tafereelen:

Zoo menigvuldig zijn ze als het ontelbaar zand, .

Dat Gij rondom de Zee geplaatst hebt aan het ftrand.

* * * * *

'k Zie weêr een nieuwe baan voor mijn gering vermoogen.,

Een grooterSchouwtooneel ontdekt zich aan. mijn oogen.

% zi ?

hoog. Het wordt gebruikt tot eene groote menigte van bevalligs

werken,'gelijk als greep'en van Sabels, knoppen van Rottingen,

arm- en halsfieraaden. De gevallen, waarin de Indiaarm het gebruiken,

en het gebruik waar zij het toe bezigen, zijn zeer oud,

alzoo PLINIUS die onder VESPAZIAAN en TITUS heeft

geleefd d;iarvan fpreekr,in zijne Natuurlij'kt Gejchiedenis, XXXHBoek,

SHoofdfi.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. ir 9

5

k Zie groote ftukken lands, die, aan geen andre vast,

Heen dobbren op de zee, die inbuigt van dien last.

De fteiJe rots of 't ftrand zijn wallen, die de baaren

Weêrftaan, en hen in ftorm voor ongeval bewaaren.

AH' deeze gronden (g), die zoo groot zijn, overal

Op 't vloeibaar vlak verfpreid, met ruimte en tusfchenwal

Van de één tot de andre plaats, en hier en daar ftaanprijken,

Zijn landen, wélbevolkt, en ganfche koningrijken;

Wier onderdsanen zijn verfchillend in hun foort.

Elk reist ter zee uit, wijl het oog ons wordt bekoord,

Door eene hoogte, die de lucht zelfs fchijnt te'tergen.

Zij zijn tefaamgefteld van boomen, bosfehen, bergen.,

Rivieren, vlakten, fteên en landerijen zelv'.

o Heerelijk tooneel, dat onder 't luchtgewelf

Zoo zeer verfcheiden zijt, en de oogen kunt verrukken!

Hoe hebt ge, öZce, van de aard' die wélbewoonde ftukken

Veroverd?

Braakt gij ook van 't vaste land die af,

Wanneer des Hoogften hand, den fterveling ter ftrafF,

Het aardrijk fchudde (/?) door onzichtbre

Baarmoeders, vreesfelijk voor alle ftervelingen,

flingeringen,

F

N , Van

Kg) gronden,] De oorfprong der Eilanden.

C/O Het aardrijk fchudde] Het kan wel zijn, dat ook geweld.Ve

aardbeevingen, van 't vaste land, of zelf s

van den grond der Zee,

H 4

zop


Vo GODS GROOTHEID IN

Van ijslijk-klaatrcnde al vernieling, dood en ichrikfc

Zijn zij aldus in een verwoestend oogenblik,

Van hunnen klomp gefcheurd, en als bijzondre landen,

Aan uwen voet gehecht, met onöntknoopbre banden?

6 Meen, de aardbeeving zelf is de oorzaak niet, dat gij

Die groote Rukken lands hebt in uw hecrfchappij.

Toen 't fcheppend Wezen had den ondergang gezwooren,

Van &en ondankbaar volk, dat voorwerp van zijn' tooren,

't Welk,

*oo groote {tokten knnnefl affcheuren, dat er een Eiland van kan

lorden': Maar zulk een Eiland zoude vooreerst zeer klem, en

dan ook niet vérr'af weezen van 't vaste land, daar de aardbeeving ^

was; op deeze wijs kwam het kleine Eiland Santorin, aan de Kusten

van den Atthiptl den 21 Md 1707, uit de Zee voort: en ook desgelijkt

kan de opkoomst geweest zijn van de drie kleine Eilandjes,

! mijlen van het lange gebergte, ten Noorden der flad Marfeille,

Jf Pomique en Ratoneau genaamd. Dezelve zijn echter al fjderc

,800'jaaren bekend geweest, dewijl CE ZAK in zijn eerfte Boek

Vin'dö burgerlijke oorlogen, in 'i befchrijven van't beleg van

Marfeille, daarvan fpreekt. Doch ik ontken, dat de Eilanden van

Voornaame grootheid én verre van 't vaste land af, gelijk als de

EUanden van St. Domingo, Cuba enz. zouden kunnen weezen afgetrokken

Van 't vaste land van Noord - Amerika, of opgeworpen zijn

tvt den 'ijoezem der Zee, doordeééne of de andere aardbeeving.'

Kituurlijke oorzaaken, voor dit mijn zeggen bijtebrengen, zoude

't beftek eener aanmerking te buiten gaan. Leezers, die maar een

weinig mtuuiUmis hebben, zullen dezelve ligt begrijpen.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 12 r

't Welk, al te fnood en trotsch, betaalde uit overmoed

Met een verfmaading en vergetelheid, all' 't goed

En zooveel weldaên door de Godheid vaak beweezen:.

Wanneer godloosheid nu te ftout in top gereezen,

De ma,at vervuld had., en de hoogrechtvaardigheid

Braveerde, van Gods lang getergde Majesteit;

Deed 's hemels Opperheer, in 't eeuwig ligt gezeten,

Zijn gramfchap, fluks ontbrand, aan 't zilte ftroomnat weeten:

Straks fchoot rivier en zee gehoorzaam 't harnas aan,

De grondlooze afgrond, om Gods wraak ten dienst te ftaan,

Ontfloot ftraks het klinket, van alle zijne ftroomen.

Fluks zag men zee bij zee in volle woede koomen,

Haar bed verlaaten, en zich trapswijz' meêr en meêr

Verheffen, tot een wraak van Gods gefchonden eer.

Men zag terftond den hoop van die vergramde'vloeden,

Geftrenge dienaars van Gods wraak, en geesfelroeden

Des hemels, 't oppervlak van 't altoos vruchtbaar veld.

Gansch overftroomen en bedekken met geweld.

Ten laatften zelfs verdronk het water al de bergen.

Al de aarde werd een zee: 't geflacht dat God dorst tergen ,

Dat Menschdom was vernield, door de onweêrftaanbre magt,

Die 't billijk vonnis van Gods wraak ten uitvoer bragt.

H 5

Nu


izt GODS GROOTHEID IN DE

Nu zag men anders niet dan ingeftorte landen,

Verdronken aarde en veld, verzoopen barre zanden,

Hier hoog opeen-gekruid, daar ginds en vérr'verfpreid:

Dan ftapels rotfen, door der waatren onbefcheid

Elk van haar plaats gerukt, als fnippers van geen waarde,

Verftrooid op akke s, veld, en 't oppervlak der aarde:

Dan ruimten, opgefcheurd, gefpleeten van elkaêr;

Afgronden ijslijk diep, verfchrikkelijk en naar,

En dorre bergen met hun fteil verheven kruinen,

Toen eerst met fchorsfen ijs, als met kastallen duinen

Van allen kant bcpunt, met kegels als bezaaid.

Die beefde en trilde nog, en de andre was gedraaid,

Of reeds gansch omgekeerd, en zelfs verplaatst geworden;

A1T die verwarring, en die vreesfelijke onörden

Kwam uit een' feilen Root en fchudding, die de hand

Des ongezienen Gods tot ftraffe gaf aan 't land,

En al den Aardkloot (i)

op dat tijdftip, toen defchaaren

Der losgclaaten en ontembre waterbaaren

Al

CO En al den Aardkloot] Waarfchijnlijk kan men gisfen, dat

God ter uitvoering des Zondvloeds, zijnde die één der gróotfte

wonderwerken, en vérr' boven het befcf der natuurlijke reden,

den As des Aardkloots, een weinig noordwaards heeft doen draaien,

waardoor


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 123

Al 't menschdom flokten in haar' balg vol ijslijkheên,

Op 't fchrikklijk beeven van al 't aardrijk, in die vvcên

En angst omloopend, zijn er aanftonds veele pleinen

Des aardrijks, en zoowel veel grooten als veel kleinen

Gefchokt, gekeerd, en van den grooten klomp gedraaid,

Gefcheurd met groot geweld, gedreeven, omgezwaaid.

Van alle kanten door de waatren gansch omgeeven,

En door hun groot gewigt opëengeftapeld, bleeven

Zij ongedekt, zoo ras men allen Oceaan,

Nu hebbend aan de wraak van God ten dienst gedaan,

Weêr naar zijn zwalpend bed bevredigd heen zag vaaren.

Die vlakten van rondom dus los, ftaan op de baaren,

Verheven boven 't hoofd der golven, fier en trotsch.

ö Vruchtbaare Oevers, die, bij 't woedend ftroomgeklots

Der Griekfche Zee, u, met haar tuimelende golven,

Ziet fomtijds overftroomd, als in haar' vloed bedolven,

Gij,

waardoor de Dampkring wat verfchikt en de veerkracht der lucht

uitgezet werd, van welker onftuimige loslaating de algemeene

fchudding aan den Aardbol voortkwam, en welke de bovenaangehaalde

verwoeftingen veroorzaakte, die nog zonder twijfel zeer

zijn vermeerderd geworden, door de overftrooming der boven- en

henedenwateren.


i«4 GODS GROOTHEID IN DE

Gij heerlijk Lustprieel van Zangren (£), wier akkoord

Door Griekenland is met verwondring aangehoord,

Kwaamt dus te voorfchijn (l): en dus zijt ge ook opgetoogen.,

6 Heerlijk Albion, zoo trotsch op uw vermoogen,

En wiens alömvermaarde en zeer doorluchte Naam,

Lang vloog op wiekeu van de fnelgevlerkte Faam.

Gij zijt een denkend volk: Dit kan u achting geeven:

Verr' boven menig volk zijt gij daardoor verheven.

Die denking wélbelTuurd, gepaard met overleg,

Baarde u het denkbeeld eerst, en baande u pok den weg,

Waardoor

(ft) Gij heerlijk Lustprieel van Zangren,} ALCEUS en SAT/HO

zijn gebooren te Metilene, op het Eiland Lesbos: SIMONIDES en i

BACCHYLIDES te Cia.— Paros, was het Vaderland van AR ca i-

LOCÜ s.— EUP HORION, een Treurzanger, van wien V i R C I L I U S

gswaagt, in zijn Xde Herderszang, en die omtrent 250 jaar voor

CHRISTUS geboorte gebloeid heeft, is gebooren te Chalei, op

het Eiland Eubea: hunne Werken zijn niet tot onzen tijd overgebleeven.

Ten tijde van TRAJANUS, waren ze nog in weezen:

want QUIMTILIANUS, die onder dien Keizer geleefd heeft,

befchrijft hunne bijzondere eigenfehappen ons nog in het Xde Boek

van zijne Redenkundige Lesfen.

(I) Kwaamt dus te voorfchijn:] De Archipel, welke een gedeelte

der Middenlandfche Zee uitmaakt, tusfchen Aziën, Macedoniën,

en Griekenland, is als bezaaid met veele kleine en groote Eilanden:

alle vruchtbaar in Koorn, Olie en Wolle : De Ouden verdeelden

hen in Cycladen en Sporaden.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang, i 15

Waardoor gij in een reeks zeeghaftige oorlogstogten

U zelv' van flaavernij geheel hebt vrijgevochten;

En 't juk van Noorman, Deen, Romein, en wie ü meêr

Wou drukken, afworpt, tot uw eeuwigduurende eer.

Naauw was de blindheid van den afgodsdienst aan 'tzinken,

Of 't licht der waarheid zag men helder bij u blinken.

Het Evangelie-Licht ging als een morgenzon

Bij u ftraks op, en rees uit de onbefmette bron

Van 't ongefchapen Licht, dat alles heeft gefchapen.

Dit gaf u eenen glans die weêrfcheen op uw wapen j

Als gij te velde toogt; en door die dubble kracht

Hebt ge u welhaast betoond in Godsdienst, fchat, en magt;

Zoo niet het grootfte zelf, ten minsten één der grootften

Die 't purper uchtend licht bij 't morgenbaarend Oosten,

Het koele Westen bij den Zuid- of Noorder-As,

In al het weereldrond ziet rijzen uit den plas.

Hoe heerlijk fcheen uw glans! wat fpreidde hij al vonken,

Toen ge onzen Willem (m) zaagt op uwen zetel pronken!

Al

(«O omen Willem] Te weeten, den derden van dien naam,

200 onder Neêrlands Stadhouderen , als onder de Koningen van

Engeland; zijnde hun eerfte WILLEM, een Vorst vanNormandiè'n,

die hun geheele Land, door goed- en wijs beleid overwon,

WlLLIAH


126 GODS GROOTHEID IN DE

Al de aarde Rond verbaasd: elk zocht om ftrijd u aan»

Om uwe vriendfehap, en om wél bij u te ftaan.

Wij

zelf daarop verliefd, verlekkerd op de ftraalen,

Die ge, over de aarde fchoot, uit Londens Koningszaalen,

Verknochtten ons in een Verbond met William,

Uw' Koning, onzen Vorst, Zoo groot van moed als Ram:

Die band der vriendfehap van twee Volken, beide vrijën,

Groeide aan tot eenen band van hooge Maagfchappijen:

Zoo worden wij dan niet alleen vereend door moed,

DoorVrijheidjGodsdienst, maar ook zelfs doorVorstlijk bloed.

Dat

groot Geflacht heerscht nog bij u en bij ons mede,

Uw Rijksvergadering, beflüit tot krijg en vrede,

Èri

WILLIAM de Overwinnaar genoemd, in evengelijkheid met onzen

eerjlen WILLEM van Oranje, die onze hulp naast God was,

ter bevrijding van 't Spaanfche juk.

Engelands tweede WILLEM , die een eigen zoon des overwinnaars

was, laat ons zoo min iets gedenkwaardigs na, als onze

WILLEM de tweede, die maar een'korten tijd Stadhouder geweest

is.

De vergelijking van deeze WIL HELMUSSEN gaat voort tot

op den derden , als zijnde die derde een Verlosfer in Engeland

geweest, om 't volk van 'tPaapiche juk, waaronder KAREL de

eerfte, en zijne zoonen KAREL de tweede, en JAKOB de tweede,

hen hebben getracht te doen, bukken, vrij te maaken, gelijk hij

ook voor onze "Leven Landen is geweest, oa» ons tegen het magtig

Frankrijk ftaande te doen blijven.


SCHÖONHEDENDER NATUUR. Tweede Gezang. nf

En blijft toch vrij, fchoon ze aan haar hoofd een'Koning ziet,

Niet anders dan ook hier in 't Nederlandsch Gebied,

*s Lands Opperheerfchappij, aan 't hoofd der zeven Staateri

Een' Erfftadhouder ziet, de hoop der Onderzaaten.

Uw Vrijheid, uw geluk blijft door een' vrijen Raad

Geftaafd, als de onze door een' altoos vrijen Staat.

ó Mogtcn we onderling altoos vcrëenigd blijven!

Mogt' Liefde en Waarheid bij ons altijd boven drijven ^

En leggen op dien band een' Gordiaanfchen knoop,

Wien geen na-ijver van Koophandel immer floop'.

* * * * *

Maar thans ontdekt mijn oog weêr nieuwe fchöuwtooneelcn ï

Een prachtig duizendtal beweegbre zeekafteclen

Drijft vlugtig dobbrend voort, en klieft de golf met moed:

De wind blaast in het zeil; de riem ilaat op den vloed

Zijn dubble Hagen, met een aangenaam geklater,

En drukt zijn voegen op het luchtig fchuim van 't water.

Wat kunst beheerscht hier dus de woênde golf der zee ?

Haar' toorn ten fpijt is zij gehoorzaam en in vreê.

Gij, ö Matroozen, weet het alles te overwinnen

Wat

weêrftand bieden durft, met ftoute en fiere zinnen!

Gij


m 'GODS GROOTHEID IN DE

Gij temt de zee: gij zijt beteuglaars van de vloên:

Gij leidt de fchepen, hoe de baaren flaan en woên,

Van 't Oosten naar het West, van 't Zuiden naar het Noorden.

Gij fchrijft den weg hun voor, naar alle weereldöorden.

Een Staal, geftreeken aan den Zeilfteen, en gekeerd

Naar 't Noorder-Aspünt, heeft de dwaaling overheerd.

Een aantrekkracht, die daarin heimlijk is verfchoolen,

Maakt dat het Raai niet wijkt, en 't fchip niet kan verdoólen.

Duswordt dat wonderwerk,hoe vreemd voor ons(«),volbragt.

Het toont het Noorden ons onfeilbaar door die kracht,

En 't fchip daardoor beftuurd kan in de droevigfte uuren

Bij 't woên van wind en vloed de ftormen zelfs verduuren.

Gij,

(n) hoe vreemd voor ons,] De waare oorzaak van de draaijing der

Naaide, die aan den Zeilfteen geftreeken is, naar het Noorden,

is volftrekt onbekend. Dit is één van de alleröndoorgrondelijkfte

natuurgeheimen: ,, De Wijsgeer (zegteen groot Natuurkundige)

„ tracht de oorzaak van dit groote wonder te weeten: hij gebruikt

„alle moogelijke Wiskunftige oeftening, enz.: Echter na veele

„ jaaren lang alle zijne moeite te hebben te koste gelegd, zal hij

,, nog bekennen moeten, dat hij zich zei ven niet verftaat, of het

„ verdriet hebben, van aan anderen zijne ftelling niet verftaanbaar

,, te kunnen maaken : Zie den Heer PLUCHER, Spe&acle de l*

„ Nature of Schouwtooneel der Natvur, IVde Deel, bladz. 570.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 129

Gij, die een nieuw Gewest hebt uit den dopp' gehaald,

Gij oog der zeeliên, dat in 't uitzien nimmer dwaalt*

ö Zeeflambouw, die zooveel kunstgeleerde chooren

Van heel Europa, waar gij zijt het eerst gebooren,

Om de eer ziet twisten (


I 3o GODS GROOTHEID m DE

Het allereerst ontdekt, het vierde weerelddeel.

Al ft oovrig Menschdom tot dat tijdpunt nog geheel

Daarvah onkundig, zag die ftranden eerst, met oogen

Gansch van verwondering verbaasd, en opgetoogen,

En al zijn vlakten, waar de ploeg nooit voren trok,

Een' gloênden hemel in geftadige onweêrsfchok,

Zoo vruchtbaar eenen grond, die, aan het fchrikklijk beeven

En fchudden, door Natuur als over fchijnt gegeeven;

Een reeks van dieren, die gedrochtig zijn en wreed

En menfchen zonder fchaamte, en wet en pligt en eed,

Altaarloos, onbewust van Godsdienst en gewceten,

Vervaarlijk, ja gewoon zelfs menfchenvlecsch te vreeten.

Die nieuwe weereld, thans een veel befchaafder oord,

Heeft datgeen in den fchoot, waar gierigheid naar hoort.

Dat haar fteeds opwekt en toch nimmer kan verzaaden,

Het allerrijkst metaal, dat lokaas voor de kwaaden,

Dien dwingeland, die thans de weereld overheert.

Dat fchoone weerelddeel, van elk om ftrijd geëerd,

Is

(?) gedrochtig zijn en wreed;'] Dus is, bij voorbeeld, Condor,

een Vogel, dien men vindt in Peru, welke hierna befchreeven zal

worden.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. i

3

*

ts eene Lustwarande, en altoos overlaaden

Met de onüitputbaarheid van omvaardeerbre zaadenj

Van fpecerij en plant, aldaar op 't vruchtbaar veld

In overvloed geteeld, en voor geen' fchat geteld.

De fnoode tuimelgeest der helfche gierigheden,

Is ganschlijk onbekend, bij deezer volken zeden,

De Inwooner ziet daar met een veröntwaardend oog^

En trapt met voeten dat metaal, 't welk wij zoo hoo»

En dierbaar fchatten (r), ja tot eenen afgod maaken.

Hoe heerelijk die glans in zijn gezicht moog' blaaken,

Hij telt dien nietig, en acht wijs en wélberaên,

Meêr weezendlijk, dien fchat, die ons meêr aan moest gaan;

't Noodzaakelijk gebruik van 't geen dat wij aan 't leeven

Verfchuldigdzijn, en daar als cijns aan moeten geeven:

Maar wij integendeel, wij durven buiten kijf

Om 't goud te krijgen, op de Zee, het dierbaar

lijf,

Aari

CO Én dierbaar fchatten,-} Dc Amerikaanen fchatteden dan ook

even hoog hetgeen dat de Spanjaarden hun bragten: Zie er hier een

blijk van : ZARATE verhaalt, dat een Peruviaan tot een' zijner

Spanjaarden deeze taal voerde :

i t

Bijaldien uw volk ons anders

„ niet gebragt had dan fchaaren , kommen en fpiegels, daar onze

„ Vrouwen zoo gaarne gebruik van maaken; al ons goud en zilvet

„ was niet te veel, om er voor in plaats te geeven.

I 3


i 3

2 GODS GROOTHEID IN DE

Aan 't woeden van den wind en allerhande plaagen

Van ftorm en onweersbui geheel blijmoedig waagen:

Wij leevren Mexico en Chili overvloed

Van nutte waaren, waarmeê 't lichaam wordt gevoed,

En brengen 't goud, dat in die zooveel wilder landen

Gansch overtollig en onnut is, naar deez' ftranden,

Door onze fchepen, langs het ongemeeten zout.

Hier is 't de ziel waarop de mensch te veel vertrouwt.

Het groot beweegrad waarop we alles draaien laaten;

De zenuw, ziel en fteun van onze fteên en ftaaten.

Dus zijn wij onderling als cijnsbaar aan elkaêr.

Elk land is naar den zin van andren handelbaar,

En handelt wederom met andren, willekeurig.

Zoo blijft in vrede altijd de handel rondom fleurig.

Elk werkt ten besten meê, door winzucht aangepord,

Van 'tgeen vérr' van zijn lucht gemaakt, gebooren wordt.

De nooddruft of 't gebrek, die oorzaak van het werken,

Maakt 't uitgeftrekt Heel-Al, wanneer men op wil merken,

Ten éénig Vaderland van ieder in 't gemeen.

De menfehen door dien band verëenigd als tot één,

Zijn, ondanks zij door Zeen zijn van elkaêr gefchooten,

Door deezen handel dus te famen Landgenooten.

Uw


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Tweede Gezang. 133

Uw hooge wijsheid, die al de aardfche volken, door

De Zeen gefcheiden, langs het ruime handelfpoor

Aldus verëenigt, ö geduchte God der goden, •

Wil daardoor niet alleen voorzien in onze nooden.

Ik zie in 't diepe der Natuurgeheimenis

Een voorwerp daarvan, 't welk uw zorg meêr waardig is.

De Zee, dat groote blijk van uwe onmeetbaarheden,

Dat vreeslijk zinnebeeld van uw vergramde reden

En uw getergde wraak, heeft uwe hooge magt,

Uw' naam en glorie, door al 't weereldrond gebfagt.

De volken zittende in den nacht der duistre dagen,

Zijn dus van 't ijzren juk des Satans eens ontflagen;

Wanneer in 't eind de zon der heilgerechtigheid,

Den nacht verdreeven heeft, haar' vollen glans verfpreid,

En alle toverlicht voor haaren gloed deed wijken.

Het Christelijk geloof deed dus veel verre Rijken

Aanneemen 't godlijk woord van Vorst Immanuël,

Wiens blijde boodfchap vloog, in weêrwil van de hel,

Van 't één naar 'tander ftrand (j), door al de weereld heenen.

Leg, Satan, leg geveld, uw glans heeft uitgefcheenen!

Val

CO Vm't één mar'tander ftrand,] Geen menfchelijk verftand

heeft ten opzichte der bekeering van vreemde volken meerder

I 3

toegebragt,


i 3

4 GODS GROOTHEID IN DE . . ,

Val, wuft afgodendom, van alle magt ontbloot!

Er is maar ééne God, Hij is volmaakt en groot.

Zijn Rijk was eerder dan de tijd begon te weezen.

Op zijn gezicht valt ftraks de woênde zee aan 't vreezen,

En vlugt ten afgrond heen (*). De hoogfte Ceder zelf

Van Libanon (M), fchoon hij het blaauwc luchtgewelf

Mogt' trotfen, moet de kruin voor 's Heeren hoogheid buigen,

De hoogfte berg (v) moet ook Gods grootheid ons betuigen;

Hij fmelt en wordt door 't licht van 't godlijk heiligdom,

Een zee van enkel vuur, die toevloeit van rondom.

De Hemel is Gods troon: zijn voetfchabel is de Aarde.

En wie kan , op 't gezicht van 't geen zijn almagt baarde,

Nog meerder twijflen aan een' eerften Wezenaar

En Hem niet eeren op het dankbaar hartaltaar ?

Wie noemt ook niet de Zee een hoofdftuk van Gods werken,

Wanneer men, met verftand, op al dat Schoon wil merken,

't Welk, aan haar oppervlak, zich voor ons oog vertoont,

Of in den diepen fchoot van haaren afgrond woont?

toegebragt, dan dat van H. GROTIUS, door zijn Werk,genaamd:

Dewaarbeid van den Cbristelijken Godsdienst; in Dichtmaat opgefteld,

cn in meest alle de taaien der ganfche weereld overgebragt, en wel

duizenden maaien gedrukt.

(O PSALM CXIV. (M) PSALM XXIX. (v) PSALM XCVII.

I N H O U D


I N H O U D

DERDE

V A N H E T

GEZANG.

Vervattende eene befchouwing van de Aarde;

in betrekking tot haare Hoofdftoffen.

Tafereel van den Aardkloot, befchouwd met opzicht tot

zijne hoofdftoffelijke deelen, als Aarde, Water, Lucht

en Vuur. Befchrijving van de Andifche Gebergten, of

fchakel der bergen in Peru. Oorfprong der Rivieren.

Rijkdommen opgeflooten in de ingewanden der aarde.

Goud-, Zilver- en Kopermijnen. Diamant, Robijn en

andere Edelgefteenten. De Lucht als eerfte werkfter der

Natuur. Oorzaak van haare vloeibaarheid. Haare uitwerkingen.

Het wonderhaare, dat in derzelver drukking,

en ontlaating waargenoomen wordt. Van H Geluid, en

de klanken,- Hoe dezelve worden voortgebragt. De Lucht

is het beginfel der weêrkaatfing van het Licht. Nuttigheid

der fchemeringen. Werking van de Lucht op alle lichaamen.

Uitweiding over de gedenkwaardige Pest van 'É

jaar 1342. De Veerkracht van de Lucht, en derzelver

gevolgen. Van den Donder. Uitbraakingen door ender

aardfche openingen. Van de Aardbeevingen. Tafereel

haarer vreeslijke uitwerkingen. Van de Winden. Dat

hun waare oorfprong onbekend is. Het goed dat zij

bewerken. Het kwaad dat zij voortbrengen. Dat er in

de nadeelige verfchijnfelen en vermoedde wanorden een

wezenlijke orde, en in een natuurlijk kwaad een zedenlijkgoed

ligt opgeftooten. En dat dit alles, tegen de ftelling van

I 4

SPIN0-


I 36 INHOUD VAN HET DERDE GEZANG.

SPINOZA, een niet min overtuigend bewijs is , van het

bejlaan van een oneindig, verftandig, wijs, goed en eeuwig

Opperwezen. Fan 'tftoffelijk Vuur. Deszelfs eigenlijke

aart is onbekend. Het heeft eene verbaazende veerkrachtige

vloeibaarheid, en wordt in alle lichaamelijke zelf-

Jiandigheden gevonden, in de ééne met grooter, en in de

andere met mindere maate. Uitwerkfelen van het vuur.

Wat er de Lucht aan toebrengt. Dat het zich, door zijne

veerkracht, tegen alle vastigheid der lichaamen gefiadig

aankant. Dat het dezelven fcheidt en ontbindt, tot zelfs

in hunne hoofdftoffelijke deeltjes. Dat er een geduurige

werking en geftadige terugwerking is , van het vuur op de

lichaamen en van de lichaamen op het vuur. Dat het vuur

der Aarde oneindig minder is, in veerkracht, fterkte en

•werkzaamheid, dan het vuur der Zonne, in een punt van

het Brandglas verëenigd. Van het Onderdardfche vuur,

Deszelfs zitplaats in de ingewanden der aarde, beweezen

%it de onder aar dfche vuurholen, en de warme Waterbronnen.

'£ Is één der natuurlijke oorzaaken van den groei

der planten. Het vuur bereikt, vervult, en houdt alles

leevendig. Hetzelve poogt zich onophoudelijk uittebreiden ,

maar wordt door God in teugel gehouden, lot den dag, dat

Hij er de weereld door zal doen vergaan. Bijzonderheden

van den dienst des vuurs. Befchrijving van de Slang-

Irandfpuit. Groot misbruik des vuurs om te oorlogen,

Hoe door de menging met het Buskruid de menfchen zelfs,

de doodelijke uitwerkfds daarvan , maar al te droevig

gevoelen. Verdere befchouwing der fchrikkelijke uitwerkingen

van H Buskruid. Uitweiding over de voordeelen

van den Vrede, gefield tegen den Oorlog, bijzonder in

deeze Nederlanden , alwaar het een Regel van Staat is,

geerf oorlog te aanvaarden tot uitbreiding van Gebied,

maar alleen tot verdediging der wettige bezittingen, en der

4ierbaare panden van Vrijheid en Godsdienst.

GODS


GODS GROOTHEID

IN DE

WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N A T U U R ,

DERDE

GEZANG.

N u lust het mij van u, 6 Aardrijk, optezingen!

Wijdftrekkend erfdeel van de brooze ftervelingen,

ö Vruchtbre moeder van zoo veelerhande goed

Als gijdoch zonder pracht voor't menschdom kweekt envoedt.

Milde aarde! Tafereel der grootfte voorraadkamer:-

Gij fchijnt geduurig meêr verbaazend, aangcnaamer

En fchooner voor een oog, dat, in zijn aandacht, flout,

ö Heerlijk voorwerp, u oplettend veel befchouwt.

I 5

Hoe


138 GODS GROOTHEID IN DE

Hoe groot is het getal der Hoffelijke wezens,

Dat aan het fchranderst brein geeft meêr dan één' dag Ieezens!

Wat

wondren famenloop, die elk verbaasd doet ftaan,

Zien wij in de oorzaak en uitwerking famengaan!

Wat heerlijk mengfcl, 'twelk hoofdtfoffen zoo verfcheiden,

En tegenftrijdig, tot een lichaam kan bereiden!

Wat

innerlijke reeks van banden bindt haar faam!

ö Godverzaakers, laat dit beeld, zoo aangenaam,

Eens oopnen uw gezicht: ontfluit uw duiftere oogen!

Erkent, ziet uit dit Rond, vol wonderbaar vermoogen,

Hoe dit het werk is van een Wezen, wijs, vol lof,

En eeuwig groot: niet van een werkelooze ftofP,

Die nooit de minfte fchets van krachten heeft bezeten,

En, wat beweeging is, nooit uit zich zelv' kon weeten.

* * * * *

Welk is die lange reeks (» gevaartens, hemelhoog,

Die haare kruin verheft tot in der wolken boog,

Wier

( a) Welk is die lange reeks ] 't Is naar ZARATE en GARCIL-

LASSO DE LA V E G A , dat ik van de Peruaanfche gebergten, die

men Cordillieres of Andifche Gebergten noemt, deeze befchrijving

hebgedaan. En volgens alle hedendaagfche Landbefchrijveren zijn

ze


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 135

Wier uitgeftrektheid all' die dampen ziet van ondren,

Welke oorzaak zijn van al dat fchrikverwekkend dondren?

Die reeks van bergen, voor de menfchelijke fchreên

Schier ongenaakbaar, toonde aan uw gezicht voorheen

Lichaamen, Almagro, die als nog leevend waren.

Die door de felle kou (b) geheel bevrooren fchaaren

Vertoonden

ze de hoogfte, die men in de weereld vindt: zij maaken eenen

fchakel uit, van meêr dan 1200 mijien , van de landengte Panama af

tot de Straat van Magellan, en fcheiden Peru van Chili; ftrekkende

van het Noorden naar het Zuiden.

(6) Die door de felle kou] De toppen der Andifche Gebergten, zijn

voor het grootfle gedeelte vérr' boven de middeüuchtftreek, en

de koude is aldaar,.op die groote hoogte, zoo fel, dat ze veeltijds

menfchen en beesten doodt. Zij doet de lichaamen bevriezen,

en verhardt ze zoodanig, dat ze lang voor 't bederf bewaard blijven.

DON DIEGO DE ALMAGRO (volgens 't verhaal van

ZARATE, in zijne Gefchiedenis van 't Wingewest van Peru, derde

Boek, tweede Hoofdftuk) Chili gaande ontdekken, in 't ja'ar 1534

zag op deeze gebergten verfcheidene van zijne Soldaaten door de

koude fterven. Wanneer hij vijf maanden naderhand, in het beste

van den zomer, dezelve weder overtrok, vond hij hunne lichaamen

nog overeind ftaande , rustende tegen de bergen, en nog

zoo frisch als of ze weinige oogenblikken te vooren pas geftorven

waren. Men vond fommigen nog met den toom der paarden, die

pok overeind ftonden, in de handen; en 't vleesch deezer paarden

voegt de Spaanfche Gefchiedfchrijver daarbij, verftrekte aan ALI

MACRO, en zijn gezelfchap tot voedfel. De oorzaak van deeze

onbedorvenheid is geheel natuurlijk, alzoo die gebergten, door

hunne hoogte ongenaakbaar zijn voor regen en hitte, weike de

beginfelen zijn van 't bederf in alle werktuiglijke lichaamen.


14© GODS GROOTHEID IN DE

Vertoonden zich ais nog, aan uw gezicht, bezield.

De trekken van 't gelaat, door geen bederf vernield,

Kost gij, in ieder nog, als of ze leefden, vinden.

Geen lange tijd kon die indrukfels gansch verflinden.

De opeengepakte fneeuw en 't eeuwigduurend ijs,

Doen hier de toppen van die bergen altoos grijs

Tot aan de punten zijn, als een gewette degen.

Wanneer hier de afgrond uit zijn grondelooze wegen

Aan 't ijsljjk loeien flaat, rinkinken als verwoed,

De fchrik, de vrees, en angst, met dollen overmoed.

Men ziet van hunnen top (c), asch-vuur-en rookdampkringen

Door al de lucht verfpreid, het ganfche land omringen;

Maar als men neêrwaards ziet, zoo vindt men 't overal

Vervuld met vruchtbaar veld, en bosch, en beek, en dal.

Gij zijt het niet alleen, daar zijn nog andre bergen,

Die met hun ftcile kruin de hooge wolken tergen,

En die zelfs in Euroop' zijn meêr dan gij beroemd,

'k Meen, die men overlang de hooge Alpes noemt (d).

Schoon

(


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 1^1

Schoon zij het niet bij u in lengte kunnen haaien,

Haar hoogte fteeds befneeuwd, kan nevens u ftaanpraaien.

Doch zij zijn haaren roem verfchuldigd bovenal

Aan 't fchrander oogmerk van Carthago's Hannibal,

Van Ooftenrijks Eugeen, en Frankrijks dappren Conti;

Drie Helden (e), wier beleid zoo glansrijk als de Zon, die

Op

van Frankrijk, Zmtferland en Duitschland afgezonderd wordt, en

waarom de bewooners der laatften door de Romeinen, Ultra montani,

of buiten-bergwooners, zijn genoemd geworden. Zij beginnen

aan de Genuëefche Zee, omtrent Nizza, en ftrekken zich

door Provence , Dauphiné , Savoojen, Zwit[erland, Grauwbunten,

Tirol, Prenten, Zaltzburg en Krain uit, tot Milaan en Venetiën;

aan de Adriatifche Zee, omtrent 188 mijlen lang, onderfcbeidene

naamen aanneemende, als de Zee - Cottifche, Griekfche, Penninfche,

Hoogfte, Rhetifche, en Julifche Alpen. En, onder alle deeze is in

de hoogfte Alpen de Gotthardsberg boven anderen beroemd, deels

wegens zijne ijsfelijke hoogte, en omdat hij altoos met fneeuw

bedekt is, en omdat vier groote Rivieren uit deszelfs grond haaren

oorfprong hebben , die na de 4 gewesten der weereld haaren

loop neemen ; te weeten: de Rhijn , naar het Noorden, de

Rhone, naar het Westen , de Tesfino, naar het Zuiden, en de

Rus, naar het Oosten: den naam van Alpen, willen fommige van

't Latijnfche woord Albi fc. montes (witte bergen beteekenende)

afleiden, omdat ze geduurig met fneeuw bedekt zijn.

(O Drie Helden,] In 't jaar der weereld 3732 trok Hannibal,

uit Spanjen koomende, over deeze Alpifche gebergten met zijn

Leger naar haliën. Prins EUGEEN in 't jaar 1705 wist met het

Oostenrijkfche Leger, en zelfs 'tgefchut daartoe behoorende, zich

epnen weg over deeze Alpifche gebsrgten te baanen, om den

Hertog


J4* GODS GROOTHEID IN DE

Op heldren middag fchijnt, fteeds prijzenswaardig is,

Die ondanks fteilte en hoogte, en andre hindernis,

Met heele Legers, 't welk men nimmermeer te vooren

Dacht moogelijk te zijn, beftonden zich te booren

Een' weg door fneeuw en rots naar 't Itaaljaansch gewest *

Daar elk 't recht van zijn Hof kloekmoedig heeft gevest. —

Zwijg nu voortaan, gij, die wel zeggen dorst, voordeezen,

Dat het gebergte ontfiert (f) des aardrijks vlak en wezen.

Is

Hertog van Sanojen te verlosfen uit de handen der Franfchen. En

de Prins van Conti deed in 't jaar 1744 eenen overtogt over dezelfde

gebergten, met eene Franfche legermagt, om den Koning van Sardiniè'n

te keer te gaan.

(ƒ) Dat het gebergte ontfiert] Eén der grootfte Natuurkundigen

onder de Engelfchen, zegt, dat de Bergen wel vérre van gebrekkige

werken van '6 geval te zijn, integendeel 't edelfte en

nuttigfte, ja zelfs, het allernoodzaakelijkfte deel van onzen Aardkloot

uitmaaken : en alhoewel er menfehen zijn, die de Bergen als

mismaaktheden der Aarde aanzien, enz. zal men ondertusfehen,

indien ze met aandacht befchouwd worden, vinden, dat zij, zoo

veel als eenig ander deel der aarde, tot de fchoonheid en 't gemak

des Aardkloots dienen. De Natuur, zegt PLIKIUS , heeft hen

met oogmerk en tot voortreffelijke gebruiken gefchapen: als om ,

't geweld van 't loopende water in de groote rivieren aftekaatfen;

om zekere voegingen in de aderen en ingewanden der aarde te

verfterken; om de kracht der Zee in haare overftroomingen te breekeir,

voorde veiligheid van de inwooners der aarde, enz. : Zie

DERHAM'S Godgeleerde Natuurkunde, Leydeni728. 4 0 . bladz.76.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 145

Is dat gansch zonder nut, of heeft des Scheppers hand

Daarin de ftempels van zijn Almagt niet geplant?

'k Befchrei uw dwaaling, mensch vol van onzinnigheden.

Die eerezuilen, die God wou, met pracht, bekleeden,

Een pracht, die uw gezicht verftompt, kwetst en verblindt»

Ondankbre Rerveling, zooveele als gij er vindt,

Zijn milde uitdeelers van Gods rijke zegeningen.

Hoor eens haar nut, zwijg dan, en leer uw tong bedwingen.

Het water, opwaards door de ftraalen van de zon

Getrokken uit de zee, als de algemeene bron,

Stijgt naar den dampkring op, in onze luchtgewelven;

Verzameld zijnde aldaar, verdikt de lucht zich zeiven.

De gloênde dagtoorts wordt verduifterd voor ons oog.,

De zwartgezifte wolk ftort uit des dampkrings boog

Het water, nu verdund, in zwaare regens neder (g).

Maar hoe! verzwelgen die al de Aarde en 't Menschdom weder?

ó NeenJ

(g) in zwaare regens neder,] De zwaare ftortregens, welke ia

Zmd-Amenka van Slagtmaand af tot Bloeimaand toe, vallen dringen

zich in de ingewanden der Andifche Gebergten, en vervullen de

groote en ontelbaare holligheden, die de Natuur daarïn heeftgelaaten

t Is uit deeze oorzaak dat de groote Rivieren Orenoque, Amazone'

en de la Plata, welke hunnen oorfprong en bron hebben in het hart

van deeze gebergten, daaruit voortvloeien: En dus is ook de

oorfprong


H I

ï 4

4 GODS GROOTHEID IN DE

6 Neen! Zij daalen meê in 't uitgeftrekte hart

Van 't hooggetopt gebergt', dat zijne kruin verwart

In 't blaauwe wolktapijt, waar zij een' doorgang krijgen,

En in hunn' loop, door bogt op bogten heenen zijgen;

En, in zijn holtens, die onmeetbre kolken van

Zijn' zamelplaatfen, die geen fchepfel peilen kan,

Nu zonder 't allerminst geweld, in Rilte ontvangen ,

Daar, zonder tegenftand, voor zich verblijf erlangen.

Van daar dan daalen air die vlugge waters weêr

Door eene reeks van veel geheime buizen, neêr,

Gedrukt door eigen wigt, tot aan den voet der bergen,

Die met hun kruinen fteeds de hooge wolken tergen,

Een' uitgang maakend zelfs door fcheur en berg-reet heen.

Terftond ontdekt zich, op een bed van fijnen fteen,

Of gruizig zand, een bron, door 't midden van de biezen,

Die zich een' loop wil door gevouwen bogten kiezen.

Men

oorfprong van alle de groote ftroomen in Europa. Dit gevoelen,

fchoon nog niet oud, is ten minften veel waarfchijnlijker, dan die

ftelling, welke den oorfprong der Rivieren en Fonteinen toefchrijft

aan de gewelffels der bergen; gelijk DESCARTES en andere Natuurkenners

gezegd hebben : Zie ook Le Speüacle de la Nature of.

Schouwtooneel der Natuur; III. Deel 20. Samenfpraak.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. x 4

5

Men hoort haar naauwelijks, zoo Raauw is haar geluid»

Haar eerst begin is klein, en, in haar' loop geRuit

Gaat zij zeer langzaamvoórttmaar'k zie haar'aandrang groeien:

Zij krijgt meêr krachtenj't welk haar vlugger zal doen vloeien,

'k Zie op de vlaktens reeds haar' loop verwonderd aan.

'k Zie bronnen, beeken, ja zelfs ftroomtjes, op de baafti

Van haar' gezwinden loop, geftadig haar ontmoeten.

Die Golfjes koomen haar als haare Leenvrouw groeteri

Dié biên haar hunne hulde en daarop groeit haar moed,

Juist even zooveel als de grootheid van haar' Vloed.

Hoe onberoemd haar naam mogt in haar' oorfprong weezen}

Zij wordt nu overal geëerbiedigd en gepreezen»

Nu is de bron een ftroom, die, milde vruchtbaarheid s

En waar hij kooirit alömm' een' overvloed verfpreidt.

Hij fchenkt de Reden, die hij op zijn waterwegen

Bekabbelt, overvloed van alle heil- eh zegen.

Nutorschtzijnbed, zoo diep, zoo breed, zoo uitgeftrekt,

Terwijl het zwaar gewigt zijn' hoogmoed telkens wekt*

Op zijnen waterrug de rijkstgelaaden zwaartens;

Zijn vloed, beteugeld door een groote reeks gevaartens

Van dijk en dam en wal, Rroomt met gezwollen rug

Nu moedig heenen door de fchoongewelfde brüg.

K

Terwijl


H6 GODS GROOTHEID IN DE

Terwijl hij, moê van zooveel landen, zooveel Reden,

Zooveele volken, gansch verfchillig in de zeden,

Begroet te hebben, met een ijsfelijk geweld,

Zijn baaren ftort in 't hart van 't bruisfehend pekelveld.

Dees is uw oorfprong, ö Rivieren en ó Stroomen!

Gij, die zoo dikwerf met uw groen - bcwasfen zoomen

Voor een Gebied, vcelzins befprongen door den nijd,

Een kenbaare eindpaal en geduchte voormuur zijt.

ö Vocdftervrouwen van de rijke en vruchtbaare aarde,

Aan wie uw loop een' fchat van hooge en ecdle waarde,

Een' nutten toevoer fchenkt van milde vruchtbaarhcên:

Gij die zoo moedig zijt, als waart ge gansch alleen,

En zoo volprachtig op de vlugheid van uw baaren;

Die, zonder einde, bij de groene pekelfchaaren

Met vreugde wederbrengt, wanneer gij zeewaards ebt,

Al 't water, dat gij eerst van haar ontvangen hebt:

Dien ongemeeten fchat, haar daaglijks weêrgefchonken,

En waar zij telker keer u doen opnieuw meê pronken.

6 Heerlijk aardrijk fchoon uw aanfehijn, dat zoo blij

Ons toelacht, van veel goeds de vruchtbre moeder zij,

Geen minder vruchtbaarheid hebt ge in uw ingewanden.

Die fchat behoort, gelijk de rijkdom van uw Landen,

Den


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. i±f

Dén mensch ook toe; maar eerst moet hij door zijne hand

Die fcheuren met geweid uit uw rijk ingewand.

Om een bezitter .van zulk eenen fchat te weezen i

Uit welkers zaad zoo heil als onheil (7z) is gereezen.

Kiest hij zijn woonplaats in den diepften afgrond zelfs.

Daar mag zijn oog in 't holst des naaren grafgewelfi

Geheel beroofd van al de heldre lichtflamboüwen *

Niets dan een droeve toorts en fchemering befchouweri.

't Is in die holen, dat hem alles fchrik verwekt.

De diepte en duisternis, die alles overdekt,

Gevoegd bij de eenzaamheid (F) en 't eeuwigduurend zwijgen ,

Doen alle fchrik en vrees ten hoogften top hier Rijgen.

Hij

(70 zoo heil als onheil] „ Nugraaft men defchattenuit, die prik-

„ keis der boozen. Nu kwam voor den dag,het fchadelijkeijzer,

„ en het goud, nog fchadelijker dan het ijzer;" zegt OVIDIUS»

in het eerfte Boek zijner Gedaantewisfeiingen.

(»') Daar mag zijn oog, ] Deeze befchrijving koomt zeer net

overeen met de verhaalen, die veele reizigers uit de Zuiderdeelen

van Amerika hebben gedaan, van de goudmijnen van Valdivia ia

Chili, alwaar ze overvloediger zijn dan in eenig ander gedeelte

der weereld.

(*) lij de eenzaamheid'] De beroemde zilvermijn van Potoji ia

Peru, is meêr dan 125 roeden diep: van alle de bekende Mijneri

Is deeze zoowel de diepfte als zij de rijkfte is, door haaren ywf»

baazenden overvloed.

K a


ï 4

8

GODS GROOTHEID IN DE

Hij ademt vaak niets dan befmette dampen in.

Het Mijngebergt, dat hij, uit zucht tot groot gewin,

Zich niet ontzien had mét zijn' forfchen arm fchraageri,

Stort ijlings neder, tot vermeerdring van zijn plaagen,

Verbrijzlend zelfs den arm die 't heeft gefchoord gehad;

Maar om de hoop van zijn' zoo lang gewenschten fchat,

Wil hij al de ijslijkheên van fchrik en pijn verachten,

't Goud is alleen zijn döel: dat vult all' zijn gedachten.

Dat waardig voorwerp waar hij dit gevaar om tart,

Sluit door de ftraalen van zijn' glans hem 't goüdziek hart.

Geen pijn, geen fchrik, kan in het minRe daarin naadren.

Hij rukt het goud den berg met groot geweld uit de aadreii.

Hij fleept die lieve vracht (/) te famen op een' hoop,

Tot dicht bij het begin van d' uitgegraaven' loop:

Van

(/) Hij Jltept dit lieve vracht ] In de Mijnen, die omtrent

Valdivia zijn, haaien de werkers het goud op in zakken, door

middel van eene groote katrol, die aan den ingang der Mijn is, en

waar twee kabels aan vast zijn. Datgeen, hetwelk men in die

van Potofi gebruikt, is minder eenvoudig, en van eene zeer lastige

•n zelfs gevaarlijke uitvoering. „ Men haalt het zilver op, (zegt

„ DuBBET) door middel van lederen ladders, méér dan 800 tret

i

den lang De mijnwerker heeft eene lantaarn in de hand, en

5, zijne vracht op de fchduderen, in eenen lederen zak. Het ge-

„ beurt dikwijls dat hij valt, en zijn val, verfcheidene ahdefe

„ werker»,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. i 4 9

Van daar wordt ze aan een touw tot boven opgeheven,

En voorts bewerkt, gemunt: 't goud brengt gemak in 't leeven,

Somtijds ook ongemak: 't maakt dat men lacht of treurt,

Ja, dat men Heer of Raaf wordt, telkens beurt om beurt.

ê Aardrijk, welk een' fchat van andere metaalen

Verbergt ge in 't ingewand van uwe donkre zaaien!

Al fchatten, die de mensch door arbeid, zwaar en zuur,

Moet fcheuren uit het hart en 't binnenst der Natuur!

Lood, koper, ijzer, Raai, tin, zilver groot van waarde,

Elk van verfcheiden foort groeit in uw' buik, 6 Aarde!

Wat nieuwe fchatten, van nog meerder fchoonheid, heeft

Dit onderaardsch gewest, die 'taan hetmenschdom geeft?

't Zijn de Eêlgefteenten, die van rondsom fraai doorfchijnen.

Wat onüitputbre bron van altoos rijke Mijnen,

Wier glans verbijftert en betovert ons gezicht!

Natuur vertoon' hen vrij.,, met volle praal, bij 't licht!

'k Zie

„ werkers, die né hem opklimmen, medefieept. Zulk een val

„ wordt veroorzaakt, of door draaijingen in 't hoofd, of door

„ wanhoop, die deeze ongelukkigen tot de gedachten brengt,

,, van zich neder te ftooten, om zich van de mishandelingen,, die

„ hij in die naare gevangenis moet ondergaan , te bevrijden."

Zio le Foyage des Indes Occidetitoles of Reizen nw Wesx - fodiin,

I. Gedeelte, 58 Hoofdft.

K3


JSo GODS GROOTHEID m DS

'k Zie Onyx en Saffier, Azuurfteen en Opaalen,

Topaazen, waar men 't goud doorfteekend in ziet ftraalen,

Robijn en Esmaragd, en duizend andren meêr;

Maar al dat glorierijk gefteente geeft u de eer,

Het wijkt voor uwen lof, glansrijke Diamanten (m)i

Het haalt zelfs uwen roem in top van alle kanten:

Praalt in der Vorsten kroon; vergroot hun majesteit;

Vermeêrt hun fchatten; ja verfiert hun heerlijkheid! —

Van alle werkzaamheên (w) die 't aardfche vlakregeeren

En al wat daarin is geen leeven doen ontheeren,

Is

(w) glansrijke Diamanten! ] Zie in de Reizen van TAV E R N I E R ,

II. Boek, 16 Hoofdftuk, de verfcbeidene wijzen, waarop men

de Diamanten haait uit de Mijnen van Golconda en Vifapour, de

beroemdfte in de geheele Oost-Indien, 't Is van ééne der Golcondafche

Mijnen, dat men zegt, de grootfte Diamant, die in de weereld

is, daarin gevonden te zijn: TAVE R N I ER verhaalt, denzelven

in de Schatkamer van den Grooten Mogol gezien te hebben; en

dat hij de gedaante heeft van een groot hoenderei, midden doorgefneeden,

dat hij 279 karaaten weegt, en op 8 Millioenen 775000

Franfche G u,£ iens gefchat wordt. En men mag TAV E R ÜJ I L at

hierïn wel gelooven, alzoo hij een goed Juwelier was.

(n) Van alle vmkzaamheên"] CICERO verklaart de verfcheide-

»e eigenfehappen der Lucht, en hij fpreekt er als een recht Natuurkundige

van, in dat deel zijner wijsgeerige Werken, 't welk

ons zoo een doorflaand bewijs geeft, der wijdüitgeftrektheid en

Stennisfe van zijnen grooten geest. De Lucht (zegt hij) wordt,

pu uitgebreid en verdund zijnde, naarboven geheven, d m

famengroeiende,


SCHOONHEDENDER NATUUR. Derde Gezang. 151

Is de allerëerfte, dat fchoon, zuiver, vlugtig, fijn

En vloeibaar element, dat nooit gedeeld kon zijn:

'tVeerkrachtigst vverkbegin: voor de allerfcherpstziende oogen

Schoon tegenswoordig; toch onzichtbaar cn bewoogen:

'tWelk'tgansch Heel-Al omarmt; en,fchoonin'tminst niet grof,

Voor onze zinnen blijft een fteeds gevoelbre ftoff',

Die, door 't gevoelig fpel der werking veeier zaaken,

Die wij de weezenlijkfte oordeelen, in het raaken

•Met onze handen, ons door een aandoening treft.

Die kleine deeltjes, door geen fterflijk oog befeft,

Die fijne ondeelbaarheên, los, nimmermeer te aanfehouwen,

Zijn onderëen geheel ontbonden, niet gevouwen,

Zij brijzien telkens af, en 't is hun vloeibaarheid,

Die hun meêr vlugheid geeft, of als een 1

fchicht verfpreidt.

Hicrfaraengroeiende,

tot wolken gevormd: en vogten verzamelende,

vermeerdert zij op aarde de regenplasfen: of herwaards en derwaards

uitvloeiende, maakt zij winden. Zij maakt de jaarlijkfche

verfcheidenheid van hitte en koude. Zij onderfchraagt de vlugt

der vogelen : zij voedt en onderhoudt, als zij ingezoogen wordt,

alle ademhaalende fchepfelen: met haar behulp zien, hooren en

fpreeken wij, en beweegen ons te gelijk met haar: Zie CICERO,

«ver de Natuur der Goden, II. Boek, 33 en 39. Hoofdftuk.

K 4


ïSi GODS GROOTHEID IN DE

Hierdoor zien wij gezwind de vogels voortgedreeven,

Door deez'luchtdeeltjes, die in onzen dampkring zweeven ;

En dien vervullen met een ongemeene vlugt,

Op hunne vleuglen fnel doorklievend al de lucht.

En dus gaat ook de lucht gedrukt in onze longen,

Bij beurten in en uit, nu in- dan uitgedrongen.

Die vloeibaarheid (o) nochtans is drukkend uit zich zelv'

En hoe, hoe kan ook in dit ondermaansch gewelf

Mijn zwakke lichaam, daar de vreefelijke zwaarte

Het altoos drukt, van zoo verbaazend een gevaarte,

Nog onverpletterd zulk een persfing tegenftaan?

Wat dijk, wat breidel kan die drukking tegengaan?

Voorzienigheid van God, gij wilt mij dus bewaakeni

Verheven werktuig, hoog akkoord van wonderzaakea,

Dat mij Verbaast ik zie verwonderd al uw fpel;

Maar hoe ik zoek, ik vat, 'k begrijp u nimmer wél.

Een

f>> Die vloeibaarheid}. Het evenwigt tusfchen de persfing en de

vittkx/icht der Lucht.

(p) Dat mij verbaast,1 De Leeraars in de Weegkunde, die in

veele opzichten gebruik weeten te maaken, van de beweegende

krachten der Lucht, kunnen echter geen redenen geeven, vaif

iet, evenwigt tusfchen de persfing en veerkracht der Lucht, als

dit


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 155

Een luchtkolom wiens wigt niet kan gewoogen worden ,

Beftormt een lucht, die in mijn lichaam is;' en de orden

Van evenwigt, in een geheime kracht bewaard,

Beteugelt alles, wat daartegen famenfchaart.

De luchtzuil zou ons graag tot Rof en gruis vermaaleni

Maar ïegen dat gewigt, dat ze op mij wil doen daalen,

Heb ik een tegenwigt, dat me als een wal verftrekt,

En al de lucht in mij beveiligd houdt, en dekt.—•

Een ander wonder treft mijn zinnen thans door de ooren.

Ik fta geheel verrukt dat maatgeluid te hooren.

Die klanken ftemmen zoo verrukkend overëen.

Te weeten: 't is de lucht, die met haar vloeibaarheên,

Door eenen esfchen tak, op onderfcheiden flippen

Gegaat en uitgehold door kunst, weet heen te glippen,

Zoo dra hij wordt gezet aan een' luchtvollen mond.

Nu perst de lucht weerzijds: 't werktuig weêrgalmt terftond.

Vanwaar die klank (q), die mij verrukt houdt en verwonderd ?

Heeft kunst door naarftigheid die toontjes gebijzonderd,

En

die op de menfchelijke lichaamen werkt, en hoe wij de zwaarte

der Lucht die boven ons is, kunnen weêrftaan. ó Allerwonderlijkfte

en ondertusfchen minstöpgemerkte Natuurgeheimen!

(g) Vanwaar dit klank J De klank befchouwt men op driederle}

Wijzen, j) Met betrekking op onze Ziel. 2) Op het lichaam, 'twelk

K 5

Geluid i


154. GODS GROOTHEID IN DB

En is die de oorzaak van dat Rhoon akkoordgeluid?

Neen, maar zijn waar begin blinkt in mijne pogen uit.

Een klinkend werktuig is dat werktuig, hol en open,

Zoodat de vloeibaarheid daar in- en door- kan loopen,

Door eene ontploffing is de weêrgekaatfte lucht

Als neêrgeperst, uit haar gezwinde en hooge vlugt

Nu wederom tot mijn gehoor te rug gekoomen;

En dus heb ik met vreugd dat zoet akkoord vernoomen.

ö Gij, voor wien in kunst de Thracifche Orpheus wijk',

Als hij Euridice beweent in 't duifter rijk,

Blavet (r), uw kunst heeft hier haar' oorfprong uit ontvangen.

Vandaar de klanken, daar de hoorder aan blijft hangen,

Geftadig

Geluid geeft. En 3) op de Lucht die 't zintuig des gehoors aandoet.

1) Met betrekking op onze Ziel is het een aangenaame of oniiangenaame

aandoening, naar dat de klank fijn of ruw is.

a) Ten opzichte van het lichaam, dat het Geluid geeft, is het

een trilling in alle deszelfs gedeelten, in beweeging geraakt zijnde,

van ftip tot ftip, door de kracht eener aanbotiing.

3) Ten opzichte van de Lucht, die 't zintuig des gehoors aandoet:

is 'teen zeker getal, van flinger-en cirkelsgewijze achtereenvolgende

voortftootingen der bewoogene vloeibaarheid van de

Lucht, 't welk met zoodanige fnelheidgefchiedt, dat hetbeweezen

is, hoe de klank van eene groote kiok in éénefecunde 180 roeden

verre doordringt.

(r) Blavet,] B L A V E T was een heerlijk es kunstrijk Fluitenfpeeler,

te Parijs zeer veimaard.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang, IJ J

Geftadig weêr begeerd, geftaag met lof begroet.

Pan, die verzierde God, bij 't Heidendom ontmoet

Met alle lofgezang, als Heer en Vorst der wouden,

En meester op de Fluit fteeds aangebeên bij de Ouden,

Geroemd, gediend, gevierd,drong tot eenkunstgraag oor,

Hoe hoog hij fpeelen mogt, nooit zoo welluidend door;

Wanneer hij, met geklag, zoo kunftig en zoo teder,

In zijn verkleumde borst de minnevlammen weder

Herdacht en aanblies van zijn fchoone Veldgodin,

Dat, ineenriet hervormd (Y)j groot voorwerp van zijn min.

Wat wonderbaare kracht zien wij, ö God, in de orden

Waardoor Gij hebt de lucht gevormd en eerst doen worden J

Welke evenredigheid, door geenen tijd geftoord,

Door geenen ftorm ontrust! Wat heerelijk akkoord

Zie 'k tusfchen al de grove en fijner onderdeden,

Der vloeibaarheid van lucht en licht te famen fpeelen! '

Voorloopers van de zon, lichtftraaltjes, heldre pronk,

Gij fiert de kimmen op! Ik zie met vonk op vonk

U heerlijk fchittren door den hoogen dampkring heenen;

En als de zonneglans is uit ons oog verdweenen,

Weeft

(O »'» «n riet hervormd,] SVBINX ; zie OVIDIUS Hetfchepping,

I. Boek, 690 vers, en vervolgens..


j-Sfi GODS GROOTHEID IN DK

Weeft gij uw purper in 't azuur des hemels ia:

Dat heerelijk gezicht verkrijgt zijn versch begin

Uit u, ö vloeibaarheid, en zonder tegenftreeven

Zien wij het licht zi,ch zelv' in 't luchtüitfpaofel weeven.

Zijn fchuinfe ftraalen, die tot ftraalen door de lucht

Gevormd zijn, buigen in hun vlugge en fnelle vlugt

Zich aard waards heenen, tot zij uit die hooge zaaien,

In kleine deeltjes op den klomp des aardrijks daalen.

Hun wederkaatfing is van dubble nuttigheid:

Want, als de opgaande Zon haar ftraalen fchjet en fpreidt

Wordt zij daardoor belet onze al te tedere oogen

Te fchielijk aantedoen door haar zoo fterk vermoogen.

De fombre nacht dekt door zoo groot een wonderwerk

Het vlak der aarde met een zwarte en duiftre vlerk.

Van alles is de lucht de ziel (t ); in werk verfcheiden,

Kan. ze alle planten door haare oeffning toebereiden:

Het groeiend rijk beftaat door haare wonderkracht.

Werkzaame vloeibaarheid, gij dringt met uwe magt

Tot in de ftammen, en vandaar in alle de aders.

Gij zendt door hitte van de zon, uw werktuig raders:

(O Van alles is de lucht de ziel;] De werking der lucht op

boomen en planten.

De


SCHOONHEDEN DJSR NATUUR. Derde Gezang. T 5 7

De vruchtbre groeizaamheid: gij kweekt den wasdom aart

Door 't water, zwavel, en het zout ten dienst te Raam

Het vogt vloeit in den Ram, loopt> wil zijn werking toonen

En zal den boom met groei en groen en vrucht bekroonen.

Gering is 't dat zij wordt aan boom en plant beperkt,

Op all' wat adem haalt («) is zij 't, die altoos werkt

En door haar' indruk zwaait den ftaf van haar vermoogen.

Zij in een werktuig, dat gedurig wordt bëwoogen,

De Borst, getrokken, maar ook telkens weêrgekaatst,

Trekt daar fteeds uit en in, vertraagd noch overhaast.

Zij vormt het edel fpel der raadren van het leeven;

Het vuur aan 't lichaam bij de Schepping ingegeeveni

En, tot behulp van 't bloed door ieder deel verfpreidi

Brengt aan elk deel, en warmte en vluggö leevendheid,

Als 't eerst beginfel, 't welk, het leeven tot een' zegen,

Den dierelijken geest moet brengen aan 't beweegen;

Maar 't vuur is fchuldig aan de lucht, dat vloeibaar deel

Zijn werking op het bloed, 't welk het vervult geheel.

Het bloed loopt zonder vuur niet omm' in zijne perken.

Een vuur van lucht ontbloot, houdt aanftonds óp te werken.

Cu) Op all'wat adem haalt] De werking der lucht op het

«iierelijk lichaam.

De


i 5

8 GODS GROOTHEID IN DE

De lucht, in 't lichaam wél verfpreid en uitgezet,

Door werkzaamheid des gloeds, doet vrij en onbelet,

Het bloed de krachten van haar' Rerken drang gevoelen.

Groot is het nut, hetwelk zij daardoor wil bedoelen.

Door Rerke aanpersfing van dat fchokken, zoo geraakt

Het voedend fap en zelfs de voeding gansch volmaakt.

Gelijk dan weinig luchts , door 't vuur verdund, kan geeven

Aan 't dierlijk lichaam al het bloeiend zaad en leeven*

Zoo is ook zekerlijk de fchoone famenloop

Der eigenfchappen, die ze als Rapelt op een' hoop,

De ziel, het voedfel en verlenging onzer dagen;

Maar, als een kwaade damp, vergiftig aangeflagen

En vuil bedorven, all' haar wegen heeft verpest,

Strekt zij der kwaaien van geheel een volk ten lest'

»tVerderflijkzuurdeeg(v),'tgeenaanelkzijnkrachtdoetvreezen;

En de anders nutte lucht zal ons een moordnaar weezen:

Gelijk

(v) 't Verderf lijk zuurdeeg,] Het is zeker, dat de befmettelijke

ziekten voortgebragt worden door de toevallige verandering der

Lucht; wat er ook de natuurlijke oorzaak van mag weezen. De

jaarboeken der Geneeskundigen, bevestigen het: MEZKRAI verhaalt,

dat de bedorvene Lucht, oorzaak is geweest van de ijsfelijke

Pest, die van 't jaar 1342 af tot 1348 toe, Aziën, Afrika en Europa,

heeft verwoest, en het grootfte gedeelte van menfchen en beesten

wechnaai.


SCHOONHEDEN DER NATÜÜR. Derde Gezang. i $ 9

Gelijk de Zee, die band, die fchat van 't weereldrond,

De bron, die ons weleer veel duizend weldaên zond,

Wanneer de luchttyrans haar baaren ijslijk fchokken,

Een wolf gelijkt, die Vloot en menfchen in zal Hokken.

Die oorzaak fomtijds voor het menschdom doodelijk,

Verpeste eens, 6 Philip (V), uw magtig koningrijk!

Zij had de flrenge fchaar van Atropos gegreepen,

En kwam niets in 't Heel-AI, dan graffpelonken fleepen;

Zij fmeet haar raazernij en moord aan elk in 't hart,

Zoo werd dit weerelddeel een kerkhof vol van fmart:

't Rijk,

wechnam. De Keizer JAN van Cantacusiên zegt in zijne Gefchiedenisfen,

dat die vreeslijke ftrafroede is veroorzaakt, door

dampen van eene allergrootfte kwaadaartigheid, opgekoomen uit

eenen geöpenden kuil, dewelke door eene ontzaglijke aardbeeving

in groot Tattarijen was gemaakt. Hij was van die fchrikkeiijke

woede ooggetuigen geweest, in zijne hoofdftad Cmflminopolen,

en doet in zijn derde Boek eene zeer krachtige befchrijving daarvan.

Die algemeene Pest duurde meêr dan 6 jaaren; en 't geen bewijst,'

dat ze uit eene verandering der Lucht onftond, is, dat zij doordrong

tot aan de Eilanden van Tsland en Noorwegen, die het naaste aan

't Noorder-Aspunt liggen.

( w ) Verpestte eens, 6 Philip, ] 't Was onder de regeering van P H r-

Lippus DE VALOIS, Koning van Frankrijk, dat deeze Pest uit

Jtaliën in Frankrijk overfloeg en groote verwoestingen maakte.

P. DANIËL zegt, dat ze in Frankrijk twee jaaren verwoestingen

heeft aangericht.


tfo GODS GROOTHEID IN DE

'tRijk, daar de Lelie fteeds zweeft op de blijde tongen;»

Werd van het fchrikdier ook op zijne beurt befprongeri.

De fijnde aandoening zelfs van die bedorven lucht

Ontvolkte toen alömm' huis, dorp, ftad, en gehucht»

Ja de artfenij, als zij dit woeden wou beperken,

Zag zich te leur gefteld en 't euvel meerder werken.

Hoe ijslijk toonde zij 't menschmöordend fel fenijn!

In de aadren zag men 't bloed (x) zwart en loodverwig zijri.

't Gelaat ftond vreefelijk: 't vuur fchitterde elk uit de oogeri;

De teekens hielden op van 't edel zielsvermoogen.

De zenuw werd verdrukt en de adem afgefneên.

De fpraak bezweek: de tong was droog, mismaakt, enfcheen

Aan 't ingekankerd ftram gehemelt' vastgebonden.

Een adem vol bederfs had duizenden verflonden;

Maar nu ook eindelijk door zijn kwaardaartigheid,

Een meêr verpeste lucht, door al de lucht verfpreid.

Men

(x) In de aadren zag men 't bloed] De toevallen van deeze

fchrikkelijke ziekte, waren bijna dezelfde met die van de woedende

Pest, die ook de Aarde ontvolkte in 't jaar der weereld 3574,

(430 voor CHRISTUS geboorte), en die zoo krachtig befchreeven

isj door THUCIDIDBS in zijn tweede Boek, en LÜCÏBTIÜS

over de Natuur der Dingen, in het zesde Boek.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 161

Men zag den mensch alömm' het ingewand ontRooken

Door Pestvuur, op de huid met bobbels uitgebrooken;

En ieders lijf geleek in deezen dichten Roet

Van naarheên, ééne wond, vol Rinkend etterbloed.

De zieke zag in 't wreed gevoel van duizend pijnen,

Vol ijsfelijk gegil, zijn leevenstoorts verdwijnen,

Of blies al weenend, en met treffend klaaggeluid,

Ontbloot van bijftand, zijn' verpesten adem uit.

Nu was de Maatfchappij ontfchakeld in deez' noóden:

Nu zweeg de burgerwet: het recht was heengevlooden:

De handel was geftremd: belemmerd van rondom

De Godgewijde Dienst in 't hooge heiligdom. , »

Maar wat verfchrikklijkheid vertoont zich aan mijn oogen!

ó Middels van beRaan, moet ik u op zien droogen?

Ik zie de wegen met zieltoogenden bezaaid.

Zij kermen jammerlijk: men poot, men oogst, noch maait,

De dichtöpëen-getaste en vreefelijke hoopen

Van lijken, doen de lucht van pestdamp overloopen;

Van duizend rampen een voorlooper, vol van fchrik,

Die in elks hart de vrees vernieuwt elk oogenblikl

Wie zoude u, ö Natuur, nog liefde fchuldig weezen?

Gij hebt niets minnenswaards * en alles doet ons vreezen,

L

Gij


löa

GODS GROOTHEID IN DE

Gij zijt het, die, alfchoon ge u daar nooit over fchaamt*

De wreedfte fcheiding duldt, die immer wordt genaamd:

De grijzaart fchreit(;y) en Reekt zijnzwakke en maagre handen

Ten hemel op, hij roept vergeefs zijn waarde panden,

Zijn vrouw en kindren, thans om hulp en bijftand aan.

ö Wagen (z)! ach wie moet hier niet aan 't weenen flaan ?

Een ongerepte bloem, een allertreffendst wonder,

Het fchoonfte voorwerp van de min, is leevend onder

De dooden wechgefmakt, als door een wreede hand.

De moeder Rort met fchrik, uit 't zwanger ingewand,

Terwijl zij daarvan ijst, haar Vrucht, reeds half geftorven,

Gansch zwak en krachteloos en door 't fenijn bedorven.

't Heeft alles 't ijslijk woên van deeze roê beproefd,

Die zelfs den dieren 't hart heeft raazend toegefchroefd.

Men

(y) De grijzaartfchreit] Schoon Jc GefchiedenU van dien tijd

ons deeze droevige bijzonderheden niet verhaalt, heeft echter

de Pest die in het jaar 1720 in Marfeille woedde, die ijsfelijke

•voorbeelden uitgeleverd. Zoodat, hetgeen toen gefchied is, ook

wel 400 jaaren te vooren zou hebben kunnen gefchieden , in

eene plaage van dienselfden aart, waaraan het eigen fchijnt te

weezen, ook 'smenfchen hart te verharden, en ommedoogend te

doen zijn.

(2) ó Wagen'.'] In tijden van zulke groote fierfte, worden de

lijken maar op wagens fpoedig en fomtijds nog half leevende ten

kuüe heengevoerd, hetwelk fchrik cn deernis verwekt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 16$

Men zag de inwoonders van de lucht en bosch en haagen

En 't vee ten doel geReld van die geduchte plaagen;

De Zon gaf (zoo men zegt) in d' afloop van haar baart

Een' bleeken flaauwen glans (a), als ging' dit leed haar aan,,

Als nam'ze, al zuchtend, deel in al den rouw en rampen»

Waartegen al wat leefd' zoo averechts móest kampen. —«

Te vooren had mijn Zang voor 't oog ten toon gefpreior

Veel heilzaam voordeel van die dunne vloeibaarheid.

Laat ons de raazernij der lucht nu ook eens zingen,

Wanneer haar veerkracht op de breidels die haar dwingenj

Als een getergde Vórst, die alles ftout bepaalt,

Trots allen tegenftand, dolzinnig Zegepraalt

'kZie aan den hemel als de lucht wil gaan aan 'tftormen

Veele fchorre donders in de zwarte wolk zich vormen,

Eri

(a) Een'biteken flaauwen glans,] De oorzaak van deezebleekheid

der Zonne is niet anders dan eenvoudig, zij kwam buiten twijfel

van de grove deelen, waarmede de dampkring moet zijn belaadea

geweest, en die nog dikker waren door den overvloed der

kwaadaartige uitwaasfemingen , waarmede de Lacht bezwangerd

was. Dit is even gelijk de Zon fomtijds op den Dierkring eenen

bleeken glans vertoont, wanneer de dampkring belaaden is met

eene groote menigte falpeteracbtige of dikke dampen, die zich op

ftapelen in de middelftreek der Lucht, voornaamelijk in den Zomer,

wanneer deeze dampen nog meerder uitwaasfemen.

L »


264 GODS GROOTHEID IN ÖE

En vlugge lichten, die zoo fchielijk weêr vergaan

Als zij gebooren zijn. Het ohweêr groeit meêr aan:

Bij tusfchenpóozen is de duisternis te tasten:

'k Hoor dubble buien zich van de onweêrsftoffe ontlasten,

En dondren in de wolk, die zwart en dompig is:

Zij dreigen fchaade en dood, fchrik en ontfteltenis.

'k Zie ijslijk flikkrende en ontftooken blikfemftraalen,

Gegroeid uit fulfer en falpeter, nederdaalen;

Geweldig door een fchok gezet in vollen brand.

De wolken bersten, en de lucht van alle kant

Heeft nu, als heel verdund / haar banden losgebrooken:

In vrijheid zijnde is voorts haar woede meêr ontftooken;

Zoodat zij vlugger, dan een pijl den boog ontfnclt,

Haar blikfemftraalen fchiet met vreefelijk geweld.

Laat ons van 't fijne vuur (b) dier felle blikfemftraalen,

Nu ook de uitwerking, die het fomtijds heeft, vernaaien,

In zijn zoo wonderbaare als fchrikkelijke kracht.

Hier ziet een Oorlogsheld, door dapperheid geacht,

In

(6) van 't fijne vuur] Dit blikferrivuur is oneindig krachtiger en

Vlugger dan de ftraalen van de Zon. De beste Natuurkenners

hebben er nog tot op deezen tijd geen zelfs tamelijke gisfingen van

kunnen opmaaken ; en zoodanig onkundig is men nog in de wonderbaare

krachtige werkingeGodï door de Natuur.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. ïöj

In de ongekwetste fcheê zijn zwaard vanëen geflagen.

Daar wordt een kostbaar nat, bewaard veel jaar en dagen

In een geflooten flesch (c), verflonden, zonder dat

De flesch ten minften berst, of eenig letfel had:

Ja 't onvoldraagen kind (d) in 's moeders ingewanden

Zag m'ook door zulk een'flag op 'tjammerlijkfteaanranden;

Het werd daardoor geraakt, getroffen tot der dood,

Schoon dat de Moeder bleef geheelijk buiten nood.

6 Doodlijk blikfemvuur, ó vreefelijke donders,

Gij onweêrsdochters toont uw fchrikkelijke wonders,

Opdat gij zondaars zoudt verbaazen door uw kracht!

Uw flagen, wreekers van de godlijke oppermagt*

Uw

(O In een geflooten flesch, ]

Curat item ut vafls integris vina repentè.

Diffugiant. LUCRETIUS, Lib. 6.

dat is:

„ Ook maakt zij, dat de wijnen terftond en fchieüjk loopea

„ uk de heelgebleevene vaten;" zie LUCRETIUS in

zijn Vide Boek.

(rf) Ja 't onvoldraagen kind] Dit geval is gefchied te Altemburg,

eene ftad in Opper-Saxen, en is geboekt in eene Latijnfche redevoering

, op dit voorval gedaan, en geplaatst in de Leipfiger Aüa

Eruditorum. Men zegt, dat de moeder, van den donder niet befchaadigd

zijnde, eenige uuren daarna, verlostte vaneen dood kind,

ieeds half verbrand, en geheel zwart. De OpfteUeï van die Na-

L 3

Na-


jt36

GODS GROOTHEID is DE

Uw flagen kunnen meêr dan één' Capaneus (e) ftraffen,

En voor zijn gruweldaên 't verdiende loon verfchaffen.

6 Stoffen, zoo geheel verfcheidenlijk van aart,

En echter onderling faamftemmende en gepaard,

ft Zout, 6 lucht, ö vuur, ö vuile zwaveldeelen,

Wat zijt gij vreefelijkl wat kunt gij droefheên teelen,

Als ge in een onderaardsch gewest bijeen gerukt,

Door een geduchte hand wordt krachtig faamgedrukt!

Wanneer het vuur heeft op de zwavel vat gekreegen

Zet fchielijk al de lucht, langs ongewoone wegen

5

t Salpeter loozend', zich, door Rooting, zeer verre uit.

De vlakte wedergalmt (ƒ) met een verbaasd geluid

Van

Natuurkundige redevoering JOH. ERNST. DO R I E SH ACK.brengt

tot bewijs der moogelijkheid van dit droevig geval een voorbeeld

bij, van de uitwerkfelen der Aura Seminalis. De twee andere van

mij bijgebragte voorbeelden, zijn echter de eenigfte niet, gelijk

moogelijk het laatfte wei was; te Altenburg in 't jaar 1713 voorgevallen.

(e) Capaneus] Eén der Veldöverflen, welke in 't jaar der

weereld 2833, de ftad Theben, tegen den wille van God en der

Natuur, willende belegeren, van een donderend Blikfemvuur, als

hij de eerfte ftomladder tegens de ftad liet aanleggen, zoodanig

getroffen werd, dat hij er op 't oogenblik van ftorf. Zie APOL.

Hïp., Stat. in Thebaid.

(/) De vlakte wedergalmt] Deeze befchrijving is alleen een

£aauwe fchets der fchrikkelijke verwoestingen,

welken de berg

Etna


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. i6 7

Van al dat bang geloei van binnen aangedreeven.

AI 't aardrijk van rondom ftaatwijd en zijd aan 't beeven.

't Berst door geweld vaneen, en opent met gehuil

Dat alles fiddren doet, den vreefelijken muil:

't Slokt heele bergen in zijn' balg, en ganfche Reden.

Het oog getroffen door die grouwzaame aakligheden,

Ziet gloeiend zwavelvuur en aardpik, in den brand

Geflagen, overal heen ftroomen over 't land,

En voren maaken, die ontzetten en verfchrikken.

Door een' ontvlamden kuil fpuwt op alle oogenblikken

Een afgrond ftroomen uit van kalk en damp en rook,

Draaikolken, gloeiende asch, als wolken zwart van fmook.

Dan

Etm heeft gemaakt den 12 januari 1603» volgens het verhaal,

toen in het licht gekoomen. De uitbersting van het onderaardfche

hol, volgde op eene Aardbeeving, die door geheel Siciliè'n gevoeld

werd, en drie dagen lang duurde met geftadige herhaaiingen. De

lieden Catanc en d''Agoufte vier mijlen van dien berg afgelegen,

werden geheel gefloopt: In den berg zelf kwam een opening van

300 roeden in haaren omtrek, waaruit met een vreeslijk geloei

brokken vloogen van bergkalk, en draaikringen van vlammende ftoffen.

De fteedjes Carientini, Leontini en Modica waren onder de

asfcbe bedolven. Men vindt in de befchrijving nog andere omftandigheden,

welke niet minder fchrikkelijk zijn, inzonderheid van

een' ftroom gloeiende Zwavel, die over het veld liep, en al het

geboomte, 't welk dezelve ontmoette, verteerde.

L 4,


168 GODS GROOTHEID IN DE

Dan heffen vol van fchrik zelfs in de Nabuurlanden,

De inwoonders, juist gelijk een éénig man, de handen

Ten hoogen hemel op, en fmeeken, doch te fpaê,

Den Hoogbewindsheer van de weereld om genaê.

Dit'sde oorzaak in't gewrocht,maargeenHomerusdroomen,

Door Grieken eerst geloofd, dewelken 't af doen koomen

Van eenen reuzenRrijd, aan Jupiter gedaan;

Die, tot een felle wraak, hen deed ten afgrond gaan

En nederploffen in die onderaardfche holen

Van Etna's hevig vuur en gloênde fulferkoolen,

Vanwaar Enceladus of Typheus (g) uit zijn' muil,

Die gansch gedrochtlijk was, door de oopning van den kuil

Wel duizend Rroomen vuurs en vonken, die fteeds blaaken,

Met lange golven heel dolzinnig uit deed braaken:

Dat hij in zijn beftaan dat vuur beflooten had,

En leevend onder 't vuurgebergt' begraaven zat:

Dat hij met ijsfeüjk geloei, als uitgelaaten,

Rondom vervullende all' die zwarte kerkergaten,

Zijn

(g) Enceladus of Typheus] Bij de Mythologisten of Fabelfchrij'-

yeren zoowel door den één' als den anderen van die naamen

beketjd voor één' der voornaamiïe Reuzen, van dien verdichten

ftrijd. ' • '• ' '


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Berde Gezang. 169

Zijn grof en onbefchoft groot lichaam, bogtig krom

Omwentelend, Sicilje en al het land rondom,

Ja zelfs zeer wijd en zijd, terwijl hij flaat aan 't gillen,

De fteên en 't vruchtbaar land doet beeven, fchokken, trillen.

Maar tusfchen het gebergt', zoo moedig op zijn' top,

Doet zich voor mijn gezicht een gaapende afgrond op.

Wat kan van zijn begin de vreeslijke oorzaak weezen?

Is 'took het ftroomgeweld, dat, in zijn woên te vreezen,

Eeuw uit, eeuw in, loopt door der bergen midden heen?

Die afgrond nam zijn eerst begin uit andre reên:

Hij is 't gewrocht toch van een werkzaamheid, veel Rerker.

De lucht in 't middelpunt (Ji) der aarde, als in een' kerker

Gebreideld, en door 't vuur in 't onderaardsch gewest,

Ontfpannen, bromt als een verwinnaar op het lest.

Zij

(7;) De lucht in 't middelpunt} De Lucht zich in de holligheden

der aarde invoegende , is fchoon niet de eenigfte echter de

grootfte oorzaak der aardbeevingen: want de aarde, gelijk men

weet, bevat in zich veel zout, zwavel, koperrood of vitriool,

en nog andere lijmachtige bergftoffen: alle welke, als zij onder

elkander tot gisting geraaken, zoo zijn haare werkzaamheden zoo

krachtig, dat ze zich in vuur en vlam zetten, waardoor de Lucht,

zich bekneld vindende, en nog aangepord door de zwavelachtige

deelen, zoodanig een vreeslijk geweld onder elkander maaken,

dat het 't aardrijk doet fchudden, daveren, en vaneen fplijten, alles

van rondömme verwoe&tende.

L 5


170 GODS GROOTHEID IN DE

Zij fchudt en rijt het vlak en doet fluks alles beeven;

Wie dat het ook befchouwt is angftig voor zijn Jeeven,

De grond ontfluit zich haast en opent zijnen mond:

Uit dat inftorten fpringt een nieuwe bron terftond:

Hier heeft het in haar' loop veranderd veel rivieren:

Ik hoor wat verderop, dien trotfchen bergtop tieren;

Hij maakt een ijsfelijk geweld, vol vreeze en fchrik,

En fcheurt zich zelv' vaneen. Zie daar op 't oogenblik

Een' diepen afgrond in des aardrijks fchoot gezonken!

Een wijdberoemde ftad ( Q die met haar' naam mogt pronken

Ziet in 't verdubben van dat vreefelijk gcfchok

Bolwerken, torens en kafteelen, brok op brok

Afwerpen,

(O Een wijdberoemdeJlad] Napels en Palermo in Italiën, Smyma

in klein Aziën, Peking in China, en Lima in Amerika, hebben meêr

dan ééns de verfchrikkelijke verwoestingen der aardbeevingen

ondervonden: Ja deeze laatfte ftad is in den nacht van den 26 April

1746 geheel daardoor 't onderfte boven gekeerd,

In Portugal is op den 1 November 175-5 de hoofdftnd Lisfabon,

met nog zeerveel andere fleden, door diergelijke felle aardbeevingen

bijna geheel verwoest.

Ja zelfs in de Noordfche Landen, daar men zelden van aardbeevingen

heeft gehoord , zijn in den nacht tusfchen den 21 en 22

December 1759, te Koppenhagen, Kiel, Flensburg en Hamburg zeer

zwaare fchuddingen gevoeld,- gelijk dezelve ook in onze Nederlanden

en de aangrenzende Staaten, op den 20 Januari 1760 geweest

zijn.


SCHOONHEDENDER NATUUR. Derde Gezang. 17r

Afwerpen, fchielijk in dien afgrond neêrgedompeld;

En vrouwen, kinderen en grijzaarts, overrompeld

Door all' die fchrikklijkheên, bedolven onder 't duin

Van ingeftort gebouw en wechgezonken puin.

En gij, wiens wegen (k) zijn onzeker, twijfelachtig,

Die de aarde en't vloeibaar vlak doorloopt, nu zacht dan magtig,

Nu

(*0 En gij, wiens wegen] Naamelijk, der Winden: Winden,

zijn een verdunde in beweeging gebragte Lucht. Doch vanwaar

deeze beweegingen ? Worden zij veroorzaakt door de uitvloeiiingen,

van eene Lucht te vooren in de holten der aarde geprangd;

of van die, welke uit de dampen voortkoomt, die in de Noordfche

Luchtftreek onder elkander gisten ? of is het door de hitte der

Zonne , die de Lucht meêr dan naar gewoonte verdunnende,

dezelve in zulk eene beweeging brengt? VraagiTukken, waarover

de Geleerden nog twistende zijn, en zullen blijven; hebbende

deeze gedachten zoowel als de andere haare waar-enonwaarfchijnh'jkheid,

en is bijgevolge geheel onzeker: Dit is het weinige, 'twelk

men van de doorgaans waaiende winden weet : En geen wonder,

want al van meêr dan 1700 jaaren geleeden, heeft er de eeuwige

Waarheid van gezegd : De wind blaast waarheenen hij wil, en gij

hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij koimt, of waar

hij heenen gaat: JOH: III, 8. en PREDIKER XI, 5. gelijk gij

'niet weet welke de weg des winds zij, alzoo weet gij het werk Gods

niet, die 't alles maakt.

En hierom is het dat de volgeestige Juffrouw DE BOCCACE,

zingt:

Je ne te blame point de chercher a te infiruire;

Mais aux objets des fens ta foin deit fe reduire,

Sans comprendre les Cieux il faut les admirer.

Leur Mattre a des decrets, que tu dois ignorer.

Ce


J72

GODS GROOTHEID IN DE

Nu ordenlijk, dan weêr onördenlijk, naar dat

Gij in verfcheidenheid van koomst hebt post gevat.

ö Winden, ge overlaadt (7) het groot Heel-Al met zegen:

Heeft iedre luchtftreek haar gefteldheid niet verkreegen

Van uwe hand? vernieuwt gij telkens niet de lucht,

En zuivert uw geblaas haar niet in uwe vlugt?

Gij kunt aan 't veld zijn zout en verfche fappen geeven.

Gij doet de fchepen op het vlak der baaren zweeven.

De hitte maatigt gij, als ze ons bijna verteert:

De fcherpfte punten van de felle kou verkeert

Gij

Ce Dieu, qui crea tout fe rit de vains Jiftêmes,

Que l'Homme formera Jur lesfecrets fuprêmes.

QtiHls n'exitent jamais tes defirs curieux

Connois tes vrais befoins dans ces terrejires lieux.

. . . dans fon Paradis terrejlre 8°. Londres 1755, bladz. 60.

Hartelijk te wenfchen is het, dat zoogenaamde Godgeleerde- en

Natuurkundige Wijsgeeren, hun voordeel uit deeze krachtige uitdrukkingen

moogen trekken, en met befcheidene verdraagzaamheid onder

elkander oeffenen! Aangaande de Pasfaatwinden, tusfchen de twee

Zonnekeerkringengeduurig van 't Oosten naar 't Westen waaiende,

is de oorfprong minder onzeker , of bijna beweezen. Zie d*

uitleggingen, welke de Heeren PLUCUE, NOLLET en ROHAULT^

in hunne uitgegeevene Werken daarvan maaken.

(/) 6 Winden, ge overlaadt] SENECA, maakt hiervan een

fierlijk opftel, in zijne Quctjl. Nat. of Onderzoekingen der^ Natuur,

Vde Boek 17 en 18 Hoofdftuk ; wat te wijdloopig, om alhier

geplaatst te kunnen worden.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 173

Gij in een zachtheid, die het fchepfel kan verdraagen.

Helaas'. waarö.n toch mengt gij, door uw booze vlaagen,

Die groote weldaên weêr als in een oogenblik

Met zooveel Rormen, zooveel naaren angst en fchrik?

Nu hoort me in 't luchtgewelf den Noordenwind regeeren,

Hij wil in zijne drift de Zuiderwinden keeren:

Hier hoor ik 't bruisfchen van den fnellen Oostenwind:

Daar rukt de Weste van den keten, die hem bindt.

Wat al vernieling, wat al ijsfelijke fchade

Verwekt op 't veld alömm' die floot vol ongenade!

Hun woedend ftormen breekt ten feilen draaiwind uit;

Voor hen treedt de angst met een vervaarelijk geluid:

Hun hevig blaazen brengt alömm' den hagel, regen

En woênde ftormen heen. Een fchrik van allerwegen

Brengt niets dan kommer in de fpooren hunner treên:

Zelfs eiken rollen daar, hoe fterk geworteld, heen;

Ontworteld, afgefcheurd: de muuren zie ik beeven,

Gefchud, en, door den wind, gelijk rondom gedreeven.

De fteenbrok, van den top der bergen afgewaaid,

Stort neder in het dal met fchrik en nood bezaaid:

Door een vernieling, die elk vrees in 't hart kan drukken.

Wordt veld en bosch tot een tooneel van ongelukken.

Niet


174- ' GODS GROOTHEID IN DE

Niet anders ziet men een vijandlijk Rrijdbaar paar

Heirlegers, onderling geroepen in 't gevaar,

Door eenen bittren haat, in 't hevigst van het Rrijden

5

Elkander hakken, liaan, de zegepraal benijden:

De twist tergt, dol te moe, de Rerkte en dapperheid,

Elk heir is ten triumf, maar ook ten dood bereid.

Terwijl het buskruid en menschmoordende kartouwen, 5

Verwarring en gefchreeuw, de flagtbank gaande houên,

Toont ons 't bebloedde plein van rondom, in 't geheel,

Van de oorlogs-ijslijkheên een grouwzaam tafereel. •

Het vuur 't welk de Etna braakt, de donder, wind en ftormen

En fchuddingen zijn 't werk, ö God, dat gij kost vormen (tri),

Terwijl de dwaaling van een' fnooden Spinozist (n)

Uw wijsheid niet erkent 5 nog meêr uw goedheid mist.

Och!

(?n) dat gij kost vormen,"] „ De dwarlwinden', het vuur , de

„ hagel, de fneeuw, de onweêrsbuiën, die uwen wil volbrengen,

toonen ons dat Gij te looven zijt!" Zie AUGUSTIWUS Belijdenis

, VII. Boek, J 3 Hoofdftuk.

O ) een' fnooden Spinozist] Volgens SPINOZA, zijn al de

nadeelige uitwerfcfels der Natuur zooveele onvolmaaktheden , in

dezelve : want zoo het waar was (zegt hij) dat een eeuwige

Alwijsheid de weereld hadde gefchapen, zou zij zulke onvolmaaktheden

in haare werken niet geplaatst hebben. Als er een eeuwig

algoed God was ( vervolgt hij verder) aou Hij niet toelaaten, dat zuo

\'eel#


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. i 7 S

Och! dat hij, verr'van, 't geen hij niet kan zien, te lastren,

't Gezicht ontfloot', U zage, en verr' van meêr verbastren,

Zich diep verwonderde en u needrig viel' ten voet'!

Al wat wanorde fchijnt, of hij dus noemen doet,

Is een in uwen raad voor ons verborgen orden.

Aan't geen het werkt, is toch iets goeds verknocht geworden»

In alles wat men ziet ftaat al de wijsheid Gods

Verzegeld met zijn merk, veel vaster dan een rots;

En

veele doodelijke verfchijnfels zijne fchepfels zouden vernietigen. —

Men heeft deeze ftelling, die om zoo te fpreeken het zwaard en

de beukelaar van de Stofdrijveren of Materialisten is, grondig en

wezenlijk genoeg opgelost; en één der oudfte Kerkvaderen laat

er zich dus over hooren : ,, Sommige zaaken worden van eenigen

„ kwaadgekeurd, omdat zij niet over'e'enftemmen ; maar dit zelve

„ dingen zijn en goed en in haarzelven fchoon: en alle deeze zaaken dis

„ met haarzelve onderling niet famenfiemmen, koomen overeen met den

laageren rang der dingen, welke wij aarde noemen, enz." AUGUST.

in zijne Belijdenis, Vil. Boek 13 Hoofdftuk. En ook breidt hij

deeze zijne gedachten verder uit: in zijne Uitlegging over GENESIS

XX, tegen de gevoelens der Manicheé'n , welke in zijnen tijd reeds

redeneerden , gelijk SPINOZA daarna deed.— Indien in Gods

hand het natuurlijk kwaad een werktuig is van Gods wraak en

kaftijding, zoo is 't ook te gelijk een werktuig van zijne goedheid

en ontferming. De Heilige Gefchiedenisfen leveren ons hiervan

veele voorbeelden uit, en die Vaderlijke hand, die nietflaat, dan

tot verbetering, is 't onderwerp van vertroosting voor een' Christen

in tijden van onheil.


175 GODS GROOTHEID IN ÖË

En toont aan de andre zijde als in een' eerentempel,

Des Scheppers hooge wraak, bekrachtigd met zijn' ftempel.

De Rem des donders is een Rem die ons bedreigt,

Een roede, die alreeds tot ftraf der boozen neigt,

En hen met fchrik en vrees geheel vervult, tot onder

Het hoog gehemelt' zelfs der Vorsten; wien 't bijzonder

Ook past, dat elk van hun voor 's Heeren hoogheid bükk'<

Al die verfchrikklijkheên, vol ongeval en druk,

Zijn trouwe dienaars van Gods richterlijk kaftijden.

Hoe meêr zijn goedheid zelfs den flaanden arm in 't lijden

Te rug houdt van de wraak, hoe meêr de flag ons treft,

Wanneer de dag zich van zijn grimmigheid verheft

Het vlug en ftofiijk vuur is in beftaan een wezen,

Waarin het fcherpstziende oog veel minder nog kan leezen

Dan in een raadfel, 't welk en duister is en blijft:

Die weêrömbuigende en gansch vloeibre ftofP die drijft,

En als een hoofdftof 't al vernielt zoo onverduldig,

Is aan de zon, haar kracht noch haare hitte, fchuldig;

Maar aan den Geen' alleen door wien zij is, en gaat,

Verwarmt, verlicht, en werkt, en kracht krijgt, enbeftaat.

In ieder lichaam, fchoon geen oog hoe fcherp en moedig

Haar zien kan, is zij meêr of minder overvloedig.

Zij


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 177

Zij is, vrij zijnde, dol: gevangen zijnde, zacht

En vreedzaam; tot dat zij haar' kerker ëens verkracht,

En zichtbaar wordt, verbeidt ze alléén die oogenblikken,

Dat twee lichaamen, die geen plaats elkandren fchikken,

't Eén tegen 't ander met geweld te famen hort:

Straks fpringende uit den buik, daar ze in beflooten wordt ^

Is zij verwoed, en fpreidt zich uit tot gloênde ftraalen;

En zoo zij zijde aan zijd' mag eenig voedfel haaien,

Spruit uit dien glans terftond een vreefelijke brand:

De deeltjes van het vuur, gefprongen uit den band

Huns middelpunts, de lucht geweldig ingevloogen,

Doen all' wat lichaam hiet, rondom hen heen, 'tvermoogea

Beproeven hunner kracht, en vatten vlam daarop,

Tot zij, rondloopend, zelfs ook ftijgen in den top.

Veel duizend Ritsjes, die onzichtbaar in de kringen

Omdrijven, kunnen zich door vlugge fnelheid dringen

In ieder luchtgat; en door hunne werkzaamheén

Scheidt alles, waar de vlam op woedt, zich zelv' vaneen.

Elk lichaam, waaruit dus de vlammen voedfel zoogen,

Wordt gansch haar prooi; is haastin ftof en asch vervloogen.

Maar hoe! die hoofdftof, die de ziel is der Natuur,

Nu maatloos, door de lucht, die voedftervrouw van 't vuur,

M

Rondom


S78 GODS GROOTHEID IN DE

Rondom verfpreid, werkt door haar dunne vloeibaarheden!

De vlugge werking, die ze aan alles wil befteeden,

Is niet, dan een gevolg der broeijing van de lucht:

Hoe meêr die wordt verdikt, hoe meêr die gloed geducht

En fterk vermeerderd wordt; en 't is door al haar drukken

Dat hij geweldig woedt, en uitberst, fel, met rukken.

De vuurge deelen fterk gebreideld in een' kring,

Zijn op de brandftof dus gefchooten uit dien ring

Met .meerder fteevigheid en ingefpannen krachten.

Als hen de lucht verdunt, zal zich de gloed verzachten

In zijne prikkeling: waarom? Nu werkt hij vrij,

En zonder dat hij in zijn werk gedwarsboomd zij:

Dus fchijnt het dat de lucht aan 't vuur geeft haare wetten,

Het op kan ftooken, of ook 't werken gansch beletten

Zoo zij het goedvindt, en zijn werking die 't alleen

Door haar doet, ja den loop van alle zijne fchreên

Zoo als zij 't wil, kan doen verhaasten of vertraagen.

Het vuur, wanneer het wordt in evenwigt gedraagen,

En vreedzaam werken mag, fpreidt als een milde bruid

Op ons een nutte reeks van duizend weldaên uit.

Veelvuldig is de winst, ons uit zijn' fchoot gebooren.

Maar hoe toch heeft het vuur zijn dejgd zoo ras verboren?

Wat


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. i 79

Wat al verwoesting recht het vuur gansch deerlijk aan?

ó Prachtig Trojen, dat voorheen zoo trotsch mogt ftaan,

6 Wijdbefaamde Rad, onwinhelijk geheeten,

Een ftroom van vuur heeft u ten grond toe opgevreeten!

De vlam woedde in uw' buik, herfchiepj al raazende, in

Een woeste vlakte de Aziatifche Vorftin.

Door zijne werkzaamheid is 't vuur met recht te noemen ,

't Beweegrad van Natuur: Het mag daar vrij op roemen

Dat all' wat in 't Heel-Al en groeit en leeft en zweeft

Van hem de werkzaamheid, ja zelfs het leeven heeft:

Zoo dra de waatren zijn door kou van hitt' verfteeken,

Verharden zij tot ijs, hun leeven fchijnt geweeken.

De lucht, als zij door 't vuur niet meêr verwarmd is, kwijnt

Terwijl door rijp en vorst al 't veldfieraad verdwijnt.

Op de aarde, zonder't vuur, zoude ondanks ons bemoeien,

Nochgraan,nochvrucht,nochgras, noch eenig voedfel groeien»

Door 't vuur leeft alles en wordt alles voortgebragt;

Het onderhoudt en voedt en brengt de teelingskracht.

ö Dwaaze Spinozist 't is als de ziel der weereld;

Ja, uw bewoogen ftof, de pop die gij bepeerelt.

En tot een eerst begin durft ftellen, heeft van 't vuur

Al zijn beweeging.

Maar de Schepper der Natuur

M %


Ï8O GODS GROOTHEID rn DE

Is 't zelf die 't viïur beweegt, ert in aÜ' zijne Werkètl

Dat leevend werkzaam vuur, alömme doet bemerken,

En deez' geduchte magt verfpreidt, die met geweld

Zich aan 't verëenigen der ftoffen tegenftelt:

't Vuur glijdt in hen jontfluit, en velt hen met vermoogen,

Ontbindt en floopt hen , in den weerwil van hun poogen,

En doet hen eindelijk vervliegen in 't geheel

In eene dunne lucht, als een ondeelbaar deel.

Dit gaat niet zonder ftrijd; want, die weêrfpahnelingen

Zijn tegen 't vuur, 't geen hen eenpaarig durft befpringen

Gewapend van rondom: hun hardheid wederftaat

De werkdrift van het vuur en zijn geducht gelaat.

't Hervat, getergd ,weêr moed, en laat zijn floopkracht vaaren

De ftorm, die aan het vuur de zegepraal kon baaren,

Houdt moedig aan, hervormt hun verw en eigenfchap,

En maakt elk lichaam zwart, ja gansch beroofd van fap:

Vergeefs dan zien wij ftaag, door veel lichaamlijkheden

'tZij 't vaste of vloeibre zijn, des vuurswerkkrachtbeftreeden

Wijl alles eindelijk voor deeze werking wijkt.

Maar, fiere hoofdftof, die met de overwinning prijkt,

En als ontembaar zijt, wat werkfter gij moogt weezen,

Uw Rerke woede erkent eene andre, meêr gepreezen

En


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. Ui

En vrij werkzaamer vlam, waarvoor gij wijken moet;

Want bij het zonvuur, 'twelk den dag ons groeten doet,

Moet uwe veerkracht op uw beurt in, magt bezwijken

En voor zijn fterkte Reeds de trotfche zeilen ftrijken.

Uw drift volgt nimmermeer in haar onzinnig woên

De uitwerkfels, die wij 't vuur der heete Zon zien doen:

Neen : gij zijt nimmer zoo gereed om optevreeten:

Dat wondervuur juist in een zamelplaats gezeten,

Wie 't eigen is den gloed vereend te houden in

Het juiste middelpunt, dringt van het aanbegin

Zich tot in 't hart zelfs van het hardfte der metaalen;

't Ontfluit het; kan het tot het fijnfte ftof vermaalen,

Jafmelt en brengt het (o) zelfs tot eene vloeibre ftofT.

Doorluchtig ftout Romein, alömm' bekend met lof,

Voqr

(O Jafmelt en brengt het] De beroemde brandfpiegel van der»

Heere TSCHIRNHAUS, Lid van de Maatfchappije der Weetenfchappen,

brandt met zooveel kracht en vlugheid, dat men Lood

of Tin op 't brandpunt plaatfende , hetzelve doet fmelten en druppelings

nederdaalen, in het tiende gedeelte van eene minuut. Dit

brandglas, hetwelk de Heer DE FONTENELLK niet verontwaardigd

heeft te befchrijven in de loffpraak van Ts c H I RNH AUS,

berust in het kabinet van den Hertog van Orleans, benevens veele

andere fraaijigheden.

M 3


182 GODS GROOTHEID IN DE

Voor wien 't Rerk Syrakuzen eindlijk heeft geboogen,

Marcel!, dit fterkevuur (zoo wij 't gelooven moogen(p))

Heeft uwe trotfche Vloot tot rookende asch vernield:

Eén éénig mensch van een' verheven' geest bezield,

Kon

(p) 3«o wij 't gelooven moogen] DESCARTES en andere Natuurkundigen

in de Doorzichckunde geöeffend, hebben als een

verdichtfei de gefchiedenis der Spiegelen van ARCHIMEDES,

behandeld. Hetgeen hun voorkoomt als een ontkennende proef,

niet minder fterk dan hunne tegenwerpingen zelfs, is, dat niet

één der oude Schrijveren daarvan fpreekt, en dat men het alleen

heeft door overleveringen , waarvan de oorfprong onbekend is.

De uitwerkingen van den Spiegel door den Heere BUFFON uitgevonden,

bevestigen niettemin de moogelijkheid deezet gefchiedkundige

daad. Die Spiegel, die in de geleerde weereld zooveel

ophefs maakt, is echter één der eenvoudigfte uitwerkingen in de

Gezichtkunde: Dezelve bcftaat uit verfcheidene platvierkantige

glazen, 6 duimen breed. Men verzamelt als in één ftip de verfcheidene

ftraalen, welke die glazen wederkaatfen: en derzelver

kracht, dus veréénigd, doet ze veel verder reiken dan de beste

brandfpiegels tot nog toe bekend, welke doorgaans maar op 12 voet

afftand hunne uitwerking doen. Daarentegen doet deeze, wiens

verëenigd brandpunt een' voet in omtrek heeft, het Hout op eenen

afftand van 200 voeten branden, en 't Lood op 150, het Tin op

100, en 't Zilver op omtrent 50 voeten veifmelten. Welk een

bewijs geeft dit niet voor de brandfpiegels van dien meetkundigen

BRIAREUS, gelijk als MARCBLLUS, den onfterflijken verdediger

van Syrakuzen noemde.

(j) Eén éinig mewch,]

ARCHIMIDES.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 183

Kon de overwinning daar gansch twijfelachtig maaken9*

Die nieuwe Briareus (r) deed uwe fchepen blaaken,

Sloopte uw verfchansfingen in 't ongelukkig veld,

Schoot tegen uwe reeks van torens, door geweld,

Een fcherpe hagelbui, met donderende handen,

Van bergfteen-klompen, om uw tenten aanteranden:

En had het fnood verraad, uw oogmerk gunftig, niét

De ftad te laf verkocht aan het Romeinsch Gebied,

Die ftad, de klip waarop de grootheid van Athenea

Geftrand is, hadt gij nooit uw zege zien beweenen,

En Syrakuzen hadd', door 't weereldrond geëerd,

Den Roomfchen Adelaar en ftandaards gebraveerd.


Laat

(r) Briareus] Volgens de aaloude Dichteren was BRIAREUS

een zoon van COELUS en S 1 B YLL A: hij hielp JupiTER in den

ftrijd tegen de Reuzen ; en zoo heeft ook ARCHIMEDES de

Grieken tegen de Romeinen geholpen, door zijnen gadeloozenbrandfpiegel,

en fteenwerpende werktuigen.

(J) Dieftad, de klip,] CICERO, fpreekende van den doorluchtigen

flag, die in de haven van Syrakuzen geleverd is, en in welken

de Atheniënzers geheel geflagen zijn, zegt: „In deeze haven

„ heeft de Adeldom, 't gebied en de roem der Atheniënzeren,

„ fchipbreukgeleeden." Zie de Redevoering van CICERO, tegen

V R i R E S , VII. Hoofdftuk 97. Afdeeiing.

M 4


x84 GODS GROOTHEID IN DE

Laat ons het vuur nu in zijn fchoonfte trekken maaien,

En van de weldaên, daar het ons mee wil beftraalen,

Affchetfen een tafreel in onzen Heldenzang:

Wanneer de zwarte nacht ons oog houdt in den dwang,

En 't aardrijk-overfpreidt met vaale en donkre vlerken,

Is 't ons een zon, die fchijnt, en zien doet onze werken,

't Verdrijft de duisternis; en 't voedfel van den mensch

Betrouwd aan zijne kracht en werking, kan, naar wensch,

Voor ons bereid, den fmaak voldoen en'tleeven fchraagen,

Wanneer de fiokdarm 't heeft gebragt in onze maagen,-

Het zet het eindperk van des leevens loopbaan uit:

Zijn werkkracht levert ons een' gadeloozen buit,

Die zelfs een' kwijnend' mensch gezond doet ademhaalen;

Het haalt dien uit een reeks van kruiden en metaalen (ï),

Die krachtloos zouden zijn, zoo zijn deugdvolle kracht

Tot eene uitwaasfeming hen door de kunst niet bragt.

Wanneer de fcherpe koude ons uitdaagt met haar' degen

Stelt het de weldaên zijner warmte Rraks daartegen.

De

(O van kruiden en metaalen,] In de Scheikundige werkingen

is "t vuur vol ftrekt noodig, tot ontbinding der famesgeftelde dingea

f B fmelting der metaalen.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 185

De kalk, uit fchelpen door die werkzaamheid gebrand,

Bouwt huizen en paleis, brengt kerk en fchool in ftand.

Het hard metaal (w), zijn' balg, die alles kan verteeren,

Nu ingeftneeten, laat zich met gemak regeeren,

Wordt buigzaam, lijdelijk, op 't aanbeeld ligt verlengd,

Gemakkelijk verkort, gevouwen en vermengd,

't Neemt naar den zin der kunst en edel vlijtvermoogen

Een vorm aan, die zeer fchoon en treflijk is in de oogen.

6 Nieuwe gunsten van zijn werkkracht en natuur!

Het helder glas is ook een werk van 't heerlijk vuur,

In gloeiende ovens, waar wij 't vloeien zien en zwemmen,

In onze huizen (v) kan het glas den doorgang ftremmen

Der fcherpe winden en der al te ftrenge kou:

't Laat nu de ftraalen, die men anders misfen zou,

Der zon, naar binnen, en doet ons Natuur befchouwen (w)

In all' haar wondren: 't kan ons opgetoogen houên

Om 't wonderbouwftuk van de heemlen intezien (*•).

Al deeze weldaên, die het glas ons aan koomt biên,

Is

(u) Het hard metaal,] Metaalgieterij.

O) In onze huizen ] 't Venfterglas.

O) Natuur befchouwen] 't Vergrootglas of Microscoop.

(x) heemlen intezien ]

De Verrekijker en nog andere Glaswerktuigen,

waarvan zich de kunst bedient, om ontdekkingen iin

d ö

M j


i86 GODS GROOTHEID IN DS

Is 'taan het vuur verpligt. Der menfchen geest, ö wonder,

Was flechts de uitvinder, die al dit geheim van onder

Een' berg van duisterheên zocht, en gevonden heeft.

Deez' zijn de nuttigheên die ge ons geftadig geeft,

6 Eedle hoofdftof (y), die weleer om deeze reden

Met offer werd gediend en plegtig aangebeden.

Het wijs Chaldea en de aaloude Perziaan,

Getroffen door uw gunst, boon u hunn' wierook aan.

Gij

de Natuurkunde te doen, gelijk als de glazen kolken of ontvangers

in Scheikundige of Chimifche werktuigen, Barometers en andere

Luchtglazen méér.

(y) 6 Eedle hoofdftof, ] De Afgodendienst aan 't Vuur , was

onder het Heidendom bijna algemeen. Dezelve ging over van de

Chaldeen tot de Perzen, van de Perzen tot de Grieken, en van deeze

lotte Romeinen, en was al van over lange in de Indien gebruikelijk,

toen ALEXANDER dezelve overwon. Die zoo uitgeftrekte Afgodendienst

, had zijnen oorfprong uit de eigenfchappen en de

dienften van 't Vuur; 't werd om zijne zuiverheid , glans en

werking, aangezien als een zinnebeeld der Godheid: Zieden Heer

H YDE, in zijne Gefchiedenis van den Godsdienst der aaloude Perziaanen,

4 0 . Londen, een gansch doorwrocht en geleerd Werk in de

Oudheidkunde. — De Romeinen onderhielden het Vuur geftadig in

den Tempel van VESTA , als een heiligdom, en zagen de uitblusfching

van hetzelve aan, als een' voorbode van algemeen onheil.

En hun Hoogepriester ftak het dan weêr aan , aan de ftraalen

der Zonne, met alle de godsdienstige plegtigheden, die Nu MA

POMPILIUS had voorgefchreeven.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 187

Gij zaagt de inwoonders der Hydaspifche Landouwen,

Voor u ter neêr geknield, een' Jaspis-Tempel bouwen.

Gering is't(z),dat het vuur verfpreid door 't groot Heel-Al,

Zoowel als in de lucht, in 't ondermaanfche dal.

Een zitplaats heeft: zelfs in des aardrijks ingewanden

Zwaait het den Scepter van zijn magt, door eeuwig branden,

In 't allerdiepfte diep, daar nimmer zonlicht fcheen:

Die balgen, die geflaag (


188 GODS GROOTHEID IN DE

Dit alles kan gewis op 't krachtigst ons vertoonen,

Dat in het aardrijk zelv' altoos vuurdeelen woonen,

D.ie daar beflooten zijn door 't eeuwig fcheppend woord,

Om daar te zijn als een opvreetend vuurkonfoort

En prikklend lijm, vervuld met fcherpe zwaveldeelen,

Dat zij van 't geen Natuur voortbrengen kan en teelen

't Vruchtbaar begin zijn, en een bron zeer mild en rijk.

De aarde is ruimgatig, en daarin een fpons gelijk;

De water- en de zout- en oliedeelen glippen

Altoos haar lichaam in, op onderfcheiden flippen;

Het vuur verëenigt zich daarmeê, juist midden in^

En geeft aan kruid en plant beweeging en begin:

'tBehoudt zijn eigenfcbap, en krachten, in zijn' grooten

En ruimen kerker, waar 't alömm' zich fpreidt, beflooten:

't Zet ieder lichaam uit door veerkracht, en verteert

Door werkzaamheid, terwijl't den breidel ftout braveert,

Die 't in de tucht hield , ja zelfs aan zal durven fteeken.

Het mag den toom, waaraan 't blijft liggen, nooit verbreeken,

Maar moet geketend zijn tot aan den grooten ftond,

Wanneer het jongst gefchal aan al het weereldrond.

Het laatfte noodfein van den Oordeeldag zal geeven:

De zee zal. met geloei, het perk haar voorgefchreeven,,

In


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 189

In 't midden van een reeks van wetten, door uw hand,

ö God, te buiten gaan, en fpringen uit dien band:

Wanneer de heldre glans (c) der tintelende lichten

Aan 't luchtgewelf verdooft, en eeuwiglijk zal zwichten.

De heemlen vlieden, als een kleed inë'engerold,

Door beeving en gefchok het aardrijk fuizebolt,

Op zijnen as gefchud, en telkens in zal ftorten,

Als elke hoofdftof zal dolzinnig famen horten;

Dan zal het vuur, recht vrij, de weereld dóór Verfpreid,

Terwijl 't zich zeiven dan van ieder lichaam fcheidt,

Van alle kanten 't eens geweldig aan gaan randen,

En in dien grooten dag het alles doen verbranden (i)!

Wij

(«) Wanneer de heldre glans] Zie het Vide Hoofdftuk der

Openbaaringen van JOHANNES, op het 12, 13, 14, 15 vers, en

vervolgens.

(


ÏQO GODS GROOTHEID IN DIÏ

Wij hebben rondom ons en onder onzen voet

En boven onze kruin een' talleloOzen Roet

Vuurdeeltjes fteeds gereed , die door hun fterk vermoogen

Het aardrijk flokten op, de Zee uit zouden droogen;

Zoo niet de Schepper van het groot Heel-Al een wet

Van nutte breideling hadde aan hun drift gezet.

Twist en vernieling zou dan alles overheeren,

Zoo niet zijn arm, om die verwarring aftekeeren,

Aan iedre hoofdftoff', naar den aart van elks natuur

Een recht juist evenwigt verleend hadde op den duur*

Opdat dit evenwigt all' de ordning zou bewaaren.

De één houdt den andren, tot afweering der gevaaren,

Altoos in eenen toom: 't wigt heeft zijn tegenwigt:

De kracht haar tegenkracht: het licht zijn tegenlicht:

De vlugte een tegenvlugte, en alles in die orden

Dat 't uitgeftrekt Heel-Al welhaast tot Niet zou worden,

Zooras het tegenwigt zijn krachten wederhield.

6 Eeuwige almagt, dus blijft alles onvernield!

ó Hooge al wijsheid Gods! ó goedertierenheden,

Die onophoudelijk God aan ons wil befteeden!

Ondankbre, ontzegt gij aan dien Schepper dienst en eer?

Hem, uw' behouder, en uw' vader, en uw' Heer!

Durft


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 191

Durft gij uw' wierook en uw hart aan hem onttrekken ?

4

t Moest, tegen u, in elk een' eedlen afkeer wekken;

Zulk een gedrag is niets, dan elks afgrijzing waard!

Het Vuur, een hoofdRof, die zooveele fchrikken baart,

Is in des menfchen hand een werktuig, wel te buigen;

'tVreet op,al'tgeen'tontmoet,door vlammen die fteeds zuigen:

'tBüigt zich, ondanks zijn magt die 't wint,neêr voor zich zelv':

't Breidt zich vergeefs meêr uit, op huis en hofgewelf.

Wij weeten 't door de kunst, hoe fterk het zij, te dwingen

Zijn' buit te laaten en niet uit den band te fpringen.

Wij durven anders zelfs nog tergen zijne magt,

En dringen die nog aan door menfchelijke kracht,

Die uit een werktuig, dat zeer buigzaam is, doet koomen

Een vloeibre hoofdftof in den blaasbalg ingenoomen,

Door zuigkracht, en terftond door tegenpersfing weêr

Geperst uit zijnen buik, door eene tegenkeer.

Een groot langwerpig vat, door arbeidzaame handen

Met water opgevuld, durft vuur en vlam aanranden

Uit eene leedren buis, waarin de persfing door

Een pomp het water brengt, en langs het leedren fpoor

Geweldig uitdrijft, juist der woênde vlam in de oogen.

De leedren flang, geleid door menfchelijk vermoogen,

Gaat


ip* GODS GROOTHEID IN DÏ

Gaat als een ftrijdbaar held zijn' wederftreever na;

Hij gunt zich zelv' geen rust, hoe Rreng zijn vijand gaa,

Tot hij hem inhaalt en hem dwingt met hem te vechten.

Hij wijkt geen' voet, maar wil hun groot verfchil beflechten.

Hij ziet hem in 't gezicht met een vergramd gelaat,

En 't is zijns vaders hart, waarnaar zijn wraakzucht gaat.

Hij is gereed aanftonds te Rerven of te winnen.

Niet anders zien wij hier dit groot gevecht beginnen.

De Brandfpuit volgt de vlam, tot zij haar achterhaalt;

En uit haar leedren flang zoo driftig op haar ftraalt,

Dat die genoodzaakt wordt voor de overmagt te wijken;

Maar dit 's gering: die buis moet met meêr glorie prijken.

Zoo lang haar vijandin het leeven nog behoudt

Wordt zij rondom gevreesd, niet dan met fchrik befchouwd:

Zij waagt den aanval weêr, tot haar van alle tongen

Een dankbaar Lied wordt voor haar' bijftand toegezongen ,

En de overwinning aan haare armen toegeftaan,

Daar zij in zegepraal mag als verwinnaar ftaan:

Daarop wordt zij met vreugd, als op een' zegewagen,

Omftuwd van al haar Wacht, naar haar Paleis gedraagen,

En op haar' troon geplaatst, waar zij in eenzaamheid,

En zonder onderdaan, het oogenblik verbeidt,

Dat


SCHOONHEDEN DER NATUUR. DerdeGezang. 193

Dat haare vijandin, van nieuws af, als herb'ooren^

Den burger noopt, dat hij zijn beê haar weêr doe hooren5

En, haar op 't flagveld bij die wreede nederzet.

Ja, Schoone, doe de vlam vrij buigen voor uw wèt;

Zij zal nochtans zoo dol eens in het einde woeden j

Dat gij, al zoogt gij al de groote weereldvloeden

Eri zeen in uwen buik, al kaatftet gij die haar

In 't gloeiend aangezicht, in dat geducht gevaar,

U delven geenszins zült uit haare handen bergen.

Dan zult gij zelf, hoe fel, hoe ftout gij haar durft tergenj

Hoe dikwijls gij haar hebt gevangen, door haar magt

Vernederd, uitgeteerd, en tot een niet gebragt;

Geen traanen vinden, dat ge uw onheil zoudt befchreien:

Geen fchuilplaats, waar gij zoudt een' beetren dag verbëiên.

Maar wij, wij durven ftout en zondig, woedend vuur,

Uw hulp en bijftand voor ons fméekeni in het uur,

Dat wij naar eenen ftrijd in 't helden-vechtperk loopen S

Gij, die den dappren moed der krijgsliên aan kunt noopen,

Maakt onzen arm beroemd, vrij meêr dan 't blinkend ftaal:

De kunst, die Berthold (e) eerst (indienmen aan 'tverhaal

Geloof'

de") De kunst, die Berthold] BERTHOLD SCHWAETZ, een

franciscaaner Monnik, geboortig uit Frijburg, oeffcnende zich in!

N

«ï#


194 GODS GROOTHEID IN DIS

Geloof geeft) uitvond, heeft in donder u herfchaper»

Vaar voort en donder vrij: verfchrik door zulk een wapen

AI 't oorlogzuchtig volk; fprei daar uw magt ten toon;

Wij heffen boven u den Vrede op eenen troon.

Gij fchiet intusfchen, uit den mond van koopren keelen,

De gloênde ballen, die uw fchelle donders teelen.

Gij drijft met groot geweld, en niet min vlugge vaart,

En fpreidt zelfs wijd en zijd de fchokking, die gij baart:

De flerkfte wal moet voor uw fchelle flagen beeven.

Gij doet ftraks door uw magt de grootfte helden fneeven.

Uit uw' metaalen buik dringt een getier: gij braakt

Een' bal (ƒ), die, rijzend, een'Rraalrijken vuurboog maakt.

Hij valt, en fpreidende all' zijn woedende ingewanden,

Doet hij, hof,huis, en kerk, ..eêrhorten, vallen, branden.

Die

de Scheikunde, in'tbegin der veertiende eeuw, was eens bezig,

zwavel, falpeter en doove kooien ondereen te ftampen: het vat

met een' fteen hebbende bedekt , en willende voor zich zeiven,

vuur op zijn tintel liaan, zoo fprong er een vonkje onder den

fteen van 't vat, waaiö,) het alles niet een vreeslijk gedruis

brandende, in de lucht fprong: en van dit alvernielend buskruid

keeftmen in Frankrijk in 't jaar 1338 gebruik beginnen te maaken.

(ƒ) Etn'ba.1,2 Te weeten, een Momlt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 195

Die muur, beblikfemd uit een fterke batterij

Van honderd of nog meêr kanonnen, zij' aan zij',

Is uitgegraaven (g) in den ftillen nacht, van ondren.

Men propt in deezen balg, om als men wil, te dondren^

Salpeterbrokken, die na 't doodlijk oogenblik

Alömm' verfpreiden een' gansch ijsfelijken fchrik.

Het onderaardfche hol braakt dood, en vlam en vuuren.

Die flag fcheurt van hunn' voet den trotfcheh wal eh muuren,

Die heenen ftuiven in een' hellen lichten glans:

Die allerdoodelijkfte opftijging uit den trans

Des diepen hols, van all' die gloênde zwaveldampen,

Stijgt aanftonds in de lucht met eenen zwerm van rampen.

Het vlak rondom vertoont alleen aan mijn gezicht

Veel lijken, vérr' verfpreid; dampkolken zonder licht.

ö Held, wien eene reeks van zooveel lauwren fierde.

Als uwe batterij uit koopren monden vierde:

Die 't woedend buskruid naar uw wijze wetten dwongt,

Toen gij zooveele Steên en Namen forsch befprongt

En fchalmde aan 't ketenwerk van Neêrlands gloriefchakel,

KOEHOORN, in uwen tijd des buskruids groot Orakel,

Dia

Cg) uitgegraven,] Buskruidmijnen, onder de Vestingwerken

Yan Steden, geplaatst.

N i


i 9

5 GODS GROOTHEID IN DË

Die zijne werking op een hair te reeknen wist,

En u in 't toetfen van zijn kracht niet hebt vergist,

Geen ftad onwinbaar achtte j als die gedekt van boven j

Uw' gloênden donderbal van doortogt kon berooven.

Gij kende 't moordkruid in zijn werking en zijn kracht:

Gij hebt in Nederland die kunst zoo boog gebragt.

Dat het zelfs daarin voor de grootfte koningrijken

Of volken in den nood hoeft nimmermeer te wijken.

Uw naam en glorie zijn daardoor zoovérr' beroemd,

Als't buskruid menfchen moordt, en Neerland wordt genoemd.

Gelijk 't falpeter in eens menfchen hand, een donder,

Een bloedig moordtuig flrekt, en alles woest maakt, onder

De tintelende maan, verbastert ook, het vuur,

Die weldaad van Gods hand, den mensch en zijn natuur

Door onze wreedheid, en maakt ons tot moordenaaren.

Die weldaad keeren we om: wij zoeken zelfs gevaaren;

En Gods rechtvaardigheid ftraft door 't falpeter, een

Zoo zondig misbruik, met zooveel afgrijslijkheên.

Kon 't ons alleen dan niet tot een uitfpanning weezen,

Of dat ook 't wild gedierte onz' arm en kracht mogt' vreezen ?

Dat doodt het met veel nuts, dat fchrikt het af van 't woên.

Wanneer de hemel ons wil zonderling behoên,

Een'


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 19?

Een' grooten zegen fchenkt, en wil met gunst bekroonen »

Mag 'tkunstvuur(A) onze vreugd en blijdfchap wel vertoonen;

Maar nimmer dien' het meer in dit ons Nederland

Omdat men in den krijg de zegevaandels plant.

Het Oorlogsvuur blijv' Reeds geweerd uit onze Landen!

Men zie de pikton nooit na de overwinning branden!

De lieve Vreê blijv' lang in 't vrije Staatsgewest!

Wij haaten d' oorelog; en zingen: Vrede best!

Bij d' oorlog is geen heil, de voorfpoed koomt door Vrede,

Die brengt, waar hij verfchijnt, den groei en welvaart mede:

Hij zegent land en zee, en onder zijn gebied

Bloeit alle koopkantoor; de kolder dreigt ons niet.

De fabels zijn herfmeed tot fikkels en tot ploegen;

Daar Boomgaardlief nu mag voor vrouw en kinders zwoegen.

Men fchroomt geen hand van een' baldaadig' wreed' foldaat.

De melkkoe groeit en tiert: de graanoogst vreest geen kwaad.

De rijke walvischvloot ploegt onbevreesd de baaren:

De vlugge Dichter ftreelt geruster zijne fnaaren,

Als hij in fchaduw van de Vrede-Olijven zit,

Dan waar het oorlogs-ros knaauvvt op het fcherp.gebit:

Hij

kunst-tuur] Vuurwerken, en vreugdefchooten, om gelukkige

gebeurtenisfen te vereeuwigen.

N 3


ÏO8

GODS GROOTHEID IN DE

Hij zet op eenen Vreê veel lieffelijker toonen ?

Dan als hij zingen moet van waggelende troonen,

Gebeukte wallen en vergooten heldenbloed.

De Vreê fchenkt Amaril een' frisfchen roozenhoed.

En Koridon een' flaf, met keurig thijm omvlochten;

De Koopvaardijvloot vreest geen felheid van gedrochten»

Ten roof gezonden en met plonderaars bemand:

Zelfs fchijnt, de zon, een volk, met eene zachter hand,

Waar Vrede bloeit, dan een, waar d' Oorlog raast, te ftreelen.

Het aardrijk, 't welk het bloed indrinkt door duizend keelen,

Ontzegt des landmans hoop veelmeerder, dan een veld,

Waar Godelief zijn treên in vrijheid kerkwaards Relt.

In Vrede klinkt de toon der godgewijde zangen

Veel hooger, dan wanneer ons de oorlogsboeien prangen.

Wat wonder? Gods paleis is zelfs de Vrede-Stad,

't Nieuw Salem, daar geen twist, geen oorlog plaats in had,

Sints fnoode Beëlzebub, ten afgrond neêrgeklonken,

't Rechtvaardig vonnis van Gods heiligheid deed pronken;

In Vrede bloeit Gods Dienst in 't ruime kerkgewelf.

Wat wonder toch? God is de hoogfte Vrede zelf!

Gelukkig is dan 't Land dat op geen' krijg wil bouwen,

Dat met zijn grenzen kan' zich zelv' te vreden houên,

Dat


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Derde Gezang. 199

Dat geen uitbreiding zoekt, ( hoe naauw beperkt het zij)

Door dollen oorlog, der verkreegen heerfchappij.

Een Weerelddwingeland, hoe hoog door krijg geklommen,

Hoe trotsch hij heeft geftaan, hadd' nog meêr vorftendommen

En landen overheerd, indien hij zijnen aart

Meêr met den Vrede, en min met d' Oorlog hadd' gepaard:

Hij hadd' veel langer in den kring van heerlijkheden

Staan praaien, overal gevierd en aangebeden.

Gelukkig Nederland dat allen oorlog vliedt,

Dat geen uitbreiding zoekt van uw vereend gebied;

Maar wéltevreden met hetgeen u God wil geeven,

Den onderdaan doet in gewenschten Vrede leeven.

Gij wijkt geen' volken in beroemde krijgstropheên;

Zooveel flagvelden zijn van uwe dapperheên,

Zooveele fteden van uw' heldenmoed getuigen:

U kon geen bittre krijg van tagtig jaaren buigen,.

Om van uw vrijheid en uw' Godsdienst afteftaan.

Al fchooten tegens u de Vorften 't harnas aan;

Gij hebt door dapperheid hen altoos afgeflagen,

En zooveel reizen zelfs de zege wechgedraagen;

Dat gij den eedlen naam van vrijgevochten kreegt:

Doch 't is de Vrede, die bij u veel zwaarder weegt

N 4

Dan


4po GODS GROOTHEID IN DE

Dan krijgseer, heldenroem en uitgezette paaien:

Gij hebt het zwaard nooit uit de fchede willen haaien,

Pan a^s gij, lang genoeg getergd, gelijk een Leeuw

Toevloogt, verwinnend in het ijslijkst krijgsgefchreeuw.

En naauwlijks kwam de hoop van eenen Vrede weder

Of gij waart Rraks gereed, en niemand zelfs gereeder:

Dat weeten Munfter, met Nijmegen, en Breda:

Dat weeten Utrecht en 't oud Aken, hoe gij, fpaê

Den krijg omhelzend, liefst den Vrede altoos bleeft zoeken

Zelfs in die tijden, als ge uw' Vijand kost verkloeken,

Waart gij zoo ras tot Vreê geneigd als aangezocht;

Den Vrede hadt gij lief, meêr dan een' Zegetogt

Gij, die hier telkens weêr, langs wonderbaare wegen,

Den Vrede hebt gebragt, ö God, door uwen zegen,

Bevestig hem altoos in dit ons Nederland!

Zoo blijve uw Dienst, zoo blijv' de Vrijheid hier in ftand!.

Zoo moogen akkerbouw en koopmanfchap hier groeien!

Zoo moogen neering en hanteering vrolijk bloeien!

Mijn beê wordt wis verhoord: Gij Relt mijn hart gerust

6 Willem! — wónderpand! — ó Bato's vreugd en lust!

6 Glinftrend Oogelijn der vrijgevochten Volken!

Van hooger plaats gebeên, dan van de drift der wolken;

En


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Berde Gezang. 201

En op dat bidden ons gefchonken, uit Gods troon,

ö Deftig Neêrlandsch Prins! ö Frizo's groote Zoon!

God fchenke U hulp en heil, altoos, op al uw wegen;

Uw dierbre Gemaalin omring' Hij met zijn' zegen:

Die zegen daale ook ncêr, op 't Vorstlijk waardig Kroost,

Daar God ons, uit uw' Echt, alreeds meê heeft getroost.

- Groei,Treflijk Drietal, groei! -Dat 's hemels gunstUfpaare ,

Tot nut voor Land en Kerk, van ongeval bewaare! —

Ja, 'tganfch' Doorlucht' Geflacht, waar dat het zich bevind',

Zie voorfpoed op zijn' weg, en op zijn hoog bewind 1 —

Zoo moet'Reeds Nasfauws lof, op aller tongen, zweeven:

Zoo blijve Oranjes Naam geacht, geliefd, verheven:

Zoo blijv' die Eedle Stam, op onzen vrijen grond,

Der zeven Landen roem, en 'tfleunfel van 't Verbond U (i)

(i) Verbond!'.]

Der Unie.

N< INHOUD


I N H O U D

VAN

VIERDE

HET

GEZANG.

Bevattende eene Befchouwing der Landerijen,

Bosfchen, Vrucht- en Bloemhoven.

Landerijen in 't algemeen afgemaald. Samenlopende

eorzaaken tot vruchtbaarheid der aarde. Lucht, zout,

zwavel, lijm, water- en vuur deelen. Deeze onderfcheidene

natuurwerkzaamheden 't aardrijk ingedrongen zijnde,

doen aldaar hunne gisting , en ftrekken tot voedfel van

deszelfs vruchtbaarheid. Hoe alle Vruchten haar bijzonder

jaargetij, en, haare land- en luchtftreeken hebben, welke

haar eigen zijn. Befchrijving van het Druifgewas en de

Meloenplant. Van de fchoonheden en de wonderbaars

Vruchtbaarheid, die de Schepper der Natuur aan het zaad

van iedere vrucht heeft verknocht. Befchrijving der

Hooge Stamboomen,en de verfcheidene gebruiken, waartoe

dezelve dienftig zijn. Bevalligheden van het Heefter gewas,

Laage Stambomen; hun vruchtbaarheid, en hoe zij

geleid en befnoeid worden. Befchrijving van den omloop

derfappen in aW het geboomte. Van den Oranjeboom,

Lauwrier,


INHOUD VAN HET VIERDE GEZANG. 203

Lauwrier, Braam-, Aal-Moerbeziën, en Olijfbomen.

Van den Kokosnooten-, Kcrfen-, Okkernooten- en Vijgeboom.

Lof der Steden Marfeille en Rotterdam; vanwege

de uitgebreidheid haarer Koophandel. Uitweiding

over eenen fchrikkelijken Storm en Watervloed te Rotterdam.

Van de Wilde boomen. Befchrijving derzelver,

en der gronden, welke hun als eigen zijn. Dat de invloed

der Maan op Boomen en Planten een oude dwaaling is,

door laatere ondervinding vernietigd. Uitweiding over de

aangenaamheid van het Buiten- of Landleeven. Van de

Bloemen. Befchrijving van de Lelie, Roos, Ranonkel,

Zonnebloem, Violet, Tulp, Tuberoos, Hyacinth, Crocus,

en Aloë. Tafereel van de overhaaling der Bloemen en

Specerijplanten, door middel der Diftileer- of Stookkunde.

De zoogenaamde Flor aas-Feesten. Befchrijving van de

Moeskruiden. Lof derzelver. Befchrijving der Lusthoven:

als van Verfailles, en Zorgvliet. Schoonheden

in de oneindige verfcheidenheid der gedaanten van bloemen,

planten en vruchten: firekkende zich zelfs tot in alle de

bladeren der boomen uit. Heilzaame wortelen en kruiden.

Befchrijving van de Kina-kina en den Slaapbol. Van

H Graan, de Tarw en de Koffie. Dankzegging des Dich ters

aan den Schepper der Natuur, voor alle deeze heilzaame

voortbrengfelen der aarde.

GODS


GODS GROOTHEID

IN DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N A T U U R .

VIERDE

GEZANG.

JLvaat ons nu de oogen eens op vruchtbre VeJden flaan,

En door 't belommerd Bosch, en Hoeve, en Wijngaard gaan!

Laat ons hen, die 't gezicht min in hun pracht doen dwaalen

Dan lachend lokken, in een reeks Tafreelen maaien,

En elks hoedanigheid, verfcheiden' aart en zwier,

Waarmeê hij 't oog verrukt, affchetfen op 't papier!

6 Gij (a), die eenen toon dorst op uw fpeeltuig zetten,

En all' de gaaven van den boomgaard (b) uittrompetten,

Die

(a) 6 Gij,] VIROILIUS.

(£>) van den boomgaard] Deszelfs Landgedichten.


SCHOONHEDEN ÖER NATUUR. Vierde Gezang, zog

Die door uw herders-riet (c), verr' boven allen nijd,

En door uw' Oorlogszang (d) alömm' verëeuwigd zijfc

En gij, die onder ons (e) de voorgenoomen zaaken

Van deezen Dichter, zoo voortreflijk kunt volmaaken,

En door uw Tuingezang, 't welk 't allerkiescht gehoor

Betovert, zijt geplaatst in Febus Dichtren-Choor;

Wilt met hetzelfde vuur, dat aan u is gefchonken,

Mijn' geest en vinding ook verwarmen en ontvonken',

Och dat ik mijne baan door u geëffend zag'!

Dat gij mijn Dichten, juist gelijk gij de uwe plag*

Het

(c) uw herders-riet,] Herderszangen.

(d) uw' Oorlogszang] De gevallen van .ENEAS.

(e) En gij, die onder ons] VIRGILIUS had in zijne Landgedichten

de kunst van hoven te bouwen, ook wel willen verhandelen

, gelijk blijkt uit de twee volgende Verzen:

„ *ife Zou mooglijk van den hof, verfierd door zorg en kweeken,

„ En van den roozengaard van vruchtbre Pxjlus fpreeken."

maar de uitgeftrektheid van zijn onderwerp zelf, liet hem naar

zijn zeggen, dat niet toe, en daarom bleef die ftof voor anderen

over: welke federt zijnen tijd voor het oog der Dicht- en Landbouwkundigen

, als een allerwaardigst voorwerp opgehangen geweest

zijnde, eindelijk verhandeld is, door QUINTINIE en P.RAPIN

in Frankrijk; door den Heere DE LA COURT, in zijne Beplanting

van Lusthoven, door VAN OOSTEN in zijn' Bloemhof enz., en fierlijk

opgezongen door CL BRUINS, in zijne Lustplaats Zoelen: Wus-

TERBAAN'S Okkenburg; en HOOGVLIET'S Zijde-Baaien: een

Lustplaats even buiten Utrecht.


ao5

GODS GROOTHErÖ IN DE

Het voorwerp waardig maakte, en aangenaam aan de ooren,

Zoo als het onderwerp, dat de oogen kan bekooren!

* * * * *

Welk is 't beginfel (f) van dien onwaardeerbren fchat

Van vruchtbaarheid, die de aarde altoos in zich bevat,

Waarvan de Schepper 'tzaad heeft in haar' fchoot verzegeld ?

Een treflijk mengfel, door de Alwijsheid zelv' geregeld.

Een nooit geftoorde en nooit te fluiten faraefiloop,

Die telkens wordt vernieuwd door een' geheelen hoop'

Van veele werkzaamheên, beflaanlijkheên, en deelen,

Verfchillend in hunn' aart, geneegen tot het teelen

En uit hun eigen zelv' vereend op 't naauwst met haari

Ondeelbre deeltjes van de lucht, zoo wonderbaar

In vlug- en kleinheid, als onzichtbaar voor onze oogen^

Zoutballetjes, van min- of meerder vlug vermoogen.

Wat merg van taaie lijm, doorzijging van wat vogt,

En vuurge deeltjes, door een' onbekenden togt,

Ontvangt het aardrijk in zijn' buik, door ruime vaten,-

En houdt hen, zonder ze ooit weêr los of uit te laatcn!

AH'

(ƒ) mik is't begin/el] De natuurlijke ooraaaken van de vruchtbaarheid

der aarde.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 207

All' deeze deelen, zoo verfcheiden in hunn' aart.,

Zijn tot één oogmerk in hun werken faamgepaard.

In de aarde gisten zij, en loopen door heur aadren,

En hun verfcheiden kracht koomt zich te faam vergaadren^

En houdt in alles, wat het doet, een goed akkoord.

Het aardrijk (g) wordt bevrucht, en brengt zijn gaaven voort.

Zij allen leevren daar, om Rrijd, toe, hunne krachten:

Maar uwen bij ftand, Mensch, blijft ook Natuur verwachten.

Zij wacht op uwen arm, en, als uw kunst en vlijt

En mesting onderling aan haar zijn toegewijd,

Zal u een vette grond een' rijken oogsttijd geeven;

Dan fpreidt het aardrijk, als door dankbaarheid gedreeven s

Geheele ftroomen van weldaadigheden uit:

De welige akker, met den heuveltop, ontfluit

Zijn'

(g) Het aardrijk] Alhoewel de aarde weezenlijk aan den

famenloop en de verëenigde werking van die groeizaame beginfeien

haare vruchtbaarheid verfchuldigd is : echter brengt de regen het

meeste tot den wasdom toe: PLtNrus zegt uitdrukkelijk, dat

de waters die uit de wolken nederdruppelen, de beste oorzaak der

groeizaamheid zijn, in zijn XXXI Boek, het I Hoofddeel. Bij het

gezag van P L 1 N 1 u s voegt men dat van VA R R O nog bij, zeggende:

zonder water is alle landbouw mager en ellendig, en alles vergeeffche

moeite zonder vrucht en goede uitkoomst. In zijn eerfte Boek over

den Landbouw, het eerfte Hoofdftuk.


2ö8 GODS GROOTHEID IM DE

Zijn' zwangren fchoot, om ons als in 't gemoet te koomen,:

De velden, lommerrijk, beplant met vruchtbre boomen,

Zijn ingeboogen, en ftaan krom door all' den last

Van 't lachend Ooft, zoo dicht, zoo kort opeen getast i

Die overvloed gaat zelfs onze aandacht verr' te boven;

De aarde is een moeder, die, meêr dan men zou gelooven,

Door tederheid geperst, met zegenende hand,

Den mensch de vrucht verleent, bedeelt van allen kant,

En zonder ooit zich zelv' daardoor verarmd te maaken i

Juist zóó, gelijk de Zee, die uit haar wijde kaaken

Haar blaauwe waatren fpreidt, doch nooit wordt uitgeput»

Maar wat verfcheidenheên, elk van bijzonder nut!

Wat onderfcheid van glans! beminnelijke kleuren!

Wat lekkerfmaakend yleesch! wat fapperige geuren!

Tot in de blaadren zelfs is voedzaam fap verfpreid.

De boom wast op, en bloeit, en ftaat vol fierlijkheid.

De vrucht, eerst in een dun en wollig vliesje omwonden,

Groeit, doordeZongeftoofd; zijfcherpt degraage monden,

En valt ons in de hand, zoo ras zij wordt geroerd.

Zoovéél verfcheiden foort (/*) van eedle vruchten voert

Mijn

(/;) Zóóveel verfcheidtn foort ] Om in verwondering opgetoogen

te zijn, over de groote goedheid van den Almagtigen Schepper,

dia


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 209

Mijn keur nu hier en ginds, en koomt het oog verblijden.

Elk volgt de wet van één der tweepaar jaargetijden.

Elks rijk vangt nimmer aan, dan op beftemden tijd.

Wat wordt dan Lekkermonds en Eetgraags hart verblijd

Door vruchten, die de zon geeft onder 't Tweelings-teeken!

Weêr andren levert de aarde in zoele zomerweeken,

Wanneer het Hondsgefternte op 't allerRerkRe gloeit:

Nog andren, als de kracht der zon weêr is befnoeid,

In 'tteeken van de Schaal, gemaaid, geplukt, gefneeden:

Die groeien, in de vorst en in de vogtigheden,

Bij all' uw' rijp en fneeuw, ö guure Noorderbeer;

En deeze, daar de vloed van Ganges, nimmermeer

Doortinteld van de kou, befpoelt de groene zoomen.

De lu'chtftreek doet haar een verfcheidenheid bekoomen

Zoowel

die in de oneindigs verfcheidenheid der Vrucnten , derzelver

menigte, en fomtijds grooten overvloed, welke op de gezette

tijden en faizbenen, de één na de andere opvolgen, uitblinkt: is

niet eens noodig, een goed Christen te zijn, alzoo de Heidenen

zelfs voor ons Christenen 't zelve hebben kunnen waarneemen,

gelijk als CICEKO zegt: ,, Hoe groot is die goedheid der Natuur,

dat zij, zoo veele, zoo verfcheidene, zoo aangenaame fpijzen

„ voortbrengt, en die niet te gelijk opéénen tijd van het jaar; op-

„ datwijaltijd, zoowel door nieuwheid als door overvloed moogen

„ vermaakt worden." Zie hem over den aart der Goden, Tweeda

Boek 53. Afdeeliog.

O


2io GODS GROOTHEID IN DE

Zoowel als 't aardrijk, in haar maakfel, fmaak en aart.

Die zien wij aan den boord van Afrika, vermaard

Door monfterdieren, en ook nergens anders, wasfen;

En deeze weder, daar de Amerikaanfche plasfen

Het nieuwe weerelddeel beftroomen met hunn' vloed;

Weêr andren teelt alleen Europe in overvloed.

Verfchillend zijn zij in haar foort, gedaante en kleuren,

In grootheid, in beftaan, en aangenaame geuren.

Maar welk is onder al de vruchten van het veld

Diegene, waar het hart wel allermeest naar helt?

Die fchitterende vrucht, die de oogen kan verrukken,

Die ronde besfen, die zoo naauw elkandren drukken,

Gelijfd door eene rank in haaren brosfchen ftam,

Voor 't oog bekoorlijk door robijnkoleur en vlam,

Zijn door de zon gevoed en opgekleurd bij graaden.

De blijde wijngaardman gaat met zijn' korf belaaden

En't krommes naar den berg, en oogst zijn fchoone vrucht.

Hij, onder 'tlieve pak gekromd, keert naar 't gehucht;

En doet een fnaaklijk fap, 't welk wij zoo fchoon zien gloeien ,

Van onder zijnen voet, met ganfche ftroomen vloeien!

'k Zie naar de keus der kunst, verandering van kleur,

'k Proef telkens in den drank verfcheiden' fmaak en geur.

't Vuur


SCHOONHEDENDER NATUUR. Vierde Gezang. 21 x

x Vuur zijner fappen, kan de krachten eens bezweeken'

En zwakken grijzaarts, weêr vernieuwen, teelen, kweeken.

't Werkt nutte vrolijkheid, en bant het naar verdriet.

Gebruik dien eedlen drank, mensch; maar misbruik hem niet.

6 Vrucht (z), één van dezoetfteen fmaakelijkftefpijzen,.

Die wilt bevogtigd zijn, en die wij billijk prijzen.

Gij, die op de aarde rust, en, daardoor onderfchraagd,

Het kloek gewigt van uw fijn lichaam torscht en draagt:

Die buitendat üw rank zoudt al te krachtig rekken,

Ja breeken, en uw' Ram en wortels met u trekken.

Uw fafferaankleurvleesch verfchaft een heerlijk fap:

Gij dooft den heeten dorst uit, door uw eigenfchap.

6 Heerelijke vrucht, zoo vol van koele zaadeh,

Moest vaak uw geur mijn' fmaak door al uw fchoon verraaden ?

Wat hadde ik eene reeks van andre vruchten hier

Te fchetfen op 't paneel van mijn ontrold papier!

Gij fchijntzulks, óNatuur, te vordren: 't zijn uw gaaven.

Maar 't is haar keur, die mij verhindert dit te flaaven.

Zij gaf aan mijn penfeel eene enge en Rrenge wet.

Wat zie 'k aan de andre zijde al groote landen, met

De

(O 6 Vrucht,'} Meloen.

O %


2T2

GODS GROOTHEID IN DE

De hand eens ftervelings onmoogelijk te meeten.

Niet min onmeetbaar is de in 't hemelhof gezeten

En wonderlijke God, wiens hooggeduchte hand

Aan ons de vruchten fchenkt van 't altijd vruchtbre land.

De zelfde hand, die fchiep, heeft, door'tdaaraan befteeden

Van vruchtbaarheid, die vérr' (£) gaat boven onze bedertj

Gewild, dat zelfs een greintje, één éénig klein beftaan,

Van zooveel duizenden van vruchtjes zwanger gaan,

En ten beftemden tijd, geboorte aan haar zou fchenkem

Die vruchtbaarheid > door geen verloop van tijd, te krenken,

Zal

(fc") Van vruchtbaarheid . die verr' } De verbaazerde vruchtbaarheid,

welke de Schepper der Natuur gelegd heeft in de zaaden van

alle de gewasfen, om derzelver voortzetting rijkelijk te onderhouden,

it, fchoon voor elks oog zichtbaar, echter te weinig waargenodmen

: dog Plant- en Kruidkenners zijn daarin meêr oplettend,

alzoo de Heer Don» RT, in de naarfpooring van 't getal der

zaaden van eenen Olmboom, 't zelve bevonden heeft meêr dan

vijftienduizend, agthonderd veertig millioenen van wél onderfcheidene

zaadjes. Tot dusverre leidt ons wel de kracht van reden

neg op: maar als men dan verder zijne befpiegeling maakt, met

te bedenken, d.it ieder zaadje des Olmbooms zelf eenen Olmboom

in heeft, welke een gelijk getal van zaadjes opfluic, bekwaam ter

voorbrenging: dan verliest zich dezelve in 't oneindige: en dit is

een zeer krachtige afbeelding der oneindigheid, van welke de

"Schepper zelf, oneindig in zijn btftaan, de trekken in alle zijne werken

heeft ingedrukt. Zie de Gefchiedenis van dt Hooge Sdmï der

Weetenjchappen, des jaars 4700, bladz. 65.


SCHOONHEDEN SER NATUUR. Vierde Gezang. ai 3

Zal blijven ftaan, ó God, zoolang men eeuwen telt,

Gelijk een eerzuil van uw gunst, ten toon gefteld!

6 Dat de ondankbre, die uw weldaên durft braveeren

En nog weêrfpannig blijft, het oog tot u mogt' keeren,

En ondanks zijnen wil, eens overtuigend zien,

De goedheid, dje Ge aan hem, als Vader, aan wilt biên 1

Maar welke zijn in 't woud die heerelijke boomen,

Die met hun ftoute kruin tot bij de wolken koomen?

Uw muitend leger, fchoon het andren wel verflindt,

Befpringt hen toch vergee's, verwoede Noordewind.

Hun wortels, fterk gefpierd en groot van omtrek, daalen

Zoo diep in 't aardrijk, als hun kruinen fierlijk praaien

]n 't blaauwe wolktapijt. ó Heerlijk Paviljoen,

Gij fpreidt een frisfche koelte in fchaduw van uw groen.

't Woud roemt daarop, gelijk op Vorften, dieregeeren,

En doen 't nabuurig land hun trotfche Scepters eeren.

Met hun:.-e takken pronkt de grond een' langen tijd.

't Is veeier jaaren reeks, die hunnen duur fchaars flijt.

ó Hand der Almagt(/), die hen 't allereerst woudt planten,

Die in hun breede kroon, verfpreidt, aan alle kanten

Een.

(O 6 Hand der Almagt,] De boomen des Heeren worden verzaadigd

: de Cederboornen van Libanon, die Hij geplant heeft:

PSALM CiV, 16.

O 3


*ï 4

GODS GROOTHEID IN DB

Een tintelende kracht van krachtig werkzaam zaad.

Ei! dat uw goedheid, die van weldaên zwanger gaat ?

Het goede, dat door hen op ons kan nedervloeien,

Op 'tfchreien onzes noods geliefde óp ons te fproeien!

Ik hoor den wedergalm der vreefelijke kracht

Van flagen, op 't geboomt' gedaan met volle magt.

Zij liggen reeds geveld, gefcheurd van 't hart der bergen.

Men fleept de Rammen, die de lucht eerst dorsten tergen ^

Op as en raaders, langs het rijkbebloemde veld:

Maar 'kzie ook ginds uit hen een fcheepsvloot toegefteld;

En 't woud, da flus weêrklonk van fchelle vogelkeelen

Is nu een ganfche Vloot van drijfbre zeekafteelen :

s

k Zie duizend fcl atten in hun binnenfte opgelaên:

Hen, die ik eertijds heb als koningen zien ftaan,

In 't lommrig woud, zie ik het pekelveld nu bouwen,

'k Mag hen als vorsten op de baaren thans befchouwen.

Zij zijn gezwinde boon; zij zijn de banden van

Twee weerelden, die nooit een Vorst ontftrikken kan.

De kunst vertoont hen mij nog op veele andre wijzen

Men bouwt er Reden van, met huizen en paleizen. ,

Vergun dien vorften van het dicht- en lommrig woud,

Aan Holland eenen dijk te Rrekken tegen 't zout:

Wanneer


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 215

Wanneer dat, dol te moe, zijn baaren wil verheffen,

Om zulk een KoopvorRin recht in het hart te treffen.

Gun hun, Venetiën en 't volkrijk Amfteldam,

Die trotfche weereldfteên, te draagen op hunn' Ram,

Gelukkig werktuig van ontelbre nuttigheden,

G j zijt de wondre flofF die uw onbuigbre leden

Tot alles, wat de mensch kan wenfchen, overgeeft,

Wen 't fcherp des ijzers op uw harde fpieren kleeft.

Mag 'tlaage ftamgewasmet minder fchoonheên pronken?

Is 't van geringer nut? 't Spreidt zooveel eedier vonken

Van fchaduwgeevend groen en zoete aanvalligheid:

't Verrijkt der hoven praal, der velden majefteit.

't Neemt onze harten in, door zijne dubble vruchten,

ó Rijzige Eik, die graag door ieder u zaagt duchten;

ó Hooge Ceder, trotsch op al u eer en pracht,

't Is 't laag gewas, 't welk om uw' ijdlen hoogmoed lacht!

't Benijdt u nimmermeer die eer- en pligtbewijzen,

Die gijin'tmenschlijk hart doet, naar uw meening, rijzen:

Dit laag geboomte wordt door hoogmoed niet gewroegd,

En is met onze liefde al dubbel vergenoegd.

Beplanter van den hof, ö Mensch! die van den morgen

Tot aan den avond, wijdt, aan 't laag geboomte, uw zorgen

O 4

En


%i6 GODS GROOTHEID IN DE

En juiste netheid: die altoos, met aandacht, waakt,

Op 't jong en teder boompje, en nooit uw' pligt verzaakt,

Maar vlijtig fteeds aan 't werk, trots koude en ongemakken,

Den jongen Ram ontheft van zijne onnutte takken;

Juist op den rechten tijd, in zijne teedre jeugd

Zorgvuldig onderfchraagt; den goeden tak met vreugd

Terwijl hij buigzaam is, een' goeden vorm wilt geeven,

En eene rondte, als hadde een pasfer die gefchreevenj

Van uwe zorg is dit het nut en einde, dat

De boom meêr 't oog behaagt, en meerder vrucht bevat.

Wat zie ik ? Sints wanneer heeft toch de kunst haar wetten

Aan 't werken der Natuur, 6 wonder! kunnen zetten?

Die lang- onvruchtbre boom, zoo vruchtbaar van nu af,

Geeft andre foort van vrucht* dan hij ons eertijds gaf.

'k Zie, dat hij zelf, verbaasd, verwonderd, opgetoogen,

Bevreemd is ( m ), hoe zij uit zijn' Ram, zoo groeien moogen:

Door eene infnijding die het kunstmes heeft gedaan,

Zien we op dien Ram gegrift het vreemde takje flaan,

Den

(m) Bevreemd is, ]

Miraturque novas frtmdes & neu fua poma.

dat is : de boom verwondert zich over zijne nieuwe bladeren en

vreemd Ooft. Zie VIBOILIUS in het Tweede Boek zijner Landgedichten.

, .. ,


SCHOQNHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang, a.17

Den boom als ingelijfd; en dus met zijne fappen

Vereend, verandert hij van fmaak en eigenfchappen.

Zij werken beide 't zelfde, en heden loopt zijn vogt («)

Door fijne buisjes en den ftam omher: het mogt

Niet ledig zijn, en is met nut thans een gevangen;

't Brandt als een leevenswei van 't uiterst heet verlangen,

Tot dat een gisting het bezielt, geeft vruchtbaarheid,

,En heeft een' milden groei door alles heen verfpreid.

6 Heerelij ke

(n) heden kopt zijn vogt] De omloop van het fap der vloeibaare

beftaanlijkheid in alle de deelen der plantgewasfen verfpreid,

i's een beweezene en aangenooméne waarheid in de Kruid- en

Boomkunde : maar het waare beginfel van dien omloop is één der

verborgenfte natuurgeheimen , die , gelijk S ENE CA deftig zich

uitdrukt, in het binnenjle kabinet haam verborgenheden Zijn opgefiooten:

in zijne Natuurkundige Onderzoekingen, VIIBoek 3.Hoofdft,

De verfcheidene gevoelens der Plant en Boomkundigen over die

ftoffe, zijn meest al onzekere gisfingen : wij Jaaten het onverstaanbaar

twisten over de groeiende ziel der gewasfen aan hen

over, en zeggen alleen, dat de ontdekking van den omloop der

groeiende fappen, in 't jaar 1667 door MALPIJIGIUS, Arts van

Paus INNOC. XII., 't eerst opgemerkt is; gelijk HARVEY,

Arts van den ongelukkigen Engelfchen Koning KAEIL I., in 't

jaar 1628, den omloop des bloeds in 't menfchelijk lichaam, *t eerst

heeft ontdekt: Daar is tusfchen die twee fraaie uitvindingen te

veel gelijkvormigheid dan dat ik de naamen van die twee groot»

mannen , die dezelve gedaan hebben , hier niet bijeen zoude

voegen.

o s


2i8 GODS GROOTHEID IN DE

ê Heerelijke prent des bloedloops in onze aadren *

Die in het aardgewas omgaat met zachte raadren!

6 Voedend fap! wat leeft, voelt d' indruk uwer magt:

Van u krijgt boom en plant en alles werkenskracht.

Aan 't einde van dit groen zie 'k onder hooge boogen

Waarop de zon altoos het edelst werkvermoogen

Van fchuinfe ftraalen (o) fpreidt, op fijn geblaazen glas,

Een overal bemind laagRammig fchoon gewas (p).

Het aasfemt geuren, die wélrieken in deez' Rreeken:

Men ziet den groenen tak hier nimmermeer ontbreeken.

In alle tijden praalt hier 't allerfchoonst gebloemt';

Zijn kroon bezaaid met goud van applen, zoo beroemd

Pronkt heerlijk, fchijnende op dattooifelroem te draagen:

Hem heeft geen felle kou ooit met haar roe geflagen:

Hij proefde daarvan nooit de doodelijke pijn;

Voor dat zijn lange baan (q) zal afgeloopen zijn.

Gij

CO Van fchuinfe ftraalen] De Oranje - broeikasten 's winters

maar in gebruik zijnde, zoo ontvangen zij niet anders dm fchuinfe

zonneftraalen.

Q ) f c h' ,m gewas. ] Oranjeboom.

(ï) Voor dat zijn lange baan] In de Oranjerie van den Koning

van Frankrijk te Verfailles, is een Oranjeboom, die op zijn 3oofta

jaar nog in fleur zijnde, daarom Le Grand Bourbon genaamd is.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 219

Gij Noor de wind, en gij, ö bloedelooze dieren (r),

Roofluisjes, die ik reeds zie om die puikbloem zwieren,

Verlengt den goeden tijd van deezen boom vol lof,

Tot meerder heerlijkheid van deezen ganfchen hof!

En gij, ö Heester, wien de aaloude Fabelfchrijvers

Om Rrijd, aan de eeuwigheid, geperst door zooveel ij vers,

Steeds hebben toegewijd, die, in uw takken zaagt,

Zoo ons 't verhaal bericht, veranderd eene maagd (*),

Wier fierheid zelfs Apol te droevig moest beweenen;

Wees op uw' adel trotsch, praal boven andren heenen!

Het onweêr raakt u niet (0- Kroon fteeds met jeugdig groen

De kruin der Helden, die, naar 't choor der eere fpoên;

Die 't Dichterdom, met keur vantoonen, hooren melden

Hunn' welverdienden roem, behaald in de oorlogsvelden;

Die

(r) 6 bloedelooze dieren,] De Mieren en andere kleine bloedelooze

diertjes , zijn aan den Oranjeboom, zoowel als aan alle

andere Vruchtboomen , ten alleruiterften verderflijk, als vernielende

, zoowel het fap der bladeren , als de vrucht en boomen

zelfs.

(r) eene maagd]

DiPHNi.

(O Het onweêr raakt u niet.] Dat de Lauwrier minder door den

donder of ander onweêr befchaadigd wordt, dan de OUn- of

Eikenboomen, is, omdat hij veel laager zijnde, weinig wind vat,

welkers leiding het onweder meestal volgt.


GODS GROOTHEID IN DS

Die hunne Naamen, nu verr' boven allen nijd,

Door dat akkoord zien aan de onfterflijkheid gewijd 3

En elk verlieven doen op hunne dapperheden!

Laat ik, al zingend den Parnasfus opgetreeden,

U plukken, en mijn hoofd met zangerigen zin

Bekransfen .. . maar vaar voort, ö Route Zangerin! \

Al kan uw Ram en blad in fchoonheid wel niet haaien,

Bij andren, daar Natuur wou meerder glans in maaien.

Uw Vrucht en vruchtbaarheid vergqeden deeze fchaê,

6 Heesters, die uw hout een foort van ongenaê

Hebt ingeboezemd, om met fteeklen Rraks te ontmoeten x

Hem, die zijn' graagen lust wil aan uw bézie boeten:

Wat zie 'k uw wortels, wijd en breed alömm' verfpreid,

Weêr opwaards fchieten, tot een blijk van vruchtbaarheid !

Indien de fpade u niet wilde in uw' loop beteuglen;

Gij zworft mijn' ganfchen hof op onderaardfche vleuglen

Ligt door, en teeldet veel millioenen looten aan,

Uw vrucht verlokt mijn oog, om ze ook eens aan te flaan,

't Zij door haar donkerpaarfe of heldergeele kleuren;

Terwijl ze mijnen fmaak vergast door frisfche geuren.

Bloei, eedle Heester, bloei! verfier den braambosch vrij:

Uw wéldoorfuikerd ooft is ons een artfenij.

Frisfche


SCHOONHEDENDERNATUUR.VitrdeGezang. &\

Ffisfche aalbes, die, fchoon zerp, elk noodigt, om u te eeten,

Gok u, u moet ik niet in mijn tafreel vergeeten;

Uw frisheid is een kroon in mijn Gezangen waard,

Schoon ge andre vruchten niet in gróotheid evehaart.

En gij O), die ons, wanneer wij rusten buiten kommer.

Schenkt onder 't fchommlend loof en takken, koelen lommer;

Als ónder een verdek Van frisfche en groene blaên,

Wiens loof ten voedfel Rrekt, en Werkzaam doet beRaan,

De heerelijke rups, die in het prachtig bouwen,

Van trotfche huisjes, niet uit grof arduin gehouwen,

Maar van zeer fijne dra'ên geweeven, overtreft

Den grootften kunftenaar, die ooit zijn kunst verheft;

Deel uwe vruchten, wier bekoorelijke fchoonheid

Eerstbloedroodzichvertoontdantintlendzwarttentoonfpreidt,

Wier vleesch het vermiljoen in zijnen glans braveert,

Deel ons uw vruchten meê, die elk fteeds roemt en eert:

Gij hebt dat glinftrend rood (zoo anderszins 't verhaalen

Der oude Fabeltaai hier niet van 't fpoor doet dwaalen)

Van 'tkostlijk bloed, dat door een dwaaling is geftort,

Wanneer een minnedrift den arm heeft aangepord

Tot

(«) En gij,2 Moerbezie.


212 GODS GROOTHEID IN DE

Tot ohvoorzienen moord (v), zijn eigen hart doorgriefde

$

En dus aan de eeuwigheid toewijdde hunne liefde.


Wat allernutst geboomte is 't, dat ik hier aanfchouw,

Op 't vruchtbaar vlakke veld, tot roem van deez' landouw?

In een verwonnen hand zie ik 't om vrede fmeeken.

Zijn' takken zal het nooit aan jeugdig groen ontbreeken:

'tHeefc in den winter zelfs zijn blaadren tot een kleed:

't Heft langzaam zijne kruin naar 't blaauwe wolktapeet:

'tVolbrengtzijn'loopmetlof,dochmetzeer traagefchreden(w):

Het groeit op zijn gemak, met weinig vlijt te vreden:

Tot veelerlei gebruik Rrekt ons zijn nutte vrucht:

Men Rapelt die opëen tot hoopen: doch zij zucht

Straks onder't zwaar gewigt, der fteenen van den moolen,

Dat krachtig op haar beukt, en 't vogt, in haar verhooien,

Daar-

(v) Tot onvoorzienen moord] Naamelijk in de Iiefdensgevallen

van PYRAMUS en THISBE.

(w) zeer traage fchreden:] De Olijfboomen groeien langzaam,

doch blijven lang in 't leeven, duurende volgens PLIKIUS wel

200 jaaren; hij zegt ons ook, dat er in zijnen tijd nog Olijfboomen

gezien werden, dieScipio de Afrikaner zelf zoude geplant hebben:

dit zoo zijnde, moeten ze omtrent 300 jaaren oud zijn

geweest. Zie PLINIUS, in zijne Natuurlijke Cefchiedenis.

XVI Boek, 44 HoofddeeJ.


SCHOONHEDEN DER NATUUR, herde Gezang. 2é$

Daarüitflaat, 't welk ons dan een eedle zalf verftrekt,

Of anders, der falade een' goeden fmaak verwekt,

En in het heet faizoen die frisfche vrucht doet fmaaken:

Ook toont ze all' wat de nacht fcheen tot een niet te maaken $

En met zijn donker kleed voor..ons bedekken kon;

Wen 't lamplicht dus vervangt de luistervolle Zon.

Koom u ook eindelijk op ons tooneel vertoonen

ö Boom (JC), °P w ien, die in de nieuwe Weereld woonen^

De Amerikaanen, Reeds verheffen hunnen moed!

Wat fchenkt gij 't Indisch volk een' grooten overvloed

Van rijke weldaên, door uw hout, en koele vruchten!

Wanneer de Rerke bijl uw' vruchtbren bast doet zuchten,

En afgekapt heeft, wordt ge een huis, door Noordenwind

En Rorm ontzien, hoe zeer hij buldert als ontzind:

Men ziet uw' groven Ram, nu door 't arbeidzaam zwoegen

Tot eenen boot gevormd, het vlak der baaren ploegen.

Daar zijn uw blaên (y) een zeil, dat, naar de winden, drijft;

Hier buigzaam perkament, waarop men boeken fchrijft.

Uit

(x) 6 Boom,'] Kokosnooten-Boom.

(y) Dd&r zijn uw blaên] Gemeenlijk zijn deeze wel 3 voeten

breed en 6 voeten lang, in 't midden doorreegen met eene ribbe

van een' halven vinger dik ; voorts fterk van zenuwen, en taai als

leêr, zoodat ze gelijk als pannen voor dekking van huizen dienen,

en voor zeilwerk op kleine bootjes: Zie het Schouwtooneel

der Natuur, II. Deel bladz. 408. ook DODOAJKUS en anderen.


iÏ4

GODS GROOTHEID IN DE

Uitfneedjes in uw hout, koomt fteedseen koeldrank vloeien

5

Die reizigers verkwikt, als dorst hen zou vermoeien.

Wat heefc uw vrucht een vleesch vol zoete lieflijkheid!

Hoe heerlijk is de drank O), dien ons haar pit bereidt!

Die drank, des leevèns bron in 't heete land bevonden,

Is hemeldrank voor 't volk, en melk voor kindermonden.

En gij, beroemde boom O), wiens bruin en blinkend hout

Het oog bevalt van hem, die uwen bloei aanfchouwt,

Schoon 't mij de Kokosboom zeer weinig dank moog' weeten ,

'k Zal echter uwer niet in mijn Gezang vergeeten.

Uw fmai en puntig blad laat alle zonnegloed

Recht dóór tot uwe vrucht, die daardoor wordt gevoed.

Als in het teeken van den Leeuw de Zon haar ftraalen

Doet krachtig, waar 'k ook ga, mij op den fchedel daalen,

Én

(s) Hoe heerlijk is da drank,] In den Kokosnoot, die fomwijlen

grooter is dan een inenfchenhoofd, is een pit van eenen zeer

voortreffelijken finaak, waaruit men wel 2 of 3 glazen zeer fmaakelijke

vogt drukt, die zeer voedzaam is, en in Amerika zoowel

voor algemeenen drank, als melk voor kinderen in de wieg gebruikt

wordt. De Kokosboom, welke een foort van grooten palmof

dadelboom is, is onder alle de boomen diegene, welken de

mensch tot de meeste gebruiken kan bezigen.

(a) beroemde boom,]

Kerfeboom.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde,Gezang. 225

En mij het gaan vermoeit; dan koomt de drooge dorst,

En êischt ververfching voor mijn heefche keel en borst,

Ik pluk een fmaaklijk ooft, mèt eenen fteen befchonken,

Om wien uw fappig vleesch met purpren gloed mag pronken ,

Ik voel mijn' dorst geftild, en ga mijn' weg met vreugd.

Wanneer de koorts mij vat, toont uwe vrucht haar deugd..

Zij dooft den feilen brand in all' mijne ingewanden,

En is een tegengift voor dat gevaarlijk branden!

De bijl klinkt op uw' rug: men roeit uw wortels uit:

Uw frisfche Ram verftrekt den boomgaardman ten buit:

De draaibank gaat, door voet en veerkracht omgetoogen:

En 'k zie in ftoelen u herfchapen voor mijne oogen.

Én gij, öfrisfche boom, wiens breed en lommrig blafd

Eene allerRerkfte kracht die famentrekt, bevat.

Uw rond langwerpig ooft, hetwelk drie fchellen dekken 3

Kan mijne Zangerin tot uwe glorie wekken:

Uw

(i) Eene allerfterkfte kracht,] De famentrekkende kracht, die in

de bladeren van den Okkernootenboom gevonden wordt, is zoo

groot, dat het gehemelte, als men een blad in den mond heeft,

wordt te famen getrokken: insgelijks blijkt het, door het wrijven

der bladeren aan de handen •, en eene niet mindere kracht heeft d'9

böitenfchel der Noot.

F


«5 GODS GROOTHEID IN DB

Uw kern bevalt mij zeer: haar fehoonheid is volmaakt.

Hoe wordt de tand vermoeid, eer hij haar heeft gekraakt

Geen marmer is zoo wit: hoe knobblig zijn haar leden

Waaraan Natuur haar kunst zoo gunftig ging befteeden

Haar frisfche en zoete fmaak voldoet aan mijne hoop.

Maar ach! ik eet te veel; een doodelijke loop

Bekruipt mijn ingewand: helpt, Artfen ! 'k ben bedorven

Ja zekerlijk, ik waar' d or deezen loop geftorven,

Hadd' de Artfcnijku st mij geen tegengift bereid:

Uw vrucht heeft waarelijk te veel aanloklijkhcid.

Gij moet geflagen zijn, indien gij vrucht zult draagen,

Gelijk een ezel, die de luie huid zal waagen

Veeleer, dan voortgaan op de menfchelijke ftem.

't Is op uw' Ram gemunt: daar hakt, daar velt men hem.

Men fleept hem uit den hof, om hooffche pronkfalettcn

Te fieren met een pracht van fchoone kabinetten;

En wat de handwerkkunst meêr maakt van't blinkend hout.

Betaalt m'. als kostbaarheên met fijn en blinkend goud.

Maar welke gaatjes! 'k zie den worm daar post op vatten.

6 Hoe vergangelijk zijn alle de aardfche fchattten!

Sluit gij nu mijn Tafreel en eindig mijne baan,

ö Boom, dien wij zoo zeer in ieders gunst zien ftaatf,'

Wiens


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 227

Wiens zonderlinge loof (c) bevalt aan keurige oogen:

Die allen harden grond kunt voor uw' groei gedoogen,

En nooit verftoord zijt op een kunstgeleerde hand,

En welk een foort van grond zij ook uw telgjes plant.

In hoeveel foorten zijn uw vruchten onderfcheién!

In 't vruchtbaar land, waarlangs met zijne waterreien

De vlugge Duran (d) loopt en vrolijk fpeelen gaat,

Is haar volkoomenheid in d' allerhoogften graad.

Doch boven alles heen in uwe frisfche velden:

6 Stad (e) , die voormaals door de Phocatifche helden (f)

In

(O Wiens zonderlinge loof] Het blad van een* Vijgeboom

beeft 7 of 8 duimen in zijn' omtrek; is donker groen van kleur,

ruw in het aanraaken. en hier en daar rond en boogachtig uitgehold.

Als men het doorfnijdt, geeft het een zeer melkachtig en fcherp

inbijtend fap.

(d) De vlugge Duran]

Een Rivier, die oorfpronglijk in het

Dauphiné, en loopende door Provence, valt in de Rhone.

{e) 6 Stad, ] De vijgen van Provence, en inzonderheid die van

het gebied van Marfeille, verdienen, door derzelver zter goeden

fmaak, den voorrang dien men haar algemeen feeefc, boven diö

van andere landftreeken.

(ƒ') De Phocatifche helden] De Gefchiedenis leert ons, dat de

Phociërs, een volk van Joniën, zich in 't Züidercieel van Frankrijk

neergezet, en daar Marfeille gebouwd hebben, onder de regeering'

van TA R Q U IJ N den ouden, in het jaar der weereld 34'coen vóöfc

CHRISTUS 590/.

P »


I

228 GODS GROOTHEID IN DE

In 't Zuider-Frankrijk zijt zoo heerelijk geboüwd;

Die zulk een Koopvloot zendt op 't ongemeeten zout,

En, al de weereld door, doet uwe vlaggen zwieren;. . .

Maar vlecht ik voor Marfeille een krans van eerlauwricren!

Zal ik zijn koopmanfchap hier heffen in den top?

Neen! Heerlijk Rotterdam, hef uwen fchedel op.

Mijn wieg, mijn bakermat: uw glorie wil ik zingen.

Hier heeft alle eedle kunst een reeks van voedfterlingcn.

Hier zit de Wijsheid op een' luifterrijken troon :

Hier fpreidt Erasmus wieg (g) een' hcldrcn glans ten toon:

Van uit zijn bakermat rijst langs geleerde trappen

Het prachtig Eerechoor der nutte Wectenfchappen,

Waar

(g ) Hier fpreidt Erasinus wieg ] ERASHOS, dat groots wonder

van eene bijna algemeene geleerdheid, is gebooren te Rotterdam,

in 't j'aar 1467, en geftorven te Bazel, in 't jaar 1536. Zonder hier

te melden, dat de Hervormde Kerk van Nederland even zooveel

verpligting aan dien man heeft, omtrent het verdrijven van de

nevelen des Pausdoms, als Duitschland aan LUTBSR , zal ik

alleen zeggend dat de geheele geleerde weereld, dien man voot

een bijzonder uitmuntend perfoon houdt. Men heeft te Rotterdam

nog een pronkbeeld ter zijner eere van louter metaal, leevensgrootte,

hebbende een open boek in de hand, en ftaande op eea

zeer fraai Voetftuk.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 229,

Waar voormaals de Bagijn (//) in 't eenzaam klooster zat,

En 't eerbaar huwlijk, Hechts uit bijgeloof,-vergat.

Hier pronkt een ganfcbe Roet van ftrijdbre waterleeuwen (»')

s

Naarijvrig om den roem der wijdberoemde Zeeuwen.

Hier rust de heerlijkheid van Neêrlaods watervlag (ft).

Hier is de Maatfchappij (l),

die met een vrij gezag

Den Ganges wetten geeft, als op een' troon gefteegen.

Hier maait de Koopmanfchap (m) een' oogst van rijken zegen.

Hier

(&) Waar voormaals de Bagijn'] De Schooien der Geleerden te

Rotterdam zijn opgericht, in 't klooster der Bagijnen, en naar den

grooten ER AS MUS, de Erasmiaanjche geheeten Sedert eeniga

jaaren is die plaats heerlijk en nieuwerwef-ch veranderd: maar tot

dien tijd toe was daar alles nog in hetzelfde weezen, als toen

het een klooster was.

(() waterleeuwen,] Rotterdam heeft eene Admiraliteit of Vergadering

van Heeren,

afgezonden tot het bevorderen der Zeezaaken.

Die Vergadering ftelt alle hooge en laage amptenaaren onder

haar behoorende, aan; oeffent krijgstucht, enz.

ik) watervlag. ] De Admiraal van de Maas of Rotterdam, 't geen

hetzelfde beteekent, voert in eene ganfche Vloot der veiëenigde

Nederlanden, de hoofdvlag.

(/) Maatfchappij,] De Oost-IndifcheMaatfchappij heeft aldaar

mede eene Kamer, en een bijzonder prachtig huis in het vermaakelijkfte

en beste der Stad.

(^1) de Koopmanfchap] De Koopmanfchap ,

die Rotterdam

doet, is zeer groot, en wijkt voor Amfterdam niet, naarmaate der

grootheid van die twee Steden.

P 3


23© GODS GROOTHEID IN DE

Hier is het koopkantoor van 't ganfche weereldrond,

De marktplaats, daar 't Heel-Al zijn fchoonfte waaren zond:

De weereld in het klein: het pakhuis aller fchatten,

Die tweepaar weerelden kan in haar' fchoot bevatten:

't Geduchte handelperk (??), van 't allerëêlfte graan:

Het fpecerijwoud van den Ooster-Indiaan.

Wijk, trotsch Venetien, met uwe Adriaatfche plasfen:

Het prachtig Rotterdam (


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang, 231

6 Volkrijk Rotterdam, dan uwe Nabuuri],

Die aan den Amftel, vest haar' troon, als een Vorftin.

Maar welk een woedend heir van losgelaaten ftormen (ƒ>)

Wil in een oogenblik al uwen roem hervormen,

ö Blijde Maasftad? 'k Hoor een' fterken onweêrswind:

Hij durft de Noorderzee aanvallen, als ontzind:

Hij hrengt een heir bijeen, 't welk dol en uitgelaaten

Eertijds verwinnaar was van zooveel fteên en ftaaten.

Hij ruit de baaren op; die fpannen met hem aan,

En ftraks zien we ook een' vloed als in het harnas ftaan.

Hij beukt met woênde kracht de paaien en de muuren,

Gefchapen, zoo het fcheen, om de eeuwen dóór te duuren,

Is dit de dankbaarheid, die ge aan de Stad vergeldt,

ö Stroom, voor al het goed, zoo vaak ten toon gefteld

Aan uwen groenen boord, en kabbelende zoomen?

Zaagrge in het (q ) weereldrond wel één' van all' deStroomen,

Die

(/>) losgelaaten ftormen] De ftormen uit het Noordwesten

treffen Rotterdam zoo vreeslijk, dat ze de Stad fchijnen te zullen

verflinden : de Maas zet zich op, eenige voeten hoog, en de buitenftad

wordt voor vaartuigjes vaarbaar over de ftraaten; buitendat

zijn de grachien, die'zeer diep zijn, en geheele Zeefchepen gelaaden

binnen laaten , hoog genoeg gekaaid.

' q~) Zaagtge in het] Het is zeker, dat Rotterdam aan den

Maaskant zich zoo prachtig vertoont als ooit gedacht kan worden:

het wijkt daarin geenszins voor eene ftad, maar overtrek zelfs

•He anderen.

P 4


i 3 * GODS GROOTHEID IN DE

Die aan zijn boorden prijkt met zulk een' ftoet en pracht

Als zij hier tot uw eer, te famen heeft gebragt?

Daar ge eertijds(r)naauwlijks zaagtdrielaage visfchers hutten

Bekwaam de grove pij voor wind en kou te fcnutten;

Ziet gij Paleizen ftaan, uit marmer opgericht,

Geklonken uit arduin, en hier te faam gefticht,

In zulk een' overvloed, dat nooit des Tibers boorden

In Romens grootften bloei 't gezicht zoo zeer bekoorden,

Als all' de praal, die gij ziet aan uw' zoom verfpreid.

En is dit voor dien dienst dan alle uw dankbaarheid!

è Neen, de Noordzee, door de Rormen overwonnen,

Is door den nood geperst weêr op u aangefchonnen,

En noodzaakt tegen wil en dank u met geweld:

Dus dwingt de ftorm de Zee, en u het pekelveld:

Zoo fleept een Ceder ook, die door het ijslijk loeien

Der ftormen valt, den grond, waarin hij ftond te groeien,

Minst uit ondankbaarheid, gedwongen met zich meê.

Aldus bemorst een Eik (wanneer in 't woud de vreê

Verbrooken is, en dat een reeks herhaalde horten

Een felle ftormbui doet op 't veld ter neder

ftorten)

(r) Daar ge eertijds] Uit twee of drie Iaage visfchershutten,

welke op den nu nog genoemden Visfcheisdijk neêrgefla^en waren}

fcseft Rotterdam zijn eerst begin genoomen.

De


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 233

De zilvren waterbeek, waaruit hij voedfel trok.

Helaas! gij gaat dan voort, 6Stroom, metfchokopfchok!

Uw baaren rijzen op! 'k zie haar de Stad bedekken.

De ftraaten kunnen nu een vloeibaar vlak verftrekken.

De ftorm vaart voort met woên! hier ftorten huizen neêr.

Daar fchudt hij torens, door zijn krachten, heen en weêr.

Ginds werpt hij boomen uit; hier hoort men trotfche daken,

Daar marmren muuren, ginds arduinen gevels, kraaken.

Daar rukt de ftormkracht voort, en werpt een Zeekafteel

Waar gistrcn 't koetsgefpan nog reed in 't rijk gareel.

Hier fchijnt, ö Rotterdam, uw jongfte nood gekoomen;

Van boven dwingt de ftorm, beneden woên de ftroomen:

Hier koomt geen ftrijdbaare arm, geen dapperheid, te pas:

Het fterkfte kabeltouw is hier als nietig vlas:

Hierhelptgeenbuskruidzelfs,hoevreeslijk'tookmoog'dondren:

Die klank wordt doof geftormd — Door welke groote wondren

Wordt uit dit jongst gevaar de Stad nu best gered,

Of door wat arm uit die belegering ontzet?

Hier kunnen Scipioos noch Alexanders, baaten;

Men zou zich ijdel, hier, op menfchen hulp verlaaten;

Hier zwijgt, ö Salomon! uw hooge wijsheid zelf!

Hier holp geen Nazireer, wiens fterkte 't poortgewelf

P 5

Ten


234 GODS GROOTHEID IN

D E

Ten bergtop opbragt, op zijn onbezweeken fchoften.

De hooge Godheid op haar wondre heilbeloften

Te maanen in den nood, is 't beste middel, dat

U oovrig is in die beleegring, fchoone Stad!

Triumf! der helden Held, de Schepper van de ftroomen

En winden, is ons met zijn' arm ter hulp gekoomen!

Hij bindt de ftormen op: Hij fluit het ftroomklinketl

De Temmer van den dood heeft Rotterdam ontzet.

Sta, bloei veel eeuwen lang, ö glorie aller Steden!

Groei aan, in koopvaardij, in wijsheid, eere en zeden!

* * * * $

Maar laat ons keeren weêr, naar 't land en jeugdig veld!

6 Lachend groen, op u is thans mijn hart gefteld.

Veranderlijk Tooneel, dat Reeds ons oog kunt treffen,

Wat zie 'k al boomen zjch bij menigten verheffen!

Ze zijn verfchillig in gedaante, in blad en pracht.

Maar wordt geen fmaaklijk ooft door hen ons voortgebragt.?

Gering is 't, dat zij ons geen eetbre vruchten geeven,

Tot veelerlei (,) gebruik in 't menschlijk famenlceven

Benoodigd,

CO Tot veelerlei] Men weet , hoe groot de dierst is, welken

men van het grootfte gedeelte der wilde boomen heeft, hetzij toe

"! het


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 235

Benoodigd, zijn zij ons nut en noodzaakelijk.

Wat onverwinbre trek, wat invloed, zegenrijk

En zonderling, dwingt elk' van hen een' grond te minnen

Alleen fiechts eigen der Natuurwet van hun zinnen.

Die groeit liefst op den top der bergen, hoog en droog.

Gij, van wier hout de kunst langwerpig werktuig, boog

En pieken, heeft gemaakt, ö jeugdige Esfenboomen(t),

Gij die een olie doet uit uwe zaaden Rroomen,

En uit den bast dan nog het fchaap en zwijnen voedt.

6 Dikgetakte Beuk (w), voor mensch en dieren goed.

En gij, öjokboom(v), met uw harde en taaie takken.

Die 'swerkmans Rerken arm vermoeit met u te hakken,

Gij

het timmeren, w\agenmaaken , fch rijn werken, of totbeeldhouwerij,

en het maaken van fchepen: Zie de deftige en fraaie befchrijving,

die VIRGI LIus daarvan doet, in zijne Landgedichten, II Boek

vers 442 en volgende.

(t) Esfenboomen,'] Derzelver hout is zeer dienftig tot het maaken

van pieken, boogen en andere buig werken meêr.

(M) Beuk,] Deszelfs afgevallene zaaden zijn zeer nuttig, om

daar Olie uit tepersfen; en hetovergebleevene, eetende Schaapen

en Varkens zeer graag.

O) 6 Jokboom,] Dit is zeer taai, hard en fterk hout.


23J

GODS GROOTHEID IN DE

Gij mint een drooge plaats, en haat het vogtig diep,

Een andre kiest zulk een, waardoor het kouter liep,

De vruchtbre landen en de wéldoormeste velden:

U moet ik Lindeboom r», ook onder deeze melden;

Uw bloesfem, die zeer fchoon en zeer welriekend ruikt.

Die in het prilst faizoen u jaarelijks bepruikt,

En ons zeer dienftig is tot heilzaame artfenijen,

Verdient een eerkroon voor een lange reeks van tijen.

Hij maakt u onder al 't geboomte hooggeacht.

En gij O), wiens vruchten aan het menfchelijk geflachs

In Spanje en Frankrijk tot een edel voedfel ftrekken,

Ook gij, gij kunt opnieuw mijn zingende aandacht wekken,

Kastanjeboom! zoo groen als lommerrijk van blaên.

Maar vlugge Stroom, die langs uw heldre waterbaan

Ook Lottharingen. groet, en kust zijn vruchtbaare oorden :

Wat zie ik hier rondom aan uwe blijde boorden

Een

O 3 Lindeboom,] Zijn bloesfem is zeer welriekende, en in de

Geneeskunde van grooten dienst.

(*) En gij,] Kastanjeboom. In Frankrijk en Spanjen vallen

deszelfs vruchten zeer goed tot gebruik van den mensch, voor

voedfel. Men vindt hen ook aan de boorden van Lottharingen,

bij den Rhijnkant: Op deeze zijn de wilde zwijnen zoo verlekkerd

, dat zij uit Zwabenlani den Rhijn overzwemmen, tot voldoening

van hunne graagte.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 237

Een heir van zwijnen, die uw' vloed, ö zilvren Rhijn,

Uit Zwabenland tot hier, vlug doorgezwommen zijn,

Verlekkerd op die vrucht, tot Rilling hunner graagte,

Men vindt weêr andren, die veel liever in een laagte

Hunne armen ftrekken, langs een frisfche waterbeek,

In 't bloemrijk veldtapijt van eene natte ftreek.

Hier mag ik uwer niet, ö Elzenboom (y) vergeeten.

't Broodbakfel wacht u, die den oven kunt doorheeten.

Gij zijt vroeg rijp, vroeg rot: gij vat, in 't vuur gefmakt,

Zeer haastig vlam, en brandt; hoe jong, hoe pas gehakt!

Maar welk een roode kleur ? de ftronk fchijnt zelfs te blaaken.

Zou wel de vogt des gronds hier deeze werking maaken?

Waarom dan in den Wilg en Populier ook niet ? . . .

Het is dan de eigenfchap van 't hout, dat dit gefchiedt;

Een

(y) i Elzenboom,] Deszelfs hout is vroegrijp om gekapt te

•worden, zijnde goed voor de Bakkers, om den oven fchielijk te

heeten. De ftam, wordt na het kappen, zoowel het afgehakte

als de tronk die in den grond blijft ftaan, van eene bijzondere

geele roodheid of oranje kleur. Te willen ftellen met fommigen,

dat dit uit de geaartheid des gronds koomt, vindt bij mij geen'

ingang: want, waaröm hebben het dan andere boomen op dien

zelfden grond ook niet: ik geef in bedenking, of niet moegelijk

de fappen van dit hout zoodanig zijn, dat zij, wanneer de bijl

daardóór is gegaan , eene foort van roest overneemen, van de

ijzeren deelen des bijls, en dat daaruit die oranje kleur ontftaat.


233 . GÓDS GROOTHEID IN DE

Een eigeniiartigheid, dien boomen ingebooren.

Ook gij hebt zulk een'grond-, ö Populier (s), verkooren,

Gij, met wiens fap een Arts zooveele wondren doet,

Ons aanfchijn zuiver maakt van alle wrat en fproet.

Hij weet uit uwen knop een fchoone zalf te maaken,

Die eene wonde tot geneezing doet geraaken;

Waarom u 't Heidendom toewijdde aan eenen Held,

Die naar 't verfïerd verhaal veel monfters had geveld,

En telkens bloot Rond voor een groot getal van wonden.

En gij, die uit uw' aart aan 't water fchijnt gebonden,

En hoepels levert, daar men 't vaatwerk dicht meê kuipt,

Gij, die zeer willig groeit, fchoon half uw Ram verzuipt,

En van die willigheid hebt uwen naam ontvangen;

U geef ik mede een plaats in deeze mijn Gezangen:

Gij groeit, fchoon uitgehold, zoolang gij water ruikt;

Terwijl uw tak, nog jong en buigzaam, wordt gebruikt

üm

(z) 6 Populier,] Dees was weleer aan HERCULES gewijd :

het fap van deszelfs knopjes wordt gebruikt door de Apotheekers

voor eene geneezende zalf: en het water dat in de holte van den

ftam gevonden wordt, neemt de fproeten van 't aangezicht des

menfchen wech, verdrijft de wratten van de handen, en geneest

het fchurft.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 239'

Om vruchtgeboomten aan de latten vasttehechten,

Of mand en korven door de kunst daarvan te vlechten.

En gij, vleeschachtig foort van vrucht, wiens fchoone wol

Het goudgeel vel bedekt, ó Kwee, zoo heerlijk, vol

Van braave deugden, die een reeks geheimenisfen

Opfluiten, en den mond en onzen fmaak verfrisfchen j

Bij deeze, plaats ik ook uw bruin en kwastig hout.

Ook u («), die om de vrucht aan uwen tak betrouwd,

Een harde fchel maakt, en om die een bast, vol punten,

Die boven andren uwe vruchten uit doet munten,

Door eene hardheid, die den graagen tand vermoeit>

U Rel ik hier ook, als door 't water liefst befproeid.

Engij(Z>)wiensvruchtdentanddoetvoorhaarfteenenvreezen,

En, zal ze goed zijn, eerst wel halfverrot moet weezen,

Terwijl

(0) Ook :*,] Hazelnoot. Deszelfs vrucht heeft mede zoowel

als de Okkernoot, drie fchillen: de binner.lre is een dun vliesje: d«

tweede is hard, en te gelijk glad hout: de derde of buitenlle, is

een open groene fchil met punten.

(6) En gij,] De Mispelboom : Deszelfs vrucht is zeer verkoelende

, en heeft 5 of 6 lteentjes in zich, bovenop heeft zij een

foort van kroon: Zij is niet goed gegeeten te worden, dan na dat

ze half verrot is.


24° GODS GROOTHEID IN DE

Terwijl zij op haai* hoofd een kroon van punten draagt,

Gij zijt het ook, wiens groei het Water best behaagt:

Gij allen groeit het beste in ilijk, en bij moerasfen.

'k Zie andren (c) liever aan een' fchuinfen heuvel wasfen,

Aan 't hangen van 't gebergte, en in een vruchtbaar dal ,

Dat door een beekje wordt befproeid van overal:

In deezen moet ik u, 6 Eik, den eertien Rellen:

U, u, die kunt een reeks van honderd jaaren tellen,

Terwijl gij weelig groeit, en honderd andren ftaat;

En eerst ter derder eeuw in fleur te rugge gaat.

Maar hoe, ik zie u door de bijl ter neêr gehouwen,

Om fchepen van uw hout, en huizen, op te bouwen:

Zoo fiert gij zee en land, terwijl uw duurzaam hout

Bij andre boomen prijkt, als koning van het woud,

En 't knorrig zwijn verzaadt en voedt met uwe vruchten:

Dus fchenkt ge ons ftof tot vreugd in plaats van naare zuchten.

U fchik ik nevens deeze, op dit mijn Zangtooneel,

U, die ons uit uw vrucht een olie geeft, zoo eêl,

Waarvoor

(c~) 'k Zie andren'] De Eik. Deszelfs hout is zeer duurzaam,

en het allerbest voor huis- en fcheepsbouw: Hij groeit sco jaaren,

honderd anderen ftaat hij fleurig, de derde honderd jaaren

verloopen, eer hij fterft. De akers zijn zijne vruchten, en een'

zeer goed voedfel voor tamme en wilde zwijnen.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 24T

Waarvoor u Duitschland blijft, ö Denheboomen, danken,

Gij, die ons huis bevloert met dikke en fterke planken.

Met hooge maste-n, die gemaakt zijn uit uw hout,

Pronkt ook het vlottend huis op 't öngemeeten zout.

Wij zien een eedle hars uit uwe fchors nu vloeien; •

Dan dient zij weêr voor rün, waar Hofliefs bloempjes groeien,,

In 't oogbetoovrend perk, daar kunst Natuur braveert.

Gij, die de beste huid in nuttig leêr verkeert,

Gij kent ook hun Waardij; en van de Denneboomen

Moet u de bruine run, voor u zoo waardig, koomem'

Elk van die boomen heeft gelijk een vaderland,

Waarin zijn foort best groeit en liefst wil zijn geplant.

Die gronden zijn voor hun gemaakt, en elk dier gronden

Is van bijzondren aart (i) en eigenfchap bevonden.

En

(tf) Is van bijzondren aart} De oude Schrijver», welke over

den Landbouw gehandeld bsbbcn, verdeden dc aarde in 6 foorten,

te weeten: De vette cn magere, fterk* | Irooge en vogtige

aarde: ,, De meeste CÖonen van aardrijken zijn of vet of

„ mager, dik of ligt, droog of vogtig". PALLADES, van de

Boerderij: I.Boek, 5 Afilecling. — Co LUM B 1.1. * brengt ze tot het

zelfde getal, en fchrijft hiardic zelfde verfcbeidenJicij van aart toe!

Hij voegt 'daarbij, dat uit de vernienniig der verfc v ieidene eigenfchappen,

de eerfte oorfprongclijke gronden der ta'rijke verfcheidenheden

gebooren worden, die men in de gronden bemerkt: welke

Q

eigen febappea


241 GODS GROOTHEID IN DE

En 't past der kunst daarnaar te fchikken bouw en zaad.

't Schijnt, dat die jonge fpruit den groei hier fchuwt en haat;

Omdat de grond is koud, en als tot flaap geneegen:

Die aarde is al te fterk en fappig, fchoon vol zegen,

Gansch doodlijk voor die plant en 't graan haar aanbetrouwd:

't Is van den grond des lands (e), wél, of niet wél, befchouwd,

Waaruit altoos ontftaan vrucht- of onvruchtbaarheden:

Dees is haar oorfprong en haar altoos waare reden;

Geen ongelijke vorm en ijdele invloed van (f)

De Maan, die ons alleen des nachts verlichten kan;

En

eigenfchappen onderling vermengd en verwisfeld ,

de grootfte

veranderingen der Landerijen uitmaaken : Ifte Boek, 2de Hoofddeel.


De hedendaagfche Landbouwkundigen, fc v oon niet in

alles metdie oude Schrijveren overëenkoomende, zijn't echter met

Jjen ééns in 't ftuk der verfcheidenheid van gronden.

(e) 't Is van den grond des lands,] VA PRO, COI.UMEI.I.A,

en PALLADES,

de beste oude Schrijvers over den Landbouw,

ftaaven verfcheidene regelen van hunne gefchriften op dien gewigtigen

voet, dien PLIHIUS met recht noemt, het Orakel van den

Landbouw. In omni parte culture valeat oraculum . illud quid quasque

regio patiatur, dat is: In alle gedeelten des Landbcuws, geldt deeze

Godjpraak, welke met ieder Landfchap overëenkoomt: in zijn XVIII

Boek, het 18 Hoofdftukj

't welk ook hedendaags nog alömmc

gevolgd wordt, en dat niet alleen in 't natuurlijke, maar 't is ook

wasr, in 't zedenlijke, want, zegt men: fteek uw' vinger in den

grond, en ruik op wat land gij zijt.

(ƒ) H^ele invloed van] De invloed der Maan op de Veldgewasfen,

is een oude dwaaling, waaraan het gemeen nog eenigzins

verflaafJ


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 243

Én 's werkmans hand beftuurt in 't vlijtig hovenieren;

ó Dwaas vooroordeel van het menfchelijk verzieren!

ö Dwaaling, erfelijk gekoomen tot ons oor;

Waaraan het zwakke volk nog offert zijn gehoor,

En vol vooroordeel al te dwaas op blijft verzotten;

Schoon dat Natuurkunde ons die dwaasheid leert befpotten.

ö Landbouw, ons zoo lief, als waarlijk hoog en fchoon,

Bezat' ik nu den klank van Maro's hoogen toon,

Of dien van Vaniëer (g) !

Gelukkig is hij te achten,

Die van de weereld en haar ijdle dwaalgedachten

Afkeerig

vetflaafd blijft. De Schrijvers in de even voorgaande aanteekening

gemeld, hebben deeze hersfenfchim uit HEZIODUS geput, ftijfhoofdig

voorgeftaan. VIBOILIUS beter Dichter dan Natuurkenner,

heeft zijne fraaie Landgedichten bezwalkt, met een aantal

van kinderachtige aanmerkingen over de zegenende eigenfchappen

der maanfchijning. De ondervinding leert echter heden, dat het

geheel onverfchillig is, in eene wasfende, volle, of afneemende

Maan te zaaien, te planten of te hakken, alzoo in het afneemen

van de Maan, de Gewasfen zoowel hilnn' voortgang hebben, als

op andere tijden. De natuur des gronds, de eigenfchappen der

winden , de werking der Zonne , en de gefteldheid der lucht,

zijn de waare invloeden op den Landbouw en de hoven: zie eene

onwrikbaare wederlegging van het dwaaze vooroordeel over den

invloed der Maane, in 't werk genaamd InftruS. fur lesjardins,

par Mi. DE LA Q U I N T I N IE Tom. II. pag. 564.

(


344 GODS GROOTHEID IN DE

Afkeerig is, en op een Buitenrust zijn' tijd

BeReedt in vrede, en daar met planten zich verblijdt:

Die met een maatig deel vernoegd en weltevreden,

Mistrouwende aan het lot, vol wisfelvalligheden,

Zijn ledige uuren aan uwe oeffning overgeeft:

Uheeft (A), als aan een bruid, voorheenen aangekleefd

Die

aangaat, uitvoerig is behandeld; en zelfs lant de Schrijver zich in zeer

veel bijzonderheden daaromtrent in, 't welk hetzelve hier en daar

iets langdraadig maakt. De oordeelkundige VIRGILTUS, wilde

in zulk eene uitgebreide ftoffe niet zoo bijzonderlijk zijn ; want hij

2egt : 'k wil alles in mijn Dicht niet in 't bijzonder noemen: "

P. VANIËSR zoude wélgedaan hebben, van, hem in 't ftuk van

kortheid wat meerder te hebben nagevolgd, zoowel als hij gedaan

heeft in de fchoonheid der Vaarzen, en door aan de fchaarsheid,

der lesgeevingen tot verbetering der Landbouwkunde fieraad te

hebben bijgezet, door alles wat de Dichtkunde geestigs heeft in

de vinding, beminnelijk in de afbeelding, en deftig in zwier. Die

groote Dichter ftorf te Touhuze in 't jaar 1739, oud 76 jaaren.

Zie zijn' lof naar waarde uitgebreid , in het Werk genaamd : Is

Farnafe Frangois of de Franfche 7.angberg.

(ft) U heeft,] De Landbouw was in groote achting onder de

Romeinen en de gewoone otft'ening der doorluchtigfte mannen.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 245

Die dappre Roomfche held, die hoop in duiftre dagen

Van't ganfche vaderland, van vrienden en van maagen:

De dappre Roomfche held, die, na zijn vaderland

Gerukt te hebben uit den feilen oorlogsbrand,

Met krijgslauwrier gehuld, fluks weder viel aan 't ploegen,

En toebereiden van een veld, vereerd door 't zwoegen

Van eenen ftrijdbren arm, in 't oorlogsveld geëerd;

En met verwinning, op den vijand, weergekeerd.

Kan 't zijn, 6 Landbouw, dat de pracht der bedelingen,.

U klein achten Hechts houdt voor knechtlijke oeffeningen!

Kan 't zijn, dat dus de mensch, verdwaasd, een' hoop verdriet

En zorg, die hem verteert en nooit verpoozing biedt,

Wil boven uw vermaak en lieve zoetheên eeren?

Men viert op 't land den toom veelmeer naar zijn begeeren

Aan alle Weetenfchap: men temt de losheid daar

Van zijn hartstogten, die ons brengen in gevaar.

Men ademt de onfchuld in: men leert daar vrij te leeven,

En aan. de eenvoudigheid de pracht gevangen geeven.

Zoo,

weenende , en riep uit : Mijn land zal dan dus lange onbezaaid. blijvenl-

De Ridder J Cus, zoo dertig eun Dichter als goede

Staatsman, verliet zijn ampt als Kaadpenfiönaris van Holland, om

in zijne oude day,en zich te veiluitigen in dtn landbouw , even

buiten 's Graavenhaage, daar hij etn buitenplaats aanleêguide, deaelve

iieriijfc, lotrusuj, tn Zor övUet noemde.

Q 3


245 GODS GROOTHEID IN DE

Zoo leeft de bouwman in zijn ftil en eenzaam huis

Zijn' wensch bereikend: gansch gelukkig, zonder kruis,

In vrede en ongeftoord, een Landheer waard te weezen.

Van all' de driften, die de Grooten Reeds doen vreezen.

En overheerfchen, is hij ongekweld, en vrij;

Door bezigheên verzaakt hij haare heerfchappij,

Hij gunt den gierigaarts, die als roofzieke helden

't Goud haaien, vérr' van hier, op wind en Rorm te fchelden:

Hij laat den held, die in 't gevaar loopt, door zijn'moed,

Den ijdlen krijgslauwrier, bemorst met eigen bloed:

Hij ziet verachtelijk den grooten drang der flaaven

Van 't weiffelend geluk en van zijn wufte gaaven;

Daar zij, zich buigend neer, voor troon en gloriewiel,

Een' wierook offren, dien zij vloeken in hun ziel.

De Eerlijkheid is 't grootst in zijne fchattrezooren:

Hij kent den heblust niet; en, zijnde vrij gebooren,

Is hij daar moedig op, terwijl alleen de wet

De meester is, op wiens geduchten wenk hij let.

De pracht waarop de Stad zoo groot een'moed durft draagen,

De traanen, die wij vaak, zoo ras in de oogen zagen

Der ongelukkigen, wier hei], te vlug gewend,

Den tegenfpoed te wuft gelegd zag in ciment;

Dat


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 247

Dat ftaatelijk gevolg die overvloed van zaaken,

Zijn dingen, die zich ons ondraagelijker maaken,

Dan zijne maatigheid in zijn' gerusten Raat.

Terwijl hij zuinig is, en van den dageraad

Tot aan den avond is aan 't nuttig werk gebonden,

Wordt in zijn lichaam geen verderfüjk zaad gevonden;

't Wordt door den arbeid daar gelukkig uitgerukt:

Van duizend ziekten, waar de Redeling voor bukt,

Het pijnlijk flerezijn, die moeder aller rampen,

't Gevolg der dronkenfehap, der wellust en 't flampampen,

Is hij geheel bevrijd: de fterke bouwman wacht

Een' dag vol blijdfehap op een' doorgeflaapen nacht.

Op veele wijzen fpit hij zijn bezaaide landen:

Hier gaat de ploeg, die hij beftuurt met zijne handen

Door 't vruchtbaar veld, waarin hij diepe voren fnijdt.

Daar dekt hij 't land, waaruit, in eenen laatren tijd,

Het graan eens wél verrot met winst weêr op zal borlen.

Ginds treedt hij met den voet de vrucht vol zoete korlen.

Den fchat des wijnftoks, daar hij eenen ftroom uit trekt,

Van vogt, die onzen mond een fchoonen drank verftrekt.

Hij zamelt van het veld zijn blinkende trezooren.

Ginds, tot bevogtiging van peulvrucht, plant, en koren,

Q 4

Luidt


248 GODS GROOTHEID IN DE

Leidt hij den loop af, van een beek die ruisfchend vloeit

Door veele paadjes heen, tot zij de vrucht befproeit.

Nu ent hij 't boompje, dat geen vruchten wilde vatten;

Of bindt het takje, dat nog buigzaam is, aan latten;

En eindlijk, als de Leeuw, met tintelglans gehuld,

Den rijpen korenhalm op 't vruchtbaar veld verguldt,

Valt onder zijne zeis de zwangere air op hoopen:

Hij ziet den vreê, (dien hij voor geld niet zou verkoopen)

Gezegend heerfchen in zijn vrolijk huisgezin:

Zijn vrouw behandelt hem met eerbied, liefde en min.

Zijn' kindren is hij lief: en acht hen fteunpilaaren

Van zijn gegronde hoop en welbedaagde jaaren.

Somwijlen fhapt hij bij een heldre waterbron,

Die op een bed van mos en groente loopt, de zon

Ontduikende, onder 't loof van lommerrijke boomen,

Na dat hem, 't water, uit den voet der klaare ftroomen

Met eene holle hand gefchept, den heeten dorst

In hem ontftooken, had gedrceven van de borst.

Dan zit hij neêr op 't veld, en weet door kunftig fpeelen,

Al 't omgelegen land het zangziek hart te Reelen.

Straks ziet hij met vermaak zijn wollig vee in 't dal,

't Gras fchecren, hupplend, bij een' koelen waterval.

Dan


SCHOONHEDEN OER NATUUR. Vierde Gezang. 249

Dan voegt hij zich bij het gezelfchap, daar zijne ooren,

Den boerfchen ruispijp in den beukenlommer hooren.

De kaatsbal kort fomtijds den tijd aan hem, met vreugd:

Zoo leeft hij altoos in een recht vermaak, de deugd

Der weereld fchetfende in haar eerfte en kindfche dagen;

Hij ademt vrede en vreugd, oprechtheid wars van laagen,

En zuivre onnozelheid in al zijn taal en daén!

En, randt de bleeke dood ook eindelijk hem aan,

Hij vreest hem niet: hij durft hem onverfchrikt verbeiden;

Hij ziet gerust de ziel van 't fterflijk lichaam fcheiden;

Bctaalende aan Natuur den vastgcftclden tol,

Sluit hij zijn' leevenskring, zoolang, als zegenvol.

Hij fterft op 't eigen bed, waarop zijn vaders Rorven;

Van vrouw en kindren, (die zich fchatten als bedorven

Door zijn ontflaapen) lang beweend na zijnen dood:

Zijn nagedachtnis blijft gezegend, roemrijk, groot!

* * * * *

Waar leiden mij mijn treên ?... 6 Groote en rijke hoven,

6 Bloemen, al uw glans gaat mijn geloof te boven!

Gij praalt zoo lieffelijk en zonder valfche pracht:

Hoeveel verandering, merk ik hier voortgebragt

Q

s

in


250 GODS GROOTHEID IN DE

In fchildering en vorm! wat leevendige trekken,

Watglans,watgloed,watkleurkoomtmijngezichthierwekken!

Een onnavolgbre kunst flraak in haar maakfel door:

Haar kleurfchakeerfel koomt zoo treffend aan ons voor;

Dat dit haar fieraad zelfs nog grooter lof kan geeven:

Die fchijnt van hemelsblaauw en flonkrend goud geweeven:

En deeze toont aan mij een heldre duisterheid:

Die is zeer trotsch daar zij een blinkend purper fpreidt.

Maar deeze is zediger, en daardoor in onze oogen,

Meêr Rraalend: ze is als 't waar' met zilver overtoogen,

Mpt roode vlekjes, vol van 't allerjuist akkoord;

Terwijl dat elk van haar volmaakt is in haar foort.

Haar grootst gedeelte doet ons eedle geuren rieken,

Die zweeven dan op zachte en dan op fterker wieken,

Van deeze vrij wat meêr beminlijk, dan van die.

Gelijk de vruchten, welk ik voor mijn oog hier zie,

Op een' gezetten tijd ons telkens wedcrkoomen,

Heeft ieder bloemfoort ook een' vasten tijd genoomen,

In welken zij regeert, gelijk een Koningin.

Men vindt denzelfden glans den eigen' geur daarïn;

Zoo ras zij wederkoomt om onzen reuk te onthaalen,

En voor 't verwonderd oog met frisfchen gloor te praaien.

Gij


SCHOONHEDENDER NATUUR. Vierde Gezang. 251

Gij zijt de roem des hofs, een fchoonheid in ons oog,

ft Hooggeftamde bloem (i), wier kelk een' dubblen boog

Van deftigheid verbeeldt! 'k Zie alles fchier bezwijken

Voor uw zoo zuiver wit, dat fchittrend ftaat te prijken.

Verfprei voorts uwen geur: — Of fpreidt gij dien te fterk ? —

6 Puikbloem, heerlijker bekleed door 't wonderwerk

Des Allerhoogft-n Gods, dan met zijn rijke glanfen

Vorst Davids wijze Zoon (k) was in zijn gouden tranfen.

En gij, 6 Koningin der bloemen in den hof,

Die, waar men bloemen noemt, ook wordt geroemd metlof,

Van rondom dicht bezet met fcherpgepunte pieken,

Waarmede gij de hand van hem, die om uw rieken

U plukken wil, doorvlijmt: die op uw' fchoonen top,

Nooit dan voor 't zacht geblaas des Zuidenwinds, uw'knop

Ontfluiten wilt: gij, die met allerzoetst verlangen

De nijvere kapél doet aan uw bloemen hangen;

Hoe dwingt (/) uw eedle geur, en lieflijkheid,en fchoon,

Het heir der bloemen, u te reiken eene kroon!

Och,

CO Hooggeftamde bloem,] De Lelie.

(fe) Davids wijze Zoon,] De Koning SILOMON. Zie

M A TT H: VI, 28. *S>.

(O Hoe dwingt] Wijkt bloemen, die voor het gemeen zijt;

de Koningin der bloemen vertoont zich ! In 't Latijn:

, — Plebei cedite flores.

Hortorum Regina fuos oftendic honores.

RAP. HOKT. Lib. I. fpreekeude van de Roos.


252 GODS GROOTHEID IN DE

Och, mogten we altoos u in bloei en fleur zien fchijnen

En mogt' uw balfemgeur nooit uit den hof verdwijnen!

En, eedle bloem, bijna geroemd in ieder land,

Dien Frankrijk 't eerfle ontving uit de Idumeefchehand (m),

Wanneer Vorst Lodewijk zijn rijksgebied deed groeien,

En onder zijne wet zag den Jordaanftroom vloeien;

Wat fchoone trekken, welk een kracht van lieflijkheên

Zijn met uw hooge kleur gedommeld ondereen !

Van dien dag af, dat gij ter weereld zijt gebooren,

Heeft Rraks de Bloem vorftin (ra) haar hovaardij verlooren.

Zij gansch bevreesd voor haar gebied, haar' roem en lof,

Smeekte om der Winden hulp, aan 't zoele Zuiderhof.

Aldus

O) Idumeefcht hand,] 't Was in den tijd der kruistogten,

onder LODEWIJK den IX., dat de Ranonkel uit het Syrisch Tripoli

naar Frankrijk is overgebragt. Zie de gefchiedkundige omitandigbeden

over deeze bloem, in eene Verhandeling van P. D'AKDENNK ,

een Werk vol natuurkundige onderzoekingen , zoo net als heerlijk,

en zelfs meerder dan hetopfchrift : Verhandeling over de Ranonkels,

belooft.

O) Bloemvorftin] De Roos naarijverig wordende , dat de

Ranonkel 't gezicht der liefhebberen van Flora naar zich trok, en

beducht haaren roem daardoor te verhezen, om bijfhnd roepende,

verkreeg, dat tot bewaaring der hoogachting voor den lieflijken

reuk van de Roos, de Ranonkel geen' reuk zoude hebben, maar

echter het fieiaad zijner uitmuntende kleuren zjudu bcwaareu.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 255

Aldus verkreegt gij niet het edel reukvermoogen;

Maar hieldt uw recht toch ter verrukking aller oogen.

Doch zoude ik uwer hier vergeeten,

fchoone bloem,

Die door uw zedigheid, welke u verftrekt tot roem,

Als op den grond des hofs n zeiven houdt begraaven:

De losfe Mankop doe zijn' roem veel hooger draaven;

Ziende u verachtlijk aan; dit baare ü nimmer fmart,

Gij blijft toch 't beeld van een oprecht en deugdzaam hart.

Verfier, 6 Violet, een jonge en frisfche Schoonheid,

Gij die zoo zedig ons den eêlften geur ten toon fpreidt:

Alfchoon de grootfte glans niet op uw aanfchijn Rraalt,

Uw eedle balfemgeur zet dubbel dit betaald.

En gij, ö trotfche bloem, die naar de zonneboogen,

Zoo ras het licht verfchjint wendt uwe duizend oogen;

En in gedaante en kleur aan ons een zon verbeeldt,

Wat heeft Natuur u met haar gaaven mild bedeeld!

Gijmoogt fchoon zonder reuk, uw'fchedel op waards beuren,

't Verdichtfel wil, dat gij uw lot nog zoudt betreuren,

6 Clitie (0), en de Zon naaröogen in haar' loop,

Uit een te leur gefielde en oude minnehoop.

En

(0) Clitie,] De Dochter van OCEANUS en T.HETÏS, (volgens

de


254 GODS GROOTHEID IN DE

En gij wier frisfche kelk is dicht-inëengefiooten,

Gij wordt met recht geteld bij all' de Hof bloem-grooten

Eenkleurig zijnde, zijc ge een frisfche en trotfche bloem

Veranderd, is 't verfchot van kleuren u een roem:

Uw veelerhande kleur, u uit uw' aart niet eigen,

Kan vaak het bloemziek hart in liefde tot u neigen:

Gij klaagde aan Vrouw Natuur, als hadd' zij u misdeeld.

Wijl ze in de Leliën had eenen reuk geteeld,

En u de kleur alleen tot een fieraad gegeeven.

Zij door eene eedle zucht tot uwen roem' gedreeven,

Borduurde uw' trotfchen kelk met veelerhande kleur.

Gij overtreft aldus, fchoon gij haar wijkt in geur,

Die blanke pronkbloem, die den fcepter graag zou zwaaien,

Maar 'k zie 't fchakeerfel,'twelk zoo grootsch u kan verfraaien

In deezen Lentetijd vrij Rerker dan voorheen,

Nu weder flaauwer zijn, als of het gansch verdween:

Is 't blanke Leliewit van 't zuiver hart een teekenj

Uw kleurverandering in twee-en-vijftig weeken,

Toont ons zeer leevendig en allerduidlijkst aan

AH' die verwisfeling, waar wij hier bloot voor flaan.

Maar

de Verdichtfelfchrijveren) die doorApoLLo in eene Zonnebloem

zoude veranderd zijn.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 155

Maar Rrijdbre ftad (p ) beroemd door 't flaander Damiaten ,

Wat dwaaze drift beheerschte onlangs uw onderzaaten,

Om aan een enkle bloem te fpilien zooveel geld?

Daar ftaat zij, maar wie weet, of gij haar morgen telt,

Bij all' uwe andren? of het hart niet is bedorven,

En gij haar dus verbleekt niet ziet verflenst, geftorven,

Gij die uit Latium zijt in ons land gebragt (?)>

Een' eedlen geur verfpreidt en lieflijk ons toelacht!

Al moet ge in grootheid voor de trotfche Lelie wijken,

Gijmoogtmetfrisfchergeur,fchoonmindoordringend,prijken.

Uw bol lang duurzaam in uw' eigen' landSart, maar

Hier zelden langer goed, dan voor een enkel jaar,

Toont ons de Alwijsheid, die de duurzaamheid van 't leeven

Aan iedren landaart heeft vrijmagtig ingefchreeven.

ö Naamgenoot (r) van een juweel, 6 laage bloem,

Die 't zij gij blaauw of rood of wit zijt, fteeds ten roem

Van

(p) Maar ftrijdbre fiad] Men heeft over verfcheidene jaaren,

fchatten voor één enkel Tulpje btfteed in Holland, en inzonderheid

te Haarlem.

(g) uit Latium — in ons land gebragt,] De Tuberoes.

(r) 6 Naamgenoot] De Hyacinth; zijnde er ook een edelgefteente

van dien naam. Zie over de Hyacinth - bloem zelfs eene

groote en omftandige befchrijving in het Kruidboek van DQDONJEUS,

jintw. 1649. in Folio, bladz. 334.


555 GODS GROOTHEID IN DE

Van èenen bloemhof ftrekü, door vorm, door kleur en geuren':

Laat andre bloemen 't hoofd roemzuchtig hooger beuren,

Gij zijt het echter, die nog lang na uwen dood

Een' frisfchen geur verfpreidt, en't vrolijk Oosten noodt

Om u te plukken, en, in rijk gclaaden fchepen,

Uw fchoon gekroonde punt hier landwaards in doet flcepcüi.

Koom gij ook eindelijk, klein bloempje (f), dat uw kleur

Na uwen dood behoudt, zoowel als uwen geur;

Uw kleur braveert de verw der gloênde morgcnkimmen,

Wanneer de blijde zon, verdrijvende al de fchimmen

Van eenen vaalen nacht, ons met een' lach begroet:

Gij wacht uw Rerfüur af, getroost en wélgemoed;

Waarom de dood ook nooit uw kleur kan doen verbleeken*

Hoe zeer het hoog gebloemtc uw laagte een fchande reeken:

Uw zweetkracht die uit ons de ziekten vaak verdrijft,

Heeft u in 't bloemenchoor voorlang reeds ingelijfd.

Maarlief u op, mijn oog: zie daar de Bloem der bloemen^)!

Die mag op hoogen Ram en frisfche bloesfems roemen.

CO klein bloempje] Crocus of Saffraanbloem.

Qt) Bloem der bloemen,] De Alo'é, zijnde een Plant van zonderlinge

hoedanigheden : doch thans is dezelve vrij algemeen

bekend-, en men heeft al verfebeidene Aloë's hier te land zisn

bloeien.

Zij


SCHOONHEDEN DER NATUUR. VierdeGezang. 257

Zij fchijnt een wonder del* Natuur in 't bloeiend rijk:

Wel vijftig voeten hoog Relt zij haar kruin ten prijk.

Dikbladig, puntig lof, de wortel uwer planten

Verftrekt een artfenij, voorlang j, aan alle kanten

Van 't weercldrond beroemd, zoo door zijn deugd als frriaak.

Helaas! dat ge ons niet meêr vergunt het fchoon vermaak

Van uwe bloesfems, en maar ééns in honderd jaaren

Uw krachten tot een bloem te famen wilt vergaêrenl

Uw fchoonheid is te raar en al te kort van duur;

Maar wie heeft ooit bepaald de werking der Natuur?

Wat kunst, wanneer gij niet meêr zijt, 6 fchoone bloemen,

Doet onzen reuk nog op uwe eedle geuren roemen,

En fchenkt ons Thijm, Jasmijn, Rooze- en Oranjegeur!

De bladers van 't gebloemte eertijds zoo fchoon van klem>

In eenig koöpren vat geflooten, en door 't flooken

Van een geftadig vuur, 't welk langzaam haar deed kooken»

Geheel te faam verteerd, vervliegen in een lucht.

De vloeibre geesten aan het koökfel nü ontvlugt,

En door den pot, waarin zij waren fluks ontvangen.

Zijn aan de kerkerdeur, die gloeide, blijven hangen;

Niet anders daalen fijn verdunde vogten zelv'

Bij druppen neder van het koperen gewelf,

R

Ërj


2 5S GODS GROOTHEID IN DE

En vormen in haar hol geestvolle balfembeeken

Die onze zinnen met een fcherpe prikkling fteeken,

Die of verwakkren, of verwekken in den mensch.

Regeer, ö frisch gebloemte, en, dat u naar mijn' wensch

Steeds hulde moogen biên het fmaaken en het rieken!

Breng ons de jeugd van 't jaar op aangenaame wieken

Des vluggen Zuidenwinds! verftrek der hoven praal!

Verfier de velden! Strek, door uw volfchoon geftraal,

Tot een voltooijing van het fierfel aller Schoonen!

Die gunst moet gij vooral aan herderinnen toonen:

Haarfchijnt gij eigen; meêr, dan aan den Reedfchen Roet.

Van ouds heeft Romen (w) u met feestgezang begroet,

Ja met een eerefpel, uw rijk, vol zegeningen,

En uwen roem gevierd met dansferij en zingen:

Men noemde u Flora en verhief u tot Godin:

U eert uit eene zucht en zonderlinge min

Het weitsch Touïouze (V) nog, met wijdberoemde fpelcn;

Die prikkels van 't verftand, die bloeiende tooneelen

Voor

(u~) Van ouds heeft Romen"} De Romeinen hebben in 't Jaar van

Romen 512, een Feest van 6 dagen aan, F L o R A toegewijd ; Zie

O v 1 D 1 u s Feestdagen, V'de Boek.

(v) Het weitsch Toukuze"] Te 'Toukuze is in 't ;a3r 1323,

door


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. z$ 9

Voor 't letterkarnpgevecht van elk' doorluchten geest!

Men dingt naar prijzen op dat loffelijke Feest:

Elk, die uitmuntend is in Lier- en Veldgezangen

Of kunftig onrijm, mag tot eenen prijs ontvangen.

Het jaarelijks opnieuw herbooren kunstgefchenk:

Wel waardig, dat men van zijn' oorfprong iets gedenk 5 .

Gij, tweede Sappho, de eer der Griekfche Liergedichten,

Clementia, gij hebt uw' naam in 's Lands Gefchichten

Vereeuwigd, als die eerst die Spélen hebt gevest,

Dat heerlijk oeffenfchool der kunst, in 't Fransch gewest.

Waar ben ik? ó Natuur, gij houdt mij opgetoogen!

Wat zie ik hier een reeks van wondren voor mijn oogen!

Hier wordt mijn aandacht bij het keükenmoes bepaald;

Hetzij de kunst daar meêr of minder nuts uithaalt,

In alles is nochtans iets heilzaams opgewonden:

De Schepper fchiep dit niet alleen voor graage monden,

Maar ook tot artfenij, die 't menfchelijk gefiacht

Daaruit kan trekken, fchoon 't het fomtijds Weinig acht.

Bloedzüivrend

door Juffrouw CLEMENTIA Is A UR A , ook een feest van Flora

opgericht: RONZARD, één der voornaamfte Franfche Dichteren

ftelde er roem in, een' prijs daaruit te hebben wechgedraagen.

R 2


2ó"o GODS GROOTHEID ÏN DE

Bloedzüivrend kervelmoes, gij koomt de Lente ons brengen:

Verfrisfchende falaad', 'k zal u met olie mengen

En tintlenden azijn, en noodig dan, mijn' mond

Op uwen fmaak, die mij zoo frisch is als gezond*

En gij, 6 vaste bol, ö Koning der falade,

Gij ftaat mij bij, wanneer de Zon haar ongenade

Mij doet beproeven in een gloênde zomerlucht;

Schoon ge onze maag te zeer verkoelt, ó gulde vrucht,

Komkommers, 'k zal in u die koelkracht wat verdooven

' Met koningskruid, dragon, en wat mij mijne hoven

Meêr leevren van dat foort, — U prijs ik, zoete peen;

Hoe zeer uw groene loof aan ons onfmaaklijk fcheen,

Gij houdt uw lekkre vrucht in 's aardrijks fchoot verborgen.

De roode Wortel (V) fpreidt door 't bloed mij daaglijks zorgen,

En brengt mij fchimmen in den nacht voor mijn gezicht;

Maar 'k weet zijn tegengift, dat hem die kracht heel ligt

Door aangenaame zuurte en drijving doet verliezen.

En gij, ö groenten, die 'k voor lekkernij moet kiezen!

6 Frisfche peulen, gij voldoet aan onzen fmaak:

Uw erwten geeven aan 't gehemelt' zoet vermaak:

Gij

f » node wortel} Beetwortels «f Karooten.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. FierdeGezdng. %6i

Gij zijt zeer lieffeiijk, begaafd met voênde krachten;

Wie zoude u nevens mij dan niet prijswaardig achten?

ö Gij beroemde boon, naar eene Stad genoemd,

Die door het weereldrond in krijgsmagt was geroemd!

Uw voedzaame aart en fmaak verzaaden mond en maagen.

En tot u wil ik ook' bijzondere achting draagen,

Hetzij gij groen, 't zij gij bewaard, in duurzaam zout,"

Op mijne tafel wordt, ö turkfche boon, befchouwd.

ö Donkergroene blaên, die 's winters ook wilt groeien*

En onze fpijzen doet van geuren overvloeien.,

o Peterfelie, 'k roem ook uw bijzondre kracht.

Beroemde koolplant, aan de Hoven, minst geacht,

Mijn Zangfter wil ook u bij 't edel moeskruid tellen,

En geenszins in den rang van 't allerminfte Rellen,

Bijzonder als gij ons een bloemfestoen vertoont,

Of door een wonder rood wordt heerlijk opgefchoond.

Stêendrijver, Rammelas! uw kracht kan elk verbaazen

y

Uw tintelende fmaak doet ieder op u aazen.

En gij, ö postelein, alömm' bekend met lof;

Uw zerpte maakt , u tot een pronkmoes in mijn' hof.

Dan, och wat gloênde zón! hier moet verfrisfehing weezen;

'k Heb die aardbeziën van haaren fteel geleezen:

R 2

Zij


s6t

GODS GROOTHEID IN DE

Zij nopden niet alleen het oog maar ook den mond.

6 Frisfche vrucht, gij zijt verkwikkend en gezond! —•

Doch, wilde ik all' de vrucht van deezen moeshof noemen,

Of, aller kruiden kracht en wondre werking roemen:

'k Ging buiten mijn bcftek, dat te eng is en bepaald.

* * * * *

Maar welk een Lusthof is 't, die heden 't meeste praalt ?

Het is Verfailles Tuin, dat pronkftuk der fieraaden,

Waarin zich 't keurig oog ten vollen kan verzaaden.

Zing op nu, Zangeres, van dit vermaaklijk fchoon,

En ftel 't merkwaardigst hier, zoo 't mooglijk is (Y), tentoon.

Hoe vorstelijk een laan, voorwaar een' Koning waardig!

Die wederzijdfche heg van hooge dennen, aardig

En naar de beste kunst gefchooren op de maat,

Vertoont zich, als men van 't Paleis daarheenen gaat.

Groeit, hooge dreeven, groeit! houdt lang de keurige oogen

Des Franfchen Troonvorst door uw fchoonheid opgetoogen.

Ginds

(x) zoo 't mooglijk w,] Met recht zegt men hier, zoo't mooglijk

is. Wart om naar waarheid en eenigzins naar waardije, de fchoonheid

van dien allen erruKkendften hof van Verfailles te befchrijven,

zoude men een volkoomen tuinkundige en rechte kenner der

Beeidb' uwkunst, en oer Waterleidkunde moeten zijn : lk, die 't

geluk geha>i heb, dien Lusthof met e gene oogen te aanfchouwen>

doe hst alleen naar waarheid mijner kennisfe.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 263

Ginds koomt de Koning zelf: hoe draaft en briescht vol moeds,

't Driedubbeld hengstgefpan voor zijne hooffche koets!

Maar, brecde laan (y), ik zie in u de koets zich zwaaien,

En met al dat gefpan, zoo groot van omkring, draaien,

ö Koninglijke laan, uw ruimte en heerlijkheid,

Verbeelden ons de pracht der Franfche MajeReit.

Hier praalt de Beeldhouwkunst der grootfte Fidiasfen;

Pronkftukken (z), die het oog door de eêlfte kunst verraslèn.

De grootfte Meesters die Natuur ons immer fchonk ,

Befteedden alleszins hun kunst aan deezen pronk:

Niets mangelt hier, dan fpraak: elk beeld fchijnt als te leeven.

Maar wat befchouwt mijn oog aan 't einde deezerdreevenl

Het

(3O Maar, hreede laan, ] Deeze laan is ten minften 80 & TOO

voeten breed, en wel omtrent 2000 voeten lang, als hebbende

twee breede rijpaden voor de koetfen om nevens eikanderen te

rijden, en nog aan iedere zijde zeer ruime voetpaden, voor de

wandelaars.

(3) Pronkftukken,~] Die heerlijke laan heeft tusfchen de koetswegen

en de wandelpaden aan iedere zijde eene reeks van overtreffelijke

beelden; alle, leevensgrootte, en op fraai gemaakte

pedeftallen : zijnde sllegaêr meeftciftukken, door de grootfte

Kunftenaaren in 't fierlijkst marmer uitgehouwen , en verbeeldende

de merkwaardigfte zinrijke zaaken der aaloudheid, wel

omtrent ten getale van 2 a 300.

R 4


264 GODS GROOTHEID IN DE

Het is het groot kanaal, in 't klein een Oceaan (a),

Hier vlot een Oorlogfchip met zijn ontwonden vaan,

Met losfe wimpels en wijdüitgebreide vlerken;

Niet anders, dan of 't, in zijn vaart niet te beperken,

Terftond gereed ware om te vliegen in den ftrijd.

ö Schoone laanen, die het oog zoo grootsch verblijdt:

Elk uwer pronkt aan 't eind met fchoone watervallen:

Met kunstfonteinen, die in hoogte, muuren, wallen,

En zelfs kafteelen, grootsch braveeren door hunn' fprong (b).

Hier treurt Latona, daar Ovidius van zong,

En fchiethaar klagten naar den hemel door haar ftraalen (


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 265

De boeren zijn rondom de kom; daar ze om de pijn,

Die zij haar aandeên, nu geheel herfchapen zijn

ln groen moeras- gefpuis en vuile moddervorfchen.

Zie een' Saturnus hier zijne eigen kinders torsfchen,

Ja, zelfs gelijk ontaart, ten hollen balg inflaan (d).

Wat verder zien we weêr de blonde Ceres Raan,

Daarzij den fchaakervloekt,enwraak vraagt van denhemel(e).

Schoon vuile Bachus met zijn dronkemans gewemel

Aan

van die hoogte, als even te vooren gemeld is; en verbeeldt de

om hulp roepende wraak eener deftige vrouw, haare zuchtingsn

hemel waards verheffende, over de harde weigering der landlieden,

die haar geen water vergunden, om den bitteren dorst te

lesfchen; en welke boeren daarom hier als kikvorfchen voor hun

wanbedrijf, zijn ten toon gefteld.

(d) ten hollen balg in/laan.] Een Fontein, verbeeldende de ijdelc

angstvalligheid: Want SATURNUS vermoordde, gelijk lange ni

dien tijd HERODES , die wreede Koning van Judaa, zijne kinders

, uit vreeze voor een' waarden opvolger; hetwelk hun beiden

echter is mislukt, naardien SATURNUS, niet tegenftaande alle

zijne waakzaamheid, echter JUT r TER tot een' opvolger zag, die

hem verdelgde : insgelijks HER ODES heeft zich door zijne wreede

Bethlehemietifche kindermoord in al zijn doen te leur gefteld, en

ten ondergang gaande, bevonden.

(\e) van den hemel] CERES, Koningin van Siciliën , vermaard

door haare onderrichtingen in koorn, Landbouwkunde, en

bijgevolg in bepaaling en affcheidingen der landerijen: hierom is

haar een Fontein van rechtmaatige bezittingen opgericht, als haatende

zij alle ontrooving en veelmeer nog ontfchaaking eenes

anders bezitting.

R 5


266 GODS GROOTHEID IN DB

Aan 'ü nuchter oog mishaagt, hij wint toch ieders gunst;

Niet om zijn daaden, maar de fchoone beeldhouwkunst (ƒ).

Hier praalt vrouw Flora met haar fchoone bloemlivreien;

't Schijnt zij haar' geilen togt zoo kunftig wil befchreien,

Dat zij uit ons gezicht de zilte traanen perst (g).

Daar wordt het greetig oog weêr door 't gezicht ververscht

Van eenen Perfeus, daar hij, met den Draak aan 't vechten,

Zelfs voor Andromeda veel wondren uit durft rechten (h).

Ginds neemt Apollo van het wonder Python wraak,

En velt met forfchen arm den zoo gevreesden Draak («')....

Maar'kzwijg: mij n oogverd waalt: zoude ik hier alles noemen?

6 Pronkfonteinen, die op de eêlfte kunst kunt roemen,

Alle

(ƒ) beeldhouwkunst.] Door de verbeelding deezer Fontein,

maalt de kunftige Beeldhouwkunde 't verval van 'smenfchen neiging

af; om ons te leeren , hoe de wijn een /potter en de fterke drank

woeltichtig is, en dat alle, die er in dwaalon, niet wijs zullen zijn.

(g) zilte traanen perst.] Natuurlijke afbeelding der droevige

gevolgen van den wellust, ter waarfeftouwing van alle Flora 's

kinderen.

(h) uit durft rechten.] Een Fontein, kunftig opgericht, ter verbeelding

. hoe rechtmaatige dapperheid de deugd befchermt.

CO gevreesden Draak;] Een Fontein, opgericht ter verbeelding

hoe altoos deugd de ondeugd overwint.


SCHOONHEDENDER NATUUR. Vierde Gezang. 267

Alle uw' verfcheidenheid en wonderhoog op bojg

Verrukken van rondom mijn gansch verwonderd oog.

Hier rijst de kunst in top: hier zien wij niets ontbreeken:

In alles fpeelen hier de grootfte meesterRreeken.

De weereld ftortte hier haar kunstgeheimen uit (fc);

Terwijl er niets ontbreekt, dan 't leevend ftemgeluid.

Maar hoe! waar ben ik nu? 'k zie gloênde fchittervonken

In uw gekrulde lokk', ö blonde Febus, pronken,

Waar gjj het viergefpan uws zonnewagens drenkt.

Is dit een meesterftuk, hetgeen de kunst ons fchenkt?

Neen 't is Apollo zelf, en deez' zijn wis zijn rosfen;

Zij drinken uit de kom, bedekt met lis en mosfen;

De brandende adem vliegt nog uit elks heete keel (/).

Ik dwaal: 't is marmer! maar volkunflig in elk deel.

Gewis:

(fc) kunstgtheimenuit;~\ In alle deeze, en in ieder afzonderlijk,

derbeeldhouwkundige marmeren vertooningen hier vooren gemeld,

ftraalt zoodanig 't boog vernuft der Werkmeesteren daarvan uit,

dat er in gansch Europa de weêrga niet word: van gevonden.

Want ieder beeld van 't getal der honderden, die alle deeze uitmaaken,

hebben den Koning van Franhijk, niet alleen duizend

guldens voor ieder beeld; maar daarenboven jaarlijkfche penfioenen

of liiftogten van tweeduizend guldens, 'c leeven lang, van

ieder' Kunftenaar, gekost.

(f) heetekeel.] Daar is een groot en lïerlijk groen Prieel, genaamd

Les bains d'Apollon of de Baden van Apollo, alwaar mede in Jee vensgrootte


S68

GODS GROOTHEID IN DE

Gewis: wij zien de kunst haar zelv' hier overtreffen.

Dan 't lust mij het gezicht befpieglende opteheffen

Naar deezen doolhof, die gansch overheerlijk prijkt,

En deftig Rap op Rap is door de kunst verrijkt

Met watervallen en met kristallijne bronnen;

'

All', wat uw vrije flaaf, Augustus! heeft verzonnen (m),

En leerzaam afgefchetst door zijn verdichtfeltaal,

Wordt hier op 't fierelijkst als in een ruime zaal

Aan

grootte verbeeld wordt, hoe de vier Zonnepaarden , hijgende

naar hunnen adem , door APOLLO ter waterdrenking worden

geleid: een grouppe zoo magtig groot en kunstrijk uitgehouwen,

dat zij voor de oogen aller aanfchouweren verrukkende is.

(m) heeft verzonnen,] Men ziet er een kloek fhik gronds, daan

verfcheidene dreeven doolhofswijze op gemaakt zijn-, en 't welk

daarom door de Franfchen genoemd wordt: Le Labyrinthe des

Verfailles: of de Doolhof van Verfailles. 't Behelst en vertoont

aan deszelfs befchouweren de werkzaamheid der dieren , volgens

de leerzaame verdichtfelen van JEzoros; naderhand

door PHJEDRUS, vrijgemaakten flaaf van Keizer AUGUSTUS,

in fraaie jambifche Vaarzen overgebragt: Zijnde in ieder der omkeeringen

van dien Doolhof eenige der verdichtfelen van dien

fchranderen en leerzaamen Dichter op 't allerkunstrijkst, fierlijk en

naauwkeurig als naar 't leeven vertoond; gelijk dit ons Gezang,

wegens den Hond en de Eenden daarvan gewag maakt: als geevende

de Eenden, een klaar roepend geluid van kwaak, kwaak,

kwaak; en de Hond van achteren aan, flaat het geluid van baf, baf\

baf.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 269

Aan ons gezicht vertoond, en afgefchetst naar 't leeven.

Hoe fraai zwemt daar 't gewoel der Eenden, voortgedreeven

Door 't forsch geblaf des Honds, die haar vervolgt en jaagt!

Het bange heir, door hem van alle kant belaagd,

Ontzwemt, al kwaakend, aan de dreigende gevaaren.

Nu lust het mij vannieuws, op wonderheên te ftaaren:

Hier pronkt de vruchtboom, op het fierelijkst geleid:

D&r alle vreemde plant, die frisfchen geur verfpreidt;

Ginds de edelRe artfenij en nutte kruiderijen (»).

MaarwelkeenSchouwburgkoomt hier mijngezichtverblijên?

Hij gaat fchuins op, en Rort weerzijds zijn waters uit,

Die nederftroomen met een aangenaam geluid,

En, van den hoogften top als watervallen vlieten

En hunne golfjes door een rij geboomten fchieten,

Met fijne Rraaltjes, die ontelbaar in getal,

Zooveele kinders zijn van éénen waterval (0).

Maar

(n) nutte kruiderijen.] Zijnde de Vrucht- en Moestuin gedeelten

van den grooten hof van Verfailles.

(o) waterval] Dit is.'t welk men noemt: LcThcatre des eaux, zijnde

een ganschhoogöpgaande lengte, van welker top, regelmaatige watervallen,

gelijk als van kristal nederftortenen behalven dit, zoo

koomen van tusfchen de menigvuldige geboomten, wederzijds

daar-


zjo

GODS GROOTHEID IN DE

Maarwatbekoorlijkpleinpronkthierzoogrootschvoord'oogen?'

Dit is het groot Tooneel, waarop het kunstvermoogen

Van 't edelst rijk vernuft der fchrandre Blijfpelkunst

Zich door Molière drong in 's Konings hooge gunst.

Hier wist die groote man de feilen te berispen,

En, fchertfend, het gebrek der tijden zoo te gispen.

Dat hij het ganfche volk en zelfs den Vorst voldeed.

Van de aangewende vlijt, daaraan met lust befteed,

Zichzelv' bedankend', onderwijl dat hij den Koning,

En all' de aanfchouwers van zijn geeftige vertooning ,•

Op 't frisfche bloemgewas en groene zooden zag

Ter neêr gezeten, en met een vernoegd gelach,

Op 'tmalfche klaverbed, bezoomd met keur van bloemen,

Door hen de gaaven van zijn' kunstgeest hoorde roemen.

Dit was het Schouwtooneel (j>), waarop dat groot Verftand

Zijn kunst vertoond heeft aan de grootften van het land;

Zelfs aan den Troonvorst en de Prinfen van den bloede.

Dan, van deez' wandeling wordt mij het lichaam moede:

't Lust

daarnevens geplant, honderden van fijn ftraalende Fonteinen, de

één tegen de ander fchietende , 't welk alles ten minften als de Zon

fchijnt, zoodanig eene glansrijke verr.ooning door alle die waterftiaaien

maakt, als men nergens anders vinden kan.

(p) Schouwtooneel,] Dit is een prachtig groot rond Plein, ;

bevallende langs den uitftrek zijner rondheid gazesnen, of klay.r

en


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. i 7 i

*t Lust mij te rusten bij dit wachthuis van den Vorst,

Daar een bediende Raat, die mij den heeten dorst

Door 't eêlfte fap der vrucht des wijnRoks wil verdrijven.

Maar zou hij fchuldenaar aan mijnen honger blijven?

6 Neen! men leeft hier mild: hij brengt aan mij tot fpijz',

Salade en moeskruid, met een Ruk gebraaden vleisch.

Ik zal, bewaarder, 'k zal u mijnen dank bewijzen,

En niet alleen den hof, maar ook uw gulheid prijzen.

Dit doet het hart recht deugd! Wacht ook voor dit onthaal,

Dat u mijn mond bedank', mijn milde hand betaal'

ö Gij zoo zeer beroemde Alcinouaanfche hoven,

En gij (r), die eertijds hongt in 't luchtig zwerk hier boven,

Om

en bloemgras aarden bedden ofzitplaatfen, de ééne boven de andere

opgemaakt en verfierd: In het midden van welk Plein de groote

MOLIÈRE, met zijne A&eurs, zijne zinrijke I'ooneelftukken, ter

berispingder wanbedrijven van'tmenfchelijkgedacht, den Koning

en allen zijnen hovelingen opzongen, en voor oogen Helden.

(5) hand betaal',] Hier en daar vindt men in deezen allerprachtigften

hof van Verfailles koninglijke bedienden , als wachters

van dien hof gefteld, hebuende ieder van hen een klein gemakkelijk

huis, rondom door 't groen van lommerrijke geboomten bedekt,

alwaar een iegelijk reiziger moede zijnde van de wandeling zich

kan begeeven, om beleefdelijk met goede fpijze en drank onthaald

te worden ; mits ook voor zulk een goed genot beleefdelijk

betaalende, zonder naar eenigen prijs te vraagen.

(r) En gij,] Onder de zeven wonderen der weereld, telt

men de hoven van de Koninginne SEMIKAMIS te Babyion:

Men


S72 GODS GROOTHEID IN DE

Óm wien te zien, de mensch verachtte hinderpaal,

Gevaar en woênde zee: gij moogt niet met uw praal,

Bij deezen Schouwburg, zoo volfchoon j gereekend worden;

Gij hebt min 't oog verheugd met al uw pracht en ordenS

Wijkt voor de hoven van den grooten Lodewijk.

't Zal u geen oneer zijn: die trotfche hoven, rijk

En even moedig op de fchoone wonderzaaken,

Die> dagelijks daarin gebooren, 't oog vermaaken,

Zijn nog vrij moediger, wanneer zij op hunn' Heer

En Meefterde oogen flaan; dien Koning vol van eer'!—-

Kan 't oog zich ook voldoen in uwe wandeldreeven,

t Heerlijk Zorgvliet (j), waar de vreugd en blijdfchap leeven ?

Hier

Men ziet daar eene heerlijke befchrijving van , in het Me Boek

van HERODOI US, in 't tweede van DiQDORUsden Siciliaan,

en in 't derde Boek van STKABO. — QUINTUS CURTIUS

zegt, niet zonder oordeel, dat er onder hetgeen door de Griekfche

Schrijveren van die zoo befaamde hoven gemeld wordt,

veel

Verdichtfeltaal influipt : Zijnde het niet Waarfchijnlijk , dat

in eenen tijd zoo kort na den Zondvloed, ( want

SEMIRAMIS

heeft omtrent geregeerd in het jaar der weereld 1850) die fmaak

van prachtige Lusthoven al in gebruik zou zijn geweest.

(O Zorgvliet.] De Lustplaats welke deezen naam draagt, is door

den Ridder JAKOB CATS gefticht, en zeer fraai aangelegd, met duizend

bevalligheden verfierd; en het bevallig fierlijk huis, fchoon laag

van gebouw, met zinnebeeldige en niet min kostbaars dan konftiga

Schilderijen


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Fierdt Gezang. 27!

Hier ziet gij van nabij het Scheveninger duin:

D5£r 't oud en Prinslijk Delft van uw verheven kruin $

En ginds veel nader nog de aaloude Haag der Graaven,

Dat heerlijk Landjuweel, vol fchoone wondergaaven I

6 LofJijk Zorgvliet, daar de bange zorgen vliên,

Wie bleef ooit onvoldaan van uwe pracht te zien ?

Hier heeft de kunsthand met ftamboompjes u befchonken,

Waarin om ftrijd de vrucht en eedle fchoonheid pronken t

DaaV praalt de boomgaard, net gefnoeid en vol van vrucht}

Ginds fchep ik dóór de laan een frisfche waterlucht,

Aan groene boorden van een' karperrijken vijver,

Gedolven dwars door 't duin met onvermoeiden ijver.

Die fchoone leiboom biedt mij fijne vruchten aan.

Wat frisfche fchaduw geeft die fraai geboogen laan!

Hier kan geen zon doorheen: dienfiagboom moet zij eeren.

Wat net gefchooren haag! wie kan die kunst waardeeren ?

Wat vorftelijke pracht van trotfche fchilderpraal!

Al ware een godloos hart van 't allerhardfte ftaal)

't Moest hier, uit beeld op beeld, de beste deugden kennen,

Die leeren minnen, en zich zelv' daaraan gewennen.

Hier

Schilderijen treffelijk verfierd: doch die over eenige jaaren zijn

wechgenoomen. Het is gelegen aan de linkerzijde van den weg uit

's Graavcnhaage naar Schtveningen.

$


2 7

+ GODS GROOTHEID IN DE

Hier leert hem prent op prent het weereldsch wuft beloop,

En dat voor deugd alleen de lauwer is te koop.

Ginds hoor ik 't pluimgedierte en honderd Nachtegaaien,

Hunn' grooten Landheer op hun boschmuzijk onthaalen.

Hier woont de blijdfehap in een ongeftoorde rust;

En Zorgvliet is, gelijk zijn Landheer, ieders lust.

Hier deed de kas geen goud, de tijd geen reeks van jaaren,

De kunst geen fikfe hand, de vlijt geen moeite fpaaren:

Min fier op Romulus was Romen's hooge kruin,

Dan Zorgvliet op zijn Cats, in 't midden van het duin.

Gij Bosfchen, Bergen, gij, ö Vlaktens en ö Velden,

Vertoont mij fchoonheên, die mijn Zangfter niet kan melden:

Een' wonderbaaren hoop van fchatten, die gij fchenkt,

Veelmeer verfcheiden, dan de beste kenner denkt.

Hier ziet men kruiden, om den welftand te bewaaren;

Daïir, om de krachten ons te fterken en te gaêren:

Ginds 't aangenaamfte kruid en geurgfte fpecerij;

Nu weder keukenmoes en groentens aan haar zij'.

Dan bloemen, die door kleur op kleur het veldfchakeeren, 1

Verfieren, eii geen' lof bij 't menschdom ooit ontbeeren;

Weilanden eindelijk, van 't vee zoo zeer bemind,

Daar 't hoorn- en wollig vee zijn noodig voedfel vindt.

Het


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 27$

Het ganfche weereldrond is vol verfcheidenheden;

Het is een wonderperk, 't geen zelfs verflomt de Reden.

In alle foort van bloem, van plant, van kruid, van vrucht.

Van 't zelfde zaad geteeld en in dezelfde lucht,

Is geen gelijkheid juist gelijk in alle deelen;

Een ongelijkheid zal daar altoos fraai in fpeelen.

Twee fpruiten voörtgeteeld uit éénen zelfden ftam,

Gij gaaft aan 't oog, 't geen u in rechte aanmerking nam,

Geen twee in alles juist elkaêr gelijke blaêren.

't Gelaat der aarde, en wat wij daarop zien vergaêren,

Is een groot fchouwburg en een allerrijkst tafreel,

Waarop de beelden, die te famen het geheel

Uitmaaken, zijn geplaatst in veelerlei manieren,

Verfcheiden; maar met veel beminnelijke zwieren:

All' wat wij daarin zien, all' die lichaamlijkheén,

En mensch, en dieren, zijn verfchillende ondereen,

Zoowel in hun geftalte, als in all' hunne trekken:

Met alles wat Gij, ö Alwijsheid, vrij van vlekken,

En zonder een patroon, fchiept naar uw hoog befluit.

Put Gij de oneindigheid van uwen fchat niet uit.

Gij laat aan 'tMenschdom, als een zaak min hemelaartig

En veel te laag voor U, ja als geheel onwaardig

S a

Aan


2 ?5 GODS GROOTHEID IN DS

Aan al den luifter van uw hooge majefteit,

Te zoeken in hun werk die fchraale eenvormigheid.

Bij U heeft niets een einde, en 't zijn de oneindigheden

Van .uwe alwijsheid, waard voor eeuwig aangebeden ,

Die met de onmeetbaarheên gelijk zijn Uwer magt,

In al uw. Werken en hun trekken, loop en kracht,

En hun verfcheidenheid: hoe groot zijn Heer uw Werken!

Oneindig, goed, volmaakt! uw magt kent paal noch perken.

'k Zie onder al den hoop van wortel, kruid en plant,

Die ons de kracht verfterkt en kwaade vogt verbant,-

Of onze welvaart hoedt, en, door wiens eigenfchappen

En heilaanbrengend fap, wij langs verfcheiden trappen

Vaak wederkoomen uit de poorten van den dood,

Een eedle boomfchors, ons gebooren uit den fchoot

Van 't vérgelegen land (f)> h i e r t o t o n s overkoomen.

Mijn bloed door een gemoedsbeweeging fel aan't ftroomen,

Vloeit

(t) Van't vérgelegen land, ] Het is de fchors van zekere boomen,

die in Peru wasfen In't jaar 1640 is dezelve in Frankrijk allereerst

overgebragt: en aldaar heel behulpzaam zijnde bevonden, bragt de

beroemde Arts Sydenhamdezelve in Engeland in gebruik, met goed

gevolg; gelijk dezelve Ook kort daarna door gansch Europa bekend

werd , en ook thans hier te lande veel wordt aangewend, met

gewenschte vrucht.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 277

Vloeit als een loopend vuur door alle de aders heen;

Een huivring volgt dien gloed, en de overhandfche fchreên

Zijn beide dienstbaar aan geftaêge weêrkoomst-wetten.

Men roept die fchors ter hulp , die 't voortgaan zal beletten:

De nuttige Artfenij zweert flraks op 't woord van eer'

Der koorts den dood, en fchenkt aan mij het leeven weêr.

Mijn ganfche lichaam ftaat nu bloot voor fterke fmarten,

De kwaal durft alle kunst te hulp geroepen, tarten.

Men zoekt vergeefs de gunst van eenen zachten flaap,

Nu heilzaam: maar hij vliedt me als een zeer bloode knaap.

Ik zie een groote reeks affchuwlijke tooneelen,

Dat kroost der raazernij, hier voor mijne oogen fpeelen.

Een wortel die verfterkt, heeft tot mijn hulp de magt.

De kunst van Homberg (u) doet vermeerdren zijne kracht,

't Slaapwekkend drankje ftilt mijn doodelijke kwaaien,

De flaapbol doet de rust ftraks in mijne oogen daalen;

Die ijdle inbeeldingen verdwijnen fluks van mij,

En ik bekoom geftild, uit wilde raazernij, -

Gij, die rechtvaardig, kwaal en Artfenij kunt geeven,

En daardoor zjjt, 6 Heer, behouder van ons leeven,

00 Homberg] Een der grootfte Scheikundigen in Europa,

geftorven in den jaare 1715.

S 3

Uw


s 78

GODS GROOTHEID IN DE

Uw wijsheid heeft dan aan een werkzaamheid, die ligt,

Ja zelfs verachtlijk fchijnt, betrouwt dien grooten pligt,

Van onze jaaren door haar krachten uitterekken:

Gij, veel te groot, hoe wij den geest op moogen wekken,

Dan dat wij uwe kracht begrijpen immermeer,

Doet in die zwakheid zelfs uitblinken kracht en eer.—

* * * * *

Maar welke zijn in 't veld die geele en dunne ftammen,

Die, door den Zuidenwind bewoogen, zachtjes vlammen

En bogtig golven, als een gouden Oceaan?

Dien ondoordringbren wal, dat piekbosch zien wij ftaan

Rondom de korenair, befchermd als wapentuinen.

'k Zie onder 't zwaar gewigt hen buigen hunne kruinen;

2

kZie hen zich krommend' het geweld des Rorms ontvliên;

o Kostbre Tarw, zoude ik aanu geen hulde biên?

Zoude ik ondankbaar zijn? Neen, gij zijt waard gepreezen,

Geen voedfel kan, als gij, den mensch zoo zuiver weezen;

Voor u wijkt (v) alle graan en plant in overvloed.

Zelfs honderd jaaren lang blijft uwe kracht nog goed;

En

O) Vost u wijkt] PLINIUS zegt ons, in zijn XVIII Boek

faet 10 Hoofddeel, dat in eene ftreek van Afrika één mudde graans

gezaaid zijnde, honderdvijftig mudden voortbragt : Hij voegt

daarbij, dat ia Bentiin en Egypten een enkcld grein dikwijls honderd


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 579

En zulk een tijd doet uw beRaan u niet verliezen.

Zelfs zoude een kenner, u wel boven 't nieuwe kiezen;

Want uw doorvoedend graan, veel jaaren lang (w) bewaard,

Is nutter voor 't gebruik, waartoe het is gefpaard.

Een moolen, dien de wind of 't water kan beweegea,

Verbrijzelt u, en brengt, het menschdom tot een' zegen,

U tot witachtig ftof: tot U een werkzaamheid

Een' trouwen bijftand door zijn gistingen bereidt,

En

derd airen gaf. En over dit onderwe»p doet hij ons vernuftig opmerken

de oplettendheid der Natuur, of liever der Voorzienigheid,

welke gewild heeft dat van alle graanen, datgeen, 't welk zonderling

gefchikt is tot voedfel van den Mensch, het allervruchtbaarfte

en overvloedigfte zoude zijn.

(w) veel jaaren lang"] Degeleerde Romein, VARRO, zegt, in

zijne Verhandeling over het Buitenleeven, I Boek 5 Hoofdftuk,

dat de Tarw vijftig jaaren lang goed blijft, als dezelve nog in de

«Ir zijnde, in de aarde gekuild, en wel met ftroo bedekt wordt,

en dus bewaard is tegen vogt en toegang der lucht. Men leest in

de Memoires de V Academie des Sciences, van het jasr 1708, bladz 63,

dat in't jaar 1707, in het Kafteel van Metz gevonden was, een

onderaardsch hol, en daarin een groote hoop van Tarw, met een

Gedcnkfchrift daarbij liggende, aantoonende, hoe die graanen in

't jaar 1578, onder de regeering van HENDRIK den Derden,

aldaar waren gelegd. Die Tarw was nog zoo frisch, als of ze maar

pas een jaar te vooren was ingezameld: Het brood daarvan gebakken

, en aan den Koning en zijn hofgezin aangebooden, is volmaakt

goed bevonden: dienvolgens was dit graan'130 jaaren goed gepleeven.

S 4


»8o GODS GROOTHEID IN DE

En aan het rijzen helpt: dus moet gij 't voedfel weezen,

\ Weikin ons ingelijfd, doet voor geen' honger vreezen.

Hef uwe kruin vrij op, ö Mocha, fchoone Stad

Zijt moedig, dat uw veld teelt eenen rijken fchat

Van overal beroemde en heerelij ke graanen.

Geen winter doet den boom, waaraan zij groeien,taanen;

Maar altijd is hij blad- en bloei- en bloesfemrijk:

Qp. zijn geboorteplaats (y) wordt hij verachtelijk

Verftooten

(x) 4. Mocha, fchoone Stad! ] Mocha is een Stad in 't gelukkige

Arabiën, niet verre van den invloed der Roode- inde Arabifche Zee,

en vijftig mijlen van 't naauw van Babelmandel; en dit is de plaats

vanwaar de beste Koffieboonen koomen.

(y) Op zijn geboorteplaats] De waardij en eigenfchappen. der

Koffieboonen bleef zelfs lang onbekend, in 't rijk TCimenia Arabiën

daar ze het eerst baaren oorfprong hadden genoomen, en daar ze langen

tijd als een onnut gewas werden aangezien. Doch naderhand door

zeker toeval als nuttig bekend wordende, en welke ontdekking

door den Arts Du TOUR , in het Vierde Hoofdftuk van zijne

Verhandeling over de Koffie , befch.reeven zijnde, zoo kan de weetgierige

Leezer de omftanldige Verklaaring daaruit haaien, 't Was in

•t midden der XVde eeuw, dat men in Aden, een Zeehaven in

Jrabiën, van dit graan 't eerfte gebruik heeft gemaakt. Vandaar i*

het gebragt naar Cairo, en voorts naar Conftantinopolen , vanwaar

hef zich al verder door geheel Aziën heeft verfpreid. THEVE-

JIOT, die bekende reiziger, was de eerfte, die dit graan anuren,?

\oo jaaren geleedec, in Frankrijk heeft overgebragt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vierde Gezang. 28r

VerRooten en verguisd, als fchier den grond onwaardig:

Door overplanting is hij nog veelmeêr groeivaardig;

Omdat hij meêr en meêr zijn vrucht verbreidt daardoor :

Hij wordt alömm' vervoerd (z) langs 't ruime waterfpoor.

Maar hoe! 'k zie onder 't graan een' vuurgloed aangeRooken;

Een draaiend ijzer heeft het midden-dóórgebrooken,

In 't ftaalig kerkerhol tot een bruinachtig ftof:

Straks kookt men dit gewas, alömm' bekend met lof;

In water ingelijfd. Wat famenloop van krachten

Bevindt men in den drank! —Het bloed, voörtreflijk te achten,

Is nu meêr werkzaam en van grooter vloeibaarheid.

Terwijl 't de kooking in de maag ook toebereidt

En 't voedend fap herftelt, vrij vlugger dan voorheenen.

De doife zinnen, eerst zoo zwaar als logge Reenen,

En onzer geesten flaap wordt zachtjes opgewekt;

Omdat dees drank hun ter ontnuchtering verftrekt.

Maar

(*) Hij wordt alomm' vervoerd] De Koffie is niet alleen uit

Aziën in Europa gekoomen, maar ook tot in Afrika en Amerika

doorgedrongen : talrijke Plantagiën zijn er van opgericht, en zij

tiert in de Eilanden van Bourbon op Batavia, op Martinique, uit

hoofde van derzelver warme Luchtftreeken zeerwél : en de geboomten

worden er zoowel omtrent 40 voeten hoog en 4 a 5 duimen

dik, ja even zoo vruchtbaar als in Arabiën zelfs bevonden.

S 5


282 GODS GROOTHEID IN DE .. . .

Maar Iaat ons van 't gebruik hier eens een einde maaken,

Uit vreeze, dat misfchien onze oogen, moê van 't waaken,

Niet borgen zouden aan den flaap te lang een' tijd.

Hij is het toch, die ons met verfche kracht verblijdt.

Dus zien we (a) op't aardrijk tot ons nut de kruiden groeien,

En bloem, en graan, en vrucht: wij zien't zelfs overvloeien

Van noodig voedfel voor de fchepflen, die de magt

Des Scheppers daar heeft bij millioenen voortgebragt;

Hem zij des, alle lof en prijs en dank, gegeeven,

Voor zooveel nuttighoên tot onderhoud van 't leeven!

{a) Dus zien we] Cr CERO, fchoon maar een Heiden , echter

één der recht doordringende geesten, heeft ons ook eene zoo

fierlijke als krachtige befchrijving van al het gefchapene nagelaaten

in zijn Werk : over de natuur der Goden, in het tweede

Boek, de 3plle Afdeeling, waarop hij dit befluit Iaat volgen : „ Quat

„ fi, ut anïmis, Jic oculis videre poffemus, nemo cunüam intuens

,, terram, de divind ratione dubitaret. dat is: „ Welke dingen, bij

„ aldien wij ze gelijk met onze zielen, dus ook met onze oogen

„ konden befchouwen ; zoo zoude er niemand , het geheele

„ aardrijk wél befpiegelende, aan het Godlijk aanweezen twij-

„ felen."

I N H O U D


I N H O U D

VAN

VIJFDE

HET

GEZANG.

Waarin de Vogelen, Bloedelooze, Kruipende

en Viervoetige Dieren,

befchreeven worden.

Schepping der Vogelen, Bloedelooze, Kruipendeen Viervoetige

Gedierten. Dat de Natuur ieder foort heeft

begiftigd met eene drift of gedartheid, welke haar eigen

blijft. Uitwerking van dien ingegeeven' aart in de Dieren

in '£ algemeen. Van de Vogelen. Befchrijving van den

Arend en andere Roofvogelen. De Vigeljagt. Befchrijving

van den Paauw, de Huisduive en den Nachtegaal. Dc

zang der Vogelen was de eerfte hulde, die de Natuur aan

•den SCHEPPER heeft gedaan. Vogelen van Amerika.

Befchrijving van de Colibri, Papegaai en Condor. De

Vogels, die van lucht- en landftreeken veranderen.

Vlugt der Kraanen befchreeven. Aanmerkingen over de

zeldzaamheden, welke zich in die zwervende Vigelen

opdoen. Uitwerking der natuurkracht in de Vogelen,

Hun liefde voor hunne jongen, en hun vooruitzicht en

naarftigheid. Zeldzaamheden in de broeijing der Vogelen.

Van


284 INHOUD VAN HET VIJFDE GEZANG.

Van de Watervogelen en Nachtvogelen. Optelling van

verfcheidene Vïgelen, die allen de blijken draagen van des

SCHEPPERS magt en wijsheid. Van de Bloedelooze

Dieren. Befchrijving van de Zijwormen, Mieren en

Bijen. Verfcheidene foorten van Bloedelooze Dieren. Derzelver

Eigenfchappen. Lof van den Heer DE REAUMUR.

Befchrijving van den Polypus, de Slang, den Adder en

de Tarantula. Andere foorten van vergiftige kruipende

gedierten. Uitweiding over het natuurlijk Kwaad; en

antwoord op de tegenwerping van SPINOZA. Van de

Onzichtbaare Diertjes. Dat het te denken is, hun getal

nog menigvuldiger, dan dat der Zichtbaaren te zijn, en

dat zij dienen meerder door de oogen des verfiands, dan door

die der zinnen befchouwd te worden. De Viervoetige

Dieren. Befchrijving van den Leeuw, den Olifant, het

Paard en het Hert. Uitweiding over eene geweldige Hertenjagt.

Befchrijving van den Hond. De Veldkudden.

Hunne dienflen , met betrekking op den Mensch. De

tweeslachtige Viervoetige Dieren. Befchrijving van den

Krokodil. Opnoeming van verfcheidene foorten van

Viervoetigen. Derzelver Eigenfchappen, en werkzaamheden.

De kunst, waarmede de Beever zijn huis bouwt.

Dankzegging voor alle die ingefckapene gedartheden der

Dieren.

G O D S


GODS GROOTHEID

IN DE WONDERBAARE

SCHOONHEDEN

D E R

N A T U U R .

VTFDE

GEZANG.

^^"anneer Gods vruchtbre ftem de groote waterftroomen

En aarde en heröel uit een Niet had voort doen koomen:

Aan 't heerlijk Daglicht had geboön, van 't fterrendak

Te fpreiden zijnen glans en warmte, óp 't aardfche vlak:

Der Zee bevoolen, dat haar baaren moesten zwieren

Tot drenking van het land, en vorming der Rivieren:

De Velden had gedekt, met bloemen, gras en plant,

En met een' rijken oogst het pasgefchaapen land;

Heeft


s8ö GODS GROOTHEID in DE

•Heeft zij het aardrijk ook met onderfcheiden dieren

In overvloed bevolkt, en, om de lucht te fleren,

De Vogels voortgebragt van veelerhande foort;

Die tot aan 't eind des tijds elkandren teelen voort.

De ééne is fnel gevlerkt en doet gezwinde togten:

Een andre fleept zich voort en kruipt met veele bogten:

Een derde foort gaat, op vier pooten, zijnen weg;

Waarvan een deel bewoont woestijn en bosch en hegg',

Gehéél bloeddorstig, wreed van inborst, ruw van fmoelen,

En doet zijn aas de kracht zijns moordgebits gevoelen.

Een ander deel is met zachtmoedigheid voorzien,

't Verzelt den Mensch, die het kan leeren en gebiên:

Maar allen hebben zij, hetzij ze kruipen moeten

Of vliegen, bloedloos zijn, of gaan op tweepaar voeten,

Een ingefchapen drift, zoo heerlijk nut als net,

Die, als 't beweegrad en begin, altijd de wet

Aan hun hartstogten geeft, en hen in alle zaaken

Moet aan de wetten van haar' indruk dienstbaar maaken,

In alles is de wijze ingeeving der Natuur,

Die magt, dat innerlijk beweegrad, dat beftuur

't Welk hun een voorgevoel en leidinggeeft, doetfchikken,

Het nutfte zoeken, 'tkwaad ontdekken, daarvan fchrikken;

*t Welk


SCHOONHEDENDER NATUUR. Vijfde Gezang. 2 87

't Welk iedre foort zich doet verbinden aan haar foort;

't Welk hunne tederheid tot een voortteeling fpoort;

En in hun fmert, vermaak, het haaten en 't beminnen

Bij beurten opwekt, door de dierelijke zinnen.

Ze erkennen door die magt («) hun zwakheid, of hun kracht,

Hunn' afkeer van een, uit hun, vijandlijk geflacht:

Dien kring van poogingen, van listen, tegenlaagen,

Tot vangst van hunnen buit of rekking van hun dagen.

In het onreedlijk dier werkt deeze magt naar wensch,

't Geen Reden, als zij wordt gevolgd, werkt in den mensch.

* * * * *

't Lust mij thans in den reeks van mijne Zangtafreelen,

Uw fchier ontelbaar heir, Luchtburgers, te doen fpeelen.

Ontfiuit uw vruchtbaar veld voor 't Schouwburg, daar Natuur

Haar wonderkrachten in ten toon Relt, uur op uur!

Wie

(


I

288 GODS GROOTHEID IN DE

Wie zijt ge, 6 Vogel, die met onbezweeken oogen ,

Den fchitterenden glans der zonne, kunt gedoogen?

Die door uw fnelle vlugt den fierften ftorm braveert,

Door uwe Route wiek den donder zelfs ontëert,

En bij uw vlugheid voegt alömgevreesde krachten?

Nu vliegt ge in 't hoogst der lucht op de uitgefpreide fchachten:

Dan valt gij, driftig, en veel vlugger als een pijl

Die afgefchooten wordt, u Rortende in der ijl

Op eenen blooden hoop van weerelooze fchaapen:

Dat vrij de herder zich met lont en buskruid wapen'!

Gij rooft uit al dien hoop een Lam in zijn gezicht:

Uw vuilbebloede klaauw vliegt op met dat gewigt;

Terwijl de fiere moed, dien 'k in u dóór zie Rraalén,

U doet in 't wolkpaleis als vorst der vooglen (b) praaien^

ö Sperwer,

(b) vont der vioglen] De Arend. Deezen ziet en vindt men

meest in Zwitferland, en de Alpifche Gebergten, alwaar zij op de

xotsachtigfte en hoogfte toppen hunne nesten maaken, en hunne

jongen opvoeden, welke zij met de vellen der dieren, die ze van

*t aardrijk hebben opgenoomen, koesteren en warm houden: Zij

brengen er gemeenlijk maar twee, en op 't allerhoogst drie, te

gelijk voort: En zoodra dio jonge Adelaars in ftaat zijn om te

«eten, brengen de ouden hun 't vleesch van Lammeren, Haazen,

en ander wild. 't Leeven der Adelaaren is doorgaans heel lang;

en ze zijn niet wel anders te vangen, dan, wanneer zij om de ééns

of


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang.

2

8?

t Sperwer, Kiekendief, Valk, Havik, fnel van vlugt,

Fiere onderdaanen van dien koning in de lucht,

Pronkt beurtelings om Rrijd: 6 vogels, fcberp van klaauwen,

En wreed van bek, hoe fel kunt gij uw' buit benaauwen!

Gij aast daarop, gelijk vernielers, van rondömm';

Vijandig heir van 't klein en vreedzaam vogeldom.

Vlugt, bloode Duifjes, vlugt; ontwijkt hun ijslijk woeden!

Maar bovenal moet gij u voor de Wouw behoeden,

Door een gezwinde vlugt: Zij grijpt u in den nek:

Zij drukt u in haar' klaauw, en zal met haaren bek,

Den feilen moord gewoon, door 't vaak herhaalde bijten,

Den buik u ijsfelijk in honderd Rukken rijten:

Uw veders Ruiven heen, bepurperd met uw bloed;

Gelijk een bloem, waaraan het windje hulde doet,

Een minnelijke bloem, gebeukt door felle flagen

Des guuren Noordenwinds, moet eindigen haar dagen.

Zou dit roofvooglenheir/twelk naar zijn prooi Reeds haakt,

Ook eenigzins tot nut der menfchen zijn gemaakt?

Die

of de andere prooi te verkrijgen, neder gevloogen zijn in plaatfen

die te eng bevonden wordende, om hunne groote vlerken uittefpreiden,

hun het weêr opvliegen verhinderen; en in zulk geval is 't,

dat ze vermeesterd worden.

T


apo GODS GROOTHEID IN DB

Die foorten zijn zeer wild; doch echter ligt te leeren:

Bekwaam ter jagt, zoo zeer beminnelijk als te eeren

Om haare nuttigheid: zij vliegen van de hand,

Oplettende op het fein, als hadden zij verftand:

Zij werpen zich op 't aas en koomen vrolijk weder,

Zij dooden hunne vangst, zij leggen die ftraks neder

Voor onze voeten, en verwachten tot een' prijs

Hun aandeel (c) in den buit; 'twelk ze ons als totbewij*

Van haare zegepraal en overwinning vraagen.

6 Veldvreugd, landfpel in der Grooten leêge dagen,

Blijf zelfs bij Koningen nog veele jaaren lang

Geliefkoosd, en geplaatst in der vermaaken rang!

Laat ons nu de oogen in dien grooten fchouwburg weiden,

En zien van honderden geaartheên, veel verfcheiden

En net geordende Natuurs - bekoorlijkheên!

Laat ons befchouwend oog in de onüitputbre zeen

Van haare vruchtbaarheid aandachtig nederdaalan,

En haar behendigheên op ons Tafreel doen praaien!

6 Vogel,

(O Hun aandeé] Te weeten , de maag en ingewanden der

prooic, welke zij hebben toegebragt.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. vijfde Gezang. 291

6 Vogel, die zoo trotsch (


GODS GROOTHEID IN ÖE

Wat heerelijk verfchot van trotfche kleuren, als

De zon u fchuins befchijnt, befchouw ik om uw' hals!

't Oog is geheel verrukt: uw blankheid moet ik eeren,

En om haar' glans, die ons 't gezicht treft, zelfs waardeeren

Bij de allerwitfte fneeuw, die 't oog ons fcheemren doet.

ö Gij, die altoos, uit een onbevlekt gemoed,

Alle eendragt ademt, en veel zoete aanminnigheden;

Die met uw wederhelft vernoegd zijt en te vreden,

En haar zoo lief, altoos ftandvastig in uw' togt,

Genietende, onderling zoo naauw aaneen verknocht,

De zoete vruchten fmaakt van uw getrouw beminnen;

Strek gij ons het patroon van recht verliefde zinnen!

Gewiekte zanger (ƒ) van het groen en lommrig woud,

Gij geeft een nieuwe vreugd aan dit beminlijk hout.

Uw zoet akkoord fchenkt aan debosfchen als nieuw leeven,

Gelijk een Orpheus eer aan 't Schytisch Woud kon geeven.

Vanwaar heeft uwe keel die wondre buigzaamheid;

Dien treffelijken val; dat heerlijk onderfcheid

Van uw gezang, zoovol betoverende toontjes,

Die keer op keer aan 't woud verfchaffen frisfche kroontjes?

Beminlijkheden,

(ƒ) Gewiekte zanger]

De Nachtegaal.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijf de Gezang. 293

Beminlijkheden, daar 't geboomte roem op draagt.

Uw klank, die telkens aan het lustig heir behaagt

Van uw gezellen, kan de luiftraars zeer vermaaken:

Nu hoor ik u, vol moeds, van 'tzangrig vuur aan 'tblaaken,

't Genoegen zingen, 't welk in uwen boezem woont:

Dan groet gij 't morgenlicht, wanneer 't met goud gekroond,

Bepurpert door zijn' gloed, de nuchtere ochtendkringen,

Terwijl ik u den Olm zie op en nederipringen.

En gij klein vogelke, dat, overal geacht,

Hier uit de Eilanden van Canariën gebragt,

Vanwaar ge uw' oorfprong hebt, door uw bekoorlijk zingen

Mijne ooren telkens weet tot luistren als te dwingen,

Uw toon verrukt mij het gehoor, uw kleur 't gezicht,

Ook gij verdient een plaats in dit mijn Veldgedicht.

Het klein en fpichtig lijf, laflg ftaartje en bonte pennen,

Doen mij in uwe foort de kunne onderkennen,

En 't Manneke veelmeer beminnen om zijn' zang.

Gij zijt in Duitschland en ook hier, van over lang,

Door uwe uitbroeijingen geheel gemeen geworden.

Gij houdt in uw gekweel een' fraaien klank en orden:

Maar zonderling, wanneer men door een zachte fluit

Aan u de toonen leert van fraai muzijkgeluid.

T

3 Zal


294 GODS GROOTHEID IN DB

Zal ik uw' geelen buik gemengd met graauwe veêren,

Of uw veelkleurigheid het allermeest waardeeren?

Zal 'k zingen, hoe gij frisch en zuiver blijft, best groeit

En weeh'gst tiert, als u mijn hand met wijn befproeit.

Of hoe 'k dat doen moet, als de warme zon haar ftraalen

Opdat gij weder droog moogt worden, best doet praaien ?

'k Moest dan een gansch Gezang opftellen tot uw eer,

En zou van mijn beftek, 't welk uit Natuur den Heer

En Schepper van 't Heel-Al krachtdaadig moet doen prijken,

Geheel verdwaalen, en in toon en maat bezwijken.

't Zijn dan de Vogels, die met eenen fchellen toon,

Al kwinkeleerend, U, ö God, hun hulde boon.

Ngtuur bragt, van 't begin, ten troon der heerlijkheden,

Door hun muzijkgezing, haar' wierook en gebeden.

En daaglijks zijn zij nog', verfchuilende in het groen,

De tolken, die aan U hun dankbetuiging doen.

ó Laat hen altoos door 't akkoord van hunne Psalmen

Uw magt, uw weldaên, en uw hooge glorie galmen!

JL i?i ȣ*

/^f 7§r Tjj? /JT

Maar Landen, verr' van ons gefcheiden door veel zeen,

Wat vogels toont gij ons vol wondre zeldzaamheên!

'k Laat,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 295

'k Laat, ö Amerika, mijne oogen fpeelemeien,

Befchouwende onvermoeid uw trotfche vogelreien,

Haar' Rhitterenden gloed en tintiend pronkfieraad.

Gij (g) die den fieren Paauw trotsch naar zijn eerkroon Raat,

En waardig zijt, met hem, den glorieftaf te draagen:

Door all' den pronk, waarmee ge onze oogen wilt behangen,

Put zelfs Natuur, zoo 'tfchijnt, haar kunsttrezooren uit!

't Leeft al wat aan u is, door loomheid niet gefluit.

Niets is zoo vlug als gij, ö vogel,'niet te teuglen:

Uw kleinheid fiert den glans zelfs van uw lijf en vleuglen:

Wat rijke kleuren zien we in uwe vederpraal!

De wondre regenboog, beglansd met Rraal op ftraal,

Verfpreidt nooit fchooner gloor door all' der wolken kringen.

Wij zien een leevend rood uw' ronden hals omringen.

Op uwe vlerkjes pronkt een glinftrend blaauwe trek,

Die eenen weêrfchijn geeft op 't zwart van uwen bek

En

00 Gi H Te-weeten de Colibri: en dat dit kleine Vogeltje zoo

uitmuntend fchoon, iierlijk en moedig is, ziet men omftandig

befchreeven in het Schouwtooneel der Natuur, Derde Deel, bladz. 303.

en in S EB A'S Schatkamer der Gedierten; zijnde dit Vogeltje niet

grooter dan een lid van een' vinger, en dienende om zijne fraaiheden

aan de vrouwen in plaats van oorfieraaden.

T4


tgtS GODS GROOTHEID IN DE

En teedre pootjes! Welk een heerlijk lichtvermoogen

Straalt uit den ronden kring van uw grijsverwige pogen!

Een gouden vederbosch praalt op uw kruin, volfchoon;

Een leevend groen fpreidt op uw hoofd zijn' glans ten toon.

Gij vliegt Reil door de lucht op uw gezwinde vlerken:

Uw bekje, fchoon zoo klein, doet u nog krachtig werken,

En voor een' vijand (/i)u befchermen vol van magt:

Want tegen hem vooral blinkt ge uit in moed en kracht

Als hij uw jongen fel befpringende u doet vreezen;

Dan toont gij u vol moeds een dapper held te weezen,

Die voor uw zwakke gade, en jong, en nest, durft Raan,

En uwen vijand, die wreed aanvalt, tegengaan.

6 Tweede wonder in die nieuwe weereldltaaten,

Hoe lieflijk kunt gij, door uw kunst van meê te praaten,

jMijn oor betoovren! met hoe veelerhande foort

Van kleuren, waarvan elk 't verwonderd oog bekoort,

Zijn uwe veedren fraai bedekt, en als doorweeven!

Hierzienwij'trood,engroen,engeel,enblaauwfteedszweeven!

Een kring van glanfen loopt om uw' oogappel heen,

Die fpreidt een tintelvuur van vonken, ongemeen

In

(ft) En voor een'vijand] Dit is de Vogel, genoemd Grof bek,

$relke zeer verlekkerd it op de jongen van de Colibri.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 297

Jn zijne kleuren, uit, en ftaat gelijk te branden.

Geen zwaard was immermeer zoofcherp,in krijgsmans handen,

Als uw gekromde bek, die wat hij aanraakt, breekt.

Maar wat een fchoone gaaf is 't, dat gij met ons fpreekt!

Zijt trotsch op deeze kunst, dat zulke groote zaaken,

Te volgen onze Rem, te fpreeken onze fpraaken,

Alleen uw eigen zijn, door een naarvolgings-recht.

ö Heerlijke eigenfchap wat is uw koopprijs Hecht!

Wat zijt ge duur gekocht! wie zoude u dan verkiezen?

Zijn vrijheid moet het dier om uw bezit verliezen.

'k Breng nu, om fchielijk eens te wisflen van tooneel,

Een fchrikkelijke fchets in dit mijn Dichttafreel.

Van alle Vogels, die men ooit Natuur zag teelen,

Den allerijslijkften (i) in alle lichaamsdeelen.

Gij,

(f) Denallerijslijkfien~\ De Condor. Dieaüerverfchrikkelijkfteder

roofvogelen, heefteen lichaam van 16 voeten hoog, en vleugeknaar

evenredigheid daarvan. In hun nederdaalen maaken deeze Vogels

zulk een gedruis door *t klappen hunner wieken, dat ze iemand

doof en buiten zich zeiven zouden maaken: twee daarvan kunnen

een ganfche Koe of Stier, door hen verfcheurd, opvreeten.

Dieren en kinders rooven ze wech : gelukkig is het, dat ze niet

zeer vruchtbaar zijn. Zie DEKHAM, Natuurkundige Godgeleerdheid,

IV Boek 10Hoofdftuk, tweede Aanmerking, gedrukt te LeydenijzS,

in 4°. EnGARtLisso DE LA VEGA, een inboorling der

hoofdftad van Peru, zegt in zijn Hifi. der Incasfen, VIII Boek

19 Hoofdftuk, in zijn ganfche leeven boven twee- of driemaalen

den Cuntur of Condor niet gezien te hebben.

T S


298 GODS GROOTHEID IN DE

Gij, Peru, hebt geen roê, zoo vreeslijk als dit dier:

't Valt met een ijsfelijk geweld aan op een' ftier,

't Blaast moord,fcheurt op zijn'buik,flaat hemtendeele binnen,

't Jaagt mensch en beest een' fchrik op 't lij f me t dolle zinnen,

't Gruwt alles van dit dier en zijn gevreesde kracht:

Men zag het kindren zelfs wechneemen door zijn magt,

Oprijten, en 'tmalsch vleesch, bij ftukken en bij brokken,

Van jongheid lillende, in den hollen boezem flokken.

Verwoestend fchrikdier, zoo afgrijslijk van gelaat,

Wiens grootheid evenaart de kracht van uwen ftaat,

Gij, (en daarvan moet ik verwonderd zijn met reden,

Om al de voorzorg, die de Schepper wou befteeden)

Gij zijt het onvruchtbaarst van all' het vogelheir,

Dat immer wordt gezien, op 'tland, in lucht, of meir.'

* * * * *

Wat nieuwe Schouwburg doetzich voor mijn ooghier open?

Wie zijn die Vogels, die ik telkens als met hoopen ,

Omzwerven zie, terwijl ze als vreemdelingen van

Dit land, nu voor een poos zich vestigen, en dan

Weêr in eene andre ftreek van lucht en landen woonen;

Die, na zich zelv' alweer een' tijd lang te vertoonen

In


SCHOONHEDEN DER NATUUR. VijfdeGszang. 299

In Rreeken, vérr'van ons, weêrkoomen naar den boord

Van onze landen, en zich vesten in dit oord?

Laat ons de ingeeving van die werking onderzoeken,

En onderfcheiden uit haare allerdiepfte hoeken

De omftandigheden van die wondre driften zien,

En God belijden, door wiens willen zij gefchiên!

Die foort van 't verr' voorüitgevoelend heir der dieren,

Is door Natuur gevormd om zoo haar' gang te ftieren,

Dat zij ontwijke een' gloed, die warmt in overmaat,

Gelijk als ook de koude in een' te hoogen graad.

Zij zoekt van land tot land een ftreek op, daar het wezen

Der lucht gemaatigd is, en gloed noch kou doet vreezen.

Een lucht verdraaglijk aan 't geftel van hun natuur.

Wanneer dan Afrika (fc) gezengd wordt door het vuur,

Het

(fc) Wanneer dan Afrika] De Kwakkels inzonderheid koomen

op het einde der Lente uit Afrika in Europa, en zij keeren derwaards

weder terug in 't begin van den Herfst, als wanneer zij

met geheele troepen de Middenlandfche Zee overvliegen. Men

meent, dat de Zwaluwen in Europa blijven. Hetgeen dat voet

geeft tot deeze gisfing, is, dat die van de Noordel ijkfte deelen daar

zelfs in de grootfte koude niet uittrekken. In Zweeden, worden zij

in de holligheden der aarde als met hoopen zonder beweeging

liggende gevonden. Wat den Oojevaaren en Reigeren aangaat,

fchoon men niet recht weet, naar wat land die nd den Zomer van-'

hier trekken, is \ echter wel te denken, dat het naar warme

luchtftreeken is.


Soo

GODS GROOTHEID IN DE

Het teeken van den Leeuw den regen in koomt toornen

En met geen' morgendaauw het aardrijk overftroomen,

Koomt zij in onze ftreek, daar 't zonlicht minder brandt,

Met all' haar heiren aan, als in haar vaderland:

En als in onze lucht de guure Noorderwinden

Niets ademen dan kou, het water famenbinden

En 't vlak der aarde zelfs hervormen in een' fteen,

Verlaat zij deeze ftreek; en vliegende over zeen

En landen heenen, gaat zij weêr haar nest opfpeuren,

Daar haar een lucht veelmeer gemaatigd, niet doe treuren,

Door overmaat van koude, en daar de winter zelf

Haar onbekend blijve onder 't zachter luchtgewelf.

Zoo zien wij 't zwervend heir der fnelgevlerkte Kraanen (l)

Zich heffen van de rots, zich zelv' de wegen baanen,

En ons gezicht ontgaan in 't blaauwe wolktapijt:

Wij zien die vliegers zich, gelijk een heir ten ftrijd'

Den

vijand tegengaat, een' grooten punthoek vormen;

En om zich tegen 't woên der wilde noorderftormen

Te

(O fnei'gevlerkte Kraanen] Zie hierover CICERO, in zijne

Natuur der Goden, U Boek 40 Afdeeling, en KOLBE'S Befchrijving

van de Kaap de Goede Hoop,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijf de Gezang. 301

Te wapenen, is elk met eenen kei voorzien,

Om, door dat tegenwigt, een tegenkracht te biên,

Waardoor zij voor het woên der ftormen zich bewaaren.

Een wijze gids geleidt de vlugt van all' de fchaaren:

Hij ftuurt haar heele reis, zijnde aan haar hoofd geReld:

En geeft aan 't volgend heir een fein, door fchreeuwgeweld,

Als 't op zijn fnelle reiz' genoodzaakt is te rusten:

Men zet een' fchildwacht uit, die waakt flraks op de kusten:

't Slaapt alles, uitgezegd de wacht: die waakt alleen.

Haar rust is van geen' dwerg (JJI), hoe vol fpitsvinnigheên,

Door overrompeling in 't allerminst te Rooren;

ö Waar afbeeldfel, zoo men met geloof mag hooren

Naar 't geen ons van de Kraan een oud verhaal ontdekt,

Van Rrijdbaar krijgsvolk, 't welk zijn' vijand tegentrekt.

Gij die een kenner der Natuur wilt zijn geheeten,

Spreek op, en onderricht me, indien gij 't zelf moogt weeten:

Door

(m) van geen 1

dwerg,"] De kleine Dwergjes die men Pignei

noemt, laaten de Kraanen geen rust, zoo lange die bij haar zijn,

want zij zijn veelal in oorlog met eikanderen. Zie PLINIUS

va» de Dieren, III Boek bladz. 404. gedrukt te Amjïerdam, in

't jaar 1703.


3o2 GODS GROOTHEID IN DE

Door welk een werktuig, door wat kunst verlaat op 't lest

Het zwervend vogelheir zijn teêrgeliefkoosd nest?

Kunt gij mij 't jaarfaizoen en dag en uur bepaalen ?

Welke is de reistrompet, die hen van 't nest koomt haaien;

Die hun koomt zeggen dat het tijd is zich te faam

Te fchoolen; dat het uur is tot de reiz' bekwaam?

Elk is gereed: men gaat: maar wie leert aan die fchoolen

Het juiste fpoor om van het pad niet aftedoolen?

Welk is 't Kompas, waarop zij, vliegende over zee,

Steeds drijven moogen naar hun zoo begeerde reê?

Wanneer de zwarte nacht zijn vlerken uit gaat Rrekken,

En 't licht als met een kleed voor hun gezicht bedekken;

Wanneer de ftorm te dol ? ... . Alwijze Majefteit!

Wie ziet niet duidlijk, dat uw hand hen zelf geleidt?

Dat uw geduchte Rem, door het inwendig fpreeken

Van uwe ingeevingskracht, hen de uuren, dagen, weeken

En maanden voorfchrijft van dien jaarelijkfchen togt,

En alles, wat die reiz' nog voorts betreffen mogt?

Nog meerder echter houdt me in aandacht opgetoogen

De geaartheid der Natuur, van welke ik voor mijne oogen

Als van een werktuig zie de ingeeving in elk dier,

En die met veel gewigt, en drift en ijvervier,

Werkzaam


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 303

Werkzaam op iedre foort, een'Schepper kan bewijzen,

Zoo door alwijsheid, als door almagt, hoog te prijzen T

Hoe groot ook onder hen het onderfcheid in fchijn

Of ook wel waarlijk moog' der eigenfchappen zijn; •

Hun voorzicht, naarftigheid, gevoel en tederheden,

Hun zorg en waakzaamheid, die ze aan hun kroost beReeden,

Zijn ons een groot Tafreel, hetwelk ik in mijn Dicht

Alleenlijk fchetfen kan, niet Rellen in het licht.

Wat teerheid, Vogels, zien we u, aan uw kroost toedraagen!

Wat heeft de moeder zorg voor 't naadren zijner dagen!

Geen uitvlugt fmaakt haar meêr: haar fchelle keel isftom.

Zij hoort de noodiging van al haar zusterdom,

Om door het lommrig woud en bladerrijke dreeven,

Van boom in boom, van tak op tak, met vreugd tezweeven,

En neêr te vallen op de zwangre korenair:

Doch ze is daar doof voor, en geen blijdfchap leeft in haar.

Ze is als aan 't nest verkleefdst nest, dat een wieg moet flrekken

Voor 't pluimelooze jong, eer't nog de veertjes dekken:

't Nest, dat uit takjes, hooi en veezien, faamgehecht,

Den mensch misfchien eerst heeft de bouwkunde onderrecht.

Daar zit zij eenzaam; en door indrukkracht aan 't gloeien,

Blijft ze onophoudelijk haar tedere eiers broeien,

Tot


304 GODS GROOTHEID IN DE

Totdat een werkzaamheid van warmte die ontdopt.

Met nieuwe zorgen wordt haar min ftraks overkropt.

Dan vliegen de ouden uit, en in all' de omgelegen

Landouwen zoeken zij naar eenen voênden zegen.

Zij koomen vrolijk weêr: hun halföntflooten bek

Draagt nu het aas, vervult het kinderlijk gebrek,

En deelt uit hunnen krop den jongen 't voedfel mede.

Die ouderlijke min behoedt het nest in vrede:

De pluimpjes botten uit: de wiekjes krijgen magt:

Het kiekentje wordt vlug: 'tgevoelt eene indrukskracht,

Om op zijn wiekjes ook eens eene vlugt te waagen:

'r, Koomt eindelijk aan 't punt van zijne vlugge dagen.

Het Vaêrtje vliegt voorüit en wijst het door zijn vlugt

Als gids het fpoor aan, 't geen 't moet houden in de lucht;

En zet, terwijl hij 't door zijn voorbeeld aan koomt noopen ,

De dunne luchtbaan voor het teder kieken open.

Dus is bij 't vooglendom de moederlijke min.—•

't Natuurelijk gevolg van dit zoo fchoon begin

Is eene zorg om zijn geflachten voorttezetten.

Die zoete driften, en die innerlijke wetten

Van dat gevoelen, drukt Natuur in ieder dier.

Die zorg doortinteld met een edel liefdevier,

Zoo


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 305

Zoo zeer aannaaiende, en wat lieve aanminnigheden

Zij meêr verfpreiden mag, zijn buiten kijf de reden *

Dat wij met fchepflen, die geen mensch ooit tellen zal,

Van rondom zien bevolkt het uitgeftrekt Heel-Al.

De liefde voor zijn kroost, dat allerfterkfte wapen

Voor alle vruchtbaarheid, is erflijk ingefchapen.

't Gemeen vooroordeel geeft ons een verdacht bericht,

Alsof alleen de Struis, niet aan deez' wet verpligt (ff),

Door

(«) niet aan deez'wet verpligt't Is waar, dat ondef de Vogelen

alleen de Struis zich van de algemeene natuurwet uitzondert: want

volgens die wet draagen alle dieren, zoowel eier-als Ieevenbaarende,

zonderlinge zorg voor hunne eieren of jongen; maar onder

de bloedelooze dieren en Visfchen zijn. er vééle, die zich van

deeze wet uitzonderen. De wijfjes van zeerveele bloedelooze

dieren verlaaten hunne eiers, zoo ras. zij dezelve op den grond

of op 't plantgewas hebben nedergelegd, en Iaaten aan de Zonne

de zorg over, van die uittebroeien. De wijfjes, onder verfcheidene

fooi ten van Visch, leggen hunne eiers op den modder, mosof

ander gering gewas, der waterkanten; en vertrekken, als zij de

mannetjes zien naderen, die dezelve eiers koomen wrijven, om

die vruchtbaar te maaken : Ook deeze is de manier van fommigö

tweeflachtige dieren, gelijk als der Krokodillen, welke hunne

eiers in het zand verbergen, alwaar zij uit den dop koomen zonder

behulp der moêr. Maar uit dit verlaaten, geloof ik niet, dat

men 't gevolg mag trekken , als of deeze dieren, en ook de Struisvogel

zelve, ongevoelig waren, omtrent de uitbroeijing hunner

eieren : Integendeel fchijnen fommige voorbehoedfels, die zij

gebruiken in het leggen, te bewijzen, dat er liefde voor dezelvs

V ' bij


3o5

GODS GROOTHEID IN DB

Door een verharding zou die eedle drift beletten,

En tegen 't fchreien van haar bloed zich zelfs verzetten.

Zij legt op 't gloeiend zand van 't woest Arabia

Haar eiers neder, vreemd van teerheid en genaê.

Ze onttrekt zich; 'tfchijnt zijkanhaar vrucht geheel vergeeten j

Zij gaan verlooren; want de moeder, niet bezeten

Door eene liefdedrift, verlaat en levert ze aan....

Maar neen! een hooger zorg behoedt hen voor 'tvergaan!

De vaderlijke zorg van Hem, die alle zaaken

Blijft onöphoudlijk ook in 't vooglenrijk bewaaken,

Houdt onder vleuglen van haar gunst hen fteeds bedekt.

Terwijl zij hen aldus voor eene moeder ftrekt.

Geeft zij der Zonn' bevel hun vruchtbaarheid te ftooven.

De zon verwarmt hen, zendt op hen een' gloed van boven,

Die door zijn hitte doet de hitte van het zaad

Altoos aanwakkren, tot in eene grooter maat,

En

bij hen overig is. Men kan Biet grond zeggen: Dat de Struis, Krokodil,

de bloedelooze dieren, en de wijfjes Visfchen die 2ich van hunne

eieren verwijderen, dezelve niet verlaaten; maar dat zij dit doen

in gelijkvormigheid der Wetten, aan welke God, hunne bijzondere

foorten heeft onderworpen. Zie ook P L I N I U S van de Dieren.

III Hoek bladz 359, gedrukt te Amflerdam 1703. En inzonderheid

D E R H A M 's Natuurkundige Godgeleerdheid, VII Boek 4 Hoofdft.,

Wadz. 378 in 4». gedrukt, te Lcyden 1728.


SCHÖONHEDENOER NATUUR. Vijfde GezMg. scf

Én op den tijd, hun door Natuur zelfs voorgefchreevenj

Ontdopt, en Lybiën koomt jonge Struisfen geeven.

Bewaarder gij doet meêr: uw goedertierehheên

Verfchaffen 't noodige en bewaakèn hunne treên.'—•—•

Van welk een waakzaamheid voekge u, ó Hen, gedrongen!

Hoe groot is uwe min, uw voorzorg voor uw jongen!

Verbaazende is de zorg, die gij aan hun bewijst,

Terwijl gij liefderijk met overvloed hen fpijst.

Wat waakt ge aandachtig voor hun leeven, en hoe teder!

Wie zag ooit ouders met hun troost ën hulp gereeder

Hun bijfiand-fmeekend kroost bijfpringen in den nood,

•Dan wij u zien, wanneer de tand des Hönds 5 den dood

Aan uwe jongen dreigt? Gij durft hem fier braveereri

En met een' Routen bek van uwe kiekens keeren.

Tot hun befcherming houdt gij Reeds een waakzaam oog.;

Gij ziet den Sperwer om hen draaien van omhoog.

Gij klokt, en op die Rem zie 'k zich uw jongen dekken;

Düs kan uw voorzorg hen aan het gevaar Onttrekken.

Zij loopen nu gered, te famen naar u toé;

Betaalende uwe zorg en kracht dus blij te moê.

All' deeze fneedigheid, in Vogelen te aanfchouweti 9

Moeit in verwondering ons opgétoogen houên:

V a

Dassf


3o8

GODS GROOTHEID IN DK

Daar blijkt wel éénvoud in, maar teffens meêr verftand,

Dan onze kunst ons ooit kan geeven aan de hand.

Want hun behendigheid, die zij van God ontvangen,

Kan altoos vaardig hen hun oogmerk doen erlangen.

Zij dient hen niet alleen in elke nutte zaak,

Maar ook in alles, wat zij vordren tot vermaak.

Wat meesterftuk weet gij mijn oog hiervoortedraagen,

t> Pimpelmees (o)! Uw nest kan onze kunst uitdaagen;

En tart in edelheid de wijsfte kunsthand zelv'.

Gij bouwt van hairen, draên en biezen, dat gewelf.

Wat famenweeffel! Hoe volkunRig zijn die boogen!

De mos en hennip zijn door 't allerfijnst vermoogen

Ineengevlochten, op de kunftigfte manier.

Van 't webbe, 't geen de Spin weeft met een' eedlen zwier,

Is 't huis rondom omringd: hier kan de kunst de veeren

En 't ligt en wollig dons zeer net en fraai fchakeeren;

Zij heeft het nest daarmeê bevloerd van binnen in.

De vogel legt daarop en fchikt naar zijnen zin,

De

(o) ó Pimpelmees! J DEBHAM, in zijne Natuurkundige Godgeleerdheid

, IV. Boek 13 Hoofdft. aanm.9. WILLUCHBI, in zijne

Befchrijving der Vogelen, bladz. 243- PLINIUS, fpreekt breedvoerig

over de behendigheid der Vogelen, in 't bouwen van hunne

Besten; Zie zijne Natuurlijke Gcfchiedenis, X. Boek 33 Hoofdftuk.


SCHOONHEDENDER NATUUR. Vijfde Gezang. 309

De tedere eiers, daar het jong eens uit moet koomen.

Schier eindloos is 't verfchil, vaak bij den mensch vernoomen,

6 Vogels, 't welk gij naar de keus der foorten houdt,

Wanneer uw naarftigheid (ƒ>) het teder nestje bouwt:

De Zwaluw kiest de kalk, als zij haar nest zal maaken,

De Musch ontfteelt daartoe uw riet, ö boerendaken.

Die kunstgebouwen, zoo verfchillig ondereen,

Zijn 't werk van 's vogels bek, ja van den bek alleen.

Wie is hij, die hun zegt, voor wien dit nest moet ftrekken ,

Wanneer zij leggen en hunne eiers moeten dekken?

Wie is hij, die hun leert, veelmeerder uitgebreid

Of enger, naar de maat van hunne vruchtbaarheid,

Of grootte van elk ei, de ftamwieg optebouwen?

Hier moet ge ö Twijfelaars, uw nietigheid befchouwen:

Hier wordt ge toch verward, hoe trotsch, hoe fijn gij zijt.

Dit werktuig, waaruit blijkt een rang van moeite en tijd,

Die heerlijk is, en 'twelk geen mensch kan recht verklaaren,

't Is 't werk des Kunftenaars van alle kunftenaaren.

h


(p) Wanneer uw naarjligheid] Zoude het wel moegelijk zijn,

( zegt MONTAGNE) dat de Vogels de nesten zoo zacht van mos en

dons verzorgden, zonder dat zij zouden weeten, zulks ten uiterften

voor de tederheid hunner jongen noodig te zijn ?

V 3


Sïo

GODS GROOTHEID IN DE

Is 't waarheid, dat ik hier mijn oog gelooven moet?

Wie zijn die vogels die 'k zie leeven, in den vloed,

Zoowel, als op het land? 'k Zie hen in groene weien

Nu ned^erliggen of volvrolijk fpeelemeien.

Dan ftorten zij zich neer in een nabuurge vliet,

Zij drijven met vermaak langs 't luchtig golvend riet,

AI fpeelende op den vloed, of zwemmen trotsch en moedig.

Ginds zie ik hen vernoegd in blijdfchap overvloedig,

Vermoeid door 't klieven van 't beminde watervlak,

Den boord weêr kiezen en zich plaatfen met gemak

In groene velden, of daar, weltevreên fpanfeeren.

§ Zwaan, wel dubbel waard, dat ieder u moet eeren,

Gij, gij verdient van mij dit heerlijk tafereel!

Gijtj wien 'S verdkhtfel door der Dichtren fchelle keel

Tot een gcfternte maakte-

in 's hemels avondkringen,

Gij ftrekt ten zinnebeeld der helden, die wél zingen,

En wien de Zangkunst in 't gefchichtboek van den tijd

De hooge Dichtkunst heeft beftendig toegewijd.

Gij ;

geeft (dus zegt men) een gezang van teedre topnen

Wanneer de dood piet meêr uw leeven wil verfchoonen,

Maar.

(«) Ta emgtflmte makte] Het gefkrnte van de Zwaan in

* Noorderdeel des hemels.


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 311

Maar u doet Rerven, aan Meanders blijden boord,

Alwaar Apollo zelf uw keurig zingen hoort,

'k Wil u, ö Kievit ook op mijne zangtooneelen,

(Gij zijt het dubbel waard) een kleine rol doen fpeelen:

Uw veders fchoon-gekleurd voldoen aan mijn gezicht,

Hoe heerlijk flikkren zij bij 't helder zonnelicht!

De blijde Lente koomt. Wij zien de vogels fpeelen;

Ook gij bouwt u een nest, om jongen aan te teelen.

Uw eiers, fchoon niet groot, verrukken mijnen fmaak,

Maar hoe! beklapt ge u zelv' ? of fchept gij ook vermaak,

Terwijl ge uw' naam roept, dat ik zal uw nest beroeren ?

Gij fchijnt in uwe vlugt mij derwaards heen te voeren.

Neen: gij misleidt mij, en gij troont mij van uw nest.

Ik hadde uw eiers graag: maar hoe vind ik ze best ?

Geluk! ik heb ze reeds, fchoon gij mij woudt misleièn.

Wat zullen deezen op de vriendentafel vleien!

Ik zend ze aan mijnen vriend: hij is te rond van aart,

Dan dat hij deeze gift zou weigren, hem zoo waard.

De fchaduw van den nacht verdonkert 's hemels boogen:

De Rille rust en flaap vcrfpreiden hun vermoogen

Rondom door 't groot Heel - Al: hoe groot een aakligheid

Heeft zich door all' den fchrik van 't duiRer heen verfpreid!

V 4

6 Schrik


$n GODS GROOTHEID IN DE

6 Schrik der vooglen, ó affchuwelijke dieren (r),

Gaat nu op 't weereldvlak met vaale vleugels zwieren,

Verlaat uw holen, door de duifternis bewoond,

Uw kerkers, daar zich niets dan droevig zwart vertoont.

Uw ijsfelijk gekrijsch zoo fchrikkelijk voor de ooren,

Is 't doodlijk zangakkoord, dat gij aan ons doet hooren.

Gij vreest het daglicht en zijn' zuivren glans en gloed,

Terwijl de mensch met een afgrijzen u ontmoet;

En alles, wat Natuur ooit gaf, van u moet gruwen:

Daar is geen vogel die u niet met vreez' zal fchuwen,

Als aller vogelen gezwooren' weerpartij:

Gij koomt ook, op hun beurt, van hunnen klaauw niet vrij.

Maar 'k zie den dag: vertrekt, vlugt naar uw kerkers heenen,

Daar de aakligheden en vernieling zich verëenen:

Vreet met bebloeden bek daar uwe prooi vrij op.

Het zonlicht Relt aan ons de waarheid in den top:

Gjj moet van vijanden, der waarheid vrij van vlekken,

Gevloekte vogels, een gehaat afbeeldfel Rrekken.

Wat zie 'k nog vogels van verfcheiden vorm en trek?

Den Koekoek, luid van keel, heel grof en krom van bek,

Den

Cf) 6 offchuweiijke dieren,] Naameiijk de Nacht- en Kerk-Uil

Cn de Vischdief,


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 313

Den Exter, die zoo zeer behendig weet te Reelen,

De kleurige Eend, die in de modderfloot gaat fpeelen,

't Patrijsje, rood van poot, den Reiger, lang gehalsd,

De teedre Tortelduif, in 't hart zoo onvervalscht,

De Zwaluw, ftaag gewoon bij fchoolen faam te fchaaren:

Het kroostbeminnend heir der kleppende Oojevaaren:

Met den Faizant, en Gans en basterd Nachtegaal,

Te famen, elk met een' bijzondren aart en praal,

Gefchonken uit den fchat van 't Eeuwig Opperwezen^

Tot vlugge boden van zijn nimmermeer volpreezen

En godlijke almagt; om te dienen aan zijn' raad,

Die in 't vervullen van zijn' wille onwrikbaar ftaat.

* * * * *

Gij, bloedeloos gedierte, ei koomt u ook vertoonen;

't Zij gij het veld, de lucht, of meiren moogt bewoonen.

't Zij gij verfchrikkelijk, of zeer beminlijk zijt,

't Zij ge ons befchaadigt, of met zegen ons verblijdt:

Zoowel die 't oog kan zien, als die't niet kan befchouwen:

Zoowel die kruipt, als die in 't dak der lichtflambouwen

Uw vleugels uitbreidt, en die alle wordt ontvonkt

Door een natuurdrift, waar ge, elk in uw foort, meê pronkt.

V 5

Nu,


3i4

GODS GROOTHEID IN DE

Nu, open het tooneel van deeze mijne Zangen,

6 Bloedloos dier, dat aan uw éigen werk (Y) blijft hangen ;

Der fijnfte vingerkunst naar de eerekroon durft ftaan;

En zonder voordeel weeft de kostelijkfte draên,

Waarin de Vorften in hun ftaatfiekleeders praaien.

Europa Wil dien fchat van Ganges boorden haaien (t),

En acht zich zeiven met uw tolgift zeer verrijkt.

Schoon is uw edel dak, dat blinkend goud gelijkt.

Gij kunt met uwe fijne en naauwlijks zichtbre vingren («),

Een heerlijk werk doen, en de dunfte draadjes flingren..

Gij put in 't werken uit, uw wonderbaare kracht:

Gij wordt verzwakt en teert alswech, gansch buiten magt:

Maar, ö hoe hoog moet mijn verwondering hier klimmen!

Gij koomt dan uit den bol, dien ik van goud zie glimmen ,

Dien bol waaraan uw klos eerst vastgevlochten zat;

Dien bol zoowel opnieuw, thans uwe bakermat,

Al*

O) uw eigen werk} De Zijdenkloen, waarïn de worm geflooten

zijnde, dan in een poppetje veranderd is.

(£) Ganges boorden haaien] Het was ten tijde der regeering van

Keizer JUSTINIANUS, 550 jaar na CHRISTUS geboorte, dat

de Zijworm uit Oost-Indien eerst in Europa werd gebragt. Zie

ROL LI NS Aaloude Gefchiedenisfen, X. Deel bladz. 44.6.

Cu*) naauwlijks zichtbre vingren]

Vingertjes, bij uitftek fijn.

Haare voorfte pootjes zijn


SCHOONHEDEN DER NATUUR. Vijfde Gezang. 3 r 5

Als ziek- en Rerfbed en uw grafkuil van te vooren:

Gij koomt weêr uit dien bol, en fchijnt opnieuw gebooren.

Nu zijt gij weder een Kapél (v) en vliegt gezwind:

Van alles waar Natuur het fpeelen in bemint

En aan mijn oog vertoont om wonders uit te leezen,

Zult gij misfchien wel het verbaazendst wonder weezen.

Zijt gij het, wie ik hier befchouw, voorzichtig dier,

Die uwen nood zoo klaar en wijs befchouwt, 6 Mier,

Die in uw fchuilplaats en uw huis, vol kromme wegen,

Braveert den Noordenwind, de kou, de vogt, den regen.

Wat wijze Staatkunde is 't f>), die aan uw hof regeert,

En onder 't fchuinfe dak alle onheil van u weert!

Wanneer ge u buitefn 's huis aan 't werken hebt begeeven,

Zie ik de naarftigheid in alle uw daaden leeven.

Vaak

(v) weder een Kapél"] Deeze zeldzaame verandering is, gelijk

men weet, zoowel aan de Zijwormen als aan veele andere foorten

van bloedelooze dieren eigen. Van wormen vei anderen zij in

poppetjes, en van poppetjes in .Kapélletjes of andere vliegend*

bloedelooze diertjes.

(w) Wat wijze Staatkunde is 't]

Zie in ALDROVANDUS en

JONSTON, eene befchrijving der huishouding en der wetten,

onder de mieren vastgefteld: Zij zijn vol dichterlijke fchoonheden,_

en al wat de Dichters gezegd hebben, omtrent de Regeeringsform.

van de Bijen, haalt daar niet bij : Die grootfche verziering is,

krachtig om de Natuurkenners te doen verbaasd ftaan.


siS GODS GROOTHEID IN DE

Vaak wandelt gij het veld met veele heiren door;

Gij laat, al waar gij gaat, een zwart en bogtig fpoor.

Gij fleept een' last, wiens wigt uw leedjes moet verdrukken,

't Koomt alles dan ter hulp aandringen, famenrukken,

En 't graan gefleept door een gemeene kracht en moed

Vermeerdert in uw fchuur aldus den overvloed.

Dat opgelegde graan O) zal u tot voedfel ftrekken,

Wanneer de koude 't veld met fneeuw en ijs zal dekken.

6 Noodig voorzicht, Les (y ) vol fchoone leerzaamheid,

Die 't bloedloos dier hiervoor het menschdom opcnleidt! —

Wat dof geruisch hoor ik mijn luiftrende ooren treffen?

'k Zie zich een Bijënwolk uit eenen korf verheffen!

Elk van den zwerm, die zich aan 't oog hier aan koomt biên ,

Is van een' angel, die fel prikkelt, welvoorzien.

Ik

(x) Dat opgelegde graan ] Ik volg hier het oude gevoelen, dat

bijna algemeen aangenoomen is, omtrent het nut, waartoe de mieren

de graanen, in haare onderaardfche holen vergaderd, gebruiken.

De Heer DE REAUMUR, in zijne Gedachtenis voor de Gefchiedenis

der bloedelooze diertjes, II Deel. eerfte lid, bladz. 26, is van oordeel,

,, dat de mieren deeze graanen met geen ander oogmerk onder de

, aarde fleepen, dan om er hunne woonplaats van te bouwen:

,, en dat zij den geheelen winter zonder eeten doorbrengen,

„ liggende alle ftil op elkander als of ze dood waren.".

(y) Lts] Zie SALOMOKS SPREUKEN, Hoofdftuk VI.,

vers 6, 7, 8 en 9.


SCHOONHEDEN DER NATUUR, Vijfde Gezang. 317

Ik zie den ganfchen zwerm, vanroofdorst aan het blaaken,

Uw fchoone heuveltjes, Hymet ( z ), met vreugd genaaken:

6 Bloemen, opent u, verdraagt die dieverij!

't Is tot ons nut, al fteelt die vlugge maatfchappij.

In vloeibre fchatten Ca) zal haar kunst zulks doen verkeeren.

Wat al behendigheên zijn in haar werken te eeren!

ö Fiere Koningin (£)> wat hulde mag ik zien!

'k Zie, om uw' troon (c), uw hof u eeren achting biên.

Gij

(z~) Hymet, ] Het is een gebergte in Griekenland; men ziet daar

zeerveeie Bijenzwermen , waarvan men zeer goeden honig maakt:

dus was ook de berg Hybla in Siciliën

(a) in vloeibre fchatten]

Het Wasch en de Honig.

(i) 6 Fiere Koningin, ] Ik wijze den Leezer hier naar alle de

fchoonheden, die REAUMUR in verfcheidene verhandelingen van

zijne aanteekeningen over de bloedelooze dieren verhaalt van de

koninginne of moeder der Bijen: V. Deel. Onder andere eigenfchappen

, is die moeder zoo verbaazend vruchtbaar, dat ze fomtijds

in éénen zomer het leeven geeft aan veertigduizend jongen.

RE AUMU R fpreekende van de werkende Bijen , ftaat toe, dat hoe

groot ook de fchoonheden moogen zijn, in het gedrag van deeze

werkzaame diertjes, echter nog veele zaaken overig blijven, om

aftetrekken van de denkbeelden der algemeene vooröordeelen der

Ouden , tot ons ovetgekoomen. Vóór hem heeft de geleerde

ZWAMMERDAM dat ook erkend, en bijdrukt zich net uit, in zijn

heerlijk Werk, genaamd : Het Boek der Natuur of Gefchiedenis der

bloedelooze dieren: Het gezag van deeze twee groote Natuurkenneren,

is genoeg om uit ons begrip te doen verdwijnen, dat rijksbeftuur

der Bijën, bij de Ouden zoo breed opgegeeven.

(O 'kZie, omuyv' troon,] Dit tafereel, beken ik, is wat te

hoog opgefierd; 't is echter maar een zachte navolging van hetgeen


3T8

GÓDS, GROOTHEID IN DE

Gij doet elk beurt om beurt nu ftraffen dan beloonen.

En als de burgers (i), die in uwe Staaten Woonen,

Te talrijk zijn, élkaêr verdringen, en tot last

Zijn in uw Koningrijk, door overvloed vermast,

Geeft gij bevel, en doet een deel der onderzaaten,

Ten beste van 't gemeen, vertrekken uit uw Staaten-.

Die zoeken andre plaats en een nieuw vaderland,

Waar, door voortteeling 3 weêr een nieuw volk wordt geplant.

Zij, door dcnzelfdcn geest geleid en aangedreeven,

Verplanten haare zeên, haar g