onderwerpen.

resources4.kb.nl

onderwerpen.

VERZAMELING

Ti. J. POTGIETER


01 1089 5893 UB AMSTERDAM


BRIEVEN

O V E R

VERSCHEIDEN

ONDERWERPEN.

UITGEGEVEN

DOOR

E. JSEKKER weduive ZX WOLF F

r

E

N

A. DEKEN.

In 9 S H A G E ,

BvIZAAC V A N C L E E F .


UI

BERICHT.

Verandering

behaagt; het eenzelvige

verliest weldra zyne aantreklykheicl

". Over het Hoe,

het waarom, en het daarom, zullen wy

niet Philojopberen. Kortheids en zekerheidshalve

beroepen wy ons op geen

minder perfonadie dan de Ervaarenheid.

Zy is in/laat om de ongelovigfle

wargeest , dddr van te overtuigen

,

en dat wel zo volkomen, dat

wy geen aesje van het onze in dé

fchaal hoeven te werpen.

' Ziende dat onze Werkjes, zo in

Poëzie als in Proza , nog al taamlyk

aan den [maak van veelen onzer

Landgenooten voldoen , hebben

wy eens eene proef willen nemén *,

ef een Boekdeel Brieven , door ons

* 2 S*-


iv B E R I C H T .

gefchreven en ontfangen , nevens eeltige

weinige Brieven uit die van den

Here POPES verzaamling, hier vertaald

bygevoegt, insgelyks zullen voldoen.

Het Debiet alleen , zal ons ,

ongeveitist , de waarheid zeggen , en

alle gisfingen , zo vóór als tegen ,

wegnemen , of bevestigen. Zien wy

dat wy eene verkeerde rekening gemaakt

hebben, dan zullen wy het by een deel

laaien berusten ; * bejluiten om liever

befchreven dan gedrukte papieren aan de

Komenyswinkels , gratis uïttedeelen.

Eene aanpryzende Voorrede , is eene

wenfchelyke zaak , dat bekennen

wy ; zvat jammer dat wy 'er in

levendige lyve, geen gebruik van durven

maken! Ons te laaten pryzm door

een douzyn of twee Puikdichters, dat

firookt ook niet heel zeer • met onze

voorbeeldige zedigheid. Daar zal dan

niet veel beters op zyn , dm dat

«7 >


B E R I C H T .

v

wy , zonder veelt complimenten daar

over te maken, het Werk aanbieden

zo als het is. Wy verzoeken alleen,

Leest, en Oordeeld; en gy zult

zien , dat ons oogmerk, ook in dit

Jluk , niet alleen onberispelyk , maar

ftellig goed is. Het is voornamenU

lyk nuttig voor onze Jonge lieden ,

en kan mooglyk aanleidelyk zyn, om

draagelyker Brieven te leer en fchryven

, dan men veel al van hen ontfangt.

Een gemeenzaams Brief, is

een gefprek met een afweezige , die

ik myne gedagten mede deel. Die

„ wél denkt , fchryft wél zegt

men , met veel reden ; doch de gewoonte

maakt ons iets gemakkelyk.

Mooglyk breidt ook niets zo zeer het

verfland van jonge menfchen uit,

dan eene gefchikte Briefwisfeling ,

over iets meer dan Beuzelagtig nieuws-,

of gemaakte deelneming in geringe toeval-


vi B E R I C H T .

vallen. En hier mede wenfchen wy

alle onze toegenegene Lezers, en

Lezeressen het beste; afwaaiende of

wy een tweede deel zullen ter Perfe

brenge : mislukt het ons , Even goed

vriend ! Wy zullen dien vernederenden

ramp met zo veel gelatenheid zien té

dragen , als billyk van ons door ken-

•ners van 't menfchlyk hart, kan ge-

'êifcht worden. Meer hebben wy mi

niet te zeggen.

Jiyp in Noordholland:

24 J«ly MCCLXXX*

IN


LYST D E R BRIEVEN.

h BRIEF; % '. Pag-

H. • • -^25

ÏII. i . '— 43

V. • .• • - 69

VI. .- . '— 34

VII. • . - 9°

VIII. . . 1— 91

IX. . . '— 1 0 0

x- - •

XI. . • —.108

XII. . - T- ïio

XIII. . • -—132

XIV. ' • .

1

— 126

XV. . . '— 139

XVI. o . , 141

XVII. . . 1—' 144

XVIII. ~ - , 147

XIX. . . —,150

XX. • . . "— 153

XXI. . . — 155

XXII. . . 178

XXIII. • * . v . 1— 18S

XXIV. • . . ,— 201

XXV. , . . —214

XXVI. . . — 223

XXVII. . , —^234

XXVIII. . jj 238

XXIX.


viu LYST DEK BRIEVEN,

XXIX. BRIEF. ; -

P A G < U G

xxx.

t

. _

254

XXXI, : , _ 2 6 7

XXXII. .

;

_

z u

xxxm—— . , , 281

XXXIV. ~* . . te« 2$4

xxxv, — , . ^

2p7

XXXVII. — , , . ^

3 0 7.

XXXVIII. — . • . _

tt


EERSTE

BRIEF.

GEËERDE

ZUSTER!

(jfy vraagt my, in uwen aangenamen, wat

ik toch denk over twee Boeken, die gy als

zeer zeldzaam hoort befchryven : „ Myne

„ nieuwsgierigheid, wordt, zegt gy, geduu-

„ rig aangeprikkelt ; want , ik hoor haast

„ niets in den kring waar in ik my bevinde,

„ dan fpreken over 't Syjleme de la Nature,

„ en FAn Deux mille enz'"'

Ik weet, waarde Zuster, dat uw bezig leven,

u den tyd niet laat om veel te lezen:

en dat gy de uuren die gy overfpaart, juisc

niet gebruikt om Gefchriften te lezen die u

niet zeer gemeenzaam zyn. Ik win u meermaal

de moeite uit , door u een kort en

eenvoudig verflag te doen van zodanige Boeken

waaromtrent gy begeerig zyt iets meer

dan den titel te kennen.

Laat ik u dan mogen zeggen, dat het Sy~

ï. DEEL. ' A ft*'


S BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

jfem de la Nature het Handboek der Atheïsten

is; en nog zynen roem behout by die

ongelukkige Wysgeeren; niettegenftaan'de de

verftandige Profesfor CHATILLON het volkomen

wederlegt heeft. De Opgang die het,

by genoemde Wysgeeren, maakte, de triumph

waar mede het uitgebazuint wierdt , deedt

my nieuwsgierig worden om dat Boek ook

eens te lezen.

Dit zyn myne gedagten over dat befaamde

Boek, en over deszelfs Maker.

De Schryver heeft zyn uitmuntend talent

om vlocijend, en innemend te fchryven, op

de fchandelykfte wys misbruikt, om zynen

Schepper te hoonen; om zynen evenmensen

te verwilderen, en dien, nevens hem zelf

voor tyd en eeuwigheid ongelukkig re maken!

Hy is een man die de zekerfte waarheden

opzettelyk betwist; volftrekte valschheden,

zonder eenige fchaduw van bewys als Axïomata

voordraagt: uit dit alles befluit ik, en

dat wel , zonder my aan eene onwaardige

liefdeloosheid fchuldig te maken , dat de

Schryver een zeer flegt hart heeft; hy verdient

des de verachting van elk braaf mensch,

dat God en zynen Naasten bemint, en wiens

gezond verftand in ftaat is om het fchandelyk

oogmerk dezes mans te dóórzien.

Gy


ONDERWERPEN. E BRIEF. 3

Gy weet wel, waarde Zuster, dat ik alles

durf lezen; maar ik zonder daar van uit zulke

Boeken, die de eerfte begindzelen van het

gezond Verftand tegen gaan. Waarlyk, een

Schryver van dat foort , zo hy zich niet

ligtgelovig heeft laten misleiden , is een

fchnrk, die met de menfchelyke hartstochten

fpeelt ; en hierom ook te verdenken

is, zelf in die redenkavelingen die eenigen

zweem van juistheid hebben , welke zy

trouwens ook doorgaans verliezen , als wy

die van des Auteurs ftellingen voorzichtig

affcheiden , en vervolgens aan den toets,

fteen van het gezond Verftand beproeven.

En nu , myne waarde Zuster , kunt gy

by u zelf eens opmaken wat men te denken

hebbe van die Lieden , die dit Boek

voor een Meesterftuk , wat zeg ik , eene

volftrekte betooging voor het Jiheismus

houden ! En deeze lieden wenden echter

vóór , dat zy de Vrienden der Waarheid

zyn ! Zy zyn de verlichte Wysgeeren die

op ons, met een hoonend medelyden, nederzien,

als op zwakke ligtgelovige fchepfels,

die de grootfte dwaas-, en tegenzeggelykheden

, gemaklyk aannemen , als zy ons

maar op een ontzachverwekkenden toon worden

voorgepredikt !

A 2

Gy


4 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Gy vergt van my niet , u de bewyzen

van myn zeggen uit het Boek zelf aantetoonen

? De beroemde Heer CHATILLON

heeft dit voor my, en voor elk die 'er belang

in neemt , reeds gedaan. Het is nu

aan de Begunftigers c'eezes Werks om 'sProfesfors

redenen te weerleggen. Was onze

Eeuw zo verlicht als men het een Fraay

Vernuftje , geduurig , aan het ander gewaand

Philofoopbje hoort verzekeren ; dan

zoude men niet moeten vreezen dat opgepronkte

redeneeringen , op valfche ftellingen

gebouwt, invloed krygcn op den geest

der Menigte ; zo als wy nu , helaas, ondervinden,

dat er veelen door misleid worden

! Hoe bedroeft het myn menschlievend

hart , als ik zie , dat Lieden , zo bekwaam

, als den Schryver van Syfteme

de la Nature, i n

ftaat zyn, om zich er op

toeteleggen , der Waereld een famenftelfel

•van Godverzakery in handen te doen krygen

!

Niet alleen de Vyanden , maar ook de

onbezonnen Vrienden , van den Heer DE

VOLTAIRE , geven , (uit zeer onderfcheiden

gronden , kunt gy wel denken,) vóór,

dat hy de Schryver daar van is. Hy ontkent

het fterk : en offchoon ik 's mans karakter

te wel meen te kennen om eenig ver-

trou-


ONDERWERPEN. I. BRIEF. 5

trouwen te kunnen ftellen op zyne ontkenningen

, of bevestigingen , waar mede hy

naar zyn eigen goeddunken fpeelt ; zo geloof

ik echter , dat hy den Schryver niet

is van Syfteme de la Nature: mooglyk zoude

ik my verheugen indien het waar was; want

dan hadt men één man te minder, die zyne

talenten fchandelyk misbruikt. Ik ben noch

de Vriendin , noch de Vyandin deezes vermaarden

mans: maar ik vereer den Menschlievcnden

Schryver der Alfire en der Zaïre;

ik acht den vyand van het Fanatisme , in

een Mahomet , in een Hendrik de Gr me :

terwyl ik met verontwaardiging den Prediker

des Ongeloofs , en der Zedenloosheid ,

befchouw , en altoos door den grooten

Dichter verrukt worde ; ja , zyne Zedekundige

Brieven , van buiten ken. Als Historiefchryver

, als Natuurkundige , is hy

niets meer dan een aangenaame Babbelaar.

En wanneer hy de Theologant fpeelt, maakt

hy eene zeer bedroefde vertoning ; terwyl

men hem alle oogenblikken van valfche aanhalingen

, en uit den zin gefcheurde plaatzen

der Heilige Schriften , moet befchuldigen.

Ik acht des een VOLTAIRE niet te

naauw van geweten om dusdanig een Boek

te fchryven ; maar 't is zyn ftyl niet ; de

Welfprekenheid daar in vervat, is zo onderfcheiden

van den fchitterenden trant eens

A 3

VOL-


6 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

VOLTAIRE , dat het my niet in 't hooft kan

komen , hoe lieden , die zyne Schriften

zo wél kennen , als de kundige liefhebbers

der fchilderkunst een RUBBENS uit een

REMBRAND kennen , in dit begrip gevallen

zyn.

Nu zal ik my verledigen om u te voldoen

, omtrent het Werk genaamt , U/In

deux mille quatre cent quarante. Deezc

taak zal my veel aangenamer vallen. Uitgelokt

door den aartigcn tytel , Het Jaar

tweeduizend vierhonderd en veertig , ontbood

ik dit Boek ; en by de eerfte lezing beviel

het my reeds zo zeer , dat ik het , voor

de tweedemaal , met de pen in de hand

herlas ; om , naar myne gewoonte , het

geen my 't meest behaagde , aan te flippen.

Ik bekommer my niet , dat deeze

door my dus gemarkeerde Boeken , te minder

gelden zuilen ; want als de Dood die

voor my onbruikbaar gemaakt heefc , zullen

zy, onder u en andere myner beste Vrien.

den, verdeelt worden : en ook ik gebruik

myne Boeken; 't welk ééne der redenen is

dat ik geene Ingebonden Boeken verkies boven

Ingenaaide : Dit zo eens in 't voor

bvgaan!

Zeker voornaam Godgeleerde van de Publi-


ONDERWERPEN. L BRIEF. 7

blique Kerk, fchreef my: „ ik heb het

Boek gelezen ; 't behaagt my zeer : en

de Schryver hoeft maar ééne trede te doen

om een'Christen te zyn". Ik heb , na alles

aandagtig gelezen te hebben , gezien , dat

zyn Eerw. gelyk had. Maar , dewyl de

Schryver die trede echter nog doen moet ,

voor dat hy een Christen is, zo kunt gy wel

nagaan , dat ik , in dit opzicht zeer met

hem verfchille? Zyne Zedenleer is , met

dit alles , die van het Euangelie. De

Schryver is een geestig , verftandig , belezen

, eerlyk man. Hy is de Vriend der

Menfchen ; hy deelt , als een braaf Burger

, in den roem , en in de vernedering

zynes Vaderlands. Willekeurige Vorsten ,

die hun magt misbruiken , hooren hier eene

taal die hen op hunne troonen moest

doen tzidderen : maar hooren zy die taal 2

Om u een recht begrip te geven van den

Titel, zo gelieft te weten, dat het Boek

eigentlyk een fchildcry is van de gefteltheid

dier verre afgelegen Eeuw. 't Is een Droom.

De Schryver droomt, dat hy, in die Eeuw.

leef: , en verhaalt ons het merkwaardigfte

't welk hem ontmoet is.

Hy bepaalt zich wel in 't algemeen, binten

zyn Vaderland , Vrankryk ; doch de

A 4 - S e -


# BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

gelukkige veranderingen , daar ontdekt ,

hebben ook invloed op het overige gedeelte

der Waereld. De Schryver ,' onzen fmaak

voor het ongemene kennende , heeft, mooglyk,

deezen tytel daarom voor zyn Werk

geplaatst; en zyn oogmerk is zeker niet te

berispen , te meer nog , daar hy ons niet

misleid, maar inderdaad de fchildery van dat

Jaar levert : Indien de Droom des Schryvers

niet word tegengefproken door de Ondervinding

; ie:s waar over wy , op den

afftand van zeven Eeuwen niet kunnen oordeelen.

Ik'geloof met dit alles, dat- men de Vertaling

van dit, in veelen opzichte ontfchatbaar

Bo± , niet moet aanraden. Het is ,

eigentlyk, voor Vrankryk gefchreven ; en

cr zyn zeer veele Hoofdftukken in , die

voor onze meeste Landsgenoten , aan seen

Franfche Gefchriften gewoon , onverftaanbaar

zyn moeten. Men dient eenige kennis

te hebben van den tegenwoordigen Haat des

Franfchen ryks ; niet alleen met betrekking

tot de Politique beftiering , maar ook met

opzicht tot de Zeden en Gewoonten , tot

den ftaat der Geleerdheid, der Kunften en

Wetenfchappen ; der Accademien en GenooJfchappen.

Zv


ONDERWERPEN. I. BRIEF. 9

Zy die hunne Le&ure niet bepalen tot den

engen kring onzes Vaderlands , zy die in

het lezen van Buitenlandfche Schriften, een

goede keuze doen , zyn alleen in ftaat om

dit Boek , met de grootfle vergenoeging

te lezen; en zy die deeze gefchiktheid niet

hebben , moeten zich te vreden houden

met die Hoofdftukken ,. die op de Zeden

in 't algemeen betrekkelyk zyn , en ook

voor die, is er onbefchryflyk veel fchoons

in te ontdekken.

Ik hebbe uwe nieuwsgierigheid nu nog

méér aangewakkert ; maar ik zal hier ook

myn Brief niet fluiten. Wil ik aan uw oogmerk

voldoen , dan moet ik u hier eenige

ftaalen uit ov.erfchryven ; dit wil ik ook

gaarne doen ; doch ik ben verlegen wat

jk , uit zo veel fraais , u zal mededcelen

! Tot de Opdragt toe verdient onze

verwondering. Hy luidt aan het Jaar Tweeduizend

vierhonderd en veertig. Ik kan my

niet weerhouden om u deeze weinige regels

, daar uit te vertaaien:; dus begint

hy: „ Uitmuntend, eerbiedens.waardig Jaar!

gy die het Geluk op de aarde zult te rug

„ brengen , u die ik helaas maar in eenen

„ Droom heb mogen zien ! Als gy uit den

„ boezem der Eeuwigheid, zult voortvloei-

„ jen , dan zullen zy die uw Licht aan-

A 5

» fchou-


IO BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ ichouwen , myn gebeente j en dat van

„ dertig Gefiagten , die na elkander ukge.

„ bluscht , en verdweenen zyn , i n

de

„ diepe afgronden des doods ', achteloos

„ vertreden. Dan zullen de Vorsten die

„ na op de troonen der aarde zitten, niet

„ meer zyn ; hunne afkomelingen zullen

„ niet meer zyn : en Gy ,

g y z n I t h e t

„ Vonnis uitfpreken , over verachtelyke

„ Vorsten , en over de Schryvers die ón-

„ der hunne Oppermacht geleeft hebben.

„ De JVamen der Alenfchenvrienden , der

„ Verdedigers der Menlchen zullen uitfchit-

„ teren , zullen geëerbiedigt worden ; hun

„ roem zal onbevlekt , en glansryk zyn.

„ Maar deeze lage rang der Koningen , die

« het menschdom geplaagt , en verdrukt

„ hebben , nog meer verzonken in de ver-

„ getelheid , dan in het ryk des doods ,

„ zullen der fchande niet ontgaan, dan door

j, de begunftiging der Nietaanwezigheid".

Dit weinige uit de Opdragt zal u , waarde

Zuster , inftaat ftellen , om te oordeelen

over den trefiènden ftyl waar in dit Werk

gefchreven is.

Het Boek doorbladerende, om u nog het

eene en andere daar uit medetedeelen , ben

ik waarlyk in de veelheid der fchoonheden

verward; ik weet niet wat j'k eerst zal kiezen.


ONDERWERPEN, I. BRIEF. II

zen. Evenwel ! ik moet eene keuze doen.

Laat ik die. dan zó inrichten , dat gy met

uwe eigen oogen zien kunt , hoe onbillyk

men den Heer MERCIER behandelt , als men

zyn Boek óók maar één oogenblik verwystj

naar de Bibliotheeken der zogenaamde fterke

Geesten ! Het Hoofdftuk welks titel is ,

De Tempel , zal inftaat zyn , om aan dit

myn oogwit te beantwoorden. De Schryver

bevindt zich dan in een Tempel , wiens

grootfche eenvoudigheid hem aandoet ; hy

leest er dit Opfchrift: DE TEMPEL GODS. Alles

beantwoordt aan de zuiverfte denkbeelden

die wy van eenen Godsdienst , buiten de

Openbaring , hebben. Ik zal , om niet al

te veel uittefchryven , my. alleen bepalen

by het Gebed , dat daar daaglyks met de

diepfte gevoelens , en de grootfte kentekens

van eerbied, wordt uitgefproken. Dus

luidt het :

G E B E D .

„ Eenig , ongefchapen Wezen l wyze

", Schepper van dit uitgeftrekt Heelal! Daar

„ het uwe goedheid behaagt heeft , u aan

den Mensch bekent te maken ; en een

zo zwak fchepzel van u de dierbaare gift

ontfing, die het in ftaat ftelt, om uwe

„ gróote en heerlyke Werken te - befpie-

« go


X2 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ gelén ; gedoogt dan ook niet , ó God,

„ dat uw redelyk ichepzel , even als het

„ domme Vee , deeze fchoone aarde be-

„ trede zonder uwe almacht en uw* wys-

„ heid te verëereó I"

» Wy, ö Heere, bewonderen uwe heer-

„ Iyke Werken | Wy zegenen uwe vry-

« matige hand .' Wy aanbidden u , als

„ onzen Heer ; maar wy beminnen u als

„ den algemenen Vader van alle ichepze-

„ len. Ja |

g y z y t 2 0

goedertieren als -gy

» ^ot zy: ; alles zegt ons dit , en ons

„ hart verzekert het ons .' Indien ons , op

„ deeze benedenwaereld , ri zommige ram-

„ pen trefFen , dan is het om dat zv voor

„ ons onvermydelyk zy R

; - en ook Het

„ is uw godlyk welbehagen: 'dit is ons ge-

„*noeg 1 Wy onderwerpen ons aan u met

„ vertrouwen; ja, wy hopen in uwe barro-

„ hartigheid. Verre van ons dat wy zou-

„ den opftaan. tegen u , zo danken wy u

„ dat gy ons gefchapen hebt om u te ken'

„ nen". _ .

„ Laat elk u vereeren op die wyze die

„ zyn hart hem zegt dat u het aangenaam-

„ fte zy : wy zetten zynen yver geene

„ paaien. Gy hebt u verwaardigt tot ons

„ door uwe. Werken te fpreken. Onze ge-


ONDERWERPEN. I. BRIEF. 13

w

hele .Dienst beftaat in u te aanbidden , in

u te loven , en voor uwen troon uit te

„ boezemen dat wy zwakke, elendige, zeer

„ bepaalde fchepzels zyn ; en dat wy geen

„ oogenblik buiten u beftaan kunnen".

„ Indien wy ons zelf misleiden , indien

„ er een dienst zy u meer behaaglyk dan

„ deezen die wy u bewyzen , wy fmeken

, u dan, open onze oogen , en verdryf de

„ nevelen uit onzen geest , gy zult ons

„ getrouw aan uwe bevelen vinden. Maar

„ indien gy genoegen neemt in deeze zwakke

eerbewyzen; die wy uwe grootheid ,

uwe wysheid, uwe goedheid verfchuldigt

, zyn, geef ons dan dat wy ftandvastig zyn

in deezen dienst , en bewaar ons in die

„ eerbiedige begrippen die ons vervullen."

„ Behoeder van het geheele Menschdom !

Gy die met één blik uwer oogen alles

" doorziet ; geef , dat uwe Liefde het

hart van alle de Bewoonders der Waereld

„ voor elkander ontgloeije! Geef , dat wy

„ eikanderen als Kinderen van een en den-

„ zelfden Vader beminnen ! en dat al wat

„ leeft en denkt , zich verëenige om u te

„.loven , en te danken".

„ Wy durven u niet bidden om een lang

„ leven. Het zy gy ons van deeze aarde

weg-


14 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ wegneemt , het zy gy ons hier laat ,

„ wy zullen uwe Godlyke oogen niet ontij

glippen. Wy fmeken u alleen om meer-

„ der deugd ; om dat wy bevreest zyn

„ immermeer tegen uwe wyze fchikkingen

;, aantegaan ! Laten wy nedrig , onder-

„ worpen , en aan uwen wille geheel en al

„ ondergefchikt zyn ! En het zy dat wy

„ ons leven door eenen zagten , of door

„ eenen fmartelyken dood eindigen , neem

„ ons 6 Eeuwige Bron van Gelukzaligheid ,

„ in genade aan. Onze harten zuchten naar

„ uwe tegenwoordigheid.' Laat dit aardfche

„ bekleedzel weg vallen, en laten wy in uwen

„ fchoot opvaren ! Gy hebt ons zo wél

„ gedaan , dat wy deeze grootfche hoop

„ durven voeden! Wy offeren u deeze on-

„ ze vuurige begeerten , dewyl wy voelen

„ dat gy ons gefchapen hebt om uwe wel-

„ daden te genieten".

Kunt gy , myne Zuster , dit gebed lezen

zonder de grootfte aandoening ? zonder

te bidden dat God zulk een uitmuntend

Schryver de genade bewyze om het Euangelie

aantenemen , als vervattende niet alleen

de beste Zedenleer , maar tefFens den

weg om met Hem, door JEZUS CHRISTÜS verzoent

te worden.

Ver-


ONDERWERPEN. I. BRIEF. 1$

• Vervolgens, „ Gy aanbidt God , zeide

„ ik , maar gelooft gy ook de Onfterflyk-

„ heid der Ziel ? Wat is uw gevoelen over

„ dit groot , en duister onderwerp ? Aüe

. Wysgeeren hebben het willen doorgron-

„ den. De Wyze , en de Dwaaze hebben

„ het hunne gezegt. Wat denkt uwe Eeuw

„ daar toch over" ? Zyn Geleider antwoordt

hem dus :

„ Om de Godheid aan te bidden , heb-

„ ben wy weinig meer dan ons gezicht no-

„ dig. Wy behoeven flegts in ons zelf in-

„ tekeeren , om tc ontdekken dat 'er , in

„ ons , iets is dat leeft , dat voelt , dat

„ denkt , dat wil , dat zich bepaalt. Wy

„ geloven dat onze Ziel onderfcheiden is

, van de ftoffe , en dat zy van eene ver-

,', Handige natuur zy ; maar wy redeneeren

„ niet zeer veel over dit nuk : wy vinden

„ behagen in alles te geloven 't welk de

„ Menfchelyke natuur verhoogt. Dat Leer-

„ ftelzel 't welk dit gevoelen begunftigt ,

„ behaagt ons het meest". De Ongelovigheid

is niets dan zwakheid ; en de

grootschheid der gedagten is , in dit opzicht

, het Geloof van een Verftandig Wezen.

In het Hoofdftuk ,

getytelt Komnghks

Bi-


ï6

BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Bibliotheek , is ook zeer veel dat gy

m e C

vermaak zoudt hooren : ik zal echter alleen

het volgende vertalen.

„ Ik vond in de eerfie Kas de volgende

„ Griekfche Schryvers: HOMERUS, PLATO,

„ SOPHOCLES , EC7RIPIDES , DEMOSTHENES '

* en ook onzen Vriend PLUTARCHÜS ; maar

„ men hadt HERODOTDS , SAPHO , ANA*

„ CREOV , en ARISTOPHANES verbrand. Ik

„ wilde nog iets ter verfchooning van ANA-

», CREON inbrengen ; maar men gaf my re-

„ den van dit vonnis , doch die waren van

„ zodanig een aart , dat men ze nu niet

„ zoude verftaan , ik zwyg die des."

„ De tweede Kas bevatte de Latynfche

„ Schryvers. Ik vond hier VÏRCILIUS , PLI-

», MUS , en TITUS LIVICS geheel ; maar

„ men hadt LUCRETICS verbrand , uitgeno-

„ men eenige Poëtifche plaatzen ; om dat

», zyn Natuurkunde valsch , en zyne Ze-

„ denleer gevaarlyk is".

» De langdradige Rechtsgedingen van ci-

« CERO hadt men ook weg genomen ; maar

„ men hadt zyne Wysgeerige Schrif en be-

„ waart , als zeer dierbare gedenkftukken

„ der Oudheid, OVIDIUS en HORATIUS , hadt

>, men van het ontuchtige gezuivert. sÉÉos-

TIUS


ONDER WERPEN. I. BRIEF; ï?

& TIUS en TACITÜS waren insgelyks geheel

ji overgebleven ; doch SENECA was op een

„, vierde gedeelte verminderd, QUINTILIANUS

was tot een zeer dun Boekdeeltje inge-

„ kort ; PETRÓNIUS en CATUIXUS hadt men

s, vernietigt".

„ In de derde Kas waar in de Engelfchc

ü Schryvers geplaatst waren , vond ik MILf',

TON , SHAKESPEAR , POPE , YOUNG en

RICHARDSON nog in het vol bezit van al

„ hunnen roem";

„ De vierde Kas bevatte de Italiaanfche

„ Auteuren. Het Verloste Jerujalem^ ftondt,

>, als het fchoönfte Dichtftuk, op de eerfte

„ plaats : men hadt , eene groote verza,-

*j meling van Boeken , tegen dit heerlyk.

4, Werk gefchreven * verbrand. De be-

,j rüchte verhandeling over de Misdaden en

„ de Straf en , ftondt hier j doch zo zeer

verbetert , en verandert als het Onder-

„ werp eischte. Ik zag , met verwonde-

„ ring , dat de Italianen

s

zedert eenige,

{ )

Eeuwen zeer fchoone Wysgeerige Boeken

9, hadden gefehreven. Zy hadden den Ta-

,j lisman verbroken , die het Bygeloof j eii

^ de Onkunde by hen fchenen te vereeuwi»

9, gen";


ït BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Eindelyk kwam ik by de Franichc

„ Schryvers. Zeer driftig nam ik drie Wer

3, ken te gelyk op ! 't waren die van DES-

CARTES , MONTAIGNE en CHARRON : de

r, tweede hadt eenige veranderingen onder-

„ gaan ; maar dewyl hy één der geenen is

„ die de menfchelyke Natuur het best ge-

5, kent hebben , hadt men zyne Schriften

bewaart hoewel alle zyne gevoelens

j , niet ten vollen onberispelyk zyn. Men

hadt de Vifionaire MALLEBRANCHE , de

„ zwartgallige NICOLE , de onbermhartige

9, ARNAULD , en wrede BOURDALOUE geheel

verbrand.- Alle fchoolfehe verfchillen wa-

„ ren hier zo onbekent , dat , toen ik

5, fprak Vaiï de Herdcrlyke Brieven , en de

„verdelging- der Jefuiten , de Bibliotheka-

„ ris my een antwoord gaf , ft welk be-

5, wees • dat hy my niet verftaan had. Men

fprak over de Jefuiten zo als wy nu fpres5

ken over de oude Druïden.

„ Ik opende , ik doorbladerde , ik doorr

zogt de Schryvers die ik gekent had. He-

5, mei ! welk eene verandering 1 waar is

toch vroeg ik , de vermaarde BOSSUET ,

„ die men in myn tyd in twaalf quarto's ga-

9, drukt heeft ? Alles is weg , kreeg ik

ten antwoord. Hoe, hervatte ik •,- di©'

Arend die ia, de hoogile Gswesten deg

LushtSj,


ONDERWERPEN. 1 BRIEF. 10.

j, Luchts, die Genie... wel wat konden wy

„ toch van hem gehouden hebben ? vroeg

„ myn Geleider my. Hy hadt Genie , dat

„ beken ik , maar hy heeft die zeer flege

„ gebruikt. Wy hebben deezen grondregel

„ van MONTAIGNE aangenomen : JFy moeten

niet vragen wie is de grootfte , maar wie

„ is de beste Geleerde. De Jlgemecne Historié

„ van BOSSUET was niets dan een Tydreken-

„ kundig geraamte, zonder geest, zonder le«

ii ven. — „ Maar zyne Lykredenen, even-

„ wel"— „ die hebben ons juist tegen hem

„ vergramt! zy zyn niets dan de armhartige

„ taal der flaverny, cn der vlcyery." „ Wat

moeten wy denken van een Dienaar van

„ den God des Vredes, van een God der

?, Waarheid, die ten predikftoele opklimt om

een haatlyk Politiek , een gierig Staats-

„ dienaar , een flegte Vrouw , een bloedgierig

Veldheer , te pryzen ? Hoor ,

„ wy zyn geen Vrienden van BOSSUET. Hy

„ was ook buiten dit een trots , ongevoe-

„ lig man , een heerschzuchtig gedwee Ho-

„ veling. Maar zie daar, zyn mede-

„ genoot de zagtaartige, vriendelyke, be-

„ minlykë , aandoenlyke FENELON , Schryver

van den Telemachus, en zeer veel an-

„ dere Werken die wy zorgvuldig bewa-

„ ren , om dat wy hier de zeldfamegaaf

„ ontdekken, die de reden en het gevoel zp

B 2 Ü 6«-


fflO BRIE Y E N OVER VERSCHEIDEH

„ gelukkig weet te vereenigëh. Een TELB^

„ MACHUS te fchryven aan het Hof van

„ eenen LODEWYK DEN XIV. komt ons voor

„ als eene ongemeene blyk van deugd , en

3 i

braafheid." —- Verder

„ In den rei der Poëten vond ik CORNEIL-

„ LE , RACINE , MOLIÈRE , maar hunne

„ ophelderaars waren weggedaan. Aan wie

„ vroeg ik geeft men den voorrang van dee-

>, ze drie?" „ Wy verftaan, kreeg ik ten

„ antwoorde, MOLIÈRE niet meer; de ze.

„ den die hy fchilderde zyn ons onbekent,

9, Het fchynt Ons toe dat hy meer heeft toegelegt

om de zotternyen dan wel de on-

9, deügden ten toon te Hellen, en wy doen

s, juist het tegendeel; gy lieden hadt ook

3 S

meer ondeugden dan belachlykheden. Wat

„ de twee Treurfpeldichters betreft, ik be-

„ gryp niet dat een man' van uwe jaaren,

33 zulk eene vraag doen kan ! De uitmun-

„ tendfte fchilder van het menfchelyk hart;

„ hy die het meest onze ziel uitbreid , en

j, verheft ; hy die de tegenkantingen der

„ driften het volmaakst kende , en de ver-

,, borgendfte beweegraderen der Staatkunde

„ het duidelykfte zag, hadt immers de groot-

», fte Genie ? en is des verheven boven zy-

«, nen mededinger , die met een zoetlui-

»> deader en zuiverder ftyl, meer opletten-

„ heid s


OND'ÏUWER'PEN; I. BRIEF. 31

„ heid, minder fterkte, minder nadruk hadt.

RACINE hadt noch het fchrander doorzicht,

noch de verhevenheid,noch de hitte,noch

„ de redeneerkunst , noch die verbaazen-

„ de onderfcheidenheid der kara&ers. Voeg

„ hier by , het zedelyk oogmerk is altoos

, 9

door CORNEILLE behartigt. Hy voert dea

„ mensch op tot de hoofdftofFe van alle de

„ deugden, tot de vryheid! RACINE heeft

eerst zyne helden , en toen zyne be-

„ fchouwers verwyft gemaakt.

„ Ik vond hier ook CREBILLON , die de

„ misdaden mee hunne eigentlyke verfchrik-

„ kelyke verwen heeft gefchildert ! Het

„ volk leest zomtyds nog zyne Hukken ,

„ maar men kan de vryheid om hen te ver-

„ toonen , niet toeftaan.

„ Men. kan. wel denken , dat ik mynen

„ Vriend LA FQNTAINE zeer fpoedig kende;

„ LA FONTAINE , even zeer bemint , als

3, gelezen ! Hy is de grootile Zedenfchry-

5, ver , zo wel als de eerfte Dichter ; en

,, MOLIÈRE , wiens fchrander doorzicht gy

kent , heeft , met reden , hem de on-

„ fterflykheid voorzegt. Efprit des Loix ,

„ de Natuurlykc Historie , de Vriend der

Menfchcn, de Belifaire , de meeste Werp

ken van LINCUET , de Redeneringen van

B 3 „ TH»-


32 BRIEVEN pVER VERSCHEIDEN

„ THOMAS , de Samenjpraken vsn PHOCIQV ,

9, ftonden hier , insgelyks , met achting

i, bewaart."

Ik zal deezen Brief eindigen met het geen

wy in dit Boek , nopens de Werken van

J- J. ROTJSSEAU en DE VOLTAIRE vinden ;

wel verzekerd , dat 'gy dit met genoegen

lezen zult. Gy kent beide deeze Heeren

genoeg om te kunnen oordeelcn in hoe verre

het geene 1 zo ftaat te volgen , gegrond

of ongegrond - zy : dus vervolgt de Schryver.

„ Ik greep eenen VOLTAIRE ; ö Hemel !

?, riep ik uit , wat heeft hy veel van zyn

„ omtrek , zyn welvarend voorkomen verloren

! Waar zyn toch die zesentwintig

s» Deelen in Qaarto die zynefc hitterende ,

„ en onuitdroogbre Pen ons gegeven heeft?

Indien deeze vermaarde Schryver in de

„ Waereld te rug kwam, wat zou hy verbaast

zyn ! Wy hebben , kreeg ik ten

9, antwoord , ons verplicht gevonden om

9, een groote menigte van zyne Werken te.

,, verbranden. Gy weet wel , dat deeze

,', fchoone Genie ' wat heel veel fchatting

„ aan de menfchelyke zwakheden betaalt

3, heeft. Hy was al te hirstig om zyne

5, denkbeelden mede te deelen : weinigen

„ heb-


ONDERWERPEN. I. BRIEF.

„ hebben hunne volkomen rypheid. Hy gaf

„ altoos het ftoute de voorkeur boven een

„ langfaam onderzoek der waarheid. Zeer

„ zelden is hy iets, meer dan oppervlakkig.

„ Hy geleek naar een dier altoos huppelen-

„ de Vogels , die met eene aartige vlug-

„ heid , en geestige levendigheid over het

„ oppervlak eener breede Rivier heen flod-

„ deren , drinken , en alvoortvliegende ,

„ rondom van zich fpatten. Hy vereenigde

„ de Genie met het vernuft. Men kan hem

„ de Liefde voor het menschdom in veele

„ opzichten geenszints betwisten. Hy heeft

„ voor de belangens der ongelukkigen met

„ moed geftreden. Hy heeft de vervolging,

„ en allerlei foort van dwingelandy gevloekt

„ en verachtelyk gemaakt. Hy heeft eene

„ verftandige en zielroerende Zedenleer ten

„.toonecle gevoert. Hy heeft de Helden-

„ deugd natuurlyk gefchildert. Hy is de

„ grootftc Franfche Dichter. Zyn Hendrik

„ hebben wy bewaart, niet tegenftaande het

„ kleine van zyn ontwerp ; want de naam

„ van HENDRIK DE IV. is by ons in zege-

„ ning , en verheft het Dichtftuk tot de

„ onfterflykheid, Zyne fchoone Treurfpelen

„ zyn by ons in de volmaakfte achting. Wy

, hebben alle zyn Profafchriften bewaart

waar in de zotte fcherts op byzondere

„ perfoonen niet gevonden wordt , en

B 4

?» ww


34 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ waar in hy de deugd en goede zeden eerbiedigd

: want dan ziet men zyn llerkte;

in die Hukken is hy origineel ; de laatfte

« vyftien jaaren van zyn leven heeft hy al-

„ leen herhaalt het geen hy gezegt hadt.

,, Zyne nyd over den lof van j. j. ROUSSEAU

» heeft hem zodanig verblind dat hy dien

„ Schryver zeer fchandelyk heeft bejegent.

>; en wy hebben ons genoodzaakt gevonden

*> o m z y n e vuiligheden en kwaadaartige in-

„ vallen te vernietigen , op dat de laate

„ Nakoomlingfchap hem niet met de grootfte

?, verachting zoude behandelen."

Ik had gemeent u hier het oordeel- over

de Gefchriften van j. j. ROUSSEAU ook overtefchryven;

maar deeze Brief-is reeds lang

genoeg: eenige bezigheden die ik daar kryg

maken het my voor eerst onmooglyk , en

gy zult verlangen naar deezen. Vaar 7

wel,waarde Zuster, groet alle de uwen VOQI

awe Zuster en Vriendin.

T W EE-


TWEEDE

BRIEF.

LIEVE

VRIENDIN!

5, Schryf , zegt gy , of ik zal u uiet

„ meer zo lief hebben." Hoe lief ? myn

zoete knorrepotje ! zo lief als ik wensch ?

ik weet niet of die wensch ooit kan verhoort

worden; want, waarlyk, ik wensch

zo heel véél in dit opzicht.

Weet gy waar het my hapert ? kom aan

ik zal myn hart , om zo te fpreken , eens

op de tafel leggen , ik zal het u laatea

door zien... begeert gy al dien omhaal niet?

dan zal ik u korter helpen en u zeggen : ik

begin nu reeds , zo duidelyk te zien , dat

de deftance tusfchen u en my groot is ! gy

zyt eene Vrouw die jaren lang gelezen ,

gedagt , en gefchreven hebt ; en ik , ik

ben een kleuter van agttien jaar , die nog

geen tyd gehad hebbe om iets van belang in

dit allés te doen. Myn Neef , weet gy

njet ? daar gebraisch mensch , zou ons

denkelyk op zyne Lyst van , ei , hoe

B 5

biet


fiS BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

hiet dat woord nu ook ? Incommetifurobk

grootheden ftellen. Dagt gy wel , beste

dat 'er onder het gaazenhalsdoekje van uwe'

begunstigde Mietje,

2 u

i

k e e n h o v a a r d i

hart fchuilde ? Klinkklare hovaardy maakt

my zo lui J maar uw Brief,

m y g i s t e r

avond ter hand gekomen is my echter zo

aangenaam , dat , ik my verre genoeg

z aI

verlochenen, om aan u, naar ouder loffelyker

gewoonte te fchryven. Een Brief van

u • wel heden nog toe , is die oflèrhande

waardig. Gelooft Gy het niet ? Het eten

ftond al op tafel , en myne lieve Moeder

herhaalde geduurig „ nu , Mietje , moet

„ je Vader en ik dan nog langer wagten ?

» kun jy dien Brief ftrak niet lezen, Hart-

„ je ? " Gy kent myne Moeders flyl ?

maar , haar Hartje was juist , toen , geen

groot voorbeeld van gehoorzaamheid. Bekyf

my niet !

g y

weet dat ik myne Moeder

boven alles wat 'er in de waereld is ,

lief heb ; en vertrouw dat zy het op eenen

toon zeide , die my overtuigde dat Vader

en Moeder niet ongaarn zagen , dat hunne

Mietje zo driftig is ingenomen met iets dat

van uwe hand komt ! Myne Ouders vroegen

zeer vriendelyk naar u , en hebben my

belast u van hunnent wege ten hartelyksten

te groeten.

Na


ONDERWERPEN, ft BRIEF. 2?

Nu gy my toch beveelt te fchryven, heb

ik een regt kolfje naar myn hand , in het

onderwerp dat ik in myn hoofd heb. Ik

zal my uwe les eens weer herinneren , en,

minder denken om aan u te fchryven , met

de zorgvuldige oplettenheid eener goede bekende

; dan wel om met u te praten als

uw Mietje , die gy toch gaarn hoort rammelen.

Wat is 'er dan nu weer te doen

vraagt Gy ? ja ! dat zou ik u nu eindelyk

gaan vertellen.

Overmorgen zal een dag van plegtigheid

zyn , dat verzeker ik u ! want onze heele

Familie , is , tegen overmorgen middag

, ten eten verz-ogt , en onze^ goede

oude Dominé zal van de party zyn. Ik weet

dat gy veel achting voor hem hebt , zq

hebben ook myne Ouders: wat my betreft ,

ik kan over 's mans geleerdheid nog niet oordeelen;

maar dat kan ik, ik kan wel zien dat

zyn Ew. een braaf, verftandig hupsch man

is; en als hy ons met zyn bezoek vereert

?

weet elk in dit huis dat ik zeer in myn

fchik ben. Tante uit de ftraat , zal

ons ook met haare Logifche Pretentie verpligten.

„ Wel het is een fraaije flof ,'•

(zegt gy mooglyk,) „my te fchryven dat 'er

„morgen een Vriendenmaal by u zyn zal! Geduld

Vriendin"! ik ben nog maar aan myne

" " • Aaan-


88 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

!

'

Aanfpraak; de Text zal zo volgen. Na de

maaltyd zal het gezelfchap in de kleine zydkamer

by een komen , om daar te raadpleegen

over iets , my betreffende. Ik zal 'er

niet by zyn: vraagt gy my hoe ik aan deeze

tyding koom ? voor ik deezen fluit zult

gy het weten.

„ Over u geraadpleegt , Mietje ?" Over

my , wilde-gy dat het over u waar ? Ja !

denk nu eens , waar over al dien omflag

gaans is ! Vreest gy niet , myne lieve

Vriendin, dat ik een Vryer heb ? en dat die

reeds meer deel aan myn hart heeft als

g y

liefst zoudt misfen ? of dat de eene of andere

rare Jongen,,die 'er wel uitziet, en

waar in myne Ouders geen groot behagen

Vinden ; (gy weet , meisjes van agttien

jaar , en verflandige Ouders zyn het zeer

zelden eens , op het fluk van verkiezing ,

of afkeuring in dit opzicht,) het in 't hoofd

heeft gekregen , om naar my te komen

vryen ? En dat zy noodig oordeelen, om,

met rerëenigde poogingen, by myaante dringen

, dat ik geen zin in hem moet krygen.

Alle. deeze heerlyke gisfingen zyn ongegrond

; ik heb , zo waar geen vryer ,

dat ik weet ; en ik heb veel te veel vermaak

in den ftaat waar in ik ben , om te

wen.


ÖNBÏRWÏS-PEN. I.

DRIïP-

2

9

wenfchen dat die veranderde.

hoogwigtige aanleiding.

Zie hier de

Ik ben verzegt om te komen logeren op

de Plaats van Neef en Nicht Hazelaar ; Gy

zyt 'er eens met myne Ouders geweest ,

en vondt haar ongemeen aangenaam gelegen.

Tegen dit verzoek heeft myne bemoeiagtige

Tante , (ja! ja zeker , zo noem ik haar,

want ik ben recht knorrig op haar , en dat

met reden,) Tante, veele , en groote

zwarigheden. Gy weet , dat myne Moeder

vry hooge gedagten heeft van Tante ;

en dat zy reeds in 't bezit is van een recht,

't welk myne Moeder niet durft tot zich

nemen ; dat van hier alles te regeeren ,

van myne Moeder af , tot onze Tuinmaas

Meid toe ; haare ftoute Nicht Mietje niet

uitgefloten.

„ Veele eri groote zwarigheden, hoe! om

naar myn Heer en Mevrouw Hazelaar te

gaan ! dat begryp ik niet;" zegt gy

mooglyk. O ! 6 myne Tante weet wel

neer ,

dan gy myne Vriendin kunt begry-

Pen , en dat meer is , zy kan het Be

toogen.

Nu , althans , Tante heeft myne lieve

Moeder ia 't hoofd gebragt , dat ik daar

niet


30 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

niet moet gaan; eene van alle haare veele

en groote zwarigheden, zoude hier toe in

flaat zyn ; myne Moeder is geheel liefde ,

geheel zorgvuldigheid , geheel Moeder!

Zie nu , hoe ik hier agter kwam ; maar

my niet te verklappen ! want myne Ouders

' zouden my dit niet vriendlyk nemen , om

Tantes wille : doch is de Dame ook aan u

vermaagfchapt ? zo al ? dan. mondje toe!

Gisteren morgen gaf ik Tante eene myner

vliegende bezoeken. Zy was nog niet

uit de ogtend-Kerk , de beleeftheid eischte

dat ik haar afwagtte : rond kykende j en

nu het een dan het ander Boek opOaande ,

viel myn oog op een Flavins Jofephm ; en

dewyl ik my met het zoeken van Printen

den tyd opkortte , zag ik dat 'er een ftuk

papier inlag.... wit papier? Ja 1 maar

verrykt met het dierbare kattefchrift myner

geleerde Tante, was dat myn fchuld ? Nieuwsgierigheid

is een bedroefd zwak ! juist

kwam zy my aan boord ; ik was geheel

ongewapend , Zy kwam, zy zag , Zy won.

Het was eene memorie , (zo als 'er boven

aanftond , ten minsten ;) eenige artikels

waren doorgekrabt , om plaats te maken

voor anderen , by voorbeeld: „ J a n

, de

„ oude koetzier moet ik morgen zyn huur

i, opzeggen; om da.t hy my gister avond een

h ge-


ONDERWERPEN. II. BRIEÏ. $1

Si

geheel kwartier uur heeft laten wagten


3* BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

«Zekere , -en tegenwoordige zwarighe'.

„ den , in den mond te lopen , pm

9 onzekere -vermaken , en die , Nota

„ Rene ! zeer kort van duur zyn, naar

„ te jaagenis dwaasheid

„ By Nicht Hazelaar zyn de zwarigheden

„ tegenwoordig , en de vermaken kort

„ van duur , zo wel als onzeker ;

„ Ergo ! Nicht Mietje , naar Nicht

„ Hazelaar te laaten gaan is dwaasheid."

Hier agter flonden drie letteren met brave

krullen voorzien ; naamentlyk , een Q.

een E. en een D. ei lieve zeg my eens wat

of die daar uitvoeren ? ik kan 'er zo veel

van maken als van a -f- b =; c; die ik dikwyls

op het kladpapier van myn algebraifchen

Neef gezien hebbe. Tante gaat dus

voort :

„ Nicht Hazelaars Landhuis ligt in eenen

„ Vyver beflo t

en ; een zeer diepe wyde

» Vyver .' Nicht Mietje is los , Nicht

3, Mietje is wild ; en dus in het grootfte

gevaar om te verdrinken."

. » Zie daar eene zeer wezenlyke zwarig-

» beid."

t

» Nient


ONDERWERPEN. II. BRIEF. 33

„ Nicht Mietje is zeer onderhevig aan hoofd-

„ pyn;" (met uw permisfie , myne

eerzame Tante! onderhevig aan hoofdpyn,

en ik heb die geen zesmaal van

myn leven gehad !) Nu dan ! „ Nicht

„ Mietje is zeer onderhevig aan hoofd

„ pyn ; die kan haar dddr aankomen,"

„ (och ja, zo wel als in myne Tantes

bedompte Eetkamer ,) „ en haar

„ allen lust tot wandelen, en ryden bene-

„ men : de vermaken zyn des onzeker

„ De vermaken zullen kort van duur

„ zyn: Nicht Mietje zou 'er maar veer-

„ tien dagen blyven : Onze Nicht Miet-

,, je \ dus in gevaar te brengen om te

„ verdrinken , met uitzicht op eenige wei-

„ nige , onzekere rafch voorby fnellende

vermaken, is dwaasheid"

Maar myne geleerde Tante heeft

niet gedaan ; dus vervolgt zy.

nog

„ Eene verzoeking in den mond te lopen ,

5, om iets V welk onze gezondheid bederven

„ja geheel verwoesten kan, is vermetelheid,

„ is zonde "

Op de Plaats van Nicht Hazelaar is iets

'£ welk onze Mietje in gevaar zal brengen

,, om haare gezondheid, zo al niet haar le-

„ ven , te verliezen"

I. DEEL. C „ Er.


34 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

„ Ergo ! Nicht Mietje , naar Nicht Ha-

„ zeiaar te laten gaan is het zelfde ah Nicht

„ Mietje te doen zondigen"

En dat- dit het zelfde is , zal de vrouw

dus bewyzen :

„ Onze Mietje kan onmooglyk Kersfen zien,

»» zonder daar onmatig van te eeten;" (waarlyk

, myne Tante feit hier veelmeer dan

zy betoogen kan !) „ die onmatigheid veroor-

„ zaakt droevige toevallen , ja dikwyls

(dikwyls Tante ? ) „ ja dikwyls den dood !

9, Op de Plaats van Nicht Hazelaar zyn ee.

„ ne groote menigte Kersfenbomen. Nu ! onze

„ il/tó/tf -, daar naar toe te laten gaan , is

„ zo veel als -haar leven in gevaar te bren-

„ gen , als haar , Afe« Bene , /


ONDERWIERPEN. 11 BRIEF. 3£

$ Êen aartig welopgevoed, zedig en ver-

„ flandig jongeling , *? te allergevaar-

„ /jjt/7


36 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

3, indien iuy toefiemden dat Nicht Mietje, naar

Nicht Hazelaar ging."

En dan weer die drie verbruide Letters

Q. E. D.

Zie daar ! zo eene Logicale Tante heb

ik ! ja ! ja ! ik merk het wel , gy Zyt

nieuwsgierig om te weten wat 'er toch van

Nicht Hazelaars Mans Neef Zyn mag ; en

gy, (want '±

w e et hoe gaarn gy my plaagt)

vraagt my , of myne zorgvuldige Tante

wel geheel ongelyk heef t?

Ik gaf een ducaat dat gy hem eens in

oogenfchyn naamt ! maar wat hoeft dat ?

weet alleen dat het een Heertje van de Mode

is, een lief manneke! Het is klein, teêr,

mager , bruin , heeft een heel glad gepolyst

fyn bakkesje , draagt als de lui , ook

een Henry Quatre , leest een weinig ; tekent

zoet , -fpeelt lief , danst als een marionetje

; doet niets met al ; fnapt onophoudelyk

, en fnuift als een ketter. En ik

hoor van myn Vader , dat het ventje nu

fterk in het ongeloof begint te doen : evenwel,

hy komt 'er nog niet fterk voor uit;

uit vrees misfchien , dat Nicht Hazelaars

Man , zyn , in myne Tantes oogen beminlyken,

Neef, als een onzinnige, voor

eeni-


ONDERWERPEN. H. BRIEF. 37

eenige dagen op water en brood zoude

zetten.

En om dit aapje van een Peti't-Maitertje,

mag ik niet naar buiten ! Heb ik nu reden

of niet , om recht boos te zyn op myne

Tante , dat zy my van zulk eenen verachtelyken

finaak verdenkt ?

Dit fraai Logisch ftuk zal , overmorgen,

de Familie worden voorgelezen : de goedaartige

Domine zal dien dienst verrichten.

Tante zal , (want de vrouw is 'er zeer

voor dat het decorum bewaart word ,) Tante

zal aan zyn Eerws. hooger hand zitten:

op haar zondaags aangekleed kan ik u verzekeren

; met de fok op den neus , om

toch wel te kunnen waarnemen of de Lezer

het accent wel op de rechte plaats gebruikt

; en of het wat indruk maakt op de

Toehoorders. Doet de man het niet , dan

zal zy gemelyk het hoofd fchudden ; leest

hy het wel, dan zal' zy geleerdelyk knikken;

dan zal al- het volk knikken , en Mietje zal

thuis moeten bljvcn.

Maar myne lastige Tante heeft wat verdient

! zy zal deelen in het verdriet dat

j

k heb om dat ik thuis moet blyven. Zeker

! ik hou zeer veel vin Nicht Hazelaar

C 3

Zy


38 BRIEVEN' OVER VERSCHEIDEN

zy verdient dit: haar karakter is beminlyk,

en ik heb veel goeds van haar geleért!

Weet gy wat ik dezen morgen heb uitgevoerc

! Luister , luister ; maar met te

kyven , wat zal 't helpen ? 't is toch al

zo ! Ik heb Nicht Hazelaar voor hare beleefde

uitnodiging bedankt : en haar gemeld

, wat al omflag 'er om zo een wisjewasje

gemaakt word. Zy zal , (want Nicht

is ook gansch niet Tante Logikaagtig ,) den

Brief , waar in zy haar leedwezen , over

deeze weigering te kennen geeft , op myn.

verzoek -, door het Petit Maitertje laten

brengen , juist als de vergadering by een

is. Ik zal , onder voorwendzel van aan

myne lieve Moeder een Brief te brengen ,

in den mynen gefloten , in -de kamer treden

, en , eenigzinds onthutst , daar byvoegen

, dat Nicht Hazelaars Mans Neef

de brenger van den Brief is ; reden genoeg

om de Bode niet alleen te •laten. Dan zal

ik heen gaan ; de Brief aan my zal gelezen

worden ; en Tante zal recht fpytig

kyken, om cat haar kleuter van een Nicht,

zo kort en eenvoudig het einde bereikte

waar om zy zo veel gefchreven en gevreven

heeft. Mooglyk bewyst zy wel , naar

de regels dier kunst , dat Nicht Mietje een

verbruid Platje is ; en myne Moeder zal

my , misfehien , een weinig bekyven

om


ONDERWERPEN. II, BRIEE. 39

om dat ik Tante de occafic benomen hebbe

, van de hele^Familie nieuwe blyken te

geven van hare redenkundige bekwaamheden.

Wat my betreft , ik zal het verdriet dat

ik heb , doordien ik niet naar Nicht Hazelaar

gaan mag , in 't kort komen vergeten

by u , die gelukkig geen Huis hebt dat in

't water ligt , noch Kersfenbomen , noch

Mans Neven die uw huis gevaarryk zouden

maken , voor uwe van harten toegenegene

Mietje.

P. S. Kunt gy my nog van deeze week

opwagten ? 't is reeds woensdag l

myne lieve Moeder zal my zeer gaarn

dit verzoek inwilligen ; en Tante zal

•er zich niet mede bemoeijen , om ,

dat zy 't niet weet.

C4

DER-


D E R D E

BRIEF.

Antwoord op den voorgaanden,

MIETJE LIEF !

i~ïoe aangenaam my uwen Brief ook zy ,

het Postfcriptum verheugd my echter het

meest. Kom zo rasch gy maar wilt ; en

blyf tot dat gy niet langer kunt blyven :

meer heb ik niet te zeggen.

Ik durf u naauwlyks te kennen geven, met

hoe veel vermaak ik den uwen van gisteren

las. ó Gy zyt eene lieve , ftoute Meid .'

Maar wat zal het baten of ik nu al , met

het air van eene oudagtige Matrone , myne

jonge fpeelzieke Vriendin ging bekyven ?

En ook , gy hebt my mooi beet : want

door my quali , in uw vertrouwen te nemen

, belet gy my immers iets tegen u

«an te vangen ?

Hoor eens ,

lieve Mietje ! uwe Tante

3s, 't is waar, wel wat pedant, en wel

wat misfelyk op eenige ftukken ,

maar 't is

eene.


ONDER.WER.rEN. II. BRIEF. 4*

eene zeer brave vrouw die het wel met u

meent , en uwe veel verftandiger moeder

zou anders de misfelyke concepten van hare

Tante niet zo ten besten duiden ; volg

haar ook in dat opzicht. Gy zyt knorrig

op Tante , om dat de vroome vrouw u

belet heeft , naar uwe waarde Nicht Hazeiaar

te gaan ; en kan dit niet wel de reden

zyn dat gy haar te ftreng behandeld ?

ó Confcientie , Confcientje! maar ik ben

heel zeer te weden op Tante , wyl zy ,

fchoon onwetend , de oorzaak is , dat ik

het genoegen zal hebben om myne beminde

Vriendin , binnen weinige dagen te logeeren.

En kan dit niet wel de oorzaak zyn

dat ik de oude Dame zo gunstig verdcdige

? Nu verftaat gy zeker de uitroep die

ik daar deed ? /

Breng u toch niet weer in uw kruin , dat

'er zulk eene groote deftance is tusfehen u

en my. Geef ik u daar ooit aanleiding toe?

immers neen ; want zo ik dat deed ,

zoudt gy ligt kunnen zien dat ik die deftance

weinig verdiende. Ik bemin u , myne

Mietje ; uw gezelfchap is my altoos aangenaam

; maar zo gy alleen een geestig ,

aartig Meisje waart , ik zoude u niet beminnen

: 't zyn de fchoone opluikendc vermogens

vau uwen geest ; 't is de goedheid

C 5

v

an


42 BRIEVEEM OVER VERSOH EI DEN &C.

van uw deugdzaam hart, die u dierbaar by

my maken. Maar, dit en al wat dies mear

is , zullen wy wel dra tite a tére afpraten.

Breng wat muziek mede : myn Clavier is

gefield j en ik hoop dat gy my daar op

menig uur zult verrukken. Maak myn Heer

uw Vader myn compliment ; omhels uwe

waarde Moeder voor my , en overtuig u

zelf, dat ik ben uwe opregte en van gant»

fcher harte genegene •

VIER-


V I E R D E

BRIEF.

MYNE WAARDE

VRIENDIN

Nogmaals bedank ik u voor uw zo aange,

naam , als leerzaam byzyn : myne thuisreis

levert niets uit

S

waardig het .u te

melden. Ik zal dan maar tot-dat onderwerp

komen , waar mede ik geheel vervuld ben;

en des te meerder , om dat ik nog geen

enkeld woord gezegd heb over iets daar

l k

zo veel over dagt.

Herinner u des ,

op dat ik terflond heginne

, hoe in het Gezelfchap te

de geiprekken gegaan zyn over het geval

dat

nu zo veel gerugts maakt ; over de

onbedagtheid des jongen Heers *** die ,

vóór dat zyn Huwelyk voltrokken is ,

Vader

kind.

zich

ziet van een fchoon wclgefchapen

Gy weet nog wél ,

dat eenigen der deftigftc

Leden onzes Gezelichaps , hier over >

zo


44 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

" zo geftoort waren , dat zy verklaart hebben

, het Gezelfchap te zullen veriaten,

indien de Heer *** daar uit nier

gehouden wierdt : en dat

z v

deeze befluiten

bekragtigden , door het oude ipreekwoord

: daar men mefc verkeert ,

wor


ONDERWERPEN. IV. BRIEF. 45

minde niets te zeggen was , dan dat zy

niet ryk , noch aanzienlyk genoeg geoor-

J..— Llrtrtl- * f T

deelt wierdt voor ucu

Gy zult u nog wél kunnen in geheugen

brengen , welke uitwerkzels deeze vrymoe.

dige taal hadt ? de ftyve trekken weken ,

om plaats te maken voor eenen kwaadaartigen

glimlach ; en heen gaande zeide men :

„ daar moet op ons geen ftaat meer ge-

„ maakt worden."

Ik vond goed , (om reden die ik voor

my houde) geen deel altoos in deeze gefprekken

te nemen ? ik was verdrietig ;

dat bygebragte fpreekwoord maalde my ,

zederd , altoos voor den geest ; en toen

reeds befloot ik , aan u , myne gedagten

d i e

ddar over mede te deelen : Als gy

weet , verzoek ik dat gy my eens zegt ,

hoe zy u aanftaan.

Myn oogmerk zynde , de zaak uit den ,

grond op te halen , en , zo 't mooglyk

voor my zy , aftedoen ; zal ik misfchien

meer dan eenen Brief daar toe nodig hebben

: wy zullen zien !

Eerst vraag ik : of het geen in dat

fpreekwoord gefield word , volftrekt waar zy,

en


46 BRIEVEN OVER VERSCHEIfiEN

en geen de minde uitzondering lyd ? dat

is : of men altoos geëerd word met de zulken

daar


ONDERWERPEN. IV. BR.IEE. 47

„ ziet zy iemand van een goed gedrag ,

„ dikwyls , in het gezelichap van een an-

„ der , wiens zeden niet goed zyn ; dan

•„ kan zy niet anders denken , dan dat de

„ brave man der Deugd afvalt , en fmaak

„ krygt in het ongeregelde."

Fraai geredeneerd ! indien men my maar

wil toeftaan , dat deeze denkwyze alléén

ftrekt tot fchande dier- Waereld , die oordeelt

; en niet van hem die beoordeeld

wordt. Laaten wy dit aantoonen !

„ De Waereld kan , zegt men , in het

„ hart niet zien." Hoe ! zy kan in het

hart niet zien ? en zy beoordeeld dat hart ?

„ Zy ziet maar op het uitwendige." Goed !

wat ziet zy daar ? Een man die zy voor

een Vriend der deugd kent , verkeert met

iemand van flegte Zeden. Wat befluit , uit

•dit uitwendige , nu een braaf een verftandig

, een liefderyk Christen ? dit : Dat

de deugdzame man zyne pogingen aanlegt ,

om eenen verdwaalden Broeder te recht te

brengen; en dat de ongelukkig verdwaalde,

niet geheel bedorven zyn moet , wyl hy

in het gezelfchap eens braven mans zo

veelvuldig gezien wordt.

Doch ! • tot fchande- der menigte , dit

von-


48 BR I EVEN. O VER VERSCHEIDEN

vonnis , hoe billyk ook opgemaakt is véél

te zacht ; te vriendelyk voor eene kwaadaartige

en lasterzieke Waereld. Het ftrookt

veel beter met haren aart , te zeggen •

.„ dat de deugdzame door den ondeugenden

„ wordt verleid", dan dat de laatfle door den

eerflen te recht gebragt wordt.

En evenwel , dit befluic , 't welk in

Gods oog boos is , en by alle brave verflandige

menfchen , verfoeylyk zyn moest ,

dit beüuit wordt voor zo kragtig gehouden ,

dat men , daarom , een braaf mensch allen

ommegang met losbandigen verbied! Hy

die laf genoeg is , om zich door zulke bedre.gmg

als in het fpreekwoord opgefloten

ligt , te laaten affchrikken , is niet veel

te betrouwen • Wat verzekering hebben

wy dat zulk een man zyne deugd niet zal

afzweer.* , en der Waereld gelyk worden,

zo dra men hem , met een dreigend gelaat

zegt : De Waereld heeft alleen het hare lief

.tndien gy nu

P m

de Waereld niet zyt, zo zal

u de Waereld haaten ?

Al verder ! Indien ik zo onbefchryflyk

teder op myn goeden naam zvn moet en

indien ik zo oplettend moet "zvn om'toch

geen fchyn te geven van iets berispelvks ,

wat volgt hier dan uit ? Dit .' Dan mag

ik


ttNflERWEtfPÉN. IV. BRIEF,. 4


50 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Antwoord gy my , met eenen fchamperen

lach , dat uw naam zo wel gevestigd

is, dat gy niets dergelyks te duchten hebt,

ja , dat de nyd zich niet durft vermeten

op dien te knagen. Ik ken u niet genoeg

om te weten of gy eenige opmerking van

den nyd verdient ; of gy eenige verdiensten

hebt ; dan dit

z y z o

eens , als gy

zegt , wel dan hebt

g y

immers dat vonnis

niet te vreezen ? en in de zorg voor uwen

goeden naam geene verfchooning , wanneer

gy door fprekende daaden zegt : Ben ik

myns Broeders hoeder ?

Wat zegt gy , myne Vriendin ? is dit

juist geredeneerd of niet ?

z o

ik wél zie ,

dunkt my dat hier niet veel tegen in te

brengen is. De yver waar mede ik dit

fch'ryve , heeft my airede gebragt tot aanfpraken

aan hen , op wien ik doel. Vergeef

dit : myne verbeeldingskragt ftelt my" de

perfonen zo levendig vóór ! ik kan my" niet

altoos bepalen om alles tot u te zeggen ,

ook dan niet als ik aan u fchryve. Qm

voort te gaan !

Indien ik my des zo zorgvuldig te wagten

hebbe , van deeze verkeering , zo

zult gy my nog dienen te zeggen. Hoe

kwaad iemand zyn moet , en welk.e foort

va©


ONDERWÉRPEN. TV. BRIEF. 51

van Ondeugden hy moet bezitten met wie'

gy my verbiedt óm te gaan ? Staat my dit

hiet vry met. iemand , die voor 't oog der

Waereld een onberispelyk leven leidt , dié

vry is vari openbare ongeregeldheden ;

van welk een aart Ook ; met iemand die

men voor een vry goed -Christenmensen

houdt ; maar gansch niet is vry te pleiten

van , by voorbeeld, gierigheid , afgunst,

kwaadfprekenheid , laster , en diergelyke

gebreken ? Wat my aangaat , ik beken

dat ik [de verkecring met zo een menscb

zeer zorglyk vinde ! en ik zal u eenvoudig

de reden zeggen :

Zulke , door de algemeenheid als gewettigde

gebreken , en zonden , die mén i

behoudens de algemene achting nog al zd

wat koesteren kan , hebben die fchrikverwekker.de

uitwendigheid niet der grovere

buitenfporigheden , en helmetten juist daarom

ons veel rasfehér, en ongevoeliger. Men

waagt , by zulke geheime Overtreders ,

der Goddelyke Wetten ,• te véél , zonder

eenig Uitzicht om hen te récht te brengen.

Want zy zelf, zien deeze boosheden flegts

aan voor zulke ohvermydelyke zwakheden

waar van de menfehelyke natuur niét té

ontflaan is. Ja waar aan alle menfehéü

fehuldig zyn : wat hoop is 'er dan , oiri

D 2

heö


§2 BRIEVEN OVER VERSCHEIÖEN

hen te verbeteren ? In welk een opzetlykgevaar

breng ik my om te doen zo als zy

doen ?

Maar het fchynt , myne waarde , dat

deeze lieden , daar geheel anders over denken

! zy willen alleen , dat wy kwaad ge-

•zelfchap vermyden , niet , om dat dit

voor ons zo befmetlyk zyn kan ; daar fpreken

zy geea een enkel woord van ; het

is alleen om dat men daar door , zynen

goeden naam zoude verliezen !

Hu heeft dit geen gevaar door de verkeerïng

met Gierigaarts , Nydigen , Afgunstigen

, Lasterzieken , en welke zonden

men al meer, zonder veel in 't oog te loopen,

kan opvolgen. Mag. ik dan niet omgaan

met overgegeven zondaars , met zulken die

gene begindzelen altoos hebben ? met hen

wier verftand zelf boos is ? Maar ! welk

braaf mensch zal zich niet fchamen om te

verkeeren met dat fchuim , dat graauw ia

het ryk der Zeden ? Niemand dan hy die

niets meer te verliezen heeft , vermengt

zich met dit uitfchot. Ons derhalven daar

voor te waarfchuwen, is dwaasheid: wie heeft

'er trek toe dan hy die reeds geheel verbastert

is ? Mag ik dan , eindlyk , niet verkeeren

met hen die den naam hebbéa van fpots-i

ters


ONDERWERPEN. IV. BRIEF. 53

m te zyn met het Heilige, of van fchuldig

te ftaan aaa die zonden die, in de Heilige

Schriften geboekt zyn op het register

van de werken des vleefches ? en die daarom

ook uit het Koningryk Gods zyn uitgefloten

? Ik heb reeds gezegd , dat geen

deugdzaam man, geen onbedorven jongeling

ooit den ommegang met zulke menfchen

zoekt : doet hy dit , wel ! hy heeft

zyn vonnis weg ; hy is dan niet meer

deugdzaam , hy is reeds bedorven. Doch

zyn allen , die , ik zal niet zeggen een

flegten naam hebben , neen ! maar die aan

genoemde werken des vleefches fchuldig

ftaan , onverbeterlyk ? is dit zo ? dart

vraag ik met de Discipelen des Heeren ;

wie kan dan zalig worden ?

En mooglyk zoude deeze zachtmoedige

Vriend des Menschdoms , ook hier op antwoorden

: By den Menfchen , by den

kwaad vermoedenden , ftreng oordeelenden,

den voorbarig veroordelenden Mensch is ditonmooglyk

; maar by God , den onfeilbaren

hartenkenner , by God , den goedertieren

Vader zyner fchepzelen , zyn alle

dingen , is ook dit mooglyk.

Hoe weinigen , is het te vreezen , zyn

'er onder ons , die zich nooit fchuldig gep

g maakt


54 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

maakt hebben aan het eene of ander werk

des vleefches ? Verbaast u dit ? uwe verwondering

zou niet zo groot wezen, zo gy

niet gewoon waart , uwe geftrengheid verkeert

te plaatzen: ik zeg niets dan het geen

ik u uit het Heilig Bybelboek kan bewyzen.

Apostel PAULCS zegt , in zynen eerften

Brief aan die van Corinthen , Capittel zes:

„ Dwaalt niet : noch hoereerders , noch

Overfpeelders , noch öntuchtigen , noch

f, die by mannen liggen , noch dieven ,

,, noch gierigaarts, noch dronkaarts : geen

?, lasteraars , geen rovers zullen het Ko-

„ ningryke Gods beërven." En aan die van

Galaten Capittel vyf: De werken des vlee-

„ fches nu zyn openbaar : welken zyn

„ Overfpel , Hoererye , onreinheid , on-

„ tuchtigheid , afgodery , fenyn geving ,

„ vyandfchappen ,. twisten , afgunstighe-

„ den , toorn, gekyf , tweedragt, ket-

„ teryen , nyd , moord , dronkenfchap ,

„ brasferyen, en diergelyken." en de brave

man , verzekert hen , by herhaaling, dat

zy die hier aan fchuldig zyn , het Koningyke

Gods ge enszinds zullen beërven.

Staan nu pp de Lyst der Werken des

Vleefches, ook: nyd,' agterklap, afgunst,

toorn , gierigheid ; en zullen zy , die

zich


ONDERWERPEN. IV. BRÏEF. 55

zich hier aan fchuldig maken geenszinds het

Koningryke Gods beërven , hoe zult Gy dan

behouden worden ! Hoe algemeen zyn deeze

laatst opgenoemde zonden , en dat niet

alleen onder hen die Gy , de naam van

Waereldfche menfchen geeft , maar ook

onder u lieden die een ingetogen leven

leidt.

Ik zelf hebbe eene Vriendin , die onder

die Clasfe behoort welke onze uitmuntende

VAN EFFEN noemt Godvrugtigen die fyn

zyn , hooren zeggen , by gelegenheid dat

z y

ten voordeele eens behoeftigen Huisgezins

, eene kleine gifte verzogt ; doch

door hare Vriendin wierd afgewezen : „ 't

„ is waarlyk jammer dat zo veele vroome

„ luidjes zo vasthoudende zyn."

Als men de ordentelyke Burgerlyke Waereld

'kent , en een afkeer heeft van liefdeloos

oordeelen , moet men fchrikken om

op de; meeste Gezelfchappen te gaan , zo

zeer hoort men daar van afweezenden fpreken,

op eene wys waar van men zich in derzelv.er

byzyn zorgvuldig wagt : niet altoos

uit voorbedagte kwaadaartigheid , maar uit

eene verachtelyke fnapzucht; en hoe onopmerkbaar

klein is de tusfehenruimte tusfehen

kwaadfpreken en las:eren ! de ondervinding

D 4

b

e

'


£Ó BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

beneemt my den onaangenamen last om dit

yerder uit te breiden : yder itemt dit geredelyk

toe; yder beklaagd 'er zich over. Ik

zeg meer dan dit J

Menfchen van een beredeneerde en oprechte

godvrugt , kunnen zelf,

z o nder

eene vernederende verbaastheid niet zien [

als men hen aan zich zelf ontdekt , hoe

oikwyls Zy zich uit onkunde , ligtgelovigheid

, uit zwakheid van geest , uit overging,

aan laster , en kwaadfpreken fchuldig

maken.

Moeten wy nu , of onzen goeden naam

verhezen, of allen ommegang met de overtreders

der Wet affnyden , dan zien wy

ons verpligt om de Maatfchappy te fchuwen

, of wy Hellen ons geduurig in gevaar

om dat vonnis te krygen. Want , hoe

veel wy ons ook op

o n z e

eigen heiligheid

mogen laten voorflaan , zo zullen wy evenwel

, denk ik , de onbefchaamdheid niet

hebben,, van te denken dat wy zo heilig

zyn als wy zyn moeten om in Gods oog

welbehaaglyk te zyn: eenigen mogen zeggen

, met de fnoévende Pharifeër : „ ik

„ danke u ó God dat ik niet ben als andere

?, menfchen , ook met als deezen Tolle-

» naar-" Maar het zelf bedrog zal toch

nooit


ONDERWERPEN. IV. BRIEF.

nooit inftaat zyn om ons wys te

dat my zonder zonden zyn.

maken

Hoe weinig hier ook door deugdzaam? •

welmenenheid is tegen in te brengen, zp

weet het argelistig vernuft altoos nog een

Vygenblad te vinden, Het zegt , by

voorbeeld :

„ Een godzalig vroom menfeh, kan zich,

„ eenigen tyd , aan deeze. of geene zon-

„ de , laat het de Gierigheid zyn, over-

„ geven , maar het is evenwel de zon-

„ de van zyn temperament , en niet van

„ zyii barl , hy ziet haar nooit • dan

,, met leedwezen , hy beftrydt haar ia

't verborgen , en fchoon hy haar niet

„ overwint , zo leeft hy evenwel in ee-

}, ne geduurige vyandfehap met haar."

Ik geloof dit liefderyk ; en ik zoude

tegen mynen medechristen zeggen: „ Laat

„ dit menfeh niet aan zich zelf over ;

„ wees zo teder niet op uwen goeden

„ naam , al zou de heele waereld , zo

„ zy wist dat deezes mans boezemzon-

„ de eene vuige Gierigheid was , u ver-

„ denken van dezelfde zonde " ; -hoort gy

't geen onze uitmuntende P A U L U S

zegt , Galaten ! zes ; „ Broeders indien

D j »


58 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ook eene menfche vervallen ware doer

eenige misdaad , gy die Geestlyk zyt,

„ brengt hem te rug , met den geest

„ der zagtmoedigheid , ziende op u zeI-

„ ven. "

Zegt gy my nu , want gy fchynt dit

zeker te weten , door welk middel weet

gy , dat losbandigheid , van welk een

aart ook , dat de buitenfporige drift tot

den wyn , of de vrouwen , waar aan

zich veelen fchuldig kennen , eene zonde

is van hun hart , en niet van hun tempé,

rament ?

w a nt daar in zoekt gy voor

u zelf gene geringe ontfchuldiging ; ea

een ander heeft immers dat zelfde regt ?

Kenners van het Menfchelyklichaam

zouden ons mooglyk kunnen bewyzen,

dat , (zo men deeze onderfcheiding al

gebruiken mogt) eene fterke neiging tot

de vrouwen , by voorbeeld , meer aanleiding

heeft in zekere .geitellen , dan in

andere , en dat gevolglyk ten minften ,

by hen , het Temperament. natuurlyk

meer overheid tot deeze zonde , dan wel

tot gierigheid , haat , nyd , agterklap, en

wat van dien aart meer zy. Weet. gy nu,

zo als God het weet, hoedanig wy in deze

zyn ? Gy beiluit dat :

hunne gebreken in

hun


ONDERWERPEN. IV. ERIEF. 59

hun hart huisvesten ; en. waarom befluit

«y dit ? om dat gy u niet naauw genoeg

onderzoekt ; of, om dat gy nooit

op zekere proeven geftclt waart.

Maar 'er zyn duizende Menfchen aan

wien de Gierigheid , de Nyd , de Lasterzucht

zo haatlyk , zo onnatuurlyk toefchynen

,. als U hunne buitenfponge fmaak

voor de fyncre ftreelingen der zinnen.

Indien nu uw beüuit goed is , dan is

gierigheid gene zonde van het Temperament

, maar van het hart , en gy moet

uwe gierige , en nydige Vrienden vaarwel

zeggen , even zo wel als wy den zulfcerf

die zich' aan geheel andere zonden te

buiten gegaan hebben. Zo niet

f

dan

loopt gy gevaar van uwen goeden naam

te verliezen , immers , volgens uwen eigen

denktrant. Want gy verkeert met eenen

die fchuldig is aan de werken des

vleefches. Nog al kunt gy uwe gehefkoos.

de vooröordeelen niet opgeven , gy zegt :

„ Ja maar , indien hun hart geen doel

' hadt aan deeze misdryven , dan zouden

zy 'er berouw van hebben ; dan

J zouden, zy die beftryden. " En wie

zegt u, dat dit by hen geen plaats

heeft ? Is alle berouw uitterlyk ? Is


60 BRIEVEN OVBR VERSCHEIDEN

Ü de ftryd tusfchen de deugdzame neigiör

gen van een zwak hart , en eene fterke

verleiding , altoos" openbaar ? Hebt gy

hen ook ooit tot getuige geroepen v a n

uwen ftryd tegen uwe heerfchende zonde ?

waar blyft gy

m raet u w g e I i e f d

fpreekwoord : dat , Gelyk zym gelyk zoekt 1 ?

weet gy niet , dat men eene zedelyke

Ziekte niet ligt aan iemand anders vertrouwdt

, dan aan dien die dezelfde kwaal

heeft ? Hoe weinig kent gy dan de

Menfeh !

Maar , hoe zoudt gy toch immer ia

de mooglykheid zyn , om te kunnen

oordeelen , over den wezenlyken aart

huns berouws ? Hoe zmdt gy kunnen

oordeelen over de groote , de menigte ,

en de oprechtheid hunner pogingen ? Gy',

die in uw afwyzend gelaat , niets uitno-'

digends hebt , niets dat vertrouwen inboezemd.

Gy , die met uwe daden zegt :

„ wykt van ons ; wy zyn heiliger dan

a gy " ? deeze verdoolden weten zéér

wél , dat zy by u reeds veroordeeld zyn.

Waar ter plaats zouden zy U getuige

maken van hun grievend berouw , van

hunne moeilyke zelfsverzaking ? Zoudt

gy hen met uw bezoek verwaardigen ?

zoudt gy hen in uwe huizen ontfangen?

Zyt


ONDERWERPEN. IV. *RIE?. Cl

Zyt gy dan dwaas genoeg om u te verbeelden

, dat deeze uwe medegenoten 'm

de zonde , wiens perfoonen gy zo naauw- •

keurig vliedt , u den toegang tot hun hart

zullen verlenen ? Bewandelt gy den weg

die op een deugdzaam vertrouwen uitloopt?

of maakt gy het ondoenlyk , voor hen ,

eenige gemeenfchap met u te hebben ?

Zo gy , in de daad , door edele be->

gindzels geleidt wierdt , dan zoudt gy

eenen geheel andereri weg Maan ; en dan

zoudt gy inftaat zyn , om met meerder

kennis te oordeelen , over het hart uwes

Broeders : maar zolang gy op deeze wys

handeld , zyt gy geheel onbevoegd , om

uitfpraak te doen over zaken die gy niet

weet.

Gy klaagde wel eens , dat gy zo veel

te doen hebt met zekere zwakheid; gy

wist zelf niet hoe gy die moest noemen

, 't was eene onaangename gewaarwording

, die in U ontftondt , als gy

zaagt , dat het waereldfche menfchen zo

altoos medeloopt : gy hadt 'er reeds zo

dikwyls tegen geftreden ; maar vergeefch!

Gy gaaft den moed op , en meende met

dat zwak ten grave te gaan.


& BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

En zyt gy

m ; e

i

g e n I y k f d g fr

mige berisper uwer mede Christenen ! Arme

Held ! welk eene armhartige vertoomng

zoudt gy- maken,

z o w T c m p e r a,

ment u tot wellust aanzette ! Gy zoudt

de Dofltor en de Predikant te hulp roepen

, en echter in de veragtelyke banden

der vleefchelyke buitenfporigheden

«erven ! Uwe bekeering is u geenszinds

ernst. Gy ftryden ? Gy die uwe heerfchende

zonde liefkoost? I s h e t U


maragtige mening die te overwinnen ,

noem haar dan gene zwakheid, niet,

tets dat gy ni e

t

w e e t t e n o e m N o e m

ze een ondeugd,

m w i k g y h a f e n

ten naam weten ? Zy is de affehuuwlyke

nyd. Zytgynu,

i n

waarheid, een

Godtvreezend Christen ? bindt den .ftrvd

aan. Weigert gy dit , dan zyt

g y i n

het oog van dien God, die de géésten

egt , ai

z o v e r f o e i l y k

^

h y

^

verdoemd , en die ,

z o

hy in uw hart

zien kon , alle reden hadt om u

Z Q t e

fchuuwen , als gy hem ontvliedt.

' ' yne Vriendin , dat ik , om

z i e t m


ONBERWERPEN. IV. BRIEF. 6§

en laat dat u niet beletten om uw oordeel

over 't geen ik te zeggen had.,

aan my mede te deden. Ik. keer nogmaals

tot den liefdeloozen fchuuwer van zyne

medemenfchen : •

Onderlid eens dit geval. Daar komt

'een Jongeling , die zich door losbandige

zedeloosheid , berucht gemaakt heeft , by

ü. Hy zegt u. „ ik zie myne verkeerd-

„ heid , ik heb een oprecht berouw van

'„ myne zonden , ik walg van die wan-

„ hebbelyke vermaken die ik hebbe nagejaagd

: maar ! hoe ontfla ik my

„ van die verharde deugnieten , die my

„ verftrikt hebben , en met wïen ik dus

„ lang verkeerde. Hoe zal ik my in de

„ gunst des Hemels , en in de goedkeuring

myner brave medeburgers herftel-

, len " ? Zoudt gy tot dit berouwhebbend

Jongmenfch zeggen : „ dat hy zich eerfl

„ moest beteren , en dan goed gezelfchap

zoeken " ? ei zeker ! en zoudt gy

dan niet doen zo als zeker klugtig perfonage

, die eerst zyne Lyders beval ge-,

zond te worden , en dan medicynen in

te nemen ? dit in 't voorbygaan. Of

zoudt gy , tot hem zeggen : „ breekt al-

„ leen ommegang af met uwe medgezeln

len der ongerechtigheid ; en zoekt het

ge


ft BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

g gezelfchap van Jongelingen die hunnen

» Schepper vroeg eerbiedigen " ? Maar

moeten , ja , mogen deeze brave , lievenswaardige

Jongelieden,- hunnen goeden

naam opofFeren , aan de verkeering

met een perfoon die nog geene proeven

gegeven heeft, van zyn waaragtig berouw],

van eenen welgezetten afkeer

zyner voorige wanbedryven ? Hoe zult

gy bet toch maken ? kunt gy het tegenftrydige

bevelen ? kunt gy tot den

verdoolden zeggen : ,,' verlaat eenen weg.

»* d i e t e n verderve leidt , verkeer met

„ deugdzame merrfchcn , en leef dus ge-

„ Iukfcfg " ? en tot de godsdienstige Jongelingen

: „ fchuuwt zelf den fchyn des

„ kwaads ; duld niet dat een Lichtmis

„ immer met u gezien wordt , vóór dat

„ de waereld weet dat zyn berouw op-

„ recht is , voor dat hy beftendïg deugd-

„ zaam zy ; want : daar men mede

v e r-

,, keerd daar wordt men mede geëerd. "

Kies zelf! maar wees verzekerd , da*

gy , onbeflaanbaar met u zelf ,

z y a

zult.

Gy , myne vriendin , hoe zeer ook

afkeeng van alles wat liefdeloosheid kan

genaamd worden , zult mooglyk deeze

bedenking , tegen het geoe ik. dus verre

fehreef ,


ONDERWERPEN. IV. BRIEF. 6§

fehreef, hebben intebretigen. Gy zult

mooglyk zeggen :

Schoon het waar is , dat ons eigen

gevestigd karakter ons Of deugdzaam of

,, ondeugdzaam maakt ; en uit dien hoof-

„ de alléén behoord geagt , of veragt

„ te maken ; zo is het echter zeker j

„ dat , met zedelooze menfchen om te

gaari , voor ons eigen karaktër , zeer

gevaarlyk is ; want de Ondervinding

leerd , dat de goeden meest altyd door

de kwaden bedorven wbrden. Indien dè$

„ iemand met eén flegt menfeh verkeerd *

,5 veronderfteld men dat de Ondeugd hem

„ behaagd , en men veragt hem juist zö

„ zeer niet als een medgezel eens ondeu*

i, genden , maar als een vriend der On-*

deugd. "

Gy weet mynë Waardè , dat ik altoos

eene byzonderè oplettenheid hebbe , vod?

alles wat gy aan my voorftelt , bm dat

ik zeerwel weet dat uwe bedenkingen die

ten hoogfte verdienen : Ik z.al nu ook op"

deeze wyze handelen.

Indien uwe aanmerking juist is , dan

ttjoet ik het fpreekwoord i daarmen


66 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

mede, verkeerd word. men mede geëerd , nogeens

onderzoeken. Eerst vraag ik

:

'

Is het noodzakelyk , dat hy , die een

zedeloos menfeh in zyn gezelfchap duld ,

dien zedeloozen navolgd ? By voorbeeld :

moest de groote Wetgever der Christenen

, (die ons in alles als . menfeh g e

-

Iyk was, ) noodzakelyk gierig worden,

om dat een zyner byzonderfte vrienden ,

een gierigaard was ? Of mag ik niet ,

kan ik niet-, uit den Goddelyken JEZUS

op zyne Volgeren redeneren ? Wel dan !

Zyn al • de Zzvakla doch oprechte Apostelen

en Vienden des Hei-en , verraders ,

en vrekken geworden ; om dat onder hen

één JUDAS fchuilde ? Zegt gy ' t I s

wel niet noodzakelyk , maar hoogst gevaarlyk.

Oordeelt gy , i n

dit geval , dan

wel met die liefderyke oplettenheid die

men van uw bedaart karakter wagten

mag. 't Is immers niet onmooglyk, dat iemand,

waarover men- zo frreng oordeeld ,

veel meer onze goedkeuring verdiend ;

ook zelf door juist te doen zo als hy

doet ?

Is het ook wél zo hoogst gevaarlyk ?

Heeft dan de zedeloosheid iets zo aantrekïyks

in de oogen der zulken , die eenge-


geregeld leven beminnen , om dat hunne

ziel in order is ; en hun hart onder hee

zagte juk der Rede gewillig buigt ? Zal

een verftandig mensch , die dè deugd lief

gekregen heeft , en haar omhelst, als zyhë

aardfche Gelukzaligheid , dan hare vyanciinne

niet kunnen zien , zonder op haar

te verlieven ? door haar weggevoert té

worden ? ö Laaten wy der Ondeugd zo

veel eere niet aandoen ! noch zo veragtelyk

denken over den zedelyken fmaak

voor het beste. Mooglyk zegt gy :

„ Men is nog niet genoeg gevestigd ;

„ onze zwakheid doet ons te ligt wankej,

len " : 't gaat dikwyls zo ; en dit is

t

waarlyk , fmertelyk ; doch past het zulke

zwakke zielen , wier neigingen tot de

Deugd noch zo twyffelend zyn , wier

bogen zo verkeerdelyk zien ; past het

zulke zielen , vraag ik , zich zo' veel

airs te geven ? en ! —— anderen wier

deugd gevéstigd is , óm dat hun verftand

die aanbid , te verdenken , wanneer dié

met de beste oogmerken zich niet onttrekken

aan ongelukkigen ?

Maar deeze brief is reeds uitgeftrekt

genoeg om hem te fluiten ; myn onder-

Werp- is nog niet afgedaan ; ik zal het

E 2

oöte


• BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ook in eenen volgenden weder opvatten

Lees dus verre , met dien aandagt en

die onzydigheid , die ik van u eisch ;

en wees verzekerd dat Gy geagt, bemind

word door

Uwe verpligte Dienaresfc,


VYFDE

BRIEF,

Ten vervolg?,

WA ARDSTEU

'

I Iuiszelyke bezigheden , en het aange*

naam bezoek van twee zeer hupfche menfchen

, hebben my belet myne belofte ,

tot noch , te vervullen : de eerste zya

aan een kant , en de laatste vertrokken ;

zo dat , rm ben ik eens weer geheel

ten uwen dienste j want , de dig is

regenagtig , en het Sayzoen te ver verlopen

, om veel overvallen te worden

door onverwagte Bezoeken; 't flaat daar zes

uuren , ik heb al ontbeten ; wy zullen

een fchoonen voordenmïddag hebben, ik

,ga hem terftond voor ons nemen.

Dewyl het echter niet te ontkennen zy ,

dat de Menfchen , over het algemeen genomen

, zwak zyn , is de bedenking :

„ of men de menfchen niet behoord af to

„ fchrikken van allen ommegang , met be-

,, dorven fchepzels *, niet zo ongegrond dat

E 3

' at


70 • tffclEVEEN OVER. VERSCHEIDDE»

ik die , ffilzwygend , zoude voorbygaan.

Eene myner flelregels is deeze:

Geene Gevaar en in den mond te hopen ;

en ik ben het met u ook daar in eens: hy

die het kwaade niet' kan zien , zonder

het te volgen , moet het zien van dat

kwaad vermyden : Maar I ik moet ook ,

zo eerlyk met my zelf handelen , dat ik

het gevaar zp zeer niet flelle in het kwaad ,

dat andereq doen ; als wel in myne

. CI "gene zwakke wispekuurige neigingen , die

my ip de magt brengen va n

yder die het

van zyn belang rekend my te winnen.

. Vooral , en om die reden , hebbe men

zich ten ftriktflen te wagten , brave deugdzame

Jongelingen , die aan hunnen Schepper

vroeg gedagt hebben ; mannen , gehard

op de mocylykfte tochten , in het

belang der deugd uitgevoerd , en die ftaande

weten te blyven in eene booze waereld

; te vcroo;dceIen , om dat die zich

der onkunde , dwaasheid , en elende hum

ner natuurgenoten erbarmen ; en hen ppogen

te rug te brengen , op dien, weg die

$Ê Verftandigen naar boven leidt.

' Om aan dit geliefd' Spreekwoord nog af

ïneer gewigts te' geven , qmze; "men het-'

zei-


ONDERWERPEN. V. ftRl'EF. 7*

zelve , met eene menigte '-Schrifcnurpteatzen

, welke allen ernstige waar r chouwingen

bevatten , tegen het bywóoncn van

kwaade gezelfchappen ; of droevige voorbeelden

van zulken , die , door deeze

lesfen te verfmaden , bedorven zyn. Myne

innerlyke hoogagting voor dat Boek der

Boeken , weet niemand zo wel als Gy ;

en dat ik dit Boek , niet alleen als een

Godlyk Boek , maar ook als een Boek

van goeden fmaak geduurig herlees , hoef

ik u , die myn huiszelyk leven kendt ,

niet te verzekeren. Is het echter niet

waaragtig , dat hy , ' die dit overfchoone

Boek , onvoorbereidt om het wel te

kunnen lezen j open flaat , en met het

bepaalde oogmerk j om het een of arider

gekoesterd begrip , of zelf verzonnen

Leerltclzel , daar in bevestigd te vinden ,

altyd iets zal ontmoeten y 't geen min

Of meer {trekken kan om zyne begeerte

te voldoen ?

Ik ken alle die plaatzen * ik heb 'er

een gegronden eerbied voor ; doch weet

niet , dat , in een derzelve beweert

wordt, „dat de enkelde verkeering met

d zondaars , ons tot zondaars maakt ; of

„ dat zy , uit dien hoofde , die ver-

3 t

fmaading verdienen die het loon der on-

E 4

„deugd


f* B3.IEVIIN OVER VERSCHEIDEN

deugd blyft ;

o f da.t

m e n n o o l z a k e ] v k

„ een menstknegt der zonden worden moet,

" *° m e n om gaat mee zondaren ! "

Nooit , myne Vriendin , hebben deeze

heilige mannen , gedagt , dat de deugdzame

J 0 0 d


o f d £ o p r e c h t e

ten moet deelen in de fchande van den

Verbreker der Qoddelyke wetten ; om dat

hy met hem verkeerde, tt geen men doe*

« m

b G S t e

! " ^

Alle deeze treffende gezegdens ; alle de

Wvsgeei, die weergalooze kenner des

Menfche.yken harte, S A 1 Q M O i f ) h e b

.

h n hunne betrekking

o p

de onervaren

jeugd , of op mannen den kinderen in ver-

Aande gelyk. Op zulken , die nog naauw-'

tv* dpn ftryd tu,f ch

en hunne 4teerde

Peigmgen , en het waarlyk beste ; hebben

ingebonden ; op zulken die nog i n

tp-m üaa , n o f z y d e Q b r e d m

den \V eg der zonde , dan of zv den fteilen

, en ip den aanvang hobbeligen . kruis

weg der Goddelyke Wet willen inilaan

Of OP hen j die , ja , het beste gekozen

hebben , evenwel nog onervaren rei-

?igers zyn ; nieuwelingen i Q

heq Oeffen-.

fchool


ONDERWERKEN- V. BRIEF. 73

fchpol der Gerechtigheid ; of op die lydelyke,

weeke zielen, op die ongevestigde

gemoederen , die eigenlyk geene vasto

Begindzels hebben; die geen moed hebben

ouTuit zich zelf te denken, zelf te zien, zelf

te oordeelen, maar die men in allerhande

vormen kan gieten ; die vroom zyn met

eenen SOCRATES , en zedenloos by eenen

AECIBIADES ; om dat zy eigenlyk ,

geen eigen karakter hebben ; maar alles

ontleeaen ; altoos navolgen. Tot deezen

zeggen wy , met den diepdenkenden Apos^

tel, den welfprekenden PAULUS : die

„ zwak is. ete Moeskruiden '\

De vermaken der zonde zyn zo weinig

betekenend, wat zeg ik? zyn zo laf,

laf? zyn zo aanftootelyk voor den

deugdzamen menfoh , dat hy , die niet

kan verkiezen. Als ons zedelyk gehoor ,

het muzikale der zedelyke harmonie wei

ként \ kan het niet zonder zeer fterke

onaangename aandoeningen , het verward ,

ftootend , krytend gefchreeuw der zedeloosheid,

hooren, Hy , die deeze gefchiktheid

heeft , zal nooit zo zeer verrukt

zyn , zo geheel en al wegfmelten door

deeze god-ielyke Tconkunst , door de

Deugd gefpeelt , dan wanneer zyne ziel

E 5

al s


74 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

als gepynigt geworden is, door de afgryzelyke

wangeluiden der Ongereeh.tigh.ejd. '

Tot den zulken zyn des de vermaningen

eens SA LOM ONS niet ingericht. Die

groote man , wist wel dat deugd , fterkte ,

kragt , vastheid , is. De rechtvaardige ,

is by hem de wyze , en het begindzel

der wysheid de vreeze Gods.

Hy des , die belyden moet dat hy ,

zonder zeer groot zielsgevaar , n et kan

komen in het byzyn v:n flegte lieden ,

zal , zo hy eerlyk handeld , ook moeien

toeflaan , dat hy der zonde nog eene heimelyke

liefde toedraagt

f

of ten minften ,

dat hy een zeer laffe vriend der Deugd

is; Ontwykt hy de verzoeking , hy doet

voorzichiig j draagt hy hen die fterker

zyn agting toe , hy doet bülyk ; en trage

hy naar eene zodanige vastheid van Geest ,

als zy reeds bezitten , dan doet hy kloekmoedig.

Maar tracht hy zyne lafhartigheid

s

; als iets lofwaardigs uitteventen ;

pryst hy zyne zwakheid , die hem op

den minften tegenftapd zoude doe nbezwyken

, zynen vrienden aan , onder den

aaam eener, naauwgezette heiligheid , die

ook den fchyn des kwaads haat , dan is

hy een Huichelaar , en zyne verkeering

is


ONDERWERPEN, V. BRIEF 75

is nog meer te vlieden dan die eens ruwen

Zondaars.

De volgende gedagte valt my daar , onder

het ' Schryven in j ik mcene dat zy

nieuw is ; veragt haar daarom niet , myn

e

vriendin , zo zy anueis w

loy zv ; en zo zy den toets niet kan

doorftaan , fmyt ' ze dap in dat groote

Vak , daar al het Bil hen , ais wy mee

ons beiden zoortgelyke munten nawegen,

ingegooid wordt. Dit wilde ik zeggen :

Zie ik met aandagtige , djepdoorzïende

pogen in , het karakter der genen ,

die° dit Spreekwoord het meest in den

mond hebben , dan dunkt my , dat ik .'er

de volgende ontdekking doe. Do voorgewende

vrees om uit zyne vastheid weg

gerukt te worden , en , zo als men dat

in dier lieden taal noemt , „ met de

, Waereld dcortcvloeyen " , zou wel eens

niets anders zyn kunnen dan hooggevoeligheid.

Hoe fmaakt u dit ? ja maar , 'er

is' geen ketter zonder Letter , en ik zal

dit vermoeden ook pogen te bewyzen;

Luister dan eens !

Deeze menfchen hebben zo veel op met

hunne eigen vroomheid j zy geloven vaste-


?6 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN ^

telyk boven alle nafpraak verheven te

zyn ; zy trillen op de gedagtea dat 'er

iemand hunne heiligheid ZOude in twyffej

trekken- Zy zyn veefmeer bekommert

vo W

hun naam dan voor hun hart l dhar

tnen mede VERKEERT wordt men mede GEEFRD

IS voor deeze menfchen veeï kragtiger'

midoel om hen van ilègt gezelfchap af te

treden dan de fbrcuk : daar men mede

verkeert daar Word? men door BÈDOR-

f handcfen

Hier van daan, Cnaar myn inzien J

de groote ongelykheid aan zich zelf- en

d

met onze eigen goedgekeurde

grondregels. Hiervan daan', het

door ons altoos afgekeurde gedrag van ze,

keren onzen Vriend : maar ik

z ai „

d at

gedrag hier eens als i n

een Schildery ten

onzen eig en

nutte vertoonen :. de naam

^oet er met toe - jfe noem hem de S


ochroomaart,.

Hy , weet gy ,

J s L i d y g n

zeer kleine Christelyke vergadering in eene

onzer Buitenlieden. Een der medeleden

heeft zich over eenige Jaaren fchuldig

g e-

V a ;

eene

i n

' c

0 °e , °P e n d e *ui4.

Jongheid;

Z y n b e r o u w ; h o e

l s

* lang zo bekend niet als

z y n e o v

^

tre-


0Mï>S»fcWËRP2N. V. BRIEF. 17

treding ; en daarom , hoe onberispelyk ,

zederd dien mistred , zynen wandel ook

als mensch , ja als Christen zy , weigert

Schroomaart volftrekt alle Burgerlyke

gemeenfchap met hem. Moet hy hem ,

noodzakelyk , fpreken ; dan ontbied hy

hem in den avond , aan zyn huis ; uit

vrees van met den man gezien te worden.

Ziet hy hem van verren aankomen ;

hy flaat eenen anderen weg in. Wordt

hy onverwagt door hem voorbygegaan ;

Hy houdt zich als ,of hy hem niet zag ;

mislukt het hem ; dan groet hy hem

met een wezen dat zegt : „ wel man ik

„ ken u niet , maar een groet is een

„ groet waardig. " Hy haast zich altoos om

vóór hem uit de kerk te zyn , uit vrees

dat hy hem mogt aanfpreken ; en hy zegt:

zo men dit mensch aan de Tafel des Heren

toegang geeft , dan ga ik uit deeze

'Gemeinte.

Wat is hier toch het innigfte roerzei

van dit gedrag ? Is het téderheid van Geweten

? Of is het vrees voor zynen goeden

naam ? Het eerfle maakt hy der waereld

wys , en poogt het misfchien ook

aan zich zelf te doen geloven : maar indien

hem dit laatfte al gelukt ware, het volgende

zal hem dien mom. rasch aftrekken. Een man

van


?S BRIEVEN ÓVER VERSéHElDEN

van aanzien en middelen'., valt juist in dé

zelfde zonde ; maar

Z v n

Rylcdóm , en'

zyne vermogende vrienden bedekken die in

tyds ; en fchoon Schroom aart , het gehele

geval , in alle zyne verzwarende omftandigheden

Weet , hy is laag genoeg om

het zich tot eer te laten aanrekenen,

dat myn Heer de R y K e

, hem ten eeten

houdt , wanneer hy iets met hem te

verhandelen heeft ; hy groet hem op de

Beurs, geeft hem. de hand , Ja! houdt

met deezen mensch , in eene grooter gemeente

van die eigen' Gezindheid , meteen

gerust gemoed het Avondmaal , overtuigd

zynde , dar de groote Gastheer hem

niet zal uitwerpen , om dat 'er iemand

aanzit zonder Bruiloftskleed.

Bedriegt Schroomaart zich niet grootelyks,

indien hy waant , in déezen, Gód ? té

dienen , daar hy alleen zich zelf diént.

Dat de Mensch in het Zedelykë zfr wé

als in het natuurlyke eenen ftryd op aar',

de heeft , waar in hynu eens overwint ^

dan eens overwonnen wordt; en dat hy •

in' veélen , ftruikeld , is iets dat my niet

heel zeer verbaast : Zyn rang die hy i n

den rei der wezens verkreeg ; de driften

en hartstochten waardoor hy verzelt wordt ;

het


ONDERWERPEN. V. BRIEF. 79

het aandoenlyk lichaam waar mede

hy-is omkleed; de omftandigheden waarin

hy geplaatst kan worden ; de gevallen

waarin hy kan gewikkeld worden , zyn

oorzaak dat my dit niet zeer kan verwonderen

: maar .'

Dat zulk eert mensch , die geduurig

ontwaart hoe ligt ons de zonde omringt ;

die men'gvuldigmaal van zyne eigen begeer,

lykheden word verlokt ; die zyne beste ;

voornemens zo dikwyls verbroken ziet ;

die geduurende zyn geheel leven waken

moet tegen zyne hoofdondeugd ; die ,

wanneer hy zich ernlt.'g bepaalt op de

voorwaarden der Euangelifche genade ,

overtuigend ziet , dat hy , die genade

hoogst nodig heeft , om behouden te worden

; die daar; en boven overtuigt is , dat

hy op die genade niet kan hopen zonder

de grootfle zachtmoedigheid , en liefderykste

behandeling-omtrent zynen broeder:

dat zo een mensch zeg ik, nochthans, eenen

Broeder, om een aangetygden, of wezentlyken

mistredt, loslaat, fchuuwt, beoordeelt,

fheng veroordeelt , is iets dat my verbaast

; myne verbeelding overtreft ; en

hoe zeer ik ook gewoon ben , alles in.

het beste , het vrolykfte licht te plaat-*

zen , zo ontwikkeld liet in myn gevoelig


85 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

lig hart , de Zaden der fiflle zwaarmöev

digheid , ja maakt my vatbaar , voor

durf ik het belyden , toorn en verontwaardiging.

Beste Vriendin ! vergeef my dit

laatfte , indien het misdadig i s 5

maar 't

geen ik u belyde is waaragtig. J a

. dat

voel ik , en al heel ilerk !

Deeze verfoeilyke liefdeloosheid , deeze

onnatuurlyke hardigheid , deeze hoogst

fchadelyke vertooning van naauwgezetheid

, vloeyen niet voort uit een wys en

deugdzaam wantrouwen op eigen kragten

; kan , zegt de Heilige Schrift , kan

een en dezelfde Bron zoet en bitter -water

uitgeven ? Kan Ootmoedigheid de moe^

der zyn van Trotsheid ? zal hy , die uit

een zedig mistrouwen , óp eigen kragten,

zich in zekere verzoekingen j niet durft

wagen , zich aan eenen Broeder liefdeloos

onttrekken , die verrascht , ja , die

bezweken is ? aan eenen Broeder die hem

de hand toereikt om hem optebeuren...

6 wreedheid !

Hoor , myne vriendin , ter deezer gelegenheid

, de volgende bedenkingen :

(waarom zoude ik brood voor vrienden

fpaaren ? ) mooglyk zyn zy

u

zo nuttig

, als zy my zyn , en ik weet dat

gy


ONDERWERPEN; V. BRIEF; 8ï

^y behagen vindt in myne allerernftigfte

overdenkingen.

JEZUS CHRISTUS de Infleller van den

godsdienst , dien wy belyden ; JEZUS

CHRISTUS , onze Heer en Meester , naar

wiens naam wy genoemd worden , was

ons , in alles , als Mensch gelyk; wierdt

in alles als Mensch verzogt ; doch flondt

alle beproevingen met den verlichten moed

van een eerlyk man dóór ; bleef afgefcheiden

van de zonden ; overwon alle

verzoekingen. Stond het iemand vry, uit

zucht voor zynen goeden naam , het gezelfchap

der Zondaren te vermyden ; was

het iemand geoorlooft , zo teder op zyne

eere gezet te zyn , het ftond Hem ze

ker vry die ons getoont heeft , waartoe

eene zuivere , heilige wélgevestigde liefde^

tot God ons kan in ftaat (tellen. En nochthans

, JEZUS ! de onbefmette JEZUS hadt

medelyden met onze zwakheden ; „ hy

i t

zogt en zaligde dat verloren was " ; en

dat , terwyl waan- en fchynheilige - Phari.

feeuwen , hem met bitterheid verwyten

;

„ Zie daar een Vriend van Zondaren ea

„ Zondaresfen ; hy gaat met hen om *

„ hy eet met hen ": Hy werd dus ook

geëert met die waarmede hy verkeerde ;

doch de Goddelyke JEZUS , wiens geheele

I. DEEL. F ïieï


&X BRIEVEN OVER VERSCHEÏDE»

ziel , liefde was voor God en menfchen <

wiens geheele hart blaakte van bermhartigheid

, verachte deezen blaam , en ging

ftaadvastig den edelen , den verheven weg

door hem ingeflagen J ó hoe veele zielen

moet zyne onweerftaanbaare zachtaartigheid ,

zyne aandoenelyke gemeenzaamheid , verbonden

aan het allerheiligst gedrag , niet

wel gewonnen hebben ! zielroerende tooneeien

! en zullen wy , zeer zwakke ,

zeer onvaste menfchen , wy, die ons verftouten

om ons zyne navolgers te noemen,

ons zottelyk gaan verbeelden, dat

het ons vryftaat , yder menfeh die in eene

verzoeking bezweken is , voor onverbeterlyk

te houden ? te vlieden als de

Pest ; alle burgerlyke , en godsdienstige

gemeenfehap te ontzeggen , niet alleen tot

dat hy , door- een oprecht berouw zich

met eenen goedertieren God heeft verzoent;

maar tot dat onze trotschheid door zyne

fmekingen gevleit , door zyne herhaalde

verzoeken , voldaan is.

Onuitfprekelyk onderfchèid tusfóhen ders

Meester en zyne Leerlingen ! Hy is geheel

gehoorzaamheid jegens God , en ,

geheel toegeevend omtrend zwakke Ster-,

velingen ; en zullen wy , indien wy dus

oftmenfchelyk handelen , ons beeld niet

vin-


ONDERWERPEN. V. BRIEF» 83

vinden in dien onbermhartigen Dienstknegt

9

die duizend talenten kwytgefcholden zynde

, zynen mededienstknegt om eene geringe

fchuld in de gevangenis wierp ? het

ysfelyk loon zal ons tóegeteld worden ;

en welk een loon !

Myn harid is moede gefchreven : myn

plan is egter nog al niet afgewerkt. Ik

zal dezen hier eindigen , en , zö rasch

ik kan , de pen opnemen , om , in eehen

eerstvolgenden brief, die zaak aftè

doen : altoos bén ik uwe ware Vriendin;

fi

ZES-


ZESDE

BRIEF.

Ten vervolge.

MYNE LIEVE VRIENDIN !

J-^ikwyls , ( W

ant gy weet , ik heb eene

ouwerwetze zucht tot weldoen , hoe

weimg ik dan ook in ftaat moge zyn om

die optevolgen : trouwens , al had ik ah

de fchatten van uwen Buurman , myn

hart zou toch altöos ruimer zyn dan myn

beurs : welk eene Parenthefis j s

dit ' ik

zie het te laat ; l e e s

het nu echter ,

wyl het gefchreven is.) Dikwyls heb ik

gedagt , dat , daar 'men niet zelden , op

een handvol Ducaten ziet ,

z o

men ons

daar voor een zeker genoegen kan bezorgen

, hoe het toch by komt , dat men

met eene geringe fom over heeft, om zich

vermaken te verkrygen , die ons veel

dierbaarder zyn zouden , dan al die beuzehngen

, en die opmerkingen , die ee»

nieuw kleed, of eene kostelyke Equipage

ver-


ONDERWERPEN. VI. BRIEF. 85

verfchaffen kunnen. Laat ik deeze gedagten

hier ter plaatze uitwerken.

Hoe dikwyls zou men , met geringe

kosten , weinig moeite , en opoffering

van iets van het onze , onze Natuur- en

Geloofsgenooten , voor tyd en eeuwigheid

kunnen behouden ! Ja , de gift van

eene honderd guldens , die een braaf man

welke zich uit mistroostigheid , om dat

hy geen kans ziet die af te betaalen , tot

eenige buitenfpoorigheden begeeft , in een

nyver en zedig burger zouden veranderen ,

is immers zo overgroot niet voor menfchen

, die in overvloed leven ? zo een

gefchenk zoude in flaat zyn , om een geheel

huisgezin te behouden , en de onnozele

kinderen eene goede zedelyke , ja »

Christelyke , Opvoeding te bezorgen.

Als men met aandagt die rei van gelukkige

uitkomften nadenkt , moet men waarlyk

beven voor zyne eigen ongevoeligheid

; en verre van onzen Naasten , die

tot eene flegte daad , dus ongelukkig ,

vervallen is , hard te vallen , zoude men

zich zelf als een medepligtige aan zyn

wanbedryf kunnen aanmerken. Men wende

niet voor , dat deeze bedenking verre

gehaajt zy ; wie weet niet , dat het

F 3

on-


85 BRIEVEN O VER VERSCHEIDEN

onbefcheiden weigeren van één Ducaet,

waarmede een arm , doch nyver huisvader

, zynen ftrengen Huisheer wilde voldoen

, oorzaak werd , dat hy , en de

zynen , ten huize wierd uitgezet , ea

verpligt om zyne armoedige meubeltjes

te gelde te maken ; en juist daar. door ,

raadeloos gemaakt , zich aan eenen woesten

, en onhcbbelyken wandel overgaf;

dat hy kinderen naliet [ die , na dat zy

de veiligheid der Maatfchappye verlïoort

hadden , ten fpiegel van anderen openbaar

geüraft zyn.

Hoe veelcn , is het te vreezen , zyn

'aan eene Ongerechtigheid verllaaft , naar

de Eeuwigheid gegaan , die mooglyk door

een vriendelyk gezicht , een goeden raad ,

een troostlyk en moedgevend woord , zouden

zyn te recht gebragt ! maar nu \

ziende dat zich niemand hunner bekommerde

\ en yder hen met moedbrekende verfmadingen

behandelde , van de waareld genomen

hebben wat d ; e hen aanbood , en

uit eenen liederlyken levensftand zyn overgebragt

. . . deerlyk denkbeeld J kunnen

zy gelukkig zyn ?

Naauw gezette Christenen 1 deeze ongelukkigen

zyn gedeeltelyk voor uwe

veranfc-


ONDERWERPEN. VI. BRIEF. 8j

antwoording : 't is uwe vrees dat gy ,

geëerd zoudt worden , met hen daar

„ gy meede verkeerde " , die U belet

heeft , om uwen Broeder aftetrekken van

den weg der verkeertheid ; om hem Gode

te winnen.

Menfchen , die het , naar uwe hoonende

gedagten , zo naauw met de Godvrucht

niet nemen , mogen zich by zulke

losbandigen wagen ; Gy doet genoeg ,

als gy tegen het verval der zeden uit»

vaart ; Gy doet genoeg , als gy een misbedryf

door een uwer medemenfchen in

st heimelyk gepleegt , op de daken predikt

; Gy doet genoeg , als gy hem

als een onverbeterlyk Schepzel afmaalt

, en anderen aanzet om hem te fchuwen..!

maar genoeg ! ik had u nog veel*

meer onaangename waarheden te zeggen.

Ik geloof zeer gaarn , dat 'er ernftige

en oprechte Christenen kunnen zyn , die

uit zulke flegte begindzels dus niet handelen

; doch. de naauwgezetheid deezer brave

menfchen is zich zelf altoos ge|yk.

Hunne eerbiedeniswaardige harten zyn vervult

met , liefderyk mededoogen , , voor

den zondigen overtreder der wetten. Zy

jnaken zyne fout niet ruchtbaar. Zy ver-

F 4

oor-


88 BRIEVEN OVER VERSOHEIDEN

oordeelen hem niet uit hooren zeggen ; zv

bezwaren hem niet ; zy houden hem niet

voor onverbeterlyk ; zy fcheiden zich niet

af van andere deugdzame menfchen , die

zo eenen ongelukkigen niet affnyden ; wel

verre van dit alles , bedekken zy de mis,

daad , zo veel met de oprechtheid befïaan

kan ; zy verzwaren die niet door haatryk

uitgedagte omftandigheden 5 en zy hoo?

pen altoos , zo lang 'er eenige grond

van hoope is ; goedkeurende de zorg, en

vermaningen door anderen , ten hunnen

besten , aangewendt,

Zie daar , myne Vriendin , myne gedagten

over een fpreekwoord , waarmede

men zich dus lang , om zyne eigen liefdeloosheid,

om trend eenen verdwaalden, te

glimpen , bedient heeft : en fchoon ik

deezen brief eigenlyk voor u Schryf, zo

weet ik echter , dat gy gewoon zyt onze

Vrienden nu en dan , en by voegzame

gelegenheden , dezelve voortelezen.

Hier toe hebt gy altoos de vryheid

; maar ik vlei my niet , dat myne

denkbeelden van dat gewigt zullen geoordeelt

worden, dat zy de menigte tot andere

gevoelens zullen kunnen brengen; ik ken de

menfchen , en weet welke offerhanden het

zyn ingegroeide vooroordeelen afteleggen ,

m


ONDERWERPEN. V. BRIEF. 89

en edelmoedig te belyden : „ ik heb niet

5, wel gedaan toen ik dat deed " ; is

dat myn Schuld ? zeg my uw gedag'en

pver deezen zo rasoh gy kunt , en geloof

dat ik altoos ben Uwe oprechte

Vriendin.

ZR-


ZEVENDE

BRIEF.

.•wa^»——_

—»•*

MEJUFFROUW!

De Brieven van Myïady MONTACÜE

S

zo als die in 't Nederduitsch vertaald zyn

5

gelezen hebbende , hebt gy een groot

verlangen om eens te zien , wat of daar

pp , door den Heere POPE , wel is geantwoord

; dewyl gy eenige deezer Brieyen

aan hem geadresfeert ziet,

Dit , myne Waarde , geeft gy my ia

uwen van den vierden dezer , te kennen.

Ik verfta U ; en zal , zonder eenige ontfchuldigingen

, of voorwendzels , zo van

onbekwaamheid , als tyd- gebrek

a

voor

den dag te halen , u dat genoegen bezorgen

: Ontvang des hier nevens , de

Brieven aan Mevrouw MONTAGUE gefchreven

, door den beroemden Dichter POPE

S

geduurende haare uitlandigheid.

En geloof dat ik met achting ben ;

Uwe Vriendin.

AGT-


AGTSTE

BRIEF.

MEVROUVV

Hoe nader ik my zelf leer kennen

s

des te romanesker viride ik my. Me dunkt,

er is iets edel ftyfzinnigs in , tegen de

fchikkinge des Noodlots zich te verzetten

; en die Perfooncn jj die het ons ontrukt

, niet opcegeven ; maar te fterker

aan te hangen , naar mate zy van ons

verwydert worden. De Vleyery reist nimmer

een weg van vyfluizcnd (Engelfche)

mylen. De alles overwinnende Waarheid alleen

, kan U , Mevrouw , op zulk eenen

verren afftand een bezoek geven.'

fl'-nosW èb 3tw n3' .nsmomsbno 230013

Is het niet iets zeer edelmoedigs in den

Roomfchen Godsdienst , dat hy ons beveelt

, die Lieden hier te volgen , van

welken men , in de toekomende eeuwe,

zal gefcheiden worden ? en het zy gy

dit bevel laakt of pryst , gy zult , echter

,


92 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ter , toeftaan , dat 'er in deeze verwildering

iets beminlyks is.

" Denkt gy , dat ik myn hart bevredigen

Kan , met nu en dan op u eens een hand

vol bloemen te itrooijen , als 0p eene afwezige

? Gelooft gy , dat het t e

voldoen

is als ik U eerbiedige, gelyk iets

dat ik verlooren hebbe ? niets minder '

Ik moet u befchouwen , als een verhevener

, fchoon ver van ons afzynt , Wezen

; ik moet tot u myne wenfehen , myne

aanfpraaken richten. Gy hebt zo véél

van my medegenomen dat het armhartig

overfchot wegkwynt. Waarfchynelyk zal

ik m 't kort , den Aurat Baf ar

\ zo aangenaam

vinden als Covem - Garden Ver

beek u niet dat ik fchertze ; ik betuig

u dat deeze dweepery my vermaakt : hier

om noemen onze Vrienden my Romanesk.

Kleine zwarigheid ! die naam geeft men

wel eens meer aan hun , die het fchoone

, met drift beminnen , of zelf iets

groots ondernemen. En wat de Waereld

aangaat , de Waereld maakt het 'er trouwens

wel naar , dat men haar zoude ontzien

.' Roem , het éénig Loon eener brave

daad , betaalt zy niet beter dan hare

overige fchulden.

Ik


ONDERWERPEN. VII. BRIEF. 93

Ik- fchryf dit alles in eenen vergiftigen

knorrigen luim. Zedert uw vertrek heb ik

hén 't meest bezogt , die het allervriendlykst

over u denken ; en zie daar ! ik

hoor van niets , u betreffende , meer fpreken

dan dat gy met een zwarte knoopparuik

zyt op reis gegaan. Eens nam ik de

vryheid om te zeggen : „ het zal maar

„ een beurspruikje zyn " , en wat kreeg

ik ten antwoord ? „ Liefde is blind " i

Gy , (dit recht moet ik uwe kritiken

doen ,) hebt het echter aan uwe fchone

oogen te danken dat uw Kapzel hier zo

bepraat wordt.

Ik bid u , nogmaals , Mevrouw , als

gy aan my fchryft , fchryf dan over u

zelf , en over niets anders. Daar is niets

waar van ik zo gaarn hoor. Ik ben niet

in 't minst nieuwsgierig naar de Heilige

overblyfzels , of de altaaren waar van gy

fpreekt. Ik ging veel liever in Bedevaart,

om één hoofd zo fchoon als het uwe ,

dan om beide de Hoofden eens onthalsden

Heiligen , te zien. Ik wensch, van

harten , wyl gy zo zeer op gouden dingen

belust zyt , dat gy al dat mooije

goedje waar van gy fchryft , bezat : ja

ook het gouden beeld van Koning NEBU-

KADNEZAR , op deeze eene gemaklyke

voor-


94 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

voorwaarde : „ niet verder te mogen

», voortreizen dan gy het zelf zoudt kunnen

„ draagen ". |

(

.' - , « nsxiraü y isvo 325{'~i

Ik beken dat het Weener hof waarlyfe

voorbeeldig is f De Dames fchvnen daar

den Text die ons beveeld elkanders lasten

te draagen , letterlyk te verftaan : tnsfchen

ons , zou daar niet menig een man

zyn die gelyk ISSASCHAR , een ezel i s

, r u s

.

tende tusfchen twéé pakken. Ik zal voortaan

op u niet meer als op eene Christinne

kunnen neder zien , wanneer gy Van

dit Liefdryk hof, naar dat der . Jalouzie

vertrokken zyt. Ik wagt een ömflaridig

verhaal , hoe , en by wat toeval , gy

het eene uwer Negenendertig Geloofsartikelen

voor , en het andere na afleide ,

naar mate gy het Ryk der Ongeloovigen

naderde. Hoe is het 'er nu al mede ? Hoe

bevallen u de Leer , en Tucht der Engelfche

kerk , nu gy al de pracht eener hoge

Mis ziet , en verrukt word door het keurlyk

Muziek eener Zondaagfche Opera ?

Hebt gy nog eenige achting voor H>PKINS S

en STERNHOLD ? Hoe zullen uwe Christélyke

Deugden het op zulk een lange reis

uitgehouden hebben? Zult gy niet, weldra,

öp zomraige overtredingen met méér bedaartheid


ONDERWERPEN. VII. BRIEF.

heidVen geduld kunnen nederzien dan onzë

Londenfche Dames ooit te vergen zy ?

Ik houde my verzekerd , dat men my ,

als ik u volge , zal vertellen , hoe aartig

gy u naar de zeden der ware Muzelmannen

kondet • voegen : „ Hier , zal meri

„ my zeggen , leerde zy op eene Sopha

zitten : Daar voude zy den eerften Tul*

band : By deeze Fontein baadde zy zich *

„ wierdt zy gezalft en bewierookt , en

„ leide zy haar Reispruikje af ".

Wat moet dit evenwel een regt verrukkelyk

Land zyn voor eene fchoone jonge

Dame , daar de Godsdienst de Ligthoofdigheid

voor eenen pligt houdt ! Als ik

te Belgrado koom zal de göede oude Basfa

my , met hartlykheid , vertellen , hoes

hy u met vreugdetraanen ontving : hoe

hy bekoord wierd door de bevalligheid waar

mede gy de woorden ALLAH , en MOHA-

MET , leerde uitfpreken ; en hoe ernftig

gy hem byftondt-, in uwen man te vermaanen

, dat hy den eerdienst deezes Lands

aanname. Maar ik denk dat Mylord ééne

gewigtige bedenking daar. tegen inbragt ;

om dat hy zekere plechtigheid zou moe.

ten ondergaan , die zyn Lordfchap zoude

verhinderen , om zyne Britfche Majefteit,

BA


99 BRIEVIN OVER. VERSCHEIDEN

Ha die plechtigheid , eigenlyk te kunnen

verbeelden. Eindelyk zal ik vernemen , dat

gy , in den

t

eerften nagt die gy te Pera

fliept , een gezicht had van het Paradys

des Grooten Profeets ; dat gy gelukkig ,

zonder ziel ontwaakte : van welk dierbaar

oogenblik , het bekoorlyk lichaam de volle

vryheid kreeg om alle de zagte, en ffil-

Ie pligten waar toe het gevormt fchynt ,

te voldoen.

I k m e r k

m

dat ik, aan ü fchryvende, my

uit eenen verdrietigen in eenen vrolyken

luim gefchreven hebbe. Hoe dikwyls is

dit door uw byzyn gefchied 1 Jk denk alweer

niet om deezen te fluiten ; maar

Gy , Mevrouw , kunt hem zo klein maken

als gy goedvind , door hem , ongelezen

, by u neer te leggen. Door verontfchuldigingen

zal ik hem nochtans niet

langer uitfpinnen.

Ik

blyf. enz.

A: POPE*


NEGENDE

BRIEF,

M E V R O U W !

D eeze Brief is het Schildery van myn

hart ; de getrouwde Copie , (hoewel van

een lelyk Origineel ,) die gy immer gezien

hebt : niets anders hebbe ik , ter

fnyner verfchooning in té brengen , öf

ter aanpryzing u te zeggen. Ik ver-

Zagt geen eene trek , of doe myn voordeel

met het Licht , door dat zo kunftig

te laten vallen dat da&r door het lelyk

ding minder affchuwlyk word ; o heen ï

ik' zal het op de fchriklykfte wyze doen

gelyken. Gy bedroeft my , indien gy één

éénig woord van alle die ik U meen te

fchryven , opneemt als eeh Compliment ;

dat ik U , óf wel , my zelf maak. Ik

zal U niet fchryven dan het geen ik ,

aan u fchryvende , over u denk. Ik vertrouw

, dar gy te redelyk zyt om van my

te eifchen dat ik , dus , en niet anders

over u , tot mynen dood toe , zal denden.

Dit zoude dus zeer overeenkomen met

I. DEEL. G he£


08 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

het bevel van iemand , die eenen Vriend ,

ééns wel getroffen , wilde vergen nooit

ffieer van gelaat te zullen veranderen.

Men zal misfchien , uit de vryheid

die ik neem van overluid te denken , opmaken

dat ik een Zot ben ; men kan

my dan echter geen plaats weigeren by

de beste , dat is eerlyke Zotten. Ons

mal , (yder heeft immers het zyne ! )

komt , vroeg of Iaat , hoe zeer wy he c

pogen weg te moffelen , voor den dag.

Waarom doen wy dan zo ons best om

het te verbergen ? Is het ook eerlyk ,

dus. bedekt met onze vrienden omtegaan?

Waarlyk , Mevrouw ,

z o

het ontwerp

van MOMDS hadt Hand gegrepen , dan had

\ daar niet in berust ; Ik zou aan JUPI-

TER om een venfter , dat ik open doen

konde , verzogt hebben : en terwyl ik

myn hart aan de heele Waereld had laten

bezien , zoude ik het voor myne Vrienden

daar hebben uitgeligt , op dat die

het des te gemaklyker hadden kunnen befchouwen

, en behandelen.

Offchoon. ik , Mevrouw , nooit de eere

had om eene. Menuet met u te danfen

; zo kan ik u echter verzekeren dat

ik u zo lief hebbe als HERODES HERODIAS ,

• - £ im-


ONDERWERPEN. IX. BRIEF. 99

immer konde hebben ; en ik zou u , eeven

gulhartig , ,myn hart in eenen Schotel-

ten gefchenke geven als hy aan haar

eens anders hoofd zondt. Maar dewyl dit

aan JÜPITER geenszinds dus behaagd heeft ,

dien ik my wel te vergenoegen met mynen

fmaak , in de verkeering , als in het

Schilderen te toonen : myn fmaak in beiden

eischt : n i e t v e é l kleeding ". Niet*

Mevrouw , om dat ik geloof dat dit yder

een zo fraai zoude ftaan , als üj en

nog eenige Züsterfchoonheden , maar om

dat" men de Menfchen behoorde te gewennen

, aan iets dat zy , toch eens zullen

moeten óndergaan : Want daar zal immers

eens een dag komen , waar in onze zielen

als naakt zullen verfchynen ; dan zal

men , (om ia deeze leenfpreuk te blyven)

zien , dat de Prudes, aan het fterk

inrygen n haaren fynen leest te danken

hebben , en , uit haar aart , geen duim

breed dunner zyn dan die zoete meisjes ,

die nooit deeze pynelyke uitvindfels der

kunst in 't werk gefield hebben.

Ik heb nog ééne rede die u moet neigen

om aan my uwe gedagten vry uit te

zeggen ; zy is deeze : niemand kent U

zo wel als ik. Als anderen hunne goede

gevoelens over u zeggen , merk ik altoos

G i

Öat


ISO BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

dat zy by de myne verre te kort fchieten

: en ik weet teffens , dat Gy zoudt

erkennen dat zy gunstig genoeg over E

dag ten.

Gy kunt u wel verbeelden , hoe zeer

ik moet verlangen , naar de Briefwisfeling

met eene Dame , die my geleerd heeft ,

dat men zo wél op het eerfte gezicht kan

hoogagten , als verheft raken ; eene Dame

die my , voorlang , onbekwaam maakte

, tot de verkeering met de eene , en

tot de Vnendlchap voor de andere Sexe.

Ik ben niet dan al te aandoenlyk, fchoon

Gy denkt dat het manlyk gezelfchap die

zagtheid mist , die het zoude kunnen

aaupryzen ; en dat aan dat der vrouwen ,

alles , behalven het zoetaartige , ontbreekt.

Hoe dikwyls ging ik niet ftil henen , om

my in 't genot dier gerustheid , of liever

gevoeieloosheid te Hellen , door my

dus lange op het Land gefmaakt ; als één

avond met u doorgepraat , my , volftrekt

, voor de eenzaamheid ongefchikt

maakte ! De Boeken hebben by my ook

hunne kragt verlooren : Zedert ik U kende

weet ik dat 'er eene Dame leeft , die

meer verftand bezit d:n al de zeven Wyzen

met elkander... ó- duikerfche vrouw-.


ONDERWERPEN. IX. BRIEF. IOI

ïyke wysheid j Zy maakt een man duizendmaal

ongèmakkelyker dan zyne eige.

En ! kan 'er iets vreemders zyn ? de

Deugd , de Deugd zelf , is , als zy

door eene vrouw gekleed wordt , véél te

fchoon voor onze rust : dit ondervind ik.

Hoe veel nuts had gy niet kunnen doen ,

zo gy de helft der Petitsmditrcs die U

van ter zyden begluurden , met uw gezelfchap

had willen begunftigen : Wat zouden

zy fraai gefopt geweest zyn; want , terwyl

zy zich zouden ingebeeld hebben , dat zy

flegts op eene fchoone vrouw verliefd waren

, zou uwe deugd , en uwe rede ,

hun betoverd hebben : twee fchoonheden ,

welke deeze Heertjes voorgeven , zelf

niet van aanzien te kennen.

De ongelukkige afftand waar in wy aan

elkander Schryven , ontflaat ons van zeer

veele kleine oplett:nheden , en naauwgezetheden

die wy , in pérfoneelen ommegang

, ten koste der oprechtheid , en om

onze goede opvoeding te toonen , moeten

in agt nemen. Ik kan nu van myne gebreken

, en gy Mevrouw , van uwe deugden

hooren , zonder dat wy behoeven te

bloozen. Wy verkeeren nu op zulke lastige

, en tevens edelmoedige voorwaarden ,

dat zy in ons beiden alle mindere bedenk

i t l <

,G 3


102 TARIEVEN OVER VERSCHEIDEN

kingen weerhouden. My dunkt ook , dat ,

elkander ook maar op één ftuk te misleiden

, terwyl wy zo verre van een zyn,

niet ongelyk zyn zoude , 'aan die potzen

, en knuren die fommigen geloven

dat de Geesten uitvoeren , in die weinige

oogenblikken dat zy met de Menfchen omgaan.

Om dat ik hier van overtuigd ben ,

zo vraag ik u alleen het vpjgende ; want

daar uit zal ik my zelf veel beter leeren

kennen dan uit de meeste omftandighedea

waar in ik my ooit bevonden hebbe. Zeg

my dan , Mevrouw ! Hoe gedroeg ik my

toch wel j in de laatfte uuren die ik by

u was ? Liet ik veel van myne droefheid

zien toen my het grootfte ongeluk myns

levens trof ? een Ongeluk dat ik hoop

dat gy nooit zult ondervinden ; te fcheiden

van iemand u boven alles dierbaar. Indien

ik van u fcheidde , zo als uwe andere

Vrienden , dan was ik de grootfte Hipocriet

die de Betaamlykheid immer gemaakt

heeft. Beantwoord my dit eens !

Nooit ga ik uw huis voorby , dan met

die zagte droefgeestigheid waar mede wy

het Graf eens Vriends befchouwen ; en

't geen alleen dient , om ons ons verlies te

herinneren. Ik peins geftaadig aan alles

W4t 'er , in onze laatfte oogenblikken ,

ge-


ONDERWERPEN. IX. BRIEF. K>3

gebeurde. Ik koester in my dat fomber

genoegen, (dat Gy zo wel kent,) door

te denken dat deeze laatfte oogenblikken ,

voor my geweest zyn. Hoe gaarn zoude

ik my willen inbeelden dat dit niet geheel

'toevallig was , maar dat Gy , Mevrouw

, die zo wel in de gevoelens uwer

Vrienden weet in te zien , ook gewilt

had , dat hy , die het laatfte van u

wenfehte te fcheiden , ook het laatfte van

u fcheiden zoude.

Ik befchouwde u toen , zo als de Vrienden

van CURIUS dien Held befchouwden

toen die gereed ftond om zich der Glorie

opteofferen ! Ik ftond verwonderd over 't

geen my fmartte : wat kon ik doen , dan

bidden dat de Hemel zo veele deugden ,

als toen van ons fcheidden geliefde te bcloonen

met al de zegeningen die Gy ooit

ergens kond genieten ! enz.

A. POPE.

©4 TIEN-


TIENDE

BRIEF.

MEVROÜW «

IVeen ! nooit kan ik te véél Brieven

van u ontfangen. Ik ben ten uiterfte

misnoegd zo dra my een ftrookje wit papier

in 't oog fchynt. Eene jonge fchoone

Dame by eene oude Sybille te vergelyken

, is een misfelyk compliment ; en

echter ik vergelyk u daar by : want ik

denk dat uwe bladen , zo wel als de hare

te kostelyk zyn , om den winden ,

die ontrouwe boden , te worden aanbevolen

: en dit is helaas den eenigen weg

waar langs ik die nu kan genieten.

Gy zegt in uwen Iaatften Brief twee dingen

die my zeer fmaken ; dat , naamlyk

, welk ook het lot uwer Brieven zvn

m

°g e > gy my , om nw gemoed gerust

te ftellen , zult fchryven ; en dat gy ge*

looft , dat ik U niets dan de gevoelens

van myn hart fchryf. Op dit ftuk kan

ik


ONDERWERPEN. X. BRIEF. IOJ

ik ook geen de minfte argwaan dulden.

Gy zoudt my bedroeven , zo gy voor

fpclingen van myn vernuft opnaamt , her

geen uit myn vol , en door U zo zeer

verbeterd hart , voortftroomt. Gy ge*

looft my dan ? O nu begin ik te denken

dat myne pen , myn hart redelyk wel

dient. Hoe groot ook uw Geloof in

deezen zy , nooit zult gy tot Bygcloof

kunnen vervallen.

Indien gy in myn hart zien kondt , gy

hielt het zeker voor een goed eenvoudig

foort van een hart ; net zo als de meesten

zyn , het heefc goede , en gemene

hoedanigheden. Deszelfs zwak voor ü is

zeer groot : doch het is echter zyn beste

zwak ! Myn hart gelykt geenszinds naar

die groote Voorraadhuizen , gevuld met de

goederen des bezitters , en voorzien van

eenige ledige vakken die men gereed houdt

om , zo rasch doenlyk , die door de

Heb- of Heerschzucht te laten opprop,

pen. Myne Vrienden hebben het geheel

en al in bezit \ en gij , Mevrouw , hebt

'er de beste plaats in.

Gy zegt dat gy nooit zo zeer dan nu

van myne Vrienfchap verzekerd waart,

ó Hoe dikwyls ben ik in gevaar om liefde-

G 5

loos


ÏOÖ BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

loos te worden

3

door te wenfchen dat

de Oorlog , de Pest , of de verwoesting

zich tusfchen u en het Ottomannifche

Ryk mogten plaatzen ; op dat gy , ten

koste van geheele volken , terug keerde !

In ernst , Mevrouw , is het onmoog-

Iyk dat gy nog te rug koomt ? Ik hoor

dat gy reeds tot — zyt te rug gekomen

: ziet gy dan alleen om , om tweemaal

te nerven ? Is EuRioicé nogmaals

tot de fchaduwen te rug gevoert ? Heb

ik , denkt gy , geen rede om den Koning

te haaten ? Ik ben de eenige man die

onfchuldig lyd , zo wel door zyne Buitenlandfche

handelingen , als door zyne

Binnenlandfche regeering.

Indien gy ons dan moet verlaten , zy

uwen weg met roozen en mirthen omzet ;

en vertoonen u zo veele fchoonheden ,

dat gy des te minder reden hebt om aan

Engeland te denken. Myn belang eischt

nu niet meer , dat het u naa aan 't hart

hgt ; en misfchien zal zyne hardheid omtrend

my , my dringen het te verlaaten

Zou ik een Land nog langer myn Vaderland

noemen , waar in ik thans geen een

voet Vaderlyken erfgrond bezitte ?

Ik


ONDERWERPEN. X. ERIEF. ÏCV

Ik zou zeer gemaklyk by u kunnen

komen , en die reis in uw gezelfchap

doen. Yder fraai gezicht , yder Zcdelyk

vermaak, zou, kende ik dat in uw byzyn

genieten , my een verdubbeld genoegen

geven. Maar ik zou mooglyk niet lang

by u blyven ; het zou my te zéér fmarten

in een Ryk te wonen , daar de deugnieten

van mynen Go.'sdienst , onfchuldigen

vervolgen , zo als de flegthoofden van

uwen Godsdienst , my , en myne ^ïedebelyders

hier vervolgden ; mooglyk ontvlugtte

ik dit aanftootlyk fchouwfpel in

Azien , en leefde daar in vryheid. Hoe ,

Mevrouw ! zou men niet liever vry leven

in een Land van Slaven , dan een Slaaf

zyn in een Land van Vryheid ? In ernst ,

zo ik de plaats weet waar gy zyt , en

den weg dien gy zulf reizen , is het zeer

waarfchynlyk dat ik u nog eens zien zal ;

en zo niet, de Hemel brenge u dan

ipoedig en behouden by ons. enz.

A. POPE,

ELF-


E L F D E

BRIEF.

MEJUFFROUW.'

T

±k hebbe zo lang uitgeteld aan u tc

fchryven , dat ik waarlyk befchaamd ben

om te erkennen, dat ik nog leef; ik

denk half, dat ik , uit burgerlyke beleefdheid

, diende geftorven te zyn ; om

«at dit een voldoend excus zoude wezen

waarom ik u geene Brieven meer toezond.

In ernst , het kost my (en dit is de oorzaak

van myne flof hcid ,) veel meer moeite

een Brief aan u te Schryven , als voor

myne meeste Lezers een geheel Boek opteftellen

; ik kan het niet helpen , maar

± wensch , dat gy véél minder , of dat

ik véél méér verftand had ! Hier komt nog

by : Ik zie my verpligt door myn afgezonderd

Buitenleven , om van deeze , of

van de toekomende Waereld te Schryven.

Gy zyt in deeze zo gelukkig , dat gy

het mooglyk vreemt zoudt vinden , indien

ik U over de toekomende onderhielt ;

en


ONDERWERPEN. XII. BRIEF. IOy

en zie daar , wat nu ? deeze tegenwoordige

Waereld heb ik in geene maanden

gezien : al myn gezelfchap beftaat in booinen

, bloemen , en planten.

Myn lot , Mejuffrouw , is juist het

tegendeel van het uwe : Gy hebt zeer

teel in uw hoofd , zegt gy my , doch

het papier ontbrak ü : ik heb integendeel,

eene groote menigte fchoon papier , maar

weinig om 'er op te zetten : myn hoofd

is een Vacuüm ; zo dat ik wel verplig*

ben om my ten eerften te noeme.

TJwe ware Vriendin.'

TWAALF,


TWAALFDE BRIEF,

GEËERDE VRIENDIN!

. Gy fy feraagd vraagd my

mv

, „ wat- ., ik denk , , over

i 5

zeker menfeh , dat onlangs op ons week-

„ lyks gezelfchap , door een onzer Vrien-

„ den is gebragt? " Hoe gemeen ook zoortgelyke

Vraagen zyn , en hoe vaardig men

die meest al beantwoord , fchynt het my

toe , dat zy zeer moeilyk zyn om wel

te beantwoorden.

Als ik aan ü Schryf, dan, weet gv ,

volg ik dien peinsagtigen luim veelal in •-

of liever , dan fpreek ik uit myne ei g e

]

zo ik hoop , onbevooroordeelde gedaeten!

Ik heb altoos het genoegen gehad van té

mogen ondervinden , dat deeze manier van

doen , u behaagde ; nu is de gelegenheid

voor my , in deezen , te gelukkig ,

om met , nogmaals , ü , op myne wyze»

te onderhouden»

Naar


ONDERWERPEN. XII. BRIEF. Ut

Naar myn inzien , is 'er geen moeylyker

werk , geen werk , 't welk bynaar

onuitvoerlyker is , dan het wél , het

juist oordeelen over het Karacter onzer

medemenfchen ; ook van dat met wien wy

gemeenzaam omgaan : deeze Helling hoop

jk te bewyzen.

Indien de goedertieren Vader van het

Menfchelyk geflagt, onze Zaligheid gehecht

hadt , aan het juist beöordeelen der zedelyke

waarde onzer natuurgenooten , dan

zouden wy zeer gereed zyn om te klaagen

, over de hardheid van zodanig een

eisch ; en de mooglykheid om behouden

te worden , zou zeer , zeer klein wezen.

Ik noem het, des ook om die reden,

minder een verbod van onzen Schepper

, dan wél eene weldaad ; want dat

het onbedagtzaam beöordeelen van een ander

, ons verboden is , is niet zo zeer

een pligt , dan een zegen , voor ons.

-.ji) %' nasiblutirtod. si waar aari . i3tn r*l

Niettcgcnftaande dit, en dit moet ons, als

wy 'er ernffig over denken , verbaazen ,

oordeelen "wy , daaglyks , over elkander ,

even als of het ééne dier plichten ware jj

aan wier uitoeffening ons ten hoogden veel

gelegen is.


ÏÏ2 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Wy oordeelen , wy Veröordeelen Mefl,

fchen die wy nooit gezien hebben ; en

die met ons niets hebben uit te ftaan t

wy veröordeelen zulken , waaromtrent wy

flegts gebrekkige

i

en weinig geftaafde berichten

hebben. De naauwgezette Christen

velt een zeer nadeelig vonnis 'over

haar , die in haar voorkomen , in hare

kleding , in haren levenstrant , niet zeer

gelyk is aan de willekeurige naauwgezetheid;

zo noem ik die , als zy , ons in het

Euangelie , niet belast is : De Christen ,

om dat zy in geheel andere omftandigheden

was , en geheel anders wierdt

opgevoed , veroordeelt hem , die zich >

door in 't oogloopende uitwendigheden on-

• derfcheid , van hen die onopfpraaklyk zyn.

Waerelds mensch , zegt de eerfte ; Fyne

kwezel , zegt de andere ; en beiden danken

God wel eens ; zo uitmuntend zyn

zy in hunne eigen oogen ! om dat zy niet

zyn ah anderen , ook niet als deeze. Wie

is hier het meest te befchuldigen ? beiden

hebben ongelyk ; beiden zyn liefdeloos

; beiden zyn zo ftandvastig zo onbc.

weeglyk , zo altyd overvloedig \ daar in

als of het een werk des Heer en was. Dit

leert de treurige ondervinding : en de

grootfte de opregtfte Vrienden der Menfchen

,


ONDERWERPEN. XII. HRIEF; J?3

fchen , zo zy de Wae eld kont , zal "dit

niet kunnen tegenfpreken.

Laaten wy nu , tot ons éigen nut , zo

ik hoop

5

eens onderzoeken waar uit deeze

handeling voortvloeit. Is de Bron bitterheid

, kwaadaartigheid , uitzicht om

daar door zynen naasten ongelukkig te maken

? Zeer zeker niet by allen , niet by

dé mcesten 3 en laat ik mogen hopen ,

fiegts by zeer weinigen. De Menfchen

zyn , over het geheel genomen meer

zwak , dan boos : dit weet gy is myn

geliefde ftelregel : by gelegenheid zal ik

dien met u eens toetzen ; hoe wel hy by

my , zyne welbewezen gehalte heeft.

Daar is , geloof my , in deezen , myne

Waarde , daar is zo wel een Zedejyk

, als een Burgerlyk Gemeen. Beide

handelen naar geene wél onderzogte , wél

geftaafde Begindzels : Beide flaan gereedlyk

tot uiterften over : ïlozarma , en

Weg met Hem , zuilen dit bewyzen. Het

Graauw , in den Burgerftaat , hoort

naauwlyks dc woorden „ Dief , Schelm ,

,, Booswicht , " uitroepen ; of het

1'chrceuwt , uit al zyn magt , deeze woorden

na ; offchoon het den Ongelukkigen

niet kent , cn niet eens weet wat of hy

I. DEEL'. H tóch


114 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

toch misdaaD heeft ; het mishandelt hem

zo veel het maar kan , en geeft zich

geen rust voor het den Befchuldigden in

handen van 't Gerecht gelevert heeft.

Eindelyk , zie daar , het is uitgewoedt *

de driften zyn gaan liggen ; de Rechtdag

verfchynt ; het zwaerd wordt uit de fchede

getogen ; de veroordeelde moet derven

! In den allerrnwden komt de menfchelykheid

te voorfchyn ; en die zelfde

woeste menigte , die den Ongelukkigen ,

gisteren , met eigen handen , gaarn zoude

gedood hebben , ZOude hem nu met geen

minder yver willen redden. Daar verfchynen

nu geheel andere driften. Zy zyn mis.

noegt op den Rechter , morren over het

harde vonnis ; en hun kragtelooze

toorn ontlast zich op den uitvoerder van

hetgew ezen vonnis : zo handelt het Burgerlyk

Gemeen ; en zo handelt ook het

Zedelyke Graauw. Naauwlyks hoort men

van iemand , vooral zo hy een voorwerp

van afgunst zy , zéér nadee!:'g fpreken

, of het voegt zich by de fprekers;

en fchoon , het den Perfoon niet dan van

* aanzien , (op zyn best , ) kent ; roept

het : „ deeze is een zedeloos , een ge-

„ vaarlyk mensch ; Weg met hem ". Het

fluit hem uit de Burgerlyke gemeenfchap;

en fluit hem ook met een uit den Hemel.

On-


©NDERWFRPEN- XII. BRIEF. Il3

Öndertusfchën mogen wy wel gerust zyn,

dat dit zelfde Zedelyk Graauw , indien

het den veroordeelden , daadlyk buiten •

den Hemel zag duiten , faüid d e e z e u i t >

drukking ! ) alles zoude willen doen om

hem te behouden Dat ik my dit niet zö

maar inbeelde , Wykt daar ffit ; en die

verzoek ik dat gy , myne Vriendin , eens

aandagtig nadenkt :

Naauwlyks is het getuige , dat eenigè

zware rampen het mishandelde Voorwerp

zyner dolzinnigheid treffen , of het kan

zich bezwaarlyk weêrhouden van te morren

tegen den groöten Regeerder der Waereld

; Hem van onrechtvaerdigheid , ja

van wreedheid te befchuldigen.

Myne onuitroeibare neiging , om , zö

veel voor myn onderzoekzieken geest mooglyk

zy , tót de hoofbronnen der bedryven

dóór te dringen , heeft my echter

nog verder opgeleid ; en , zo ik my niet

bedrieg , hebbe ik de Bron deezer fchuldige

verkeertheid ontdekt. Zy beftaat in.

zekere, niet wel beftuurde' grootsheid des

harten ; zo'te eigenliefde , en bemóeyagtigen

aart ; kortom , in eene zucht om

te heerfched.

Goed i


IIÖ BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Goed , zegt gy ; maar van waar deeze

gebreken ? Vraag zo maar voort , en gy

zult my wel dra .brengen tot een onderzoek

over de cerfte Oorzaak van het Zede-

Jyk kwaad , dat wy in de Waereld zien.

Over dit zeer moeylyk onderwerp , is

misfchien meer gefchreven , dan 'er poogingen

gedaan zyn T>m het uitteroeyen :

Het is nu myn plan geenzins daar in te

treden ; dit eens op een ander tyd. De

ondervinding leert , yder praat gaarn ;

men bemoeit zich gaarn met een ander ,

en wil dat hy de wetten mogte geven

aan alle andere Menfchen. Ik fpreek in

't algemeen ; ook in deezen zyn uitzonderingen.

Yder praat gaarn van 't geen

hy weet , of denkt te weten : hy denkt

véél van zynen evenmensen te weten ,

om dat hy zich veel met deszelfs zaken

bemoeit. Daarom praat hy veel vdn zynen

naasten ; goed zegt gy , maar waarom

juist kwaad ? en waarom volgt , doorgaans,

het veröordeelen óp het beöordeelen

? Waarom ? Wel ! om dat yder

gaarn zyne meerderheid over een ander

toont. Zo dra wy nu over iemand oordeelen

, zyn wy reeds in onze eigen oogen

ten Rechterftoel geplaatst, en tot den

gewichtigen post van Rechter verheven.

Maar , kan die waardigheid 'er jets by ïyden

o


ONDERWERPEN. XII. BRIEF. 117

den , als wy goede vonnisfen vellen ?

Blyft de daad niet die van een Rechter ;

oordeelen wy niet ? Gy hebt gedeeltelyk ,

dan, ook maar gedeeltelyk, de zaak we! ingezien

: de volgende bedenking verzoek ik

dat gy nog gelieft te overwegen.

Ah wy een g'-instig oordeel'vellen , over

een ander , dan wekken wy den aandagt

der toehoorderen zo veel niet voor ons

zelf op , dan wanneer , wy een nadeelig

vonnis uitfpreken : Een lach van goedkeuring

; tot lof , met welbehagen te

fpreken , over onzen naasten, Haat zo gemeenzaam

, zo vriendelyk , zo Broederlyk;

maar wanneer -wy hem uit der hoogte

aanzien , . hem laken ; wanneer wy

hem een flegt mensch noemen , en hem

als zodanig veröordeelen , dan hebben wy

zeer veel van het Vorftelyke , zo wel als

Rechterlyke. Handelen wy dus op enkele

vermoedens ? des te grooter zyn wy in

onze eigen oogen ! Dit is doorzicht te

hebben ; verder te kunnen zien dan anderen

; wy laten ons zo gemakïyk niet bedriegen

; wy weten wel met wien wy te

doen hebben. En naar gelang wy fïrenger

over hem oordeelen , wanen wy tefrens

gefchikter te zyn om onze meerderheid te

handhaven , en luister by te zetten :

H 3 noem ,


Il8 ÏRIïVEK OVIR VERSCHEIDEfJ

noem , bid ik B , dit niet al e fya gedagt

; bepaal u eerst nog eens op n zelf ;

zo al? ik doe , en oordeel dan. Kort gezegt

; 'er is geen plonyen aan ; wy willen

allen gaarn de meester ipeelen : eenige

weinige deugdzame verfhnd ge lieden

die hun inborst te baat hebben , uitge-

-zondert : en wy zoeken altoos een voorwerp

waarover wy iets te zeggen hebben.

Die blinde Bedelaar , die gy daaglyks

voor by uw huis ziet ftompvoeten, op het

geleide van zynen hond ; die blinde Bedelaar

, dat armzalig voorwerp van de algemeene

deernis , heeft het hart van eea

heerschzuchtig monarch. ... Die ongelukkige

Bloed , met zyn beklaag,

lyk roepen, lieve goede menfchen , eejn

Blindmensch , is een arm mensch ... " f

die zelfde ! Gy weet , Ceetje lief

s

ik

ben een van die misfelyke Wezens , die

geen menfchelyk Schepzel beneden hunne

ppmerking rekenen ? dikwyls

s

in uw zydkamer

zittende , (al deelde ik u myne opmerking

niet zo aanfionds mede , ) zag ik

dat deez elendige , veel grooter denkL eeldeq

vaq zyne eige w ardigheid vormde,

wanneer zyn getrouwe Leidsman , zyn

onvermoeide wagter , op zyne donderendde


ONDERWERPEN. XII. BRIEF. IIO

de ftem , en een wélgemikten dag met

zynen ftok , voor zyne voeten kroop ,

dan wanneer het brave beest zyns meesters

hand , voor het ontfangen van een'

ftuk brood , dankbaar likte. Dit verwonderde

my in 't eerst , maar ik beftudeeide

om het zo te noemen , deezen armen

man ; en ontdekte , dat troscheid , gepaart'

met wreedheid , zyn hoofdondeugd

was. Toen hy ftrafte voelde hy zyne

meerderheid ; toen hy weldeedt ftondt hy

meer met hem gelyk ; en dit kon hy niet

dulden. Maar om voort te gaan.

Ondertusfchen blyft het zeer waaragtig

dat 'er geen moeylyker zaak ter waereld zyn

kan, dan een billyk Vonnis uittefpreken over

onzen Naasten , en mag ik niet zeggen ,

oyer ons eigen zelf? kennen wy , altoos

, de fynfte bewegingen onzer daden?

zien wy , altoos , de verborgenfte dryfveeren

onzer eigen handelingen ? Over de

uitwendige daden kunnen wy oordeelen ;

doch alleen , als uitwendige daden ; en

dewyl één en dezelfde daad , hoogst ondeugend

, of zeer verfchoonbaar zyn kan;

(om niet meer te zeggen , ) zo is het

voor de grootfte Kenners van het Men.

fchelyk hart bynaar onmooglyk , in dit onderzoek

, nooit te dwaalen.

H 4

Ey


I20 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

By voorbeeld' ! wanneer ik een mensojl

ae , dat zich dronken drinkt , dan zie

*

5 dat hy eene flegte daad

z e e r z e k e f

'doet. Wanneer ik zie , dat hy zich daagrvks

daar in te buiten gaat, "dan zie ik

dat hy een flaaf van den wyn is , meer

ni t : maar .< Zie ik dat hy", in weerwil

van alle kragtige tegenreden, zo wel .oor zyn

eigen oordeel ingebragt , als door de opregte

genegenhe : d van anderen voor hem,

een va~t bepaalt voornemen houdt , om te

willen drinken tot dronkenfchap toe ; wanneer

ik zie dat hy geene de minfte poopingen

wil aanwenden , om dit droevig

zwak , laat ik liever - zeggen , deeze verfoe

lyke zonde , te overwinnen ; wanneer

hy met daden zegt : „

z o

wil ik doen",

dan mag ik hem in dit opzicht een fjegt

mensch noemen. Ik mag zeggen , dat hy >

m zyn kwaad volhardende , ongelukkig zal

worden , maar ik mag hem niet voor on

verbeteriyk houden , en dus befli fend

veröordeelen. En om wat reden ? Om

deeze zeer eenvoudige reden : Weet ik of

hy nog door een oprecht berouw aan-

'geze , al de kragten zyner ziel , dan

nog overig zynde , byeen zal trekken ,

.o:n zich los te maken van die taaij'e banden

die hem mooglyk jaaren lang, geknelt

hebben ? Sterft hy in den loop zyner

zon-


ONDERWERPEN. XII. BRIEF. 121

de , dan moet ik beducht zyn voor zyn

«lendig lot ; maar ! hy is in de handen

van zynen wettigen Rechter ; mag , kan ,

ik hem veröordeelen ? Nog een voorbeeld.'.

' "

Ik zie dat een myner huisgenooten de

pligten van het bezig , het gezellig , het

Christelyk leven getrouw betracht ; uit

dien hoofde moet ik hem goedkeuren , en

zeggen : hy doet zeer wel in deezen.

Vervalt hy tot eene zeer groote overtreding

, - dan moet ik die daad flegt , en

gelteid onovereenkoraftig met zyn voong

bedrag noemen. Doch , ik mag hem ,

daarom , n g niet voor een Huichelaar

uitkryten. Dit mag ik dan alleen doen ,

als het my overtuigend blykt , dat alle

die naauwgezetheden alleen gebezigt zyn,

om des te gewisfer zyn lnood , wel overdagt

, en lang beoogt oogmerk , te tref-

.fen ; en dan is hy een Schurk.

De beste menfeh kan tot eene zeer berispelyke

daad vervallen. Zo dit zo niet

warehadden wy de vermaning : g, weest

„ waakzaam, houdt u fterk " , niet nodig.

Eene zuivere geest is boven verzoekingen,

die ons als menfchen omringen , verheven.

De meeste Men'chen zyn , over het

H 5

8 e '


122 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

geheel genomen onberispelyk 5 maar het

is te duchten , dat zeer veelen , die nu

gelukkig het leven doorgaan , zouden bezweken

zyn i indien zy zo veele verlokjelen

, zo veele gelegenheden gehadt hadden

, tot het pleegen van geruchtmakende

Overtredingen , als wel tot die zonden

, die zoo niet in het oog lopen om

dat zy van een geheel andren aart zyn

Twee perfoonen van een meer dan gemene

naauwgezetheid

s

kunnen , tot een

zeer misdadig bedryf vervallen ; deeze daad

moet men ten aller ui terften afkeuren ja

verfoeijen 5 maar die ééne daad , hoe' ondeugend

ook , bewyst nog niet , dat hunne

voorige naauwgezetheid geveinsdheid geweest

is. Doch, wanneer het duidelyk

blykt , dat hunne byeenkomften , juj st

zyn aangelegt , op zulk eene plaats , op

zulk eenen tyd , en met zodanige onhandigheden

verzelt zyn , dat men 'er uit

zien moet, dat alles, alles is aangelegt,

en ingericht om daardoor , eene misdadige

, lang gekoesterde ondeugende drift te

voldoen ; wanneer de godsdienst , daartoe

, als het gefchikfte middel , misbruikt

is , onder het voorgeven van hem te handhaven

, en deeze gevaarlyke , voor hea

gevaarlyke byeenkomften zyn aangehouden,

dan mag , j a

dan moet men hen, al«

zeer


ONDERWERPEN- XII

IRIEÏ. 1^3

zeer flegte menfchen befchpuwen ; zy

daan in den hoogften graad fchuldig aam

Huichlary , en verdienen den uiterften

•afkeer van alle brave lieden. Op zulke

©nde fcheidingen wordt , myne Vriendin ,

waarlyk, niet genoeg gelet. Ik herhaal

het nog eens. Eene daad hoe verkeerd

ook , hoe ftrafbaar in Gods heilige oogen

, bewyst niet , dat eene voorige

naauwgezetheid , bedrog geweest is : en

insgelyks , eene goede eerlyke daad , verzekerd

my niet , dat het voorige leven

van hem , die deeze goed. daad verricht,

altoos naar de wetten der deugd is doorgebragt,

maakten zyn voorig leven des niet

verdienstelyker : die daad alléén is goed,

is loflyk , en verdient onze hoogde goedkeuriig.

De volgende aanmerking geve ik

insgelyks ter uwer overweging,

Wy zyn maar al te gereed om zulke

pligten , als weinig van onzen fmaak

zyn , voor willekeurig , voor harsfchenbeeldig

te houden. Om 'er ons van te

ontdaan , beginnen wy d e voor niet zéér

noodzaakelyk te houden. Ter onzer gemstdelling

roepen wy het Vernuft te hulp ;

dat verdaat de kunst om zeer zekare ,

en onweerfprekelyke waarheden gantsch

yCS-


*2 4

SMETEN OVER. VEHS C H EI D E J 4

verkeert toetepasfen -

:

^

ft

^

"Dat Bidden, datLeezen, dat Kerk'

» gaan ,

z e gt men , doet het hem niet •

» de phgren van het gezellig leven wél

" ^urig te betrachten , Gode te

e n n a a u

„ geven dat Godes i s

,

e n d e n K d z e f

" u ^ ' Z e r S i S 5 d / t i s Godsdienst.

,, Alle die naauwgezetheid is toch meest al

„maar fchynheiligheid ; dat is aan die

i en aan nog . al een

e n a a n d i e

„ klaar' genoeg gebleken ". '

Wat zoudt

g y

>

m y n e W a e r d e s f o c h

wel zeggen , indien ik beweerde , dat

zo men met aandagt a'les wel overwoog '

men zou bevinden hoe alle die verhaaste\

die hefdelooze , die wreede beoordelingen

van elkander, ontilaan uit de inwendige'

bewustheid dat het met ons indedaad toch

zo niet is , als het,wel behoorde ? Wat

zoudt gy hier op zeggen ? Wy

p ] a a t z e n

onze beste zyde by de flegtfte van ande

ren , en vergelyken die met elkander • f s

't zeer te verwonderen , dat , daar wy

zelf uitfpraak doen , wy veel beter zvn

dan zy ? Wy willen , met Koning

JEHÜ , zeer gaarn de uitvoerders zyn der

Goddelyke ftraffea , en 'er byvoegen: ziet

on-


ONDERWERPEN. XII. BRIE?. 1=5

onzen yver aan -voor den Here! Doch

Verbeteren even min als hy, ons eigen

hart !

Kunnen wy echter alle beöordeelingen

over onzen naasten nalaten ? Komt men

][ nooit in de noodzaaklykheid van te moe-

" ten oordeelen " ? Deeze vraag is overtollig;

de Ondervinding leert het ons te

dikwyls. Indien ons het oordeelen in het

algemeen verboden ware , dan zoude onze

Gezegende Zaligmaker , ons den weg

niet hebben aangetoont hoedanig wy over

de zedelyke waarde van onzen Evenmensen

kunnen oordeelen. Hy zegt : „ Aan de

„ vruchten zult gy ze kennen. Leest men

ook vygen van doorens en druiven van

distels. Een goede Boom kan geen kwa-

" de , en een kwade kan gecne goede

" vruchten voortbrengen ". Denkt gy dat

de mening van JEZUS deeze is : een goed

mensch kan nimmer eene kwade daad be.

dryven ? of een flegt mensch eene goede

daad ? dit is volftrekt onmooglyk; de

Ondervinding zoude dit , cn de Heiland,

dus doende, ook zich zelf , tegenfpreken^

Zo ik wel zie , wil de Zaligmaker dit

zeggen : ,•> een waarlyk goede daad kan

„ nooit voortkomen uit een bedorven ge.

„ fteltheid des harten ; een kwade daad

„ uit


m BRIEVEN ÓVER. VERSCHEIDEN

„ uit een deugdgezind gemoed \ Bv

y

voorbeeld :

Hoogmoed , kan nimmer voortkomen uit

eene zachte en ftille Ziels gefteltheid : èn

verdraagzaamheid uit geen heftig of wraakzuchtig

hart. Hy die Hoogmóe'ig

i s

,

toont jmmers , dat hy geen vergeêflyk

mensch is ; en , in dit opzicht \ \% hy

een overtreder def Göddelyke wétten i

doch dit bewyst nog niet dat hy een overgegeven

fnood memch is. Hy die gereed

tot vergeven is , toont , even duidlyk

de zag^heid van zynen aart ; frj deeze»

heeft hy de Wet vervult ; doch deeze

eene pligtsbe^rag ing maakt hem nog

tot geen Heilig. Maar I

Hy die door den lóóp van zyn geheel

leven , alle de Godlyke gebóden verimaad

, heeft een bedorven hart : Hy ,

die , integendeel , door zynen gehelen

zedelyken wandel , de deugd , uit liefde

tot God , en met een oprecht hart , omhelst,

die gelukkige Gunffeling des He

mels , kan onmooglyk een ondeugend hart

bezitten : dit is , dunkt my , de eigen-

Jyke mening van J E Z Ü S

, en meer niet.

Is dit onderfcheidener weten, nu genoeg

aiyne Vriendin ? of moeten wy de wóórden'


ONDER. W ER. 1'Èif. Xlt BRIEF iüf

den des HERKN : „ zo gy dit Weet, zalig

M

zyt gy zo gy dit doet " , ook op ons

zélf toepasfen ? In dit opzicht kunnen

wy geene verfchillende gedagten hebben.

De meeste Menfchen waar over wy oor,

deelen , kennen Wy maar zeer oppervlak*

kig. Wy zien (om by de Leenfpreuk des

Heilands te blyven, ) niet alle de vrugten

van deeze Zedelyke Bomen ; wy zien

vrugten van beide zoort , goede en kwade

vrugten. Wat ftaat ons hier te doenf

Hoe moeten wy over hen denken ? On.

ze Godlyke Leermeester zal het ons zeg.

gen: „ Al wat Gy wilt dat u de men-

„ fchen doen , doet hen ook alzo "

Willen wy over de harten oordeelen V

laaten wy met ons eigen hart beginnen !

Vervolgens.

Zien wy dat iemand die veel goeds bezit

, zynen armen medenmcnsch gebrek

laat lyden , dan mogen wy 'er uit befluiten

, dat hy gierig is; maar uit deeze

vrucht blykt nog voor ons niet , in hoe

verre hy ftraffe of verfchoning verdient.

Wy kunnen hier uit niet opmaken , of

dit gebrek hem bedroeft , of hy het tegengaat

, of hy het nooit eens overwoa

nen heeft j Daar wy van dit alles onkur>


128 BRÏEVEEN OVER VERSCHEIDEN

Iamd

; g n7 n -' ;' s ^'initaers onmooglyk

d e d a a d z e I f

kunnen wy «faSi

? !

d:e verfoeyen : maar dit

i s


i n z u J f c

°

' Indien wy van iemand niet dan kwadë

vruchten ontdekken , dan mogen wy daar

ÖA opmaken , dat dit mensch gelvk is

aan een Kwaden Boom. Maar !

W

y mogen

niet zeggen : „

y

d e c z e B o o m

„ vloekt, hy zal i n

eeuwigheid gene'goede

» V r U g t C " ' ^ zal uitgehouwen,

d r a g e n

„ en m het vuur geworpen worden " TE-

ZÜS a" é f"'

h

3 d t h e t

«St om dit te'zeggen.

Weten wy dan ,

i n w e I k e e n e n d


ONDERWERPEN. XII. B RIÈ F. 12$

Ik kari deezen Brief hoe zeer hy is uit- 1

gezet , niet fluiten voor ik de volgende

regels daar nog hebbe by gevoegd,

£)e zonde in deëzen ten tóón geftelt ,

wordt daaglyks, ook , door de beste Menfchen

, maar te veel gepleegd. En dat ,

dit moeten wy met fchaamte belyden ,

zonder in ons veele ongerustheid te veroorzaken

1

Wanneer wy eene andere ovetreding begaan

hebben ; wanneer wy , by voorbeeld

, door drift , of opvliegendheid

vervoert , iets onbetaamlyks , iets grievends

tegen onzen Medemensen gezegt

hebben , zeer fpoedig klopt ons hart van

berouw ; het fmart ons ; wy willen ,

hem , wy willen . hem ten eerfteh Vergoeding

doen. Onze tranen wisfehen onzen

misflag uit ; en wy nemen voor dit te

vermyden. Daaglyks zit men , is de gelegenheid

gunstig , by elkander , en veroordeelt

afwezenden , over wezenlyke

, of verzonnen dwaasheden , of misflagen

: men keert thuiswaards , men begeeft

zich gerust in de armen van den

flaap ; en men weet niet , of men zyne

oogen weder zal openen dan om dien

Rechter te aanfehouwen die ons Verzel

DEEL. X kerd


|3* BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

kerd heeft , dat hy ons oordeelen zal na

dat wy onzen naasten geoordeeld hebben

Mag ik hier niet uit befluiten dat het

zeer gevaarlyk is den algemenen flenter te

volgen ; want hoe gemaklyk glyd onzen

voet af van het regte pad als wy ons

door kwaade voorbeelden laaten leiden.

Waarom voldoen wy onze praatzucht

op zulk eene lage ,

z u

l

k e e n e o n d e u g e a.

de wys ? Laaten wy myne Waarde , nutte

en aangename Kundigheden zien te verkrygen;

laaten wy onzen fmaak zuiveren

; vooral ! laaten wy ons hart dóórzoeken

, en dat verbeteren. De Joodfche

Wysgeer , zegt : „ dat eene Ziele zonder

wetenfchap niet goed is." Hy heeft

gclyk al was het maar alleen om de aangehaalde

fout te verbeteren.

.

dat men- gemaklyk

i k W e e t z e e r w e I

m een gefprek , ten nadeele van eene afweezige

kan gewikkeld worden ; maar zullen

wy zo lafhartig zyn , dat wy , om

den zulken niet te ftooren boven welken

onze z:el waarlyk verheven is , ons zou

dén toegeven , in iets 't welk ons ge'

voelig hart grieft , en dat door onze"

verlichte rede verfoeit wordt ! Wy behoeven

niet uittevaren , wy behoeven i

gee-


ONDERWERPEN. Xtl. BRIEF. l3t

geene Predakatie tegen de Kwaadfprekenheid

, of het zondig veröordeelen te

doen ; dit laatfte kan zeer ontydig wezen

en het eerfte past geene welopgevoede

Vrouw ; maar kunnen wy ons billyk , ons

eerlyk ongenoegen ,. over zulke gefprekken

niet toonen ? Kunnen wy niet zwygen

? Kunnen wy ten minsten niet zeggen

: „ ik weet niets ten laste van dat

„ Mensch , zo het zo is fmart het

my , doch ik oordeel niet over iej,

mand die ik niet ken" ?

Ten ilotte. Ik ken de Perfoon waar

over gy myne gedagten vroeg , niet dan

oppervlakkig : maar dewyl zy vriendelyk,

ordentelyk , minzaam , en niet misdeelt

is van verftand , denke ik dat zy een

aangenaam lid zal zyn van onze wekelykfehe

Byeenkomst. Uit dien hoofde , is zy

my welkom. Ik blyve altoos uwe oprechte

en van harten lief hebbende Vriendin.

Ia

DER.


DERTIENDE

BRIEF,

WAARDE

CRISJE.

Denkt gy dat ik anders niet te doen

heb dan Brieven van POPE te vertalen ?

Bevallen die , die ik voor u overgezet

heb , u zo zeer , waarom leert gy geen

Engelsen ? Zo gy met de ADDISONS , de

YOUNGS , de Mistris CARTER de FIELDINCS,

de RICHARDSONS , u nader dan door vertalingen

mooglyk is , bekent maakt dan zal

het u fpyten , dus lang mynen raad verwaarloosd

te hebben : „ J a

maar , gy

vreest dat het zo moeyelyk is". Wisfiwasjes

! moeilyk voor zo* een bekwaam

meisje ? Maar laat het u eenige infpanning

kosten , hoe rykelyk zult gy uwe

oplettenheid beloont vinden , zo rasch,

gy de beste Engelfche Schriften kunt

lezen. Ik voor my , geloof, Crisjelief,

dat hunne fchoonfte werken zo wel van

fmaak , als geleerdheid , het naast aan

de volmaaktheid komen ; zederd weinige

jaa-


ONDERWERPEN. XM. BRIEF. 133

Jaaren , hebben zy , aan de Hoogduitfchers

, onwenfchelyke buuren , dat beken

ik. Een Abt JERUSALEM is niet beneden

den uitmuntendften Engelfchen Godgeleerde.

Zy hebben geen UNZER , maar

de Engelfche fpectator is nog door geen

Duichts vernuft overfchenen. En , wat

Volk kan 'er immer roemen op eenen Ri-

CHARDSON ? Op eenen RIC4ARDSON, fchryver

der Clarisja ! Geeft dat Boek een ongevoelig

Mensch in handen , het verveelt

hem verfchrikkelyk ; maar ! eene aandoenlyke

Ziel vindt dit Mcesterftuk des

menfehelyken verftands , dat zedelyk

Dichtftuk hoe uitgewerkt , nog te klein.

Bedank, ja, den eerwaarden Heer STIN-

STRA , voor de naauwkeurige Vertaling ;-

maar tracht dit Boek in het oorfpronke-

Jyke te lezen. Het heeft zyne Berispers;

dat kan niet anders zyn : yder heeft de

gefchiktheid niet om het te lezen ; men

noemt een Berisper wel eens ruw , en

onredelyk , en het mensch is alleen ongevoelig

; hy kan onmooglyk iets gewaar,

worden van die treffende fchoonheden ,

die onze harten , tot in hun binnenfte

9

ontroeren.

Hoe

gaarn fpreekt men over iets daar

L_ 3

men.


134 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

men mede is ingenomen ! ik meende aileen

een woord tot lof der Engelfche

Schriften te zeggen , om u te bewegen

dat gy die taal leert , en , zie daar l zo.

ik myne pen niet neerleg , zal ik u eene

Verhandeling over onze Clarisfa fchryven;

Of overhaaren Autheur; nu

?

trouwens dat

komt op een uit.

Uw leeslust is my zeer aangenaam %

maar , wy beminnen immers in anderen

, ook die neigingen die wy , van

onze ontluikende Jeugd , ZQ zorgvuldig

opkweekten ? Laat u , door geen laffe

fpoxteryen , op den weg der Oeffening

te rug houden. Weet gy wat lezen is?

Het is een fül gefprek met lieden die aangenamer

, of kundiger zyn dan wy j en

dient om ons wyzer , of beminlyker , ©f

beiden , te doen worden : en is hier ia

nu iets dat befpottelyk is ? Zo niet

dan verdient yder uilskuiken , of ligtzinnige

gek, dat men hem , met eene fiiÈ

zwygende veragting hoord.

Gy denkt immers niet , myne zoete

Vriendin , dat myn oogmerk is u tot

eene Scavante te maken ? en gy denkt

zeer wel .' maar wat zou my beletten u

se yermanen , lees , lees veel ; daar gy


ONDERWERPEN. XIII. BRIEF. I?5

nog in die vrye omftandigheden leeft , die

u van de nodige huiszorg verfchoonen ';

daar uw verftand helder is , en. u , als

van zelf , opleid tot het lezen van zodanige

fchriften , die men de jonge lieden

niet genoeg kan aanpryzen.

Vrees echter niet dat ik uw vriendlyk

verzoek zal afflaan ; nog deeze reis zult

gy u zin hebben : ik zal nog zeven Brieven

, zeer onderfcheiden van inhoud ,

voor u vertaaien ; maar dan ! ... 'kan

ik , echter wel iets weigeren , aan eene

Vriendin als gy zyt ? evenwel , ik herhaal

het , leg 'er u eens op toe in één

maand of zes , zult gy , zo het u regt

ernst is , en gy een goed meester hebt ,

al reeds verre genoeg zyn , om te oordeelen

of myne overzettingen de oorfpronkelyke

Brieven recht gedaan hebben:

doch dan zal het uw beurt zyn ; verhaat

gy dat wel , zoete Meisje ? Lees met

vermaak ! doe u voordeel met uwen tyd;

en wees verzekert , dat gy eene ware,

en u hartlyk genegene Vriendin aan myhebt

, die zeer verlangt om u by haar

te zien,

| | VEER-


VEERTIENDE

BRIEF,

BE HEER POPE AAN MEVROUW ***.

Gy

hebt my , door uw aangenaam

byzyn , zo verlevendigd , dat ik nu

?

onmooglyk , eenige dan yrolyke ontwerpen

maken ; of over iets anders dan het:

geen vermaaklyk is , fchryven kan. Ik

weet van ouds ,

verheugen :

hoe myne tegenfpoeden u

om u des eens helder te doén

lachen , zal ik u myne laatfte weder

waardigheden

melden.

Deezen middag nam ik de Maaltyd mefe

eene gryze fchoonheid ; zy kwam aan

1 'afel als een geamaüeerd doodshoofd, Ik

weet wél ,

dat de Egyptenaars zulke dingen

by hunne Maaltyden plaatsten ,

doch

kunt gy , zeer belezene Dame , my ook

zeggen , of zy die opverfden , en met

mouches beplakten ? Deeze Geraden verdwenen

echter, fpoedig genoeg , want

Mevrouw at zo fmaaklyk yan i

een Salm

%

das


ONBEB.WER.fEN. XIV. BRIES. 13?

dat zy 'er eene hele menigte weg at.

Zy deelde den Visch in drie zeer ongelyke

deelen : aan onzen goeden GAY gaf zy

het hoofd , my het midden , en nam

toen zelf 't overige grootfte ftuk op haar

bord ; er zedig byvocgende : „ ik ben

3, met myn eigen deel te vreeden."

Myn avondmaal was al zo byzonder;

ik wierd 'er aan overvallen , door een

groot Dichter , een eerst Odemaker, dat

is , door een uitmuntend vernuft dat zich

zelf uit zyn gezond oordeel , en uit zy^

ne zaken gerymt heeft ! Hy hadt een verfchrikkelyken

honger; niet om dat hy thuis

niet te bikken vondt; want zie , daar zou *

hy voor my geen geheim van maken ,

maar hy hadt vergeten aan tafel te gaan;

althans hy viel , met woede , op het

pverlchot van een gekookten Schapenbout

aan : Wel zie daar ! hy moest my zeggen

dat hy nooit iets zo fyn geproeft hadt ,

ja , op de beste Tafels hadt hy nooit zo

een ftuk Vleefch gezien. Hy vroeg my ,

wat of het was , en uit welk gedeelte

van het Beest of het genomen wierdt?

want hy wilde aan zynen flager laten zeggen

, dat de hem voortaan Op de zelfde

wys moest bedienen.

Is

Ea


I38 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

En deeze man , zo onkundig in de hedendaagfche

fiagery , heeft echter in elk

Treurfpel , een menigte rampzalige Minnaars

gematst , en wie weet hoe veel

Helden en Eoningen in de pan gehakt 1

Vaarwel.


]

VYFTIENDE

BRIEF.

DE HEER POPE AAN DEN HETR GAY,

M Y N LIEVE GAY!

. Tk nam de pen op , om aan u te

Schryven , op dat eigen oogenblik , toen

ik uwen Brief ontving ; zeer verlegen

zynde over myne (lafheid ten uwen opzichte

; maar nu kan die my naauwlyks

berouwen , wyl ik uit uwe Letteren zie,

hoe wein g gy op plegtigheden ftaat , en

welk eene groote plaats ik in uw hart behouden

heb. Ik ben te Londen , en denk.


140 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Ik noem Lord _ afe £ l a n g e r e e n k

om dat hy verliefde op een fraai oortie

of een mollig elboogie. 6 man lef i jfc

heb het al veel verder gebragt. Het ielyfc

zelf wordt gevaarlyk voor my ,

o m

L

het geheime fchoonheden in deeze of gene

g

trekken kan bezitten.

Iteok,

evenwel, myn goede GAY , hoe

jerbrmd fpytig het voor my

i s

,

t e

' z


dat, daar het werk van andren alle daag herwordt

het myne daaglyks verergerd 1 Daar

^ ik nu af drie Swüfc, , war op ik

eens vrv Ger

T r _ y n e r w a s > weggegooit ; twee

Ladys BRIDGEWATERS ,

e n

een paar Herto-

C n

Ik d 7

födderS V a n d e n k o u r^and.

Jk neb daar emmers gistren , eene MARU

gefcblderi die 'er zo bedaagd uitziet aIs

hare Moeder St. Au NA.

J a

ƒ , eTno

wonderlyker luid is dit t Indien net waa?

J , dat 'er eens een Enge? beneden gekomen

is om een Schildery van den H

LUCAS te voltooyen ;

z o

zou een mensch

waar.yk 'er op zweeren dat aan myn laat.

ftuk een duivel zyn kunst getoont

fieeft , zo zwart en befmoezeld ziet het

V uit t enz..

ZES,


ZESTIENDE

BRIEF.


.DE HEER POPE AAN MEVROUW ***.

Tk ben niet bevreesd dat dees brief u

zo welkom niet zyn zal als zommigen die

ik u toezond , ik ken uw hart ! gy zyt

eene Vriendin , aan wie een vriendelyken

Brief al zo zeer behaagd , als eene vermaaklyken

: en waarlyk , iefnand die ons

zyne vrolyke invallen mededeeld , geeft

ons veel minder dan hy die ons zyn hart

ontfluit. Oprechte Vrienden lezen veel liever

zulke bedenkingen , die men alleen

aan zyne Vrienden toebetrouwt , dan

geestigheden , die wy der Waereld ten

besten geven : ééne tedere betuiging , die

uit het' hart zelf voortvloeit , is oneindig

dierbaarder voor haar die wel denkt ,

dan al het aartige dat doet lachen.

ïk weet wel , Mevrouw , dat ik zo

veel vernuft niet hebbe , als zy , die

jbec by alle gelegenheid verfpUlen ; doch

ik


145 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ik durf my verbeelden , dat ik eenige

hoedanigheden bezit , die beter voor my

zelf, en nuttiger voor anderen zyn. Indien

ik niets dan vernuft bezat ; zo myn

hart niet , dan my zelf beminde ; zo ik

alleen fpotte met myne Nacuurgenooten

: haat my zo ik my niet zoude hiaten

l

Ik denk dat het u lief zyn zal te verftaan

, dat ik met HOMERUS verre afcvorderd

ben : indien de Vertaaling goed is,

dan moet de Waereld u daar voor bedanken

; want ik zou het der pyne niet

waardig gerekend hebben , haar te willen

behagen zo ik u daaglyks had kunnen bezoeken

, en my durven inbeelden dat die

bezoeken u niet mishaagden.

Hoe veele vaarfen zouden 'er , onafge*

maakt gebleven zyn ! Wat zou my de

praat der menigte geraakt hebben , indien

ik mynen tyd maar aangenamer had kunnen

doorbrengen ? Ik ben niet half zo begeerig

naar lof, dan naar uwe Vriendfchap.

De laatfte is een behendig goed,

een duurende fchat ; en wie kan my

verzekeren dat de eerfte my ooit ten

deele vallen zal ? Indien nu de Lof,

za


ONDERWERPEN. XVL BRIEF.' I43

zo wel als de Vriendfchap na myfien

dood toenamen , wat genoegen zal my

dit geven ? om die reden bid ik u , bemin

my in myn leven zo veel gy maar

kunt. -

Z E*


ZEVENTIENDE BRIEF.

DE HEER POPE AAN m ZEFLDE.

et weer is nog zo fchoon , dat

Jk , die het Buitenleven met drift bemin,

önmooglyk kan befluiten om in de ftad te

komen : yder Zonneblikje , is nu , even

als het lachje eener ftuurfche fchoonheid ,

dierbaarder naar mate zy zeldzamer wor.

den. De Veldvermaken bekoren my zo"

zeer , dat ik buiten u , niets zo gaarn

Zie als de Zon. Ik veragt al de fnuisteryen

der ftad ; uw nieuwe Sac niet uitgezonderd

, Mevrouw ; ten ware dat ik 'er

u mede gekleed zage.

Ik hoop dat ik my de gefchiktheid befeorge

, die ons bekwaam maakt voor die

Waereld waar van de onze alleen eene fchaduw

zyn kan : want ik ben zeer geneigd,

om te geloven , dat 'er tusfchen de zichtbare

, en onzichtbare Waereld , door den

Aünagtigen eene groote overeenkomst gemaaks


OND'ERWEUPEN. XVII. BRIEF. I45

maakt is : Dat een hart uitbreidende , en

verbeterende verlustiging in de werken der

Natuur , de eigenlykfte voorbereiding 5nfluit

, en de zagtfte Overvoering medebrengt

, tot die vreugd die in de toekomende

Waereld zal genoten worden : en

dat dus ook het woeste baldadige ftads

leven , een zoort van leertyd is die den

mensch voorbereid tot de Hel , en alle

hare vréeslyke wanorders:

Myn voornaamfte bezigheid beftaat nu ,

hier in , dat ik myne ziel zo bedaart

poge te houden als my doenlyk zy ; om

het einde ('t welk ik denk dat nu zeer

haby is ,) van myn ziekelyk en kwynend

leven af te wagten. De groote fcheiding

van myne ziel én myn lichaam zie

ik gerust te gemoet. ; overtuigt, dat Hy,

die beiden gemaakt heeft, daar vöor zal

zorgen , en dat , wat dan ook myh lot

zy , het billyk zyn zal. Maar * zonder

traanen te denken aan het fcheiden myner

beste Vrienden , dat is my onmooglyk! ..

voor al van hen , wier ftaat nog zo onzeker

is , cn die myne hulpe nog zö

zeer nodig hebben.

Wat denkt , gy * Mevrouw , zou het

gelukkiger zyn het geheugen Van allei wat

L DEEL, K. ©lis


I46 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ons in dit leven dierbaar was , te verliezen

, dan dat te behouden ? Zal het

Biet fmartelyk zyn , van die Vrienden te

zyn afgefcheiden , die wy agter lieten ,

en die wy zo zeer beminnen ? Of gelooft

gy , dat wy , in dien ftaat van

onuitfprekelyke heerlykheid en vreugde,

óp alles , wat wy , in dit kortftondig

leven , zo vuurig nagejaagt, en zo

driftig bemint hebben , zullen nederzien j

zo als wy in onzen meergevorderden leeftyd

de vermaken onzer eerfie jeugd belhouwen

?


AGTlENDË B R i Ë F*

DE HEER POPE AAN DEN HEER

CRÖMWELL.

Ja , myn Vriend het was wel net zo!

i ik was alleen in eene ongemaklyke Posti

koets : de verandering was groot. Gister

! avond bevond ik my nog by u , en in

het aangenaamst gëzelfchap ; maar waf

Zon ik doen ? 'er was niet op dan myn

toevlugt tot een Boek te nemen. De Zedemeester

hadt my juist eenige yskoude

vertroostingen > tegen de verdrietigheden

des Levens over gedaan , en my aangetoont

(of ik het niet levend genoeg on-

! dervond !) dat al het ondermaanfche der

verandering onderworpen was ; toert dé

Koets ffil hielt ; en ik zag dat 'er eene

! zieke Vrouw inkwam , droeviger tyding

; kon ik niet ontfangen* doch ik was zö ge-

1

fterkt door myne Philofophie , dat ik my

met bedaartheid aan dit allerlastigt Ldt onderwierp.


1$ BRIEVEN OVER VER'SCHEIDEN

Het vertroostte my niet weinig , te

zierl , dat zy jong , en zeer wel gekleed

was. Zo dra zy haare Voile hadt

opgeflagen , zag ik een der fraaifte aangezichtjes

die ik ooit befchouwde. Maar

hoe • ftond ik verbaast , toen Zy , my

groetende , mynen naam noemde !

Nooit was ik zo knorrig op myn kortziend

kippengezicht , dan toen , want ik

kon my niet te binnen brengen waar ik

deeze fchoone oogen , die my zo wei

kenden , toch konde gezien hebben. Ik

wist ook niet hoe ik haar moest aanfpreken.

Gelukkig voor my echter, vóór dat

zy myne groote verlegenheid bemerkte

verhaalde het lieve Vrouwtje my , met de

beminlykfte eenvoudigheid des Waerelds ,

dat zy langen tyd myn Buurmeisje geweest

ware ; dat zy nu eerst getrouwt was ,

doch niet gezond ; en dat zy naar Buiten

ging , hebbende in de Stad een Doctor

geconfuleert : en dat zy nu eens zou

zien wat of haar Man , en de frisfche

lucht ter harer herftelling zouden uitwerken.

- Nu fpeet het my voor 't eerst dat ik

niet , (zo ais myn Vader gaarn gezien

hadt ,) voor Doctor geftudeert had. Ik

waag-


ONDERWERPEN. XVIII. BRIEF. I49

waagde het evenwel eenige keurlyke Zomervruchten

die ik by my had , haar

voor te fchryven. Juist hadze de Doctor

verboden , en zy hadt , om die reden ,

'er des te grooter trek toe- Ik verleidde

haar , en zy at. Ik fpeelde niet natuurlyker

de rol van den Duivel , als

zy van EVA. Het Voorbeeld des Verzoekers

volgende , bediende ik my van

zyne ftreken ; ik vleide haar , zo als de

oude Draak onzer aller Moeder. In fpyt

myner lelykheid viel ik haar , met

zo veel vrolykheid aan , dat die de hare

opwekte: hare gehele gedaante, hare ftem,

hare oogen veranderden; en zy zag 'er zo

lief, zo blozend uit , of haar niets meer

deerde ; ja zy was zo goed van te zeggen

, dat zy , door myn raad te volgen,

zich reeds veel beter bevondt. Nooit

reisde ik zo aangenaam!

Vaarwel.

•jsrcn Mc'dsrf 3sb no) » ifovi - 3£ -

csil

K 3

NE-


NEGENTIENDE

BRIEF.

DE HEER POPE AAN MEVROUW ***.

TVT

•LVAet het onuitfprekelykst genaeeén

hoor ik dat uw Broeder u eindlyk rechtzet

; en zulke gevoelens - "voor «

krygt als pligt , en natuur van hem eisfchen.

Hoe flreeld het rn y

,

t e

zien ,

dat anderen over u zo beginnen te denken

, als ik altoos over u gedagt hebbe!

Altoos jj altoos , Mevrouw , heb ik rond

Uit beleden , dat men , om u te rechtvaardigen

u maar behoeft te kennen. Ik,

die uw hard en drqevig Lot betreurde *

heb pok het recht , (e q

dat hebben maar

zeer- weinigen uwer Vrienden O om u ge-

Juk te wenfchen met uw uitzicht op een

gelukkiger leven. Nu zal ik , door de

aangenaamheden die Gy zult fmaken beloont

worden , voor de droefheden , die

ik Om u geleden hebbe .« edele beloning 1

d.e_ Vriendfchan kent geen grooter.

Hoe


ONDERWERPEN. XIX. BRIEF. IJl

Hoe dikwyls , Mevrouw , hebt gy,

met manen in uwe oogen , niet gezegd:

9, de hele Waereld heeft my verlaten" ;

dat was mooglyk zo ; maar nu zie ik,

althans , dat zy u zo fpoedig zy kan

weder opzoekt. Men moet , waarlyk om

haar reeht te doen , toeftaan , dat zy

met de Deugd veel opheeft -- zo dra het

niet meer in haare magt ftaat die te verdrukken.

Wees goed ! wees groot en

neem haar berouw in gunst aan ; blyf by

haar. Wreek u niet op haar , door u

van haar te verwyderen. Trouwens dit

voornemen is onuitvoerlyk. Want al

gingt gy in een Klooster , dan nog zoude

uwe Godvrucht , u zo verre niet in

de toekomende Waereld overbrengen , dat

deeze u geheel uit haar gezicht verloor.

Altoos zult gy naar eene dier ftarren gelyken

, die , fchoon aan den Hemel geplaatst

, haar glans op de Aarde doen

fchitteren.

Wat de Voorzienigheid ook over de beste

der Vrouwen befloten hebbe , myn hartelyke

wenfchen zullen u altoos volgen ,

ook dan als wy niets van elkander hoo en.

Twyffel des nooit of ik uw Vriend ben ;

want dan zoudt gy niet naar die billykheid

handelen die alle uwe daaJen beftiert. In

K 4

*P¥«


152 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

fpyt der gehele Waereld was ik uw Vr^%

en zo het mooglyk zy , dat gy nog

eens ongelukkiger wierdt , dan ik u gekent

hebbe ; dan zal ik u des te grooter

proeven geven hoe zeer ik dien eernaam

waardig ben ! Ja Mevrouw , ik mag

my beroemen te zyn uw aller oprechtfte en

getrquwfte Vriend

POPE.

TWIN-


TWINTIGSTE BRIEF,

DE HEER POPE AAN DEN HEER

WYCHERLEY.

rtohv- OJ ys üi os' navol

Tk heb het woelig Stads tooneel voor

dat van het Land verlaaten; en Wilh Koffyhuis

voor het Bosch van JVindfoi: Maar

al het onderfcheid dat ik vind , tusfehen

onze daaglykfche Stads vernuften , en deeze

domme Landzotten , beftaat flegts hier

in. De eersten zyn het fpoor geheel byster

, doch met wat meer geweld ,

geraas , en omfiag. De laatften hebben

het noch wél , noch kwalyk ; maar blyven

in hunne Natuurlyke botheid voortflenteren.

Wat denkt gy , myn Vriend , doen zy

nog niet haar best , die zich, zonder

veel tegenfpartelingen , gewillig onder het

het gebied der loome Onkunde begeven,

dewyl wy toch zien , dat onze fraaye

Vernuften , na veel moeite, en tegen-

K 5

.veer


154 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

weer daar eindelyk toe komen moeten ?

Myne nieuwe Buuren zyn een ffil , 0nfchadelyk

zoort van menfchen. Zy hebben

, wel is waar , geen verftand ; doch

zy laaten 'er ztch óók niets op voorftaan

Deeze hupfche lieden , leven in het zoet'

genot eener vadzige te vredenheid : Zy

leven juist zo als zy te paart ryden ,

zonder bepaalt oogmerk ; by de ruis maar

weg ; een zoort van een Jagers leven ;

en dikwyls zetten zy wel eens iets met

drift na , dat de fchot niet waardig is.

Zy zyn , gelyk ik reeds zeide , niet op s

maar ook niet heel verre' van dea regtea

weg.

f-'d 2J£sfi jccfbd , nsi.'o\hfl£j ammob-t*

Gy begrypt wél , dat ik «oor zulk Ge.

zelfchap de eenzaamheid verkies. Want

fchoon het zeer wel zoude-kunnen

z y o s

dat iemand het naarfie gezelfchap van de

hele Waereld voor

e e n

ander is, zo is

het echter waar , dat' wy altoos behagen

vinden in het gezelfchap van hen die wy

achten, en beminnen. Begeert een Minnaar

ooit ander gezelfchap , dan dat zyner

Mmnaresfe ? Juist zo handelt hy , die op

zich zelf verheft is ; £ e n

dat'

Z y 9

wy

toch allen min of meer ,) wyl hy , om

c

aojh die


ONDERWERPEN. XX. BRIEF. 155

die reden , in zyn eigen byzyn , zyn

grootst genoegen ftelt.

. • -•" f.-h n';;.v '. iu r;3iiii nn.1 ,;it • n'üfi

Indien de kennis van ons zelf eene zeer

noodzakelyke kennis voor ons is, dan behooran

wy de ftille cn bezige afzondering

te beminnen ; om dat zy deeze kennis

zeer begunstigt. Hoe veelen blyven door

de afleidende omftandigheden , waar in zy

zich bevinden , van deeze hoognodige

kennis onkundig ! Hoe weinigen leven digt

genoeg by zich zelf , om te zien wie zy

eigenlyk zyn « men moest hen , op

nieuw , by de Eenzaamheid School beftellen

, om hun zelf , van voor af aan,

nog eens van buiten te leeren , wat worden

'er veelen, door in de waereld te blyven

flegter in plaats van beter; daar zy echter,

zo zy zich wat meer met de Eenzaamheid

hadden bekend gemaakt,bekwaam zouden •

geworden zyn om dat gene te verrichten,

waar toe zy gefchikt wierden. Om die

yeden meen ik , dat 'er , voor een ingebeelden

Gekskap geen beter School zy dan

die der Eenzaamheid , en voor een Uilskuiken

geen veiliger fchuilplaats dan by

haar.

Zyn dit geene genoegzame

beweegredenen

waarom ik hier blyf ? Hoe gaarn

gave


156 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

gave ik o iets

a a n

de hand dat „

zoude

Kunnen bewegen om hier by my te komen

! ik kan niets uitdenken dan dit dat

ik het vuurig verlang : en ik ben zeer

misnoegd dat gy

w e g

blyft ; hoewel ifc

overtuigd ben dat ik de eer van uw bezoek

weinig verdien.

Vaarwel.

JLEN-


EENENTWINTIGSTE BRIEF.

WAARDE VRIENDIN !

De

zoete gewoonte om u myne gedagten

over allerhande onderwerpen mede

te deelen , doet my , wyl ik het genoegen

niet heb om thans met u te kunnen

praten , de pen in de hand nemen , op

dat ik , des niet tegenftaande , voldoe aan

myne begeerte van met u om te gaan ,

door Brieven , als het perfoonelyk onmooglyk

is : de verre afftand waar in wy,

die zo veele jaaren buuren en gezellinnen

waren , thans leven , zal ons dat genoegen

niet ontrooven , zo lang 'er papier ,

pennen , inkt , en posten in de waereld

zyn.

... . .;. \v '... r. n..r; aait* 03 • Hl ili&AA

Wil ik u eens wat zeggen ? Ik ben

geheel en al uit die blymoedige - eenparige

- gemoedsgeftalte gerukt , die meer

de vrugt van myn temperament , dan wél

yan myne reden is ; en d A

e my , ja ,

wel


25% ERIEVÉN OVER VERSCHEIDEN

wel gelukkig maakt , maar die ik u echter

niet uitvent voor eene deugd ; om dat

zy my geene de minne moeite gekost

heeft : hoe het zy ,

i k b e n t h a n s

,

n i e É

zó te vreden , met alles wat buitert my

ïs , als ik wel gewoon ben,

Ik zal 'er u de reden van zeggen : vrees

met dat ik my , om my zelfs wil , bedroef

l 6 neen , zo ondankbaar ben ik

hiet .' Myn hart verwyt my niets ; en

als wy vrede met ons zelf hebben , 'leert

men , eindelyk \

z i c h

voegen naar het

geen zich met naar ons wil voegen ! Hoe

is dit dan by gekomen , vraagt g v

moog-

Jyk ; zie hier de aanleidende oorzaak.

Eenige oude Brieven , en Papieren

doorzoekende , vond ik daar onder een'

B«eF die ik u zal copieeren. Zo dra *y

hem gelezen hebt zult gy

b e g r y p e n

£

Jk 3rJ deezen Luim gekomen ben. Hy is

groot ; en nog vry duidelyk om te" Iézen

, niet tegenfiaande de inkt zeer verleekt

is , en alles aantoont dat hy ette

Jyke jaaren geleden moet gefchreven zyn -

zonder iets meer voor afte laaten gaan,:

zal * u den Brief zelf g e v e n

, Dlf s hs

[

gmt hy :


ONDERWERPEN. XXI. BRIEF. I59

GETROUWE EN BESTE VRIENDIN.

Ik zit daar , (wyl eene peinzende eenzaamheid

veel al myn deel is ,) te denken

: Indien wy toch , op dit Traanen.

dal , zo als onvergenoegde , doch , op

hunne wys , vroome menfchen , deeze

Waereld gewoon zyn te noemen , met

rampen en wederwaerdigheden moeten ftryden

; waarom zyn die rampen , die wederwaerdigheden

niet van eenen meer geruchtmakenden

aart ? Dan , zeker , was

het nog der moeite waerdig , dat wy ons,

op het leren van dien moeyelyken pligt»

de Lydzaamheid, bevlytigden ! Dan wierden

wy , ten minsten , door onze eerzucht

hygeftaan , en zoude onze deugd meer toejuiching

verwerven.

Zo , by voorbeeld , myn huis , door

het vuur des Hemelsch , of door de onvoorzichtigheid

myner Buuren , in devlammen

verteerde ; indien ik daar door

geruïneerd was ; indien myn eenig véél

belovend kind , in dien ramp ware omgekomen

, dan zoude immers elk die myrt

treurig geval hoorde , my beklagen. Maarf

indien ik in dat droevig lot myne gclykmoedigheid

behield 5 indien ik my boven

imynen ramp wist te verheffen ; indien

ik


160 JRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ik , door een kostwinning , geheel bene;

den myne afkomst , en geheel ftrydig met

myne Opvoeding, te aanvaarden, alle oogen

trok 3 mdien ik , i n

deezen my zo ongewoonen

tfaat , het brood der' zorgen

en arbeid f met vreugde at ; dan zoude*

yder d l e

my kende my eene groote

Vrouw

e e n e

Zedelyke Heldin noe^

men. Mooglyk zoude de Dichter, mynen

lof zingen , de Geestelyken my een voorbeeld

van Christelyke gelatenheid noemen :

mooglyk zouden fommigen zeggen dat 'er

een Wonderwerk aan my gefchied ware j

en misfchien , (om dit Wonder te doen

duurcn ,) ter hunner eigener fiichcing ,

myn naam , niet myn perfoon , uit deeze

laagheid opheffen. De deugdzamen zouden

hunne zegenende handen openen , myne

omftandigheden zouden verbeteren ; en

ik , in mynen voorigen ftaat herftelt/zou

myn leet vergeten. Dan zou myne'Eerzucht

my in ftaat geftelt hebben , om

dat gene te doen , waar voor mvne Deugd

te zwak ware : myne gedagtenis , zoude

, na mynen dood , j n

zegening bly-

'

Hoe ? valt gy my j n

de

v e n

e n

reden ! en gy zoudt mooglyk , voor deeze

trotschheid uw Loon weg hebben !

Stoor my niet 1 Gy kent myne Omffcm-

dig-


ONDERWERPEN. XXÏ. BRIEF. IÖ1

digheden; gy alléén ! gun my eens eenmaal

het zwaarmoedig genoegen dat 'er ligt in

ons geheel bedroeft hart te ontledigen in

den boezem eener waare vriendin. Uwe vrees

dat dit my te veel zoude treffen, moet my

dit deeze; keer niet beletten,ik voel; myne

waarde, dat ik door innerlyk verdriet onder*

mynd ben en dat ik , denkelyk , niet veele

maanden een voorwerp van uw vriendlyk

mededoogen zyn zal. Ontfangt dit verhaal

des, als de onbedriegelyke blyk myner allerinnigfte

vriendfchap , en hoogfte agting

voor u ; in dit opzicht , weet ik, zal

het u dierbaar zyn ; ook , als ik 'er niec

meer ben.

De eerfte jaaren mynes leevens ga ik ftü

voorby ; Gy weet dat myne ouders vroeg

geftorven zyn ; en dat ik , hun eenig

kind , 't welk niet was misdeelt van goederen

, evenwel, in myn ftaat, niet ryk

opgevoed ben , by eenen myner Oomen ;

een zeer braaf eerlyk man , doch die het

talent niet had om jonge lieden het keven

aangenaam te maken , door die zoete

vredige huizelyke genoegens, welke myn

hart, hoe jong ik ware , altoos verkoor boven

de wilde uitfpanningen by voorkomende

gelegenheden. Ik geloof echter,' dat zyn

ongevoelige aart 't meest de oorzaak was

I. DEEL. L vaa


1Ö2

BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

van alles wat my , en zyne eigen kinderen

, zo lastig viel. Nooit , eigenlyk ,

wel op ons te vreden , ook dan ais 'er

niets voorviel dat ftof tot misnoegen gaf.

Onberispelyk , in het oog van zyns gelyken

, meende de man , dat dit genoeg

ware , om ons , alle zyne misfelyke fiatzen

, en eigenzinm'ge neigingen , " met geduld

, te doen dragen, ö Waarom gaf zulk

een eerlyk man , zich niet een weinig

moeite, om hem by ons bemint te maken

; by ons die hem zo hoog achtten ! by

ons die hem zo gaarne zouden hebben willen

beminnen 1

Naauwlyks negentien jaaren zynde , kwam

hy , ' die mynen man geworden is , my

verfcheiden maal zeggen , dat hy my lief

hadt. Ik zag niet dat hy , die bekent

ftondt voor een zeer goed fJag van een

jongen , die zyne affaire wel , en met

voordeel waarnam , reden hadt , om my

dit te zeggen , indien hy het niet meende

; te meer , toen zyne Moeder my ,

voor hem , ten huwlyk verzogt. Een

meisje van myne vrolyke geaartheid , is

zelden in gevaar om doodlyk verheft te

worden : deeze zotterny wil veel beter

wortelen fchieten in peinsagtige en eenigzins

weeker karakters , j a

die karakters „.

die


ONDERWERPEN. XXI. BRIEF 163

die iets in zich hebben, 't welk der

Dweepery , waar omtrent dan ook werkzaam

,

beguuftigt.

Geduurige converfatie , vriendelyke gedienstigheden

, cn de knorrige vlaagcn van

mynen Oom , deeden my , eindelyk ,

zien , dat de Jongeheer my niet meer om

verfchillig was ; hy hadt my lief , en

gerust zynde (want ik onderzogt-my zelf;)

dat ik hem , zo ik verkoos te trouwen ,

liever had , dan een ander uit alle onze

goede bekenden , trouwde ik hem

met volkomen genoegen onzer Vrienden ;

en had het byzonder genoegen van te

zien , dat zyne brave moeder haar zoon

eelukkie oordeelde , met eene vrouw die

hy

voor zich hadt uitgekozen.

Onze eerfte huwlyksjaaren gleden in nagenoegen

voorby : moeder wordende ,

nam myne liefde voor den vader van

myn lief kind onuitfprekelyk fterk toe ;

en zyne zucht voor my , bleef onverflaauwt.

Wy waren gelukkig , eenige

kleinen , meer kinderagtige dan wezenlyke

verfchillen uitgezonden ; en dan was

het , „ hede CEESJE lief, hoe bedenk-

., je het evel zo " ! of : ,, 't is zeer

wel ! als myn Heer het dan verkiest ".

La

't welk


164. BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

't welk met een : „ altoos moet je man

„ het verliezen " ; of , „ doe je zin ,

„ wat geef ik 'er om " ? befJoten wierdt.

Maar , beide geen kwaad humeur hebbende

, en elkander waarlyk beminnende

duurden deeze gekheden zelden een half

uur; en de infchikkende man was zo vergenoegt

als zyne toegevende vrouw. Onze

kleine jongen , was , in zulke kibbelingen

, ook zeer dienstig . . . maar , Gy

kent het Huizelyke leven ; genoeg daar

van. Xort gezeid , ik was nu te grootsch

om , over alle wisfewasjes , myn hoofd

te tonen ; ik voelde dat ik Moeder was :

deeze grootschheid was zeker niet van de

veragtelykfle.

Dus leefden wy de eerfle agt jaaren

onzes Huwelyks. Myn man nam zyne zaken

met yver , en tot ons groot voordeel

waar. Zyne Moeder overleedt; onze

inkomsten vermeerderden met de doed deezer

brave , verftandige vrouw. N o g a

j

veranderde myn Lot niet : maar , kort

daar a3n , kreeg myn man eene zo groote

als geheel onverwagte Erfenis , "hem

aanbeftorven door eenen zyner Neven ,

die in Engeland , met de negotie fchattcn

gewonnen hebbende , die naliet aan

zyne Hollandfche Naastbeftaanden,

Zie


ONDERWERPEN. XXI. BRIET. l65

Zie hier , myne Waardftc , het begin

•van myn ongelukkig leven ! Hoe kwalyk

weten de meeste menfchen groote veranderingen

in hun lot te ondergaan ! Myn

man is 'er een voorbeeld van ! Gy kent

hem ; gy weet , dat zyn hart altoos beter

geagt wierdt , dan zyn verftand ;

offchoon niemand hem van in 't oog

loopende zotternyen konde bepraaten. Hy

was altoos eene van die ondergefchikte

karaclers , die geleid moeten worden ;

doch zo behendig , dat zelf zyne Moeder

al haar verftand nodig hadt , om

hem , op den regten weg te houden :

want het is alleen groote karacters eigen,

toeteftaan , dat zy niet altoos gelyk kunnen

hebben.

• Myn man , die , waarlyk grootsch op

zyne vrouw was , om dat zy misfchien

hem wist te leiden op eene wys die hare

eigen meerderheid minder deedt zien

dan wel de goede uitwerkzels die zy op

hem hadden , wilde my voortaan , in

geheel andere omftandigheden zien. Hy

kagt een fchoon groot huis , lei rytuig

aan ; en wel dra hadden wy eene kostbare

Buitenplaats ! In plaats van twee ordentelyke

dienstboden , kreeg ik 'er vier.

Jk begreep wel , dat onze goederen niet

L 3

groot


166 BRIEVEN O VER VERSCHEIDEN

groot genoeg waren om lang op deeze wys

te blyven leven ; maar dit konde ik mynen

man , fchynt het , niet doen bcgrypen.

Hy was reeds in de magt van die

lage Fielten , die hun byzonder belang

vinden , in Jonge ryke lieden van de eene

buitenfporigheid tot de andere te brengen.

Het eerfte uitwerkzel van onze verbeterde

omftandigheden , dat ons doodlyk

wierdt , was , dat myn man zyne zaken

eerst verwaarloosde , en kort daar op

geheel verliet.

Nu was hy gehele weken Buiten : nu

was hy een vry man ! Alle de woeste

vermaken , die het Landleeven aan wilde

ryke lieden kan verfchaffen , wierden nu

door hem nagejaagt.

Gelukkig voor my dat hy niet in 't

hoofd kreeg my te doen deelen in deeze

dolligheden ; ik had 'er trouwens genoeg

verdriet van J Zyne gezellen waren recht

in ftaat om een week, niets erg-vermoedend

karacter te bederven. Zyn Spilzucht , en

zyne trotschheid , deedcn altoos al de

verteeringen voor hem opkomen : gy kunt

wel denken dat hy uit dien hoofde , • gezelfchap

genoeg kreeg !

Jn


ONDERWERPEN. XXI. BRIEF. l6r

In weinig maanden had ik het droevig

ongeluk van myn man zo geheel , ten zynen

nadeele veranderd te vinden , dat

hy , bykans , niet meer dan aan zyne

uiterlyke gedaante te kennen was ; en de

vriendelyke, de naerstige , de waarlyk goede

man , was nu , by de minde voorvallen

trotsch , heerschzuchtig , norsch

en zo lastig voor my , als voor onze

bedienden ; zyne Verkwistingen h:dden

hem nu het recht verkregen , om altoos

zynen zin te hebben ; ja ! om die toegejuicht

te zien. Hy hadt , hier door ,

begrepen , dat hy een man van verftand

was ; dat hy zich maar moest laten g .1-

den ; en dat zyne Vrouw de post zyner

Moeder aanvaart hadt , om dat hy den

moed niet fchcen te hebben , van zyne

manlyke meerderheid te durven tonen.

Dat hy dus redeneerde , bleek by yderen

voordel dat ik hem deed. En , hy ,

die gewoon was, altoos met my zyne zaken

te overleggen , agtte zich nu gehoont ,

als ifchs m, op de vriendelykfte wyze ,

verzogt om toch eens te bedenken , of

deeze levenswyze ons betaamde , of wy

nu gelukkiger waren dan toen hy naarstig

by zyne zaken was , en geagt wierdt

by alle zyne bekenden ; enz.

L 4

G

y


168 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Gy , myne Waarde , ' kent de waereld ;

het kan u des niet verwonderen , dat de

fchitterende verandering van myn Lot , de

nyd der zulken opwekte die tot nog toe

in ruimer omftandigheden , en meer aanzien

waren dan ik. „ Wel wel , zei de

eene , „ Juffr. * * * kan zich wonder

„ wél naar de ruimte fchikken". „ Ja ,

s, zei een ander , ik ken haar ; zy was

„ altoos grootsch , en fpilziek , doch kon

het niet uitvoeren ". „ Weet gy wel

„ dat zy reeds eene Buitenplaats heeft " ?

een derde: „ Ja dat weet ik , en ook

j, dat haar man z'ch fchoon diverteert

5> buitenshuis "; ,, wel dat is niet van 't

„ mooist , want dan moet zy veel alleen

55 zyn ". j, Och " ; wierdt 'er op geantwoord

; „ Mynheer * * * haar 's mans

j, Neef komt om die reden haar des te

5, meer bezoeken ; en aan hem heeft zy

„ denklyk goed gezelfchap ; want hy is

>, een zeer verftandig man , hoor ik ; die

}, wel weet te leven

Mooglyk zoude ik kragt van geest genoeg

gehad hehben , om deeze lage babbelingen

, uit nyd , en kwaadfprekenheid.

voortgevloeit , met eene veelbeduidende

veragting te verdragen , indien ik , in

myn zo zeer ; benyd lot , toen hoifelyk

ge-


ONDERWERPEN. XXI. BRIEF. l6{>

Gelukkig geweest ware ! maar nu fmartte

het my. Zie daar ! Myn Man , hadt eene

groote Erfenis, hy leidde die flegt

aan ; en ik , die hem niet meer by zyn

geluk wist te bepalen ; ik , die ongelukkig

met hem wierd , moest echter belas,

terd worden ; moest den fchuld van alles

krygen ; ik regeerde myn man ; dat wist

men toch.

Een man zymle die opgevoed was om

een goed koopman een ordentelyk man te

zyn , ftondt het hem zeer vreemt het

air du monde aan te nemen. Het behaagde

hem ook niet ; hy zogt andere gezellen,

kage ploerten die hunne lichtmisferyen open- ^

ïyk invieren , en 'er op roemen. Toen

wierden zyne vermaken ook van een lager

zoort. Zweepryen , Harddraven , Zotte .

weddingfchappen , kwamen nu by hem in

de mode; en hy die te fatzoendelyk

een man geweest ware , om een ruw

vloekwoord te fprckcn , vloekte nu als

een Roskammer , dronk onmatig ; bedwelmt

door den Wyn , bedreef hy de

grootfte buitcnfporighcdcn ; nu kreeg ik

hem halfdood gedronken t'huis ; dan hadt

hy , rufie gezogt hebbende , de tekens

van zyne woeste ontmoeting in een bebloed

aangezicht , en , voor hy zyner

L 5

z i R

-


i?0 BRIE VEEN OVER VERSCHEIDEN

«noen weder magtig ware , wierden myne

fMIe , en getrouwe oppasfingen beloont,

op de onwaardigfte wys. Des anderen daags

washy; (dat wist ik te vooren reeds!)

of ziek , of knorrig , of beide.

In 't eerst hadden myne traanen nog

eemg vermogen op

z y n

hart ; ook to^n,

toen alle redenen die ik kon voortbrengen

reeds kragteloos waren : maar ook deeze

aandoenelykheid begon hy

z i ch te fchaamen

: nu ontvlugtte hy my eens , onder

voorwendfel dat

z y ne Vrouw altoos droefgeestig

was ; dan om dat ik hem door

myne droefheid weer hoopte te beweegen ;

en dat nooit meer 1

Het geene myne fmarte nog vermeerderde

, was dit. Hy begon nu ons Zoontje

, ruim agt jaren oud , medetenemen.

Myn GOOTJES aart neigde tot de verkiezingen

zyner Moeder , maar zyn Vader was

altoos zulk een liefhebbend Vader geweest -

en ik had myn man altoos zo veele blyken

van myne liefde getoont , om dezorg

die hy droeg in ons Kind het leeven

aangenaam te maken ; dat ik geen

kans zag om de lieve Jonge altoos by ny

te houden : en zederd zyns Vaders' wil

eene wet voor my geworden was , kon

ik


ONDERWERPEN. XXI. BRIEF. l7l

ik weinig meerder doen dan hem , met

manen in myne oogen , in de Fargon

te zien zetten.

Ongelukkig voor my , vondt dit kind

wel dra véél méér vermaak , om met Vader

uittegaan , dan by Moeder te blyven

, en zyne lesfen te leren. Een gezond

, fterk knaapje zynde , dat 'er zeerwel

uitzag , en indedaad niet onaartig

was , was hy overal wel gezien ; en zyn

Vader bezorgde hem een Rygtuigje , een

Hit , een Hond , en een Zweep van aanzienelyke

lengte ; met één woord , maakte

een kleine wildzang van hem ; en ik

zag reeds dc eerfte uitbotzeis eener levenswyze

, die zyn Vader tot zekere volmaaktheid

gebragt hadt , toen myn kind

naauwlyks elf jaaren bereikte !

Ondcrtusfchen verfmolten onze goederen.

Hy begon het te merken ; doch te zwak

van geest zynde , om van levenswys te

veranderen , waren alle myne gebeden

kragteloos. „ Hoe ! verminderen ? Koets

en Paerden , een Buitenplaats verkonen

. daar hy zo weinige jaaren genot

„ van hadt gehadtï dagt ik, (vroeg hy myj

„ dagt ik dat hy zo laag zyn kon? "

Welke denkbeelden , myne Vriendin .

heb-


BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

hebben deeze mannen toch van laagheid ?

Daar komen , als men den engen kring

van vuige en wilde vermaken eens heeft

afgelopen , zo veele dagen , dat 'er geen

vermaak te nemen is : aI zulke dagen waren

voor my bittere dagen ! T'huis moetende

blyven , en geen fmaak voor , noch

doorzicht hebbende in .zulte uitfpanningen

öie eene welaangelegde Lectuur , en de

Muziek geven kunnen , aan hen , die ,

in hun eigen huis , het gelukkigfte zyn •

wierdt hy knorrig , geemlyk , liep

d e*

gantfchen dag op en neer grommende.

* e n b e d o r f h et kind in den grond , r z o

ik

vrees p hy leerde hem drinken en fpeeien

; nu klopte hy hem zonder reden

en dan ftoeide hy met hem als een

makker ;

J a

,

z y n e

g 0 e d k e u r i n g e n w e r d e Q

altoos met eene ruwe uitdrukking befloten.

Hy hadt geen geftel fterk genoeg , om

deezen fpoorloozen levenstrant lang uittehouden;

en hy , die zyn verdriet weg

wilde drinken , was , 0f ziek , of dronken

; 's nagts moest ik by hem opzitten ,

tot dat hy ai s

een dood mensch daar

heen viel ; over dag leide h v

meestal te

bed : Komt 'er iemand , onverwagt , dan

noet ik honderden van draayeryen gebruiken

, wU ik zyn fatfoen , (dat w e

J de

ge-


ONDERWERPEN. XXL BRIEF. 17$

i-efyk het myne blyft , ) bewaren. Zyne

ziekelykheid gaf my echter de gelegenheid

om hem te bewegen , dat hy de Plaats verkogt

, en dat hy in de ftad moest blyven.

Zeer'veel heeft hy daar op verlooren ,

dat beken ik ; doch kon ik ze houden ?

Geen gebruik kunnende maken van zyne

Rytuigen , hebbe ik ook geflaagt in die

w e g

te doen ; zo dat hy heeft nu maar

een rydpaerd j voor zich , en een voor

het kind.

Hier uit kunt gy zien ,

dat onze omflag

reeds merkelyk is ingetrokken ; maar !

onze middelen zyn meest allen verfmolten

!

Ik zal niet verder in myn droevig lot

treden ! doch wil ik niet geheel overhoop

geworpen worden ; wil ik hen , die myne

ftaatsvergrooting , my tot vyanden

gemaakt heeft , niet verheugen ; dan

moet ik terwyl my de zorgen verteeren ,

nog een vroiyk gelaat aannemen ; ik moetom

een uiterlyk , lastig fatzoen waar te

neemen , my wel eens van het nodige

beroven, ó Met welk een pynelyk beleid ,

hield ik dus lang onzen droevigen toe-

Hand verborgen ! Mooglyk zal ik nog wel

genoodzaakt worden om fchulden te helpen

ma-


m BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

maken; en dan, ( i s d e d o o d

tolvker dan dit lot?)

e n d a n

^ ^

onbennhm.ge fchuldeifcher openbaaren

dat geen, dat ik niet

z o v e e

l

2 t ï r g

^

dommer dus lange voor meuwsgi rige

oogen bedekte ! Dan zal de nyd ztch fn

mynen val verheugen ; de laster my wonden

, en der medelydenheid beletten myne

ware omftandigheden , zo als Zy verdie

ren te befchouwen. Terwyl myn man

zich veragtelyk maakt ,

e n

&

m y n ee_

nig kind door zyne fpoorloosheid *

kan niet verder fchryven 1 myn kind]

dat Lef fchepzel , dat ik zo veele jaaren

tot ons beider geluk, en vreugde opvoedde

- a Myne Vriendin !

g v h e£

ónderen ; voel 't geen ik voel'.

E a

welk eene wonde ontfang ik , a] s m e n

my, onder fchyn van vriendfchap aanlengt

, dat de waereld my de fchuld

geeft van alle myns mans dwaasheden.

Is 'er ongelukkiger Vrouw dan ik ? niemand

weet hoe groot myne rampen zvn •

en die 'er naar gisferi , verblyden 'er zich

m ; or veröordeelen my. Door niets buiten

my word ik onderfleunt ! de eerzucht

biedt mynen moed de hand niet i

d e

ffil

heid waar mede ik de moeylykfte deugden

moet oeffenen , ontneemt my dat middel


ONDERWERPEN. XXÏ. SRIEF. 175

't welke anderen , in nrnder. beproeviagen

, voor bezwyken behoed heeft.

Ik bemin myn man ; ik herdenk die

lieve uuren die ik met hem fieet ; ik kan

hem niet aanzien zonder eene deernis die

myn hart doet bloeden. Ik zie hem ongelukkig

, en kan hem niet redden $ en

zo hy my verliest Had ik hem den

geest zien geven , toen hy dierbaar aan

myn hart was ; toen ik hem lief konde ,

hebben ; toen hy zyne vrouw beminde

als een man , en hoog agttc als een

Vriend ; Was myn zoon , my, ia zyne

eerfte kindscheid ontrukt ; waren onze

middelen door onvermydelyke rampen ,

ons op eenmaal ontnomen , ik zoude mya

lot geduldiger hebben kunnen draagen ; ik

zou een niet vernederend medelyden getrokken

hebben ; ik zou deeze twee dierbaare

panden als dan met vreugde hebben

na gezucht ; en ik zoude , ja , arm ,

maar met lof, ten grave gedaald zyn.

Ik fleep myn kruis met verzwakte kragten

;

verdriet ,

ik kwyn ongevoelig weg : want dit

't welk myn fmartelyk deel is,

is een langzaam vergif voor myne gefteltheid

, zo wel van ziel als lichaam. Ik

heb zomtyds oogenblikken dat myn leven

my


Ï7Ö BRIEVEN OVER VER SCHEIDEN

my ten Jast is ; om dat 'er aan mvne

ongelukkige omftandigheden , niets kan

gedaan worden. .

Ik lees mynen zwaarmoedigen Brief eens

over. Ik zie daar uit hoe verre één Vlaag

van ongeduld ons kan brengen ! Tot ver.

twyffeldheid zelf. Ik kan 't niet helpen ,

myne Vriendin , maar mvn eigen zwaar

veranet, en het geduurig hooren pochen,

op de heldhaftigheid der, deugd "van lieden

, die veel minder , met veel meerder

hulpmiddelen , dragen , heeft my ,

eerst tot misnoegen , toen misfchien tot

murmureeren gebragt. Gy zult my , denk

ik , < wel willen toeftaan , en dit is alles

wat ik in deezen beweer , dat zware uitwendige

rampen, in 't oog der waereld,

met geduld doorgedaan , ons wel tot

Martelaresfen der Eerzucht kunnen maken

; maar , dat aanhoudend , huizelyk ,

ftil verdriet , gefmoord verdriet , met'eeri

edel, en godvruchtig oogmerk, wel getroost

, door te ftryden , ons tot Martelaresfen

der Deugd , zedelyke Heldinnen

in het Godlyk oog , (dat tot in het binnenst

onzes harten ziet , ) maken. Die

God dien wy aanbidden ; kan het met

zyn • wys en goed plan u betreffende , beftaan

, verwaardige u niet tot zulke grieven-


ONDERWÉRPEN. XXI. BRIEF. 17?

vendc beproevingen ; als gedragen worden

,

door uwe Vriendin.

C. v. S.

Ik geloof dat gy , myne Vriendin, door

het lezen deezes Briefs zult aangedaan zynwat

my betreft hy heeft diepe , zeer

diepe indrukken op mynen geest gemaakt;

en my opgeleidt tot gedagten die ik u,

mooglyk , wel eens zal mededeelën. è

Wie weet hoe veel' verdriet 'er dus wel

gedragen , verborgen gedragen wordt, door

Vrouwen , die , zo men haar kende ,•

onze hoogde agting zouden verkrygen ,

door juist die zelfde zaken waarom eene

kwalyk onderrechtte Waereld haar veroordeelt.

De Brief moet weg : ik kan hier

öiets by voegen , dan dat ik ben uwe.

1 M TWEE-


TWEEËNTWINTIGSTE

BRIEF.

WAARDE

NEEF!

-Hoe veel belang neem ik in uw geluk *

wandel voort op den weg der Onfchuld,

yderen flap die gy daar op vordert is een

toevoegzei tot myn eigen genoegen. Geen

eene kommerlyke gedagte kome 'er meer

m uwen geest op. Uwe deugd zou mv

onbewust gebleven zyn , indien ik nier

wist waar toe uw hart u vervoert hadt

Gy verflaat my ? Maak nu uwen weg zo

gemaklyk als gy kunt j ga niet wéér agtermt,

ook niet met het voornemen

van te rug te keeren. Waarom zoudt g V

u buiten noodzaaklykbeid moede loopen 2

Het berouw komt , zeker , het naast aan

met zondigen ; maar doen wy niet veel

beter en wyzer , als wy ons de imarte

des berouws fpaaren ? Laaten wy des

door bedagtzaamheid ons voor vallen behoeden.

Hadt men , na dat men geval,

ien is , alleen opteftaan , men zou het zich


ONDERWERPEN. XXII. BRIEF. I7Ö

'getroosten ;

doch men valt zelden of men

Kwetst zich , en 't is veelmalen de tyd

alleen die zodaanig eene wonde kan genezen.

Toen gy affcheid van my naamt , hebt

gy my zeer ernstig verzogt om u nu en

dan , met eenen Brief , (zo als Gy 't

beleefdciyk noemt ,) te begunstigen. Hoe

zuinig ik ook op mynen tyd ben ; en

hoe zeer ook overtuigt , dat gy zeer veel

te leeren hebt , zal ik echter aan uw

verlangen voldoen : mooglyk zal het leezen

myner Brieven U den tyd daar aan

befteed , niet geheel doen verliezen ; ik

zal aan u fchryven zo als ik gewoon ben

met u te fpreken ; en om geen tyd te

verfpillen maar terftorid beginnen met een

Onderwerp waar op ik , ook om uwen

wille i met aandagt gedagt hebbe. Uwe

liefde tót de deugd 5 uw eerbied voor

alle de geboden onzes gezegenden Zaligmakers

; de eenvoudige oprechtheid waar

mede gy aan my uwe gebreken tóebetrouwt

, hebben my zeer aangemaartt óm

u myne gedagten te zeggen over eene

fchuldige neiging , die gy my beleden

hebt , die gy met Weerzin ziet ; doch ,

zo 't ü toefchynt , al.óós te vergeefsch

beftreden hebt ; en die gy , eindelyk ^

M 2

«i-


l£0 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

uit gebrek aan moed dat gy die toch ooit

zult overwinnen , niet meer zult beftryden;

maar veel eer bewimpelen , indien gy al

geen kans zaagt om die in eene zedelyke

deugd te vervormen.

Denk niet , dat ik te fireng begin.

Alles wat gy hier uit moet opmaken is

dit , dat ik de kragt van,-een heerichend

gebrek zeer wel ken ; en dat ik , alles

wat ik tegen u zeide , en zeggen zal .

ook tegen my zelf, en met betrekking

tot myne boezem zonde zeg. Leet zoude

het my zyn , u een onaangenaam oogenblik

te verfchaffen , zo u deeze fmartelyke

aandoening niet in 't bezit Helde van

een , in dit opzicht , verbetert hart !

Gy zyt jong ! twintig jaaren is een

klein getal ; en zo gy zo gelukkig wordt

om u te ontdaan van die neiging waar

op ik doel , kunt gy de bron van genoegen

vroeger geopend zien , dan of gv

ouder geworden waart , zonder u daarvan

te ontdoen. Zoude ik uwe Vriendin

zyn ; zoudt gy my daar voor erkennen,

zo ik u de mooglykheid- niet affneed van

eene ondeugd te verfraaijen ; die gy in

haare ware gedaante , niet zonder afgry-

'*

t

v • , i «• i-fcif n*» 1 zen


ONDERWERPEN. XXIT. BRIEF. l8r

zen zien kunt ,

doet om haar te

en daarom juist uw best

vermommen?

Gy zyt , naar uwe eigen bekentnis ,

zeer wraakzuchtig. Was uw inborst zo

hard en wreed , als zy , (voor u , zeer

gelukkig ,) wel zagt , en medelydend is,

gy zoudt alle beledigingen , wezenlyke of

ingebeelde , (dit is hier het zelfde,) tcrftond

wreeken. ,, Want met al die u be-

„ ledigt zult gy afrekenen ; gy zult hem

„ wel vinden." Zie daar , uwe taal , naar

uwe eigen belydenis. Eik die uwe talenten

geen hulde doet , veragt gy. Ik

begryp wél , dat een Jongeling van zulk

een heftig karakter, de wraak zoet vindt,

Wat men ook voorgeve van de gemaklykheid

der wet. „ Hebt uwe Vyanden lief,

„ zegen hen die u vloeken," Zo geloof

ik echter dat zy eene ten aller uiterften

moeylyke wet zy , voor alle menfchen,

maar , vooral voor Menfchen van een

trotsch , en gevoelig karakter. De volgende

Bedenking komt my daar voor den

.geest ; Beproef die eens aandagtig; mooglyk

is zy niet te verwerpen ; zy is

deeze: • > . , ' • ,-\

Indien 'er ooit- , op deeze aarde , ecï

faort van Menfchen zyn zoude , die de

M 3

? e '


l8 2

BRIEVEN OVER VERSCIIEIDEN

Zedekunde tot zulk een toppunt van volmaaktheid

verhieven , dat zy konden :

j, Liefhebben die hun haaten , en zegenen,

„ dien die hen vloeken , ja ! bidden voor

den genen die hen geweld aan doen en

„ vervolgen , " dan behoeft men niet te

vraagen , is 'er eene Godlyke Openbaaring

van nooden ? Om den Pligt van vergeeflykheid

tot eenen algemeenen plicht te maken

; ik zeg

s

met nadruk , algemeenen

j>l : gt , en niet flegts voor deezen of genen

der Menfchen , in deeze of gene omftandigheden

: om het goed doen zyner Vyanden

niet flegts aan het goedvinden , of

de edelaartigheid van enkelde perfoonen

toe te betrouwen , maar tot eene vo.lfirekte

algemeene Wet te maken. Om de

rechtveerdigheid , en het gezach deezer

Wet te doen erkennen , was het , naar

myn inzien , volftrekt noodig , dat 'er

een Perfoon van geene mindere waardigheid

dan die , van den Heiligen Infteïler van onzen

Godsdienst , ons uit Gods naam belaste

: ik zegge u , hebt uwe Vyanden

„ lief." En om deezen zwaaren pligt, nu,

als het bevel der Hoogfte Majefleit aangenomen

zynde , met 'er daad, en door alle

tyden te doen betrachten , moest zy aangedrongen

worden met zulke drangmiddelen


ONDERWERPEN. XXII. BRIEF. l8 3

len als het Euangelium maar alleen kan

opleveren. Het in acht nemen , of hardnekkig

veragten deezer Wet moest onze

Zaligheid , of onze Verdoemenis beüislen.

Hierom drong de Godlyke Wetgever deezen

pligt dus kragting aan: „ Indien gy

., den Menfchen hunne misdaaden vergeeft,

„ zal ook uwe HemClfche Vader u , uwe

5, misdaaden vergceven ; indien gy de menfchen

hunne misdaaden niet vergeeft ,

,' zo zal ook uwe Hemelfche Vader u

" uwe misdaaden niet vergeeven." Toets

deeze Bedenking.

Het komt my voor , waarde Vriend ,

dat de Zaligmaker die het Menfchelyk hart

zo volmaakt wél kende , die zo wél wist ,

hoe de zwakke mensch te moede is ,

als hy eene daad moet verrichten , moeilyk

in zich zelf, en nog moeilyker als

hy zyne hoofdneiging , en zyn temperament

tegen heeft ; die medelyden hadt

met onze zwakheden ; uit een begindzel

van medelyden , zorg heeft gedragen ,

dat juist deezen pligt , ons daaglyks , op

het nadrukkelykst , en in alle zyne ge^

volgen zoude herinnerd worden.

Ik ben 'er in 't geheel niet vóór ,

om , in eene Godlyke Openbaaring , die

M 4

vopr.


?8 4

BRIEV;EN OVER VERSCHEIDEN

voor. alle menfchen gefchikt i s

,

w o n d e r.

ren te zoeken : die verborgenheden , welke

vóór de prediking des Euangeliums verporgen

waren , heeft God den Kinderen ,

dat is , den ongeleerden , den eenyoudigen

, doch .waarheid-lieyenden geopenbaard

, zouden zy dan voor den Ychran,

deren , Godsdienstigen Onderzoeker , niet

kenlyk zyn ? Voor. hen die de God deezer

Eeiuye de zinnen niet verblindt

:; Maar hier ben ik zeer'vóór , dat men

m eene Aankondiging van Genade ,

z o

als het Euangelie waarlyk is , en "in den

Leeraar deezer Waarheid , alle de trekken

van welmeenende 'zorge , van toegeven-

, en behulpzaamheid , van menfchenliefde

3 zeer zorgvuldig opmerke. Zou de

bemmlyke Grondlegger onzes Godsdienst,

zonder hoog wyze reden , 'en inzichten;

zonder belangneemende liefde vpor' alle zy-'

Be Volgeren , juist , in het allervolmaakt

fte Gebed , een Gebed dat nu nog daaglyks

gebeden wordt , ééne bede hebben'

gevoegd welke aan yder Christen deezen'

pligt daaglyks herinnerd ?

Kan een Mensch , dat denkt wanneer

hy. bid, die weet wat hy zegt, als ay

fcid : „ Vader vergeef myne fchüldcn zo.


PNDERWERPEN. XXII. BRIEF. 185

, als ik myne fchuldenaren vergeef"; kan

zodanig een Menseh , die dit bid , om

wraak denken ? moeten deeze woorden

hem niet ontwapenen ? Zou hy zynen

Vyand , als die hem , dit biddende ,

overviel , niet omhelzen ? Zou hy ook

voor hem niet om genade bidden ? Zou

hy hem niet zegenen?

'Er is pok geen

pligt in de gehele Zedekunde

waar van de mooglykheid , zo

noodzakelyk verdiende aaqgetopnt

te worden

, dan juist deezen pligt. De Wetgever

bewees . deszelfs

zyn eigen voorbeeld ,

mooglykheid door

geduurende zyn geheel

leven , en in de grootfte verzoekingen^.

Daar God dan zynen Zoon in de Waereld

zondt , om ons de wraak te laaten

yerbieden ; daar deeze Zoon , de vergeefsheid

, en liefde tot onze Vyanden zo,

ernstig bevolen , en. zo kragtig aangedrongen

heeft ; daar hy 'er zelf een alleruitmuntendst

voorbeeld van geweest is, zo

dat alles , naauwkeurig befchouwt , maar

in ééne daad , liefde tot zyne Vyanden

beftaan heeft , zo bewys ik daar uit ,

deeze twee waarheden , die ik aannam om

' M s

te


l86 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

te bewyzen , de mooglykheid , en de.

noodzaaklykheid van deezen pligt.

Is nu deeze pligt 20 moeilyk , (en dat

erken ik ,) wel hoe zoude ik dan ftreng

kunnen oordeelen over een Jongeling , die

zyn temperament tegen heeft J wagt geene

ftraffe uitfpraken , van my ! Maar is

deeze pligt evenwel volftrekt noodzaaklyk

! verwerp dan ook myne poogingen

niet , die ik , in eenige volgende

Brieven , zal aanwenden , om u eene.

ondeugd te helpen overwinnen , die uwe

Beulin in dit , en uwe ftraffe in het aanftaande

leven kan worden. Ik zal, zo veel

ik kan , fchryven voor eenen Jongeling

van uwe geaartheid , en zo weinig afgetrokken

als my mooglyk zyn zal ; -' ik zal

ook myne Brieven niet te lang maken,

om dat ik van 11 eisch dat gy die leest'

en overpeinst ; en echter in uwe uuren

van uitfpanning niet wil dringen , op die

bezigheden die gy tef eere van uwen goeden

fmaak verkoren hebt ; en op dat gy

toch zo veel aan u zelfs zoudt hebben

als redelyk is , zal ik my bevlytigen ,

om allerlei onftuimige driften , die het oog

onzer ziel benevelen , en ons verftand

beroeren ; in u te matigen , op dat gy

uwe


ONDERWERPEN. XXII. BRIEF. 187

JP vrolvke vrye uwen met alle wenfchelyke

vergenoeging zoudt doorbrengen.

nv,

Zo

€y lust , en tyd hebt om Buiten te komen

, gy zyt welkom ten huize van

uwe liefhebbende Tante.

DRIE"


DRIENTWINTIGSTE BRIEF.

Ten vervolge.

WAARDE

NEEF,

Ik was geenszints van voornemen , *»

f W e i n ! 'g e &«* die gy in de voorgaande

week , by ons Buiten kwaamt doormengen

,

m e t p r e k e n t e % t e n_

H e t

my echter zeer aangenaam

van u te verflaan

, dat

g y m y n c n B r i e f m e £

noegen gelezen hadt ,

e n

naar- de volgende

verlangde : Byzonder was ik in myn

fduk , (want hier uit bleek dat gy met

aandagt leest het g e e n

ik ten uwen nutte

fehryf) met uwe vraag : „

o f l m n w a a r.

» lyx van eenen zagten en medelydenden

"rV/ 1^' 5 g d y k

^*mig zyn

» konde. Toen , door bykoomend Ge-

«.fchap belet wordende om deeze vraag

^el te beantwoorden, heb ik u belooft

dit m den eerften Brief die ik u fchryven

^ude , te zullen doen ; Lees des hier

myn antwoord,

fieb t


ONDERWEE-PEN. XXIII. BRIEF. &9

Hebt gy , waarde Jan , nog niet ondervonden

dat 'er driften in onzen boezem

kunnen huisvesten , die zo zeer met

elkander ftryden , als de winden die uit

tegen overgeftelde ftreken waayen ? Dat

z V

niet minder met elkander overhoop

liggen , als een man van de mode met

het gezond verftand ; en Wy zelf helaas!

met onze reden ? Zo dra iemand een gevestigd

Karakter heeft , is eene uit het

Tyk der driften Koningin , zy geeft hare

hoofd wet ; en gelyk de Vriend POPE

zeid : „ Zy is als de ftaf van AaKON ,

die alle de andere ftaven verflint." Doch

dit is evenwel maar betrekkelyk tot dit

doorgaande Karakter. By voorbeeld:

Harpai de Vrek , zal geen enkelden

Huiver geven , ten minfte aan zynen behoeftigen

mede mensch , indien dit verzoek

hem door de tweede hand gedaan

wordt : maar het elendig fchepzel zelf

ziende , zal hy zodaanig getroffen worden

, dat hy meer zal geven dan Eugenius',

die zo vasthoudend in lange niet

is , maar ook min gevoelig. En wanneer

in Harpax de indrukken verflaauwen , waaneer

zyn hart in rust raakt , dan berouwt

hem zyne mildheid , en hy zal , met zynen

vrekken , doch echter aandoenlyken

aart.


IOC-

aart ,

zyn,

BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

geduurig in eenen lastigen tweeflryd

Maar , zegt gy , welk

e e ne flrydig-

„heid, wraakzuchtig, en medelydend"»

Als ik u echter kan doen zien dat dit geene

harsfenfehimmige fchildery / m a a r

de

ware geüeltheid uwer ziel is ; wat zult

gy dan zeggen ? Stryden wy Menfchen

met geduurig met ons zelf? Beminnen

wy met van daag , dat geen , 't welk

wy morgen veragfen ? Ik fpreek over

net algemeen ; want daar zyn waarlyk

menfchen, die in den ftaat waar in zy zyn,

en de omflandigheden die hen omringen ;

m agt genomen zynde , groot en gelykmoedig

genaamt moeten Worden : daar zyri

DE RUITERS , en TURENNES in het Ryk der

Zeden, maar 'er zyn nog veelmeer zulken;

me zich nooit onderfcheiden hebben , door

eenige beilisfende flagen:

Nu , kom aan , laaten wy eens zien ,

of die ftrydigheid wel zo groot is als zy

« toefcfaynt. Gy moet u bevlytigen ,

myn jonge Vriend , om wél te leeren

onderfcheiden ; om de voorwerpen als

uitëlkander te Hellen ; op dat gy , des

te beter , zien kunt , wat zy zyn , en

hoe zy , zaamengezet zynde., werken-:.

diü


ONDERWERPEN. XXIIÏ. BRIEF.

I 9I

dit zal u in ftaat ftellen om netter te

denken i en gevolglyk juister te beöordee-

}en Aandagt is het oog der Ziel. Kyk

niet met het air van een wuft Franschman

alles aan , zonder op iets te letten , maar

zie het geen gy ziet ; (zo 'er u aan gei

' n l i g c

meen ik ,) met bedaartheid :

J zult beter zien dan zy : gy zult minder

fchitteren doch ryker zyn ; en al

vroe- die hoedanigheid verkrygett , die

den vertogen man van den geestigen

knaap zo voortreffelyk onderfcheid ! Wat

is nu wraakzucht?

Wraakzucht , in 't algemeen genomen ,

is eene zwakheid der Ziel. Ik zal haar

nader befchryven. Wraakzucht is eene

begeerte , om herrt , die ons beledigd ,

in onze magt te hebben , op dat wy hem

ftraffen , voor den hoon , of het nadeel,

(waar of ingebeeld ,) ons aangedaan. Waar

Uit ontftaat die begeerte ? Uit een ten

uiterften ligtgeraakt , en zeer fterkvoelend

geftel ; waar door eene belediging die een

ander naauwlvks zoude merken , ons zo

diep in de Ziel gaat , dat de fmarten onlydelyk

zyn ; en ons het recht fchynen

te geven , om hem , die ons dus pynigt

, onze gramfchap te doen gevoelen ;

op dat wy in zyn onheil verligting voor


n>2 BRIEVEN OVER VÏRSCHEIDEH

onze imarte mogten erlangen : Uit dat

genei waar voor het denkbeeld , van

fchande doodlykef is , dan het wreedfte

hden. Zie daar , dit noem ik wraakzucht

, en uit deeze bron vloeit zy voort;

Is het nu zo ftrydig , denkt gy , dat een

zo ligt getroffen zo fterk voelend hart .

ook medelydend , ook zagt zy ? Dit is

de reden , waarom gy , die zo gaarn

u wreekt , altoos berouw hebt zo rasch

gy die ondeugende neiging voldaan vindt,-

Niet alleen óm dat gy u bezondigt , ö

neen ; vóór gy nog eenig denkbeeld hadt

van Zedelyk kwaad , berouwde u altoos

het geen gy gedaan hadt.

Het Haat my nog zéér wel voor da*

gy , eens uit fchool komende , vrolvk

en wel te vreden , met uwe Boeken onder

den arm , van een kwaadaartigen Jongen

zo een flag onder uw neus kreegt

4

dat hy begon te bloeden , en u veel pyn

déedt. „ Dat , riept gy , Dirk , zal

„ ik u betaalt zetten, hoor ! my dus liegt-

„ te behandelen ; wat deed ik u " ? Gy

hield ook trouw uw woord ; want hem^

hem weer ontmoetende , gaaft gy hem

zo èeö fchop dat hy met zyn hoofd tegen

een floep aan , en een gat in hetzelve

viel. JS T aauwlyks zaagt gy dit , of

uw


O N DE li WERP F N. XXIIT. BRIEF.

Ï03

uw toorn was gedaan. Gy fchreidet ; gy

vielt uw makker om den hals ; hiclpt

Jhem op ; en poogde alles te vergoeden ,

offchoon de ftoüte Dirk het niet fcheen

te voelen , en , lachende ; van u afliep.

Gy kunt hier uit opmaken , Nef, öf

ik nu eerst over uw Karakter begin te

denken : Maar ! waar kwam dit by ü

van daan ? Gy zyt , ja , wel wraakzuchtig

, maar tevens gevoelig , en rriedelydend.

Dirk was kwaadaartig , een kleine

wreedaart , en wreedheid kan met medelyden

, onmooglyk , maar wraakzucht

zeer wel beftaan. Wat is dan wreedheid?

Wreedheid is behagen fcheppen in het lyden

van anderen. Wraakzucht is eene zwakheid

van Ziel die geene elende zien kam

Men moet des de Wraakzucht onderfcheiden

van de Wreedheid , zo wel als van de

Oploopenheid , cn dat zo wel in haar wezen

, als uitwerkzels.

Hy die fchielyk voelt , is oploopend ;

hy die fterk , en lang voelt , is wraakzuchtig

; hy die niet voelt , is wreed.

De oploopcnde zal zich wreeken , terwyl

hy de belediging voelt ; maar zo rasch

die pyn bedaart is , vergeet hy alle wraak;

die ichielyk voelt ; zal ook oogenblikkig, ;

I. DEEL; N


194 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

zonder redeneeren, een ongelukkig mensch

byftaan. Hy die fterk , en lang voelt,

zal zich wreeken , ook dan , als den

hoon gefleten is ; hy zal hem onheil aanbrengen

; doch , zo hy hem met dat onheil

ziet worstelen , zal hy hem beklagen

, en , zo hy kan , .helpen. Hy die

niet voelt zal beledigingen met hardnekkigheid

verdragen ; maar , zich recht uitbannen

i als hy dien doet lyden die hem

hoonde.

De fmart die men eenen opftuivenden

aandoet , is gelyk aan eene ligte wonde

die van zelf geneest, en digtloopt ; maar

de fmart die een wraakzuchtige ontfangt,

is als eene vergiftige beet die , diep f n

-

eetende , bezwaarlyk geheelt wordt. Hy die

wreed is , treedt als met vereelte voeten

op puntige keyen en doorens , zonder

dat het hem fmart veroorzaakt.

Laaten wy nu eens proeven nemen, laaten

wy nu eens zien of ik wel geredeneert

hebbe ; want ik zou het u niet wel

afnemen, indien gy , als w v

met elkander

praaten , my iets voor uitgaaft •

neen , de waarheid alléén moet u overtuigen

Nemen wy des proeven ; op u

en op uwe Makkers J

Hen-


ONDERWERPEN. XXIIÏ. BRIÉF.

IQ5

Henivik , uw groote maat , heeft eene

Latynfche Verhandeling opgeftelt , die

door zynen Profeffor zelf geprezen is.

Willem ,' nydig over uws makkers roem,

ftrooit uit , dat Hendrik dat ftuk zelf

niet heeft opgeftelt , maar dat hy het

heeft laaten opftellen van een bekent Disfertatiemaker

; en dat hy den Kaerel ettelyke

dukaten heeft moeten geven ; iets

dat alle jonge luiden niet doen kiinnen.

Dit komt Hendrik ter ooren. Hy zit onder

de handen van den Pruikmaker ; hy

vliegt op , voor hy nog gcpoeyerd is ;

of de beurs in zyn hair geknoopt : iri

een losfen Japon , met neergehakte fchoenen

, en zonder kousfebanden aan. Hy

meent raazend te worden ! Hy pronken

met eens anders veeren , hy zynen Profeffor

misleiden ! Hy vliegt de deur uit,

zo naar Willem ! „ Wat , fchurk , is

„ zvn aanfpraak , hebt gy daar van my

„ vertelt ? Lasteraar , lage jongen , zo

„ gy niet bekent dat gy gelogen hebt f

t\ zal ik u toonen dat ik zo wel myn eer

i, kan verdedigen als myne Hipothefis".

De Student wordt verlegen \ ook geen

kwade jongen zynde ; (hoewel hy deezen

keer dóör naaryver te ver gcbragt was ,)

bekent fchuld , belooft hem te voldoen,

en waagt hem om vergeving , om ver-

N 2 ge*


IQÓ" BRIE* BN OVER VERSCHEIDEN

geving vragen I 6 , dit is te fterk ; dit

kan uw oploopende Vriend niet verdraagen

, „ zwyg , Willem , zegt hy , en

„ hou uw woord in 't Koffihuis :* daar is

ti myn hand , Jongen ! eet van middag

„ by my ; en ga morgen met my naar

„ myne Ouders , ik ben niet meer boos

„op u ; 't is een misfiag." Willem is

aangedaan , en de jonge Vrienden fcheiden

om op het College by een te komen.

Wat zien wy hier uit ? dit immers :

Hendrik is opvliegend , wordt zo fchielyk

boos , als goed ; en is niet wraakzuchtig.

Maar gy , J a n

, gelykt hem in dit opzicht

niets ter Waereld. Gy hoort ergens

dat zeker Jong heer , wiens Vaders

Plaats hier digt by gelegen is , vertelt

heeft , dat uw Oom , D. Bankroet gegaan

is. Gy zwygt , zucht , wordt

bleek , en neemt voor , deezen leugen

te ftraffen. Hy komt u tegen , hy groet

u , gy houdt uw hoed op , doch fpreekt

echter niets over het voorgevallene. Gy

weet , dat hy een groot liefhebber van

Viich is , voor al als hy dien zelfs vangt;

gy wagt , met bedaartheid , uw tyd af.'

He Jongeheer hangt eindiyk een fchoon

Net , in het Water , digt by ons ; gy

gaat


ONDERWERPEN. XXIII. BRIEF. Ï97

gait zien of 'er wat gevangen is ; ja !

by uitnemenheid ! Gy neemt uw mes ,

en fnyt het Net aan ftukken. Gy verheugt

u een oogenblik in het denkbeeld

dat gy hem in zyne verwagting hebt te

leur geftelt. Gy blyft daar omtrent u

verfchuilen om te zien welke uitwerkzels

dit op hem zal hebben. Hy komt , ziet

wat 'er gebeurt is ; ftaat 'er bedroeft by.

Uw hart begint te kloppen. Gy kunt niet

zien dat hy bedroeft is. En het bezef

dat gy daar oorzaak van zyt , fmart u, al

zo zeer als het hem fmarten kan. Gy begint

reeds zyn misdaad te verkleinen :

„ Is 'er niet ," (dus redeneert gy nu aD,

is 'er niet , op dien zelfden tyd een

„ Heer van dien zelfden naam als myn

,, Oom , gemankeert , kan het dus niet

,, wel zvn , dat de arme jongen waarlyk

„ gemeent heeft , dat hy het ware ? 't

„ is wel los met de eer van eene brave

„ Familie omgefprongen , hy moest zulke

„ dingen niet praten , zo hy ze niet zeker

wist , maar bega ik , begaan alle

,., jonge lieden , geene losheden " ? Uier

op treed gy naar hem toe , die nog bezig

is met zyn Net te hcrftellen , en

ziet hoe bitter hem dit voorval fpyt ; nu

voelt gy nog fterker , 't geen hem treft.

Ja zo fterk als gy den hoon gevoeldet ,

N 3

uwen,


198 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

uwen Oom aangedaan ; gy hebt „ zelf

gewrooken uit medelyden met u

z elf , en

poogt uit medelyden met hem vergoeding

te doen aan hem op wjen gy u gewrooken

hebt. By hem komende zegt gy hem

dat gy dit gedaan hebt , en de reien waarom.

Hy bekent dat hy flegt gedaan heeft,

door tot nadeel van eenen man te fpreken

die hy niet kende ; en uw leedwezen is

ZO oprecht , dat gy hem uwe hulpe biedt,

pok zelf om het Net te herftellcn.

Mogen wy nu , denkt gy , „iet gerust

befluiten : „ dat Wraakzucht , en meder

5

Iyden zeer ^el in één hart kunnen woo-

» nen ? " J a

j dat zy uit dezelfde Oorfpronkelyke

Bron voortvloeyen ? Uit eene,

zeer groote gevoeligheid, namentlyk.

Nog eene proef ,

c n

dan zal ik deezen

Brief fluiten. Frans , daar gy altoos

meae overhoop ligt , zal het gelden. Men

zegt hem , m zyn aangezicht , dat hy

een flegte jongen is ; men verwyt hem

guiteftukken die hy al , en die hy niet

gepleegt heeft. Hy hoort alles koeltjes

aan , ontzet zich niet in 't minfte. Hoe,

is die jongen , met dat lelyk Phifiognomie,

?Q zagtzmnig , zo bedaart ? Ja i zie

% wat hy doet • hy fpykert vleermuizen


ONDERWERPEN. XXIII. BRIEF.

IOQ

aan eenen boom ,

en fteekt die met

zwavelftokken in den brand. Bram , een

goede flokkert , krygt deernis met Frans,,

die zo bedaart alles aanhoort , wil hem

verdedigen , en treedt by ongeluk in een

fpvker , hy geeft een fchreeuw , hy.

krimpt van pyn , en wat doet Frans ? de

wreedaart lacht dat hy fchud ; het onheil

van zynen Vriend , doet hem meer vermaak

, dan den ontfangen hoon hem fmarte

deedt. Frans is wreed ; hy voelt niets.

Zie daar , myn lieve Neef,, myn ftuk

bewezen. Schynt het u anders toe , laat

my uwe zwarigheden weten , opdat ik

die , voor u , oplosfe. Doch gy zelf

zyt een fprekend voorbeeld , dat men zéér

medelydend , en zéér wraakzuchtig zyn

kan , gy voelt fterk , uw temperament is

aandoenlyk. Maar ! fpreek nu eens regt

uit ! gelooft gy , dit lezende , nu ook

niet , dat uwe wraakzucht minder zonde

is , nu zy een gevolg is van uw temperament

, dan toen gy die in uw hart zogt?

Ja , hier mede moogt gy u ook troosten;

maar , vergeet dan niet , dat uw medelydénheid

ook veel minder eene deugd in

u is als gy u mooglyk verheelt hebt. Gy

verliest des aan den eenen kant , zo veel

als gy aan den anderen kant wint : dat

N 4

me-


20O BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

medelyden vloeit óók uit uw temperament;

niet uit uw hart voort. Uwe Wraakzucht

en uw medelyden zyn beiden zwakheden.

Wanneer gy nu uwe Wraakzucht beftryd;

en uw medelydenheid zoodanig door Reden

en Godsdienst beftiert , dat het altoos

uit hef regte begindzel , en tot de

beste eindens werkt , dan zult gy een

deugdzaam Karakter verkrygen ; en nog

m dit leven de aangename vrugten inoogflen

die belooft zyn aan elk die aan zynen

Schepper gedenkt in de dagen zyner

jongelingfchap.

Zo raseh ik tyd heb om voorttefchryven

zal ik dit onderwerp afdoen. — Gebruik

uwen tyd naerstig. Hy is , nevens een

gerust gemoet , een der grootfte en heilaaamfie

gefchenken des Hemels.

Vaarwel.

VIER-


VIERENTWINTIGSTE BRIEF.

Ten Vervolge.

Ik zal , zonder u met iets buiten ons

Onderwerp optehouden , terftond aan uw

verzoek , en myne belofte voldoen ; mynen

Brief beginnende met de volgende aanmerking.

Alle menfchen , myn waarde Neef ,

willen zeer wel weten dat zy gebreken

hebben ; deeze bekentenis doet hen niets

verliezen ; niemands eer' lydt 'er door ,

dat hy is het geen yder een toeftaat zelf

te zyn ; en ware iemand zo dwaas van

te zeggen : ik hebbe gèene zonden ; hy

zou zyn loon in de befpotting vinden.-.

Maar !

Hoe bereid wy zyn , om , zo 'in *t

algemeen , dit te belyden , wy zyn echter

zo genegen niet , om dat byzónder

gebrek • voor onze Rekening te nemen ,

N 5

dat


Oi BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

dat anderen in ons ontdekken ; en waar

mede men ons bezwaart , 0f dat gebrekmoet

juist van eenen aart zyn , dat , ons

in onze oogen , niet zeer vprachtelyk

maakt. By voorbeeld,

Uw Broeder zal zeggen : „ Ja ik ben

„ fchnklyk driftig ! ik kan ysfelyk opftuiv

> maar , haastige lieden zyn geen

e n

verraders." Zyn eigenliefde wint -met

deeze belydenis meer dan hy verliest; want

wat is verachtlyker dan een Verrader ? en

wat is algemeen» dan haastigheid ?

Laurens ,

z a

l n zeer eenvoudig toeflaan,

dat hy „ l o s

, bedroeft los is; en dat hy

„ niet ryk fterven zal » ; doch ik raade

u niet , hem te zeggen : „ dat hy een

„ verkwister , een verwaarloozer zyner za-

„ ken is " 1 Hy zou u haten .' maar uw

Broeder , die opvliegdende knaap ! zal ,

in drift opftuivende , ontkennen, dat hy

opvliegt ; hy zal zeggen : „ ik ben na

* niet haastig ; ik weet zéér wel wat ik

„ zeg , en wat ik doe ". Waarom wil

hy , die bedaart zynde , bekent dat hy

zeer driftig is , dat ontkennen , terwyl

hy opvliegt ? Daar toe kunnen verfcheide

redenen zyn ; doch de volgende zal ik ,

ter uwer toetzing , hier by voegen.

Als


ONDERWERPEN. XXIV. BRIEF. 203

Als hy , met een bedaart gemoed , dit

bekent dan ftelt hy zich maar met anderen

gelyk ; maar als hy , met 'er daad

driftig ^is i dan fchynt hy dit alléén te

zyn i en dus , voor dien tyd , flegter

dan anderen : dit , in 't (voorbygaan,) wil

het hoog gevoelig hart niet bekennen.

Toe gegeven zynde , „ dat haastige

Lieden geen verraders zyn" eene ftelling

die , zo zonder onderfcheiding , niet is

aantenemen ; is dit dan eene genoegzame

rede voor ons , die aan deeze Zedelyke

vlhoofdigheid fukkelen , om ons daar van

niet te ontflaan ? Of kunnen wy , zedelyk

gezond genaamt worden , ja waarlyk

zo zyn , zo wy met zulke kwalen behebt

blyven ? een Galkoorts , is zo naar niet

voor den lyder , als de Kinderziekte ; en

hoofdpyn zo erg niet , als fteenfmarte ;

doch ééne Galkoorts kan ons doodlyk

worden ; en hoofdpyn kan ons volftrekt

onbekwaam maken om iets van onze bezigheden

, of pligten waar te nemen : reden

genoeg om 'er tegen te medicineeren I

Ik ben weet gy , gewoon , om , zo

na my mooglyk is aan den toon van het

gefprek te blyven als ik fchryf : voor

my gelovende , dat dit de ware briefftyl

31 i

is

>


20 4

BR IE VEN OVER VERSCHEIDEN

& , als men namelyk gemeenzaam fchryft

Om die reden, neem ik zeer dikwyls" dé

gelegenheid op , die zich voordoet , om

deeze of gene gedagten , die ik , zo ik

met u fprak zoude mededeelen i aan u

te fchryven : dit is de oorzaak van myne

laatfte uitwyding over haastige Lieden

Ik zal evenwel , het geen ik op dit ftuk

nog zoude kunnen zeggen , hier niet plaatzen

; eerst om den draad niet te verliezen

, die my weder naar ons onderwem

moet geleiden

5

en , om dat ik voornemens

ben , om met uwen Broeder , zyne

geliefde faling eens te onderzoeken,

«y heeft zo veele goede hoedanigheden ,

dat het my ,

o m di e

reden , te meer

fmart , dat hy zulk een fiaaf zyner oploopenheid

is 1 Zeg hem hier niéts van-

Iaat het aan my over , ik zal wei gelegenheid

krygen om hem deeze byzondere

blyk myner achting en genegenheid te geven

: eerst moet ik met

u

gedaan hebben.

Ik heb gemerkt, jwlfefi, dat gy myne

gedagten zeer gaarn door voorbeelden

opgeheldert ziet j en dewyl ik naar we-"

zenlyke perfoonsn. fchilder die de zamenievmg

my aanbiedt , zo valt my dit niet

(Qgemaklyk. £ e n

voorbeeld dan ! Gy

kent


ONDERWERPEN. XXIV. BRIEF. 1205

kent zeker dien Jongman , die niet verre

van uw Oom S. afwoond ? Gy weet ,

dat hy wel wil toeftaan dat hy wraakzuchtig

is ? doch dat hy , als hy zich

wreekt nooit wil bekennen dat hy dit

doet , en als dan altoos zegt ! „ ik ver-

„ deedig my flegts ; iets , zegt hy , dat

„ ik niet 'alleen mag , maar moet doen."

Toen ik zeide , dat gy hem kende ,

meende ik van perfoon ; want dat gy

hem , zyn Karakter , niet kent , zal ik

u doen zien : Maar ik zal u hem doen

kennen ; en u toonen , dat hy zich deerlyk

bedriegt , zo hy dus ter goeder trouwe

fpreekt. Myne volgende woorden zullen

eigenlyk voor hem zyn ; doch , zo

uw hart , u , onder het lezen , m 't

oor luistert : „ Gy zyt die Jongeling, "

dan kunt gy 'er ook uw nut mede doen;

Hy bevondt zich onlangs in een gezelfchap

van jonge vrolyke knapen. Een van

hen , van een vry fatirike geaarcheid ,

prees hem het gezelfchap aan , als een

eerst meester in de kunst van Kanarievogels

aantekweeken ; en verzogt , met

eene grappige houding om de gunst voor

Gerrit : „ myn Vriend , zeide hy , zal

uwe Vogels in geen gevaar brengen ,

van


2o6" BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ van dood hongeren , want hy heeft de

„ bekwaamheid , om ze , in drie dagen,

„ dood te voeden." Al de losbollen lachten

om Koos Oratie ; Gerrit , hoe bitter

geraakt , door deeze fchemprede

lachte ook ; offchoon hy toen reeds befloot

zich , over deezen hoon , te wreeken

, of zich te verdeedigen | moest ik

zo niet zeggen , Jan?

Weinige dagen daar na , zyn zy weer

by elkander ; intusfchen hadt'Gerrit reeds

aan een van 't gezelfchap gezegt • dat

Koo , een Kanaryvogeltje , door hem

Pieter , zelf opgevoedt , en zo mak gemaakt

, dat het door zyne Kamer vloog,

op eene zeer bedriegelyke wys hadt afhandig

gemaakt ; en die aan 'een Vriend

gegeven ; offchoon hy voorgaf dat het

Vogeltje was weg gevloogen ; hem verzekerende

dat hy het uit Koos eigen mond

hadt. Dit deedt de gewenschte uitwerking

; de jonge Vrienden , weder by een

zynde , viel het gefprek , toevallig *, op

Kanaryvogels , en Pieter , dien den makken

Vogel ontrooft was , zei : „ Zeg

s, Koo , heb jy het Kanaryvogeltje dat

„ jy my ontnomen hebt , ook aan Gerrit

„ gegeven om het dood te voeden"? Koo'

die zulk een vraag niet verwagt hadt ,

ftondt


ONDERWERPEN. XXIV. BRIEF. 20J>

ftondt verfuft ; en ziende , 'dat Gerrit

hem verraden hadt , verweet hy hem zy

ne laagheid , door iets te vertellen dat

hy hem in vertrouwen hadt medegedeelt;

doch deeze verdeedigde zich door te zeggen

: ik verdeedig my maar ; hoe !

Ao^t ïir Hnf- iW- «nnr f.pn v.nt. wil te

„ uwmi jj } — -- n

„ boekftaan , die zyne Kanaries, uit vrees

„ dat zy van honger zouden fterven ,

„ dood voed" ? De woorden reezen hoog.

Koo , die voor een beste jongen ; doch

die wat veel kuuren aanrichtte bekent

wierdt voorgefproken ;

ftondt,

en Gerrit ? wel

die kreeg braaf op de lappen om zyn verklikken.

Ik heb reden om te denken dat gy in

deezen , Gerrit voorfpreekt. Kom aan ,

Jan , toon my dan nu eens het verband,

dat hier tusfchen de befchuldiging , en

de verdeediging ligt ; ik moet bekennen

dit niet te kunnen zien ! Bewyst het fteelen

van een Kanaryvogel , waar mede Koo

befchuidigt wordt , dan , dat Gerrit nooit

een Kanaryvogel doodvocdde ? en blyft

hy des niet even befpotlyk als van te

vooren ? Hoor , Neef , laaten wy niet

oVaaijen , Gerrit heeft zich niet verdeedigd

; maar hy heeft zich zeer fcherp gewroken

; want, hy heeft den perfoon ,

door


Ê08 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

door wien hy denkt gehoont te

z y n

een

veel grooter kwaad , dan hy ontfing, toegebragt

; en dat J

z o nder eenig voordeel

voor zich zeiven daar uit te erlangen. -

Het geen nu in een zo geringe zaak

waar is , is óók waar in zeer groote gevallen

, die toch , in de daad , de zelfde

zyn. Nog een voorbeeld.

Zeker Pedantje leest myne Vaerzen ; hy

zegt , „ dat zy zeer fJegt zyn , dat ik

„ de taal niet verfta ; en dat deeze , en

„ die uitdrukkingen belachlyk zyn". Dit

hoor ik ; want onze Vrienden zyn wonderlyk

getrouw om ons zoortgelyke boodschappen

over te brengen ; (mooglyk uit

hefderyke bekommertheid , of wy ons anders

te veel mogten verheffen 0 althans

dit hoor ik. Dat het my treft is natiuirlyk

, hier op is niets te zeggen : maar!

ik ga in gezelfchap , en vertel daar, dat

de Vader van het Pedantje een Opperman

is , en voeg 'er by : (want ik wil toonen

dat ik meer vernuft heb dan hy ,)

„ dat myn Heer zyn Zoon , het denklyk

„ m de Fraaije Letteren niet veel verder

„ zal brengen , dan zyn Vader in hef

, 3

metzelen : nu trouwens , de handlany

gers zyn al zo onontbeerlyk als de groot-


ONDERWERPEN. XXIV. BRIËÏ 1 .

£>C§

'k fte Architekten." Offchoon niemand, zo

zeer als ik, overtuigd is , dat de geboorte

den man van verdienste niet kan uitmaken

; én offchoon ik altods het verftand

en de deugd eerbiedig , waar die

Ook huisvesten ; zo geef ik my echter

dat kortftondig vermaak , en ga 'er zelf

van myne aangenomen grondregels , om

af ! Maar!

Wat doe ik nu ? Verdëedlg ik myne

gehoonde Vaerzen ? Of wreek ik eene beleediging.

Dat myn Berisper een Oppermans

Zoon is , bewyst dit , dat myne

Vaerzen goed zyn ? Of is het onmooglyk

een Oppermans Zoon te zyn en zeer

Wél te kunnen oordeelen over zaken die

hy in zyh ftudeerend leven j heeft leereri

kennen ?

Neen I Weet gy wat het bewyst ? diè i

dat ik , my beleedigd ziende ,' door iemand

die ik kwellen kan , hem kwel eri

dat wel door zyne zwakke zyde aantevallen

; want , de man is laaghartig genoeg

óm zich zyden eerlyken armen Vader te

fchaamert : om die reden ,• moest Is. juist

die kwelling uitkiezen. En het ftuk iri

verfchil ,• de flegthêid.,- of goedheid myner

Vaerzen , blyft , zo als het van te

1 DEEL. O votf-


4IO BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

vooren was : ik heb geen 'c minst bewys

aangehaaït om te toonen , dat de Pedant

als een domoor oordeelt. Dorh . '

, li

^icicu

gevallen waar in- het wraakzuchtig hart ,

door het plooijend Vernuft , veel meer

bedrogen wordt ! Ik heb , door deeze

twee voorige gevallen aangetoont , dat

men , onder het voorgeven van te verdeedigen

, zich kan wreeken , zonder het

aller geringfte voordeel , voor ons zelf

daar uit te trekken. Nu zal ik u doen

zien , Jan , dat men zich waarlyk uit

noodzaaklykheid kan verdeedigen , en zich

echter met eenen wreekt : dit doen wy

dan , als wy in onze Verdeediging zulke

omftandigheden laaten vloeijen , waar by

de goede zaak die wy verdeedigen niets

ter waereld wint ; en dat te gelyk onze

party een zeer groot nadeel toebrengt.

Maar .'

Dus handelende verraden wy onze wraakzuchtigheid

! Wy overtuigen de Waereld

dat wy door deeze zucht gedreven worden

; wy verflikken onze goede bewyzen,

door byvoegzels die op de zaak geen betrekking

hebben. Wy , wel verre van ons

te bevoordeelen , benadeelen ons zeer, by

yder die ons aanhoort ; wy verdeedigen

ons


ONDERWERPEN. XXIV. BRIEF. 2JI

ons minder dan wy hier door hoopten te

doen. Laat ik het u ophelderen!

Men verwyt aan Cleon , in *t openbaar,

dat hy , die eene bediening heeft in den

ontfangts van 's Lands middelen , zich

door laage en oneerlyke ftreeken verrykt

heeft. Indien hy deezen ondeugenden

blaam afweerde , door aan het kundige

deel des volks te toonen , eenvoudig te

toonen , dat dit laster is , door dien hy

zyne zaken open legt f zo hy alleen zulke

bewyzen aanvoert als hy noodig heeft om

zyne onfchuld te doen zien ; indien hy

gëene moeite fpaart om zynen Befchuldiger

in geen moeilykheden te brengen ; indien

hy gene bewyzen dan die gebruikt,

die hy gebruiken moet ; en zich niet bedient

van zulken die hem , ja , voordeelig

zouden zyn , doch zyne party groot-

•lyks benadeelen ; dan , en niet eerder

kan men zeggen : „ Cleon verdeedigt

••„ zich alleen ; hy toont dat eene edele

„ bewustheid zyner onfchuld , en geene

„ wraakzucht hem bezielt."

Archas zal nooit , ten zy hy van maatregels

verandert , dit getuigenis krygen.

Archas heeft eene waarlyk jongensachtige

iigtgeraaktheid ; hy verdeedigt zich om-

O 2

«ent


212 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

trent alle beuzelingen. Ik geloof zelf, dat

men eene verdeediging te wagten zoude

hebben , indien men zeide : „ Archas heeft

„ deezen dag voorby een verdagthuis gei,

wandeld". En zynè Verdeedigingen zyn

vol bitterheid ; yder die hem iets van ge.

lyke waarde nageeft , fe een zot , een

deugeniet , een liegt mensch ; evenwel ,

dit noemt Archas zichzelf, en zynen naam,

verdeedigen. Maar ,

z o

Archas tot de

laagheid vervalt om een gewigtig geheim,

hem , door Menander , i n

angst zyner

Ziel toebetrouwt , te openbaaren , dan is

Archas een Booswicht : ook dan , als zyne

zaak véél voordeels daar uit ontfangt;

want , dan toont hy dat hy uit wraakzucht

werkt. Hy wreekt zich , ten koste

van zyn eigen goeden naam , die hy

echter voorwendt te verdeedigen. Laat ik

dit eens wat nader aandringem Wat zoudt

gy , brave Jan, toch denken van iemand,

die tot deeze laagheid verviel ? immers

dit : hy , die inftaat is om dus te handelen

, om naamentlyk , van den angst *

en de verlegenheid zyns Vriends , gebruik

te maken , door iets te vertellen waar

aan dien Vriend alles gelegen ligt ; en dat

hy hem in een aller hartelykst vertrouwen

heeft medegedeelt , om "dat hy nu met

zynen Vriend verfchil heeft gekregen,

legt


ONDERWERPEN. XXIV. RRIEF. 213

legt zulk een boos , en fnood Karakter

aan den dag , dat men hem uit de fatzoendelyke

Waereld moest verbannen , immers

tot dat hy zyn berouw toont zo wel

door daaden als door betuigingen. Dees

Brief zal u ftof genoeg tot overdenken

leeveren ; om my te doen befluiten hier

af te breken , tot dat ik tyd hebbe om

dit Onderwerp in eenen volgenden voorttezetten

» intusfehen ben ik uwe

toegenegene Tante.

O 3

V YF*


VYFENTWINTJGSTE BRIEF.

Ten Vervolge.

E r is een geruimen tyd verlopen zedert

ik mynen Iaatften fchreef; iets onderhanden

hebbende dat al mynen tyd , en

al mynen aandagt vorderde , was het

my niet wel mooglyk , met u ons

Onderwerp afte handelen : Ik zoude

mooglyk nog niet gefchreven hebben ,

indien den uwen , van voorleden Vrydag ,

my daar niet toe hadt aangefpoort. Die

Brief doet eere aan uw hart , ja nog meer

aan uw hart , dan aan uw verftand ; hy

toont my , den gelukkigen invloed die

myne welmeenende , en ernstige vermaaningen

op U hebben. Trouwens , dit

wagtte ik ook van eenen jongeling , die ,

waarlyk , te wél denkt , en te gevoelig

van hart is , om nog langer eene zucht

te koesteren , die zo haatlyk , zo ongelukkig

makende is , als de wraakzucht, na

dat zy eens in het vereischte licht geftelt,


ONDERWERPEN. XXV. BRIEF- 2l5

fielt , en met de behoorlyke kleuren was

afgebeeld.

Ik begreep zeer wel , myn jonge Vriend,

dat gy u nog nimmer 'er toe gezet hadt,

om eens te onderzoeken : „ wat is wraak-

„ zucht ; en wat doe ik , als ik my

„ wreek" ? Jongelieden kunnen niet wél

zo boos zyn , dat zy , wetende , iets

zo fnood , zo verkeert te zyn , als het

is , dat echter involgen , en 'er aan verflaaft

blyven ; na dat men hen heeft laten

zien , wat zy doen , en welke deerlyke

gevolgen daar aan gehecht zyn ! Onbedagtzaamheid

bederft jonge lieden.

Maar , hoe wél ik overtuigt ben van

de oprechtheid uwer betuigingen , om dat

ik uit uw dóórgaand karakter oordeel ;

zo zal ik , evenwel , dit ftuk geheel afhandelen

, mooglyk kan het , vroeg of

laat , eens in 't licht komen , en eenig

nut doen : doch , dit is de voorname rede

echter geenszins. Oprechtheid , en

zwakheid kunnen zeer wel gepaart gaan.

Het kwaad dat ik beftryde , is uw natuurlyk

gebrek. Wie weet , waar toe

dat de gelegenheid u nogmaal verlokke l

de verzoeking kan zo verbaast aanbinden.

Denkt gy , dat ik nimmer een voornee-

O 4

men


§16 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

men had , om eene oploopenheid, die

als in myn karakter is ingeweven , te beflryden

? denkt gy , dat ik die nooit eens

onder den voet kreeg ? denkt gy , dat

myn hart niet bloedt als ik zie waar toe

eene opbruisfehende drift my heeft aangezet

? Heb ik traanen genoeg om myn

misdaad te beweenen ? Zie ik het zotte,

zo wel als het onbetaamlyke daar niet

van ? en echter , moet ik niet met nimmer

fluimerende oplettenheid waken , moet

ik niet menigmaal vlieden , om ftaande te.

blyven ? hebbe ik alle myne reden , alle

myne (my nooit betwiste ,) goedaartigheid

niet nodig , om dien zwakke plaats

van myn hart te vernerken .' En zou ik

dan eenen Jongeling van twintig jaar , zulk

een gewigtigen post toe betrouwen ? Neen,

ik zal u meer zien te vestigen in dat

voornemen j ik zal de fchildery voltooijen

; ik zal het perfpeftif van treurige

Uitkomsten , geheel uitzetten. Ik zal daq

dus voortgaan , en zeggen :

Men kan zich , voor het oog der Wae.

réld , geheel onberifpclyk , ja zelf op

eene lofwaardige wyze wieeken ; en echter

, naar het Oordeel van Hem die de

geesten weegt ; ja , naar ons eigen

3p.edaa»t inzien , wraakzuchtig zy^


ONDERWERPEN. XXV. BRIEF. »g

Gelinde wierdt op de yerregaandfte wyze

beledigt ; zy was geheel en al ontfchulJig

; en zy was ook niets dan gevoel

; maar zy dagt te juist , te verheven

, om hare wraak door beleed.gmgen

«it te voeren : dit liet zy over voor hen

die zo fyn niet denken. Wat doet zy ?

Zy verdeedigt zich ten vollen , doch met

die befcheidenheid , en die kieiche waarnemingen

, die de welopgevoede Vrouw

onderfcheiden van lompe Lettervitters ; zy

bezwaart hare party niet buiten noodzaak

lykheid. Zy triompheert ook ; de kundige

menigte juicht hare befcheidenheid ,

hare bedaarde geestigheid toe. Wat jam,

mer dat Celinde , in het binnenst van

haar hart ontdekt ; wat ? dit ! dat

z y

een tintelend genoegen heeft , door te

overwegen, dat haar laage Lasteraar , nu

echter zeer veel van zyne agting verlooren

heeft ; en in zyne zaken nadeel

Jyden zal ; om dat zy hem behendig het

momaangezicht heeft afgeligt ; ]a , om

dat zy hem zo zéér veragt , dat hy

voortaan , niets meer van haar kan te

duchten hebben. Gy ziet , myn waarde

Neef , dat ik deeze Brieven meer fchryve

voor het hart , dan wel om u iets

te lezen te geven ? ik beken dit is myn

oogmerk. Hoe weinig gelykt Celinde m

O 5

d i E


2l8 BRIEVÉN OVER.

V

ERSCffË! DEK

dit opzicht naar die Liefde waar van Apostel

PAuLUS fpreekt , zeggende i „ de

„ Liefde verblydt zich niet j n

de Onge-

„ rechtigheid , maar in de Waarheid r "

Doch hier voelt onze Vriendin een heimelyk

genoegen over de Ongerechtigheid ,

en waarom ? om dat zy wraakzuchtig is!

Maar , Jan lief , zou men zyne neiging

tot wraak nog niet onder een geheel

ander voorwendzel kunnen koesteren ? Laten

wy dit eens zien : met den naam van

zelfs verdeediging hebben wy reeds gezien

dat zy niet voort kan ! Laten wy haar,

de wraakzucht , eens Rechtvaerdigheid

en wreeken , ftraffen , noemen.

Rechtvaerdigheid doet het voorwerp dat

zy ftraft , nooit meerder ftraffe gevoelen

dan het verdient heeft , maar , om dit

wel te kunnen afmeeten moet men de daad

die geftraft zal worden , zo wel in hare

grootheid , als in haar oogmerk kennen ;

of wy kunnen die niet naar vereischte'

ftraffen. Wie is hier nu inftaat toe ? 't

is zeker de wraakzuchtige niet .' die heeft

een geheel andren maatftok waar me^e hy

het misdryf zyns naastens afmeet , die

oordeelt de daad min of meer ftrafwaardig,

niet naar het oogmerk , niet naar den

aart


OHDÊCWERÏE». XXV. BRIEF. CI9

aart c'.ier gepleegde daad ;

maar naar het

verdriet dat die daad hem veroorzaakt ,

en de belediger moet niet alleen geftraft

worden voor de daad zelf , maar ook „

ten ook voornamentlyk , voor de fmart

aan de gevoeligheid der beledigden veroorzaakt.

God ! de kenner der 'harten , God alléén

is des de bevoegde Rechter ! Hy is

de Rechtvaerdigheid zelf! daarom heeft

hy ook de ftraffe des misdaadigen aan

zféh behouden. „ My , zegt hy ,

„ komt de ftraffe toe , ik zal het vergcl-

„ den ; fpreekt de Here". De ftraffe ,

^

j k

. God zich wreeken ! God kan

zich niet wreeken.

Wanneer de Overheid het recht handhaaft

, ftraft ZY , ftrikt gefproken , (en

waarom zouden wy niet ftrikt fpreken f)

niet. Ü Zy is. Gods dienaresfe : zy draagt

„ het zwaerd niet te vergeesch ; " Zo

zy nu , by voorbeeld , een Doodflager

ter dood veroordeeld , is zy alléén de

•Uitvoerfter van die ftraffe , die God op

de misdaad bedreigt heeft. God regeert

door haar den Burgerftand , verhindert

door haar , het verftooren der menfchelyke

Maatfchappyen j bewaart door haar de

rust,


B?0 BR.IEVEN OVER. VERSCHEIDEN

rost , en de Veiligheid ; en ftraft dooï

haar de fchenders van die Burgerlyke rust,

veiligheid , en welzyn. Maar !

De Beftiering der Zedelyke Waereld ,

de regeering over de harten der Menfchen

, heeft God voor zich behouden :

het beöordeelen der oogmerken , die- geene

verbintenis hebben met de ftrafbare

daaden , heeft hy geen zo zwak fchepzel

als de mensch is , toebetrouwt. Den doodflager

wordt , door de Overheid op Gods

bevel ter dood verwezen ; om dat daar

door de algemeene Veiligheid zoude vernield

kunnen worden. Is die doodflag de

helfche vrucht van gekoesterde nyd , of

hoosaartigheid ; fpruit hy uit een geheel

bedorven hart , God zal den Misdaadiger

, daar over , in den Oordeeldag zyn

vreeslyk vonnis aankondigen. Is zy , iategendeel

, de droevige uitwerking van

eene onbedagte drift , of van eenen ongelukkigen

dronk ; was hy , die deeze

daad bedreef , altoos een gefchikt mensch;

een goed Christen ; heeft hy een oprecht

berouw van zyne misdaad! God zal hem,

zeker niet verdoemen om deeze Overtreeding

; offchoon hy , tot welzyn der Maatfchappy,

dat hy gefchonden heeft , moe?

fterven.


ONDERWERPEN. XXV. BRIEF. 2«

Een Vader mag , zyn kind kastyden ,

juist om dat hy Vader is. Het kind ftaat

onder zyne magt ; hy kan , als Vader ,

nooit onbillyk ftraffen ; om dat hy alleen

uit welberedeneerde liefde , en met tegenzin

ftraft : bygevolg ,

Hy ,

die niet ftraffen kan als een Vader

, kan niet ftraffen ; maar wreekt

zich*

Vraag gy nu , myn waarde Vriend ,

vraag gy nu eens aan uw eigen hart , of

gy , uw belediger kwaad voor kwaad vergeldende

, dat doet , in het deugdzaam

uitzicht om hem daar door te verbeteren?

want de verbetering , de behouding des

Kinds, is het doeleinde eener Vaderlyke

kastydinge:bedoelt gy dit ook,myn Vriend?

Gy zwygt , gy bloost , uwe oogen

durven zich niet opheffen , uw vernuft

ftaat befchaamt ; deeze vond is hem mis^

lukt. Üw Oordeel weigert hem , wraakzucht

voor rechtvaerdigheid , en wreeken ,

Voor ftraffen aan te nemen. Uw hart zegt

u , bykans hoorbaar , zyt gy dan Gods

dienaresfe ? is u het zwaerd toebetrouwt?

„ Neen barst gy uit ; terwyl eenige regt

„ manlyke traanen , langs uwe gloeijende

., wan-


222 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ wangen afrollen ; neen , ik zal , ik

„ zal , ik wil myn eigen Rechter niet

" m e e r z Y n • my ontbreekt het recht

de goedheid , de tederhartigheid , vari

„ eenen rechtgeaarten Vader : ik pleit niet

» langer voor eene fout die zo ftrafbaar,

5, zo haatlyk is ; ik zal niet rusten voor

U »fe deeze Vyandin uit myne ziel geweert

„ hebbe." Zo myn Vriend, zult gy , ten

mrofien , i n

uwe gedagten , fpreken Zie

daar ! dit is de weg ; bewandel dien , en

gy zult groot en goed zyn !

Ik denk dat ons Onderwerp in nog eenen

brief kan afloopen; wagt dien ten eersten,

en Vaarwel.

ZES-


ZESENTWINTIGSTE BRIEF.

Ten

Vervolge.

WAARDE

NEEF!

Gy zyt dan waarlyk overtuigt dat

wraakzucht zonde is ?

en dat geen Christen

onder wat voorwendzel het zoude

mogèn zyn, zich wreeken mag? Wel

dan !

druk diep in uwen geest alles wat

ik u daar over geichreven hebbe ; en let

nog eens , met aandagt , op het gene

ik eens ergens gezegt heb:

„ De wraak is zwakheid ; 6 , dat Goi-

„ delyk vergevenV'

En de waarheid daar van , zal ik u

bewyzen. Dit bewys denk ik zal alles

by u beflisfen. Gy weet dat de Waereld

dit niet gelooft ; ten minsten zich houdt

als of zy het niet geloofde ; en de

woorden : „ Al te goed is eens andermans

gek " : „ Die wat verdient moet wat

„ hebben : " „ Zo men wat minder ver-

„ droeg daar zou zo veel onrechts niet

»» ge-


234 BRIEVEN OVER VERSCHEIDÉf»

„ gefchieden " , enz. klinken ons daaglykl

in de ooren.

Hy die uit eeihiëd voor het Euangeliurri

de verdraagzaamheid , de vredelievenheid,

de vergeeflykheid , de zagtmoedigheid

poogt te oeffenen ; wordt doorgaans èen

laffe , een lage ziel genoemt ; want wy

willen ongaarn onzen naasten in 't bezit

zien van zulke deugden als wy niet bezitten

, en die men echter in zyn hart

waardeert. (Zo fyn , waarde Jan , is de

eigen liefde ; let des altoos op hare kunstnaryen

!)

Maar , zult gy zó verkeert denken

over het ware punct van eer ? Ik zal ,

wyl dit niet tot myn plan dient , niei

fpreken , van die gruwzame Duellen , waar

door duizend heethoofdigen , tot fiagtoffers

der behendigheid , of kragt gemaakt

zyn : lees liever eens , op dit ftuk , het

geen de onvergelykelyke STELE , daar over ih

zynen fndppér gezegd heeft : Ik geloof,

dat men nergens de weerga vindt van zulk

een vrolyk , aartig , verftandig , — van

zulk een waar , zulk een edel vernuft.

Het hart lacht , als men zulke Hukken

leest ; en onze reeie verheft op de Geestig-


ONDERWERPEN. XXVI. BRIE"". 5*5

tigheid. Laat ik dan voortgaan én u vraagèö

:

Is 'er wel deugd zonder ftryd ? wordt

'er niet eenige moed vereifcfit o.n de neigingen

Van zyn Temperament tegenteaaah ?

Maakt het uitvoeren van een groote daad ,

die ons ónbegrypelyk veel kot , geen

groot Mensch ? of is de Slaaf zyner

driften de ware Held ? Wat zegt gy ?

Aristus kan geen den minsten tegenfhnï

veelert ; geen ftrak gezicht , geen önefferi

woord verdragen ; dit ftoort zyne rust *

brengt hem aanftonds uit zyn humeur i

alle betizelingen beroeren hem : is Aris"

tus een groot man ? of fielt hy , dié

over alles zo kinderagtig gevoelig is , zyfte

rust , zyrte vreügd \ zyne gezontheid,

ja zyn hoogts welzyn , hiet alle oogenblikken

in de magt van hem die vermaak

fchept in hem te kwellen ? Wat denkt gy?

Waarlyk , myn liëvë Neef ; ydere

w.'aakneming is eene plegtige belydenis £

van onze zwakheid , en dat ónze party

fterker is dan wy zyn. Zegt ce wraakzuchtige

niét tot zynen Vyand * ^ Wei

s, nu ! gy hebt uw óógmerk bereikt j

myne rust - is geftoort ; gy hebé ffi*


£26 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ eene diepe pynelyke ; wonde toegebragt.

„ Gy zyt myn overwinnaar ". En zyn

dit geen woorden die den fpreker zeer

Verlaagen ? /

Ik zal u hier , als een Contrast , het

fchoone karaóïer van Theophila ' geven ;

ren zo.gy, na dat gy het gelezen hebt,

het niet eerbiedigt ; niet voorneemt naar

te volgen ; dan... maar ik wil u niet bedroeven.

- !: r ' r :: - i apj • eb ns32 C£j anieïiA

Theophila wierdt , (dank hebbe hare

verdiensten ! ) het voorwerp des

cyds ; om dat zy de goedkeuring der

brave menfchen meer dan gemeen tot zich

trok. Wel dra begint de Boosaartigheid

en de Laster haar te beleedigen.; men

fchendt haren naam ; benadeelt haar

in haare niet ruime omftandigheden }

men vindt/het middel uit om hare Vrienden

van haar te verwyderen. Hare gevoeligheid

is levendig ; zy " is van natuur

niet zeer -gefchikt om zich te laaten hoonen.

Zy voelt des , zy voelt des al het,

grievende van. haar lot. Zal ik dit Wree--

ken zegt zy ? Haar Vernuft luistert haar

ia :• „ Waarom niet ? Zyt gy niet onfchuldig

? Moet gy ;

-uwen goeden naam

n nie| zuiveren ? Zyt gyj dit uwer Fa-


O El 0 E 11WERPE N. XXVI. TC R I E T, 11J

milie , en uwer zogenaamde Vrienden

„ niet verpligt ? Straf de Bcleedigers";

-„ dit is billyk y dit is redelyk ". Aan-

:'ftonds ryzen dc ontftelde driften op i!

-Haar Temperament

wii juist dien weg in,!

• Dé nvisleide Wil eischt wraak. Zy aarzeld

echter. „ Zult gy "; zegt de Re;

,den , (en Theophila eerbiedigt de Reden)

,,'u met uwe- laage . Vyanden gelyk ftel-

5, len ? Moeteii zy weten dat zy hun

É doel bereikt hebben.? Hangt dar. uwe

| waarde af, van de : gevoelens eener

„ misleide Waereld ? Kan de innerlyke

„ bewustheid uwer onfchuld u niet lan-

5, ger ftaande houden , zult gy waarlyk l

j, en in uwe eigen oogen , grooter zyn ,

als gy u , by eene zotte , of zwak-

J 5

ke Waereld , die voor allerhande indruk-

„ zeis even vatbaar is , verdeedigd' hebt V

f, fielt gy dan nog eeriig genoegen in de

„ toejuiching van eene menigte', die. u nietig!!

kende , en u-• daarom verdagt hielt ' ?

Theophila bemerkt al bet gewigt van

deze aanfprask Zy i wil der Reden gehoor

geyen. Dit. merkt de List ! en. poogt het

te beletten,;

i 9, ;Zyt gy , zegt hy , dan

3, te loom 1 té vadzig dm u dit recht te

3. doen weêrvaren ? moeten yverige vrie'a-

Ü den , dm uwe rust toch niet te ftpo;

li ren , dit' noodig werk verrichten *' 7

v i #*


so-8 BRIEVEN oVER VERSCHEIDEN

Deeze woorden zouden haar eergierig hart

in vuui' zetten ; en hare beledigers

zouden de kragt haafs vernufts ondervinden

, zo zy niet overtuigt waren , dat

dit leugenachtige woorden zyn. De daadelyke

ondervinding , hoe veel het haar

kost zich niet te wreeken ; en om der

wraakzucht te verdrukken , verzekeren

haar , dat zy , niet door lome vadzig.

heid bezielt wordt. Maar ! hoe overtuigd

van haren pligt zo heeft zy echter hulp

noodig , meer zelf dan de Reden haar

kan aanbrengen. Die hulp fmeekt zy den

Godsdienst af! zy bidt en weent.

Zy opent haar hoogstgefchat boek , des

Bybel ! en leest daar : „ wreek u niet ,

„ myne beminde 5 heb uwe vyanden

; „ lief ". En wie zegt dit ? Haar Zaligmaker

, haar Wetgever , haar Rechter ! 't

is gedaan ! zy overweegt niet langer of

zy zich wreeken zal , zy mag niet ; dat

is genoeg. Zy voelt wél dat deeze pligten

haar duur zullen te ftaan komen ;

maar de Gunst hares Scheppers is 'er aan

gehecht ; en is zyne gunst hare zaligheid

niet ?

Zy leest voort ; haar oog valt op de


ONDERWERPEN, XXVI. BRIEF. 229

Lydensgefchiedenis van JEZUS CHRISTUS.

Daar ziet zy den besten der menfchen

, den grootften Vriend der Stervelingen

, den grootsn , den eenigen

Zoon des levendigen Gods , den heiligen

afgezant des hemels , aan een

ysfelyk kruishoudt vast geklonken... zielroerende

vertooning ! Zyn onfchuldig hart

blaakt nog evenfterk van menfchen liefde !

hy bidt voor hen die hem deezen fmartelyken

dood aandoen. Zy ontdekt , met

eene als zich zelf ontzinkende verwondering

, dat die dood ondergaan wordt tot

heil zyner beulen ! zyner wreede Vyanden.

Nu ziet Theophila dat vergeeflykheid ,

grootmoedigheid is! „ Welk een vermogen,

„ zegt zy , moest hy niet over zich

„ zelf bezitten, die , onfchuldig zynde , en

„ bewust dat hy het tegendeel verdiende ,

„ bedaart blyft; die in zyn afgemat lichaam

„ de gruwzaamfte fmarten , in deszelfs

„ gevoeligfte deelen ondergaat , die gelas-

„ tert , befpot , gefmaad wordt. ; die

„ op den grond des harten ziende , daar

„ niets ontdekt , dan haat , woede , en

„ ondankbaarheid ; en echter in ftaat is om

zich boven dit alles te verheffen ;

„ die in ftaat is om zyn aandagt van zich

„ zelf aftetrekken ; en die intefpannen ,

P 3

om


23o BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

3; om te zien of 'er nog niet 'eenige vc,.--

, y

fchooning voor zyne h.aaterskan gevonden

„ worden ; die daar ziet dat afgunst ,

,, en haat hen dus verblindt ; en dan nog

„ die. verblinding aangrypt , nog met blyd-

„ fchap aangrypt , om 'er , als ter verzagting

van zyn eigen lyden , zich

mede te troosten , en 'er eene bede

s, om vergiffenis voor hen op grondt " !

Dit overftelpt hare gehele ziel ! alle hare

driften zwygen. Zy voelt eene edele,

zucht om JEZUS voorbeeld te volgen. De

eerde gelegenheid grypt zy aan. Zy doet

wél den geenen die haar haaten; zy bidt ,

in *i verborgen voor hun , en zy poogt

hen dus voor zich zelf

5

ia Gode te gewinnen.

Wie is , waarde Neef de heldin ? ds

groote Vrouw? Theophila " , zegt gy i

Ten befluite.

Het geeft my een uitmuntend genoegen

dat ik aan u , die my zo na beftaat , aan

li , die ik waarlyk lief heb , kan fchryven

over zulk een ftaatig onderwerp. Uw

eerbied , uwe kundige eerbied voor de

Christelyke Openbaaring heeft mv aangezet

om


ONDERWERPEN. XXVI. BRIEF. 37,1

om zo veel van mynen tyd voor u aftezonderen.

Hoe zeer het geestige , ja zelf het

fchertzende in uw aart valt ; hoe vol

leven", en gevoel gy zyt , gy behoort

echter , Gode zy dank , niet by hen

die onbefchoft genoeg zyn , om den Bybel

te befpotten ; en ik denk dat myne

ernftige aanpryzing om de weergaêlooza

Schriften , des Abts JERUZALEM , te lezen

, om u tot het lezen des Bybels dus

behoorlyk vóór te bereiden , uwe grootfte

erkentenis verdient.

Zo gy een Dei'st waart ^ en hadt gy,

zo als nu , uw temperament tegen , gy

zoudt ydere beleediging op het ftrengst

wreeken. Maar , nu gy gelooft dat :

,, JEZUS is de CHRISTUS ; de 'Loen van

„ God , dat hy is uw Wetgever , uw Rech~

ter" ,

nu zuiji gy overwinnen.

Maak vee]/ gebruik van uw Bybel : geef

geen gehoor aan taal die gy nu zeker

veragt z hoor de woorden des wyzen

Konings SALOMON ; hy zegt : „ De lankmoedige

is beter dan de fterke , en die

„ heerscht over zynen geest meer dan die

... een ftad inneemt ".

P 4

Laat


2g2

BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Laat u ook niet bedui Jen dat gy rjiet

eerder, tot het vergeven verpligt zyt ,

voor. dat uw vy?nd u zyn berouw toont.

Wy zyn geroepen pm te vergeven zo als

Goi ons veigee r t ; en hoe vergeeft God

pns ? De. heili ^e Apostelen zu'Ien het ons

zeggen : „ Wy hebben God lief, om

v

dat hy ons eerst heeft lief gehadt. Hy

„ is met ons verzoent , toen wy nog

?, Zondaars waare.n ". Dit is onzen Regel,

Vergeet nooit , dat gy gaen genade

kunt erlangen zp, gy onvergeeflyk blyft ;

dat het onmooglyk laag zyn kan , Gods

gelyk te worden : dat alle menfchen uwe

Broed-rs , dat uwe Vyanden uwe Naasten

blyven ; poog hen dan te behou 'en

en geef u zelf de zalige bewustheid van

>? gezegent te hebben d e u vloekten ".

Leer ook nog dit uit het afgefchrevene

; dat onze pligten zeer onderfcheiden

worden . n^.ar de oogpumen waar in wy

die plaatzen. Hoe veel verfchillen de

grondflelling-n der Christeïyke Zedekunde ,

van die eeaer onwaa. Jige Waereld ! Hoor

altoos de e-erüe, dan zult gy de laa-.fte ver-,

foeyen. En

Na


6NDERWERFE K. XXVI. BRIEF, aft

Nadien 't dan met de zaak alzo gelegen is,

En gy, myn Vriend , zo rasch tot wraakzucht

word gedreven ,

Zo zorge God voor u en uw behoudenis ,

En Lere u , in uw jeugd , het Christelyk

vergeven.

Vest , vest uw aandagt veel op 't zalig

Golgotha ;

£ie ; dat zal uwe ziel in Vyandsliefde ont*

fonken ,

Uw Heiland bidden om vergeeving , dm

genaê

Voor hen door wie hy zelf aan 't krui*hou


«VËNENTWINTIGSTE BRIEF.

, P.ï Os'ü ïiJSS 30 J;};71 niib 1*. n^i'rVf

IEER GEËERDE ZUS TER •

Meisjes die gaarn lezen ; Meisjes die

fmaak genoeg hebben voor het geen door

yerftandjgen hoogstgefchat word , onder de

Werken van vernuft • zulke Meisjes zegt

men , zyn geen goede huishoudfters, Deeze

frelling hebben wy zo dikwyls, en

uit allerhande grondtoonen hooren ziegezageti

, dat het niet te verwonderen zy als

die eens voor mynen geest komt. Ik zal ,

*yl de beurt om te fchryven aan my is,

U daar eens eenige regels over toezenden.

Indien Meisjes die gaarn lezen , geene

goede huishoudfters , z y n o m dat zy

gaarn lezen; dan fchynt het ook zeer

zeker , dat Meisjes die niet lezen , ja

die een afkeer van lezen hebben , zeer

goede huishoudfters zyn moeten. Laaten

wy , waarde Zuster , eens zien , wat

er van is : Waarom zouden wy befjisfen

,


•ONDERWERPEN. XXVII. BRIEF. Ü35

fen


&$6 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Philofophifche verhandeling kan bevatten

; die een POPES Proeve over den

Mensch weet te admireeren ; zulke Meisjes

geven ons alle hoop , dat zy , toe

het bezige huwlyks-leven geroepen zynde

, het van haren pligt zullen achten ,

te voldoen aan die betrekkingen waar in

zy , met haare eigen loeflemming, getreden

zyn. Want,

Dit zyn bewyzen van haar gezond oordeel

; en een gezond oordeel is immers

de onwrikbare grondfleen van een karakter

dat onze achting verdient ?

Het oogmerk waarom wy wel gefchreven

Boeken lezen , is dit : wy willen

onzen geest yerryken , en verlieren ; wy

bedoelen ons zelf te verbeteren ; ons karakter

te verhoogen ; en om over alles

wat buiten ons is , over alles dat niet

van ons afhangt , juist te leren denken.

De ingefloten Brief, (die ik te rug

w

*gt , ) is zo dienstig tot myn oogmerk ,

in deezen , dat ik u die zend , met

verzoek ; dat gy hem eens leest , niet

om dat gy , waarde Zuster , met my in

gedagten verfehilt , maar om u eens aangenaam

te verraslthen met de pennc vrucht

uwer


ONDERWERPEN. XXVII. BRIEF.

Htf

uwef jongfte Dochter ; Want , dat gy 't

weet , uw Coosje heeft my dien gefchreven

, toen zy onlangs by onze Nicht

Woelwater logeerde : ik vertrouw , dat

gy de zoete meid niets zult zeggen,

van , of over deezen Brief, aan myn

meer als aan hare Vriendin , dan wel als

aan hare Tante gêfchreven. Groet uw

man , en de Kinderen , en zend my den

Brief ten eerften te rug : ik omhels u in

myne gedagten , en ben uwe Liefhebbende

Suster.

Ad

ZE*


' AGTENTWiNTIGSTE BRIEF.

t yg tófr f MM» j TiuboG aftgnö| towu

•eidobg nsib yrr: iftw/i '/'ccoD w» , j 3 8 W

arfoi/i ftsoo vJ ggn»!no v.t a

"i' r f : >'•> r l ftsbÖÖI 9Ï> 09 , ffl Q

Ué vriendelyke wys waar op.

g y

met

my gelieft omtegaan , fielt u aan my

teer-voor in ' het beminlyke licht eener

waarde Vriendin , dan wel op den affland

van hooggeëerde Tante : ik fchryf dan

aan u zo als gy my bevolen hebt ! maar

ik heb u droevige dingen te fchryven ;

ik kan myn verdriet niet overzien , zedert

ik by Nicht Woelwater gelogeert

ben. Wat leven is dat hier ! En dat voor

m , die uit zulk een ftil

è

gefchikt ,

vrolyk , wel ingeftelt Huishouden koome !

Nu , Gy zult my niet weer bepraten om

hier naar toe te gaan ; Hoor ! om al

Nichts groote fchatten doe ik het niet ;

neen nooit weer. Zo myne Zusters de

proef 'er van nemen , zy zullen my geiyk

geven. Maar ik fchryf zo wilt , zö

verward .' laat ik u , myne lieve Tante,

* S _. dan


ONDERWERPEN. XXVI& BRIït.

Xtfr

dan maar èen verhaal geven van mynè

ontmoeting, i

I .,

o t d 0 ), •, jjtti , rT >ö t»;#

Ik girtg vroeg' in de 'ogtend Schuit ea>

by hare aankomst , een koets voormy beftelt

vindende , ging 1 ik' daar in $> mep.

| niets dan myn breizak belast. Den Koets

i fier: gelegd hebbende ,. waar.hy my brengen

moest , floeg hy voort. Ter plaatfe,

! myner destinatie gekomen zynde

7

= hielt

hy ftil ? „ Ry ; voort , man , zei ik ,

„ wy moeten hier niet zyn " • want ik

meende dat wy voor een i -publiek Loge-,

ment waren ; (Gy weet' Tante , dac

Nichts huis eene grootfche vertooning

maakt ; ) om dat- ik zulk een gedraaf vani

volk , van knegts , en meiden , op de'

floep , en in 't voorhuis zag ; die elkan.

der toefchreéuwden , en zo veel te doen

hadden , als of de Prins , met een groot

gevolg , daar alle oogeflblik verwagt

wierdt. De Keukenmeid , onderwyl haar

fmeerige handen aan een flip van haar boezelaar

afveegende , riep -: „ ga wat voort

3, Pieter * ! ' en Pieter fchreeuwde daajs.

op ]t kari ik zes dingen' gélyk doen " %

Midden in dat geweld ', keek . ik uit •. hefi.

Portier , want de man verzekerde my *

dat daar Mevrouw , de Weduwe WoeVwater»;

w.oqnde , en kwam Nicht > doo*

den


HO BKtEVE* OTER VERSCHEIOEM

den voor my bynaar , onuitoogbaren ;

gang, aanwaggelen : gedot in. een mors*

Ège floffen Sac , met groote bloemen ;

en de eene h?nd in de zyde ; Onder al

dat geweld'al heehen brommende:- „ hes,

de daar is Nicht Cootje al " fi Ik zaf

nog al in natie in myne koets.

i y

Wil-

„ lem , willem " ! „ wat blyft tsM

„ frauw " ? Doe het portier, eens open,

„ Jongen 8 ! Willem deedt zo ; daar flap*

ten' Nicht uit de koets ; doch moest cp

de floep blyven ftaan , want al Nichts

knegts ,, meiden , naaysters , Werkflers *

waren , geloof ik , geroepen., om een

Breizak , en myn klein koffertje , dat dé

Beftelder toen juist hier bragt , aan tei

nemen. Eerst hadt ik al dispu.:t over het

betalen van de koets, en het koffertie.' want

Nicht wilde het betalen. Ik zwicht e ft

en raakte , eindelyk , in het voorhuis!

Terwyl Nicht aan een der ganpftokken

van meiden zei „ : Lys . breng jy die Brei-

* zak eens op de groene bovenkamer 3

„ weetje meM daar myn N,cht Grietje

blaast logeerde?

e n

hang hem aan de.

£ regterzyd v an

het Toilet j en jy , Pi e

.

»3tèr , ga rcèt d^t koffertje ook op de

„ kamer ; n aar neen ! jelui mans bent

geen zier zirde'yk , geef het Ly^Vaan

* dé deur maar aan M < Daar op ging, Lys,

e*


ONDERWERPEN. XXVIII. BRIEE. 24*

eii Pieter , hos klos , hos klos naar boven

, met myne bagage J en ik arriveerde

in Nichts fuperbe zydkamer.

Daar zat ik omtrent een half kwartier

alleen , en begon my reeds my zelf te

beklagen dat ik 'er was ! Nicht verfcheen

eindelyk met een : „ exufeer my Nicht,

„ maar het Volk is zo dom ! men dient

„ het wel met duim en vinger alles in

,, te ftampert. Ik zeg altyd , die boöijen

„ kan houden is gelukkig , maar die ze

„ niet noodig heeft is nog gelukkiger. Wat

„ zal men doen ? Als 't redelyk is moet

men het loven. Allemaal Menfchen ,

„ Nicht ; zo als myn man Zaliger plagt

te zeggen. Wie is volmaakt ? " —

-,, Pieternel ! Pieternel ! geef Nicht eens

,, een floof ; wel myn lieve Nicht , zit

,, je nog zonder ftoof ? Nu Nicht , ik

hiet je van harten wellekóm , waar zal

ik Nicht meede dienen " ? „ ik zou

„ liefst niets gebruiken , zo ik die Vry-

„ heid heb." „ Pieternel, Pieternel ! kookt

,, het water ? wy zullen een kopje Koffy

„ drinken ; heb jte wel , melk in huis ?

„ geef de verlakte Kart maar. Of zal Nicht

liever een Glaasje Mallaga verkiezen ?

,, Kom , ja ! je moet myn Mallaga eens

}, proeven ; ze is zeer, extra goed." „ Lie-

I. DEEL. Q „ ve


242 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

„ ve Nicht , ik bedank u , ik gebruik

„ nooit iets voor den middag " „ Wil-

,, lem ! geef eens kelkjes op een Blaadje".

Onderwyl wierdt 'er braaf aan een dikke bos

fleutels gerammelt, waar onder Nicht, mag

ik zeggen , gebukt- gaat. „ Heer , jongen

5, :

nou moest je ook een linkje koek , of

3, een anysbefchuïtje gegeven hebben :

ik moet ook alles zeggen ; jy behoorde

zo wys te zyn uit uw zelf." Willem

te post. om befchuiten. Lys komt onder

wyl met de, Koffy binnen. „ och Lys!

,, wat doen wy nou ook met Koffy ,

j , meid " ? „ Mevrouw heeft het immers

,, zo belast " ? Heb ik

3

Kind ? nu 't

kan wel zyn ; ik weet door al die. druk-

,, te zelf niet wat ik zeg ! Neem ze

,, maar weg. Nicht zal 'er niet van gedient

zyn , en roep Styntje de ftyffter , om

,, die te helpen uitdrinken." Lys verdween

op katrollen ; en Willem kwam met een

blad vol koek en befchuit en banket enz.

,, Zou jy wel geloven Nicht , dat de fchel

,, nog niet ftil geftaan heeft , van van

,, morgen zes uuren af ? dan komt de

Slager , dan de Bakker , dan de Groenvrouw

, dan de Melkboer ; en dat gaat

zo zonder ophouden : ik zeg menig-

., maal , ik begryp niet' hoe de Dames

vifites. kunnen doen : ik heb 'er de tyd

» niet


ONDERWERPEN. XXVIII. BRIEF. 243

L niet toe. Zou je wel geloven , Kind,

„ dat ik nu al in, geen drie weken in de

„ Kerk geweest ben ? Onze Lys is een

„ goeije meid , maar een Teutfter ! al-

„toos tyds genoeg : myn Keukemeid ,

„ Kniertje , kan nog wel wat doen, maai

„ze maakt te veel omllag. Pieternel zal

„ ik laten gaan ; ze doet niet als heen

„ en weer fienteren : Willem" . . . daar

wierdt Nicht in hare aandoenelyke oratie

geftoort : Mevrouw , daar is de knegt

„ van den Tuinman." „ Zie je wel Nicht,

„ zo is 't ! Zeg dat hy maar agter gaat>

„ ik zal zo komen". Nu dagt ik, zal ik

eens adem haaien ! maar neen : de oude

dame bleef I „ ik zal nu eens een 00-

,, genblik by je gaan zitten Nicht." Zy

deedt zo ! doch bloes , en proeste zo

geweldig , dat ik myn Kelkje moest weg

nemen. Toen aan 't afvegen van haar

zweet ; (exufeer my dit , Tante ; 't is

om by myn origineel te blyven 0 aan 't

fnuiven , aan ?t fnuiten ; toen weer op

om de deur toe te doen ; maar dit was

te benaauwt 5 op weer ! en de deur

open ! „ wel hede , Nicht , ik heb nog

„ geen tyd gehad om naar Moeder te

„ vragen , hoe vaart Moeder? zeer wel

Nicht „ en my in de rede vallende ,

en hoe is 't nu met Vader „ ? ook

Q 2

zeer


244 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

zeer wel. „ En met de Broers en Zus-

„ ters." ook , zo Nicht „ en wil Betje

„ nog niet trouwen " ? Zy zegt neen ,

Nicht; en dewyl zy een Vryer heeft, die

zy nemen mag , denk ik dat zy de waarheid

zegt. „ Praatjes , praatjes ! ik heb

„ wel meer zulke Meisjes gekent ; hoor

„ Nicht , als de regte Jofeph komt, zal

„ Maria wel volgen ; ha J ha ! Maar ei

s, lieve Nicht kyk eens op uw orloge ,

„ myn huisklok is van zyn ftel en ik heb

„ gister avond vergeten myn orloge op te

„ winden.'' 't Is vyf minuten voor Twee,

„ Nicht ; „ wat zeg je daar ? vyf mi-

„ nuten voor twee ? lieve Vader , waar

„ blyft de tyd .' en daar is nog geen pie-

„ tercely in huis." Lingelingeling ! aan

de fchel. „ Willem loop gaauw om pieter-

„ ccly ; maar je moet je geen verlept

„ goed in de handen laaten fteken ; en

„ zeg dat Pieter vast mesfen fiypt ; zeg

aan Lys dat die vast klarigheid voor de

„ Tafel maakt ; want als die begint, heeft

„ zy nog niet gedaan. Lysje daar heb ik

„ nog vergeten fchoon tafelgoed te kry-

„ gen. Kom meid , Iet nou eens wél op.

,, Op de gele agterkamer , in den hoek,

., by de porceleinkas , ftaat een Laatafel;

„ daar is de ileutel ; nu ! in de tweede

>, of derde laade , daar wil ik afzyn ,

» ligt


ONDERWERPEN. XXVIIJ. BRIEF. 245

„ ligt een tafellaken met vier- en twintig

„ Servetten , gemerkt : P. K. Y. 't is

„ nog uit den Boêl van myn man Zaligers

„ Oom , Gysbert of Mattys ; dat is

„ my vergeten ; nu 't komt 'er ook niet

„ op aan ; breng jy Lysje , dat tafella-

„ ken met drie Servetten eens hier." Lys

naar boven ; de meid is naauwlyks op

den trap , of Nicht fchommeld haar na:

,, Lys, Lys kom maar wéér af , ik zal

„ het zelf krygen : ik bedenk my , zy

„ liggen in myn Mahoniehouten Kabinet;

„ ga maar je tafelbakje gereed maken".

Daar op hoorde ik Nicht , met Willem,

en Lys , in de Binnenkamer de tafel dekken

; eindelyk was alles in order , zo men

meende ; want het bleek naderhand , dat

het Brood , en het Bier vergeten waren;

en ik wierd aan tafel verzogt. Een fchoteltje

met dopertjes , een met bloemkool,

een met boerenboontjes , en een met

besfenvlai , nevens een (aangebrand^ fchyfje

, en tot disfert aardbeziën , kersfen ,

boter , befchuit , zuiker , kaas , en

drie' of vier dunne pannekoekjes , maakten

eene Maaltyd uit , waar om den geheelen

voormiddag vyf menfchen , behalve»

Nicht , zich in 't zweet gelopen , en

tot heigens toe vermoeit hadden: en Nicht

was zo moede dat zy naauwlyks kon eet

t a

Q 3

H


2l6 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ten ; hoewel zy al voort praatte. Met

dezelfde drukte raakten wy ten zes uuren

aan het Thee drinken , en ten halftwaleven

aan ons tiufée , beftaande in Sla , en

het koud fchyfje van 's middags,

Zo , myn lieve Tante , is het hier

alle daag , met zeer weinig verandering \

liet de oude Vrouw my nog maar alleen,

ik zou myn verdriet weg lezen ; doch ik

moet altoos by haar zyn : zy vertelt my

9'les wat zy gedaan heeft , doet , en

doen zal ; ik ben geen vyf minuten op

myn kamer , of 't is : „ hede Nicht,

kom toch beneden ! wat doe je zo al-

« leen " ? dan is 'er eens een Poolfchenryksdags

over het ftuuren van de wasch,

die eerst over zes weken zal afgaan ; nu

moet ik met Nicht overleggen , ('t is nu

weet gy July ,) hoeneer' zy de najaars

uithaaJing zal vast ftellen ; ik moet hooren

hoe zy alle hare gezegden met fpréekwoorden

bevestigt ; en hare fchempredep

uitflaat op die Vrouwen , die tyd hebben

om een Boek m de handen te nemen of

ergens eens uit , en naar toe te gaan.

Deezen morgen heb ik laaten zeggen

dat ik zeer onpasfelyk ben ; en 't is ook

m i de verandering is te groot ; een ftil

doch


ONDERWERPEN. XXVHI. BRIEF.

Zifl

doch werkzaam leven , in een ruim buitenhuis

, onder het oog myner Moeder ,

en met myne Broeders en Zusters , of

dit verward Babels leven ! Ik kan 't niet

uitftaan , ik ken hier' geen een mensch ;

en al kende ik iemand , zou Nicht my

toeftaan in deeze groote ftad alleen uit te

ryden ? om geen duizenden! 't Spyt my

zelf ; want de Vrouw is niet kwaad ;

integendeel zy heeft goede hoedanigheden;

is niet gierig , niet knorrig , niet heerschzuchtig

: maar , zo ik dus vry durf fpreken

, t is een onkundig mensch , dat

nergens fmaak in hebbende , en nergens

van wetende , en echter zeer werkzaam

zynde , zich zelf bezigheden maakt , en

die zonder de minfte order alles te gelyk

doende > ook alles in de war jaagt.

6 Hoe verlang ik naar huis ! welk een>

onderfcheid tusfchen haar en myne geëerde

Moeder ! onze huishouding is zwaar. Wy

hebben maar drie bedienden , en hoe wel

gefchikt is alles ! wat hebben wy nog een

tyd over ! By ons gaat geen uur verboren

; ten vyf uuren zitten wy al te ontbyten

; terwyl Vader ons allen iets voorleest

, en wy onze handen bezigheden geven

, vliegt het eerfte van den dag om;

doch is niet voorby zonder wel gebruikt

Q 4.

(ft


S48 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

te zyn . . . maar wat begin ik ? Gy ,

myne lieve Tante weet dit immers alles!

ó kunt gy niet iets uitdenken , om my

hier van daan te krygen ? anders vrees

ik , dat ik hier nog wel veertien dagen

zal moeten koekeloeren , in een geraas ,

een verwarring die my half mal maakt.

Ik ben , met alle hoogachting enz.

N E-


NEGENENTWINTIGSTE BRIEF.

In dat lieflyk Oord gezeten ,

Daar ons elk beleeftheid doet,

Danken wy aan u Vriendinne ,

Schryven wy u onzen groet.

Wy zyn vrolyk , wy zyn lustig,

Hebben 't wel , en zyn gezond ;

Denklyk bleven wy hier langer ,

Zo gy u ook hier bevondt.

Gisteren viel ons onder 't drinken

Van een glaasje Moezel-wyn ,

In gedagten , dat ge op morgeu

Of van daag , moest jaarig zyn ;

Zestien Juny moet het wezen.

„ Aagt , kyk eens in je almanak

„ Zei ons Wolfje ; myn geheugen

„ Speelt my parten , of is zwak."

Al zyn dagen , en ja waarlyk ,

't Was zo als ik had gegist;

Die dag lei me in 't hoofd te malen,

Schoon ik het niet zeker wist.

Om u alle heil te wenfehen ,

Op uw Jaardag , Pietje lief,

Q 5

Zen-


45° BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

Zenden wy u met ons beiden

Deezen dikken langen Brief,

Kostelyk op rym gefchreven.

Zie , myn hart , dat hoort 'er by;

Die met Brieven wil verjaaren

Raakt zo niet met profa vry.

Zonder rym geluk te wenfchen ,

Is als alledaagfche fpys.

, 't Moet alyk .wet zenders wezen ;

Dat's toe Uyzend maar de wys.

Daar by zyt ge op Zondag jaarig ,

Dit is zonderling ; 't is raar;

Dit Vriendin gebeurt niet yder ,

En u ook niet jaar op jaar.

Daar by zyt gy , als Vriendinne ,

Waarlyk ook heel ongemeen ;

Wie gelykt u in de Vriendfchap ?

Dit 's geen vraagens waard — géén één.

Daar DU heel de Waereld uitloopt,

En dat om een mensch te zien ,

Dat een Heldendicht gemaakt heeft ,

In een boek of zes , of tien ,

Of wel twalef al zo 't uit valt ;

't Komt toch op één Boek niet aan;

Zo de Held in negen Boeken

Nog niets loflyks heeft gedaan ,

Moet men nog een Boek verzinnen ;

Dit behoeft niet aangetooxit;

En


ONDEK.WER.rEN. XXIX, BRIEF»

En is 't nog niet wel gevogten,

Als het eind het werk bekroont?

Waartoe dient dit ? wagt een weinig ;

Langzaam weet gy wel , gaat wis.

Ons dunkt dat aan één Vriendinne

Vry wat meer te kyken is,

Dan aan al de Poëtesfen

Die 'er woonen in ons Land;

Wolfje , en ik , niet uitgezondert;

't Is van ons zo vol als zand.

Kunt gy 't naauwelyks geloven?

Luister eens , dit is 'er van:

Elk wordt met dien naam verheerlykt,

Die op rym wat krabblen kan.

Doch één tedre hartvrlendinne,

Steeds aan ons belang getrouw,

Is iets zeldzaams ; daar by ftaat het

Ook veal beter in een' Vrouw

Dat zy wel doet , dat zy zegend,

Dat zy , uit gevoeligheid ,

Met het voorwerp dat zy hulp geeft,

Traanen van ontferming fchreit:

Dan dat zy zich aan de zeden

Van den forfchen man gewent;

Dat zy plondert , rooft , ter neêrflaat,

Steden uitmoordt , dorpen fchendt.

Foei ! wel 't is om van te beven :

'k Hou van vegten , noch getwist ;

Nu


BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Nu dat laat zich wel begrypen ;

ï?et]e is half , ik heel Menist,

Zo Menist als gy kunt wezen

En gy zyt van 't fynfte foort;

'k Weet dat u de ftille vrede

Ruim zo veel als ons bekoort.

Wy , wy moeten aan de Waereld

Die zo graag wat wonders ziet,

U als een Vriendin vertoonen

Of gy 't hebben wilt of niet.

Is uw Vnendfchap tafelvriendfchap ;

Mort zy om een haastig woord ?

Is ze om alle wisjewasjes

Hoofdig , geemlyk , of verftoort?

Is zy los , en kinderachtig ?

Mint zy niemand op den duur ?

Lacht zy 's ogtends gul en vriendlyk;

•Ziet zy 's middags zwart en zuur?

Neen , zy heeft niets van die grillen ;

't Is een Engel , net als gy,

Wy zyn grootsch op u., myn waardfte!

Wie , wie kent u zo als wy ?

Altoos zyt gy even minzaam ;

Hoe bedeelt met overvloed ,

Wilt gy n;et dat dien gy weldeed,

Voor u nedrig kruipen moet.

Gy , gy volgt wel uw' verkiezing,

Maar geeft yder zynen zin ;

Nooii


ONDERWERPEN. XXIX. BRIEF. 053

Nooit zit gy by uw* Vriendinnen

Als een malle Koningin.

Wat al zoets en wat al bitters,

Wat al lief en wat al leet,

Smaakten wy niet wel te faamen

Daar geen fterveling van weet!

Daaglyks zyn wy by elkander

En nooit viel den tyd ons lang!

Yder fpreekt zyn eigen mening ;

Onze Zielen baaten dwang.

6 Wat heeft ons hart geleden ;

Hoe wierdt onze Ziel gewondt,

Toen gy u als aan den ingang

Van het aaklig graf bevondt!

Gy zyt aan ons weêr gegeven ;

ó Dit geeft ons vreugde ftof;

En wy geven voor die weldaad

Met u uwen Schepper lof!

Telkens voelen we onzen aandagt

Op het geen u raakt geleidt.

Wist gy , hoe wy reeds verlangen

Naar uw tegenwoordigheid !

Maar wy hebben diverteering ,

Meerder dan ge ons wenfchen kon.

Daaglyks gaan wy fpeelen ryden

In een fraaien Phaéthon;

Nu naar Seist', daar elk moet wezen ;

Dan naar Betjes Gelderland ,

Daar


254 BRIETEN OVER VERSCHEIDEN

Daar de Boomen , daar de Bosfchen,

Worden door Natuur geplant.

Dat doet ons zo lang vertoeven,

Ja het duurt al volte lang.

„ Spreek tog niet van te vertrekken,"

is en blyft de hupfche zang,

Van dees vriendelyke menfchen;

„ 't Jaarfaifoen is op zyn best."

Dus , myn lieve waarde Pietje,

Zitten we in civil arrest.

Maar het zal toch eindlyk lukken ;

Eerstdaags krygt gy uwen zin.

Hoor , ten langsten eene week nog

En wy zyn by U , Vriendin !

Maar wy moeten u verjaaren.

Hoe is , alyk , de manier ?

T'Uyzend geeft men aan de menfchea

Op zyn minst een wensch of vier.

Veel gezondheid , lange jaaren

En veel geld ; dat 's afgedaan.

By de Fyntjes , koomt de hemel

Ook nog ; doch wat agter aan. ,

Maar wy wenfchen u iets beter ,

Een veel aangenamer lot •"

Al het heil der zuivre Vriendfchap,

- En de Gunst van uwen God.

Laat dees eene wensch genoeg zyn',

Op uw Jaardag myn Vriendin :


ONDERWERPFN. XXIX. BRIEF. 255

Is 'er wel iets by te voegen ?

Neen , hy fluit al 't wenschlykfle ia.

Wees gegroet van al de Vrienden;

Heb ons maar ter degen lief :

En lees onzer beider naamen

Onder aan dees langen Brief.

r\r?D


DERTIGSTE

BRIEF,

WAARDE

BETJE;

p

VJy vraagt my met zo veel ernst ,

naar den ftaat myner zuster , dat ik overtuigd

ben , dat

g y

' e r

veel belang ia

neemt. Ik zal u voldoen.

Myne Zuster ? wel die eet wel , die

drinkt wel ,. die flaapt wel ; die verzaakt

zo als neef Jan zegt , geen troef als 'er

een plaifierpartytje te nemen is : doch

zy is buiten dat zo elendig , als alle de

zieke en zwakke en kranke Kinderen van

Vader ADAM met ,hun allen zyn , of

zyn kunnen ; zy is krank van 't hooft

tot de voeten ! en zo de wyze man ge-

Iyk heeft , dat het „ beter is te gaan in

„ het Klaaghuis , dan in het huis der

„ Maaltyden " ; dan is het beste my, in

eene groote maate gefchonken: ik hoor niet

anders dan klaagen ; en kom zelden eens

uit om de ftemme der vreugd te hooren.

Vrees


ONDERWERPEN. XXX. BRIEF". 253

Vrees niet , lieve Beth , dat ik aan

I myn Zusje het einde aller levenden zien

zal ; want alle de Geneeskundigen , van

myne Moeders oude Baker , en myn Va- •

ij ders Baerdfchrapper af, tot aan de getabbaarde

Profesfooren , zyn het , hoe

I; zy ook anders verfchillen over den oorf

fpronk der kwaaien zelf , hier in eens :

|| dat onze Mietje zeer wel dik, vet , en

I der dagen zad kan worden ; ja zelf,

li moeder van veele kinderen , en dus leven

in een talryke Nakoomlingfchap. „ Wel >

„ wat fchort het .zoete Kind dan " ?

i vraagt gy my nog maal. Alles ! Indien

dien gy uit den geleerden Regel : „ dat

3, het geen te veel bewyst niets bewyst

dit . gevolg wilde afleiden : „ die alles

,, fchort fchort niets " * zou ik maar

uit uw gevolg dit befluit opmaken : „ die

„ te veel befluit , befluit niets : " en

dus zou alles op niets uitloopen.

Maar , dewyl ik weet , dat gy den

, ARTS van buiten kent ; en alle morgens

i onder uw ontbyt , tot troost, van uwe

I kwaadzappige Tante , een halfuur in het

Boekje over de Tandpyn moet lezen ;

Waar door gy veele , en diepe geleerdheid

in de geneeskunde hebt opgedaan ; zo

I zal ik u , zo goed ik kan , en in eene

L DEEL. R S O E *


25

die in een meisje van tweeentwintig jaar

vallen kunnen , in het afgetrokken doen

befchouwen : wanneer ik nu dat afgetrokken

denkbeeld van ziektens hebbe , dan

zal ik die allen , zonder uitzondering ,

om niet te misfen , op myne Zuster doen

aanvallen ; en u in dien droevigen ftaat de

arme Lyderes overlaaten. Vooreerst , om

in order te beginnen : ztuaare hoofdpyn ,

zinkingen , fuizingen , ligtheid in 't hoofd,

tandpyn , kiespyn , fcorbutique fchietingen

op het Tandvleesch , oorpyn ,

doofheid , duizelachtigheid , Roos ; pyn

in de nek , en in de keel , op de borst;

benaauwtheid , misfelykheid , raarheid ,

wonderlykheid , dingzigheid ; pyn in 'c

lyf , in de maag , voor 't hart , in de

zyd , in beide de zyden , in de rug ,

in de beenen , door al de leden ; flaauwheid

, dorstvalligheid , koude , huiverigheid

, hitte , geen eetlust , valfche

honger , binnenkoorts , fiuipkoorts , ftyfheid

, loomheid , dodderigheid , fj aapeloosheid

, flaaperjgheid. Mietje zegt dat


ONDERWÉRPEN. XXX. BRiEEi 05?

zy die kwaaien allemaal uitftaat : dus

moeten wy alle die kwaaien in verband

tnet onze Mietje befchouwen.

Gy weet te véél van de Geneeskunde »

lieve Beth , om niet te begrypen , dat

zy alle deeze elenden niet te gelyk voelen

kan 5 dat zegt het meisje ook niet , wel

heen , yder der zelve valt haar aan , al

haar de omftandigheden zyn h al naar de

lucht gcftelt is , al naar de voorwerpen

zyn die haar omringen. In de maanden

(want gy moet toch alles weten , ftoute

meid ,) July en Augustus , heeft zy wel

de meeste aandoening van Hitte en Dorst*

valligheid ; vooral , indien zy , om het

zwakke maagje te vertroosten , een glaasje

of twee Roden Wyn genuttigd heeft,

't Is jammer dat Mietje geene adelykö

Dame is ,' zo is zy naauw te wagten ,

o je leven zo niet ; by voorbeeld !

Iemand tast gevallig aan zyn hoofd ;

een Heer die zyn hoed opzet , of zo j

aanftonds heeft Mietje ysfelyke hoofdpyni

„ 't Is of het haar aan de zinnen gaat %

Spreekt iemand van het gonzen der muggen

, dan houdt zy het zoete kopje met

beide de witte handjes wel vast ; „ 't Is

„ of zy aan de zee zit , zo ruischt

R 3

» het


S^B BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

j 5

het in haare harsfenen ". Spoel ik ,

Cmet permisfie , en bezyen de tafel , zeggen

onze meiden ,) myn mond , des ogtens

; dan : ,, wordt haar mond van bin-

„ nen uitgegeten door de Scorbut ". Ziet

zy een Tandftooker ? „ dan is zy raazend

55 van Tandpyn ". En zo is dat vervolgens,

al naar gelang. Wil Moeder dat zy

zich wat opkleed , en eens uitgaat om

iets te bezorgen , „ dan is zy zo dings-

„ fig , en zo dommelyk , dat zy de

„ boodfchap niet zal kunnen doen ".

Moet zy eens naar 't Zolder om naaide

Waschi te kyken ? och zie eens ,

hoe ongelukkig dat dit nu juist uit-

„ komt ! zy is zo duizelig dat het

„ is of zy zo alle oogenblikken neer

„ zal vallen". Moeten 'er mutzen en

lubben geftreken worden ? dan is zy

zo aêmborstig ; „ dan vliegt het bloed

„ zo naar 't hoofd , dat zy over

„ geen vuur kan komen ". Brengt

de meid het eeten op ? Mietje „ heeft

„ zo een ftyfte in den hals , dat zy zich

h om'een fchotel aan te nemen niet kan

„ omdraayen ". 's Morgens , als zy zoo

opflaat , heeft zy eene doffe loomheid

door de leden ; de flaap verkwikt haar

niet , daarom moet zy nog wat leggen ,

om de belette perfpiratie te herftellen ;

M . ten


ONDERWERPEN. XXX. ERIEE. 259

ten zy 'er een plaifierreisje te doen is ,

want dan hoopt zy nog al , dat de bewecging

haar goed zal doen. Is de lucht

wat' betrokken , en preekt haar geliefde

Herder en Leeraar , dan moet 'er een

Koets voor Mietje komen , want zy kau

niet zo tegen allerlei weer ; zy kan zich

zo niet redden als een ander.

Gaat zy eens wat uit haaren tred ?

terftond fteekt haar de milt allerafgryze-

Jykst. Alle middag na den eeten krygt zy

haar flaaprigheid , en fluipkoortsje. Nooit

gaat zy ter maaltyd of op eene vifite ,

dan met vallchen honger. Nooit heeft zy

uit eeten geweest , voor al op eene

Harstparty , of zy komt, t'huis met pyn

in de maag : „ 't is of ze een ftad in

„ haar lyf heeft ". De gevolgen zyn ,

geen eetlust , en alle de droevige toevallen

van misfelykheid , raarheid , wonderlykheid

, en opgezetheid : en dit drukt

zy alles uit met te zeggen : „ dat zy

„ weer zo dingfig is ".

Zie daar , myn Betje , hebt gy een heel

legio van kwaaien. De Geleerden zyn 't niet

eens of haar ziekte in den geest , dan

of zy in 't lichaam fchuild : Gy zult

zeker , als eene naarstige difcipelinne van

R 3

den


ÊéjQ BRIEVEN OVER VERSCHEI-RE N

den ARTS , weten , hoe ' zeer deeze

pngelyke Wezens op elkander werken , enz,

Doctor Bonrignon zegt : „ dat Mietje

„ een ftryd heeft " : dit maakt hy op ,

ujt haar menigvuldig en diep gezucht ; als

ook uit haare vuurrode kleur ; en is 'erzeer

voor om het zoet fchaap aan een

Duivelbanner overtegeven •, maar Vader,

die een zeer bitter Bekkeriaan is , wil

er niet van hooren , en heeft zelf aan

5

Doctor- gezegt dat hy zyne Vifites wel

kan nalaaten.

Profes for de Harde , zegt : „ kort en

a, zaaklyk , de meid is gek ; 't zyn malle

3, inbeeldingen ; zy zal wel genezen als

„ 'er niemand agt op ilaat ",

Doctor Rechtdoorzee , meent dat zy

a

ja ziek is , doch dat luye vadzigheid de

Bron is van alle haare kwalen ; dat eene

goede dozis fulappe haar zal herftellen ;

en dat men haar by onze Boerin buiten

moest brengen. 3 en daar braaf aan werk

zetten.

Vraagt gy gy my , wat ik 'er eigenlyk

van denk ? Wel myn hart , dat zal ik

•43 netjes zeggen , evenwel njet dan onder

cor-


ONDERWERPEN. XXV. BRIEF. l6l

correctie van uwe medicinale geleerdheid ,

en in hoop dat gy uwe Auteuren daar

over eens zult nazien.

Maar , faip railler , ik hou het met

geen deezer drie Heeren Medici , dan onder

zekere bepaalingen. Want , fchoon ik

het met den meesmuilenden Bourignon niet

eens ben, vermids ik niet heel duivelagtig

val; zo ben ik echter wel verzekert , dat

zy een ftryd heeft , al waar het maar tusfchen

haare maag en haaren lust , of,

om zedekundiger te fpreken , tusfehen

haaren pligt , en hare begeerlykheden.

Zy heeft ook vry wat weg van dat

Naauwgezette , waar door men zynen

pligt te verre trekt , en veeltyds tegen

zynen Pligt aangaat ; want gelyk Overgeloof

ligtelyk veranderd in Ongeloof , zo

ook ontaart Overdeugd , in ondeugd.

Lach my niet uit om deeze lamme woortipeling

; 't is geen bloempje uit mynen

hof : ik heb haar van een dierbaar , en

een innig dierbaar man overgenomen ;

laat het dan , zonder dat gy uw neus

opfchort , pasfeeren. Ik meen die naauwgezetheid

, waar van men in het geheele

Euangelie geen enkeld woord gemeld vindt ;

en die men zich zelf oplegt ; niet altoos

met zulke eenvoudige oogmerken , als ik

R 4

var,


&62 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

van Mietje, naar den aart der liefde,

vertrouw ; doch die echter zeer lastig

voor anderen zyn. In zo verre heeft de

zoete Bourignon gelyk. Zy heeft een ftryd ;

maar ik denk , dat het Kwdadp , zo

als myn Zusters naayvrouw den Bozen

noemt , er geen klaauw in heeft : en ik

geloof dat een goed man , (met een zak

vol gedult , en eene zo vrolyke vriendin ,

als gy zyt ,) haar meer nut en meer

dienst zoude doen dan al de Duivelbanners

, uit de vier deelen der Waereld ,

met elkander.

Profesfor de Harde , heeft het , dunkt

my, ook ten deele wel geraden ; want ik

meen dat men een mensch , zo ongelukkig

aandoenlyk , zo verbroeit , en zo

verweckt door kwade vogten , zo weinig

maar mooglyk zy moet doen denken aan

haare ziektens ,' 't zy dan ingebeelde ,

of wezenlyke ; dit is ' hier , het zelfde.

Om die reden vraag ik haar nooit , hoe

zy 't heeft ; offchoon ik daar door myn

Hof niet by myne Moeder maak. Het

hooren noemen van een kwaal is over in

Haat om haar die daadlyk te doen gevoelen.

Het komt my echter al te ftrcng

vóór , alles en alles aan de Inbeelding

?oe te fchryven. En ik vind het onheusch

,


ONBERW-EHPEN. XXX. MfMN

heusch, dat de Doflooten niet wat meer

achting bewyzen aan de Inbeelding Zy

is hunne Weldoenfter. ó Wat zouden er

veel van onze Doftooren , die nu m aartige

Koetsjes herom Jaagen , als brave

Burgerlui , met een Jas om de ooren ,

d o o r

dik , en dun moeten kneden ; indien

de Inbeelding niet voor hen zorgde .

Z v

geeft hen niet alleen het brood,

m a a r r e d t

dikwyls , nog ten koste van

y

haar zelf, hunne eer! Waar zou dat

«noot getal Doctooren toch belanden , zo

zv alleen by ware Kranken gehaalt wierden

I de zogenaamde Rykeluis Doöors

vooral, moesten dan wel befluiten om

een ambagt op te vatten. Weet gy dan

niet , Betje , hoe het gaat ? Luister !

Als zy geen kans zien om eene kwaal oj* %

der de knie te krygen , zeggen zy (met

groote deftigheid het Vifitegeld in hun

beurs ftrvkende : ) „ weet gy wat ? een

„ goed diëet , afleiding van gedagten ,

]] veel bewegen , en verandering van

" lucht , zal het moeten doen ; want het

is louter inbeelding ; flaa voort Koet-

„ fier "• !

De ouwerwetze Rechtdoorzee bevalt my

het meest; het tedere lichaampje van onze

Mietje , die gewoon is veel te eeten ,

R ?

v e c

*


20*4 BRIÏVEN OVER VERSCHEIDEN

veel te leggen , veel te zitten , veel te

zuchten , moet wel verftopt zyn , -moet

wel opgepropt zyn door kwade ftoffen

Purgeeren is kostlyk , werken ook ; maar

met in eene Boerdery. Waarom niet •

Wel om dat , ik dan nog minder gelegenheid

zoude hebben om u te bezoeken ;

ik zou moeder dan altoos moeten gezelichap

houden ; en hoe lief ik myne

Moeder ook hebbe , ik hou 'er toch van

om eens op den dril te gaan ; want ik

ben jong , gezond , werkzaam , en meen

dat eene uitfpanning voor my , net even

goed is als voor Zusje Mietjelief. Laat

Mietje in het huishouden doen het geen

ik doe ; laat zy i n

zulke fchoone dagen ,

ten vier uuren opfiaan , en niet zo als

nu , in den voormiddag welgeftooft, en

gefchoudermantelt , haar ontbyt van Chocolade

nemen : dit zal Doctor Rechtdoorzee's

oogmerk even goed bereiken , en

't zal my in myn werk verligten.

Zie daar, lieve Beth , hebt gy

n u

myne Zuster , met alle haare kwalen ,

met alle hare Doftooren en Profesfooren,

en , met uwe ftoute Vriendin , op den

hoop , 'er by : En ik moet u , ter

uwer vertroosting zeggen , dat Mietje niet

er-


ONDERWERPEN. XXX. R RIE F. 265

el-ger is dan naar gewoonte en naar tyds

omftandigheden,

Meidlief ! wat ben ik bly dat myne ^

Moeder my zo verweent niet heeft opgevoedt

! Gy weet immers dat Mietje naar

moeder genoemt is ; kyk, dat is het maar:

zy mogt haare handjes niet in koudwater

fteken , geen togje vatten , niet tegengefproken

worden j het Kind was zwakjes ,

en een fukkeltje. Hoe droevig zyn de gevolgen

van deeze voorkeuze ! Nu kan zy

waarlyk niets veelen ; en fchoon zy voor

haar doen , te veel eet en drinkt ; fchoon

z y

'er dik en vet uitziet , en een goede

kleur heeft ; zo is zy echter paffig ,

en ongemaklyk voor haar zelf: en haar

zittend , gemakhoudend leven , maakt het

qnmooglyk dat zy herftelt wordt. Vroeg

gewoon zynde dat men op de minne verandering

van haar gelaat agt geeft en in de

minfte onpasfelykheid eene veelbeduidende

vrees doet zien ; zo befchouwt zy Z1ch

honderdmaal meer in den Spiegel als de

volmaakfte Coquette ; zy is zich zelf ten

last , terwyl zy een voorwerp van fpotterny

is by de meesten , en waarlyk ons

alles over de hand is. Ik , die vroeg

aan de' bezigheid moest , en daar men

het zo naauw niet mede nam ; die moest

lee-


2°6 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN 3

leeren harden, om dat ik een gezonde

flerke meid was ; leef zo gezond ,

e n

zo vry van alle myn's Zusters kwa'len

dat wy niets minder dan Zusters fchynen',

'zo wel naar lichaam als naar geest. Ik

voel zelden dat ik een lichaam , en nooit

dat ik een elendig lichaam , heb. Myn

geest is zo helder als myne oogen ; myn

hart is gerust ; en myne gedienffigheden

die my geene de minne moeite kosten

maken my nuttig i n

de huishouding , e-n

bemint by myne Moeder. De goede Vrouw

ziet nu zelf dat zy mis gehad hee^t -

en 't is dikwyls : „ kom als een kind \

„ fchik wat in ; 't is je Zuster , en zy

„ is toch ongelukkig » Dat erken ik ,

en zo zy niet van leevenswys verandert

zal zy zckerlyk eerlang worden , het geen

zy z,ch nu verbeeldt dat zy is. Zy houdt

meer van u als gy misfchien denkt: Hoe

braaf een meid zoudt

g y n u z y n

.

Z Q

gy kost befluiten , ons , met uw blymoedig

byzyn te komen verheugen ! maar

niemand was hlyer dan uwe vriendin.'

EEN-


EENENDERTIGSTE BRIEF.

GOEDE OUDE VRIEND 1

Gy weet wel , al zeg ik het u niet,

dat ik een vriend van de vrolykheid ben ;

Raillerie , is , naar myne gedagten , indien

zy der beichaaftheid niet hinderd ,

een zeer goed ingrediënt in een gemeenzaam

Gezelfchap ; en ik ben altoos in

myn ïchik , als ik de vreugd kan vermeerderen

; ook dan als ik het voorwerp

van een aartig boerten ben : maar ik heb

noch het geld , noch de gefteldheid ,

noch het humeur om meer van myne

vrienden , in dit opzicht te verdragen ,

dan myne grootfte vyanden het hart zouden

hebben my aantedoen : en ik zie nog

niet , dat de Dames de vryheid kunnen

hebben om my op allerhande wyzen te

plaagcn , te kwellen en te benadeelen ,

om geene anderenr eden als om dat ik

maar een ouwe Vryer ben.


268 BRIEVEN OVER VÊRSCÖËIÖEJÏ

Het zou my wel haast In het hoofd

brengen dat myne vrouwelyke kehnisfëfl

een ouden Vryer niet voor een redelyk

3

een Christenmensen houden ; ten minfteh,

dat hy zo veel aandoening van de fmarten

niet heeft , als het overige gedeelte

der menfchen ; dat men een ouden vryer

mag beuken als een Stokvisch ; dat men

hem met fpelden in de beenen mag prikken

; in zyn neus knypen ; met één

woord , dat men een ouden vryer niet te

•baldadig kan behandelen. Ik begryp wel

niet waar op deeze pynigende Philofophen

haare grondftelling bouwen ; maar ik ben

echter een treurig voorbeeld , zo wel

daarvan dat zy dus denken , als ik overtuigt

ben dat deeze Helling zeer oneigen

is.

• De dochters van een myner vrienden, dien

ik veel bezoek, hebben my deeze vier laatfte

jaaren mag ik wel zeggen" vervolgd. Deeze

ftoute Meisjes zyn niet te vreden met het

droevig voorrecht van my te plaagen ;

maar zy hebben alle haare gebuurtjes hier

toe aangezet. Zo , als zy maar de min-

•fte lucht krygen van myn bezoek , ('t

welk ik echter altoos, zo veel ik kan ,

verberg,) zenden zy den knegt terftond,

met een halfdouzyn kaartjes , aan haare

Bond-


ONDERWERPEN. XXXI. BRlEF. 20-Q

Bondgenooten , om haar op een kopje

thee te verzoeken , en om den ouden

Paay te helpen plaagen. By zodaanig eene

gelegenheid , wordt myne komst in

de kamer belet , door een dun gefpannen

toutje , of lint , aan de deur vast gemaakt

; en dewyl ik wat byziende ben ,

zo gebeurt het dikwyls , dat ik dit niet

gewaar worde voor ik al op myn kniën

leg. Terwyl ik druk bezig ben om de

ftof van myn zwarte rolkousfen te vegen,

die gy weet dat ik beftendig draag , of

om myn gekwetst vel te bepleisteren ;

wip gaat myn pruik , en agter den fpiegel

; of de dartele Wichten kaatzen hem

elkander toe , en dat met zulk een fpoed,

en gaauwigheid , dat het my onmooglyk

is die uit haare handen te krygen ; en ik

ben verpligt , om tot groot genoegen

van het gezelfchap , met myne naakte

ooren te zitten.

De laatfte reis dat ik de zotheid had

om haar te bezoeken , hebben zy my

deerlyk beet gehad ! De oudfte jonge Juffrouw

, een geestig , kwaaddoend , en

kwelziek fchepzel , kwam naar my toe ,

en beloofde my myne pruik weêr te geven

, indien ik op een fluitje dat zy gaf myn

bemind Dansje wilde fpeeleu : Och ik had

geen


a?o BRIE VEN OVER vÉkscHEibÊrï

geen kwaad vermoeden ! Ik Zette het aan

' myne lippen , en bloes uit al myne magt.

Maar , tot myne groote verwondering,

was ik in een oogenblik zo zwart als de'

droes ; want de fluit was van binnen mèt

roet ge vult ; en dat vloog nu , door al

de gaaten , my zo in 't gezicht dat ik

ónbefchryflyk geflelt was. Het jonger gedeelte

des Gezelfchap weigerde de Pruik,

voorgevende , dat ik aan de conditie niet

voldaan had ; en zo haar Vader niet in'

de kamer gekomen ware , ik zou denkelyk

zo hebben moeten blyven zitten.

Tk ben van natuur een goed , onhete*

digend Schepzel 5 en worde niet heel ligt

moeylyk ; maar zulke baldadigheden zal

ik niet langer verdraagen :] dit is 't nog

niet al ! de oude Vrysters met welken

ik bekent ben , behandelen my niet

beter , offchoon men zoude denken dat

zy om de gelyke verachting , waar mede

het jong volk ons behandelt , medelyden

met haaren Broeder Martelaar moesten hebben

:' dóch integendeel, zy geeven de

Meisjes duizenden loopjes aan de hand om

my te kwellen.

Nooit word ik evenwel zo geplaagt dan

in deeze Maand van April ,

waar in elk,

zo


ONDERWERPEN. XXXI. R R IE F. 2?t

zo het fchynt , zich de vryheid geeft

om zich , ten koste zyner Vrienden

te vermaaken. Ik beef van angst tegen

dien tyd ! Nog niet langer dan gisteren

j wierd ik als overhoopt met de

vernederendfte gefchenken , deezer dames;

en moest ik port be taaien voor een half

douzyn Oestervaatjes met fteencn en keijen

gevuld , en voor wel twintig Brieven my

door den Post gebragt , welke niets bevatten

dan oude Nieuwspapieren ; doch

het geen my het meest boos maakt , is ,

dat ik , op dien dag , wel twaalf uuren

buiten de ftad gegaan ben , om een' myner

Vrienden, die men my bericht hadt

dat op fterven lag , te bezoeken: In myn

bed zelf ben ik niet gerust ; altoos vind

ik 'er iets in dat my zeer doet, of hindert.

Hoe veel ik ook van de jonge Meisjes

moet ttitftaan , zo valt my evenwel de

fpytige baldadigheid van zekere oude maagd

veel ohverdraageiykgr ; en zo een oude

Vryer als zodanig belachlyk is , is eene

oude Vryfter het dan minder ?

Ik weet dat gy my altoos den fchuld

geeft van zoortgelyke ontmoetingen ; ik

weet wel wat gy my altoos raadde : maar

ik heb zulk een behagen in het vrolyk

1 DKEU S by-


272 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

eyzyn van jonge lieden , dat ik niet kan

befluiten , om 'et my buiten te houden.

Gy zyt een man daar zy achting voor

hebben : ei lieve , fpreek eens een woord

voor my ; laaten zy my dus niet kwellen,

die zulk een Vrouwe- of Meisjes gek

ben

5

enz.

TWEE-


TVVEEENDËRSTIGSTE BRIEF.

Antwoord op den voorgaanden.

Ïk weiger niet om uwe voörfpraak tfc

?.yn ; maar zo gy met achting wilt behandelt

worden , draag u zelf achting toe.

Myne verkeering met lieden die veertig

jaaren jonger zyn dan ik , heeft my nog

nimmer iets onbetaamlyks aangebragt. Zoek

des , in uw eigen gedrag , de bron van

al de kwellingen , en befpottingen u aangedaan.

Wy oude lieden , indien wy ons verflandig

, en met de gepaste deftigheid ge.

dragen , kunnen verzekerd zyn , dat men

ons met die beleefde onderfcheiding behandelen

zal , die ons zo aangenaam is :

doch als wy ons op eene wys aanflellen

die ons befpotlyk maakt , en ons dan in

de verkeering met Geestige dartele Meisjes

dringen , zullen de gevolgen altoo

verdrietig zyn. Wie is dit te wyten ?

S 2

Maar


2?4 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Maar gy zyt een oude Gek , myn vriend;

Iaat u dit niet verftooren , ik bevestig

maar het ilot van uwen Brief.

Ik ben Man , ik ben W.der geweest,

doch fta nu al vry gelyk met U , want

geen van het jong goed heeft my in die

eerwaardige betrekkingen gekent ; en wie

word beleefder , wie word Vriendlykcr ontfangen

door die zelfde Platjes , dan uw

Vriend , de Schryver deezes ?

DRIE-


DRIEËN:DER.STIGSTE BRIEF.

"Wat is ons al vreugd gegeven

In het vriendlyk Buitenlieven !

Oordeel zelf , ó myn Vriendin ,

Die ik hoogacht , die ik min !

Hier kan de. Afgunst ons niet ftooren;

't Lascren kan men hier niet hoeren:

Voor de Nyd en voor zyn maats,

Is in onze Cel geen plaats.

Met een klein getal Vriendinnen

Zoeken wy hier tyd te Winnen;

Tydverdryven , is een woord-

Dat by ons nooit wordt gehoort.

Zouden wy niet vrolyk wezen!

Dan wat werken , dan wat lezen,

Dan wat eeten , dan ter rust j

Ongekweld door dwaizen lust.

Aan den waterkant gezeten ,

D^ar gelezen , en ontbeten ;

Wyl 't Gïvogelt vrolyk zingt,

En van tukje op telgje fpringl.

I

S 3

L a n

£ s


276 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Langs het fiootje door die boomen,

Zien wy telkens fchuitjes komen ;

Nu met melk , dan groente , of fruit,

„ Blief je wat ? zoek uit ! zoek uit I "

Als wy by de Vrienden blyven,

(Op dat wy de Vriendfehap flyven ;)

ó Dan is 't voor ons een feest,

Dan pntfpannen we onzen geest!

Deeze zingt een aartig deuntje,

Van het ryke Boerenzeuntje ;

De ander fpreekt , met veel verftand

Van zyn weiery , en land.

Ernflig mag men ook wel wezen;

Maar de deugd wordt aangeprezen

Door een vrolyk aangezicht :

Godsdienst dient met vreugd verriebfc

Coos , wy zyn zo bang van twisten l

o 't Betaamt geenztnds den Christen,-

En zelf onze Dominé ,

Is een vriend der ftiile vrée.

Van dat lastig argueeren,

Is 'er maar niets goeds te leeren;

Om te doen wat God gebied ,

Hoeft 20 veel gehairkloof niet.

'm


ONDERWERPEN. XXXM. BRIEF. 277

in het goede altoos beftendig ;

Niet veel ftellende in *t uitwendig;

Vrolyk , midden in het kruis,

Is de Godsdienst van ons huis,

Coolief , kunnen ftedelingen

Wel zo ruim zo vrolyk zingen ?

Als men zich vergaapt aan fchyn ,

Kan men dan gelukkig zyn ?

Gaat gy maar eens by uw' Buuren;

o Wat moet gy dan wel uuren

Om toch proper uit te gaan,

Voor uw grooten fpiegel ftaan.'

Honderd lesfen aan uw' meiden,

Eer gy uit uw huis durft fcheiden :

En vergeet ge iets , lieve tyd.'

Dan zyt ge al uw vreugde kwyt,

Wy gaan in ons daagfche pakjes,

Qf in witte BedJejakjes ,

Naar de Vrienden , en 't is pas?

't Baste goed blyft in de kas.

Opfchik kunnen wy ontberen,

k Zindelyke is al ons begeerenj

En is 't 's avonds eetenstyd „

6 Dan hoeft 'er niets gemydt;

S 4

Stort


5^8 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN.

Stort 'er dan een driftig fpreker,

Eens wat uit zyn vollen beker,

Dat veroorzaakc geen gekyf:

Kom , het heeft niets om het Iyf.

In 't gezelfchap onzer vrinden,

Is geene kiblary te vinden:

Jaaren , overvloed , of ftaat,

Doen aan onze rust geen kwaad.

*t Goede hart weet ons te leeren

Hoe het pas geeft te verkeeren:

Daar de een de ander 't beste gunt,

Is het alles goede munt.

Gulle , onopged'erde Zeden,

Schenken ons vermaaklykheden,

Daar gy , in uw grootfche ftad,

Nooit den • minften fcbyn van hadt.

Wy beleeven gouden dagen !

Zouden wy om niéérder vraagen?

Neen 6 goedertieren God ;

Gy gaaft ons een Zalig lot.

Zo wy onze rust niet ftooren,

Gaat die vreugde' nooit veriooren :

Niemand toch hoe braaf hy zy,

Is 'er van gebreken vry. „

Coos»


ONDER WERPEN. XXXIII. BRIEF. 279

Coosje , wik gy ons bezoeken ?

Kom , wy vinden by de Roeken,

By de Prenten bezigheên ,

Die den tyd wel doen befteên.

Wilt gy wandlen , wik gy vaaren ?

Spreek maar , o wy doen het garen.

Roeijen kan ik . . . hoe gy lacht!

Ja , al heb ik weinig kragt.

Als we op 't kransje zullen wezen ,

Zult gy voor, 't Gezelfchap lezen:

Hoe bevalt dit u toch wel ? ..

Nu , gy houdt niet van het fpel.

Hebt gy ons adres verloren?

„ By den Hwngpakkerscoorcn" ..

Geeft u.en onze Brieven af;

't Geen ik u te kennen gaf.

Nu , wy zullen u verwagten ,

Maar gy moet by ons vernachten 5

Anders doe de. moeite niet,

Dat gy ons .eens weder ziet.

Groet uw Vader , groet uw Moeder,

Groet uw Zusters , groet nw Broeder,

' Zend ons morgen toch een brief:

Nu tot weerziens * Nagt Cóosüef.

S 5

VIER-


VIERENDERTIGSTE BRIEF.

MEVROUW!

T

Ik ben , zo ik althans niet beter weet,

nog ongetrouwt; en leef met myne Vriendin

in al het genoegen 't welk een vergenoegt

hart in het huizelyke leven ons

kan mededeelen. Men zegt veelal , als 'er

iets verhaal? word : „ daar moet iets aan

55 zyn " of zo als onze Boeren het

noemen : „ men hiet geen Koe bont ,

„ of hy heeft wel een vlek " ; maar ,

van de vertelling dat ik reeds getrouwt

ben , en dat myne Vriendin alledaag op

den fprong ftaat , is zelf de fchaduw der

fchaduw een zot verdichtzel. De eerfte

tótvinders deezer Fabel , moeten toch

l rechte krukken zyn ! Anders konden zy zo

wel de Perfoonen , als de verbintenisfen

«it hun harsfchenvat gehaalt hebben : en

zo wel gezegt met wie , als dat wy zouden

trouwen , of getrouwt waaren : Hoe

bepaalt zyn de Meafchelyke vermogens !

Plaats


ONDERWERPEN. XXXIV. BRIEF. fi8l

Plaats des , waarde Vriendin , dit uitftrooizel

op de groote , lange , zwarte

Lyst , der Babbelaryen , en Onwaarheden

, die 'er daaglyks , door lieden

f

van

onderfcheiden flag, ftaat , jaaren , fexc,

gezindheden en landaarten , wordt uitgegeven

; en die ons duidelyk doet zien ,

' dat die menfchen , juist niet behooren

#

in de rei van wezens , die der redelyke

Natuur eere aandoen ; of van eenig nut

zyn in de Maatfchappy waar toe zy behoren.

Doch , dat is hunne zaak en niet

de onze : en het oordeel dat wy gettreken

hebban is zeker aller billykst.

Hoe lang wy onze dagen maken , door

met de Zon opteftaan , wy hebben altoos

tyd te kort. Wy worden zo dikwyls in

onze bezigheid geftoort , dat wy wel eens

half wenfehen , in een afgelegener hoek

onzes Vaderlands met 'er woon vertrokken

te zyn. Twéé Vriendinnen , die haar leven

der oefening , en , zo wy hoopen ,

ten besten haarer Landsgenooten wyden ,

fchynen zulke Rariteiten, dat men , als 't

waar , niet gerust kan iterven , ten zy

men haar ik haar huizelyk leven eens gezien

heeft.

Edel ,

en Onedel heeft deeze gril in 't

hoofd.


282 BLIEVEN OVER VERSCHEIDEN

hoofd. Nu word ik bezogt door een ftyf

eenvoudig Burgermensen , dat my welmenend

zegt ,

w a a r o m h y k o m t

.

d a n

moet ik eene Barones of eene Gravin opaagten

; en niet zelden vraagt men aan

my zelf, „ 0f men de eere niet kan

„ hebben om my een oogenblik te fpre-

„ ken." „ Maar ik was het zelf Mevrouw " '

„ Excufeer my ! ik had de Juffrouw jon-

„ gcr, of ouder, of grooter of kleender

„gewagt"! CAI naar 't uitkomt,)

i s

het

antwoord. Schoon ik zéér wél begryp ,

waarom men my niet neemt voor die ik

ben : myn Huizelyk voorkomen ; een

gewaad dat alleen zindelyk is , en geene

de ramde ornamenten gedoogt ,

dat Juffr. WOLFF ?

j s

Diar by krygen wy brieven uit ,

m a ?

K neggen de vier winden des hemels '

en dewyi

w y

nog niet wel kunnen doen

gelyk ROUSSEAU , die de brieven , welke

hy van onbekenden kreeg , ongeopent

weg lei , geen tyd hebbende om die te

beantwoorden , al verdienden zy ook antwoord

; zo gaat 'er ook al weer tyd mede

heen ; en het Brieven fchryven aan

Famihen trekt 'er doorgaans zo wat in ,

ais alles wel is. En pas/anl » ik leg gee'

ne vriendfehap ter zyde met Menfchen

die


ONDERWERPEN. XXXIV. BRIEF. 2*3

die ik als leden myner eigen Familie aanmerk

; en die my alle reden van genoegen

geven. Niet weer uit dien gronttoon

te fpeelen ! Nog een woord van trouwen.

Waarlyk gelyk ik zeg , wy hebben 'er

de tyd niet toe : al zo min als om ons

te bemoeyen met die wisfewasjes die anderen

raaken , en daar meê uit. Doch,

zo rasch wy die frats in 't hoofd krygen,

om , in onzen ouden dag , het Huuwlyksjuk

aan te pasfen , zult gy de eerfte

zyn , die deeze onze vlaag van zotheid,

•in confidence , gezegt wordt.

Wy maken ons gereed om voor eenige

weken van huis te gaan , doch hier door

verletten wy niets ; integendeel , huisgenooten

te zyn van hartelyke Vrienden ,

die veel fmaak hebben ! — altemaal winst.

Vaarwel.

VYF


WFENDERTIGSTE BRIËR

WAARDE

VRIEND!

O

ITAet betaamlyk waarnemen van den

Zondag , is by zeker zoort van menfchen

geheel en al uit de mode ; doch die dag

wordt nergens zo flegt waargenomen , dan

m onze groote fteden. Het groot vertier

van eetwaren, dat 'er in de omliggende

Plaatzen , des Zondag is ,

i s by naar

ongeloofiyk; men moet het van goederhand

weten , ©f men houdt het voor eene

Fabel.

Ons gemeen-volk neemt dat gedeelte des

Gebods, „ gy

z uj t g e e n w e r k d o e n

„ ^

zeer Godsdienstig i n

acht ; maar leidt

met een daar uit af, dat dit volle vryheid

geeft om dien dag in vermaaken door

te brengen. De meesten gaan op dien dag

naar Buiten ; een regenachtige Zondag

i s

voor hen eene

z e e r

droev age

omftandig-


ONDERWERPEN. XXXV. BRIE?. ^5

De welgeflelde Burger rydt ,

mar zyn

klein Buitenverblyf ; dat niets. van het

Landsvoorkomen heeft , dan de treurige

klimop , die dcszelfs voormuur bekruipt.

Hy zoekt zo een Optrekje ,

ook zo na

aan den weg als maar mooglyk zy ; en.

het vermaak dat hy ontfangt uit dat geweid

, en gevlieg , doet hem vergeten

dat by in een wolk van ftof befloten

wordt.

De verwaande Kantoorjongens , en Winkelknegts

\ maaken op deezen dag ook

eene zeer zwierige , en veel beduidende

vertooning. De goede man rydt met zyne

Vrouw aan zyne zyde , den weg langs ,

niet weinig benydt door den voetganger;

die geduldig , met een kind op den arm,

terwyl zyn wyfjelief op zynen fchouder

leunt , al zweetend voortwandelt.

Deeze vertooningen , waarde Vriend ,

heb ik dikwyls met oplettenheid befchouwd;

offchoon ik nooit heb kunnen merken ,

dat het Land , en deszelfs bekoorlykheden

, eenigen indruk op hen konde maken

: het is hen genoeg dat zy des Zondags

buiten de poorten zyn ; en veelen

bedienen zich hier alleen van om zich

eens ter deeg goed te doen ; zy gaan uit

de


286 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

de ftad om dat zy t'huis niets te doen

hebben. Een Paarde wed is voor hen zo

aangenaam als een Karnhuis. Zy gaan zonr

der de minfte opmerking door de fchoonfte

Koornlanden ; doch verheugen zich op

het gezicht van een uithangbord , waar

in met groote letters gemeld wordt ;

mt

i }

Hier verkoopt men Bier en Mol."

Het leven van een welgeftelt Burger

is zo eenparig in de week , en zo eenzelvig

0p Zondag , dat , Zo wy eens een

dagverhaal van zyne Zondaagfche yerrich.

tingen hadden , het denkelyk hier op zoude

uitkomen :

ZONDAAGS DAGVERHAAL VAN

Joris Treuzelaar.

ZONDAG. My zelf verfiaapende. Ik ftond

ten negen uuren op. Ik was een geheel

uur bezig om myne fchoenen met

kurken zooien aan te pasfen. Ik kon

geen ontbyt krygen , zo druk was myn

Vrouw doende , om zich te kleden ,

wyl zy ter Kerk ging.

TIEN DUREN. Al myn Volk ter Kerk ; ik

in de kroon by moeder Paf , rookte

een


ONDERWERPEN. XXVIII. BRIEF. 28>

ëen halve pyp , dronk een fles mol.

NB. de mol zo goed niet als ih de

Adam en Eva.

ÈEN UÜR. Gegeten : het vleesch was niet

gaar , en de pottage rokerig. . Myn

Vrouw dwong my om in een Chais met

haar naar te ryden. Maar het weer

lïondt regenagtig : ik knapte een uiltje ,

en fchreef tot vyf uuren in myn Groot

Boek posten over. Pro memoria : Jonker

fnoever heefc het am't niet gekregen

; morgen moet ik hem van wegen

zyne fchuldén laaten arrebteeren'.

ZES UUREN. Juffrouw Snipfnap by myno

Vrouw op de Thee. 't Is een flimme

gast , en zy babbelt zonder ophóuden.

By Buurman den Cöllecfeur ingevraagt ,

en met hem naar — gekuyerc.

VAN ZÉVEN TOT AGT UUREN , in de Keizerskroon'

ge ookt eene pyp ; gegeten

twee boterhammen ; en een fles wyn

met ons beiden ge honken. NB. Nu en

dan een fles witten wyn drinken ; orri

da; Buurman zegt dat zy goed is voóf

het zuur in de maag.

NÉGE" UURE V J weer

haar huis » zeer verl.

DEEL, T rnoeid,


V

S83 BRIEVEN" OVER VERSCHEIDEN

moeid , en afgemat. Myn kaneelkleurde

rok , en blaauw fatyn Kamizool uitgetrokken

; en naar het College gegaan ;

drie pypen gerookt; twaalf uuren t'huis,

• en zeer vast gefiapen , tot dat de Wirxkelknegt-

my kwam wekken , om order

te geven , dat Jonker fnoever geknipt

wierdt.

Hoe onbetaamlyk dit dagverhaal ook voor

een Zondag zy , zo is het nog geheel

onberispelyk als men het zoude vergelyken

by dat , 't welk lieden van een fchuldig

karakter , die geheele weken aan hunne

zaaken als gebonden zyn , kunnen opilellen.

Het Kerk gaan zelf , mag waarlyk

op de Iyst der Zondaagfche vermaaklykheden

geftelt worden. Het maakt ook by

welmenende Menfchen eene zoete verandering

in hunnen daaglykfchen levenstrant

die men geleert heeft met het zelfde oogmerk

In de Kerk als in den Schouwjurg

te gaan. By «enigen beantwoordt het aan

alle de oogmerken van een Bal , of Party

: namentlyk — „ om gezien te wor-

9i den en te zien."

£n als een eenvoudig mensch agt

geeft ,


ONDERWERPEN. XXVI. BRIEF. 38o

geeft , op hunne buigingen , groetingen,

knikkingen , toelachen , en hoorbaare luisterende

gefprekken , zou hy wel haast

denken dat hy in een plaats waar , daar

men te faamen komt om zich te diverteeren

By anderen geeft het Kerkgaan de

fchoonfie gelegenheid om hunnen opfchik ,

en fmaak in zich te kleden , te doen kennen.

Ik meen ook , dat veelen ter Kerk

gaart , meer om het heerlyk Orgelfpel ,

dan wel om geleerd en gefticht te worden

door het aandagtig aanhooren van eene

uitmuntende, redenvoering , uitgefproken

door een man die indrukken heeft van de

groote waarheden die hy ons voordraagt.

Ik hoop niet , waarde Vriend , dat gy

één der genen zyt , die op zulk eene

onbetaamlyKe wyze den Zondag doorbrengen

? ik begryp wél dat gy , die de geheele

week aan uw kantoor verbonden zyt»

wel eens des Zondags eene uitfpanning

wilt nemen : maar is het betaamlyk alle

de Zondagen , geheel en al , toetewyden

aan uitfpanningen , die een braaf mensch,

'c welk belydenis doet van den Christelyken

Godsüienst , geheel en al aftrekken ,

van de gelukkige gelegenheden , die hy

in eene groote fta.1 heeft , ?om door de

Wtmuntendfte mannen , in meer dan eene

T a wal ,


&go BRIEVEN OVER

VERSCHEIDEN

taal , onder meer dan eene Gezintheid ,

onderwezen te worden , in die plichten ,

die ons door onzen Schepper ten duurfte

zyn aanbevolen ? Kan men dm ogrenddienst

niet bywoonen , en dan nog eene

den mensch betaamende uitfpanning nemen?

Ik geloof dat niets meer uitfpant dan een

wandeling , met onze beste Vrienden , indien

wy zorg gedragen hebben om zulke

menfchen tot onze Vrienden uittckiezen ,

daar men riet mede kon verkee-en zonde*

wyzér

}

en beter te worden. Eene wandeling

vervult den Geest met nieuwe en

aangename denkbeelden ; zo men maar oogen

heeft om het fchoone gelaat der Natuur

te befchouwen ; zo men maar een

hart bezit dat gevoelig is voor de zegende

hand des Almachtjgen ; zo men maa?

fmaak genoeg heeft om het ver.ukkelyk

gezang der blyde voogelen te verkiezen

, boven het verward gefchreeuw vas

eene zo genaamde vrolyke Party !

Ga n^oit ter Kerke uit fjeur • en nog

minder met zondige oogmerken , die zeer

wyt uit elkander kunnen lopen , en echter

alleen misdadig zyn , ga ter Kerk

met een Godsdienstig oogmerk j en ga

daar ter Kerk , daar gy het best aan dat-

©egmerk kunt voldoen. Laat u , op dit

ftuk-


ONDERWERPEN. XXXV. BRIEF. 291

ftuk niet dwingen. Niemand heeft recht

om u hier omtrct bevelen te geven. Stel u

alleen in ftaat , om de vsrfiand ! ge predikatiën

van eenen HULSHOFF , eenen MAMIN>T ,

eenen Nuys VAN KLINKENBERG , eenen COU­

PEROS , eenen GROUW enz. te kunnen verkiezen

boven de niet zamenhangende , onbewerkte

, en niet tot ftichting dienende

redenvoeringen van mannen , wier namen

te noemen haatlyk zyn zoude ; en geen *t

minste nut doen kan.

Niets is zo betaamlyk in den Prediker

dan eene ernftige , en eerbiedige voordraging

, en eene edele eenvoudigheid in alles

wat hy ons te zeggen heeft ; de geaffecteerde

welfprekenhe;d is nergens zo

misplaatst dan op den predikftoel : de manier

van zeggen zie ik gaarn zo onopgefmukt

als s s Predikants gewaad. Een Petitmaïtre

op den predikftoel , is voorzeker

eene befpottelyke figuur. Het herhaalde

, 6 en ach , en het vinnig flaan op den

bybel , moge het onkundig Volk aandoen „

by my is het niets dan , $ en ach , en

vinnig flaan op den Bybel.

Is 'er , waarde Vriend , niet iets aangenaams

, op zekeren dag , wel aangekleedt,

en met eene goede ordcntelyke houding \

T 3

te


292 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

te faamen te komen , in een fchoon , zindelyk

, welgefchikt Gebouw ; alwaar

men door één man , die men vertrouwen

mag dat zich hiertoe wel heeft voorbereidt

, hoort fpreken , over zaken van

het allergroot Se belang , daar men , met

de geheele gemeinte , op zyne ftemmelyke

Voorbede , den Almachtigen en goeden

Schepper , aanbidt , en looft ; en

m wiens gunst men zich aanbeveelt ? of

denkt- gy dat de genoemde mannen , en

zy die hen gelyfcen , niet verdienen daf

wy hen onzen aandagt wyden ? Laaten

wy zo dwaas niet zyn. Het is voor my

altoos een uitmuntend genoegen zulke mannen

te hooren , over onderwerpen waar

W zy eigenlyk het fterkst zyn. Het hooren

eener fchoone Predikatie is ook wel

ééns zo opwekkend , dan dat men die

by zich zelf leest ; ten minften ik dien

dat hulpmiddel wel te hebben.

Ik ben al zo zeer tegen de gottifche vertferfels

onzer Kerken , als tegen de Wapens

, die my alleen overtuigen dat de

ydelheid den mensch nog in zyn graf

volgt 5 maar een heerlyk Kerkmuziek heeft

iets dat het hart opheft , en voorbereidt

tot het groote oogmerk waarom men daar

by een komt,

/ Denk


ONDERWERPEN. XXXV. BRIEF. 293

Denk uit uw zelf , en laat u toch niet

door laffe fpotternyen affchrikken , om den

publiquen Godsdienst beftendig en met de

beste oogmerken waar te nemen. Geloof

my, de Ver Handige Voorftanders der Openbaare

Gods.iier.stoeffeningen zyn geene lieden

dien men zich kan fchaamen te volgen.

Zy zyn uwe achting , uw vertrouwen

waardig.

Neem de vryheid die ik in deezen ge'

pruik ten goede , als verzekerd dat myn

oogmerk goed is , en u mooglyk van dienst

zyn zal deezen eens met oplettenheid te

lezen.

T 4.

&ft


NASCHRIFT,

ï~Tet Papier is vol ; ik zal u echter

nu ik over dit onderwerp gefchreven heboe

, nier uitlchryven:

De Gelp.ofsbelydenis

vigen.

van eenen Ongelo?

Ik geloof , dat 'er geen God is ; maar

dat de ftof God en God de ftoffe zy ; ea

dat het 'er niet op aankomt of 'er een

God is of niet.

Ik geloof dat de Waereld niet gefchapen

is ; dat de Waereld uit zich zelf is;

dat zy geen begin heeft genomen ; dat

zy voor eeuwig in ftand zal blyven.

Ik geloof dat de Mensch een Beest is ;

dat de Ziel is het lichaam , en het lichaam

de Z el ; en dat 'er , na den

dood , noch ziel noch lichaam zyn kan.

Ik


ONDERWERPEN. XXXV. BRIEF. 295

Ik geloof dat 'er geen Godsdenst is ;

dat de Natuurlyke Godsdenst de een ge

is , en dat alle Godsdienst onnatuur-

Jyk zy.

Ik geloof niet in MOZES : ik geloof niet

in de Philofophie ; ik geloof niet in de

Euangelisten : ik geloof in Cor.Lws, VOL­

TAIRE , ROOSSEAO , DE LA METTRIE, HOB-

BES , BAYLÜ , en BOLINCBROKE.

Ik geloof in geene OPENBAARING , maar

ik geloof in de Overleveringen : Ik geloof

in den Talmud , ik geloof in den

Alcoran , maar ik geloof niet in den BY­

BEL : Ik geloof in SOCRATES , ik geloof

in ConFosius , ik geloof in Mahmnct ,

maar ik geloof nie: in CHRISTUS.

Eindelek : ik geloof in al het Ongelovige.

T 5 Z E S-


ZESENDERTIGSTE BRIEF.

LIEVE NEEF !

,LJaar is geene bewoording I n

de he

dendaagfche Byeenkomsten , zo onbeteekenend

,

z o

weinig bepaalend , dan de woorden

goed Gezeljchap. Gy zyt in die jaaren

^t gy uwe intreede in de waereld kunt

doen : de wyze waarop gy

z y t

opgevoedt,

heeft

u

in ft aat g e f t c I t ? Q m

^ ^

als een zot , met een kinderachtige befehaamtheid

, en met eene onedele houdfflg

te verfchynen : ik hoope maar .

dat gy , deeze klip mydende ,

o p

geen

veel gevaarlyker moogt te gronde ftooten!

Gy zyt grootsch ; men kan u geheel

verkeerde denkbeelden geven van fatzoendelyke

Byeenkomsten. Laat ik u hier over

eens onderhouden.

L eien van aanzien , Lieden van de

MoJe , bedoelen met deeze woorden , al-

-een zich zelf; en zien op alle andere

men-


ONDERWERPEN. XXXVI. BRIEF» 297

menfchen , zo ais de oude Romeinen ,

op alle vreemde Volken neder zagen ,

als , op Barbaren. Gevolglyk , zyn in

hunne taal , Lieden van adel , Lieden

die groote en gewichtige Amten bekleden

, Lieden die prachtige titels hebben,

goed gezelfchap ; en met hen te verkeeren

is , in goed gezelfchap te komen.

Lieden van groot vermogen , rekenen het

fatzoen van een Gezelfchap af, naar de

honderd duizend guldens min of meer die

de leden van eea Gezelfchap bezitten.

Om die reden , zal een Groote , uit

den Schouwburg of de Opera komende ,

zeggen : „ daar was zeer veel Volk ,

, doch geen goed gezelfchap ". En Mevrouw

Superbe , gaat in-de Franfche Kerk,

niet om dat zy Fransen genoeg kent om

de Predikatie te verilaan , och neen ;

„ maar om dat men in cie Franfche Kerk

het beste Gezelfchap vindt."

Ik denk , waarde Neef , dat gy , indien

gy in 't oog houdt om wat reden men

met zynen evenmensen verkeert , niet zult

geblinddoekt worden , door dit gezwets.

Al wat den mensch noch beter , noch

wyzer , noch aangenamer maakt , kan ,

ab


108 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

als wy van waarlyk goed gezelfchap ï W

zten

met het allerminfte in aanmerking komen. *

De Helling , „ dat men altoos met

z y n

„ meerderen moet verkeeren " , weet g v

?

maar ik fta

i n

twyffel of ik die meer

dwaas , of wel onuitvoerlyk moet noemen.

De denkbeelden van Goedgezelfchap

loopen nog al veelmeer uit elkander.

Menfchen die geen Ziel hebben om te

kunnen beminnen en hoogachten , de zulken

die in het ryk der zeden boven hun

uitfchitteren ; en hier toe is veel meer

nodig dan het in den eerfteq opfiag fchynt;

die Menfchen beminnen altoos zulken die met

hen het meest overeenkomen : niet onderzoekende

of die overeenkomt uit goede

of kwaade heblykheden ontflaat.

Onze Landaart gaat veelal by de Buitenlanders

door , voor log , en onaandoenlyk.

Zy die ons het gunstigst behandelen

, weigeren ons geen gezond verfland

; maar vernuft , en geest , moet

men by geene menfchen zoeken , die

zulk een laag Land bewoonen

s

zulk eene

dikke lucht inademen.

Indien zy zeiden :

5?

dat ons vernuft

van


ONDERWERPEN. XXXVI. BRIEF. *99

;, van een andere zoort waar , dan dat

„ eens Franschmans , of het Humeur van

„ een onbefchaaft Engelsman " , wy zouden

het kunnen inlchikken : nu is het een

zeggen dat de ondervinding tegenfpreekt.

Er is wel eens een tyd geweest , dat

onze deugdzaamfte , en ernftigfte Landslieden

, het Lachen voor eene groote zonde

hielden : doch die dweepcry is verdweenen

; ook, was het nooit een Volks*

gevoelen ; waar het hier op aankomt.

Wie worden , by de menigte voor goede

Gezellen gehouden ? Zulke , die , zo

als men het noemt , een heel gezelfchap

kunnen vermaken ; en waar in beftaan die

bekwaamheden ? In Nabootzingen eigenlyk

gefprdken. Jan Woest wordt voor een

recht aartige vent gehouden , om dat hy

meer van een trommel dan van een mensch

heeft. Piet Praat Raer , wordt om zo

te zeggen opgekogt , om dat hy zo natuurlek

kraayen kan als een haan , en zo

glad "het Smouws fpreken , dat de haanen,

en de Ifraëliten beide door hem bedot

worden. Kees Vlug , o die moet men

voor al hebben , zo men zich wil vermaken

; hy kan al de poppen uit de Vierkronen

zo naauwkeurig na doen , dat men

zich


SCO BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

zich flap moet lachen ,

als men hem bezig

ziet... Maar genoeg. Gy zult

g e e n

meer voorbeelden nodig hebben om te zien

het geen ik U meende onder het oog té

brengen. My dunkt , dat 'er g e e n

lager

geen aanflootelyker Karakter

z y n

kan, dan

aat , van een fnaak van beroep te zyn •

en echter deeze drie fatzoenen , waar van

* u het afbeeldzel gaf , Zyn niets anders

: zo men hen verboodt , deeze armhartige

loopjes te gebruiken ; zy zouden

waarlyk den floel niet waardig zyn , die

men duldt dat zy bezitten.

Een gezelfchap dat den naam verdient

van Gocdgezdfchap , moet, naar myn in

zien , beflaan : Uit Lieden die wel opgevoedt

zyn , (of zich zelf wel hebben

opgevoedt 0 die befchaaft zyn zonder fl-yfheid

; vrolyk zonder laffe loopjes - u; t

lieden die wél denken , wél fp re

ken'

Wier zeden onberispelyk , en wier onhandigheden

in order zyn : uit feden die

zo als men het noemt , wel wit mo-en

zien ; doch die te veel achting voor zich

zelf hebben , om iets te doen , of te

zeggen , dat met de b^taamlykheid flrydt

Z.e daar , zulke lieden maken een goed

gezelfchap uit. Nu s het zeer zeker ,

dat m meest alle rangen van menfchen ,

zul-


ONDERWERPEN. XXXVI. BRIEF.

JOI

zulke liede-n gevonden worden : doch ik

heb verfcheide redenen om u te vermanen

, dat gy u by hen voegt die omtrent

met u in ftaat gelyk zyn ; ten minften

, zo gy die tot uw byzonder , en

vast Gezelfchap verkiest.

Door altoos in het byzyn uwer Meerderen

te wezen , zult gy u mooglyk

in gevaar brengen , om , ja , wel beleeft

behandelt te worden ; maar echter,

met dat , voor een edel hart ondraaglyk

bewys van minderheid ; van eene minderheid

die reeds de harmonie der Byeenkomsten

breekt. Men zal u geduurig doen zien ,

dat men begrypt , hoe veel eer u vergunt

wordt van met een zo groot Heef

omtegaan ; en zo die groote Heer , niet

een waarlyk goed karakter heeft , weê ü

dan ! Maak u gereed om zyne Caprices

toetejuichen ; om zyne fchuldige vermaken

te helpen begunstigen ; om , mooglyk

, uw geld , uw gezontheid , uwe

zaken te verkwisten , te ondermynen , en

in den grond te helpen. Gy zyt in des te

mindere verzoeking , om dat gy 'nooit iri

de bittere noodzaaklykheid zult wezen een

amt af te bedelen : Want zo gy uwe zai

ken wel waarneemt , ,en de Hemel uwe

naerftigheid gelieft te zegenen , zult gy

uw


302 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ow erger, heer kunnen blyven ; uw eigen

Heer ! Geef dit voorrecht nooit over •

durf NEEN zeggen , als de deued , of de'

betaamlykheid , of uwe byzondere om-

Janbgheden willen , dat gy NEEN zegt

Maar.

ö

Ik ken haast niets ongelukkiger , dan

dat een jongel'ng in de Waereld verfchynende

, onder laag Volk vervalt. Ik noem

zedige , naerftige , geringe Burgers , geen

laag Volk ; doch die zoeken ook het gezelfchap

van jonge , wel gegoede , luchtige

knaapen niet : ik noem laag Volk , zulken

, die al de ondeugden hunner meerdelen

hebben , maar die geen de minfte

veo'deelen der opvoeding- bezittende , nog

véél aanflootlyker zyn , dan zy die hum

ne buitenfporigheden me: een zweem van

welvoeglykheid vern.sfen.

Jonge Heeren , m weiken men den trek

tot het byzyn v a n

laag Volk ontdekt J

moet men verdenken , 0f van een zeer

gering kiuipend vernuft 5 0f van eene

verkeerde opvoed ng , of van eene kwalyk

geplaatfte groot-rilheid : en gemeenlyk

is die grootschheid het voonbrengzel

der twee eers tgen09m.de oorzaaken.

Jon-


ÓHDERWERïEN. XXXVI. BRIEF. p$

'

Tongens van eene flörzige geaartheid ,

^M.tv


30>4 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Maar , is 'er zo veel aan gelegen dat

gy goed gezelfchap zoekt ; nog van oneindig

meer gewigt is , het uitkiezen van

eenen Vriend !

Haast u , daar omtrend niet ! Behoed

UW hart boven al wat te bewaren is: uw

hart , ( ik ken het ) zal maar al

ie gereed zyn , om uw bedaart oordeel

voorby te vliegen. Daar is waarlyk niets

zeldzamer dan een Vriend : ook dan , als

het zedelyk karafter geene berisping ondergaan

moet ; dit is voldoenend voor

een gezél : maar in uw Vriend zult, gy.

iets meer moeten hebben.

Baar is eene , mag ik het zo noemen,

Famieliezucht tusfchen zommige Zielen :

daar is , zéér zeker , een Sympatie der

harten ï de ondervinding leert dat duidlyk

; maar wy vinden , doorgaans , te

veel behagen in dingen die ons zo veel

niet behagen moesten , om dat

z y Van

kleine waarde zyn ; en wy nemen wel

eens voor die Sympatie , iets , \

w eIk

dien naam niet verdient. Mooglyk verftaat

gy dit nog niet : de ondervinding

zal het u dan moeien leeren , gelyk zy

het my , en zy alléén , kon leeren. Begin

uwe Vriendfchap niet door het ver-

trou-


ONDERWERPEN. XXXVI. BRIEF. 3^5

trouwen ! het vertrouwen is het Zegel

der Vriendfchap. Hoe veel reden gy ook

meent te hebben , om over hem , dien

gy tot uwen Vriend verkiest , en die u

voor zynen Vriend verkiest , wél te denken

, draag oplettende zorg dat gy u onder

geene verplichtingen brengt ; voor al

hiet , in Geldzaken. Ik zal u niet zeggen

: „ gedraag u zo omtrent uw Vriend,

„ dat , als hy uw vyand wordt , hy U

>, niet kan benadeelen in de achting van

,, anderen , door uwe gebreken te ontdekken.

" Agtcrhoudenheid doodt de

Vriendfchap. Dat zeg ik , leef zodanig

, en denk zo edel , dat, indien uw

vriend uw vyartd wierdt j hy nog altoos

gedwongen zal zyn u te achten ,

lange na dat hy u niet meer bemint.

Maak niet fpoèdig Vriendfchap ; doch

als gy die gemaakt hebt , breek die

nooit ; moet uwe bevende hand , die

zagte fnoeren los maken ? doe het voorzichtig

! laaten zy niet breken : wie

weet het ? zy kunnen weer toegeftrikf

worden. Schik van uw Vriend alles in

dat gy maar kunt ; en denk , dat men

veel gemaklyker zich een Vriend kan uitkiezen

, dan hem behouden : maar ,

y 2

voor*


306 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

vooral wees gerust dat ik de Vriendin

van uw beltendig geluk ben , en dat

ik my daarom de moeite geef om zulk

een langen Brief aan u te fchryven.

enz.

NE-


ZEVENENDERTIGSTE BRIEF.

WAARDE

ZUSTER J

IVÏenigmaal hebben wy met elkander

gefproken , over zulke onderwerpen , die

de dwaasheden van beide Scxen ons aan de

hand gaven : Wy zeiden wel eens niet te

Weten , of eene vrouw met het voorkomen

eens mans , dan of een man, die eene

coquette naaapt het bclachelykst was ;

hier in waren wy het eens , dat zy beiden

even zeer afweken van die oogmerken waar

toe zy gefchapen wierden. Deeze gedagten

zyn weder hy my verlevendigd , door de

gelegenheid die ik heb om daagelyks een figuur

te zien , 't welk ik u zal befchryven

, onder den naam van de Eerwaarde

Heer Geurig ; die den kerkelyken ftaat omhelst

heeft , om dat 'er in zyne Familie,

eene zeer fchoone ftandplaats te begeven

was. Hy is bekent by de Dames, met den

naam van de Mooye Domifie ; hy is , voor

ZQ verre ik zien kan , het allcrkieschte

V 3

fchepr


$o3 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

fchepfel dat men zich kan voorftellen ; en

verfchilt zo veel van zyne brave Collega's

als een Officier van een' Rechtsgeleerden.

Als hy zyn dominees gewaad niet aan

heeft , en daar in ziet men hem nooit dan

als hy prediken moet ; is hy gekleedt in

* een Üchtpaerelkleurde rok , met witte zyde

gevoerd , een zwart zyden kamizool, broek

en kousfen. Zyne fchoenen zyn van zagt

hondsleer , by de Hernhutters gemaakt ,

en men zegt dat hy een zyner toonen die

de properheid zynes voets hinderde , heeft

laaten afzetten. Zyn pruik is niet al te ortodox

; want fchoon het openlyk kettery

zoude zyn , een zakpruik te draagen , zo

heeft zy echter het front van een zakpruik

; en de boucles zyn zo coquet by elkander

opgeki-uk , dat wy het volle gezicht

van zyn kostelyke diamanten ftropgesp behouden.

Zyne handen , die hy in amandelbrood

wascht , bewaart hy in witte kabretleeren

handfehoencn. Zyn Jabot is van de'

fynfte Brusfelfe kant ; en zyn zakdoek van

keurlyk batist , is bewierookt met al de

liefelyke reuken van Monfieur Rigagneau ,

Reuk werker' op "het Rokkin.

Hy is van voornemen om eerstdaags een

3'6!sje naar Vrankryk te doen ; met geen

ègdcr oogmerk , dan om zyne gegaloneerds


ONDERWERPEN. XXXVII. BRIEF.

3OQ'

de kleêren nog eens te kunnen dragen , nevens

zyn' degen en zakpruik ; maar hy ziet i

geen kans om zo veel beurten bezorgt te j

krygcn.

Ik heb dat jonkertje hooren prediken , en

kan u verzekeren dat zyne predikatie al zo

modieus , al zo zwierig was als zyn gewaad.

Hy nam zyn text uit het Hooglied ,

en haalde zo veele brokken van Griekfche

en Latynfche Dichtftukken aan ; hy maakte

zulke treffende fchilderyen van eenige zaaken

, die ik geloof dat niet veel nichten ,

dat ik die mooije Domine niet meer denk te

hooren.

^

Hoe gunftig men ook over zyn evenmensen

verpligt is te ooidcelcn , zo dunkt

het rny echter , dat deeze zotheid niet

door den beugel kan ; en dat men

geen groote gedagten kan hebben van een

man die zo geheel en al afwykt van dat betaamlyke

, 't welk de ftaat door hem aanvaard

, van hem eischt.

De agting die ik heb voor de order ,

doet my dit met te meer misnoegen zien ;

'er is iets zo ftootend in het uitwendige van

deezen mooijen Domine , en het amt dac

hy bekleed ! Ik befluit , uit dit uitwendi-

V 4 ë e >


3ï° BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

ge , geenszinds dat de Eerwaarde Geurig

een flegt karakter heeft , niets minder :

maar , ik kan het niet helpen , ik vrees

dat 'er in zyn hoofd iets niet zo is , als

het in gezonde harsfenen geftelt moet zyn.

Hy moest anders , dunkt my , zo dra hy

zjch vqorftelt welk een arnpt hy bekleed',

zich zelf vraagen : „ is dit een gewaad

„ voor een man , die van wegen zyn be-

,, roep , verplicht is , om eene Christe-

», Iyke gemeinte , de groote en heilige

,, waarheden des Euangeliums te verkondi-

„ gen ! kan ik de nederigheid , de zelfsver-

„ zaking van myne mede Christenen vorderen,

„ terwyl ik als een Petitmaitre met afgcpas-

?, te treden , den predikftoel opgedanst zyn-

,s de , ten all er ff erkft en toon hoe verliefd

„ ik ben op my zelf ; en hoe ik my door

myn opfchik onderfcheide van anderen" ?

De zucht van de vrouwen voor den opfchik

, is ons zo veel duizend jaaren verweten

, dat men wel moet toefiaan dat

'er iets aan zy ; doch is een meisje

piet duizendmaal verfchoonlyker , indien

zy van deezq zwakheid te befchuldigen is ,

dan die fex die zich zo zeer — zo zeer

gfootlyks boven ons verheven acht ? Verbfeld

u eens een dikken grooten Kajanus

W. Z£ ? v o e c Rhynlaqds , voor een toilet

, be-


ONDERWERPEN. XXXVII. BRIEF. $i

bezig " verbeeld u , dat hy zyn groot

breed aanzicht in den fpiegel bekykt ; zyne

wenkbraauwen verft en kamt , zyn fletse

kleur ophoogt met het een of ander

water ; een mouche legt. . . maar rk kan

het niet langer uitftaan ; terwyl zyn knegt,

-1 zo groot een pronker als zyn heer,

even veel werk maakt van zich zelf ; en

dat deeze twee groote poppen vervolgens

d e

ftad doorwandelen , met geen ander

oogmerk dan om de oogen der fex yder

die in zyn rang behooren , te trekken.

Ik heb het meermaal beweert , dat 'er zo

wel gebreken als deugden zyn , die voor

onze 'en voor de andere fex meer gefclnkt

fchvnen , dan wel anderen : 't i» ook zo

in dit opzicht. Een meisje dat te veel

moeite neemt om zich optefchikken , doet

iets kinderachtigs : maar een man d t

e z 1C

h

blanket en mouches legt , is een zedelyk

monft-r : & w e e c n i e t 5 n w a t k l a s f e h e r a

Te plaatzen ; ik kryg bezoek. Vaarwel !

y

s

ACHT.


ACHTENDERTIGSTE

BRIEF.

WAARDE

NICHT j

ieer gaarn kwvte ik mv van ^ —

Vigeer gaarn kwyte ik my van den aangenamen

last , my , toen ik affcheid van

" nam doo,.

u o p g d e g t

.

h y

^

» te fchryven , indien in de afgelegen

Provmcie , werwaards ik heen' vertrok

my iets aanmerkelyks voorkwam ; ik J.

dat ik nu occafie hebbe om u te

voldoen.

U , die uw Vaderland zo wel kent •

e e-

Be Geografiefche befchryving te geven

van het oord waarin ik my bevinde ,

z o^e

my m verdenking kunnen brengen , dat ik

my vry wat liet voortaan op myne wy ze

van

omfchryvwgen. Het is u wel bekent dat

deeze Provintie een geheel ander voorkomen

heeft dan het prachtig en fterkbevo

kt Holland : de menfchen verfchillen zo

wel m hun gewaad , als fpraak , en ma-

Bieren ; zo wel i Q

levenswy ze

, als in


ONDERWERPEN. XXXVIII. BRIEF. Sïg

begrippen, van hen, met welken zy

in rang gelyk flaan , doch die , door een

faamenloop van gcheele andere omftandigheden

, wel antipoden van deeze brave

gastvrye , doch eenigzinds minder befchaafde

menfchen fchynen.

Gy weet , waarde Nicht , dat ik daar

heen ging , om eene oude Zuster mynes

Vaders te bezoeken ; die , aldaar , op

een zeer fchoon landgoed , met drie haarer

doehters woont. De hartelykheid waar

mede Tante , en de drie- freules my verwelkomden

, kan ik niet befchryven ; en

'c zal nooit uit myn aandoenlyke ziel ge*

wischt worden. Ik .kan 'er wonderlyk wel te

regt komen ; en de Dames houden my

voor een jongmaa die zyn familie geen

oneer aandoet i want , dat gy St weet J

de oude Dame heeft het landzwak I Zy

loopt hoog Set haare familie J en heeft

zelf een ftamboom getekend , ettelyke

vellen groot , waar uit blykt dat uw onderdanige

dienaar , nog een oudeigen op

eenige voorrechten heeft , alleen aan den

adel gefchonken. Het landgoed is wel

zes uuren van de naastgelegen ftad j en,

die ftad zou in Holland naauwlyks den

naam van een dorp kunnen draagen. Ik

vond myne Nichten nog in japonnen

met


3^4 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

f

met flarys, fchoenen met zilveren neu.

zen , het hair in eene bouclé gekruld -

en Tante , prefideert alle daag , aan de

theetafel , met een magtigen grooten hoe,

pelrok aan, en een zwarte, met groene zyde

gevoerde flodderhoed op ; oordeel'

uit dit weinige , hoe ver zy uit deq

trant zyn.

Maar om tot myn eigenlyk Onderwerp

te komen. Ik ondervind dat het geloof

m hexen , in fpooken , i n

voorbeduidzels

hier nog in volle kragt is : en dat de

Heeren Predikanten hier niet behoeven te

?veren tegen de gevoelens van BEKKER ,

die m onze gewesten , zulke onherftelbaren

nadeden , aan het ryk des duivels ,

enae zyne werktuigen heeft toegebragt 1

Hier is men nog zo by , _

c n o v

loovig als in die daagen , toen de fchrandre

keizer KAREL DE VYFDE ,

D E

waag te Oudewater autorifeerde , om elk

die van Tovery verdagt was te moeen

ö

wegen.

Daags na myn aankomst ; viel myn oog

op een paardenhoef , die op den drempel

van de Huisdeur , wel vast genagelt was.

Tante ziende dat ik de oorzaak daar niet

van begreep , zeide my met veel ernst,

4?


ONDERWERPEN. XXXVIII. BRIEF. 315

dat zy dit deedt om het kwaade voornemen

te verydelen , 't welk zeeker oud

wyf , dat een kol was * hadt , om het ^

Huisgezin te benadeelen ; om dat .de kol

gezien hadt , dat de kleine Frans , een

kleinzoon van Tante , twee ftrootjes

„ kruiswys over elkander lei ; dewyl hy

hadt willen zien , of zy daar wel over

zoude kunnen komen ! Nicht Betje voegde

'er by , dat zy dikwyls met haar eigen

ooren gehoort hadt , dat het oud wyf ,

'z welk zy kromme Bregt noemde , in

haar zelf mompelde ; en zeker het onze

Vader van agter af opzeide. Ook hadt

het oud fchepzel aan haar dikwyls om een

fpelt gevraagd ; doch dat zy daar wel

op paste om haar nooit iets fcherps te

geven , op dat zy het niet betoverde.

Tante vertelde my , vervolgens , dat

freule Lotje , nog zeer jong zynde ,

zware ftuipen hadt gehad ; en dat zy het

kind v/aren aangezet door eene andere ou- >-

de Toveres , die ook , door den Duivel

in een fchriklyk onweder , was weggehaalt.

Toen ik de eerfte avond naar bed zoude

gaan , maakte Tante honderd duizend

excufen , om dat zy' my niet in het beste


3l6 BRIEVEN OVER. VERSCHEIDEN

te vertrek lei : doch daar in zei ze , i s

niet geflapcn zedert de dood van eene

oude Waschvrouw , die 'er nog droevig in

fpookte. Zy geloofde dat de oude fukkel

ergens geld hadt weg geflopt, en

daarom niet zou rusten voor zy het aan

den eenen of den anderen gewezen hadt :

myn Nicht Betje voegde 'er by , dat zy

eens van oogmerk was om het haar te

vraagen , doch dat , toen zy aan haar bed

kwam , haar den moed ontzonk.

Thans is de goede Familie door zeker

voorval in groote benaauwtheid .' Hoor

het geval zelf. Snap , de groote Hofhond

i hadt al twee nagten allerafgryfelykst

gehuild ; en dat was een zeker voorteken

dat 'er iemand , daar in huis , flerven

zal. De Kamenier, (ja Nicht, de

Dames hebben hier ook Kameniers , doch

-al zo onderfcheiden van de Haagfche ,

als hare Dames van , du Bonton ; } de

Kamenier hadt, dien zelfden ogtend , een

Hen zeer duidelyk , en tot tweemaal tos

hooren kraayeh ; en dit fpelde \ nog ja

ruim zo veel kwaad ! — Zy verhaalden

my , dat Snap , kort voor Ooms dood ,

zulk een ysfelyk geweld maakte , dat het

niet was uitteflaan ; en Tante hadt het

Tikkertje , of het doodklokje , zo duidelyk


ONDER.WER.r-EN. XXXVIII. BRIEF. $f|

lyk gehoord , als of 'er een orloge hadt op

de tafel gelegen ; en de meid die by

Oom waakte , hoorde een klok luiden boven

0p de zolder , zo als Oom ftierf.

Onder deeze droevige verhaalen , die ik

echter om voor geen Athcist door te gaan

zeer oplettend aanhoorde , hoorde ik Nicht

Lotje tegen haar zuster Mietje ftilletjes

zeggen : ik vrees dat onze Moeder fterven

zal ; ik ruik zo een nare lucht , net als

van een lyk. Dat zelfde Mietje , hadt ,

nog geen dertien jaar oud , haar oudfte

Broeders geest in den hof zien wandelen ;

en negen maanden daar aan , kwam 'er

tyding , dat hy op dien zelfden dag , f*

op dat zelfde uur , aan de Caap overleden

was , dat de Freule zyn geest gezien

hadt.

Men heeft hier geen denkbeeld van Hol-»

landfche zindelykheid : zo rasch een van

ons in deeze herfst dagen , van koude

klaagt , legt de knegt een fchoon luchtig

houtvuur aan : en dit geeft my occafie

tot nog meer ontdekkingen. Zo rasch 'cr

een vonk uit het vuur fpringt , zien zy

fchielyk of het een Beurs , dan of het

een Doodkist zy. Lang voor myne komst,

wist men wel dat 'er iemand zoude komen

; want zy hadden een vreemdeling

op


S l 8 B RIE VÊ N OVER VERSCHEIDEfï

op het voorland gezien. Freule Lotje zou

niet gaarn het bewind over de tang aan

iemand af/taan ; om dat , als zy het vuur

verbetert , het dan altoos vrolyker brandt;

. en dat is een teken dat zy een zeer vrolyk

man zal krygen ; hierom is zy ook

wel te vreden , dat zy altoos op de

kaert verliest , want dat verzekert haar ,

dat zy een goedaartig man zal hebben.'

De kaaj-s is geen minder orakel dan het

tuur ; zy zien 'er doodcelen , blyde en

droevige brieven in : en als hy blaauwagtig

brandt , dan mag ik wel gerust zyn

dat 'er een geest in de kamer wandelt.

Wy hebben noch almanakken noch weêrglazen

van noden , om te zien of het

regenen zal of mooi weer zyn. Als Tantes

lykdoorns fteken , dan zal 'c onweeren

; als 'er een fpin langs den fchooriteen

kruipt, als de zwarte vogel fchreeuwt.;

dan zal 't braaf regenen. Maar' daar zy

het meest opafgaan is de ciperfche kat , die

altoos op de warme plaat ligt te flaapen.

Zo de kat haar Haart naar het vuur

draayt ; harde vorst ! zo zy haar voeten

likt ; reegen of fneeuw. „ Wel wie

hier toch komen zal , zei freule Mietje ,

dat Poesje haar poot zo over haar rechter

oor heen ftrykt " ? Maar genoeg '

ik


ONBRRWMPEK. XXXVIII. BRIEF. 3*9

vrees u reeds te verveelen met deeze dwaasheden.

Mag ik u nog het volgen ie melden

? Ik fchryf aan u , waarde Nicht ,

al aan iemand , die door zulke berichten

uwe kennis van het menfchelykhart uitbreidt

; en ziet hoe veel het lcezen van

verftandige werken ons kan wapenen tegen

zulke buitenfporighedcn. Zout laten vallen

, mesfen kruislings te leggen , voorfpeld

ongelukken. Een fpeld met het hoofd

naar u toe , h een voorteken van geluk ;

ook als u een vreemde hond volgt. Ik

hoorde van ogtend dat freule Betje tegen

de Keukenmeid zei 1 Griet, fy kookt al je

vryers weg ; om dat jy het vaatwater zo

laat over koken."

Geen lid van ons lichaam , of kan ons

iets aanduiden. Een vlek op de nagel is

een prefent. Freule Mietje zal een man

meer hebben dan freule Lotje , om dat

z y

een rimpl e méér in haar voorhoofd

heeft i dan , Lotje zal veel meer kinderen

hebben , om dat haare vingers meer

knakken. Als uw regter oog jeukt , dan

zult gy lachen ; doch jeukt uw Koker dan

fchreyen. Jeukt u wenkbraauw ? dan zult

gy een vreemd meisje zien : en als 'er

u een huivering door 't lyf gaat > dan

gaat 'er iemand over uw graf.

_^

I. DEEL. X


320 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

Ik zou u , waarde Nicht , nog veel

meer kunnen opnoemen ; maar gy kun*

uit dit genoeg opmaken, in hoe groot

een crediet het Bygeloof hier nog is ; en

dat by menfchen die haar verftand zeer

wel , in andere zaken , hebbe ;

Want myne Tante is eene zeer achtingwaardige

matrone ;

Z V

houdt haare

goederen in zulk een uitnemende order •

en is eene zo goede huishoudfter , dat.

myne Nichten alle raooglyke gelegenheid

hebben om het tegendeel van onze fraaye-

Dames te worden. De bloozende frisheid

van haar gelaat , en de kloeke welgemaaktheid

haarer vlugge leden , hebben

zy zeker te danken aan den leefregel die

Tante doet volgen : en ook misfchien ,

om dat zy zonder veel moeite en kosten

geen Doctor kunnen krygen ; iets , dat

in geringe, onpaslykheden , niet te'vergen

is. Al dat kostbare , al dat nergenstoedienende,

't welk by onze vermogende

lieden , ter tafel gehragt wordt , i s

hie*

onbekend. Gefarceerde f P y s

• ken.


ONDERWERPEN. XXXVIlI. BRIEF.

32t

Foliant-bybel voor dén dag, ( een Vragt

Voor een knegt !) die wordt aan Tante' ,

met een lesfenaar gegeven ; en zo dra

de goede Dame haar vry dikke boterham

met roggenbröod , öp heeft , leest zy

ons eenige kapittels voor ; met al de

bewyzen eener ouwerwetfche , en des te

ongeveinsder , godvrucht : in dien tyd

inogeh de Nichten niets doen dan luifteren

; en de kleine Frans moet zo lang

zo ftil als een muis zitten. Dit ver- *

richt zynde , 'gaat yder zich aanklecden ;

toch zo huizeiyk , dat zy in ftaat blyven

, om al te döén wat voorkomt , en

liet werk van goede huishoudende vrouwen

is. Frans moet naar fchool ; dat is ,

haar de kamer van een Oud bediende ,

die door Tante nög wordt gehouden , en

nu zo wat voor rentmeester fpeelt. Gy

kunt naauwlyks geloven hoe deeze adelyke

Dames , door de Dienstboden bejegend

worden , 'er is iets zo ordentelyks in

deeze ondergefchiktheid , dat zy natuurlyk

fchynt. De knegts hebben dat aapachtige

puite maitfês air niet ; en de meiden

zyn allen hupfche , zindelyke ,

Deerns ; want , als ik zei dat men hief

geen denkbeeld heefc van Hollandfche zin»

dlykheid , dan maak ik het alleen bétrekiyk

tot het gebruik der huizen i al

X 2 hee


323 BRIEVEN OVER VERSCHEIDEN

het overige kunnen zy zeer wel mon«

fleren.

Precies ten twaalf uuren wordt de klok

geluid , en wy gaan aan tafel Goede

gezonde en wel toegemaakte fpys , is

hier in overvloed ; en wild ! nergens zo.

't Is hier wonder aardsvaderlyk ! wy

doen , behalven de Thee zeer veel maaltyden

, en ontbyten , alleen met de voortbrengzels

van Tantes goederen. Het Bier

wordt hier gebrouwen, het Bro d wordt hier

gebakken ; de Meê wordt hier geftookt.

Het kalfs- , het osfen- , het fchaapenvleesch

, de hoenders , de duiven , de

zwynen , alles is eigen goed. En het is

voor my eene aangename vertooning des

middags , in een groot vertrek , afgefcheiden

van de keuken , tien of twaalf

frisfchc gezonde meiden en knegts te zien

zitten , aan een tafel , veel beter toebereidt

, dan men by onze fchatryke Lieden

voor de booyen , ooit gezien heeft :

onderwyl dat zy eeten , komt Tante

eens binnen , (en eens voor al gezegt

hebbende , dat zy , aan tafel zittende ,

moeten blyven zitten , als zy , of de

Freules inkomen , ) ziet eens hoe het in

zyn werk gaat : vraagt deezen naar het

hooy , dien naar het koorn ; een derden

naar


ONDERWERPEN. XXXVIII. BRIEF. $23

haar het vee : belast de boerenmeid dit

of dat werk te doen ; en nu alles bezorgd

zynde gaat zy heen. Na een vol

uur aan tafel gezeten te hebben , wordt

'er weer geluid , en yder gaat zyn's

weegs ; wel voldaan , en wel gefpyst ;

tot dat de avond yder weer te zaamenbrengt.

Onze middagmaaltyd is doorgaans

ftevig genoeg , om ons des avonds niet

veel eetlust te laten. Sla , eyeren ,

rookvleesch , melk , befchuit , kcurlyk

bier , zie daar dit is hier een foupé voor

aanzienelyke menfchen. 's Avonds is 'er


324 BRIEVEN OVÈR VERSCHEIDEN

gefticht zy O en dat is geen werk dat

ik verkies. Maar dat jonge lieden , die

hier wél gezeten zyn , en opgeleidt worden

om hunne góederen wél te bellieren ,

naar Holland komen , dat is voor my

onbegrypelyk ! Hunne middelen , daar

overvloedig toereikende , om hun alle de

genoegens , en betaamlyke gemakken te

bezorgen , zyn niet toereikende , om ,

in zulk een duuren Provintie als de onze

is , met eenig aanzien te leven.

Doch de converfatie is 'er , zo gy het

gulle gastvrye 'er afneemt , allerelendigst.

Deeze menfchén weten niets van de nutte

vorderingen in kunften , en geleerdheid

; hunnen horifond is nog niet genoeg

opgeklaart , om den zegenenden invloed

der ware kennis te ontfangen ; zy Ieezen /

niets dan oude Nieuwspapieren , voddige f

, Romans , flegte historiën , en apoftillen I

van de voorige eeuw.

Myne Nichten hebben waarlyk veel vernuft

, hebben fchoone ftemmen , edele

gevoelens ; doch het zyn , onder ons ,

ruwe diamanten : maar gy waarde Nicht ,

zult misfchien zeggen , „ dat , zo zy

„ het fautbrillant der groote HoIIandfche

„ waereld misfen , zy ook bevrydt zya'

„ van


É

ONDERWERPEN. XXXVIII. RRIEÏ. 3^5

„ van die gebreken , die men in de wel-

„ levende byeenkomften , veel al , onge-

„ merkt , aan neemt."

Het is zo zelden myn deel gelyk te hebben

, als ik met u verfcheel , dat het

mooglyk nu ook zo zyn zoude , en daarom

zal ik het aan zyne plaats laaten.

Zo men eenige weinige lieden van fmaak,

en kundigheid kon bewegen , om hier met

hunne E-ibliotheeken en muziek zich neer

te zetten ; ik geloof , dat myne nichten

in weinig tyd zo wel kundige , en lees^

gierige meisjes zouden worden , als zy nu

zeer braave en zeer hupfche Dames zyn !

ééne Familie , maar van dien aart , en

een lieve vrouw uit dit kwartier , mits dat

ik de middelen had , om hier als een fatzoenlyk

man te leven , zouden my doen

beüuiten , om hier te blyven ; wagt nu

in weinige weken te rug uwen ootra.

dienaar en Neef,

X 4

Nli-


E R R A T A .

Pag. Regel. Staat. Lees.

2

2 behout behoudt.

25 2 vanonder Daar gehraifch dat algebraifch.

57 10 heeft; heeft,

C3 2 van boven my

w y

84 11 een

g e en

112 laatfte regel Vrienden Vriendin

1 1 7

2 3 1 1

4 gedeeltelyk gedeeltelyk gelyis

PreJakatie

T53 10 haar maar

Predekatie,

267 6 van onder ikhe m ik hem

J

9° 13 Die in die

192 23 en 26 hem hem hem

3 0 3 6

dit, in 't (voor- dit,(in't voor*

bygaan,)

bygaan;}

3 0

4 7 uitwydinng uitweiding

2

4 r S my reeds ieeds

355 1,5 dien gy gy.

More magazines by this user
Similar magazines