geschiedenis

resources4.kb.nl

geschiedenis

BEKNOPTE

LETTERKUNDIGE

GESCHIEDENIS

SER

SIJSTEMATISCHE

BOOR

A. Y P E IJ,

Hoogheraar te Groningen.

BBBSTB

PEEL.

TE GRONINGEN, BIJ

J- o O m K E N s


Ea vivimus Tempora, quibus sub librorum mole faliscit

propemodum orbis, certe ingemiscit ecclesia: qui nun.

quam melius fuit, quam quando sua se inooloens credendi,

amandique sancta simplicitate , proeul omni

oitilitigandi prurigine , ab unius Domini ore pendebat ,

castamque veritatem ex Mis solum scriptis hauriebat,

qua et Davidem. sapientiorem fecere omnibus doctoribus

suis, et hominem Dei perfeetum reddere possunt, ad

omne bonum opus perfecte instructum.

WTSIUS.


BEKNOPTE

LETTERKUNDIGE

GESCHIEDENIS

D E R

SYSTEMATIS CHE

GODGELEERDHEID:

INLEIDING.

t

Bekeven wij tijden, waarïn een zwar-iNLEü

te damp van fchadelijke dwaalingen het DING.

verftand van veele Kristenen verdonkert,

en een woelziek gezwets van wankele

twijfelaarij en loszinnig ongeloof hun

hart verwildert, iets voorzeker, dat

aan den eenen kant den egten vrienden

van het Kristendorn ftof tot droeve bejammering

geeft, maar toch ook aan den

anderen kant hen in den weg der hemelfche

voorzienigheid aanfpoort, om

de gewigtige heilleer van JESUS KRIS-

TUS met allen ijver en met eene onbevooroordeelde

naauwkeurigheid opzet-

Jjk te onderzoeken, en van alle zijden

bij het heibrandend Bijbellicht te befchouwen:

- Wij beleeveH dan thands

ook tijden, waarin men meer en volkomener

overtuigd wordt van de zekerheid,

noodzaaklijkheid en genoegzaam-'

A

heid


a Beknopte Letterkundige Gefchiedenït

IN LEI-heid der kristlijke Godsdienstleer. Het

DING. hcht der waarheid doet bij veelen de

vaale fchemering van dwaaling verzwinden,

terwijl de befchroomde twijfelaarij

en het fchuuwe ongeloof niet zelden voor

de overmagt eener onverwinbaare overreeding

de vlugt neemt. Wij bekeven,

God zij gedankt! tijden, waarin de heerlijke

Evangeliekennis, en de hemelfche

geloofsleer van onzen geliefden Verlosfer,

in haare oorfpronglijke zuiverheid

meer voor den dag komt, en ontkleed

van allen zwierigen flelfelpronk en kerklijke

optooifels in haare eenvoudige fchoonheid

meer gevallig en aanminnig wordt.

Vooral in het laatfte tijdvak van deeze

na het einde fpoedende Kerkëeuw is ieder

wakkere waarheidvriend , die zich

van de banden eener flaaffche willekeurigheid

ontgespt, en zich onder de heldere

ftraalen van te regt wijzend hemellicht

, bij eene onpartijdige leezing

en omzichtige beoordeeling der gewijde

Evangeliefchriften van JESUS en de A-

postelen ntêrgevlijd heeft, er op uit,

om den onfehatbaaren Godsdienst, dien

wij belijden, van al het morzig fchoolftof,

dat denzelven zo dik is aangeftooven,

te reinigen, en in zijnen- voorigen

luister, zo als dezelve in zijne eerfte

fiichting bij eiken onbevooröordeelden

waarheidzoeker allen bijval vond, en

beminlijk was , te herftellen. —— En

ook in deeze zo wel gemeende onderneeming

flaagt men. Deeze zo uit

inua-


der SystematifcJte Godgeleerdheid. 3

muntende en voortreflijke Godsdienst ziet 1 N L

E

er bn elk , dien de oogen flechts ee-

D

1 N,

mgermaate verhelderd zijn, thands heel

anders uit , dan in vroeger tijden.

Men leert deezen Godsdienst van lieverlede

kennen, zo als Hij uit de reine

hand yan den eenvoudigen, Hemehchen,

Oodhjken JESUS kwam, in zijne verneven,

fchoone, hartroerende, krachtijrwerkende

, troostfchaffcnde natuurlijkh

. e u i 0 h o e

7

veel verfchilt*ziin

uitwendig voorkomen reeds van dat in

voonge dagen!

1 i

: Het is dan voor ons van eene onbeïekenbaare

waarde, dat wij thands he£

onkruid van de tarwe leeren onderkennen

en het menschlijke van het Godyke

beginnen te fcheiden. Hoe veelvuldig

dit onkruid en hoe meenigvoudig

KriSTr^^^9 tCn amizien v a n

^

jnsüijke Godsdienstleer, moet eiken veritandigen

Leer*» en ieder kundigen Kristen

dra blyken, wanneer hij de zaak

gaar naauwkeurig bij het licht bekijkt,

«y bepaale er zich eens toe, om het

i estament met gezetten ernst, met

naauw,


4 Beknopte Letterkundige Gefchiedenit

INLEI-

D I N U-.

chiedenis, en vooral hunne brieven. Hij

lenke, hij redene, hij bidde, hij oor-

3 e e

l e

, hij doe der waarheid hulde

en dan vorme hij eens een Krjstlijk

Godsdienstftelfel, (*) niet zo als hij

bet wenscht, maar zo als hij het werkiijk

meent te vinden in den Bijbel. Het

eerfte voordeel, 't welk hij hier van

hebben zal, is, dat zijn fteJ&l dan geen

memchlijk , maar een Godlijk itellel zij.

Entiu neeme hij dan eens zijn Systema,

het fchoolfystemi van zijn Kerkgenootfchap,

in handen; hoe veel fchuim

zal hii op het goud befpeuren! hoe vee-

Ie gevoelens van oude eerwaardige Vaders,

die uit een bevooroordeeld brein,

of" uit de fchool van deeze en gene

Wrsgeerige fekte hunne afkomst hebben,

gevoelens, die met allerlei nietsbetekenende

fpitsvindigheden doorvlochten

zijn

C*5 Uit de brieven der Apostelen vooral kan een

volledig Godsdienstftelfel vervaardigd worden; in

dezelven toch vindt men de voorname hoofdleefingen

van het Kristendom en de u tmuntendfte zeflelesfen

.vooreen Godzalig leevensgedrag. De brief

van PAULUS aan deBFElieas is hier in tbezondere

aanprijzenswaardig: dêe'.e br ef toch behelst

in zich de hoofdzaak» keieer van den geheelen

Godsdienst Zie B E A U S o C R. B en L'E N F A N T

over 't N. T. in de voorrede bi) deezen bnet

€ XVU KRIBBE fchrijft Hl zi ne Voorrede

voor de verkïaiing van dien brief, dat dezelve in

zich bevat eene volkomen Tkeologia Theorettcopractica,

(eene leerftellig-verkdaadige Godgeleerdheid.)


d&r Systematifche Godgeleerdheid, 5

Zijn, zal hij verhaspeld en verweeven zien IN LEImet

de Evangelielesfen van KKISTUSDING

I i i G

en de Apostelen. (*>

'

En

t

O Men veste zijne aandacht bij voorb. eens

op het Systenmifche leerftuk der rechtvaardig,

maatwg, zo tis het doorgaans genoemd wordt -

beter waare zeker het w o o r d w W t o . —

Om zich van dit leerftuk juiste gedachten te vor-

»en,verbeeld:menzichgemeenlyk een woelig tooneel

waarop de G.odlijke Vierfchaar

g e

f P


wordt en waar acht bezondere perzoonen optreeden:

de Rechter, de Gedaagde, de vijf Aan.

klaage, s, —_ Deezen zijn de Duivel, de /Vet, het

Geweeten , de Zonde en Gods gerechtigheid, - en

ll ^oorfpraak. De Aanklaagers brengen hunne

befchuldigingen in tegen den Zondarr bij der,

Rechtvaardigen flemelrechter, en klemmen dezeiven

aan met de krachtigfte bewijzen. T)e Rechter

moet recht doen, en dagvaart voor zijne vierfchaar

den met zo veel misdrijf beu jgden zondaar:

deeze verfchijnt: maar de krachtigwerkende bewustheid

zijner fchuld belet hem, i ter zijne

e s

verdeedigmg m te brengen, en hij beroept zich op

z.jnen Voorfpraak , c.ie hierop voor hem bij den

Rechter intreedt, zijne zaak handhaaft, en hem

Vrijpleit met datgelukkig gevolg, dat het VOnnis v-ï

den Rechrer wordt uitgefproken ten voordeele va

den Zondaar. En nu is de Zondaar gerechtvaardigd,

vrij verklaard vrn de fchuld en ftraf der zonde,

enyan hetheerfchend, zonderecht; en hem

volkomen aanfprnak gcg het verworven'

e v e n o p

hemelgoed. -

D e

Zondaar gaat heen: en de

Heilige Geest wordt uitgezonden, om hem dei,

bekrachtigden en verzegelden pardonbrief te brei

gen Dit is de voordrage van de Leer der

Rechtvaardiging die wij in onze Schoolfche S v«

tema vinden Maar, ei lieve! hebben JES-JS -

de Apostelen ons dit geleerd ? leezen wij dit ;„

^ 3


6 Beknopte Letterkundige Gefchie&enis

ÏNLEÏ En zo wordt het voor elk oordeeï-

DiNG. Mumdigen Kristen oogenfchijnlijk en duidlijk,

den Bijbel ? 't Is zo, God wordt de Rechter def

ganfche aarde genoemd, GEN. XVIII: 25. JE>

sus KRISTUS wordt de Voorfpraakvan zondaeren

geheeten; 1 JOH. II: l- Maar waar komen de

Duivel, het Geweeten enz. voor als aanklaagers in

Gods vierfchaar ? Men beroept zich OPQPENB. XII.

s 10, daar de Duivel de verklaager of de aanklaager

der broederen genoemd wordt. Dan uit

het verband is het blijkbaar genoeg, dat er gefproken

wordt van menfchen, die reeds gerechtvaardigd

waaren, en niet van zulken, die nog

onder de fchuld en den vloek lagen : de fpreekwijze

van de broeders nanklaagen betekent daar zo

veel, als de broeders lasteren , fchelden men vergelijke

de pl. van ZACH. III: 1, die ookveela!,

doch te onrecht, hierbij aangehaald wordt En wat

het geweeten aanbelangt: dit kan nooit aangemerkt

worden als een' befchuldiger of aanklaager des

zondaars bij God, maar wel alleen als een inwendig

befchuldiger des menfchen bij zichzelven. 1

En

zo komt het ook voor ROM. II. 15, welke plaats

hier ook doorgaans, dus oogenfchijnlijk tegen de

bedoeling van i> AU LUS , wordt bijgebragt. Dit

gar.sch tooneel van rechtspleeging of Litiscontcstatie,

zo als men het met een onduitsch woord

pleegt te noemen, Is dus geheel Systematisch e»

Scholastiek. — Men denke evenwel niet, dat ik

de Leer der rechtvaardiging tegenwrijten wil: neen:

deeze leer is eene Bijbelfche,maar, gelijk alle Bijbelleer,

eene eenvoudige waarheid. 'Zo dra een.

Zondaar zich bekeert en gelooft in KRISTUS,

" wordt hij uit kracht van de voldaadige gerechtigheid

diens Rechtvaardigen, die het waare Zoenoffer

is voor onze Zonden, een vriend en gunfteliug

van God , en dus vrij verklaard vandeftraf

der Zouden, daar dezelven hem vergeeyan zijn

HAK»


der Systematifche Godgeleerdheid. 7

lijk, dat er een hemelsbreed onderfcheid 1 N L

E

Zij, tusfchen den Kristbjken Godsdienst DING

en de Systematifche Godgeleerdheid. —

DeKristhjke Godsdienst toch is de Godlijke

heilleer, die ons in de gewijde

fchriften geopenbaard is; en ons onderricht

geeft, van het gene elk weeten,

gelooven en betrachten moet, om

in dit en in het toekomftige leeven gelukkig

te_zijn; en de Systematifche Godgeleerdheid

is eenemenfchlijke, geleerde

en fpitsvindige weetenfchap, die in veelerlei

wijsgeerige omkleedfels ingehuld

en met allerhande kunstwerk opgepronkt

is; eene weetenfchap niet alleen van God

of van den eigenlijken Godsdienst, maar

van alles, wat op den Godsdienst en

deszelfs gefchiedenis flechts eenige betrekking

heeft. Men geeft haar

den

HAND. II. 38. ROM. V. 1 en 2. in welke Iaatft»

plaotze deeze waarheid eenvoudig worde vooreedraagen:

„ Wij dan," fchrijft pAVLUS hier"

„ wij gerechtvaardigd zijnde door het geloof

„ hebben vreede (en vriendfehap) met God dooi

„ onzen Heere JE sus KRISTUS; nanwien

„ wij ook te danken hebben, dat wij door het

„ geloof tot dit groot genadevoorrecht moogen toe-

„ treeden , in t welk wij volftandigblijven, en vol

„ blijdfehap zijn over de hoop op die heerlijkheid

„ (welke ons) van God (beloofd is.De rechtvaardiging

is dus eene eenvoudige, eene

Rechterlijke, ja, maar ook eene Vaderlijke

daad van God , men vergel. hier 1 1 OH. II. r 2 3

en MATTH.VI. 14 en 15. Confer c AL\INI 1 In/.

Ch. Rel. L. III. C. XI, §2 et DOEDERLEIINU

InJt.Th.Ch. £dit. receniisf. P. II. pag. 363 et "ó*

A 4


% Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

fN LEI-den naam van fystematisch, omdat zij

O ING. alle de hoofdwaarheden van het kristlijk

geloof als één geheel fystema of fielfel,

in zulk eenen zamenhang en in zulk

eene orde voordraagt, dat fteeds de

eene der andere ten fteunfel zij, en

ze allen in een fchoon en gefteevigd verband

zamenzitten (*). De Godsdienst ziet

men dierhalve, is algemeen, voor het

volk, en de Godgeleerdheid alleen bezonder,

voor de fchoolen. De Godsdienst

is vóornaamlijk voor het hart,

en de Godgeleerdheid meest voor het

verftand. De Godsdienst doet ons leeven

överëenkomftig de beste bevattingen, welken

wij van God en zijnen wil verkreegen

hebben; en de Godgeleerdheid doet ons

alleen dus of zo over J E sus leer denken.

De Godgeleerdheid is dus

de dop , waarin de Godsdienst, die de

kern is, ligt ingeflooten Cf).

1H.

(f) Vide T ITT MAN NI programina de discri*

mine Theologia '& 'religi/Mis* rcfiptttin anno 1782.

Conferri posfunt j. c. ROSI^NMULLERI de Chrisiiana

Theologie origine Liber. pag. 18. LA U-

R. E N T 11 MEIJF.RI oratio, de avertend», quod religionum

diverfitas éficere posfit ,damno ,pag. 55 -59,

ubi prater hanc dillinétionem Theologïam definit,

quod fit religionis involucrum G? cortex, cujus ett

nucleus est, quaji & meditullium ; et DÜEDER.

IEINII 1. 1 P. I. pag 213.— Zieook TEIJLERÏ

Gen. XI. D. bl.cj'-, en 582

Dit onderfcheidtusfchen den Godsdienst en de

Godgeleerdheid'is niet eerst nu opgemerkt; E R A S-

MUS reeds in zijnen tijd kende hetzelve: vergel.

ROSENMULLER in 't.ftraks a. b. pag. 16. Dari

meestal wordt hetzelve geheel niet in achtgenoi

men.


der Systematifche Godgeleerdheid. $

III.

Daar het dan thands bij veele oordeelkundige

Kristenleeraars en weldenkende

E vanmen.

Hoe zeer verwart MARCK bij v. niet den

Godsdienst eu de Godgeleerdheid onder elkander, m

zijn bekend Sijstema C. i. §. 5. • En uit

zulk eene verwarring zijn 001 fpronglijk de beuzelachtige

onderfcheidingen van Theologia Archetypa

en Ectypa , voorbeeldige en af beeldige Godgeleerdheid;

waar van de eerlte, aan God zeiven wordt

toegefchreeven ; en de tweede weder verdeeld

wordt in eene Thetlogia unionis, vifionis & fladii

eene Godgeleerdheid van ver'ceniging, die aan

KRISTUS, van gezicht, die aan de Engelen en

Zaligen, en van het ftiïjdperk, die aan de menfchen

in dit leven wordt toegekend. Vergel. onder

anderen MARCK. U J.7, 8,510. en VITRIXGA,

Doïïr.Ch. Th. § 9 — Ei lieve! waartoe zijn toch zulke

fpitsvindige en uirgeploozen onderfcheidingen dienftig

en gefchikt? eenigli, k om den gemeenen man, dien

men zulk eenSys'tema, : als dat van MARCK en anderen

in de handen geeft, ten einde er de heilwaarheden

van den Godsdienst uit te leeren kennen,

in een verveelend dwaalhofvan verbijsteringen

te brengen, en hem een' afkeer van de edelfte en

nuttigde weeter.fchrp in te boezemen Maakte men

er Hechts gebruik van op As Akademiën, fchoon

ze daar ook geen nut hebben kunnen, dit waare

nog ver-fchoonlijk , maar men fteltze het volk .

den ruuwerj boer, en den ongeletterden handwerker

, —— als wigtige waarheden voor, men laatze

hen in 'tgeheugen prenten; en meénïg eenvoudig

menfch, die er zich op afgezweet heeft, om ze te

kunnen opnoemen, fchoon hij er niets van verftaat

verbeeldt zich daar door, zo als men het noemt'

heel fchrander in de waarheden te weezen; terwijl

anderen een' geweldigen tegenzin in het géheele

Godsdienstonderwijs krijgen. Zeker ten aanzien van

A 5

des

INLEt-

DING.


ïo Beknopte Letterkundige Gefchitdenis

t N L E i- Evangeliebelijders eene uitgemaakte zaak

DING. diende te weezen, dat er een groot on- /

derfcheid is tusfchen den Godsdienst en

de Godgeleerdheid, en het zelve wel

degelijk moet in acht genomen worden,

zo in het beftudeeren, als in het onder­

den gemeenen man mooge men het bekende zeggen

van OVIDIUS

wel in den mond van MARCK en

andere even fpitsvindinge Systemafchrijvers leggen.

Barbarus his ego fum , quia ntn intelligor ulli.

Mogten toch deeze geleerde mannen bij het

fchrijven van hunne leerftelels, en vooral de genen

, die dezelven door eene dikwerf onverftaanbaare

overzetting' voor het volk leesbaar maakten,

om die woorden van o v i D i u s gedacht hebben!

'i Gene de Heer D'ALEMBERT fchrijft

in zijne Melanges de Litterature, d'Hifl. & da

Pkilof. P. IV. §. IV. pag. 34, is hier zo ter

fneede, dat ik er niet van tusfchen kan, om

hetzelve aftefchrijven. Les termes fcientifiques

rietant inventés que pour la necesfité, on ne doit

pas les multiplier au hazard ; on ne doit pat

furtout exprimer d'une maniere favante ce qu'on

dira ausfi bieti par un tertne, que tont le monde

peut entendre. On ne fauroit rendre la langue de

la raifon, (plustót de la religion Chretienne)

trop ftmple, & trop populaire : non feulement c'est

tin moijen de repandre la Imniere jur un plus grand

espace, eest oter encore aux ignorans un pratexte

dedecrierle favoir ( & principalement la Theoh'

gie.) Wanneer men het onderfcheid tusfchen

den Godsdienst en de Godgeleerdheid wel in

acht houdt, en tevens er van overtuigd is, dat

de Godsdienst alleen voor het Volk is, verzwindt

van zeiven al het fcholastieke bij het Godsdienflig

Volksonderwijs.—Verg. verder hiermede de Heren

VANHEMERT en JELGERSMA j TEIJLERS Godg: Gen: XI,

hl. 138, en 413.


der Systematifche Godgeleerdheid, JI

^

derwijzen van beiden; en daar men thands IN LEIhet

voordeel en de noodzaaklijkheid van DING,

de gefchiedkun.le der Systematifche leerftellingen

met doorzicht in de Kerkhirtqirie,

met eene geregelde vrijheid van Geest ,

en met eene onpartijdige Kritiek algemeen

begint te erkennen, kan het, mijns

dunkens,van een bezonder nut zijn,iets

in openbaar gefchrift te brengen over de

verfcheiden leerwijzen nopens den Godsdienst

, en over den oorfprong, den

voortgang en de lotgevallen der Systematifche

Godgeleerdheid, door alle eeuwen

heen, van KRISTUS af tot op den

tegenwoordigen tijd. En even dit

wakkerde mij op, om deeze verhandeling

te fchrijven , waartoe ik eigenlijk

nu overgaa.

Wij zullen ons de tijdperken, waarin

de leerliellige waarheden van den Godsdienst

voorgedraagen, en al fpoedig in

het kleed eener fchoolfche Godgeleerdheid

geftooken,tot ons overgekomen zijn, in

deeze orde voorftellen. Het eerfte tijd- .

perk loopt van KRISTUS tot aan het

einde der tweede eeuw, het andere

tijdperk loopt van het begin der derde

eeuw tot aanJUNILIUS den Afrikaan,

en ISIDORÜS van Seville , die in de

zesde eeuw leefden ; het derde tijdperk

van JUNILIUS en ISIDORÜS tot op

de Scholastieken in de twaalfde eeuw;

het vierde tijdperk van de Scholastieken

tot aan de tijden der hervorming; het

vijf-


IG Beknopte Letterkundige G-efchiedenü

IN LEI-vijfde tijdperk van. de hervorming tot

DING. in de zeventiende eeuw; het zesde tijdperk

door de zeventiende eeuw heen

tot aan de achttiende ; en het zevende

of laatfte tijdperk van het begin der achttiende

eeuw tot op den tegenwoordige»,

tijd.

EER.-


EERSTE AFDEELING:

HET TIJDPERK

HET EINDE

VAN KRISTUJ TOT AAN

VAN DE TWEEDE

EEUW.

W

IV.

ij hebben in onze Inleiding §. II. EEUW?

reeds op den voorgang van verfcheiden

Geleerden aangemerkt en duidlijk

aangeweezen, dat er een groot onderfcheid

is tusfchen den Kristlijken Godsdienst

en de Systematifche Godgeleerdheid.

De Godsdienst nu is onveranderlijk

en moet (leeds blijven, wat hij

is: maar de Godgeleerdheid is veranderlijk,

en aan allerlei wisfelvalligheden onderworpen,

niet alleen ten aanzien der

manier van voordragt, maar zelfs ook

ten aanzien van haare zekerheid, Hevigheid

en uitgebreidheid. De Godsdienst

is van eene hemehche, Godlijke, afkomst;

maar de Godgeleerdheid is van eenen

aard-

L


14 Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

i. aardfchen, menfchlijken oorfprong. De ;

ÈEUW. Godsdienst isdus, daar hij den onvcrander-

' lijken God ten ftichter heeft, door alle eeuwen

heen dezelfde gebleeven, en zal in de

toekomst der tijden ftaêg blijven 'tgene

hij is, en zijn moet. Maar de Godgeleerdheid

heeft, daar zij eene van wisfelmoedige

en onbeftemiige menfchen uitgevonden

weetenfchap is , even gelijk

alle ondermaan fche kunften en weetenfchappen,

fteeds de groorfte veranderingen,

verfchikkingen en vervormingen ondergaan

(*). • En even dit, zo kort

«ons mooglijk is, met eene duidlijkeklaarheid

aantoonen, waare ons oogmerk ia

dit gefchrift.

6

V.

De eerfte grondvesten der Systematifche

Godgeleerdheid zijn geleid in de

tweede Kerkëeuw door Platonifche wereldwijzen,

die het Kristendom omhelsd

hadden (f). Reeds in de'tweede eeuw on-

2er Kristlijke jaartelling, toen de grens-

paa-

(*) De Geleerde C. W. F. WAL en leeft in

Zijn werkien , getijteld , gedanken von der gefchichte

der Glaubenslehre , twee hoofddeelen over de

verandering der Godgeleerdheid gefchreeven, 't

welk wij den vrienden dei waarheid hier aanbeveelen.

Conf. ROSENM. de Thcol. Christ. orig. Lib.

•pa". 19, et 126; & refte omnino in hanc rem fa»

jam tempore disferuit TERTULLIANUS ; De virgitiU

bus veland. C. ï. citatus a Clarisf. MEIJERO in

Cr at. fupra laud. pag. 57 et 58.

CD Vergel. ROSENMULLÉR , Verhandeling »vet

v J

ie»


der Systematifche Godgeleerdheid. 15

paaien van het met allen zegen begun- 7

ftigd Kristendom werden uitgezet en

E EJw.

JESÜS heilrijke Godsdienst in de Oosterlche

en Westcrfche wereldlanden bij

met weinigen van de voornaamden des

Volks allen bijval vond, waaren eronder

de nieuwe Evangelievrienden veele kundige

mannen, die in de nuttigde weetenicnappen

onderweezen , door hunne

bedreevenheid in verfcheiden ftudiën zich

den loflijken naam

v a n

oordeelkundige

geleerden hadden waardig gemaakt,mannen,

die zich op de redekunde, op de

wijsgeerte^ en op de rechtsgeleerdheid

met allen ijver hadden toegeleid, en in

deeze onderfcheiden kunstvakken der

menschhjke maatfchappije ten fierfel en

ten voordeel ftrekten. — Als Kristenen

flechts verdienden zij wel niet gebezonderd

te worden uit anderen - malrals

Kundige Kristenen werden zij toch met

reclit en naar waarde aangefteld tot Leeraars:

en Opzieners der Kerk. Dit aanzien,

en deeze achtbaarheid moest hun zeker

niet misgund worden; waaren zij maar

de beweegöorzaaken niet geweest van het

vee valdig bederf, waardoor de Krist

Hjke Godsdienst zo merklijk is verbasterd

geworden. Zij toch zijn het, die de

heilleer van JESUS op de leest van mensengjn,

een fcnrift, dat alle aanprijzing waardis is

en voor korten tijd bij den TJicgeem dk

C

werkjen uitgekomen, bl. 300.


16 Beknopte Letterkundige GefchiedenU

I- lijke onderltellingen begonnen te fchoeijenJ

EEUW. Van toen af maakte men een' aanvang,

om op eene redekundige, wijsgeeriga

en twistzuchtige wijze te fpreeken en te

fchrijven over de geloofspunten van het

Kristendom. De naam van Godgeleerdheid

(Theologia) was echter toen

nog in geen gebruik. Deeze werd ten

aanzien van die betekenisfe, welke thands

in de kerk allenthalve ftand vindt, onder

de Kristenen, eerst bekend na den

leeftijd van AUELARDUS, die in de

XII eeuw als een man van uitfteekende

geleerdheid beroemd was, en een kort

leerbegrip heeft uitgegeeven, 't welk hij

betijteld had, Theologia, Christiana (de

Kristlijke Godgeleerdheid'j? (*) waarvan wij

in 't vervolg nader gewaagen zullen.

VI.


tier Systematifche Godgeleerdheid, ij

VI. I:

EEUW

Men ziet dus, dat de Godgeleerdheid

-£0 oud niet zij, als het Kristendom. —

Welke leerwijze had er dan plaats in de

vroegfte dagen der Kerk? Deeze vraag

is belangrijk en vordert een nader onderzoek.

Wij zullen dezelve naar

eisch trachten te beandwoorden, en zo

wijders door alle eeuwen opklimmen,

om na te fpooren , hoe zeer men reeds

van ouds her de eenvoudige leer van

KRISTUS en zijne Apostelen bedorven

en misvormd heeft.

VIL

Daar JESUS en de Apostelen de Godgeleerdheid

niet uitgevonden en gedicht

hebben, dienen wij vooral te weeten j

•wat zij geleerd;en -hoe zij het volk onderweezen

hebben.

Dat JESUS en de Apostelen de wig-'

tigfte en belangrijkfte waarheden van onzen

besten Godsdienst , waarvan wij belijdenis

doen, geleerd hebben,is elkeen';,

die flechts het Nieuwe Testament geleezen

heeft, bekend genoeg. — Men erïn-

Iiere zich hier den weezenlijken inhoud

deezer hoofdwaarheden , die allen klaar

en duidlijk in de fchriften van het nieu,-

we

den. —— Het woord Theologia , Godgeleerdheid\

in den ruimen , thands gewoönén, zin, werd eerst

bekend en gebruikt in de twaalfde en volgendt

eeawea.

E


•i8 Beknopte Letterkundige Gefchiedenls

t. we Verbond (laan. De Mensch is

111

fcEuw. zijnen oorfprong, uit hoofde van den

droevigen Adamsval, verdorven en zondig.

(*) Hij maakt zich door

zijne zonden ongelukkig en verreukloost

zijn eigen tijdlijken eeuwig welzijn, (f) —

God toch kan het niet onverfchilligzijn,

wanneer zijne redenlijke fchepfels zijne

geboden overtreeden, en hunne vermogens

in booze wederfpannigheidtenkwaade

gebruiken. (§) God is een heilig

en rechtvaardig God. (**) Des

niettemin God is een goedhartig menfchenvriend;

hij heeft geen welgevallen

in hunnen rampfpoed , en wil hen weder

te regt brengen en gelukkig maaken.

(tf) — God heeft een weldaadig

Plan gemaakt, om het menschdom

te helpen , te verbeteren , te zaligen,

niet flechts voor dit kortwijlig leeven,

maar voor de toekomst der eindeiooze

eeuwigheid. (§§) Want de ziel

der menfchen is onfterflijk en gefchaapen

voor een ander, nog onbekend,komftig,

eeu-

(*) MATTH. XV. 19. ROM. V. 12, 16, it,

(t) MATTH. XXV. 46, MARK. XVI. 16,

ROM. III. 23.

(§) LUK. XVI. 19-31. ROM. II. 5, 6.

(**) 1 PET. I. 15, 16. ROM. III. 25, 16.

rftj) MATTH. XIX. 17, LUK. VI. 36. 1 Tm.

«,4.

(§§) JOH. III. 16. EFEZ. I, 3—7, n, 12»


ïïèf Systematifche Godgeleerdheid, i§

eeuwig leeven. (*) — Om dit Plan uit- f.

tewerken zond Hij zijnen Zoon

K R I S T U S , een' buitengemeen mensch,

en tevens waarachtig God in den volften

nadruk, dus God en mensch in één perfoon,

in de wereld, (f ) — Er is maar

één God; en Hij, de eeni^e God, is

Vader, Zoon, en Geest. (§) — Deeze

JESUS werd de Leeiiiar, de Weldoener,

de Leidsman en Heer niet fleohts van

een enkel Volk, maar van het geheele

menfchengeflacht. (**) — Deeze J E S U S

ïeed, bloedde, en ftierf voor zondaaren;

ftond weder op, en voer ten hemel: zijn

fmart en dood is plaatsvervangend, en

borgtogtïijk; heeft éene Godverzoenendg

kracht, en is de verdienftlijke oorzaak

der zondevergeeving. (ff) _ Even dieswege

laat God allen menfchen begenadiging

en vergiffenis aanbieden met verzekering

dat Hij hen niet als een verroerend

Rechter, maar als een vader

behandelen zal. (§§) ~ Doch dit aanbod

JESUSÈEÜW^

C*) MATTH. X. 28. JOH. VIII. 51. 2KOR. V. I.

Cf). JOH. III. 16. 1 TIM. I. 15. 1 TIM. III,

16. ï jou. V. 20.

(S) MATTH. XXVIII. 19. JOH. XIV. 16. 17.

2 KOR. XIII. 13.

(.**) MARK. XIV. 49, VII.

3 7. Jon. X. 11 ,

14, 16. HAND. X. 34, 3-5. EFEZ. III. 6.1 Ton, .

li. 2.

J

Cff) MATTH. XX.28. JOH X. 11. ROM. IV. S


2 o Beknopte Letterkundige Gefchiedenis:

L bod van genade gefchiedt onder voorkauw,

waarde van geloof; dat is, eenvasC

vertrouwen op de algenoegzaamheid van

JESUS verdienden , *en op de onfeilbaarheid

van zijne beloften, en van

bekeering; dat is, verbetering van

hartgeftel en leevensgedrag. (*) En

het moeilijke van de vervulling deezer

voorwaarden wordt grootendeels wechgenomeij

door de toezegging van God,

dat Hij den heilbegeerigen mensch de

daartoe noodige gaven van zijnen Geest

fchenken zal, indien hij dezelveoodmoedig

van den Hemel affmeekt. (f)

Deeze tegenwoordige wereld is niet anders,

dan een oefenfchool, waarin men

zich bekwaamen en voorbereiden moet

Voor eene beter wereld, en is gelykde

zaaitijd, die voor den oogst gaat. (§) —

Terftond na den dood komt de ziel in

eene nieuwe betrekking , en. gaat over

in een ander leeven, waar zij weder met

het ligchaam verëenigd zal worden bij

het einde der wereld, wanneer hetzelve opftaanen

weder leevendzal worden. (**)"-"

Wanneer JESUS KRISTUS op de wolken

zal komen, om al het menschdom,

dat van den vroegen uchtendftond des tijds

af-

O) MARK. XVI. \6. LUK. XIII. 3. HAND. III. ip.

CO LUK. XI. 13. HAND. II. 38.

(§) 2 Kor. V. io. MATT. XVI. 27. XXV.

31-46.

(**) 2 Kon. V. 1. JOH. V. 28. 2$. HAHÖ,

XXIV, ij.


der Systematifche Qodgekerdheid.

QI

af geleefd heeft, en van dedooden zal op- 1-

gedaan zijn, te oordeelen. (**J> — Die EEUvernet

een boos hart en kwaade heblijkheden

van deeze wereld afdapt, zal eeuwig

rampzalig zijn. (f) — Die daarentegen

JTiet een deugdzaam hart en goede heblijkheden

de eeuwigheid intreedt, zal gelukkig

zijn. (§> Hoe verder hij

hier in de Godzaligheid gevorderd is,

hoe meer heil, eer en vreugde hij in den

hemel genieten zal. (**) —— Die een

kristen wil zijn , moet zich inwijden laf-'

ten door den waterdoop, en bij plegtige

gelegenheden openlijk gedachtenis vieren

van zijnes Verlosfers zoendood, (ff)

En op deeze Leer is eene zedekunde gebouwd

, die alles te boven gaat, wat de

menschlijke reden ooit over deugd en

zedelijke volkomenheid gedacht en geleerd

heeft (§§)

Alle deeze waarheden hebben JESUS en

de Apostelen geleeraard. Maar

fae?

VIII.

(*) MATTH. XXV. 31-46. HAND. XVII. 31.

ROM. XIV. 10.

(t) JOH. V. 29. HEB, XII. 1-4.

(S) JOH. V. 29. OPENB. XIV. 13.

C**) MATT. V. ij.

2

KOR. IX. 6-

Ot) MATT. XXVIII. 19, 20. HAND. II. 38;

enVIII. 36, 37, 39. MATT. XXVI. 26 , 27,28

MARK. XIV. 22, 23, 24. LUK. XXII. i 9, 2.0.

1 KOR. X. 16, 17.


Beknopte Letterkundige Gefchiedenfe

t

VIII.

E U W.

Wat JESUS KRISTUS, den hoogwij»

zen ftichter van onzen Godsdienst aangaat:

Hij, deeze in alle opzichten voor»

treflijke Leerüar, die met een* in vollen

nadruk godlijk gezag het volk onderwees,

bediende zich in het voorftel der

hemelfche waarheden van eene populaire,

duidlijke, eenvoudige en naar de vatbaarheid

van alle zijne hoorers gefchikte

leerwijze. Hij fprak in de dagelijks gewoone

Volkstaal; fchoon zijne woorden,

verre van laag te zijn, nadruklijk en deftig

waaren. Hoe kunstloos eenvoudig,

maar tevens krachtig en achtbaar waare

niet bij voorbeeld de voordragt der geloofsleer

en zedekunde in die overheerlijke

redevoering, welke hij op een'berg

gehouden, en zijn leerling MATTHEUS

in een kort begrip geboekt heeft? Zie

MATTH. Evang. V-V1II.

JESUS

vormde de voordragt zijner Godsdienstleer

niet naar het eene of andere toenmaals

bekend, en naar den fmaak der

Joodfche Geleerden ingericht leerftelfel.

Hij volgde evenmin hunne leerwijze, ten

zij men hier uitzondere, dat hij naar de

gewoonte der Jooden vaak iets uit het

O. T. voorlas, daar over fprak en hetzelve

verklaarde. LUK. IV. i3. JOH.

VIII. 12. en volgg. Er waare® ten zijnen

tijde onder de GRIEKEN en RO­

MEINEN verfcheiden Wijsgeerige Systepas;

maar hij voegde zich in zijn onder-


tier Systematifche Godgeleerdheid, aj:

derwijs niet naar dezelven. Geene voor I.

het volk onverflaanbaare gezegden, gee- EEUW;

ne nuttelooze twistbellisfingen, niets van

\gene men in de fchoolen der wereldwijzen

leeraarde hoorde men uit zijnen

mond. Hij Helde de geloofswaarheden

voor zonder konflige ordefchikking , zonder

Systematisch verband, zonder een

geleerd en fcherpzinnig betoog: Hij Helde

ze eenvoudig en duidlijk voor. Hij

fcheidde geene geloofsleer van de zedekunde,

maar weefde het eene en andere

onder eikanderen. Zijne leer was daadzaaklijke

waarheid, die het verfland en

het hart tevens verlichtte en verbeterde;

die niet Hechts kennis en geloof, maar

ook deugd, gemoedsrust, en menschlijke

gelukzaligheid bevorderen kon en

moest. (*)>

IX.

'tls wel zo; JESUS Helde de wigtigfle

waarheden ook onder gelijkenisfen en

verbloemingen voor: maar men merke

aan, dat meenig iets populair en

eenvoudig bij de Jooden waare, 't

welk het juist bij ons niet is. Het

beeldfpraakige waare geheel in den

Oos-

(*) ZieTURREt. op. omn.T. l.pag. 4S6 ROSENM. de

Chrht. Theol. orig. librum, pag. 22. en ROSENM.

Eenv. onderw. in den Godsd. voor kinderen; in dt

Foorr. van den Ver taaler, bl. u,

B 4


ISf Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

ï. Oosterfchen fmaak, en vond vooral groo-

-fcE yvy. ten bijval bij de Jooden ten tijde van

JESUS : zelfs hebben de GRIEKEN en

andere volken deeze manier van voordrage

overgenomen; Livius noemt dezelve

prifcum dicendi modum, eene aloude,

wijze van Jpreeken. Lib. II. Cap. 32. En

alles, wat JESUS in deezen trant voorftelde,

was van de natuur, van het huislijk

leeven, van de burgerlijke inrichting,

van het menschlijk ligchaam, en andere

bekende zaaken ontleend. (*) Zeer wijs en

naauwkeurigwaare JESUS inde-keuze der

beelden, waarin hij de waarheden van den

Godsdienst voordroeg; hoe eenvoudig,

boe bevatbaar voor de beperkte verftanden,

hoe juist ingericht waare deeze naar

den fmaak der natie, tot welke hij fprak !(f>

JESUS fprak doorgaans zo, dat zijne

hoorers Hem in zijne voorgedekte gelijkenisfen

wel vatten, konden,- en begreepen

zij hem al niet, dan verklaarde Hij

zijne gezegden, en wist hen uittelokken,

om nader onderricht van hem te be-.

geeren. ( §) — En zulken beeldfpraakig

volksonderwijs was zeer gefchikt,

om de denkbeelden, der hoorers

te

(*) Similitudines, paraUlee ejus er/tnt defumta

t,x rebus obviis, ac velut e trivi». Verba funt

TUUR ET. loco modo cit.

' CO MATTH. XIII. 2—R; 18—23 ; 24— 30 i

3?


der Systematifche Godgeleerdheid,

te verhelderen, die veelal hetvoorgeftel- f,'

de beter begreepen , wanneer het in

fchilderwerk van bekende zaaken werd EEUW,

voorgefteld. Zulken onderwijs waare ook

Zeer gefchikt, om de aandacht en weetgierigheid

der hoorers fteeds optewekken en

ten goede werkzaam te houden: dejooden

hadden eene bekrompen, eene aan het kinderlijke

grenfende denkwijze; een kind

hoort geern, dat men hetzelve iets verhaalt,

en wijders uit het verhaal nuttige

waarheden en heilzame zedelesfen trekt,

waarnaar het zich voortaan in denkwijze

en handelmanier regelen kan; (*) en

even zo gretig hoorde ook de Joodfche

natie de leerzaame gelijkenisfen van JE­

SUS, die Hij hun bij vericheiden gelegenheden

voordroeg. En eindelijk zulken

onderwijs had eene bovenmaatige

kracht, om het hart te treffen, en den

mensch op eene verrasfende en gevoelige

wijze van de waarheid te overtuigen

: Men erinnere zich hier de uitmuntende

gelijkenis, dien NATHAN aan DAVID

zo harttreffend voorftelde en die zo geheel

doelmaatig was: (f) men denke aan de

gé-

(*) Een kitid fchept niet alleen welgevallen in

zulken beeldrijk voorftel, maar hoe veel verftandige

Ouden onder ons hooren of leezen met geneegen

aandacht eene leerzaame en zedekundige

fabgl! en verfchilt zulk eene Westerfche Fabel

wel veel van de beeldfpraakige verhaalen der Oude

Oosterlingen?

(t; a S AM. XII,


2.6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

I. gelijkenis van den barmhartigen SAMA*

BE UW. RITAAN. (*)

Dan met dit alles meene men niet,

dat deeze beeldrijke leerwijze van JE­

SUS de voornaam de en meestgebruiklijke

leerwijze waare, waarvan hij zich bediende.

JESUS leerde door gelijkenisfen

vooral dan, wanneer hij menschkunde

, beleid en voorzichtigheid gebruiken

moest, om volksdwaalingen uittewortelen;

wanneer heftige beftraffingen geen'

besten uitflag zouden, gehad hebben, of

vriendelijke raadgeevingen niet overtuigend

genoeg zouden geweest zijn; wanneer

hij het vclk minderwigtige waarheden

voordroeg , en wanneer hij hun zaaken

voorftelde, welken hij toen nog niet

raadzaam oordeelde, vlak uitenmet|ronde

woorden zonder bewimpeling openlijk bekend

te maaken; waarom hij vaak zijne

gelijkenisfen voor het volk uitgefproken

aan zijne leerlingen, die in de waarheden

des Evangelies reeds eenigermaate

onderricht waaren, en het geleerde beter

vatten, beter draagen, en er beter

gebruik van maaken kondenj nader verklaarde.

(t) —

Men zie hier dus uit, hoe zeer de Leerwijze

van den Heiland verfchildè "van die der

Systemstifchen en Scholastieken. (§)

X,

(*) LUK. X.

(•ft MATTH. XIII. 9—17. 36".

C§) Qjii yelkttt, CHK.IS1 DM Theohgiam Sp-

***


.der Systematifche Godgeleerdheid,

X. I.

EEUW,

_ Wat de Apostelén, de eerfte verkondigers

van JESUS gedichten Godsdienst,

aanbelangt. Deezen ook hebben allenthalve

de voetftappen van hunnen wijzen

Meester gedrukt. Zij toch, deeze ongeletterde

mannen, uit het tolhuis en van

het vischnet voor een groot gedeelte genomen,

menfchen uit de laagste volksklasfe,

die in de geleerde weetenfchappen

der Jooden en Grieken niet bedreeven

waaren, zo men éénen PAULUS hier uitzondert,

wiens kunde ook nog maar binnen

den kring der Hebreeuwfche Geleerdheid

bleef, (*) maar toch ook anders

mannen met de edelfte natuurgaven bedeeld

,en met het hemelsch licht vanGods

Geest_ beftraald : deeze Mannen leerden de

kristli'jke waarheden des geloofs en der

zeden niet kunstmaatig, niet Systematisch,

niet Wijsgeerig,maar,geheel volgens

het voorbeeld van hunnen verhemeltematham

hominibus iradidisfe, paruin pi udentes

funt astimatores return. Ars vivendi, familia'

ribus colloquiis, datisque , prout res ferunt, do'

cumctitis, longe felicius. traditur, quam operopt

Mo depnitionum , divifiomim & argutarum quas'

tionuin artificio , quod SYSTEMA mmcupatur. Sic j£»


*8 Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

t. den Meester eenvoudig, ongekunfteldl

EEUW. populair, en naar de vatbaarheid van de

geringde verftanden. — Zij bleeven zichzelven

hier altijd gelijk in; deeze leerwijze

volgden zij allerwege, waar het ook weezen

mogt,bij geleerden en ongeleerden,

bij hoogen en laagen. PAULUS fprak op

even dezelfde duidlike en eenvoudige

manier tot de Epikuréifche en Stoïfche

Wijsgeeren, in het geleerde ATHENE (*)

als wij voorönderftellen moogen, dat hij

gefproken zal hebben tot de onbefchaafde

en ruuwe Eilanders op MALTHA (t)-~""

De Apostelen leidende gefchiedenis van

JESUS leevensbezonderheden en daadzaaken

ten grondflag , en bouwden

hierop hun onderwijs omtrent 't gene

de kristen ter zijne zaaligheid te weeten

, te gelooven en té betrachten hadde.

JESUS is de MESSIAS; JESUS de

gekruiste Menfchenverlosfer, die voor Zondaar

en geftorven is, en hen met God verzoend

heeft, is opgeftaan , en thands in

den Hemel verheerlijkt • waaren bij voorb.

de eerfte waarheden: en het 'zoude

dwaasheid geweest zijn, indien de A-

postelen het Godlijk plan breeder opgegeeven,

jen verhevener waarheden van

het Kristendom hadden voorgedraagen,

aan zulken, die deeze grondwaarheden

nog

(*) HAND. XVH. 22—34.

(f) HAND. XXVIII. I—11, en vergel. de kas?

tekeningen op onzeu Staatenbi'jbel No. 14.


der Ssteymatifche Godgeleerdheid. 29

nog niet kenden en geloofden. (*) Het ge- Tj

loof aan JESUS merkten zij wijders aan EI uw.

als den beginfelgfond, waarop alle kristl;jke

werkzaamheden en handelingen

groeijen moesten. Zij volgden hierin

den loop der natuur: (f) begonnen met

de gemaklijkfte waarheden, en gingen

voorts over tot moeilijker en minbevatlijker.

Zij gaven eerst melk en daarna

eene vaster fpijze. (§) De waarheden,

welken JESUS geleerd had, werden van

hun voorgedraagen, opgehelderd door

nieuw licht, en bekrachtigd door nieuwe

bewijzen. Zij voegden er andere nieuwe

waarheden bij, gelijk zo de roeping

der Heidenen tot Gods gcmeenfchap ert

de, affchaffing der Molaifche wet nieuwe

bijkomende waarheden waaren (**)«

En vuor het overige bevlijtigden ze

zich, om hunne leerlingen en hoorers

onder de medewerking van Gods Geest

de kracht en den invloed van deeze

waarheden in hunne harten te doen ontwaa„

(*) Zie J. UIRINGA Prijsverh. ten betooge, dat

JESUS en de Apostelen zich niet gefchikt hebben

•naar de verkeerde denkbeelden hunner tijdgenooten.

bl 141.

(f) ln omni inftutitione fapienti et liberali

primum ekmentafcientiarum traclantur, animisque

per ea prxparatis ad fublimiorem disciplinam fit

tranfittis. DÜEDERLEJN. Inftit. Theol. Christ. Lib. I.

P. I. p. 36.

(§) 1 KOR. III. 2. HEB. V. 12—14.

O HAND. X. en XV. Jesus had wel deeze waarhedea


30 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

I. waaren. Voorbeelden van zulk eeneLeer-

ÏEÜW. wijze vinden wij bij meenigte in de

fragmenten hunner gefprekken met nieuwe

kristenen, met Joodenen Heidenen;

in hunne redevoeringen, openlijk voor

het volk gehouden; welk eene en andere

LUKAS te boek gefchreeven heeft

in zijne HAND : der AP O S T. Zie HAND.

II, 14 en volgg: III: 12 en volgg: X: 34

en volgg. XIII: 16 en volgg: XVII 2,

3, 22 en volgg: en in alle hunne brieven.

Dit geheele Godsdienstonderricht

was eenvoudig treffend en krachtig:

dit onderricht werd dra in 't geheugen

en in 't hart geprent, en had fpoedige

uitwerkfels van overtuiging, geloof en

godzaligheid. (*)

XL

Dan met dit alles fchikten ze zich

evenwel naar de bezondere menfchen,

die zij in den Godsdienst onderweezen.

Zij voegden zich niet naar de verkeerde

meeningcn cn dwaalbegrippen hunner

hooreis, gelijk zommigen te onregt {lellen

heden peleerd, maar niet 20 openlijk, als de

Apostelen nideiliand ; man zls JPH. IV. 20—24»'

X. 16. en MARK. XVI. 15. — Dl: waare voor JESUÏ

niet Nfthani geweest uit hoofde van de zo verregaande

naüor.Ralc jaloersheid der Jooden, die

andere Volken 20 zeer verfmasdden , en van hunne

verknochtheid sam. de oude kerkprncht.

(*) Zie verder ROSENMULLER, de Orig. Th. Chr.pag.

32, en zijns Cefehiedkmdige Verhandtl'wg over den

Tra$i>


iet Systematifche Godgeleerdheid. 31

len; (*) maar naar de denkbeelden der I

bezondere volken, met welken zij te EEUW;

doen hadden, denkbeelden, die anders

den Godsdienst van JEZUS niet benadeehgen

konden. Zij bedienden zich

van den Volksfmaak, van de Volkskunde,

en van de volkstaal der natiën,

die zij onderwijzen wilden. Er heerschte

ook in hunne manier van voordragt

eene zekere verfcheidenheid, waarbij

ZIJ wijslijk en verftandiglijk acht namen

op de verfchillende Godsdienstgevoelen*

hunner leerlingen. Spraken zij tot Tooden

, zij voorönderftelden bij dezelve n de

leer van God, van de ichepping der wereld,

van de voorzienigheid enz. als waarheden,

die deezenbekend waaren: begonnen

terftond met deeze grondftelling ; JESUS is

de verfproken MESSIAS: gelooft hem, bekeert

u, en laat u doopen ter belijdemfs van zijnen

Godsdienst, op dat uwe zonden U vergeeven

worden: (f) en bochten hen uit de fchriften

Trapswijzen Vtortgangdèr Godliike Openhaarineen

2,«9 292. en MOSIIEIM : Kerkt. Gefch. I hl

1

157.

Deeze gedachte is. bondig en oordeelkundig

wederleid door de Heeren HERINGA en BANG in

twee prijsverhandelingen van het Haagfche Godsdienst

Genoot/chap voor , tjaar 1789

(f) HAND. H.

S 8.

I N D E N N M M

^

KRISTUS ,s hier zo veel als ter èelijdenisfe van

J. of van den Godsdienst van J. K.Zie

H A

ELSVELD;

yertaalmg van tN. T. ter d. p. en i„ de aam»

en over de betekenisfe van het woord lnaam\

HEWMOA, disfertatio de form. Mapthmt °


Beknopte Letterkundige Gefchiedenisi

l. . ten van het Oude Testament te ovet-

.£uw. tuigen, dat JESUS van Nazareth, dien,

zij gekruist hadden, de waare MESSIAS

zijn moest. Maar verkondigden zij het

Evangelie aan de Heidenen, zo droegen

zij denzclven voort in den aanvang deeze

waarheden voor: Èr is één God, deezs

•is alleen de waarachtige God, de Schepper

van 'tJieelal, deBeftuurer der wereld, de

Rechter der menfchen; onzen dienst en aanbidding

waardig. En vonden zij met deeze

waarheden ingang bij hen, dan plant-;

ten zij hier op in het hart deeze vrucht^

baare grondleer van den Kostlijken Godsdienst

: de gekruiste, verreezen en verheerlijkte

JESUs is de éénige wereldverlosfer;

gelooft zijne leer, wordt zijne volglingen

in den wandel , en gij zult zalig

worden. (*)

Intusfchen had elk Apostel zijnen bezonderen

fpreekftijl, en eigen fchrijfwijze;

elk liep in den gang der gedachten

en der voordragt van den anderen af,

èn zo kwamen ze toch eindelijk in het

hoofdpunt weêr bij elkaêr. PETRU> gebruikt

lange en gerekte perioden, doch

fpreekt krachtig: (f) Hij redent vrij oraflagtig

en kenmerkt overal een warm hart,

dat

(*) HAND. XVII. 22—31 én XIV 15, 16,17.

Zie WALCfi 't n. b. s. 37. .en ROSENMULLER Gefck.

Verhand, over den Trapsw. Voortg. der Godl.Openb,

bl 291.

(f; Zie MicHAè'Lis Inleiding in de Godl. Schrif-

Un van 'tN. V. II. bl. 759, en 760,


'der Systematifche Godgeleerdheid. 33

dat van zuivere waarheidliefde gloeit. Jo- L

HANNES is in zijne voordragt vrij gelijk aan EEU W.

zijnen lieven Meester: (*) zijne voordragt

is ligt, onderfcheiden, bevatlijk , zacht

en teder, doch ook deftig en krachtvol,

vooral in de brieven. JAKOBUS

fchrijft eene leevendige, fchoone, taal, en

heeft zelfs veel poëtisch, (f). Van allen

onderfcheidt zich PAÜLUS; zijn voor-

Hel is openhartig, vrijmoedig, zieltreffend;

hij oordeelt fijn, en befluit juist $

hij bewijst naauwkeurig , en overtuigt

dikwerf verrasfend. Hij had weldefchriftert

der Griekfche wijzen, vooral die van PLA-

TO geleezen, gelijk men opmaaken kan

uit ROM. VI, VII,enVIII(S).Maarhij

was toch eigenlijk geen Wijsgeer, en bediende

zich geheel niet van Wijsgeerige

betoogen en redekunftige pronkerij*

1 KOR. II. 1. en volg. (**)

XII.

Zo leerden de Apostelen het volk, om

het zelve tot het Kristendom te bekeereh;

. (*) Zie MiCHAëus 'tz.b. II. bi. 356, en 357;

't Komt MiCHAëus zelfs voor * dat hij reeds bij JE­

SUS leeven 't eene en andere van deszelfs redevoeringen

opgefchreeven heeft.

Ct) MICH. 't z. b. II. bl. 6911

(§) MICH. 'tz. b. I. hl. 292.

Over den verfchillenden fchrijffrijl der Apostelen

zie men wijders MicH. 'tz. b. I. bl. 85 , eri

volgg.

c


34 Beknopte Letterkundige Gefchieienis

I. of in het Kristendom te bevestigen -.

SSÜW. Maar zij moesten ook Leeraars vormen.

Zij hadden hunne fchoolen. Uit 2 TIM.

II. 2. kan men oogenfchijnlijk zien , dat

PA ULÜS niet flechts de Leeraar van TI-

MOTHEUS, maar dat ook TIMOTH EUS

een leermeester van anderen waare, welken

hij bekwaam maakte, om op hunne

beurt weder Leeraars van het Kristendom

te zijn, op dat het in de gemeenten

nimmer aan leeraaren ontbreeken mogt. (*)

PAÜLUS en TIMOTHEUS hebben dus

beiden hunne fchoolen gehad. En zulk

eene kweekfchool had ook de Apostel jo- .

HANNES opgericht te EFEZE, (f) daar

hij onder anderen tot zijnen leerling gehad

heeft p OLYKARPUS, die naderhand

zelf eene fchool gefticht heeft te SMYR-

N A

' (§) Zouden nu de Apostelen in

deeze hunne betrekking niet de leer van

den Godsdienst op eene Systematifche wij -

ze voorgedraagen hebben ? — dit is heel

niet denklijk ,heel niet waarfchijnlijk: Er

is geen twijfel aan, of de Apostelen hebben

hunne leerlingen, welken zij tot den

dienst der kerk opleidden, onderricht,

even

(*) HAMELSVELDS Bijbelvertaaling: ter deeze

p!. in de aanmerkingen: en MOSHEIMS verkl.

der brieven aan Timotheus kunnen hier over worden

nageleezen. Verg. WALCH. 'ta. b S. 38.

(X) Zie MOSHEIM; Kerkl. Gefch. I. bl. 161.

(§) Zie JABLONSKI Inftit. Hifi. Christ.l.pag. $*.

en MOSH. ter aangek. pU


der Systematifche Godgeleerdheid. 35

even gelijk men in vroeger tijden onder- L

wees in de zogenoemde fchoolen der Profeeten,

daar men de wet van MOSES

las, dezelve verklaarde, en tevens wigtige

zedelesfen gaf.

In de fchoolen der Apostelen zal men

onderwijs genooten hebben in den Godsdienst

van JESUS, op deeze wijze, dat

de Leeraars de fchriften van het O. T,

ten gebruike en ter bevestiging der nieuwe

leer opgehelderd, en reede een' aanvang

gemaakt zullen hebben, met de toen

al voorhanden zijnde boeken des N. T,

nader te verklaaren en uitteleggen. •

'tls dus buiten infpraak, dat de Apostels

van JESUS KRISTÜS bij het geeven

van Godsdienstlesfen aan komftige kerkleeraars

zich niet van eene kunstmaatige

en weetenfchaplijke, maar van eene populaire

leerwijze bediend hebben. Men leeze

wijders de brieven aan TIMOTHEUS, TITUS

en FiLeMON, en men zal bevinden, dat er

in dezelven geen Systema wordt voorgedraagen,

naar 'twelk in de kerk geleerd

moest worden, 't Leerftellige en zedekundige,

dat wij er in aantreffen, is eenvoudig

en bevatlijk zonder eenige kunstörde.

Hoe heftig vaart PAÜLUS uit tegen

de Scholastieken zijner eeuw,i TIM:

VI; 3, 4, 5! Dit zij uwe leer en

„ vermaaning! Is er iemand, die

„ anders leeraart, en niet overëenkom-

„ ftig de gezonde voorfchriften van onzen

„ Heere JESÜS KRISTUS, en de leer

^ van den waaren Godsdienst;—— die

Ca „is

EEUW,


%6 Beknopte Letterkundige Qrefehieienh

I. is in de daad verwaand, en weet niets,

EEUW. „ maar is twistziek en een vriend van

„ woordenzifterije, die de vruchtbre wortel

is van nijd, tweedragt, lastering,

,, kwaade vermoedens, fchadelijke fchool-

„ twisten van menfchen, die verdorven

„ denkbeelden hebben, die dermaate de

„ waarheid hebben uit het oog verloo-

„ ren , datze, naar hunne dwaaze inbeel-

„ ding, den Godsdienst als een middel

„ van beftaan aanmerken. Verwiji,

der u van de zodaanigen!" (*)

XIII.

Waaren de Apostelen zulke vijandan

van eene kunstmaatigeenfchoolfche Godgeleerdheid,

hunne leerlingen, welken zij

tot den Kristlijken kerkdienst hadden bekwaam

(*) Vergelijk hier de kanttekeningen van onzen

Staaten Bijbel: Nom. 7, 8, en 9. • „PAULUS

befchrijft hier als een verftandig Mensenkenner

het eigenaartig karakter van valfche leeraars , en

de waare bronnen, waaruit, door alle eeuwen

heen, zoo veele wanorden in het Kristendom zijn

Voortgevloeid." Dit is de gepaste aanmerking

van den HooggeÜ HAMELSVELD ter deeze plaatze. —

Verwijdert u van de zodaanigen is, volgens zijne

verklaaring , wacht u, om zulken in de bediening te

(lellen ah opzieners der gemeente ! „ Si ita-

„ que in terras redirent Apostoli, an eam Theo-

„ Iogiam,qu£e ipfis tribuitur,intellefturi esfent? —

„ non videtur." Verba funt TURRET. Opera omnia.

Tom. I. pag. 24. edit. recent. Hisce

plane geminum eft id, quod Clarisf. WERENFELSIUS

ap-


'der Systematifche Godgeleerdheid. 37

MENS van ROME, IGNATIUS , en

kwaam gemaakt, de zogeheeten Apos- L

tolifche vaders, waaren van dezelve niet EEUW.'

minder afkeerig. — Onder deeze Apostolifche

vaders telt men BARNABAS, KLE-

POLYKAR-

PUS,(*) mannen die in den vroegften morgenftond

der Kristentijden de waarheid

des Evangelies met mond en pen zuiver

en onvervalscht geleeraard hebben; en

noch in menschlijke welfpreekendheid noch

in wereldfche wijsheid zich eenigen naam

konden maaken, maar als eenvoudige en

ongeletterde menfchen; welken niettemin

't gene zij van de Apostelen geleerd

had

appofite fcribit in opusc. fuis, Tom. I. pag. 4.

„ Ipfi Apostoli, fi ad vivos redirent,Theologiam,

„ (in artem adeo difficilem converfam) non in'

„ telligerent. Certe venerandam illain Christian»

„ religionis fimplicitatem in ea non agnoscerent."

De Geleerde W. B. JELGERSMA heeft over de leerwijze

van JESUS en de Apostelen eenige korte ,

doch juiste, aanmerkingen gemaakt in zijne fchoone

Prijsverhandeling onder de werken vanTEYLERs Godg.

Genoodfcbap, D. XI. bl. 351-354- — Men vergelijke

verder C. G.HEIKRICH : Vcrfuch einerGefchichte

der Vvfckiedenen Lehrarten der Chr. Gl. TVarhrh.

S- 37—57•> SPITTLER Grundrisj'der Gefchicht'e

der Christl. Kirche. Seite 53—56.vonder driften

auflage •

(*) Hierbij voegt men ook HERMAS, dien PAU­

LUS groeten laat ROM. XVI. 14, en die een leerling

van deezen Apostel geweest is. Aan deezen

HERMAS, of zo als GROTIUS hem noemt, HER-

MODORUS, fchrijft men toe een boek, geheeten

de Herder van HERMAS; doch te onregt. De

•Geleerde MOSHEIM , voor wiens fcherpzichtig

oordeel in dit flag van zaaken wij groot geloof

C 3

hsb-


£g Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

I. den degelijk verftonden, en in de waar*

EEUW. heden van den Godsdienst een verhelderd

inzien hadden, met een geheiligd

hart de zaak van het Kristendom alleszins

zochten te bevorderen. Deeze Apostolifche

Mannen gaven onderricht in het

Kristendom op eene enkel gefchiedkundige

en eenvoudige wijze, zonder Systematifche

orde, zonder Filofoofije. In

hunne voordragt der voornanmfte geloofspunten

vond men geene fcherpzinnige

woordenzifterijen, geene fchoolfche kunsttermen

, maar beva lijke,beflisfende zaakwoorden,

en Bijbellche fpreekwijzen. En

dit

Hebben, meldt in zijne Kerkt. Gefch. I. bl. 154,

dat hij volgens de overtuigendfte blijken ,

welken hij hier van had, dit boek aan den Apostolifchen

HERMAS niet kon toekennen , maar hetzelve

zamengefteld achtte door HERMAS, broeder

vanpius, Bisfchop van Rome, die inde tweede

eeuw leefde. —— Hoe veel goeds er ook in weezen

rnooge, wij voor ons vinden, behalven de

verfcheiden ongepaste zamenfpraaken tusfchen God

en de Engelen, er toch ook veel in, dat niet eigenlijk

Apostolisch is, maar zeer naar het Platonisch

wijsgeerige riekt. Men Jeeze van het geheele

Boek een kort uittrekfel bij ROSENMULLER

in zijn werk,


der Systematifche Godgeleerdheid. 39

dit Onderwijs had plaats zo wel dan, I.

wanneer zij mannen voor de kerk zoch- EEUW*

ten bekwaam te maaken, als wanneer

zij het volk onderrichtten. Ten aanzien

der toekomftige Godsdienstleeraars bevlijtigden

ze zich vooral, om hen tot fchriftuitleggers

en bijbelverklaarers te vormen —

De geheele Godsdienst waare begreepen

in twee groote hoofddeelen, welk eene

de zaaken, die wij te gelooven, en welk

andere de zaaken, die wij te betrachten

hebben, bevatte. Deeze twee voornaame

hoofdzaaken werden eenvoudig en

duidelijk volgens de heilige fchrift, diemen

in de vergadering der Kristenen las, en

uitleide, voorgedraagen. • Dan

des niettegenftaande diene men hier ook

niet te verzwijgen, dat verfcheiden Kristenleeraars

naar de gewoonte der verdichtzieke

Jooden van dien tijd de klaare woorden

van het Oude Testament, wanneer

zij ze op het N T. te huisbragten, dikwerf

meer verdonkerden, dan nader ophelderden,

door het gebruik van verre

gezochte en nietsbeduidende leenfpreuken ,

om er zo geheimzinnige en verborgen meeningen

uit afteleiden. (f) 'tLeerftel-

te in dit oud gefchrift leeze men w. WAKE , The genuine

Epiftles of the Apest. Fathers, verg. Biblioth*

Britt. T. XIX. p. 160.

(*) Zie ROSENM. Lib. de Ch, Th. orig. pag. 26. Men

vindt hier een duidlijkbewijs van onder anderen in den

brief van BARNABAS , die door een' kristen aan

Joodfche verdichtfelen gehecht, fchijnt opgefteld

en heel niet van

BARNABAS den reisgenoot van

C 4

PAU.


4» Beknopte Letterkundige Gefchiedenit

l. ftellige en zedekundige werd toen en in

E E U W . het openbaar en in het bezondere on^

derwijs plat en populair voorgefleld; men

wist van geene uitgeploozen onderfcheidingen

der wijsgeerte en van geene afgepaste

regels der redekunde. Het eene

en andere is blijkbaar uit de fchriften

deezer Apostolifche vaders, die deels ongefchonden,

deels vervalscht tot ons overgekomen

zijn. Ten hunnen tijde had men

dan geen geregeld zamenftel der Geloofswaarheden.

De eenvoudigheid achtte

dit onnoodig. Men bevlijtigde

zich meer, om het hart te ontvlammen

ter beoefening van geloof en ter betrachting

van deugd, dan om de leerftellingen

met eene afgemeeten juistheid en naar de

voorfchriften van menfchlijke wijsheid

voor te draagen. - 'tls zo, men heeft

een kort Leerftelfel van de voornaamfte

geloofspunten,'! welk men gewoon is, het

Sijmbolum Apostolorum^ of de geloofsbelijdenis

der Apostelen te noemen; en 'twelk

men oulings aanzag als een gefchrift,

door de Apostelen zeiven vervaardigd ;dan

hoe men hier in heeft misgetast, is thands

deskundigen bekend. (*)

Men houdt.,

en

PAULUS ; van welken wij zeer dikwerf gewaagd

vinden in de HAND. der Apostelen. Over

deezen Brief van BARNABAS leeze men DCPIN Biblioth,

nova Ecclef. auct. I. pag. 8—12.

C*j Vide JOH. FRANC. BUDDEI Ifagoge ad Theologiam.

Lib. II. Cap. II, pag. 441. JOH. ALPH.

TIIRRET. Opera omnia, Tom. H L pag. 18


der Systematifche Godgeleerdheid. 41

en met het grootfte recht , het Symbolum IJ.

Apostolicum als een opftel van kater tij-EEUW.

den, ten algemeen voorfchrift van openlijke

belijdenisfe en ten gebruike als een

middel, om opkomende dwaalingen tegen

te keeren. Hoogstwaarfchijnlijk is hetoorfpronglijk

vervaardigd in de eerfte en

tweede eeuw, in de derde eeuw vermeerderd

, en in de vierde zo gevormd,

alshet nu nog is.


4 a Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

II. ner ingebeelde weetenfchap. (*) — —

EEUW. De Kristlijke Godsdienstleer onderging

in de tweede eeuw eene groote verandering.

Ter opzichte van verfcheiden

Godsdienstönderwerpen ftelde men fcherpzinnige

en uitgeploozen nafpeuringen te

werk, men fprak er vernuftige bepaalingen,

over uit; en 'tkwaadde van alles waare,

dat men verfcheiden leeringen van eene

louter harsfenfchimmige wijsgeerte onvoorzichtiglijk

in het kristlijk leerftelfel

inwrong en inweefde. — Men erinnere

zich hier 't gene ik § V. gefchreeven

heb. De wijsgeeren van deezen

tijd, die den Kristlijken Godsdienst omhelsd

hadden, zochten de leer des Evangelies

met de leerftellingen eener Filofoofij te

vergelijken, welke toenmaals in het Oosten

zeer geliefd was, naamlijk de Alexandrijnfche

of Platonifche Filofoofij. (f)

En

(*) O hadde men zich alleen aan de uitfpraaken

en lesfen van JESUS en de Apostelen gehouden

, zonder iets meer te willen weetea en bewerken

, dan deezen goedgevonden hebben, ons bekend

te maaken; en dus voortaan het waare Kristendom

meer in edele gevoelens en braave handelingen

, dan in wijsgeerige voorltellen en fcherpzinnige

plegtfpranken geplaatst, hoeveeleverfchillen,

twisten en fcheuringen zouden er hier door in de

Kristenwereld achterwege gebleeven zijn! —

(t) Men koos in 'tbezondere hier toe de Platonifche

Filofoofij. om dat de toenmanlige Wijsgeeren

meest aan PLATO gehecht en gewend waaren;

om dat men tusfchen de Leer van PLATO en die

vaa


der Systematifche Godgeleerdheid. 43

En zo ontftond er fchielijk een vermengde IL

Godsdienst, welken men een' wijsgeerig F.EUW,

kristlijken zoude noemen kunnen, die

evenwel alleen maar begunftigd werd van

de Geleerden; en van den zuiveren Godsdienst,

zo als die voorgedraagen werd

aan het volk, niet weinig verfchilde. De

Wijsgeeren van deezen tijd , Kristenen

wordende, vooral de volglingen van PLA­

TO, waaren er op uit, om de gevoelens

en leeringen der Filofoofije, waarmede

zij zo veel op hadden, overal, waar het

maar eenigen fchik krijgen kon, in het

Kristendom in te lasfen; zo dat deWijsgeerte,

zo als ze toen waare, en de

Kristlijke Godsdienst met eikanderen

Icheenen overëenteftemmen. — Van dien

tijd af waare men er op bedacht, om

de leer eener menfchelyke Wijsgeerte met

die van den Godlijken Bijbel te verzwageren.

- En zo kwamen er in de voordragt

der Evangelieleer allengs nieuwe

woorden, geheimzinnige fpreekwijzen,

en allegorifche verklaaringen, die men

den wijsgeeren ontleender (f) Dit

bevan

KRISTUS meest overeenkomst vond, 't gene zo

geene plaats had ten aanzien van die van ARISTO-

TELES ; en eindelijk, om dat PLATO ZO kort, zo

droog, zo fpitsvindig en Syflematisch niet waare,

als ARISTOTELES. En welke Filofoofij waare

deeze? niet gezonde redenkennis, maar eene wil.

lekeurige, valfche, fektevolgende wijsheid!

CD Zie ROSENM. Lib. de Christ. Theol. Origine

pag. 39.


44 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

Iï. behaagde wel allen niet, want er waaren.

EEUW. er die de wijsgeerte voor den Godsdienst

als van geene waarde achtten, en ja

zelfs waaren er, die dezelve geheel fchadelijk

en als een' vond van den Duivel

aanmerkten; doch niet te min behaalden

de voorftanders der wijsgeerte overal de

zege; en de oude eenvoudigheid der

Godsdienstleer raakte in een deerlijk verval.

XV.

Deeze voor Gods kerk zo nadeelige leerverandering,

deeze ongelukkige afwijking

van de oorfpronglijke eenvoudigheid

des Kostlijken Godsdienstes moet

vooral aan twee voornaame oorzaaken

worden toegefchreeven, waar van de

eene hoogmoed, en de andere eene zekere

noodzaaklijkheid was. De hoogmoed

bragt te wege , dat eenige Leeraars

de Leer van het Kristendom met

de denkbeelden der Filofoofije verfmolten,

en het voor iets fraais, iets fchitterends, hielden,

de lesfen van KRISTUS en zijne Apostelen

met de fpreekwijzen der wijsgeeren

Rechtsgeleerden voortedraagen. (*) De andere

(*) Hoogmoed, door verdienften aangeërfd,

beheersen: meestal den geleerden man, en doet hem

van heeten ijver blaaken, niet zo zeer voor de

waarheid , als wel voor zijne éénmaal aangenomen

cn verdedigde gevoelens. En even deeze hoog-'

moed


der Systematifche Godgeleerdheid. 45

dere oorzaak was deeze, dat men niet II.

zelden de toevlugt neemen moest tot re- E E U W.

dekundige bepaalingen, eft fijn uitgeploozen

onderfcheidingen; ten einde men •.

de drogredenen, waarmede de ongeloovigen

en ketters den Godsdienst zochten

te onderwroeten, en te ontkrachtigen,

wederleggen, en deezen tegenfpreekeren

den mond floppen konde. ——

En eene derde hierby komende oorzaak

waare, dat veele Heidenfche wijsgeeren,

door eenen vuurigen onderzoeklust

aangedreeven, in alle fchoolen der

wijsgeerte nergens eenig voldoend leerftelfel,

of gefchikte opgave van de middelen

ter gelukzaligheid aantroffen, en even

daarom den kostlijken Godsdienst gereedlijk

omhelsden, wijl dezelve hierin aan

hunne begeerten en navorfchingen

beandwoordde. Deezen befchouwden

het kristendom als een hulplicht,

dat over hunne wijsgeerige onderwerpen

een zeer verhelderend fchijnfel verfpreidde.

Hoe nuttig en heilzaam

anders zulke wijsgeerige wapens ook weezen

moogen in de handen van verflandigen

en oordeelkundigen, zo onnut en fchadelijk

zijn ze daarëntegen, wanneer ze

opmoed

fluit niet zelden den toegang voor de waarheid,

terwijl ze de deur opent voor dwaaling; —

gelijk wij voortaan zien zullen. Verg. den Hoogg.

van HEMERT in de werken van TEYLERS Godg.

Gen. D Xl.il. p2. en den Heer KUIPER't zelfde

Ti.bl. 210.


46" Beknopte Letterkundige Gefchiedents

II. opgevat worden door minkundigen en

HE uw. waanwijzen, gelijk naderhand gebeurde,

toen even daar door het Kristendom

zijne weezenlijke waarde kwijt raakte.

(*) — Hoe veele redenen hebben

wij niet, om over zulk een misbruik

der wijsgeerte te treuren!

XVI.

De grootfte voorftanders van deeze

wijsgeerige kristlijke voordragt der Evangelieleer

waaren PANTENUS, JUSTINUS de

Martelaar,(f) ATHENAGORAS, KLEMENS

van ALEXANDRië, en hunne leerlingen.—

De laatfte inzonderheid was onder zijne

tijdgenooten de ijverigfte voorvechter der

Platonifche Wijsgeerte, en verbond dezelve

op eene geheel buitenmaatige wijze

(*) Zie MOSH. a. b. bl. 252, 253. Zeer juist

heeft de kundige NEWTON in zijne CARDIPHONIA

I. bl. 343 aangemerkt, dat wereldfche Geleerdheid,

hoe hoogstnuttig anders ook, zo wij er

een regt gebruik van maaken, nogtans voor hun,

die er op vertrouwen, zonder eenehoogerleiding

te zoeken , doorgaans eene bron van verleegenheid,

twist, twijfelaarij en ongeloof wordt. Hij

vergelijkt ze bij een zwaard, dat wel van grooten

dienst is, als men het goed gebruikt, maar

in de hand eens krankzinnigen regt gefchikt is,om

hem en anderen te befchadigen.

(t) Hoe groot een voorftander bij v. JUSTI­

NUS de MARTELAAR van dezelve waare, blijkt vooral

hier uit , dat deeze Kristenleeraar beweeren

durfde, dat zommige Wijsgeeren voor's Heilands

ge-


der Systematifche Godgeleerdheid, 47

ze met den Kristlijken Godsdienst. Hij ver- JJ

klaart rondhartig en vrij uit, dat hij in zijne EEUW

boeken, welken hij s TROM AT A noemt, (*_)

niet den zuiveren Godsdienst van KRIS­

TUS, maar een met wijsgeerige leerftelftellingen

verltrengeld Kristendom,of liever

den Godsdienst, onder een wijsgeerig dekfel

verborgen, voordraagt, even, gelijk

de dop van eene noot de kern der vrucht

bedekt, (f) Indien wij KLEMENS gelooven

wilden, dan zoude voor de komst van

KRISTUS de Wijsgeerte voor de Grieken

even het zelfde geweest zijn, als de wet

van MOSES voor de Hebreeuwen, engelijk

de wet denjooden ter hunne zaligheid dienftig

geweest waare, even zo waare ook

de Wijsgeerte den Heidenen daartoe te

ftade gekomen. KRISTUS hadde dus Hechts

de

geboorte ook in de denkwijze en daad Kristenen

geweest waaren: onder deezen telde hij SOKRATEÏ

HERAKLITUS en diergelijken. Zie ROSENMULLER , de

lar TA. Orig. Lib. pag. 41. zijna Gefchiedkundi-

%e Verhandeling enz. bl. 203 en 208. WALCH,

tab. S. 83. en Bibliotheque Brit. I. p. 85.

(*) Uitgegeeven van SYLBURG met bijgevoegde

intekeningen in het jaar 1592.

(t) STROMATUM, Lib. I. pag. 203 edit. cit

YLBURG: Zofchrijfthij:n v,& w. h ,<

ttftiy/tm» lv> i^udiran tpawtp,»; è, Vftx„ ftxXXn

• tïuhfui la xupv*. dat is „ De ftroraata behelzen

n zich eene waarheid, die met de leerflellingen

Ier wijsgeerte vermengd is, of liever daaronder

>edekt en verborgen ligt, gelijk in den dop verolen

is, het eetbaare, dat men in de noot vindt."


jr 6

SEÜW.

48 Beknopte Letterkundige Gefchiedénis

de wet der Jooden en de Wijsgeerte der

G r i e k e n £

en deele volmaakt, ten deele

gezuiverd. De Wijsgeerte waare een

gefchenk van God > om de gemoeden

voor te bereiden tot de omhelzing van

den volmaakten KristlijkenGodsdienst.(*)

Dit laatfte waare anders nog zo verre den bal

niet misgeflaagen: de wijsgeerte maakte

zeker de harten der verftandigen niet ongenegen

ter aanneeming van het Kristendom,

maar KLEMENS ging veele graaden

hooger. Hij ftelde naamlijk, dat dé

Wijsgeerte van KRISTUS en van de

Apostelen bij mondlijke overlevering geleerd,

van 'talgemeene geloof der Kristenen

onderfcheiden, en niet tot allen,

maar tot weinigen , overgehandigd waare.

zelfs beroemde hij zich , dat ook deeze

geheime en verheven Wijsheidleer hem

zeiven bij monde medegedeeld waarè

van de leerlingen der Apoftelen PETRUS,

JAKOBUS, JOH ANNES en PAULUS (f). En

PLATO was vooral zijn man, voor deezen

had hij zulk eene overdreeven achting,dat hij

zich verbeeldde bij deszelfs leer MOSES in

een Attisch dialekt te vinden en hem den

Griekfchen MOSES heette. (§) —•

Men

(*) vft>ntihvn tij %i h» Xfirs nXtiunt.

STROM. VI. pag. 497. Verg. ROSENM.1. C.pag. AI.

(D Cf. Eus. F. E. 1. II. c. i.

(§) Hij noemt PLATO Mum etTTMi£*>r. STROM.

I. p. 342. vérg. HEINRICH 'ta. b. S. 65. Niet alleen

KLEMENS , maar meer andere Griekfche Vaders

dachten, dat PLATO zijne beginfelen getrokken hadde

uit de fchriften van MOSES. Verg. Bibl. Britt.

T. III. p. 262.


der Systematifche Godgeleerdheid. 49

Men zie hier uit, hoe zeer reeds in JJ.

de tweede eeuw de eenvoudige leervoor- EEUW.

dragt van JESUS en de Apostelen in onbruik

, en daarentegen een wijsgeerig

voorftel van het Kristendom in zwang

begon te raaken: En hiertoe deed KLE-

MENS , meer dan anderen, zijn best.

Hij was Leeraar in de beroemde kerk

en fchool van ALEXANDRië, en in deeze

bediening de opvolger van PANTE-

NUS. 't Gene deeze kerkvader reeds aangevangen

had , naamlijk de wijsgeerte

met den Godsdienst te vercenigen,

heeft KLEMENS , zijn leerling, tot eenh.00-

ger graad van voltooijing gebragt. •

Zijn reeds aangehaald werk,de STROMA-

TA, d. i. fijn zamengeweef de kleeden, waaren

volgens zijn plan. en denkwijze een

prachtig zamenweeffel, waarin de Kristlijke

Godsdienst en de Platonifche Wijsgeerte

onder eikanderen gefchooren en ^

ingeflaagen waaren, (*)

XVII.

Dan met dit alles werden de leerftellingen

van het Kristendom toen nog volgens

geen eigenlijk Systema voorgedraagen.

Men had nog geen Leerboek,

waarin de Kristlijke Godsdienstwaarheden

CO ^ C ! 1 üihoud van deeze STRÖMATA vinden

wij opgegeeven bij DUPIN Bibliotheca Nova anétor.

EcclcQali. pag.i^l—127.

D


50 Beknopte Letterkundige GefcUedenis

II. den in eene zekere orde en in eenen

EETJ w. natuurlijken zamenhang voorgefteld werden,

en waarvan men in de fchoolen

gebruik maakte. (*) De boeken

van PAPIAS (t) over de gezegden van

KRISTUS en de Apostelen, welken men

wel eens als een zamenftel van Godgeleerdheid

gehouden heeft, behelsden ,

volgens bericht van EUSEVJIUS , veeleer

eene gefchiedkundige verklaaring, dan wel

eene ordelijke bijeenvoeging van de leerftellingen

des Kristendoms. De Schriften

van die tijden waaren meest verdedigingfchriften

ter bevestiging van den

Kristlijken Godsdienst en ter wederlegging

der Heidenfche Afgoderije. (§) —

Verfcheiden fchrijvers werden daardoor wel

genoodzaakt, om over deeze of gene

Godsdienstftukken breedvoerig en naauwkeurig

te handelen; dit waaren (tukken,

waarover gefchil viel: maar zulken, die

toen nog aaivgeene betwisting onderhevig

waa-

(*) Vide DOEDERL. 1. 1. I. pag. 221.

(f) Deeze PAPIAS was Bisfchop te HIERAPOLIS iii

FRYGIE ; zo zommigen meenen, een leerling van den

Apostel

JOHANNES; Ilijwnseen gemeenzaam vriend

van POLYKARPUS, een fterke doch verftandige

Voorvechter van het duizendjar.rig rijk, en een

beroemd leeranr in ziuien tijd, hoewel in verfcheiden

opzichten wat aan den dweepigen en bij-

«reloovio-en kant; maar wiens fchriften de roest des

tiids ook reede lang verteerd heeft. Vide EUSE-

BIUM Hifi. Ecclef. Lib. HL Cap. 33 > 3+ et 39,

HOFMMTOI Lex. Univ. art. PAPIAS; et BUPINI.1.

T, I. pag. 80 et feqq.

(§) Vide DOEDERLEIN1UM I» L l. pag. 220.


der Systematifche Godgeleerdheid. 51

waaren, bleeven onaangeroerd , of wer- JJ.

den onbepaald en dubbelzinnig voorge- EEUW.

field; en wij weeten dus niet, wat hunne

gevoelens eigenlijk daaromtrent waaren.

(*).

In deeze Eeuw begon men evenwel

aan woorden te denken, die de leer des

Evangelies opklaaren zouden, maar helaas

! verdonkerden, altoos aanleiding tot

twist en fcheuring gaven, waare het al niet

ten eerflen, dan in volgende tijden.

JUSTINUS de Martelaar bij v. fmeedde

(*) Dit is wijders allenthalve duidlijk op te maaken

uit de nog voorhanden zijnde fchriften dier

oude Kerkvaders; als KLEMENS van ALEXANDRIS ,

TERTULLIANUS en anderen. — Uit het onbepaalde en

dubbelzinnige van hun gefchrijf zijn naderhand oneindig

veele twisten gereezen , ten aanzien van hunne

eigenlijke denkwijze en leergevoelens, wijl elke

partij in derzelven werken zekere plaatzen vinden

kon, die haar te ftade kwamen, om heorebezondere

meeningen te bewijzen en te verdeedigen, of

althands met het gezag der ouden te bevestigen.

Hoe onbedachtzaam en dubbelvoudig dvukt zich

bij v. TERTULLIAAN uit, als hij fchrijft: (ady. PRA-

XEAM c. VII) „ Wie zal loogchenen, dat God

„ een ligchaam zij, alfchoon hij een Geest is?" Js

hij hier een Anthropomorfiet! niets minder. Op eene

andere plaarze, (contra HERMOGEN. C. III.) zegt

hij: „ Er is een tijd geweest, dat de Zoon er niet

waare." Is hij hier een Ariaan? het tegendeel

blijkt uit andere plaatzen, daar hij krachtig beweert,

't gene naderhand de Niceenfche Kerkvergadering

gefteld heeft. In beide plaatzen doelt hij

eeniglijk op de menschlijke natuur des Verlosfers:

doch dit weeten wij Hechts uit eene gegronde gisfing.

iTerg, WAI.CII. a. b. S. 51 en 52.

D %


* 5'2 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

II. de het woord T>I*S, drievoudigheid, 't

EEUW» welk THEOFILUS van Antiochië en KLE­

MENS van ALEXANDRië wel dra van hem

overnamen, om daardoor aanteduiden

de onderfcheiding van 't gene men naderhand

perzoonen in de Godheid noemde.

(*) En zoude men dit woord

niet moogen aanmerken als een zaadkorreltjen

van veele onfchriftmaatige verklaaringen,

en verkeerde begrippen, die de

eenvoudige leer van Gods onbegrijplijk

weezen ontluisterd hebben?

XVIII.

In de tweede eeuw had men dan nog

geene Godgeleerdheid. Dit blijkt in 't

bezondere nog nader uit de fchriften

van IRENEUS, Bisfchop van LYONS , een*

leerling van POLYKARPUS, eneen' man van

groote verdienden , die in 't begin der

derde eeuw,op bevel van den Keizer

SEPTIMUS SEVERUS , door het krijgsvolk

omgebragt werd; Ik heb hier vooral het

oog op zijne vijf boeken tegen de keu

iers .(dt VALENTINIAANEN , en alle ovetige

GNOSTIEKEN ) waar van de oude tijtel

is : £^ey^«5 W an»l(»7tv 7»s •tytvhfisy* ymtrcat'.

uitgegeeven ten jaare 170. (f). Med

Men vindt in dit werk eene korte fchets

van de toenmaalige leerftellingen der algemeene

Kristlijke kerk. IRENEUS fchrijft

dus:

(*) Zie de Prijsverh: van VELIN GIUS tegets

ï RIES TLEIJ pag : I56.

(*3 Vide Bibl. Brem. Fase. IV. p. 387.


der Systematifche Godgeleerdheid. 53

dus: „ De Apostelen en hunne leer- II;

lingen geloofden aan éénen God, den al-EEUW.

magtigen Vader , die alles gefchaapen

heeft: zij geloofden ook aan een' JESUS

KRISTUS, den Zoon van God, die, om ons

te verlosfen,mensch geworden is;en aan

den Heiligen Geest, (*) die door de

Profeeten de Godlijke fchikkingen, nopens

de geboorte, het lijden, de opftanding ,

en de Hemelvaart van onzen geliefden

Heere JESUS KRISTUS, en nopens zijne

hemelfche toekomst in de Heerlijkheid

des Vaders, ter opwekking van alle menfchen

van de dooden, verkondigd had,

op dat voor KRISTUS onzen Heer en

God en Verlosfer en Koning zich alle

knie in den Hemel, op Aarde, en onder

de Aarde buigen, en alle tong hem belijden;

doch hij een rechtvaardig vonnis

over alle menfchen uitfpreeken en uitoefenen

z%ude; zo dat Hij de afgevallen

Engelen en de Godlooze menfchen ten

eeuwigen vuure verdoemen , en den

rechtvaardigen en vroomen het leeven,

de onverderfJijkbeid en eeuwige heerlijkheid

(*) Ten aanzien der Drieëenheid had men deeze

Geloofsbelijdenis. Er is één God. Deeze éénige

is Vader, Zoon en Geest. Deeze drie naamen

zijn wel onderfcheiden: d. i. zij betekenen

niet éénen en denzelfden, zij zijn niet Hechts drie

uaamen van éénen en denzelfden; maar wij weeten

toch niet, hoe zij onderfcheiden zijn; wij mocte:j

Vader, Zoon en Geest, aanbidden . Zie SPITTLER.

Gründrifs der Christ. Kirchengef. S.65.,

D 3


54 Beknopte LetterkundigeGefchiedenis

II. heid fchenken zoude. „ En hierop fchrijft

EEUW. IRENEUS verder: noch de gemeenten,

welken in GERMANië gefticht zijn, noch

die in SPANJE, in GALuië, in het oos-

ÏEN, in EGYPTE, in LYBië, of die zich

in het midden der Wereld bevinden (onder

deezen verftaat hij waarfchijnlijk de

Gemeenten, welken meer in het midden

van het ROOMSCHE rijk lagen) gelooven

of leeren anders." Dit waare de eerfte

korte en duidlijk zamengevoegde geloofsbelijdenis

der oude Kristenen, die wij in

hunne fchriften vinden ;(*)— het zoge-

noem-

(*) Zie JIEINRICII, a. b. S. 69. Conferri pot est

TERTULLIANI, loctis, quem §. IV. jam citavimus.

n

Regula quidem fidei, " fic fcribit , „ una omnino

„eft, fola immobilis et irreformabilis ; credendi

„fcilicet in unicum Deum, omnipotentem , mun*

„ di conditorem , et filium ejus, JESÜM CHRISTUM ,

'„ natum ex Virgine MARIA , crucifixum jub PONTIO

PILATO , tertia die refuscitatum a mortuh , recep-

„ turn kt ceeiis, fedentem nunc ad dextram Pat ris,

„venturum judicare vivos etmoituos, per carnis

„ etiam refurreStionem. Hac lege fidei nianente ,

catera jam discipline et cohveffatiohis, admit-

„ tunt novitatem 1 corrcêlionis , opcrante fcilicet &

proficiente usque ad fidem gratid Dei." Dog

van beiden, van IRENEUS en TERTULLIANUS, moeten

wij evenwel aanmerken, dat zij ook zoms op

deeze of gene wijze het licht der waarheid meer

benevelden, dan verhelderden. Zie DUPINI. 1.1.

pag. 111 en 165. en WALCH 't a.b, S.%i, en een

voorb. hier van S. 51 en 52. Verder zie

men over de eenvoudige leer van het Kristendom

in de twee eerde eeuwen SPITTLER , 't meerin. a. b.

bl. 65 en 66.


der Systematifche Godgeleerdheid. 55

noemde Apostolifche Geloofsformulier is II.

voor zijn oorfpronglijk gedeelte wel van EEUW.

gelijken, of zelfs van vroeger tijd, maar

in zijn geheel genomen van veel laater

afkomst (*).

Hier uit kan men

zien, welke hoofdleeringen van het Kristendom

in de toenmaalige tijden zijn voorgedragen

: en dit voordraagen gefchiedde

de bij het onderwijs van den gemeenen

man doorgaans nog plat en eenvoudig; ter

wijl men in de fchoolen meer de regels eener

fpitsvindige Wijsgeerte begon te volgen.

De vaders, die voor IRENEUS geleefd

hebben, wisten dierhalve nog niets van

een Godgeleerd en Systematisch voorftel

der Kristlijke Geloofsleer: zelfs IRENEUS

wist er nog niets van: gelijk ook eigenlijk

niet de naast aan hem volgende

Leeraars, zoo als wij in de tweede afdeeling

zien zullen; waartoe wij nu overgaan.

TWEE*

(*> Zie § XIII. hier voor, aan het einde.

D 4


$6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

TWEEDE

AFDEELING.

HET TIJDPERK VAN HET BEGIN DER

DERDE EEUW TOT AAN JUNILIUS

DEN

AFRIKAAN EN ISIDORÜS

VAN

SEVILLE.

XIX.

III. In de derde eeuw was wel de voordragt

EEUW. der Kristlijke Geloofsleer nog geheel

niet Syftematisch : men verklaarde in

de Kerken openlijk den Bijbel op eenen

prakïikaalen trant, en in het volksonderwijs

ging men insgelyks nog eenvoudig

en plat te werk. In de Theologifche

fchoolen, indien ik ze reeds by voorraad

zo noemen mag, waare evenwel de leervoordragt

meer wijsgeerig en weetenfchaplijk,

gelijk wij in de voorige Af-

- deeling hebben aangetoond. • Dan

de Kristenleeraars, die zich op de fraaije

letteren en op de Wijsgeerte hadden toegeleid,

ftaken wel haast geheel van het

1

'

vas-


der Systematifche Godgeleerdheid.

vaste land af in eene ruime zee van fpits- Hlvindige

wijsgeerigheden en fijn uitgezifte EEUW.'

redekavelingen j en voerden ftraks in hunne

ruimfchootige omdobberingen door deeze

onbebaande wijdte veele zwakke gemoeden

van den gemeenen man met zich.

Zie daar den oorfprong der algemeene leerverbastering

onder het Volk en by den ongeleerden

hoop. De voorganger hierin was

ORI G EN ES , de beroemdfte Leeiaar in

de geheele oude Kerk: een leerling van

KLEMENS den ALEXANDRYNER,die

hem in het Kristendom onderweezen had,

en van AMMONIUS SACCAS, van welken

hij de Platonifche wijsgeerte had geleerd.

Deeze groote Man, wiens verdienstlijke

kunde in de Griekfche en Hebreen

wiche taal, (?) en in andere weetenfchappen

bekend is, en die zich weegehs

zijne Bijbelverklaaring en Bijbelkritiek een'

zo wijdklinkenden naam bezorgd heeft, (f)

is eigenlijk de eerfte geweest, die het

zaad van een fchoolsch, wijsgeerig-godgeleerd

Syftematisch voorftel der Kristlijke

leer heeft uitgeftrooid, gelijk blijkbaar

is uit zijne vier boeken over &e gronden

van het Kristlijk geloof (inliet Grieksch

be-

(*) Hoe zeldzaam waare het in die tijden het

Hebreenwsch te verftaan! Een ORIGENES en een HIE-

RONYMUS waaren in de oude Kerk, ten aanzien van

hunne kunde in het Oostersch, witte ravens.

(|) Men zie over's mans uitgebreide geleerdheid RO-

SENM. de Th. Christ. orig. lib. pag. 51 ei feqq. DUP IN ;

1. 1. l'pag. ipo 229 en MOSHEIMS noodige ophelderingen

der K..G. III. bl. 105 en volgg.

D 5


5& Beknopte Letterkundige Gefchiedenis.

III. betijteld *ip *w) In deeze boeken (*)

EEUW. vindt men hem ijverig werkzaam, om de

leer des Bijbels en die der Wijsgeerte in

een fteevig verband te zetten, en haare

onderlinge overëenkomst aan te toonen.

Volgens zijne gedachte waare de Wijsgeerte

aan het Kristendom zo eng verftrengeld,

als aan de wiskunde. Hij was

in den waan, dat men den grond van

alle Bijbelwaarheden in zijne zo begunftigde

wijsgeerte vinden konde.\ Men zoude

hem dus in onzen tyd onder de Kristlijke

Naturalisten geteld hebben, die niets

willen gelooven en aanneemen, hoeduidlijk

het anders ook in de heilige Schrift

geopenbaard is, dan het gene de reden

doorzien en begrijpen kan. Hij had dit

werk in 't bezondere gefchreeven ten gebruike

van geleerden, (f) welken hy als

't waare den weg wijst, hoe de leer van

den Godsdienst en die der Wijsgeerte

(_*) De Griekfche Tekst van dezelven is reeds

lang te zoek geraakt: Hij waare er nog in de

negende eeuw, zo als blijkt uit de Mijriobiblon

of Bibliotheca van PLIOTIUS: cod. VIII. Dan

wij hebben er eene Latijnfche Vertanling yan, welke

RUFFINUS denklijk ongeveer het begin der vijfde

eeuw vervaardigd heeft.

(i) Zie ROSENM. de Ch. Th. orig. lib. pag. 53.

en zijn Gefchiedk. Verh: over den Trapsw: Voortg.

der Openb: bl. 305 ; uit welke beide plaatzen men

duidlijk zien kan, dat hij over den Godsdienst fprak

anders bij geleerden, en anders bij het Volk. H'j

had eenen tweevoudigen Godsdienst, den eenen

voor


der Systematifche Godgeleerdheid. 59

verëenigd kunnen worden. En eeneover- II.

dreeven liefde voor zijne Platonifche Fi-EE uw.

lofoofij deed hem alle Godsdienstleerin gen

verbinden met, en bewijzen uit zijne Wijsgeerige

grondftellingen, welke leeringen hij

in zeker verband, hoewel niet in de netfte

orde, voordroeg. Hij is het dierhalve

, die de groote kloof tusfchen de Theologifche

voordragt en de eenvoudige

Godsdienstleer eigenlijk het eerst verwijd

heeft. (*) Zijn werk kan dus befchouwd

worden wel niet als een volledig Syftema,

maar als eene ruuwe grondfchets

eener Syftematifche Godgeleerdheid. Oru-

GENES echter fchreef nog al zeer gemaatigd

en omzichtig: doch zijne Leerlingen

en anderen zijner volgeren misbruikten

zijn voorbeeld; (leunende op

het gezag van hunnen meester verknoeiden

deezen te jammerlijk het werk,

en gunden den flappen teugel aan hunne

wijsgeerige verbeelding. Van dit verregaand

vrij verklaaren der heilige fchriften

en der geloofswaarheden volgens den

leiddraad der Platonifche Wijsgeerte , 't

welk

voor de wijsgeerigen gefchikt , en den anderen

voor den gemeenen man. Even zo behandelt hij

den Godsdienst ook tweezins, nu eens naar de

bevatting van eenvoudigen, dan eensnaar degrondbeginfelen

der Filofoofije. Verg. MOSHEIMS noodige

ophelderingen der K. G. III. &t 239.

(*) Verg. L. T. SPITTLER 't a. b. S. 67. HEIN-

RICH. a. b. S. 75—Sü. DOEDERLEIN. 1. 1. I. pag.

221. en WALCH. aangepr. b. S. 44.


6o Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

III. welk gepaard ging met een vermeetel

EEUW. bijvoegen van geheel nieuwe leerflellingen,

die nergens in den Bijbel geleerd

werden , ontleende de Filofoofifche of

Schoolfche Godgeleerdheid, gelijk men ze

noemt, haaren oorfprong; en deeze nam

vervolgens allerlei gedaanten aan, naar

de veri'chillende geaartheid, geestneiging

en geleerdheid der genen, die ze omhelsden

(*). - Dit evenwel moeten wij hier bij

aanmerken, dat men toen nog een' geruimen

tijd de Wijsgeerige Godsdienstleer van

het algemeene Volksgeloof zeer onderfcheidde:

't gene men den geleerden ter

nadenking en beoordeeling voorftelde,

waare heel iets anders, dan 'tgene men

het volk in de gewoone vergaderingen

voordroeg:'t eerfte waare een wijsgeerig

Kristendom, en het tweede waare zuiver

E van gelie waar heid; het eene noemde

men wem, eene wiskunftige betooging

der kristlijke Leer, en het andere heette

men VKH eene beknopte geloofskennis der

heilwaarheden (f).— Hierin trad men lang

op het voetfpoor van om GE NES.

XX.

Wij kunnen niet wel met ftilzwijgen

hier voorbijgaan de in deeze eeuw ge-

ree-

(*) Zie MOSHEIMS K. G. I. bl. 374.

(t) Zie ROSENM. de Theol. ChriiïT orïg. pag. 4.2

et 67 ccinf. DOEDERLEJN 1. 1. P. I. pag. 219 ei 220.


der Systematifche Godgeleerdheid. 61

reezen opkomst der zogenoemde Myftie- III.

ke Godgeleerdheid, die van eenen geheel EEUW»

anderen ftempel waare, dan die van

ORIGENES en zijne aanhangers. Haare

ftichter is niet bekend: denklijk waren

het zwartgallige en zwaarmoedige Geestlijken,

die met zekere leerftellingen der

wijsgeerte van PLATO in groote bevooroordeeling

ingenomen waaren,en dezelven op

eene verregaande wijze misbruikten.

De eerfte aanleiding tot dezelve toch hebbe

men, volgens de juiste gedachte van

den Heere MOSHEIM, (*) te zoeken,

in die bekende leerftelling der Platonis*

ten, ook door ORIG EN ES en zijne Leerlingen

aangenomen, dat het redenlijk zielvermoogen

van den mensch een uitvloeifel van.

God waare, en in zich bevatte de beginfels

en gronden van alle waarheid, zo menschlijke,

als Godlijke. De voorftanders der

mystieke Godgeleerdheid waaren begunftigers

van een lijdlijk Kristendom, en

beweerden uit dien hoofde, dat alle poogingen,

om zich door afgetrokken vóórhellen

en diepzinnige befpiegelingen onderfcheiden

denkbeelden van de waarheid

te vormen, overbodig niet alleen, maar

zelfs nadeelig waaren. Zij waaren inden

waan, dat fiilte, afgetrokkenheid, rust en eenzaamheid,

verzeld van ligchaamsfolteringen,de

eenigfte middels waaren, om de

inwendige waarheid te doen werken, enden

mensch

O K. G. I. W. 3 7S.


62 Beknopte Letterkundige Oefchiedenis

III. mensch door den Godsdienst te verlich-

EEuw.'tcn en te verbeteren. Zulk eene denkwijze

bragt veelen aan een jammerlijk

dweepen, en dreef hen in holen en wildernisfen,

daar zij hun ligchaam op de

pijnbank van honger en dorst lieten afmartelen

, en een erbarmlijk leeven wechzuchten.

— Zulk eene denkwijze was aller

fchadelijkst voor het Kristendom; door

dezelve immers werd er onder denfchijn

van Godsvrucht barbaarschheid en dwaasheid

ingevoerd, daar in tegendeel de

Godsdienst van JESUS anders zogefchikt

was, om het menschdom door befchaafdheid

en wijsheid te veradelen: door dezelve

werden de ongerijmfte gevoelens

van het Platonismus met het Kristendom

vermengd, en voor Apostolifche uitfpraaken

uitgevent; door dezelve werd eene

wijde deur geopend voor eene volftrekte

zedeloosheid; de ziel toch had geene uiterlijke

drangfpooren tot deugd en braafheid;

alles waare harsfenfchimmige inbeelding

; en deeze waare eene volle bronwel

van zelfbedriegerije, huigchelwerk,

en ja ook van ongodsdienftigheid. Wanneer

toch de waarheid geene ftevige

grondfterkten heeft, zakt men veelal af

zo wel tot ongeloof als bijgeloof. .(*)

XXI.

(*) Hier vindt men 't eerst dat flag van .Kristen

menfchen ,'vvelket uitfpoorige dweeperij door

alle eeuwen heen aan den waaren Godsdienst geen

minder nadeel toegebragt heeft, dan de wysheid

der Schoolgeleerden.


der Systematifche Godgeleerdheid. 63

XXI.

I V.

Intusfchen kon toch deeze voor de E E ü W '

menschlijke natuur zo fchandelijke Geestdrijverij

geen' vasten voet krijgen tegen

de leermethode van OIUGENES. Mannen,

die Hechts eenige achting voor de geleerdheid

hadden, waaren er volftrekt afkeerig

van: zij vond alleen bijval by

menfchen, die van een dweepachtig geftel

waaren, en in 'tbezondere bij de

Gnekfche Munniken. Daarentegen werd

de wijsgeerige leerwijze, waartoe ORI-

G E N E s den grond geleid had, niet alleen

van zijne leerlingen, maar ook van anderen

goedgekeurd, en vooral in de vierde

eeuw, gelijk wij nu zien zullen, op hoogen

prijs gefield.

XXII.

OR'IGENES had dan nu in de derde

eeuw door zijne vier boeken «•£>»*>%«• reeds

den weg geweezen, hoe de Geloofswaarheden

op eene geleerde en Systematifche

wijze behandeld konden worden. En zo

brak het bederf der leer niet alleen in de

bezondere Schooien , maar ook in de

openbaare kerken door. Het fchuim der

Schoolfche Wijsgeerte, 'twelk reeds in de

tweede en derde eeuw onder de Geleerdheid

allengs opgekookt was, vermeerderin

de vierde eeuw niet wenig, ten groot

nadeel van al het Kristenvolk. De leer

van KRISTUS werd flaêg meer bezwachteld

met wijsgeerige en redenkunflige bijvoeg-


fj4 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

IV. voegfuls, die haar geheel wanvormden.

EEUW. Zij werd niet zelden verklaard en verdeedigd

op eene wijze, die de grootfte

onkunde en de droevigfte verwarring van

denkbeelden aan den dag leide.

Zedert de tijden van KONSTANTYN,

door de vleijzucht den grooten genoemd,

werd een aantal van ijdele verdichtfelen,

die men uit het Platonismus bij elkandere

geraapt, en naar den bedorven

fmaak des volks opgewarmd had, door

de kristenleeraars, in gemoedlijken ernst,

voor goed zielenvoedfel aangenomen, en

in de kerken aan de breede gemeente

aangepreezen. Hier uit ontftond

vlugs eene fchroomlijke meenigte van onfchriftmaatige

bijleeringen en de fchoone

Godsdienst" van onzen besten Zaligmaar

ker werd van lieverlede een belagchelijk

optooifel van wanfchiklijke beuzelachtigheden.

(*)

XXIII.

In deeze nevelachtige tijden had men

desniettemin nog geheel geen Syftema

der Godgeleerdheid. Zommigen hebben

de Onderwijzende leerredenen van CY-

RILLUS van Jeruzalem wel willen houden

als eene Syftematifche voordragtder

leer: dan deezen waaren niet voor geleerden,

maar alleen voor een voudigen. (f).

Men

(*) Verg. MOSH, K, G- II. bl. 72.

(f) DOEDERL. 1.1. l.p.

221. eaWALCIl'ta.b.S.42.


der Systematifche Godgeleerdheid. 6$

Men heefc ook LAKTANTUJS , die zeven boe- IV,

ken onder den tijtel van de Injiitutioni E E U W

lus, over de onderwijzing uitgelee ven

heeft, onder de vSehrijvers van Gódgeleerde

zamenttellen willen rekenen; maar

zonder grond: de arbeid dee/es Kerkvaders

diende meer, om de dwaabngtn

der afgoderij te wederleggen, dan om dé

waarheden des Evangelies te ontvouden

(*) Tot deeze Eeuw zoude men ook

moeten brengen de Geloofsbelijdenis van

ATHANASIUS, Bisfchop van AL'iXANDRië,-

welke wij achter onze Bijbels vinden,

indien de oude gedachte omtrent dezelve

egt waare, doch er wordt van veeleri

aan getwijfeld , of dezelve wel van dien

Kerkopziener, en niet van laater tijden

is; (f) en zommigen zelfs ftellen met zekerheid,

dat zij de vrucht van het eene of

andere verhit en minkundig brein uit de

duistere middeneeuwen zij , en eerst iri

de tiende eeuw bij de Westerfche Kerkleeraars

bekend wierd, gelijk zij daarom

ook nooit bij de Oosterfchen zoude

zijn aangenomen.

KRYSOSTOMUS,-

de

(*) V. DOEDERL. 1. I. I. p. 220 êt 222.

(f) MOSH. K G II. bl. Bo.

(§) Vadert. Bib!. II. bl. 387 Mengelfl. 't W

ieel waarfchijnlijk en ja fchier buiten alle tègenfpraak,

dat deeze Athanapaanfche Geloofsbelijdenis

opgefteld is na den tijd van de Kerkvergadering

te KALCEDON , die in de vijfde eeuw gehouden

is, naardien toch de Schrijver derzelye

zich uitdruklijk aankant tegen de Nestoriaanfche'


66 Beknopte Letterkundige GefcUedenis

IV de beide GREGORIÜSSEN , HILARIUS,

EEUW. en anderen, hebben in hunne fchriften

verfcheiden leerftukken van den

Kristlijken Godsdienst voorgediaagen ,

en op eene geleerde wijze behandeld,

maar geen van hun heeft evenwel

en Eutychif anfche dwaalingen. Er fchiet dierhalve

geen twijfel over , dat deeze geloofsleuze

niet van ATHANASIUS den Alexandrijnfchcn Bitfchop,

d'e in de vierde eeuw leefde , gefchieeven zij.—

Maarvan wien is zij dan? Hierover zijn de Schrijvers

van vroeger en laatcr tijden niet eens. De Geleerde

VAN HEMERT in zijne Prijsverhandeling

over het recht op, en de verpligting tot eigen

oordeel in den Godsdienst. (2/CTEIJLERS Godg.

f c h r i

Gen. XI. bl- 168.) ï f t ' m den voorbijgang,

zonder er verder redenen van te geeven, waarvoor

het trouwens ook daar de flede niet was, „waarfchijnlijk

is deeze Geloofsbelijdenis opgeileld

"door zekeren VIGILIUS van TAPSUS." En deeze

gedachte komt mij heel niet onaanneemhik

voor. 't Is toch van veelen aangemerkt, dat deeze

VIGILIUS Bisfchop van TASAPE in het oude

BVZACENE , die in het midden van de zesde Eeuw

gebloeid heeft, (volgens anderen tegen 'ieinde

fan de vijfde eeuw,) meenig iets onder den naam

van ATHANASIUS den ALEXANDRICR tegen de ARIAA­

KEN gefchreeven heeft. Tegen deezen heeft hij

ep diens naam in 'tbezondere uitgegeeven II Boeken

over de leer der Drieëenheid. Daar hij

dus zijne hand voor die van ATHANASIUS uitventte,

hoe geloofwaardig wordt het dan niet, dat ook de

bekende zo geheeten geloofsbelijdenis van deezeg

Alexandrifchen Kerkvoogds door hem tefchrift gebragt

en onder deszelfs naam wereldkundig gemaakt

zij? Conf. ELL. DUPIN; 1. 1. T. II.pag. ? i et IOI.

HOFMANNI L. U. art. VICIL: et OL EARU Ab. Pat.

eod. art.


der Systematifche Godgeleerdheid. 6/

dezelven op eene Systematifche leest ge- IV.

fchoeid. Doch diesniettegenltaande werd EEUW.

er in de vierde eeuw van tijd tot tijd

meer bouwftof voor eene Theologifche

ftelfelmaakerij langs verfcheiden wegen aangebragt.

Door de gereezen Godsdienstverfchillen

en allenthalve ffandgrijpende

kerkbefluiten werden er nieuwe plegtfpraaken

en kunstwoorden onder dé kristenen

ingevoerd: Men denkehieraandeARiAAN-

SCHB verlchillen over de Godheid van

JESUS, aan de gevoelens van APOLLINA-

RIS , Bisfchop van LAODICEA , in SY-

RIÖ , over de menschlijke ziel van den

Verlosfer, aan de gedachte van MACEDO-

NIUS, Bisfchop van KONSTANTINOPOLE

over den heiligen Geest, en aan eene

groote meenigte andere wijd uit elkander

loopende dwaalmeeningen van verfcheiden

leeraars en fekten, die de kerk

beroerden. Zo bragt ieder nieuwe

leertwist, en ieder nieuw kerkbefluit nieuwe

plegtfpraaken, nieuwe kunstwoorden,

nieuwe fpitsvindigheden ter baan. Dit

waare zeker op zichzelven wel nuttig

en noodzaaklijk, ter weering der opgekomen

dwaalftellingen; hadde men

er naderhand maar geen misbruik van gemaakt!


De Kerkvergadering te NICE in BÏ-

THYNië, ten jaare 325 inzonderheid over

het Arianismus gehouden, althands door

KONSTANTIJN den Grooten zamengeroepen »

om het gefchil met ARIUS , wiens leer in des-

Zelfs rijk.zo veel voet had gekreegen, ten'

sinde. te brengen, mooge men hier vooral

E % aan-


68 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

IV. aanmerken als den grondwortel vanSysr

E-EUW. tematifche termen, en fchoolfche onderfcheidingen.

Zonder zich voor of tegen de

Ariaanen te verklaaren, 't gene trouwens

ook hier niet te pas komt, moete men

toch als eene waarheid erkennen, dat

men hier de eerfte openbaare en algemeene

volkomen afwijking van het eenvoudig,

Godlijk getuigenis tot de bepaalingen van

menfchen aantreft, en hier een voorbeeld

aan de volgende gedachten gegeven wierd,

om eigendunklijke fchriftuitleggingendoor

eigendunklijke kerkbefluiten vastteftellen,

en de geweetensvrijheid der menfchen,

die de voorrechten van KRISTUS heilrijk

genieten wilden, door hen te dwingen

tot het bezweeren van gdoofsleuzen, hoe

meest fchriftmaatig anders ook, aan den

band te leggen.

XXIV.

Onder alle Kerkvaders der vierde en

vijfde eeuw heeft de beroemde AUGUS-

TINUS, Bisfchop van HIPPO inAFUJKA,

het meest gearbeid aan eene geleerde

voordragt der Godsdienstwaarheden. (*)

Deeze eerwaardige kerkvoogd heeft vervorderd

'tgene OR.GENES begonnen had:

en men zoude hem als den eerften aanlegen)

Zesendertig iaaren heeft deeze Man de Bisfchop*

Kjke waardigheid bekleed. Hij ftierf te IÜPPO, terwijl

hetzelve bdegerd was van de WANDAALEN*

aes en zeventig jaaren oud zijnde in 'tjaar 430.


der Systematifche Godgeleerdheid. ' 69

legger der Systematifche leerwijze in de VI.

Westerfche Kerk kunnen aanmerken. Wij EEUW.

hebben van hem verfcheiden fchrifren, welken

allen, met bijvoëgfels van JOH. CLERI.

eus,te ANTWERr-Exuitgegeeven zijn. On

der anderen hebben we van Hem vier boe"

ken de df)&rim Chrhtiana (over de Zm/-

lijke leer.') In dit werk vindt men de

eerfte grondliniën van een geregeld Systema.

AUGUSTIJN had de gewoonte, om

vooraf zekere beginfelgronden, uit het

Piatonismus ontleend , te leggen; hier

uit trok hij ontelbaare gevolgen, en zocht

zo de hoofdftellingen zijner leer in een

vastgeftevigd verband te zetten. Over

de meeste waarheden heeft hij meer gefdofoofeerd,

dan immer eenig leeraar

voor hem. Hij was ook de uitvinder

van nieuwe woorden en ongehoorde

Schooltermen. Van hem hebben wij

bij voorb. de woorden Genade (gratia)

in de betekenisfe van eene Godlijke werking,

en Erfzonde, (Peccatum Originale.)

Van hem hebben v/ij de onderfcheidingen

van de beginnende, voorbereidende

t

werkende, medewerkende, en helpende genade

geleerd. Hij ook heeft het eerst gefchreeven

over de volf rekte voorverordening,

over de bezondere genade, en ever

de onwéerftaanbaare genade. — Zedert de

tijden van AUGUSTINUS werd de leertrant

van JESUS, van zijne Apostelen, en van

de eerile Kerkleeraars geheel uitdekristlijke

Kerk verdrongen, terwijl eene kunstmaatige

voordragt der Evangeliewaarheden

E 3

in


70 Beknopts Letterkundige Gefchiedenis

IV. in de fchoolen der geleerden een ruim

EEUW» en wijd veld inwon. Men mooge dus

* met recht zeggen, dat AUGUSTIMJS in de

Westerfche Kerk de eerfte wenken gegeeven

heeft, om op een gekunfteld en

fraai in elkaèr geweeven Syftema der

geloofsleer bedacht te w or den. En van hier

is het, dat hij ook in de volgende tijden

het orakel der zogenoemde Scholastieken

geworden is. (*) Alen ziet evenwel nergens

onder zijne fchriften een werklijk

Systemader geloofswaarheden, maar Hechts

den aanleg, de grondtekening en de bouwftof

tot hetzelve, (f) AUGUSTINUS was zeker

een groot Genie, in welken zichfchoone begaafdheden

en uitlleekende hoedaanigheden

verè'enigden; (§) jammer waare het ?

dat hij. geen taalgeleerde was, want hij

verftond, volgens zijne eigen betuiging,

noch Grieksch, noch Hebreeuwsch; {**)

dat hij meer verbeeldingskracht had,dan

juistheid van oordeel, en in zijn fchrijveh

(*) Dubito , nu'n merito fuo , inquk BORDER-

LEÏNIUS 1- 1. 1. pag. 220, et nos dubitamus.

(f) /-7flfc DOEDERL. 1. 1. \.p. 222. en WALCU anng..

b. S. 44. conf. EUDÜEUS Ij 1. p. 316.

(§; ERASMUS noemt hem incomparabilcm Ecclefia

do&orciu,eenen onvergelijklijkenKerkleerdar. Fide

HOFMANNI L. U. art. AUG. Zijn grootlte Vijand, PE-

LAGIUS, heeft hem willen beeten eer? Godsvruchtig,

braaf en lofwaardig man. Fide JALXONSKT Iitji. II. C.

I. pag, 141.

(**) De Givitflie Dei XV. 17.


der Systematifche Godgeleerdheid.

ven dikwerf zo onbedaard en onberaaden V.

te werk ging,- dat hij te zeer ingenomen EEUW»

waare met de Platonifche Wijsgeerte,

en te veel op onwisfe onderilellingen

N

bouwde. Hij was in zekere opzicht 't

gene CICERO van zichzelven betuigt,

magnus quidam opinator. (een groot vriend)

van onbewezen waarheden als zekere ftellingen

aantenecmen.~) (f)

XXV.

In de vijfde eeuw treft men ook Bergens

eenig blijk aan, dat iemand het ondernomen

hebbe, een volkomen zamenftel

der Godgeleerdheid te vervaardigen.

De zes Boeken der Onderwijzing, waarvan

men eenen NIC^EAS voor Schrijver

houdt, (f) kunnen toch ook den naam

van

(*) CICERO Acad. Quast. Lib. IV. pag. minl

AUGUSTINUS was één van dievoornaame

mannen, welken van deezen te hoog gepreezen,

en van genen te laag gelaakt worden, en

van welken men zeggen moet.

_____ qiiils nont merité.

Ni eet exces d'honneur, nicette indignité.

Lees verder over AUGUSTINUS en zijne leerwijze ,

HEINRICH a.b- S. 94—107. DUPIN I. 1. T. III.

pag. 290—497 daar men eene zeer uitgewijde beoordeeling

van zijne fchriften vindt, HOFMANNI L. U,

et OLEAR.II Ab.Pat. art. AUG.

(\\ Vide GENNADII MASSILIENSIS Catalogum Script.

Ecclefiasticorum.Cap. XXII. Edit. FABRICII. p. 28,

E 4


72 Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

V. van een volledig Syftema niet draa-

EE-uvy. gen. (*) De waarheden van den

Godsdienst werden in de fchriften der

Geleerden deezes tijds doorgaans gezift,

gefcheiden, en voorts weder vermengd,

vermai'geld en veranderd, tot zo lang

eene drnoge fpitsvindigheid haar onkenbaar

maakte, en haare oorfpronglijke

helderheid geheel benevelde en verdonkerde.

— Zo behandelde men de leer

des Evangeliesin die dagen; en hoe veel

nadeels dit vervolgens brouwde voor de

Sijstemitifche leerwijze, zal voortaan uit

ons gelchrift blijken.

DER-

(*) Verg. KOSH. K. G. II; bl. 234 en 225.


deu Systematifche Godgeleerdheid. 73

DERDE

AFDEELING.

HET TIJDPERK VAN JUNILIUS EN ISL

DORUS UIT DE ZESDE EEUW TOT

AAN DE SCHOLASTIEKEN IN DE

TWAALFDE

EEUW,

XXVI.

TT

J- ot dus verre hebben wij uit de Ge- VI.

fchiedenisfe kunnen zien, hoe zeer de EEUW.

fchoone Godsdienst van den Heere JESUS

gewanvormd en verleelijkt waare geworden

door de nuttelooze omhangfels en

fchadelijke optooifels der Platonifche Wijsgeerte.

Dan in de zesde eeuw kreeg het

Platonismus door een Bevelfchrift van

den Keizer JUSTINIANUS, waarin hij het

onderwijzen dier Filofoofije te ATHENE

verbood, eene geweldige wonde, zo dat

het aan het kwijnen raakte, en ten laatften

na meer geduchte Hagen van elders

bekomen te hebben, het hoofd neêr leide

, en den doodfnik gaf. De Wijsgeer-

E 5

te


74 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

VI. te van ARISTOTELES, die lang in het don-

EEUW. kere gefchuild had, kwam nu voor den

dag, en won in de Griekfche kerk alle

achting; gelijk ook bij de Latijnen, zo

dra uoëTHius, geheimraad van den Ostrogothiichen

Koning TH.EODOR.IK , eene

overzetting en uitlegging van verfcheiden

boeken diens Wijsgeers vervaardigd hadde.

Zo volgde deeze Aristotelifche Filofoofij

die van PL-ATO op. En zij werd

van ongemeen grooten dienst in het beftrijden

der Ariaanfche, Neftoriaanfche, Eutijchiaanfche

en Pelagiaanfche dwaalingen,

wijl met weinigen der tegenftanders er

op gevallen waaren, om haar in den arm

te neemen, en haar tegen de voorftaaners

der Efezifche en Kalcedomfche Kerkvergaderingen

ten hunnen bijftand in het

harnas aantevoeren. De vrienden der

waarheid konden dus niet beter doen, dan

de helpende magt der weêrpartij te verzwakken

en te ontzenuwen: en hier toe

waare het noodig, dat zij haare fterke en

zwakke zijden leerden kennen, en haar

wijders met haare eigen wapenen te onderbragten.

(*)

XXVII.

Jammerlijk begon het in deeze eeuw

gedeld te worden met de leer van het

Evangelie; haare oorfpronglijke eenvou-

dig-

(*) Zie SI'ÏTTLER: Grundrisf der Christk Kit-,

ikengef: S. IAI»


der Systematifche Godgeleerdheid. 75

digheid waare geheel verdweenen; haare VI.

zuiverheid waare ganfch bezoedeld met al- EEUW»

lerLi vlekken van bijgeloof en menfchenvinding:

de voornaarafte leerftukken van

den Godsdienst werden beneveld en verdonkerd

door een' drom van ziftende onderfcheidingen

en door een' damp van harsfenfchimmige

Wijsbegeerte. Niet

alleen de volksgodsdienst, maar ook de

geleerde voordragt van de waarheden des

kristendoms, ja al de geleerdheid geraakte

in een' diepen afgang. Men dacht alleen

op kunstwoorden, op uitpluizingen,

op drogredenen, en fpitsvindigheden om

den wederpartijen dapper in het hair te

zitten,en hen ruiterlijk aftemaaken. En

hierdoor leed niet alleen het volksönderricht,

maar ook de ftudie der Geleerden

onbegrijplijk veel fchade (*) 't Grootste

gedeelte der Godsdienstleeraars werd van

de hoofdzaak afgetrokken, en was diep

onkundig, dikwerf niets meer weetende

van het gene, waarvoor zij eigenlijk te

fcheep kwamen, dan het domme volk,

dat onderwijs uit hunnen mond verwachtte.

De taalftudie lag ter neder, Filologifche

en uitlegkundige kennis waare

geheel uit de mode; waartoe het voorbeeld

van AUGUSTINUS zeker niet veel

goed gedaan had, ahchoon ook deeze

kerk

(*) De hoofdfom van den Volksgodsdienst

rustte nu geheel en al op Theologifche fpitsvindigheden

en fcherpziunige twistvraagen. Zie SPITT­

LER 't a. b. S. 141.


76 Beknopte Letterkundige Ge/chiedents

VI. kerkvader zijner tijdgenooten en den na-

EEUW. komelingfchap fterk afgeraaden hadde,

hetzelve te volgen. (*) De Geestlijken

namen maar de eene of andere Helling

uit hun filofoofsch Syftema, en wrongen

haar in den Bijbel in; en daar men

deezen zonder fpraakkunde en zonder

gezond oordeel met een dweepend brein

las, vond men er ontelbaare ongerijmdheden

in, waaraan de wijze JESUS en zijjie

verftandige Apostelen nimmer denken

konden; en dit alles bezwachtelde men

in bijgeloovige omwindfels en kerkplegtige

bijvoegfels. De Geestelijken waaren

traag en lui, dachten heel niet meer oorfpronglijk,

en behielpen zich met leerftellingcn,uitde

fchriften der ouder Kerkvaderen

, en uit de befluitboeken der Kerkvergaderingen

getrokken. En aan zulk eene

ilaaffche domheid gaven ongemeen veel

voedfel de Munniken, die geheel geene

kunde hadden, en zich met de Godsdienst*

itudie volftrekt niet bemoeiden.

£XViIE

In deeze Eeuw moete men dan te

vergeefs zoeken na eene naauwkeurige,

zuivere en natuurlijke uitlegging der

kristlijke leer. Ook verwachte men geheel

niet van haar een wel geregeld zamenftel

der waarheden. Door de mcnigvou-

r"*) Vide AUGUST. in librh de doftrina Chrhtia^a

II. II, UI. i*


der Systematifche Godgeleerdheid, JJ

voudige verfchillen, welken men over de VI.

verklaaring van bezondere leerpuntenlee- EEUW.

vendig hield, of weder op nieuw begon,

hadde men anders wel aan een gefchakeld

en geordend Syftema moetendenken;

maar men draaide eeuwig op het zelfde

punt om en om, waarop men éénmaal neêrgezet

waare, zonder de aangrenzende

leerftukken aanteroeren; terwyl door die

geweldige draijing eene fcheemering ontltond,

die het oog verhinderde, om het

geheele verband van waarheden in aanfchouw

te neemen. (*) Doch wij treffen

er evenwel in deeze eeuw eenigen aan,

die fterk gearbeid hebben aan de Systematifche

leerwijze, en hierin verder gevorderd

zijn, dan hunne voorgangers.

Onder deezen moet de eerfte ranggegeeven

worden aan JUNILIUS, den Afrikaanfchen

Bisfchop, die twee boeken gefchreeven

heeft over de onderfcheiden deelender

Godlijke Wet (door deGodlijkeWetvztfa&t

hij naar het hebreeuwfche fpraakgebruik

de heilige fchrift.) (f) Dit werk nog

voorhanden en te BAZEL gedrukt, bevat

voornaamlijk eene inleiding in de gewijde

boeken van het O. en N. T. doch het

behelst ook een ontwerp van een Godgeleerd

Syftema, waarin hij alles, wat

tot het weezen van den geopenbaarden

Godsdienst behoort, uit drie verfcheiden

oog-

(*) Zie SPITTLER 'ta. b. S. 159

CD V I ( * E HOFMANNI L. U. art. JUNILIUS»


7 8 Beknopte Letterkundige Gefcjiiedenis

VI. oogpunten befchouwt, en het zelve in

EUW. drie voornaame afdeelingen behandelt.

' De eerfte betreft God, zijn weezen, zijne

eigenfchappen en zijne werken. De

tweede gaat over de gefteldtenis van deeze

wereld; en de derde over den {laat van

het toekomftige leeven. Men vindt

wel in dit werk geene keurigheid en

juiste oordeelkunde; doch in veele opzichten

dacht deeze Kerkleeraar toch?

gansch niet flaafsch, maar zeer oorfpronglijk

en vrij; en meenig iets,dat in onze

dagen voor nieuw uitgevent wordt, inzonderheid

ten aanzien van verfcheiden

Bijbelboeken, is reeds door hem voorgedraagen.

Doch JUNILIUS moest eigenlijk

in dit vak alleen werken: Hij

kreeg geene medehelpers, zijn ontwerp

waare niet uitvoerlijk genoeg; het waare

te origineel; het vorderde te veel nadenken.

Van den arbeid deezes Afrikaanfchen

Bisfchops hebben evenwel' in

laater tijden gebruik gemaakt de zogenoemde

Scholastieken of Schoolfche Godgeleerden.

(*)

XXIX.

Tegen het einde van deeze eeuw

zijn 'er ook nog anderen geweest,

die de Syftematifche leerwijze bevorderd

hebben, fchoon op eene min oorfpronglijke

en

(*) Zie HEiNiucH a. b. S. Ho -113.


der Systematifche Godgeleerdheid. 79

en meer flaaffche wijze. En deezen moo- VI.

gen we in den tweeden rang plaatzen. EEUW.

Zij deeden niets anders, dan de gedachten

en verklaaringen, bij de oude Kerkvaders

aangenomen, en in de befiuiten

der Kerkvergaderingen vastgefleld, welken

zij op hunne manier uit de H. Schrift

bekrachtigden, te hoop te brengen. Op

deeze wijze ging onder de Latijnen ISIDO­

RÜS van SEVILLE, Bisfchop in SPANJE, te

werk in zijne Sententiarum Lihi III.

Want dit Gefchrift behelst niets anders,

dan dogmatifche en moreele leerftukken,

getrokken en grootendeels bij eikanderen

verzameld uit de werken van AUGUSTINUS

en GREGORIUS den Grooten, in eenen

zekeren, fchoon weinig geordenden Systefnatifchen

zamenhang voorgedraagen. —

Zulk eene fpreukenverzameling waare

toen gemaklijk te vervaardigen, naardien

toch bij de gereezen verfchillen de bezondere

geloofspunten naauwkeuriger en

juister behandeld waaren, dan voorheen.

• De inhoud van het eerfte

boek is Dogmatisch; ISIDORÜS fielt de

leerftukken van den Kristlijken Godsdienst

in drie en dertig hoofddeelen voor. Het

tweede en derde boek is moreel; en in

hetzelve vindt men eene zedekundige

aanfpooring tot daadzaaklijken Godsdienst.

(*)

Van

(/*) Zie CRAMERS Fortzetzitr.g des BOSSUET Th, V.

11. i. 538. tt. en HËINRICH ta. b. S. 11 ^—1 K.


8o Beknopte LetterkundigeGefchiedettis

VII.

EEUW.

Van even diergelijken inhoud zijn ook

onder de Grieken' de loei communes Theologici

van den Bisfchop L-EONTINUS van

CIJPRUS; welken in twee hoofdftukken afgedeeld

zijn. Boven het eerfte hoofddeel

fchrijft hij den tijtel: T*>» , en

boven het tweede: T«» «.^(UTTHUI- ( j

Deeze loei com.n. Th. of gemeene plaatzen

der Godgeleerdheid zijn insgelijks verzamelde

ftukken. uit de Schriften der ouden,

in eene Hechte Systematifche orde

bij elkaêr gebragt. (f). Wij hebben

van deeze beide Schryvers, ISIUOOR

en T.EONTius , oorfpronglijk die zoort

van Godgeleerdheid, welke de Latijnen naderhand

'Theologia Pofitiva , ftellige Godgeleerdheid

noemden, en welke met geene

Filofoofije opzetlijk verbonden, maar eeniglijkuit

den Bijbel en uit defchriften der

Kerkvaders ontleend is. Deeze beiden

kunnen dus in zekere opzicht gehouden

worden als de eerfte Syllemafchrijvers,

hoe regelloos dan ook de orde, die zij

volden,~ en hoe weinig de waarde, die

men in hunne werken vindt, weezen

mooge.

XXX.

In de zevende Eeuw fteeg de domheid

en onkunde ten hoogften top: de

wee-

C") Vide CAVE Hifi. Litt. Ecclef. T. II. P IJ>2-

(t) Zie MOSHEIM K. G. II. bl. ?43- IUUNRIGH

't a. b. S. 115 en DOEDER-EIN. 1. 1. I, pog 2 2 2 i


der Systematifche Godgeleerdheid.

8t

weetenfchappen lagen te zieltoogen:jam- VIL

merlijk onweetend en ondeugend waaren EEUW,'

de Geestlijken; en de Godsdienst moest

zwoegen onder eene vervaarlijke dragt van

bijgeloovige vonden, zo dat hij het hoofd

niet konde opbeuren, om zijne aangebooren

fchoonheid aan eene bedroogen

en bedorven wereld te vertoonen.

Daar de Wijsgeerte en Godgeleerdheid in

zulken beweenenswaardig verval waaren,

en onder de Latijnen en onder de Grieken,

waaren ook deeze beiden er niet op bedacht,

om de leerftellingen van het Kristendom

tot een geregeld en volledig zamenftel

te brengen. ANTIOCHUS, eeti

Munnik in PALESTINA, Helde wel een

kort begrip op van de Kristlijke leer, onder

den naam van Pandekt der Heilige

Schrift, beftaande uit honderd en dertig

leerredenen. Dan de grillen van eene

bijgeloovige domheid, die er in voorkomen,

gelijk het herhaald betreuren van

het verlies des heiligen Kruishouts, door

de PERZEN wechgenomen, maaken hetzelve

tot een zoutloos opftel, en alle achting

onwaardig. (*) De Sententies (Libri

V), of de Spreuken van TAJO, Lisfchop

van Saragosfa, zijn een dor, ongeordend

en onfmaaklijk ftelfel van erbarmelijk

zamengeflansde ftukken, bij elkaer

geraapt uit de Schriften van GREGO-

RIUS

(*) Vide OLEAitii Abac. Patr. art. ANTIOCHI'S*'

F


8_ Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

VIII. mus en AUGUSTINUS. (*) — Het bes-

E E u w. te zamenftel der Godgeleerdheid onder de

Latijnen van deeze Eeuw was, volgens

de opgave van MOSHEIM , eene Verhandeling

van ILDEFONSUS over de kennisf des

doops. (f).

XXXI.

In de volgende tijden werd de zaak

Van het Kristendom niet beter bevorderd.

De achtfte Eeuw was vruchtbaar in de

fchandelijkfte bijgeloovigheden, en in afgodifche

eerbewijzen aan de beelden: terwijl

het zuiver zaad des Evangelies verflikt

en verfmoord werd door eene verbaazende

meenigte van verdervend onkruid.

De egte Godsdienst van JESUS

was, behalven eenige weinige ïeerftellingen,

in de belijdenisle der Apostelen

begreepen, geheel verbasterd en tereenemaal

onkenbaar, niet alleen bij den gemeenen

man, maar ook bij de aanzienlijkfle

en voornaamfte Leeraars.

In de Westerfche Kerk waare er geen

één , die zijnen Godgeleerden arbeid zo

verre voortzette, dat hij een volledig,

aanëengefchakeld en naauwkeurig ftelfel

Van de waarheden des Kristendoms poogde

te vervaardigen. De Godgeleerden

waa-

(*) Vide j. MABILLONIUM , Analecla Veteris avi.

Tom. II. p. 6'i et 77; en CRAMER, ter aang. pi.

S. 5+8. Verg. MOSHEIM , K. G. III. bl- 32 en 50.

(D MOSHEIM, K. G III. bl. 64.


der Systematifche Godgeleerdheid. 83

waaren allen ftaêg ijverig werkzaam, in VIIL

het bij elkaêr vergaderen van gevoelens EEUW.

en getuigenisfen der Kerkleeraars uit de

zes eerfte eeuwen; de fchriften dier vaders

werden als onfeilbaar aangezien, en

als de grenfen der waarheid , weiken de

reden niet overfchrijden mogt , aangemerkt.

De IEREN evenwel waaren er niet

van te huis, om zich als flaaven aan het

gezag der oude Kerkfchrijvers te laaten

vastbinden. Verftandig en oordeelkundig

waaren hunne poogingen , om de waarheid

van den Kristlijken Godsdienst door het

fchijnfel der reden en der Wijsgeerte optehelderen.

— De Geleerde MOSHEIM is

van gedachte, dat de Ierfche Theologanten

de eerfte Leeraars der Schoolfcae

Godgeleerdheid in EUROPA geweest zijn;

en dat dezelve reeds in achtfte eeuw dus

al aanweezig waare. (*)

XXXII.

In de Oosterfche Kerk zag het er

over het algemeen niet veel beter uit.

Doch in dezelve treffen wij onder de weinigen

welken zich wegens hunne geleerdheid

en ftudie eenige verdienften verworven

hebben, een' man aan, die als zamenftehchrijver

alles werklijk tot ftand

gebragt heeft, wat zijne voorgaaners begonnen

hebben. Deeze is JOHANNES van;

DA-

CO Zie MOSH. K. G. III. bl. 155,

F s


84 Beknopte LetterkundigeGêfchiedenh

VIII. DAMASKUS , een der grootfte geleerden van

_ EU w. zijnen tijd, een verftandig Theologant,

*en een oordeelkundig Wijsgeer van de

Aristotelifche fekte, wélke reeds zedert de

zesde eeuw meer ingang gevonden had,

dan de Platonifche, (*) een zelfdenkend

Kerkleeraar, en Presbijter te JERUZALEM,

naderhand Munnik in het Klooster

St. SABAS, niet verre van JERUZALEM,

overleeden 760. Hij is het, die 'teerst

' geregeld, ordelijk, naauwkeurig, welzamenhangend

Systema der Kristlijke Geloofsleer

, niet uit de zamenweefzels van

anderen, maar door eigen nadenken, gefchreeven

heeft, en even daardoor de eigelijke

Uitvinder van de Systematifche

leermethode geworden is onder de Grieken.

Dit zelfdoordacht -Systema heeft hij

uitgegeeven onder den tijtel van vier boeken

over het regtzinnig geloof, of zo als

het in 't Grieksch is, Axp^en ?m ep$o$ t.

int

(*) Zie § XXVI hier voor. De Wijsgeerte van

ARISTOTELES , die ook de peripatetifche Wijsgeerte

genoemd wordt, werd nu allenthalve inde openbaare

Schooien geleeraard , en op alle plaatzen met

eenen gelukkigen uitflag voortgeplant. De leer

van PLATO had bij de herhaalde veröordeelingen ,

over de gevoelens van ORIGENES uitgesproken, en

bij de verfchillen met de NESTORIAANEN en EUTV-

GHIAANEN , al haar aanzien verlooren. Onder

de Schrijvers deezer Eeuw, die den voortgang der

Aristotelifche Wijsgeerte bevorderden , muntte vooral

uit JOH. van DAMASKUS. Verg. MOSH. K. G.

III. bl. 93.


der Systematifche Godgeleerdheid. 85

Ut *m»t. (*) Wij zullen hier eene korte VIII.

fchets van hetzelve opgeeven. In 'CEEUW.

eerfte boek handelt hij over God, zijn

weezen, en eigenfchappen, ook over de

drie perzoonen: wijders over de fchepping.

In het tweede boek fchrijft hij over de

voorzienigheid, over de voorverordening, en

over den val van het eerfte ouderpaar.

In het derde boek wordt de leer van de

menschwêrding, van den per zoon, en de

natuur en, van het keven, van den dood en

van de helvaart van KRISTUS voorgedraagen.

In het vierde boek wordt de leer

aangaande den Zaligmaaker voortgezet;

Hij redent over zijne verrijzenis en verhemeling

, vervolgens over het geloof,

over den doop, over de overhlyffels en heelden

der heiligen, (f) over de Godlijke

Wet en de zonde; over den Sablath, over

de befnijdenis, over den Antikrist, en

over de opftanding ten jongften dage. —

(*) M. LE QUIEN de Uitgeevei van DAMASKUS werken,

verbeeldt zich, dat de Scholastieken van

laater tijden dit Systema in vier boeken verdeeld

hebben, naar het vierdeelig Spreukenboek van

LOMBARDUS , en dat dus deeze fplisllng niet eigenlijk-en

oorfpronglijk van JOH. DAMASKUS zeiven

zoude zijn.

(f)

JOHANNES was een ijverig Beeldenverëerer:

Zie JABLONSKI Infiit. Hifi. CA. I. p. 216. en VENE-

MA; H. E. T. V. p 16H. Degroote begaafdheden

van deezen uitmuntenden man werden deerlijk bezoedeld

met de groffte vlekken eener bijgeloovige dweeperij,

de heerfchende hoofdziekte onder zijne tijdgenooten.

Zie MOSH. K. G. III. bl. 141.

F 3


86 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

VIII. Men vindt in dit Systema, volgens de

EEUW. aanmerking van MOSHEIM,;*) de twee foorten

van Godgeleerdheid, welken de Latijnen

de Schoolfche en de Leerftuklijke ofde ftellige

noemden; daar de Schrijver niet alleen

de leerftellingen door fcherpzinnige

redekavelingen uitlegt, maar die uitleggingen

ook bevestigt door het gezag

der oude Kerkleeraars, 't Werd van veelen

gelaakt, dat hij meer op de uitfpraaken

der menfchlijke reden en op deleergevoelens

der ouden, dan op den Bijbel

gebouwd heeft; dat hij verfcheiden dwaaïïngenuit

de filofoofij van ARISTOTELES in

zijn Systema gebragt, den waaren aart

van het zaaligend geloof niet gekend,

en de leer der rechtvaardiging verzweefen

heeft. En ook dit kan niet anders,

dan met recht in hem afgekeurd worden.

Doch niettemin blijft zijn werk met alle

deszelfs gebreken fleeds een merkwaardig

gedenkftuk der oude Godgeleerdheid: en

}OHANNES van DAMASKUS mag met reden

aangemerkt worden als de ifichter der

Systematifche leermethode. Bij het

genoemde werk van JOH. van DAMASKUS,

over het regtzinnig geloof, moogen wij

voegen zijne Parallela Sacra, of heilige

vergelijkingen. Dit fchrift is een klein en

onvolkomen Syftema der geloofsleer, en

der zedekunde, waarin hij van God, van

het menschdom, van de deugd en de ondeugd

handelt, (f)

(*) MOSH. K. G. III. bl. 157.

(t) Vide 0LI;AR 11, Ab f

Patr.art. jon. DAM. —

Van


der Systematifche Godgeleerdheid* 87

XXXIII.

DL

EEUW,

In de Oosterfche Kerk werd de Systematifche

arbeid van den gene-eihden

Schrijver op hoogen prijs gefteld en in

groote waarde gehouden: zo dat men denzelven

met den tijd als de eenige regelmaat

der Godgeleerdheid aannam. (*) —• De

Grieken vereerden meestal blindlings dit

ftelfel van Godgeleerdheid: zulks duurde

tot in de volgende Eeuwen voort. —

Hoe jamruerwaardig was het dus gefteld

onder de Grieken in de eerstkomende

Eeuw. De ijver voor de geleerdheid enweetenfchappen

verkoelde meer en meer: de zeden

werden hand over hand verbasterd, en

de wijze,waaröp men de waarheden van den

Godsdienst voorftelde, was dor en onvoldoende,

meer gefchikt, om het hoofd

te vullen met nietsbeduidende fpreuken ,

dan het hart te warmen door gevoel van

Evangeliekracht. In de Westerfche Kerk lag

de

Van de fchriften deezes Mans heeft c. PELARGUS

eene uitgave bezorgd te Frankfort aan den Oder

in'tjaar 1607. 4. Doch de beste uitgifte is die

van Parys 1712 in twee foliobanden, welken

men aan M. Ie QUIEN te danken heeft. LE QUIEN

telt in de voorrede ook andere uitgaven op ,• dan

die van PELARGUS, welke hij niet noemt, fchijnt hem

onbekend te zijn geweest. Over JOH. van DAMASKUS

en zijne leerwijze zie men HEINRICH 't a. b. S.

117—124. en DOED. 1. 1. pag. 222 en 223.

CO Zia MOSHEIM K. G. III. bl. 157.

F 4


88 Beknopte Letterkundige Gefchiedenu

IX. de ftaat van het Kristendom ook deerlijk

EEUW. vervallen. Hoe ellendig het met den zeiven

gefchaapen was, toen KAREL de

GROOTE , die anders onbegrijplijk veel

te werk gefteld had, om dat gedeelte van

EUROPA , 't welk aan de Frankifche kroon

hing, van onkunde en barbaarsheid te

yerlosfen, in het jaar 8i4geftorvenwas,

is uit de gefchiedenis van die tijden bekend.

Zo dra deeze waarlijk groote

KAR EL, die den eerften rang onder de

geleerden van zijne eeuw verdient, en zijne

verftandige kunstvrienden door den

dood verhinderd werden, om aan de wigtige

belangen van kennisf en Godsvrucht

dienstbaar te weezen, brak de ruuwheid

en onweetendheid der nijdige Geestlijken

weder alles af, wat de Koninglijke geleerdheid

met zulken on'vermoeiden arbeid

gebouwd hadde. Op een aangenaam

fchemerlicht, dat een blijden morgen van

verhelderende weetenfchappen en verkwikkende

Godzaligheid fcheen aantekondigen,

volgde weder een duistere nacht

van domme onkunde en plompe woestheid.

Men verloor alle aandrift en

lust, om met een gezond oordeel over

Godgeleerde onderwerpen te denken: men

verflaafde zich aan het gezag van AU­

GUSTINUS, en men liep hem gerust en

te vreede in alle zijne gangen na. De

Jerfche Godgeleerden evenwel durfden

het waagen, om de verheven leerftukken

van het Kristendom bij het licht der

H. Schrift, en tevens bij het licht der reden


der Systematifche Godgeleerdheid. 89

den en der wijsgeerte, van nabij tebefchou- IX.

wen; alfchoon zulk eene prijswaardige EEUW

onderneeming hen ten doel Helde aan de

boosaanigfte woede van eene zo bijgeloovige

en verdonkerde eeuw. Een Ierlander

JOHANNES ERIGENA , die zijne

tijdgenooten in ieder tak van geleerdheid

overtrof, (hij verftond zelfs Grieksch,

Hebreeuwsch en Arabisch,) onder anderen,

brak de zwaare ketens van het oud

vaderlijk gezag aan twee, en begon met eene

ootlpronglijke vrijheid te denken en te

fchrijven over den Godsdienst. Zijn werk

de divifione naturce. Libri. V, 't welk een

foort van Theologifch Systema is, maar

geheel naar den fmaak der nieuwe platonifche

wijsgeeren, geeft duidlijke bewijzen,

dat hij geenflaaffche navolger,maar

een zelfdenker geweest is, die het onderftaan

durfde, nieuwe gevoelens voor te

draagen in tijden, waarin men zo {lijf aan

het oude hing. Zijne handelwijze werd

daarom met fchrik van alle volken aanfchouwd,

terwijl zijn arbeid fmaadlijk verworpen

wierd. - Hij haalde zich ook den

haat der Munniken dermaate op den hals,

dat hij op aanhitzen van dezelven door

zijne eigen leerlingen, op eene bezondere,

en wreede wijze, in 'tjaar 884 van

Uet leeven beroofd wierd. (*). In deeze

(*3 Vid. OLEARII Abac. Pat. art jon. ERICENA.

H0F

P 2

"


oo

Beknopte Letterkundige GefchieAenis

X. ze eeuw verfpreidde zich ook het ver-

EEUW. derflijk vuur der Mystikerije en Geestdrijverij

heinde en verre door de Westerfche

landfchappen heen. (*)

XXXIV.

Stikdonker was het insgelijks ten aanzien

der Geleerdheid en Godsdienstkunde in

de tiende eeuw: geen ftraaltjen van licht

brak er door; geen ééne heldere ftervan

taamlljke grootte bijkans flikkerde aan den

Kerkhemel: zo dat men zeggen moest:

het is in 't holst van den nacht, 't Bleef

zo wel in het Oosten als in het Westen

bij het oude: daar volgde men nog jo-

HANNES van DAMASKUS , en hier AUGUS­

TINUS en GREGORTÜS den Grooten. Noch

de Griekfche Kerk noch de Latijnfche levert

ons eenigen fchrijver op, die er zich

toezette, om op eene geregelde wijze de

leerftellingen van het Kristendom te verklaaren.

Er leefden in deeze eeuw nog

wel eenige zeer weinigen, die in hunne

lchriften blijken van een' goeden inborst,

en van eene blaakende zucht na wijsheid

en

JHOFM. L. U. art. JOH. SCOTUS et VENEMA H. E. T. V.

pag. 340. Men verhaalt, dat BERENGARIÜS , die de

zuivere avondmaalleer uit deezes mans fchriftea

getrokken en verdedigd had, te ROME in het jaar

1059 onder Paus NJKOLAJS den tweeden, gedwongen

wierd , om dezelyen in 'tvuur te werpen,

even als of het vuur recht op de waarheid hadde.

(*) Zie MOSHEIM; Kerkt. Gefch. III. bl. 2.59


der Systematifche Godgeleerdheid. 91

.en deugd gaven, maar deezen waaren XL

afkeerig van alle eigen en vry onderzoek EEUW.

der eens aangenomen leerftellingen, en

bleeven ftijf gehecht aan de gevoelens

deren.

XXXV.

Nu zijn wij gevorderd tot aan tijden,

waarin de Kerklijken van het Westen de

letterkunde en de geleerdheid niet meer

met zulk eene onverfchilligheid en - verachting,

als in voorige dagen, reeds van

de zesde eeuw af, behandelden. Dekunften

en weetenfchappen fcheenen te herleeven.

De Schriften van ARISTOTELES werden

bij de Westerfche Kristenen meer bekend

en geleezen Het Kloosteronderwijs

werd beter ingericht en beroemder.

Ongeveer het jaar 1050 bloeiden de fchoolen

in verfcheiden ftreeken van rrALië. (*)

FRANKRYK mogt ook roem draagen op

den goeden uitflag van de oprichting

veeier fchoolen, die groote achting verwierven

, zo wel uit hoofde van de vermaardheid

der Leeraars, als wegens den toevloed

der van overal wechgekomen leerlingen,

(f) In ENGELAND begon ook de

Geleerdheid een' ruimer adem te fcheppen:

WILLEM , genoemd de Conquerant of de

Overwinnaar, deed bij zijne troonbeklimming

O),Zie MOSH. K. G. IV. b!. 40.

Cf) MOSH. K. G. aatig. *pl.


«)2 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XI ming in het jaar 1066 zijn uiterst best, om

EEUW» rauwheid en onkunde, deweeligftegrondwortels

van onheil en ondeugd, uitteroeijen,

en befchaaving en kennis, de

vruchtbre boomen van geluk en Godsvrucht

, weder in te planten. Hij riep eene

groote meenigte van Geleerden uit

NORMANDYë, en lokte ze door de voordeeliglle

aanbiedingen in zijne Staaten.

(*) — Met korte woorden. De

weetenfchappen kreegen eenen aanminnigen

luister onder de befchaafdfte volken

van heel EUROPA : en de vaale nevels van

ohgeleerdheid en domheid begonnen ter

eenemaal opteklaaren. (f)

XXXVI.

De Westerfche Kerkleeraars, uitgenomen

eenige Ierlanders, hadden zich tot

aan de elfde eeuw toe te vreede gehouden

met de Godgeleerdheid* van AUGUSTINUS

en GREGORIUS , den Grooten. Maar in

deeze eeuw verlieten niet weinigen Schrijvers

het zo lang betreeden fpoor deezer

ouden. Men ging thands gebruik maaken

van de regelen der Redekennisfe en van

de befpiegelingen der bovennatuurkunde,

om de leer van den Kristlijken Godsdienst

daardoor optehelderen. In het midden

van

(*) Zie MOSH. K. G. IV. bl. 41 en 44.

(t) Zie SPITTLER Grundrifs der Qhristi. Kirthengefchichte.

S. 257.


der Systematifche Godgeleerdheid. 93

van deeze eeuw maakte zich onder anderen XI.

met lof bekend de Geleerde BEUENGARIUS, EEUW,

Aartsdiaken te ANGERS , een groot tegenftander

van de ongerijmde leer der transfubftantiatie.

(*) Een zijner wederftreevers

in de Avondmaalleer, was LANFRANK ,

Aartsbisfchop van KANTELBERG , een

voornaam geleerde, die in zijne onderneeming

, om de regels der redeneerkunde

op Godsdienftige onderwerpen

toetepasfen, ongemeen welflaagde(f),

en zeer veel lof verdiend zoude hebben >

zo hij maar deeze achtbaare weetenfchap

niet misbruikt had ter ftaaving van eene ongegronde

leer, zo als die der broodverandering:

gelijk men zien kan uit zijn gelchrift:

Over het ligchaam en het bloed van den Heere

JESUS in het Avondmaal: 't welk het

eönige Dogmatifcheookis, dat hijgefchreeven

heeft. De leerling en opvolger van

deezen laatften, de beroemde ANSELMUS,

dient hier vooral ook niet vergeeten te worden.

Deeze Kerkvoogd trad in de voetftappen

van zijnen voorzaat, was een

groot

(*) jammer is het, dat deeze verftandige en braave

Kerkleeraar een en andermaal in onderfcheiden

Kerkvergaderingen te ROME zijn gevoelen over het

Avondmaal heeft moeten afzweeren, daar toe genooddvvongen

door de yreezelijkfte bedreigingen,

waar over hij zich naderhand telkens in zijne

fchriften zeer beklaagde.

(f) Iüj was een zo groot meester hierin,

dat hij by uitneemendheid de Redckoi.fienaar ge

noemd wierd. Bij HOFMANN L. U. art. LANF.

vindt men deezen lof van hem: Omnium fiii tempo'U

in imni litcrarum genere fuit doctisfimus.


94 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XI. groot man en in de redekennisfe en in

EEUW. de overnafuurkunde, overtrof hier in zelfs

zijnen meester, en had misfchien meer

aanfpraak op den eernaam van Redekonftenaar,

dan deeze. Hij is het, die de

Theoïogia naturalis (de natuurlijke Godgeleerdheid

) voor den dag gebragt heeft;

en van hem is afkomftig het bekende bewijs

voor het beftaan van God, 't welk

men doorgaans het Karthefiaanfche noemt:

Datur idea perfeclisfima. E. Datur Deus.

Hij heeft twee werken gefchreeven, waarvan

het eene den tijtel draagt, MONOLO-

GION : en het andere PROSOLOGION :

waarin hij met zulk eene fcherpzinnige

fchranderheid de waarheden, welken het

licht der reden ons van het Opperwezen

ontdekt, opgenoemd en verklaard heeft, dat

men, de eeuw, waarin hij leefde, in aanmerking

genomen, over zijne geleerdheid

en wijsheid moet verfteld {laan. £*; Bij

deezen moeten we nog voegen HILDE-

BERT, eerst een' Munnik,daarna Bisfchop

van MANS en eindelijk Aartsbisfchop van

TOURS, een' leerling van BERENGARIUS;

en een' :man van veel verftand en groote

kunde, (f _) Van deezen heeft men eene

Godgeleerde Verhandeling, zijnde een

Theologisch leerbegrip, welke te vinden

is

(*) Zie HEINRICII 't a. b. S. 129. 130.

(T) Van hem vinden wij bij HOFMANN,-

L. U. art. HI LD.

Inclijtus et profa verfuque per emnia primus.

Hildebertus slet prorfws ubique rofam.


der Systematifche Godgeleerdheid. 95

is in zijne werken, die uitgegeeven zijn XL

te PARIJS in't jaar 1708 met aanmerkin- E E U W,

gen van BEAUGENDRE.

Deeze genoemde geleerden , inzonderheid

de drie laatften, hebben het ijs gebroken

voor de ftelfelmaakers der fchoolfche

Godgeleerdheid in de Westerfche

Kerk. —- De Schoolfche Godgeleerdheid

is die Weetenfchap, waar door men

de waarheden van den Kristlijken Godsdienst

met wijsgeerige bewijzen zoekt opte

helderen en te betoogen, en dezelven

zo wel met kracht van redebefluiten,

als uit den Bijbel en uit de fchriften

der vaderen tracht te ftaaven (*) ——-

De gemelde leeraars van deeze nieuwe

foort van Godgeleerdheid verëenigden

op eene verftandige en voorzichtige

wijze het geloof met de reden, of den

Godsdienst met de Wijsbegeerte. Zij waaren

(*) Wij hebben gezien, dat ORIGENES reeds den

grond derzelve geleid heeft, en dat zij wijders

door deezen en genen Kerkleeraar in het Oosten

en Westen in de volgende tijden fteeds meer verbeterd

is geworden. In de eerstkomende eeuwen

zullen we haar in heure volkomenheid vinden. —

Zij werd de Schoolfche Godgeleerdheid genoemd,

om dat ze in de openbaare Schooien geleeraard

werd. Anders konde men haar ook wel de Filo.

foofifche Godgeleerdheid geheeten hebben. ——.

Men verdeelt de Scholastieke Godgeleerden doorgaans

naar drie bezondere tijdperken. Het eerfte

begint van LANFRANK en eindigt met ALEXANDER van

HALES. Het tweede neemt een' aanvang met

ALEXANDER van HALES , en een einde met ÖÜRAN-

* rus


96 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XL ren vijanden van alle verre uitziende na-

ÉKÜ w. fpeuringen en ijdele nieuwsgierigheden.

(*) Waaren toch maar hunne

navolgers, in hunne voetftappen te

willen drukken, niet van het fpoor géraakt

, en door een overnatmirkundig

dwaallicht niet dermaate verbijsterd geworden

, dat zij eindelijk in eene eenzaame

wildernis van dorre fpitsvindigheden , van

de bronnen der waarheid , den Bijbel

en het gezond verftand verwijderd, moesten

omzwerven!— gelijk wij in 'tvervolg

zien zullen.

• De laatfte der bovengemelde Geleerden,

HILDEBERT, heeft inzonderheid het

beste voorbeeld aan de fchoolfche ftelfelfchrijvers

ter navolging gegeeven in zijne

ge-

DUS van St. PORTIANO. En het derde loopt van

DURANDUS tot aan de tijden derHervorming.— Zie

HEINRICH, 't a. b. S. 126 en 127.

(*) Wij kunnen er niet van tusrchén, om hier

eene plaats aftefchrijveu uit het gefchrift van LAN­

FRANK , de corpore et fanguine Domini in Eucharistia

, centra BERENGARIUM ; C. VIL p. ^7,6 Op.

Èdit. Dacherii: welke dus luidt. Testis mihi

Deus est, et confcientia mea , quod in traélatu divinarum

hterarum nee proponere, nee ad propofitas

respondere euperem dialeéiicas quxstiones, velearum

folutiones. Et ft quando materia disputandi

talis est, ut hujus art is regulis valeat enucleatius

explicari, in quantum posjum, per aquipollentias

propofitionum tego artem , ne videar magis arte,

quam veritate, fanüorumque patrum autorite

eonfidert. Verg. MOSH. K. G. IV. bl. 166.


der Sysfematifch-e Godgeleerdheid. 97

genoemde verhandeling, die een kort be- XL

grip der geheele Godgeleerdheid behelst,

Hij draagt in hetzelve eerst eenige leerftellingen

voor, welken hij deels uit Bijbelplaatzen,

deels uit de getuigenisfen

der ouder Kerkvaderen bewijst. .En

voorts lost hij de zwaarigheden en tegenwerpingen,

die er gemaakt konden worden,

op, door behulp van de reden en

Wijsgeerte. Het eerfte was iets ouds,

dochhetandere iets nieuws,en bezonder

eigen aan de eeuw, waarin hij leefde.

(*) Zijne ftelregel, gelijk ook die

van ANSELMUS, en anderen van zijnen

tijd, fcheen te weezen: „ Wy moeten

„ eerst gelooven zonder onderzoek; doch

naderhand trachten te verftaan 'tgene

„ wij gelooven." -— De overige ftraks

opgetelde fchrijvers hebben niet over alle,

maar flechts over enkele enbezondere,

geloofswaarheden gefchreeven.— We

moogen HILDEBERT dus aanmerken als

den eerften Schoolfchen ftelfelfchrijver

•onder de Westerlingen, fchoon zijnSystemawerk

flechts de eerfte grondfteenen

van het gebouw zijn, dat in de volgende

Eeuw door ABELARDUS verder opgetrokken

en door LOMBARDUS voltooid is.

EEUW.

VIER-

(*) MOSHEIM K. G. IV. bl. 1S8. Hiftoire //>

ttraire de la France. T. VII. peg. 149 en f>os-

J>EEX, 1. i. I. pag. 224.

G


Q8 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

VIERDE

AFDEELING.

HET TIJDPERK VAN DE SCHOLASTIE.

KEN IN DE TWAALFDE EEUW

TOT AAN DE TIJDEN DER

HERVORMING.

XXXVII.

XII. J. n d e n aanvang van dit Tijdperk vin-

EEUW. den wij en in het Oosten en in het Westen

de Geleerdheid in taamlijken bloei.

In de Oosterfche Kerk, hoe zeer ook

anders dezelve gefchokt werd door geduurige

onlusten,en aanhoudende veranderingen,

die er in het Griekfche Keizerrijk

plaats hadden, ftaken evenwel de

kunften en weetenfchappen moedig het

hoofd boven; terwijl zij krachtig aangewakkerd

werden door de voordeelige befchermingderKeizeren,

— waaronder zelfs

geleerden van naam waaren , zo als bij v.

EMANUEL COMNENUS , de eerfte, die eene

uitgebreide kunde bezat; — en de waakzaa-


der Systematifche Godgeleerdheid: 99

zaame zorg der Patriarchen van

KON- XII.

STANTiNOPOLE alle middels bewerkftel-

E E

u

W c

ligde, om de Geestlijken voor onweetendheid

en vadzigheid te bewaaren. In

de Westerfche Kerk lag ook de geleerdheid

heel niet op den rug: de verëenigde

magt van eenige Europifche Vorften

en Roomfche Pauzen, die met elkaêr de

handen aan ée'n werk floegen , hadde

haar op de beenen geholpen ; terwijl

derzelven vriendlijk oog den ijver der

letterminnaars aanmoedigde, en hunne

milddaadigehand het vuur der ftudiedrift

aan den gang hield. In de twaalfde eeuw

werden er verfcheiden geleerde Maatfchappijen

opgericht, waarin de vrye Kunften

en weetenfchappen openlijk geleeraard

werden, en waaruit links hooge Schooien

ontftonden, die men in de volgende

eeuw Univerfiteiten (gemeene oefenplaatzen)

noemde.

In deeze twaalfde Eeuw kwam in de

Westerfche Kerk eigenlijk de zogenoemde

Schoolfche Godgeleerdheid ter baane.

De leerwijze, waarvan in de voorige eeuw

zich bediend hadden LANFRANK, ANSEL-

MUS , en HILDEBERT , behaagde nu ook

bij uitftek aan de meeste Leeraars in

FRANKRIJK, ENGELLAND en DÜITSCHLAND,

die haar in de openbaare fchoolen volgden,

van waar zij den naam van Scholastieke

Godgeleerdheid kreeg. (*). Het

hoofd

(*) Her kenmerïrtijk» der Scholastieke God^'

G 2 ieerd-


i oo Beknopte Letterkundige Gef Medenis

XII. hoofd en de voorgaan er van deezen

EEUW. was PETRUS ABELARDÜS, gebooren tePA-

LAIS in 'tjaar io'3o, een Leerling van

ANSELMUS , de

CHAMPEAUX, en ROSSELI-

NUS; de beroeradfte man van zijnen tijd,

eerst Leeraar der Wijsgeerte en der Godgeleerdheid

te PARIJS, naderhand Munnik

in 't Klooster van St. DENIJS , en vervolgens

Abt in het Klooster van St. GIL­

DAS te RUIS in BRETAGNE, geftorven den

21 van Grasmaand in 'tjaar 1142. Deeze

Man is in het westen de eerfte geweest,

die de grondflagen van het Systemagebouw

> door ISIDOOR. en HILDEBERT

geleid, begonnen is optetrekken. Onder

deszelfs fchriften moet in de eerfte plaatze

genoemd worden zijne Introdu&io in Theolozianiy

(Inleiding in de Godgeleerdheid. r f)

Dk werk^door hem gefchreeven in hetKlooster

van St. DENI JS , is afgedeeld in drie boeken

, waarin hij over de Leer van Gods

één- «

leerdheid was; rj De gevoelens der Kerkvaders te

verzamelen ,en tevens met de H.Schrift ten beginfelgrond

te leggen. 2. De redekunde en de Wijsgeerte,

vooral die van ARISTOTELES, met de Leer

van het Kristendom te verftrengelen. 3. Verfchi!

ftukken over de Godgeleerdheid ter baan te brengen,

en fpitsvindighedeu te opperen. En eindelijk ten

vierden, de waarheden in zekere Systematifche

orde bij elkiiêr te plaatzen. Verg. VENEMA hflit.

tlijl. Ecclef. VI. pag. 35 en 3


der Systematifche Godgeleerdheid, ioi

éénheid en Drieëenheid handelt, 'c Woord XII

Theologia (Godgeleerdheid) neemt hij niet in EEUW

eenen nieuwen veel bevattenden, maar in

een' ouden en enger zin , waarmeê hij alleen

op de leer van God, van zijne eigenfehappen,

en van de Drieëenheid doelt.

Hoe zeer ook deeze geleerde Man zich

door dit werk verdienftelijk gemaakt heeft,

moet men toch zeggen, dat zijne Wijsgeerte

hem niet zelden van het fpoor gebragt

hebbe. (*) Deerlijk flaat hij bij voorb.

bezijden den bal, wanneer hij over de

leer der Drieëenheid filofofeert, en ftaande

houdt, dat Godt zich door eene hooge

ingeeving aan alle menfchen bekend

gemaakt heeft, als een' Drieëenig God,

en wel in 't bezondere aan de Heidetien

door hunne Wijsgeerte. Ten betooge

hiervan gadert hij het eene en andere uit

PLATO op, terwijl hij met zommigeoude

kerkvaderen , inzonderheid met JÜSTIJN

den Martelaar, in de fchriften van deezen

wijzen Heiden zeer duidlijke fpooren

van de Kristlijke Drieëenheid waant re ontdekken.

Door zijne fijn uitseploozen

fpitsvindigheden verviel hij tot "de ftoutfte

(*) De Munniken diens tijds maakten er daarom

een groot boha over: en inzonderheid kree«-

hij twee voornaame Leerlingen van ANSELMUS en

CÜAMPEAUX hier door ten bitteren vijand, die zo

veel bewroetten , dat zijne gefchriften ten vuure gedoemd

wierden. Zie Leevembef. der ber. mannen.

I. S. bl. 60 en 61 en VENEMA Inftit. Hifi. Egclef.

Tom. VI.pag. 9,10 en 14.

G 3


loa Beknopte Letterkundigs Gefchiedenis

XII. fte dwaalingen, die weder met de ftout-

? E u w. fte waarheden vermengd werden. Op deeze

wijze moest hij zich natuurlijk den grootften

haat van veelen zijner tijdgenooten op

den hals haaien, van welken hij jaaren

lang magtig veel te lijden had. (*) — In

den. tweeden rang, plaatzen wij hier zijn

werk , getijteld Theologia Christiana,

(Kristlijke Godgeleerdheid,) 't welk hij

in vijf boeken gefchreeven heeft, en ten

aanzien des inhouds en der orde met zijne

Inleiding veel overéénkomst heeft.

Doch dit Syftema, dat een volledigWijsgeerig

Godgeleerd ftelfel heeten zoude,

en daar voorgehouden werd, haddeniettemin

nog veele gaapingen, die ingevuld

moesten worden, en nog op verre na die

hoogte niet, die het hebben moest: hetzelve

te voltooijen wachtte op eenen PE­

TRUS LOMBAROUS. (|)

XXXVIII.

Ondertusfchen merke men aan, dat de

Leer-

(*) MOSH. K. G.II. bl. 352. Niet alleen fcheen

bij het Pelagianismus tebegunftigen, maarookals

een' omzichtigen voorftander vau de Ariaanfche

leer wordt hem uagegeeven , dat hij den heiligen

Geest de ziel der wereld noemde. Vide HOFMANNI

L. U. ttl't. AI3A1LL. et VENEMA 1. 1. VI. p. 12.

(X) Men vindt dit werk van ARET.ARD in dea

Thefaitrus Anecdot. van CHR. MARTENE. Tom. V. p.

H3V


der Systematifche Godgeleerdheid. 103

Leeraars van het Kristendom zich, ter- XII.

ftond na de opkomst en bij den voort- E E U W

,

gans der leerwijze van ABELARDUS , verdeelden,

in twee Sekten; de eerftenwerden

genoemd ouden, anders Bïblici, Bijbelkundigen

of Pofitivi , Heilige. Godgeleerden.

Deezen verwierpen de Wijsgeerte in zo

verre, dat zij alleen den Bijbel verklaarden

, fchoon dit meenigwerf wel verdonkeren

heeten mogt, en de daarin gevonden

leerftellingen ophelderden met verèenigde

getuigenisfen der Kerkvaderen. En

de anderen waaren de eigenlijke zogenoemde

Scholastieken, die men de Nieuwen en

naderhand Sententiariiheette. Deezen verklaarden

in ftede van den Bijbel het toen

van tijd tot tijd aangróeijend Syftema,

en toetften alles, wat begreepen en geloofd

moest worden aan den keurfteen der

Wijsgeerte , terwijl ze voor het overige

het nog flaauwend bij hellicht zochten uit

te blaazen door eene meenigte windrige

befpiegelingen en losfe vraagftukken.

Hier door trokken zij een' grooten hoop

van Leergierige Jongelingen hunne fchoolen

binnen; daar in tegendeel de Bijbelkundigen

zich met het onderwijs vaneen

klein

1139: en in de uitgifte van alle zijne fchriften,

die door eenen AMBESIUS te PARIJS in 'tjrar 1616

bezorgd is. De vreemde en noodlottige vvisfetvalligbeden

van het lêeven deezes Mans vindt men bij

VENEMA 1. 1. T. VI. 7—15. en in de Leevensbefchrijving

der ber. mannen. 1 St.

G 4


i©4 BeknopteLetterkundigeGefchïedeniS

XII. klein kuddeken vergenoegen moesten, 1

EJSUW. en hunne achting zeer fpoedig kwijtraakten

nadat LOMBARDTTS zijne Boeken der

Spreuken uitgegceven hadde. Veelen van

hun hadden zich dit heil niet waardig gemaakt,

men vond er,die zo ze al de voornaamften

van de Scholastieke Sekte niet

voorbij ilreefden, hun dan altoos op de zijde

waaren. Onder deezen muntte bovenal uit

de Munnik HUGO uit het Klooster van

St.vicTOR, dicht bij PARIJS, (*) overleeden

114a, of zo anderen meenen 1139,

die een werk gefchreeven heeft onder

den Tijtel, Summa fententiarum, 't welk

een kort begrip der Godgeleerdheid is,

en uit zeven verhandelingen beftaat. Doch

zijn voornaam Systematifch werk betijtelde

hij: de Sacramentis Christ. fidei, LibriW.

Dit werk is, volgens het inzicht van CRA-

MER en VENUMA ,(f) eene volledige wel zan^enhangende

en ordelijke verklaaring van

de leergevoelens der kerk en haare ouder

Leeraars; en zo in deezen tijd eenig

Theologisch gefchrift den naam van Systema

draagen konde, zoude het dit moeten

weezen. 't Is een geheel Bijbelsch

Leerftelfel zonder inmengfels der Wijsgeerte,

eenvoudig en klaar,doch volgens

de

(*) Van deezes Mans groote kunde en lofverdienfte

zie MOSH. K. G. IV.bl. 328 en344, diehem

echter onder de Scholastieken rangfchikt. Verg. DOE-

DERL. 1.1. I. p. 11/^. en OOFMANNI L. U. art.nvoo.

Ct) 't a. b. Th. VI. S. 791. und flgg.cn Inflit,

Hifi. Eert. VI, p. 16.


der Systematifche Godgeleerdheid. 105

de uitlegkunde der vaderen. Maar de XII.

Geleerde Schrijver werd miskend, of EEUW.

liever bleef bij de meesten geheel onbekend

, wijl hij de fekte der Bijbelkundige«,die

hem eenen anderen AUGUSTINUS

noemden, was toegedaan. Denaam van

LOMBARDUS, die fpoedig wereldkundig

werd, van welken wij ftraks gewaagen

moeten, klonk in alle kerken en op alle

leerftoelen zo hoog, dat die van HU-

GO dra onhoorbaar wierd: en geen wonder

, LOMBARD was Bisfchop en HUGO

flechts een - Munnik. Een diergelijk

lot trof ook de Libri IV fententietrum

van BANDINUS, die in het jaar 1555 in

folio te LEUVEN gedrukt zyn. (f)

XXXIX.

Onder de Scholastieken moet nog

voor PETRUS LOMBARDUS in aanmerking

genomen worden de Kardinaal ROBERT

PULLEIN, of PULLUS, welke omtrent het

jaar 1144 gebloeid, en gefchreeven

heefteen werk,betijteld: Sententice; LibriVHI.

(§) Deeze PULLEIN is langniet een

der minfte fchoolgeleerden. In het bewijzen

der Leer volgt hij dan eens de

H.

(D Z i e CRAAIER 't aatig. b. in 't asnh. van 't

VI. deel.

(§) Anderen plaatzen PULLEIN onder de Bijbelkundigen.

Zie DOEDERLEIN 1.1. p. 124.

G 5


io 6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XII. H. Schrift, dan eens, fchoon omzichti-

18EUW. ger,dan anderen, de Wijsgeerte,dan eens

het gezag der Kerkvaderen, en dan eens de

uitfpraaken der Kerkvergaderingen en der

Roomfche pauzen: doch tevens wikkelt

hij meenig iets in nietige fpitsvindigheden,

en ijdele twistvraagen En van hier

is het, dat, fchoon men hem een' der

zuiverfte en beste Schoolgeleerden noemen

mooge, hij niettemin aan verfcheiden

dwaalingen voet gegeeven hebbe, waarvan

wij eenigen vinden opgeteld in de

Kerkgefchiedenisfe van VENEMA. (*) —

Ondertusfchen moet men van dit werk

Zeggen, dat de Schrijver daarin de muuren

van het Systemagebouw tot eene meer

merklijke hoogte deed rijzen; en door zijne

geleerdheid, vooral door zijne taalkunde

, niet weinigen van zijnen tijd de

loef afftak. (f)

XL.

Ten dien tijde waaren in deezen arbeid

werkzaam meer andere mannen van naam,

als

(*) Iüft. Hift. Eccl. VI. p. 18 et 19.

(f) Zie CRAMKR 'ta. b. Th. VI. S. 444 undflg.

die hem ook voor LOMBARDUS plaatst, tegen het

gevoelen der meesten, welken hem voor deszelfs

volgling houden. Conf. DOED. 1. 1. pag. 224. Tot

zijn' lof wordt onder anderen van hem gemeld, dat

de bloei der Akademie te OXFORT geheel door zijne

gezegende poogingen bevorderd is. Videiiot--

MANNlL. U. ai't. R0BER1.


der Systematifche Godgeleerdheid. 107

alS GILBERTUS PORRETANUS of DE LA XII.

PORRE , Bisfchop van POITIERS , overleeden EEUW.

1154, een man van bezondere Godsdienstgevoelens;

(*) KOBERT van MELUN,

Bisfchop te HERVORT in ENGELLAND;en

anderen. Dan hoe zeer ook deeze en de

bovengenoemde Geleerden hun best gedaan

hebben , om een volledig Wijsgeerig-

Godgeleerd Syftema te leveren , zo

moete men toch aan PETRUS LOMBARDUS

de eer geeven, dat hij een Algemeen

Systematisch leerboek tot ftand gebragt

heeft onder den naam van Libri IV. fententiarum,

vier Boeken der Spreuken, uitgegeeven

in 'tjaar 1162: van waar hij Magifter

Sententiarum, Meester der Spreuken

geheeten is, en zijne volglingen den naam

kreegen van Sententiarii: welk werk bijkans

alle diergelijke werken van vroeger en gelijktijdiger

Systemafchrijvers dra in vergetenheid

gebragt heeft, en het allenthalve

gebruikte Leerboek der Schoolfche Godgeleerdheid

voor de volgende eeuwen, tot

de tijden der Hervorming toe, geworden

is.-(f) En hiervan is het,dat men den

eerwaardigen LOMBARDUS allerwege als

den ftichter der Schoolfche Godgeleerdheid

gehouden en geëerbiedigd heeft. —

Dit Theologisch werk is eigenlijk wel

niets anders, dan een grooter namaakfel

van

(*) Vide HOFM. L. U. art. GILBERT : et VE-

NEMA 1. 1. VI. p. 19 et 20.

(t) Zie SPITTLER: a. b. bl. 341.


lo8 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XII. van dat van HILDEBERT,ABELARDUS,en

EEUW. BANDINUS , waarvan hij zich op eene

oordeelkundige wijze fchijnt bediend te

hebben, maar verwierf toch met recht

de hoogachting en verwondering van de

Geleerden diens en des volgenden tijds, uit

hoofde van deszelfs volkomenheid en van

des Schrijvers vermaardheid. LOMBAR­

DUS was geboortig van NAVARRA, eene

Stad in LOMBARDIE, waarvan hij zijnen

naam ontleende: Hij was in het midden

der twaalfde eeuw Leeraar aan de Hooge

School te PARIJS, en is in het jaar

1164 als Bisfchop dier Stad , tot welke

waardigheid hij in n59 verheven was,

aldaar overleeden. LOMBARDUS was een

oordeelkundig Geleerde, in de fchriften

der ouder Kerkvaderen zeer bedreeven,

en een fchrander Wijsgeer van den Aristotelifchen

aanhang: het mangelde hem echter

aan taalkennisfe en uitlegkunde; doch

dit waare een toenheerfchend Schoolgebrek.

Zijn werk, 't welk wij boven aangehaald

hebben, wordt gehouden voor

het eerfte volledigfte wij sgeerig-godgeleerd

Systema der Kristlijke Geloofsleer

in de westerfche Kerk, 't welk met eigen

nadenken en met vrije oordeelkunde

gefchreeven is. Hetzelve werd met zulk eene

algemeene goedkeuring en toejuigching

ontvangen, en met zuhk eene achtbaarheid

verwaardigd, dat de kundigfte Leeraars

er zich toe verleedigden, om hetzelve

optehelderen. Dit boek der fpreuken

vond bij de Roomfche Leeraars meer aanzien


der Systematifche Godgeleerdheid. 109

zien, dan de heilige fchrift,en meer uit- XII.

leggers, dan immer de brieven van PE-BÏUW.

TRUS, dien zij echter als hun hoofd aanmerkten,

onder hen gehad hebben.(*) — Het

geheelewerk beftaat uit vierhoeken. Hel

eerfte boek handelt over de Drieëenheid,

en de Godlijke Eigenfchappen: Het tweede

boek heeft ten onderwerp defchepping

van hemel en aarde, yan Engelen en menfchen

, den Zondeval, de erfzonde en daadlijke

fchuld, de genade en den vrijen wil:

Het derde boek loopt over de menfchwording

van den Heere JESUS, over het

geloof, de hoop, de liefde, de gaven van

den H. Geest en de geboden yan God: Het

vierde boek behelst in zich de leer der

Sakramenten, de opftanding, het laatfte

oor deel,en den Jiaat der Rechtvaardigen in

den hemel, (f) Men vindt in deeze

rangfchikking eenige gelijkheid met die

van JOHANNES van DAMASKUS; (zie

§. XXXII hier voor) misfchien heeft

LOMBARDUS dien Oosterfchen Schrijver

hierin nagevolgd: (§) maar waarfchijnlijk

is het, dat de Scholastieken in laater

tijden het werk van DAMASKUS naar dat

van LOMBARDUS gerangdeeld hebben. (Zie

de

(*) Zie BOFMANNI L. U. »rU p. LOMI. en

SPITTLER a. b. S. 341.

(f) Zie MACLAINE op MOSH. K. G. IV.bl. 345. en

VENEMA 1. 1. p. 17.

(§) Zie VENSMA, 1. 1. p. 17.


iro Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XII. dezelfde §. ) Ieder deezer boekert

EEUW. wordt weder gefmaldeeld in verfcheiden

onderdeden: het eerfte heeft 4S en het

laatfte 50 zulke onderdeelen,de twee anderen

een weinig minder. In hetmeermaalen

aangehaalde werk van e. G. HEIN-

RICH ; (_*) vinden wij een groot uittrekfel

van LOMBARDUS Systema; waaruit

het blijkt, dat er in hetzelve veel

goeds; middenmaatigs en flechts onder

eikanderen vermengd is. Men treft er

inzonderheid veelé ftoute, fpitsvindige

en vaak geheel vruchtelooze vraagen in

aan, die toch altijd onoplosbaar zullen

blijven, fchoon hij zich niet zelden verbeeldt,

het juiste andwoord te geeven:

(t) Hij verklaart de kristlijke Leerftellingen

niet naar de H. Schrift, maar

hij redekavelt uit wijsgeerige grondbeginfels,

en bewijst met oudvaderlijke kerkgetuigenisfen,

inzonderheid met die van AU­

GUSTINUS. —- Dan, hoe het ook weezen

mooge, zijn werk kan te recht aangemerkt

(*) S. 145-197- ,„

(t) Zomwijlen evenwel is zijn andwoord meedig:

Hij vraagt bij voorb. in de 23 al'deeling van het

II. boek: „Waaróm God den menfchenval toege-

„ laaten heelt, daar Hij denzelven toch vooruitzag?

en hy andwoordt, „ omdat het hem zo behaagde ".

„ en waarom behaagde het hem zo ? — Dit weet

„hij alleen; laat ons niet meer weeten willen,

„ dan wij weeteu moeten!" — Zo moest hij meer

vraagen beandwoord hebben, indien hij ze naar df

gewoonte van zijnen tijd toch opwerpen wilde.


der Systematifche Godgeleerdheid, in

merkt worden als een volledig zamenftel XII.

van Godgeleerdheid, dat in duidlijkheid EEUW.

en orde alle anderen overtreft. — Lu-

THER heeft er in zijn Libr. deconcil.Tom.Vll.

opp, f. 232. ook hetzelfde oordeel over

geveld; LOMBARDUS, fchrijft hij, in coutiliatione

patrum est diligent isfimus

3

et fe

lónge fuperior. Nemo eum in hoe genere fuperavit.

Nam patres et concilia quosdam

tantum articulos traclant, LOMBAR­

DUS autem omnes. (*)

XLI.

Hoe droevig en treurenswaardig is het

toch, dat zulk een man, als deeze Parijsfche

Bisfchop, die zich en zijnen fchriften

eene zo groote achtbaarheid kon bezorgen,

en zeker een doordringend verftand,

een fcherpzinnig oordeel* en eene

uitgebreide geleerdheid bezat, geen

Taalkundige, eh bekwaam fchriftuitlegger

waare! In waarheid had hij minder gebouwd

op de losfe gronden van eene bedrieglijke

Wijsgeerte, en op de wrakke

getuigenisfen der feilbaare kerkvaders; en

zich er meer op uitgeleid, om bij het

licht

CO Dit Boek der Spreuken van LOMBARDUS it

verfcheide malen herdrukt, en wel eerst te BAZEL,

1498, voorts te LEUVEN in 'tjaar 1556, daarna te

PARH\- 1565, 1574, 1577, en te LYONS 1581 en

eindelijk te KEULEN 1609. Zie OLEARII Ab Pat.

art. PETRI LOMB. en MURSINNA, Prima Lin. En.

ci/dop. Theol. C. XVI § 395.


I

H2 Beknopte Letterkundige Gefchiedenit

XII licht der taalkennisfe naar de regels ee-

*EUW.ner gezonde uitlegkunde den_ Bijbel te

verklaaren, en van enkel Bijbelwaarheden

een Syftema te ftichten, dat aan den

keurfteen der reden geftrooken, den toets

kon doorftaan; welk een verhelderend

fchijnfel zoude de achtbaare fakkel zijner

Godsdienstkunde niet verfpreid hebben

over het Westelijk gedeelte der kristenwereld,-

hoe veel licht zouden anderen gehad

hebben , om te kunnen voortwerken,

en hoe veel verder zouden

wij thands misfchien vooruitweezen, in

den Bijbel te verftaan! Maar helaas

! LOMBARDUS was een ' flaaf van

anderen: wat ATHANASIUS, AMBROSIUS ,

AUGUSTINUS , GREGOiuus de groote, en

veele overigen gedacht, gezeid en gefchreeven

hadden, waare orakelfpraak,

Hemeltaal, onömftootlijke waarheid; en

zijne nakomelingen waaren even gedienftige

flaaven van hem; wat LOMIIARDUS

gefteld had, was onwraakbaar, en ontegenfpreeklijk!

Het werd gefchat boven

de lesfen van JESUS KRISTUS, en zijne

Apostelen! (*) e n n o e v e e * e eeuwen duurde

dit niet wel"? -—-

XLIL

Deeze Schoolfche Godgeleerdheid, hoe

vee-

(*) Zie MOSH; K. G. IV. bl. 349.

Ct) Konden immer de woorden van MONTAIONS

ee-


der Systematifche Godgeleerdheid. 113

veele voorftanders en onderwijzers zij ook XII.

hebben mogt, had niettemin toch veele E E U <

tegenftreevers, die zich tegen haaren

voortgang dapper aankantten, en niets onbeproefd

lieten, om haar de hartzenuw

aftefnijden: maar te vergeefsch. Zij hadden,

't is zo, in de daad wel eene goede

zaak voor , maar hunne poogingen

waaren te driftig, en hunne geleerdheid

moest de vlag ftriiken voor die der

Schoolgeleerden , wier aantal te groot

was, om de overmagt te krijgen, terwijl

ook derzelver kunde in allerlei weetenfchappen

bij de hunne niet evenaarde.

Niet alleen trokken tegen hen op de zogenoemde

Bijbelkundigen, maar ook de Mijstieken

t

van welken wij gewaagd hebben, § XX.

en welken van eeuw tot eeuw verder aangegroeid

, ten deeze tijden met hun

Eeuwig Euangelis op de baan kwamen.

Deezen hadden aan hun hoofd den H.

BERNARDUS , Abt van KLAIRVAL , een'

man, die meer eenvoudige braafheid,

dan doordringende geleerdheid fchijnt bezeten

te hebben; immers voor diens bevatting

altoos de uitgeploozen begrippen der

Schoolgeleerden veel te diepzinnig en te

afgetrokken waaren, om ze met een goed

gevolg aantetasten. Hoe jammer waare

het

eene zeer voeglijke toepasfing, hebben, dan waare

het op deeze dagen Es/ais; T. VItl.pag. 328.

Edit. Gen. in 12. II y a plus de livres fur les

livres, que fur autre fubjedt; — tout fourmillc de

commentaires : d''dutheurs il en eft grand chef

H


11 A* Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XII. het, dat deeze Scholastieken terftond geen

EEUW. behoedzaamer, fcherpzinniger en oordeelkundiger

wederftander ontmoetten. Hadde

één der verflandige Bijbelkundigen

met eene langzaame hand, en op eene

bedaarde en voorzichtige wijze hun den

Bijbel geopend, en hen aan het Bijbelleezen

en fchriftuitleggen geholpen, hoe

veel goeds zoude hij hier door aan 's Heeren

kerk gedaan hebben. Maar helaas!

hunne eigen Bijbelftudie moest anderen

affchrikken, en ook hunne drift verknoeide

hunne beste voorneemens. (*) Hoe veel

te meer waare dit te wenfchen geweest,

daar toch de navolgers van LOMBARDUS

hunnen Meester niet getrouw waaren, en

in het gebruik der .Aristotelifche Wijsgeerte

de grenzen, welken Hij voor zich

zeiven en voor hun afgepaald had, zo

verre overfchrijdden, dat eindelijk ARIS-

TOTELES meer bij hen gold>,dan de Bijbel,

en de geheele Godgeleerdheid een

war-

(*) Hunne voorneemens waaren goed, waaren ze

maarniet zo driftig geweest: menleeze hier het (lot

van den merkwaardigen Brief , dien GREGOOR de IX

fchreef aan de Hooglceraars van PARIJS , te vinden

bij BöüLAy'iride ftist. ieii. Pdrif. T. HL

p. 129. Mandamus & ftricle pracipimus, quateitus

fine fermento mundance fcientia doceatis Theo •

hgicam puritatem , non adulterantes verbum Dei

Philofopkorum figmentis fed contenti terminis

a Patribus inftitutis menfes auditorum vestrorum

fructu calestis eloquii faginetis, ut haureant a fontibus

falvatoris — Verg. MOSH.K. G. V. bl. 175.

en VENEMA 1. 1. VI. p- 1S5.


der Systematifche Godgeleerdheid. 115

Warnet van Schoolfche twisten en wijs- XII.

geerige hairklooverijen wierd: gelijk wij E

Euw.

wijders zien zullen.

Onder anderen heeft hiertoe zijn best

gedaan PETRUS van POITOU, een voornaam

leerling van LOMBARDUS , en een man, die

heel niet bij de woorden van zijnen

Meester zwoer, maar uit zijn eigen 00-

gen keek, en in fcherpte van verftand

en oordeel allen Schoolgeleerden zijns

tijds de loef afftak. Deeze drukte ook

wel de voetftappen van LOMBARDUS,

maar met een' onwisfen tred, die hem

meenigwerf van het fpoor bragt, en

in laager diepten van wijsgeerige fpitsvindigheid

deed afzakken , dan waarin zijn

Meester ooit geweest was; maar toch ook

zomwijlen op den règten weg leidde. Hij

verliet bijw. LOMBARD in de Leer der Sakramenten,

die bij hem minder in getal

waaren: van het laatfte Oliefel wilde hij

heel niet weeten. Onder verfcheiden

fchriften heeft hij uitgegeeVen een

Leerboek , 't welk hij naar de fpreuken

Van LOMBARDUS betijtelde: Liber Sententiarum

Theohgicarum, en 't welk uit vijf

boeken beftaat. In dit werk behandelt

hij de leer van den Godsdienst, of liever

van de toenmaalige Kerk, naar deregelen

der Wijsgeerte en redekunde '

Hij was eerst Hoogleer aar in de Godgeleerdheid

te PARIJS veertig jaaren lang,

en werd eindelijk ten jaare 1201 Bisfchop

van EMBRUW , na 't verkrijgen van welke

H % wasr-


116 Beknopte Letterkundige Gefchiedenit

XIII. waardigheid hij geftorven is 1205. (*)

EEUW. Bij deezen PETRUS van POITOU telt men

uit het eerfte tij vak der Schoolgeleerdheid

nog eenige anderen, onder welken

vooral uitmunt SIMON van TORNAY, die

bij uitftek fchrander in de fpitsvindige redekunde

moest geweest zijn, en een' grooten

naam had.

XLI1L

Wij hebben reeds aangemerkt, dat het

Syftema van LOMBARDUS met toejuigching

ontvangen, en op de hooge fchoolen allerwege

als een uitmuntend Leerboek gebruikt

wierd. Drie honderd jaaren lang

heeft men er op de Katheders overgeleezen,

er uitleggingen over gefchreeven,

er glosfen op gemaakt, hier en daar wel

eene dogmatifche onnaauwkeurigheid willen

vinden , maar toch over het geheel zich

er aan gehouden. Verhinderden in

de dertiende eeuw de ongelukkigfte Staatsheroerten

den bloei der Geleerdheid bij

de Oosterfchen; de Westerfchen namen

in alle takken van, Weetenfchappen van

dag tot dag fterk toe. (f) Geen wonder

dierhalve, dat er in deeze eeuw, waarin

het tweede tijdvak der Schoolgeleerdheid

begint, veele kundige fchrijvers ce voorfchijn

kwamen, en de ftelfels der Godge-

(*) Conf. VENEMA 1. 1. VI. p. 19.

(D Zie MOSH. K. G. V. bl. 33.

leerd-


der Systematifche Godgeleerdheid 117

leerdheid zeer vermeenigvuldigd wier- XIII.

den. (*) Allen niettemin zwoeren zij bij EEUW.

de Libri Sententiarum van LOMBARDUS,

waarnaar zij hunne Systema fchoeiden. —

ALEXANDER van HALES, een Engelsman,

is de eerfte , die in het tweede tijdvak

der Schoolgeleerden hier in aanmerking

komt. Hij was Hoogleeraar te PARIJS,

onderwees daar in de Godgeleerdheid van

het jaar 1230 af, en ftierf in 1245 of zo

anderen meenen 1250. (f) Hij was een

voornaam Uitlegger van ARisxoTELEs;én

door den bijval, dien zijne leerwijze vond,

wierd het gebruik van de peripatetifche

wijsgeerte in de Godgeleerdheid fteeds nog •

algemeener, dan te vooren: hij fchreef

een Godgeleerd werk, 't welk den tijtel

droeg van Summa Uniyerfa Theologia. Hetzelve

heeft men wel eens aangemerkt, als

deseerfte uitlegging van LOMBARDS Spreuken,

die 111 hetj tweede tijdperk der Schoolgeleerdheid

gefchreeven is; maar te onrecht

; het is ten hoogften een eigen en oorfpronglijk

namaaklel, (§) waarin men wel

veel gebrekkigs, maar tcchook veel goeds

aan-

(*) MOSH. K. G. a. p. bl. 171.

00 Vide OLEARII, Ab. Pair. art. ALEX. HAL.

(§) Vide OLEARII I. c. loc. alleg. — Uit het eerfte

tijdperk waaren er toen reeds al uitleggingen over

LOMBARDS Spreuken voor handen; als b v van

WILLEM van SEIGNELAIJ, weiken men doorgaans

houdt voor den eerften Uitlegichrijver over deeze

Spreuken, — van PETRUS van POITOU, en anderen.

H 3


ï 18 Beknopte Letterkundige Gefchie&enis

XIII- aantreft, en waarin de Godsdienstwaarhe-

EEUW. den zelfs meer Systematisch, meer ordelijk

zamenhangend zijn voorgedraagen,

dan in de Spreukboeken van zijnen voorgaaner.

Men vindt er veel nieuws in uit

de School van ARISTOTELES, en uit de

fchriften der Heidenfche Geleerden, als

CICERO, VIRGILIUS, en anderen. (*) —

Voor het overige merken wij nopens

deezen man nog aan, dat er in 'tjaar 1515

te LIJONS op zijnen naam gedrukt en uitgegeeven

zijn, Quastiones Sive Commentaria

in IV Libros Sententiarum in vier

declen; (f) maar dat dczclven een ondergellooken

fluk, en van hem nooit gefchreeven

zijn. ($)

XLIV.

Dan in 't bezondere blonken in deeze

eeuw onder de Scholastieken uit, ALBERT

de groote, UJHAN ÖOXAVJÏNTURA , en

THOMAS van AQUINO, alle drie mannen,

welken de waarheden van den Godsdienst

meteen indringend oordeel doordachten,

maar ook aan veele dwaalingen endweeperijen

vast raakten, waardoor hunne

glan-

CO Zie HEiNRiCH 't a. b S. 207 en 211.. Men

noemde, hein in flecht Latijn Doctor irrefragabilis,de

enwederlegbaar» Leeraar.

(r) Vide OLEARII h c. loc. alleg.

(§) Zie CAVE Hifi. Lift. Eccl. T. I p. 715 er.

Heinrich a. b. S. 208. VENEMA uogthans fchijnt

ze voor egt te hotiden. !. 1. VI. p. 174.


der Systematifche Godgeleerdheid. 119

glanzende naam met een' nevel van oneer XIII.

niet weinig bezoedeld werd. —

EEUW.

De eerfte, ALBERT , was oorfpronglijk

een Munnik van de Dominïkaaner orde,

werd daar na Profesfor in de Godgeleerd- .

heid, en eindelijk, door de gunst van

Paus ALEXANDER den vierden, Bisfchop

van REGENSDURG. Doch hij leide zijne

Bisfchoplijke waardigheid weder af, en

ging in een Klooster te KEÜLEN, daar

hij' den 15 van Slagtmaand in 'tjaar 1280

in den ouderdom van 87 jaaren geftorven

is. (*) Van deezen hebben wij,

behalven veele andere fchriften, (f) eenen

Commentarius over de Spreuken van LOM­

BARDUS, eeiie Summa Theologia en een

Compendium Theologia in zeven Boeken.

Dit moeten wij tot zijnen lof, welken

hij zich door deeze en andere fchriften

verwierf, vooral zeggen, dat hij eene ongemeene

bekwaamheid bezat in het behandelen

der Godgeleerde waarheden,

en in het vergaderen van de getuigenisfen

der oudvaderen. Mangel aan taalkunde,

voor het overige, deed hem even,

als alle Scholastieken, meenigwerf ver-

zei-

(*) Vide OLEARII Abac. Pat. art. ALB.

MAGN. Zommigen • fchrijven dat hij 75 , anderen

weder, dat hij 78 jaaren oud geworden zij. Zie

HEINR. a. b. S. 212. en verg. VENEMA 1. 1. VI.

p. 174-

(-}•) Dezelven beflaan een 'en twintig Boekdee»

leu in Folio volgens de Uitgave van p. JAMMY.

H 4


ï'2o Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

X'fil. zeilen op de gevaarlijkfte gronden eener

JE G Wé geheel averrechtfche fchriftuitlegging.

De tweede, die hier in aanmerking

komt, was JOHAN B O N A V E N T U R A , een

Franciscaaner, en leerling van den genoemden

A L B E R T , en van ALEXANDER van

HALES. Hij was Bisfchop van ALBANIÖ

en Kardinaal; achttien jaaren lang is hij

Generaal van zijne orde geweest: Zijn

aanzien waare zelfs zoo' groot, dat hij

verfchillen in het Paulijke conclave bijleide.

(*). Hij ftierf in het jaar 1274 te

LIJONS , daar hij toen als Lid van eene

ten dien jaare gehouden kerkvergadering

was, oud 52 jaaren. (f) Van tlera is

gefchreeven een Commentarius over de

fpreuken van LOMBARDUS , en een Compendium

Theohgice, 'twelk hij Breviloquium getijteld

heeft. In beide deeze werken betreedt

hij ook wel het doornachtig pad eener

Filofoofifche Godgeleerdheid, doch

hij was meer Godgeleerde, dan Wijsgeer:

hij had onder de Scholastieken de naauwkeurigfte

en duidlijkfte voordragt , en

fchijnt ten oogmerk gehad te hebben,

meer voor het hart, dan voor het verftand

te werken, iets, dat in deeze dagen

zeer vreemd en ongehoord waare. (§)

XLV.

(*) Zie SPITTLER a. b. S. 344.

Cfj Zie DOED. 1,1. p. 224. OLEARII Abac. Patr*

art. Ronav. en HOFM. L. U. eodem art.

(


der Systematifche Godgeleerdheid, in

XLV.

XIII.

Doch onder alle Scholastieken, die zich E E Ü W

in deeze eeuw beroemd hebben gemaakt,

verwierf en verdiende den grootften lof

de geleerde THOMAS van AQUINO. Hij

was een Dommikaaner, en een leerling

van ALiiERT den grooten, en van ALEXAN­

DER HALES; (*) Hij werd Do&or in de

Godgeleerdheid op den zelfden dag met

BONAVEiNTURA te PARYS in 'tjaar 1251.

Hyis Hoogleeraar geweest op verfcheiden

Akademiën, als op die van VITERBO, ORviëro,

PISA, NEAPOLIS en anderen : hy

werd genoemd Doctor Angelicus, de Engelachtige

Leeraar, en met zinfpeeling op

zyn naam, Aquila Theologorum, de Arend

der Godgeleerden.^ (f) Hy ftierf in 't zelfde

jaar 1274, waarin BONAVENTURA overleed,®

Na LOMBARDUS is hij de beroemdfte

onder de Schoolfche Godgeleerden.

En van allen is hij het, die 't meest toebragt

tot den roem van ARISTOTELES door

de leerftellingen van dien Wijsgeer in zijne

fchriften en lesien voortteplanten, op

te helderen en aan te dringen. (**) Zijne

Sum-

00 Verg. MOSH. K. G. V. bl. 46. in deaantek.

VENEMA echter wederfpreekt die ten aanzien van

HALES 1. 1. VI. p. 174.

(t) Zie OLEARII 1. c. art. TH. AQUIN : MOSHEIM ,

K. G. V. bl. 172. HEINR. a. b. S. 216, HOFMANNI

Lex Univ. art. TH. AQUILA.

(§) Zie SPITTLER» a. b. S. 344.

(**) Zie MOSH. K. G. V. bl ±6.

H 5


122 Beknopte Letterkundige Oefchiedenis

XIII. Summa totius Theologie, in parles III ditv.uw.vifa,

is het bruikbaarfte en befte Systema,

dat onder de Scholastieke fchriften

na dat van den Meester der Spreuken uitgekomen

is. (*) Hetzelve is met veel oordeel

gefchreeven, heeft veel orde, zit in

eenen hechten zamenhang,en behelst minder

ftoute vraagftukken, dan de Theologifche

werken zijner voorgaaners. Dit

Systema is in de Roomfche Kerk in hoog

aanzien; men heeft het niet alleen met

met

O) Zijne fchriften zijn veelvuldig en verfcheidëmnaaïèn

in achttien 'boekdeelen, uitgegeeven.

Zie HOFMANNI Lex. Univ. art. THOM. AQ. —

gelijk ook afzonderlijk zijne fumma Theologia, die

't laatst 1604 te KEULEN gedrukt is. — SIXTUS SENEN*

SIS , een fchrijveruit de zestiende Eeuw geeft hem

in zijne Eiblioth. Sancta deezen lof. Theologorum

fuit ac Philofophorum omnium, quos in huncusque

dient fcholasticorum Academia protulit, fine' ulla

eontroverfia Princeps: quippe qui primus omnium

Latinorum Philofophorum, non minus incredibili

quam felici aufu omnetn AUISTOTELIS Philofophiam

comnicntariis lucidhftmis illuftravit. En op eene

andere plaatze. Ita mentent D. AUGUSTINI introfpexit

et exhaufit, Utjuxta Pythagora ftmfetyvxpn»,

communi omnium doctisjimorum adagio jaüatum

fit, AUGUSTINI animam migrasfe in THOMAM. Zijn

fneedig oordeel en zijne ftoute vrijmoedigheid in

het fpreeken, waarvoor veelen ynn zijne tijdgenootenzich

wet zouden gewacht hebben , blijkt uit

het andwoord ,'t welk Hij, volgens een verhaal,

gaf aan den Paus INNOCENTIUS den vierden , anderen

fchrijven aan GREGORIUS den tienden , wanneer deeze

eene meenigte Gelds ontving, en tegen THOMAS

zeide, Ik kan thands, gelijk PETRUS weleer, met

zeg-


der Systematifche Godgeleerdheid. 123

met veel goedkeuring en achting, nevens XIII.

dat van LOMBARDUS,bij het openbaar on-EEUW»

derwijs gevolgd, maar er zelfs ook veele

uitleggingen overgefchreeven. (*) Het

bevat en de geloofsleer van het kristendom

en tevens de zedekunde. Over de

Zedekunde handelt hij breeder, dan LOM­

BARDUS en andere Scholastieken ;(f) maar

ook hier, zo wel als bij het leerftellige,

vindt men ARISTOTELES. — Zijn Systema

is verdeeld in drie bezpndere boeken. Het

eerfte is geheel leerftuklijk. Het tweede is

ten deele leerftellig, maar ten grootften

deezeggen,

Zilver en Goud heb ik niet; waarop THO­

MAS andwoo.rdde; ja, maar Gij kunt ook niet zeggen

tot den kreupelen en lammen : flaa op en wan.

del! Zie RAMBACH Hift. des Pamdoms, I. bl. 2i. a <

LAPIDE ad loc. Act III. 6. PLEVIER over de Hand.

ter z. pl. en MEBIÜS over het derde en vierde hoofddeel

der Hand. bl. AI. — Door zijne kunde en

Geleerdheid heeft Hij zich zeiter grooten roem verworven,

maar wat moet men denken van zijne

Godsvracht, indien het waar is 't gene men van

hem fchrijft, en aantoont uit zijn werk de Rcgim.

Princ.Lih. IV., naamlijk, dat hij de Hoererij openlijk

gebillijkt en verdedigd heeft? Zie RAMBACH ,'t a.b.

I. bl. 54. — Onder de Schrifibewijzen, welken

hij hier toe gebruikte , was ook HOS. I : 2.

Verg: MANGER in zijnen uitneemenden Commentatrius

in HOSEAM ad h l. die dit eene onbekookte

en wilde woordverdraaiing heet. — Hoe Itrookt

dit met het Engelachtige, dat men in deezen Leeraar

meende te vinden ?

(*) Zie MOSH. K. G. V. bl. 172. en DOED. !, 1,

p. 224. *

(f) Zie MOSH K. G. V, bl. 181.


124 Beknopte Letterkundige Oefchiedenis

XIII. deele zedekundig; het derde behelst weeë

uw. der alleen geloofsleer. Het tweede boek

van deezen geleerden arbeid inzonderheid

heeft de eer en het ongeluk gehad, om

door ontelbaare Aanmerkingfchrij vers onder

handen genomen te worden. (*) ln zommige

ftukken van deeze Summa Theologia

vindt men ten aanzien van het leerftellige

meenig iets, dat geheel nieuw is. Onder

anderen heeft THOMAS de betekenisfen

van het woord genade, door AUGUSTINUS

(zie § XXIV) opgegeeven, op nieuw

ontwikkeld en opgehelderd. Ook heeft

hij de Leer der drie Ambten van KRIS­

TUS het eerst in het Syftematifche ftelfel

gebragt. Zommige Schrijvers Jiebben

wel voorgewend, dat dit Syftema te

onrecht aan THOMAS toegekend wierd, en

hij er de opfteller niet van waare; maar

hunne bewijzen zijn van geene de minfte

kracht, (f) — De Bijbelkundigen vonden

in dit zijn gefchrift, en in zijne andere

werken, meenige gevoelens, welken,

naar hunne voorgave, tegen de waarheid

waaren aangekant; en Hij werd even daarom

bij veele Parijsfche Leeraars van onregtzinnigheid

verdacht; maar zijn gezag

was groot genoeg, om den oploop der kettermaakerije

ten zijnen nadeel voor te

komen, of althands fpoedig te ftuiten.(§)

Met

(*) Zie MOSH. K. G. V. bl. 181.

00 Z i e M 0 S I ! K

- - G. V. bl. 172. en de Schrij.

vers door hem aangehaald.

{,§) Zie MOSH. K. G. V. bl. 178.


der Systematifche Godgeleerdheid, 125

Met ditGodgeleerd Syftema van THO- XIÏÏ.

MAS van AQUINO befteeg de Scholastieke EE UW.

Godgeleerdheid haaren hoogften trap.

Het gebouw van het Kristlijk leer-fystema,

waartoe reeds in de tweede eeuw door

de Platonifche Wysgeeren de grondvesten

geleid waaren; (*) waartoe ORIGENKS en

AUGUSTINUS de bouwftofFenaangedraagen

hadden; (f) ert waaraan uit de Griekfche

Kerk JOHANNES van DAMASKUS (§),en uitde

Latijnfche ABELARDUS , (**) LOMBAR­

DUS (ff) en anderen met zoo veel ij vers

gearbeid hadden, werd eindelijk door THO­

MAS van AQUINO geheel voltooid, en volmaakt.

Hij heeft de eer, van er delaatfte

hand aangeleid te hebben. En naar

hein hebben zich de volgende Godgeleerden

in de leermanier van de waarheden des

Kristendoms gericht.

XL VI.

Van nu af aan won deeze leerwijze, om

de waarheden van den Kostlijken Godsdienst

in de fpitsvindigheden der Wijsgeerte

op te zwachtelen, meer veld; de

Sentejttiarii kreegen geheelde overhand, en

de Pofitivi, of Biblici (de Bijbelkundigen)

ver-

OO Zie § V. hiervoor.

Cf) Zie § XIX--XXII en XXIV.

(§) Zie § XXXII.

(**) Xie § XXXVII.

(tt) Zie § XL.

Zie HEINR. a. b. S. 216-226,


126 Beknopte Letterkundige Gefchiedenït

XIII. verlooren al hun aanzien. En wat ook

EEUW. verfcheiden mannen van groote waardigheid,

zelfs eenige Roomfche Pauzen mogtentewerk

Hellen, om den voortgangdeezer

Wijsgeerige Scholastieken te ftremmen,

hunne ij verigfte poogingen waaren vruchtloos.

(*) De ondervinding leert dikmaals,

dat, hoe krachtiger men zich tegen eene

zaak verzet, om dezelven te doen verachteren,

zij echter tegen werk en wil zo

veel te meer vooruicraakt, en alle aangewende

poogingen ter befchaaming van den

ijverigen tegenftreever, verijdeld worden.

Even zo ging het ook hier. Reeds in

het begin van de dertiende Eeuw had men

bij gelegenheid, dat zekere ALMERICUS,

fchoon toen al overleeden, en vooral zijne

navolgers, (f) op eene Kerkvergadering

te PARIJS van ketterije befchuldigd

en veroordeeld werden, aldaar beflooten, om

de boeken van ARISTOTELES, waaruit AL­

MERICUS zijne dwaalingen gezoogenhad,

en alle onregtzinnigheden herkomftig waaren,

openlijk te verbranden, en elk kristen

onder de bedreiging des bans het

leezen derzelven ten ftrengften te verbieden.

Dit verbod werd verfcheiden

keeren herhaald , «ls in de jaaren

1215,

(*) Zie MOSH. K. G. V. bl. if6.

(f) Van ALMERICUS zelven zijn geene eigenlijke

uwaalingcn bekend; maar zijne volglingen wanen

jammerhartige dweepers. Zie MOSH. K. G. V bl.

43. en JABLONHÜ Injlit. Hift. Chtist. I. p. 310.


der Systematifche Godgeleerdheid,

i

1215, 1331, en 1265. Dan diesniette- XIII.

genftaande, de overdreeven achting voor EEUW.

de Peripatetifche Wijsgeerte had al te

diepe wortelen gefchooten in de gemoeden

van veelen, om dezelve zo maar geheel

uitteroeijen; en daar een ALBERT de

GROOT en een THOMAS van AQUINO zich

aan het herlrel deezer verguisde en veroordeelde

Filolbofije zoo zeer lieten geleegen

zijn, deed hunne magtige en gezaghebbende

arm haar over alle heure

vijanden zegevieren, zo dat zij in de fchoolen

der Godgeleerden een' onwankelbaaren

zetel kreeg. In deeze eeuw plaatst men

dus te recht het tweede tijdperk der Scholastieke

Godgeleerdheid; (*) welker voorftanders

verdeeld werden in Sententiarii', Summisten

en Quodlibetarii, van welken de

laatften zich in 'tbezondereopdetwistkunde

toeleiden. (f)

En nu, daar deeze Wijsgeerte van ARIS­

TOTELES zo allentshalve in de hooge en

laage fchoolen de fcheering en inflag van

alje letteroefeningen en ftudiën waare;

brak ook eene geleerde onkunde, en eene

dwaalzuchtige hairklooverij wel dra in de

gehoorzaalen en openbaare fchriften los.

Niemand wiste fpoedig meer, wat waarheid,

of wat dooling was. De twistgierige

Scholastieken hadden eene onderfcheiding

uitgedacht tusfchen Wijsgeerige en God-

ge-

(*) Vide jABLoNSKi Inflit. Hifi. Christ. I, pag. 303

en MOSH. K, G V. bl. 46, en 47

(1) Cf. vEwtMA 1. j. VI. p. 18a.


isS Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XIII. geleerde waarheid, ten einde zij nimmer

K £ u w. door de vreeze voor verkettering in hunne

redetwisten geftoord worden, en, zo

ze al in de engte gedreeven wierden,

nog altijd eene achterdeur open zouden

hebben. De Kerk had, volgens hunne

voorgave, bevolen, zekere leerftellingen

als Theologifche waarheden gelden telaaten,

maar er konde iets Theologisch waar

xijn, 'twelk filofoofisch valsch was (*). Men

maakte het gemeen wijs, dat men de Theologifche

waarheden onaangeroerd liet, en

eeniglijk redetwistte over de Filofoofifchen.

(j) — Op zulke eene wijze werd er

eene wijde ingang geopend voor onweetendheid

en dwaaling. Men ftapelde vraagen

op vraagen, die men ter beandwoording

opgaf. Allen waaren ze onnoodig,

de meesten van weinig aanbelang, veelen

(*) Deeze lompe en weinig doorgedachte (telregel

heeft naderhand aan debeftrijderen van onzen Godsdiaist

aanleiding gegeeyen, om den Kristenen ondei

den neus te wrijven , dat zij zei ven hun geloof

aan de 'voorfchriften der reden noch durfden noch

wilden toetzen, om dat het de keur niet konde

doorftaan: gelijk nog onlangs een naamloos fchrijver'

ineen boekjen getijteld: von der verfchreijung der

vernunft auf den Kanzeln, met deze oude Scholastieke

ftelliug, welke niemand onzer Godgeleerden

meer omhelst, braaf zijn best gedaan heeft, om al

het Kristenvolk als een' dweependen hoop dwaazen

aftefchilderen. Zie PIPERS Verhand, in de werken

van , tHaagsch Genootfchap voor''tjaar 1788. hl.

63 en 64

(T) Zie SPITTLER. a. b„ S. 344.


der Systematifche Godgeleerdheid, 129

ïen harsfeiifehimmig, veelen belagche- XIV.

lijk, veelen onbepaalbaar, en zelfs onver-EEUW.'

ftaanlijk, ja eenigen Godloos en Godlasterlijk.

(*) Veele Geleerden van eenen

Icherpzichtigen Geest en een doordringend

oordeel befchouwden ook met hartlijken

weemoed den tot-nmaaligen ftandder

zaaken. Onder deezen telt MOSHEIM

vooral ROGER BACON, een'Franciskaaner

Munnik, ARNOLDUS VILLANOVANUS ,en PE-

TRI S de ABANO, mannen, die dengrootften

roem verdienden, maar die, gelijk

het dikwerf gaat, door het dweepend bijgeloof,

met fmaad en fchande overlaaden

werden (f_).

XL VII.

Thands zijn w'j gevorderd tot aan de

veertiende Kerkeeuw. Ten deezen

tijde fcheen de Geleerdheid door haaren

aanwas onder de Latijnen voor de nakomen

(*)Zie A/g. Vadert. Lett.'Ylï. bl. zóS-Mengefo.

Ten bewijze van het Godlasterlijke in de twistkundö

dier tijden geeven wij hier ter leezing de woorden

rn zekeren Parijsfchen Leeraar, die na over de

Drieëenheid openlijk met toejuigching geredetwist

te hebben, dus uitriep: o Jefule! jefule'l quafi'

turn in hac questione confirmavi iegem tuam,

exaltavi! Profetïo , fi malignando & adverfande

vellem , fortioribus rationibus £? argumentis fcirem

Wam infnrmare, & deprimendo improbare ! —

welke woorden nader te leezen zijn bij VENS»

MA, I. 1. VI. p. 183.

(f) Zie MOSH K. G. V- bl. 47-50,,

T


130 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XIV. melingfchap iets goeds te belooven. In

EEUW. de Hebreeuwfche en Griekfcheletterkunde

begon men veele vorderingen te maaken,

die in de daad niet te verfmaaden

waaren, (*) Ook herleefde weder de oude

zuivere Latijnfche fpraak, inzonderheid

in de Schriften van FRANCISCUS PETRAR-

CHA. (f) Deeze verwakkerde liefde tot

de ftudiën gaf aanleiding tot het oprichten

van verfcheiden Akademiën, als te HEU­

LEN, ORLEANS, PERUGIA, en FLORENCE.

Er werden hier en daar groote Boekerijen

, die aanmerkelijke geldfommen vorderden,

aangeleid. En de zogenoemde

Getuigen der waarheid groeiden van dag

tot dag aan in getal en achtbaarheid. (§)

Buitenmaate groot was ook de meenigte

der Wijsgeeren; dan deezen en dk

ftrekt zeker niet tot roem van deeze anders

(*") Vide VENEMA 1. 1. VI. p. 33a et 333.

(t) FRANC, PETRARCHA, fchrijft FIOFMANN in Lex.

Univ. Art. PETRARCHA , fuitfeculi fui Phanix, qui

iiteras humanitatis, post tonga füentia mortuas ,

ab inferis revocavit. Verg. VENEMA 1.1. VI. p. 331.

In de Hebreeuwfche en Griekfche Letterkunde was

de onweetendheid zo groot en zo algemeen, dat

men, tegen deeze taalftudie met de fterkfte vooröordeelen

bezet, zulk een' die er nu een beminnaar

en beoefenaar van werd, ronduit een' ketter noemde.

'tGrieksch kon van de Munniken niet eens

geleezen worden ; wanneer deezen bii het affchrijven

der boeken Griekfche woorden vonden , lieten

ze de plaats open, en fchreeven aan den kant:

Graca funt, non pojfunt legi. Verg. RAMBACH Hifi.

des Pausdoms, II. bl. 4s3-

(§) Vide JABLONSKI/«/Ztf. Hifi. Christ.l.p. 3 2 4

et 325.


tier Systematifche Godgeleerdheid. 131

ders eenigszins onbenevelde eeuw; • XIV.

hingen eene zo wigtige zwaarte aan de EEUW.'

leer van hunnen geliefden ARISTOTELES,

dat zij dezelve, fchoon door averrechtfche

uitleggingen reeds zints langen tijd

ontluisterd,als eene onfeilbaareGodfpraak

eerbiedigden, en voor onverwrikbre waarheid

hielden. En even dit, welk een voordeel

het opdaagende licht van verfcheiden

weetenfchappen ook anders aanbrengen

mogte, werkte tot groot achterdeel van

de Scholastieke Godgeleerdheid deezes

tijds. 't Gene de Letterkunde opbouwde,

brak de Wijsgeerte weder af. De leerftellingen

der reden en des Kristendoms

werden deerlijk gehavend door allerlei beuzelachtige

twistvraagen , en jammerlijk

wanvormd op de leest van belagchelijke

onderfcheidingen, en nietige fpitsvindigheden.

Van hier was het, dat de

Godsdienst, zo als dezelve op de hooge

fchoolen geleeraard en het volk in

de openbaare vergaderingen voorgedraagen

werd, ten laatften op de jammerlijkfte

wijze verbasterd en ontaard waare:

geen één leeiftuk meer had een'zweem

van zijne oorfpronglijke fchoonheid behouden.

Zeker een verftandig kristen

zoude toen liever eene redevoering van

CICERO, dan de les eens hoogleeraars of

de preek eens Munniks hebben willen hooren,

en er ook veel meer nut en ftichting

it getrokken hebben. Hoedaanig eene

gedaante de leer des Evangelies in deeze

eeuw, inzonderheid bij de Westerlingen,

I 2

van


t%2 Beknopte Letterkundige Gefckiedenis

XIV. van welken wij thands trouwens alleen

nis uw. fchnjven, gehad heeft, kan eeniglijk daaruit

opgemaakt worden, dat de Bedelmunniken,

inzonderheid de DOMTNTKAANEN en

FRANCISKAANEN de hoofden der Scholastieken

waaren, en deezen zich allenthalve

voordeeden, als of zij de Godlijke Wijsheid

alleen in pacht hadden. Hoe groot

eene vrijheid in Godgeleerde onderwerpen

te behandelen deeze, men mooge wel

ïchrijven, domme en ijlhoofdige Munniken,

want fchoon zij op de befchaafde

Weetenfchappen dwaaslijk roem

droegen, waaren ze echter in de daad derzelve

vijanden; — hoe groot eene vrijheid

zij gebruikten , is oogenfchijnlijk en

ter hunne onuitwischbaare fchande blijkbaar

uit het berucht en Godhoonend gefchrift

van zekeren Franciskaaner Munnik

Uit PISA , BARTHOLOMEUS ALBICIUS, 't Welk

hij betijteld had; over de gelijkvormigheid

van het keven des zaligen FRANCISCUS

met het heven van den Heere JESUS KRIS­

TUS , (*) en 't welk hij uitgegeeven heeft

in het laatst van deeze eeuw: Dit Godloos

(*) De conformitate vitce beati FRANCISCI ad

yitam Domini JESU CHRISTI. Zommigen meeuen,

dat hij ook gefchreeven heefteen boek, de Conformitate

Benedictie Virginis cum CHRISTO , 't welk

te MILAAN gedrukt is in 'tjaar 1510, doch anderen

kennen hetzelve toe aan eenen BART/IOLOMEUS,

die ook wel van PISA herkomftig was, maar in

't begin van deeze veertiende eeuw leefde. Zie

OLEARII Abac. Patrum, art. BAUTH. PISANUS.


der Systematifche Godgeleerdheid. 133

loos boek , en zulks diend hier vooral XIV.

in aanmerkinge genomen te worden,

werd ten jaare 1389 in eene algemeene

vergadering der Franciskaanfche Munniken

met groote toejuigching en ée'nhartig

goedvinden tot een ftichtelijkleesboek aangenomen.

- Dit boek, waarin de wijze en

heilige JESUS in denzelfden laagen rang

geplaatst wordt met eenen dommendweeper,

of ondeugenden Volksverleider,

befchandvlekt tot in de fpaade wereldtijden

de geheele orde der FRANCTSKAANEN,

en tevens de Schoolgeleerdheid van deeze

eeuw. (f)

XL VIII.

Men denke evenwel niet , dat er in

deeze dagen geene verftandige en oordeelkundige

Godgeleerden zouden geweest

zijn, die de leer van het kristendom, fchoon

naar de toen heerfchende fchoolwijze, in

hunne mondlijke en fchriftlijke voordragt

met veel roems voorgefteld hebben. —

De voornaamfte van allen, die zich in

deeze eeuw vermaard hebben gemaakt,

was JOHANNES DUNS, toegenoemd sco-

TUS,

(*) 't Staat in kijf, of FRANCISCUS een deugniet,

dan flechts een dwaashoofd geweest is. Verg. RO-

SENM. Gefchiedk. Verh. over den Trapsw, voortg.

der Openb. bl. 78, in de aant. van den Vert.

(t)2ie JABLONSKI 1. c. pag. 324; en MOSH,

K. G. V. bl. 297, en ROSENM. in ,t ftraks aang.

Boek ter aang. pl.

ï 3

EEUW.


134 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XIV. TUS, of de SCHOT , naar't land zijner ge-

BEUW. boorte, (*) en van de Franciscaaner orde

: Hij was Leeraar der Godgeleerdheid

te OXFORT, en naderhand te PARIJS. Hij

bloeide in 't begin van deeze eeuw, en

ftierf te KEULEN aan eene beroerte in 't

jaar 1308 , in 't 43fle, of zo anderen meenen,

in 't 34de jaar zijns leevens. (f)

Deeze JOH. OUNS muntte boven zijne

tijdgenooten uit in fchranderheid van vernuft

en fneedigheid van oordeel; (§) Hij

was een groot Godgeleerde •„ maar zijn

voorftel was duister , zijne taal flecht Latijn

, en zijne fpitsvindigheid onuitpluisbaar:

Hij kreeg daarom den naam van Doclor

W7II»»-, en Doc'tor fubtilis, de duistere en

de fpitsvindige Leeraar. (**) Niemand

der Schoolfche Godgeleerden heeft beter

de kunst van Sofisterije en twijfelaarije

verftaan, dan hij. In zijne dogmatifche

fchriften 'ftapelt hij fpitsvindigheden op

fpitsvindigheden, onderfcheidingen op onderfcheidingen,

tegenwerpingen op tegenwerpingen

, vraagen op vraagen, en beand-

woor-

(*) Vide OLEARII Alac. Pat. art. jo. DUNS,

(t VENEMA 1. i. VI p 336

Cl) Men verhaalt van hem , dat hij te vroegtijdig

begraaven zijnde, in 'tgraf, uit eene langwijlige

flaauwte, bij zich zeiven herkomen ,'tvieesch

van zijne armen en handen afgeknaauwd had. Zie

HOFMANNI Lex. Univ. art. JOH. DUNS en VENEMA

1. L VI. p. 336, die hetzelve als eene fabel aan'

jnerkt.

(§) Zie MOSH K. G. V. bl. 332.

(**) Yide OLEARII , Ah, Fatr, art. jon, DUNS.


der Systematifche Godgeleerdheid. 135

woordingen op beandwoordingen. Men XIV.

kan hieruit reeds met grond afleiden, dat EEUW.

hij de Schoolfche Leerwijze- heel niet verbeterd,

maar zeer verergerd heeft. Van

hem hebben de Scholastieken verfcheiden

nieuwe Barbaarfche kunstwoorden gekreegen,

die hoe genoemd niets betekenen,

en geheel geene denkbeelden uitdrukken;

bij voorb. Subftantialiteit, esfentialiteit,

realiteit, formaliteit, quidditcit, hucceiteit

en meer andere onverftaanbaare termen. (*)

Daar hij een Wiskunftenaar was, bewees

hij zomwiilen zijne Scholastieke voordellen,

gelijk men gewoon is de propofitiën

van EUCLIDES te bewijzen, met de Letters

A. B. C. Onder de fchriften

van hem zijn 't meest bekend zijne uitleggingen

ever de boeken der Spreuken van

LOMBARDUS. (f) Men denkt in 't

algemeen, dat Hij de eerfte geweest is,

die de onbevlekte Ontvangenis yan dé Maagd

MARIA met kracht beweerd en met eenen

beflisfenden uitflag verdeedigd heeft. (§)

Zij-

(*) Conf. WERENF. OPUSC T. II. pag. 66.

(f) Eene naauwkeurige uitgave van alle zijne

werken is vervaardigd door LUKAS WADDJNGUS ,

en in het licht gekomen te LIJONS in 1639 5 m 1 5 1

folio deelen. — Men zie verder HEINRICII 't a. b.

S. 226 tot 230.

(§") Vide JABLONSKI 1. c. I. pag. 323. Schoon

anders deeze ongerijmde dooling reeds in de voorige

eeuwen opgekomen en voorgeftaan was. Zie

MOSH.K. G. IV. bl. 366 en 367. Dr. DUNS heeft

dus dezelve weder op nieuw opgewarmd, en met

nieuwe bewijzen op zijne manier bekrachtigd, te-

1 4 gen


136' Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XIV. Zijne fpitsvindige Schoolgeleerdheid zeker

SfcUW. deed hem op deeze dwaalftelling vallen.

Zeer waarfchjnlijk heeft de man op den

voorgang van anderen zijn hoofd gebroken,

om uittedenken, hoe het mooglijk

waare, dat KKISTUS zonder zonde gebooren

hadde kunnen worden, en is met al

zijn vraagen en wedervraagen over zaaken,

die het eindig menfchen verftand nimmer

beandwoqrden kan, en ook niet behoeft

te beandwoorden, zo eindelijk mede in

het denkbeeld bevestigd, dat dan MARIA,

's Heilands moeder, ook zonder zonde moest

geweest zijn; eerst geloofde hij misfchien

flechts , zonder daadlijke zonde, gelijk

ten zijnen tijde veelen van deeze gedachte

fchijnen geweest te zijn ; maar vervolgens

ook zonder erfzonde. Deeze dwaalgedachte

verdeedigde hij, zo men meent,

openlijk tegen THOMAS van AQUINO en deszelfs

aanhangers; en hierin ook vond hij

bij verre de meesten groote toejuigching;

terwijl hij toch aan den anderen kant, zo

als het niet weinigen voorkwam, ten aan-

\ zien van de overige en wel bijna alle gefchilpunten,

(*) het veld voor de volglingen

gen de DOMINIKAANEN , en in 't bezondere tegea

THOMAS van AQUINO ,welken diesaangaande een ftrij.

dig denkbeeld omhelsden. Verg. MOSH. K. G. V.

bl. 339 en FOEKE SJOERDS K. G. bl. 244. Dit

evenwel wordt fterk tegengefproken dqor VENEMA

l. L VI. p. 337-

(*) Gejijk bij v. over de natuur der Godlij&e


der Systematifche Godgeleerdheid, 137

gen van THOMAS ruimen moest. (*) Hier XIV.

uit hebben hunnen oorfprong de twee EEUW.

beruchte partijen, de Thomisten en Schotisten,

die thands in de Roomfehe Kerk

nog tegen eikanderen in het harnas ftaan;

met de eerde houden het de DOMINIKAA­

NEN, en den anderen zijn de FRANCIS-,

KAANEN genegen.

XLIX.

Jammerlijk zag het er dus uit met de

Scholastieke Godgeleerdheid. Wel verre,

dat derzelve onderwijzers het met eikanderen

eens waren, vielen zij ten aanzien

van verfcheiden geloofspunten heftig op

elkaêr

medewerking met 's menleken wil, over de maat

der Godlijke genade, noodig ter zaligheid, enz.

(*) Hij beweerde tegen de THOMISTEN onder anderen

, ter opzichte van de leer des vrijen wils,

en der genade, halfpelagiaanfche leerftellingen.

Deezen verwierp men : maar zijne verdeedigde

Leer nopens de vlcklooze ontvangnis van MARIA

Werd bij de meeste Kristenen aangenomen ; en de

DOMINIKAANEN, die zich hier tegen aankantten,

verlooren even daarom zeer veel v:ui de Volksach.

ting. Zelfs zegepraalde Hij hierin zo verre, dat

er zeker Edikt wierd uitgegetven, volgens het

welk niemand eene Akademifche waardigheid (Gradus

Academicus') bekomen konde, ten zij hij de

Leer van de onbevlekte ontvangenis van MARIA belijden

wilde. Zie HEINRICH ,'t a. b. S. 12?,. Doch

ook dit wordt ontkend van VENEMA /. locoq. I.

die deeze belijdenis nopens MARIAS geboorte, als

eene plechtigheid, eerst in de volgende eeuw ingevoerd,

aanmerkt,,


13S Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XIV. elkaêr aan, met wederkeerige beleedi-

EEUW. gingen en befchuldigingen van onregtzinnigheid,

terwiil eene raazende drift van

bitze hairklooverijen elk der partijen verhinderde,

om de andere door redenen

van een beter onderricht te overtuigen,

en ten voordeele haarer omhelsde en verdeedigde

leer in te winnen. • Hier

kwam bij , dat de Schoolgeleerden in 't algemeen

nog al geduurig aangerand werden

door de Bijbelgeleerden, waarbij de

laatften dikwerf de vlag heezen , en de

eerften voor hun moesten onderdoen; die

dan, in de engte gebragt, zich bedienden

van die listige kunstgreepen, waarvan wij

in 't laatst der XLVI. §. gewaagd hebben.

Onder de Scholastieken deezer eeuw,

die Godgeleerde Schoolftelfels, of uitleggingen

over de Spreuken van LOMBARDUS

en het kort begrip van THOMAS gefchreeven

hebben , kunnen ook in 't bezondere

uit anderen geteld worden: RAY-

MUNDUS

LULLIUS, (*) HERV^EUS NATA-

LIS,

(*) Deeze was een zeer geleerd man, maar

dikwerf al te bijsterzinnig den vrijen teugel geevende

aan zijne driftige verbeeldingskracht. Onder

deszelfs beeldteuis plaatften zijne vrienden, die

hem ten hemel verhieven (terwij! zijne vijanden

hem ter hel verlaagden ) dit bijfchrift.

Doctrinam pemdit RAYMUNDUS LULLIUS omriem,

Cui Deus infudit fcibile, quicquid erat.

Hij was de • ftichter van eene nieuwe en zonderlinge

Wijsgeerte; en JOH. OSIANDER verhaalt van

hem


der Systematifche Godgeleerdheid. 139

LIS , (*) THOMAS BRADWARDINUS , (f) XIV.

en FRANCISCUS MAIJRON. (§). Dan vooral EEUW.

dient hier niet vergeeten en verzweegen

te worden DURANDUS van St. PORTIANO,

die in het begin deezer eeuw gebloeid

heeft, en in het jaar 1333 overleeden is.

Hij was van de orde der DOMINIKAA­

NEN, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid

te PARIJS, en in 't laatst zijns leevensBisfchop

teMEAux. Van DUB ANDUS af rekent

men doorgaans het derde tijdperk der

Schoolhem

(Exerc. I. de Trinit. T. 6 en 10: ) dat hij

de leer der drieëenheid alleen uit de wijsgeerte,

die hij voordroeg, meende te kunnen bewijzen.

Hij ftierf 1315. — Zie OLEARII Ab. Patr. art.

KAVM. LULL. et verg. VENRMA 1. I. VI. p. 340-42.

(*) Anders genoemd IIERVTEUS BRITO : Hij was

van de Dominiknaner orde, en een groote Thomist.

Behalven z'jne uitleggingen over de Spreukboeken

van LOMBARDUS vindt men van hem eene verklaaring

der brieven van PAULUS. — Hij ftierf 1323-

Vide OLEAR: 1. i. et HOFM L. U. art. HERV.

(f) THOM. BRADWARDLNUS is geweest Aartsbisfchop

van KANTELB'RG , een groot Godgeleerde en

Wiskundige, die den PELAGIAANEN befrigen tegenftand

bood, en een oordee'kundig verdecdiger der

zuivere rechtvaardigingleer was.

(§) Deeze was een leerlin g van jou. DUNS , en heeft

in het Godgeleerd Genootfchap van de Sorbontie

op de hooge fchool te PARIJS , de dwaaze gewoonte

ingevoerd, om den Student, welke tot de eene of

andere Akademifche waardigheid verheven werd,

des zomers van den vroegen morgen tot den fpaaden

avond zonder voorzitter, en zonder tusfehenfust

te laaten redetwisten tegen elk , die zijne peilingen

beftrijden wilde. Vide OLEARII Ab. Patr.

POFMANNI L. U. art. FR.. MAIJR. et VENEMA ; 1. L

VI. p. 330.


ï"40 Beknopte Letterkundige Ge/èhiedenis

XIV*. Schoolfche Godgeleerdheid. (*). — Dee-'

BEU w. ze Geleerde Man heeft nagelaaten eene

uitlegging-over de Spreuken van LOMBAR­

DUS, waarin hij met eene voorzichtige

ftoutheid ten aanzien van verfcheiden leerpunten

geheel andere gedachten voordraagt,

dan THOMAS van AQUINO; tegen

welke uitlegging even daarom zekere DU-

RANDELLUS (zo als zommigen willen,

een volle neef van hem) vervaardigd

en _ uitgegeeven heeft een gefchrift ,

getijteld correclorium corruptorii D. THO-

MJE.. (f). Het werk van DU-

RANDUS heeft veel bezonders en veel, dat

in zijnen tijd nieuw en gewaagd was.

In de voorrede van het zelve legt hij

twee grondflagen: de eerfte is de Heilu

ge Schrift; hierop nicht hij alles, wat

men te gelooven en te betrachten heeft,

terwijl hij echter de uitlegging van twijfelachtige

fchriftplaatzen aan de onfeilbaarheid

der kerk overlaat. De tweede grondflag

is de reden, en hierop fticht hij alles,

wat niet onmiddellijk tot den Godsdienst

behoort,terwijl hij ter deeze opzicht

het gezag der kerkvaderen en andere

geleerden weinig, rekent maar zijne eigen

denkbeelden volgt. • In verfcheiden

opzichten mooge men van DURANDUS zeggen,

dat hij den dwaalweg der wijsgee-

ri-

(*_) VideJABLONSKI; I. c.l.p. 324. et VENEMA,

U c. VI. p. 343. Verg. bl. 95 en 96 hiervoor,

(f} Vide OLEARII Ab. Patr. art. DUR.


der Systematifche Godgeleerdheid 141

rige Godgeleerden zijner eeuw verhaten, XIV.

of zo al niet verlaaten, danalthandsden- EEUW.'

zeiven niet goedgekeurd, en na een beter

pad ter ontdekking der waarheid uitgezien

hebbe. DeThomisten kreegen daarom

dermaate den nijd op hem, dat hunne

hekelzucht na zijnen dood op hem dit

graffchrift maakte.

Durus DURANDUS jacet hic fub marmore

duro;

An fit falvandus, ego nefcio, nee quo*

que euro. (*)

Bij deezen DURANDUS verdient nog

gevoegd en gerangfehikt te worden wn>

LIAM OCCAM , die 'ook tot het derde

tijdperk der fcholastieke Godgeleerdheid

gebragt moet worden. Hij was een Engelsman,

een groot Filofoof, een beroemde

Icholastiek, Leeraar der Godgeleerdheid

te PARIJS , een tegenftreever

van DUNS, fchoon weleer zijnen Meester,

een verdeediger van den Franfchen

Koning FILIP den fchoonen, en

van den Keizer LODEWYK van Beijeren,

en een moedige wederftander van

de Pauzen BONIFACIUS den achtfien (f)

en

(*) Zie HEINR. a. b. S. 233. en VENEMA. 1. L

VI. p. 339-

(f) Tegen de trotfche handelwijze van deezea

Godloozen Paus omtrent FILIP den Schoonen fchreef

.Hij na den dood van beiden eene verhandeling of

zamenfpraak getijteld: de Poteflate ecdefiafika S£

feculari.


ti2 Beknopte Letterkundige Gefihiedenu

XIV. en JOHANNES den Tweeëntwintigflen, wel-

SEÜW, ke laatfte één en andermaal het vuur van

den Roomfchen banblikfém in heftige

ftraalen op hem deed afHammen. (*} —

Hij ftierf aan hét hof van den keizer in

't jaar 1343. of zo anderen meenen

1347. (f) - Onder zijne fchriften komen

hier vooral in aanmerking vraagen over

de Jpreuken van LOMBARDUS, en een

Godgeleerd Centiloquium, dus geheeten,

omdat hij in het zelve de leeringen der

befchouvvende Godgeleerdheid in honderd

wijsgeerige flotgevolgen voordraagt. In

dit Centiloquium vindt men veele onregtzinnige

Hellingen , losfe fofisterijen, en

meenigvotrdige beuzelachtige fpitsvindigheden.

($)

Eindelijk plaatzen wij hier in den voorbijgang

, uit veele anderen, ook nog Ni-

COLAUS van LIJRA, (**) JOHANNES BA-

CO

00 Hij bleef echter ftandvastig, en moedigde

zelfs den Keizer LODF.WYK aan met te zeggen: Verdeedig

Gij mij met het zwaard; ik zal U met de

pen verdeedigen. Vide HOFMANNI L. U. art. oc-

CAM, et VENEMA 1. 1. VI. p. 338.

(i) Vide VENEMA 1. 1.

(§) Zie CRAMER, 'tmeerm. a. b. VII. S. 8i2,9

HEÏNR. a. b. S. 233 und flg.

(**) Deeze was zo in't algemeen geloofd wordt,

een gebooren Jood , volgens zommigen uit BRA-

BAND , maar te onregt •, Hij was van LIER , eer»

dorp in NoRMANDiè, gelijkblijkt uitzijn graffchrift

te PARIJS, 't welk in de zeventiende eeuw daar

nog geleezen konde worden, en dus begon:

Lijra brevis vieus, Normanna in gente celebris.

Prima mihi vitee janua forsque fuit,

tte.


der Systematifche Godgeleerdheid. 143

co (*)

PETRUS AUREOLÏIS, en PETRUS de XIV.

ALLIACO , (t) welke allen tot het derde EEUW.

tijd-

Vide HENR. WILLOTI At hen. Franc. p. 233 et VE­

NEMA 1. 1. VI. p. 333. La CROZE evenwel komt

het niet zeer wanrfchijnlijk voor, dat hij een Zoon

van Joodfche ouders geweest is. Zie zijne Entre-

Hens fur divers fujets d'Hifloire'. pag. 222. en verg.

VENEMA t. a. p. — Behalyen uitleggingen over da

Spreuken van LOMBARDUS heeft men van hem eene

korte verklaaring van den geheelen Bijbel, een uitmuntend

werk, waarvan zelfs LUTHKR zich dikwerf

bediend heeft bij zijne fchriftverklaaringen ,

en het welk 1590 të LIJONS uitgegeeven is. In veele

opzichten maakte Hij LUTHER den weg der her.

vorming gemaklij k. Dit hebben ook de vrienden

van deezen grooten Kerkverbeteraar niet ontkennen

willen. Van hier het Latijnfche fpreekwoord: Si

LIJRA non. liraffet, turn totus mundus deliraffet.

LIJRA , zeide men, had LUTHER het paard gebragt,

en voor hem de ftijgbeugels gehouden, om hem zo te

gemaklijker te doen opklimmen. — Hij was zeer

gezien aan het Franfche Hof, gelijk men vooral

daar uit opmaaken kan, dat de Koningin JOHANNA,

Vrouw van FILIP den vijfden, hem bij uiterften wil

tot haaren boedelredder benoemde. — Hij ftierf te

PARIJS den 23 van Wijnmaand 1340. Vide HOFM.

L. U. art. N1 c.L 1 JR. et OLEARII Ab. Patr. eodem art.

C*~) Deeze was Leeraar der Godgeleerdheid te PA­

RIJS : Even gelijk NicoLAUs van LIJRA heeft hij

onder anderen ook gefchreeven uitleggingen over

de vier fpreukboeken van LOMBARDUS en eene ver*

klaaring van alle Bijbelboeken. Hij is te LONDSW

geflorven, 1350, of zo anderen melden 1346. Uit

zijn geflacht was afkomltig de beroemde BACO de

VERULAMIO. Fide

BACO, et VEN. VI. p. 340.

HOFM. et OLEARII 1. C ART. JOH.

0O Ook deeze beiden muntten uit in kunde en

geleerdheid. Op den laatften, die 1416, of volgens


144 Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

XV. tijdperk der fcholastieke Godgeleerdheid

»EÜW. behooren , en over de (preuken van LOM­

BARDUS hunne uitleggingen gefchreeven

hebben.

L.

Eindelijk komen wij tot de laatfte eeuw

van dit Tijdperk: eene eeuw, waarin

de Griekfche kerk, onder den prangenden

last van het Mahometaansch geweld

geboogen, geen' lust en geene aandrift meer

gevoelde, om met ijver in het eene of andere

vak der edele geleerdheid te werken;

maar waarin daarentegen de Latijnfche

kristenheid zich opgewekt vond, en

allen aandrang van buiten, zo wel van

den Roomfchen kerkitoel, als van de

vorstlijke zetels der onderfcheiden wereldbeftuurers,"kreeg,omde

zaak der befchaavende

weetenfchappen voor te ftaan,

en zo ze er toegeroepen werden, als

leeraars en onderrichters van het menschdom,

dezelve ook in de daad te bevorderen,

door letteroefening en ftudiewerk.

De aangenaame vrucht van deezen fchoonen

bloei in het rijk der vrije kunften

was eene allengfche verbetering der Gods-

dienst-

gens anderen 1425 ftierf, vervaardigde men dit

graffchrift:

Mors rapuit PETRUM , Petram fubiit piitre corpus*

Sed PETRAM CHRISTUM fpiritus ipfe pe/it.

Vide OLEARII 1. hart. PET. de ALL.


'ér Systematifche Godgeleerdheid. 145

'dienstleer: kundige en weldenkende God- XV.'

geleerden begonnen van lieverlede het EEUW.

zoutiooze en wanfmaaklijke van den ouden

fchoolkost, hun zo dikwerf opgekookt,

en als een versch gerecht voorgezet, te

proeven, en er eenen onverwinlijken afkeer

van te krijgen. Het getal der zogenoemde

waarheidgetuigen werd allerwege grooter.

De fchendvlekken, die de Roomfche

kerk zo verleelijkten, werden beter

bij het licht bezien, en wekten walg en

affchuw. De geheime raadflagen over

eene algemeene kerkhervorming werden

meer openbaar; en een regen van fchriften

over dit onderwerp maakte dezelven

vruchtbaar. De onwrikbaare ftelregel,

dat men zonder de gewijde taalkunde geen

bevoegd fchrift uitlegger weezen kan, vond

allenthalve door geheel EUROPA grooten

bijval, en dreef niet weinigen tot het beoefenen

der Hebreeuwfchej en Griekfche

fpraak; terwijl de daar door bevorderde

Bijbelkunde als een ander Pinkftervuur

verhelderende lichtftraalen over den fchoonen

Godsdienst, die door een' dikken

mist van vaale fchooldampen verdonkerd

was, rondfpreide. Alle deeze voordeelige

omftandigheden werden tegen het midden

van deeze eeuw grootlijks begunftigd

door de zo gezegende uitvinding der onwaardeerbaare

Drukkunst, welke een LOU-

HENS JANS KOSTER, van HAARLEM, enkel

bij toeval, ontdekte, die daardoor heel

EUROPA aan zich verpligt heeft , en welke

naderhand door TOHAN GUTTENBERG,. en

K

an-


XV.

T4


der Systematifche Godgeleerdheid. 147

XV.

ge als een afgezonderd volk in eenzaame EEUWI

oorden onder den druk hunner vijandige

nabuuren zuchten moesten , uit hunne

laage valeien door lucht en wolken ten

hemel fchreeuwen om Godlijken bijftand

ter redding van den veegen Godsdienst,

die hun zo dierbaar was. In ENGELLAND

had zig tegen het einde der voorige eeuw

beroemd gemaakt JOHAN WIKLEF ; eenman^

die door zijne fchriften, fchoon niet zonder

dwaaling, en door zijn gedrag, dat

ook niet zonder vlek was, gewenschte

veranderingen, ten aanzien van het geloof

en van de tucht, ter kerke ingevoerd had;

wiens gevoelens lang na zijnen dood iri

't begin van deeze eeuw ten Jaare 1415 op

de kerkvergadering te KONSTANS veroordeeld,

en wiens beenderen na eene

één- en veertig jaarige rust uit het graf

gedelfd en openlijk verbrand werden.

Deeze WIKLEF, dien men te recht als den

voorlooper van LUTHER. mooge aanmerken,

was in de vijftiende eeuw bij zeef

veelen nog in zegening. Zijne aanhang,

die zich vooral in ENGELLAND ophield *

werd van dag tot dag grooter, en uit zijne

asch reezen ontelbaar veele belyders *

die, hetvoetfpoor van hem, hunnen voorganger,

drukkende, zijne leer en zijné

fchriften overal verfpreiden , en onder

anderen in de hand deeden komen van den

Praagfchen Hoogleeraar JOHAN HUSS , dié

deeze nieuwe leer aannam, en van welken

wel dra deeze fchriften in de Boheemfche

taal overgezet , en wereldkundig

gemaakt werden bij deszelfs landgenootem


148 Beknopte Letterkundige GefchiedenU

XV. Dit had een gunftig gevolg. De kerk^

SE u w. redenen en Schoollesfen van JOHANHUSS

werden van veelen met genoegen en bijval

gehoord: (*) Hij kreeg ftaêg aan meer

toeloop: het volk begon een' afkeer te

voelen van ROME'S leer en tucht, terwijl

de ftudenten zich niet onthielden, om

den heiligen Vader openlijk te befchimpen.

(f) Niettemin kreeg deeze braave

man een' veeltalligen hoop vijanden, die

het eindelijk na lang wroeten en wormen

zo verre bragten, dat hij voor de Kerkvergadering

van KONSTANS gedagvaard,

en— om hem te verftrikken en inflaapte

dommelen, — met een' vrijgeleide Brief

van den Keizer SIGISMUND begiftigd,

ook daar verfcheen, en na een verward

ver-

(*) Zijne gepredikte en voorgeleezen leer vindt

men in de Leevensbef: van gel: mannen 1 ft. No. 4.

bl. 44.!!.

CD Twee Studenten onder anderen, die elk

ééne kamer in één huis hadden, befchilderden met

tocftemming van hunnen waard het portaal, dat

beide gehuurde vertrekken fcheidde; nadat het werk

afgedaan was, riepen ze eik een' in, om hetzelve

te bezichtigen > Met vermaak en genoegen zag men

hier san den eenen kant een' prachtig uitgedosehten

Paus, op een fchoonen Hengst omftuwd van

een aanzienlijk gezelfchap gepurperde kardinaalen:

en aan de andere zijde den armen en nederigenjE-

MJS, op een' flechten ezel zijne intree doende binnen

JERUZALEM, gevolgd van de heffe des volks,

zonder ftaatie en heerlijkheid. Men zie hier uit

hoe grooten ingang de Leer van nuss bij de PRAA-

CERS had. Verg: Leevembef: van Gel: Mannen,

I St. No. 4. bl. 450.


éfsr Systematifche Godgeleerdheid. 149

verhoor, met de fchandelijkfte fchending XV.

van gegeeven woord en beloofde trouw,

op den zesden van Hooimaand des jaars

1415, uit den akeligen kerker gehaald,

leevend verbrand wierd; waarna zijne asch

in het water voor de Stad geworpen

is. (*) Een diergelijk lot trof ook zijnen

besten vriend en getrouwen metgezel,

HIEKONIJMUS van PRAAG , die den dertigften

van Bloeimaand des jaars 1416 te

KONSTANS aan de brandfteng in het

midden der vlammen den jongden adem

uitblies. De moord van deeze beiden,

en vooral van den eerden, ontftak de BO­

HEMERS in arren moede tegen de Kerkvaders

te KONSTANS : en hieruit ontfèond

dra een heftig blaakende Godsdienstoorlog

tusfchen den Keizer SIGISMUND en de

zo geheeten HUSSIETEN onder aanvoering

van JOHAN ZISKA , en na deszelfs dood

van 1'ROCOPIUS, toegenoemd den gefchooren;

in welken oorlog de laatstgemelden

altijd de fchoonfte zege bevochten, en

den gruwelijken Marteldood der beide

Praagfche waarheidvrienden baarblijkelijk

wraken. — In 't midden van deeze eeuw

bloeide de beroemde LOURENS VALLA,

een Romeinsch Edelman, die zich door

zijne vrijheid van denken over Godsdienstönderwerpen,

en door zijne Latijnfehe

EEUW.

f

(*} Over JOH. HUS, zijn leeven en dood zie

men een breedvoerig bericht bij HOFM. L. U. «rt.

JOU. H. et VENEMA 1. 1. VI. p. 508— 51G.

K 3


J5 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XV, fche taalkennisfe en Griekfche Uitlegisyw,

kunde een'loflijken naam verwierf; en

die gelukkiglijk den Marteldood ontfparteld

is. (*). Zijne arbeid in de laatstgenoemde

weetenfchap bezorgde den naneef

een uitmuntend richtfnoer van fchrifverklaaring

in een' bundel van Kritijche en

Letterkundige aanteekeningen over het N. T.

welken door hem uitgegeeven en onder

veelen door ERASMUS zeer hoog gefchat

zijn, (f) Bij deezen kan men voegen HIE-

RONIJMUS SAVONAROLA , gebooren te FER-

RARË den 21 van Herfstmaand, 1452, die

zich ook manlijk aankantte tegen ROMES

heerfchappij, waarom hij ook met het hoogfte

recht op de lijst van de getuigen der

waarheid verdient geplaatst te worden;

doch waardoor hij zich den haat des volks

derwijze op den hals haalde, dat hij, na

de wreedfte pijnigingen, op de markt te

FLORENCE den suften van Bloeimaand in

't jaar 1498, in 'tzes- en veertigfte jaar

Zijns ouderdoms, verbrand wierd. Dan,

Om kort te zijn, men denke hier nog

aan verfcheiden andere kundige en doorzichtige

Godsdienstminnaars, als er waaren,

(.*) Conf. VENEMA 1. 1. VI. p. 425. Hij flierf

te ROME in 'tjaar 1465. Zijne moeder liet voorhem

dit graffchrift vervaardigen.

LAURENS VALLA jacet, Romana gloria lingiae,

Primus enim docuit, qua decet arte, Isqui.

Cf) Dezelven zijn verfcheiden maaien gedrukt,

als in 8vo. te PARIJS 1505 in folio te BAZEL, 1540»


'der Systematifche Godgeleerdheid. 15T

ren, JOHAN GERSON, Kanfelier der Hoo- XV.

ge fchool te PARIJS; C) NiKOLAAsdeitLE- EEUW.

MANGIS C\y, JOHAN WESS1- L GANBSFORTJ

RUDOLF AGRICOLA ; (**) JOHAN van GOCH

uit MECHELEN, (tt) en meer anderen,die

een verhelderd brein in hun hoofd hadden,

en den grootften arbeid befteedden

ter verbetering der leer en der zeden.

Lil.

Men ziet dus; dat niet weinige Geleerden

, en Godsvruchtigen het zaad der

leervervorming' door geheel de Westerfche

wereld, ruimerhand, hoewel mees-

ten-

(*) Zie over hem MOSH. K. G. V. bl. 444 en

JULK en VENEMA 1. 1. VI. p. 432 en 33.

(f) Zie ook MOSH. K. G. V. bl. 445 en VE-

REM* 1 1 VI. p. 434»

V'o'zie MOSH. K. G, V. bl. 44°"-

BRANDT

Hifi. der Reform. I. bl. i 35 en volg. wWjlJ

VI. p. 435- en U B - EMMIUS Rer: Fits: WJt.l.^w»

•pas. mini 394 & 395-

F

Zie BRANDT, a. b. I, bl. 139. en 140.

VENEMA 1. I. VI. p. 426 en Levensbefck.van ber.

en gel.mannen IV. St. No. 7. bl. 149 en volgg. Beiden

GANDSFORT en AGRICOLA waaren GRONINGERS

van geboorte, en onderweezen in de beroemde ichool

te ADUWFRD. In het begin van onze achttiende eeuw

Hond er in FRIESLAND, te AU GSEUUR, een Predikant

met naam GERARDUS GANDSFORT , Groninger: deeze ,

meent men, waare een nazaat uit het geflacht van

den beroemden JOHAN WESSEL. Zie Naomi, der

Pred. van de Dokkumer Klasfe'. bl. 22 Van AGRI­

COLA heeft men in de groote St. Martenslterk te

Groningen nog eene gedachtenis: Het fchoone orgel

, 't welk daar gevonden wordt, en een kunstftuk

is, heeft hem ten maaker gehad.

($]) Zie over deezen BRANDT 'ta. b.I.W. 140»

K 4


152 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XV. tendeels in verborgen plaatzen, uitftrooi-

EUUW. den. Bij voorraad kan hier dus uit opgemaakt

worden, dat de Schoolfche Godgeleerdheid

daardoor raagtig veel te lijden

had. De ganfche bende der Scholastieken

, welke tot hoofden had order

anderen JOHANNES CAPREOLUS, DU-

NIJSIUS RIKKEL, HENRICUS GORCOMIUS,

of van GORKUM, en GABRIEJL BIEL, die

de hekfluiter, en ook de beste van allen

was, verloor haar aanzien en gezao- bij

de geleerde wereld ter eenemaal. Meest

alle die mannen, van welken wij in de

voorige § met lof gewaagd hebben, fcheenen

het er op toeteleggen, om der bedolven

Schoolgeleerdheid de hartzenuw aftefnijden,

en fpanden. daartoe met verëemgden

yver alle hunne krachten in:

en geen wonder waarlijk; de Schooien

der Godgeleerdheid waaren met het ftof

van fpitsvindige beuzelarijen zo zwart

en leelijk bezoedeld, dat een allenthalvige

reiniging reeds lang hoognoodig geweest

waare. Men propte het geheugen vol met

onverftaanbaare onderfcheidingen en niets

beduidende klanken, en maakte het hoofd

warm door twisten over zaaken, waarvan

weinig of niets begrijplijk was, terwijl

het denkvermoogen ledig, het oordeel

werkloos en het hart koud bleef. Degeheele

Godgeleerdheid beftond in de iammerhjkite

fchoolvosferij.(^ - 'tKon dier-

hal-

CO Tertia h*c fcholasticorum «tas, (Verba

/unt celeberrimi DOEDEiaEüNu, aui Mam atatem


der Systematifche Godgeleerdheid. 155

halve niet anders of veele verftandige XV.'

braaven moesten er hun werk van maa- EEUW.

ken , om deeze vervallen zaak te herftellen.

En men moest doortasten, met

alle magt dit bederf te keer te gaan, en

er openlijk vooruitkomen, dat men het

ganfche leerftelfel der fchoolen hervormen

wilde. De Mystieken booden eene krachtighelpende

hand, fchoon deezen anders

de Schoolfche Godgeleerdheid geheel uic

de Kerk verbannen wilden. Onder de

moedige tegenftanders der Scholastieken

mooge men inzonderheid noemen de in

de voorige § gemelde j. w. GANDSFORT

en JOH. van GOCH. De eerfte liet zich

in zijnen grijzen ouderdom tegen den

jongen JAN OOSTENDORP , een' Groninger

geleerden uit de beroemde School van

ADUWERD , naderhand Kanunnik van

St. LEVIJNS Kerk te DEVENTER , dus

uit. „ Gij, naarftige Jongling! Gij zult

„ eens den dag beleeven , dat de leer

„ der twistgraage Godgeleerden, THO-

S, MAS , BONAVENTURA , en der ove-

ri-

tem justis coloribus depinxit , Inflitut. Th.

Christ.1. pag. 225.) erat fiiperioribus longe deterior,

neglectu veritatis poptilaris et utilis, barbarie

in dicendo, pace in disputando, methodo in tradenda

disciplina, in qua nihil nifi fpinofum, vel

quaditum fuit, vel laudatum. Conf. VENEMA /. /.

VI- p- 343- In hac tertia Scholasticorum atate,

(/?c ibi fcripfit vir fümmtts) non adoptaverunt nova

principia; fed curiolitas ineptarum quarstionum ,

decidendi audacia et temeritas, dialectica; denique

tric*, nullum tenuerunt modum. Infma fuperbia

hos hammes transverfos egit.

K5


ï54 BeknopteLstterhmdigeGefchiedenh

XV. 5, overigen van alle egte kristlijke Theo-

IEDW.» loganten verguisd zal worden." (*)

En de andere durfde openhartig beweeren,

dat de fchriften van THOMAS VAN

AQUINO, ALBERT den grooten en andere

fchoolleeraars de waarheid meer verduisterden

, dan verklaarden; en dat men de

heilige fchrift alleen moest volgen, (f)

NIKOLAAS van CUSA, een man, beroemd

door zijne groote geleerdheid en fcherpzinnig

oordeel , fchreef eene Verhandeling

over de Geleerde onkunde, welke nog

voorhanden is. (§) SAVONAROLA, GER-

SON, DIONIJSIUS de KARTHUSIAAN , en

anderen ookfloegen ijverig en koen de handen

te werk, om de diepe bornwelle van

eindelooze hairklooverijen te floppen, en

het heftig twistvuur, waarbij de Schoolleeraars

ftaêgheeter werden, te blusfchen : (**)

om de fcherpzinnigheid der Scholastieken

met de eenvoudigheid van zommigen

Mijs-

(*) Zie BRANDT 'tn. b. Ifte d. bl. i3pen Cat.

Test. Ferit. XIX. p. 887.

(f) Zie BRANDT'ta. b. ifle d. bl. 141. en Cat.

Test. Verit. 1. c.

(§) Zie MOSH. K. G. V. D. bl. 462.

(**) GERSON inzonderheid beijverde zich ,

om de bedorven leerwijze der Scholastieken te

verbeteren. JHij zocht deeze verbetering niet alleen

te bevorderen door zijne lchriften, en voornaamlijk

door zijne Methodus Theologiam Studendi,

maar ook in de Kerkvergadering te KONSTANS daadlijk

te bewerken. Verg. HEINILICH. a. b. S. 242


'der Systematifche Godgeleerdheid. 155

Mystieken te maatigen. (*) En deeze XV.

verdienstlijke mannen vonden bijftand bij EEUW.

de Herftellers der welfpreekendheid en

fraaije letteren. Jammer waare het, dat zij allen

niet met verëenigde en overéénilemmende

poogingen deeze ftaatlijke beuzelaars

te keer gingen, en niet een'en denzelfden

weg infloegen. Zommigen draafden te

verre boven het perk :lagchten de Schoolgeleerden

fchimpig uit, en noemden hun

lystema een ongerijmd ftelfel, 't welk

den bloei der waare weetenfchap belemmerde

, en aan het welzijn der ziel hoogstfchadelijk

was: fchoon het ja wel deezen

naam in veele opzichten draagen

konde, waare hunne fpotlust toch niet

te prijzen, en der bedoelde zaak zeker

heel niet voordeelig. LOURENS VALLA was

onder anderen hier in de groote man.

Deeze verzette zich krachtig tegen de

Peripatetifche Wijsgeeren, en fchrolde dapper

wech op de Schoolleeraars en kerkpredikers,

die meer ARISTOTELES verklaarden

, dan den Bijbel: zelfs de vermaarde

THOMAS AQUINO, de Arend der

Godgeleerden, hoe hoogvlugtig ook,boven

(*) Onder de Mijstieken muntte vooral uit de

beroemde THOM. HAMERKEN van KEMPEN, die

waarlijk vrij zuiver was van de dwaalingen en

droomerijen, anders den Mijstieken eigen. Zijn

fchoon boeksken, de navolging van KRISTUS, is

bekend, en blijft een altijdduurend blijk opleveren,

dat er nog iets verftandigs en goeds gevonden

wierd onder de Munnikenkap in die booze

da-


156 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XV.

ven het bereik van veelen, werd van hem

'EEUW. aangerand en deerlijk ontheisterd in zijne

verklaaring van i

KOR. IX. 13. welker

woorden, hiertoebetreklijk, geleezen

kunnen worden in de Leevensbefchrijving

van beroemde en geleerde mannen: 11. St.

No. 10. bl. 617.

De overigen daarentegen

befchouwden het Scholastieke leerflelfel

als een draaglijk Syftema, 'twelk

flechts bedisfeld , befchaafd en door

verftaanbaare

duidlijkheid naar de regels

van welfpreekendheid verfraaid diende

te worden.

PAULUS CORTESIUS onder

anderen deed hiertoe zijn best in

eene verklaaring over het Spreukenboek.-

Dan,

dagen, waarin de meeste Kloosterlingen in domheid

en onkunde verluijerd zo jammelijkdenzwijnengang

gingen. Men heeft, 't is zo.de eer des

gefchrijfs van ditboekjen wei" aan deezen braaven

man betwisten willen: Zie MOSH. K. G. V. bl.

448. en VENEMA 1. 1. IV. p. 439. Maar deeze

twist is bedecht bij het Parlement van PARIJS,

waar de Palmtak aan van KEMPEN is toegeweezen:

en ook naar verdienfie, indien 't waar is vooral,

dat er nog een handfchrift van dit werkjen door

van KEMPEN zei ven gefchreeven en eigenhandig ondertekend

in de boekerij van het Jefuitenklooster

te ANTWERPEN bewaard wordt: gelijk het kunstgenootfchap,

NU Volentibus arduum, ons bericht in de

voorrede van dit door hun berijmd boeksken. Grooten

roem heeft deeze Godsvruchtige Man door dit

gefchrift bij alle volken verworven , zelfs meent

men, dat het, in 't Arabisch vertaald, in de Bibliotheek

des Keizers van MAROKICO gevonden wordt.

Vide HOFM- L.U. art. THOM. a KEMP. Onder de

Mijstieken van dien tijd kreeg ook allengs meer achting


der Systematifche Godgeleerdheid. i$f

Dan, hoe ook de bezadigde Godgeleer- XV.

den, geruggeftaafd door de Mijstieken EEUW»

en de Letterminnaars, allemooglijkemiddels

bewerkftelligden, om hun prijslijk

doel te treffen; hun arbeid was vruchtloos,

voor het grootfte gedeelte althands;

de Dominikaanen en Franciskaanen, bij

welken de Schoolgeleerdheid haar te huis

en befcherming vond, hadden een' te

krachtigen arm, een' te ftevigen fteun,

en een' te dapperen moed, om zich zo

ras vermannen te laaten, en de bebolwerkte

fterkten van hunne veel vertoonsmaakende

beuzelpraat ter inneeming en

bemeestering aan hunne wederpartije zo

maar op de eerfte aanvallen overtegeeven.

(*)— Ook dit wachtte in den weg

der

ting JOH. TAULER , een Dnitfcher van de orde der

Dominikaanen, die in het midden der voorgaande

eeuw geleefd en gebloeid had, en wiens fchrif--

ten thands meer aan den man kwamen : (Zie OLEAR:

A. PAT. art. J. TAUL. ) LUTHER had zo veel met

deezes Mans arbeid op , dat hij betuigt , van

nooit, noch onder de Latijnen, noch onder de

Duiifchers, een' gezonder Godgeleerden, wiens begrippen

meer met het Evangelie overeenkwamen,

aangetroffen te hebben. Vide ejus Epift. ad SPA-

LATINUM XXIII. et conf. VENEMA 1.1. VI. p 335,

Deeze en diergelijke Mijstiken waaren zeker geen

krankzinnige Dweepers , gelijk veelen van hunne

fekte, met welken zij trouwens ook geene gemeenfchap

wilden hebben, maar verflandige braaven,

die den Godsdienst van JESUS tot zijne oorfpronglijke

eenvoudigheid en deszelfs belijders tot de be •

trachting van deugd zochten weder te brengen.

(*) Men leezeyerder K.G.vanMosH.V.d.bl.46i

CQ 4 Ö 5.


ï 5 8 Beknopte Letterkundige Gefichiedenis

XV*. der wijze voorzienigheid op de naastkof

£EUW. mende eeuw.

LUI.

Üit al het tot hiertoe gefchreeven zien

wij, dat men het geheele Wijsgeerig Godgeleerd

Systema der geloofswaarheden met

alle deszelfs willekeurige bepaalingen en

fpitsvindinge voorftellingen te danken hebbe

aan PETRUS LOMBARDUS, en hun, die

zijne Schoolfche leerwijze volgden, óf daar

over lazen , of daar over uitleggingen

fchreeven, of er uittrekfels van'maakten.

Zij zijn het, die ons, tot op

den hedenfchen dag nog, hoewel niet

meer langs zulke dwaalgangen, als voortijds

, zoetvoerig afgeleid hebben in dé

wijde en dorre woestenijeder Scholastieke

Godgeleerdheid:

Longa in defierta, fine ullis

Hospitiis.

Weinig of niets heeft hiertoe medegebragt

de Oosterfche Geleerdheid. —

De morgenlandfche Kristen, zeer ontmoedigd

door de ongenade der tijden, waarin

het gedruis der wapenen, en het aanhoudend

kerkkrakeel den groei der letteroefening

ftaêg verhinderde, was niet

bevoegd en in itaat,om een taamlijk ge-

• regeld Godgeleerd Syltema te vervaardigen.

En, fchoon al deeze en gene hier

aan


der Systematifche Godgeleerdheid. 15^

aan te werk getrokken is, diens lof is XV.

toch gering geweest bij de Westerlingen, EEUW.

die er geen gebruik van wilden maaken,

deels uit hoofde van onoverëenftemming

van leerbegrippen, deels wegens de Sijrifche

taal, welke zij niet verftonden. De

weinige Oosterfche Syftemafchrijvers, wel*

ken in deeze eeuwen geleefd en geleerd

hebben, zijn EBED-JESU Sabenfis, welke

uitgegeeven heeft, een werk getijteld,

Margarita, de Veritate fidei; s. de ver. reL

Chr. JACOBUS Tagritenfis; welke gefchreeven

heeft omftreeks het jaar 1230 Liber The-,

f durorum; en GREGORIUS Bar- hebreusJ

Abulfaragius dictus, welke ook in de dertiende

eeuw opgefteld heeft Candelabrum

fanctorum de fundamentis ecclefiasticis, waar

van een kort uittrekfel is, onder den

tijtel Liber radiorum. (*)

LIV.

Een' vreezelijken krak heeft de gezegende

Godsdienst van JESUS KRISTUS

gekreegen door deeze Schoolgeleerdheid*

De kundige LAMPE past er niet ongefchikt

op toe de woorden, welken wij

in het derde hoofddeel van joëls Godfpraaken,

het 6 vs. leezen: Gij hebt de

kin-

(f}Fide AssEMANNBibl. Oriënt. T. III. P. I. pagi

332. et feq.T. II. pag. 237 et 284—2519 et

€onf, DOEDERL, 1,1, I. pag, 327 et 228,


160 Beknopte Letterkundige Gefchiedènis

XV kinderen van JTJDA en de kinderen van JE-

EEUW. RUZALEM verkogt aan de kinderen der

GRIEKEN ( aan ARISTOTELES en zijnen

aanhang) opdat Gij ze verre van hunne

landpaalen rnogt brengen. (*) Wij voegen

er bij de woorden van de weenende MA­

RIA in \\t\.Ev angel ie van JOHANNES: XX. 13.

Zij hebben mijnen Heer wechgenomen, en ik

weet niet, waar ze Hem gebragt hebben. —

Deeze Schoolfche Godgeleerdheid toch

was volgens de juiste aanmerking van

TURRETIN een vruchtbaaren boom van

dorre twistvraagen en fchraale fpitsvindigheden

, meer geworteld in den grond

van inenschlijke getuigenisfen, dan van

Godlijke oirkonden. (|) De Bijbel was

van langzaamerhand aan een' kant gefchooven:

de fchriften der Kerkvaders,

reeds doorzult en doorfpekt met de wijsgeerte

van PLATO , kreegen deszelfs

plaats in; en deezen werden beftroomd

door een' vloed van vermengelde denkbeelden

der Aristotelifche Filofoofije. Hieraan

alleen heeft de Schoolfche leerwijze

haare afkomst te danken. Het vervaardigen

van een zamenhangend leerfystema

vond men in de eerfte eeuwen wel noodzaaklijk;

doch zo lang men PLATO volgde,

wiens wijsgeerte min gekunfteld waare,

maak-

(*) LAMPE Verborgenheid van "tGen. Verboni

III. bl. 264.

(f) J. A.TURRET. op. omn.Edit.recentijf.Leov,

\\\.pag. 230.


der Systematifche Godgeleerdheid. i6t

maakte men er geene groote vorderingen XV.

in. ARTSTOTELES verwierf eindelijk ach- EEUW.

ting. Zijne Filofoofij was fpitsvindig en

Systematisch. Men fchoeide de leer des

Kristendoms geheel en al naar dezelve.

En nu kreeg de Systematifche leermanier

grooten voortgang. 'tGene men van PLA­

TO overgenomen, en in de leer des Evangelies

ingeflansd had,werd behouden; en

't gene ARISTOTELES aan de hand gaf, werd

er bijgevoegd. Op zulk eene wijze werd

de leer der Kerk en School eene rampzalige

rhapfodij van Kristlijke waarheden en

Heidenlche dwaalingen, welke laatftende

eerften onderdrukten en onbruikbaar

maakten. De leeraars van het Kristendom

werden voor het grootfte gedeelte

meesters in de kunst, om door fchijnbaare

drogredenen en nuttelooze twisten

het éénvoudig menfchenverftand geheel te

benevelen. Hier kwam bij, dat men in

het voordraagen der leer de harten des

volksbegoogchelen konde, doorfterkeuitroepen,

fchilderachtige perzoonsverbeeldingen,

ftoute zegwijzen, en onnatuurlijke

beeldfpraaken. Zo werd de geheele

Godlijke , hemelfche, geestlijke heilleer

des Evangelies van lieverlede eene zamenftrengeling

van menschlijke, aardfche,

vleeschlijke Schoolbegrippen: terwijl de

eenvoudige woorden van JESUS en de Apostelfchaar

in allerlei gekunftelde bogten

verdwarfcht en verkronkeld werden. Zo

zonk dezelve bij de jammerlijkfte fchipbre

k, op de Filofoofifche klippen van

L

ARIS-


16*2 Beknopte Letterkundige GefchtedenU

XV. ARISTOTELES geleden, (*) ter eenemaal

EEUW. wech in eene diepe zee van barbaarfche

fpreekmanieren, netelige gefchilpunten

beuzelachtige onderfcheidingen, en fchadelijke

menfchenvonden.

Al dit Scholastieke mogt nog zijnen

gang gegaan zijn, indien hetzelve maar begrensd

waare gebleeven in den engen fchoolkring

der geleerden, en eeniglijk zijne

betrekking gehad hadde op willekeurige

voorwerpen eener wijsgeerige liefhebberije.

Doch hetzelve werd allenthalve

in de openbaare kerken aan het volk

voorgedraagen als iets belangrijks en gewigtigs,

waarvan de zaligheid af hing. Op

zulk eene wijze werd de 'toorts der tweedragt

onder het volk aangeftooken, terwijl

ieder der twistende partijen zijne eigen

denkbeelden hardnekkig traande hield,

en den bijval der meenigte voor zich begeerde.

En hier uit ontftondal dra haat,

wrok, vervloeking, verbanning, vervolging,

moord en doodflag. (f)

Wij vinden dus de grootfte redenen,

om met treurigen weemoed op de averrechtfche

handelwijze van deeze kort-

zich-

(*) Niet minder,dan twaalfduizend fchrijvers,

rekent men, dat ter uitlegging der fchriften van

ARISTOTELES de pen gevoerd hebben. Zie Algenu

Vadert. Lett. Vil. bl. 38. Mengel*.

(f) Men leeze hier over de zeer gepaste aanmerkingen

van dqn RECENSENT. I. bl. 34. ea

volgg.


der Systematifche Godgeleerdheid. 163

Zichtige kristenleeraars te rugge te zien, (*) XV.

doch ook aan den anderen kant ons met EEUW, 1

verbaazing te verwonderen, dat reeds

van ouds her de meeste leeraars van den

Godsdienst, onder welken toch ook veelen

in de nuttigfte kunften en weetenfchappen

bedreeven waaren, en een anders verhelderd

brein in hun hoofd hadden, eene

naauwkeurige en onpartijdige Bijbelftudie

veronachtzaamd, en zich meer aan

menschlijke ontdekkingen, dan aan de

eenvoudige openbaaring van JESUS en zijne

Apostelen gehouden hebben, (f). —

Hoe waare het toch mooglijk, dat menfchen,

welken de gave van denken, redenen

en oordeelen gefchonken was, zo

ver-

(*) Wij toch, hoe veel voordeel ons de hervorming

in de zestiende eeuw ook bezorgd heeft

ter deeze opzichte, zijn evenwel nog met deezen

Scholastieken zuurdeegfem niet weinig doortrokken

, verg. § II. de aant. en WERENFELS Opusc.

Edifion.recentijj'. Lugd. Tom. II. pag. n.— Die

trouwens zal in 't vervolg ook duidlijk blijken.

(f) Onbegrijplijk veel nadeels heeft het Kristendom

moeten lijden van de ongelooflijke onkunde

in de gewijde Bijbelfchriften, die er eeuwenlang

plaats had onder de Kerkleeraars, 'tls niet te

ïchrijven, hoe veele dwaalingen in de leer van

KRISTUS, hoe veele verkeerde opvattingen van woorden

en fpreekwijzen, hoe veele onëgte en zoutlooze

Bijbelverklaaringen de verregaande onweetendheid

in de heilige taaien heeft voor den dag

gebragt. — En dit nadeel werd merklijk vergroot

door een allerfchandelijkst verzuim van het leezen

der H. Schrift in de moedertaal, 't welk niet flechts

onder het gemeen, maar ook onder de Leeraars,

L 2 zelfs


164 Beknopte Letterkundige Qefchiedenis

XV. verre van het fpoor der wijshekTafdwaa-

S EUW. len, en in een donker woud van menschïijke

fchriften, —- als de Spreuken van

LOMBARDUS, en derzelven talloozeuitleggingen

, — 'twelk eene ondoorganglijke

grootte heeft, omzwerven konden, om de

waarheid te zoeken, daar zij op hunnen

weg anflers door hemellicht befcheenen,

indien zij hunne oogen niet moedwillig

flooten, het Godlijk Evangelieboek inzien

konden , 't welk in eene onge,kunftelde

kortheid ons de waare heilleer ontdekt,

en aan de hand geeft! Hoe dwaas handelden

toch niet zulke dooiende waarhêidzoekers!

even dwaas als een reiziger,

die van AMSTERDAM na ANTWERPEN

wil trekken, en langs eenen ontzaglijken

omweg door geheel EUROPA en Azië niet

alleen, maar ook door de afgelegenfte

ftreeken van het nieuwe werelddeel derwaarts

meent te moeten heenfpoeden, en

ook zijnen togt zo onderneemt. Even

dwaas

zelfs de voomaamften, fland greep. Zie LANSMAN,

Roomfche Afval. bl. 15 en 16. Ganfclie lieden hadden

dikwerf geene Bijbels ; ik laat flaan , dorpen

en kloosters: In de Boekerije vanFiuPs vanisouRcoNDië,

Bisfchop van UTRECHT , geftorven den 7

van grasmaand 1524 , vond men flechts één

klein Bijbeltjen op Perkament gefchreeven. Zie

MATTH. Annal. T. I. pag. 359» 3°°- — O n b e "

grijplijk veel voets gaf zulk eene fchriftverwaarloozing

aan verfcheiden Systematifche leeringen,

die zelfs geen' Schijngrond in den Bijbel hadden,

als de leer der Transfubftantiatie, der onbevlekts

tnivangenis van MARIA , der Mis, des Faagevuurs enz.


der Systematifche Godgeleerdheid. 165

dwaas als iemand, die de leer van SOKRA-

TES verftaan wil, welke men bij XENO-

PHON en PLATO kort en Maar vindt opgegecven,

en even tot dar einde alle werken

PLATO en ARISTOTELES niet alleen,

maar ook alle uitlegkundige fchriften

der Alexandrijnfche en Peripatetifche

Wijsgeeren, die er in zulken groot getal

en zo vol van fcherpe fpitsvindigheden

zijn, dat men er in het langwijligiïe leevenniet

zoude kunnen doorkomen,waant

te moeten leezen en te begrijpen. — Wij

fchrijven hier iri de daad niet te fterk : de

zodaanigen toch zochten langs bochtige omwegen

en kronkelige omzwervingen 'tget

ne bij huis en bij de hand is. (?)

LV.

Maar met dit alles had echter de Schoolfche

Godgeleerdheid nog eenige waarde.

De onweetendheid, door driestheid en

onverftand geruggeftaafd, fpeelde tot aan

de elfde eeuw in 's Heeren Kerk den

heerfchenden meester. Het flauwe licht

van eenige weinige Geleerden kon de donkerheid

niet verhelderen; en het volk

leefde in de bijgeloovigfte domheid. Hadden

toen een LANFRANK, ANSELMUS,

HILDEBERT, ABELARDUS en anderen het

ijs niet gebroken voor LOMBARDUS, en

had

CO V i d e J« A « TURRRET. Opera cmn. T. l.f. 488

Ct conf. WERENF. Opuscula T. II. ƒ>. 66.

L 3

XV

EEUW.


166 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XV. had deeze niet vervordert en voleind 't

EEUW. gene zij begonnen hadden, wat zoude er

toch bij den hoogmoed der Pauzen, bij de

heerfchzucht der Bisfchoppen, bij de luiheid

der leeraars, bij den zwijnengang

der Munniken, en de dweeperijen der

Mijstieken, van de geloofsleer, ja van den

geheelen Kristlijken Godsdienst geworden

zijn. Zouden, zonder den arbeid

der Scholastieken, niet het Kristendom,

de geleerdheid en alle weetenfchappen in

eene nog vrij dieper laagte van verval zijn

afgedreeven? Zoude de Hervorming daar

door niet grootlijks verfpaad, ja misfchien

niet wel geheel onmooglijk zijn geworden?

(*) Hoe fpoorbijster ook de

Scholastieken waaren, gelijk wij in de voorige

§ hebben aangemerkt, men diene hun

evenwel recht te doen, in hen als voorftanders

der geleerdheid te prijzen , en

hunnen lof in deeze opzicht op te houden.

(t)~ Door hunne beijveringen werd

de

(*) Zie verder HEINR. 't a. b. bl. 237—240.

Ct) Conf. DOEDERL. Inftit. Theol. Christ. P. I. pi

116. Equidem (Tic fcribit vir doctus) qui aliquando

ipfe horrui LOMBARDI , ALBERTI MAGNI ,

AQUINATIS , BONAVENTURAE nomen barbariemque

t

post quam per luft rare ccepiffèm bar bariet, quant vttuperant

Scholafticee fedem, in longe aliam opinio*

%em deduclus, eruditionem, fubtilitatem, ambïgua

discernendi ftudium, argumentorum copiam et perfpicuitatem

atque traéïationis ordinem fapius admiratus,

atque eos aucüores magnorum et inge»

nioforum hominum elogio,quo a MELANCHTHQNE in

Apologia Conf. Aug. Art. de Juftif. ornantur ,per

éujuriam defraudari perfuafus fut.


der Systematifche Godgeleerdheid. 167

de Geleerdheid, die op den laagen grond XV.

van ruuwe onkunde in eene ftille flaauwte EEUW.

lag, weder herfteld en op de been geholpen

: het balltuurig bijgeloof eenigszins

beteugeld,- en de vrije Geest van onderzoeklust

allengs verleevendigd en aangewakkerd.

— Door hunne beijveringen

hebben zij wapens gefmeed, waarmede

naderhand de Hervormers eene zo heerlijke

zege bevochten hebben j gelijk wij

in de volgende Afdeeling zien zullen, waartoe

wij nu overgaan.

L 4

VIJF-


168 Beknopte Letterkundige Gejchiedenis

VIJFDÉ

AFDEELING;

HET TIJDPERK VAN DE HERVOR­

MING TOT IN DE ZEVENTIEN­

DE EEUW.

LVI.

XVX. 13 ij de intreede in dit Tijdperk zien wij

BE uw. den glans der verblijdende waarheidzon,

waarvan de dageraad in het voorige tijdvak

reeds eenigszins zichtbaar waare,aan

den Europifchen kerkhemel ter verlichting

van het kristendom opglimmen, en een

heerlijk fchijnfel geeven : hoewel toch ook

een dikke bank van laaghangende wolken,

met bijgeloof en onkunde bezwangerd,bij

de meeste kristenbewooners van dit befchaafde

werelddeel, de doorbraak van

dien verhelderenden waarheidglans niet

alleen belemmerde, maar zelfs de bruine

donkerheid, die hen zo veele eeuwen

bedekt had, ftaêg grooter deed worden,

Welke dus bij het daartegen overftaande

licht


der Systematifche Godgeleerdheid 169

licht in vervaarlijke zwartheid afftak. — XVI.

In het begin der Zestiende eeuw lag alles EEUW.

nog in eene zoete rust; de nacht der onweetendheid,

die] fchoon wel allengs voor

den dag der kennisfe fcheen wech te fchemeren,

evenwel toen nog zijn duister

over de kristlijke wereldlanden verfpreid

hield, bevorderde deezen zachten iflaap.

De Roomfche Paus, die in de voorige

eeuw zo veel te Hellen had gehad met

veele tegenftanders , - welken wakker in

de weer waaren geweest, om zijne magt

te kneuzen,en al dekristenfchaarvan hem

onafhanglijk te maaken, - maar zijne zaaken

nog al had_ kunnen plooijen, was thands

weêr tot die hoogte van trots gefteegen,

dat hij de bekruiste zegevaanen allentshalve

waaijen liet, en zijne partijen fchamperlijk

fardé, 'tls wel zo, veele bezondere

perfoonen niet alleen, maar ook

verfcheiden Rijksvorften hadden nog den

heftigften nijd op de eigendunkelijke

dwingelandij van deezen Roomfchen Kerkvoogd,

op de knevelaarij, op den gouddorst,

en op de onrechtvaardigfie handelingen,

waardoor hij zijne magt en zijn

aanzien geldig en achtbaar moest houden;

op de weelde der bezondere kerklijken,

op het zwijnenleeven der Kloosterlingen,

en op het algemeene bederf der

fchoone Godsdienstleer: maar wat was

het? hun vermoogen, dat door verlcheiden

mislukte aanflagen reeds merklijkwas

gekortwiekt, had op verre na die kracht

en fterkte niet, welke er in de ruuwe

L 5

han-


170 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. handen van het onkundig en dweepachtig

EEUW. gemeen was, dat het aanzicht na'theilig

ROME keerde, en het eene Godfchennis

achtte,iets ten nadeele of ter wederftreeving

van deszelfs aangemaatigd kerkgezag

in gedachte te neemcn, ik laat (laan, daadlijk

bij 't fr.uk te vatten. De ervaaring

van alle tijden leeraart, dat ten aanzien

van eene Staatsverwisfelingof Godsdienstverandering,

het gemeen de drijfveeren

en de beweegraden zijn moeten; zo lang

deezenftram en ftroef blijven,zijn alle de

beste, en met hoe veel doorzichtigheid ook

aangewende, poogingen van de fchranderfte

wereldgrooten en de verlichtfte kerkdienaars

meestal vruchtloos en omzonst:

maar zo dra raakcn dezelven niet in roering

en aan 't glijden, of alles keert éénsvals

op één' anderen boeg. Dus ging het

ook hier. Zo lang de Paus het zwaare

roer van 't groote Kerkfchip regeeren , en

het volk door zijne wenken in de tucht en

in zijn belang kon houden, had hij heel

niet te vreezen voor de itormende aanftaltenvan

bezondere menfchen,die,met hoe

veel gezag ook anders bekleed, in de zaak

van den Godsdienst toch meestal op hunne

eigen vlerken moesten drijven, en weinig,

althands geen' vertrouwlijken, ftaat

op hunne onderhoorigen konden maaken.—

Dan ten langen laatften werd het geblinde

volk de doek van voorde oogen wechgetrokken:

en— nu zag de arme bedroogen,

om den tuin geleide, meenigte het diep

ingekankerd leerbederf, de fchandelijke

ze-


der Systematifche Godgeleerdheid. 171

zedenontaarting, het hoogftijgend mis- XVL

bruilc der willekeurige kerkmagt, den EEUW.

godloozen leevenstrein der munniken, en

haaren eigen ilaaffchen Godsdienstftand;

zij zag dit te duidlijk en te klaar, dan dat

haar ijvergeest niet in beweeging en haare

handen niet aan 'twerk zouden raaken.

Het groote ligchaam der kerk kwam langzaam

aan het hobbelen : veele leden arbeidden

met moed en kracht aan de algemeene

verbetering; en eindelijk verfcheiden natiën

veranderden éénsfprongs van geloofsbelijdenisfe.

Deeze vlugfche verandering

fchafte haar en ons, heuren naneeven,

een voordeel, dat boven alle fchattingen

berekening is.

LV1I.

'tls niet raadzaam, om, hoe edel ook

de bedoeling zijn mooge, op ftel en flag

de hand aan 't werk te flaan, ten einde eene

belangvolle en groote zaak te verbeteren,

zo ras men flechts aan de verbetering

gedacht heeft. Tijd en omftandigheden,

die afgewacht dienen te worden,

moeten er eerst gelegenheid toe geeven;

toevallen eerst de aanleidende oorzaaken

doen gebooren worden. De alle

perk en peil te boven fteigerende geldzucht

van het fchraapzieke Kerkhoofd Helde

dezelven eindelijk daar. Zekere tori

ANNES TETZEL,een Munnik van de Dominikaaner

orde, gelastigd van Paus LEO ,

den tienden, reisde indiet jaar 1517 met

zij-


1/2 Beknopts Letterkundige Gejchiedenis

XVI. zijne aflaatkraam door DUTTSCHLAND , en

EEUW. riep wijd en zijdallerwege een'volledige

vergiffenis van alle, geene, welken 'took

maar zijn mogten, uitgenomen, zonden

voor elk uit, mits men voor de gunftige

kwijtfchelding der misdaaden eenen,

daartoe geftelden, prijs in gereeden gelde

, betaalde. Het afkondigen van deeze

genadebrieven deed hem eene welgevulde

beurs maaken, en uit den overvloed,

dien hij. met een fchaamteloos voorhoofd

bij één gefchaard had, in loshartige weelde

ruimfchoots en tierig leeven. Zulk

een fnoode handel, alleen ter uitzuiging

van eenvoudige kerkleden, en ter vetmesting

van de listige altaarpaapen bewerkftelligd,

mishaagde in den hoogflen graad

aan veele braave Kristenen, en onder anderen

ook aan eenen MARTEN LUTHER „

Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de

nieuw opgerichte Hoogefchool te WIT-

TENBERG. Deeze geleerde en Godsvruchtige

man had door zijne gezuiverde

oordeelkunde bij het leezen des Bijbels

te diepe inzichten in de leer der

Godlijke Zondevergeeving bekomen, en

in zijn Godegewijd leeven reeds te verheven

denkbeelden van Gods eer en glorie

opgevat, om den fchalken Aflaatkraanier

zo maar ongemoeid door DUITSCH-

LAND te laaten heen trekken. Hij tast

hem koen en welberaaden aan; hij waarfchouwt

met gemoedlijken ernst het volk

tegen deszelfs looze bedriegerij, en -plakt

den 31 van Wijnmaand 1517 op Allerheili-


der Systematifche Godgeleerdheid. 173

ligenavond, (*) openlijk voor de flotkerk XVI.

te WITTEN BERG vijfennegentig Hellingen EEUW.

(Thefes) aan, welken hij tegen den Allaatprediker

verdeedigen zoude, en waarin

hij het onbetaamlijk afknevelen van zulk

eene brandfchatting flerk doorflreek, met

aanwijs, dat door zodaanig eene misleiding

het volk afgetrokken wierd, om zijn vertrouwen

op KRISTUS te Hellen, als het eenig

voorwerp, waarop het geloofsöog ter

bevrijding der zondeflraf flaaren konde.

Zie hier den kleinen, dochaanmerklijken,

beginfelgrond der zo lang gewenschte

heuglijke leerverbetering en gezegende

kerkverandering, die den ondraaglijken

hoogmoed van ROMES heerfchzuchtigen

kerkmonarch ten bodem nederflieten, en

den arm zijner allenthalvige magt zo zeer

ontzenuwden.

LVIII.

Van toen af, fchoon wel LUTHER in "t

eerst het groote werk der Kerkhervorming

niet in den zin had , is van lieverlee,

naar aanleiding van gepaste tijden en gelèhikte

omflandigheden, door hem en veele

medehelpers de hand meer aan dien arbeid

geflaagen, waartoe het geweldig wroeten

en uitfpoorig raazen van hunne vijanden

, zo wel als de onvoorzichtige trotschheid

van het Pauslijke hof hen niet weinig

Anderen fchrijven den 30 van Herfstmaand,


174 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. nig aanprangde. — En nu kreegen ontelttuw.

baare menfchen, die het gekroonde kerkhoofd

begonnen te minachten, een beter

begrip van den Kristlijken Godsdienst-

Bewonderenswaardig is hier de weg der

HemeÜche voorzienigheid. LUTHER,nog

ftudent in de Rechten zijnde, of in de

voorbereidende weetenfchappen, aan de

hoogefchool te ERFURT , nam eens bij

louter toeval op de algemeene boekerij

een' Latijnfchen Bijbel, in handen, dien

hij toen nog nooit gezien had, las er

iets in, en vond, in dat weinig iets, meer,

dan hij tot nog toe op den predikdoel

gehoord, of in de uitgekipte zogenoemde

Evangeliën en Epistelen geleezen had;

zuchtte bij zichzelven over de fchaarsheid

des Bijbels, en floot weder denzelvenmet

den warmften hartewensch, van toch ten

eenigen tijde zulk een boek in eigendom

of ten langer gebruik te moogen hebben!

Wat gebeurt er? Hij was op

reis in gezelfchap van eenen zijner vrienden.

Een fchriklijk onweder brak boven

hen los. Een brandende Blikfemflits fmeet

zijnen makker ter aarde, wiens levensdraad,

dus afgezengd, terftond aan zijne

zijde eene prooi des doods werd.

Dit niet te verhoeden toeval perffe

hem; op hetzelfde oogenblik in de vuurigffe

hette van fchrik en verlegenheid

deeze belofte ten geprangden krop uit:

dat zo de Hoogfte hem in het leeven

fpaarde,hij dan aan de ftudie der rechten

vaarwel zeggen, een Godgeleerde worden,


der Systematifche Godgeleerdheid. 175

den, en.in een Klooster zoude gaan. — XVL

Aan deeze gelofte deed hij kort daarna EEUW,

geftand; hij werd een AUGUSTIJNER.

munnik. Nu vond hij gelegenheid zo

wel als verpligting, om den Bijbel te leezen;

en na veele tegenftribbelingen, die

hem in deeze bezigheden dwarsboomden,

doorgeworfteld te hebben, bragt hij het

eindelijk zo verre, dat hij hier door die

uitgewijde kunde verkreeg, welke, door

hem aan anderen medegedeeld, zich daarna

in zo veele landen heinde en verre

uitgezet heeft. Hij vertaalde den Bijbe!

uit het oorfpronglijke in het Hoogduitsch;

welke vertaaling hij, met bijftand van

eenige geleerden en Godsvruchtigen, als BU­

GENHAGEN, JONAS en in 'tbezondere ME-

LANCHTHON,welken hij in deeze groote

en gewigtige onderneeming raadpleegde,

Ichielijk en voorfpoedigteneindebragt.(*)

Het Nieuwe Testament zette hij bijkans

geheel over op het Kasteel van WARTEN-

BURG, daar hij tien maanden verborgen

was. (f) Door behulp der, in de voorige

eeuw uitgevonden, Drukkunst gaf hij

reeds ten jaare 1522 hetzelve in 'tlicht;

waarna de vijf boeken van MOSES 1523,

en de overige Bijbelfchriften 1524-153-

volg-

(*) Zie MOSH K. G. VI. bl. 91.

(t) Zie MOSH. 't a. b. bl. 87. VENEMA L t, VIT.

p. 32. SPITT. a. b. bl. 370 en JABLONSKI 1. U ÏL

P- 14-


1/6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. volgden. (*) Zo keverde hij den Bijbel

IEUWI duizenden in handen, die denzelven lazen,

en op deeze wijze den zuiveren Godsdienst

in deszelfs oorfpronglijke fchoonheid,

en natuurlijke voortreflijkheid leerden

kennen. En zo dra was dezelve niet in

deeze voege bekend geworden , of het vervorderde

hervorming werk bekwam een

fpoedig en gelukkig beflag. Deeze Hoogduitfche

Overzetting van den Bijbel had

eene fterkte, krachtiger, dan alle andere

oorzaaken, bij elküêr genomen, om de

grondflagen der Lutherfche Kerk, en ras

ook die van het geheele Protestantendom,

te bevestigen, en tegen alle ondermijning

hecht te maaken. (f) —,

LIX.

De groote LUTHER, wiens kunde en

moed de ganfche kristenheid bewondert,

kon zijnen vijanden te rede Haan, en dorst

zijnen aanvallersin den baard tastenderwijl

de Godsvrucht zijne woorden endaaden

(*) Zie j. LE LONG Boekzaal der Nedert.Bijbels

11: 510 en 511.

(f) Zie MOSH; 'ta. p. en SPITTLEU 'taang. boek

bl, 370. Men had wel, voor dat LUTHERS Bijbelvertaaling

in het Hoogduitsch , en in hetNeêrlandsch

uitkwam, reeds eenige Bijbeloverzettingen, als die

van NEURNBERG en DELFT, in 1477 gedrukt, en

meer anderen van laater jaaren , maar deezen waaren

uit hoofde van den Hechten en duisteren ftijl

voor, het volk bijkans onbruikbaar.


der Systematifche Godgeleerdheid. \y?

den, waaraan zijn natuurgeftel geneigd XVI.

was, ongemeen veel drift en heftigheid EEUW.

bij te zetten, meestal door bedaarden ernst

zeer te regt bragt en regelde (*) — Zijn

verhelderd verftand en zijne onverzaagde

koenheid deeden hem een' digten drom

van zwaarigheden doorkampen , en een'

fteilen flapel van wederftribbelingen te

boven komen. Een verheven inzicht

in veele deelen der menschlijke geleerdheid

, een leevendig gevoel der waarheid

aan het hart, een zuivere zucht,

om het goede van het kwaade te onderfcheiden

, een blaakende ijver voor de

reine leer des Evangelies, een onvermoeide

lust, om het menschdom te ver-

lich-

(*) Men herïnnere zieh hier het bekende andwoord

van den onbevreesden Hervormer, 'twelk

hij, na zijne dagvaarding, om op den Rijksdag

vai WORMS te verfchijnen, aan zijne vrienden gaf,

toen deezen hem de Reize derwaarts metvoorzichtigen

aandrang afrieden, en hem tegen de boosaartige

en trouwlooze ontwerpen van het Pausdom

waarfchouwden: „Ik zal er heen gaan, fchoon er

zo veele duivels zijn, als pannen op de daken dier

„Stad!" Hoe zeer ook het vuur van haasten grimmigheid,

dat in zijn hart gloeide, in dit andwoord

eenige vonken deed opftuiven; zo zeer lag hetzelve

, toen hij voor de Vergadering fbnd, geheel onder

de asch berekend. Bezadigd en deftig waaren

zijne woorden, waarmeê hij zijne zaak bepleitte;

betaamlijk en achtbaar zijne redenen, welken hij

tegen de leer en de gebruiken van de Roomfche

Kerk te berde bragt. ferg, de Aant. van den

Heere MACLAINE op MOSH.. K. G. VI. bl 86 en

VENEMA, 1. 1. VII. p. 25-28.

M


178 Beknopte Letterkundige Geftftiedenis

XVI. lichten en te verbeteren, en een hartlijk

SC uw. deelneemen aan het welweezen van braave

kristenen: dit alles moedigde hem met

de kragtigfte drangfpooren aan, om in

zijne onderneemingen voort te vaaren;

waarin hij ook dermaate gelukte, dat hij

al fpoedig een ontwerp fmeedde ter {lichting

eener openbaare Kerk op grondflagen,

van veel edeler aart dan, en lijnregt

aangeleid tegen die der Roomfche

Kerk. Dit ontwerp konde hij wel zo

fchielijk niet uitvoeren, als hij wel

wenschte: dan zijne poogingen werden

niet te min met 'sHeeren besten zegen


der Systematifche Godgeleerdheid. 179

werd hij er op bedacht, om onder zijne XVI

geloofsgenooten een beknopte ftelfel van EEUW

Leer en zeden in te voeren, dat niet

met eigendunklijke menfchenvinding, maar

alleen met de Godlijke voorfchrif'ten van het

Evangelie der waarheid rijmde In tijds

vervolg kreeg Hij hiertoe eene fchoone gelegenheid:

de voornaamfte gevoelens, waarin

hij van de Roomfche Kerk verfchilde,

werden van hem in openbaar gefchrift gebragt.

KAREL de vijfde fchreef een' Rijksdag

uit te AUGSBURG tegen Louwmaand van het

jaar 1530, waar alle Duitfche Vorften

verfcheenen , om wel over den Turkfchen

oorlog, maar ook met één over den

Godsdienst, te handelen. Ten dien einde

beval JOHANNES, de Keurvorst van SA­

XEN,

„ overgezet." —- zijné manier van voorftel, 't

welk de gezonde reden goedkeuren moest, was

treffend, en bleef nog altijd, hoe zeer het ook

door eene vertaaling mogt geleeden hebben, iets

krachtigs behouden , dat ter volkomen overtuiging

op het verftand en het hart werken moest.

Onder de volken, welken het eerst met groot

voordeel de fchriften van LUTHER geleezen en

gebruikt hebben , moet men inzonderheid de

Oostfriezen tellen , by welken ,ze ongeftoord

gekocht en verkocht werden, en ras het licht

der hervorming doorgebroken is. Reeds ten jaare

1519 en 1,520 was er te EMUDEN eene hervormde

kerk. EMBDAE in FRISIA , dus fchrijft

HOSPIANUS ([Hifi: facram: part: II: f. i ip Edit:

Tigur: 1602) anno 1519 reformatafuit Ecclefi'a

a ferment 0 Papistico ad regulam ver bi Dei, et

doctrina vera de Cana Domini pure tradi capit

verg: UBBO EMMIUS Rer: Fris: Hist: ad annum\

1519. Ba Oostfriezen ook waaren reeds meer, dan

M a u.


i8o Beknopte Letterkundige Gefchiedtniv,

XVI. XEN, aan LUTHER en andere Godgeleer-

EEUW. den van naam, om hunne leer in korte

Artikelen opteftellen, opdat men toch

zo de betwiste zaak eens naauwkeurig

onderzoeken en met onpartijdigheid beoordeelen

mogte. Hieraan beandwoordde

LUTHER met eene bereidvaardige pen;

hij fchreef, met overleg en medehulp van

andere daartoe verzochte geleerden, zeventien

artikels ten papier , en gaf ze

nog in het jaar 1529 te TORGAU over.

Hoewel deeze geloofspunten LUTHERS

denkwijze genoegzaam aan den dag leiden,

vond men het evenwel niet ongeraaden,

om dezelven nader uit te breiden,

ten einde ze daardoor bij de eerfte leezing

terftond duidlijk en klaar te doen

worden. De Protestantfche Vorften, te

KOBURG en AOGSBURG vergaderd, vorder-

« den deezen arbeid van LUTHERS ambtgenoot

en boezemvriend , den onfterflijken

FIanderen

hier toe voorbereid. Veelen van hun waaren

er reeds lang niet van te huis geweest, om 's Pauzen

inftellingen in alle opzichten te laaten gelden.

Volgens AEN^AS SYLVIUS mogten de Priesters in

FRIESLAND trouwen niet alleen, maar zelfs werd

hun het huwlijk geboden. Zie E. BENINGA Hist:

van Odstfriest: bl. 17. uit welke oude gefchiedenis

ik de eigen woorden van SYLVIUS, door BENINGA

in 't voormaalig Oostfriesch overgezet, aanhaalen

wil, als wel der leezing en opmerking waardig.

Be Freefen gedulden geene Preefteren funder eheliche

f ruwen, up dat fe ander lude bedde nicbt beflecken,

wente fij meinen, dat idt nicht mogelijckftj und

bauen die natur, dat fick eiu menfche ontholdcn

konne. Verg. HARKENROTH Otstfr. Qorfp. bl. 685

en


ier Systematifche Godgeleerdheid, igi

FILIP MELANCHTHON, die den, hem op- XVI

gedraagen last wilvaardig, doch onder

£ Euw

het oog van den oorfpronglijken Schrijver,

uitvoerde, en het geheel zamenftel

tot achtentwintig hoofdftukken bragt,

waarvan éénentwintig de Godsdienstbegrippen

der Protestanten in een' duidlijken

en dertigen ftijl blootleggen, en de

zeven overigen een uitbundig bericht geeven

van de veranderde kerkgewoonten.

Op deeze wijze kwam de beroemde Augslurgfche

Geloofsbelijdenis ten dage, een

fchrift,'t welk, eenvoudig en duidlijk opgefteld,

een blinkend gedenkteken is van

MELANCHTHONS ZO wel als

Vail LUTHERS

diepe geleerdheid en kiefchen fmaak, en

al het Protestantendom ter glorie ftrekt. (f)

Deeze uitmuntende geloofsbekendtenis

werd

en 686 en de Friefche Hiflorie van SCHOTANUS , bl.

68 en 70. Degeleerde uitgeevers der oude Friefche

Wetten fpreeken dit wel fterk tegen: II. St.£/.2i2.

aant. doch het getuigenis van SIJLVIUS doet, mijns

dunkens, hier zeer veel af.

Ct) Hoe veel de duidlijkheid der lcervoordragt

door LUTHER en MELANCIJTHON gewonnen hadde ,

blijkt bij voorraad onder anderen uit deeze Awsburgfche

Belijdenisfe: men leeze in dezelve bifv.

eens de verhandeling over de Rechtvaardiginglee'r

yart. IV. p. 29.) en zie, hoe duidelijk en naauwkeurig

zij de denkbeelden, welken er onder de

kunstwoorden, eau fa efficiens }impulfiva,formalis,firalis,

en diergelijken liggen opgeflooten , uitdrukken,

zonder echter deeze Schooltermen te gebruiken,

welken trouwens ook de weinigfle leden

der Rijksvergadering zoudenverftaaa hebben. Verg.

WALCH 't a. b. S. 68. *

M 3


I8a Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. werd aan de Rijksvergadering overgegee-

£ E u w. ven den vijf en twintigften van Zomermaand.

Men hoorde ze leezen met ftille

opmerking, — maar, helaas! met eenen

ongunftigen uitflag. Na veel haspelens

over en we der, gold des Keizers tusfchen -

komend gezag, die op zijn gefprooken

woord eifchte, dat de Protestanten zich

aan de leerftellingen en kerkzeden van het

Pausdom ter eenemaal onderwerpen, en

derzelven Vorften tot hunnen pligt en

hunne verbindtenis aan ROME zouden wederkeeren;

welke eisch door heftige bedreigingen

werd aangeklemd. Deeze Vorften',

heel niet ter neêrgellagen door zulk

eene noodlottige uitkomst hunner zaak,

maar veelëer aangemoedigd door onderlinge

éénhartigheid , verbonden en verpligtten

zich onder eede in eene vergadering

te SMALKALDE, ten jaare 1530, om,

het kostte, wat het mogte,den, van hun

omhelsden, Godsdienst te handhaaven,en

tegen alle onderneemingen van het Papendom

te verdeedigen. Hier uit ontftond

de zo geheeten Smalkaldifche Oorlog,

die de rampzaligfte gevolgen voor de Protestanten

had. Eer nog dezelve

in volle vlam uitbrak,ftierf LUTHER den

iSdenvanSprokkelmaand in 'tjaar 1546*,

oud drie en zestig jaaren, twee maanden

en tien dagen. Eindelijk namen

de zaaken der Protestanten een' gewenschten

keer. MAURITS, de Keurvorst van

SAXEN, de voornaamfte voorvechter van

het Pausdom, wendde den Keizer den

rug"


der Systematifche Godgeleerdheid. 183

rugge toe, en werd een ernftig verdeediger

der Protestanten, daarcoe aangenoopt

door verfcheiden beweegredenen.

Geruggefchoord zo wel van den Franfchen

Koning, als van verfcheiden DuitfcheVoxften,

en door deezen Herken fteun bemoedigd,

trok hij ten jaare 155a met een

magtig heir op den Keizer los, en verrasttehem

te INSPRUK, daar deeze trots op

zijne allenthalvige verwinningen , en

niets ergs vermoedende ,met meer gerustheid,

dan voorzichtigheid lag, flechts een

handjen vol .volks bij zich hebbende. Deeze

weinige Soldaaten werden door den onverhoedfchen

aanval vansiAURiTS ras vermeesterd,

en de bedremmelde KAREI.

werd dermaate in de engte gedreeven,

dat hij, tegen wil en dank, moest afzien

van alle zijne te werk geftelde beraamingen

, om den voortgang des Evangelies

te fluiten, en, ten fpijt van zijne

halsftarrigheid, terftond op vrije voeten

deed ftellen, de twee gevangen Prinfen,

den Saxifchen Keurvorst JOHAN FREDE-

RÏK, en den Hesfifchen Landgraaf FILIP,

die beiden onder de Smalkaldifche wapenen

, de laatfte door verraad en de fchandelijkfte

woordbreuk, in zijne handen geraakt

waaren. Dit voorval leverde hem

voortaan krachtige drangfpooren, om ernftig

te denken aan het' herftel van den

Godsdienstvreede in DUITSCHLAND.

Zie hier de eindelijke gelukkige uitkomst

van de zo lang beftreeden zaak der Duitfche

Protestanten. Bij voorraad floot de

M 4

Kei-

XVI.

£ E Uw


184 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. Keizer met de Protestanten den vermaar-

K E u w- den Pasfauwfchen vreede den 4den van

Oogstmaand 1552: welke naderhand op

den Rijksdag te AUGSBURG ten jaarei 555

door den plegtig gellooten, zo genoemden,

Godsdienstvreede bekrachtigd werd,

waarbij den Protestanten de vrije hand \

haaving van hunnen Godsdienst, zonder

eenige beperking, ronduit werd toegedaan,

en hetalgemeene raadflot met de onfchendbaarfte

verzegelingen bevestigd werd. Dus

werd het fchriklijk toonëel van tweedragt,

waarop dolle woede en heete bloeddorst

ftaêg de ijfelijklte rollen gefpeeld hadden,

en verfcheiden honderd duizenden

de flagtöffers der onmenschlijkfte wreedheid

geworden waaren, ten laatften geflooten,

terwijl bet zwaard geftompt,en

het vuur gebluscht was, dat deeze verwoestingen

had aangericht. Welk

eene, niet zo fpoedig verwachte, omkeering

van zaaken! Zij was wonderlijk

inde oogen van kortzichtige ftervelingen:

Hij, die altijd zorg draagt, dat de waarheid

ons vrijmaakt, hebbe er de eer van!

LX.

Zo veel achtte ik noodig, van het

werk der Hervorming, door LUTHER

in DUITSCHLAND begonnen en voortgezet,

en deszelfs eerste gevolgen te boek

te Haan, naardien het zelve op mijn

volgend gefchrijf eenen niet geringen

invloed heeft. Van den arbeid der

Her-


der Systematifche Godgeleerdheid. 135

Hervormers in andere Rijken enStaaten XVI.

maak ik hier zo opzetlijk geen gewag, deels EEUW.

wijl deezen meestal hun licht en kracht,

ter herftelling van den vervallen Godsdiensthaat

benoodigd, aan het gelukkig

flaagen der Duitfche Hervorming te danken

hadden, (*) en deels, om dat wij

voortaan in den voorbijgang hier en daar

gelegenheid genoeg zullen vinden, iets

van het eene en andere te melden.

In den aanvang van deeze zestiende

eeuw zag het er nog allerdeerniswaardigst

uit, met denftaat der geleerdheid, zo men

denzelven in aanfchouw neemt bij de

daarop volgende herftelling der kunften

en weetenfchappen. - Luije Kloosterbedelaars

zaten in de leerftoelen der openbaare

fchoolen; en welk een' bedorven

fmaak deeze onderwijzers bij den eenvoudigen

jeugdeling vormen moesten,

Haat ligtlijk te denken, wanneer men

hunne allenthalvige onbedreevenheid en

Iaagzweevende onderrichtmanier in aanmerking

neemt. Waare het dus gefchaapen

met den ftaat der letteroefeningen

in het algemeen, 'tftond ook vooral niet

beter met dien der Godgeleerdheid in 't

bezondere. Ondeugende en onweetende

Mun.

(*) Men vergelijke hier SPITTLER, a. b.b!. 373

en 374, SEMLER in het derde deel der Evang.

Claubenilehre van BAUMGARTEN. Einleitnng S. 46.

HEINRICH. a. b. S. 284. en MOSH. K. G. VI. bl.

73 > e" 74-

M 5


i8(5 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. Munniken floegen overal voor Meesters

EEUW. op, en kreegen de aanzienlijkfte posten

op de Hooge Schooien, Hier liet men

den jongen Student het verftand fpitzen

op fcherpzinnige onderfcheidingen, en

het geheugen vullen met barbaarfche fpreekwijzen,

terwijl men het oordeel ftomp

deed blijven, en het hart alle goede indrukfels

onthield. Zulken, diewatfchoolfche

beuzelpraat konden uitfnateren, werden

met lof bevorderd , en bekwaamen

allerlei hoogklinkende Akademietijtels. Ieder

geleerde fnorkte op zijne Aristotelifche

Wijsgeerte, en niemand ondertusfchen

verftond haar,- want van lieverlede in

allerhande wanftaltige vormen gegooten,

waare zij niets anders, dan een mismaakte

klomp van onverftaanbaare denkbeelden,

die elke fchoolfekte weder naar eigen

willekeur verfmolt en vermengde met

de even verwarde en fpitsvindige begrippen

der Thcmistifche of Schotistifche leerftelfels.

— Hoe diep verlaagd de edele

Godgeleerdheid ten deezen dage waare,

blijkt bij voorbeeld ook daar uit, dat

niemand der Hoogleeraaren aan de Uni*

yerfitc'u te PARIJS, bij de opkomst van

LUTHER, het hart, en het vermoogen

had, om tegen hem te redetwisten , of

zijne leer wedertefpreeken. Het meeste

aantal der Godgeleerden waaren nog de

zogenoemde Biblici en Sententiarii, waarvan

wij in de voorige afdeeling uitbundig

gewaagd hebben: de laatstgenoemden

zwoeren bij de woorden van LOMBARDUS

ea


der Systematifche Godgeleerdheid. 187

en THOMAS ; en het HIJ ZELF HEEFT XVL

HET GEZEID! dat ten allen tijde de voort-EEUW.

dauring der domheid en onkunde zo zeer

bevorderd heeft, was de oude deun,

dien men fteeds opzong. (*)

LXI.

Zo deerniswaardig de ftaat der geleerdheid

in den aanvang deezer eeuw ware ,zo

zeer moest hethcrftel der kunften en weetenfchappen,

dat door zommige helderdenkende

hoofden met ongelooflijken fpoed

bevorderd werd , de blijdlchap van alle

braave verftandigen wekken. Schoon en

aanminnig was de uitneemende kuisde in

verfchillende ftudietakken , welke in de

lesfen en fchriften van verfcheiden fchrandere

mannen begon uittefchitteren, bij

het afzichtige en leelijke van al de munnikengeleerdheid

, die er in de Schooien

en kloosters gevonden werd. De

verdiensten van JOHAN REUCHLIN, en

van den Rolterdamfchen ERASMUS, onder

meer anderen, hadden in de daad de

hoogfte waarde; hunne taalkennis en uitlegkunde,

waarbij al het lchriftverklaaren

van verre den grootften hoop der Geleerden

flechts geheimzinnige dweeperij

was (f), wekt fteeds nog onze aanhou-

den-

(*) Lees verder MOSH. K. G. VI. bl. 34, en

volgg.

(*) Van verre den grootften hoop, fchrijf ik;


18 8 Beknopte Letterkundige Gejchiedenis

XVI dende verwondering, gedachtig aan de don-

Iguw. kere tijden, waarin zij leefden, en heeft al

het Protestantfche Kristendom ten duurften

aan hun verpligt. REUCHLIN was de her-

Heller der Hebreeuwfche en Griekfche

letterkunde in HUITSCHLAND. Zijne bemoeijingen,

om dezelve allerwege gangbaar

te maaken, en daardoor aan de barbaarfche

Scholastiekerij eene geweldige

neep toetebrengen, haalden hem den nijd

der domme Munniken dermaate op den

hals, dat zij zijne fchriften aan de vlammen

offerden, en den Paus op eene onftuimige

wijze afvergden, om het aanleeren

der gewijde taaien te verbieden. Gelukkig

voor den ouden REUCHLIN , dat de

jonge LUTHER hem te hulp fchoot, hem

in den arm nam, en buiten den drang

dier woedende duisterlingen leidde. Hij

-bleef in 't onderwijzen der heilige taaien

voortvaaren en ftierf zeventig jaaren oud,

1521.

er waaren toch maar zeer weinigen, die eene gezonde

uitlegwijze volgden: de meesten waaren jammerhartige

fchriftgeleerden, die in werken van eene

vervaarlijke dikte hunne vierzoortige fchriftuurbetekenisfen

onder eikanderen haspelden, en na

den waaren Bijbelzin grabbelden, als de blinde na

den wand, Eenige weinigen onder de Roomschgezinden

dienen hier evenwel uitgemonfterd te worden,

als er waaren, onder anderen, KAJETAAN,

de Kardinaal, die met LUTHER te AUGSBURGgeredetwist

en eene beknopte, doch zaakrijke, verklaaring

van de meeste Bijbelboeken gefchreeven

heeft, FRANC, TITELMANNUS, eu BENEDICTUSJUSTI-

M1AKUS.


der Systematifche Godgeleerdheid. 1Z9

1521. ERASMUS was de man, die XVI.

de fraaije weetenfchappen befchaafd en EEUW,

gekuischt had, en de beroemdfte fchriftuitlegger

van zijne eeuw. (_*) Hij vertolkte

de boeken des Nieuwen Testaments

met eene voorzichtige trouw, en met eene

bevallige eenvoudigheid, welk eene

en andere op deezen oordeelkundigen arbeid,

ons thands nog, en met recht, den

belangrijkften prijs doet ftellen. Hijfchreef

zelfs eene Methodus Ver


xoo Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. SEMLER te HALLE herdrukt en uitgegee-

*EUW. ven is; en waarin Hij jongen Godgeleerden,

in ftede van Ichoolfche beuzelaarij,

bijbelftudie, taalkennis en andere weetenfchappen

met allen ernst aanraadt, en aanprijst

(*). Zijne vrijhartige denkwijze

over den Godsdienst (lak ook den ilaaffchen

kloosterpaapen dermaate in den

krop, dat zij 1

hem overal met de zwartfte

kleuren aftekenden, en als een' ftrafbren

ketter uitvaagden. „ ERASMOS, "

zeiden ze, „ had het eij geleid, en LU­

THER broeide het uit." Predikte men tegen

LUTHER, ERASMUS moest ook over

den hekel gehaald worden. Een EDUARD

LEUS, naderhand Aartsbisfchop van JORK,

werkte met de meeste vijandiijkheid tegen

hem: en vervolgens kreeg hij ten

kwaadaartigen Tegenftander zekeren STU-

NiKA,die, te ROME zijnde, een gefchrift

tegen hem aan den Paus overleverde,

behelzende zestig duizend wel getelde

ketterijen, uit 's mans fchriften getrokken,

waardoor hij in 'tgrootffe gevaar raakte,

van zijn leeven te verliezen; 't gene ook

denklijk gebeurd zoude zijn, ten waare

LEO, dien hij anders had weeten ten

vriend te houden, was komen te overlijden,

(f) — Zijne partijen kreeten hem

uit voor een' Godsdienstfpotter, voor

een'

(*) Zie HEINR: 'ta. b. S. 243.

(f) Leevembtfch: van eenige voorn, mannen

I. */, 253. '


der Systematifche Godgeleerdheid. 191

een' vrijgeest: (*) en hadde hij zich als XVF.

etn openbaar Hervormer zo digt bij het E E U W.

vuur begeeven, als LUTHER, hij waare

gewis den brandenden mutzaard nietontworfteld.—

Hij ftierf te BAZEL den i2den

van Hooimaand in het jaar 1536; daar

hij in de Hoofdkerk begraaven ligt.

Beide deeze beroemde Mannen, REO-

CHLIN en ERASMUS, waaren de heftigfte

tegenftreevers der Schoolfche Godgeleerdheid

en der Munniken beuzelaarij , die

zo veele eeuwen lang het Kristendom tot

eene jammerlijke harrewarring gemaakt

hadden. Beiden hebben ze hun best gedaan

, om de fpitsvindigheden en duisternisfen,

die er in de fchriften en lesfen

van den toenmaaligen tijd, ten bederve

(*) Dat zijne tijdgenooten, welken het werk

der Hervorming tegen den borst lag, hem deezen

haatlijken lak aanwreeven, bewondert mij niet,

maar dat een Rotterdamfche Predikant JAKOB

LEEUWEN, in 'tjaar 1622, met open keel hem,

als zulk een' aterling van den Godsdienst, op den

Predikfloel uitfchreeuwde; (zie de aangeh. Leevenbef.

van eenige voorn, mannen I. bl. 281.) en

dat een zachtmoedige MELANCHTHON zichzelven zo

vergeeten konde, om van den braaven man elders

te fchrijven .• „wat letter is er in zijne boeken,

een'kristenmcnsch waardig?" ( Zie't leeven van

MELANCHTHON in de Leevensb. van ber. en gel. man»

wen bh 163.) bevreemdt mij uitermaate en in

den hoogften graad, — Trouwens indien het waar

zij, dat, gelijk WCUARD SIMON fchrijft in zijne

Critique de la Bibliotheque des Auteurs Ecclef. puhliéepar

Dupin T. I. pag. 579, dat ERASMUS al.

njo in zijn hart het nog met de leer der Roomfche <

kerk


192 Beknopte Letterkwidige Gefchiedenis

XVI. ve van den besten Godsdienst, gevon-

ESuw. den werden, uittedrijven en wechtevaagen.

Beiden hebben ze het ijs gebrooken,

en middels aan de hand gegeeven,

om tegen den geweldigen ltroom van alle

fcholastieke kibbelarijen en twistvraagen

op te vaaren, en zo eindelijk tot de

waare bronwelle van gezuiverde Evangeliekunde

te komen. (*) Aan deeze beide

mannen zijn wij dierhalve de dankbaarftc

nagedachtenis verfchuldigd.

LXir:

Op de voorlichting van deeze twee geleerden

is de SAXISCHE Hervormer, LU-

THEII, in het behandelen der Geloofswaarheden

een' weg ingeflaagen, waarop

kerk gehouden heeft, en dat de Protestanten nooit

grooter vijand gehad hebben, dan hem, kan men

diergelijke uitdrukkingen van anders zachtzinnige

Evangelieleeraars nog wel in eene goede plooi vouwen.

In de Algem. Vadert. Letteroefen: D. III.

Mengelw. 45-52 vindt men eenige fraaije aanmerkingen

over de onverdraagzaamheid der Hervormers,

die hier verdienen nageleezen te worden. —• Welke

fcheldnaamen 'smans vijanden bij zijn leeven al

tegen hem uitbraakten, kan men vinden in de Hifi.

der Reformatie van BRANDT: I. bl. 162 en 163.

men noemde hem onder anderen den Voorlooper

van den Antikrist, ja den Antikrist zeiven: zijn

beste naam was ERRASMUS , met toefpeeling op het

woord errare, dwaalen.

(*) Conf. DOEDERL: I. I. I. pag. 228 en SCHEL-

IIORN: Kurtze Reformations Hifi. von Mtmmiit'

gen S. 30—3Ö.


der Syftemattfche Godgeleerdheid. 193

op alie vroege Protestantfche Leeraars XVT.

hem ftraks gelukkig gevolgd zijn. LUTHER. EEUW.

heeft wel eigenlijk geen leerfystoma gefchreeven:

de torgauwfehe en Smalkaldifche

Artikels toch kunnen hier niet toe

gebragt worden, gelijk ook niet de kleine

en groote Katechismus, welke hij opgefteld

heeft ten onderwijze van kinderen

en bejaarden. Doch uit zijne veelvuldige

uitlegfchriften over de gewijde Bijbelboeken,

die of Leerredenen of Voorleezingen

zijn, valt het niet onduidlijk op

te maaken, welke zijne leermanier waare.

Zij was naamlijk deeze : Hij draigt de

Evangeliewaarheden rcdcnma '.tig en ichriftuurlijk

voor: eerst leidt hij ze uit den

Bijbel af, daarop verklaart hij ze nirt alleen

uit denzelven, eenvoudig cn klaar,

maar betoogt ze er ook uu. Wijders

is hij er overal op uit, om al het vooroordeel

met tak on wortel uiuerocijcn,

dat men van de tiitfpnaken en achtbaarheid

der vaderen en der Pjuzen hfid, en

als een' veeljarigen' eik zo in de hoogte

had laaten opfchieten. Hij laat geene andere

bewijzen gelden, dan die uit den

Bijbel, en uit eene gezonde uitlegkunde

ontleend zijn. Hij fnijdt alle fpitsvindige

en onnutte fchoolvraagen af, hij verbant

veele kunstwoorden, alsuitbroedfels

van verlleeten Godsdienstverfchillen, en

laat alle verwarrende onderfcheidingen

met de geheele rommelzode der distelige

otiverftaanbaarheden uit den Jristoteli/chen

doolhof aan de kibbelzieke ThQ'

N

mit°


194 Beknopte Letterkundige Gefchiedénis

XVI. misten en Schotisten over. In 'tkort: de

EEUW. verlichte Leer ver vorm er was er op uit,

om het zuivere Apostolifche Kristendom

weder voor den dag re brengen : hij droeg

tot dat einde de Godsdienstwaarheden

plat, duidlijk, populair en naar de Vatbaarheid

van de groote meenigte, zo zeer

hij konde, voor. — Hij leerde den Bijbelfchen

Godsdienst en geene kerklijke

Godgeleerdheid. (*)

LXIII.

Dit blinkend voetfpoor van LUTHER.

werd gedrukt en gevolgd door zijnen

besten vriend, en trouwften ambtgenoot,

den uitfteekendften van alle Protestantfche

Leeraaren, MELANCHTHON: dieHoogleerüar

te WITTENBERG- was, in de Griekfche

taal en naderhand ook in de Godgeleerdheid.

Deeze in veele opzichten onvergelijklijke

man, die met LUTHER de edelfte

weetenfchap van Schoolfche ftelfelpracht

zocht te ontdoen, de zwaare ketens van

ROMES kerktirannij afwierp, en zo veel

zijne zachthartige bedaardheid hem dit

toeliet, zich bij 't beltonnen der Paapfche

hoofdfterkten openlijk zien liet, gaderde

dé gezuiverde leerftellingen zijner kerk

bij

(*) Zie HF.INB. 't a. b. S. 247 en volgg. Eene

kortê opgave van LUTHERS oordeelkundige uitlegwijze

bij 'tverklaareu der H. Schrift vindt men

bij MOSH. K. G. VII. bl. 3$ en 39, verg.wALCH

a. b. 67.


der Systematifche Godgeleerdheid. i95

bij eikanderen, en reeg ze te zamen tot v v r

een fiioer van Godhjke waarheden, 't welk _

hij den naam gaf van Loei Communes, ge- E u w *

meene plaatzen. (*) Dit werk werd voor

de eerlle maal door hem uitgegeeven in

het jaar 1521, toen LUTHER zich op het

Hot WARTENBURG bevond; (f) en is naderhand

op verfcheiden tijden van hem

overgezien, verbeterd en uitgebreid, in

grooter omflag aan het licht gekomen, als

onder anderen in de jaaren 1525, 1535,

* n I 543- (§) Hetzelve was ooripronglijk

door hem opgelleld tot zijn eigen bezonder

huislijk gebruik; doch vervolgens ;

toen het in veele handen wijd en zijd rond

ging, werd het van hem gefchikt tert

algemeenen voorbedde der leer voor alle

onderwijzers in Kerken en Schooien;

waarin hij ook zijn wit üitneemend wel

gefchooten heeft, wijl het in de Lutheriche

kerk en op verfcheiden Lutherfche

Akademiën jaaren lang met vrucht gebruikt

en geleezen is. (**)

Wat

(*) De eigenlijke Tijtel bij de eerfte uitgave

was.- Loei communes rerum Theologicarum. Sire

nijpotijpofes Thcologica.

(f) Zommigen meenen, dat hij reeds eene uitgave

van dit boek ondernomen hebbe in'tjaar 1520:

doch dat dezelve door hem weder te rugge getrokken

, en hier van toen niets geworden zij. Vide

JABLONSKI 1. 1. II. pag. j 4

{„

n o U

C§) Men vindt het ook in het eerfte dee' van zijné

werken, welken, het eerst te BAZEL zijn uitgekomen

ten jaare 15A4.

(**) G, Th. STROB'.L heeft eene letterkundig*

N 2

g e;


K)6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. Wat den inhoud van dit werk aangaat. —

EEUW. Voor ëerst merken wij aan, dat in hetzelve

de geloofsleer en de zedekunde,

door eene hechte kluister ten engften gekoppeld

, naar het groote «voorbeeld van

JESUS in zijne redeningen, en van de Apostelen

in hunne brieven, op eene inneemende

wijze worden voorgedraagen. Hoe

jammer is het, dat men ten meesten tijde

in de kristenfchoolen deezen twee, zo

naauw verftrengelden vriendinnen elkanders

gezelfchap niet heeft Willen gunnen, maar

heur van elkaêr verwijderd heeft! ——

In de tweede plaatze moeten we tot prijs

van dit leerboek melden, dat de Godsdienstftellingen

er plat en duidlijk in opgegeeven

worden. Deezen verklaart en

bewijst de fchrijver uit nadruklijke fchriftplaatzen

, met vergelijking der getuigenis-

Ten uit de oirkonden der vaderen, welken

hij heel geen onfeilbaare waarde toekent,

maar zomwijlen koenhartig tegenfpreekt,

en met wederlegging van de dwaalingen

der Tegenftanders, tegen welken hij den

zuiveren Godsdienst manlijk handhaaft.

Hij verlaat dus geheelënal het zo lang

betreeden fpoor van de beide voornaamfte

ftelfelmaakers in de Oosterfcheen Westerfche

kerk, JOHANNES van DAMASKUS

en PETRUS LOMBARDUS : de eerfte is hem

veel

gefchiedenis vft dit eerfte Evangelisch leerboek

tiitge.ieeven te ALTDORF en NEUREP BURG in 't jaar

1776 wanrïn men de lotgevallen van dit boek, ea

teel over deszelfï waarde, vermeldt vindt.


der Systematifche Godgeleerdheid. 197

veel te Filofoofisch, en de andere bouwt XVI.

hem te veel op wrakke menfchen vonden, EEUW.

Het geheele boek is afgedeeld in vier en

twintig hoofddeelen, of zogenoemde hoofdplaatzen.

Dus is deszelfs beloop: eerst

handelt hij van God, van de fchepping,

van den mensch, van de zonde, van de

wet en de beloften, en vervolgens van JE­

SUS, van zijn verlosfingwerk, van btt geloof,

van de voorverordening, van defakramenten,

van de kerk, van de verdoemenis,

en van de % iligheid. Onder deeze

Godgeleerde hooidpunten heeft hij

begreepen alle zijne regels van pligrbetrachting,

die hij telkens met krachtigen

ernst aanprijst en aanftijft.

Dit waare het eerfte verbeterd Leerfystema

onder de Protestanten. Men legge

het eens over tegen de ftelfels van

LOMBARDUS, en zijne volglingen, en vergelijke

ze onderling; welk een hemelwijd

onderfcheid! De Scholastieken grondltichten

hun fteil leergebouw op de wankele

Hellingen der Peripatetifche wijsgeerte,

op het uitfehietend zand van menschlijke

leergevoelens, op de zinkende bovenkorst

van losfe kerkfpreuken , en oudvaderlijke

begrippen, waarbij het hechte tiras, dat

men, uit den Bijbel, fchoon fpaarzaam,

en als bij den greep opgezameld, aan het

werk te keste leide, om er eene fchijnbaare

vastheid aan te geeven, van heel

weinig, of geenen dienst weezen, en deszelfs

eindelijken val niet verhoeden konde.—

MELANCHTHON daarentegen grond-

N 3

vest


198 Beknopte Letterkundige Gefchieaenh

XVI. vest zijn leergedicht op den onwaggelbaa-

EEUW. ren Bijbel, en op de zuiverlle en lleviglte

fchriftuitlegging. Zijn leerltelfel heeft

niets van de lpitsvindige hairklooverij der

Schoolfche drogredenaars. Zijn leerltelfel

is geen bundel van menschlijke begrippen,

maar van Godlijke waarheden. Het is

het uitmuntendfte fystema, dat welligt

ooit gefchreeven en gebruikt is. LUTHERS

hooge goedkeuring beftempelde het met

den naam van invicti Libelli, et non folum

iir.mortalitate, fed & canone digni. \f)

Ongemeen groot is het nut, 't welk voornaame

mannen er van gehad hebben,zodat

vooral ook op deezen arbeid van ME­

LANCHTHON toegepast mooge worden,'t

gene men ten zijnen lof bij TAULMANN

vindt, (f)

lieu! quam multorum lolio fterilefceret,

arvitm.

Ni bove Jokrti MELANCHTHONIS illud arus»

[ent.

Niets is zo fchoon, of het heeft zijne

berispers. — Dit ziet men ook bewaarheid

ten aanzien van het Syftema deezes

grooten mans. Men heeft hem onder anderen

aangewreeven, dat hij bij het gellar

O Opp. Lat. W!tt. T II. p. 241 ; verg. HEIN*

RICH "t a. b bl. 26 7.

Cf) TAUBMANNI Sched. Sac. Lib. II. fi? sonfi

Hefruanni L. U. art. IVUL.


der Systematifche Godgeleerdheid. 199

ftadig overzien, uitbreiden, en wederuit- XVI.

geeven van dit werk, allengs weêr tot de EEUW.

beuzelzieke kibbelkunst der Schooien vervallen

zij , en daardoor het goede, dat

LUTHER geplant had, uitgeroeid hebbe.

Deeze befchuldiging , over haar geheel

genomen, is te onrecht. MELANCHTON

was hier een te verlicht en verftandigman

toe. Evenwel is er iets, waarop deeze

befchuldiging eenigen fteun heeft. ——

De drogredekunst der gefleepenfte Leeraars

onder de Rcomfchen, die de eerfte

Hervormers geduurig met hunne disttlige

en doornige fpitsvindigheden in het

hair zaten, noodzaakten hen, om andermaal

tot de wijsgeerte toevlugt te neemen;

en dit deed ook MELANCHTHON,

maar met maate , en met voorzichtigheid.

(*) Zijn helder oog kon heel wel

zien, wat in den Scholastieken Leertrant

gebrekkig en ondeugend waare; en dit

al heeft hij omdachtig en zorgvuldig vermijd:

nergens althands vindt men bij hem

eene onverftaaubaare wartaal, maar allerwege

een deftig, populair, eenvoudig,

ongemaakt Godsdienstonderricht. Het

Weinig kunstmaatigs en wijsgeerigs, dat

men

(*) MELANCHTHON in prafatione Loc: Theol'. de

fe ipfe fcribens, fic pergit: Ad hunc ufum domesticum

initio mihi hos locos inftitui, et cum viderem

his turbulentis temporibus interium aliquaexplicatione

opus ejje , addidi interdum aliquas defcriptiones

aatpartitiones Non QiMitmia, — fedut me ipfjnn

erudirem, et aliquorum pia ftudia adjuvarem.

N 4


aoo Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. men bij hem aantreft, is in een algemeen

SEU w. fystema', watrïn den listigen tegenfpreeker

de mond moet gedopt worden, onontbeerlijk,

en heeft ja zelfs veel voordeels,

ter redding der betwiste waarheid. (*)

LXiV.

Terfiond na het hervormen van JESUS

leer en kerk vond men , tot groot nadeel

der algemeene Godsdienstzaak , het uit

ROME ge weeken Protestantendom verdeeld

in twee voornaame hoofdfekten, die in

gevoelens over eenigeleerltnkken verfchilden,

inzonderheid ten aanzien van het

Avondmaal, en doorgaans LUTHERSCHEN

en HERVORMDEN genoemd worden. De

Lutherfchen waaren die Protestantfche

Kristenen, welken de gevoelens van LU­

THER volgden , en uit DUITSCHLAND hunnen

oorfprong hadden. Van deezen hebben

wij bij voorraad genoeg gewag gemaakt.

De Hervormden, van welken wij

ook iets fchrijven moeten, hadden hunne

afkomst uit ZWITZERLAND , van de welgemeende

en onvermoeide poogingen eens

Zurichfchen Kanunniks ULR ICH ZWINGEL,

gebooren 1484, die als een man van diep

O WXièn in zijn meerrnaalen aangeh. boek,

S. 69 en 70 betuigt openlijk , dat hij niets, hoegenoemd

, van het oude Scholastieke in het Systema.

van MELANCHTHONhebben vinden kunnen. Volgens

hem is de befchuldiging derhaiven geheel ongegrond.


der Systematifche Godgeleerdheid, aoi

doorgedachte geleerdheid, met een ge- XVI.

fpitst verftand en dappermoedige onver-EEUW.

fchrokkenheid, de zuivere leer des Evangelies

handhaafde en verdeedigde, eerst

tegen zekeren Afhatverkooper, BERNARDI-

NUS SAMSON, die zijne ondeugende keikwaaren

in ZWITZERLAND uitveilde, en er

grooten handel in dreef: en vervolgens

openlijk tegen het geheele Paapendom,

waarin hij aan den SAXISCHEN Hervormer

LUTHER, een' braaven medehelper

vond. Dit viel voor ten jaare 1519.

Schoon men het thands als eene uitgemaakte

waarheid moet aanneemen , dat

deeze groote man, reeds van zijnen jeugdigen

tijd af, zich zeer geërgerd had aan

verfcheiden dwaalingen in de leer en

tucht der Roomfche kerk, en al voor

1517, dus voor LUTHERS eerfte inzichten

en beijverigen tegen het Pausdom,

een begin had gemaakt, om de fchrift

voor het volk te verklaaren, en hierdoor

gezuiverde denkbeelden nopens het waare

kristendom aan den dag te leggen, (*)

fchijnt het echter, dat hij voornaamlijk

door de vlugtig voortvaarende drift, en

den manhaftigen ijver van LUTHER, die

hem wel niet in geleerdheid, maar toch

in

(*) Verg. hier onder anderen Bibliotheque des

Sciences voor 'tjaar 1778 'tlaatfte ftuk p. 33s.cn

336, daar men ook iets over zijne verbeterde

predikmanier zal vinden. Zie verder MOSH. K. G.VI.

bl. 74, 75 of liever daar de aantek. van MACHINE ,

en TURRET. Op. «mn, T. III. pag 051

N 5


io2 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

Est enitn (Verba funt Claris f. VITRINC^E ex

Comment. Apoc. c. XIV. 6. p. 876 in uotis)

XVI. in gezag overtroffen moet hebben, en

BEU w. door de medehulp van eenige geleerden

uit DiiiTSCHLANDjdie zijne ambtgenooten

waaren, krachtig geruggefteund, en fpoedig

ter bevordering der goede zaak voortgeholpen

wierd; en ook zonder dit in

zijn bij de hand gevat werk zo gelukkigniet

gedaagd zoude zijn. (*) Deeze

groote man die het werk, der hervorming,

zo dra hij er mee begonnen was,

ijlings en zonder verwijl voortzetten wilde,

was er terllond ijverig mede bezig,

om de beelden, altaaren, waskaarsfen, de

biecht, en wat dies meer is, welk eene

en andere LUTHER ftaan liet, uit de Kerk

te verbannen; hoe onl'chuldig deeze en

dier-

ZWINGHUS in ipfo opere Reformationis LUTHERO

POSTERIOR ; licct in modo reformandarum Eeclefiarum

HELYETLS ejus fit fumma laus veritatem

Euangelicam jam ante G L A R O N « et in EremoD. Virginis

per gratiam Dei percepisfet, & doeere cue*

pil/et. Schoon LUTHER de eer heeft, van de eerfte

hand aan het werk der hervorming geflaagen te

hebben, is het niettemin zeker, dat er verfcheiden

anderen voor hem de leer des Evangelies

zuiver verkondigd, en op het verlaaten der Paapfche

dwaalingen aangedrongen hebben. Onder deezen

moet vooral geteld worden zekere GELLIUS

FABER a. BOUMA , een gebooren Leeuwaarder. —

Deeze Geleerde en Godsvruchtige Man heeft reeds

in het begin der zestiende eeuw voor het jaar 1517

te JELZUM , nabij LEEUWAARDEN, het woord der

waarheid onvérvalscht, zo verre 's mans kunde cn

voorzichtigheid dit brengen kouden, verklaard en

ge-


der Systematifche Godgeleerdheid. 203

diergelijke "ftaatlijkheden ook weezen mog- XVI.

ten, begreep hij niettemin, dat zij aan-EEUW.

leiding tot bijgeloof gaven. Hij vereenvoudigde

den openbaaren Godsdienst; en

flaagde hierin ook ongemeen wel. Zijne

gevoelens omtrent de leer en tucht van

het kristendom wonnen in ZWITZERLAND

een ruim veld, en veel bijvals. Uit deeze

Republiek verfpreidden zich dezelven

ook ras allenthalve onder de nabuurige

volken, die wel eerst door LUTHERS aangeftoken

licht tot beter inzichten geraakt

waaren,maar door het fchrijven en preêken

van de Zwingliaanen nader onderweezen

, den Saxifchen Hervormer, ten aanzien

vooral van het Avondmaal,afvielen,

en zich met den Zmtzerfchen beter meenden

te kunnen verëenigen. — Hoe jammer

waare het, dat deeze edele kerkverbeteraar

zo fchielijk van het toonëelmoest

afftappen. Hij moest zijn leeven laaten

in de Zwitzerfche Godsdienstberoerten ,

die ten jaare 1531 tot daadlijkheid kwagepredikt.

Zie Naamlijst van de Predik, der Klas-

Fe van FRANEKER : door A. GREIJDANUS m de voorr.

tl. a, en die van de KLASSE van ZEVENWOUD .N door

J ENGELSMA in de voorr. bl. 13. Men zie ook

YRIEMOET, Athena Frif. pag. ;-;(J5. S. A. GABBEMA.

Verhaal van Leeuwaarden . pag. 374 en J. J. HAR-

KENROHT. Embdens Herderijl'af, bi, 4 , 11 en 56,

waaruit het blijkt, dat hij van JELZUM na NORDEN

beroepen is 1536, en van NORDEN naEMBDEN 1538

daar hij den 2den van tViedemaand 1564 overleedcn

is. Van deezen BOUMA heeft men nog een'

venverderden Krist'ijken Katechismus.


204 Beknopte Letterkundige ' Gefchiedenis

XVI.

men, te midden van welken hij zich en als

EEUW. Krijgsman, en als VeIdleeraar bevond. In een

hevig gevecht niet verre van ZURICH werd

hij doodlijk gekwetst, zo dat hij eenige

oogenbilkken daarna op het algemeene flaggveld

zijnen jongiten adem uitblies: 't ge-,

beurdeden n van Wijnmaand in 't jaar

153 *• ÏÏÜ was bijkans acht en veertig jaaren

oud- (*)

Van deezen beroemden Godsdienstheld

heeft men, — beUalven eene (brevis et christiana

in Euangelicam do&rinam Isagoge)

korte en kristlijke inleiding in de Evangelieleer,

(Jj waarin men zommige leerltukken,

(*) Zie Leevensbef. van her. en gel. mannen

IV D. No. 9. bl. 507 en volgg. Over 'smans te

velde trekken, niet flechts in de betrekking van

Parochiaan , maar ook van Krijgsman, als met zijn

Karakter zeer wel overëenkomftig, i e e z e

men da

juiste en welgeplaatfte aanmerking van den Heere

„ MOSH. K. G, VII. bl. 122. — Hoe is het toch

mooglijk , dat er menfchen zijn , welken door blind

vooroordeel en domme onkunde zo verre vervoert

kunnen worden, dat ze een' braaven man, die over

den priesterrok den maliënkolder aanfchiet en uit

kracht van 'sLands wetten ten oorlog trekt, even

daarom ter hel verdoemen, en over zijn' intogt

in de eeuwigheid het liefdelooste oordeel vellen

wanneer hij zijn tleeven er bij laaten moet! Zulken

vond men ten dien tijde niet alleen onder de Roomich--

gezinden, maar zelfs onder de LUTHERAANEN. Vers.

de aang.pl uit de gemelde Zeew//^. en VENEMA l.L

VII. p. 215. -- In hetzelfde gevecht, waarin

ZWINGEL neérgtflaagen en vermoord werd, fueuvelde

ook HIEHONYMUS POTANUS, Leeraar in de

Godgeleerdheid re BAZKL. Zie MOSH. 'ta. p.

Ct) Zij is te vinden in het eerfte deel van zijne

ver-


der Systematifche Godgeleerdheid. 205

ken, hoewel niet ftelfelmaatig,behandeld XVI.

vindt, — een groot werk , 't welk den tijtel E E U W.

draagt van (Commentarius derera et falfa relt

gione) uitlegkundig gejchrift over den waaren

en valfchen Godsdienst. (*) Dit Boek is

een planmaatig Godgeleerd Syftema, waarin

men eene eenvoudige, populaire, en

gegronde onderrichtmanier aantreft, die

met alle fchoolfche hairklooverijen niets

gemeens heeft. De waarheden van het

kristendom worden er duidlijk en bevatlijk

in voorgedraagen, uit den Bijbel beweezen,en

tegen anders denkenden manlijk

verdeedigd. (f) Ongemeen groot was

de achting en goedkeuring, die hetzelve

bij veelen wechdroeg.

LXV.

Vijf jaaren na den dood van ZWINGEL

werd te GENEVE tot Predikant en Hoogleeraar

verkooren JOHANNES KALVIJN ,

een der voornaamfte kerkhervormers in

deeze eeuw, en van welken men terecht

en naar waarde het getuigenis kan geeven,

dat hij meest alle leeraars zijner eeuw

overtrof in naarftige beoefening, ftandvas-

werken , die in vier foliobnnden te ZURICH gedrukt

en uitgegeeven zijn in het jaar 1545.

(*) Hetzelve kwam eerst uit te ZURICH ten jaare

1525, en is naderhand ook bij alle zijiie werken

geplaatst in het tweede deel.

CiO Verg. HEINR. 't ?. b. S. 284 en 285, en

MOSH. K. G. VII. bl. 209.


206 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. vastigheid van geest, kracht van welfpree-

EETJW. kendheid ,en grootheid van vernuft. (*) —

Deeze Geleerde Man had ten jaare 1538

de onaangenaame ontmoeting, dat hij

met zijnen Ambtgenoot WILLEM FAREL,

uit gevolge van eenige Godsdienstberoerten

, te OENEVE voorgevallen , deeze Stad

ruimen moest. Doch den dertienden

van Herfstmaand des jaars 5541 trad hij

tot groot genoegen van den Magiftraat

en van het volk de Stad weder in. —

Zo ras waare niet KALVIJN in zijnen post

herfteld, of hij begon weder met alle

kracht te werken aan de hervorming der

kerk. Het Plan van Leer en tucht, door

ZWINGEL ontworpen, werd door KALVIJN

veranderd en befchaafd, bezonder indee-'

ze drie ftukken. ZWINGEL had de magt

in zaaken van den Godsdienst aan de

burgerlijke overheid afgeftaan : doch KAL­

VIJN liet aan het burgerbeftüur weinig

of niets meer in handen, dan het voorrecht,

om de kerk te befchermen en te

verdeedigen. ZWINGEL erkende bij het

Avondmaal alleen eene figuurlijke tegenwoordigheid

van het ligchaam en bloed

des Heeren, door de tekens van brood

en wijn afgebeeld, en befchouwde deeze

ingeftelde plechtigheid enkellijk als eene

Godsvruchtige gedachtenisviering van

's Hei-

(*) MOSH. K. G. VII. d. bl. 137. De groote

Man was gebooren te NOIJON in riKARDiè' den it>

van Hooimaand 1509; en is geftorven den 27 van

Bloeimaand. 1564.


der Systematifche Godgeleerdheid. 2.07

*sHeilands dood: KALVIJN daarentegen XVh

erkende eeneweezenlijke, hoewel geestlij- EEUW".

ke tegenwoordigheid van KRISTUS , bij

dit bondteken, en beweerde, dat waare

kristenen door deszelfS gebruik op eene

zekere wijze verëenigd werden met den

mensch KRISTUS. — En eindelijk ZWIN­

GEL had het volftrekt bejluit van God wegens

het toekomftig en eeuwig lot der

menfchen in zijne Godgeleerdheid daargelaaten;

maar KALVIJN vormde hetzelve

tot een hoofdleerlr.uk van het geloof, en

boezemde het zijnen aanhangeren met allen

ijver in. (*) Het leerbegrip van

KALVIJN , kreeg al dra in verfchillende

Rijken en Staateneenengrootendoorgang;

en zo is ten laatften hetzelve ook in ons

Vaderland door openbaar gezag aangenomen.

Dit gefchiedde ten jaare 1578 en

1570. Reeds eenige jaaren voor dien

tijd hadden de Nederlandfche Protestanten

zich verklaard voor de leergevoelens

van KALVIJN, doch toen eerst werd deeze

verklaaring, die als onder het kruis in

ftilte gefchied was, openlijk onder het

oog en op hoog gezag der algemeene

Landsfiaaten bekrachtigd en tegen alle

inbreuken beveiligd. Reeds ten jaare

1562 en 1563 was de Nederlandfche Geloofsbelijdenis

, welke wij achter onze Bijbels

vinden, door GUIDO de BRES opgefteld en

gemeen gemaakt. Zints dien tijd hebben

de

C) Men leeze hier overna het breedvoerig beticht

van MOSH. K. G. VII bl. 140 tot 145.


«o3 Beknopte Letterkundige Cefchiedenis

XVI. de Protestanten in Nederland, die voor»

KEU w. heen meestal LUTHERSCHEN genoemd werden,

en ook in twi.fel fchijnen geftaan

te hebben, of zij LUTHER of KALVIJN

zouden volgen, zich voor de leer des

laatften openl jk verklaard, en zich Her*

vormden laaten heeten, welken naam zij

ontleenden van de Franfchen, die het

ook met de leer van KALVIJN hielden,

en zich Reformés noemden; de omgang met

welken, uit hoofde der nabuurfchap, er,

ook ongemeen veel toegedaan zal hebben,

dat ze meer KALVIJN , dan LUTHER genegen

wierden, en deszelfs leerbegrippen

aannamen. (*)

LXVI.

De ftaat der Geleerdheid onder deeze

Hervormden was ten dien tijde niet minder

in bloei, dan onder de Luiherfchent.

verfcheiden uitmuntende gedenkftukken,

die hier van getuigenis draagen, zijn nog

voorhanden. — Wat de Wijsgeerte aanbelangt;

ZWINGEL had wel dezelve geheel

buiten de kerk en fchoolen zoeken

te dringen: doch hier van befpeurdemen

dra het ongemak en het nadeel, voornaamlijk

in Godgeleerde gefchillen, zo

dat men allengs weêr, echter met maate,

gebruik begon te maaken van de lesfen

des Stagiriters, die toen in alle

Schoo-

- C*) Verg. BRANDT 't meerm. aangeh. b. bl. 573

tot 577.


der Systematifche Godgeleerdheid. 209

Schooien de Godfpraak was: (*) - Zeer XVI.

veel lof verdienen ook de Hervormde Ge~ EE UW*

leerden wegens hunne gezonde Schriftuitlegging.

De verklaaring van ZWINGEL

over een zeer groot deel des Bijbels bezit

eene uitheemende waardij, JOH. OECO-

LAMPAD1US, HENR. BULLINGERUS , WOLFF-

GANG MUSCULUS en anderen hebben zich

in dit vak eenen loflijken naam verworven,

(f) Doch in 'tbezondere blonken

met uitfchitterenden luister in deeze eeuw

KALVIJN en BEZA: de eerfte heeft eene

fchoone uitlegging vervaardigd over de

meeste Bijbelboeken; en de andere heeft

eene fraaije Latijnfche vertaaling van het

Nieu-

Den Geneefjchen Hoogleeraar in de wijsgeerte

werd opgeleid , óm zich aan de voorfchriften

van ARISTOTELES flipt te houden. BEZA

fchrijft in zijne Epiftola Theologica ,Epift.XXXVI.

p. 156dus: Certum nobis ac conflitutum eft ,

in ipfis tradendis logicis, ö? in cat er is explicandis

disciplinis ab ARISTOTEUS fententia ne tantiltum

quidem deflefiere. Verg.MOSH. K. G. VII. bl. 207.

(f) BULLINGERUS heeft gefchreeven Leerredenen

overjESAiAs en JEREMIAS, eene uitlegging van DANiè'LS

Godfpraaken, en van verfcheiden boeken uit hec

Nieuwe Testament. MUSCULUS heeft nagelaaten yerklaaringen

over GENESIS, de PSALMEN, JESAIAS,

JIATTHEUS, JOHANNES, den brief aan de ROMEINEN,

de brieven aan de KORiNTHiëRs , aan de GALATiëRs,

de EFEZlëRS , FILIPPlëRS , KOLOSSERS, THESSALONI-

KERS, en den eerften brief aan TIMOTHEUS. En

van OECOLAMPADIUS heeft men uitlegkundige aantekeningen

op meest alle de boeken der Heilige

Schrift, waaronder die over eenige kleine Profeeten

hetmeest gewaardeerd worden.


aio Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. Nieuwe Testament uitgegeeven, waarbij

EEUW. men de heerlijkfte aanteekeningen gevoegd

vindt, en welke tot nu toe met

veel vrucht gebruikt wordt. Ook heeft

men van hem ophelderende aanmerkingen

over JOB, de PSALMEN, den PRE­

DIKER, en leerredenen over het HOOGLIED.

In alle de uitlegfchriften van deeze groote

mannen vindt men eene eenvoudige

fchriftverklaaring, waarin niets van al het

harsfenfchimmige en dubbelzinnige, dat

men bij de voorgaande Bijbelgeleerden

aantreft, plaats, heeft, maar de letterlijke

betekenis en de volkomen kracht der gewijde

woorden en fpreekmanieren wordt

opgedolven , om zo de waare meening

der H. Schrijvers aan den dag te brengen.

— De Godgeleerdheid eindelijk was

ook onder de Hervormden in eenen voordeeligen

ftand:het werkjen van ZWINGEL,

waarvan wij reeds gewaagd hebben in

de LXIV §, werd gevolgd van een veel

grooter en in verfcheiden opzichten veel

beter leerfystema, 't welk door KALVIJN

opgefteld, en getijteld was: Inftitutiones

Religionis Christiance: Onderwijzingen in

den Kristlijken Godsdienst. Dit werk, waarvan

een groot gedeelte door KALVIJN gefchreeven

is, toen hij als balling zich

ten huize van zekeren Kanunnik, LOUIS

TILLET te ANGOULêME, fchuil hield., ten

jaare 1533, * s m e e r dan e e n s door ^ e m

verwerkt, en eindelijk uitgekomen onder

den Tijtel: Injlitutio Christiance Religionis

, in lïbros quatuor nunc primum di.

ges*


der Systematifche Godgeleerdheid, arl

gestci, certisque distincta capitibus adaptisfi- XVI»

mam methodum: aucla etiam tam magna EEUW.

accesfione, ut propemodum opus novum ha'

beri pos fit. (*) Hetzelve is in vericheiden

taaien overgezet, als in het Engelsch,

Spaansch, Hungaarfch, Fransch, Hoogduitsch,

en Nederduitfch (f). KALVIJN

fchreef dit Boek voornaamlijk met oog«

merk, om zijne leer tegen de aanrandingen

derRoomschgezindente verdeedigen,

en tevens, om een voorbeeld van leerwijze

aan de kerken en fchoolen der hervormden

te geeven. Van hier is het, dat Hij

het al te eenvoudige voorftel der geloofswaarheden,

'twelk men in 'tmeermaaïen

genoemde werk van ZWINGEL aantreft,

niet volgde, maar, evengelijk MELANCH-

TON ten laatften, op eene verftandige

en oordeelkundige wijze gebruik maakte

van de Aristotelifche Wijsgeerte, die men

toch niet geheelënal uit het Systema wechnemen

konde. KALVIJN was een groot

voorftander der Wijsgeerte: hier van gaf

hij blijken, vooral toen hij ten jaare 1558

de

C*) De eerfte uitgave van dit werk gefchiedde te

BAZEL ten jaare 1536 en de uitgifte, onder denbovengemelden

breeden Tijtel, verfcheen eerst 1555.

te GENEVE.

(f) De beroemde KASPAR OLEVIANUS , die de opftel-

Ier van den Heidelb. Katechismus geweest is met URSI-

KUS,heeft van KALVYNS fystemaeen kortbegrip vervaardigd

: onder den Tijtel, Epitome Inftitutionis Rel.

Christ. j. CALVINI : 't welk naderhand door PISCATO».

andermaal zamengetrokken en tot korte Hellingen ge

bragt is. Conf. VERHEIDEN, Pr


212 Beknopte Letterkundige Gefchiedenls

XVI. de hoogefchool te GENEVE oprichtte, en

EEUW. den Hoogleeraar in de wijsgeerte beval,

om over de voorfchriften van ARISTOTE­

LES te leezen. (*) Hij bedient zich daarom

ook, doch zonder Schoolfche fpitsvindigheden,

van de wijsgeerte in zijn leerfystema._

(f) Hij draagt de waarheden eenvoudig

en bevatlijk voor, beoordeeltze

juist, en bewijstze grondig uit den Bijbel.

Hij maakt tevens gezonde aanmerkingen

over onregtmaatige fchriftuitleg-

gin-

(*) Zie MOSH. K. G. VII. bl. 206 en 207,

en HEINR. , 't a. b. S. 2 85. en men vergelijke onze

aanteekening § LXVI.

CO Schoon KALVIJNS Sijstema allenthalve zuiver

is van Schoolfche fpitsvindigheden, behoudt hij

hij echter zommige fchoolfche onderfcheidingen,

die wel uitgedacht van dienst kunnen zijn, zo ze

maar wel ter fneede gebragt worden , bij voorb.

Lib. I. Cap. ld. De Providentia: fchrijft hij:

Non temere in Seholis inventce fuere distinctiones

de necesjitate fecündüm quid, & abfoluta • item confequentis,

& confequentia. C traétat ibi vir fummus

arduam et in fcholis diu agitatam qua;stionem de

Providentia Dei concilianda cum caufarum fecundarum

contingentia ; et ad eam rite explicandam

citatis verbis utitur. — Paulo ante de distinctionibus

Scholasticorum disferens earum utilitatem et necesfitatem

fignificaverat.) et Lib. IV. Cap. 17 De facra

Ctena: Trita est, ait, in fcholis distinclio, quant

wie referre non pudet. Quamvis totus CHRISTUS

vbique fit, non tarnen totum quod in eo est. ubique

esfe. Atque utinam Scholastici ipfi vim hujus few

tentice probe expendisfent ,quia ita occurfum fui:fet

infulfo commento de carnali CHRISTI prafentia. Alia

ex eodem CALVINI libro proferre haud disfimilia.

exempla cuiyis eum pervolutanti prointum est.


der Systematifche Godgeleerdheid. 213

gingen. Wijders haalt hij ter vergelij- XVI.

king en nader ftaaving der waarheid ge- EEUW,

tuigenisfen aan, niet alleen uit de Vaderen,

in 'tbezondere uit AUGUSTIJN, die wel

het meest bij hem geldt, maar ook uit

de Heidenfche wijzen. En eindelijk, Hij

beandwoordt ook de tegenwerpingen der

wederftanders, en wederlegt de. dwaalleer

der Roomfche Kerk. —— Zie daar

de leerwijze van KALVIJN. Zijne fchrijfmanier

is aangenaam, bevallig, en harttreffend:

(*) zelfs volgens de meening van

SCALIGER voor een' Godgeleerden wat

al te fierlijk. (f)

KALVIJN heeft dit fystemaboek afgedeeld

in vier bezondere ftukken, welken

hij boeken noemt, en in verlchillende

hoofddeelen affnijdt. Het eerfte boek heeft

ten opfchrift, De cognitione Dei creatoris;

Over de kennisfe van God als Schepper. Hierin

worden twee voornaame hoofdzaaken

behandeld: naamlijk, de kennis van God

zeiven, als den Schepper van 'theelal,

en de kennis van den mensch, als het

voornaamfte fchepfel. Bij het behandelen

(f) Dit zelfs moeten zijne vijanden belijden. Ri-

CHARD siMON onder anderen geeft hem in zijne

Histoire Critique du Nouveau Testament deezen

lof, dat hij meestal het hart raakte. Verg. de

Leevensbef. van eenige voorn, mannen I. bl. 23.

(X) Stillis erat fatpurgatus , & elegantior, quam

Theologum deceat. Verba funt SCALIGERI. Verg.

Leevensbef. van voorn, mannen en vrouwen. I. d.

bl. 20 ea HEINR. a. b. S. 287.

O 3


£14 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. len van de eerfte hoofdzaak redenthij over

IEUV. de kennis van God in 'talgemeen, over

de bron, waaruit de kennis van God gefchept

moet worden, en bij deeze gelegenheid

over de H. Schrift, over het beftaan

van God, over Gods onzichtbaarheid,

over zijne dienstwaardigheid,- over

zijne éénheid, en over de drieëenheid.

Bij de tweede hoofdzaak fchrijft hij over

de fchepping der wereld, over de goede

fen kwaade Engelen, welk eene en andere

op den mensch zijne betrekking heeft, en

verders over den mensch zeiven, over zijne

natuur en krachten. En ten einde de

kennis van God en den mensch meer door

hem opgeluisterd worde, fpreekt hij ten

laatften in 'tbezondere van de Leer der

voorzienigheid, en fielt den fchepper voor

als den goeden en wijzen beftuurer van

alle menschlijke daaden, en van de geheele

wereld: Hij verdeedigt deeze leer tegen

de drijvers van een blind geval; en

bewijst/, dat dezelve, ten aanzien der tegenbedenkingen,

van het kwaad in de

wereld ontleend, zeer wel rijmt en ftrookt

met het denkbeeld van Gods Heiligheid.

Het tweede boek heeft ten hoofdfehrift:

De cognitione Dei Redemptoris in Christo

, qua patribus fub lege primum , deinde

st nobis in Euangelio patefacta est. Over

de kennis van God den Verlosfer, in Kristus

, welke eerst aan de vaderen onder de wet,

daarna ook aan ons in het Evangelie geopenbaard

is. In dit tweede boek vindt men

weder twee bezondere en voornaame

hoofd-


der Systematifche Godgeleerdheid. 215

hoofdzaaken. De eerfte betreft de aan- XVL

leidende gelegenheid der Verlosfing: . de EEUW

tweede raakt de verlosfing zelve. Bij de

eerfte hoofdzaak redent hij niet alleen m

't-algemeen over den val, maar ook in 't

bezondere van deszelfs uitwerkfels ,

naamlijk van de erfzonde, van de heerfchappij

der zonde, van de allentshalvige

bedorvenheid des menfchdoms, van Gods

werking aan de harten der menfchen;

waarbij hij gevoegd heeft eene wederlegging

der tegenwerpingen, welken ter

verdeediging van den vrijen wil doorgaans

worden te berde gebragt. De tweede

hoofdzaak, die de verlosfing zelve

betreft, behelst vijf voornaame ftukken.

Het eerfte ftuk heeft ten onderwerp, dat

men zijn heil alleen bij KRISTUS moet

zoeken. Het tweede ftuk bevat eene aanwijzing,

dat de verlosferaan 'tmenschdom

geopenbaard is; eerst onder de wet, en

daarna onder het Evangelie: bij deeze

gelegenheid maakt hij fchoone aanmerkingen

over de tienwoordige wet, welke

hij verklaart, en over het onderfcheid van

beide Testamenten. Het derde ftuk raakt

de verëischten eens Middelaars, waarbij

aangetoond wordt, dat hij weezen moest

God en mensch in één' perfoon. Het

vierde ftuk betreft de einden, waartoe JE­

SUS van God den Vader in de wereld gezonden

is, 'tgene aanleiding geeft, om

KRISTUS als Profeet, Priester en Koning

te befchouwen. En eindelijk in het vijfde

ftuk wordt opgegeeven, in welke ver-

0 4 fc" 1 *:


ti6 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. fchillende" ftanden de Heiland zijn Mid-

EEUW. delaarswerk verricht heeft; en hier wordt

gehandeld over deszelfs kruizing, dood,

begraaving, hellevaart, verrijzenis, verhemeling,

en zitting aan *s vaders regte

hand,- ten laatften wordt beweezen, dat

KRISTUS ons Gods genade en de zaligheid

verworven heeft. Het derde

boek draagt deezen tijtel. De modo percipiendee

CHRISTI gr at ia, & qui inde fructus

nobis proveniant, & qui effe&us confequantur:

Van de wijze, waarop wij de

genade van KRISTUS deelachtig morden, en

van de vruchten, en uitwerk/ets, welken

daaruit voor ons voortgroeijen, en volgen.

In dit boek wordt gehandeld van God als

Heiligmaaker, of van de werkingen des

Heiligen Geestes ten onzen behoude. Zeven

hoofdbezonderheden doen er zich in

dit boek op. De eerfte bezonderheid is,

dat alles, wat ons van KRISTUS geopenbaard

is, te baat komt door de verborgen

werking des Geestes. De tweede bezonderheid

betreft het geloof; de derde de

vruchten van het geloof: bij deeze gelegenheid

fpreekt hij van de afiaaten en van

het vaagvuur, en wijders van de waare

boete, van de dooding des vleefches, en

van de verleevendiging des Geestes. De

vierde bezonderheid gaat over het voordeel

des geloofs; over de rechtvaardiging

en over de Kristlijke vrijheid. De

vijfde bezonderheid is, dat het Gebed

de voornaame geloofs oefening en het beste

middel zij, om dagelijks Gods genade


der Syftematlfche Godgeleerdheid. 217

de weldaaden deelachtig te worden. De XVI.

zesde bezonderheid loopt in het breede EEUW*:

over de voorverordening, over de verkiezing

en verwerping. De zevende bezonderheid

raakt de opftanding ten jongften

dage. Het vierde boek heeft dit

bovenfchrift: De exterms mediis, vel adminiculis,

quïbus Deus in CHRISTI focietatem

nos invitat, et in ea retinet. Van de

uiterlijke hulpmiddelen , welken God gebruikt,

om ons tot de Kerk van KRISTUS

uitlenoodigen, en in dezelve te bewaar en. In

dit boek vindt men drie voornaame hoofdpunten;

als over de kerk, over de Sakramenten,

en over het wereldlijk regeer.

(*)

Zie daar het geheele beloop van het

eerfte volledig leerfystema in de hervormde

kerk. Wij hebben hetzelve hier in

het breede opgegeeven, wijl het toch

altijd een der belangrijkfte Godgeleerde

werken in deeze kerk blijven zal: welligtis

het't beste en waardeerbaarfte, dat

immer van een' Hervormden gefchreeven

is. (f) Voor het overige moeten

wij hier bij KALVIJNS leerwijze nog aanmerken,

dat hij over het algemeen keurig

waare ten aanzien van het neemen der be-

wij-

(*) Zie verder den korten inhoud van dit werk

bij HEINR. a. b. S. 287—291 en vergelijk de korte

fchetzen , die in dit leerftelfel zelf voor elk

der vier boeken geplaatst zijn.

(f) Bekend, en ook niet zo buiten maate over-

O 5

dree.


E 18 Beknopte Letterkundige

Gefchiedenh

XVI. wijzen, ter ftaaving van de grondwaartEuw.

heden en verborgenheden des geloofs.

Hoe voordeelig voor het Kristendom zoude

het geweest zijn, indien men in vervolg

van tijd ter deeze opzichte zijne

voetftappen gedrukt hadde! Bij voorbeeld:

men vindt in meest alle oude en nieuwe

fystemas , ten betooge van de leer der

drieëenheid, de plaatzen van GEN. XL VIII.

1516. 2 SAM. XXXIII. 2. Ps. XXXIII. 6.

JES. VI. 3. DAN. IX. 19 enz. Deeze

en meer andere plaatzen uit het oude

verbond ten gemelden gebruike aantehaalen,

was voor vijftig jaaren een egt merk

van Regtzinnigheid; terwijl eene verwerping

van dezelven toen en nog lang naderhand

een' haatlijken mutzaardreuk van

zich gaf. Maar hoe dacht KALVIJN over

deeze plaatzen? Zij hadden bij hem geene

de minde kracht ten bewijze; in 'tbezondere

betuigt hij dit van Ps. XXXIII. 6. (*) —

Mog.

dreeven zijn deeze Lofregels van zekeren PAÜLUS

THURIUS op KALvn.\s fyilema:

Prater Apostolieas post CHRISTI tempora chartas,

Huic peperere libro facula nulla parem.

C) Inftit. Lib. I. C. XIII. § 15. Seiens ac

votens. fic fcribit, fuperfedeo a multis testimoniis,

quibus ufifunt veter es (ad probandutn neinpeTrinitatis

fivrvfuit} Plaufibile Mis vifum eft citare

ex DAVIDE (Ps. XXXIII. 6.) „Ferbo Domini

„ cteli firmati funt, et fpiritu oris ejus omnis virttts

eorum ; " ut probarent, non minus fpiritus

fancli opus esfe mundum quam Filii. Sed quum

in Pfalmis ttfitatum fit, bis idem repetere, et

quum


fcr Systematifche Godgeleerdheid. 219

Mogten toch veele Hervormde Leeraars XVL

de onderwijzingen van KALVIJN eenS met EEUW.

aandacht en nadenking leezen!

LXVII.

Wij

keeren weder tot de Luterfchen.

De hervorming verandert hier geheel ons

Plan. De gefchiedenis der Griekfche Kerk,

die op ons onderwerp in de voorige eeuwen

eenige betrekking had, moet nu achter

wege blijven. (.*)

De Westerfche

kerk

quum apud JESAIAM fpiritus oris idem valeat atmiejermo,

infirma Ma ratio f uit. Itaque tantum

paree attingere volui quibus folide inniterenturptx

ment es. — Even zo dacht hij onder anderen ook

over JES. VI. 3. Heilig, Heilig , Heilig is de HEER der

Heirfckaaren ! In zijne Opera Tom. UI part. U.

•pas. 40, geeft hij niet onduidelijk te kennen, dat

cleeze plaats, ten bewijze der drieëenheid tegen

de Ariaanen bij hem niets afdoet. Hij werpt dezelve

wech als een onnut -wapentuig, dat hem in

het verdeedigen der goede zaak meer belemmeren,

dan bevoordeelen zoude, althands den vijand in de

hand werken en ftouter moest doen worden. Verg.

de Redevoering van ] w. TE WATER in de werken

van \Haagfch Codsd. Gen. voor 't jaar 1788.

bl. 36.

(*) Van de Grieken is uit de drie laatlte eeuwen

flechts maar één eenig Godgeleerd Sy/lema bekend";

naamlijk dat van eenen TBEOPHANES PROGOPOWITZ ,

Chriftiana orthodoxa Theologia. REGIOM. 1773 t°t

1775 V -

P A R T

'

Z I E H E I N R

'

H E T A

" B '

S

'

5 7 8

'

D E G

BOEDERL. 1. 1. P. I. pag. 235- ~ * I E K M L E E "

zen thands nog in hunne eigen taal de werken van

THOMAS en andere Scholastieken. Zie MOSH. K. G.

V. bl. 33


22o Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. kerk zal ons onledig genoeg houden. Wij

EEUW. zullen ons dus alleen bepaalen bij de Luterfchen,

de Hervormden en de Ruomschgezinden:

de laatften evenwel zullen het

minst in aanmerking komen.

LXVIII.

De eerfte onder de Luterfchen , die

na MELANCHTHON aan de Systematifche

Godgeleerdheid gearbeid heeft, is geweest

MARTINUS CHEMNXTIUS, Superintendent

te BRUNSWIJK, deszelfs leerling.

Deeze kundige man, die na den dood van

zijnen meester de voornaamfte Godgeleerde

welligt onder zijne geloofsgezinte

was, hield te WITTENBERG zijne voorleezingen

over de Loei Theologici van ME­

LANCHTHON, welken hij uitleide en verklaarde.

Uit deeze lesfén ontftond een

geheel nieuw ontworpen ftelfelmaatigwerk,

'twelk eerst na zijnen dood, die in het

jaar 1586 voorviel, uit hoofde van deszelfs

uitmuntende waarde, door de befchikking

van POLYKARPUS LYSERUS, uitkwam

onder den Tijtel van MARTINI CHEMNI-

TII hei Theologici , editi opera & ftudio

POLYCARPI LYSERI. (*) Deeze uitgave

gefchiedde te FRANKFORT aan de Main in

'tjaar 1591, en zij werd een en andermaal

(*) Deeze POLYKARPUS LYSERUS heeft ook de

everè'enfiemnting der Evangelisten van CHEMNITZ na

deszelfs dood bearbeid, voltooid en uitgegeeven.

M

Zie over dit werk MOSH. K. G. VII.' bl. 38.

vergel. HOIM. L. U. art. CHEMN.


der Systematifche Godgeleerdheid. 221

maal hernieuwd in de jaaren 1599,1604, XVI.

1615,1623,en 1090 (*> Ditgeheele ge-EEuw.

fchrift is allenthalve op de leest van

MELANCHTHONS leerwijze gefchoeid, en

is uit de toenmaalige tijden het beste

en meestgezuiverde Schoolfystema. Bij

ieder plaats of Locus van MELANCHTHONS

leerboek, 'twelk hij flipt volgt, ftaan

deszelfs eigen woorden; deezen legt hij

ten grondilage van zijn onderwijs, en

deezen verklaart hij. Het werk is dus

eene uitlegging van MELANCHTHONS Godgeleerde

plaatzen , en is van CHEMNITIUS

met veel kunde en doorzicht opgefteld:

naauwkeurigheid en duidhjkheid in de

voordragt, gezuiverd oordeel, en eene

verftandige keuze in het bijbrengen van

zaaken en bewijzen, die in eene goede

orde ftaan, verzeilen overal zijne pen, en

maaken dit boek tot een fchatbaar leerltelfel,

dat in vroeger tijden alle aanprijzing

waardig was , en zijnen fchrijver

nog ter eere ftrekt. Uit dit groote werk

van CHEMNITIUS heeft BALTHASAR MEN-

ZER een kort begrip zamengetrokken, 't

welk hy uitgegeeven heeft onder den

Tijtel van Repetitio Chemnitiana. Sive enucleatio

locorum Theol. MART. CHEMNITII.

Giesf. 1608. (f)

LXIX.

(*) Conf. DOEDERL. I. !. I. p. 229. HEIKR.

I. 1. p. 273. etMORHOvn Polyhift. T. III. pag. 539.

.. (I) Zie verder over dit werk HEINR. 't a. b. bl.

^72—280. en SEMLERS Einleitung in die Dogmatifche

Gottesgelehrfamkeit Th. II. der Bauwgartifchen

Claubemlehre, S. 152 undflg.


222 Beknopte Letterkundige Qefchiedenis

XVI.

LXIX.

IE uw. Op CHEMNITIUS volgt hier een andef

niet min beroemd Godgeleerde, VICTOR

STRIEGEL ; , Profesfor in de Godgeleerdheid

te JENA, mede een leerling van ME-

LANCHTON. Deze man hield ook over

de Loei Theol. van zijnen Meester, te

JENA en te LEIPZIG, voorleezingen, die

na zijnen dood ten jaare 1582-1585 in

Qiiarto door de bezorging van KRISTOF-

FEL PETZEL uitgekomen zijn. STRIEGEL

was even, gelijk CHEMNITZ, een kundig

aanhanger, en voorftander der gevoelens

van MELANCHTON, welken hij ook in zijne

leerwijze volgde. Maar STRIEGEL werd

in een' heftigen twist gewikkeld met eenige

ongemaatigde Luterfchen , in 't bezondere

met zijnen heethoofdigen ambtgenoot

MATTHEUS FLACIUS ILLYRICUS, C*)

over de natuurlijke vermoogens en bekwaamheden

van 'smenfchen ziel,en den

invloed daarvan op de bekeering en het

gedrag van een' waar kristen. In deezen

twist fcheen de eerstgenoemde aan de

menfchlijke natuur, op zichzelve gelaaten,

te veel, en delaatstgemeldete weinig, toetekennen.

Dit verfchil liep zo hevig, dat

FLA«

(*) De twistijver van deezen Godgeleerden ftookebrand

was reeds eenigen tijd te vooren zeer aan

den gang geweest met den zachtzinmgen en vreedelievenden

MELANCHTHON zeiven , omtrent zo genoemde

onverfchillige zaaken in den Godsdienst, waaiöver

mennaleezenmooge MOSH. K.G. VII. bl. 67-72.

en VENEMA 1.1. VII. p. 158-160. Confer. VER-

* . HEIDEN IA. pag. 150. et HOFM. L. U. art. MEL.


der Systematifche Godgeleerdheid. 22$

FLACIUS zijnes tegenftreevers ondergang XVI.

bewerkte, en hem eene onüangenaame en E E U W.

harde gevangenis berokkende , die evenwel

niet lang duurde. Een man dierhalven,die,

in leergevoelens niet gelijkdenkend

met een' bekenden regtzinnigen

kerkijveraar , zijne welbekookte gedachten

op eene vriendlij ke en rondhartige

wijze voor den dag bragt, en het volk

tegen geliefkoosde dwaalbegrippen waar-

Ichouwde , konde van den gemeenen man

niet anders aangemerkt worden, dan als

een'vijand van de zuivere leer, en als een*

tegenftander der waarheid, 't Ging toch

toen zo; even gelijk het nu nog gaat.

En heeft een volksleeraar eens den naam

van onregtzinnig, de tijden moeten al

met eene merklijke verlichting bevoorrecht

worden, indien hij zich, zelfs bij

veele geleerden, hier van met een goed

gevolg ten beste der algemeene zaak

zuiveren zal. Daar men in de fchriften

van zulken onregtzinnigen doorgaans

niets goeds en bruikbaars zoekt, maar

alles met de zwarte kool doorhaalt,

moest ook het bovengenoemde werk van

STRIEGEL die ongenade des vooröordeels

ondergaan; men verwierp het als een gevaarlijk

fchrift; het riekte na den

mutzaard. (*) Van hier is het, dat het

zei-

(*) De gevoelens van STRIEGEL fchijnen eigenlijk

voor 't grootst gedeelte nog al redenmaatige

en op de Schrift gegronde Hellingen geweest

te zijn. De denkbeelden van FLACIUS

daarentegen, die wel LUTHER volgde, maar gelijk

het


2£4 Beknopte Letterkundige Ge/chiedenis

XVI. zelve zo weinig bekend en van dienst

EEUW. geweest is.

Beter lot indedaad had het verdiend.

De Geleerde SEMLER velt er dit zeer gunfüg

oordeel over; dat het werk in veele

opzichten zo gegrond en nuttig zij , als

er immer in den toenmaaligen tijd een

uit de handen der Godgeleerden gekomen

is.(*) — Deeze STRIEGEL had wegens de

verfchillen , waarin hij betrokken was ,

veele ongeneugten te verduuren : hij

zwierf van de eene na de andere plaatze,

en bleef ten laatften zijne dagen flijten

te HEIDELBERG, daar hij ten jaare 1569

geftorven is. Men meent, dat hij eindelijk

in het ftuk des Avondmaals zich bij

de Hervormden gevoegd heeft (f). In

deezen heftigen twist tusfchen STRIEGEL

en FLACIUS mooge men dus den wederuitfpruitenden

grondwortel der ontluikende

Scholastiekerij onder de LUTHERAA-

NEN zoeken, om welkenleevend en groeivaardig

te houden de JESUITEN van eene

andere zijde zo zeer hun best deeden.

Wat

het wel meer gaat, de voetftappen van deezen zijnen

voorganger wat al te juist drukken wilde,moeten

in verfcheiden opzichten, door hunne ftrakheid

en ltijfheid,zeerna asn die der MANiciiEè'N gegrensd

hebben.

Te recht zijn zij daarom reeds lang ook

van het verftandiglte gedeelte der LUTHERSCHEN afgekeurd.

(*) SEMLER ter a. p. II. S. 158.

(t)ZieHEiNR. 't a.b.S. 280—281.

VIL bl. 73-81 en DOEDERL. 1. 1. I. p. 229'

MOSH.K.G.


'der

Systematifche Godgeleerdheid, aag

Naast STRIEGEL kunnen we, hier rang- XVï.'

ichikken NIKOLAAS SELNEKKER , Hoog-EEUW»

leeraar te LEIPZIG, daar hy in 'tjaar 1592

geftorven is. Deeze geleerde heeft ge«

fcheeven en uitgegeeven in de jaaren

1573 e n I S79-Inftitutiones Christ.Relig.lU.

Part. Onderwijzingen in den kristlijken Godsdienst,

drie deelen. Dit fystema heeft;

pok veel waarde, 't Is, ingericht naar

de leermanier van MELANCHTHON, eenvoudig,

bijbelsch, en oordeelkundig gefchreeven.

(*) — Men ziet echter uit hetzelve

, hoe zeer allengs de fpitsvindigheden,

hairklooverijen,en onderfcheidingen

der Schoolfche twistzucht weder inkroo-

$>en en veld wonnen. STRIEGEL en FLA-

CIUS hadden dapper geredekaveld én braa^

geharreward over de erfzonde, en in 't

bezondere over de vraag, of de oorfpronglijke

verdorvenheid des menfchen zelfstandig

of toevallig, waare? 't eerfte beweerde

FLACIUS , en het laatfte werd gedreeven

door STRIEGEL. (f) — Over deeze

vraag hadde men die beide rleeren,

moeten laaten twisten wat nut ftak er

in, om ze aan de hooge fchoolen, en ia

de fyffemas leevendig te houden, en de

fcheuring fteeds open te doen blyven,

ja zelfs grooter te maaken ? Maar neen:

deeze en meer andere verfchilvraagen,

waarover rfien tóen ten tijde geweldig haspel-"

(*•)

Zie HEI'NB.'t: a. b. S. 281. •


226 Beknopte Letterkundige Gefchiedeni*

XVI. pelde, en eikanderen het hoofd warm

ÏEUW. twistte, moesten bij of in de fystemasgevoegd

worden: men moest de Studenten,

en deezen weder moesten het volk hierover

kakelen en kibbelen laten. De ftraksgenoemde,

zo veel geruchts gemaakt hebbende,

verfchilvraag, die van STRIEGELopgeworpen,

en aan FLACIUS voorgefteld

was, eeniglijk om hem te verftrikken en

te verbijsteren,(*);kon dus ook door SEL­

NEKKER in zijn ieerftelfel, onder meer

anderen, niet onaangeroerd en ongerept

worden gelaaten. Deeze en diergelyke

vraagen vindt men er geopperd. Over

de fchadelijkheid hiervan kan men oordeelen

vooral, wanneer men flechts maar

eens in aanfchouw neemt de toen ook betwistwordende

vraag, of de goede werken

noodzaaklijk , dan of ze nadeelig ter zaligheid

zijn? (t) Wanneer men deeze en zulkzoortige

vfaagen ter baane brengt', is waarlijk

de leer van den Heere 'JESUS nog

verre van eenvoudig en krachtig te zijn.

Nu volgt een Theologisch Kort begrip

(Compendium Theologie•) vervaardigd door

JAKOB HEERBRANDS , 't welk de eerfte

keer in 't licht kwam 1573 te TUBIN-

CEN, en naderhand verfcheiden maaien uitgekomen

is. — Dit kort begrip wordt

van veelen gepreezen. Het was oulings

in

(*) Zie MOSH: 't a. p. bt 78.

(f) Voor de noodzaaklijkheid was CEORGIUS

" MAJOR en voor de nadeeligfieidüüte Zich teweer

NIKOUAS AMSDORF1US.


der Systematifche [Godgeleerdheid. 22?

in hooge waarde; zelfs waaren de Wit- XVT4

tenhergfche Hoogleeraars op openbaarenaBUWi'

Kerklast gehouden, er hunne voorleezingen

over te doen hooren.(*)

Ten laatften moeten we hier nog gewaagen

van de Loei Theologici, de Godgt>

leerde plaatzen van MATTHIAS HAFFEN-

REFFER; die het eerst te TÜBINGEN daar

de Schrijver Kanfelier was zijn uitgekomen

ten jaare 1601, waarna ze ver-;

volgens verfcheiden keeren herdrukt zynv

Deeze Loei zyn duidlijk , bevatlijk, keurig

en weinig wijsgeerig. Zij hebben,

gelijk het voorgaande werk', ook den

vorm van een kortbegrip (olCompendium.}

In ZWEEDEN en DENEMARKLN vonden

zij den grootften bijval, (f)

Zie daar eenigen der voornaamfte fys»

temafchrijvers in de Lutherfche kerk uit

de zestiende en het begin der zeven;

tiende eeuw.

LXX.

In den uchtendfèond der hervorming

fcheenen alle de donkere wolken der

Schoolfche Godgeleerdheid voor altijd te

zullen wechdrijven. De kerkhervormers

kondigden de heilige fchrift aan, als den

éénigen regel des geloofs, en verwierpen

(*) Zie HEINR. 'ca. b. S. 283 SEMLER. 'ta. p.

S. 159 en BOEDERL. 1. 1. p. 231.

(f) Zie HEINR. wien wij hier inde opgavedee*

z?r ftelfelfchrijversgevolgd zijn'c a. b. S. 283.

P a


223 Beknopte Letterkundige Gejckiedenl;

XVI. pen alle menschlijke bepaalingen tenaan-

ËÈÜW. zien van deszelfs eenvoudige beginfeleri.'

Hoe gelukkig voor 's Heeren kerk zoude;

het geweest zijn, indien de volglingen

van z-ü-THER en MELANCHTHON zich aan

dien fchoonen ftelregel naauwkeurig gehouden

hadden! Maar deeze braave mannen

werden, tegen wil en dank, in netelige

kerkkrakeelen gefleept, en genoodzaakt

, allerlei fpitsvindige onderfcheidingen

te maaken. Zij werden gemengd

in twisten met de Rooraschgezinden, die

hun afvroegen, wat het toch bepaaldlijk

waare 't gene zij geloofden , en liet beroepen

op de heflige fchriften ongenoegzaam

rekenden, omdit naar eisch te kunnen bepaalen.

Overmand door dit lastig aanhouden,

dit fchreeuwen en uitdaagen, en niet

volkomen geneezen van den Geest der

Schoolfche twistgierigheid, die hunne voorvaders

1 welè'er voortdreef, riepen zij, als in

verlegenheid, de oude fpitsvindigheden,

deverworpen Schooltermen, en veele wijsgeerige

onderfcheidingen tegen hunne partijen

weder te hulp. De JESTJITEN vooral,

eene fekte, die aan de grootfte Geestdrijverij

van eenen Spaanfchen KrijgsmanIG-

NATIUS LOIJOLA haare opkomst moet toekennen,

vielen met magt en woede op

het werk der hervorming, aan, en toogen

tegen de LUTERSCHEN op met een heirvan

verbijsterende Schoolkunften; weshalve

deezen, zouden zij hunnen vijand manmoediglijk

te keer gaan, wel genooddrongen

waaren, om hen op het bedoornden


der Systematifche Godgeleerdheid, zsfo

bedisteld fchoolveld met een leger van XVI.

even zulke Wijsgeerige fcherpzinnighe-EEUW.

c?en tegen te trekken.

En 'tgene aan dit alles tot groot achterdeel

ftrekte ?

was dit. LUTHER en ME­

LANCHTHON hadden zichuit het dwaalperk

van menschlijke leerftellingen en ongerijmde

Kerkgevoelens wechgeworfteld. De

fchadelijke boom eener geheel bedorven

Godgeleerdheid was door hun met tak

en wortel uitgeroeid. Niettemin waaren

er nog eenige vezels in den grond blijven

zitten: wegens de kortwijligheid van

allen menschlijken arbeid, zelfs in den

langgerektften leeftijd, gelijk ook uithoofde

van andere omftandigheden, konde dit

niet wel anders. Hadde men nu maar

deeze overblijffels voorzichriglyk opgezocht

en uitgewied in vervolg Van dagen J

Maar helaas! Men Hetze liggen: er kwamen

al ras weder nieuwe fpruitjens van te voorfchijn.

De volgers van LUTHER en ME­

LANCHTHON, in ftede van voorttewerken,

fchroomden te vervorderen 't gene hunne

meesters bijkans afgedaan hadden. Wat

meer is, zommigen braken zelfs hier en

daar af. Zij befchouwden wel de gewijde'

fchrift als de eenige en genoegzaame

bron, waaruit alle zuivere Godsdienstkunde

gefchept moet worden; maar

zij ondernamen niet, in eene gezonde

Bijbelverklaaring verder te gaan, dan hunne

voorgangers. Zij lazen en beftudeerden

wel den Bijbel, maar niet zonder

vóóroordeel en partijzucht; niet zo zeer

P 3

met


tyo Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVI. met oogmerk dikwijls, om te weeten,wat

»EÜW. de Profeeten, wat JESUS en de Apostelen

geleerd hadden, maar om te vinden

'tgene zij zochten, en liefst hebben wilden.

Hier kwam nog bij, dat de LUTER-

SCHEN onëens waaren met hunne broeders,

de Hervormden, inzonderheid ten

aanzien van 's Heeren Avondmaal, en ja

ook zeiven onderling met elkander over

hoop lagen nopens deeze en gene willekeurige

leerpunten, waarvan wij in de

gewijde fchriften geen beflisfend befcheid

vinden, en welken te vereffenen hun ook

geen weezenlijk voordeel kon aanbrengen.

De verfchillen, hierover gereezen, werden

flaêg met redetwistende fcherpzinnigheid

voortgezet. Om het onderfcheid der

denkbeelden uittedrukken, konde men

geene fchriftmaatige woorden gebruiken,

naardien de Bijbel deeze denkbeelden niet

ontdekt had : men moest zich dierhalve

bedienen van ftroeve Schoolwoorden, van

beuzelachtige onderfcheidingen en fijnge-'

fponnen kunsttermen , welken men weder

voor den dag ging zoeken. En hadde

men hier door nog de verdeeldheden

vereffenen en te regt kunnen twisten, maar

in plaatze hier van werd de gemaakte kloof

nog grooter. Stelfels van Godgeleerdheid

werden tegen anderen overgeplaatst.

Schoolfloelen en Kerkkanfels dreunden

niet zelden van de fterke wederlegwoorden

des ijverzuchtigen Leeraars, die de

weinig beduidende gevoelens zijner parpar-


der Systematifche Godgeleerdheid. 231'

partij ftaande hield tegen die van eene an- XVI.

dere. Zo bleef de twistziekte voort-EEUW.

woeden, terwijl de oudebarbaarfcheScholastiekerij

fteeds meerër veld in kreeg. (*)-

En zo verviel men allengs weer op het

oude zwak, om in koenen ernst de getuigenisfen

der vroegfte Kerkvaderen aan te

haaien, en er eene te overdreeven waarde

op te leggen. Van hier eindelijk weder

het te hoog fchatten cn heethoofdig voor-

Haan der Symbolifche boekeu en algemeen

aangenomen geloofregels. Van hier

het den volke opdringen , om dezelven

als Godlijke oirkonden te omhelzen, en

blindlings te kleeven. - Van hier weder

baatziekte, wangunst, heerschzucht, en

dwingelandij in de Kerk.- Van hier weder

blind geloof onder den gemeenen man,

en eene jammerlijke nederdrukking der

edele waarheid, (f).

Groo-

(*) Verg. den Recenfent I. bl. 33—38 en AU

M E N

gem: Vadert. Leiter oef. Vil. bl. 366 en 367. '

gelw. in eene Redevoering over de natuur der

gezonde leer , van A. GEBARD , die hier geheel verdient

geleezen te worden.

(t) Vaste aankleeving aan het ééns omhelsde,

een te overdreeven vertrouwen op voornaame Man.

nen, het navolgen van den grooten hoop, traagheid

in het onderzoek, verbeelding van onbevoegdheid,

om zelf te oordeelen, waarin veele Leeraars

het volk ten allen tijde geftijfd hebben, en eene

verkeerde onderwijsmanier , welke fteeds gehouden

is, waaren tevens de bijoorzaaken, dat het

blind geloof, even gelijk voor de hervorming,

fchoon niet in zulken hoogen graad, weder zo

yeel voet kreeg , en de waarheid zo jammerlijk

onderdrukt wierd.

Pi


Beknopte Letterkundige Gefchiedenïs

XVI. Zeer veelfmart veroorzaakte dit aanver-

ISEÜW. Icheiden uitmuntende en kundige Godgeleerden

in den aanvang der zeventiende

Eeuw, die zeer grooteh rouw droegen

over het aïlerwege te leur raakën der hémelfche

eenvoudigheid, welke het besté

kenmerk, en eene onicheidbaare gezellin

der zuivere Evangelieleer is, en ten alleii

tijde' blijven moet. Deeze weldenkende

én doorzichtige mannen werkten er, zo

veel möoglijk was, op, om LUTHERS en

MELANCHTHONS eenvoudige leermanier

weder in tréin te brengen; maar te vergeefs.

De kracht en hét geweld der twistzucht

nam hand over hand toe, 'eri de

Schoolfche Godgeleerdheid trok haaren

wapperenden wimpel ftraks weer ten hoogen

top. (*}

LXXI.

(*) Profetie, ft Protestante;, post fecesfioncm a

Romana ecclefia feliciter faüam , misfa patrtim ,

imprimh AUGUSTINI, auiïoritate , Aristotelisque,

aut aliorum fophorw.n principiis, concorditer in fo.

ïa explicatione S. Liticrarum prapdium verte rcligionis

qiicepvisfent

?

nühqüdm tot inütiles controverfite

& diffenpones int er ipfos exoritura f nis f ent.

Verba funt CEARISS. ZI'MMERMANNI in Opuse. Theol.

ï\ III. pag 559 Cqnfer. DOFDERL. 1. 1.

pag. 230. Sic ilie': verba enim ipfa bic etiam 1eprsefentanda

duximu's. Nofiri ( Lut/teram") pre. '

fcriptam primum a LUTHERO et MELANCHTHONE meihedum

fcholasticdm postliminio revócarunt, cum

'irividiop quidam homines MELANCHTHONIS modestiam

accu/are ccepisfent, aliique , acres in disputatiöniïus

, fefe impares fèntirent retundendis JESUITA-

RUM teehnis et diftinBionibus fophifticis. Itaque toti

fefe ad ingenium fcholarum , et FORMULE , quam

CON


der Systematifche Godgeleerdheid, ajj

LXXI.

In de Hervormde Kerk had het fchoone

voorbeeld van KALVIJN ook veele Leeraars

zijner gezinte opgewekt tot den Godgeleerden

arbeid ten nutte van het algemeen.

Onder deezen munten vooral uk

THEODOKÜS BEZA, ANDREAS GERARDHIJ-

PERIUS , BENEDICTUS ARETIUS , WOLF­

GANG MUSCULUS, en POLANUS van POLANS;

DORF.

Van THEODORUS BEZA, die Hoogleeraar

in de Godgeleerdheid te GENEVE was a

.en daar ten jaare 1605'geftorven is, hebben

wij een Systematisch Compendium onder

den tijtel: Qjiastionum et refponfionum

christianarum libellus, in quo pracipua

chrisüana religionis capita %rf tml»^, proponuntur.

Dit werk is te vinden in

Tractationum Theohgkarum Volum. I. p.

669. Het zelve draagt blijken van manlijke

geleerdheid, yan gezonde oordeelskracht,

XVÏ;

EE UW«

CONCORDI/E vacant, compofuerunt, atque ab eo

tempore mirari fatis non posfumus, quanta conflantia

plériqve eunclem docendi modum , idemque

argumentum quafi facrum fequantur, quam rari

reperiantur, qui ab ea traditione deficere, vitia.

fuperiorum fecu lorum fenfim perita manu fi? cauta.

abft'ergere, explorare ingenue diéla Theologorum,

& fecernere, augere notitias Christianas & libe.

rius fenfire auderent, abfterriti nempe iris favo

imperio Tyrannortim Sacrorum, quibus novitas

emnis fuspeiïa femper fuit, & ingenui conatus ,ulterius

emendandi Theologiam atro favitiarum in

ipfam religionem mmine perflringuntur. Confer-

?5


Ê34 Beknopte Letterkundige Gefchiedenisi

XVI. kracht, en van zuivere waarheidkunde,

BE uw. Eene duidlijke en bcvatlijke voordragt der

leer veraangenaamt het gebruik van 't zelve

niet weinig, terwijl de hoofdpunten

van het kristendom allerwege fchriftmaatig

worden voorgefteld.

De tweede Stelfelfchrijver, welken wij

opgenoemd hebben, is ANDREAS GERARD

HIJPERIUS, of van YPEREN Hoogleeraar

in de Godgeleerdheid te MARPURG. Deeze

geleerde man heeft onder zijne Schriften

nagelaaten een werk, getij teld: Methodus

Theologie. S. prcecipuorum christiance religionis

locorum communium lïbri tres. Jammer is

het,dat 't zelveonvollediglen niet voltooid

is: de dood overrompelde hem te midden van

den arbeid, dien hij er aan befteedde;

volrï

quoque meretur MOSHEMIUS 1. h VII pag. 42. Et

alnid ex hoe malo nafcebatur malum. Seculo üecimo

et feptimb vitiofa Symbololatria altas adeo in

animos multorum Theologorum inter LUTHERI asfeclas

demiferat radices , ut libros fyrabolicos ex

divino inflatu effe conferiptos, et eaudem fere curn

litteris facris habere auctoritatem, profiteri non ve*

rerentur. 'Hoe vitium, horainibus Pontificiis inepta

fuperituione infeftis, dignum , imprimis perfpexit

et palam reprehenditfcholasticaruin argutiarum

objurgator acerrimus, eruditisflmus SPENERUS, qui

feculo occidente de ecclefia Lutkeranorum reforraanda

decus non minimum meruit. Ast eum, proh do -

lor! in his displicuifle et despicatui fuiffe multis

Theologis, auctor 'elt ROSENMULLERUS in oratione

inaug. De eo quod juftum eft in Tkeelogia reformand*

fiudio ,pag. 129, Conf. JABLONSKI Inft. Hhty

Chr. III. pag. 241—243.


tier Systematifche Godgeleerdheid. 235

volgens zijn ontwerp zoude het uit zes XVI.

boeken beftaan hebben , welken hij loei,

plaatzen , noemde. Deeze plaatzen of

boeken zouden ten onderwerp hebben,

I. God. II. Het Schepfel, en in 't bezondere

den' mensch. III- De Kerk. IV.

De leer der wet en des Evangelies. V. De

Sakramenten. VI. De voleinding. Ieder

deezer boeken zoude weder in onderfcheiden

hoofdftukken verdeeld zijn geweest.

De drie eerfte boeken zijn er alleen maar

van afgewerkt geworden, Tot lof van dit

Systematisch fragment moete men verklaaren,

dat het een eenvoudig en duidlijk

leerboek zij, waarin de waarheden

van het kristendom eigenaartig opgegeeven

worden, zonder inmengfels van niets

om het lijf hebbende Schoolpraalerij, en

dezelven tegen andersgezinden eene ernftige

en deegelijke verdeediging krijgen,

die deels uit den Bijbel, deels uit het

gezond redenvermoogen haare kracht en

ftevigheid ontleent. In 't bezondere

heeft dit werk hier in iets boven andere

ftelfels van Godgeleerdheid voor uit,

dat men er de waarheden niet flechts

voor het verftand, maar ook voor het)

hart behandeld vindt, waarbij den jongen

Prediker ftaêg ftof gegeeven wordt,

om de Godsdienstleer ten nutte van het

volk te bewerken en voor te draagen. -

Van het zelve zijn twee Bazelfche uitgaven

in octavo , r&amlijk die van 1567

en 1574. (*)

Het

C") Zie HEINR. 't a. b. S. 203-205 en DOEDERL.»

1. 1. pa& 233.

EEUW.


e,%6 Beknopte Letterkundige Gefchïedente

XVI. Het derde Systema is dat van BENE-

EEÜ W. piCTUS ARETIUS , Hoogleeraar in de Godgeleerdheid

te BERN , getijteld ; Theologie

. iProbleniata, S. loei communes et miscellanece"

quaftiones : 't welk verfcheiden

maaien gedrukt en uitgegeeven is; laatstlijk

te BERN in 't jaar 1604. Het werk

is in twee onëenpaarige ftukken afgedeeld

; het eerfte ftuk behelst de loei

communes, welken honderd yier en zestig

in getal zijn. Dezelven zijn eenigerrnaate

naar de leerwijze van ME­

LANCHTHON gefchikt. De Schriftplaatzen

, ten bewijze der waarheden bijgebragt,

worden doorgaans opgehelderd ,

de tegenwerpingen meestal wel beandwoord,

en de leerftellingen taamlijk uit

den grond betoogd. Het tweede ftuk

bevat de quesstiones mifcellanecs , waarin

men tweeëntwintig bezondere afdeelingen

aantreft, die meest haare betrekking

op de zedekunde, en. niet zo zeer op

de Geloofsleer , hebben. — Voor het

overige moete men dit werk van ARE­

TIUS houden voor een eenvoudig, doch.

langdraadig en uitgewijd', leerltelfel,

waarin wel veel onvoeglijks , maar toch

ook veel goeds gevonden werdt.

Op ARETIUS volgt WOLFGANG MUSCU­

LUS , ook een Bernfche Godgeleerde: Deeze

heeft gefchreeven eëniS;y^/7Mr,getijteld.

Loei communes, 't welk tien jaaren na zijnen

dood te BERN in 'tjaar 1573 e u vervolgens

te AMSTERDAM in 't jaar 1590 in Folio uitgekomen

is. Dit werk van MUSCULUS is

ook


'der

Systmatifch Godgeleerdheid %%f

ook een eenvoudig en ongekunfteld leer- XVI. 1

ftelfel; fchoon het ook in veele opzich- E E U^

teh wat al te uitbundig én omflagtig is.

Zijn voorftel is heel niet wijsgeerig en

fchoolmaatig, maar gegrondvest op fchriftplaatzen,

die in haare kracht aangehaald

worden. Zijne betoogwijze is nadruklijk,

en zijne wederlegmanier tegen anders

gevoelenden deftig , bedaard, en

zonder bitterheid. - Het werk verdient

dus allen lof. (*)

Tot de eenvoudige Stelfelfchrijvers

moet eindelijk ook nog gebragt worden

POLANITS a POLANSDORFF, een Bazelfche

Godgeleerde, een vriend Van BEZA , en

een beroemd Schrijver van zijnen tijd.

Van deezen is, in deszelfs fterfjaar 16ió,

te HANOVER , in het licht gekomen een

werk, getijteld Syntagma Theologics Christiance

, Tom. II. in Oiiarto. (f) In dit werk

worden ook de waarheden van het kristendom

bevatlijk en zonder Schoolfché

ftelfelpracht voofgedraageh , en in een

helder licht geplaatst. Geleerdheid en

Godsvrucht, fchranderheid en oordeels-

• kracht, taalkennis en oudheidkundeflraalen

in dit, zo wel als in zijne andere

fchriften, (§) allenthalve door. — Dè

Schrijver Verwierf door het zelve bij zijne

(*) Verg. HEINR! 'ta. b. S. 295611295. SEM-

LER 'ta. b. III. S. 56 en DOEDERL: 1. l.pag. 233.

(t) Vide DOEDERL. 1. 1. pag. 233.

(§) Onder zijne andere fchriften telt men Exege

fis Analyt: Vaticiniorum V. T. de CHRisTo'j

Goniment; in JEU.- EZËCII: DANIELEM , et;,


a3 8 Beknopte Letterkundige GefcBedenh

XVI,

EEUW. ne tijdgenooten een' grooten dank, welken

veelen ook openlijk betuigd hebben.

LXXII.

Alle deeze hervormde Godgeleerden

zijn vrij zuiver van de Schoolfche bastaardij

9 hunne voordragt is eenvoudig en klaar.

Dan , gelijk het in de Lutherfche Kerk

ging, even zo zag men ook onder de volglingen

van KALVIJN, dat deeze fchoone

en juistmaatige leerwijze wel dra weder

ontaartte in eene opgefmukte en kunstiggevormde

Schoolgeleerdheid. De wijsgeerte

van ARISTOTELES werd weder de

fcheidsvrouw der twistende Godgeleerden

, zo wel wanneer ze krijg voerden

tegen de Roomschgezinden, als wanneer

ze onder malkanderen verfchilden. Zij

werd tevens weder ingeroepen ter verdeediging

van de verborgenheden des geloofs

; men bragt vernuftige en fchoonfchijnende

denkbeelden voor den dag,

om de Evangeliegeheimen op te helderen

, en bezondere bepaalingen te ftaaven.

Zo werd de heritelde, en tot haare

voorige gezondheid gebragte, leer van

JESUS weder aangeftooken door het pes-.

tig gift van dat fchadelijk fchoolëuvel ,

waarvan de hervormers haar met zo veel

moeite geneezen hadden. KALVIJN was

het beste voorbeeld van navolging in zijne

onderwijzingen. Zijn voetfpoor drukte

men tot in den aanvang der zeventiende

eeuw. Schoon het te bejammeren is,dat

men


der Systematifche Godgeleerdheid. S39

jaen het werk niet opgevat heeft, daar XVII.

Jiij het had laaten fteeken, hadde men EEUW».

evenwel reden van te vredeheid moeten

hebben, zo men zijne aanhangers in tijds

verloop maar niet van hem afgedwaald en

verwijderd had gezien. Deezen floopen

in het eerfte vijfde gedeelte der zeventiende

eeuw weder in het dor en doornig

woud der Schoolgeleerdheid, daar ze

zich zelwn ras in de drinken eener Ichadelijke

fcherpzinnigheid verwarden en te

zoek bragten. JOHANNES MAKOWSKI, anders

genoemd MAKKOVTOS , een Poolsch

Edelman, die den 28ften van Louwmaand

des jaars 1615 als Hoogleeraar in de

Godgeleerdheid en Wijsgeerte te FRANE-

KER gekomen is, was,zo het fchijnt,de

eerfte en voomaamfte vlagvoerër der fcholastieken,

en bragt de Schoolfche manier,

van de Godgeleerdheid te onderwijzen

, die men nu zints zo veele jaa- •

ren met recht verworpen had, weder

ter baane. De meeste Gefchiedfchrijvers

althands merken hem aan, als den eerften

fpitsvindigen Scholastiek, die na de hervorming

onder de Kahinisten aan eene

Hoogefchool geleeraard heeft. (*). Zijne

XidemvDAuIfagog'.in Th: T. Lp. 415 et 416,

cujus verba maxime notatu digna haec funt.-MACcovius,

fi non primus, eer te fuit int er Primos,

qui epud Reformatos Scholasticam Theologiam trac*

tandi rationem postliminio revocavit. Conf. MOSH.

Lil. VII. pag. au et 213. HEINR. 1. 1. pag. 355-

«liosque.


56fö Beknopte Letterkundige Qefchieimh

^VJI. ne leermanier had ook heel niet de eer^

tsuw. van algemeen, en aan allen te behaagen;

zij brouwde hem verfcheiden onaangenaamheden

, want,zijne fijnuitgeploozen kunst,

maatige, wijsgeerige leerbegrippen deeden

hem in verdenking van onregtzinnigheid

geraaken. De Klasfis van FRANE-]

KER, en zijn ambrgenoot SIBRANDUS LUB»

BERTUS werden zijne befchuldigers voor

het Kollegie der Edel Moogende Heeren

Gedeputeerde Staaten van FRIESLAND , die

den 3den van Wijnmaand des jaars 1618

aan drie uit hun midden nevens drie raaden

uit het Gerechtshof, en aan de vier

Heeren bezorgers der Akademie., (*)den

last opdroegen, om in het bijweezen van drie

Friefche Predikanten (f) de zaak vanMAK-

KOVIUS te onderzoeken,.en, zo mooglijk,

het ontftaan verfchii te beflechten , welke

allen'dan ook den 8ften dierzelfde maand bij

eikanderen geweest zijn , maar met ee-

' nen ongelukkigen uitflag. Dezelfde beproeving

werd herhaald den i8den daarop

komenden en den gden van fiagtmaand

deszelfden jaars; doch ook dit had een

gelijk gevolg. MAKKOVIUS , in de neteligfle

omftandigheden zijnde, werd in het

voor-

(*) Dèe'zen waaren ten dien tijde KEIMFE DO-

NIA, JELGER FE1TSMA , GELLIUS HILLEMA, en MARKUS

LIJCLAMA a NIJEHO'LT".

(f) Deeze Friefche Predikanten waaren HERMAN-

KUS KOLDE, Pred. te LEEUWAARDEN, FLORENTIUS

jt/HANNES, Pred. te SNEES ea JOHANNES BILT , Pred,

te WORKUM.


aer Systematifche Godgeleerdheid. A4i

voorjaar van 1619, of gedagvaard of met XVIL, 1

overleg der Friefche Suaten te raade. — I E U W ;

dit is bij mij twijfelachtig, (*) — 0m voor

de nationaale Kerkvergadering, te OORD-

RECHT, ten dien jaare gehouden, in perfoon

te verfchijnen. Dit gebeurde den 25

van Grasmaand 1619 voormiddag. Hier viel

zijne zaak grootfiendeels ten zijnen beste

uit. Men zag hier, gelijk men meermaalen

ziet, dat het gemaklijker zij, iemand van ketterij

te befchuldigen, dan er hem met gegronde

redenen, en voor eenen niet bevooröordeelden

fcheidsman, van te overtuigen.

Schoon zijn heftigtte tegenftander SIBRAN-

DUS LUÜBERTUS, als de oudfte der Friefche

Hoogleeraaren, tot deeze kerkvergadering

afgezonden, van dezelve Lid waare,

en gewis niet zal veronachtzaamd

hebben, om de ftrengite befchuldigingen,

in 't bezondere ten aanzien van de voormeting

der zielen, in volle kracht tegen hem aantevoeren,

werd evenwel na onderzoek van

Zaaken door de Sijnode verklaard

4

j/dat

MAKKOVIUS geheel te onrecht van ketterije

befchuldigd waare; doch dat hij, in zijne

Akademifche lesfen, die eenvoudigheid

van

(*) Dit altoos is zeker, dat de Friefche Staaten

hem den 28 van fagtmaand 1618 tweehonderd

guldens voor het goedmaaken zijner reis

derwaarts verfproken en toegeleid hebben, ingeval

hij in het bevorderen zijner zaak gelukkiglijk

flaagde. Zie VRIEMOET, Aih. Fripaca. prg. 15Ö

ïnnotis, die dit uit de Acla Beleg. Ord. Sist. diei

aangehaald, en dus uit de befte oirkonden heeft.

Q


è$t Beknopte Letterkundige Gefchiedenh

xvn. van leerwijze en klaarheid van uitdrukkin-

EEUW gen nbt gebruikt had, die zo zeer te

prijzen sijn in Ken' openbaaren Leeraar van

den Knsilijken Godsdienst; en dat hij eerër

de fijnuitg^nloozen leerwijze der Schoolfche

Leeraaren navolgde, dan den duidlijken

en ongemaakten {preektrant der door

GODS Geest aangeblaazen fchrijveren."(*)—

Volgens het juistmaatig oordeel der kerkve

r gaderiug7;«i, MAKKOVIUS alleen daarinniet

wel gehandeld, dat hij de oude School'

geleerdheid weder op de Nederlandfche Univerfluiten

hadde zoeken in te voeren, (ff). —

Hij werd dus vrijgefprooken , maar

vermaand, om voortaan eene beter leerwijze

te volgen, en zich van een meer

fchrift-

^

(*) Met deeze woorden wordt de verklaaring

der Sijnode opgegeeven door MOSHEIM,K. G. VII.

bl. 211. in de laat. Verg. korte Historie van de

Synode Nationaal, bl. 257.

(+) „ MACCOVIUM peccasfe — quod SCHOLASTI-

?>

CUM DOCENDi MODUM CONETUR IN IÏELGICIS ACADE-

MUS INTRODUCERE: qtwd eas fehgerit quastioues

„ difceptandas, quibus gravantur Ecclefia Belgi-

„ de. Hoe vitio vertendum ipfi, quod diflir.Bionem

fdfficientise et efficientise mortisCXWVÜA afferv.e-

„ rit efe futilem; quod negaverit, humanum gepus

iapfum effe objectum Pretdeilinationis; quod

n

dixerit, Dcum veüe et decernere peccata, quod

„ dixerit, Deura nullo modo veile omnium homi-

„ num falutem,* quod dixerit, duas effe eleeYio-

„ nes" Hoe judicium erat delegatorum ad hanc

caufam. Quod probavit fynodus , et MACCO­

VIUM ab omni harefi abfolvendum cenfuit. Vide

BALCANQUAELUM in Epist. Prast. vir. CCCL, et

confer VRIEMOETIUM L 1, pag. 156 et MOSH. 1. 1.

pag. cit.


der Systematifche Godgeleerdheid. 243

fchriftmaatig onderwijs te bedienen. (*) XVIL

MAKKOVIUS, zonder twijfel blijde, dat EB uw.

hij eene zo fchoone zege over de aanvallen

van zijne aanklaagers behaald hadde, en

hierdoor vol moed en koenheid, vergat

weldra deeze ernftige vermaaning, en voer

voort op eenen fcholastieken trant zijne

leerlingen te onderwijzen. Eéns en geheel

van deezen fchoolfchen zuurdeegfem

doortrokken, waare het hem fchier onmooglijk,

er zich van te zuiveren, -

te

meer, daar dit zwak reeds zulke oude

en diepe wortels in hem gefchooten hadde,

door het geduurig redetwisten met

de fpitsvindigfte JESUITEN te PRAAG , en

te SPIERS , waartoe hij zich op zijne reizen

in zijne jeugd verledigd had. (f)

Niet weinig oc.k'werd hij vervolgens in

deeze manier van denken en leeren geruggefteund

door anderen, (§ ) en in 't

bezondere door WILLEM AMESIUS , die

Leeraar der Engeljche Kerk in 's GRAA-

VENHAAGE geweest was, en ook tot het

welflaagen zijner zaak voor de Dordrechtfche

Sijnode, bij welke deeze man op

hooge ftaatsverkiezing tegenwoordig was,

veel

(*) Vide VMEMOETIUM 1. paginaque cit.

CO Vide eundum l. 1. psg 152.

(§) Uit eene plaatze,welke wij zo ftrnks aan.

haaien zullen uit een der fchriften van AMESIUS , zal

het blijkbaar worden, dat de bedorven leerwijze

der Schooien in het begin der zeventiende eeuw

reeds op verfcheiden Akademiën merklijk veel veld

had gewonnen.

Q *


Ü44 Beknopte Letterkundige Gefchicdefiis

XVIL veel goed gedaan had. Deeze AMESIUS

EEUW. werd naderhand zijn ambtgenoot aan de

hoogefchool te FRANEKER , wervvaarts hij

van LEIJDEN, daar hij aan eenige ftudenten

bezonder onderwijs in de Godgeleerdheid

gaf, geroepen werd ten jaare 162,2.

Doch nu had MAKKOVIUS aan hem niet meer

een' medehelper: hij kreeg in tegendeel

aan hem een' wakkeren wederftander.

AMESIUS was veranderd van denkwijze

en leennanier. En zijne verandering was

verbetering; hij zag duidelijk in, dat alle

Schoolgeleerdheid den Godsdienst van den

Heere JESUS bedierf: en koos dierhalve

de eenvoudige onderricht wij ze, waardoor

,zo wel het hart als het verfïand verhelderd,

en eeniglijk dus het waare doel

gefchooten wordt. Daar hij te vooren

een begunfHger der Scholastiekerije was,

werd hij nu een völflaagen haater van dezelve.

Men leeze eens 's Mans eigen

woorden, welken wij onder hebben aangehaald

, en men zal er in ontdekken eene

waarlijk uitmuntende betuiging, een

uitmuntend voorneemen, een uitmuntend

inzicht in de belangen der kerk, eenen

Hoogleeraar in de edelfte weetenfchap

waardig! (*) Welk een voordeel zoude

het

(*) Digna funt qu« legantur hsec verba in Paraviefi

ad ftudiofos Theologia;, qua; adjeéta eft libro

de Confcientia et ejus jttre vel cafibus, ab AMESIQ

confcripto et edito AMST. 1630. Teritavtego,

inquit, a?mo prtecedente , quia rem necejfariam vidtbam

emi£am, a» Thegfogiam aliqua ex parte


der Systematifche Godgeleerdheid* 245

het Kristendom in onze landen er bij ge- XVIf *.

had hebben, indien anderen,en in 'tbe- EEUW.;

zondere MAKKOVIUS , dezes mans voetfpoor

gevolgd waaren. Maar MAKKOVIUS

bleef , totzijnen laatften leevensdag ^onverzetlijk

ftijf op zijne dorre Schoolbegrippen

ftaan; welke onverzetlijkheid hem ook

in de jaaren 1631 en 1633 in hooggaande

twisten fleepte met AMESIUS $ die voot

den Staat des lands Ichijuen beoordeeld

en bijgeleid te zijn. (*) AMESIUS vertrok

kort daarop als beroepen Hoogleeriiar

na ROTTERDAM ; (f) en de fpitsvindige

MAKKOVIUS bleef te FRANEKER aan zijnen

droogen en doornigen arbeid voortwerken.

Welk

avocwe pojjim^in Academia faltem noftra ,a quas*

tionibus et controyei Gis quibusdam fpinofis, plexis ,

et minus neceffariis, et ad vitam et prax'tin eam

adducere ; ut de confcientia et ejus et/ra incipiant

ftudiop ferio cogitare. Hoe enirn cfi, quod

pii omnes in Academiis noftris ditt jam, et nimis

certe diu, depderarunt. Hujus getieris inftitutio*

nis defeeïum Pontificiaplerteque omnes, et praeipue

Jefuitarum fchola, non fine pitdore nofiro,objicere

Tiobis et exprobrare videntur. Hoe ipfum mifevanda

Dei Ecclefia, quafi jure fuo, ab omnibus

Academiis flagitant; qua prodi Je , et plane perdi

clamitant, dum confcientia hominum iis curanda ,

et ex officia traCtanda mandantur, qui nullam hujufce

rei artem ulla ex part e didicerunt; quian talis

do&rina necefaria fit, vel omnino fit, videntur

•nefcire. — Vide VRIEMOETIUM ; 1. c. pag. 215,

et Cüiif. MOSHEMiUM in libro fapiffime jam nobis

laudato. P. VII. pag. 215,

(*) Vide VRIEMOET s 1. I. pag. 157,

(f) Fide eundem 1. 1. pag. 116.

Q 3


2A6* Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVII. Welk een nadeel deeze leertrant van

• BUW. MAKKOVIUS onder de hervormden verwekt

heeft aan het Openbaar en bezonder Godsdienstonderwijs

, is gemaklijk natedenken,

indien men in aanmerking neemt,

zijne lesfen van een verbaazend

dat

groot

aantal ftudenten greetig gehoord werden,

en zijne menigvuldige fchriften allerwege

veel toejuigching vonden.

Reeds in de

eerfte twintig jaaren der zeventiende eeuw

hunkerden de meeste Leeraars hier en in

andere landen, daar de hervormde Godsdienst

beleeden werd , na de oude leerwijze

der Scholastieken; O

Hierin kreegen

(*) Zelfs al indevoorige zestiende eeuw hadden

zommige Hervormde Leeraars hier te lande hun

best gedaan, om de Scholastieken") weder ten

troon te heffen. Onder deezen heeft zich voornaamlijk

laaten zien zekere JELLE IIOTZES, geboortig

van SMEEK, door zijne geleerde werken als an.

derszins bekend onder den nasriri van GELLIUS IIÖT-

ZFNUS, Sneceimis. Deeze man, wegens zijne kunde

en Godzaligheid bij de Nederlanders zeer geacht,

heeft veele fchriften uirgegeeven, waarvan verfcheiden

op algemeene kosten der Friefche Maffen gedrukt

zijn , als onder anderen : De gratuito Dei

Foedere, Sacramentaiibus figvis, et de Bapthmo.

J.eida 1584, en Methodica defcriptio , five ft-ndamentum

pracipuorum locorum communittm auc

dogmatum S. Scriptura, de cognitione Dei atque

Hominis, ejusque tripiici ftatu. Harlemi 1591.

gelijk ook eene Verktaarïng over ROM. IX, Lieti.

waarden 1596 en eenige vertaalingen uit het Latijn

in het Nederduitfch. Deeze zijne fchriften

Q waarvan er uit het Latijn in het Ncderduitsch

vertaald zyn door SIBSANDUS VOLEMIUS , Predikant

te


der Systematifche Godgeleerdheid.,- 24?

gen zij de aangenaamfte voldoening door XVII;

de lesfea en fchriften van MAKKOVIUS , EEUW*

die

te Pieiersbierum en RUARFJUS ACRONIUS , Predikant

te Leeuwaarden, die hiertoe Synodaalen last gekreegen

hadden. Zie Naamtyst der Pred. van de

Klasfevan Franeker. bl. 89. Deeze zyne Schriften)

zijn leezenswaardig, maar te zeer gefchoeid op

eene Scholastieke leest, even waarom hij ten zijnen

tijde veel tegenfpraak kreeg, te meer daar

hij ook afweek van de leergevoelens van KALVIJN

en BEZA , inzonderheid ten aanzien der voorverordening,

fchoon hem nimmer hierover, noch bij het

wereldlijk noch bij het kerklijk befluur, iets onaangenaams

bejegend is, waarop BEZA anders fchijnt

gewerkt te hebben: als een verftandig man heeft

hij dit dreigend onheil voorzichtiglijk weeten te

ontduiken. Zie UITENBOGAARD Kerkelyke Historie*

bl. 748. BRAA'DT Hist. der Reform. I. D. bl, 778.

en II bl. 143. en HEYLIH, Hist. van de vyf Artikelen

bl. 69. — Hij fchijnt eerst en wel ten jaare

1566 Hew>rmd Predikant geweest te zijn te OEN-

KERK , in Friesland, zie Naaml. van de Predik in

de Klaffe van Leeuwaarden, bl. 131; zeer waarfchijnlijk

was hij voormaals hier Roomsch Priester

geweest.- dan ten jaare 1567 moest hij vlugten,

en nam de wijk na EMBDEN, van waar hij 1569

weder na LEEUWAARDEN is vertrokken , daar hij

verfcheiden jaaren in dienst geweest is. Den 27

van PFynmaand 157 8 was hy alleen Predikant teLeeujvaarden

, waarom hy met eenige Diakeuen en Lidrnaaten

ten dien tyde aan den Embdcr Kerkenraad

fchreef met verzoek om hun overtezenden als Leeraaren

Feito , en JVicherus Millefius. In deezen

brief dien men by MEIKERS Oostfr. Kerkt. Gefchied.

XL bl. 51—53 geboekt vindt, word hij

genoemd Vader ]ELLIUS. Naderhand fchijnt hij

eindelijk Predikant geworden te zijn in de ge.

meente van BOLS WAARD , daar hij 1583 Wegens

ouderdom en zwakheid ontflag van zijnen dienst

Q 4

ver

*


248 Beknopte Letterkundige OefcUedeuis

XVII. die hunne zaak niet weinig bevorderde,

•SE v w. en hun allen voet gaf, om met het doordrijven

eener kwaalijk ingerichte leer

ijerig voorttevaaren. (*)

Zie daar den oorfprong en den aanvanglijken

voortgang der Schoolgeleerdheid

onder de hervormden. Ik heb hier

in het breede over moeten fchrij ven, naardien

hetzelve op de volgende afdeeling

geen geringen invloed heeft,

LXXIII.

Dan eer wij tot dezelve overgaan, moeten

wij nog iets weinigs melden van

den verbeterden leertrant der Roomschgezinden.

Zo dra het licht der hervorming

doorbrak, en men in de Roomfche

Kerk

verzocht en verkreegen heeft. 1596 leefde hij nog,

wooncnde te LEEUWAARDEN. Zie verder over.

hem VENEMA: 1. 1. VII. pag. 309, die hem echter

verkeerdüjk Predikant van SNBEK noemt, verbijsterd

misfehien door den toenaam Snecanus; en

Naaml. van de Pred. der KLASSE van FRANEKER.,

bl. 21—24.

(*) Hoe zeer een Hoogleeraar door zijne lej-i

fen en fchriften den algemeenen fmaak kan vormen,

vooral, wanneer hij een kundig en geleerd

man van grooten naam is, gelijk men dit toch

van MAKKOVIUS niet ontkennen kan, kunnen wij zien,

onder anderen, uit het voorbeeld van COCCEJUS,

naar wien zich een zo groot aantal van Nederlandfche

Godgeleerden in denktrant en leerwijze geregeld

heeft, zo ais in het vervolg nader getoond

zal worden.


der Systematifche Godgeleerdheid. 24.9

Kerk bedacht werd op twistfpraaken met XVII.

de uiïgeweeken hervormers, befpeurde EEUW.

men duidlijk, dat, zoude men deezen

met kracht van redenen tegenfpreeken ,

er in de fchaarsheid der Bijbelkundige

Godgeleerden, door de overdrift der

Wijsgeerige hairklooverij veroorzaakt,

voorzien moest worden. Hier door werd

het voor de Roomschgezinden volitrekt

noodzaaklijk, de wijze van de Godgeleerdheid

te behandelen , welke men

toen volgde , op eene geheel andere

leest te fchoeijen, ten einde zij denHervormeren

de Godsdienstwaarheden, volgens

de gevoelens hunner kerk, niet zo zeer

uit de Wijsgeerte , welke deezen niet

genoeg wilden eerbiedigen, maar uit de

heilige fchriften en uit de oirkonden der

vaderen voordraagen, en derzelven nieuwe

leer wederleggen mogten. In PA­

RIJS, den voornaamften zetel der gewijde

geleerdheid, werkte men het meest

op zulk eene verandering van leermanier.

En nu fcheen het, als of er eene groote

verbetering in het onderwijs der Kristlijke

Geloofsleer onder de Roomfchen

tot ftand zoude komen. Dan er deeden

zich hier verfcheiden onverwinbaare belemmeringen

en onöverkoomlijke zwaarigheden

op. Het aanzien van een' THO­

MAS van AQUINO en andere Scholastieken

was zo groot, de oude gevoelens der •

vaderen zo geldig, en het vermoogend

gezag van den Paus zo krachtig, dat men

er noode toe kon overgaan, om de fpits-

vin-


©50 Beknopte Letterkundige Gejchiedenis

XVII. viadigheden der wijsgeerte"te verbannen,

ICUW. den Bijbel ten eenigen leerregel te leggen,

en eene daadiijke verbetering der

Godgeleerdheid in kloeken ernst te onderneemen.

Daartoe ontbrak het onder

hen aan finaak, aan licht, en aan moed.—

Eenigen evenwel durfden het waagen de

hand aan het ftuk te flaan. Schoon hun

meer verhelderd oog tevens het gebrekkige

vanetlijke leerpunten inzag , en men geern

hetzelve zoude hebben willen verhelpen,

belfond men evenwel hieraan niet te

tornen. De Geloofsbegrippen bleeven dezelfden

: doch de wijze van ze te leeraaren

werd eenigermaate door hun veranderd

en verbeterd. (*)

Ten deezen aanzien heeft zich^ vooral

beroemd gemaakt MELCHIOR CANUS, een

Dominikaner, en Bisfchop van de Kanarifche

eilanden. Deeze man, die, fchoon

een ernftig voorftander van ROMES kerkleer,

evenwel een Geleerde van groote

verdienften was, heeft uitgegeeven een

werk, getijteld, Locorum Theologicorum Lihri

XIL En in dit gefchrift, 't welk wel

geen eigenlijk Systema, maar een Godgeleerd

vertoog is, heeft hij met eene fcherpe

pen de beuzelziekeleerwijze der fchoolen

fterk doorgehaald en dezelve merklijk

zoeken te verbeteren. Hetzelve is

" even daarom der leezing overwaardig.

Op hetzelfde aanbeeld hebben geflaagen

JOHAN MALDONATUS, een Spaansch

C*D Zie MOSH. K. G. VII. bl. 323—326.


der Systematifche Godgeleerdheid, 251

Jefuit, die uitleggingen over den Bijbel, XVII.

en eenige afzonderlijke verhandelingen ES uw.'

over verfcheiden Godgeleerde onderwerpen

gefchreeven heeft; ANTONIUS POS-

SEVINUS , een geleerd en fchrander Jefuit

van MANTUA, die 1611 overleeden is,

en in fchrift nagelaaten heeft een werk,

den tijtel hebbende, Bibliotheca Jelecla de

ratione ftudiorum ad disciplinas et ad falutem

omnium gentium: In folio: *t welk

uit achttien boeken beftaat: (*. en LODE-

-WIJK CARAVAIAL, van welken men heeft;

Theologicarum Sententiarum liber. S. restitutae

Theologice et a fophiftica et barharie

pro virili repurgata fpecimen de Deo.

8vo. (t)

Uit

(*) Vide Moiuiovii Pêlyhist. T. I. L.I.C.XVL

ys. 21.

(f) Zie over Hem HOORNBEEK. Intlif. Theol.

prof. pag. 12, die onder de verbeteraars van de

.Schoolfche leerwijze bij de Roomsch Katholijken

ook noemt, C. DE CIIEFFONTAINE, van welken

men een werk heeft, onder den Tijtel.' de necesfaria

correcïione dpftrina Scholusticte, dat ook van

HOORNBEEK opgegeeven wordt. Doch RICH. SIMON

bericht ons in zijne Critique de la Biblioth. des aut.

eeclef. T. II. p. 1(56—ip3, dat dit gefchrift niets

anders behelst, dan eene optelling der verfchillende

geyoelens over het Avondmaal in deUoomfche

Kerk, die er bij de Schoolgeleerden plaats hadden,

en dat CHEFFONTAINE deezen zoekt te verè'enigen,

of tot één algemeen gevoelen te brengen,

en te verbeteren. — Veele Geleerden zijn verbijsterd

en misleid geworden door den boven opge.


252 Beknopte Letterkundige Gefchiedenis

XVJI. Uit den inhoud deezer fchriften kan

SE uw. men zien, dat verfcheiden Roomfche geleerden

zich beijverd hebben, om de

Systematifche leermanier te verbeteren.

Niemand evenwel onder hen heeft werklijk

een verbeterd Syftema gefchreeven,

De leerftelfels, die in dit Tijdperk onder

de Roomschgezinden in 't licht verfcheenen

zijn, hebben allen den ouden

Schoolfchen vorm, en het oude barbaarfche

in diezelfde maate,even zo als men

.het bij LOMBARDUS en THOMAS vindt,

behouden. Het weinige goede dierhalve,

'twelk men bij bezondere Roomfchenter

deeze opzicht aantreft, is tegen het veele

ilechte, dat er in hunne fchriften over 't

algemeen heerscht, opgewoogen, naauw«

üjks noemenswaardig.

genoemden Tijtel , die er, tegen wil en weeten

des Schrijvers, van den Boekverkoop» is voorgeplaatst,

en één van die kunstjens is, waarvan

men zich ten koste der goede trouw wel eens meer

bediend heeft, om een boek aan den man te helpen.

— 't Werk dus, over het geheel genomen,

verdient hier geene verdere aanmerking.

More magazines by this user