18.04.2015 Views

im - Koninklijke Bibliotheek

im - Koninklijke Bibliotheek

im - Koninklijke Bibliotheek

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK<br />

COLLECTIE-TH IERRY<br />

B R U I K L E E N<br />

van de Ned. Herv.<br />

Gemeente<br />

te 's Gravenhage<br />

7118 - '35


KATECHISMUS<br />

D E R<br />

HEILIGE GODGELEERDHEID,<br />

O V<br />

G E S P R E K K E N<br />

O V E R<br />

DE<br />

VOORNAAMSTE WAARHEDEN<br />

V A K D I K<br />

CHRISTELIJKEN<br />

GODSDIENST,<br />

D O O R<br />

S: VAN EMDRE,<br />

Predikant te HOORNAAR.<br />

TWEEDE<br />

DEEL.<br />

Te<br />

UTRECHT,<br />

Bij H. VAN OTTERLOO, Boekverkoper woont<br />

tusfchen de Bakker en Bezembrug, 1783.


Greapprobeerd<br />

door de Vifitatores Librorum van de Eerw.<br />

Clasfïs van GORINCHEM. 1783.


B<br />

v<br />

defl Uitgever dezes zyn de volgende<br />

Werkjes van den Weleerw. Heer<br />

S, VAN EMDRE te bekomen:<br />

I. KLEINE KATECHHMÜS, der Heilige Godgeleerdheid<br />

of Lesfen over de<br />

voornaamfte waarheden van den<br />

Chriftelyken Godsdienft, tweede<br />

druk. — _<br />

/ :. 5<br />

. :<br />

II.<br />

BVBKL. GESCHIEDENISSEN, voor de jonge<br />

Jeugd vermeerderd met eenige<br />

vraagjes over ons Vaderland, der-:<br />

de- druk. ƒ :<br />

. «:.. j<br />

UI. GESCHIEDENISSEN, van het Vaderland'<br />

voor de jonge Jeugd, tweede<br />

druk. , ' — ƒ: -1 -: ^<br />

\<br />

IV. ABREGé, des Principaux faits de la Bib-<br />

Ie pour 1' inftruction de la Jeu- \<br />

nesfe, a 1' ufage des Catéchiftes,<br />

des Ecoles, et des Peres de fa- ^<br />

mille. — _ f:.4-i


KATECHISMÜS<br />

D E R<br />

•HEILIGE<br />

GODGELEERDHEID;<br />

O<br />

F<br />

G E S P R E K K E N<br />

O V E R D E<br />

VOORNAAMSTE<br />

WAARHEDEN<br />

V. A N DEN<br />

CHRISTELIJKEN<br />

GODSDIENST,<br />

D O O R<br />

S. VAN EMDRE 5<br />

Predikant te HOORNAAR<br />

II. DEELS<br />

I. SIUKJE.<br />

Te<br />

UTRECHT,<br />

By H» VAN OTTERLOO, Boekverkoper op<br />

de Oude Gracbt, tusfchen de Bezem en Bakkerbrug,<br />

1783.


Kerkelijk<br />

Geapprobeerd<br />

door Vifitatores Librorum van de E.<br />

Clasfis van GORINCHEM. J782.<br />

.Geene Exemplaren worden voor echt erkendt, dan, die<br />

door den Boekverkoper H. v. OTTERLOO eigenhandig<br />

ondertekend zijn. J^r^^,


Pa?. I<br />

VOORREDE,<br />

VOOR DIT TWEEDE<br />

DEEL.<br />

"ie daar vi aarde Lezer, 't laat (ie Deel van<br />

^ Z ^ dezen KATECHISMUS DER H. GODGELEERD-<br />

HEID , of GESPREKKEN over de voornaamfte<br />

waarheden van den Chrifteliiken Godsdienft. Het<br />

zou zeker al eenige maanden eer der in 't licbl gekvmen<br />

zijn , indien ik niet alvorens eent BIJBELVER­<br />

KLARING betrekkelijk Pabftina, haiopgefteld en uitgegeven<br />

, in welk vierk omtrent 1400 Schriftuurplaatzen<br />

voorkomen , aan welke ,. uit de lands en<br />

luchtsgefteldheid, benevens de zeden en gev:oo?:tens<br />

•van Palefiina, eenig licht wordt bijgezet. Om die<br />

rede is dat werk ook ondergefchikt aan* deze Qefprekken,<br />

en kan met vrugt bij 't zelve gebruikt worden,<br />

gelijk ook uit de geduurige aanhalingen in dit tzveede<br />

deel blijkt. — Na de uitgave wierd mij door ie*<br />

mand een en ander bedenking 'omtrent 't zelve onder<br />

't oog gebragt, welke ik niet onvoegzaam oordeel<br />

hier te beantwoorden.<br />

s<br />

a.) foor eer(i gaf men in bedenking of mijn werk<br />

van PalefHna niet overtollig is voor zodanigen, welke<br />

ec;ie uirgeftrekte .belezenheid hebben in de aanmerkingen<br />

uit dereisbefchrijvingen, welke zommige<br />

zederd eenige jaaren ter opheldering van de H. Schrift<br />

V , . heb-


TT V O O R R E D E .<br />

hebben uitgegeven? Hiér op antwoordt ik, veele<br />

bezitten die werken met, en zijn zamen genomen<br />

mor zommige te breedvoerig om te lezen, of te kofibaar<br />

om te kopen: Foor zulke kan mijn werk, daar<br />

alles in een kort befiek gevonden wordt en min koji-<br />

'baar is , niet overtollig genaamd worden. Ja zelfs<br />

niet voor zodanige Bijbelminnaars, die eene uit geft<br />

rekte belezenheid hebben in de Schriften van die natu<br />

br reeds uitgekomen; als men fteg/s in aanmerking<br />

•neemt, dat zommige Au&euren zeer onoordeelkundig<br />

U werk zij'! gegaan, door eene menigte Schriftuurplaatzen<br />

bij te brengen, die in 't allerminjl geen opheldering<br />

uit dé aangehaalde reisbcjclsrijvingen erlangen<br />

(ji). Ook hebben, zommige daar toe gebruikt<br />

reisbefchrijvingen van zodanige landen, die in *t geheel<br />

niet in aanmerking behoren te komen (F). Daat<br />

• 1<br />

éh<br />

{a) Een van de befte w:>'ken van dien aart is dat van TH.<br />

HAHMAH., waarnemingen over 't Ooftcn niet aantekeningen<br />

van FABÏR 6 doelen. Doch dit werk is ook in vtelen opzigte<br />

'gebrekkig. De Geleerde Schrijvers van de Nieuwe Nederl.<br />

<strong>Bibliotheek</strong> 3de deel ifte ftuk p. f21, 122. gaven er onlangs<br />

in de' beoordeeling van 't 5de en 6de deel dit getuigenis van.<br />

,, Men vindt er verfcheidene goede aanmerkingen in, welke een<br />

aangenaam licht over zommige gedeeltens der H- Schrift ve<br />

[prelden; maar tevens<br />

een aantal andere, welke of onnodig of<br />

min jnift zijn, en dan eens gebrek aan taalkunde, dan eens<br />

}, aan oordeel of fmaak verraden", enz.<br />

(f) Zk mijn werk van Paleftina pag. 176, 177.


V O O R R E D E; III<br />

en boven zullen de Geleerde in mijne Bijbelverklaring<br />

van Paleftina verj'chsidene mijner eigen aanmerkingen<br />

, ophelderingen of verklaringen van Bijbelplaatzen<br />

vinden , voelke men in vorige vlerken van die<br />

zoort te vergeefs zou zoeken.,<br />

b. ) Men zegt, waar uit is de Landkaart ontleend<br />

, en op wat gronden ruit dezelve? Ik mtwoorde,<br />

't is eene vrij algemeene gewoonte, wanneer<br />

men eene nieuwe Landkaart tekcndt, dan {indien<br />

zulks mogelijk isj eene vorige of oudere tot een grondftag<br />

te leggen, en de veranderingen of verbeteringen<br />

te halen uit eigen waarnemingen, als men zelfs gereift<br />

beeft, en indien men niet gereift heeft, dan uit<br />

deberigten van geloofwaardige reizigers. Ik heb<br />

die gewoonte in 't zamenftellen of aftekenen mijner<br />

Landkaart gevolgt, en de verbeteringen van vorige<br />

Landkaarten van Paleftina, benevens alle de merkvoaardige<br />

veranderingen met opzigt tot de hedendaagfche<br />

gefteldbeid van dat Land, getrokken uit vee-<br />

Ie geloofwaardige reisbefchrijvingen, die ik in 't<br />

zverk zelve heb aangehaald. Ja de verbetering aar.-<br />

gaande de gedaante der doode zee, zoals dezelve door<br />

NEITZSCHIÏS'Ê» NAU<br />

van de ten IVeJien liggende<br />

bergen is waargenomen ook in de Landkaart zelve<br />

geplaatft.<br />

c. ) Een derde bedenking, zou 'c niet wel gevlijd<br />

hebben, dat de ligging van de bergen Libanon<br />

en Antiiibanon , van welke in dat werk pag. 23<br />

* 2 ge-


IV V O O R R E D E .<br />

gefproken wordt, had aangewezen ge weeft? Ik ant-<br />

•woorde, 't gebergte Libanon ligt niet in Paleftina,<br />

maar maakt Jlegts de Noordelijke grenzen Uit, en<br />

in dat opzigt heb ik er van gefproken, en zou 't bui.<br />

ten twijfel in de Landkaart gebragt hebben; doch<br />

volgens de waarneming van den Heer MAUNDRELL (V)<br />

ftrekt 't zelve zig meer dan twintig uuren Noordwaards<br />

uit. Dus zou mijn Landkaart, Qndien ik<br />

dat gebergte er ingebragt had,*) zvel een derde grooter<br />

moeten geweeft zijn, 't geen ik niet valflrekt no*<br />

dig achtte.<br />

Bij deze beantivoorde bedenkingen moet ik nog mélden<br />

, dat in 't zelve bij herlezing nog eenige misftellingen<br />

bij abuis ingefloopen, ontdekt heb, die op de<br />

lijft der drukfouten niet gevonden worden. • pag.<br />

13. regel 6 vindt men de Wel Eejw. APPELS, muet<br />

zijn de Hooggeleerde Heer S. RAU, dewijl de Profes<br />

ftr Aucleur van aie Disfertatie is, welke de Heer<br />

APPELS verdedigt heeft. —•—. pag. 23. reg. 4 en<br />

5. leeft men, van koning Jozaphat, die aldaar begraven<br />

isr dit zou ik gaem dus veranderd zien, van<br />

koning Jozaphat, die volgens eene overlevering aldaar<br />

zou begraven zijn. (jf)<br />

pag. 146. reg.<br />

3.<br />

(c) Zie de kaart van den Libanon en Antiiibanon volgens<br />

de waarnemingen van MAUNDRELL in RELANDS Palsftina.<br />

(jd) In • 't woordenboek van 't land Kanaan door HALMA uit-


i<br />

V O O R R E D E . V<br />

3. fraai wegens een onregtvaardigen inval in Arabie;<br />

Lees, om dat Auguftus dagt, dat Herodes een<br />

onregtvaardigen inval in Arabie gedaan had.<br />

Foor 't overige ben ik verblijd, dat gemelde BIJ­<br />

BELVERKLARING betrekkelijk Paleftina niet minder dan<br />

mijne andere u-erken met veel genoegen ontvangen,<br />

en met vermaak en nut gelezen is, geluk mij door<br />

zeer veeten zo mondelijk, als fchriftelijk is berigt.<br />

Wat nu dit tweede en laatfte deel mijner GE­<br />

SPREKKEN over de H. Godgeleerdheid^^, daar<br />

bij heb ik nog dit volgende te betigten. • Dat<br />

de Lezer agier dit tweede deel niet zal vinden V bistorifch<br />

berigt aangaande de gevoelens van andere<br />

Godsdicnfïige Gezintbeden in ons Vaderland, waar<br />

van in de Foorrede des eerjlen Deels heb gewag gemaakt,<br />

alzo ik geraden ben 't zelve bijzónder uittegeven.<br />

lk heb agier aan een beknopte Schets<br />

van den Heidelber^fchèn Katechisntus gegeven, welke<br />

men van buiten leerenae, 't ganjche beloop van dat<br />

nutgegeven<br />

vind ik Pag. 197. die woorden: ,, Dit dal wordt 't<br />

„ dal Jozaphats genaamd, uit oorzaake zo men geloofd, dat koning<br />

Jozaphat aldaar zijn Maufoleum of graf (lede had doen<br />

maken, die eenige voor die ge ene houden, die men mg bij de<br />

» grufjlede van A'ofalom ziet". Deze overlevering is niet zeker,<br />

alzo 2 Kon. 21: 18- gezegd wordt, dat Jozaphat begraven is<br />

in den hof van zijn huis.<br />

*3


*<br />

VI<br />

VOORREDE.<br />

nuttig boekje zal keren kennen; ook heb ik tevens agter<br />

elk ftuk aangeivezen, hoe dit mijn werk daar bij<br />

ter verklaring of opheldering kan gebruikt worden.<br />

— Verzoeke ook, eer dat men dit werk leeft, alvorens<br />

de drukfouten te verbeteren. Eindelijk<br />

dank ik den Goden Vader van den Heer Jezus Christus<br />

voor alle verleende tuft en kragten tot voltooijing<br />

van dit werk, met wtnfch en bede, dat 't Hem genadiglijk<br />

behage 't zelve te doen dienen onder medezverking<br />

des H. Geeftes , tot uitbreiding van zijn<br />

dierbaar koningrijk, Amen, !<br />

VERBETERINGEN.<br />

Bladz. Regel, Staat ' Lees<br />

1<br />

i 8 Samenfpraak Samenfpraken<br />

19 s Noachs Noachs zoonen<br />

— 15 zou zouden<br />

27 22 de Wel Ecrw» den Wel Eerw.<br />

49 6 ftel ftelt<br />

66 10 dagen dagen kamen<br />

67 19 moet. Bij moet bij<br />

71 9 eigen eigen Vader<br />

— 23 daar daarom '<br />

81 6 Majeftueuzett Majcflieuzea<br />

99 10 lieftalligheid lieftaligheid<br />

ico 22 zes; Ik zeg<br />

108 4 overneewing overnoeming<br />

133 7 houd hout<br />

• 9 ophangende opgehangene<br />

• 27 jleeken doorbooren, Jleeken, doorbooren, enz.<br />

135 16 houd hout<br />

139 22 te zijn te zijn ingewonden<br />

147 12 volgt vloeijen<br />

Bladz.


V E R B E T E R I N G E N .<br />

VII<br />

Bladz. Regel, Staat<br />

Lees<br />

149 27 gelieft gelief<br />

I S I<br />

7 allergewigft allergewigtigft<br />

160 18 houd hout<br />

164 29 HJdensfloffcn lijdensftoffen<br />

I91 25 m om<br />

JO8 7 naruur natuur<br />

200 20 voorgeplant voortgeplant,<br />

201 8 algemeen algemeencr<br />

205 16 koorde hoorde<br />

2C9 19 inwendig uitwendig<br />

212 20 borgtogt dood en borgdood en opftanopllanding<br />

ding<br />

219 24 voorkomt voortkomt<br />

, , 25 voorkomen voortkomen<br />

225 23 inwendige uitwendige<br />

£31 7 2 -> 3)<br />

236 14 in verontreinigt verontreinigd<br />

342 10 575) J- L. - j<br />

249 17 Bisfchop en J


VIII<br />

oT G 3€ ê<br />

T of<br />

D E R<br />

VERHANDELDE<br />

WAARHEDEN,<br />

in deze twee DEELEN.<br />

I TPVe bronnen der H. Godgeleerdheid zijn<br />

twee, de Natuur en de H. Schrift.<br />

Zie 't Ijle deel pag. i -38.<br />

II. Daar uit leerdt men God kennen<br />

A. ten aanzien van God zelve, ifte Deel pag.<br />

39-82.<br />

B. ten aanzien van Gods merken, die met betrekking<br />

tot de fchepièlen tweèrlij zijn<br />

a. Inwendige van eeuwigheid, ifte Deel<br />

p. 83-in.<br />

b. Uitwendige in de tijd, zijnde<br />

a. de Schepping ifie Deel pag. 112<br />

-156. en<br />

b. de Voorzienigheid, die men<br />

-. eerft meer in 't algemeen bei<br />

fchouwd, ijle Deel pag. 157-<br />

102.<br />

Z. vervolgens meer in 't bijzonder,<br />

zo als zij over den menlèh gaat,<br />

die


der verhandelde Waarheden.<br />

IX<br />

ILB.b.*.r. die in vierderlij (Iaatte befchouwen is:<br />

/. In een ftaat der Regtbeid, ifte Deel<br />

pag. 293-224.<br />

//. In een ftaat van Ellende, ijle Deel<br />

• 'pag. 225-294.<br />

///. In een ftaat [der Genade, waar in<br />

men komt langs den weg van een<br />

Genade verbond.<br />

*. Dit Genade verhond op zig zelve.<br />

Zie dit 2de Deel pag. 1<br />

-46.<br />

**. Dc Middelaar van dit verbond-<br />

§. Hoedanig een Middelaar er<br />

vereifcht wordt, en wie<br />

die Middelaar is. zde Deel<br />

pag. 4.6-70.<br />

§§. Deze Middelaar moet baichouwd<br />

worden in Deszelfs<br />

1. Verhevene Nat uur en.<br />

zde Deel pag. 70 - 85.<br />

2. Veel beduidende Naamen.<br />

zde Deel pag. 86<br />

-91.<br />

3. Dierbaare Ambten, zde<br />

Deel pag. 91-1911<br />

4. Onderfcheidene Staa-<br />

* 5 ten


X S C H E T S<br />

II. B.b.b.= .///.*•.§§. 4. ten. zde Deel pag. 12a<br />

-194.<br />

5. Heilrijke Weldaaien. En<br />

deze zijn van 'weerlij zoort.<br />

.. Vooreerft zodanige, waar<br />

door men Bondgenoten<br />

des Hecren wordt<br />

(a) namelijk<br />

{a) de Roeping, zde<br />

Deel pag. 195<br />

-207.<br />

(f) 't Zaligmakend<br />

Geloof gepaard<br />

r, met eene waare<br />

Bekeering. zde D.<br />

p. 207-222.<br />

(b) Deze geroepene Gelovigen<br />

komen in de<br />

H. S. voor onder de<br />

benaming van de gemeente<br />

des Heeren, in<br />

't onduitfch Kerk.<br />

(a) de Hoedanigheden<br />

van die Kerk zde<br />

D. p. 222-240.<br />

(b) 't beduur der Kerk<br />

zdeD.p. z^c-ens.<br />

*. Ten tweeden, zulke Weldaa-


der verhandelde Waarheden.<br />

XI<br />

II. B. b. b.~.11!."*. S§. $ ••. daaden, die de Gelovigen,<br />

als Bondgenoten erlangen,<br />

zo in dit leven, als na die<br />

leven,<br />

(a) De<br />

(a) voornaamfte in dit<br />

leven zijn<br />

(—) de Regtvaardfc<br />

ging. 2 D. p. 286<br />

-306. en 348. enz.<br />

(~ ) de Heiligmaking.<br />

iD.p. 307.329.<br />

(&) Hier bij kan men nog<br />

N<br />

andere voegen als: de<br />

Vrede met God; de<br />

Aanneeming tot kinderen;<br />

de Verzegeling<br />

de Verzekering; de<br />

Vertroofting, de Bewaring,<br />

zde Deel. p.<br />

329-360.<br />

(b) Ook worden deze Weldaden<br />

tot nut en trooft<br />

der Gelovigen verzegeld<br />

door de Sacramenten,<br />

(a) Van de Sacramenten<br />

in 't gemeen, gelijk<br />

ook van die des<br />

O. T,


XII S C H E T S<br />

B.B.b.^=.///.**.S§.5.-Cb)C«) O. T. zde Deel p.<br />

361-390.<br />

(Jp) ln 't bijzonder van<br />

die des N. T.<br />

(-) den H. Doop.<br />

zde D. p. 391<br />

-425.<br />

(p ) 't H. Avondmaal,<br />

zde D. p. 425-<br />

465.<br />

////, De vierde ftaat des menfchen is de<br />

ftaat bier namaak, terftond bij den<br />

dood, in den dag der opftand>ng,<br />

bij 't laatfte oordeel, en tot in eene<br />

n<strong>im</strong>mer eindigende eeuwigheid: 't<br />

zij tot heerlijkheid, 't zij tot rampzaligheid,<br />

zde D.p. 466-506.<br />

HET


Pag.<br />

i<br />

HET<br />

N E G E N D E<br />

G E S P R E K ,<br />

over 't<br />

Genade.Verbond, en den Middelaar des Verbonds be*<br />

fclwuwd in zijne beide Natuurcn.<br />

'<br />

315-) Qfongeling. Was ik een geru<strong>im</strong>en tijd van<br />

J uw nuttig onderwijs verftoken, ik ben<br />

nu zeer verblijd, dat thans onze famenfpraak over<br />

de dierbaare waarheden van onzen Godsdienft weer<br />

een aanvang nemen.<br />

Leeraar. ik ben nogthans in dien tusfchen tijd<br />

bezig geweeft om U en anderen nuttig te zijn.<br />

316".) J. Mag ik weeten waar mede?<br />

L. Gij moogt dit zeer wel weeten: herinner U flegts,<br />

dat toen wij over de H. SCHRIFT fpraaken, ik U gezegd<br />

heb, dat onkunde aangaande de Lands-enLuchtsgefteldhaid<br />

en de bijzondere gewoontens in 't Oos-<br />

Ilde DEEL A ten.


s<br />

Het negende Ge/prei,<br />

ten, ons veele dingen in den Bijbel onverfraanbaar<br />

doen voorkomen, gelijk ik dit toenmaals met eenige<br />

voorbeelden aantoonde (/). Over dit ftuk nu heb<br />

ik opzettelijk een boek gefchreeven, waar in<br />

mijn werk gemaakt heb om de rnéèfte en voornaamfte<br />

phatzen, die uit de gefteldheid van PALESTINA kunnen<br />

verklaard worden, op te helderen.<br />

317. ) J. Dit werk kan niet aaders dan ongemeen<br />

nuttig zijn, maar dit zal U buiten twjjfel veel moeijte<br />

gekolt hebben.<br />

L. Dit is zoo; doch hebbe deezen arbeid met veel<br />

aangenaamheid verrigc. £.n, om dat ik weet, dat<br />

gij een beminnaar zijt van Gods heilig woord, en U<br />

op deszeïfs uitlegging bevlijtigt, zoo ftel u thans<br />

een Exemplaar van dit mijn werk over Paleftina ter<br />

hand , niet twijfelende of gy zult het met vermaak<br />

lezen.<br />

318. ) J. Ik bedank U zeer. — Verfchoon nog.<br />

thans mijne onwetendheid; is PALESTINA niet'tzelve<br />

land dat oudtijds KANAAN heette V<br />

L. Zoo<br />

(0) Zie 't eerfte deel pag. 25. van mijnen Katechismus der<br />

H. Godgeleerdheid.<br />

(i>) Genaamd BIJBELVERKLARING betrekkelijk tot PALESTI­<br />

NA, befchouwd inderzclverlands cv. lucht:gefltldheid, vrugtbaarheid,<br />

gedierten;, lotgevallen, Inwooners, zeden en gewoontens,<br />

Aardrijkskundige gejleldheid: alles ter opheldering van de H.<br />

Schrift, vtrfierd met eene op nieuwgetekende LANBKAAST.


etw V Genade-verbond, ent. 3<br />

L. Zoo is't, oudtijds was de naam Kanaan, en<br />

na dat JACOBS nagedacht in 't Zelve woonde, werd 'c<br />

onder anderen 't Land Ifraëls genaamd; 't is 'callermerkwaardigfte<br />

gedeelte van onze bewoonbaare aarde,<br />

dat ergens in de H. S. voorkomt. God heeft<br />

in dat Land wonderen van magt en goedertierenheid<br />

betoond. De Zaligmaker is'er in gebooren,, heeft<br />

'er 't Euangelie verkondigd en heeft op Golgotha 't<br />

verbond der Genade en der verzoening beflooten, als<br />

hij dervende zeide, 't is volbragt! - En 't is<br />

van dit GENADE-VERBOND, waar van wij een aanvang<br />

met ons gefprek maken zullen.<br />

310.) J. Naar deeze ftoffe ben ik lang begeerig<br />

geweeft. Mag ik 't onderfcheid vragen, dat er rusi'chen<br />

dit Genade-verbond en 't Werk-verbond plaats<br />

heeft?<br />

L. Dit zullen wij zoo ftraks zien, ik moet vooraf<br />

iets van 't woord zeggen. Het Hebreeuwfche woord<br />

rvn Berith dat wij in 't O. T. vinden, komt af van<br />

een woord, 't welk aanduidt doorhouwen of doorklieven,<br />

ook wel eeten, een maaltijd houden, om dat<br />

men gewoon was bij 't maken van verbonden beeften<br />

aan Hukken te houwen tot offeranden, en offerandsmaaltijden.<br />

(c). In 't N. T. heeft men in 't Grieks<br />

(») Men was van ouds gewoon bij 't maken van een verboni<br />

A 2


4 Het negende Gefprek,<br />

Ai^S-^t, Diathë'kë, 't welk niet alleen een Teftament<br />

of uiterf.tn wil te kennen geeft, maar ook een verbond,<br />

gelijk 't in dien laatften zin meelt over al in<br />

de Schriften van 't N. T. voorkomt, gelijk ook daar<br />

uit blijkt, om dat er geduurig bij V verbond gewag<br />

gemaakt word van bloed, borg, middelaar, beloften,<br />

geboden, tnz. al't welk ons niet aan een teftament,<br />

maar verbond doet denken; men zie Mattb. z6: 28.<br />

Hebr. 7; 22. 8: 6. 9: 15, 20. Paulus fpreekt egter<br />

van een Tefiament Hebr. 9: 15, 16", 17. daar hij<br />

in 't )ó vers zegt: want waar een Teftament is,<br />

daaris'tnoodzake, dat de dood des Teftamentmakers<br />

\tusfche>i\ home. Nogthans fchijnt hij in die verfen<br />

flegts te zinfpeelen, als hij van 't genade verbond<br />

fpreekt, opeen Teftament, enkel wegens de zekerheid<br />

en<br />

bond door die Hukken van de offerbeelten door te gaan Jer.<br />

5,4t 18, 19. Dit heeft misfchien al plaats gehad in Abrahams<br />

tijd, ten minfte, wij zien, dat een doorlugtig teken<br />

van 's Heeren tagenwoordighcid bij't maaken van een verbond,<br />

door de doorgcboiwene offerdieren ging Gen. 15:<br />

19. Dit doorhouwen van beeften, bij 't maaken v:m een ver.<br />

bond, heeft aanleiding gegeven tot de ipreekwijs in 't Hebrecuwfeh,<br />

van een verbond dotrhouwen in plaats van een<br />

verbond maken, want zo lezen wij eigenlijk Exod. 34: 10.<br />

Ff. 50: 5. Ook wel 't woord - doorhouwen of klieven zonder<br />

dat '1 woord verbond er bij komt. b. v. 1 Sam. 20: 16.<br />

Hagg. 3: 5.


overat Genade-Ferbond. enz. 5<br />

en vaftigheid; dewijl hij terftond tot 't denkbeeld<br />

van een verbond wederkeert vers 18 - 20. (d;.<br />

320. ) J. Zijn er geen Godgeleerden, welke 011-<br />

derfcheid maaken tusf.hen 't TESTAMENT der Genade<br />

èn 't VERBOND der Genade?<br />

L. Ja, met betrekking tot de Verbondsgoederen,<br />

op deze wijze, dat zommige genade weldaden, als<br />

daar is de inwendige roeping, 't zaligmakend Geloof,<br />

goederen zijn, die de uitverkoorenen deelachtig worden<br />

, alleen uit kragt van 't Teftament der genade;<br />

daar de regtvaerdiging, heiligmaking, verzegeling<br />

enz. goederen zijn, die zij uit kragt van 't Genade<br />

verbond verkrijgen. (


6 Het negende Gejprek,<br />

L. Om dat de Uitverkorenen, voor dat zij de inwendige<br />

Roeping en 'r zaligmakend Geloof deelachtig<br />

zijn, nog niet als bondgenooten van 'c Genade<br />

verbond kunnen gerekend worden, want door 't geloof<br />

wordt men een bondgenoot, en de eerfte weldaad,<br />

die men dan als zodanig erlangt, is de Regtvaardiging,<br />

enz. (ƒ)<br />

32a.)<br />

Moet men in dit verbond ook niet in 't<br />

oog houden, 't geen UE. tot mij in 't zesde Gefprek<br />

(ƒ) De beroemde F. TURRETIN (Comp. Tkeoi. I. X. 5 6.)<br />

%tgu „ Het verbond der Genade heeft iets gemengd uit een<br />

Teftament en em verbond. Van daar, dat 't niet kwalijk genoemd<br />

wordt een Tejlamentair verbond en een verbonds Teftament.<br />

Het is ttn Verbond , om dat tot een verbond behoort<br />

een overeenkomft tusfehen partijen, en aan beide zijden<br />

voorwaardens gefield worden, zo van de zijde Gods<br />

als van den kant der menfehen, en er een middelaar is die de<br />

vcrfchillende partijen verzoent. Maar hetisook een Teftament<br />

ï.) Om dat er hier gefprooken wordt van een verbond, in,<br />

bet welk eene erffenis wordt beloofd, welke noodwendig den<br />

yoorafgaanden dood des Tcftamentm akers vereifcht. 2.) Om<br />

dat dit verbond alleen tot ons voordeel gemaakt is, gelijk in<br />

een Teftament niet 't voordeel des Teftamentmakers, maar<br />

der erfgenamen bedoeld wordt. Zo ook God heeft een verbond<br />

gemaakt, niet tot onderlinge voorregten, zo van zig<br />

ali de zijnen, maer alleenlijk van de laatften &c".<br />

Het is der moeite waardig, over dit ftuk ook te lezen du<br />

Voorrede van Profr. J. WESSELIÜS te vinden in 't Eerfte dee\<br />

van B. PICTST'S Chrift. Gtdgelterdh.


over 't Genade-Ferbond, enz.<br />

f<br />

fprek (Ifte deel p. 208.) zeide, namelijk dat men van<br />

zulk een Godlijk verbond, geen meniehliikc denkbeelden<br />

moet maken?<br />

L, Zekerlijk ja. Wanneer men van een verbond<br />

fpreekt verftaat men veel al daar door, „ eene vrijwillige<br />

overeenkomft van twee of meer perfoonen<br />

„ over eene willekeurige zaak, na dat er vooraf ze-<br />

„ kere redewislèling• heeft plaats gehad; al 't welk<br />

„ de grond is van wederzijdfche eisfehen en beloften,<br />

„ welke onderling gedaan zijn". Het verbond<br />

Gods is zeer onderfcheiden van menfchlijke verbonden,<br />

dewijl God, die onafhangelijk is', den menfeh<br />

door eisfehen of gebieden verpligten kan tot zijnen<br />

dienft, daar hij ook magt en regt heeft om deszelfs<br />

gehoorzaamheid te beloonen en deszelfs ongehoorzaamheid<br />

te ftraffen. Van hier, dat wij in de H. S.<br />

lezen van een verbond dat God geboden heeft PJ. 3:<br />

9. Hebr. 9: 20. Door een verbond Gods met den<br />

menfeh, kan men dar. in 'talgemeen verftaan. „ Ee-<br />

„ ne bekendmaking van den Godlijken wil, waar<br />

„ door God zig vrijwillig verbindt, des menfehen ge-..<br />

„ luk langs zekeren weg te bevorderen 1 '. Dit verbond<br />

kan éénzijdig (g) genaamd Worden, om dat<br />

God<br />

(jr) Het is ook waanchijnlijk om die rede dat wij zo dikwijls<br />

lezen van ZSJN, namelijk Gods Verbond, b. v. PJ. 25:<br />

JO, PJ. 3: 5, S>«<br />

A 4 *


S<br />

Het negende Gefprek,<br />

God er alleen de uitvinder en de ontdekker van is,<br />

en de menfeh in allen opzicht afliangelijk van God;<br />

maar men kan 't ook tweezijdig noemen, voor zoo<br />

ver de menfeh in zulk een verbond inftemt, 'er Ja en<br />

Amen op zegt.<br />

3 2 3-) J- Ik merk, dat uwe gedaane befchrijving<br />

van een Godlijk verbond zoo algemeen is, dat ik geloof,<br />

dat men dezelve op alle de verbonden, die God<br />

ooit gemaakt heeft, zou kunnen toepasfen; mag ik<br />

derhalven eene befchrijving van \ Genade verbond?<br />

L. God rigt een Genade verbond op, wanneer<br />

Hij eene verklaring doet, waar in Hij zig vrijwillig<br />

verbindt om zondaars , die in zijn Zoon geloven ,<br />

om of van wegen deszelfs middelaars verdienden zalig<br />

te maken. De zondaar dit verbond inftemmende, er»,<br />

zig aan 's Heeren dienft Verbindende, word insgelijks<br />

gezegt, met God een verbond te maaken. (*)<br />

His-<br />

(A) Dat de woorden verbond oprigten of verboni maken,<br />

welke wij dikwijls van 't hoogfte Opperwezen gebruikt vinden,<br />

derzclver voorname kragt hebben, in zig tot zekere zaak<br />

te verbinden of zekere beloften te doen, blijkt daar uit, om<br />

dat die woorden gebruikt worden, ook dan, als er geen pügten<br />

worden voorgefchrevan, maar de verbintenis, zonder<br />

eenige voorwaarde aan de zijde Gods alleen is. Men ?ie zodanig<br />

een verbond. Gen. 9: 9 -- 17.<br />

(i) Het inftemmen van een verbond fchijnt oudtijds gefchicd<br />

te zijn door '* gtvtn van de hand, men zie dit Ezech.<br />

I7--


sver 't Genade-Verbond, enz. 9<br />

HISKIA zeide: Nu is 't in mijn harte een verbond<br />

te maken met den Heere 2 Chron. 29: 10. Het Genade<br />

verbond dan aan beide zijden befchouwd, zal op<br />

deze of zoortgelijke wijze kunnen befchreven worden.<br />

„ Die genadige ontdekking van God in 't<br />

„ Euangelie, waar door Hij aan aller ellendigfte men-<br />

„ fchen genade laat "aankondigen om de Middelaars<br />

„ verdienden van zijnen Zoon, en die genade belooft<br />

„ aan zulken, die geloven en zig bekeeren; daar de<br />

„ uitverkooren zondaar door voorkemende genade<br />

„ in dat verbond inftemmende, deel krijgt aan afle<br />

,) de weldaden des verbonds, en op God een aller.<br />

„ zaligfte betrekking ontvangt." Uit deze be-,<br />

fchrijving kunt gij gemakkelijk 't onderfcheid tusfchen<br />

't Werk verbond en 't Genade verbond afleiden.<br />

324.) J. Mag ik de overeenkomft en 't onder-'<br />

fcheid wat breder horen ?<br />

L. Het verbond der Werken en der Genade komen<br />

onder andere daar in overeen, dat zij uit de Godlijke<br />

goedheid en zijn vrij welbehagen voortvloeijen;<br />

dar er dezelve gelukzaligheid in beloofd wordt Rom.<br />

8: 3. Doch 't Genade verbond verfchilt van 't<br />

Werkverbond. 1.) Hier is't verbondshoofd CHRIS­<br />

TUS , daar was 't ADAM. 2.) De beloften van 't eerste<br />

17: 18- Klaigl, 5: 6. Op deze gewoonte wordt gezinfpeeld,<br />

als er gezcgt wordt £«ƒ{ den Heert de hond. 2 Chrm. 30: 8.<br />

A 5


io<br />

Het negende Gefprek,<br />

te verbond waren 't eeuwig zalig leven, niet alleen op.<br />

aarde in Gods vriendfehap, maar vooral namaals in<br />

heerlijkheid; in 't genade verbond behalven dit, ook»<br />

nog genade hier, door vergeving van zonde, heiligmaking<br />

enz. 3O Daar was geen Middelaar nodig<br />

zo als in dit verbond. 4.) 't Eerfte betrof alle menfchen<br />

, dit alleen de uitverkoorenen. 5.) De voorwaarde<br />

in 't eerfte verbond, eene volmaakte onderhouding<br />

der wet in eigen perfoon, in dit 2de verbond,<br />

't Geloof in den Middelaar.<br />

3 2 5-) J' Gij fchijnt ook voorwaarden te (tellen<br />

in 't Genade verbond, en dit wordt zo als<br />

ik gemerkt heb, van fommige onzer Godgeleerden<br />

tegengefproken ?<br />

L. Dit is flegts een woorden gefchil tusfehen onze<br />

Ilegtzinnige Godgeleerden. Zij komen tog daar in<br />

overeen, z.) Dat niemand dan door geloof en bekeering,<br />

een deelgenoot van dit verbond kauworden.<br />

2.) Dat God die als pligten voorfchrijft. Mare. 1:<br />

15. Bekeert u en gelooft 't Euangelium. 3.) Dat<br />

de menfeh die voorvereifchten door eigen natuurkragten<br />

niet volbrengen kan, maar door den H. Geeft daar<br />

toe moet bewerkt worden, op dat 't hem gegeven<br />

•worde in de zaake van Chrifius te geloven. Phili<br />

1: 29. Het zal er derhalven niet op aan komen, of<br />

men de woorden pligten, eisfehen of voorwaarden<br />

gebruikt (*> 326.) J.<br />

Qtj Vide Sis. FR. TURRETIJU Ccmp. L. 10. $. 23.


over't Genade-verbond, enz.<br />

H<br />

326.) J. Ik hoorde daar zo even in de befchrijving<br />

van 'ï Genade verbond gewag maken van *t Euongeile<br />

, dar God zig dair in genadiglijk ontdekt<br />

had; maar moet ik dit dus opvatten, dat dit Genade<br />

verbond eerft met den tijd des N. T. is bekend geworden<br />

?<br />

L. Ik begrijp wel, dat gij ook nog behoort tot<br />

die onkundigen, die als zij \ woord Euangclie horen<br />

noemen, aanftonds denken aan de Schriften der<br />

vierEuangelifen, Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes;<br />

doch dit is zeer verkeerd. Het woord<br />

EUANGELIUM is van een' Griekfchen oorfprong, ea<br />

duidt aan, eene blijde boodfibap, en zo wordt de leere<br />

der zaligheid te regt genaamd, om dat er geen aangenamer<br />

tijding kan worden uitgedagt, dan dat vloekwaerdige<br />

mentenen in de gunfte Gods herfteld en<br />

eeuwig kunnen gelukkig worden. Door't Euangelie<br />

verftaan wij dus alle die ontdekkingen, welke van<br />

tijd tot tijd gedaan zijn aangaande den Mesfias, welke<br />

't groote verlosfingswerk zou te weeg brengen,<br />

of dadelijk heeft te weeg gebragt. En daarom onderfcheidt<br />

men 't zelve in een Euangelium der belofte<br />

onder 't O. T. beftaande in de Godfpraken^ die aangaande<br />

den Middelaar gedaan zijn; en in een Euangelium<br />

der vervulling onder 't N. T. waarin ons geleerd<br />

wordt, dat in Chriftus, al 't geen de propheeten<br />

voorzegt hadden, dadelijk is vervuld. R»m. 1:<br />

1 s. Hebr* 4: w En om dat in de vier eerfte Boeken<br />

\ \


t* Het negende Gefprek,<br />

ken des N. T. die vervulling is aangewezen, worden<br />

die boeken Euangdien en derzelver Schrijvers<br />

Euangelifien genaamd.<br />

327. ) J. Dit begrijp ik zeer klaar. Wat hebt ge<br />

verder over dit genade verbond aantemerken ?<br />

L. Ik merk hier nu nog aan, dat fchoon de Gelo-<br />

.vigen voor en na Chriftus geboorte, beide aan alle dezelve<br />

genade goederen hebben deel gehad, wat't wezen<br />

der ziak betreft, nogthans de bedeeling der Genade<br />

leer onder 't O en N. T. is onderfcheiden ge--<br />

weeft.<br />

328. ) J. Zouden de Gelovigen des O. T. aan alle<br />

de wezenlijke goederen van 't Genade verbond hebben<br />

deel gehad ?<br />

L. Buiten twijfel.. Zij hadden den zeiven perfoon<br />

des verlosfers, in wien zij moeften geloven Pf.<br />

i ' 12. Die fchoon nog geen menfchlijke natuur hebbendeaangenomen,<br />

en dus ook toen nog niet dadelijk<br />

voldaan had, evenwel zekerlijk voldoen zou. Uit<br />

kragt van welke aan te brengene borggeregtigheid van<br />

Chriftus, de gelovigen des O. T. alle genade weldaden<br />

deelagtig zijn geworden, als daar is: 't.geloof<br />

ter Regtvaardiging. R.om, 4: 3. Abraham geloofde<br />

God en 't is hem gerekend tot Regtvaardigheid. Vergeving<br />

van zonden, Pf. 32: 5. Gij ver gaaf t de ongeregtigheid<br />

mijner zonden. Heiligmaking Pf. 51;<br />

12. Schep mij een rein harte enz. Verzegeling vs.<br />

14. Geef mij weder de vreugde uw et betlt. Het uitzicht


over't Genade-Verbond, enz. 13<br />

zicht en de zekere verwagting van eene toekomende<br />

heerlijkheid Hebr. 11: 10. [ABRAHAM] verwagtte<br />

de jïad die fundamenten beeft. Zie ook Job. 19:<br />

25. En dergelijke weldaden meer.<br />

3 2 9-) J- Maar gij zeide, dat de bedeeling der ge*<br />

nade leer onderfcheiden is geweeft.<br />

L. Deeze is zeker onderfcheiden geweeft, voor,en<br />

na Chriftus komfte in 't vleefch ; men noemt dit<br />

ook de Huishouding der verbonden, zynde de handelwijze<br />

die God met zijne kerk gehouden heeft.<br />

330. J. Hoedanig is die geweeft voor Chriftus<br />

geboorte, en hoedanig nu; welk is tog dit onderfcheid<br />

?<br />

L. Mijn befiek duldt niet om u dit in t breede aan<br />

te toonen, hier over zouden wij verfcheiden reizen<br />

famenlpraken kunnen houden. Ik wil er u nogthans<br />

op uw verzoek wel iets van zeggen, alzo dit ved<br />

invloed heeft op andere legrftukken van onzen Gods.-<br />

dienft.<br />

33I-) J- Ik zal vlijtig en opmerkzaam toeluis-<br />

«eren.<br />

L. Onder 't O. T. is de huishouding Gods met<br />

zijne kerk niet eenerlij geweeft: men kan hier drie<br />

voorname tijdperken in acht nemen; te weten, van<br />

Adam tot Abraham; van Abraham tot Mozes; en<br />

van Mozes tot Chriftus.<br />

A. Het eerfte tijdperk, is dan van Adam tot A«<br />

braham; bevattende in zig ru<strong>im</strong> twee duizend jaaren.<br />

lo


14 Hst negende Ge/prek<br />

In deezen tijd heeft God aan doemwaerdige ftervelingen<br />

zijn genadigen wil bekend gemaakr. Reeds<br />

aan 't eerfte paar raenfchen, terftond na den val, kondigde<br />

Hij een middelaar aan, in die eerfte Euangelie<br />

belofte. Gen. 3: 15. daar God zegt: M zal vijand-<br />

Jchap zetten tusfchen u, en tusfchen deze vrouwe,<br />

en tusfchen uwen zaade en tusfchen haaren zaade:<br />

dat zelve zal u den kop vermorfelen, en gij zult'f<br />

de verzenen vermorfelen. Dat God in zijne rede<br />

blijft voortgaan tot de flang, maar den Duivel bedoelt,<br />

welke in die flang gevaren was, hebben wij<br />

voorheen gezien. [ l. D. p. 245. ] Door 't vrouwe<br />

zaad moeten wij niet alle de nakomelingen van Eva<br />

verftaan, maar een zaad bij uitnemendheid (/), 't<br />

welk is Chriftus, die met nadruk een vrouwe zaad<br />

tnag genaamd worden, om dat Hij op een wonderdadige<br />

wijs, zonder toedoen des mans uit eene vrouwe<br />

is voortgekomen. Door 't flange zaad wordt bekwaamlijk<br />

aangeduid de Duivel met al zijn aanhang<br />

de Godlozen, die een zaad des Duivels zijn. Joh.<br />

8: 44. Deze zou door zijne vergiftige beet de verzenen<br />

van Mesfias vermorfelen, en Hem een val toebrengen<br />

, (m) maar geen val, waar van Hij niet weer<br />

zou opftaan; neen, maar in tegendeel zou 't zaad<br />

der<br />

(/) Zo word meermalen door 't ZAAD (per eminentiam)<br />

CHRISTUS verftaan, b. v, Gen. 22: 18. vwgel, GaU 3; 16.<br />

(m) Zie dergelijk zinnebeeld. Gen. 40. 17.


over't Genade-verbond, enz. 13<br />

der vrouwe, de flang den kop vermorfelen , dus<br />

hem een doodiijke wonde toebrengen, hem al de magt<br />

benemen om Chriftus en zijn volk teverderven. De Vijandfchap<br />

nu des Duivels is de vrieadfchap Gods. Stelde<br />

God die nu aanvangelijk tusfchen de Slang en de<br />

Vrouwe, wij mogen hier uit befluiten, dat de Vrouwe<br />

deze heil belofte omhelft heeft en een bondgenoot<br />

van 't Genade verbond is geworden , en waarom<br />

ook niet Adam? Dewijl God in dit Hoofdftuk wel<br />

meer tot één der menfchen fpreekt, 't geen beide<br />

raakt, men zie vs. 19, 23.<br />

33a.) J. Maar neem mij niet kwaalijk, dat ik U<br />

in de rede val, hebben Adam en Eva dat alles zo<br />

duidelijk begrepen? mij dunkt als wij geen andere<br />

plaatzen hadden, inzonderheid des N. T. waaruit wij<br />

dezelve toelichten , zou ze ons zeer duifter voorkomen.<br />

L. Gij hebt gelijk, indien deze plaats in Christus<br />

haare vervulling niet airede bekomen had, en wij<br />

geen bijzonder onderwijs er bij hadden , zou die<br />

rext zeker ons moeijlijk , ja laat ik zeggen duifter<br />

zijn. Hoe verre nu onze eerfte ouders en de gelovigen<br />

van dit tijdperk inzien in deze zaken, Mesfias<br />

betreffende, gehad hebben, kan wel niet nauwkeurig<br />

gezegt worden, dit fchijnt nogthans zeker, dat wij<br />

aan den eenen kant geen zoo groote kundigheid hun<br />

moeten toefchrijven, hoedanig wij hebben, nu reeds<br />

Jezus Chriftus 't groote verlosfingswerk heeft te weeg


l6<br />

Het negende Gejprek,<br />

gebragt; maar ook aan de andere zijde niet al te<br />

fchaars van moeten denken, daarin dien tijd Godlijke<br />

openbaringen waren , benevens Propheeten die<br />

door den Geeft van Chriftus fpraaken,, hoedanig E-<br />

NOCH, ISiOACH en meer andere geweeft zijn, menvergelijke<br />

Judavs. 14,15. Hebr. 11: 7.<br />

2<br />

p e<br />

tr. ar 5.<br />

welke Godsmannen de kerk tot leering en onderrigting<br />

ftrekten. («).<br />

333-) J- Gelief nu verder voor te gaan.<br />

L. In dezen vroegen tijd heeft men ook offeranden<br />

gehad, men zie Gen. 4: 4. en 8: 20. Deze offeranden<br />

waren buiten twijfel van Godlijke inftelling.<br />

Dit blijkt. 1.) Hoe zou tog een Godsdienft van<br />

menfchlijke uitvinding 't hoogtle Opperweezen welgevallig<br />

zijn ? Daar Paulus zegt dat ABELS offerande<br />

Code behaagde, en daarom over deszelfs gave getuigenis<br />

fe gaf Hebr. 11: 4. Dewijl de Zaligmaakfreenen<br />

eigen willigen Godsdienft verwerpt. Matih. 15: o. 2)<br />

Hoe zou 't tog buiten Godlijke openbaring, aanmenfchen<br />

in den zin gekomen zijn, om 't redenloze vee<br />

op 't altaar te verbranden om den Heere daar door te<br />

dienen. 3) ABEL heeft in den Gelove geofferd Hebr.<br />

11:<br />

(») De zeergeleerde BUURT (kort begrip der Bifch. Godg.<br />

ƒ. 632-) is van oordeel dat er van ENOCH tot NOACH agt<br />

predikers der geregtigheid zijn geweeft, waar van NOACH<br />

«le.agfte was, en dat wij zoo moeten begrijpen t Pttr.<br />

*• 5.


ever 't Genade * verbond, enz. 17<br />

IJ..* 4. hierdoor nu kan men niet anders verftaan, dan<br />

't. zaligmakend geloof, een geloof dat verkeerde omtrent<br />

den toekomftigen Mesfias (*) Deze offeranden<br />

fchijnen in dien tijd al van meer dan eenerlij<br />

zoort geweeft te zijn , volgens Gen. 4: 3, 4.<br />

Dewijl nu van iómmige offeranden een gedeelte verbrand,<br />

eneén gedeelte gegeten wierd, zo kunnen die<br />

worden aangemerkt als Sacramenten of bondzegelen<br />

voor de kerk reeds in dien tijd. Immers hier is alles<br />

wat tot een Sacrament behoort, 1.) Een uitwendig<br />

teken, zeker offerdier; a) Eene betekende zaak<br />

de offerande van Chriftus; 3.) Eene vereeniging<br />

van 't teken met de betekende zaak, zo dat er niet<br />

alleen zekere overeenkomft tusfchen die beide gevonden<br />

wordt, maar ook dat 't teken met de betekende<br />

zaak gepaard ging in een gelovig gebruikmaker; dat<br />

is, zo waarlijk zij door 't eeten gemeenfchap hadden<br />

aan 't offervleefch, zij ook deel hadden aan Mesfia*<br />

en de heilweldaden, die Hij te zijner tijd verwervea<br />

zou. 4.) liene Godlijke inftelling, gelijk reeds getOQfid<br />

(*} Dit blijkt onder andere daar uit, dat ABEL door 'tgelove<br />

offerendd, gezegt word door 't zelve een getuigenis bekt»-<br />

komen te hebben, dat hij regttaerdig was, dus 't regtvaerdigend<br />

geloof, Hebr. XI; 4.<br />

Ilde DUEL,<br />

B


j8<br />

Het negende Gefprek,<br />

toond is. fV) .Er had in dien tijd al plaats\<br />

ondcrfcheid tusfchen 't reine en onreine vee Gen. 7:<br />

a.. Ook mogt men 't vleefch met zijn bloed niet ee«<br />

ten. Gen. 9: 4.<br />

334.) J. Hebt gij nog iets meer aantemerken in<br />

dit tijdperk ?<br />

L. Ik zal nog flegts van twee dingen melding maken,<br />

vooreerft, dat God zig in de bedeeling van de<br />

Genade leer niet bij een huisgezin bepaald had, of<br />

bij een enkel gedacht, gelijk in 't 3de tijdperk gefchied<br />

is. Het is waar, dat KAÏN na zijn broedermoord<br />

uitging van 't aangezicht des Heer en, van<br />

die plaatze daar God zig geopenbaard had, en ooftwaards<br />

vmEden naar 't land Nodnok; en de meefte<br />

Godvrugtigen uit SETH fchijnen geweed te zijn, welke-<br />

zig ter onderfcheiding van anderen naar den naam<br />

des Heeren noemden Gen. 4: 26. Q>) 1 uit weiken ook<br />

de<br />

(0) De beroemde Hoogleeraar Wns houdt die ofFerznden<br />

van dien tijd voor gewoonc Sacramenten des Genaden<br />

verbond*, zie deszelfs Oecommia Ftsdtrum of de bedeelinge<br />

der verhondin Gods, 't vierde boek ide Hoafdft. 5- 6, 7*<br />

(j>) Zo moeten de woorden vertaald worden. Gen, 4: 26,<br />

men zie mijn kort begrip der Bijbelgefchiedenisfen in deszelfi<br />

voorrtde, waar in veele ophelderingen, de Bijbelgefchiedcnis<br />

betreffende, gevonden worden, en bij den uitgever dozes<br />

H, VAK OTTERLOO is te bekomen. —— Ik zeg met nadruk<br />

de


ever't Genade-verbond, enz. 15<br />

de vrome NOACH oorfprongelijk is. Maar men kan<br />

niet bewijzen, dat de waare Godsdienft alleen geduurende<br />

dit tijdperk in 't huisgezin of gedacht van maar<br />

éénen van Noachs is geweed, maar de waare leer<br />

der zaligheid is ook 'ih die Familien overgebleeven,<br />

waar uit MELCHISEDEK, JOB, en andere ooripronglijk<br />

zijn geweed, gelijk er ook nog naderhand overblijf»<br />

zelen van den waaren Godsdienft bij ABIMELEOH, Koning<br />

van Gerar gevonden wierden Gen. 20: 3 - xo.<br />

Ten tweden heb nog aantemerken, dat God een verbond<br />

maakte met NOACH en zijn nagedacht benevens<br />

alle dieren der aarde, dat n<strong>im</strong>mer de wateren de aarde<br />

ter verdelging van alle levendige zielen overdromen<br />

zou, gelijk toen gefchied was, en den zevenkleurigen<br />

regenboog hier rau tot een gedenkteken delde<br />

dt mec/le Godvrugtigen fchijnen uit SSTH geweeft te zijn,<br />

want dat er geen uit andere Familie geweaft<br />

zijn , kaa<br />

niet bewezen worden ; MOZES verhaal ii zeer kort, hij<br />

maakt nauwlijks van menfehen voor den zondvloed gewag»<br />

als waar uit NOACH in een regte linie is afgedaald, Gen. s


20 Het negende Cefprekj<br />

de. (q) Dit algemeen verbond nu was 't Genade<br />

verbond zelve niet, maar was uit kragt van', of wegens<br />

't opgerigte Genade verbond, en behoorde dus<br />

mede tot de bedeeHiig des verbonds in dien tijd.<br />

335.) J. Ik verlang al om te horen de bedeelirge<br />

der Genade leer onder 't tweede tijdperk des O. T.<br />

L. Het<br />

E. tweede Tijdperk begint met de roeping van<br />

ABRAHAM. Niet lange na den zondvloed begon 't<br />

gctnfche merifchdom zijnen weg te verderven en met<br />

verlating van den waaren- God tot Afgoderij te vervallen.<br />

Zon, Maan, Sterren, die Hemellichten, welke<br />

men zag dat zo veel nut aanbragten; werden als<br />

Goden geëerd en gediend, gelijk ook 't Vuur en andere<br />

fchepzelen. Dewijl nu volgens 't Godlijk raadsbeiluit<br />

de Middelaar eerft na verloop van omtrent<br />

tweeduizend jaaren (r) zou in de waereld komen,<br />

zo dag: 't der goddelijke wijsheid goed, om zeker<br />

volk van alle andere volkeren der aarde aftezonderen,<br />

onder welke de leer aangaande den Mesfias meer zuiver<br />

kon bewaard blijven. Hij riep ABRAM uit Ur<br />

een Had der Chaldeen in Mefbpotamie, op dat hij dit<br />

afpodiichland verlasten zou en overgaan naar Kanaan t<br />

gelijk ook ABRAM met eenige zijner naaftbeftaande<br />

(4)'Zie over Jen'Regenboog MARTINET Katethismus der<br />

natuur 1 Deel p. 138 -- Hl-<br />

(r) Zijnde 4000 na de fchepjping.


over *t Genade - verbond, enz.<br />

de deed. De Heere deed aan ABRAM die gunftrijke<br />

toezegging, Gen. 15: 1. Frees niet Abram ik ben u<br />

een Jcbild, 'uw, hen zeer groot. enz. ABRAM deze en<br />

meer andere beloften Gods omhelzende door 't Geloof<br />

wérd 't hem tot regtvaerdighcid gerekend. Zie<br />

vs. 6 eaRom. 4. 3. Gal. 3: 6. Dan niet alleen,<br />

dat ABRAM een deelgenoot was van 't Genade verbond,<br />

maar God rigtte ook een verbond met dezen<br />

Eerltvader op> welker beloften meer dan eens nader<br />

verklaard, uitgebreid en beveiligd werden: beloften<br />

die uitwendige zegeningen behelsden, die deels zijn<br />

eiaen perfoon, deels zijn nagedacht uit zijn kleinzoon<br />

JACOB natuurlijker wijs voortkomende, deels alle voV<br />

keren der aarde betrötfen.<br />

336.) J. Welke beloften waren dit?<br />

L. Wat ABRAHAM betreft, hij zou tot een groot<br />

volk worden, zijn zaad zou zijn als de fttrren des<br />

hemels en als 't zand aan den oever der zee Gen. ia-<br />

2. 13: 16. 22: 17. Ja ook dat zaad (namelijk CHRIS­<br />

TUS) waar in alle volkeren des aardrijks zouden gezegend<br />

worden, zou uit Abraham zijn oorfprong afleiden<br />

Gen. ai: 18. vergel. Gal. 3: 16. Wat<br />

Abrahams nagejlacht betreft dat uit JACOB ftond geboren<br />

te worden, dit zou 't land Kanaan beërven,<br />

en de Heere zou dat volk als een volk zijns eigendoms<br />

beftuuren. Want dus luid de Godlijke belofte<br />

Gen. 17: 3. En ik zal u en uwen zaade na u 't<br />

land uwer vreemdelingfcbappen geven , 't geljeelt<br />

B 3<br />

land


?.% Het negende Gsfprek,<br />

Kanaan tot eeuwige bezit tinge, en ik zal hen<br />

tot eenen Ged zijn. Vergel. Gen. 15; 13-22. Deze<br />

belofte zullen wij vervuld zien in 't 3de tijdperk des<br />

O. ï. Wat eindelijk de toezeggingen, aan A«<br />

braham gedaan, betreffen, daar in alle volkeren der<br />

aarde deelen zouden vinden wij Gen. ia: 3. 17: 4,<br />

5. In hem zouden alle ge/lachten der aarde gezegend<br />

worden; hij zou een Vader van eene menigte der vol'<br />

laren zijn; dat is niet alk-en van de Joden maar ook<br />

van de I ieidenen , welke belofte haare vervulling<br />

heeft bekomen met den dag des N. T. wanneer ook<br />

aan allerlij volkeren deleere der zaligheid verkondigd<br />

is, en zij geroepen zijn om deel te neemen in de geestelijke<br />

zegeningen Abrahams. Waaruit wij befluiten mogen<br />

, dat de beloften in 't verbond met Abram opgerigt,<br />

zig uitftrekken tot aan 't einde der vvaereld. Met betrekking<br />

dan tot des Eerftvaders natuurlijk nakrooft,<br />

was 't een verbond van afzondering voor Chriftus<br />

komft, op dat de genade leer dies te beter onder dat<br />

eene volk ongefchonden zou bewaard blijven, en 't<br />

des te klaarder bleek, dat MESSIAS uit de lendenen<br />

Abrahams te voorfchijn kwam; maar't werd een ver,<br />

bond van uitbreiding, wanneer dooï de Apoftelen<br />

niet alleen aan de Joden, maar ook aan de Heidenen<br />

'tEuangelie verkondigd wierd. Hand. 2: 35.<br />

337.) J. Zïp. er nog meer merkwaerdige zaken, 1 "<br />

die de bedeeling des Genaden verbonds van dien tijd,<br />

betreffen?<br />

I. Ik


over 'i Genade-verbond, enz.<br />

L. Ik heb nog maar alleen dit optemerken, dat<br />

God aan die Vader der gelovigen de bejnijdenisfe inftelde,<br />

Gen. 17: 9-14- Een Sacrament, dat niet alleen<br />

diende om de geeftelijke weldaden des Genade<br />

verbonds te betekenen en te verzegelen, maar ook<br />

tevens daar toe (trekken kon, dat Abrahams huisgezin<br />

zig door huwelijk niet vermengde met vreemde<br />

volkeren, die rondsom hen waren Gen. 34: 14. Deze<br />

bemijdenis moed niet alleen aan ABRAHAM, maar<br />

ook aan ISMAEL, , ja dat meer is aan alle ingeborene<br />

knegten , en vreemdelingen , die Abraham gekogt<br />

had, worden verrigt, ten blijke, als dat ook de leere<br />

der genade nog niet onder één volk, uit éénen<br />

ftamvader voortkomende, plaats had. Eindelijk l'chijnen<br />

reeds in dien tijd, 't geven van Tienden Gen. 14/<br />

ao. Gap. 28: 22. en uitwendige pkgtige reinigingen<br />

in gebruik geweeft te zijn. Gen. 35: z. Exod.<br />

19: 10.<br />

338.) J. Gelief maar te vervolgen, ik zal naerftig<br />

toe luifteren.<br />

L. Dus komen wij aan 't<br />

C. Derde tijdperk des O. T. beginnende met<br />

MOZES, toen 't verbond op Sinai gemaakt werd, en<br />

eindigende met CHRISTUS. Ik moet om tot onze<br />

zaak te komen, de gefchiedenis een weinig hoger<br />

op halen. In Abrahams huisgezin waaren twee zoonen<br />

ISMAEL uit de dienftmaagd Hager, en JZAAK uit<br />

Abrahams huisvfoüwe Sara, doch niet Ismael, fchoon<br />

B 4<br />

h l<br />

i


H<br />

Het negende Gefprek,<br />

hij de oudde was, maar IZAAK werd erfgenaam van<br />

de belofte, die God aan Abraham gedaan had, Gen.<br />

17: 7, 8. vergelijk vs. 20, 21. 't was daarom ook<br />

niet zonder de Godlijke bedelling, dat ISMAEL uit<br />

2ijns Vaders huis werd uitgedreven, in de woeftijne<br />

Paran ging wonen, een Egijptifche vrouw trouwde<br />

en een boogfchutter werd. Gen. éi: 10-21. In<br />

Izaaks huisgezin waren weder twee zoons, EZAÜ de<br />

eerltgeboorne, en jAcoBde jongde; doch zie hier weder't<br />

vrijmagtig beitel des Allerhoogften (Y), met voor.<br />

bijgaan van EZAU werd JACOB en zijn ganfche nagedacht<br />

een erfgenaam van de belofte des verbonds Gen. 28:<br />

13-15. Jacob bij gelegenheid van een zwaren hongersnood<br />

met zijn geheel huisgezin nm Egypte trekkende<br />

Gen. 46. daar zij 't eenigen tijd wel hadden, maar in<br />

vervolg van tijd, toen ereenanderKoning opdond werd<br />

zijn nagedacht, ! t geen de naam van ISRAEEdroeg, zeer<br />

onderdrukt en vrecflijk mishandelt Exod. 1. Intiwtchen<br />

was<br />

(0 Deze vrijmagtige beftellinge Gods, waar door Hij<br />

IZAAK met voorbijgaan van Ifmael, en JACOB met voorbijgaan<br />

van Ezau tot een erfgenaam van dc zegeningen Abraham*<br />

geliefde te ftcllen, waar van 't gevolg is geweeft, dat onder<br />

Jacobs nagedacht de leer van den waaren Godsdienft plaats<br />

had, was eene zaak, zo bekend onder de Jooden, dat niemand<br />

ze kon tegcnfpreken, waarom dan ook Apoftel Paulu»<br />

uit deze twee voorbeelden de leer der Pradejiinatie bewijft<br />

Rom. 9: 6 ij. Zie 't xfte deel van dit werk,<br />

?• 95.


«ver 'i Genade-verbond, enz. a§<br />

was de tijd verftreken, die God bepaald had, gedagtaan<br />

zijn verbond met ABRAHAM, en 't geen Hij hem had<br />

toegezegd Gen. 1§: 13 -16. God verwekte MOZES<br />

en AARON , en deed veele wondertekenen in Egyp*<br />

te, gaf tien gedugte plaagen, waar door PHARAO,<br />

Koning van Egypte genootzaakt wierd Ifrael te laten<br />

trekken, die droogvoets de Roode zee doorgegaan<br />

zijnde, waar in Pharao met zijn heir, hem agtervolgende,<br />

verdronk, reifden zij door de woeftijne va»<br />

Arabie, en kwamen aan den berg Staat, alwaar God<br />

op eene zeer plegtige wijze een verbond met Ifrael<br />

maakte. Dat God aldaar met Jacobs nageflacht een<br />

verbond maakte, blijkt uit Exod. 19: 5. Cap. 34:<br />

27. Van hier dat de wet aldaar afgekondigd, genaamd<br />

wordt %v oor den des verbonds Exod. 34: 28. de tafelenwaar<br />

op zij gefchreven waren, tafelen des verbonds<br />

Dettt. 9; 9. en de kifte waarin zij in 't binnenile<br />

Heiligdom gelegd wierd, werd de arke des verbond»<br />

genaamd Num. 10: 33.<br />

339-) J- V a n w e l k e e n e n a t u u r k d i t v e r h o n d £ e "<br />

weeft, en welke benaming moet men aan 't zelve<br />

geven ?<br />

L. Ik zal hier eenige aanmerkingen maken, (t)<br />

1.) Het<br />

(1) Men kan dit verbond gcenzins aanmerken als een ver-<br />

.» • boni<br />

• v .<br />

r<br />

B 5


Het negende Gefprek,<br />

i.) Het is zeker, dat God de Opperregeerder<br />

is van alie volkeren der aarde in 't algemeen befchouwd,<br />

doch de Heere zou volgens dit verbood op eene bij •<br />

zonbor.d<br />

der Werken, want dit kan met den gevallen menfeh, die<br />

geen natuurkragten tot Gceftelijk goed heeft, niet 'worden<br />

opgerigt; egter hebben 't de werkheilige Joden dus begrepen<br />

, waar op Paulus ziet. R» m. 9; 31, 31. Ifrael die de<br />

vet der regtvaerdigheid Zogt, is tot de wet der reglvaerdigheÜ<br />

niet gekomen. Waaromï Om dat ze [die zogten] niet uit den<br />

ge'love, maar els uit de werken der wet. Zommige houden<br />

't vooreen Genade verbond, doch andere, waar onder beroemde<br />

Godgeleerden, fpreeken zulks tegen, als onder anderen H.<br />

WITS in Oeconomia Fcederum. L. IV. C. 4. 5. 54. FRANKEN<br />

Jlellige Godgeleerdheid 3 deel- P. 181 - 190. A. BUURT kortbegrip<br />

der Befch. Godgeleerheid p. 057. Die er deze volgends<br />

bewijs gronden tegen inbrengt. 1) Dat ganfeh Jfratl in dit<br />

verbond geftaan heeft: daar God in 't meerder deel geen welgevallen<br />

had; 1 Cer, ic: 5. 2) Dat er Exod. 20: 2 van dt<br />

verlosfmg die de Mesfias voor al de uitverkoornen zou te<br />

wesg brengen, niet wordt gefprooken. 3) Het geen wij in<br />

't vorige van 't beloofde goed gezegd hebben, pleit hier ook<br />

zeer fterk voor. 4) Onder de dingen die Ifrael in de 10<br />

Geboden zijn voorgefchreven, word in 't geheel geen gewag<br />

gemaakt van 't geloof in den Mesfias. 5) De Heiland is geen<br />

Borg geweeft van 't SinaitifcKc verbond Hebr. 7: 22. in zijn<br />

verband befchouwd. 6) Dit verbond was zelfs in zijn wezea-,<br />

veranderlijk, en is door Ifrael vernietigt Jer. 31: 32. vergel.<br />

Exod. 32. en Paulus redeneering^, Hebr. 8. 7) Daar benevens


e-ver't Genade-verbchi, enz. 27<br />

zondere wijse hun Koning zijn Èxod. 19.' 6. vergel.<br />

1 Sam. 8: 7. waarom Ifraels regering een Theocratie<br />

of onraiddelijke Godsregering kan genaamd wor«<br />

den. Het geen Koningen of Overheden gewoon<br />

zijn te doen, namelijk wetten te geven, deed God<br />

zelve op Sinai, zo door eene luidbaarè ftemme,<br />

als vervólgens door den dienft van Mozes: wetten<br />

die de Godsdienft => plegtigheden betroffen , en<br />

die 't burgerlijk en huishoudelijk bellier tot de<br />

kleinfte 'bijzonderheden zelve (») aangingen. Het<br />

hoofd van deze wetten , was de zeden wet, in<br />

tien geboden bevat, die een kort begiip van de wet<br />

der natuur is (u).<br />

2) Van<br />

vens zijn er eene menigte Schriftuurplaatzin, die men, buiten<br />

onze onderftelling, in 't geheel niet. of ten miniien niet<br />

dan zeer gedrongen, kan verklaren^<br />

(w) Dat deze wetten zelfs over dingen, die kleinigheden<br />

fchijncn , gegaan hebben, blijkt uit Dcut. 12- 5 -- 12. Doch<br />

hoe betamelijk en nuttig die voor Ifrael wsren> en hoe veel<br />

zedelijke leringen men daar uit trekken kan, wordt alierfraaijit<br />

aangetoond, door de wel Ecrw. J. VAN NUTS KLIN-<br />

KEWRERG in deszelfs Bijbelverklaring over die plaats.<br />

(v) Ik zeg een kort begrip van de wet der natuur, om .dat<br />

ik 't niet eens ben met hen, welke ontkennen, dat de wet der<br />

tien geboden een uitgeftrekten zin heeft. Maar befchouwen<br />

wij die wet als een.„kort begrip van dc Natuur wet, zo dat


Het negende Gefprek,<br />

a) Van hier nu is 't, dar aan dit verbond ook<br />

beloften en bedreigingen worden vaftgemaakt, van<br />

zulken aart, als gewoonlijk in alle burgerlijke Maatfchappijen<br />

plaats hebben, en met den aart eentrmaatfchappijeals<br />

zodanig, op deze waereld, overeenkomen.<br />

Na dit leven zullen de menfchen niet als volken<br />

en Maatfchappijen beftaan en geoordeeld worden,<br />

maar als menfchen opzigzelven worden befchouwd;<br />

't Maatfchappelijke, en 't geen tot de volksregeering<br />

en 't huishoudelijk beftuur behoort, bepaalt zig tot<br />

dit leven ; daar op zien dan ook in hun naafte oogmerk<br />

de voor en nadeelen, aan de gehoorzaamheid en<br />

ongehoorzaamheid verbonden: en dit is de rede dat<br />

naar den aart van dit verbond, voor zo verre 't de<br />

Godsregeering over dat volk, als een volk op aarde,<br />

betrof, ook de beloften en bedreigingen in haar eerste<br />

en naafte uitzicht, uitwendige zegeningen en ftraffen<br />

behelzen. Ifrael zou dan langs dezen weg, wanneer<br />

't zig gehoorzaam gedroeg, tot de gelukkigfre<br />

Maaier<br />

flegts eenige hoofdcugden en ondeugden, gefchikt naar den<br />

aart van't volk van Ifrael, worden opgeteld, zo fpreekt "t van<br />

2elve, dat alle andere deugden en zonden elk tot haar gebod ,<br />

tot welke zij 't meelt betrekking hebben , kunnen gebragt worden.<br />

Dat nu de wet een uitgeftrekten zin beeft, leeren wij<br />

uit. Pf. 119: 96. Matth. S' 18 —• ï't. cn dat zij ook met<br />

•Heen onze uitwendige daden betreft, maar ook't hart, leert<br />

ens Chriftus Matth. 5: a8, en Caj>. aa: 37 40.


over''t Genade -verbond, enz. 29<br />

Maatfchappij verheven worden, welkeer onder d


go<br />

Lttt negende Gefprsk,<br />

tor God {tonden, als ook de geeftelijkebeioftenisfen,<br />

aan Abraham gefchied, en tot de volgende tijden weg*<br />

gelegd, te bekragtigen, en de hoop op de laatsgeogenjde<br />

levendig te houden (w).<br />

34°-) J- Welke benaaming moet men aan dit verbond<br />

geven?<br />

L. Men kan 't noemen 't Sinaitifcb verbond naar<br />

.de plaats,waar'tis opgericht, gelijk mendoorgaanfch<br />

gewoon is onder Mogenhederj de verbonden of Tractaten<br />

te no.-men naar de plaats waar dezelve gemaakt<br />

zijn. Men kan 't ook noemen een Nationaal verbond<br />

van afzondering,<br />

om dat \ met ganfeh Ifrael<br />

als een volk, en. wel met uitfluiting van alle andere<br />

volkeren des aardbodems gemaakt was. Pf, 147: 19,<br />

20. Men zou 't een Koninglijk verbond kunnen noemen<br />

, om dat God op eene bijzondere wijs hun Koning<br />

was, de Regters, Propheeten en Priefters wa-,<br />

ren zijne dienaars, die Hij zelve verwekte en aanftelde;<br />

ja de Koningen onder't Joodfche volk kunnen als<br />

Stadhouders of als vice Reges worden aangemerkt<br />

van<br />

(*) Dceze 2 en jde aanmerking heb ik ontleend uit 't<br />

oitmuntend.cn voor alle huisgezinnen zo nuttig werk, ga.<br />

naamd'de BIJBEL door beknopte uitbreidingen, en ophelderend<br />

aanmerkingen, verklaart door J. VAN NUIJS KLINKINBIRG en<br />

J. G. NAHUIJS zde Deel, Waar in men Pag. 206 210.<br />

Verfcheidene aanmerkingen vindt betreffende 't verbond op<br />

§maj', welke alie waerdig zijn nagelezen te worden.<br />

f


over 't Genade'verbond, enz: 31<br />

van God als den Koning der Koningen. Eindelijk<br />

geeft de H. S, ook aanleiding om dit verbond een<br />

Huwelijksverbond te noemen,,als onder andere. Jerem.<br />

31: 3a. Niet naar 't verbond, dat ik met hunne<br />

vaderen gemaakt lebbe, ten dage als ik hunne<br />

hand aangreep, om hen uit Egyptenland uit te voeren:<br />

Welk mijn verbond zij vernietigt hebben, hoewel<br />

IK ZE GETROUWD H.\DDE fpreekt de Heere. Zie<br />

ook. Cap. 3: 14. Hes. 2: 6. Waarom afgoderij en<br />

beeldendienft in de H.' S. den naam draagt van Hoererij<br />

en overfpel Jer. 3: 8, 9. Dan hoe men<br />

dit verbond ook noemen mag, dit is zeker, dat 'tbe*<br />

hoorde tot de bedeelinge van 't genade verbond (x)<br />

in dat tijdperk. De wetten van dit verbond dienden<br />

voor onbekeerde onder dat volk ter overtuiging van<br />

zonden, Gal. 3: 19. Zij is om der overtredinge zvil-<br />

(x) Zeide God t>: v; tot ganfeh Iirael Exod. 20: 2. Ik ben<br />

"de Ifotre uwe God, die Unit Egyptenland uit den 'dienjlhuize<br />

uitgeleid hebbe. God was in een nog iterker zin de God vaa<br />

de gelovigen onder dat volk, wegens 't,genade, verhond,<br />

o


32, Het liegende Cejprek,<br />

le daar bij gefield; vergel. Rom. 3: 20. Op dat'<br />

men zou uitgédreeven worden naar de gerégcigheicf,<br />

die Mesfias zou aanbrengen Rom. 10: 4. Want 't<br />

einde der ivet is Chriftus tot regtvaerdigheid een iegelijk<br />

die gelooft', vergel. Gal. 3; 24. En eindelijk<br />

dienden deeze wetten voor de gelovigen tot betragting<br />

van waare dankbaarheid. — Dit Sinaitifch verbond<br />

is naderhand dikwijls vernieuwd, 't zij aan de zijde<br />

des Heeren, 't zij aan den kant des Volks, als Deut.<br />

29: 1 - 13. Joz. 24; 22. 2 Chron. 15: ie. 2 Kon.<br />

23: 3. Neb. 9: 38.<br />

34 1 -) J- Wat hebt gij meer in dit Tijdperk aantemerken<br />

?<br />

L. God heeft* nog een Sacrament aan Ifrael gegeèven,<br />

als ook den toekomftigen Middelaar door voorbeelden<br />

laten affchetzen, en nog duidelijker veele bijzonderheeden<br />

van Hem en deszelfs rijksgebied door<br />

de propheeten laten voorzeggen.<br />

342) J. Welk was 't Sacrament ï<br />

L. Dit was 't Pafcba, 't welk God in Egypte in-<br />

(lelde bij gelegenheid van Ifraels uittogt, 't welk zij<br />

jaarlijks moeiten vieren, ter gedagtenisfe van hunne<br />

verlosfing uit de flavernij van Egypte, maar tevens<br />

een Sacrament was van 't Genade verbond , ziende<br />

op Christus, gelijk wij in 't vervolg, als wij van de<br />

Sacramenten fpreeken, toonen zullen. Het wierd<br />

onder de offeranden geteld. Exod. 12: 27, doch<br />

ver-


over V Genade-verbond. 33<br />

verfchilde in veel opzigce van de gewoone offerande.<br />

343.) % Maar UE. geliefde te zeggen , dat de<br />

toekomftige Middelaar door voorbeelden werd afgelch^tffc,<br />

dit had <strong>im</strong>mers in de vorige tijdperken al<br />

plaats door de offeranden enz.<br />

L. Dit is zo, maar in deezen tijd werden de<br />

Godsdienft plegtigheden , die een fchaduwe waren<br />

van Chriftus en de heilgoederen des Genaden ver*<br />

bonds, zeer vermenigvuldigd : men had perfoneele<br />

en zakelijke voorbeelden; (j) in de Tabernakel en<br />

tempeldienften; de offerande waren van veelerlij zoort,<br />

die of in 't algemeen voor ganfeh Ifrael op zekere tijden<br />

moeiten worden opgeofferd, of van bijzondere<br />

per-<br />

(y) Wanneer men van voorbeelden van Chriftus fpreekt,<br />

moet men hier wat omzigtig te werk gaan, men kan dezelve<br />

onderfcheiden. 1) Er zijn Perfoonen en zaken, die<br />

God met opzet verordineerd heeft, op dat zij Mesfias en des.<br />

zelfs heilweldaden zouden afbeelden, als daar zijn de Priester?,<br />

de offeranden enz. Deeze en zoortgelijke zijn eigenlijk<br />

gezegde voorbeelden. 2) Ook worden wel eens voorbeelden,<br />

(evenwel meer oneigen) genaamd, Perloonen en<br />

zaken, die van God met opzet alleen of ook voornamelijk<br />

tot zulk een einde niet zijn verordineerd, nogthans wegen»<br />

eenige overeenkomft ais zinnebeelden van Chriftus of van<br />

gebeurtenisfen onder 't N. T. kunnen dienen, b v, JOKAS<br />

Matth. 12: 40. Zie ook Gal, 4; 2a 26. en andere.<br />

c


34 Het negende Gejprek,<br />

perfoonen werden toegebragt, 't zij die beide vrij'<br />

•willige offerande of fchuld offeranden waren, zo zond<br />

als dankofferen enz. Men voegen hier bij veelerlij<br />

reinigingen, de Eerfielingen, Tienden, enz. (2).<br />

344 ) J. Is er ook nog iets meer merkwaerdigs in<br />

dit tijdperk te befchouwen ?<br />

L. Ja zeker, want daar voor MOZES tijd God de<br />

Ieere der Genade, benevens de merkwaerdiglte gebenrtenisfen<br />

door mondelijke (_aaj overleveringen<br />

deed voortplanten, zo heeft 't God behaagd nu zijn<br />

woord te laten befchrijven, waar mede Mozes een<br />

begin gemaakt heeft in de 5 eerfte Bijbel boeken,<br />

en door andere Godvrugtige mannen hier in gevolgd<br />

is.<br />

345.) y.<br />

(2) Op 't vertienen van 't vee wordt duidelijk gezinfpeeld,<br />

Ezech. 20: 37. Ik zal u lieden onder de roede doen doorgaan,<br />

en ik zal u brengen onder den band des rerbonds, men zie Lev.<br />

27: 32. De wijze waar op dit verticnen gefchied, word<br />

door de Joden in hun MifcJma dus befchreeven, dat men<br />

al 't vee in een ftal doet, die een kleine deur heeft, op<br />

dat er geen twee te gelijk zouden uitgaan; een voor een<br />

uitgaande , wordt 't vee geteld, en *t tiende wordt met een<br />

roede getekend, die met Menie of rode verwe bevogtigd is.<br />

Zie onder andere CARPZOV in GOODWINUM p. f523.<br />

(aa) Ik zeg mondelijke overleveringen, hier mede wil ik<br />

juift niet zeggen, dat er niets voor MOZES tijd in fchrift<br />

zou gehragtzijn, dewijl de fchrijfkonil toen al uitgevonden<br />

was, Job 19: 23. Zie 't ijle deel van dit werk Pag. IQ.


tv er 't Genaden'Verbond, enz. 3.5<br />

345-) J- I k n e b ^ M k s a ' g e m e e ï 1 c i u t e v r a £ e t l »<br />

hoe 't komt, dat wij ia 't O. T. nergens duidelijk lezen<br />

dat die Ceremoniën van offeranden enz. op<br />

Chriftus zagen, wij weten dit uit de Schriften van 't<br />

N. T. doch als wij die niet hadden, zou er misfchien<br />

geen fterveling aan gedagt hebben? Is 't ons<br />

nu maar alleen nodig dit te weten , mij dunkt de<br />

Joodfcbe kerk, die zelve die plegtigheden moeft verrigten,<br />

had er veel meer belang bij ?<br />

L. Het is zeer onwaarfchijnlij'-:, dat de kerk onder<br />

't O. T. onkundig van de betekenis dier plegtigheden<br />

zou geweeft zijn, en dit blijkt daar uit: 1)<br />

De offeranden gelijk ook andere plegtigheden, hebben<br />

wij bewezen, dat eene Godlijke inftelling hebben<br />

, nu mogen wij niet anders denken van een God,<br />

die op eene redelijke wijze wil gediend zijn, of Hij<br />

heeft dit bekend gemaakt, anders was de Godsdienft:<br />

der Joden onredelijk geweeft, en niemand had dan<br />

kunnen offeren met dat geloof, waar door men geregvaerdigt<br />

wordt, vergel. Hebr. ït; 4. David is van<br />

deeze waarheid kundig geweeft, als hij Mesfias fprekende<br />

invoert Pf. 40; 7, 8. Gij hebt geen luftenz»<br />

&) Het was niet volllrekt nodig, dat God dit liet befchrijven,<br />

om dat Ifrael behalven veele propheeten,<br />

eene geftadige opvolging der Priefters en Leviten<br />

had, die verpligt waren 't volk te onderwijzen. Van<br />

daar dat er gezegd wordt. Mal. 2: 7. De lippen des<br />

priefters zullen de wetcvfcbap bewaren, en men zal<br />

C 3<br />

uit


3 6 Het negende Gejfrek,<br />

uit zijnen mond de wet zoeken, voant hij is een Engel<br />

des Heeren der Heirfchaaren. Wanneer zij in dezen<br />

pligt ontrouw handelden, deden zij er veele ftruikelen<br />

in de wet, gelijk er gezegd wordt in 't 8« vers.<br />

Ten tijde des Zaligmaker was de leer zo zeer verbasterd,<br />

dat 't grootfte gros der Jooden den Sleutel<br />

der kennisfe verloren had Luc. n: 5c —. Ik voeg<br />

hier nu nog bij, dat de Ceremonieele Godsdienft onder<br />

Ifrael een zinnebeeldig Euangelie was, of de leer<br />

van 't Euangelie onder zinneprenten voorgedragen,<br />

welk alles buite den Middelaar befehouwd zijnde,<br />

een bedieninge des doods en der verdoemenis was volgens<br />

Paulus taal. a Kor. 3; 7, 9. Doch met uitzicht<br />

op Mesfias een uitnemend voorregt, waar mede<br />

zij in dien tijd boven andere volkeren verwaerdigd<br />

wierden.<br />

346.) J. Dit begrijp ik nu zeer wel; en dewijl ik<br />

U ftrakshoorde zeggen, dat de propheeten veele bijzonderbeden<br />

van Chriftus en zijn Rijksgebied voorzegd<br />

hebben, zo wenfchte te weeten, wat ik bij't lezen<br />

derzelver heb in acht te nemen.<br />

L. Ons gefprek duit thans niet, om u daar van<br />

breedvoerig te onderrigten, hier mede zouden wij<br />

ons zeer langen tijd kunnen bezig houden. Vergenoeg<br />

u niet deze weinige opmerkingen.<br />

1.) Hoe ouder de Godfpraken zijn, in zó algemeener<br />

bewoordingen zij zijn voorgedragen, doch<br />

hoe meerder de tijd van Mesfias komft naderde, zo<br />

dui-


over 't Genaden -verbond, enz. 17<br />

duidelijker en onderfcheidener van de Chriftus bij de<br />

propheeten gefproken wordt.<br />

2. ) Zeer dikwijls wordt Vorft MESSIAS alleen<br />

lpreekende ingevoerd of van Hem wordt alleen gefproken<br />

, zo dat de gezegdens op niemand anders<br />

toepasfelijk zijn, b. v. Pf. ié: 10. vergel. Hand. 2:<br />

ao-32 Pf. ii o. verg. Hand. 2: 34-36. Zie<br />

ook Jez. 53. en veele andere. Dan er zijn ook<br />

Godsfpraken, die in de eerfte plaats op 't voorbeeld,<br />

maar in de tweede op Mesfias als 't tegenbeeld zien.<br />

Zo was DAVID in meer dan een opzigt een voorbeeld<br />

van MESSIAS , waarom Hij dikwijls bij de propheeten<br />

met den naam van DAVID voorkomt, gelijk te<br />

zien is. Hoz. 3: 5. Het is ook hier van, dat zommige<br />

geleerden denken, dat eenige dingen in den 22<br />

Pfalm op David als een voorbeeld van Chriftus kunnen<br />

worden toegepaft. Doch in de volfte nadruk op<br />

den laatften , enz. Van deeze gedagten zijn ook<br />

onze zeer geachte Randtekenaars. • En wat SA­<br />

LOMO betreft daar van zien wij zulks allerduidelijkft<br />

2 Sam. 7: ia - 16. vergel. 1 Cbron. 28: 5 - 7 en<br />

Hebr. 11 5. Zo ook den 7CL Pfalm volgens onze<br />

Randtekenaars.<br />

3. ) De propheeten zijn doorgaans gewoon bij<br />

zekere gelegenheden van Mesfias te fpreken. b. v.<br />

a.j Als zij 't volk beftraffen, en wegens hunne<br />

zonden, harde dreigementen doen, oordeelen aankondigen,<br />

dan fpreeken zij als in cenen adem va*<br />

C 3<br />

Me**


«8 Het negende Gefprek,<br />

Mesfias, en dit gefchiedde om de Godvruchtige niet<br />

te zeer te bedroeven, maar te trooften. Zie Jez. 3:<br />

8. toi Cap. 4: 1. vergel. Cap. 4: 2. enz. — Hoz.<br />

j: 6, 8, 9. vergel. met vs. 7, 10, n, 12. Amos<br />

9: 1 - 10. vergel. vs. 11 - 15. Micha 3. vergeL<br />

Cap. 4 en 5- Zepb. y 7, 8. vergel. vs. 9.<br />

£.) Bij gelegenheid, dat zij dejooden van hunnen<br />

tijd, zoeken af te trekken van afgoderijen en andere<br />

zonden, fpreeken zij van 't geen Chriftus zou<br />

verrigten en de bekecring der Heidenen onder 't N.<br />

T. om zulks tot een beweegrede ter bekeering voor<br />

hunne tijdgenooten te gebruiken. Zie Jez. 2: 1-4<br />

verg. vs. 5. —- Jez. 42; 1-16. vergel. vs. 18-25.<br />

c.j Bij gelegenheid, dat zij fpreken van de verlosfing<br />

der Jooden uit Balei en de herftelling van<br />

hunnen Kerk en burgerftaat, of van hunne verlosfing<br />

van ANTICCHUS EPIPHANES enz. melden zij tevens<br />

van Mesfias, zijn koningrijk, en de weldaden die<br />

Hij zou aanbrengen, b, v. Jez. St: 26, 27. Jez. 59.'<br />

16-20. Jer. 3: 14-19. Jer. 2,0: 18-ii. en dergelijke,<br />

En dit gefchiedt (1) Ora dat de Geeftelijke<br />

weldaden de voornaamfte zijn, en men niet aan<br />

de lichaaailijke zou blijven hangen. (2) Om dat de<br />

geeftelijke weldaden in Chriftus de grondflag waren<br />

van hunne verlosfing uit Balei en alle andere zegeningen.<br />

(3) Om dat die lichaamlijke verlosfing de<br />

nodige middelen waren om de beloften van Mesfias<br />

te volbrengen. (4) Om dat die verlosfing uit<br />

Ba*


over f t Genaden-verbond t<br />

enz. 39<br />

Babel een fchets opleverde van de geeftelijke verlosfing.<br />

Ezecb. 37: 1 -14-<br />

4. ) Zoratijds fpreeken de propheeten van den<br />

dienft des N. T. onder fpreekwijzen ontleend van<br />

den Ceremoniëlen Godsdienil der Joden , om van<br />

de menfchen van hunnen tijd des te beter verftaan<br />

te worden, b. v. "Jez. 19.- 19, ar. Cap. 66: 20, 21,<br />

Mal. 1: n-<br />

5. ) Meermaalen fpreeken de propheeten van de<br />

bekeering der Heidenen op zulk een wijze, als of<br />

die, onder 't N. T. zig bij de Joodfche kerk als de<br />

moeder kerk zouden vervoegen, om langs dien weg<br />

deel te krijgen aan de zegeningen aan Abraham toegezegd,<br />

b. v. Pf. 47: 10. Pf. 87:4-6. Jez. 2: 2-4<br />

Cap. 45: 14. Cap. 60 en 61: 5, 6. Cap. 66: 19,<br />

20. Jer. 3: 17. Zacb. 2: 10, 11.<br />

6. ) Bij de propheeten komen dikwijls zaken<br />

voor, die op meer dan eenen tijd haare vervulling bekomen<br />

hebben, zomtijds in meer dan een onderwerp.<br />

Hier toe brengt men Jez. 1: 9. daar naar verband<br />

en zamenhang de propheet fpreekt van 't geen in zijn<br />

tijd was voorgevallen onder den Godlozen koning<br />

ACHAS ; maar heeft ook haar waarheid bekomen in<br />

den aanvang des N. T. B.om. 9: 29. Jez. 49:<br />

10. zij zullen niet hongeren noch dorfien enz. daar te<br />

kennen word gegeven, hoe dat aan de kerk uit de heidenen<br />

overvloedige middelen der genade en vertroosting<br />

in ai haar druk zouden worden toegediend; want<br />

C 4<br />

van


40 Het negende Gefprek,<br />

van de roeping der heidenen werd in 't vorige gefproken.,<br />

men zie vers 6-9. en vergelijke Hand. 13;<br />

46, 47. ten andere zal dit 10 vers nog vervuld worden<br />

in den afloop der eeuwen. Openb. 7: 16. ~<br />

Jez. 5 a: 7. Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten<br />

enz. Men denke hier allereerft in verband aan de<br />

goede bootfchappers die op bevel van CÏJRUS aan de<br />

gevangen Jooden vreedeen vrijheid verkondigden,<br />

maar inzonderheid aan de Euangelie predikers onder<br />

't Nieuw verbond. Rom. 10: 15. • Hozea 11:<br />

I. Als Jfrael een kind was enz. Dat in de eerfte.<br />

pUts gefproken wordt van de roeping van Ifrael uit<br />

Egypte, d^t Exod. 4: 22. Ifrael Gods eerftgeboorne<br />

Zoon genoemd wordt, blijkt uit 't vervolg van dit<br />

Hoofdftuk; maar hoe ook die Godfpraak in JEZUS<br />

van Nazareth vervuld is, leert ons Matth. Cap. 2*.<br />

35. ik zou hier nog veele andere plaatzen kunnen<br />

bijvoegen, maar ik heb U door deeze den weg<br />

gewezen, zie over die en zoortgelijke, onze geachte<br />

Randtekenaars. Ik merk nog maar alleenlijk aan dat<br />

gij uit bovenftaatide Godfpraken kunt opmaken, dat<br />

de voorzeggingen der propheeten zig verder uitftrekken<br />

dan tot de komft van Chriftus in 't vleelch; Zie<br />

ook Hand. 3: 2,1. Openb. 3: 7.<br />

34'.) J. Op dit laatfte gezegde heb ik eene bedenking:<br />

ik lees Matth. 11: j 3<br />

. Alle de Propbet*<br />

ten en de wet hebben tot Jobannes toe gaprophetterd.<br />

I. Dü


over 't Genaden • verbond, enz. 41<br />

L. Dit moet men zo niet opvatten, als hadden zij<br />

niet verder voor uit gepropheteerd , maar 't duidt<br />

aan, dat zij de komft van Mesiias hebben voorzegd<br />

en afgebeeld, dien JOHANNES heeft aangewezen, als<br />

reeds gekomen zijnde.<br />

348.) J. Wat is er verder op te merken ?<br />

L. Wij worden nu als van zelve geleid tot de andere<br />

Huishouding, Welke namelijk een aanvang neemt<br />

met CHRISTUS komtte in 't vleefch en duurt tot den<br />

afloop der eeuwen; Dit ganfehc tijdperk komt in de H.<br />

S. wel eens voor ouder de benaaming van laatfle dagen<br />

Jez. 2: 2. Hand. 2: 17. 1 T<strong>im</strong>. 4: 1. en bij Johannes<br />

heet 't de laatfle uure 1 Joh. 2: 18. De bedeeling<br />

der Genade in dit Tijdperk wordt ie Huisbonding<br />

des Nieuwen Teftaments of liever des Nieum<br />

wen verbonds genaamd, en fchoon zij in 't wezen<br />

der zaak met de vorige Huishouding van ADAM tot<br />

CHRISTUS , overeenkomt, want Chriftus is gifteren<br />

en. beden dezelve en in eeuwigheid, nogthans is<br />

zij in omftandigheden verfchillende, en veel voortreflijker.<br />

Van deeze Nieuwe verbonds bedeeling wordt<br />

gefproken Jer. gas 31 -54. Ziet de dagen kernen<br />

fpreekt de Heere, dat ik met den huize Ifraels en met<br />

den huize Juda een nieuw verbond zal maken: niet<br />

paar 't verbond, dat ik met hunne vaderen gemaakt<br />

bebbe, ten dage als ik hunne hand aangreep, om hen<br />

pit Egyptenland uit te voeren, welk mijn verbond<br />

Zij vernietigd hebben, boewei ik ze getrouwdhadde,<br />

C 5<br />

fpreekt


4& Het negende Gefflrek,<br />

fpreekt de Heere. Maar dit is 't verbond dat ik na<br />

die dagenlmetden huize Ifraels maken zal, /preek<br />

Heere: Ik zal mijne wet in hun binnen fte geven,<br />

en zal die in hun harte fchrijven, en tk zal hen tot<br />

een God zijn, en zij zullen mij tot een volk zijn.<br />

En zullen niet meer enz.<br />

349-) J- Ik begrijp 't laatfle gedeelte van dezen text<br />

niet, dewijl daar uit klaar fchijnt te blijken, dat 't fchrijven<br />

van de wet in 't harte enz. voorregten zijn, daar<br />

de gelovigen des O. T. van verftoken waren.<br />

L. Dit zou daar uit volgen, indien dit Nieuwe<br />

verbond werd tegen overgefteld aan't genade verbond<br />

voor Chriftus komft. Neen, de tegenoverftelling is<br />

't Sinaitifch verbond, dat 't Genade verbond zelve<br />

niet is geweeft, maar alleen behoorde tot de bedeeling<br />

van 't Genade verbond'in dien tijd, dit blijkt klaar<br />

uit de text, want er word gefproken van eene vernietiging;<br />

en Apoftel Paulus na dat hij de woorden van<br />

JEREMIAS Hebr. 8.- 8- ia. had opgegeven, zo zegt<br />

hij in 't 13 vers: Als Hij zegt, een nieuw [verbond<br />

zo heeft Hij 't eerfte oud gemaakt: dat nu oud g<br />

maakt is envereudet, is na bij de verdwijninge. —»<br />

Ik zal u de zaak nog klaarder tragten voorteftellen.<br />

Volgens 't verbond op Stnai was elk Ifraeller een<br />

bondgenoot Deut. 5: 1-3. en 't ganfche volk een<br />

afgezonderd, een heilig volk, maar dit Sinaitifch verbond<br />

begon met de komft van Chriftus te verouderen<br />

a<br />

en is na zijn dood en hemelvaart allenskens verdwee-<br />

DCO


$ver't Genade-verbond, enz. 4$<br />

nen, nam met de verwoefting van flad en tempeleen<br />

einde. Onder 't N. T. is er dan geen eene bijzondere<br />

natie die als Godsvolk kan aangemerkt worden,<br />

maar 'r zijn de gelovigen uit allerlij volkeren uit Jooaen<br />

en Heidenen, Eph. 2: 13 - 15- e n d i e gelovigen<br />

kunnen maar alleen onder de waare bondgenooten geteld<br />

en als Geeftelijke kinieren van ABRAHAM aangemerkt<br />

worden Luc. 19: 9. Rom. 4 : I Ó -<br />

A L L E D E<br />

lovigen hadden oudtijds die voorgemelde weldaden<br />

wel genooten uk kragt van 't genade verbond in 't<br />

welk zij hadden ingcftemd; maar alle bondgenooten<br />

van 't Sinaitifch verbond waren dezelve niet deelachtig;<br />

als zodanige had God bun niet gegeven een<br />

harte om te verftaan, noch ogen om te zien, noch<br />

«oren om te hoor en, volgens MOZES getuigenis Deut.<br />

29: 4. Deze heilweldaden zouden onder 't N. T.<br />

fiiie bondgenooten genieten.<br />

350.) J. Deezen text begrijp ik nu zeer klaar.<br />

Doch gelief nu ook te melden, in welke opzichten<br />

deeze Nieuwe Huishouding of bedeeling van 't Genade<br />

verbond in dezen tijd, voortreflijker is.<br />

L. Men kan alles gevoeglijk tot deze drie hoofddeelen<br />

brengen; i)de tijd. 2) hoedanigheden. 3) mtgeftrektheid.<br />

(bb) O D e<br />

S E '<br />

(tt) Ik ben hier in gevolgt Mo. FRANKEN Jlelligc God,<br />

gel. zde Deelp. 515 — Si* en W. BKAKKL Redelijke Gods.<br />

Jienji 3 deel. p. 118 - 120. Cl. si Mooi Coma. in MarkUCorop.<br />

T. HL p. 434» 435»


44 Het negende Gefprek,<br />

i) De tijd. De gelovigen des O. T. leefden voor<br />

Chriftus komfte in 't vleefch, naar welke zij hartelijk<br />

verlangden en uitzagen Luc. 2: 25. Maar thans<br />

hebben de gelovigen 't Euangelie der vervulling Rom.<br />

1: 2.<br />

- 2) De Hoedanigheden. En hier toe kan betreklijk<br />

gemaakt worden.<br />

a) De bediening van den Godsdienft. In 't O. T<br />

werd die verrigt door lichaamlijke en zichtbaare zaken,<br />

die wel fchaduwen waren van den toekomfhgen<br />

Mesfias, maar ook de gelovigen hunne verdienden<br />

in haar zèlven levendig affchetften. Van welke kerkplegtigheden<br />

de gelovigen thans bevrijd zijn Gal.<br />

5: 1,2.<br />

b. De Vrijheid, die onder 't O. T. zo groot<br />

niet was, dewijl God toen met zijn volk handelde<br />

op een veel ftrenger. wijze. Hebr. 12: 18 -<br />

e. In<br />

(*) Ten aanzien van de vrijheid zegt voortgemelde beroemde<br />

Hoogleeraar DE MOOR T. JJJL P. 435. Die vrijheid<br />

is wei aan béide Huishoudingen gemeen geweeft, welke<br />

beftaat in de vrijmaking van de magt des Satani, der<br />

zonde en des doods; maar daar en boven bloeift er onder<br />

*t N. T. eene vrijheid van 't juk der Ceremoniën, en de<br />

harde beftuuring der wet, dewijl oudtijds de erfgenamen,<br />

kinderen zijnde met betrekking tot de uitwendige bedeeling<br />

niets


over't Genade-verbond, enz. 45<br />

c. In toediening van geeftelijke goederen, welke<br />

toen in 't algemeen ved/cbaarfer wareni<br />

a. De leer der Genade werd duifterer voorgedragen<br />

als onder 't N. T. waar van voorzegd was,<br />

Jez. li'. 9. Jer. 31: 34.<br />

b. Doe was er een kleiner mate van Gods Geeft<br />

Jez. 44: 3, 4. Joh. 7: 38, 39.<br />

c. Doe hadden de gelovigen zulk een gemeenzamen<br />

en vrijmoedigen omgang met God niet en toegang<br />

tot Gods genade throon, als nu Jezus is verfcheenen<br />

Hebr. 4: 14.<br />

d. Doe was er zulk een overvloedige mate niet<br />

van vertroofting, vreugde en vrede der Confcientie in<br />

't gevoelen van Gods liefde, als onder 't N. T. nu<br />

de fchaduwen geweken zijn, 't trooftrijk Euangelie<br />

meer en klaarder werd verkondigd, 't gelove fterker<br />

is, en de gaven van Gods geeft overvloediger werden<br />

uitgeftord. Joh. 14: 16. Rom. 14: 17.<br />

3) De<br />

niets verfchilden van dienftknegten, maar aan de eerfte beginzelen<br />

der waereld, den fchaduwe dienft, en eene ftrengere<br />

bediening der wet, als aan voogden en verzorgers onderworpen<br />

waaren; en door vrees voor ftraf, door dreigementen<br />

en flagen, meer dan door lieflijke Eiangelifche beloften<br />

tot hunnen pligt werden aangezet Cal. 3: 24. 4: I-Ö.<br />

Zie ook 't geen wij gezegd hebben in de BIJBELVBSKLAKINO<br />

betrekkelijk Paleftina pag. 343. Het geen aau vcele plaatzen<br />

der H. Schrift licht kan bijzetten,


46 Het negende Gefprek,<br />

3) De Uitbreiding. Zedert 't verbond der aft<br />

zondering op Sinai werd de leere der Genade alleen<br />

onder Jacobs nagedacht verkondigd. Pf. 147; 19.<br />

Voorma als waren de Heicenen zonder Chriftus, tervreemd<br />

van 't burgerfehap Ifraels }<br />

en vreemdel<br />

gen van de verbonden der beloften, geen boope<br />

bende, en zonder God in de waereld, Eph. 2; 12<br />

Maar CHRISTUS komende heeft door 't Euangeti<br />

vrede verkondigd, die verre zvaren, en die welke<br />

bij ivaren Eph. 3: 17. Gelijk ook Petrus zeide<br />

Hand. 2: 39.<br />

351. ) J. Naar de meerdere kundigheden, die wij<br />

nu van den verlosfer hebben, zullen wij nu den Middelaar<br />

kunnen befchouwen.<br />

Zr. Zo is 't. Wij zullen eerft van den Middelaar<br />

des Genaden verbonds in 't gemeen fpreeken, en dan<br />

aantoonen, dat Jezus van Nazareth die Middelaar<br />

is, vermits er alle merktekenen van den waaren, van<br />

God verordineerden en beloofden Mesfias in gevon«<br />

den worden.<br />

352. ) J. Wat moet men hier door een Middelaar<br />

verftaan ?<br />

L. Een Middelaar is zulk een, die als in 't midden<br />

tusfchen vijandelijke partijen ftaat,om die tezamen<br />

te bevredigen. Zulk een Middelaar is nu<br />

of een enkele tusfchenfpraak, een voorbidder, hoedanig<br />

Mozes was voor Ifrael Pf. 106: 23. of van<br />

da-


over 't Genade • verhond, enz. 47<br />

dadelijke verzoening (cc). Dat is die de gefchondene<br />

regten der beledigde partij herftelt. De menfeh<br />

is de belediger, God de beledigde Majefteit. De<br />

menfeh is verpligt de wet Gods volmaakt te gehoorzaamen,<br />

op welke gehoorzaaming God 't eeuwig hemels<br />

leven beloofd had (Zie N°. 215 ) maar op de<br />

minfte overtreding een voorwerp wordt van Gods ongunft<br />

en onderworpen aan de gedugtfte ftraf. Zou er<br />

nu een Middelaar zijn tusfchen God en zondige menfchen<br />

, op dat de laatffce met den Eerften zouden<br />

verzoend worden, gij ziet hoedanig een Heiland ernodig<br />

is; 't moet zodanig een zijn, die in plaats van<br />

menfchen de wet Gods volkomen gehoorzaamdt en de<br />

ftraf op de overtreding gedreigt, draagt, en door<br />

zijne kragtdadige voorbede, gegrond op zijne verdiende,<br />

hen in de Godlijke gunft herftelt , zij erfgenamen<br />

worden van een eindeloze zaligheid.<br />

353.) J. Zodanig een Middelaar moet zeker voortreflijke<br />

hoedanigheden hebben, wie is hier bekwaam<br />

«oe?<br />

L. Zttx wel gedagt, al wat niet meer dan fchepzel<br />

is, fchiet tot dat groote werk te kort. Hij moet<br />

nood-<br />

{et) In plaats van dadelijke verzoening, zou men ook, en<br />

inisfehien beter zeggen van of door verdienfte, om dat door<br />

voorbidding ook dikwijls partijen verzoend worden, men zie<br />

Exod. 32: 30. Chriftus is esn middelaar van verdicnjli,<br />

waar op zijn voorbidding ruft.


48 . Het negende Gefprek,<br />

noodzaaklijk die vereifchten hebben , welke onze<br />

Heidelbergfche Katechismus opgeeft in de Vde Zondag<br />

vr. 15. en nader verklaart Zondag VI. vr. 16<br />

en 17. Hij moeft 1) een waar menfeh zijn, om in<br />

plaats van zijn volk voor wien Hij borg was, beide<br />

in ziel en lichaam te kunnen lijden, en om de wet te<br />

gehoorzamen. 2) Een heilig menfeh, om dat die<br />

zelve een zondaar was, vcor andere niet kon voldoen.<br />

3) De waare God, om dat een bloot menfeh<br />

*t zwaarwigtig lijden niet kon te boven komen, en tevens<br />

om dat een kort lijden van één perfoon kon ftrekken<br />

ten voordeele van duizende uitverkoornen. 4)<br />

Goden menfeh in eenigheid des perfoons, om dat't<br />

lijden en de gehoorzaamheid , die Hij naar zijne<br />

menfehheid onderging, konden gerekend worden,<br />

't lijden en de gehoorzaamheid van God zelve te zijn,<br />

en dus van eene oneindige waardij. En deze Godlijke<br />

perfocn is volgens de H. S. de Zoon des Vaders,<br />

of de tweede perfoon in de aanbiddelijke Drieeenheid<br />

.<br />

354.) J. Dat niemand van Adams kinderen wegens<br />

fchuld en verdorvenheid voor zigzelven, veel<br />

min voor anderen betalen kan, wil ik gereedelijk geloven.<br />

Maar neem niet kwalijk, dat ik eene beden,<br />

king make: Was er wel vollirekt een Godlij k perfoon<br />

noodig tot dit Middelaarswerk? Wanneer God<br />

eens een volmaakt onfchuldig en heilig menfeh, die<br />

in kragten ver verheven was boven ons menfchen,<br />

daar


over't Genade-verhond, ent.<br />

&y<br />

daar toe-opzettelijk gefchapen had, zou die geen middelaar<br />

kunnen ziji. ?<br />

L- Ik weet wel, gij zijt te ver in Godgeleerde<br />

kundigheden gevorderd, om zodanig een gevoelen<br />

te omhelzen, maar Hel mij dit bij wijze van bedenking<br />

voor, om te zien, hoe ik er op zal antwoorden.<br />

! Zodanig een mepfch, hoe onfchuldig en heilig<br />

ook, had geen regt op zijn eigen leven om dat voor<br />

andere te mogen verpanden, en hoe veel kragt hij<br />

ook had, hij bbef onbekwaam om den Godlijken<br />

toorn te boven te komen, en zondaaren een nieuw le--<br />

ven te fchenken. Daar en boven, zulk één heilig<br />

menfeh zou maar in plaats van één zondig menfeh<br />

kunnen voldoen , om dat 't geen waerdigheid had<br />

boven een menfeh; waar uit volgen zou, dat er zo<br />

veel heilige meufehen van God zouden moeten gefchapen<br />

en geltraft worden, als er zondaars waren,<br />

die verloft moeiten worden, 't geen ongerijmd is.<br />

355-) J- Ik ben ten vollen overtuigd, dat hier ook<br />

de waardigheid van den Perfoon des gezegenden verlosfers<br />

zeer moet in aanmerking komen.<br />

L. Dit heeft zelfs onder ons menfchen plaats. Gij<br />

zijt tot mijn blijdfchap een liefhebber van 't lezen der<br />

Vaderlandfche gefchiedenisfen, kunt ge u ook herinneren,<br />

wat er omtrent den Spaanfchen AdmirantMEN-<br />

. fcozA gebeurde, als hij door Prins Mauritz in 't jaar<br />

1600 krijgsgevangen gemaakt wierd?<br />

359-) J- Ik meen gelezen te hebben, dat MENïïde<br />

DEEL, D DO-


50 Het negende Gefprek,<br />

JJOZA eenigen tijd gevangen geweeft zijnde, werd<br />

uitgewisfeld tegen alle gevangenen van onzen Staat.<br />

L. Zo is 't, hij werd uitgewisfeld tegen alle krijgsgevangenen<br />

van onze Republiek, die in handen van<br />

Spanje waren, wie en waar zij ook mogten wezen.<br />

En wat is MENDOZA een] bloot menfeh, te vergelijken<br />

in waardigheid bij den zoon van den levenden<br />

God!<br />

3570 7- Geen bloot menfeh hoe volmaakt, geen<br />

Engel hoe verheven, kan hier dan de middelaar zijn;<br />

Gods zoon, verbazende waarheid, moet de menfehlijke<br />

natuur aannemen, en daar in gehoorzaam zijn<br />

tot den dood!<br />

L. Gij kunt hier nog bij voegtn, dat Gods deugden<br />

en volmaaktheden hier in luifterrijk doorftraalen,<br />

dies te meer, daar God zelve zulk een middelaar<br />

heeft bekend gemaakt en beloofd.<br />

358.) J. Maar is die Middelaar in alle die onderfcheiden<br />

hoedanigheden aan de oude kerk beloofd ?<br />

L. Zekerlijk was Hij in alle die hoedanigheden in<br />

*t O. T. beloofd. Mesfias zou een waar menfeh<br />

uit de menfchen zijn, want Hij komt voor als 't zaad<br />

der vrouwe Gen. 3: 15, 't zaad Abrahams Gen. 22:<br />

ib. Een heilig menfeh, Hij zou geen erfzonde hebben,<br />

dewijl Hij uit eene maagd ftond geboren te worden.<br />

Jez. 7. 14. geen daadelijke zonden , waarom<br />

Hij met de grootfte nadruk bij de propheeten den<br />

naam draagt van een Regtvatrdige s Sam. 23: 3,4<br />

en


:<br />

«ver't Genade-Verbond, enz.<br />

gi<br />

en wel naar Jez. 53: 11. Zulk een Regtvaerdige,<br />

die als borg aan veele andere eene geregtigheid zou<br />

aanbrengen. Hij word als de vjaare God aan dc oude<br />

kerk voorgefteld, de Jehovah onze gerechtigheid Jer.<br />

23: '6. Eindelijk is Mesfias ook toegezegd als die<br />

God en menfeh in eenigheid des perfoons zijn zou.<br />

Dit geefr tog te kennen de naam IMMANUEL, Jez.<br />

7: 14. 't geen betekent God met ons; men kan hier<br />

bij voegen. Jez. 9: 5. Een kind is ons geboren een<br />

Zoon is ons gegeven, let nu op 't geen er volgt, welke<br />

eertitelen op da: kind dat een zoon was, toepasfelijk<br />

gemaakt worden, men noemt zijn nam wonderlijk,<br />

Raad, STERKE GOD enz.<br />

359. ) J. Hoe zou ik tog beft tegen een Jood bewijzen,<br />

dat onze JEZUS van Nazareth de waare van<br />

God verordineerde en door de propheeten voorfpelden<br />

Mesfias is ?<br />

L. Wanneer men aanftonds hun voorkomt met<br />

JEZUS van. Nazareth, dien hunne vaders gekruisfigt<br />

hebben, en wil bewijzen dat Hij waarlijk is de<br />

Chriftus, (gelijk veele de gewoonte hebben, als zij '<br />

met Jooden redeneeren) zo zult gij niet alleen in uw<br />

oogmerk niet Hagen, maar zij zullen nauwlijks uwe<br />

redenen zonder verontwaardiging aanhooren. Het kan<br />

ook niet anders zijn, want Jezus is een geheel andere<br />

Mesfias, als zij verwagten.<br />

360. ) J. Ik heb dit meer dan eens opgemerkt,<br />

wanneer ik over dit ftuk met een Jood in onderhan-<br />

D a<br />

de


5 2 Het negende Cefprek,<br />

deling was.<br />

werk gaan.<br />

Maar hoedanig moet ik met hen te<br />

L. Gij moet dus te werk gaan, dat ge i) aantoont<br />

'r eird oogmerk, waar toe de Mesfias komen<br />

moeit, zo lang als zij daar in dwalen, behoef: gij<br />

niet eens te beginnen, om aan te tonen, dat Jezus de<br />

Mesfias is. s) Wanneer zij nu Bijbdfche begrippen<br />

verkregen hebben van 't oogmerk van Mesfias komft,<br />

ga dan verder voort, om te bewijzen, dat Mesfias<br />

reeds moet gekomen zijn naar luid der Godfpraaken,<br />

die den tijd bepaald hebben. Als gij daar mede<br />

klaar zijt, zal 't U niet ongemaklijk vallen om aanteroonen<br />

, dat niemand anders , onder alle die zig<br />

voor den Mesfias hebben uitgegeven, de waare Mesfias<br />

is, als JEZUS , dien wij er voor erkennen.<br />

361. ) J. Deze order van bewijzen vind ik zeer<br />

goed, maar ik wenfchte, daar eenige handleiding in<br />

te hebben , ik wenfchte dat Ui£ deze 3 ftukken voor<br />

mij wat uitbreidde.<br />

L. Om dit breedvoerig te dóen, heb ik thans<br />

geen Lijd, doch wil er gaarn.ie.ts van zeggen.<br />

362. ) % lk zal dan vooraf moeten weeten, wat<br />

denkbeeld de Jooden van hunnen Mesfias koefteren.<br />

L. Reeds agttien eeuwen geleden, was de waare<br />

leer van Gods woord begrepen in de Schriften van ' £<br />

O. T. (hoewel die boeken door de Joden onvervalfi:<br />

bewaard wierden) nogthans zo verbalterd, dat zij de<br />

duidelijke Godfpraaken niet venlonden, die gezegd<br />

had-


overat Genade-Verbond, enz. 53<br />

hadden, dat Mesfias lijden moeft Pf. 22. Jez. 53.<br />

dat hij voor de zonden van andere menfchen als borg<br />

moeft lijden en fterven Jez. 53.- 6-8. Dan. 9: 21,<br />

26. Het grootfte gros dier natie verwagtte toen den<br />

Mesfias als zulk een, die als een groot koning zou<br />

verfchijnen, hen verloslenvar.de overheerfching der<br />

Romeinen. Kwam nu de Zaligmaker als een kindeke<br />

in de vvaereld dat arm was, uit geringe ouders, en<br />

vertoonde Jezus in zijne openbaring onder de Joden<br />

geen lichaamiijke pragt, kantte hij togen hunne verbafterde<br />

leer en Godloos leven zig aan, geen wonder<br />

dan, dat zij in Hem niet geloofden, dat veele zijnen<br />

dood zogten. Zulk een verkeerd denkbeeld hebben<br />

ook nog jegenswoordig de Jooden. De meeften denken<br />

dat er voor Jfrael zodanig eene herftelling bij de<br />

kornlt van Mesfias te wagten is, dat de Jooden uit<br />

de geheele waereld zullen verzameld worden, de daden<br />

opgewekt, en alle in 't land van Kanaan wedergebragt<br />

worden, 't welks zij eene derde inleiding in<br />

Kanaan noemen. (*) ook willen ze dat Jerufalemzal<br />

herbouwd, en een tempel naar de aftekening van Ezechiel<br />

(*) Men zou hier kunnen vragen, of evenwel in 't laatfte<br />

der dagen, als de Joden naar Rom. ir zullen bekeerd<br />

worden , zij ook niet weder naar Kanaan zullen keeren?<br />

Zie hier over mijne BIJUELVERKLARIKO betrekkelijk tot Palestina<br />

p, léj.<br />

D 3


54 Het negende Ge/pret,<br />

chiel worden opgerigc, waar in de Mozaifche Godsdienft<br />

herftelt, en eindelijk de Jooden 't gebied over<br />

de geheele waereld zullen hebben, (dd)<br />

363.) J' ^ o e kunnen zij zulke verkeerde denkbeelden<br />

van den Mesfias hebben, daar er zulken duidelijke<br />

prophetien van deszelfs vernedering en lijden<br />

zijn ?<br />

L. Zij geven van deze duidelijke Godfpraken ganfeh<br />

verkeerde uitleggingen en pasfen dezelve op andere<br />

perfoonen toe. (ee) Doch hoe verkeerd dit verdraaid<br />

gedacht handelt, kan ligrelijk worden aangetoond, b.<br />

v. Dat er Jez. 53 van 't lijden en de verhoging door<br />

een en denzelven perfoon te ondergaan, gefproken<br />

word<br />

(dd) Zie STAPFER weded. Godgel. 3 deel p. 14, 15.<br />

(ee) Zommige Jooden hebben daarom gedagt aan tweërlij<br />

Mesfiai, dc een een Zoon van Jozeph gering en arm, doch<br />

kloekmoedig, ervaren in de krijgskunde, dat hij er weinige<br />

uit de gevangenis zal wederbiengen, vervolgens door zekeren<br />

ARMILLUS een Overiten van de kinderen Edoins, in<br />

een ftrijd tegen Gog en Magog zal oingebragt worden,<br />

doch door zi;n opvolger van den dooden zal opgewekt worden<br />

en zijn Stadhouder zal zijn. De andere houden zij voor<br />

een zoon van David, en den waaren Mesfias, die hen van<br />

hunne Vijanden verlosfen, en lfraëls Koning worden zal. Zie<br />

STAPFER wederl Godgel. 3Ü.f. 15 — 17. Dan gelijk er.<br />

van zulk een weerlij Mesfias bij de oude Joodfchc Schrijvers<br />

geen melding wordt gemaakt, zo vindt zij ook bij dc<br />

hedendaagfehe Jooden weinig of geen geloof.


over 't Genade'Verbond, enz. 55<br />

Word,blijkt allerklaardft uit ieder der drie laatfte versfen<br />

afzonderlijk, in welke versfen ook, gelijk in 't vorige<br />

van dit Hoofdftuk, dingen voorkomen, die op niemand<br />

dan op den van God verordineerden en beloofden<br />

Verlosfer .of Mesüas kunnen t' huis gebragt<br />

worden.<br />

364.) Hoe zal ik nu 't eerft tegens een Jood te<br />

werk gaan?<br />

L. Gij moet hem aantoonen, dat de menfeh een<br />

overtreder is der Godlijke wet, en des wegens onderworpen<br />

aan den vloek of hoogde ftratfe, naar Deut.<br />

27: 26. Vervloekt is bij, die de woorden dezer wet<br />

niet zal bevejiigen, doende dezelve ; dat God naar<br />

zijn regt en waarheid, den fchuldigen geenzins kan<br />

onjchuldig bonden Exod. 34; 7. Voor die overtreding<br />

nu kan de menfeh zelve niet voldoen, want al<br />

deed hij voortaan alle deugden volmaakt, kan hij daar<br />

mede vorige zonden niet uitwisfehen, om dat hij die<br />

deugden aan God is verfchuldigt. Hier uit volgt,<br />

dat, zal er iemand met God verzoend worden, 't moet<br />

zijn door een Middelaar, zo als wij te voren befchreven<br />

hebben: en die heeft God, gelijk gezien is,<br />

geopenbaard, als de Meslias. Derhalven moeft dc<br />

Mesfias eerft in een ftaat van diepe vernedering komen,<br />

en dewijl, dat dieverlosüng geejielijk is, moeft<br />

zijn koningrijk niet van deze waereld zijn. Het was<br />

genoeg, indien Hij na 't volbragte verlostings werk<br />

D 4<br />

in


5ö* Het negende Ge/prek,<br />

in heerlijkheid ingmg, gelijk wij in ' t<br />

vervolg bewijzen<br />

zulle», dat gtlchied is.<br />

365. ) J. Wat moet ik vervolgens doen ?<br />

L. Als gij hem van deze waarheid overtuigd hebt,<br />

zo moet gij tot 't tweede Ruk overgaan, om te be^<br />

wijzen, dat Mesfias reeds moet gekomen zijn.<br />

366. ) J. Welke Schnftuurplaatzen zijn daar toe<br />

de gefchikfle?<br />

L. Ik zal er flegts van 3 melding maken, die hier<br />

door HELLEN BROEK worden bijgebragt. Gen. 49:<br />

10. De Scepter zal van Ju da met .wijken , noch de<br />

wetgever van tusfchen zijne voeten, tot dat de Sci-<br />

LO komt, en denzelven zullen de volkeren gehoorzaam<br />

zijn. Ik merk hier aan , dat 't woord Scih<br />

wel op veelerlij wijze vertaald wordt (/) nogthans<br />

is dit zeker, dat zeer veele Jooden er de Mesfias<br />

door veritaan, als de Chaldeeuzvfche uitbreider ON­<br />

KELOS genaamd, de Jerujalemfche, JONATHAN, U-<br />

ZIEL, Rabbi SALOMON ; en nog veele andere beroemde<br />

Jooden.<br />

367. ) M a a r > »oe kan dqze plaats op Mesfias<br />

zien^<br />

(.#) HiERONijMüs en in de Vulgata wordt 't vertaald door<br />

den gceneti' die gezonden zal werden. MEKCEBUS en zeer veele<br />

andere zetten 't over Bevrediger. WILLET vertaalt 't<br />

door den lom. CLIKK door 't, einde. GOUSSET den geenen<br />

die lijden moet. MieHAELis' dek geenen die 't toekomt. Zis<br />

MICRAKLIS nieuwe vertaling van Genef.s %d» Jluk p. 4.33.


over 't Genade • Verhond, enz. $7<br />

?iesi, daar de Scepter verfcheide eeuwen te voren al<br />

van Juda geweken was met de Babijlouii'che gevangenisfe.<br />

(gg). •<br />

L. Ik ftaa volkomen toe, dat er zedert Babels gevangenis,<br />

geen opvolging van koningen uit Juda 's<br />

ftam, gelijk te voren heeft plaats gehad, ja men<br />

ten tijde van de verdrukkinge door de Syrifche koningen,<br />

gezagvoerders en bevelhebbers heeft gehad uit<br />

de ftamme Levi, als daar zijn de Machabeërs, en de.<br />

ze waren meer gelijk aan de Regters, die voor de koninglijke<br />

regering Ifrael verloften. Zulke Regters<br />

en geen Koningen had God ook beloofd Jez. i: 26.<br />

Evenwel kan men de woorden tot ons oogmerk verklaren<br />

op deze wijze: De Scepter zal van Juda niet<br />

wijken, dat is de ftamme Juda, te eeniger tijd tot 't<br />

koninglijk gebied komende, waar op JACOB in 't 8<br />

en 9 vers gezien had , zo zal de koninglijke Scepter<br />

zo niet van die ftam wijken, dat hij tot andere<br />

Hammen volkomenlijk zal overgaan; neen, Juda zou<br />

ten allen tijde onder alle omwentelingen van zaken, 't<br />

xegt behouden op Kroon en Scepter. noch de<br />

wetgever v&n tusfchen zijne voeten, of 't geen op 't<br />

dicit.<br />

Zeite.)<br />

Cl. S. Ravius in Pofiüon. PhiloU Fafcit. 28 Thes. 8.<br />

Quod de Sceptro a Juda non reniovendo leg<strong>im</strong>us<br />

„ Gen. 49: 10. uitra exilium Babijlonieuin exnendi non de-<br />

„ bere, raoncuur loco. Jes. \: 16.<br />

A 5


53 Het negende Gefprek,<br />

zelve uickomt: Wetgevers zullen uit hem voortkomen,<br />

tot dat de Scilo komt enz. Schoon nu Juda 'i<br />

ftam ophielt den Scepter te zwaaijen, er zijn evenwel<br />

wetgevers uit hem voortgekomen tot op de tijden<br />

van Mesfias, daar bij 't Sanhedrin of groote Raad<br />

de wetgevende magt berufte, waar in eenige uit Juda's<br />

ftam waren.<br />

368.) J. Is er nog niet eene andere vertaling van<br />

't woord Scepter?<br />

L. Ja, zommige beroemde mannen zetten 't woord<br />

Schebhet over door ftam, deze vertaaling wordt ook<br />

door onze Randtekenaars opgegeven, en van den wel<br />

Eerw. Heer W: A BRAKEL (Red. Godsd. 1. D. p.<br />

394) omhelsd. En voor deze vertaling kan men deze<br />

redenen geven:<br />

1. ) Komt't wonderlijk voor, dat JACOB van een<br />

wijken van den Scepter fpreekt, die Juda nog niet<br />

had, en eerft naar verloop van ru<strong>im</strong> zes eeuwen krijgen<br />

zou, en wel nog niet, voor dat eerft Benjamin<br />

dijn Scepter voerde als SAUL koning werd.<br />

2. ) 't Koppelwoordeke noch of en ftaat zeer nauw<br />

in verband met 't vorige, zo dat 'niet alleen wetgever<br />

maar ook Scepter zouden moeten blijven tot de<br />

SCILO kwam, 't welk in de uitkomft niet bewaarheid<br />

is.<br />

3. ) Het zelve woord Schebhet wordt in dat zelve<br />

49 Hoofdftuk door Stam vertaald, gelijk men zien<br />

kan


over 'i Genade-verbond, enz. 59<br />

kan ven 16 en 28. (hF). Juda moeft dan tot Mesfias<br />

komft een bijzondere Stam blijven, die zijn geflagtregifters<br />

had. Dit is nu in de volfte kragt waar<br />

geweeft van de ftamme Juda, waot daar tien ftaramen<br />

meerendeels in Asfijrie gebleven en verftrooid<br />

zijn, is de ftam van Juda wedergekeerd en de andere<br />

ftammen zijn naar deszelfs naam Jooden genaamd.<br />

Schoon nu die der andere ftammen ten tijde des Heilands<br />

hunne geflacht lijften hadden, en wiften uit welken<br />

ftam zij waren, voorzegt Jacob nogthans in zijne<br />

zegening dit van de ftamme Juda, om dat 't<br />

daar 't meeft op aankwam, dewijl de Mesfias daar<br />

uit zou voortkomen, Hier uit blijkt nu dat de<br />

Mesfias reeds moet gekomen zijn, om dat jegenswoordig<br />

de ftam van Juda geen onderfcheiden ftam<br />

meer is.<br />

369O J- Onlangs toen ik een Joodfch koopman<br />

bij mij had, (want deze lieden houden zig zo men<br />

weet, thans meeft met koopmanfchap op) wilde ik<br />

uit deze plaats bewijzen, dat de Mesfias reeds moeft<br />

gekomen zijn, maar die man kwam met zo veel Hebreeuwfch,<br />

en ik weet niet welke talen meer voor<br />

dendag, dat ik met hem niet verder redeneeren kon. Hij<br />

zei-<br />

(WO Behalvcn deza wordt 't op zeer veele plaatzen des<br />

O. T. door Ham overgezet, Exod. 24: 4. Cap. *8: 21. Deut.<br />

12: 14. Cap. 16: 18 en Cap. 29: az. Joz. 4: 5, 8, Cap. 24:1.<br />

Jteg*. 18: z. 2 Som. z8: 14- £ fra 6: 17- Ezeth. 45= 8. enz.


6 o<br />

Het negende Ge/prei,<br />

zeide, dat 't Hebr. woord bij ons Scepter vcrraalr,<br />

aanduidt eene roede der kaftijding, er, hij bragt een<br />

plaats bij uit Salomo 's fpreuken, (die ik vergeten<br />

ben,) waar 't ook dus genomen wordt.<br />

L. Zij brengen bij Spreuk. 22: 15. Doch dit is<br />

.eene ijdele uitvlugt der Jooden in later tijd enkel uit<br />

verlegenheid verzonnen. Want fchoon dit woord<br />

zomtijds zo vertaald moet worden, is dit geen rede<br />

waarom overal. Hier in onzen text Gen. 49: 10.<br />

kan zulks althans geen plaats hebben. Een tugtroede,<br />

en wetgever voegt niet wel bij elkander, maar<br />

behalven dat, is de ftam van Juda niet meer, maar<br />

minder dan veelen der andere ftammen gekaftijd.<br />

Tien ftammen zijn i3ojaaren eerder in ballingfchap<br />

weggevoerd. En bij de vergunning *>an CIJRUS om<br />

weder naar hun land te keeren, heeft de ftamme Juda<br />

meer dan zommige andere ftammen , hier van gebruik<br />

gemaakt, en vervolgens Jeruialem en den tempel<br />

herbouwd.<br />

L, Ten tweeden brengt de Geachte HELLENBROEK<br />

bij Haggai 2: 8. Ik zal alle Heidenen doen beven<br />

*n zij zullen komen [tot] den wenjch aller Hei<br />

nen, en ik zal dit buis met heerlijkheid vervullen,<br />

zeidt de Heère der Heirfchaaten, en vers 10. De<br />

heerlijkheid dezes laatflen huizes zal grooter we<br />

dan des eerft en enz. Gij moet weten dat SALOMO 'S<br />

370.) J. Gelief nu tot de tweede plaats overtegaan.<br />

tem-


cver't Genade -verbond, enz.<br />

6t<br />

; tempel veel pragriger en luifterijker was, dan den tweeden<br />

tempel na de Babijlonifche gevangenis, waarom<br />

de oudfte lieden bij den opbouw van dit tweede Huis<br />

bitter weenden Efra 3: 12. Doch God trooft hen<br />

door HAGGAI met de voorgemelde woorden, als willende<br />

daar mede aanduiden, dat de komfl: van Mesfias<br />

tot dien tempel (zie Maleachi 3: 1.) daar veel<br />

heerlijkheid aan zou bijzetten.<br />

371. ) J. Maar ik meen elders gelezen te hebben,<br />

dat men die meerdere heerlijkheid zou kunnen toe-<br />

: fchrijven aan de verbeteringen die Koning HERODES<br />

. naderhand aan den tempel heeft laten doen.<br />

L. HERODES heeft buiten twijfel dat gebouw pragtig<br />

opgefierd, maar daarom kon 't in luifler en heerlijheid<br />

niet haaien bij 't eerfte, om dat er die dingen<br />

in ontbraaken, waar in de Jooden de meeften heerlijkheid<br />

ftelden. Want naar der Jooden eigen zeg-<br />

; gen ontbrak er. 1.) De arke des verbonds. 2.) De<br />

1 tafelen der wet. 3.) De goude kruik met Manna.<br />

. 4.) De Staf Aarons die gebloeid had. 5.) De Ur<strong>im</strong><br />

i en Thumm<strong>im</strong>. Daar zommige nog bij voegen de<br />

Godlijke tegenwoordigheid in eenewolke, en't |hemelfch<br />

vuur, waar door de offerhanden verteerd wor-r<br />

i den.<br />

372. ) J. Ik hoorde onlangs iemand zeggen, dat<br />

I de tempel in des Zaligmakers tijd voor een derde<br />

: ganfeh nieuwen tempel van HERODES moet gehouden<br />

wor-


6*2 Het negende Gejprek,<br />

worden, en indien dit waar is, dan geit de text van<br />

HAGGAI niet.<br />

L. Herodes heeft den tweeden tempt! alleenlijk<br />

verbeterd, waarom de Jooden zelve daar vau als van<br />

eenen tweden tempel fpreeken. Men kan zijn redevoering<br />

en verdedigings fchrift van ALEXSNDER zijn<br />

zoon bij JOZEPHUS zien (if). Het is waar dat JOZE-<br />

PHUS in 't 15 boek der Joodfche oudheden zegt, da<br />

men de oude grondveften van weggenomen heeft,<br />

doch dit is maar van eenige te verftaan (M). Dewijl<br />

nu die tempel meer dan 17 eeuwen verwoelt<br />

is, blijkt daar uit, dat de Chriftus al gekomen is.<br />

373 ) J- Nu verzoek ik 't derde bewijs uit te<br />

leggen.<br />

L. Dit is ontkend uit de 70 weeken bij DANIËL<br />

Cap. 9: 24 - ÊÖ. Hoe wij die ook rekenen, dit is<br />

klaar, dat zij al voor lang verftreken zijn. Ik zcu<br />

U meer van die weeken zeggen, maar zie hier o.<br />

ver mijne uitgegeven BIJBEL VERKLARING betrekke-<br />

Paleftina p. 137 en 138.<br />

374) J. De Jood waar van ik zo even fprak,"<br />

icheen zelfs niet heel fterk te ontkennen, dat de tijd<br />

reeds lang verlopen was, maar zeide dat de Mesfias<br />

vit<br />

(ii) jintiq, Jud. I. 16. r. 8.<br />

(ftfc) Viel. VILLALPAKDUS in Ezuh. Tem. 9. Part. 2. L. %<br />

Pi/put. 4,


over V Genade-verbond, enz. 63<br />

om banner zonden wil agter bleef, en als Ifrael zig<br />

bekeerden, dat Hij dan ras zou komen.<br />

L. Dit is een ijdele uitvlugt, die bedagt is, om<br />

dat zij met de tijdrekening geen raad weeten. Neen ,<br />

n<strong>im</strong>mer was de komft van de Chriftus voorwaardelijk<br />

beloofd. Hij kan om hunne zonden niet weg<br />

blijven, daar Hij volgens Dan. 9: 24. moeft komen<br />

om de ongeregtigbeid te verzoenen,vergél. Jer.53:5.<br />

Ook hebben de Joden na Babels gevangenis zig aan<br />

geen grooter zonden fchuidig gemaakt, uitgezonderd<br />

*t vermoorden van hun eigen Mesfias) dan hunne<br />

voorouders, die God na eene ballhigfchap van 70 jaaren<br />

verloft en in hun land herfteld heeft, daar deze<br />

hunne kinderen nu zo veel eeuwen op aarde hebben<br />

omgezworven. Is de Chriftus dan waarlijk gekomen<br />

, gelijk hij naar luid der onfaalbaare Godfpraken<br />

moet gekomen zijn, dan moeten de Jooden aantoonen,<br />

in welke perfoon de merktekenen van Mes-<br />

Gas gevonden worden. Wij voor ons zijn in ftaat<br />

om allerduidelijkft te bewijzen, dat zij allen in JE­<br />

ZUS dien hunne voorvaders , met vooroordeelen verblind,<br />

gekruisligd hebben, te vinden zijn. (//)<br />

375-( 3-<br />

(11) Het is opmerkelijk dat men niet leeft, dat<strong>im</strong>and voor<br />

Jizut geboorte zig heeft uitgegeven voor den Mesiias, maar<br />

wel naderhand, waar door de Jooden jammerlijk bedrogen<br />

zijn.<br />

Niet lang m dc verwoeftirg van Jerufalem, kwam er<br />

cea


64 Het negende Gejprek;<br />

375-) % Hoe zou ik nu 't beft bewijzen, dat alle<br />

die merktekenen in Hem te vinden te zijn ?<br />

L. Door aan te toonen dat de prophetien in Hem<br />

vervuld zijn, en dat Hij alle die vereifehten bezit,<br />

die wij gezien hebben , dat een Middelaar nodig<br />

heeft, welke eene waare verzoening zal te weeg<br />

brengen.<br />

376.) J. Gelief deze twee fiukken wat onderfcheiden<br />

aan te tonen*<br />

L. Met opzigt tot 't eerfte, de propheetien, dia<br />

den tijd zijner komft, zijn geftaebt, en zijne Lotgevallen<br />

voorzegd hebben, zijn in JEZUS van Nazareth<br />

vervuld.<br />

a. Wat tic tijd zijner komft betreft.<br />

a) Meer*<br />

een bedrieger , die zig noemde BAR COCHAB een zoen der Jlerre<br />

, doelende op Num. 24: 17 maar naderhand genoemd!<br />

ÉAR COS'BA een zoon der leugen, Hij verkoos de Stad Bitter<br />

tot zijn verblijf, doch werd door Keizer HADKÏANUS metzijit<br />

aanhang oïêgeWèiJt In de 5de eeuw had men eencn Mo-<br />

ZES van Octa, die voorgaf dezelve Mozes te zijn, die Ifrael<br />

wel eer in Kannan had gebragt, en nu van den hemel was<br />

afgedaald om de Jooden weer door de zee in Paleftina te<br />

brengen. Veele Jooden hem aan den oever der zee volgende,<br />

en in zee gaande zijn jammerlijk verdronken- In de vorige<br />

17de eeuw Stond SABSTHAI ZEVI op, zig uitgevende<br />

voor den Mesfias, kreeg een grooten aanhang, doch werd<br />

naderhand Mohammcdaanfch, en toonde dat hij een bedrieger<br />

was, hij iii'erf 1673.


over't Genade-verbond, enz, 65<br />

a. Meer in 't gemeen: 't was toen de ftamme Juda<br />

nog a's een geheel onderfcheiden en onvermengden<br />

ftam iu wezen was. De tweede tempel, waar<br />

, in Jezus zijn Godlijk onderwijs gaf, ftond nog, en<br />

waar in vervolgens den H. Geeft werd uitgeftord<br />

(mm). De zeventig weeken van DANIËL liepen ten<br />

einde.<br />

b. In 't bijzonder hadden de propheeten voorfpeld<br />

wat Chriftus komft onmiddelijk zou voorgaan,<br />

en ook volgen<br />

-. Er moeft voorafgaan een voorloper ditf<br />

naar Jezaia 40: 3. zijn zou: een ftemme des roepende<br />

in de woeftijne , bereidt den zveg des Heeren- r<br />

maakt regt in de wildernisfe eene baane voor onzen<br />

God. Dit is JOHANNES den Doper geweeft Luc. 1;<br />

76. Joh. 1: 23. En gelijk Mesfias onder den naam<br />

van David bij de propheeten voorkomt, zo komt<br />

ook deze JOHANNES voor onder den naam van ELIAS;<br />

Hij was Elias zelve niet Joh. 1: 21. maar die in<br />

den Geeft en kragt van Elias voor Hem zou heenen<br />

gaan, om te bekeer en enz. Luc. 1: 17. Zie ook<br />

Matth.<br />

(mm) Dac't Godvruchtig gezelfchap der Apoftelen, enwio<br />

er zig meer bij bevonden, op wien de H. Geeft op 't Pinrter<br />

feeft werd uitgeftord in een der tempel vertrekken zaten<br />

, ii meer dan waarfchijnlijk, onder anderen blijÊt zulks<br />

in dien wij vergelijken Luc. 24: 53, met Hpni. »: 46.<br />

Ilde DEEL.<br />

E


C6<br />

' Het negende Cefprek,<br />

Matth. 17: 10-13. Van dezen Johannes geeft<br />

Ft,. JOSEPHUS een goed getuigenis (hn).<br />

Na Mesfias dood moeft volgen de verwöefting<br />

van 't Joodfcae land, Stad en tempel, volgens<br />

Dan. 9: 26, 17. Het geen omtrent 40 jaaren<br />

fla Jezus dood al vervuld is.<br />

b. Wat 't ge/lacht betreft. Hij moeft uit ABRA­<br />

HAM, IZAAK en JACOB zijn, uit de ftamme JUDA en<br />

wel uit DAVIDS huis, Jer. 23: 5. Ziet de dagen dat<br />

ik den David eene regtvasrdige Spruite zal verwekken<br />

enz. Dit huis van David moeft in geringheid<br />

zijn, evenwel moeften de ouders van Mesfias voor<br />

nazaten van David bekend ftaan 'fez. 11: 1. De vervulling<br />

daar van in onzen Heere Jezus, ziet men in<br />

de geflachtregifters Matth. 1: 1-17. Luc. 3; 23-<br />

38. en Cap. 2: 4, 5.<br />

377.) Ji Ik kan niet voorbij hier tusfchen beiden<br />

eene aanmerking re maken. De Euangeliften geven<br />

de geflachtlijft van 'JOSEPH op, daar mijns bedunkens<br />

zij de geflachtlijft van MARIA hadden moeten opge.<br />

ven.<br />

(RB) Zie deszelfs' Joodfche oudheden 't i&Boek 't 7 H. alwaar<br />

hij getuigt dat Johannes een goed'man was, die de Joden<br />

door de ocffening van deugd, vroomheid jegens God<br />

cn regtvaardigheid omtrent den naaften , onderwees om tot<br />

zijn üoop te komen, én dat hier op eene groote menigte tot<br />

hem toevloeide,<br />

zijnde 't volk met zijn leer zeer ingekomen.


ever V Genade verbond, enz. 6?<br />

ven. Daar en boven zijn die beide geflachtlijften el«<br />

kander niet gelijk.<br />

L. JOZEPH en MARIA waren beiden uit DAVID oorfprongelijk,<br />

maar niet uit denzelven zoon van David.<br />

Jozeph was uit Davids zoon SALOMO en Maria uit<br />

Davids zoon NATHAN. Zij dan uit 't zelve geflachthuis<br />

zijnde en aan elkander ondertrouwd , zo kon<br />

Mattheus veilig de geflachtlijft van Jozeph volgen,<br />

Sn had daar zo 't fchijnt dit oogmerk mede, om<br />

die geflachtboom van Abraham tot Chriftus, tot 3<br />

maal veertien gedachten te brengen, Mattb. 1:<br />

17 (00). LUCAS geeft wel de geflachtlijft van Maria<br />

op, doch vermits de vrouwen niet als hoofden op<br />

de<br />

(00) Deze driemaal 14 gedachten maken bij MATTHSUS<br />

geen 42 perfoonen uit, maar flegts AO behalvcn Chriftus die<br />

cr niet toe kan gebragt worden. Doch deze zwarigheid<br />

kan dus opgeloft worden , dat men telkens de laatfte<br />

perfoon weer herhalen moet. Bij de volgende optelling,<br />

op deze wijze. De eerfte 14 geflachten zijn van ABRAHAM<br />

tot DAVID, de tweede 14 geflachten van DAVID tot JOZIA<br />

enz Deze rekening is niet ongewoon bij de ouden. De<br />

Latijnen brengen de Nons, Jdus, en Calenda; zo wel voot<br />

als na in hunne rekening. Gen. 46. wordt eerft ge«<br />

zegd, dat de zoons- van Jacob zouden genoemd worden, en<br />

bij flot van rekening wordt er JACOB zelve tocgebragt. Zit<br />

den WclEcrw. ziergel. Heer J, H. DE RUITER in de Atadip<br />

mie der geleerden 3. deel. p. 28+.<br />

E 3


68 Het negende Oefpre\\<br />

de geflachtlijften plaats krijgen, zo mek hij van haaren<br />

Vader HELI LUC. 3: 23. Nu kunt gij zelve opmaken<br />

, waarom dat bij Mattheus andere perfbonen<br />

voorkomen, dan bij Lucas. Ik ga nu verder<br />

voort, met de vervulling aan te wijzen betrekkelijk<br />

c. De Lotgevallen, die de propheeten van Mesfias<br />

voorzegd hebben. Hij moeft uit eene maagd ontvangen<br />

worden, Jez. 7: 14. te Bethhhem geboren<br />

worden Mich. 5: 1. een armoedig leven leiden zijn<br />

leer met wonderwerken beveiligen, gekruisfigd worden,<br />

uit den dooden opftaan enz. Ik zal de bijzondere<br />

plaatzen, thans uit de Godspraken niet bijbrengen<br />

, zij zullen vervolgens nog voorkomen ; men<br />

vindt van dit alles de vervulling bij de vier Euangeliften<br />

in JEZUS.<br />

378. ) J. Ik ben hier over zeer wel voldaan, en<br />

hoe wel ik te voren niet twijfelde aan die waarheid,<br />

welke thans behandeld is, is nogthans mijn geloof<br />

niet weinig verfterkt. Maar ik heb nog eenige weinige<br />

bedenkingen, die de Jooden als tegenwerpingen<br />

aanvoeren , namelijk dat alle de Godfpraaken niet<br />

vervuld zijn betreklijk Mesfias in Jezus.<br />

L. Welke?<br />

379. ) J. Onder andere Jez. 2: 2-4. En 't zal<br />

gefcbieden in 't laatfle der dagen, dat de berg de<br />

Huizes des Heeren zal vajlgefield zijn enz. — De<br />

Mesfias moet een oorlog voeren tegen Gog enMagog<br />

Ezech. 38 en 39. dat er ten tijde van Mesfias een<br />

der-


ever 't Genade-verbond, enz. 69<br />

derde Tempel moet gebouwd worden Ezech. 40 —<br />

42. en dergelijke plaatzen meer die haare vervulling<br />

in Jezus niet bekomen hebben.<br />

L. Het zou te breedvoerig zijn , om de zin of<br />

meening van die Schriftuurplaatzen naartelpeuren,<br />

of u op te geven wat geleerde mannen rer verklaaring<br />

hebben aangevoerd. Let alleenlijk op deeze<br />

volgende zaken:<br />

j. Het is zeker, dat alle de Godfpraaken niet<br />

eigenlijk moeten genomen worden , maar zomtijds<br />

zinnebeeldig zijn, dit leert klaarlijk Jez. 2: 2.<br />

a. Er wordt niet gezegd, dat Mesfias zelve dien<br />

oorlogvoeren, nog dat ten zijnen tijde dien tempel<br />

zou gebouwd worden.<br />

3. 't was niet nodig, dat alle de Godfpraken<br />

haare vervulling kregen, geduurende Mesfias verblijf<br />

op aarde.<br />

4. Ue laatere Jooden "verklaaren de Godsfpraken<br />

in een geheel anderen zin als de oude Jooden gedaan<br />

hebben, (pp)<br />

380.) J. Ik zal deze aanmerkingen zoeken in 't<br />

oog te houden.<br />

L. Ik moet uw nog ten tweeden aantoonen, dat<br />

in onzen Heer Jezus Chriftus ook alle de veteifchte<br />

hoe-<br />

(#>) Zie SxAPf£* wederl. Gaig. 3 deel f. 304.<br />

E 3


jro<br />

Eet negende Gefprek,<br />

hoedanigheden van eenen Middelaar Gods e;i der menfchen<br />

te vinden zijn.<br />

a. Hij is een waar menfeh uit ziel en lichaam<br />

beftaande, gelijk de gefchiedenis van zijn geboorte<br />

en leven leert.<br />

b. Ook een een heilig menfeh. Jezus had geen<br />

erffchuld noch verdorvenheid gelijk onze kinderen,<br />

dewijl hij ontvangen was van den H. Geeft. Luc. i:<br />

35. Hij had geen dadelijke zonden , en kon dus<br />

zeggen, wie van u overtuigt mij van zonden Joh.<br />

8: 46.<br />

c. Hij is ook waarachtig God 1 Joh. 5; 20.<br />

Deeze is de waarachtige God en't eeuwige leven. De<br />

Vader heelt dit ook getoond als hij Jezus uit den<br />

dood opwekte Rom. i; 4. Qqq')<br />

, 0. Hij<br />

(qq) 't blijkt ook uit de wonderwerken, dat Jizus vaar.<br />

achtig God is. Doch op welk eene wijze ? Immers hadden<br />

ook fia Propheeten waare wonderwerken gedaan , fchoon<br />

riet door eigen kragt. En wie kon er over oordeelen of Jezus<br />

niet op die zelve wijs wonderwerken deed als voorheen,<br />

de propheeten ? en dan was er <strong>im</strong>mers geen bewijs in van<br />

zijn waare Godheid? Men moet 't ftuk op deze wijze begrijpen:<br />

Jezus leerde eene Gode betaamlijkc leer, en vermelde<br />

van zig zelfs, dat hij de ware God vas, dat God zijn<br />

Fader was, die leer beveftigde hij met wonderwerken, deed<br />

hij die wonderwerken door eigen kragt , dan was hij de<br />

waarachtige Cod, deed hij die door de kragt van God, diea<br />

Je-


ever 't Genade-verbond, enz. 71<br />

d. Hij is de waare God en waare menfeh in<br />

een perfoon. Job. 1; 14. 't Woord is vleefcb geworden.<br />

1 T<strong>im</strong>. 3: 16. God is geopenbaard in 't<br />

vleefcb.<br />

381.) J. Is deze vereeniging niet zeer nauw ?<br />

L. Ja zekerlijk, men heeft op de kervergadering<br />

van Epbefen A°. 431 (rr) gezegd, dat die vereeniging<br />

Jezus zijn eigen noemde, dan gaf God de vader daar door<br />

mede getuigenis , dat zijn zoon de zuivere waarheid fprak.<br />

Zie Joh. 8: 17, 18- Nu ftrijdt 't volkomen tegen de zedelijke<br />

goedheid van God, dat Hij zou toelaten, dat iemand<br />

een Godebetaamlijke leer predikte , en die leer met wonder,<br />

werken beveiligde, en tevens een bedrieger was.<br />

(rr) Deze algeineene kerkvergadering werd gehouden we»<br />

gens NESTORIUS Bisfchop van Conflantinopolen die bcfchuU<br />

digd werd, als ftelde hij twse perfioncn in Chriftus. Veele<br />

voorname geleerden denken dat Ncftorius geheel onfchuldig<br />

is geweeft. Hij keurde niet goed dat men MARIA een Godl/aardfter<br />

noemde, 't welk bij de Apollinarijlen zeer-in zwang<br />

ging, 't welk luidt, als of zij de Godlijke natuur had ter<br />

waereld gebragt. Hij lochende niet, dat Maria de Godraenfch<br />

Chriftus had ter waereld gebragt, en wilde daar liever<br />

Maria een Chrijiusbuardfter genoemd hebben. CIJRIL-<br />

LUS biffchop van Alexandrie hem zeer nijdig en partijdig zijnde,<br />

wift uitte werken , dat NESTORIUS veroordeeld werd<br />

en afgezet. Men zie onder anderen JASLCISSKI de Meritit<br />

Jfeftorii. MOSHZIM kerkelijke gefckiedciis pp de $de eeuw. FOK.<br />

MEHJ


7* Het negende Gefprek,<br />

géfchied is onverdeeld en onaffcheidelijk, en op de<br />

kerkvergadering van Chalcedon, A°. 451.. Dat zij is<br />

onveranderlijk en onvermengd. Die vereeniging is<br />

dan.<br />

1. Onverdeeld. Zo dat die twee onderfcheiden<br />

nat<strong>im</strong>ren geen twee onderfcheiden perfoonen uitmaken,<br />

maar één perfoon. 1 T<strong>im</strong>. 2: 5. Daar is één<br />

Middelaar Gods. Zie ook Eph. 4: 5. eV« //


ever 't Gtnade-'verboni, enz. 73<br />

Die gtwerden is uit den zade Davids naar den vleefchen.<br />

Die kragtiglijk bewezen is te zijn de zoone<br />

Gods na den Geeft der Heiligmaking.<br />

382.) J. Wat is er al meer aan te merken?<br />

L. Eindelijk merk ik nog aan, dat die vereeniging<br />

der beide natuuren zeer heerlijke gevolgen had, namelijk.<br />

1. Eene mededeeling van Godlijke genade gaven<br />

aan de menfchlijke natuur, en wel zo dat niemand<br />

Hem in wijsheid en heiligheid is gelijk geweeft<br />

Jez. tt: a. Op Hem zal de Geeft des Heer en ruften<br />

enz. Cap. 61: 1. Joh. 3: 34., Deeze mededeeling<br />

van gaven was nogthans niet oneindig en is trapsgewijs<br />

gefchied Luc. 2: 40 en 52.<br />

2. Een gemeenfchap van eigenfchappen en werken<br />

, zo dat er eigenfchappen aan den geheelen perfoon<br />

worden ontkend of erkend, die flegts maar tot<br />

een van beiden de natuuren behooren Joh. 11: 15.<br />

Hand. 20: 2%. 1 Cor. 2; 8. Ja uit kragt van die<br />

nauwe vereeniging, gefchied de benaming wel eens<br />

van een geheel andere natuur, b. v. Mare. 13: 32.<br />

Van dien dag en die uur weet niemand noch ie Engelen<br />

iie in den hemel zijn, noch de zoon. dan de<br />

vader Qs).<br />

3. Broe-<br />

Os) Hier fpreekt Chriftus naar zijn menfchlijke natuur met<br />

eene<br />

E 5


74 Het negende Gefprek,<br />

3. Broederlijke genegenheid en Godlijke eer,<br />

betrekkelijk tot den ganfchen perfoon des Middelaars.<br />

De broederlijke genegenheid heeft haar grond<br />

in de menfchheid.<br />

Hebr. 2: 11. Hij fchaamt zig<br />

niet ben broeders te noemen. De Godlijke eer heeft<br />

haar grond in de Godlijke natuur, waar aan de<br />

menfchheid niet meer deel heeft, als de Godheid<br />

aan 't lijden.<br />

383.) J. Hebben wij over dit ftuk niet verfchil<br />

met de Lutheranen.<br />

L. Ja, deze ftellen dat wegens die vereeniging<br />

aan de menfchlijke natuur, Godlijke eigenfchappen,<br />

hoedanig zij in God zijn, zijn medegedeeld, voornamelijk<br />

overaltegenwoordigheid, alwetendheid, almacht<br />

en Levendmakends kragt. (ti)<br />

3840 J<br />

eene benaming ontleend van zijn Godheid, want 't woord<br />

zoon zonder eenig bjjzoegzel, word in 'tN. T. van Mesfias<br />

naar zijn Godheid gebruikt, en dit doet de Zaligmaker, om<br />

zo van t mindere tot 't meerdere optekl<strong>im</strong>men. r) De Engelen.<br />

2) Vervolgens de Zaligmaker, die <strong>im</strong>t zijn vernederende<br />

menfchheid een weinig minder was dan de Engelen,<br />

3) Zijn Vader.<br />

(«) Er zijn er onder de Lutherfehen, gelijk de Heer BÜD-<br />

DEÜS (Tlieol. dogm. p. 764.) die in zekeren zin eene mede*<br />

deeling van alle de Godlijke eigenfchappen aan Chriftus menfchlijke<br />

natuur Helt, doch niet alle onmiddelijk, maar door mid*<br />

dei van deoveraltegcnwcordigheid, alwetendheid en almacht.<br />

b. v.


over V Genade - verbond, enz. 75<br />

384.) Hoe zou men dit gevoelen kunnen wederleggen?<br />

Z. Door aantemerken<br />

1) Dat die eigenfchappen, zo als zij in God<br />

zijn, alle oneindig zijn, en dus in eene eindige natuur,<br />

hoedanig de zoone Gods heeft aangenomen,<br />

niet vallen kunnen.<br />

2. Gelijk 't eene ongere<strong>im</strong>dheid in zig fluit aan<br />

de Godlijke natuur menfchlijke eigenfchappen toe t*<br />

kennen, b. v. Op eene plaats met uitfluiting van andere<br />

tegenwoordig te zijn; bepaaldheid in kennis en<br />

magt, enz. Even zo ongere<strong>im</strong>d is '1 te Hellen, dat<br />

er Godlijke eigenfchappen (ik fpreek hier niet van eene<br />

zekere overeenkomft of gelijkheid van zommige<br />

eigenfchappen) maarzo als zij in God zijn, zouden<br />

kunnen medegedeeld worden, de menfchlijke natuur<br />

zou dan God zelve worden.<br />

3.) De H. S. fpreekt dit gevoelen tegen. b. v<br />

de alomtegenwoordigheid. Chriftus is naar zijne<br />

menfchlijke natuur niet overal op den zeiven tijd geweeft.<br />

Niet in den tijd voor zijne opftanding, Joh.<br />

11: 15. niet na zijne opftanding Matth. 28: 5, 6.<br />

niet na zijne hemelvaard, Matth. 26: n. de armen<br />

hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd.<br />

3 8 5-><br />

b. v. De menfchlijke natuur is niet oneindig, maar die alwetend<br />

is, is oneindig alwetend, enz.


76 Het negende Gefprek,<br />

3 8 5-) J- Hebben zij niet eenige tegenwerpingen?<br />

L" Ja , behalven die waar van onze Heiaelberg-<br />

Jcbe Katechismus gewag maakt vrage 48, werpen<br />

zij tegen Matth. 28; 18. Job. 3: 34. Epb. 4; 10.<br />

Col. 2: 3 en 9. en dergelijke. Men kan daar van<br />

goede oplosfingen vinden bij onze geachte Randtekenaars.<br />

3860 J- Dewijl ik niet meer heb aantemerken,<br />

zou ik gaarn 't toepasfélijk gebruik van deeze waarheden<br />

horen.<br />

L. Hier over zouden wij nu nog breed kunnen<br />

zijn, doch dewijl ons gefprek langer dan naar gewoonte<br />

heeft geduurd, moeten wij ons bekorten, en<br />

dit kan ook zeer voegzaam gefchieden, daar wij een en<br />

ander kunnen fpaaren tot volgende gefprekken, als<br />

wij den gezegenden Middelaar in zijn Namen<br />

9<br />

s<strong>im</strong>pten,<br />

Staat en en Weldaden befchouwen.<br />

387.) J. Wat is zulk een menfeh niet allergelukkigft,<br />

die met God in Chriftus den Middelaar in<br />

'1 verbond der Genade ftaat 1<br />

L. Voorzeker is zulk een allergelukkig!!. Als men<br />

aanmerkt.<br />

1) Dat er buiten dit verbond niet dan ellende<br />

is, want de menfeh is als dan nog onder 't verbroken<br />

werk verbond, en zal dus blijvende aan de Godlijke<br />

geregtigheid door 't dragen der ftraf in eigen perfoon<br />

moeten betalen, zonder ooit de ftraf te boven te kunnen<br />

komen.<br />

2) Dit


over *t Genaden-verbond j enz. 77<br />

2) Dit Genade verbond is allervoortreffelijkit.<br />

Het is een God die zulk een verbond bekend maakt,<br />

die enkel licht, liefde, vrolijkheid en zuivere heiligheid<br />

is, welks vnenichap de bondgenooten voor nu<br />

en voor eeuwig zullen genieten. Hij fpreidt er<br />

zijn Genade in ten toon; want't is God geen voordeelmet<br />

menfchen een verbond te nsaken, ook is er<br />

niets in den menfeh, dat God daar toe zou bewegen.<br />

Het is een heilig verbond, want de Jehova is een Heilig<br />

God: die zijne bondgenoten heiligt, Luc. 1; 7a.<br />

Op dat Hij gedagtig ivare zijns heiligen verbonds. —-<br />

Het is een verbond dat in alles welgeor dineer d is 2<br />

Sam. 23: 5 Het is een heerlijk verbond om<br />

dat men door het zelve tot de Heerlijkheid wordt opgeleid<br />

Hebr. 2: 10. Eindelijk een verbond dat eeuwigdurend<br />

is. Jez. 54: 10. Want bergen zullen wijken<br />

en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierendheid<br />

zal van u niet ivijken, '/ verbond mijnes vredes<br />

zal niet wankelen, zeidt de Heere uw ontfermer.<br />

388. ) J. ó Wat een dierbaar verbond 1 Welgelukzalig<br />

is 't volk, diens God de Heere is, Pf. 33; 12.<br />

Welgelukzalig is hij, die den God Jacobs tot zijne<br />

bulpe heeft, enz. Pf. 146: 5, 6.<br />

L. Niet tegenftaande dit, leven zeer veele menfchen<br />

geruit en vergenoegd buiten dit genade verbond.<br />

389. ) J. Geruft te leven buiten dit verbond, hoe<br />

is dit mogelijk! Wat is er tog de oorzaak van?<br />

L. De oorzaken waarom men buiten dit verbond<br />

ge*


j?8 Het negende Ge/prek,<br />

geruftelijk en zorgeloos voortleeft in de waereld<br />

9<br />

zijn verfcheiden.<br />

r.) Zommige hebben geen regte indrukken van<br />

hunnen diep ellendigfte ftaat van natuure door<br />

de zonde; geen bezef van de Godlijke regtvaardighéid<br />

; zijn onkundig of koefteren verkeerde denkbeelden<br />

van 't waare zielsgenoegen dat er in Gods<br />

volzalige gemeenichap gevonden wordt, hebben meer<br />

lult om te leven naar 't goed dunken van hun boos<br />

harte.<br />

' 2.) Andere hebben van dit alles wel eenige oppervlakkige<br />

kundigheid, maar rigten een eigen geregtigheid<br />

op met de Pharifeen Luc. 18: n. Matth.<br />

5' 20.<br />

390.) J. Hoe komt de menfeh tog met den Heere<br />

in dit Genade verbond ?<br />

L. Gij hebt gehoord dat de menfeh van natuur<br />

niet behoort tot dat verbond, maar in tegendeel ligt<br />

onder 't verbroken werkverbond en dus onder den<br />

vloek, hij heeft de waereld en de zonde lief; zijn<br />

wil is afkeerig van God en deszelfs dienft; hij zegt<br />

tot God met fprekende daden, wijkt van ons, want<br />

aan de kennisfe uwer wegen hebben wij geen lufl.<br />

Hij is daarbij zorgloos en onachtzaam; let niet op<br />

de genaderijke bekendmaking van een vriendelijk God,<br />

die aan allerellendigften in Chriftus zijn Genade wil<br />

verheerlijken. God nu brengt zulk een menfeh<br />

onder den band des verbonds op deeze wijze: dat de<br />

H,


over 't Genaden-verbond<br />

3<br />

enz. 79<br />

H. Geeft 'c verduifterd verftand verlicht, zo dat de<br />

zondaar zijn verloren toeftand ziet, nu hoort en leeft<br />

hij anders Gods woord als te voren, hij bid anders,<br />

hij ziet niets goeds in zig, als wonden, ftrièmen en etterbuilen,<br />

met een woord geheel melaats, en dus<br />

heeft hij niets in zig, waarmede hij den Heere zal<br />

tegenkomen. Dan doet de H. Geeft hem zien<br />

de volle algenoegzaamheid en dierbaarheid die er in<br />

Chriftus is, hoe hij voor dwaaze, fchuldige, en verdorven<br />

menfchen de regrgefchikte Middelaar is, die<br />

van Gode geworden is tot wijsheid, regtvaardiging,<br />

heiligmaakingen verlosfing, 1 Cor. 1: 30. Hij ziet<br />

ih 't Euangelium dat er geen groote zondaaren worden<br />

uitgeflooten, 1 T<strong>im</strong>. 1: 15. dat God dus in 't genade<br />

verbond een weg van zaligheid laat bekend make»,<br />

en hij gelooft, dat zo hij maar gewillig is, om dien<br />

weg van God in 't Eua:igelie voorgefteld, zonder eenig<br />

uitbedingte kiezen en in te flaan, dat God dan<br />

ook gereed is, om hem in genade aatnenemen en tot<br />

«en bondgenood te maken.<br />

391.) J. Wat is hier van 't gevolg?<br />

L. Dit verwekt in de ziel eene hartelijke en opreg-<br />

:e genegenheid tot de gemeenfchap van God, eene<br />

Waaren honger en dorft naar Jezus, zo dat hij zeggen<br />

moet met David in den 63 Pf. vs. 2. Mijne ziele<br />

dorfi naar U, mijn vkejch verlangt naar u. Daarop<br />

kielt hij God tot zijn deel, Jezus tot zijn eeni-<br />

£ en Middelaar, en wenfcht voor God in Chriftus te<br />

levea


'8o<br />

Het negende Gefprek,<br />

leven voor tijd en eeuwigheid. Op zulke of dergelijke<br />

wijs Hemt hij dit verbond in , als een verbond<br />

, dat welgeordineerd is , fchoon de Heere 't<br />

in alles nog niet doet uitfpruiten.<br />

302.) J. Och was ik een deelgenood van dat verbond!<br />

L. Merk hier aan<br />

1) Dat. gij leeft onder't klaar voorftel van Gods<br />

woord, waar in u wordt bekend gemaakt, hoe ellendig<br />

gij zijt van natuure, hoe diep vervallen, hoe<br />

gij de eeuwige ftraf om der-zonde wil verdiend hebt.<br />

2.) Dat gij leeft onder de verkondiging van 't<br />

woord Gods, waar in 't zalig Euangelium begreepen<br />

is, waar in een vriendelijk God u laat nodigen en opwekken,<br />

om 't verbond met de waereld en de zonde<br />

te verbreken, den Heere trouw te zweeren. en met<br />

Hem in 't verbond te komen.<br />

3") Dat de weg om in dat verbond te komen,<br />

u zoo duidelijk en eenvouwdig wordt voorgedragen,<br />

namelijk door den verbonds middelaar Jezus Christus,<br />

die een Middelaar Gods is en der menfchen,<br />

die geleden heeft, geftorven is om zondaaren met<br />

God te verzoenen, die den H. Geeft als een Geeft<br />

des geloofs en der bekeering heeft verworven, waar<br />

door uw verftand en wil kunnen geheiligd worden-tot<br />

's Heeren dienft.<br />

393-) J- Ik kan niet ontveinzen, dat in 't genade<br />

verbond al mijn heil en lult is, maar er zijn 'nog<br />

veele


ever 't Genade • verbond, enz. 81<br />

vaek zwaarighedfin, waar door ik van mij zelve niet<br />

durf geloven, dat ik een bondgenoot ben.<br />

L. Welke zwaarigheden zijn dit?<br />

39i.) '?. Z >u ik gering menfeh met dien hoogen<br />

majeltueuzen God, die een ontoegangelijk licht bewoont,<br />

een verbond kunnen of durven maken, ö<br />

dit komt mij veel te hoog voor!<br />

L. Het is zo, dat de menfeh bij God te vergelijken<br />

zeer gering is, Abram moeft zeggen, dat hij<br />

ftof en asfche was. Het kan ook geen kwaad, dat<br />

men diep vernederende gedagten van zig zei ven heeft,<br />

maar dit moet in dezen geen, beletzel zijn. De oneindig<br />

hooge God ontdekt zig in dit verbond, als<br />

een God vol van liefde, genade en barmhartigheid,<br />

die de rijkdommen zijner goedheid wil openbaaren<br />

door met zulke onwaardigen in een verbond te komen.<br />

395. ) J. Niet alleen dat ik zo gering ben, maar<br />

tevens ben ik ook grootelijks onrein en verdorven van<br />

natuur.<br />

L. God komt met geen andere menfchen in een<br />

verbond der Genade, als die zeer verdorven en geestelijk<br />

melaats zijn. Dit blijkt daar uit, om dat 'c<br />

genade verbond eerft na den val is bekend gemaakt.<br />

God roept zulke toe , die geen eigen geregtigheid<br />

hebben; Ik zal met u een eeuivig verbond maken<br />

Jez. 55- 4-<br />

396. ) J. Ia maar, ik ben een zeer groot zondaar,<br />

ik heb zo lang gewagt met God in een verbond, te<br />

Ilde. DEEL, F kt-


8s<br />

Het negende Gefprek,<br />

komen, en alle deszelfs uitnoodigingen fchandelijk<br />

van de hand' gewezen, God zal mij nu niet willen<br />

hebben.<br />

L. Laat ook deze bedenking in uw' hart niet huisveften.<br />

Het gezegend kruisbloed van den Midddelaar<br />

reinigt van alle zonden, i Joh. ï: 7. Geloof<br />

eenvoudig 't Godlijk getuigenis. Jez. t? 18. Al<br />

waren uzve zonden als fcbarlaken, zij zullen zvit<br />

worden als fneeuw , al zvaren zij rood als Carmo*<br />

zijn, zij zullen worden als ivitte zvolle.<br />

397.) J. Schóón ik nu dat verbond al met God<br />

make, vrees ik dat't fchieüjk door mij zal verbroken<br />

worde, dat ik dooi: kragfêlóosheid ras ontrouw<br />

zal worden in dat verbond, en. dus onoprecht.<br />

L. Wagt U, van met Gód een verbond te maken<br />

in eigen kragt, 'gelijk wel eer 't vleefehlijk Ifrael,<br />

maar doe 't ónder inwagting van des Heeren invloed<br />

en genade kragt , opdat'ternflig, levendig én dus opregt<br />

zij. Zeg ö God ik koom hier als een ganfeh onwaerdige,<br />

onreine, fchuldige en magtelooze tot U,<br />

om een verbond té maken, ik weet, dat ik geen 00-<br />

genblik kan getrouw zijn uit of van mij zelve , maar<br />

ik wagte uit 't genade verbond volgens uw eigen be*<br />

lof;e Ezccb. 36: 26, 27. allé nodige Genaden. Ik<br />

neem U aan ö Driéenig God tot mijn deel en hoogfte<br />

goed, U.ö Vader tot mijn leidsman! U ó zoon tot<br />

mijn heiland, als Propheet, Prieff er en Koning l en U<br />

d


ever 9 1 Genade -verbond, enz. 83<br />

ó H. Geeft tót mijn raadgever en troofter op al den<br />

we'j; die ik gaan moet, enz.<br />

398,) J. Dewijl ik m'j dikwijls aan den Heer heb<br />

opgenn2en r<br />

en mij niet gaern zou bedriegen, zo<br />

verzoeke mij een en ander kenteken op te geven,<br />

•waar tik rnen weten kan, dat men zulk een verbond<br />

opregtelijk met den Heere heeft aangegaan.<br />

L. Die in dit verbond opregtelijk heeft ingeftemd-,<br />

bij dien zal plaats hebben.<br />

1) Een waare hoogachting voor God boven alle<br />

Schep zei. Zo dat hij met AZAPH zegt, Pf. ?y<br />

•15, 26. Wie heb ik nevens U in den hemel. enz.<br />

2) Chriftus is hem door 't geloof in alles dierbaar<br />

met verlochening van alle eigen geregtigheid, r<br />

Petr. a- fi Pbilipp. 3: 8.<br />

3) Een vertrouwen dat bij God genade is te<br />

vinden , die-hij overeankomdig zijn ftand nodig heeft,<br />

waar uit vöortvloek een ernfdg aanhouden om nodigen<br />

zegen: Ge::. 32: 26. Matth. 15.- 22~a8.<br />

4) Eene bereid willigheid des harten tot den<br />

dienft van God, «félke in zig fluit eene hartelijke luft<br />

dat de beloften des verbond in hem mogen bewaarheid<br />

worden, welke wij vinden, Ezech. 36V 26, 37.<br />

•ïk zal u een nieuw harte geven. enz. Ik zal maken<br />

dut gij in mijne inzettingen zult wandelen, en mijne<br />

regten zult bewaren en doen.<br />

5) Een vol genoegen in de gemeenfehap met<br />

God in vertrouwen op Hem. Habac. 3: 17, 18.<br />

F a<br />

Z990 Jt<br />

I


84 Het negende Gefprek^<br />

399.) Gelief mij nu nog te zeggen wat zulk eenj<br />

die een verbond met God gemaakt heeft, al heeft in<br />

't oog te houden en te betragten.<br />

L. Ik zal alles kortelijk tot deze volgende dingen<br />

brengen.<br />

1. ) Zulk een moet zig voor twee dingen wagten.<br />

#.) Wanneer hij in eenige zonden of ftruikelingen<br />

valt (want geen menfeh leeft er die niet zondigt,)<br />

moet hij zijn weg en ftaat daarom niet verden*<br />

ken en ten eenemaal moedeloos neer zitten, maar geloven<br />

, dat de oprigter en bekendmaker van 't genade<br />

verbond de JEHOVA is, de onveranderlijke en ge.<br />

trouwe God aT<strong>im</strong>. 2: 13. 1 Job. 1; 9.<br />

£.) Aan de anderen kant, moet men zig wagten<br />

voor zorgeloosheid, dat men zou denken, ik heb<br />

geen zwarigheid al zondig ik, dewijl ik met God een<br />

verbond gemaakt heb. Neen, de zonde moet zulk<br />

een tot fchaamte, tot Waken, bidden en ftrijden aanzetten.<br />

Foeij mij, een bondgenoot voor God, welk<br />

een onbetaamlijk gedrag! enz.<br />

2. ) Moet men dat eenmaal gemaakte verbond geduurig<br />

vernieuwen zo in den gebeden, als. bij 't gebruik<br />

van 's Heeren heilig Avondmaal.<br />

3. ) Veel den Middelaar befchouwen in deszelfs<br />

beide natuuren. Befchouwt gij Hem als de waaragtige<br />

God, welk een hoogachting zijt gij Hem verfchuldigt,<br />

welk een aanbidding! Is Hij des Vaders eigen<br />

en veelgeliefde zoon, die (ö groote verborgenheid<br />

der


over't Genaden-verbond, enz. 85<br />

der Godzaligheid) de menfchlijke natuur heeft aangenomen<br />

om borg en Middelaar te zijn: wij moeten<br />

ons allerdiep!!: verwonderen over de Godlijke wijsheid<br />

in 't uitvinden, over de Godlijke goedheid in 't 0-<br />

penbaaren, over de Godlijke almacht in 't daarftellen<br />

van zulk een middel der zaligheid. Geloof mij, indien<br />

wij Adams kinderen geweten hadden, dat wij<br />

door de tusfchen komende borgtogt van Gods zoon<br />

konden verloft worden, en God had dien Middelaar<br />

niet zelve beloofd, niemand zou hebben durven bidden,<br />

Vader zend uw zoon, dat die in plaats van<br />

ons voldoe. Het geen niemand onzer had durven denken,<br />

heeft God vrijwillig daargefteld. Alzo lief<br />

heeft enz. Joh. 3: 16.<br />

4.) Eindelijk moet men tragten te wandelen,<br />

waardig 't Euangelie, Philipp. li a7. Tit.z: n, 12,.<br />

F 3<br />

HET


86 -Het tiende Ge/prek,<br />

H E T<br />

T I E N D E<br />

G E S P R E K .<br />

over de<br />

Namen en Ampten des Middelaars.<br />

400.) jongeling. Wij moeten volgens ons gemaakt<br />

J beftek thans van de Namen en Ampten<br />

des Middelaars fpreeken.<br />

Leer aar. Zo is 't ook, de Heiland draagt verfcheiden<br />

naamen in de H. S. die ik alle niet zal optellen.<br />

Met betrekking tot de uitvoering van zijn<br />

Middelaars bediening vinden wij een geheele reeks<br />

van benamingen Jez. .9.- 5. Men noemt zijn naam<br />

Wonderlijk, Raad, Sterkt God, Vader der eeuwigheid,<br />

Vrede vorfl. De eerfte benaming kan zeer wel<br />

zien op zijne menfehwording, die allerwonderlijkft<br />

is; 't woord Raad flaat niet duider op zijnPropheetiiche<br />

bediening; Sterke God duidt aan, hoe Hij als<br />

Pries-


overae Namen en Amptm des Middelaars. 87<br />

Priefter 't zwaarwigtig lijden zou te boven komen; Vader<br />

der eeuwigheid, kan ons affchetzen, hoe hij door<br />

zijna opftanding niet alleen den dood overwinnen zou,<br />

en leven tot in eeuwigheid, maar ook aan zijn voik<br />

't eeuwig leven deelachtig maken, welk leven nu met<br />

Chriftus verborgen is in Gode Col, 3: 3. Vrede vorft<br />

zal dan eindelijk zien op zijne zitting aan 's vaders<br />

regtehand in den hemel. Verder draagt de Mesfias<br />

ook geflacht namen, als Zoene Davids, Matth.<br />

9: 27. Zoone Jozepbs, Joh. 6: 42. ook vaderlandfche<br />

of volks namen Galileer en Nazarener,<br />

om dat Hij in 't landichap Galilea ia de Stad Nazareth<br />

is opgevoed. Doch de gewoone en meeft<br />

gebruikelijke namen zijn JEZUS en CHRISTUS.<br />

401.) J. Wat hebt ge omtrent denaam JEZUS aantem<br />

erken?<br />

L. Daar omtrent merk ik aan, dat hij de eigen<br />

naam is van den Middelaar, die Hem op Godlijken<br />

laft bij de belhijdenis moeit gegeeven worden en aanduidt<br />

een Verksfer of Zaligmaker, (a). Matth. 1:<br />

21.<br />

(a) Jezus is een Hebreeuwfchenaarn, eigenlijk 1J? , JJ>1\ vel<br />

cum H ex Chaldaismo fervato Wtf}^ Fut. in Hiphil a raclice<br />

in Kal inufitata Hoe nomen contractum Pili* 1 fcïibitur<br />

Efra 2: 2. pro ^VuV per apocopen Juda;i pasf<strong>im</strong> di«<br />

$unt Grsci dicunt Iij


* 8 Het tiende Gefprek,<br />

ai. zeide de Engel GABRIEL tot JOZEPH: Gij zult<br />

zijnen naam beeten JEZUS, zvant bij zal zijn volk<br />

*£ALIGMAKEN van hunne zonden.<br />

402.) J. Hoe komt't zo, dat de Mesfias bij de<br />

befnijdenis Jezus genoemd is, \<br />

w a s<br />

<strong>im</strong>mers voorzegt<br />

Jez. 7: 14. dat Hij IMMANUEL zou heeten ?<br />

L. Jezaias wil niet, dat Hij bij de befnijdenis dien<br />

naam zou krijgen, maar dat Hij in kragt of met de<br />

daad de IMMANUEL zou zijn, die met 't hoogfte regt<br />

dus zou mogen genoemd worden. Zie dergelijke<br />

wuze van fpreeken. Jer. 23: 6. Dit zal zijn naam<br />

zijn, daar mede men Hem zal noemen DE HEERE<br />

ONZE<br />

GËREGTIGHEID.<br />

403O J. Zijn er niet perfoonen in y t O. T. welke<br />

dien naam gedraagen hebben<br />

L. Ja veekn, inzonderheid twee doorlugtigeman-<br />

«en, Jozua de zoon Nun, die Ifrael in Kanaan gebragtheeft,<br />

welke Hebr. 4: 8. j^heet; en Jozua<br />

dezoonejozadaksdehogenpriefter. Zach. 3: 2. Welke<br />

Ifrael uit Babelsgevangenis naar hun Vaderland<br />

beeft wedergebragt, die in 't boek van Eira en Nche.<br />

tdhaald wordt in 'tboekG*/* Ajjjjtf d a t R a b b i è ^<br />

gezegd beeft: Om dat de Mesjias merfehen zal zalig maken,<br />

Zal My T £ S C H l M H g e n o m d W o r d (-<br />

D e v m e r m t n d<br />

^<br />

natten,, du zijne leer zullen nareken, zntten Hem I 1 Z 0 S<br />

tf<br />

nomen.


over de Namen en Ambten des Middelaars. 89<br />

hernia voorkomt met den naam van Jezud (F) En<br />

als doorlugtige voorbeelden van Vorlt Mesfias kunnen<br />

aangemerkt worden.<br />

404.) J. Wat geeft 't woord Zaligmaken hier te<br />

kennen ?<br />

L. Het woord Zaligmaken moet hier niet in een<br />

flaauwen zin met betrekking tot eenig tijdelijk geluk(c)<br />

gelijk 'twel voorkomt, maar in den allerfterkften zin<br />

genomen worden, en dan duidt't aan, eene verlosfing<br />

van 't hoogfte kwaad, de fchuld, fmet en ftraf<br />

der zonde, en in eene toebrenging of in bezit (telling<br />

van 't hoogfte goed, zijnde de vrede en vriendfchap<br />

met een Drieenig God,<br />

405.)<br />

(6) De Heer AEO. FRANKEN begaat een misdag, als hij<br />

JOZUA de zoone Jezadaks en JOZUA de hoogepriefter voor twee<br />

onderfcheiden peifoonen fchijnt te houden. Zie ftellige Gedg.<br />

a d. p. 50.<br />

(cj Het Hebr. woord $P word in 't O. T. dikwerf gebruikt<br />

voor eene tijdelijke behoudenis, gelijk Pf. 33: 16.<br />

Zo ook 'tGriekfche woord ir«£«KZOmtijds duidt aan eene Ikhaamlijke<br />

verlosfing uit eenig gevaar Hand. 27: 20, 31. Gezondmaken<br />

Hand. 4: 9. en Cap. 14: 9- zomtijds gelukkig zijn,<br />

Luc. 23: 29. Rom. 14: 22. Indien men 't woord in dien.<br />

laatften zin vertaais. 1 T<strong>im</strong>. 2: 15. dan word die moeijlijke<br />

plaats verftaanbaarer. Zo zou men 't ook kunnen nemen,<br />

i T<strong>im</strong>. 4: 16. De Middalaar komt met die<br />

Daam voor in 't O. Ti onder anderen, fez. 45: 15» Ji,<br />

F 5


90 Het tiende Gefprek,<br />

4°$0 J-<br />

w a t w<br />

'jze maakt Jezus zalig ?<br />

L. Door verdiende en toepasfing. Door 't eerfte<br />

verkrijgt Hij 't regt voor zijn volk tot de Zaligheid,<br />

door 't laatfle fielt Hij hen in de bezitting van<br />

dezelve.<br />

406. ) Op welk eene wijze heeft Jezus 't regt verkreegen<br />

tot de Zaligheid ? |<br />

L. Door Lijden en Gehoorzaamheid, waar van<br />

wij in onze volgende bijeenkomft fpreeken zullen.<br />

407. ) Wat verftaat ge tog door toepasfen, en hoe<br />

doet Jezus dit?<br />

L. Door toepasfen verftaan wij een dadelijk deelachtig<br />

maken van 't heil, dat Chriftus verworven<br />

heeft. En dit gefchied door den verworven Geeft (d)<br />

van Chriftus, die 's menfchen verftand verlicht, en<br />

zijn wil heiligt, waar uit 't geloof en eene aanvanglijke<br />

bekeering voortvloeit, door welk geloof zij<br />

geregtvaerdigd worden; doordien Geeft worden zij<br />

geheiligd, verzegeld, bewaard, getrooft, verzekerd,<br />

met een woord, die Geeft maakt hen deelgenooten<br />

van alle de weldaden des Genadenverbonds in tijd en<br />

eeuwigheid.<br />

408.)<br />

(


ever de Namen en Amptep des Middelaars. 91<br />

408.) J. Jezus is buiten twijfel een algcnoegzaara<br />

Zaligmaker?<br />

L. Voorzeker ja. Zeer verkeert is derhaiven, bijjzigzelven<br />

of bij anderen die zaligheid te zoeken.<br />

Men zie hier 't ongemeen fraaije antwoord yaa den<br />

Heidelbergfchen .Katechismus op de 30 vrage. -Ook<br />

leert zulks de H. S. sllerduidelijkft, Hand. 4/ i 2<br />

.<br />

De zaligheid is in genen anderen enz. Hebr. 7: 25.<br />

JJij kan volkomen Zaligmaker?, de geenen, die door<br />

H:m tot God gaan, enz.<br />

409. ) J. Wat is er aangaande den naam CHRIS­<br />

TUS aantemerken? ' .<br />

L. Dit is de bijnaam en amptnaam van den Zaligmaker,<br />

welke over een komt met den naam Mesfias<br />

in 't O. T. Dit zien we uit Job. 1: 42. Wij<br />

hebben gevonden den MESSIAS , y t welk is overgezet<br />

zijnde , de CHRISTUS. Hij is 't groote tegenbeeld<br />

van de gezalfde Propheeten, Priefters en Koningen.<br />

410. ) J. Wierden alle die perfoonen gezalf t ?<br />

• L. Men leeft van Propheeten die gezalfd] zijn,<br />

I Kon. 19: 16. Eliza den zoone Saphat van Abelmehold<br />

zult gij ten propbeete zalven- in Uwé plaatze.<br />

Schoon wïj nu niet lezen, dat EUA dezen laft<br />

.heeft uitgevoerd, mogen wij er nogthauö giet aap<br />

twijfelen, dewijl er geen reden is, om hier de zalving<br />

oneigenlijk optevatten. Aangaande de Priesters<br />

vinden wij een ,; Godlijk bevél. Eoéod. 30: 30.<br />

En van de Koningen, 1 Sam. -tb: i. J\ T iet dat ieder


92 Het tiende Ge/prek,<br />

der Propheet, Priefter, en Koning oudtijds gezalfd<br />

wierd, fY). neen, alleen zommige bij bijzondere gelegenheden.<br />

Zij die door erfregt zonder twift opvolgers<br />

waren, werden gerekend in hunne voorgangers<br />

gezalfd te zijn.<br />

411. ) J. Waar mede werden die perföonen gezalfd,<br />

en wat duidde die plegtigheid aan?<br />

L. Zij werden gezalfd met eigenlijke olij, welke<br />

op 't hoofd werd uitgeffort, Pf. 133; 2. 1 Sam. 10:<br />

1. En deeze zalving, wanneer zij op Godlijk bevel<br />

gefchiedde, gaf te kennen, dat zodanig een per.<br />

foon tot dat ampt van den Heere verordineerd was,<br />

en Hij hem door zijnen Geeft zou bekwaam maken,<br />

2 Sam. 10: 1, 6, 9.<br />

412. ) J. Is nu onze Heere Jezus Chriftus ook gezalfd?<br />

ze-<br />

CO Het zalven met olij ichijnt al vroeg in gebruik geweeft<br />

te zijn, zelfs omtrent levenloze zaken, namelijk wanneer<br />

men iets van gemeen, tot een bijzonder gebruik wilde<br />

afzonderen, of tot eenplegtig gedenkteken ftellen, zo zalfde<br />

JACOB een Heen Gen. 28: 18, 22. Van hier dat uitmuntende<br />

perföonen, die zig aan den dienft van den waaren God<br />

gelovig hadden toegewijd, wel eens leenfpreukig gezalfden<br />

in den Bijbel genaamd worden, fchoon zij met geen uiterlijken<br />

olij overgoten waren. Men zie Pfalm 105: 15. dan<br />

ABRAHAM, IZAAK en JACOB dus genoemd worden.


over de Namen en Ampten des Middelaars. 93<br />

L. Ja Hij is van eeuwigheid door den Vader tot<br />

zekere ampten verordineerd, en wel met betrekking<br />

tot beide natuuren waar in Hij Middelaar zou zijn,<br />

1 Petr. 1: 20. Welke voor gekend is geweeft voorde<br />

grondlegging der waereld. enz. En deeze verordineering<br />

wordt eene zalving genaamd, Spr. 8: 23. Ik<br />

ben van eeuwigheid af gezalfd. Ook is Jezus<br />

in de tijd bekwaam gemaakt, doch alleen naar zijn<br />

menfchlijke natuur, om dat de Godlijke natuur die<br />

niet nodig had. Hij is gezalfd, niet met uiterlijken<br />

olij, maar alleen door toebrenging van kragtige Genadegaven<br />

des H. Geefts. Dit was voorzegd, Pf. 45;<br />

8. ... Daarom heeft Uö God uiv God gezalfd met<br />

vreugden olij boven uwe medegenoot en. Hand. 10:<br />

38. Belangende Jezus van Nazareth, hoe hem God<br />

gezalfd heeft met den H. Geeft en met kragt.<br />

413.) J. Is Chriftus tot alle de drie voorgemelde<br />

ampten gezalfd. Immers is geen perfoon oudtijds zo<br />

ver ik weet geweeft, die alle die drie ampten te gelijk<br />

bekleed en alzo den Middelaar heeft afgefchetft.<br />

L. Zommige brengen daar toe MOZES bij, die een<br />

propheet was Deut. 18: 18. die geofferd heeft, Exod.<br />

24: 5, 6. en Deut. 34: 5. genoemd word Koning<br />

in Jefchurun. Doch hoe dit zij, dit is zeker dat<br />

MELCHIZEDEK koning en priefter, en DAVID propheet<br />

en koning is geweeft: Voor 't overige zou<br />

men kunnen zeggen, dat Chriftus als 't tegenbeeld,<br />

hier


54 Hei tiende Ge/prei<br />

9<br />

hier' in de voorbeelden overtrof, dat Hij- alle drie die<br />

amrJren heeft waargenomen, (ƒ)<br />

< 414.) J. Ik heb gemerkt, dat de Godgeleerden<br />

verfchillen in de rangfchikking dier ampten, zommige'<br />

willen eerft 't propheetifch ampt in aanmerking nemen,<br />

daar andere van 't priefter ampt beginnen.<br />

L. Gij moet Opmerken, dat de Zaligmaker in zulk<br />

een order dezelvén niet bediend heeft-, dat Hij 't<br />

een ampt waarnemende, 't ander ftil ftond. Neen ,<br />

want niet alleen dat Hij met zijn komft in de waereld<br />

bij de befnijdenis zijn bloed als priefter ftortte, en<br />

door dc wijzen uit 't Ooften als een koning werd erkend;<br />

maar inzonderheid bij zijn openbaare Midde.<br />

laars bediening-, toen Hij als propheet te voorfehijn<br />

trad, geneesde Hij kranken, 't geen tot zijn prielier<br />

werk<br />

(ƒ) Ik zie anders geen de minfte zwarigheid om te Hellen,<br />

dat er perföonen oudtijds zijn geweeft, welke door ditdrieërlij<br />

ampt den Zaligmaker, hebben afgefchetfï. Immers MELcnrsEDEK<br />

die koning en priefter was, kan niet ten eenemaal<br />

de propheetifebe bediening ontzegd worden, dewijl onder 't<br />

O. T. de niieiters bok Leeraars waren. Zie 't geen in de<br />

verklaring vs den Katechismus gezegd wordt doof den Heer<br />

BARËUTH uitgegeven-, 1 Deel. p. 212. Ook zijn er-<br />

Godgeleerden-welke Chriftus flegts een tweerlij ampt toeken-,<br />

nen, namelijk't p.riellerlijkc en'tkoninglijke, doch onder't<br />

eerfte ook begrijpen al dat geen., 't welk wij gewoonlijk tot<br />

't propheetifch ampt brengen. Vid. VITKINGA in Aphorismts<br />

Putte V- p. 315.


over de Namen en Ambten des Middelaars. 95<br />

1 werk kan gebragt worden benevens al dat lijden, 't<br />

1 welk Hij. toen ondervond; ja Hij heerfchte als koning<br />

: over de opgeblazenheid der zee, wanneer haare gol-<br />

1<br />

ven bruifchten.<br />

415. ) J. Welke order of rangfchikking zal men<br />

! evenwel 't beft in acht nemen?<br />

L. Wij zullen eerft van Chriftus fpreeken als pro-<br />

I pheet, dan als priefter en eindelijk als koning. De re-<br />

: dei > daarin gelegen, dat bij des Middelaars open-<br />

1 baare bediening, die met zijn doop op zijn 3ofte jaar<br />

I begon (fchoon hij alle die drie ampten wel gelijklijk<br />

,' waarnaam,) nogthans eerft meer zig vertoonde als<br />

I propheet in zijn leeren, welke Hij met wonderwerj<br />

ken beveiligde , vervolgens duidelijker als priefter<br />

I zijn ziele zig tot een ichuldoffer ftelde, en bij zijn<br />

I Hemelvaart en zitting aan 's Vaders regtehand alleri<br />

klaarft als Koning zig vertoonde. —• Zulk een rang-'<br />

fchikking der drie ampten vertoont zig ook duidelijk<br />

in 't toepasfen der zaligheid, daar Chriftus eerft<br />

meer voorkomt als propheet ter verlichting, vervolgens<br />

meer als priefter ter verzoening, en eindelijk<br />

meer als Koning, wanneer zij zig vrijwillig aan Hem<br />

als Koning ten dienfte opdragen en overgeven. Vergelijk<br />

hier ook mede, 1 Cor. 1: 30. Die ons geworden<br />

is wijsheid van Code enz.<br />

416. ) J. Zal UEerw. de goedheid hebben om'<br />

van ieder ampt, in eenige bijzonderheden wat nader<br />

te fpreeken?<br />

Dit


o6* Het tiende Gejprek,<br />

L. Dit wil ik gaarn doen, ik zal aantoonen, dat<br />

de dierbaare zaligmaker tot elk ampt door den vader<br />

te voren is verordineerd, en in de tijd bekwaam gemaakt.<br />

41 ?.j J. Waar uit blijkt 't, datjezus tot een propheet<br />

verordineerd is?<br />

L. Dit blijkt daar uit, om dat eenige eeuwen voor<br />

zijn komft in 't vleefch reeds door de propheeten<br />

voorzegd was. Deut. 18:15. zegt MOZES Een pro- '<br />

pheet uit 't midden uwer broederen alt mij zal u de<br />

Heere uwe God verwekken, dien zult gij boor en.(jg)<br />

Jez. 61; 1-3. zegt Mesfias; De Geeft des Heer en<br />

HEEREN is op mij, om dat de HEERE mij gezalfd<br />

beeft om een blijde boodfebap te brengen dtn<br />

zagtmoedigen, enz. en andere plaatzen meer.<br />

418.) J. Is Hij er ook in de tijd toe bekwaam gemaakt?<br />

L. Ze-<br />

(g) Dat decze plaats op Mesfias moet worden 't huis gebragt,<br />

fchijnt bij de Jooden in 's Zaligmakers tijd bekend<br />

gewecit te zijn, men zie Joh. 6: 14. Jezus doelt op deeze<br />

plaats Joh. 5: 43-46. Petrus en Stephanus verklaaren 't<br />

van den Heere Jezus Hand. 3: 22, 23. Cap. 7: 37. In welke<br />

opzichten nu Chriftus aan Mozes gelijk is geweeft, Zie<br />

onze geachte Randtekenaaars. En in welk verband deeze<br />

Woorden bij Mozes voorkomen, kan rnen zien in *t meer<br />

maal aangepreezen werk van den zeergeleerden J.VAN Nuijf<br />

KuüKtNBERC Bijbelverklaring.


over de Namen en Ampten des Middelaars. *)f<br />

L. Zekerlijk ja, dit blijkt om dat Jezus alle de<br />

deelert van 't propheetifch ampt volbragt heeft. Het<br />

voornaame werk (F) van een propheet was oudtijds,<br />

den raad of wil van God aan menfchen bekend te maken,<br />

toekomende dingen te voorzeggen, en zommige<br />

hebben ook wonderwerken gedaan. Jezus heeft<br />

in alle dezen zig betoond als een propheet, en wel als<br />

een groot propheet.<br />

. 419.) J. Mag ik dit alles in bijzonderheden horen?<br />

L. De dierbaare Zaligmaker heeft<br />

1.) Een Godlijke leer gepredikt, die Hij met<br />

een heilig leven vercierde en met zijn dood beveiligde.<br />

Joh. 8: 38. Ik Jpreeke dat ik bij mijnen vader<br />

gezien bebbe. Joh. 17: 6. Ik bcbbe uwen naam geo'<br />

penbaard den menfchen, die gij mij uit de ivaereld<br />

gegeven hebt.. Openb. %: 5. Hij predikte Wet en<br />

Euangelie. Hij heeft de wet geenzins vermeerderd<br />

noch ook verbeterd , maar gezuiverd van de verkeerde<br />

'(V) Ik zeg 't voorname werk, om dat er meer toe zou kunnen<br />

gebragt worden. Het was niet ten eenemaal oneigen<br />

aan propheeten om voor andere te bidden, Gen. 20: 7. Ook<br />

weten wij van ELIA den propheet, dat hij geofferd heeft, t<br />

Kon. 18» Doch vermits dit zo 't gewoon werk derprophec<br />

ten'niet was, zullen wij die dingen tot 't priefterampt<br />

brengen.<br />

Ilde DÜEI,<br />

G


S>8 Het tiende Gefprek<br />

t<br />

de uitleggingen der Jooden in zijn tijd. Matth. 5: 20<br />

- 48. Ook predikte Hij 't Euangelie, Eph. 2: 17.<br />

komende heeft Hij door *i Euangelie vrede verkondigd,<br />

enz.<br />

2. ) Ook heeft de Heere Chriftus veele voorzeggingen<br />

gedaan, zo met betrekking tot zijn lijden, als<br />

met opzigt tot de verwoefting van Jeruialem en meer<br />

andere dingen.<br />

3. ) Eindelijk zeer veele wonderwerken, zo in<br />

eigen perfoon als door zijn Discipelen en Apoftelen,<br />

Matth. n: 5. Cap. 8: 2. en 10; 8. vergelijk Hand.<br />

3: 6.<br />

420.) fi Met regt verdient de Zaligmaaker dén<br />

naam van een Propheet (V).<br />

L. Niet<br />

(0 Dat Chriftus op zyn jcile Jaar eerft- zyn openbaar<br />

leeraar ampt aanvaarde, is bekend. Maar hoe vereffent<br />

rr.cn dit, met Luc. 2: 42 -47. daar verhaald wordt, dat Jezus<br />

op zyn twaalfde jaar zat in 't midden der Leeraaren. De<br />

vcrma.rde DODDRIDGE zegt.<br />

„ Ik meene dat 't de waardigheid<br />

v<strong>im</strong> onzen gezcgeiicte Zaligmaker is te kort gedaan,<br />

als' men zegt, dat hij in deze jonge jaaren in 'tgeffoekc der<br />

Leeraaren is gegaan, en daar met hun twifte.<br />

De Euangelift<br />

rept niet een woord van zijn twiffen, maar alleen dat<br />

hij zommige dingen vraagde, en op andere antwoorde, dat<br />

zeer gebruiklijk was in deeze bijeenkomften , en 't waare<br />

oogmerk derzei ver.<br />

Alles gefchiedde buiten twijfel met de<br />

grootfte zedigheid en welvoeglijkheid. En indien Hij nevens


over de Namen en Ampten des Middelaars. 90<br />

L. Niet alleen van propheet, maar van een groot<br />

propheet, die alle de vorige zeer verre overtrof: Jezus<br />

prediking leverde de zichtbaarfte blijken op van<br />

wijsheid en groote kundigheid. Matth. 2,2: 17-34.<br />

Joh. 7: 15. De Jooden verwonderden zig en zeiden,<br />

hoe weet deeze de fchriften.<br />

Hij leerde met vrijmoedigheid.<br />

Matth. 22: 16. Gij ziet den perfoon des<br />

menfchen niet aan. Met verrukkende bevalligheid<br />

en lieftalligheid.<br />

Luc. 4: 22. Zij verwonderden zig<br />

over de aangenaame woorden , die uit zijnen mond<br />

voortkwaamen. Met hartinnemende vriendelijkheid.<br />

Matth. ii: 28 - 30. Komt alle tot mij die vermoeid<br />

enz. Met overreding van de gemoederen,<br />

door 't fchenken van eene verborge inlichting. Luc.<br />

£4: 32. Was ons hart niet brandende in ons, enz.<br />

• Dus mag men van Hem zeggen, wie is een Leeraar<br />

gelijk Hij? Joh. 36: 22. En wat de wonderwerken<br />

betreft, deze waren in zoort en in getal verbazend.<br />

Dit<br />

vens andere aan de voeten "van deeze Leeraars zat (daar de<br />

leerlingen doorgaans zaten, zie Cap. Io; 30. Hand. 12; 3.)<br />

mogt hij met regt gezegd worden in't midden van hun te zit'<br />

ten, alzo zij op halt ronde banken, hoger dan die van de<br />

toehoorders en leerlingen zaten. De taalkundige kan dit gevoelen<br />

nader beweerd en tegen tegenwerpingen verdedig!<br />

vinden bij den Hoogl. B. DE MOOR Comm. in MARIH COW<br />

pend. T. IV. p. 33 -- 5&<br />

G 2


loo Het tiende Ce/prei<br />

9<br />

Dit deedt defcbaare zeggen Luc. 7: 16. Een groot<br />

propheet is onder ons opgeftaan en God heeft zijn volk<br />

bezogd. En 't een en ander zaamgenomen, was de<br />

oorzaak dat de Emmaus gangers dit getuigenis van<br />

Hem afleiden, dat Hij een propheet was, kragtig in<br />

werken en in woorden, voor God en al V volk. Luc.<br />

24; 19.<br />

421. ) J. Gelief nu tot zijn Prieflerampt over te<br />

gaan. Is Hij ook als zodanig verordineerd?<br />

L. Gewisfelijk ja, dewijl Hij als zodanig bij de<br />

propheeten voorkomt, PJ'. 110: 4. De Heere heeft<br />

gezwooren en 't zal kern niet berouwen, Gij zijt<br />

prielier in der eeuwigheid naar de ordening van Meichifedek.<br />

422. ) J. Ik ben al lang voornemens geweeft om<br />

U te vragen, wie MELCHISEDEK is geweeft, en nu<br />

komt 't juift in de rede te pas, wie moet men door<br />

dien persoon verftaan ?<br />

L. Hier over zijn van vroeger en later tijd verfchillende<br />

gedagten geweeft. waar mede ik u niet<br />

wil ophouden; Zeg alleen , dat de gedagten dier<br />

Godgeleerden mij 't meeft behagen, welke van<br />

oordeel zijn, dat Melchisedek een bloot menfeh<br />

is geweeft, doch een luifterijk voorbeeld van Christus<br />

, en dat zijn naam , ampten , benevens 't 'gefchiedverhaal<br />

van 't een , en ftilzwijgen van 't ander,<br />

bij Mozes Gen. 14. eene gehe<strong>im</strong>zinnige bcduidenis<br />

heeft gehad op den toekomftigen Verlosfer:<br />

<strong>im</strong>-


over de Namen en Ampten des Middelaars. 101<br />

<strong>im</strong>mers zijn naam Melchifedek, 't geen betekent een<br />

koning der geregtigheid, en de Stad van zijn rijksgebied<br />

Salem dat is Vrede hebben haar vervulling gekregen<br />

in Jezus Chriftus in een Geeflelijken en dus<br />

veel voortreilijker zin. Men vergelijke hier 't geen<br />

Paulus zegt. Hebr. 7: 1, a-<br />

423O J- J a raa3r ?t moe i'ijkfte om te verftaan is<br />

't geen daar op volgt in 't 3de vers. Zonder vader<br />

zonder moeder<br />

3<br />

zonder gedacht rekening, noch beginzei<br />

der dagen, noch einde des levens hebbende; maar<br />

den zoone Gods gelijk geworden zijnde blijft een priefter<br />

in eeuvngheid.<br />

L. Ik zeide itraks dat 't mij niet onwaarfchijnlijk<br />

voorkomt, dat 't ftilzwijgen van Mozes een gehe<strong>im</strong>zinnige<br />

beduidenis heeft op Chriftus. Nu vermeit<br />

Mozes niet, dat Melchilèdek even als Aarons nakomelingen<br />

uit een pnederlijk gedacht was, ja zelfs hij<br />

maakt geen gewag van zijn vader, moeder, tijd, van<br />

geboorte, of levensbegin enz.<br />

424.) J. Ik dem toe, dat Mozes geen melding<br />

maakt van Melchifedeks vader en moeder; maar ik<br />

bid u, kan dat dan heeten zonder vader en moeder te<br />

zyn, gelijk Paulus zegt?<br />

L. Het was niet ongewoon in dien tijd om van<br />

iemand, wiens vader en moeder onbekend was<br />

te zeggen , dat hij geen vader nog moeder had,<br />

G3


102 Het tiende Gefprek,<br />

gelijk uit ongewijde Schrijvers kan bewezen worden,<br />

(k) Met kan hier inzonderheid aanduider, dat<br />

Melchifedek geen priefterlijke vader of moeder had.<br />

425.) J. Maar hoe moet ik de laatde woorden begrijpen<br />

: en de zoone Gods gelijk geworden zijnde<br />

blijft een priefter in eeuwigheid ?<br />

L* Het kan naar de Hebreenwfche wijze van fpreeken<br />

aanduiden, dat Melchiiedek zijn ganfche leven<br />

lang priefter is geweeft, vergelijk 1 Sam. 1: 22.<br />

Doch naar verband van zaken geeft het re kennen, dat<br />

zijn priellerichap niet (gelijk 't gedacht van Aaron)<br />

tot zijn nakomelingen is overgegaan, of met andere<br />

woorden, dat hij in de priefterlijke bediening geen<br />

op-<br />

CO SENECA Epift. 108. pag.m. 636. dicit „ duos Romanos<br />

„ Regcs esfe, quorum alter patrem non habet, alter ma»<br />

„ trem. Nam de SESVII matré dubitatur, ANCI pater nullus,<br />

„ NUMJE nepos dicitur". 1 Het is ook onder ons een gewoone<br />

manier van zeggen, er is geen zon, noch maan, er<br />

zijn geen Herren, wanneer dezelve niet fchijnen. • Men<br />

werpt hier tegen, dat dan ieder perfoon onder 't O. T. wiens<br />

Vader en Moeder wij niet weten , voorbeelden vanCnrifhis<br />

zijn. Doch dit ontkennen wij; Want vooreerft wij houden<br />

Melchifedek voor geen voorbeeld van Chriftus, om dat wij<br />

zijn Vader en Moeder niet kennen, dewijl wij Chriftus Vader<br />

en Moeder weetcn, maar om dat hij bij ons niet bekend<br />

ftaat als uit Priefterlijke ouders zijnde. Ten tweeden Paulus<br />

maakt Melchifedek tot een voorbeeld , om dat hij Pjdm<br />

ito. uitdrukü'jk als zodanig wordt aangemerkt.


over de Namen en Ampten des Middelaars. 103<br />

opvolger had. Even zo is 't met Chriftus geweeft:,<br />

deeze heeft een onoverganglij k prieflerfcbap volgens<br />

Hebr. 7: 24. Want dus kan 't Griekfche<br />

woord, 't welk onverganglijk is overgezet, verüald<br />

worden. Zie onze geachte Randtekenaars (/).<br />

426. ) J. Wat geeft 'c te kennen Priefter te zijn<br />

naar de ordening van MELCHISEDEK?<br />

L. Dit kan inzonderheid aanduiden, dat Chriftus<br />

niet uit 't Priefterlijk gedacht van Aaron , uit de<br />

ftamme Levi zou zijn , want Hij is uit Juda geweeft.<br />

Insgelijks dat Hij even als Melchifedek geen<br />

opvolger zou hebben, op dat Hij kan gezegd worden<br />

Priefter te zijn in eeuwigheid.<br />

427. ) J. Is de Zaligmaker ook tot een priefter<br />

bekwaam gemaakt?<br />

JÉ Buiten twijfel, en dit blijkt daar uit, om dat<br />

Hij 't werk van een priefter en wel van een Hogenpriefter<br />

verrigt heeft. Onder 't priefterwerk komt<br />

hier vooral in aanmerking 't offeren en bidden, waartoe<br />

(1) De zeer geleerde BUURT is van gevoelen, dal Melchifedek<br />

met ziel en lichaam ten hemel is opgenoomen, om dat<br />

Paulus Hebr. 7: 8. zegt, dat er van Hem getuigd wordt, dat<br />

hij leeft. 7Ac Befch. Godgel. 4 deel p. 266. Ik merk<br />

cindelijknog, dat de woorden Hebr. 7: 3 den zoone Gods gelijk<br />

geworden zijnde, vertaald kunnen worden met den zoone<br />

Gods vergeleken zijnde, vergelijk Matth. li: 16. Ï3 ; H-


S04<br />

Het tiende Gefprek,<br />

toe ook 't zegenen f» behoort. Hebr. 8; 3. Joel<br />

2: 17. Num.6: 23. Chriftus heeft dit priefter werk<br />

verrigt.<br />

1) Hij heeft zig zeiven naar ziel en lichaam hier<br />

op aarde in zijn ganfche lijden, doch inzonderheid<br />

aan 't kruis tot een zoenoffer aan God zijn' Vader<br />

, als Regter aangemerkr, voor de zonde zijns<br />

volks opgeofferd.<br />

Bah 3: 13; x Pttr. a: 24. Die<br />

zelve onze zonden in zijn lichaam gedraagen heeft<br />

op 't hout. En deeze offerande is een éénige en<br />

volmaakte offerande. Men zie Hebr. 9 en 10.<br />

2) Jezus bid voor zijn volk, dat heeft Hij hier<br />

op aarde gedaan Luc. 22: 32. 23; 34. Joh. 17:<br />

dit doet Chriftus nfcg in den hemel Rom. 8: 34.<br />

Welke voorbidding in den hemel beftaat in eene heerhjke<br />

eifch , gegrond op zijn volmaakte verdienfte<br />

Joh. 17: 24. Volgens de verbonds belofte door den<br />

vader aan den Middelaar gedaan PJ. 2: 8. Het kan<br />

niet<br />

(m) Ik zeg vooral komt in aanmerking, om dat er oudtijds<br />

meer priefterlijke verrigtingen wa.ren. Zij moeiten Ifrael<br />

in den Godsdtenft onderwijzen, waar op gezien wordt. Deut.<br />

33: io- Midi. 3: U. Hal. 2: 7. Die zig 't meeft daar op<br />

toeleiddcn, werden Schriftgeleerden genaamd, gelijk men kan<br />

opmaken uit EJra 7: 10, u. Zij moeiten in twijfelachtige<br />

zaken den Heere door Ur<strong>im</strong> en Thuirm<strong>im</strong> raad plcgen<br />

Regt. , : Cop. 20: 18, 23, 28. Efra 2: 63.<br />

Öok moeiten zij onderfcheid miken tusfchen 't heiligt<br />

en onheilige, tusfchen 't reine en onreine. Lev. 10; 10.


over de Natr.en en Ampten des Middelaars. 105<br />

niet anders, of uit deeze voorbidding moeten veelvuldige<br />

zegeningen ontdaan. Eph. i: 3. Gezegend<br />

zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Chriftus,<br />

die ons gezegend heeft met alle Geeftelijke zegeningen<br />

in den hemel 'in Chriftus. Gelyk Chridus hier op<br />

aarde zijnde, zijn volk reeds gezegend had.<br />

428. ) J. Ik heb verfcheidè bedenkingen en zwarigheden<br />

aangaande Jezus Priederfchap U voor te<br />

dellen.<br />

L. Gelief dezelve te melden.<br />

429. ) J. Gijfchijntte dellen, dat Chridus hier<br />

op aarde al prieder is geweed, doch- Paulus leert dat<br />

Hij eerd in den hemel prieder is geworden. Hebr. 8;<br />

4. Indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen<br />

priefter zijn.<br />

L. Dat Chridus zig zelve op aarde heeft opgeofferd,<br />

en dus 't priederwerk verrigt heeft, leert de<br />

Apodel duidelijk. Hebr. 1: 3. Cap. 5: 7. Cap. 9:<br />

li. Cap. 10; 12. Doch in de aangehaalde plaats<br />

toont Paulus aan, dat zou Chridus alle de deelen<br />

zijner Hogepriederlijke bediening vervullen, niet op<br />

aarde blijven moed, maar gelijk de Aaronifche Hogenprieder,<br />

na dat hij den Geitenhok in 't Voorhof<br />

(een zinnebeeld van deeze aarde als de plaats der drijdende<br />

Kerk) gelligt had, met dat bloed moed treden<br />

in 't binnende Heiligdom, een zinneprent van<br />

den hemel. Zo ook Chridus als de tegenbeeldige<br />

Hogenpriefter moeft door zijn eigen bloed eenmaal m-<br />

G 5<br />

gaan


lo6<br />

Het tiende Gejprek,<br />

gaan in 't Heiligdom eene eeuwige verlosfing te w<br />

gebragt hebbende. Hebr. 9: 12. \ n)<br />

430.) J. Maar naar welke natuur is Chriftus Prie><br />

ter, waar is hier altaar, waar de gaave, wat is hier<br />

'/ vuur? *<br />

L. Chridus is de priefter als Godmenfch naar beide<br />

natuuren. Hij is ook zelve de offergave doch alleen<br />

naar zijn menfchlijke natuur. Doch over 't altaar<br />

is veel verfchil. Onze geachte Randtekenaars<br />

over<br />

(n) Er zijn voorname Godgeleerde welks.willen, dat den<br />

ingang des Hogenprieitcrs in *t Heilige der Heiligen niet<br />

heeft afgefchetft de Hemelvaart van Chriftus na zijn opftanding;<br />

maa-r den ingang in den Hemel van Chriftus ziel ter-<br />

Hond na den dood. En dit gevoelen tragt men niet veele<br />

bewijzen te ftaven. 1.) De oude ingang des Hogenpriefters<br />

viel voor onmiddelijk na de flagting des offerdiers. 2.) De<br />

redeneering van Paului Hebr. o- 12. en 24 -- 26. die 't flor.<br />

ten van bloed en de ingang in 't Heiligdom zeer nauw aan<br />

jnalkander verknogt. Men kan hier voor meer redenen vinden<br />

bijgebragt in de verklaring der Heidelb. Katech. doör BA.<br />

KEUTH uitgegeven p, 218, 219. — — BUURT befek. Godg.<br />

4 deelp. 266, 267. zegt. „ Ik weet wel, dat zommige meenen,<br />

dat de gemelde ingang des Hogenpriefters den in.<br />

n g an g v an Jezus in den hemel, naar zijne ziel alleen, aanftonds<br />

na zijn fterven, verbeelde: doch 't fehijnt mij toe,<br />

dat men om 't voorbeeld wel overtebrengen, aan den geheclen<br />

Chriftus denken moet. Daar en boven worden wij<br />

in onze gedagten heveftigd, door de vergelijking van Hebr,<br />

$>• 11, 12. met vs. 24,


over de Namen en Ampten des Middelaars. io7<br />

over PJ. 110: 4. verftaan er 't kruis door. En niet<br />

ongepaft, voor zoverre 't altaar de offergaven op zig<br />

had, of droeg. 1 Petr. ar 24. door 't vuur zou men<br />

dan kunnen verftaan den H. Geeft die in Chriftus<br />

eenë brandende liefde, of zulk een heiligen wil verwekte<br />

om den naam zijns Vaders te verheerlijken en<br />

de Zaligheid zijns volks te bevorderen, men vergelijke<br />

hier, Hebr. 0: 14. Rom. 10: 9, 10. Job.<br />

2: 17.<br />

431. ) J. Hoe kan men 't kruis voor den 'altaar<br />

houden, daar Chriftus zegt Mat tb. 23: 19. Dat<br />

't altaar meerder is dan de gave, die door 't altaar geheiligd<br />

wordt.<br />

L. liet blijkt uit 't 21 vers van dit Hoofdfiuk.<br />

dat de tempel meerder was dan 't goud, wegens de<br />

Godlijke inwooning; zo ook 't altaar was meerder,<br />

wegens 't geen dat daar op was naar 't 20 vers, na •<br />

melijk 't Fleilig vuur een zinnebeeld van den H.<br />

Geeft, waardoor de offergave Gode wierden gehei.<br />

ligd of toegewijd. (0)<br />

432. J. Wat moet ik verftaan door dien altaar,<br />

van<br />

(0) Zie over deeze plaats CLO?PBNBURG in Schola Sacrifi.<br />

tiorum Patriarchalmm p. 221. VITRIKUA in obferv. Sucris L.<br />

II. p. 2.27. DEILIKG obferv. Sier. Part. II. 259. En de<br />

Nederduitfche lezer kaa hier zien, WITZ onr 't geloof XJs<br />

êcjfcning $. 24.


lo8<br />

Het tiende Gefprei,<br />

van welke Paulus zegt, Hebr. 13: 10. dat geen<br />

ttiagt hebben te eet en, die den Tabernakel dienen.<br />

L. Door 't altaar verftaat de Apoftel (bij overneewing)<br />

de offergave. Hij vergelijkt de offerande van<br />

Chriftus aan 't kruis, bij die zond offerande, welke<br />

de Hogenpriefter op den grooten verzoendag buiten<br />

de legerplaatze moeft doen verbranden, Lev. 16: 27.<br />

vergeleken met Hebr. 13: n, 12. Van 't vleefch<br />

nu van deze offerdieren was 't den Priefteren niet geoorloft<br />

te eeten.<br />

4330 J- u « al * gezegde kan ik nu duidelijk<br />

opmaken, dat Chriftus met 't hoogfte regt den naam<br />

verdient van Priejler.<br />

L. Niet 'alleen komt Chriftus de naam toe van<br />

Priefter, maar inzonderheid van Hogenpriefter, ja<br />

van eenen grooten Hogenpriefter, gelijk hem Paulus<br />

noemt, Hebr. 4. 15. En dit blijkt, als men acht<br />

geeft op de uitmuntendheid of verhevenheid van zijn<br />

perfoon, op de volkomenheid of algenoegzaamheid<br />

zijner offerande, op de kragt zijner voorbidding, op<br />

't groote nut, 'twelk daardoor aan zijn volk wordt<br />

toegebragt: Stukken welker uitbreiding ik aan uwe<br />

overdenkingen overlate.<br />

434-) J- Mag ik dan nu van 't derde ampt des<br />

Middelaars 't een en ander hooren ?<br />

L. Dat Chriftus tot Koning gezalfd is, blijkt uit<br />

deszelfs voorverordineering en bekwaammaking tot<br />

deeze heerlijke bediening.<br />

1) Hij


over de Namen en Ampten des Middelaars. 109<br />

1) Hij was er te voren toe verordineerd, blijkbaar<br />

uit de voorzeggingen, Pf. a: 6. Ik doch hebbe<br />

mijnen Koning gezalfd over zion den berg mijner heiligheid.<br />

Zie ook Jer. 23: 5,6. Pf. 72: 12-14.<br />

Luc. 1: 33.<br />

2) Hij is er in de tijd toe bekwaam gemaakt,<br />

'dewijl Hij alle de deelen van 't Koninglijk ampt vervult.<br />

Het voornaame werk van een Koning is, zijn<br />

volk volgens zekere wetten te regeeren, en regens de<br />

vijanden te befchermen.<br />

a) Jezus regeert zyn' onderdaanen volgens de<br />

allerbillijkfte wetten door woord en Geeft. De rijkswetten<br />

zijn 't woord van God, dat daarom */ woord<br />

van Chriftus wordt genaamd Col. 3: 16. En dit woord<br />

paart Hij met den Geeft, Hand. 1: 2.<br />

V) Hij befchermt en bewaart hen ook tegen<br />

de woede der vijanden. Joh. 10: 28. Rom. 8: 35<br />

-38.<br />

4350 J- Van hoedanig een aart is Jezus koningrijk?<br />

L. Het is een Geeftelijk en Eeuwig Koningrijk,<br />

Joh. 18: 36. Luc. 1: 33. Hij overtreft alle aardfche<br />

Vorften: met 't hoogfte regt verdient Hij den naam<br />

van Koning der Koningen, Openb. 19: 16.<br />

436.) J. Heelt Chriitus die drie ampten al bediend<br />

onder 't O. Teftament?<br />

L. Men kan zeggen van ja, voor zo verre de Gelovigen<br />

des O. Ti uit kragt van de toekomende Mid.<br />

dei aars


iro Het tiende Gejprek,<br />

'<br />

delaars verdienfte des Heilands door woord en Geeft<br />

deelgenooten zijn geworden, van alle de weldaden,<br />

'welke uit die drie Ampten voortvloeien.<br />

437-) % N o S c e n e zwarigheid, en dan flap ik er<br />

af. Gij zegt dat Chriftus een eeuwig Koning is,<br />

maar hoe vereffen ik dit met i Cor. 15: 24, 5.5<br />

28. Daarna zal 't einde zijn, wanneer Hij 't Koningrijk<br />

Gcde en den Vader zal overgegeven hebben:<br />

enz.<br />

L. Dewijl met 't einde van de huishouding der<br />

kerk hier op aarde, de vijanden zullen ophouden of<br />

'volkomen te ondergebragt zijn , en alle de uitverkoornen<br />

langs den weg van Chriftus drieledig ampt,<br />

in de heerlijkheid zijn ingeleid, zo zal dit eenmerklijke<br />

verandering in des Middelaars regeering veroorzaken.<br />

Met Koningrijk der genade zal afgewisfeld<br />

worden met dat der heerlijkheid; Chriftus zal als ; t<br />

ware, verflag aan den Vader doen van zijn Middelaars<br />

beduur in de Kerk. Alle de verloden des Heeren<br />

zullen nogthans Jezus Chridus tot in eeuwigheid<br />

blijven erkennen voor den tweden Adam 't uitmuntend<br />

en verheerlijkt Hoofd der Kerk, door wien zij<br />

als propheet verlicht zijn, door wiens priederbloed<br />

zij gereinigd, en door wiens koninglijk alvermogen<br />

zij bewaard en beveiligd zijn. . Ja zullen met vol<br />

gejuich Hem ter eere toezingen Openb. 5: 10. Gij<br />

hebt ous God'c gemaakt tot Koningen en Priefieren.<br />

enz.<br />

438.) J.


voer de Namen en Ampten des Middelaars. 111<br />

438.) J. Hebr gij nog iets aantemerken?<br />

L. Alleenlijk nog dit , dat de gelovigen naar<br />

Chriftus den naam van Chrijlenen dragen, volgens<br />

Hand. 11: 26.<br />

439-) J- Ik geloof dat er veele nuttige leeringen uit<br />

deeze thans befchouwde waarheden zijn af te leiden ?<br />

L. Zekerlijk ja, deeze leer kan (trekken tot overtuiging,<br />

bemoediging , betragting van Godzaligheid,<br />

en is dus ook ongemeen trooftrijk en nuttig.<br />

440.) J. Hoe is ze gefchikt tot overtuiging of<br />

onrdekking?<br />

L. Een menfeh heeft gaern een grond van zaligheid,<br />

de een fteunt op Gods barmhartigheid, een ander<br />

op eenige goede werken, een derde op eenige<br />

aandoeningen en traanen : alle welke dingen met<br />

voorbijzien van den Zaligmaker drogg ronden zijn, zo<br />

wel als een blote erkentenis van Jezus als hun Zaligmaker,<br />

en te gelijk afkeerig te zijn van den weg door<br />

Hem vo jrgelchreven te bewandelen. Mattb. 7: f24<br />

- 27. Laat mij toe, dat ik 't beftaan van zulk een<br />

affchetze, die Jezus tot zijn deel en hoogfte goed<br />

gekozen heeft, en door zijn verdienfte de zaligheid<br />

zoekt.<br />

1) Hij die vaftelijk gelooft, dat in Jezus al zijn<br />

zaligheid is gelegen, zal alle andere dingen bij Jezus<br />

te vergelijken klein achten Pbil. 3: 7, 8. De glans<br />

der algenoegzaamheid van Jezus met de oogen des geloofs<br />

doorzien, zal alle andere dingen verdonkeren,<br />

ge:


112 Het tiende Oefprek^<br />

gelijk de zon aan den hemel alle de derren verdooft.<br />

Na dat dit eens in de ziel wortelen gefchooten heeft,<br />

Jezus is alleen alles, zo zegt hij, wat zullen mij de<br />

overige dingen, indien ik Jezus mis? Wat zullen<br />

>, mij baaten goederen dezes levens, aardfche vermaken?<br />

daar ik mij ten vollen verzekerd houde, dat<br />

de zaligheid alleen in Jezus is, zo kan <strong>im</strong>mers in die<br />

dingen geen bedendig heil te vinden zijn. Indien ik<br />

dezelve mis, zij benemen mij de zaligheid niet,<br />

dewijl mijn Jezus alles is. Indien zij al iets zijn,<br />

wanneer zij in gemeenfchap met Jezus worden<br />

bezeten, dat hebben zij dan geheel van Jezus, uit<br />

wiens liefde handen zij voortvloeijen, die in die din-.<br />

gen een fmaakje van zijn zoetigheid gelegd heeft. Zo<br />

mij dan eenige aardfche goederen van waarde zijn, 't<br />

komt nergens anders van,, als om dat zij van Jezus<br />

komen, en tot Jezus heenen leiden.<br />

a) Die waarlijk gelooft, dat in Jezus al zijn heil<br />

is opgeflooten, zal boven alles naar Hem verlangen,<br />

dewijl hij gelooft, dat al zijn goed, ja zijn hoogfte<br />

goed in de gemeenfehaap Gods met Jezus is. Het<br />

kan niet anders, of bij zal Jezus vuriglijk beminnen,<br />

naar Hem hongeren en dorden, dien met al zijn gebeden<br />

en met al zijn vermogen zoeken, hij zal dikwijls<br />

in 't verborgene, zo in als buitens huis , in<br />

ledigheiden in bezigheid, met onuitfpreeklijke ziels<br />

zugtingen zeggen: Och of ik Heer Jezus de uwe,<br />

och of gij de mijne waardt.<br />

5) Zulk


over de Namen en Ampten des Middelaars. 11 %<br />

3) Zulk een die gelooft, dat bij Jezus alleen 't<br />

waar geluk te vinden is, zal niet kunnen geruft zijn,<br />

als in de bezitting van Jezus, en hij van die bezitting<br />

op eenige wijze bewuftheid hebbe. Door 't zaligmakend<br />

geloof krijgt hij wel deel aan dien Heiland<br />

en aan alle de fchatten en gaven, die Hij verworven<br />

heeft, maar zo lang hij twijfelt aan de opregtheid<br />

van zijn geloof, blijft hij in veel bekommering.<br />

Een koopman, wanneer zijn rijkdommen in<br />

een fchip beflooten zijn, brengt veele dagen en nachten<br />

zorgvuldig door: wat is hij bevreeft, wanneet<br />

een onftu<strong>im</strong>ig onweder met veel geweld opkomt?<br />

nooit zonder zorg, tot dat hij tijding krijgt, dat 'c<br />

verwagtende fchip in de haven is binnen geloopen.<br />

Zo is ook een ziel, die gelooft, dat al zijn heil en<br />

zaligheid in Jezus is opgeflooten, hij bevind zig in<br />

gcduurige ongeruftheid, tot dat Jezus tot zijn ziele<br />

zegt, ik ben uw heil Pf. 35: 3. Hij zal in een zaak<br />

van zulk een groot gewigt niet op eenige losfe redekavelingen<br />

of vleijerijen van een bedriegelijk hart durven<br />

vertrouwen. Dat ganfeh zeer uitnemend en eeuwig<br />

gewigt van heerlijkheid fjö) is te groot als dat 't<br />

aaneen dunne draad van losle inbeelding zou worden<br />

ff) Ik oog hier op Paalus taal % Cor, 4: 17. Onze ligtt<br />

ftf»<br />

Ilde DEBL. H


114 Het tiende Gefprek,<br />

den opgehangen. Bij deze drie (tukken kan men zig<br />

beproeven , of men al zijn zaligheid alleen en geheel<br />

bij Jezus zoekt, (q)<br />

441. ) J. 6 dierbaare Jezus, uw naam is als een<br />

uitgeftoïtten olij Hoogl. 1: 3/<br />

L. Dit zal nader blijken, wanneer wij dien dierbaaren<br />

perfoon als de CHRISTUS beichouwen in deszelfs<br />

heilrijke ampten, en 't nut, dat er voor ons in<br />

gelegen is, om daarvan gebruik te maken.<br />

442. } J. Ik ben zeer begeerig om dit te hooren,<br />

maak een begin met 't propheetifch ampt.<br />

L. Hier in zijn veele nuttigheden gelegen.<br />

1) Hij is Gods eigen zoon, die ons den Godlijken<br />

wil aangaande onze zaligheid ten vollen heeft<br />

verklaard. Job. i: i3. Hebr. J: 1. Wij behoeven<br />

dan niet te twijfelen, hoe God jegens zondaaren,<br />

die<br />

' verdrukkinge, die zeer haajl voorbijgaat, werkt onS een ganjch<br />

zeer uitnemend eeuwig gewigt van heerlijkheid. Ongemeen<br />

fraajj zijn hier de uitdrukkingen. De Apoftcl irraakt een tegcnoverfteüing<br />

van ellende en gelukzaligheid bij wijze van<br />

opkl<strong>im</strong>ming. In plaats van verdrukking fielt hij heerlijkheid,<br />

in plaats van ligte verdrukking . maakt hij gewag van een<br />

ganfeh zeer uitnemend gewigt van heerlijkheid ; en voor de<br />

woorden haajl voorbijgaande fielt hij 't woord eeuwig. In<br />

welke perzoonen de verdrukking die heerlijkheid werkt, leert<br />

ons 't 18 vers.<br />

(q) Zie WITZ over 't geloof IX oejfening f. 36 •* 39.


over de Nat). > en Ampten des Middelaars. 115<br />

die 't in dien zoon zijner liefde tot Hem wenden, ge-<br />

.zind is, de zoon heeft zelve 's vaders wil verklaard.<br />

Men zie't geen Paulus zegt, 1 T<strong>im</strong>. 1: 15. Dit jr<br />

een getrouw woord en aller aanneeming waardig,<br />

dat Chriftus Jefus is in de zvaereld gekomen om zon.<br />

daaren zalig te maken.<br />

2. ) Het leert ons met innige blijdfchapaantehoo 3<br />

ren, en te omhelzen, al 't geen die zoon van 's vaders<br />

welbehagen ons verkondigd heeft, Matth. 17: 5.<br />

Trouwens zijne lesfen, zijn lesfen der waare wijsheid<br />

, zijn leer behelft alles wat ter zaligheid nodig<br />

is.<br />

3. ) Onder 't hooren en leezen van zijne lesten<br />

moet men uitzien na dien Geeft, waar mede Christusgezalfd<br />

isalseen Geeft der wijsheid, der kennisfe<br />

en der vreeze des Heeren, om de zalving van dien<br />

Heiligen te ontvangen, waar door men alles weet,<br />

I Jeh. 2: 20. En wij alle met ongedekten aangezichte<br />

de heerlijkheid des Heeren [als] in eenen fpiegel<br />

aanschouwende, worden [naar] 't zelve beeld in<br />

gedaante veranderd van heerlijkheid tet heerlijkheid<br />

als door des Heeren Geeft.<br />

443.) J. Hoe moet men van Chriftus gebruik<br />

maken als Priefter ?<br />

L. Let op deze volgende dingen.<br />

j.) Wij moeten geduurig tot Hem gelovig den toevlugt<br />

nemen met alle onze zonden en veelvuldige m#-<br />

H 2<br />

laats»


II6<br />

Het tiende Gefprek,<br />

melaatsheid, deze op dat lam Gods neerleggen, die<br />

de zonden der waereld wegneemt, Joh. ii 29. Hebr.<br />

10: 17.<br />

2.) Onze diepe onwaardigheid moet ons niet affchrikken<br />

om rot God in den gebede te naderen. O wat<br />

een vri<strong>im</strong>oedigheid geeft 't niet aan een ootmoedig<br />

bidder, als hij zijn oog veftigr op den biddende Christus,<br />

die als de tegenbeeld ige Hoogepriefter alle de<br />

naamen zijns volks cp zijn harte draagt. Doch hier<br />

van nader als wij Chriftus hemelvaart en zitting aan<br />

Godt regtehand befchouwen.<br />

444-) J- Hoe moeterj wij van Chriftus gebruik<br />

maken in deszelfs koninglijke bediening ?<br />

L. Wij moeten ons in Hem als Koning<br />

i) hartelijk verheugen. Er was een groote blijdfchap<br />

onder Ifrael wanneer Salomo tot Koning gezalfd<br />

wierd, gelijk er gezegd wordt. 1 Kon. 1: 39,<br />

40. En zij bliezen met de bazuine, en al 't volk zei<br />

de, DE KONING LEVE. En al 't volk kwam op ogter<br />

hem, en't volk pijpte met pijpen en verblijdde zig m<br />

groote blijd/chap, zo dat de aarde van hun geluid<br />

/pleet. Hoe veel te grooter vreugde moeten wij betoonen<br />

over dien grootften koning dien meerderen<br />

SALOMO.<br />

2.) Wij moeten deezen koning aanmerken als<br />

Goedertieren, veel goedertierener dan alle de koningen<br />

van Ifrael; als een magtig koning ter befcher*<br />

ming tegen de vijanden.<br />

3.) Ge-


over de Namen en Ampten des Middel aars. r 17<br />

3.) Geduurig Hem voor koning over onze zielen<br />

uitroepen, en zeggen: O groote Koning heerfcb in<br />

mij. In geloofsgehoorzaamheid ons fteeds aan Hem<br />

onderwerpen, naar den eifch van Pf. 45: 12. Dewijl<br />

Hij uw Heer is, zoo buig u voor Hem neder.<br />

445. ) J. Al wat aan Hem is, is ganfeh begeerlijk.<br />

Och dat ik meer voor dien Chriftus mogt leven!<br />

L. Wilt gij voor Chriftus leven, zo moet gij in<br />

uwe betrekking u gedragen als propheet, priefter en<br />

koning. En daar toe zijt gij verpligt, die den naam<br />

van Cbrifien Awigu Vraagt ge welke pligten gij te bctragten<br />

hebr, zie die in 't antwoord op de 32fte Vrajre<br />

van onzen Heidelbergfcben Katecbismus.<br />

446. ) J. Gelief dit ftuk wat nader uit te breiden.<br />

L. Een Chriften moet een propheet zijn, met zijn<br />

mond, en met zijn geheelen wandel.<br />

1.) Met zijn mond door belijdenis Matth. ie:<br />

32. die mij belijden zal voorde menfchen enz. Door<br />

heilige gefprekken met zijn huisgenooten en anderen,<br />

naar gelegenheid des tijds of der perföonen, Epb. 4:<br />

29. Door 't zingen van Godvruchtige liederen zo in<br />

de eenzaamheid als in gezelfchap. HIERONIJ-<br />

MUS f>) een inwooner van Bethlehem fchrijft van de<br />

Chris-<br />

(r) Deeze HIEKONYMUS ftierf A°. 410 ia den onderdon<br />

van 91 jaaren.<br />

H 3


Ii3<br />

Het tiende Gefprek,<br />

tenen in zijne landftreekin een brief aan MARCELLAM<br />

aldus: Overal waar men zig heenen wendt zingt<br />

ae ploeger, die den ploeg/laar t vafthoudt Halkin ah.<br />

De zweetende Maaiier verkwikt zig met Pfalmen.<br />

De wijngaardenier met 't kromme fnoeijmes de zuynfokken<br />

fcheerende, zingt iets uit David, enz.<br />

Waar vindt men dit thans?<br />

2.) In den wandel moet een Chriften toonen,<br />

dat hy een propheet is door een heilig leven. Dat is<br />

*t geen van ENOCH en NOACH getuigd wordt, dat zy<br />

met God wandelden. Matth. 5: 16. Laat uw licht<br />

alzó'Jchynen voor de menfchen. enz.<br />

447.) J. Wat moeten de gelovigen als priefter<br />

doen?<br />

L. Zy moeten Gode offeren niet een zoenoffer,<br />

dat heeft Chriftus alleen gedaan, maar een levend<br />

dankoffer. De gelovige is hier de priefter; de gave<br />

is hij zeiven naar lichaam en ziel. Rom. 12: 1.<br />

Stelt utve tiebddmeh tot een levende, heilige en Gode<br />

zuelê'ehagende offerande, Pf. 51: 19. De offerande<br />

Gods zijn een gebroken hart enz. in 't bijzonder<br />

moeten zij den Heere offeren hünne gebeden, dankzeggingen,<br />

aalmoezen. Hebr. 13; 15, 16. Het altaar<br />

is de verdienfte van den Middelaar. Door 'tvuur<br />

kunnen wij verftaan 't geloof, benevens een heiligen<br />

ijver, ontfioken door den H. Geeft.<br />

448.) j. Wat is hun werk als Koningen?<br />

L. Als Koningen moeten zij ftrijden tegen de in-<br />

woo-


ever ie Namen en Ampten des Middelaars. 119<br />

woonende zonde Hebr. 12: 4. tegen de Uilige omleiding<br />

des duivels ea der waereld die in 't booze<br />

ligt. Eph. 6; 12-18. En deze drijd moet met<br />

kloekmoedigheid geleideden , waarom de gelovige<br />

vergeleken wordt bij 't paard der Godlijke Majefteit<br />

in den ftrtjd. Zach. 10: 3. Dus verkeerende zullen<br />

zij in en door Chridus de overwinning behalen. Rom.<br />

SV37. Openb. 01. Cap. 5: 10.<br />

H4<br />

HET


I2O<br />

Het elfde Ge/prek, over den<br />

H E T<br />

E L F D E<br />

G E S P R E K ,<br />

over den<br />

Staat van Chriftus vernedering, en 't oogmerk<br />

dcar van.<br />

449-) jongeling. Ik heb zedert onze vorige bijeen-<br />

J<br />

komiï nog dikmaal gedagt over 't allernuttigft<br />

onderwerp van ons gelprek, namelijk de drie,<br />

ampten des Zaligmakers.<br />

Leeraar. Om deze Ampten getrouwelijk uit te<br />

voeren moeft Jezus in een tweërly ftaatgebragt worden,<br />

te weten een Staat van vernedering en een<br />

Staat van verhooging. De eerfte moeft den weg toe<br />

den tweeden baanen. Luc. 24; 26. Moefte de Christus<br />

niet alle deeze dingen lijden, en alzo dn de he<br />

Ujkheid ingaan. In den Staat der vernedering moeft<br />

Chris-


Staat van Chriftus vernedering, enz.<br />

iai<br />

Chriftus de zaligheid voor zijn volk verdienen en in<br />

den Staat der verhooging dat verworven heil toepasfen.<br />

Jez. 53; ic*. Als Hij zijne ziele tot een fchuldoffer<br />

zal gefield hebben, zoo zal Hij zaad zien, hij<br />

zal de dagen verlengen, en 't zvelbehagen des Heeren,<br />

zal door zyne hand gelukkiglijk voortgaan. Zie<br />

ook 2 Cor. 8: 9, De Staat der verhooging eindelijk<br />

kan ook aangemerkt worden als een heerlijken loon<br />

op zijnen arbeid (a) Jez. 53; 12. Daarom zal ik<br />

Hem een deel geven van veelen, en Hij zal de magtige<br />

als een roof deelen, om dat Hij zijne ziele uitgeftort<br />

heeft in den dood, enz. Philipp. 2: 8, 9. Hij<br />

is gehoorzaam geivorden tot den dood; ja tot den dood<br />

des kruis; daarom heeft Hem God uitermaten verhoegd,<br />

enz. Zie ook Pf. 2: 8.<br />

450.) Zijn 'er ook nog meer fchriftuurplaatzen,<br />

welke van dien tweërlij Staat des Middelaars gewag<br />

maken, en was dezelve ook door zekere perföonen<br />

afgebeeld, gelijk wij voorheen zagen, dat omtrent<br />

de ampten van Chriftus plaats heeft gehad ?<br />

L. Er zijn zeker nog meer fchriftuurplaatzen „<br />

ook<br />

(a) Dat Chriftus in den ftaat zijner vernedering ook voor<br />

aig zeiven de heerlijkheid verdiend heeft, en hoe zulks<br />

niets vermindert 't borgtojteliik lijden voor zijn volk, kaa<br />

sjen zien bij den Hoogleeraar de Mooi Comm. in MARCKII,<br />

Camp. Tm. IV. p iu<br />

H 5


las<br />

Het elfde Ge/prek, over den<br />

ook in 't O. T. in welke op dien tweërlij Staat des<br />

Middelaars gezien wordt, b. v. Pf'. n.8: 22. De<br />

Steen, dien de Bouwlieden verworpen hebben is tot<br />

een hoofd des hoeks geworden, (b). vergel. Hand.<br />

4: 11. Zie ook Pf. 16: 10, ix. Jez. 40; 7, 8.<br />

Op deze en zoortgelijke plaatzen doelt PETRUS ,<br />

1 Petr. 1: 11. Wat de voorbeelden betreft, de<br />

meefte Godgeleerden brengen niet ongelchikt DA­<br />

VID bij, die eerft in veel geringheid verkeerde, aan<br />

veel<br />

O) Chriftus paft Pf. 118: 22 op zigzelven toe Matth. 21:<br />

41. Ook word die Godfpraak door Rabbi SALOMON JAR.<br />

CHI over Micha 5: 1. van Mesfias verftaan. De fchrij"<br />

ver der Hiftoria Scholaftica' verhaalt als eene overlevering,<br />

dat er bij 't bouwen van den tweeden tempel, zekeren fteen<br />

was, aangaande welken na3r de letter waarheid bevonden<br />

werd, 't geen hier bij wijze van gelijkenis werd gezegd: namelijk<br />

dat dees fteen dikwijls door de bouwers was opgevat,<br />

en telkens weer verworpen, tot dat men dezelve eindelijk<br />

bevond volmaakt te pasfen tot de aanzienlijkfte plaats , tot<br />

die van den voomaamjlen hoek/leen, waar door de zijden der<br />

inuuren zaamverbonden werden, 't welk aanleiding gaf tot<br />

't fpreken der volgende woorden vs. 23. Dit is van den Heere<br />

gefchied, en 't is wonderlijk in onze oogen. Ingevalle er<br />

waarlijk zulk eene overlevering geweeft zij onder de Joden,<br />

gelijk : d?os fchrij ver verhaalt, en indien die overlevering op<br />

de waarheid ruft, zo zou men moeten bcfluiten, dat deeze<br />

Pfalm gemaakt is bii de inwijding van den tweeden tempel,<br />

of bij diergelijke gelegenheid naderhand. Zie de Engelfche<br />

Godgeleerden PATRIK POLUS &c. over Pf. 118: 22.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 123<br />

;<br />

veel frriaad cu vervolging was bloot gefield, maar<br />

naderhand ia hoogheid verheven op Ifraels throon is<br />

geplaatft.<br />

451.) J. Ik wenfchte van ieder dezer Staaten afzonderlijk<br />

't een en ander te hooren.<br />

L. Ik moet nog eerft eenige aanmerkingen laaten<br />

voorafgaan.<br />

1) Vooreerfl moet men in deze twee onderfcheiden<br />

Staaten altijd in 't oog houden, dat Hij, diedezel-<br />

"ve ondergaan heeft, niet enkel moet aangemerkt worden<br />

als G O D , noch enkel als M E N S C H , maar als de<br />

I ' G O D M E N S C H de Middelaar.<br />

2) Dat alle die veranderingen van vernedering<br />

en van verhooging eigenlijk niet kunnen gebragt<br />

worden tot Chriftus Godlijke natuur, maar alleen<br />

tot zijne menfchlijke, om dat de Godlijke natuur<br />

1<br />

volftrekt onveranderlijk is, en voor geen verminde-<br />

1 ring, noch vermeerdering van heerlijkheid vatbaar.<br />

3) Uit deze twee aanmerkingen vloeijt van zei.<br />

ve voort, dat men op de vraag? W I E ts-vernederd<br />

én verhoogd? moet antwoorden, De God - menfeh.<br />

En op de vraag N A A R W E L K E N A T U U R is de Mid-<br />

, delaar vernederd en verhoogd^ Dan 't antwoord is,<br />

1 Alleen naar zijne menfchlijke natuur.<br />

4) Dat, daar Chriftus niet aanftonds op 't allerdiepit<br />

is vernederd, noch aanftonds op 't aUerhoogt!<br />

verheven is, maar zo al traps gewijs, zo is<br />

't dat


124 Het elfde Ge/prek, over den<br />

't dat veele Godgeleerden in de beide Staaten des<br />

Heilands onderfcheiden trappen opmerken, (c)<br />

45^0 7- Hoe veel trappen moet ik brengen to<br />

den Staat der vernedering, ik zie dat de Godgeleerden<br />

daar in niet eenpaarig zijn ?<br />

L. Men .brengt er meerder tof minder toe, naar<br />

maate dat men de omftandigheden van des Zaligmakers<br />

lijden meer op zig zei ven befchouwt,of dat men<br />

eenige omftandigheden zamenvoegt, en onder ééne<br />

trap van lijden brengt. Zonder dat ik de gedagten<br />

van andere afkeur, fchijnt 't mij niet ongefchikt<br />

CO Zeer veelen denken, dat in onze Heidelbergfcke Katetltismus<br />

den ftaat van Chriftus verncderin e<br />

langs zekere trappen<br />

behandeld wordt , namelijk 1) Zijn lijden vr. 37. 2)<br />

Zijn kruifiging onder Pontius Pilatus vr. 38, 39. 3) Ziin<br />

dood vr. 40. 4) Zijn begravenis vr. 41. 5) De nederdalwg<br />

ter helle vr. 44. Doch wanneer men den ïatechismus<br />

met CJII oordeelkundig oog inziet, zal men ras gewaar WON<br />

den, dat derzelver opftellers zodanig een order niet hebben<br />

in ach' genomen. Neen, de order die zij houden is<br />

dus, dat zij in de 37 vrage en antwoord al *t lijden vaa<br />

Chriftus uitdrukken van zijn geboorte af tot zijn dood toe:<br />

en dan vervolgens eenige bijzonderheden , welke daar in<br />

plaats hadden, opmerken , te weten de reden, waarom Je-<br />

2us juift moeft lfden door de veroordeeling van eene wae.<br />

reldlijke vierfchaar; waarom Hij gekruift is en niet op qene<br />

andere wijze ter dood gebragt; waarom hij geftorven is;<br />

en zo veryolgens.


Staat van Cbriflut vernedering, enz.<br />

I25<br />

I fchikt in den Staat van Chriftus vernedering deeze<br />

• volgende trappen te tellen: 1.) Zijn nedrige menfehwording.<br />

B.) Armoedig leven. 3.) Laatfle lijden.<br />

4.) Bood. 5.) Nederdaaling ter belle.<br />

453.I J. Gij brengt er de menfcbwording toe,<br />

• maar hoe kan dat zijn, want Jezus is <strong>im</strong>mers nog<br />

menfeh in den hemel, en zal tot in eeuwigheid die<br />

- menfchlijke natuur behouden, en dus moer volgen»<br />

dat de Middelaar tot in eeuwigheid zal vernederd<br />

I blijven?<br />

L. Gij hebt volkomen gelijk/doch ik breng er de<br />

menfehwording als zodanig niet toe , maar ik zeg<br />

zijne nedrige menfehwording. Indien Gods zoon<br />

; buiten betrekking tot 't groot verlosfings werk, .eene<br />

i menfchlijke natuur had willen aannemen, zoude des<br />

zelve ailerluifterrijkft zijn geweeft, maar nu Hij kwam<br />

j om te lijden , verfcheen hij in een knechtsgeftalte-<br />

| Philipp. 2: 6, 7. De vernedering is daarin gelegen,<br />

dat de Middelaar naar zijne menichlijke natuur<br />

5 geboren isuiteeneg«r/«g


is6<br />

Het elfde Ge/prek, over den<br />

454-) 7- Ik moet U bij deeze gelegenheid eene<br />

zwarigheid voorftellen. Ik lees, Luc. %: 8. dat ten<br />

tijde van 's Heilands geboorte de Herders mei hunne<br />

kudde in 't veld waren, moet ik dat aan de lugtsge-,<br />

fteldheid van 't Joodfche land toekennen, dat men aldaar<br />

op den 25 December 't vee nog in de weiden heeft ?<br />

Daar bij kwam ook 't gebod van'Keizer AuguftusO)<br />

zoo in 't koudlt van de winter zeer moeilijk, mij<br />

dunkt hij kon dat wel op zijn minft een. :<br />

maand vroeger<br />

gegeven hebben, of eenige maanden later.<br />

L. Uw zwarigheden zijn gegrond cp die voorondedtelling<br />

dat Jezus den 25 December \s geboren,<br />

maar hier voor is geen 't mafte bewijs., Men heeft<br />

den dag van 's Heilands geboorte in de .twee of drie •<br />

eerfte eeuwen des • Chriftendoms niet gevierd , en<br />

toen dezelve gevierd werd, is zulks overal niet op<br />

den zei ven tijd gefchied.<br />

' 455-) 7- Wanneer is Chriftus dan geboren ?<br />

L. Dit kan met geen volkomen zekerheid gezegd<br />

worden. De Wel Eerw. zeergeleerde Heer R. SCHUT­<br />

TE predikant te Amflerdam heeft met veel geleerdheid<br />

en waarfchijnlijheid zoeken te hewijzen, datjezus<br />

is geboren in den nacht tusfehen den 17 en 18<br />

No-<br />

(e) Zie over dit gebod van keizer Auguftus mijne BIJBM.-<br />

VÊRKLAARING betrekkelijk Paleftina, p. 146.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 127<br />

\ November. • De komft der wijzen Cf') te Jerufalem<br />

;den 18 Nov. Hun reis naar Bethlehem des anderen<br />

: daags.<br />

(ƒ ) Omtrent deeze Oofterfche wijzen kannen veele vragen<br />

gedaan worden , waaromtrend de Geleerden verfchik<br />

lend Benken Van welk land* kwamen zij ï Zo.nnr.ge denken<br />

uit Perfie, andere uit Arabic, ik hotfde *t laatftc voor<br />

waarfchijnlijker, om dal Arabic in de II. S. \ Oojlland biet<br />

Gen. 25: 6. de inwooners wórden kinderen van't Oujlen, dat'<br />

is Öojleriingên genaamd 1 I i :<br />

. Regt. 6: 3- jok ij ><br />

Jer. 49: 28. Ook z^n de gefchenken, die zij medebragten,<br />

voortbrengzcls van Arabie. Wat moet men doof<br />

de Ster verftaan? Men kan hier aan geen v'afte lier. noch<br />

aaneen planeet, zelfs niet'aan'een Comeet denken. Zij<br />

die flegts eenige Aftronomifche kundigheden bezitten, zullen<br />

mij toeftemmen, dat die lichaamen veel te groot zijn<br />

en te hoog om door haarén ftand een bijzonder huis aan tc<br />

wijzen. Matth. 2: 9 Het is zeker een lichtverfchijnzel in<br />

onzen dampkring geweeft, 'c welk God vcwekt heeft: dit<br />

hadden de wijzen in "t ooften gezien , mtsfehien al een geru<strong>im</strong>en<br />

tijd te vooren. Hoe willen zij dat dit lichtgevend<br />

lichaam/dat gelijk een lier fchecn, de geboorte van'<br />

een koning aanduidde? Zommige denken uit de prophetie<br />

van BÜeam, Num. 24- 17- Andere denken wegens een oud<br />

gerugt, dat er om dier. tijd een groot koning zou opftaan s<br />

en bijzondere luchtverfchijnzels hieldt men voortekenen van<br />

merkwaardige gebeurtenisfen. Beide gevoelens, wel bezien<br />

zijnde, zijn onwaarfchijnlijk. BILEAM verftaat door de fter.<br />

te geen luchtverfchijnzel, maar zeker perfoon, anders zouden


ie8<br />

Het elfde Gefprek, over den<br />

daags, De vlugt van Jozeph en Maria met 't kindeke<br />

naar Egypte des nagts tusfchen den 20 en 21 Nov.<br />

De kindermoord door Ilerodes te Bethkhem den 21<br />

dierzelve maand. Zijnde. 750 jaar na de bouwing<br />

van Rome, 't 47io de<br />

Jaar naar d-n fuliaanfchen<br />

tijdkring (g).<br />

456.) J.<br />

den zij ook een Scepter in de lucht hebben moeten zien. En<br />

indien zij door een erfgerugt aan de geboorte van een Vorft<br />

dagten, waarom Wagtcn zij dan niet, tot hij groot geworden<br />

is, om hem hulde te doen. Het komt mij zeer waarschijnlijk<br />

voor, dat deeze Wijzen door een Godlijk droomgezicht<br />

gelijk Matth. 2: 12. onderrigt zijn, dat de koning<br />

der Joden in 't Joodfche land gebooren was, een kind dat<br />

meer dan een menfchen kind was, God geopenbaard in 't<br />

Yleefch. Het geen hun aanzette om de reize derwaards te<br />

doen, en Hem te aanbidden, Matth. 2: 1, 2.<br />

(g) Veele wecten niet, wat men door den Juliaanfchen tijdkring<br />

moet verftaan, en waarom hij ru<strong>im</strong> 700 jaaren meer<br />

dan de gewoone tijdrekening heeft. De Juliaanfche periode<br />

is door J. SCALIOER uitgevonden , en vervat een tijdperk<br />

van 7980 jaaren, welke voortkomen uit de multiplicatie van<br />

*t guldengetal 19, van den zonnecirkel 28, van de Roomfche<br />

Indictie 15. Welk tijdperk zal voltooid zijn in 't jaar 3267<br />

van onze jaartelling , wanneer in 't volgend jaar alles weder<br />

van voren aan zal beginnen. Het heeft die nuttigheid in de<br />

Hiftoricn, dat men door middel van die periode *t gulden,<br />

getal kan vinden door de jaaren in 19 te divideeren, den<br />

zonnecirkel, door eene divifie in 28 enz. 't overfchot zal 't<br />

getal der jaaren uitwijzen.


Staat van Chriftus vernedering^ enx. 120<br />

456.) J. Is er nog iets meer op te merken in<br />

Chriltus menfehwording?<br />

L. Ik wil nog maar alleen aanmerken, dat in alle<br />

die groote geringheid en diepe, nedrigheid, in welke<br />

de Heiland geboren is, veele ftraalen der Godlijke<br />

luider en heerlijkheid hebben doogedraald : Als<br />

daar is, de verkondiging van de ontvangenis en geboorte<br />

van JOHANNES , Jezus voorloper door een'<br />

Engel. De bekendmaking van 's Heilands ontvangenis<br />

aan Maria en Jozeph insgelijks door een Engel.<br />

De aanzegging der geboorte aan de wakende herders<br />

in de velden van Bethlehem, wederom door een Hemels<br />

afgezant; de heerlijke lofzang die door een geheele<br />

heirfchaar van zalige throongeeden bij die' gelegenheid<br />

werd opgezongen.<br />

De komd der Ooderfche<br />

wijze op 't geleide eener der, die gefchenken<br />

aanbrengen, en Jezus als den koning der Jooden hulde<br />

doen, hem aanbidden.<br />

457-) 7' De tweede trap is dar! Jezus armoedig<br />

leven.<br />

L. Zo is 't, wij moeten hier den Heiland befchouwen<br />

van zijn geboorte af tot de twee laacde dagen<br />

zijns levens toe. Denk hier aan de vlugt van Maria<br />

met Jezus naar Egijpte om de woede van Herodes<br />

te ontgaan. — De fmartelijke befnijdenis ten Öden<br />

dage.<br />

Nazareth.<br />

de woedijne.<br />

Zijn geriuge opvoeding in 't verachte<br />

De verzoeking van den Duivel in<br />

, Een leven vol haat en fmaad zij-<br />

Ilde. DEEL, I ner


130 Het elfde Gefprck, van den<br />

ner vijanden.<br />

Een gebrek hebben in veel opzichten<br />

aan noodwendigheden dezes tevens. Matth.<br />

8: 20. De vosjen hebben holen, en de vogelen des<br />

hemels neften, maar de zoone des menfchen heeft niet<br />

ivaar hij 't hoofd nederlegge.<br />

458.) J- Kan men in dit tijdperk van Jezus verredering<br />

ook geen bewijzen van Godlijke majefteit<br />

ontdekken ?<br />

L. Buiten twijfel ja, en wel zeer veele. Tk zou<br />

hier kunnen fpreeken van ©ntelbaare wonderen die<br />

Jezus ter beveiliging zijner Godlijke leer verrigtte;<br />

maar ik veilig hier alleen 't oog op nog doorlugtiger<br />

tekenen van Godlijke majefteit.<br />

Toen de Zaligmaker<br />

gedoopt werd, werden de hemelen geopend , de<br />

Geeft daalde op Hem neder als eene duive, en de Vader<br />

verklaarde Hem voor zijn' geliefden zoon Matth.<br />

3- " Toen Jezus van den duivel verzogt was,<br />

kwamen de Engelen Gods en dienden Hem,<br />

4'<br />

1 1<br />

Matth.<br />

• Naderhand werd de Zaligmaker op een<br />

berg luifterijk van gedaante veranderd, en weder met<br />

eene luidbaare item voor Godszoon verklaard. .<br />

En eindelijk kort voor zijn laatfte lijden,<br />

de IKiland bad Vader v er heer lijkt uwen naam!<br />

kwam er een ftem uit den hemel,:<br />

verheerlijkt,<br />

en ik zal [Hem] wederom verheerlijken,<br />

Joh. 12: 28.<br />

wanneer<br />

zo<br />

tk hebbe [Hem]<br />

459-) J- Gelief nu tot de 3de trap van Jezus vernedering<br />

over te gaan.<br />

L. Dit


Staat Van Chriflm vernedering, enz. 131<br />

L. Dit was 't lijden in de twee laatfle dagen zijns<br />

levens, dat al't vorige overtrof. Het is te veel, omu<br />

alles in een kort bedek voor oitente dellen: Hoe Hij<br />

bedroeft en beangd werd in Gethjhnane. —- Van JU­<br />

DAS een zijner discipelen verraden werd. — Van de<br />

•overige discipelen verlaten. —gevangengenomen —r<br />

gebonden weggeleid naar de zaale van Cajaphas. •—•<br />

Smadelijk bejegend. — Valfche getuigen opgemaakt.<br />

Van Godsladering befchuldigd. —• Ter dood veroor^<br />

deeld.- Onwaardig mishandeld. —Door PETRUS driemaal<br />

verlochend. — Gebonden naar Pilatus heengevoerd.<br />

— Daarvan oproer befchuldigd. — Van daar<br />

door Pilatus naar Herodes gezonden ,• die Hem met een<br />

befpottelijk gewaad te rug zendt. — JEZUS word door<br />

den Landvoogd aan 't Volk ter keuze met den moordenaar<br />

BARAKBAS voorgedeld. • Word gegezeld<br />

{bj. Een purper mantel Hem omgehangen,<br />

•(/«) Dat Jezus maar eenmaal gegezeld is op laft des Landvoogds<br />

fchijnt klaar uit de Euangeliften.<br />

dat de kruisfeiingen alvorens gegezeld werden.<br />

Ook is 't bekend<br />

Doch 't<br />

oogmerk van Pilatus in 't geesfelen was niet om Jezus te<br />

doen kruisfigen , maar om hem te onderzoeken, even als<br />

door de pijnbank, men zie Joh. 19- 1, 4. vergel. Hand.<br />

22: 24. De andeere Euangeliften meiden niet bij welke gelegenheid<br />

Jezus segezeld wierd, maar zeggen alleenlijk, Je.<br />

zus<br />

I 2


132 Het elfde Gefprek, over den<br />

gen, en een doorne kroon oo.'t hoofd gezet. - *<br />

Gp een veire gaande wijze befpot en eindelijk<br />

tusichen twee moordenaars aan een kruis genagt ld (*).<br />

4.60.) J. Wat was de kmisfigiag voor eene ftraf?<br />

JL. Het was een Romeinfehe ftraf, die zommige<br />

geleerden willen, dat ook bij de Jooden plaats had.<br />

Zij gefchiedde altoos niet op eene wijze; doch gewoonlijk<br />

dus.- Er was een lange houte paal, welke<br />

in den grond gezet wierd, deze paal had van boven<br />

een dwarspaal, op welke de armen werden uitgeitrekt,<br />

dewfjl 't lichaam zelve op den regt opÜaande, tusfchen<br />

de beenen ruffe op zeker uitftekje, de handen<br />

en voeten werden met touwen vaitgemaakt, of met<br />

öus^f ^:j«!.;i-j.:i>£n<br />

na-<br />

_zus gegezeld hebbende , gaf hij hem over om gekruitjt tewsrden,<br />

Matth. 27. 20". Mare. 15: 15.<br />

(i) Jezus is gekruisfigt op de 3de uur naar Mare. 15: 25.<br />

welke met onze 9de uur des voormiddags overeenkomt.<br />

Toen de Heiland eenigen tijd aan 't kruis gehangen had,<br />

zijnde de 6de, bij ons de 12 uur, begon de duillernisfc 'die<br />

3 uuren duurde Mare. 15: 33. waar mede Mattheus Cap. 27:<br />

45. en Lucas Cap. 23: 44. rnitémm'ön'. Doch 't geen Johan.<br />

nes \ndtCap. 19: 14. baart moeijlijkhcid, als bij gewag maakt<br />

van de 6de uur, tóen de Heiland nog voor Pilatus ftond.<br />

Niet kwalijk kunnen de woorden dus vertaald worden: Er<br />

was nu voorbereiding voor 't Pjifcha, doch omtrent de zesde uur.<br />

Da» wil Johannes zeggen, dat er op dien dag voorbereiding<br />

wns, doch omtrent de 6de, dat is bij ons de 12de uur. Zie<br />

R. SCHUTTE H. Jaarb. 2. D. p, 327.


Staat van Chrijlus vernedering, enz. 133<br />

nagels vaftgeklonken. Het laatfte had in de kruisiging<br />

van Chridus plaats, gelijk blijkt uit Joh. 20:<br />

25 °0O- D " e z c kruisilrat' des Heilands was voorzegt.<br />

Pf. 22: 17. Zij hebben mijne handen en voeten<br />

doorgraven. (/)<br />

ge-<br />

(*) Dat 't ophangen aan een houd ook bij de Jooden oudtijds<br />

plaats hadde, blijkt duidelijk genoeg uit Deut. zi: 22.<br />

Zommige willen bewëeren uit die plaats, dat die ophangende<br />

alvorens door eene andere ftraf, waren ter dood gebragt;<br />

doch dit volgt niet, iemand te dolden en optehangen is naar<br />

den Hebreeuwfcnen ftijl van fpreeken'zo veel als iemand<br />

op.<br />

tthange» om hem ter dooi te brengen.<br />

Eerft melden zij den<br />

dood°, en dan de wijze op welke zij iemand ter dood<br />

brengen<br />

vergelijk Lsv 20: 2, 27. Deut. 13: 9, 10 Dat<br />

men levendige menfchen ophing,<br />

blijkt ook duidelijk uit Jo*<br />

V M g.<br />

2 9. Dit alles bewijft nogthans niet, dat die<br />

manier van ophangen, gelijk bij de Romeinen, te weten dc<br />

kruifiging, bij de Jooden in gebruik was. Bij voorbeeld in<br />

•t ophangen<br />

onder ons aan een galg, en in de Romemfche<br />

kruisfiging is niet weinig verfchil.<br />

(O Eigenlijk ftaat er in onzen Hebrecuwfchen Bijbel "IK 3<br />

't welk niet betekent doorgraaven , maar gelijk een Leeuw.<br />

Doch men moet hier met onze geachte Overzctters lezen<br />

Vl^D zijnde een preteritum in Kal van 't wortelwoord 1X3<br />

dat fchoon thans niet in gebruik,<br />

nogthans uit *t Aramee,<br />

fchc Dialed kan herftelt worden, alwaar 'tfteeken doorboor-en,<br />

aanduidt en overeenkomt met *t Hebr, wortelwoord m3.<br />

Dat<br />

13


134 Het elfde Ge/frei, over den<br />

461.) J. Dit was naar ik begrijp een zeer zwaare<br />

ftraf.<br />

L. 7.o is 't, en wel geliik de kundige HELLENr.ROEK<br />

zegt, een fmaadelijke, fmartelijke en vervloekte<br />

ftraf.<br />

1. ) 't Was een fmsadelijke ftraf, om dat dezelve<br />

was vaftgefteld tegen flaven , ftruikrovers en<br />

moordenaars, en zoortgelijk (lag van menfchen; maar<br />

vrije lieden en Romeinlche burgers konden deze ftraf<br />

niet aangedaan worden, ten zij hun eerft door flaaffche<br />

geesfelflagen de vrijheid ontnomen werd.<br />

2. ) De fmarte was zeer groot, een lichaam tc<br />

voren door geesfelflagen van een gefcheurd, nu de<br />

gevoeler.ife deelen met nagels doorboord. Indien de<br />

dood niet door eenig middel verhaaft wierd, konden<br />

zij<br />

Dat men Jus moet lezen blijkt niet alleen uit de oude overzettingen<br />

dc Griekfche en Sjrjche, maar ook uit oude Hebrecufche<br />

HandfchriFten , gelijk er zodanig een gevonden<br />

word in de <strong>Bibliotheek</strong> te Jem, en andere. Vid. KENNN<br />

COT Visf, I p. 5C0. Dat cr oudtijds in de gefchreven Bijbels<br />

zo wel fouten konden zijn, als ihan; in onze gedrukte Bij.<br />

bels , zal geen oordeelkundig menfeh tegenfpreken. Wij<br />

kunnen egter ft»ande houden, dat wij 't woord Gods onver»<br />

valfcht onder ons hebben. — De Heer RENNICOT zegt<br />

elders in zijn uitgegeven werken, dat hij in't vergelijken van<br />

reeds 250 handfehriften in 't Hebrccuwfch, beipcurd had,<br />

dat onze Hebreeuwfche gedrukte Bijbels gemeenlijk de uitgave<br />

volgen van Rabbi BSN CHAJIM Yan 't jaar 1525.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 135<br />

zij zeer lang aan 't kruis hangen, en werden zorawijl<br />

door roofvogels en wilde dieren verfeheurd. Van<br />

de twee Moordenaars werd naar 't verhaal der Euangeliften,<br />

de beenen gebroken; doch veelen denken,<br />

dat dit juift geen Romeinfche gewoonte is geweeft,<br />

maar ten gevallen der Jooden is gefchied, om dat<br />

naar hunne wet de opgehangenen voor zonnen ondergang<br />

moeiten begraven worden.<br />

3.) Was 't een door God vervloekten dood<br />

Deut. ai: 23. de opgehangene is Gode een vloek.<br />

462.) 'J. Waarom was juift deze ftraf, een vervloekte<br />

ftraf?<br />

L. Volgens zommige , om dat in de ophanging<br />

aan een hout, een gedenkteken was van den vloek,<br />

voortgekomen door't eeten van een houd, den boom<br />

der kennisfe des goeds en des kwaads. — Volgens<br />

anderen, was de opgehangenen van God vervloekt,<br />

in zo verre hij naar Gods inftelling, door de ophanging<br />

werd overgegeven aan God als Regter, en dus<br />

aan zijne 'wreekende geregtigheid of vloek , vergelijk<br />

Num. 25: 4. Welke ftraf evenwel niet wegnam<br />

Gods genade, die Hij aan zommigen naar zijn vrijheid<br />

kon bewijzen. Andere zijn van oordeel,<br />

dat God juift den opgehangenen een vervloekinge<br />

noemd, met uitzicht op Chriftus, die door 't ondergaan<br />

van die ftraf te eeniger tijd den vloek voor zijn<br />

volk zou dragen en wegnemen. Gal. 3: 13. Christus<br />

heeft ons verloft van den vloek der wet, een vloek<br />

I 4


13* Het elfde Gefprek, over den<br />

geworden zijnde voor ons, want daar is gefchreven<br />

vervloekt is een iegelijk, die aan V hout hangt.<br />

462.) J. Hebt gij nog iets aantemerken?<br />

L. Nog dit, dat er in dezen trap van vernedering<br />

wederom ziclitbaare blijken waren van Godlijkheid<br />

Jezus alwetendheid ftraalde door in \ ontdekken van<br />

den verrader, en't voorzeggen aan Petrus de verlocbening,<br />

benevens de vlugt der overige Apoftelen.<br />

Zijn<br />

Godlijk alvermogen bleek daaruit, dat de gewapende<br />

benden op Jezus fpreeken ter aarde vielen, enz.<br />

464.) J. Geüet nu tot de volgende trap overtegaan.<br />

L. Dit is de licbaamüjke dood, waar door niet de<br />

Godheid van de menlèheid feheidde , maar de ziel<br />

van<br />

't lichaam; dit blijkt daaruit, dat Jezus aan 't<br />

kruis uitriep : l/aaer in uwe handen hevele tk mijn'<br />

Geeft, en 't hoofd buigende gaf Hij den Geeft. Luc.<br />

46 Het was ook voorzegt. Pf a 2<br />

- ^ --f ez<br />

53- 8, 12. O).<br />

4*4-0 J5<br />

'<br />

(») Zommige geleerden als onder anderen de Godvrugtige<br />

HELLEBROEK (zie huutriomph p. 618.) brengen bij 't<br />

geen PLUTARCHUS verhaald onder Keizer Tiberius gefchied<br />

te zijn, te weten, dat zeker Egjjptifch Schipper met naame<br />

1 HAMOS uit me naar Italië zeilende, met eene menigte<br />

rnztgers in de Jonijthe<br />

z e e<br />

bij de eilanden Echinades genaamd,<br />

eene zeer groote ftilte kregen, die hen bij Praxas<br />

deed


Staat van Chriftus vernedering, enz. 137<br />

464. ) J. Maar zou CrmftÜs wel waarlijk geftorven<br />

zijn, Hij heeft zo kort m 't kruis gehangen ?<br />

L. Gij weet <strong>im</strong>mers, dat Chriftus begraven is.<br />

465. ) J- ' k W G C t d a t C h r i f l ; u s begraven is van<br />

twee brave en eerbaare mannen JOZEPH van Ar<strong>im</strong>athea<br />

en NICODEMUS, en gëlegiineen nieuw graf, dat<br />

in een rotzileen was uitgehouwen; na dat deze<br />

mannen alvorens 't lichaam in fijn linnen hadden ingewonden<br />

met Specerijen gelijk de Jooden de gewoonte<br />

hebben van begraven. Doch hoe blijkt<br />

hier uit de zekerheid van Jezus dood ?<br />

L. De opllellers van onzen Heidelbergfchen Kate«<br />

chismus vragen in de 41 vrage, waarom is Hij begraven<br />

deed drijven. Hier hoorden zij eene groote ftemme. „ THA-<br />

, MUS THAMUS als gij te Palodes zult gekomen zijn, zo bood-<br />

„ jchapt daar, dat de groote God PAN gejlorven is". De Schip»<br />

per met zijn volk hier door weinig bewogen, meende Palodts<br />

met een voorwind voor bij te zeilen, maar ten cerftcn<br />

werd 't zo ftil, dat zij daar van zelfs naar toe dreven. Thamus<br />

roept daar op van 't opperfchip. „ Ik boodfchap u, dat<br />

„ de groote PAN geftorven is, waar op een groot gekerm en<br />

gehuil gehoord werd. Tc Rome gekomen zijnde, kwam dit<br />

gcrugt, door zoo veel reizigers verfpreid, ook w.i haalt<br />

ter oore van Tiberius, die Thamus deed ontoieden, en van<br />

alles de waarheid verftond. Het woord Pan betekent<br />

iu 't Grieks Mes, *t geen zij die geloof aan dit verhaal<br />

geven, op Chriitus toepasfen, die een Heer vau alles is.<br />

I 5


138 Het elfde Gefprek, over den<br />

ven geworden? en 't antwoord is, om daar mede te<br />

betuigen, dat Hij waarachtiglijk geftorven zij («<br />

En te regt, want Jozeph kreeg 't lichaam van Pilatus<br />

(n) Het is een onderfcheiden vraag, of de begravenis raa<br />

Chriftus moet worden aangemerkt als een trap der vernede.<br />

ring; dan of ze is voorgevallen geduurende Jezus vernedering?<br />

Ik vergenoeg mij te meiden, 't geen de zeergeleerde<br />

en nu zalige Heer A. BUURT zegt in zijn Bcfchouwnde<br />

Godgel. \de deel. p. 237. „ De begravenis w^'tlaat-<br />

„ fte van Jezus vernedering: maar niet de laagste trap der-<br />

„ zelve, in dien zin , als men dat wel eens verftaan wil<br />

„ hebben. De vergelijking van 't geen de Heiland in Geth-<br />

„ jemane en aan 't kruish overgekomen, met den Staat waar<br />

„ in Hij zigw*ar ziel en lichaam, terwijl't laatftc in 't graf<br />

„ rufle, bevond, moet ons hier van overtuigen*'. .<br />

„ Behoordt de begravenis tot den Staat van Jezus vernede.<br />

„ ring: dan is de vraag of die ook diende ter betaling aan<br />

„ Gods geregt'gheid? De Heiland zeide bij zijn fterven: 't<br />

„ is volbragt Joh. tg: 50. Hij droeg de zonden zijner uitvet<br />

„ koornen in zijn lickaam op 't hout. 1 Pe'tr. 2: 24. Petrus<br />

„ zegt niet, sari TU gtftó? maar tiri ro £vAov; waar door<br />

„ hij naar de gedagten van zotnmtgen te kennen geeft, dat<br />

„ Jezus de ftraffen der zonden zijns volks gedragen heeft<br />

„ tot den kruisdood toe, en niet verder. Het handfehift.<br />

„ waar van Paulus fpreekt Col. 2: 14. zegt hij , dat van<br />

« Chriftus aan 't kruis genageld is. &c Wanneer wij 't een<br />

en 't ander overwegen, en daar en boven ftilftaan bij<br />

„ Deut. 21; 2?. waar van §, 1071 fpraken : durven wij niet<br />

„ befluiten, dat er na Chriftus dood nog iets gefchieden meeft<br />

in


Staat van Cbrtftus vernedering, enz. 139<br />

1 rus niet, voor dat hij nauwkeurig wilt, dat Jezus<br />

1 waarlijk dood was, zie Mate. 15. 44> 45- Jozeph<br />

en Nicodemus waren Jezus goede vrienden, deze<br />

, konden onder de behandeling van 's Heilands lichaam<br />

duidelijk merken, of Hij dood was, of niet: indien zij<br />

I er nu iets leven in befpeurd hadden, dan zouden zij<br />

\ Hem in de grafkelder ter verdikking niet hebben neer-<br />

! gelegt, maar in tegendeel opgekweekt hebben.<br />

465.) J. Waren er in den dood van Chriftus ook<br />

al bewijzen van heerlijkheiden luifter?<br />

L. Zekerlijk ja. Het voorhangzel fcheurde aan<br />

tweën, de graven werden geopend. En dewijl<br />

1 tot den dood ook den ftaat des doods, of verblijf In<br />

1 den dood kan gebragt worden, zo kan men hier ook<br />

denken aan de luilterijke begravenis. Die door Regts-<br />

I pleging ter dood gebragt waren, kregen geen deftige<br />

j begravenis, maar werden in daar toegefchikte be-<br />

; graatplaatzen door de Joden geworpen. Doch geheel<br />

anders was 't met Chriftus, deze werd begraven<br />

door twee aanzienlijke perföonen , na alvorens<br />

in koftbaar lijnwaad te zijn met welriekende drogerijen<br />

„ in de plaats der uit-.erkoornen, ter voldoening aan den eifck<br />

„ der Godlijke gcregtigheid; maar wel, dat zijne begravenis<br />

„ tot vrelzijn van zijn volk Jlrekte , dat geen gering belang<br />

„ heeft in de volkomen zekerheid van zijn Jitrven."


14° Het elfde Gefprek, over den<br />

rijen (b). Hij werd niet in een gemeen graf gelegt,<br />

maar ia een graf, dat in een rotz was uitgehouwen,'<br />

en wel in een nieuw graf, daar nog nooit iemand in<br />

gelegt was. Zodanig een aanzienlijke begraving was<br />

voorfpeld, Jez. 53/ 9. Men heeft zijn graf bij de<br />

Godlozen gefield, yö) en Hij is bij aen Rijken in<br />

zijn dóód gezvee/l.<br />

4*7-) J- I k verlang al om te weten , wat ge door<br />

de laatfte trap van Chridus vernedering de nederdaaling<br />

ter helle zult verdaan.<br />

L. Dee-<br />

(0) Over de graven der Joden , en 't begraven met eene<br />

menigte Specerijen kan men zien mijne BIJBELVERKLARING<br />

betrekkelijk Paleftina p. 346,- 3^6. Daar de tegenwerpingen<br />

van zekere Jood aangaande Jezus begravenis worden opge-<br />

Ioil.<br />

• QO Het Hebr. woord TV1 en men heeft gefield , van 't<br />

wortelwoord :fi3 kan eene zekere voorfchikkking aanduiden.<br />

Tc weten de booze looden hadden 't lichaam van Jezus,<br />

als zijnde een kruiieling, gefchikt in hun voorneemen, by do<br />

Godlozen of misdadigers. Paulus gebruikt 't Grickfchc<br />

woord hioaui, 't welk met 't Hebr woord ]H2 overeenkomt,<br />

in den zin van voorfchikken , voorveroordineeren zie 2<br />

T<strong>im</strong>- 1: 9<br />

En Hij is bij den rijken in zijn dood geweeft,<br />

duidt aan, dat Jezus in't aanzienlijk graf van den Rij.<br />

ken JOZEPH een plaats gekregen heeft. Dit viel dan geheel<br />

tegen't oogrrerk en de voorfchikking van Jezus vijanden uit.<br />

Trouwens Jezus was ook geer misdadiger: dit gefchiedde<br />

dan, volgens 't overige van dit 9de vers om dat hy geen onregt<br />

gedmi had, en geen bedrog in zijnen mond was geweeft.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 141<br />

Z. Deeze. uitdrukking is ontleend uit de twaalf<br />

Celoofs Artikelen, en men houd deeze fpreekwijs<br />

doorgaans in 't optellen van de trappen van 's Heilands<br />

vernedering, om dat men langs dien weg gelegenheid<br />

heeft om dat artikel regtzinnig te verklaaren.<br />

Veele geleerden hebben opgemerkt, dat dit<br />

artikel in de oudtle geloofsbelijdenisfen niet gevonden<br />

word, en geen Formulier, waar in de woorden<br />

voorkomen, ontdekt is, 't welk ouder is, dan dat,<br />

't welk aan ATHANASIUS A°. 333 word toegekend,<br />

en waar [ a<br />

't misfchien voor de begravenis moet genomen<br />

worden.<br />

468. ) J. Wat moeten- wij er tog door verftaan?<br />

L. Dewijl wij niet zeker weten, wanneer, of hij<br />

welke gelegenheid deze woorden in de 1 a Artikelen<br />

des Geloofs gekomen zijn, zo is't goed, dat wij<br />

eerft zien, in welke beteksnisfen 'r woord helle en««-<br />

derdaaling ter helle in den Eijbei voorkomt; en dan<br />

in welke betekenis naar verband van zaken 't belt genomen<br />

word.<br />

469. ) J. Hoe komt't in den Bijbel voor?<br />

L. Het Hebreeuwlch woord ^ïJW Scbeöl, en *t<br />

griekfche d.lïu Uadës komt in onderfcheiden betekenisfen<br />

voor:<br />

1.) 't Word genomen voor de plaats der verdoemden,<br />

Spreuk. 15: 24. Den zveg des levens is den<br />

verftandigen naar boven , op dat hij afwijke van<br />

ds


14a<br />

Ha elfde Gefprek, over den<br />

de helle beneden. Zie ook Spreuk. 23: 14. Luc.<br />

16: 23.<br />

2. ) Men vindt 't ook in de betekenis van 't Graf<br />

ï Kon- 2: 6. Doet dan naar uwe wijsheid, dat<br />

gij zijne grauwe haair niet met vrede in 't graf laat<br />

dalen. Openb. 'it 18.<br />

3. ) Voor den Staat des doods, in welken<br />

de ziel van 't lichaam is afgefchciden, komt 't voor<br />

Gen. 37; 35. Ik zal rouwe bedrijven tot mijn<br />

zoon in 't graf nederdale. Zie. Pf. 16: 10. Hand.<br />

sti 31.<br />

4. ) 't Komt eindelijk ook voor in de H. S. voor<br />

helfche pijnen en henaudheden. 1 Sam. 2: 6. Hij<br />

doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.<br />

Pf 18; 6. Matth. 11: 23.<br />

47°0 7- Naar welk van deze be'ekenisfen zullen<br />

wij nu de woorden in 't Formulier verklaaren ?<br />

L. De eerftgenoemde , omhelzen de Roomfcbgezinaen<br />

en Lutherfchen, doch op eene onderfcheiden<br />

wijze. De Roomfchgezinden willen, dat Jezus ziel in<br />

een derde verblijf plaats der helle 't voorburg genaamd,<br />

is neergedaald, om de zielen der afgeftorven<br />

heiligen, die daar zonder gevoel van fmarten op de<br />

verwagting van zaligheid verkeerden, te verlosfen<br />

De Lutherfcbe zijn van oordeel, dat Chriftus naar<br />

-zielen lichaam bij zijn opftanding uit den dooden,<br />

eer Hij zig aan Maria Magdalena openbaarde , zig<br />

naar


Staat van Chriftus vernedering, enz. 143-<br />

naar de plaats der verdoemden heeft begeven , om<br />

aan de duivelen zig als overwinnaar te vertoonen, en<br />

aan de zielen der verdoemde menfchen haar ongeloof<br />

te verwijten , dat. zij door eigen fchuld rampzalig<br />

waren geworden. Wij merken aan, dat 't voorburg<br />

der helle een verdichtzel is, en 't gevoelen der Lutheranen<br />

geen genoegzame gronden van bewijs heeft.<br />

De plaatzen die Partijen tot ftaving hunner gedagten<br />

aanvoeren, kan men verklaard vinden door onze ge*<br />

achte Randtekenaars des Bijbels op Zaeb. 9: 11. r.<br />

Petr, y 19, ao. 1 Petr. 4: 6.<br />

Wij kunnen 't ook niet nemen in de betekenis van<br />

graf, om dat daar van reeds te voren was melding<br />

gedaan, en in zulk een kort opftel geen herhaling kan<br />

gedult worden.<br />

Veelen onzer Godgeleerden nemen 't voor den<br />

Staat des doods, geduurende dat Jezus lichaam in 't<br />

graf lag en zijn ziel in den hemel was. Dit is ganfeh<br />

niet ongefchikt, en komt in verband van zaken zeer<br />

gevoeglijk.<br />

Eindelijk wat onze Heidelbergfchen Kdtechismus<br />

door de nederdaaling ter helle verftaat, kunt gij zien<br />

in 'c antwoord op de 44 Vraag. In 't zelve word gezien<br />

op't allerzwaardlte gedeelte van des Zaligmakers<br />

iijden, waar door Hij als borg gedragen heeft flraffen<br />

voor zijn volk, die zij in de helfche verdoemenis<br />

zouden hebben moeten ondergaan: benauwdheid naar<br />


144 Het elfde Gefprek, over den<br />

de ziel, pijnen naar 't lichaam ; gelijk blijkt uit 't<br />

fiot van 't antwoord, mij van de helfche benauwdheid<br />

en pijne verlof beeft, (jf)<br />

471.) J. Hoe komt dit met de order der gefchiedenis<br />

van Chriftus lijden overeen, dat dit artikel agter<br />

aankomt 2<br />

L. Wij vinden hier dan eene fraaije opkl<strong>im</strong>ming<br />

van 't mindere tot't meerdere of zwaardere lijden des<br />

Middelaars. Daar bij kan men nog aanmerkt n, dat<br />

Chriftus geleden heeft in dezelve order als de zondaar.<br />

4.7*.) J. Gelief dit laatfle wat nader aantetonen.<br />

L. De menich ondergaat wegens de zonden 1 )<br />

vee-<br />

(q) CASPAR OLEVIAKUS een der opftellers van den Heidellen<br />

fchen Katechismus, in een werkje genaamd vajle grond of<br />

over de Aittkelen van 't CHHjïelijkgeloof, brengt tot de nedei<br />

daaling nier alken de helfche ziels benaudheden, maar<br />

ook de helfche lichaams pijnen die Jezus ondergaan heelt.<br />

Hij zegt, van de ntderd^aüng der helle fprekendep. 95. „ Wat<br />

,, nu de uiterlle pijnen cn benauwdheden des harten aangaat,<br />

„ zo is zeker, dat de Heer Chriftus, in zijn ganfche lijden<br />

„ niet alleen aan zijn lichaam, maar ook zijn ziel, ja voornamelijk<br />

in zijn ziel, onuitfprekelijke benauwdheid, pij-<br />

„ nen en verfchrikkmgen hebbe ondergaan". En<br />

Pag. 96. „ Dewijl de Vader alle onze zonden op Hem<br />

„ had geworpen, zo moeit Hij beide in lichaam en in ziel<br />

,, veel grooter en zwaarder pijnen lijden, namelijk de hclfchc<br />

pij nen, die wij verdiend hadden".


Staat van Chrlflus vernedering<br />

s<br />

enz. 145<br />

Veele onheilen in dit leven van zijn wieg tot zijn<br />

graf toe: deze heeft ook de Zaligmaker ondergaan<br />

van zijn geboorte tot zijn dood, gelijk reeds getoond<br />

is. 2.) De zondaar ondergaat in de afgeicheiden<br />

ziel, helfche angften: deze onderging de Heiland naar<br />

de ziel in Gethlemane, toen zijn lichaam nog buiten<br />

pijn en banden was, daar 't zweet als groote drup*<br />

pels bloed ter aarde nederliep, (V) en Hij uitriep,<br />

mijne ziele is geheel bedroeft tot den dood toe Matth.<br />

25; 30. 3.) De zondaar heeft vervolgens te wagten<br />

eene<br />

(r) Aangaande 't Bloedzweet en als een uitwerkzel van,<br />

vreefiijke benaudheden, heeft de Heer GALLANDAT 't vol»<br />

gende: Wanneer Ik inden jaar 1751 de plaats van opperheelmeeiler<br />

op 't fiegat Schip de Staatiaanfche vriendfehap<br />

bekleedde, en wij tot bezuiden den kreefts keerkring gevorderd<br />

waren, werden wij door een allerijsfelijkftcn ftorm be*<br />

lopen, 't gevaar, waarin men zig bevond, deed den ftout«<br />

ften zeeman beevcn enz. In deze akelige omflandigheid<br />

was er een matroos JOCHEM JANSZEN genaamd, geboortig<br />

uit Denemarken van omtrent 30 jaaren, en van een gezond<br />

gellel, welke zodanig met angft en vrees werd bevangen<br />

dat hij op 't dek hederviel, bij hem gekomen zijnde, vond<br />

ik hem fpraakeloos, en zag op zijn aangezicht groote druppelen<br />

zweeds, die langs zijn kin en kaken neerrolden. Dezo<br />

zweetdroppels waren op verfcheidene plaatzen zo rood,<br />

dat ik mij inden eerden opflag verbeelde, dat hij uit zijn<br />

neus<br />

' II de DEEL<br />

K


146* Het elfde Gefprek, over den<br />

eene fchandelijke veroordeeling in 't jongfte gericht:<br />

de Zaligmaker is ook voor de kerklijke en waereldlijke<br />

vierfchaar allerfmadelijkft veroordeeld. 4.) Eindelijk<br />

zal hier op, aan den menfeh te beurt vallen<br />

fchriklijke benauwdheden in de ziel en .vreeflijke pijnen<br />

naar 'tlichaam: deeze ondervond de Heere Jezus<br />

aan 't kruis als Hij onder 't gevoel der grievende<br />

lichaams pijnen , met de grootfte zielsbenauwdheid<br />

uitriep, Mijn God! Mijn God! waarom hebt gij<br />

mij verlatend Matth. 27: 46.<br />

473) Maar eer gij tot iers anders overgaat, moeft<br />

ik niet vergeten te zeggen, dat men onder't lezen der<br />

lijdensgefchiedenisfe bij de vier Euangeliften hier en<br />

daar zulk een merkelijk verfchil aantreft, dat hun<br />

verhaal mij menigwerf ftrijdig voorkomt.<br />

L. Wanneer wij maar een der vier Euangelien<br />

hadneus<br />

bloedde, of zig in 't vallen gekwetft bad; doch zijn<br />

aangezicht met mijn zakdoek afg'èwift hebbende, zag ik met<br />

de grootfte verwondeffng de bloediode droppels weder te<br />

toorfchijn komen, niet alleen op zijn kin, kaken en voorhooft,<br />

maar ook verfcheiden plaatzen van zijn hals en borft,<br />

die ik ontbloot had, om te zién, of hij ook eenig kwetzuur<br />

had bekomen, ik vond niets van dien aard, maar zsg duide;<br />

fik, Jat de roode droppels bloed, geduurende verfcheidené<br />

minuuten door de zweetporiëh werden uitgepeift, enz. Zie<br />

de Huil. Mausfchappij der wetenfehappen 14de deel in de Herig,<br />

ten. p. 46.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 14.7<br />

hadden, waar in ons 'c leven, 't lijden den dood enz.<br />

van den dierbaaren Zaligmaker beichreven was, zouden<br />

v/ij reeds veelftof van dankzegging hebben; maar<br />

God is zo goed, dat Hij door vier onderfcheiden perföonen,<br />

dit alles heeft laten befchrijven; ieder van<br />

dezelven verhaalt of bijzondere gevallen, of 't zelve<br />

geval, doch dikwerf met onderfcheiden bijzonder»<br />

heden.<br />

Hoe meer Euangeliften nu dezelve gebeurtenis<br />

aangaande Jezus vermelden, hoe meer wij deeze<br />

of geene daden volmaakter weten.<br />

Om dit nu tot<br />

de Lijdensgefchiedenis over te brengen, zo volgt<br />

daaruit deze volgende leeringen:<br />

1) Dat gij alle de gebeurtenisfen, die eenige gelijkheid<br />

met eikanderen hebben, niet daarom aanftonds<br />

voor een en dezelve zaak houdt, b. v.<br />

den<br />

Zaligmaker is niet eens, maar drie onderfcheiden reizen<br />

drinken g;geven ;<br />

d) Eens toen Hij eerft op Golgotha kwam,<br />

Matth. 27: 34. Mare. 13: 22.<br />

Men moet hier<br />

flegts in 't oog houden, dat 't woord XOA.IJ niet flegts<br />

voor Gal maar ook voor andere bittere dingen word<br />

gebruikt, dus kan men daar ook mijrrhe verftaan;<br />

en c£öf edik was een verzuurden wijn. (f)<br />

b~) Voor<br />

(/) De Jooden plagten aan de misdadiger», volgens MAI-<br />

K 3


148 Het elfde Gefprtk, over den<br />

V) Voor de tweedemaal gefchiedde zulks ter<br />

befpotiing, toen Jezus aan 't kruis hing, voorde drie<br />

uurige duifternis Luc. 2,5.- 36.<br />

c) Ten derdemaal op 'r einde der duifternis<br />

Matth]. 2.7;. 48. Mare. 15: 36. Job. 19: 29.<br />

2) Aan den anderen kant, kan men een en dezelve<br />

gebeurtenis door vergelijking der Euangeliften<br />

zo aanvullen , dat alle, fchijnftrijdigheid verdwijnt.<br />

_b. v. De verlochening van Jezus door Petrus word<br />

door vier Euangeliften verhaald, doch zeer verfchillend.<br />

De fchijnftrijd houdt op, als men uit vergelijking<br />

van den een met den anderen Euangelift, opmerkt,<br />

dat Petrus den Heiland verlochend heeft op<br />

drie onderfcheiden tijden. En op ieder tijdftip juift<br />

.niet tegen een, maar somtijds tegen meer perföonen<br />

op onderfcheidene wijze.<br />

3) i<br />

MONIDES, (de Sijnedriis C. 13./kort voor de uitvoering der<br />

dood fliaffe een kelk wijn te geyen met wierook gemengd<br />

om hen hier door van hun veriland te beroven en dronken<br />

te maken, grondende zig op Spreuk 31: 6. Men mag denken,<br />

dat zij aan Jezus, op Golgotha gekomen, even voor<br />

de kruisiiging, zulk een drank van wijn met fcbeerüng'en<br />

bedorven mijrrhe gemengd in een kelk hebben laten aanbieden,<br />

Doch de Heiland , die zijn verftand wilde behouden,<br />

aft Hij dien' gep toeft hadde, wilde ifieri niet drinken. —<br />

Naderhand Jezus aai) 't kruis hangende is door een geheel<br />

anderen drank gelaafd, namelijk Pofca zijnde een Soldatea<br />

dra:;k. Zie ook K,. SCHUTTE H. Jaarb. 2. d. p. 340.


Staat van Chriftus verniiering, enz. 149<br />

3) Ik voeg hier nu nog ten overvloede bij, 't<br />

geen ik meermaalen heb aangemerkt, dat de Euangeliften<br />

niet altoos de tijd-order nauwkeurig in acht nemen,<br />

maar zomtijds de order van zaken in 't oog<br />

houden, gij kunt dit onder anderen zien uit vergelijking<br />

van Matth. 26: 1 - 13 met fob. 12: 1-8.<br />

474.) J. Ik dank u voor uw leerzaam onderrigt,<br />

ik wenfchte, zo 't u behaagde nog wel iets meer te<br />

weeten, aangaande't geen ik in 't lezen van de lijdens<br />

gelchiedenis moet in oog houden.<br />

L. Gij moet altoos naardig te kerk komen, maar<br />

inzondenheid dan als die gebeurtenis 's jaarlijks ge.<br />

predikt word. En dan moet gij u niet vergenoegen<br />

met oppervlakkig die gebeurtenis te befchouwen,<br />

maar dezelve als een zaak van 't hoogfte aanbelang<br />

dieper inzien.<br />

475 ) J. Wat kan 'er in gezien worden ?<br />

L. Gij moet uit dc lijdens gefchiedenis deze vier<br />

dingen opmerken. Namelijk dat Jezus lijden is geweeft.<br />

1.)Onberispelijk. 2.) Zeer zwaar. 3.) Van<br />

een uitftekende waardij. 4.) Overeenkomftig 't Godlijk<br />

getuigenis. Deze vier zaken opgemerkt zijnde,<br />

zulr gij moeten befluiten dit Jezus Chriftus als borg<br />

of Middelaar in plaats van andere dit alles heeft ondergaan.<br />

476.) J. Gelieft deeze zaken kortelijk uit ie breiden.<br />

K 3<br />

L. Dit


150 Het elfde Gejprek, over den<br />

L. Dit wil ik gaarn doen. Het lijden des Zalig*<br />

makers is geweeft.<br />

1. ) Onberispelijk, dewijl Hij hoogfigewi/ligleed,<br />

tevens Godvrugtig, gelijk uitzijn betrouwen op God,<br />

en zijne liefde tot vrienden en vijanden kan worden<br />

opgemaakt. Ook was Jezus ten eenemaal otifchuldig,<br />

blijkende niet alleen uit zijn heilige geboorte en<br />

leven , maar tevens uit alle de gerichtshandelingen<br />

van Pilatus , die verfcheide malen Hem onfchuluig<br />

verklaarde.<br />

2. ) Dat des Zaligmakers lijden zeer zwaar was,<br />

is te. voren reeds gezegt, en overvloedig gebleken.<br />

3. ) Het is ook van een uitftekeude waardigheid,<br />

daar Hij leed niet alleen als een groot propheet, maar<br />

tevens als de waaragtige God, God boven al te prijzen<br />

in de eeuivigheid, Rom. 9.- 5. Hand. 20: aü.<br />

Om de gemeinte Gods te weiden, zvelke Hij verkreegen<br />

heeft door zijn eigen bloed.<br />

4. ) Eindelijk is dit lijden gefchied naar luid der<br />

Godfpraken, die dit voorzegt hadden. Pf. 22. Jez.<br />

53- en andere, zijn nauwkeurig vervuld, benevens<br />

al de fchaduwen van offeranden enz. onder 't O.<br />

% O)<br />

4770 7-<br />

(t) Man kan deze bijzonderheden breder uitgewerkt zien<br />

door den Wel Eerw. Heer G. DE HAAS in zijne verhande.<br />

ling over de leere der verzoening. zijnde een verklaaring van Pf.<br />

3*. h 5-6.


Staat van Chriftus vernedering, enz. 151<br />

477. ) J. De befchouwing van deeze zaken zijn<br />

zeer nuttig bij ieder leerrede die men over 't lijden<br />

hoordt, of bij elk gedeelte dat men leeft.<br />

L. Daar uit mogen wij nu beduiten, dat Jezus<br />

Chriftus als BORG en MIDDELAAR geleden heeft VOOR.<br />

of IN PLAATS van zijn volk. En dit is een allergewigft<br />

ftuk, 't welk wij fta inde houden tegen de Socinianen,<br />

welke willen dat Chriftus alle deeze dingen geleden<br />

heeft, ja den dood ondergaan 1) om zijn leer te beveiligen<br />

volgens 1 T<strong>im</strong>. 6: 13<br />

en voor Christus<br />

Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis<br />

betuigd heeft. Zie ook Openb. 1:5.<br />

dat Hij aan zijne volgelingen een voorbeeld van lijdzaamheid<br />

en ltandvaftigheid zou geven, 1 Petr. 2:<br />

2) Om.<br />

ai. Want hier hier toe zijt gij geroepen, dewijl<br />

ook Chrijlus voor ons geleden heeft, ons een exempel<br />

nalatende, op dat gij zijne voetftappen zoud navolgen.<br />

3) Om dat Hij door de ondervinding van ouheilen<br />

den ellendige des te beter zou kunnen te hulp<br />

komen, volgens, Hebr. 2: 18. IVant in 't geene<br />

Hij zelve verzogt zijnde, geleden heeft, kan Hij de<br />

geenen, die verzogt worden; te hulpe komen. 4) Op<br />

dat Hij langs dezen weg voor zigzelven de hoogfte<br />

waardigheid verkrijgen zou , Luc. 24: 26. Hand.<br />

5- 30, 31.<br />

478. ) J. De leer der Socinianen fchijnt Schriftuurlijk<br />

te zijn ?<br />

L. Wij ontkennen niet, dat deze vier opgetelde<br />

K 4<br />

za-


152 ' Het elfde Gefprek, over den<br />

zaken, als einden of oogmerken van Jezus lijden kunnen<br />

geteld worden, dit is geen gefchil ftuk;* maar de<br />

vraag is, of dit alles 't voorname einde is geweeft?<br />

Wij houden >t voor mindere of ondergefchikte einden,<br />

dewijl de .fl. S. op meer dan eene plaats't voornaame<br />

einde opgeeft 't welk was, gelijk ik ftraks zeide,<br />

om langs dien weg als Borg, zondaarsmet God te<br />

verzoenen. . J a t o t d i t ] j j d e n h e h o 0 ] d | ; 0 ( j k d f i<br />

volmaakte gehoorzaamheid aan de wet Gods,die Chris,<br />

tus voor zijn volk heeft betragt, en daar door 't regt<br />

ten leven verworven.<br />

479 ) J- Kan detze waarheid duikelijk genoeg uit<br />

den Bijbel bewezen worden %<br />

L. Zeer duidelijk<br />

J) Uit plaatzen der IJ. S. alwaar Chriftus befchouwd<br />

word ais een offerande, en daar Hij gezegd<br />

word overgeleverd en geftorven re zijn voor de zonden,<br />

Jez. 53/ 5. Maar Hij is OM ONZE OVERTRE­<br />

DING verwond enz. Rom. 4: 25.<br />

W d k e o v e r g e h.<br />

verdis OM ONZE ZONDEN. Rom. 8: 3. Want 't geene<br />

de wet onmogekjk was, dewijl zij door *t vleefcb<br />

kragteloos was, beeft God zijn zoon zendende in de<br />

gelijkheid des zondigen vleefchs, en ^/VOORDE ZON­<br />

DE enz. Zie ook Hebr. 10: 12. 1 p etr<br />

. 3.. j8.<br />

d) Uit plaatzen, welke zeggen dat Jezus 'in<br />

plaats van anderen de ftrafien gedragen en de verlosfing<br />

te weeg heeft gebragt.<br />

Joh. ic: n. & ben de<br />

goeae herder, de goede herder STELT ZIJN LEVEN VOOR


Staat van Chriftus vernedering, enz. 153<br />

DE SCHAPEN. Gal. # 13. Chriftus beeft ONS VER­<br />

LOST van den vloek der wet, een vloek gezvorden zijnde<br />

VOOR ONS enz. Zie ook Rom. 5.- 8, 9. 2 Cor.<br />

5: 14- 16 en 21. I jPefr. 1: 18, 19-<br />

3) Uit die plaatzen, in welke Chriftus als borg<br />

word voorgefteld, die de fchuld in plaats van den<br />

fchuldenaar opneemt re voldoen, gelijk uit de woorden<br />

rantfoen en verlosfing blijkt, waarvan gefprooken<br />

word. Matth. 10: 28. De zoone des menfchen<br />

is niet gekomen om gediend te zvorden, maar om ie<br />

dienen en zijn ziele te geven [/of] een RANTSOEN zwor<br />

veelen. Rom. 3: 25. Eph. i: 7:<br />

480. ) J. Is de gehoorzaamheid aan de wet, die<br />

Chriftus volbragt heeft ook verdienftelijk geweeft?<br />

L. Zekerlijk ja, dit blijkt uit Rom. 5: 19. Door<br />

de gehoorzaamheid van eenen, zijn veelen tot regtvaerdigen<br />

gefteld. Zie ook Rom. 10:4. Gul. 4: 4,<br />

5. Philipp. 3: 9.<br />

481. ) J. Ik ben in de leer van onze kerk nader en<br />

volkomen beveftigd.<br />

Valt er nu wel iets verder aantemerken.<br />

L. Ik zal nog kortelijk van twee zaken fpreken,<br />

namelijk van de hoedanigheid der voldoening, en<br />

van de perföonen voor welke Chriftus voldaan heeft.<br />

1) Wat de hoedanigheid der voldoenning be- 1<br />

treft. Wij moeten ons aan den eenen kant wagten<br />

van te denken dat Chriftus, fchoon juift geen evenredige<br />

of volmaakte voldoening aanbrengende, nog.<br />

K $<br />

thans


154 Het elfde Gefprek. over den<br />

thans door eene gundige aanneming bij God is goedgekeurd,<br />

gelijk de Remonftranten daar heen willen.<br />

Neen, dit ftrijd tegen de Godlijke regtvaardigheid,<br />

die de zonden zonder voldoening niet vergeven kan<br />

en tegen de oneindige waardigheid des Middelaars,<br />

dieniet alleen menfeh maar ook de waare God is,<br />

die een volmaakte verdiende kon te weeg brengen,<br />

i Cor. 6: 20. Gij zijt diere gekogt. En aan den anderen<br />

kant moet men met de Roomfchgezinden niet<br />

dellen, eene overtolligheid der verdiende van Christus,<br />

die tezamen met't lijden der Godvrugtige en<br />

Martelaaren benevens derzelver overvloedige werken<br />

een fchat van aflaten voortbrengen, waarmede andere<br />

menfchen kunnen geholpen worden. En dus 'm y<br />

dien Chridus maar eenen druppel bloeds gedort had,<br />

die genoegzaam zou zijn geweed. Dit zou weder<br />

llrijden tegen de Godlijke regtvaardigheid en de liefde<br />

des Vaders tot zijn zoon.<br />

482.) J. Neem met kwalijk, dat ik tusfchen beiden<br />

een aanmerking maak. Het gevoelen der Remonflranten<br />

fchijnr zoo onaannemelijk niet. Christus<br />

heeft alle de drafFen niet ondergaan, <strong>im</strong>mers niet<br />

de geeftelijke en eeuwige dooi%<br />

L. Wat de geedelijke dood betreft, indien men<br />

r<br />

daar door verdaat geedelijke verlatinge Gods, zo<br />

heeft Chridus dezelve ondergaan Matth. 27: 46".<br />

doch begrijpt men daar door't misfen van Godsbeeld<br />

en een onraagt in de zonde, zo kon de Middelaar die<br />

niet


Staat van Chriftus vernedering, enz. ï


Het elfde Gefprek, ever den<br />

de Vader heeft verzoenbaar gemaakt voor alle menichen,<br />

maar eene dadelijke verzoening heeft te weeg<br />

gebragt volgens Rom. 5,<br />

j o. Indien wij vijanden<br />

Zijnde, met God verzoend zijn, enz. en wel bepaaldehjk<br />

voor de nitverkoornen. En dit bewijs ik<br />

aj Vooreerft met veele plaatzen der H. S. daar<br />

't gebragt word tot Jezus volk Matth. t: H. Zijn<br />

Schapen. Joh. 10: n,<br />

a 6, a 7<br />

. Zijn gemeente Hand<br />

se 28.<br />

h). Uit t gevoelen van onze tegenpartijen vloeijt<br />

J<br />

voort,<br />

O Dat Chriftus ook voldaan heeft voor zo<br />

veel duizende menfchen , die nooit van Chriftus<br />

noch van zyn lijden of dood gehoord hebben. Waarom<br />

de voorftanders der algemeene genade genoodzaakt<br />

worden te ftellen, dat de Heidenen zonder de<br />

kennis van Chriftus , nogthans door deszelfs verdienfte<br />

kunnen zalig worden, aanlopende tegen Joh.<br />

Ui 3-<br />

2) Ook volgt er uit, dat Chriftus wel de verwerver<br />

der zaligheid, maar geenzins de toepasfer is,<br />

maar de menfeh zelfs. Het geen ftrijdig is met den<br />

Bijbel Joh. 6: 44, 45<br />

0 m n u<br />

re<strong>im</strong>dheden voorbij tegaan.<br />

484O J. De Bijbel fpreekt evenwel zeer dikwijls<br />

als er van de verlosfing in voorkomt, van de ivaer'eld<br />

en alle menfchen.<br />

L. Het woord waereld word inde H. S. niet altoos


Staat van Chriftus vernedering, enz. 15/<br />

toos genomen voor alle menfchen in de waereld, maar<br />

Lzomtijds word er door te verftaan<br />

gegeven, veele<br />

: landlchappen der waereld Rom. 1: 8. Zomtijds de<br />

•Heidenen in regenftelling der Jooden, Rom. 11: 11,<br />

12. Zomtijds Godlozen in tegenftelling van God-<br />

I vrugtigen, 1 Cor. 11: 32. zomtijds menfchen in teil<br />

genttelling van Engelen Joh. 3: 16. Zomtijds eene<br />

groote menigte Joh. 12: 19. Het Griekfche<br />

ü woordje VT«V 't welk zomtijds door geheel zomtijds ;<br />

I door alle wordt overgezet, duidt altoos niet aan ider<br />

• zonder onderfcheid,' of elk hoofd voor hoofd, dik-<br />

, wijls duidt 't aan eene groote menigte, zie Matth..<br />

1 2: 3. Cap. 3: 5. Cap. )o; 22. Cap. 12: 15. Dan<br />

geeft 't wederom naar verband te kennen aller lij •<br />

zoort van menfchen als 1 T<strong>im</strong>. 2: 4.<br />

• derom alle de uitverkoornen, 2 Cor. 5: 15.<br />

dan eens we-<br />

i 2: 9. .<br />

Hebr.<br />

485.) J. Ik heb nog maar twee bedenkingen, de<br />

eerfte is, dat er duidelijk gezegt word, dat Chriftus<br />

de zulken gekogt heeft, die Hem verlochenen en een<br />

haaftig verderf over zig brengen. 2 Petr. 2: 1.<br />

L. Zie de verklaring van deze plaats in mijne BIJ-<br />

>• BEL VERKLARING betreklijk Paleftina, pag. 194.<br />

• 486.) J. De andere zwarigheid is, dat onze Hei-<br />

: delbergfche Katechismus zegt in 't antwoord op de 1<br />

37e vrage, dat Chriftus den toorn Gods tegen de zonden<br />

van 't GANSCHE MENSCHLIJ1CE GESLACHT gedragen<br />

heeft.<br />

L. De


158 Het elfde Gefprek, ever den<br />

L. De Katechismus zegt niet, dat Chriftus den toorn<br />

Gods gedragen heeft VOOR de zonde van 't ganfche<br />

menfchiijk gtjlacht, maar TEGEN de zonden enz. Willende<br />

hier mede te kennen geven, dat Chriftus voor of<br />

in plaats van zijn volk den toorn Gods gedragen heeft,<br />

die ontftoken was, tegen de zonden van 't ganfche<br />

menfchiijk geOacht (u). Zo heeft Chriftus ook voor<br />

allerlij zoort van zonden geleden, dit geeft de Apostel<br />

Johannes te kennen, i Joh. 2: 2. Hij is eene ver.<br />

zoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze,<br />

maar ook voor {de zonden] der geheele waereld.<br />

Gnze Overzetters hebben zeer wel naar den aard der<br />

taal 't woord zonden ingevuld, als willende Johannes<br />

zeggen: Jezus Chriftus is niet alleen een verzoening<br />

voor de zonden, aan welke wij ons hebben<br />

fchuldig gemaakt; maar ook voor meer andere, ja er<br />

is geen zonde in de geheele waereld, (de laftering in den<br />

H Geeft alleen uitgezonderd) of er is in 't zoenbloed<br />

van Chriftus vergeving voor, 1 Joh. 1. 7.<br />

Het<br />

(u) De Heer J v. D. HO.VERT in deszelfs Vonrede voor<br />

URSINUS Schatboek p. JÓV.. merkt aan, dat 't fchijne de Katechismus<br />

deeze omfchrijving der zonde hier bijgevoegd ta<br />

hebben, om te verhoeden, dat niet iemand hier zou denken<br />

aan Gods vaderlijken toom wegens de misdaden zijner kinderen,<br />

als of Jezus enkel deze, en niet voornamelijk dca<br />

Regterlijken toorn van God tegen de zonden van 't ganfche<br />

menfehdom zou gedragen ücbbeai


Staat van Chriftus vernedering, enz. 159<br />

Het bloed van Jezus Chriftus zijn* zoon reinigt ons<br />

van alle zonden.<br />

437 ^ J. Dewijl ik hier mede zeer voldaan ben,<br />

zo verzoek tot eenige practicale aanmerkingen overtegaan.<br />

Li Het is eene ftoffe, die aanleiding geeft, om de<br />

vreeflijkheid des Godlijken toorns<br />

onboetvaerdige<br />

zondaaren voorteftellen, ten einde 't dienftbaar moge<br />

zijn ter ontdekking van hun rampzaligen ftaat. Het<br />

is eene ftoffe, die een Godvrugrig befchouwer in diepe<br />

verwondering wegrukt. Eene floffe, die den gelovigen<br />

opleidt tot de betragting van dankbaarheid en<br />

veele Chriftelijke deugden op den weg der Godzalig,<br />

heid; en eindelijk een bron van vertroofting voor '$<br />

Heeren volk.<br />

488.) In welk opzigt is deze ftoffe verfchriklijk<br />

voor onboetvaardige zondaaren ?<br />

L. Zulke kunnen er dc vreeslijkheid des Godlijken<br />

toorns duidelijk uit zien,<br />

Meermalen heeft da<br />

Heere zig aan de inwooners dezer aarde zeer gedugt<br />

getoond, maar nooit treffender dan in't lijden van<br />

Zijn zoon.<br />

Vreeflijk vertoonde zig de Heer toen Hij<br />

de inwooners der eerfte waereld door de wateren van<br />

den zondvloed verdelgde; verfchriklijk was de Heere<br />

, toen Hij de burgers van Sodom, Gomorra en de<br />

nabuurige. fteden door 't hemels blikzem vuur ververdelgde;<br />

met min bewees God zijn groot ongenoegen<br />

aan Pharao en de Egijptenaaren, als zij in 't Roode


ifSo<br />

Het elfde Gefprek*. over de»<br />

de meir verdronken; ontzachlijk was God bij de<br />

wetgeving op Sinai; maar dat alles te boven gaat allervreeslijkft<br />

en verfchriklijkst vertoonde zig God op<br />

Golgotha. Daar werd Gods wraakoeffenende geregtigheid<br />

in 't helderst licht gefield. Gods eigen zoon<br />

volmaakt heilig moeft ter verlosfing van fchuldige<br />

menfchen met hellche pijnen in 't lichaam, en metdoods<br />

angften in de ziel worftelen, de Vader verbergde<br />

zijn iieflijk aangezicht, de zon trok op den vollen<br />

dag haare heldere ftraalen terug, en Jezus naakt<br />

en uitgeftrekt aan een vervloekt moordhoud hangende,<br />

riep in 't akelig duifter: Mijn God! Mijn God.'<br />

waarom hebt Gij mij verlaaten f — Och dat menfchen,<br />

die tot hier toe indrukkeloos en zorgeloos in<br />

de zonden hebben voortgeleefd, daar eens behoorlijk<br />

op mogten acht geven. Gefchiedde dit aan 't groene<br />

houd, wat zal er aan 't dorre gefchieden. Moeit<br />

Jezus, de heilige Jezus die ais borg leed, zulk een<br />

verfchriklijk lijden uitftaan, wat zullen dan zulke"<br />

menfchen, die geen deel aan Chriftus hebben, moeten<br />

ondergaan, ais zij tot in eeuwigheid den Godlijken<br />

toorn moeren ondervinden? Vreeslijk is 't te<br />

vallen in de handen van den levendigen God. Vooral<br />

zullen zodanige menichen eene gedugte ftraf ondergaan,<br />

welke geweigerd hebben te luifteren naar 't<br />

zalig Euangelie, waar in hun een lijdende Jezus, als<br />

de oorzaak van alle heil, als 't eenig middel ter verzoening<br />

met een vertoornd God is aangekondigd<br />

doch


Staat van Chriftus vernedering, enz. i6t<br />

doch welken zij, 6 groote weerfpanmgheid! welken<br />

zij fmadelijk verworpen hebben. Hebr. 2: 3. Och<br />

dat mijne mede menfchen wijs wierdea, en leerde gebruik<br />

maken van dat middel hunner behoudenis, 't<br />

welk God zelve heeft bekend gemaakt!<br />

489.) J. Gij zeide ook, dat de vernedering .van<br />

Jezus eene ftorfe is van groote verwondering.<br />

L. Zo is 't, indien wij de liefde Gods daarin befchouwen,<br />

die zo verwonderlijk groot is, dat zij alle<br />

verftand te boven gaat. God had in de fchepping<br />

den menfeh naar zijn beeld gemaakt, dat was<br />

liefde, want hier door konde God den regten menfeh<br />

beminnen, en zig van hem doen beminnen; maar<br />

zie hier, hier brengt de liefde tot verlooren zondaaren<br />

te weeg, dat Hij zig laat vormen naar ons beeld.<br />

Daarom zegt Johannes, 1 Joh. 4; 0. Hierin is de<br />

liefde Gods tot ons geopenbaard, dat God zijn eenig.<br />

gebooren zoon, gezonden beeft in de zvaareld, op<br />

dat wy zouden leven door Hem. Niemand (zegt de<br />

Heiland Joh. 15:13.) heeft grootei liefde als deze , dat<br />

iemand zijn leven zette, voor zijn Vrienden. En Jezus<br />

is gefiorven voor vijanden. Zie Rom. 5.* 8 10. ijoh.<br />

4: 10. En dit alles verpligt een Chriften in waare dank<br />

baarheid voor 's Heeren aangezicht te wandelen.<br />

49°0 J' Gelief dit laatfle aantetoonen.<br />

L. Dit is zeer klaar en vloeijt van zelve uit al 'c<br />

vorige: Moeteen Chriften zijn zonden niet hartelijk<br />

betreuren , die Jezus zo bitterlijk m. Gethlèma-<br />

Ilde DEEI,, L ne


If52<br />

Het elfde Gefprek. over den<br />

re beweend heeft? Is een Chriften niet ten duurden<br />

vérplfgt" 3<br />

om dé zonden en verdorvenheid die in he m<br />

woond, die moordenaars van Chrifius, te kruisfigen<br />

en 'i onder te brengen ? Zal hij zig in 't ilijk der<br />

zonden weder moedwillig wentelen, van welke vuiligheid<br />

Gods zoon hem niet heeft kunnen reinigen,<br />

ten zij door zwaare Geeslèlflagen, dekende doornen,<br />

feherpe nagels enz. met een woord, door een wreeden<br />

dood? Moet een Chriften niet 't tegendeel doen<br />

van al dat geen, dat ook den Heiland tot verzwaas<br />

ring van zijn lijden is aangedaan: Werd Jezus door<br />

den eerlozen Judas op een verraderlijke wijze voorden<br />

'geringen prijs van 30 zilverlingen verkogr; een Chriften<br />

moet Jezus houden voor 't waardde en dier baarfte pand.<br />

Werd de Heiland door andere discipelen verlasten uit<br />

zwakheid des geloofs; eeo Christen moet zoeken om<br />

iteeds in.de nabijheid des Heeren te blijven, enz.<br />

491.) J. Is er ook betreklijktot dankbaarheid iets<br />

meer uit te leeren ?<br />

L. Wanneer men de gefchiedenis behoorlijk naarleeft<br />

van Chriftus gebooite, leven, lijden, enz. dan<br />

•kan. men uit dezelve een reeks van Chriftelijke deugden<br />

opzamelen om in beoeffening te brengen.<br />

a. In zijn geboorte ftraalt eene groote nedrigheiddoor,<br />

in armoe de verfcheen Hij in deeze waereld en bragt<br />

daar in zijne levens dagen door. Dit gevoeleH moet<br />

ook in ons zijn, dat in Chriftus Jezus was, Hij moet<br />

een gettake in ons krijgen Hij moet wasten en wij minder


Staat van Chrifins vernedering, enz. i#j<br />

der worden. Door hovaardi j hebben onze eerde ogders,<br />

't Godiijk beeld verboren, door nedrigheid, wil Jezus<br />

dit weder in ons herftellen : dit moet ons de deugd van<br />

nedrigheid en kleinheid inboezemen. Zonder nedrige<br />

veroordeeii.ig van- ons zeiven ontvangen wij geen genade,<br />

hebben wij geen deel aan Jezus, die bij de nedrige<br />

van Geelt woonen wil, Godzuederftaat de bovaer-.<br />

digc, maar de neürigen geeft Hij zijne genade, Jac. 4;<br />

6.- En dewijl God ; zoon die rijk was,om der menfehen<br />

wil is arm geworden, op dat Hij door zijne armoe de<br />

andere zou rijk maken, zo leidt de Apoftel Paulus hier<br />

uit af de pligt van mededeelzaamheid,, a Cor. 8: 0.<br />

b. Jezus geheele leven hier op aarde ond*r do<br />

menfchen ademde Godvrugt, blijkbaar in zijn liefdetot<br />

de openbaaren en verborgen Godsdienft verrigtingen<br />

, geloof en betrouwen op God; gedienftigheid<br />

en barmhartigheid jegens zijn evenmenfeh.<br />

c. In zuu laatltc lijden betoonde de Heiland een<br />

onbegrijpelijk geduld, zelfs verloochening, liefde tot<br />

de vijanden, enz.<br />

In alle deeze cn meer andere deugden moe-en wij<br />

den Heere Jezus naarvolgen. Hij beeft ons een esem-,<br />

fel naargelaten op dat wij in zijne voeifiappen zouden<br />

wandelen, 1 Pet), a: ai.<br />

49-0 J- U m i k h o o r d e ü ftr:,ks z e &'S e i l c k t<br />

'<br />

deeze ftoffe ook zeer tot vertroolting ftrekt, voor 't<br />

volk des Heeren.<br />

L. Zo is 't ook. Het was oudtijds zeer trooltnjk<br />

L a<br />

i n


164 Het elfde Gefprek, over de»<br />

in 't burgerlijke e?n Goël of losfer te hebben, zijnde<br />

een der naadbeftaande, Lev. 25; 25, 48, 49,<br />

die tot vee'e pligten verbonden was. Chriftus nu is<br />

de ware Goël Gen. 48: 16. fob 19; 25. Onzenaaftbedaande,<br />

Hebr. 2; 21, 14. —— Een Goël loste<br />

de verkogte of vervreemde goederen van zijn<br />

naadbefiasnden, en indien die gevangen ©f een<br />

kncgt bij een vreemdeling was, kogt hij hem vrij,<br />

Lev. 25: 25, 48, 49- Dit heeft ook Chriftus gedaan,<br />

Luc. i: 71. Een Goël moeft't bloed<br />

van zijn gedoodden naaftbeftaanden wreeken, Num.<br />

35: 19. Deut. 19- 6. Zo ook Chriftus, die heeft<br />

van de vijanden, welke den dood aan zijn volk hadden<br />

toegebragt, wraak genomen Col. 2: 15. Hebr.<br />

2: 14. Een Goël moeft de vrouw van zijn<br />

afgedorven naadbeftanden trouwen, om hem zaad te<br />

verwekken. Deut. 2$: 5. Ruth.3. Chriftus heeft zijn<br />

kerk, ontllagen van 't verbond der werken haaren vorigen<br />

man, ondertrouwd én gebragt onder den band<br />

des verbonds, Rom. 7: 4-6'. Eph. 5/ 25, 26.<br />

493.) J. Dat Chridus in den daat der vernedering<br />

betoond heeft zulk een Goël of losfer te zijn<br />

is zeer troodrijlc voor des Heeren volk; maar liggen<br />

in 't geen x<br />

e Hem in de laatfte dagen zijns levens<br />

overgekomen is, ook eenige vertroodingen ?<br />

L. Zekerlijk ja, doch zulks is te breed om t alles<br />

op te noemen, gij hoordt dit jaarlijks in 't be«<br />

handelen der lijdens-doffen voordellen. Om uwe. 0-<br />

ver-


i s d e r e ( ï e<br />

Staat van Chriftus vernedering, enz. 1C5<br />

verdenkingen hier over gaande te maken, zal ik dit"<br />

weinige zeggen. Een Chriften moet menigwerf<br />

hierop aarde veele kwellingen ondergaan, die dikwerf<br />

als veele geesfelflagen fmartelijk voor 't vleefch<br />

zijn ; doch door de geesfelflagen die Chriftus gezegend<br />

lichaam getroffen hebben, zijn dezelve aan<br />

den gelovigen geheiligt. • Het fchandig kruishout<br />

is 't toppunt hunner heerlijkheid , de dood<br />

zelve is door Chriftus dood verflonden tot overwinninge,<br />

1 Cor. 15: 54-<br />

5 dat de<br />

D i t<br />

martelaaren in 't lijden der felfte dooden volvrolijk<br />

konden juichen. Zo worden die wateren uit Mara<br />

's bitteren bron gefchept, zoet. En dewijl Hij<br />

als borg helfche angflen en pijnen ondervonden heeft,<br />

zo is er geen verdoemenis, voor die in Chriftus Jezus<br />

zijn. Rom. 8: 1. Zalig zijn de dooden die in den Heere<br />

fier ven, Openb. 14: 13. Hij zal ingaan, in vrede,<br />

zij zullen ruften op hunne flaapfteden, een iegelijk<br />

die in zijne opregtigheid gewandeld heeft'<br />

Jez. 57: 2.<br />

494 ) J. Ik begrijp hoe langs zo meer, welk een<br />

groote trooft 't is voor een Chriften, 't eigendom van<br />

Chriftus te zijn, in leven en in fterven.<br />

L. Onze Heidelbergfche Katechismus noemt 't<br />

daarom een eenigen trooft om aan te duiden, dat alle<br />

trooft buiten deze, onbeftendig en dus ongenoegzaam<br />

is. Het heerlijk antwoord op die ifte<br />

vraage is de geduurige overdenking van een Chns-<br />

L 3<br />

ten


166 Het elfde Gefprek, over den<br />

ten dubbel waardig. Want daar hij in 't eerfte gedeelte<br />

van 't antwoord in 't algemeen dien eenigen<br />

trooft opgeeft; zo gaat hij vervolgens de gronden<br />

van dien trooft nader ontwikkelen , beftaande. i)<br />

In de koping des gelovigen met Chriftus bloed.<br />

2) In de verlosfing uit des duivels geweld en heerfchappij.<br />

3) In een nauwkeurige bewaaring der gelovigen.<br />

4) In een beftuuring van alles ten hunnen<br />

nutte. • En dewijl Chriftus dit alles omtrent<br />

zijn volk verrigt, zo laat hij 't ook aan geen<br />

inwendige venrooitmg en heiligmaking ontbreeken<br />

gelijk de Katechismus in 't flot van dit antwoord<br />

aantoont, als hij zegt. „ Daarom (o) dat hij mij<br />

„ ook door zijnen Heiligen Geeft des eeuwigen levens<br />

„ verzekert, en Hem voordaan te leven, van har-<br />

„ een willig en bereidt maakt".<br />

O) De Hóogduitfche Katechismus heeft Darum, de Latijnfche<br />

overzetting Quo circa. Zommige zijn verlegen, hoe<br />

•of op wat wijs de Katechismus hier 't woordje daarom te pa's<br />

brengt. Doch dit is zeer klaar, want 't is uit hoofde van<br />

,die vrijkoping , verlosfing , bewaring en beftuuring , die<br />

Chriftus omtrent de gelovigen bewijft, dat hij den H. Geeft<br />

hun mededeelt, die hun verzekering geeft van hun eigendom<br />

aan Chriftus, en luft om in dankbaarheid voor Hem te leven.<br />

Zonder dit, konden zij niet getroofl zijn, in dit leven.


Pag. 169<br />

HET „TWAALFDE<br />

G E S P R E K ,<br />

over den<br />

Staat van Chriftus verhooging.<br />

495.)


170 Het twaalfde Gefprek, over den<br />

496.) J. Kan men in die verhooging ook eenige<br />

trappen opmerken?<br />

L. Ja, men kan daar gevoeglijk drie trappen in opmerken<br />

, waar toe veelen brengen. Jez. 52: W.<br />

Ziet mijn knegt zal verfandiglijk handelen, of gelijk<br />

men 't vertalen kan, ziet mijn knegt zal voorfpoedig<br />

zijn, Hij zal verhoogd, verheven, ja zeer<br />

hooge worden. Verhoogd namelijk door zijn opftanding,<br />

wanneer zijn fterflijk lichaam onverderflijk is<br />

opgewekt; verheven door zijn hemelvaart, als Hij<br />

deze aarde verliet, en naar de Hemelfche geweften is<br />

opgeheven; ja zeer hooge geworden als de vader Hem<br />

gezet heeft aan zijne regtehand in den hemel verre<br />

bovenalle overheid, magt, kragt en heerfchappij,<br />

welke in den jonglten dag voor 't oog der ganfche<br />

Waereld zal openbaar worden.<br />

497-) J' Dat Jezus zelve meermaal zijn opftanding<br />

voorzegt heeft als Joh. 3.: 19. Matth. 16: 21.<br />

is mij jwel bekend, doch was dezelve ook in 't Ü.<br />

Tl geleerd. .<br />

L. Ik zal maar twee plaatzen hier voorbijbrengen,<br />

fchoon er nog andere toe kunnen gebragt worden.<br />

J ez - 55- 3 > 4- tk zal [u geven] de gewisfe zveldadigheden<br />

Davids enz. God had met betreKking tot<br />

Mesfias aan David een eeuwig koningrijk beloofd 2<br />

Sam. 7: 13. vergel. Luc. l: 32, 33. deze belofte<br />

zou gewis niet zeker zijn geweeft, indien Mesfias<br />

in den dood gebleven was, waarom Paulus daar uit<br />

ook


Staat van Chriftus Verhooging* 171<br />

onk de opftanding van Chriftus bewijft. Hand. 13:<br />

34. De tweede plaats is Pf. 16: 10. Gij zult mijne<br />

ziele in de helle niet verlaten, gij zult niet toelaten<br />

, dat uwe Heilige de verdervinge zie. Dar.<br />

Chriftus ziel niet in de plaats der verdoemden is geweeft,<br />

maar inden hemel geduurende Jezus dood,<br />

en dat 't Hebr. woord Scheöl door hel vertaald meermaalen<br />

den afgefcheiden ftaat der ziele van 't lichaam<br />

betekent, hebben wij iri ons vorig gefprek gezien.<br />

Jezus ziel nu moeft niet lang in dien afgefcheiden<br />

ftaat blijven, of zijn heilig lichaam zou verderving<br />

gezien hebben.<br />

Dewijl in 't land Kanaan de Lijken<br />

op den vierden dag al aan verderf onderworpen<br />

waren, gelijk blijkt uit Joh. 11: 39. zoo moeft<br />

Jezus voor dien tijd worden opgewekt.<br />

En van<br />

deze Schriftplaats maakt Petrus gewag Hand. a: 27,<br />

31, 32. en Paulus Hand. 13: 35 - 37- '<br />

D a t<br />

Chriftus nu bepaaldelijk op den derden dag zou opftaan<br />

, had Jezus zelve voorzegt in die plaatzen, welke<br />

gij ftraks hebt bijgebragt, waar bij ik nu nog voege<br />

Matth. 12: 40. (V). Gelijk Jonas drie dagen en<br />

drie<br />

(a) Zommige nemen 't geval van Jonas als een eigenlijk<br />

gezegd voorbeeld van Chriftus, doch hier voor is geen 't<br />

minfte bewijs; Jezus vergelijkt et zig enkel mede, gelijk de<br />

Zaligmaker meermaal deed, b. v. Joh. iii 24.<br />

M 2


17 a Het twaalfde Gefprek, over den<br />

drie nachten zvas in den buik des Watvifchs (byalzo<br />

zal de zoone des menfchen drie dagen en drie nachten<br />

zijn in 't harte der aarde, (c)<br />

498.) J. De Zaligmaker is <strong>im</strong>mers geen drie volle<br />

dagen- en nachten in 't graf geweeft ?<br />

L. Geenzins, de Heiland is niet veel meer dan 36<br />

uuren in 't graf geweeft, alzo Hij vrijdags avond e-<br />

ven voor zonnen ondergang begraven is, en des zondags<br />

's morgens heel vroeg voor zonnen opgang is<br />

opgeftaan. Doch dit baart in 't allerminft geen zwarigheid,<br />

daar 't een gebruik bij de Joden was de gedeehens<br />

der tijden voor 't geheel te rekenen. Vergelijk<br />

Efler 4: 16. met Cap. 5: 1 - 4„ en Matth.<br />

17: 1. daar van zes dagen gefprooken wordt met<br />

Luc. 9; 28. daar wij van omtrent agt dagen vinden<br />

gewag gemaakt. — Het is waar, wij vinden Mare.<br />

8; 31. voorzegt door Jezus, dat Hij na drie dagen<br />

zou<br />

(b) In onze overzetting lezen wij IVaiviJch, doch *t Hebr.<br />

en Gr. woord kan ook door andere grocte Visfchen vertaald<br />

worden.<br />

(c) Harte der aarde is naar den ftij'l der Hebreeuwen 't<br />

midden der aarde, 't zij onder of boven den grond. Doch<br />

men moet hier bij nog opmerken, dat 't midden bij de Hebreeuwen<br />

met altoos zegt '(middenpunt, maar dikwijls zoo veel<br />

te kennen geeft als in b.v. Ezech. 27:4. wordt Tijrus gezegt<br />

te liggen in 't harte der zee, daar 't niet verre van 't vaite<br />

land lag.


Staat van Chriftus Verhoging. 173<br />

zou opftaan; doch dat is even zo veel als op den derden<br />

dag, vergelijk Matth 16: 21.<br />

499. ) J. ik vind wel 3 gedeeltens van dagen,<br />

maar ilegts twee gedeeltens van nachten, daar egter<br />

Matth* 12: 40. uitdruklijk ook van drie nachten<br />

word gewag gemaakt ?<br />

L. Dit komt daar van daan, dat de Hebreeuwen<br />

geen afzonderlijk woord hebben, waarmede zij een<br />

etmaal of den tijd van 24 uuren uitdrukken , dit<br />

doen zij met twee woorden, namelijk dag en nacht.<br />

500. ) J. Dewijl de opftanding van Chriftus eene<br />

zaak is van 't alleruiterfte gewigt, gelijk Paulus zelve<br />

zegt 1 Cor. 15: 14- zo wenfchte weieens eenige<br />

voorname bewijzen voor derzei ver waarheiden zekerheid<br />

te hooren , waarmede ik 't ongeloof den<br />

mond kan ftoppen.<br />

L. Dat er op dien tijd een zeker perfoon met name<br />

Jezus geweeft is, die door toedoen der Joodfche<br />

overheden als een bedrieger gekruift, geftorven en<br />

begraven is, ja dat 't graf verzegeld en met een wagt<br />

bewaard is, zijn zaken, die de meefte der ongelovigen<br />

toeftemmen. Dat de gefchiedenis van Chriftus<br />

opftanding door vier fchrijvers, welken wij Euangeliften<br />

noemen, en die voorgeven der zaak zeer kundig<br />

te' zijn, is te boek gefteld, kunnen zij ook niet<br />

ontkennen. Indien de Heer Jezus niet is opgeftaan,<br />

dan moet een van beiden waar zijn, of dar die Schrijvers<br />

benevens andere van Jezus aanhangers, door<br />

M 3<br />

ligt"


174 Het twaalfde Gefprek, over den<br />

ligtgeloovigheid bedrogen zijn; of dat zij met opzet<br />

en beter weten andere menfchen hebben zoeken te bedriegen<br />

, en een groote menigte met de daad bedrogen<br />

zijn. Wat men ook kieft, beide is zeer onge.<br />

rijmd.<br />

5°i.) J. Gelief de ongerijmdheid van de eerfte<br />

vooronderftelling aan te toonen.<br />

L. Indien de Discipelen van Chrifius geen voor*<br />

nemen hebben gehad om te bedriegen, maar zelve<br />

door ligtgelovigheid bedrogen zijn, dan volgt, dat<br />

de Schrijvers der Euangelien , alles getrouwelijk,<br />

naar hun befte weten, hebben te boek gefteld; dus<br />

is Vons geoorloofr uit hunne eigene fchriften te redekavelen.<br />

En daar uit blijkt 't, dat zij niet hgf gelovig<br />

maar eer wat al te ongelovig waren, ja dat zij<br />

niet geloofd hebben, dan door de allerfterkfre en o-<br />

vertuigenfte bewijzen. Let op 't volgende.<br />

1.) Twee van 's Heilands Apoftelen indenmorgenftond<br />

van den eerften dag der week, door Maria<br />

Magdalena verwittigd zijnde , dat de fteen van 't<br />

graf gewenteld was . fnellen ogenbliklijk derwaards,<br />

bezichtigen 't graf, waar in zij de lijkdoeken in eene<br />

behoorlijke orde vonden leggen, een blijk dat Hij<br />

niet uit dieverij met verhaafting was weggenomen.<br />

2) Eenige vrouwen, die aan 'tgraf gekomen waren<br />

om Jezus te balzemen, getuigen aan de discipelen<br />

dat zij een gezicht van Engelen gezien hadden, welke<br />

zeiden, dat Jezus leefde, doch deeze vrouwen<br />

wor-


Staat van Chriftus Verhooging. i?5<br />

worden bij de Apoftelen niet geloofd. Luc. 24: 9<br />

3. ) Jezus vertoont zig 's avonds in 't Apoftelgezelfchap,<br />

en geeft de kenbaarlte blijken , dat hij<br />

dezelve perfoon was, doch Thomas, die er niet bij<br />

tegenwoordig was geweeft, wilde zuiks niet geloven,<br />

voor dat hij Jezus zelve zag, benevens de tekenen<br />

der nagels in deszelfs handen en der fpeer in<br />

deszelfs ziide.<br />

4. ) Jezus heeft zig niet eens vertoond, maar<br />

zeer dikwij's, bij herhaling aan dezelve perföonen,<br />

fomtijds aan zeer veele te gelijk, eens aan 500 broeders,<br />

waar van \ grootfte getal in Paulus tijd nog in<br />

leven was, 1 Cor. 15: 6. Zommige hebben met Hem<br />

gegeten en gedronken, Juk %r: ia-<br />

WaaromTohannes<br />

zeide 1 Joh. i: 1 - 3- ** *»'<br />

boord hebben, 't geene wij gezien hebben met onze<br />

oogen, 't ge" *fl aanfcbouzod hebben, en onze handen<br />

getaft hebben van 't woord des levens<br />

verkondigen wij U enz. (*)<br />

dat<br />

5.) Ik voeg er nog eindelijk bij, dat men een<br />

gerugt'deed gaan, daL de Discipelen Jezus lichaam<br />

des<br />

(*) Zie verder mijne verhandeling over de harmonie of<br />

cvcreenftemmmg der rier Euangeliften, bctrekiijk tot Chriftus opftan.<br />

M 4


176" Het twaalfde Gefprek, van den<br />

des nachts uit 't graf geftolen hadden (dj, maar de<br />

Discipelen bewuft van hunne blanke onfchuld nemen<br />

geenzins de vlugt, blijven niet alleen in Jerufalem,<br />

maar gaan met alle vrijmoedigheid dagelijks in den<br />

tempel, Luc. 24: 52, 53. (V).<br />

Uit dit gezegde kunt gij opmaken, dat ons geloof<br />

niet<br />

Jianding, te vinden in de nieuwe Nederlandfche <strong>Bibliotheek</strong> ie<br />

Deel 2e Stuk p. 185 -- 192.<br />

00 Men vindt dit geval Matth. 28: ri - 15. De Overpriefters<br />

en Ouderlingen vergaderd zijnde, gaven denkrijgsknegten<br />

geld op dat zij allerwegen zouden verbreiden,<br />

dat .Jezus door zijne Discipelen des nagts geftolen was, ali<br />

zij wagters flicpen, enz. . Tegen dit verbaal vaart 't<br />

ongeloof met kragt uit: Hoe is 't mogelijk, dat de Joodfche<br />

Raad zulk eene redeneering, die de weerlegging" met<br />

zig brengt, in den mond der wagters leggen, dit is gelijk<br />

men doorgaans zegt eene gapende leugen, en maakt 't ge.<br />

fchiedverbaal van Mattheus ten eenemaal ongelooflijk ? Wij<br />

antwoorden, 't is zeer waarfcbijnlijk dat de Overprlelters<br />

dien raad in de grootfte ontfteltenis en verwarring gegeven<br />

hebben. Daar en boven kan men aanmerken, dat dit valfch<br />

gerugt nog meer fchijn van waarheid heeft, al,<br />

l n e n<br />

doorgaans<br />

zegt. De wagters moeflon de opftanding verzwijgen,<br />

en zeggen dat zij dien nagt hadden geflapen, "s morgens 't<br />

graf ledig vindende . fielden zij vatt, dat Jezus van zijn aanhangers<br />

was geftoolen.<br />

. (0 Dit 52 en 53 vers van Luc. si. voert de Beroemde<br />

NIEUW-


Staat van Chriftus Ver booging. 17?<br />

niet fteunt op de gezegden van een enkel Hiftorie<br />

fchrijver, maar van vier Euangeliften en Paulus, benevens<br />

al die geenen op wien zij zig beroepen.<br />

502.) Ik ben hier mede zeer voldaan. Kunt gij<br />

nu de ongerijmtheid van de andere vooronderftelling<br />

bewijzen?<br />

L. Zzzt wel, indien Jezus Discipelen met opzet,<br />

bedriegers zijn geweeft, die tegen beter weten een<br />

getuigenis aangaande Jezus opftanding gegeven hebben,<br />

dan moet bewezen worden, dat zij in deeze<br />

zaak gaarn wilden bedriegen, en konden bedriegen:<br />

doch 't eerfte is zeer onwaarfchijnlijk, en *t laatfte<br />

onmogelijk.<br />

1.) Dat zij gaarne de waereld zouden hebben<br />

willen bedriegen is ten uiterfte onwaarfchijnlijk. Wat<br />

voordeel was daar voor hun in gelegen? Zegt men,<br />

eerzugt, zij wilden niet gegroet worden voor zodanige,<br />

die eenen bedrieger hadden aangehangen, en<br />

daarom verzonnen zij, dat hunn' Meeiter was opgeftaan.'<br />

Doch ik antwoorde, is 't te denken, dat een<br />

geheel genootfchap met zulk een ij dele eerzucht zal<br />

bezieldt geweeft zijn. Judas had Jezus verraden,<br />

maar krijgt een wanhopig naberouw en beneemt zig<br />

zel-<br />

NIEUWLAND aan, ten betoog dier waarheid in Desz«lfs uitlegkundige<br />

Fcrmaaklykheden 2 Deel p. 504.<br />

M 5


178 Het twaalfde Gefprek, van den<br />

zei ven 't leven; Petrus had Jezus verlochend, maar<br />

keert met tranen van boetvaerdigheid weder (ƒ). En<br />

wat nadeelen waren voor de Difcipelen daar door te<br />

wagten, fchande, vervolging, en een wreede dood<br />

waren de gevolgen van de belijdenis des geloofs in<br />

eenen gekruiften en opgewekten Heiland. Zij wilden<br />

dan niet bedriegen.<br />

2.) JMaar fenoongenomen zij wilden bedriegen,<br />

de vraag is of zij zulks wel konden doen.<br />

Ö.) Jezus lichaam lag in een graf, dat in een<br />

fteenrotz was uitgehouwen, en dus niet kon ondergraven<br />

worden. Een verzegelden fteen lag er voorde<br />

deore, eenige krijgsknegten waaren daar gefteldt om<br />

den toegang derwaards te beletten. Zijn hier geen onoverkomelijke<br />

hinderpalen voorde difcipelen om 't lijk<br />

te delen? Hoe widen zij, dat de wagters diepen, en<br />

zou 't afwentelen van den deen, 't openeH van de<br />

deure der grafipelonk in deji dillen nacht de wagters<br />

niet hebben doen ontwaken, (g)<br />

(ƒ) Zie hier ook over P. HOTSTEDE de waarheid en God<br />

lijkheid der Euangeiijche veihalm, opgemaakt uit vergelijking<br />

van den val van Petrus en den dood van Judas. Rott. 1774 in<br />

gr. 8vo.<br />

(g) Met hoe veel fchijn van waarheid dejoodfche Raad,<br />

en de omgekofcte krijgsknegten dien diefftal ook mogten voordraagen,<br />

een oplettende en die niet willens blind was, kola<br />

de vaifchheid ligtelyk ontdekken.


Staat van Cbriflus Verhooging. 179<br />

b.-) Doch genomen, zij hadden 't lichaam van<br />

lezus geftolen, terwijl de wagters fliepen, dan moesten<br />

niet alleen die krijgsknegten geftraft zijn, maar<br />

>t was de zaak van den Joodfchen Raad, ja zelfs van<br />

Pilatus geweeft om de difcipelen te ftraffen over zwaare<br />

dieverij en 't verbreken van 't zegel; daarenboven<br />

moeiten de Overpriefters 't doode lichaam van Jezus<br />

aiomine ten toon gefield hebben.<br />

Maar van dn alles<br />

is niets gebeurd.<br />

c) Dan, toegedaan zijnde, dat de Joodfche<br />

Raad door onvoorzigtigheid of zagtzinnigheid die<br />

middelen niet in't werk heeft gedeld, zoo komt t<br />

nog onmogelijk voor, hoe de Apodelen in die zaak<br />

bedriegers hebben kunnen zijn. Wie tog bid ik u, zal<br />

zulk een leer geloof geven, in een tijdperk, waar<br />

in de valfchheid zoo klaar en gemakkelijk kon ontdekt<br />

worden? Wie zal aan een leer geloof geven,<br />

die zo tegen de verdorven natuur van den menfeh<br />

aanloopt; de leer tog van een gekruiden en opgewekten<br />

Chridus is den Jooden eene ergermsfe,. den<br />

Grieken eene dwaasheid? Is nu niet tegeadaande<br />

die vleefchlijke vooroordeelen, die leer van duizende<br />

Jooden en Heidenen omhelft, dan moeden wij<br />

daar uit belluiten, dat de Apoftels geen bedriegers<br />

waren, maar dat eene Godlijke kragt hunne Euangelie<br />

leer verzelt heeft. Men kan hier niet tegenwerpen,<br />

dat de leer van den valfchen propheet MOHAMMED<br />

insgelijks veel veld gewonnen heeft, daar't zeker is,<br />

° dat


ï8o<br />

Het twaalfde Gefprek. van den<br />

dat die leer, niet gelijk 't Euangelie door eene verkondiging<br />

des woords, maar door kragt vanwapenea<br />

ta vuur en te zwaerd is voortgeplandt.<br />

5°3-) J- ik heb flegts eene bedenking die ik oordeel<br />

van gewigt te zijn. Hoe komt 't, dat Jezus zig<br />

enkel aan zijne lievelingen heeft vertoond, waarom<br />

is Hij naa zijn opftanding niet gegaan naar, den Joodfchen<br />

Raad, en gezegt, ziet hier ben ik dien gij ge.<br />

kruift hebt, ik ben ten blijke van de waarheid mijns<br />

Mesfiasfchaps uit den dood verrezen. Voorzeker de<br />

ganfche Joodfche Raad zou in Jezus geloofd hebben?<br />

L. Dit gevolg gaat geenzins door. Jezus had een<br />

kleinen tijd te voren Lazarus uit den dooden opgewekt,<br />

en dit maakte alomme veel gerugts; een ftuk<br />

dat onderzoek lijden kon en onderzoek waardig was.<br />

Maar in plaats dat zij zig door dit wonderwerk lieten<br />

overtuigen, zoo hielden zij van dien dag afraad,<br />

hoe zij Jezus dooden zouden, Job. ii: 53. J a 2<br />

}j<br />

zogten ook Lazarus om te brengen, Joh. 12: 10.<br />

T-— Had zig Jezus dan, na zijn opftanding levendig<br />

vertoond aan hun, zij zouden allerlij uitvlugten<br />

gezogt hebben. En uit deeze verfchijning van Jezus<br />

aan'zijne vijanden, had 't hedendaags ongeloof<br />

geen 't minfte voordeel. Want ftel eens, dat zij alle<br />

of gedeeltelijk in Chriftus geloofd hadden, dan<br />

wierden die Jezus vrienden , en deze zouden dan<br />

niet meer ter overtuiging hebben toegebragt dan Paulus


Staat van Chriftus Verhooging.<br />

i8l<br />

lus omhelzing van 't Chriftendom, die te voren zulk<br />

een bittere vi|and was. (bj<br />

504. ) J. Wat heeft Jezus al gedaan geduurende<br />

zijn verblijf op aarde ?<br />

L. Geduurende een verblijf van 40 dagen hier op<br />

aarde, gaf Jezus niet alleen veele zekere bewijzen<br />

zijner opftanding, maar onderwees ook zijne Discipelen<br />

inde dingen, die de uitbreiding van zijn koningrijk<br />

betroffen, Hand. 1; 3. Vervolgens voer Jezus<br />

ten hemel.<br />

505. ) J. Indien Jezus zijn discipelen onderrigt<br />

heeft in de dingen zijn koningrijk betreffende, zoo<br />

zal Hij hun zekerlijk gezegt hebben dat zijn koningrijk<br />

niet van deeze waereld was, maar geeftelijk en<br />

hemelfch: Doch hoe komt 't dan, dat de Apoftelen<br />

vragen Hand. 1: 6K Heere zult gij in deezen<br />

tijd aan Ifrael het koningrijk weder oprigten?<br />

L. Wij behoeven hier aan zulk een aardfch koningrijk<br />

niet te denken , hoedaanig de difcipelen<br />

voor Jezus dood waren verwagtende, maar een geestelijk<br />

koningrijk. Dit blijkt daaruit, dat de Zaligmaker<br />

zulk een oprigting des koningrijks niet wilde ontkennen,<br />

maar hun niets wilde ontdekken van de tijden<br />

en gelegenheden, die de Vader in zijn eigen magt<br />

(h) Zie dit breeder uitgewerkt in de Nederl. Sibliothtik<br />

8« dttl Mengelw- p. iói —<br />

1<br />

7 2 -


l3a<br />

Het twaalfde Gefprek, van den<br />

gefield heeft. vs. 7. Door *t oprigten van 't Koningrijk<br />

aan Ifraël zullen de Apoftelen dan waarfchijnlijk<br />

verftaan hebben de meer algemeene bekeering der<br />

Joden, waarvan Paulus fpreekt, Rom. ji: 26.<br />

506. ) J. Wat heeft UE. van den tweeden trap van<br />

Jezus verhooging zijne Hemelvaart aan te merken?<br />

L. Ik zal er ilegts dit volgende van zeggen, dat<br />

Jezus in tegenwoordigheid zijner Apoftelen van<br />

den Olijfberg fV) in de nabijheid van JBethanien<br />

zegenende van de aarde in den hoogfien hemel is op*<br />

genomen, en een wolke Hem weg nam uit de 00-<br />

gen der difcipelen, die door twee Engelen vermaand<br />

en onderrigt worden, Hand. i: o-n. Eph. 4.-<br />

10. Hij is opgevaaren boven alle hemelen , dat i<br />

alle zichtbaare hemelen. Ook was de Hemelvaart in<br />

't'O. T. voorzegt. Pf. 47: 6. Pf. 68: 19.<br />

507. ) J. Was 't ook nodig dat 't geheele elftal<br />

Apoftelen daar tegenwoordig was?<br />

508. ) J. Moeten wij hier aan eene eigenlijke he«<br />

L. Dit was voor hun van 't allergrootfte nut, dus<br />

wierden zij in hun geloof aangaande Jezus als den<br />

waaren Mesfias hoe langs hoe fterker beveiligd , en<br />

verder in alle lijden en verdrukking kragtig bemoedigt.<br />

mel-<br />

(0 Zie mijnt' BIJBELVERKLARING betreklijk Paltjiina in 't<br />

5de H. op 't woord Olijfberg,


Staat van Chriftus verhooging. 183<br />

,: melvaart of plaats verandering van Jezus denken, of<br />

i kunnen wij 't dus verklaaren, dat Jezus menfchlijke<br />

matuur verhemeld is, ik wil er mede zeggen alomtejgenivoordig'is<br />

geworden?<br />

L. Dit laatfte is't gevoelen der Lutheranen, welke<br />

I eene mededeeling van Godlijke eigenfchappen aan<br />

i de menfchlijke natuur van Chriftus Hellen;<br />

zonder grond.<br />

doch<br />

De gcfchiedenis van Jezus hemelvaart<br />

Luc. 24. en flapd. 1. benevens andere plaat-,<br />

zen der<br />

H. S. doen or.s aan eene pia.irsvsrwbfe-,.<br />

, ling denken, Matth. 16: 11. Joh. 14: 2-4. Cap.<br />

1.7: 11. Ikhr. 4: 14. Cd. 3: ':. Door'ttwvullen<br />

van alle dingen waar van'wij lezen, Eph. 0:<br />

: 10. moeten wij geen overaitegenwoordigheid van<br />

\ Chriftus menfchheid verftaan, maar eene vervulling<br />

van Pf. 6bV 19. wegens't uitdeelen van de genade<br />

I gaven zijns Gceftes, waar van de Apoftel in 't 8de<br />

1<br />

vers gefproken had , en dit behoorde mede tot de<br />

j dingen die van Jezus voorzegt waren.<br />

1<br />

509 ) J. Gelief nu van de derde trap van Jezus<br />

verhoging te fpreken.<br />

L. Deze is de zitting aan Gods regiehand vol*<br />

gens de voorzegging, Pf. 110: 1. En dat dit zo gebeurd<br />

is, leert Paulus Eph. 1: 20. God de vader<br />

I' heeft Hem gezet tot zijn regtehand in den Hemel.<br />

Zie ook Mare. 16: 19. enz. Ik behoef u nauwlijks<br />

te zeggen, dat wij de fpreek wijs van Regtehand<br />

•neigenlijk moeten nem^n, dewijl God onlichaam.<br />

lijk


184 Het twaalfde Gefprek, van den<br />

lijk is; df.n, ik denk dat wij ook 't woord zitten in<br />

den géWoonen zin niet moeten nemen, maar dat 't<br />

zoo veei als zijn te kennen geeft, <strong>im</strong>mers Stephanus<br />

zag Hem ftaande ter Regtehand Gods.<br />

7= 56".<br />

Hand.<br />

510.) J. Waar in beftaat dan die zitting van Chris,<br />

tus aan Gods regtehand?<br />

L. Zij beftaat in eene mededeeling van eer en heerlijkheid,<br />

want als men iemand hogelijk wilde vereeren,<br />

was men gewoon dien aan zijn regtehand te<br />

zetten; zie 1 Kon. z: 19 (£).<br />

Doch hoedanig een<br />

mededeeling hier moet verftaan worden, wordt niet<br />

even eens gedagt.<br />

Wij moeten hier niet denken aan<br />

eene gemeene mededeeling van Godlijke gunft en<br />

heerlijkheid, met fommige Socinianen,<br />

ook aan alle Godvrugtigen gemeen.<br />

want die is<br />

Noch ook aan<br />

eene heerlijkheid, grooter dan de Vader bezit, gelijk<br />

zommige Roomfchgezinden,<br />

dewijl er geen hoger<br />

heerlijkheid is.<br />

Ook niet eene heerlijkheid<br />

en magt gelijk met den Vader, gelijk zommige Scho.<br />

lajliken<br />

gewild hebben, dewijl Chriftus aan Gods<br />

regtehand is niet als God, want in die betrekking<br />

geniet Hij altoos dezelve heerlijkheid als de Vader<br />

en<br />

(*) Om-hier alle misvattingen te vermijden, moet inea<br />

hier bij nazien mijne BIJBELVERKLARING betreklijk Pakjlin*<br />

P. aa8.


Staat van Chriftus verhooging. 185<br />

en de H. Geeft, maar Hij is er als middelaar, en in<br />

die betrekking is Hij minder dan de Vader. — Wij<br />

moeten er door verftaan zulk een heerlijkheid en<br />

magt, waar door de Middelaar in majefteit boven 't<br />

ganfche Schepzel, Engelen en Menfchen verre verheven<br />

is. Eph. 1: 20. Hebr. 1: 3-5.<br />

511. ) J. Moet de wederkomft ten oordeel niet<br />

als eene vierde trap van verhooging worden aangemerkt<br />

?<br />

L Dit is niet nodig, want deze zal geen bijzondere<br />

trap van verhoging zijn, waar door. Chriftus<br />

meerder heerlijkheid zal ontvangen , maar zal eene<br />

openbaarmaking van zijne heerlijkheid en magt zijn<br />

voor 't oog der ganfche waereld. Want Jezus bezit<br />

nu 't regt en de magt daar toe, Matth. 20: 18.<br />

Joh. 5; 27.<br />

512. ) J. Hebt ge nog iets aantemerken over Jezus<br />

verhoging?<br />

L. Ik kan er nog bij voegen, dat die verhoging<br />

.noodzaaklijk was,<br />

1.) wegens de voorzeggingen, ftraks bijgebragt.<br />

2.) wegens alle drie de Godlijke perföonen.<br />

0.) Zij ftrekt tot heerlijkheid des Vaders, die<br />

daar door betoonde, dat deze zijn Zoon was, die aan<br />

't Godlijk regt ten vollen had voldaan. Kom. 1: 4.<br />

Cap. 6: 4.<br />

b.~) Zij ftrekt tot luifter van den Zoon, zijn<br />

Ilde DEEL. N Qfl-


i8fS<br />

Het twaalfde Gefprek, over den<br />

ofifchuld bleek er uit, en is een verdiende loon op<br />

zijn' arbeid.<br />

c.) -Zij ftrekt tot uitvoering van 't werk des F.<br />

Geeftes, die na Chriftus verheerlijking eerft in eene<br />

ru<strong>im</strong>e mate zou gefchonken worden.<br />

3.) Eindelijk is die verhoging tot veelvuldig<br />

nut van 's Heeren volk.<br />

5 l o) 7- Dewijl ik niets meer heb aantemerken,<br />

zo verzoeke 't toepasfelijk gebruik van deze behandelde<br />

ftukken te liiogen horen.<br />

L. Leer er de grootheid en heerlijkheid van Vorft<br />

Immanuel in kennen.<br />

Overweeg *t aangerame<br />

dat er in de befchonwing van die waarheden voor een<br />

gelovigen in ligt opgeflooten.<br />

Merk op 't veelvuldig<br />

nut, dat er voor een waar Chriften in de verheerlijking<br />

van Chriftus gelegen is.<br />

514O'Hoe-kunnen wij daar uit de grootheid en<br />

heerlijkheid van den Middelaar ontdekken?<br />

L. Ik htbU te voren gezegt, dat er in alle de<br />

trappen van Chriftus diepe vernedering fti alen van luifter<br />

beipeurd wierden, en zouden dan bij 's Heilands<br />

glorierijke verhoging geen heerlijkheid uitblinken<br />

? Bij zijne opftanding waren de hemelfche throongeeften<br />

zijne dienaars, zij openden de graffpelonk,<br />

op dat de levens Vorft zou uittreden; hun blinkende<br />

heerlilkheid niet ongelijk een bluem,bragt verfchrikking<br />

den wagthoudende foldaten aan, zo wel als<br />

hunne bemoedigende aanfpraak diende om Jezus be«<br />

roef-


Staat van Chriftus Verhooging. 187<br />

droefde vriendinnen te trooften en te onderrigten. —<br />

En zou 't onwaarfchijnlijk zijn, dat, als wij bij de<br />

Euangeliften lezen, dat Jezus zig geduurende zijn<br />

40 daags verblijf op aarde, zomwijleen geheele week<br />

liet voobijgaan, eer Hij in 't gezelfchap der Apoftelen<br />

kwam, dien tusfchen tijd heeft befteed, om den<br />

Vader plegtig te danken voor de volbrenging van 't<br />

grr.ot verlosfings werk? zouden nu niet heilige overdenkingen<br />

zijn ziel vervuld hebben wegens de behaalde<br />

overwinning op den vorft der duifternis en 't vooruitzicht<br />

op de heerlijke uitbreiding van zijn Koningrijk;<br />

Hij kon zig volmaakt verluftigen in de vertegenwoordiging<br />

van dien ftaat der heerlijkheid, die<br />

Hem als koning zijner kerk eerlang te wagten ftond.<br />

Misfchien hebben de heiligen, die bij Jezus verrijzenis<br />

uit 't graf, ter onfterflijkheid waren opgewekt,<br />

Hem vergezelfchapt en Godvrugtige gefprekken gehouden<br />

; misfehien hebben de Engelen des lichts aan<br />

hunnen overwinnenden Heer hulde bewezen (/). Althans<br />

dit is zeker, dat bij 's Heilands hemelvaart zig<br />

die throon gceften lieten vinden. En gelijk de<br />

Discipelen op den olijfberg Jezus naoogden, laten<br />

wij ook zo Jezus naoogen met onze overdenkingen<br />

in<br />

O) Zie ook de meermaal aangehaalde uitmuntende Leer.<br />

redenen van Prof. Q. BO{»NIT. iit Deel p, 118.


l88 Het twaalfde Gefprek, van den<br />

in de heerlijkheid: Hij moeft dan deze aarde verlaten<br />

om overtegaan in den hemel, daar alles blinkt<br />

van glans en luifter. £n welk een blijdfchap moeter<br />

in den hemel geweeft zijn, toen Gods zoon met zijn<br />

aangenome menfchheid in die woonplaats kwam?<br />

Iuichten de Engelen op aarde, hieven zij lofzangen<br />

van vreugden aan bij s' Heilands komfte in 't vieefch,<br />

eer Hij 't groote verlosfings werk had aangebragr?<br />

hoe moeten nu die zalige geeften in die plaats van.<br />

glorie niet gezongen hebben ? Wat moeten die heer-_<br />

lijke geweften niet weergalmd hebben van zijnen lof,<br />

nu Hij den randzoen prijs had opgebragt? Welke,<br />

dankzeggingen zullen de geeften der volmaakte Regtvaerdigen<br />

Hem niet hebben toegebragr, nu hunnen<br />

zielen Bruidegom in die verheven plaats kwam, daar<br />

zij door 't geloof op zijne aantebrengene heilverdienfte<br />

reeds waren aangekomen ?. Wat moeten Enoch en<br />

Elias, en wie nog meer met verheerlijkte licbaamtn<br />

zig in den hemel bevonden, niet in verwondering<br />

opgetogen, Hem als hunnen oudften broeder verwelkomt<br />

hebben? . En wat gebeurde aan den Heiland<br />

zelve tot zijn eer en heerlijkheid? God de Vader<br />

zette Hem aan zijne regtehand: toen gebeurde<br />

"t geen David door den Geelt voorzien had Pf 11 o.<br />

Toen wierd Jezus eindige menfchheid verheven tot<br />

•die eer en majefteit, als <strong>im</strong>mer in eene eindige natuur<br />

vallen kan , verre boven alle Engelen. Nu<br />

wierd de regeering over 't geheel gefchapendom Hem<br />

in


Staat van Chriftus Verbooging. 189<br />

in handen gegeven! nu moeften alle Schepzelen Hem<br />

onderdanig zijn! Zo zien wij Jezus met eer<br />

en heerlijkheid bekroond, die een weinig minder<br />

was geweeft dan de Engelen van wegen 't lijden des<br />

doods. Zo zien wij den Hogenpriefter onzer<br />

belijdenis naar Melchitèdeks ordening zitcen op zijnen<br />

throon, gezalfd met vreugden olie boven zijne<br />

medagenooten! Wat zal hier Gods ftrenge regtvaerdigheid<br />

en gadeloze menfchen liefde geroemd en verheerlijkt<br />

zijn ? Dan laat ik met mijne befpiegeling<br />

van deze zegenpralende kerk in den Hemel,<br />

nederdalen tot de ftrijdende kerk op aarde, en zien't<br />

aangename eanuttige, dat inde verhooging van Chriftus<br />

voor Gods Volk gelegen is.<br />

515.) J. Ik merk dat de overweging dier waarheden<br />

zeer aangenaam is.<br />

L. Kan er aangenamer onderwerp worden uitged>agt,<br />

dan even dit? Wie is luillenjkerperfoon, dan<br />

Jezus? en wie heeft trellijker daden verrigt? Laat<br />

iemand fpreeken van den grooten ALEXANDER in zijne<br />

overwinnigen; of van ÜCTAVIUS die van den Romeinfchen<br />

Raad den bijnaam van AUGUSTUS kreeg;<br />

•of van de oorlogs daden die Ncerlands dappere helden<br />

in vroeger dagen verrigt hebben: wat zijn alle<br />

deze, in vergelijking met de verrigtingen van Chriftus<br />

, die door zijn verhooging over duivel en dood<br />

heeft gezegevierd. Laat een gierigaart fpieken van<br />

zijnlchatten, zij zijn vergankelijk; kat een weiiuftige<br />

N 3<br />

zig


190 Het twaalfde Gefprek, van den<br />

zig verblijden in ijdele vermaken, zij zijn kortftondig;<br />

laat een hoogmoedige roemen op hoge titels en<br />

eerampten, zij eindigen met den dood. Laaten wij<br />

ons verluftigen met te fpreken van de goederen, die<br />

Jezus heeft verworven, die zig uitftrekken ook tot<br />

de andere zijde van den dood. Trouwens de verhooging<br />

van Chriftus is tot een veelvuldig nut voor<br />

de kerk.<br />

516.) J. Laat mij dit hooren.<br />

L. De verhooging van Chriftus geeft zekerheid<br />

aan 't geloof. —— Strekt tot regtvaerdiging .<br />

heiligmaking vertroofting heerlijkmaking.<br />

a. ) Zij geeft zekerheid aan *t geloof. Het geloof<br />

kan zig zeker verlaten op Jezus als den waaren<br />

Mesfias, als den volkomen borg en middelaar, in<br />

wiens lijden en gehoorzaamheid, men volkomen beruften<br />

kan.<br />

b. ) Zij ftrekt tot Regtvaerdiging. Rom. 4: 25.<br />

Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt<br />

om onze regtvaerdigmaking. Jezus had, ja met en<br />

door zijn dood den laatften penning betaald, maar<br />

dewijl 't God behaagde om wijze redenen Hem zekeren<br />

tijd in den dood te houden, zo was er geen bewijs<br />

voor de kerk daar van, ten zij Hij uit den dood<br />

opftond.<br />

c«) Zij ftrekt tot Heiligmaking. Rom. 6: 4, 5.<br />

Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den<br />

dood


Staat van Chriftus Verhooging. 191<br />

dood. op dat gelijkerwijs Chriftus uit den dooden<br />

opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzo ook<br />

•wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden, enz.<br />

Col. 3: 1. Indien gij dan met Chriftus opgewekt<br />

zijt. zo zoekt de dingen aie boven , enz. De verhoogde<br />

Zions koning ftrekt zijn volk tot een voorbeeldige<br />

, bewegende, en werkzaame oorzaak der<br />

heiligmaking. Hij moet hen tot een voorbeeld<br />

zijn : Verliet Jezus 't graf, zo moeten zij ook 't<br />

graf der zonden , die duifternis ontvlieden. Stond<br />

Jezus op in den vroegen morgenftond, och dat de<br />

eerfte gedagten bij ieder ontwaken t' eiken morgen<br />

mogt zijn om meer en meer uit den dood der zonden<br />

op te liaan en Gode te leven: dan zou men kunnen<br />

zeggen met David. Pf. 139: 17, ]8. Hoe koftelijk<br />

6 God zijn mijn uwe gedagten .... worde ik<br />

wakker zo ben ik nog bij U. Jezus is de bewegende<br />

oorzaak tot heiligmaking: daar de ichat is,'<br />

is 't harte; de ziel, zegr ergens de Godvrugtige<br />

WITZIUS is niet zo zeer daar zij leeft, als daar zij<br />

Heft. Is Chriftus nu in den hemel, dan is <strong>im</strong>mers<br />

daar der gelovigen fchat, hun luft, hun liefde, hun<br />

borgerfchap: dit alles moet de ziel vleugelen geven,<br />

waar door zij zig hemelwaard begeeft, m in hemeliche<br />

overdenkingen en gefprekken zig bezig te houden.<br />

De verhoogde Jezus is eene werkzaame<br />

oorzaak. Wanneer eene ziel aandagtig let op Jezus,<br />

N 4<br />

die


192 Het tivaalfde Gefprek, over den<br />

die in den Hemel is, en haar gebeden naar Hem inrigt<br />

om licht en geeftelijk leven, zo zal zij wel dra<br />

gewaar worden, 'dat zij hoe langs zo meer van 't<br />

fchepzel hier op aarde word los gemaakt. Wanneer<br />

zij veel aan Jezus denkt en van Hem fpreekt, die<br />

voor 't aangezicht zijns Vaders haar ten goede is;<br />

zo zal zij hoe langs zo fterker blinken in heiligheid,<br />

2 Cor. 3: 18. En wij allen met ongedekten aan gezichte<br />

de heerlijkheid des Heeren als in een fptegel<br />

aanjchouwende, worden naar dat zelve beeld in gedaante<br />

veranderd, enz.<br />

d.) Trooftrijke waarheid. Laat ik hier een verlegen<br />

en heilbegeerig zondaar bemoedigen : Jezus is<br />

verhoogd tot een vorft en zaligmaker om te geven<br />

bekeering en vergeving der zonde, Hand. 5; 31. Al<br />

waren iemands zonden nog zo groot en veel, al had<br />

hij 't lang tegen den Heere uitgehouden en deszelfs<br />

roepende ftem in den wind geflagen, Jezus is ten hemel<br />

opgevaren en heeft gaven genomen om uit te<br />

deelen onder de menfchen, ja ook om wederhoorige<br />

bij Hem te doen woonen, Pf. 68: 19. Een God<br />

zoekende ziel denkt wel eens, was Jezus nog op<br />

aarde, ik zou tot Hem gaan en mijne nooden te kennen<br />

geven, en derzei ver vervulling affmeeken; maar<br />

nu is Jezus niet op aarde, en zij denkt daarom wel<br />

eens door moedeloosheid mijn weg is voor den Heere<br />

verborgen, Jez. 40: 27. Doch laten wij niet klagen<br />

en


Staat van Cbriflus Verbooging. 193<br />

en bedroeft zijn over zijn lichaamlijk gemis, maar<br />

laten wij daar over treuren, dat wij nog zo aardfchgezind<br />

zijn, dat ons hart niet meer in den hemel is,<br />

dat wij niet eenen meer hemelsgezinden wandel hebben,<br />

dat wij hier op aarde niet beter als vreemdelingen<br />

verkeeren die 't vaderland hier boven zoeken.<br />

Jezus is in den hemel en heeft de belle kundigheid<br />

van onze zaken: laten wij dan geloven,<br />

dat wanneer wij onze fmeekingen tot Hem opzenden<br />

, wanneer wij in ootmoed des harten met<br />

onze fchuld en verdorvenheid komen , en 't oog<br />

veftigen op zijn reinigend offerbloed en zijn<br />

vernieuwenden Geelt, dat Jezus op dat zelve<br />

oogenblik ten goede aan ons denkt , en ten<br />

goede van ons werkzaam is. Bron van vertroofting<br />

voor Gods volk. Hij is die Hoogenpriefter,<br />

die altijd leeft om voor hun te bidden. Hij<br />

is altoos werkzaam voor hun. Door den flaap<br />

word ons een geru<strong>im</strong>en tijd benomen , in welken<br />

wij werkeloos verkeeren aangaande onze belangen;<br />

Hij is die bewaarder van Ifrael die nooit flaapt,<br />

die n<strong>im</strong>mer ilu<strong>im</strong>ert. Zijn gebed word nooit afgeflagen.<br />

Hij zegt tk weet ó Vader, dat gij mij altijd<br />

boord. Joh. 111 42.<br />

e.) Eindelijk 't heerlijk verblijf van Chriftus<br />

in den hemel is een onderpand van der gelovigen<br />

weerlij kmakiug. Rom. 8: 11. 2 T<strong>im</strong>. 2; lx. Col.<br />

N 5 3- 3-


jo4<br />

Het twaalfde Gefprek, van den<br />

5: 3. Uw leven is met Cbriflus verborgen in<br />

Goée. (m).<br />

H E T<br />

(m) Door dat verborgen leven moeten wij hier niet verflaan<br />

de verborgen onderhandelingen, die de ziel met God<br />

heeft<br />

3<br />

of door gelooiswerkzaamheden oefFcnd; maar wij<br />

moeten er door door verftaan *t leven dat zij in Chriftus heb.<br />

ben en in de hemelen voor hun is weggelegd, dit hemeifch<br />

Jeven is nu nog voor de gelovigen verborgen. Dat dit dt<br />

zin Ss, blijkt uit 't vorige en volgende v« dit Hoofdftuk,


Pag. 19$<br />

HET<br />

DERTIENDE<br />

G E S P R E K ,<br />

over de<br />

Roeping, 't Geloof, en de Kerk.<br />

5 l 7-J °X on g e tt n & Dewijl wij nu Chriftus moe-<br />

J<br />

ten befchouwen in zijne weldaden, zo<br />

verzoek te mogen weeten of men die ook onderfcheiden<br />

kan.<br />

Leerraar. Men kan die weldaden<br />

onderfcheiden<br />

1.) in zodanige, waardoor men bondgenooten van<br />

't Genade verbond word. a.) In zodanige, die men<br />

als bc.idgenooten erlangt.<br />

518.) J. Welke zijn de eerfte weldaden, waar<br />

door 's Heeren volk in 't Genade verbond komt?<br />

X. Wij kunnen om duidelijk te zijn, die tot twee<br />

voor-


l$6 Het dertiende Gefprek, van de<br />

voorname brengen, i.) de Roeping, a.j't Zaligmakend<br />

Geloof\ ver zei t van eene ivaare Bekeering. (<br />

5I9-)<br />

(«) De Godgeleerden verlchillen zo in 't getal, als in de<br />

rangfchikking der weldaden. Zommige fpreeken nog van de<br />

Wtdergebcerte, als of 't eene weldaad ware, onderfcheiden<br />

Tan die geenen, welke ik heb opgenoemd; doch ganfeh<br />

verkeerd. De H. S. fpreekt van Wedergeboorte, en 't kan<br />

zeer welzijn, dat dit woord zomwijl zo ru<strong>im</strong> genomen word,<br />

dat men daar door de inwendige roeping, 't geloof gepaard met<br />

bekeering te verftaan hebben ; even als 't woord Roeping ook<br />

in dien ru<strong>im</strong>en zin genomen word. Rom. 8: 30. Evenwel<br />

moet men meer bepaald door de Wedergeboorte verftaan de<br />

eerfte bekeering<br />

t<br />

gelijk wij op zijn plaats zullen aantoonen.<br />

Wat de rangfehikking der weldaden betreft, daar in is men<br />

ook niet eenparig. Er zijn er, die de eerfte bekeering voor<br />

Gehvf ftellen, andere die 't Geloof behandelen, na dat zij<br />

reeds van de Regtvaerdiging gefproken hebben. Behoudens<br />

beter oordeel, denk ik, dat de opgegeven order, waar in<br />

ik die weldaden geplaatft heb, zeer natuurlijk is. De H. Geeft<br />

verlicht 't verfland van den menfeh, waar door hij behoorlijk acht<br />

geeft op de prediking des woords; dit is de ROEPING; nu ftemt<br />

hij de waai heden van 't zalig Evangelie hartelijk toe: dit is 't<br />

OPRIGT GELOOF ; dit vertoont zig ogenbliklijk in 't gedrag van<br />

dien menfeh : zie daar de EERSTE BEKEÏRING. • In zommige<br />

plaatzen der H. S. word de bekeering geplaatft voor<br />

*t geloof, maar dit gefchiedt niet om aanteduiden, dat de<br />

menfeh eerft eene waaragtige bekcerirg in zijn gedrag most<br />

vertoonen, eer hij gelooft; maar 't duidt aan, dat 't waar<br />

zaligmakend geloof altijd moet verzelt gaan Van de bckeeling.<br />

Hand. n; 21. gaat 't geloof voor.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 197<br />

519. ) J. Gelief dan eerft van de Roeping te fpreken.<br />

L. De Roeping moet ik noodzaaklijk befchouwea<br />

als beftaande in twee deelen, zijnde uitwendig dooi<br />

't Woord der prediking, en inwendig, wanneer de<br />

H. Geeft 't gepredikte woord van eene zaligmakende<br />

uitwerking doet zijn op't gemoed van den meniën.<br />

Dit alles word een Roeping genaamd, om dat door<br />

dezelve, de zondaar die verre af is, als met een kragtige<br />

ftemme word opgewekt en overgehaalt om van<br />

ftaat te veranderen.<br />

520. ) J. Wat verftaat gij door de uitwendige<br />

Roeping ?<br />

L. Als God in zijn woord en door zijn' dienaars<br />

zondaars laat opwekken tot 't geloof en bekeering<br />

als den eenigen weg der zaligheid. Dit nu gefchied<br />

zo in 't oude als nieuwe Teftament. In 't O. T.b. v.<br />

&pr. 9: 6. daar de Opperfte wijsheid zegt, verlaat<br />

de flegtigheden en leeft, en treedt op den iveg des ver-<br />

Hands. Jez. 4>- 22. Wendt u naar mij toe, en (F)<br />

wordt behouden, alle gij einden der aarde, want ik<br />

ben God, en niemand meer. Zie ook Jez. 55: 1-3.<br />

en<br />

(fc) 't Woordje en ftaat niet in onze Nederlandfche overzetting,<br />

maar wel in 't Hebiecuwfch. Ik merk dit alleen<br />

daar toe aan, -om dat zommige uitleggers van dit text vers<br />

•Ut niet hebben opgemerkt, en dus met ds verklaring eeijigi<br />

ïin$ verlegen sijn.


198 Het dertiende Gejprek, over de<br />

en andere plaatzen. In 't N. T. Matth. 11: 28-30.<br />

2 Cor. 5: 20. Zo zijn wij dan gezanten van Chriflus<br />

wege, als of God door ons hade: Wij hiddm<br />

van Chriftus wege , laat u met God verzoenen, pn<br />

veele andere plaatzen. . Zodanig eene Roeping<br />

geichiedt er niet door de ftemme der naruur: '1 is<br />

wel waar, dat God zig door de werken der naruur<br />

nier onbetuigt laat aan den menfeh, die daar uit Gods<br />

eeuwige kragt en Godlijkheid kan leeren kennen Rom.<br />

1: ÜO. Zie ook Hand. 14: 16, 17. maar de natuur<br />

ontdekt 't middel der verzoening niet, en daarom<br />

worden de Heidenen genaamd vreemdelingen van de<br />

verbonden der beloften, geen hoope hebbende.<br />

2: 12. Ook gefchiedt de roeping, daar wij<br />

hiervan fpreken, niet door de zedelijke wet, 't zij<br />

wij die voor onbekeerde befchouwen als in zig bevattende<br />

den eifch van 't verbond der werken, 't zij voor<br />

de gelovigen, als behelzende een regel van waare<br />

dankbaarheid. — Maar de Roeping gefchied door<br />

't Euangelium, 2 Tbesf. a: 14, Waar toe Hij U<br />

geroepen heeft door ons Euangelium. De rede waar<br />

om men niet zeggen kan, dat de menfeh door de<br />

Wet geroepen word, is, om dat, zo min de natuur<br />

van Chriftus weet, zo min fpreekt ook de Wet van<br />

Chriftus als 't middel der verloffing. Evenwel is<br />

de Wet dienftbaar aan 't Euangelie, want door de wet<br />

is de kennife der zonde, Rom. 3: 20. Aan niemand<br />

tog, ten zij hij regt van zijn fchuld en ftrafwaerdigheid


Roeping, '/ Geloof, en de Kerk. 199<br />

heid overtuigt zij, zal Chriftus door 't geloof dierbaar<br />

worden. Derhalven moet Wet en Euangeliurn<br />

beide gepredikt worden. Gal. 3.' 34.<br />

521. ) J. Is die uitwendige Roeping wel zo volftrekt<br />

nodig tot zaligheid: God kan den menfch<br />

door zijn H. Geeft <strong>im</strong>mers wel bewerken, dat hij zalig<br />

word.<br />

L. Wij moeten hier niet onderzoeken wat God<br />

zou kunnen doen, maar wat Hij naar zijn wijsheid<br />

wil doen. En dan leeien wij duidelijk, dat de verkondiging<br />

van 't Euangelie volfttekt nodig is. Rom.<br />

lo: 14. Hoe zullen zij in Hem geloven, van welken<br />

zij niet geboord hebben ? En hoe zullen zij hooren,<br />

zonier die [bun] prediken? en vers 17. Zo is<br />

dan 't geloof uit '/ gehoor en 't gehoor uit 't woord<br />

Gods. (c).<br />

522. ) J. Hier valt mij zekere bedenking of zwarigheid<br />

in. Ik heb uit HELLENEROEK geleerd, dat<br />

de uitwendige Roeping niet algemeen is. Hij zegt,<br />

v<br />

Wel onder 't Cbrifleudom, maar met aoor de ge-<br />

he­<br />

ft) Misfchicn zal iemand denken, hoe kan c woord dc«<br />

Euangeliums alleen 't middel-zijn, daar er <strong>im</strong>mers menichüU<br />

2i'n, die door ziekten, aardbeving-u , onweders enz. bekeerd<br />

worden. Ik antwoorde, dit gefchidt niet door* deze<br />

dingen ; maar lij gelegenheid v*an dezelve. De H.<br />

Oeefl doet hun 't woord Gods, dat zij t* voren wifteü,* 'te<br />

kinnen komen, en op 't hars werken.


aoo<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

s, heelezvaereld". Hoe is dit nu over een te brenmet<br />

de Godiijkeregtvaerdigheid, wanneer men fieldt,<br />

dat er zonder de verkondiging des Euangeliums of<br />

de uitwendige Roeping geen menfchen kunnen zalig<br />

worden?<br />

L. Dit ftrijd ganfeh niet tegen Gods. regtvaerdigheid;<br />

Adam door de zonde van God afgevallen zijn.<br />

de, was God niet verphgt aan hem noch aan iemand<br />

zijner nakomelingen Euangelie te verkondigen. Uit<br />

enkele vrije goedheid heeft God aan onze eerfte Ouders<br />

de Genade leer bekend gemaakt, en toen, kan<br />

men zeggen was de Roeping algemeen, tot zo lang<br />

dat Adams kinderen den waaren Godsdienft verlie.<br />

ten. Zij kan ook nog eens gezegt worden, algemeen<br />

geweeft te zijn te weeten in 't huisgezin van Noach.<br />

Uit al 't welke kan beflooten worden, dat indien A-<br />

dams en Noachs nakomelingen getrouwelijk die lecre<br />

der zaligheid hadden bewaard en van kind tot kind<br />

voorgeplant, de uitwendige roeping over de geheele<br />

waeield zou algemeen geweed zijn; maar neen, zij<br />

hebben den dienft van den waaren God fchandelijk<br />

verlaten. God nogthans heeft 't gundrijk behaagt<br />

in eenige huisgezinnen of onder enkele perföonen<br />

die te doen voortplanten, gelijk onder anderen in 't<br />

•huisgezin van 5eth, Noach, Abraham, Izaak, Jacob,<br />

en deszelfs nagedacht, Ifrael genaamd. Evenwel<br />

moeten wij daar bij aanmerken, dat 't voorregt der<br />

uitwendige roeping, 't welk Ifrael boven alle andere<br />

vol-


Roeping* '( Geloof, en de Kerk. 201<br />

volkeren genoot, z:e Pf. 147: 19, 20. niet alleen<br />

moet worden afgeleid uit eene nauwkeurige overlevering<br />

der voorvaderen tot de kinderen, want Abrahams<br />

huisgezin was zeer afgodifch Joz. 24: 2, 3.<br />

De roeping van Abraham was alleen Gods vrijmagtig<br />

welbehagen. Onder de dagen van 't N. T.<br />

is de uitwendige roeping veel algemeen, zij is niet<br />

bepaald b.j één volk of natie, of bij één enkel landfchap';<br />

maar onder allerlij zoort van volkeren in zeer<br />

veele landen is Chriftus als den weg der zaligheid<br />

aangekondigd, owreenkomftig den laft van Chriftus<br />

aan zijn Euangelie dienaars, Mare. 16: 15.<br />

5 2 3-) J- W a t is d °g de rede, dat God in 't eene<br />

land 't Euangelie laat prediken, in een ander land of<br />

in 't geheel niet, of met zeer veel dwalingen verdonkerd?<br />

L. Wanneer wij opGods. onaf hangelijkheid 'toog<br />

véftigen zouden wij antwoorden, 't is zijn vrij welbehagen.zo,:<br />

want er is in 't eene volk van natuur<br />

geen beter gefchiktheid dan in 't ander volk; maar<br />

geven wij acht op Gods wijsheid, dan kunnen wij<br />

zeggen, God laat daar 't Euangelie prediken, waar<br />

Hij zijn uitverkoorenen heeft, welke langs dien weg<br />

moeten worden toegebragt tot zijne gemeenfehap.<br />

524.) Laat God dan alleen de uitverkoornen roepen<br />

en niet allen, die onder de bediening des Euangeliums<br />

leven ?<br />

L. God laat allen en een iegelijk, die onder de<br />

Hde DEEJ-. O be'


2.02 Het dertiende Gefprek, van de<br />

bediening van 't Euangelie leeft , roepen. Dit dient<br />

wel opgemerkt, op dat men vrijmoedigheid hebbe,<br />

om van Chriftus in al zijn dierbaarheid gebruik te<br />

maken (dj. Indien zulks geen plaats had<br />

3<br />

was die<br />

klagte niet nodig, Jez. 53- ï. Wie beeft onze prediking<br />

geloof dl Ook zegt de Zaligmaker, Matth.<br />

2*2: 14. Veele zijn geroepen, maar weinige uitve<br />

Boren. Anders zou Paulus bedreiging niet te pas<br />

komèii, 2 Thesf. 1: 8. Met vlammende vuur wraak<br />

doende, over de geenen die 't Euangelium van onz<br />

lh:r Jezus Chriftus niet gehoorzaam zijn.<br />

J- Dandelt God wel opregt, als Hij menfchen<br />

laat roepen, en nodigen, die Hij zeker weet,<br />

dat nooit zullen zalig worden?<br />

L. God handelt opregt, vermits Hij den weg der<br />

zaligheid wel algemeen laat verkondigen, maar de zaligheid<br />

alleen doet beloven, aan die geloven en zig<br />

bekeeren.<br />

526.) J. De menfeh kan <strong>im</strong>mers uit zigzelven<br />

niet zaligmakend geloven, noch zig hekeeren.<br />

L. Dit is zo, nogthans is hij er roe verpligt, zo<br />

wel als tot de volmaakte onderhouding van Gods ge«<br />

bo-<br />

(d) Men zie dit in 't brede bewezen in 't zeer geachte<br />

werk van den oordeclkundigen en Godvrugtigen BRAKEL Rid.<br />

Godsd. ijle deei. p. 7,1, 71a. gn bij veele andere voorname<br />

Godgeleerden.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. S03<br />

boden. Ee zedelijke wet gebied aan alles, dat God<br />

openbaart geloof te geven. Ook dient men hier wel<br />

op te merken, dat de Predikers des Euangeliums<br />

niet in lalt hebben, om den menfeh daar door in begrip<br />

te brengen, dat bij uit zig zeiven kan geloven,<br />

en zig bekeeren; maar integendeel hem met zijn onmagt<br />

tot God in Chriftus heen te wijzen, die den<br />

magtigen Geeft heefi verworven , die 't geloof en<br />

de bekeering werkt, Eph. 2: 8. Philip. 2: 12, 13.<br />

527.) J. Wij leeren nogthans, dat die uitwendige<br />

roeping ongenoegzaam is, niet waar?<br />

L. Ja, voorzeker is zij ongenoegzaam. En dit<br />

komt daar van daan, om dat des menfchen verftand<br />

verduifterd is, zijn Wil verkeerd, zijn hartstogten<br />

ongeregeld, en zijn wandel zondig- 1.) Zijn verfland<br />

is verduifterd. Niet dat de natuurlijke menfeh<br />

door de uitwendige roeping niet zou verftaan, wat<br />

hem als een weg der zaligheid word voorgefteld: hij<br />

kan zelfs een uitnemende kennis krijgen in 't woord<br />

der waarheid, maar hij befchouwt't niet in 't regte<br />

licht. 2.) Hier uit volgt van zelfs dat zijn wil verkeerd<br />

is, dewijl de laatlte bepaaling des verftands<br />

volgt, zo dat zijne genegenheden zig uitftrekken tot<br />

verkeerde dingen en zondige bedrijven. 3.) De<br />

hartstogten zijn ongeregeld en dienflbaar aan de<br />

dwaaze geneigtheden zijns gemoeds. 4.) De wandel<br />

is zondig, niet ingerigt tot eer van God en tot<br />

bevordering van zijn wezenlijk geluk. Pat nu<br />

O 2<br />

da


204 Het dertiende Gefprek<br />

9<br />

van de<br />

de uitwendige roeping ongenoegzaam 'is , leert de<br />

H. S. i Kor. 3; 7. 't Is te vergeefs dat Paulus<br />

plant, en dpollos nat maakt, 't is God, die den<br />

wasdom geeft.<br />

58» •) 5^ ^ m e r k dat er da« iets meer moet plaats<br />

'hebben,'en dit zal'de inwendige roeping (e) zijn.<br />

'Wat moet ik er door verftaan?<br />

L. Eeirkragrig ' C<br />

n onweerftaanlijk werk van den<br />

H. Geeft, als Hij door of onder 't middel der uitwendige<br />

roeping zódanig invloeit op 't hart van den<br />

zondaar, dat Hij da 1-<br />

harte opent om op de verkondiging'<br />

van't gepredikte woord acht te geven: 't verft'arra<br />

word verlicht, 'hartsiogten en wandel worden<br />

'gchei'igd.<br />

5~9 ; ) 7' Gelief dit laatfte wat uit te breiden.<br />

'L. *i l'erfland word verlicht, niet door ontdekking<br />

van nieuwe waarheden buiten Gods woord,<br />

maar de ziel word levendig ingeleid in waarheden,<br />

w.r.r van Zij'doo'r 1<br />

'de uitwendige roeping had kennis<br />

gekregen: nu zijn die waarheden haar van'r.hoogfte<br />

aanbelang; nu geeft zij daar behoorlijk acht op,<br />

én wel overeenkomftig met 't gewigt dier waarheden.<br />

Zo ging 't bij voorbeeld met LIJDIA, zij was<br />

be-<br />

3 (e) Die inwendige roeping word in de H. S. genaamd ee-<br />

•ie heilige roeping % ,T<strong>im</strong>, v. 9. een hemelfcho roeping Hebr. 3:<br />

i..cnz.


Roeping, 't Geioofi en de.Kerk. 203<br />

benevens veele andere vrouwen onder "t gehoor, van<br />

PAULUS prediking, doch zij was 'c alleen van wie<br />

wij lezen, dat de Heere 't harte heeft geopend, dat<br />

zij acht nam ,. op 't geen van RauLn gefproken<br />

wierd. De ziel word ingelicht in haaren verboren<br />

toeftaud, in Gods regtvaerdigheid, in de noodzaaklijkheid,<br />

gepaftheid en dierbaarheid van Chriftus,<br />

inde betaamlijkheid om voor God te leven. En dewijl<br />

wil, bartstogten en wandel gebeiligt worden,<br />

is't de luft en zuivere begeerte van zulk een, om<br />

niet alleen verzoening van zonden te hebben in Je :<br />

zus bloed, maar ook vernieuwing door zijnen Geeft,<br />

om dus niet naar den vleefch, maar naar den Geeft<br />

te leven.<br />

S)c.) J Ik koorde U zo even die roeping befchrijven<br />

als kragt ig en onweer ft aanlijk , hier uit<br />

fchijnt te volgen, dat God den menfeh dwingt, 't<br />

geen ongere<strong>im</strong>d is.<br />

L. Dat de inwendige roeping kragdadi^'is, en er<br />

niet minder dan een Godlijk alvermogen toe werd<br />

vereifcht, k leert ons Paulus Epb. 1: -0, 20. Zij is<br />

oniveerftaanlijk , want de II. S. fpreekt van een<br />

trekken, Joh. 6; 44. (ƒ') een hvendigmaking, Eph.<br />

2:<br />

(/) Men zie over dezen text de fratije Leerrede van J,<br />

SE LEEUW in deszelfs Iterredenen<br />

ever 'c irtkuf.<br />

0 3


206 Het dertiende Gefprek, van de<br />

iz: t. een fcheppen, Eph. n: 10. Deze trekking<br />

gefchiedt niet tegen zin en wil, neen, zij is alleraangenaamft<br />

en lieflijk, de ziel word gewillig gemaakt.<br />

Het verftand word zo wel verlicht om de beminlijkheid<br />

en de noodzaaklijkheid van Chriftus in 't Euangelie<br />

te zien, als de wil word overgebogen om Hem<br />

te omhelzen. Joh. 6: 44. Daar is gefebrenen in de<br />

propheeten, en zij zullen allen van God geleerd zijn.<br />

Een iegelijk dan, die 't van den vader gehoord en<br />

geleerd heeft, komt tot mij. De genade bewerkt de<br />

ziel zo, dat daar zij moet ook gaarne wil volgen.<br />

531.) J. \ Gevoelen van zommige onzer Partijen,<br />

als daar zijn de Remonftranten enz. fchijnt evenwel zo<br />

onaannemelijk niet, datnamelijk die genade werking<br />

kan worden te keer gegaan, zulks word ook geleerd<br />

Eland. 7: 5c Gij weder (laat altijd den H. Geeft.<br />

L. Partijen zouden moeten bewijzen, dat Stephahus<br />

hier bedoelde den H. Geelt, welke in zijne toehoorders<br />

de verftokte jooden werkte, en niet de H.<br />

G. door welken te voren de propheeten en nu ook<br />

Stephanus fprak, volgens 't 55. vers. Het laatfte<br />

en niet 't eerfte had plaats. Want had de H. Geeft<br />

*t verduifterd verftand van die Jooden verlicht, en<br />

opgeklaard , zij zouden dien godvrugtigen man<br />

niet moordadig gefteenigt bebben. Ik voeg<br />

er nu nog bij, dat de menfeh zomtijds eenige overreding<br />

kan hebben van zijn verloren toeftand van 't<br />

kwaad der zonden, van de noodzaaklijkheid der bekee«


Koeping, V Geloof, en de Kerk. s.07<br />

! keering, van 't beminlijke der deugd. Dit noemt<br />

men kloppingen, ook wel gemeene werkingen van<br />

denH. Geeft: deze kan de menfeh te keer gaan en<br />

verwaarloozen.<br />

Blaar dit alles verfchild zeer veel,<br />

van dat zaligmakend genade werk des H. Geeft, 't<br />

welk de Bijbel noemtlevendigmaking, nieuwe fchepping<br />

enz. 't welk de inwendige roeping<br />

uitmaakt.<br />

532.) J. Heeft U. Eerw. ook nog iets aantemerken<br />

aangaande de inwendige roeping?<br />

L. Ja, 't heilrijk vrugtgevolg is altijd 't zaligmakend<br />

of regtvaerdigend<br />

gel,of.<br />

533-) J- VVat is Geloven in 't gemeen ?<br />

L. Het beftaat in 't algemeen daar in, dat men<br />

zeker getuigenis van een ander omhelft ,<br />

waaragtig houdt.<br />

Zpdanig een getuigenis is of menfchelijk<br />

ot Godlijk.<br />

of voor<br />

Het zaligmakend geloof verkeert<br />

op de regte wijs omtrent 't Godlijk getuigenis.<br />

534~) J- Ik v e r ' a n g z e e r o r t l ^ e n a a r t °^ n a t l u , r<br />

van 't zaligmakend geloof te verftaan.<br />

L. Eer ik daar van fpreek, moet ik vooraf zeggen,<br />

dat veele menfchen belijden 't woord Gods voor<br />

waaragtig te houden, zonder dat hun hart omtrent<br />

dat woord zaligmakend werkzaam is.<br />

De waarheden<br />

in dat woord vervat, worden niet van ieder<br />

een op dezelve wijs en uit : t zelve beginfel befchouwd:<br />

en daarom verkeert 't hart van alle menfchen niet op<br />

eene wijze omtrent 't zelve. Men kan dus onder-<br />

O 4<br />

fcheid


aoS<br />

Het dertiende Gefptek, van de'<br />

fcheid maken tusfchen een fcbijn geloof Qg) en een<br />

opregt waaragtig geloof, ''t vve'lk zaligmakend is.<br />

535.) J. Gelief verder voorttegaan.<br />

L. Het zaligmakend Geloof is een aannemen, omhelzen<br />

of toeitemmmen van 't Godüjk getuigenis,<br />

inzonderheid aangaande Chriftus in 't Euangelie ge*<br />

openbaard. Job. 1: 12. Zo veelen Hem aangeno*<br />

men hebben , dien heeft Hij magt gegeeven kinderen<br />

Gods te worden, [namelijk] die in zijn naam 'geloven.<br />

Cap. 3; 33. Die zijn getuigenis heeft aangenomen,<br />

die heeft verzegelt, dat God waaragtig<br />

is. Deze toefiemming vooronderftelt nooclzaakhjk<br />

kennis, want zonder die, kan ik niets toeltemmen;<br />

en zij fluit vertrouwen in zig, dewijl ik da<br />

toegeftemde waarheid, voor allerzekerft of waaragtig<br />

houde. Het is hierom dat onze Godgeleerden<br />

gewoonlijk van drie ftukkeri fpreeken, die tot 't geloot<br />

vereifcht worden, te weten kennis, toeftemmen,<br />

vertrouwen.<br />

<strong>im</strong><br />

(g) Men is anders ook wel gewoon te fpreken van een<br />

Hijlorijch geloof, Tijd geloof, en een geloof der •wonderwerken.<br />

Geen van ueze 3 zooiten gaat met de zaligheid gepaard.<br />

Wat 't geloof der mirakelen of der wonderwerken<br />

betreft, men zou dit zeer geinaklijk jegenswoordig uit onze<br />

Godgeleerde zaiiaenftelle:i kunnen weglaten, alzo 't thands<br />

niet meer in gebiuik is„


Roeping, l 't Geloof, en de Kerk. 209'<br />

536.) J. De toeflemming merk ik, is dan de voorname<br />

daad van 't zaligmakend geloof?<br />

L. Zo is 't; maar gij moet hier zeer wel opmerken<br />

, dat die toefteraming tweerlij is, eene be.<br />

fchomuende en eene beoefenende toeitemming.<br />

537-) J> Wat is de befcbouwende toeflemming?<br />

L. Ah men den Bijbel in 't gemeen , waar toe<br />

ook 'c Euangelie behoord, voor een Godlijk boek<br />

erkent , niet twijfelt aan deszelfs waarheid, uit<br />

hoofde van hiltorifche gronden van zekerheid (Jo).<br />

Zulk<br />

Qi) Men noemt dit een Iiijlorifch geloof, 't verkeert niet<br />

alleen omtrent de Bijbelfche bifloiien of gefchiedenisfen,<br />

maar 't kan ook verkeeren amtrent andere ftukken, ja zelfs<br />

omtrent 'tganfche woord van God: dit geloof word bedoeld<br />

Hand. 26: 27, 28. Jac. 2: 19. Dit hiftorifch geloof<br />

kan oppervlakkig befehouwd al veel gelijkheid hebben mat't<br />

zaligmakend geloot, wanneer 't in iemand te weeg brengt,<br />

dat zijn levensgedrag inwendig daardoor verbeterd word,<br />

en hij 't woord des Euangeliums met veel blijdfehap hoort<br />

prediken. Men is can gewoon 't zelve een tijd geloofte<br />

noemen , om dat zulk een zig naar ti'ds omftandigheden<br />

fchikt, en zijn geloof geen vrugten 'draagt voor'de eeuwigheid:<br />

van dit geloof fpscekt de Zaligmaker Matth. 13: 2c,<br />

21. Het verfchilt van 't zaligmakend geloof niet alleen in<br />

duurzaamheid, gelijk Pelugiaansgézinden willen om den afval<br />

der heiligen te kunnen ftaande houden. Want 't kan iemand<br />

O 5


filo<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

Zulk een toeftemming is wel noodzaaklijk; maar nog<br />

ongenoegzaam, als 't hart omtrent dat GodlijK getuigenis<br />

niet regt werkzaam is.<br />

538.) J-, Als 't hart dan regt werkzaam is, is zij<br />

dan zaligmakend?<br />

L. Ja, en men noemt '1 dan eene beoefenende toeftemming.<br />

Het geloof verkeert dan omtrent de zaligmakende<br />

waarheden van Gods woord, met dar belang<br />

en die uitwerkzelen, als die waarheden vereisfchen.<br />

639.) J. Om dat 't zaligmakend geloof een ftuk<br />

is van 't hoogfte aanbelang , zo verzoeke dit wat<br />

breeder jan te toonen.<br />

L. De beocffende toeftemming ftrekt zig zo ver<br />

niet uit als de befehouwende, die verkeerd omtrent<br />

't ganfche woord van God; maar de practicale of beoelfende<br />

toeitemming verkeert voornamelijk omtrent<br />

die waarheden, die in een nauw verband ftaan met 't<br />

zalig worden van een arm en ellendig zondaar, op<br />

deze wijze.<br />

a.) God verklaard in zijn woord, dat de menfeh<br />

van natnure eliendig , en wegens de zonde aan 't<br />

Godüjk gericht vervallen is, en zijn eeuwigen toorn<br />

onmand<br />

bijolijven tot zijn dood toe; maar 't verfchilt ook 1.)<br />

in beginfel, 2.) in daden of geloofsoeffeningen, 3.) in uitwerkzelen<br />

of deszelfs viugten.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 211<br />

onderworpen. De hartelijke toeftemming aan deze<br />

wa rheid brengt te weeg, dat hij zijn ellende erkent<br />

zijn zonde met berouw en fchaamte betreurt, en dezelve<br />

haat en vliedt.<br />

b.) God verklaart in zijn woord, dat noch de<br />

zondaar zelve, noch eenig bloot fchepzel voor hem<br />

aan de Godlijke geregtigheid kan voldoen, ter verkrijging<br />

van de zaligheid. De hartelijke toeftemming<br />

aan deze waarheid doet hem aan alle eige kragten<br />

wanhopen, en alles buiten Chriftus in 't ftuk van zaligheid<br />

verlochenen.<br />

c) God verklaart in 't Euangelie, dat Jezus<br />

Chriftus is in de waereld gekomen om zondaars zalig<br />

te maken. De hartelijke toeftemming aau deze<br />

waarheid, verwekt in hem een heilig verlangen om<br />

de zaligheid door dezen van God verordineerden Middelaar<br />

deelagtig te worden.<br />

d.) Merkt hij nu, dat die beminlijke Jezus<br />

met zijn heilverdienfte in 't Euangelie niet alleen anderen,<br />

maar ook hem als een vrij gefchenk word<br />

aangeboden, en dat indien hij gelooft, hij een deelgenoot<br />

van dat groote heil word, zo geeft hij zigzel-<br />

" ve en 't ganfche belang zijner zaligheid aan Chriftus<br />

over, met een hartelijke luft om van nu voordaa»<br />

voor God te leven.<br />

Zie daar de practicale of beo ff enen de toeftemming<br />

des geloofs.<br />

540.) J. Ik begrijp uit al 't gezegde zeer klaar, dat<br />

et


Si2<br />

Het dertiende Gefprek, van dè<br />

er tot 't geloof kennis vereifcht word, en wel zulk<br />

eene kennis, die de menfeh niet ledig maar werkzaam<br />

doet Zijn (jy. Doch wat verftaat gij rog door<br />

't vertrouwen van 'c zaligmakend geloof, 't welk.<br />

Gij zeide dat in de toeftemming vervat was.<br />

Z. Het fpreekt <strong>im</strong>mers van zelve dat er geen waar<br />

geloof zijn kan, zonder vertrouwen. Wat nu een<br />

Chri-<br />

(i) Dat er zekere kennis fot't geloof vereifcht word, zien<br />

wij uir Jolu 17: 2 Thejf. 1: 8. en andere plantzcn. Evenwel<br />

kan men zulk een kennis en werkzame toeftemming<br />

niet toefchrijven aan kinderen, die voor haar redensgebiuik<br />

zalig derven; 't is genoeg dat die den levendigmakende Gcefl<br />

van Chriftus deelagtig zijn, waar door zij vernieuwd en gehciligd<br />

zijn. Wat dc volwasfcncn betrefd, men moet omtrent<br />

de mate van kennis, die zij moeten hebben, niet al te<br />

iu<strong>im</strong> ook niet al te fchaars denken: inzonderheid dient men<br />

ook de omftandigheden des tijds in acht te nemen. Men<br />

ziet dat de Apoftelen cn wel bijzonder Petrus onkundig was<br />

van ] ezus borgtogt, dood en opftandig, Matth. 16: 21, 22.<br />

En wie zal Petrus voor een onbekeerd menfeh houden?<br />

Men moet in dien tijd dus hen voor gelovige houden, die<br />

met afzien van alle eigen geregtigheid hun heil bij Jezus<br />

zogten, hem erkenden voor den zoon van God en den waa.<br />

ren Mesfias, dien God belooft had, en daarom Hem aankleefden,<br />

niet tegenftaande al zijn geringheid en armoede,<br />

die zij misfehien als borgtogtelijk befchouwden, dewijl zij<br />

in 't overige lijden van Jezus geen doorzicht hadden Maar<br />

nu alle deze zaken gebeurd zijn, en ons klaar geopenbaard,<br />

mag een gelovigen er thands niet van onkundig zijn.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 213<br />

Chriften als hij 'c zaligmakend geloof oeffenen zal,<br />

vertrouwen moet, is uit 't vorige gebleken.<br />

Hij<br />

vertrouwt dat God in Chriftus, een God van zaligheid<br />

ja-van volkomen zaligheid is, dat in Jezus voor<br />

hem geregtigheden en flerkte zijn, Jez. 25: 9. Cup.<br />

'4>- 24. Dit vertrouwen is eene wezenlijke daad des<br />

Geloofs die in de allerzwakfte .gelovigen plaats heeft:<br />

Want zo lang hij dit niet vertrouwt, zo verkeert hij<br />

ongelovig, durft den toevlugt niet tor Chriltus nemen.<br />

Aan dit vertrouwen des Geloofs, waar door<br />

men toevlugt neemt tot Chriftus,<br />

zig alleen en geheel<br />

óp Hem verlaar, word de zaligheid vaftgemaakt<br />

I'J'. 2: 12. Welgelukzalig zijn allen die op Hem<br />

vertrouwen (Ji). Pf. 36: 8, 9. Hoe dierbaar is th<br />

we<br />

(k) Het Hebr. woord HD!"! 't welk wij Pf. 2; 12 Pf. 57.<br />

2. Jez. 57: 13. van't gelocfsbetnuwen gebruikt vinden, word<br />

dikwijls door toevlugtnemen overgezet, als Pf.36: 8. Pf.ltii<br />

8, 9. Jez. 30: 2. enz.<br />

Het iuft mij hier bij uit te fehrijven, 't geen de zeergeleerde<br />

en nu zalige Heer A. BUURT befchouwe/uk- Godgel. 5e fuk<br />

p. 102, 103. zegt „ Die met een toevlugtnemend vertrou.<br />

„wen den Heiland zoeken, zoeken Hem alleen en geheü.<br />

„ Hier kan men oordeelen, wat er zij van de opregtheid en<br />

't vurige van hun begeerte naar Hein. Zij zoeken Hem<br />

„ alleen. Dat is de alleropregltc erkentenis, dat tr buiten<br />

,, Han geen verlosfér is »?n ons met God te verzoenen: en, dat<br />

„ alle verbeelding van eigenwijsheid, geregtighelé, en Jierkts-,<br />

„ doodlijk is. Z:j betragten de vermaning, d,ie Jer. 9. 23.


BI4<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

zve goedertierenheid, o God, dies menfchen kinderen<br />

onder ae fchaduzve uzver vleugelen toevlugt nemen.<br />

Zij zoor den dronken van de vettigheid uwes huizes,<br />

en gif' drenktze uit de beeken uzver zvelluften. Zie<br />

ook Jez. 45: £5. in verband met 't vorige vers. Ook<br />

Eph.<br />

„ word gevonden. De gemelde erkentenis fluit in zig een<br />

,, levendig bezet'van ons onvermogen, om buiten de God-<br />

• „ lijke genade Jezus regt te begeeren , of zelfs te begeeren,<br />

„ dat Hij onzen wil daar toe buige, enz. Tot 't zoeken<br />

„ van Jezus alleen behoort 2) 't verzaken van onzen eigen<br />

„ vil, voor zo verre die met dien van Jezus ftrijdt; en van<br />

„ onze eige eer, voordeel en-genoegen, voor zo verre die niet<br />

„ ondcrgcfchikt zijn aan Jezut eet Luc- 14: 33. Matth. 16:<br />

„ 24. ".<br />

„ Die Jezus op deze wijze zoeken, zoeken Hem insgelijks<br />

geheel. Zij erkennen, dat al wat aan Hem is, ganfeh<br />

„ begeerlijk is, Hoogl. 5: 16. Hij is hun dierbaar, zo als<br />

„ Hij den zijnen is geworden wijsheid van God, regtvaerdig*<br />

„ heid heiligmaking en verlosfing, I Cor. 1; 30. Het is waar,<br />

,, dat 't geloof, voor zo ver men daar door geregtvnerdigt word,<br />

„ in 't bijzonder verkeert omtrent de geregtigheid, die de<br />

,, Heiland als Hogepriejier heeft verworven. Rom 3: 25, 26.<br />

Doch fchoon dit waar is, is 't niet te min zeker, dat een<br />

„ gelovige niet alleen Jczns zoekt om door Hem g:regtvaer-<br />

„ digt, maar ook om door Hem geleerd en geheiligt te wor-<br />

„ den, enz. Zij zoekt <strong>im</strong>mers 't goed, dat Jezus haar aan-<br />

„ biedt, geenzins om 't dienftbaar te maken aan eene ver-<br />

„ keerde eigen liefde. Neen zij zoekt Jezus zeiven en 't<br />

aangeboden heil, om in Jezus gemeenfehap Hem ter eer<br />

„ te leven".


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. ai£<br />

Eph. 3: 12. en andere plaatzen. Dit vertrouwen'<br />

moet onderfcheiden worden van de zekerheid, die een<br />

Chriften heeft van zijn eigen zaligheid, of met andere<br />

woorden, 't vertrouwén dal iemand heeft dat hij<br />

reedt vergeving der zonden deelagtig is.<br />

541.) J. Behoort dan dit laatfï gemelde vertrouwen<br />

niet tot 't geloof?<br />

L. Het kan ook geloven genoemd worden, maar<br />

behoord niet tot 't geloof, voor zo ver 't zaligmakend<br />

is of voor God regtvaerdigt, van welk geloof wij»<br />

hier fpreken; rriaar 't behoord tot 't geloof, voor zo<br />

ver 't een Chriften hier ep aarde getrooft doet leven<br />

en in de hope der heerlijkheid doet verkeeren.<br />

54a.) J. Waarom kan men 't zelve niet tot '1 geloof<br />

brengen, voor zo ver't zaligmakend is, en voor'<br />

God regtvaerdigt?<br />

L. Dit zou een tegenftrijdigheid zijn: 't geloof<br />

waar van gij fpreekt, kan niet beftaan in eene verzekering<br />

dat men reeds geregtvaerdigt is, of vergeving<br />

der zonden is deelagtig geworden,- daar men door<br />

die geloof geregtvaerdigt word, of de vergeving der<br />

zonden verkrijgt (7). Het is nogthans de eigenfchap<br />

van<br />

(0 Dit kan men duidelijk merken, als men alles tot twee<br />

f.uitredenen brengt.<br />

1.) De eerfte betreft de werkzaamheid des geloofs," rusi<br />

ïendè


ai6.<br />

Het dertiende Ge/prek, van de<br />

van alle waare geloovigen, dat zij die verzekering<br />

zeer waardeeren, en indien zij die misfen, daar ijverig<br />

naar liaan, waar toe Petrus.hun opwekt 2 Petr.<br />

i: 10. Een Chriften behoeft dus. niet.-in twijfelingen<br />

te leven, gelijk de Roomfchgezinden willen.<br />

Paulus fpreekt er van \% T<strong>im</strong>. i: 12. Wij moeten<br />

er in vervolg melding van maken.onder de goederen<br />

van 't genade verbond.<br />

543->?* geloof een daad of een heblijkheid<br />

ot een deugd . . .<br />

os ic/ ;irK>i3g i' ;o5 rnoobd J' wem ir.:>.<br />

Zi;<br />

tende op dc aanbieding van Chriftus in 't Euangelie, op deze<br />

wijze:<br />

' Jezus nodigt honger e en doftige zielen tot 'zig, met verzekering,<br />

dat er heil en zaligheid bij Hem te vinden is.<br />

Ik kan niet ontkennen, dat ik zulk een hongerig en dorjlig<br />

zondaar ben. • ,<br />

Derhaiven vertrouw ik t<br />

dat er ook voor mij, bij Chnfius alle<br />

h.il te vinden is; waarom ik mij der waards heen zal<br />

wenden, en f t ganfche gewigt mijner zaligheid in zijne<br />

handen ftellen.<br />

2.) De verzekering, die een Chriften heeft van zijn eigen<br />

zaligheid, fteunt op eene regtê bewuftheid, die men heeft<br />

van de egtheid en ©pregtbeid van' zijn geloof, op deze<br />

wijze:<br />

•;<br />

De Bijbel leert mij, dat al,- die in Chriftus waarlük gelooft,<br />

zeker zal zalig worden:<br />

Ik heb in Chriftus waarlijk gelooft.<br />

Derhaiven, ik zal aker zalig worden.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 217<br />

L. Het geloot' is voorzeker een daad<br />

y<br />

dewijl<br />

hij die gelooft , werkzaam is ; maar dewijl niemand<br />

kan geloven, ten zij hij daartoe bij de inwendige roeping<br />

is bekwaam gemaakt, zo is 't ook een bebiijk.<br />

beid; en nademaal de H. Geeft de werkmeefter des<br />

Geloofs is, r Cor. 12: 3, o. 2 Cor. 4; 13. Zo<br />

.moet 't noodwendig voor een deugd gehouden worden<br />

(m). Uit dit gezegde blijkt klaar, dat fchoon<br />

een Godvrugtige altoos in de uitoeffening des geloofs<br />

niet bezig is, nogthans voor een gelovigen moet gehouden<br />

worden, vermits hij de beblijkheid om te geloven,<br />

door eene bovennatuurlijke werking des H.<br />

Geefts bij de inwendige roeping is deelachtig geworden<br />

(#)<br />

-w 544.)<br />

(m) Dat de H. Geeft de werkmeefter des geloofs is, blijkt<br />

genoeg uit de H. S. als 1 Cor. 12: 9. 2 Cor. 4: 13. Veelen<br />

brengen ook bij Gal. 5: 22. Doch 't woord geloof zou men<br />

daar beter kunnen overzetten door trouwe. Die beduidenis<br />

heeft't Gr. woord Rom. 3: 3. Tit. 2: 10, en fchijnt<br />

die hier te moeten hebben, om dat 't midden tusfchen die<br />

deugden is ingepïaotit, die in de 2de tafel der Wet gevorderd<br />

worden. Vergelijk onze Kanttekenaars, en A. BUWBT<br />

feefch. Godgel. 5de ftuk p. 90.<br />

(r.) Men kan dit met voorbeelden ophelderen, b. v. Hi[<br />

die in den Bijbel leeft doet een daad, doch hij kan niet le.<br />

zen,<br />

Ilde DEEL. P


H 8<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

544.) J. Waar uit kan 't waar zaligmakend geloof<br />

van een lchijn geloof gekend worden?<br />

L. Dat 't verzeld gaat en ook agter volgt wordt<br />

van eene waaragtige bekeering.<br />

545-) J- Waar in beftaat die bekeering?<br />

L. Onze Godgeleerden onderfcheiden die bekeering<br />

te regt in eene eerfte en tweede bekeering, diè<br />

men ook een dagelijkjche bekeermg noemt. De eerfte<br />

bekecritig volgt onmiddelijk op de inwendige roeping<br />

, gaat met de eerfte oeffening des geloofs gepaard,<br />

daar de tweede of geduurige bekeering op *t<br />

geloof volgt : ~\'ün deze lantfte zullen wij in onze<br />

volgende bijeenkomft fj>reken als een weldaad des<br />

Genaden verbonds*.<br />

546.)^ J. Gelief dan nu van de eerfte bekeering te<br />

preken.<br />

' L. Zij beftaatifi een' <strong>im</strong>vëïiSigén haat van de zondeken<br />

in een ernftigéii luit tot Waarê deugd en Godzaligheid:<br />

a.) Vooreerft in een inwendigen haat tegen de,<br />

zonae. Eu hier toe behoort 1.) een kennen van de<br />

zonden in derzelver menigte , Godonteerendheid,<br />

zieksverderflijkheid , in derzelver verzwarende omftan-<br />

zen, ten zij hij dit geleerd heeft, en dus is 't lezen hem<br />

een btblijkheid; en indien hij Godswoord uit 't regte bcgir;-<br />

fel tot een goed einde leeft, dan moet dit lezen óf onderzoek<br />

van den Bijbel voor een deugd gehouden werden,


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 219<br />

fta'ndigheden. Jer. 3: 13. Alleenlijk kent uwe ongcrcgtigleden,<br />

dat gij tegen den Heere uwen God<br />

hebt overtreden. Hier volgt noodzaakelijk op 2) een<br />

hartelijke droifheid over de zonden; 3) eene belijdenis<br />

van dezrdven, die opregt en algemeen is, mee<br />

fchaamre en verfbeijing van zigzelven en diepe verootmoediging<br />

voor Gods aangezicht. 4..) Dn worde<br />

agtervolgt van een vlieden van de zonden, benevens<br />

de gelegenheden die daar toe leiden; 5.) een her*<br />

{telling zo veel mogelijk is, van het te voren gepleegde<br />

kwaad, gelijk men in ZACHEUS zag Luc. 19.' 8.<br />

• 54?.) J. Eer gij verder gaat, heb ik nog eene<br />

vraag te doen, zij beftaat daar in, dat Paulus, 2<br />

Cor. 7: 10. lpreekt van eene droefheid die naar<br />

God is, die een onberouwltjke bekeering tot .zaligheid<br />

kverkt, maar, zegt hij, de droefheid der waereld<br />

werkt de dood. Hoe kan men die ^weederlij droefheid<br />

onderkennen ?<br />

L. Een droefheid der waereld fpruit voort uit<br />

waereldfche inzichten, of zij is flegts oppervlakkig<br />

of van korten duur; zij drijft van God af en doet<br />

verkeerde toevlugten nemen: een droefheid die alleen<br />

voorkomt uit vrees voor de verdoemenis, fchoon zij<br />

daar uit ook wel mag voorkomen, maar daar alleen<br />

niet uit, want de Apoitel fpreekt van een droefheid<br />

die naar God is, die ook voortkomt uit liefde tot<br />

God, die zo wel gaat over kleinere als grootere zonden,<br />

die de droefheid over waereldfche dingen intrap<br />

P 2<br />

of


S20<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

of mate te boven gaat; O) die van duur is door dagelijkfche<br />

toenemende overtuiging van Gods heiligen<br />

af keer van 't kvvaade: een droefheid die hem (leeds<br />

tot God heenen drijft, en dus de regte wegen doet<br />

inilaan.<br />

548.) J. Verklaar nu ook het tweede deel der bekeering.<br />

. L. Het<br />

b.) tweede deel beftaat in een ernftigen luit tot<br />

deugden Godzaligheid. En hier toe behoort, j.)<br />

een. kennen van de deugd in derzelver noodzaaklijkheid<br />

en beminlijkheid. Hier uit volgt noodwendig<br />

a.j een luft en liefde tot allerlei] deugd en Godzaligheid.<br />

PJ. 119: i-v. Ik heb uwe geboden Hef,<br />

meer dan goud, ja meer dan 't fijnjle goud. , 3.) Ee-<br />

(») Men zou bij,deze gelegenheid.kunnen vingen, of men<br />

in de droefheid over zijn zonden noodzaaküjk moet tranen<br />

Horten, zal't eene waare droefneid zijn? Ik moet hier<br />

op met onderfcheid antwoorden: het is tog ?eker dat de eene<br />

menfeh een geheel andere humcursgeltcluheid of temperament<br />

heeft dan de amier. Iemand kan van natuur zo gefield<br />

zijn, dat hoe inwendig bedroeft hij is, in wat lijden hij<br />

komt, nooit tranen kan Horten, die aan zijn benauwd hart<br />

lucht geven; daar integendeel een ander menfeh om de<br />

müifte fmartclijke bejegening zal weenen. In den eerHcn<br />

kan eene op: eg te droefheid over de zonden zonder tranen<br />

te Horten pijats hebben maar in den ander niet.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk.<br />

zzï<br />

ne opregte toegekeerdheid van't geheele hart (/O r i a - i r<br />

God als een zalig en tevens heilig verbonds God in<br />

Chriftus;, gepaard met een gebruik maken van de<br />

middelen om Hem behagelijk te dienen. 4) Een<br />

hartelijke blijdlchap in God door Chriftus; waar van<br />

nogthans 't gevoel niet altoos levendig is bij eenen<br />

bekeerden, maar de gronden dier blijdfehap zijn er<br />

evenwel, waar aan een bekeerden deel heeft, Jez.<br />

61: 10. Hand. 16: 34.<br />

549.) J. ik geloof dat Paulus zulk een geloof, gepaard<br />

met een waeragtige bekeering bedoelt, als hij<br />

fpreekt van 't geloof door de liefde werkende, Gal.<br />

5: 10.<br />

L. Zo is 't ook,- 't waar geloof moet een levendig<br />

geloof zijn, vrugtbaar ingoede werken (q), waar<br />

van wij de volgende reis nader zullen fprsken. Itc<br />

zeg<br />

00 Men brengt dikwerf bij deze gelegenheid bij als een<br />

gezegde der Opperfte wijsheid Spr. 23: 26 Mijn zoon gesft<br />

mij uw harte.<br />

Doch wanneer wij de woorden in 'c verband<br />

befchouwen, zo is daar niet de Oppsrftc wijsheid maar S;><br />

lomo zelve de Spreker, bij gelegenheid, dat hij zijn zoon<br />

afmaant van bFasferijen, dronkenfebap en hoererij, met dé«<br />

ze woorden verzoekt, dat hij zig aan zijne wijze lesfen mot<br />

zijn ganfche hart zal onderwerpen.<br />

Schoon 't dan zeker is,<br />

dat men zijn hart geheel aan den Heer moet geven, wordt<br />

nogthans deze waarheid niet geleerd, Spreuk. 23: 26.<br />

(?) Zie onze Heidelh. Katech. Zond. XXXII. vr. 86.<br />

P3


•222 Het dertiende Gefprek, van de<br />

zeg nu nog maar alleenlijk dit, r dat deze eerfte bekeering<br />

in 't zaakelijke 't zelve is met 't geen de H. S.<br />

wedergeboorte noemt, want daar toe behoort niet<br />

alleen 't beginfel des geeftelijken levens, maar inzonderheid<br />

in overeenkomt met de natuurlijke geboorte<br />

is dézelve eene daadelijke vertooning van 't nieuwe<br />

leven. De Zaligmaker fpreekt er van tot NLCODE-<br />

Mus. Job. 3. En Perrus 1 Petr. 1: 23. Die gij<br />

wedergeboren zijt, niet uit vergangelijke,<br />

ver gangelijken zaade,<br />

maar oii'<br />

door 't levend en eeuivig blij'<br />

vend woord van God. Het onvergangUjé zaad, en<br />

't levend en eeuwig blijvend woord van God kunnen<br />

zeer wel onderfcheiden worden, gelijk ook uit de<br />

Woordjes uit en door blijkt. Het onvergangelijk<br />

zaad<br />

is 't beginfel des geettelijken levens, 't weik de II.<br />

Geeft in de ziel gelegt heeft, vergelijk, '1 Job. 3:<br />

9. t Iet bevend en ecuwig blijvend woord van God is<br />

dé'Bijoel, inzonderheid'c H. Euangelie, vergelijk,<br />

Jac. 1: IÜ. Het eerlle is 't beginfel waar uit, en<br />

't tweede 't middel waar door de menfeh wedergebooren<br />

word<br />

Zo begrijpen 't ook de opflellers van<br />

de 37 Artikelen van onze Hervormde kerk,<br />

zie Art.<br />

men<br />

24. Onze Heidelbergfche Katechismus befchrij<br />

ft de waare bekeering door „ eene affterving<br />

„ des ouden, en eene opltanding des nieuwen menfchs"<br />

overeenkoinflig , Eph. 4; 22 - 24. Zie Zondag<br />

xxxni. vr. m.<br />

550.) J. Dragen de gelovigen, en die waaragtig<br />

tot


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 223<br />

tot God zig bekeerd hebben, niet veele voortrefiijke<br />

namen?<br />

L. Zekerlijk ja; doch daar van wil ik thans niet<br />

fpreeken, zegge alleen, dat zij genoemd worden met<br />

den naam van kerk of gemeente van Chriftus.<br />

551.) J. Wat is tog de rede, dat men aan de gemeente<br />

van Chriftus den naam van kerk geeft, zo<br />

noemt men <strong>im</strong>mers't gebouw, waar men in vergadert?<br />

L. Schoon gij geen taalkundige zijt, zal ik dit zo<br />

duidelijk mij mogelijk is zoeken voorteftellen. Men<br />

wil dat 't woord kerk van een Griekfchen oorfprong<br />

is, f>) namelijk van \ woord (>cu«>a)t>j) kuriakë 't<br />

welk een bijvoegend naamwoord is, en aanduidt des<br />

Heeren of dat aan den Heere toebehoord. Onder dit<br />

woord nu moet een of ander zdfsjlandig naamwoord<br />

verftaan worden. Zo lezen wij b. v. van dm dag<br />

des Heeren Openh. 1: ie. (y). Indien wij nu 't<br />

woord huis er onder verilaan , moeten wij denken<br />

aan die vergaderplaats, daar 's Heeren woord verkoudigd<br />

(r) Wij vinden 't in onze gewoone betekenis niet in onze<br />

Nederlanfche overzetting des Rijbels. Wij hebben daar wej<br />

de woorden kerkbewaardfter en kerkrovers Hand. 19: 35, 37.<br />

Doch in een ganfeh anderen zin, gelijk et ook geheel andere<br />

Griekfcbe woorden worden gevonden.<br />

• (r) Kv si*/c>{ $j/tt$*. Zie ook 1 CV: 11: 20,<br />

P 4


224.. Het dertiende Gefprek, van de<br />

digd wordt. Doch zeer bekwaamlijk kunnen wij 't<br />

Griekfche woord («X*A.»J«-I


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 2.2$<br />

daar van de gemeinte van Laodicea word gefproken,<br />

die noch koud, nocfi heet was, die de Zaligmaker<br />

bedrijgt uit zijn' mond te fpouwen.<br />

L. Dit is zo, maar dit gelchiedt niet, om daar<br />

door aan te wijzen, dat onwedergeboornen waare<br />

leden der kerke zijn, neen; maar dit gelchiedt, om<br />

dat veele onbekeerden zig tot de kerk vervoegen,<br />

waar onder zelfs een groot aautal, die eenige uiterlijke<br />

gedaante van leden der kerk vertoonen. Wij<br />

zijn gewoon een hoop tarwe met kaf vermengt een<br />

koorn hoop te noemen, zonder dat wij daarmede willen<br />

te kennen geven, dat wij 't kaf voor waar of zuiver<br />

koorn houden. Wij moeten 't altoos als een onderfcheiden<br />

vraag aanmerken: wie er in de kerk zijn;<br />

en wie er tot de kerk behoor en. óchijngelovigen<br />

behooren zo min tot de kerk, ais 't onkruid tot de<br />

tarw Matth. 13;. 24 -30. {t). Dat nu onze verklaring<br />

van 't woord kerk of gemeente de waare is,<br />

blijkt<br />

(£) Om'tfraaije en cigenaartige, dat cr in des Zaligmakers<br />

gelijkenis is aangaande 't onkruid in de tarwe, te zien, moet<br />

men<br />

lezen mijne BIJHELVERKI ARING betrekkelijk tot Palejiina<br />

p. 78. Om te bcwijzeu dat alle inwendige belijders waare<br />

leden der kerk zijn, brengen Roomfchgezinden nog bij 2 Tm.<br />

1: 20. tn een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren ',aten,<br />

maar ook luuten en aarden vaten enz. MOSHEIM verftaat<br />

door<br />

P 5


t2Ó<br />

Het dertiende Gefprck, van de<br />

blijkt niet alleen uk de veelvuldige plaatzen, daar 't<br />

woord gemeente dus genomen wordt, maar tevens uit<br />

alle die benamingen, die er aan gegeven, en gezegden<br />

. die er van gedaan worden. Lees, om daar<br />

van overtuigt te worden, flegts Eph. 5. 23 enz.,<br />

en gij zult zien , hoe Chriftus 't hoofd der gemeente<br />

de gemeente liefheeft; zig voor haar heeft overgegeven<br />

r haar heiligt; haar eens zonder vlek en r<strong>im</strong>pel<br />

heerlijk zal voorftellen ; hoe zij ten naauwften<br />

met Hem vereenigt is, enz. Vergelijk met dit gezeg­<br />

door dit huis de kerk, niet met opzicht tot deszelfs waare<br />

leden, êie ei toe behoienj, maar met betrekking tot de Lee.<br />

raars, die er in gevonden worden, en die Cbiillus tot dknft<br />

der kerk gebruikt. Gelijk er nu in een aanzienlijk huis veele<br />

vaten zijn van onderfcheidcfl Hof en waardij, nogthans<br />

van den Heer des huis tot zeker gebruik gefchikt. Zo is 't<br />

ook in de kerk, er zijn Leeraars die uitblinken door zuiverheid<br />

van leer en heiligheid des levens, die zijn als gouden<br />

en zilveren vaten ter eete. Lr zijn ook zulke Leeraars die<br />

ketters of dwaalgeefttn zijn, of van een flegt gedrag, deze<br />

zijn als houten en aardene vaten ter oncere. Leze laatfte<br />

heeft ook Chriftus tot nut van zijn kerk, fchoon wij iu alles<br />

't eind oogmerk niet zien. Inditn <strong>im</strong>and zig nogthans van<br />

deze reinigt, dan word hij een vat ter eere, volgers 't 21 vers.<br />

Deze verklaring is zeer aannemelijk, 1) om dat Paulus aan<br />

T<strong>im</strong>otheus als een jong Leeraar lesfen geeft. 2.) Komt 't<br />

zeer in 't verband voor, alzo de Apoftel in 't 17 vers vaa<br />

twee verderfiijke Leeraars had gefproken.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 227<br />

zegde onze Hervormde Geloofsbelijdenis in 't 2 /<br />

Artikel.<br />

554. ) J. Ik verlang om nog iets meer van deze<br />

waare kerk te hooren.<br />

L. Daar toe zal ik de eigenfchappen en kenmerken<br />

der waare kerk opgeven.<br />

555. ) J. Welke zija haare eigenfchappen?<br />

L. Deze worden alle of tot een grooter of kleiner<br />

getal gebragt. Men kan er toebrengen: 1) de<br />

eenheid; 2) heiligheid ; 3) algemeenheid; 4) geduurzaamheid<br />

Qu)<br />

556 ) J. Is er maar écne kerk?<br />

L. Ja, en dit fpreekt van zeiven, om dat alle de<br />

bijzondere leden der kerk te zamen als één lichaam<br />

uitmaken, waar var. Chriftus't hoofd is, Eph. 4.'<br />

4. Een lichanm is 't en één Geeft, gelijk gij ook<br />

geroepen zijt tot écne hoope uwer roeping.<br />

Zie vers<br />

15. En vergelijk 't zeggen van Chriftus, Job. 10:<br />

10. Ecu kuucle, één herder. Doch dewijl alle de<br />

uit-<br />

O) Er zijn Godgeleerden, die er in zekeren zin ook de<br />

onfeilbaarheid toebrengen,<br />

getij* F: TURRETI.V in Camp. Theol.<br />

p. M. 202. Insgelijks de WelKcrw. fa BUURT befch.<br />

Godgel. Sde Jiuk- ?•<br />

2<br />

3&- r> D o o r d e onfeilbaarheid (zegt<br />

„ zijn Eerw.) verftaan wij die eigenfehap derzelvc, waar-<br />

"„ door 't onmogelijk is, dat, of dit ganfche lichaam, of<br />

zelfs eenig lid daar van, zig aan dwalingen fchuldig ma-<br />

„ kc, die niet beftaanbaar zijn met de zaligheid."


Het dertiende Gefprek, van de<br />

uitverkooren gelovigen niet te gelijk in de waereld<br />

komen, noch ook te gelijk fterven, en daar die geenen,<br />

welke fterven reeds naar de ziel in den hemel<br />

zijn, zo komt 't dat die ééne kerk onderfcheiden<br />

wordt in een flrijdende kerk, en in een Triumpheerende<br />

of' zegenpralende kerk. pe gelovigen moeten<br />

hier op aarde zig oeffenen in een ftnjd tegen veele<br />

vijanden, als duivel, godloze menfchen, en vleefchlijke<br />

verdorvenheid, Eph. 67 12, 13» doch die gegelovigen<br />

zullen overwinnen door Chriftus en overgebragt<br />

worden tot de zegenpralende kerk in den hemel,<br />

2 T<strong>im</strong>. 4; 7, 8. Ik heb den goeden ftrijd geflreden.<br />

. . . Voorts is mij weggelegt de kroone der<br />

regtvaerdigheid, enz. Zie ook Openb. 14: 13. Zalig<br />

zijn de dooden, die in den Heere fterven, enz.<br />

Deze flrijdende en zegenpralende kerk zijn geen twee<br />

kerken, maar flegts twee gedeelten van één en dézelve<br />

kerk: dit blijkt ook daar uit, om dat er eens een<br />

tijd geweeft is, dat er wel een flrijdende maar geen<br />

triumphecrende kerk was, te weten, eer de eerfte gelovigen<br />

nog was gellorven; en er zal eens een tijd<br />

komen, dat wel een zegenpralende kerk, maar geen<br />

flrijdende meer zijn zal, namelijk in den jongften<br />

dag. Wat nu dat gedeelte der gelovigen betreft,<br />

dat hier op aarde van de Heere nog uitwoont,<br />

en de ftrijdende kerk genaamt wordt, \ zelve kan in<br />

tweederlij opzigt befchouwd worden, zo met opzicht<br />

tot


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 229<br />

tot haaren <strong>im</strong>oendigen , als met opzicht tot haaren<br />

uitwendigen ftaat.<br />

a. ) Met betrekking tot den inwendigen ftaat<br />

van de leden der kerk, befchouwen wij dezelve als<br />

die inwendig 't geloof des harte, en aanvangelijk de<br />

heiligmaking door Gods Geeft deelagtig zijn. En<br />

in dit opzigt is de kerk onzichtbaar, dewijl niemand<br />

dit van een ander onfeilbaar weeten kan. Cv).<br />

b. ) Met betrekking tot den uitwendigen ftaat,<br />

verftaan wij die zelve waare leden der kerk, voor zo<br />

«ver zij hun geloof en godsvrugt uitwendig verwonen<br />

, en dus hun licht laten fchijnen voor de menfchen.<br />

Dit gefchiedt door 't bijwoonen van den o-<br />

penbaaren Godsdienft, gebruik van 's Heeren heilig<br />

Avondmaal, godvrugtige gebeden, gefprekken, en<br />

andere verrigtingen. En in dit opzicht kan de kerk<br />

zichtbaar genoemd worden (w~).<br />

55/0<br />

(v) Hier uit volgt dat er waare leden der kerk kunnen<br />

zijn, die wij daat niet voor houden. Er zijn menfchen,<br />

die in tijdsoinflandighcden leven, dat zij door kleinmoedigheid,<br />

zwakheid des geloofs , of om andere redenen voor<br />

ie zuivere waarheid niet oponbaar durven uitkomen Zul.<br />

ken waren er in J£!ias tijd, en ook :n de tijden voor en in<br />

de Reformatie.<br />

f» Hier uit volgt, dat er zulke menfchen zijn, die wij<br />

naar ons oordeel voor waare leden der kerke houden, en't<br />

la


230 Het dertiende Gcfprek, van de<br />

557 ) J- Ik heb m e r n0 2 e e n e bedenking, doch<br />

deze zal ik ftraks wel voordellen: -geliet' mij te zeggen<br />

, wat UE. door de heiligheid der kerk verfraai?<br />

L. Hier door verltaa ik, dat alle de leden der kerk<br />

van een waereld die in 't boze is, afgezonderd, en<br />

door Chritius bloed en geeft geheiligt zijn (x). I<br />

Cor. 6; 11. 1 Petr. 2; 9. Maar gij zijt een uitverkoren<br />

geft.acht,' een koninglijk priefter dom, eenheilig<br />

volk, enz.<br />

55 0> -) J' W a t * s ^ algemeenheid voor eene eigenlchap?<br />

L. De benaming algemeen, of gelijk men naar 't<br />

Grieks pleeg te zegg..n Katbo/ijk, kan met opzicht<br />

tot .de kerk om meer dan eene rede aan dezelve ge-<br />

Wm #a&$oTrB m n'3 .z: _ i gein<br />

dc daad niet zijn; om dat wij niet naar 't inwendige,<br />

maar alleen .raar.'t uitwendige kunnen oordeelen. Die is<br />

een Jood, die 't in't verborgen is, en de befnijdenis des harte<br />

in den Geeft enz. Rom. 2: 29. Immers er vervoegen zig zul-<br />

I-en tot de kerk van wien de Apoittl zegt, 1 Joh. 2: 19-<br />

Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet. enz.<br />

(x) Gelijk er. tweederlij roeping is eene uitwendige en inwendige;<br />

tweederlij geloot een befchouwend en beoeffenend; zo ook<br />

tweederlij heiHgheid,ccne uitwendige, waar dooi men uitwendig<br />

,is afgezonderd van Jood en Heiden, en eene inwendige heiligheid<br />

, als men den Geelt der wedergeboorte deelagtig is. Niet<br />

alleen dc uitwendige maar inzonderheid de inwendige heiligheid<br />

moeten dc leden der kerk deelagtig zijn.


geven worden.<br />

Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 231<br />

1) Ten aanzien van de leer, dewijl<br />

de kerk gebrouwd is op die leer, die van 't Paradijs<br />

af, wat't wezen der zaak betreft, door alle tijden<br />

heen, algemeen erkend is.<br />

2) Ten aanzien der tijden<br />

, beftaat de kerk uit de gelovigen van alle tijden.<br />

2) Ten aanzien van volkeren is zij uit alle volkeren<br />

en talen, Openb. 5: 9.<br />

4) Ten aanzien van plaatzen<br />

, zo dat de kerk aan geen bepaalde plaats op<br />

aarde gebonden zij, maar God overal zijn kerk kan<br />

hebben, waar hij wil, en 't evenwel de waare kerk<br />

kan ziju, dewijl de gelovigen van' alle plaatzen<br />

tot dezelve behooren. 1 Cor. ii 2. fjy).<br />

559-) J- De laatlte eigenfchap die gij optelde, was<br />

de geduurzaamheid.<br />

L. Ja, en daar door verftaan wij, dat van 't begin<br />

der kerk, tot aan de voleindiging der eeuwen,<br />

't niet aan waare gelovigen ontbreken zal.<br />

De huishouding<br />

Gods onder de Eerftvaderen en onder Ifrael,<br />

zelfs<br />

((y) Deze twee laatfte bijzonderheden van de algemeenheid<br />

der kerk pasfeu zeker voornamelijk op de dagen des N.<br />

Teftament; evenwel is 't niet altijd voor Chriftus geboorte<br />

waar geweeft, dat God alleen Jacob zijne woorde.n bekend<br />

maakte, en de zetel van den waaren Godsdienft in Paleftina<br />

was: meer dan 25 eeuwen waren cr reeds verlopen, eer<br />

Ifrael een volk des eigendoms van God wierd, en in 'tlar.d<br />

'Kanaaft kwam. Zie mijne BIJBELVERKL.VRir;u betrekkelijk Pa,<br />

l'jlina p. 1. enz.


££2 Het dertiende Gefprek, van de<br />

zelfs in de duifterfte tijden, i Kon. 19. (z) en de<br />

beloften van Chridus met betrekking tot de dagen<br />

des N. T. laten ons daar geenzins aan twijtelen,<br />

Matth. 16: 18. en Cap. 28: 20. Ik ben met Ulie.<br />

den alle de dagen tot de voleinding der waereld.<br />

n<br />

560.) J. Gij zeide daar ftraks, dat de kerk maar<br />

één is, maar hoe kan dat zijn, men fpreekt <strong>im</strong>mers<br />

van eene Roomfche, Luthetjche, Mennifle, Gereformeerde.<br />

Remonflrantfche en dergelijke kerken?<br />

L . Dit heeft alleen zijn opzigt op verfchillende<br />

gezintheden omtrent de leer der zaligheid, onder die<br />

geenen, welke zig Chrifteneu noemen. Die als zoo vee-<br />

,1e verfchillende maatfchappijen of genootfchappen uitmaken.<br />

Hier bij moet men opmerken, dat gelijk de<br />

waare,kerk maar één is, al wat buiten dezelve is,<br />

vahch is. Derhaiven hoe meer de verlchillende gezintheden<br />

van die zuivere leer afwijken in de wezenlijke<br />

ftukken die ter zaligheid nodig zijn ,. hoe minder<br />

Gods kerk onder dezelve gevonden word, om dat<br />

de inwendige roeping de uitwendige vooronderftelt :<br />

-Eene valfche leer nu leidt den zondaar van 't regte<br />

pad af.<br />

561.)<br />

(*) Men behoeft juift niet te denken, dat alle die 7000,<br />

die zig van den Afgodsdienft onthouden hadden, 1 K<strong>im</strong>. 1g.<br />

waare gelovigen waren; maar onder dat groot getal zulle»<br />

er buiten twijfel eenige zijn geweeft.


Roeping, 't Geloof<br />

3<br />

en de Kerk. 233<br />

'


^234<br />

Het dertiende Geffrek, van de<br />

L. Ik heb Ureeds in 't eerfte Gelprek bewezen, dat<br />

de Bijbel Gods woord is, derhaiven moet men volgens<br />

den Bijbel daar de vvaarekerk zoeken.daarmen't woord<br />

predikt, de Sacramenten gebruikt, de kerkelijke tucht<br />

oeffenrenz. Meteen woord, daar men in alles naar den<br />

.Bijbel zig m-r tc£;e;ln>-u(//.-\ Ba fchoon veele gezintheden<br />

dit meer of min zullen voorgeven, moet elk<br />

die tot redensgebruik gekomen is, dit zelve onderzoeken<br />

| gelijk die van Utreen, welke daarom boven die van<br />

Thesfalonicn geprezen worden, Hand. ïy: n.<br />

Onze Gereformeerde kerk kan in dezen éen nauwkeurig<br />

onderzoek uieftaan. Tc meer kunnen wij denken-,<br />

dat onder de Gereformeerden de waare kerk is<br />

te vinden; want derzelver leer ftrekt om God op %<br />

hoogft te verheerlijken, den gevallen menfeh op 't<br />

diepft te vernederen, den heilbegeerigen zondaar op<br />

*t kragtigft te bemoedigen, en eindelijk heeft zij den<br />

fterkften aandrang.tot deugd en Godzaligheid. - ,<br />

Zie daar eenige .kenmerken der waare kerk duidelijk<br />

voorgcfteld (cc).<br />

564.)<br />

W Zie evcngem'elde geloofsbelijdenis, 'M. 29.<br />

(cc) Het is zeer noodzaaklijk dat men onderfcheid make<br />

tusfchen cigenfdnppen en kenmerken. Eigenfchappen kunnen<br />

aan meer zaken eigen zijn, en zijn dus algemeener; kenmerken<br />

doen ons een zaak nader kennen en van andere onderfcheiden.<br />

Ik merk dit aan, om dat de Roomsgezinden de<br />

• oud*


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 235<br />

£64.) J. Ik fprak onlangs met een Roomsgezinden<br />

, welke tragte te bewijzen , dat bun kerk de<br />

waare Chriften kerk was, als rekenende haaien oor.<br />

fprong van Rome, aan wien Paulus een brief gefclire.<br />

ven heefr.<br />

L. Wij ontkennen geenzins dat deRoomfche kerk<br />

oudtijds de waare kerk is geweeft, zo wel als die van<br />

Corintbe , Ephefe , enz. Dü Roomfche kerk verdient<br />

nogthans nier meer den naam van moederkerk,<br />

dan die ik daar optelde. Doch fchoon de Roomfche<br />

kerk oudtijds de waare was, is zij 't altoos niet<br />

geweeft, om dat de jegenswoordige leer der Roomfche<br />

kerk door veele dwalingen verbafterd is.<br />

565.) J. Ja maar hij voegde er bij, dat onze kerk<br />

een voornaame eigenfchap ontbrak, namelijk de oudheid<br />

of geduurzaamheid, vermits zij eerft voor twee<br />

en eene halve eeuw ontftaan is, bij gelegenheid der<br />

prediking en fchriften van zekeren ZWINGUUS , Lu-<br />

THERUS, CALVINUS, enz.<br />

L. Wij zijn in ftaat om aantetoonen, dat onze leer<br />

niet alleen inftemt met die des O. T. maar ook tevens<br />

door alle eeuwen des Chriftendoms geleerd is.<br />

Ik kan zulks niet beter en beknopter doen, dan met<br />

de<br />

oudheid opgeven a'.seen kenmerk, daar zij een eigenfchap is, eiï<br />

bjj or.s onder 't woord geduurzaamheid begrepen is.<br />

Q 3


236 Het dertiende Gejprek, van de<br />

de woorden van den Hooggeleerden WITZIUS (dd).<br />

Hij zegt „ 1) de vier eerfte eeuwen hebben wij voor<br />

ons, en aan onze zijde, en dat JUSTINUS, CLEMENS,<br />

AMBROSIUS, AÜGUSTINUS , .HlERONiJlwtJS , CHRIJI<br />

SOSTHOMUS, enzoveeleOudvadersalserzijn, die in<br />

dien tiid geleefd hebben, wat de hoofdzom ,der zaken<br />

aangaat, met ons gevoeld hebben, is van JUEL,<br />

PERKINS, RAINOLDS, MORNAI, MOULIN,<br />

RIVET'<br />

ALBERTIN, DAILLE, CLAUDE, en andere zo bondig<br />

beweezen, dat 't door geene liftige uitvlugten van<br />

de tegenpartijders kan wederlegd worden. 2) Na dat<br />

'1 Pausdom 't hoofd heeft beginnen optefteeken, en de<br />

kerkallensin verontreinigt is geworden, zo hebben niet<br />

ontbroken , die tegen de inbrekende dwalingen en<br />

met woorden en met fchriften betuigt, en de gezonde<br />

leere kragtig verdedigt hebben; welker rolle en<br />

naamregifter, op dat ik van anderen zwijge, FLACI-<br />

,us ILLIJRICUS, en die van Maagdenburg in hunne<br />

kerkhjke gefchiedenisfen,. en MORNAI in zijn boek<br />

ae verborgenheid der ongeregtigheid, en USSERIUS<br />

Eerftbisfchop van Armag, in zijn boek van 't vervolg<br />

en den/laat der kerk hebben opgemaakt. 3) J N<br />

de<br />

Vallijen van de Alpifche gebergtens is een ganfeh<br />

volk<br />

(dd) Zie WITZIUS over 't Geloof. Oeff. XXIV i<br />

XXX- ' *


Roeping, 't Geloof, en de Kerk.<br />

a.^7<br />

volk (té) overgebleven , dat door de bedriegerijen<br />

van den Antichrift niet befmet ot' vervoerd is, eo '<br />

gebleven de hoop en 't zaad van een beter kerk. 4")<br />

Zij vragen ons ten orregte, waar onze kerk geweeft<br />

zij, die dezelve in de Waldenzen, de arme van Lións',-'<br />

d* Bobeemfcbe broeders, zo w'reédelijk vervolgt hebben,<br />

en zo veele duizenden van martelaren, die aan<br />

God ten hoogden lief waren, door eene grouwzame<br />

wreedheid -vermoord hebben. 5) Op dat ik nu zwijge<br />

van de talrijkfte kerken in 't Ooften, dewelke/<br />

den opgeblazen trots van den Roomfchen Bisfchop<br />

verfoeit, en ook- veele van deszelfs dwalingen wederfproken<br />

hebben.<br />

566.) ?. Is er nog iets meer aan te merken?<br />

Li Wij moeten nog eenige oogenblikken ftil daan<br />

bij den ftaat en de-regeer ing-det kerk.<br />

567O J- ^ V ; K h e e t c Gli.-vari den ftaat der kerke<br />

aantemerken?<br />

L. Dat dezelve hier op aarde altoos onvolmaakt is.<br />

En dit "blijkt daaruit, om dat de leden der kerke<br />

geduurig nog met overblijfzelen der zonden zullen te<br />

wordelen hebben, waarom Paulus zelve moeft betuigen,<br />

Rom. 7: i'ó. Ik weet, dut in mij, dat is in mijn<br />

vleefcb<br />

(ee) Deze zijn AclValdemen, waar van wij op 't laatil<br />

va» dit Gefprek nog iets zeggen zullen.<br />

Q 3


238 Het dertiende Gefprek, van de<br />

vleefcb geen goed woont. Zie ook vers 24.<br />

Hier<br />

bij.komt de onheilen, waaraan de kerk is blootgefteld,<br />

zo van vijanden die de gelovigen vervolgen<br />

of zoeken te benadeelen, 2 T<strong>im</strong>: 3-<br />

I 2. Ook allen<br />

aie Godzalig willen leven in Chriftus, zullen ver.<br />

volgt worden; als ook ketterijen en fchadeiijke dwa-,<br />

lingen, 1 Cor. 11: 19,<br />

uitmunt de<br />

Antichrift.<br />

Onder welke vijanden ook<br />

568.) J. Wie moet ik tog door den Antichrift<br />

verftaan?<br />

L. Het Griekfche woordje anti beduidt tegen, (*)<br />

dus zal 't in 't gemeen te kennen geven zulken, die<br />

onder den naam van Chriftenen zig verzetten tegen,<br />

den perfoon of de leer van Chriftus, en dus, kunnen<br />

wij er niet een eenig perfoon door verftaan, dit<br />

zien wij ook duidelijk, daar de Apoftelzegt, 1 J,,h.<br />

2: 18. Fetlen zijn nu antichriften gezvorden. Zodanigen<br />

waren in Johannes tijd die den vader en den<br />

zome hebenden, 1 Joh. 2: 22. Ook ontkenden zij,<br />

dat Jezus Chriftus in 't vleefcb gekomen tv as, 1<br />

Joh. 4; 3.<br />

a<br />

Joh. vers 7. ( ƒ). In 't bijzonder<br />

(*) Dewijl 't woordje (avn) anti ook betekent pro & vi.<br />

te, zo vertalen zommige Antichrift door een Jiedehouder<br />

van Chrifius, zulk een die de piaatt van Chriftus bekleedt ><br />

of voorgeeft te bekleeden.<br />

(ff) Wie deze ketters geweeft zijn kan met geen zekerheid


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 239<br />

der Runnen, wij ook onder dat woord bevatten de<br />

zodanigen, die naderhand de zuivere leer'van Chridus<br />

en zijne Apodelen door veelvuldige dwalingen ten<br />

eenemaal vercaiterd hebben, zie 2 Thesf. 2: 3 - ia.<br />

Openb'.<br />

huid gezegt worden. MOSKSIM cp andere denken hier aan<br />

dc Gnojliken, wier gevoelens trit de Ooiterfche wijsbegeerte<br />

oorfpronglijk, al vocn: Cnriltus tijd zouden hebben plaats gehad.<br />

C. C. TÏÏTM.ÏN TheoU Prof. te Wilteberg, heeft bier tegen<br />

in eèn breedvoerige verb'andcUirg (te vinden in 'Crnilfbum<br />

Hagar.um T. II. p. 29S SÜjjff) tragten' aantetoonen, dat éiin<br />

'i ML-IIWJ Teilauwnt geen voctitappcn van de dwaJifigen<br />

dtr Giw/likai; tc vinden zijn, maar.,dat ^ij-eerft in,.,-d«;<br />

eeuw ontitaan zijn in Egypte, en dat de oorsprong hunner<br />

dwalingen niet moet afgeleid worden uit eene zo genaamde<br />

Üojlerj'chs Phi.ojuphie, maar Uit drie voorname brönrcn 1)<br />

de GHekfche Philofophie vanTLAToen PIJTHAGOBAS, en 'vVe.<br />

voornamelijk uit de verdicht.-relen der Dichters aangaande<br />

de voorteiing der Goden. 2) Uit de Joodfcht godgeleerd*<br />

beid, inzonderheid de beuzelingen der Cabbalilien. 3) En<br />

eindelijk om ieder zoort van meufetion tc behagen, hebben<br />

zij iets van Je leerltukken der Christenen overgenomen. Ook<br />

denkt de Horjlleefaar TIT'TM-A.\, dat de Philofophie der<br />

örfoftrRcTi 20 órJg'creïmd was, 'dat zij geen wederlegging nodig<br />

had. en'tevens zo fubtiel, dat zij boveii 't bereik van 't<br />

gemecne Volk is geweeft, en mogelijk alleen aan geleerden<br />

bekend. Insgelijks dat .hun getal niet zo groot, noch zij<br />

aan de,zuivere, leer zo veel fchaJc en kwaad gedaau -hebben ^<br />

als men doorgaans wel denkt.<br />

Q 4


ÜAO<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

Openb. 13: 11 —18. Vergelijk Openb. 17. Welkè<br />

vijanden der kerk eens zullen worden te ondergebragt,<br />

2 Thesf. 2:. 8. Openb. 18.<br />

56» J. Heeft de kerk in 't laattf der dagen nog<br />

niet een merkelijken luider te wagten ?<br />

L. Ja de kerk zat nog verder worden uitgebreid<br />

niet alleen onder de Heidenen, maar ook bijzonder<br />

onder de Jooden, Hos. 3; 4, 5. Rom. 11: 25-27.<br />

570.) J. Gelief nu tot de Regeering der kerk<br />

óver tegaan.<br />

L. Ik zal hier in dus te werk gaan , dat ik 1)<br />

fpreeke van !t beduur der kerk in t gemeen. 2) Van<br />

de wettige roeping, die tot 't beflunr der kerk ver*<br />

eifeht word. 3) Van derzelver uitoefening zo der<br />

leere als tucht,<br />

5ri ) J- Wat is er in 't gemeen van aan temerken?<br />

L. Dat er zeker .beduur in. Gods kerk voldrekt nodig<br />

is,.zo tot onderwijs.als ter behoudenis van' goedé<br />

orde: welk beduur onderfcheiden is van de burgerlijke<br />

regeering, als gaande niet over liehaamlijke<br />

zaken, maar over de Geedelijke belangen der menfchen<br />

voor tijd en eeuwigheid. • Ik zal hier nu<br />

niet fpreeken van 't O. T. ik zeg alleen dat Christus<br />

beftuurders in zijn kerk .heeft aangedeld. Men<br />

hoore flegts Paulus taal, Eph. 4: n. En dezelve<br />

beeft gegeven zommige -tot Jpoflelcn, en zommige


Roeping, 't Geloof, en de Ketk. 241<br />

ter Propheeten , en zommige tot Euangeliften-,' en<br />

zommise lot Her dei s'en Leeraars.- (gg)<br />

572.) J. Is "t niet nodig, dewijl ChMvs de over*<br />

fte Herder, 1 Petr,- 5: 4. in den hemel is, dat er hier<br />

op aarde een algemeen opperhoofd der ketk is, aah<br />

wien de ganfche kerk op aarde min • of meer ónderworpen<br />

is, en door hem beftierd wordt?<br />

L. Dit is 't gevoelen der Roomfchgezinden, welke<br />

fielten dat Chriftus Petrus tot een algenieenen<br />

Bislchop heeft gemaakt, waar van de PAUS van Rome<br />

de wettige opvolger is.<br />

573) J' Onlan. s met een Roomsgezinden in gefprek<br />

zijnde , fteldc hij zijn gevoelen niet onwaar,<br />

fchijrilijk voor.<br />

L Laat mij- dit hooren.<br />

57iO J- Hij merkte aan, dat.de huishouding des<br />

N. T. niet minder moet gerekend worden, dan die<br />

des O. T. daar in nu hadmen eenOpperpriefter onder<br />

den naam van Hogepriefter bekend, die aan ganich<br />

Ifrael in gewigtige zauken door L'r<strong>im</strong> en Thumm<strong>im</strong><br />

onfaatbaare antwoorden gaf: in deze opperpriefterlijke<br />

waardigheid is ook een opvolging geweeft. De-<br />

Wijl nu onder de dagen "des'IN. T. ook geduunge<br />

ge-<br />

(gg) Men zi» 't 30 Artikel van onze Qelpofsbclijdeïns o£<br />

dc 37 Artikelen genaamd.<br />

Q5


£42 Hei dertiende Oefprëk, van de<br />

gefchillen en gewigtige vragen ontftaan, zo is "t vol,<br />

ftrekt nodig dat er ook nu een Opperpnefter of algemeene<br />

Bisfchop op aarde is. En uit des Zaligmakers<br />

redeneering toe Petrus Matth. 16: 1%. moeten wij<br />

denken dat PETRUS van Chriftus daar toe is aangefteld<br />

• en van dezen Petrus zijn de ^bisfehoppen<br />

of Pauzen van Romen de opvolgers tot op dezen<br />

dag* (hby<br />

575 ) J* Men kan altoos geen gevolg trekken<br />

van de dagen des O. T. tot die van 't N. T. 't was<br />

zeker nuttig den Hogenpriefter over gewigtige zaken,<br />

te kunnen onfeilbaar raadplegen. Zo was 't ook b. v.<br />

dat God door mondelijke aanfpraak , dromen en<br />

gezandichappen van Engelen zijn wil deed bekend<br />

maken; doch wie zal hier uit 'tbèflüit trekken , dat<br />

dit wegens zijn nuttigheid thans, ook nog plaats heeft,<br />

daar God nu'meeren duidelijker zijn' wil in den Bijbel<br />

heeft bekend gemaakt. — Wij willen.met de Roomfchgezmden<br />

mct twifteh of.Petrus wel ooit te. Rome geweeft<br />

(;V)iis, want dit doet tot de zaak niets.<br />

57Q 2<br />

Qth) Wanneer een Roomsgezinde op deze wijze redeneert<br />

, kan men hem niet wei wederleggen uit da feilbaar*<br />

heid van alle ftervelingen, noch uit derzelver gebreken, noch<br />

dat de kerk eon w,anftaitig tweehoofdig lichaam zou zijn.<br />

Zie BUURT befch. Godgel. 6. d. p. 292.<br />

(ii) Het is een gefchü onder de Geleerden, of Petrus te<br />

Ro.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 243<br />

576.) J. Ik begrijp ook, dat 't niets ter zaak<br />

doet, fchoon men in zommige onzer gefchriften dit<br />

breedvoerig zoekt te wederleggen.<br />

Toen ik dien<br />

evengemelden Roomfchgezinden toevoegde, dat cr<br />

geen volkomen zekerheid was, of Petrus wel eens te<br />

Rome :s geweeft, en dat zelfs K oomsgezinden tegenipr'<br />

ken, e'at itlij er 25 jaar bisfchop zou geweeft<br />

zijn, (kk) gelijk ik u. eens heb hooren zeggen; kreeg<br />

ik tot antwoord, dat eins gefteld zijnde, dat Petrus<br />

nooit te Rome was geweeit, hij nogtaans wel a]ge«<br />

meene Bisfchop kon zijn, om dat hij te gelijk Apoitel<br />

:was, om de kerk van Chriftus uit te breiden, dan<br />

eens hier, dan eens elders moeit zijn; maar na dat<br />

e?nige gemeentens zijn geliicht, hebben Petrus opvolgers<br />

hunnen zetdxt Rome genomen.<br />

L. Eer men 't gevoelen der Roonfche kerk aangaande<br />

Petrus en deszelfs opvolgers kan omhelzen,<br />

moeten alvorens deze 3 zaken bewezen worden: 1)<br />

Dat Petrus door den Zaligmaker tot een algemeenen<br />

. • Bis-<br />

Rome is geweeft. Zom.nige ontkennen zulks. Andere houden<br />

't ftaande, orn dat L/VCTANTIUS en veele uit de ouden<br />

Schrijvers dit'getuigen. Doch fchoon men al belezen heeft,<br />

dat Petrus te Rome geweeft is en daar metPauhrs den m arteldood<br />

ondergaan heeft, is en blijft't onbewijsbaar, dat hij<br />

bisfchop van Rome is geweeft.<br />

(kk) Vid. C E. WEISMAKKI ' Introd, ir, nemorab. Ecch1,<br />

2T. T. Tom. I. $. 35. Sta,


«44 Het dertiende Ge/prek, van ie<br />

Bisshop 'der kerke is aangefteld.<br />

a) Dat Petrus vaa<br />

de overige Apoftelen daar voor erkend is, en zelve<br />

zig als zodanig Heeft gedragen.<br />

dat ampt opvolgers heeft gehad.<br />

Geen van deze Hellingen<br />

heeft grond van waarheid.<br />

3) Dat Petrus in<br />

a.) Petrus is door den Zaligmaker tot geen algemeenen<br />

Bisfchop of zichtbaar opperhoofd der kerke<br />

op aarde aangefteld.<br />

Dit blijkt, om dat er nergens in<br />

"t N. T. daar van de kerklijke ampten gefproken<br />

wordt, van wordtgewag gemaakt; zelfs heeft,Chriftus<br />

alle opperhoofdigheid onder zijn Apoftels verboden,<br />

Matth. 20: 25-27.<br />

brengen voornamelijk tot bewijs bij<br />

De Roomsgezinden<br />

a. ) Matth. 10: 2. daar Petrus uitdrukkelijk de<br />

eer/ie word genoemd.<br />

Doch hier uit volgt niet dat<br />

hij 't opperbewind over de kerk gehad heeft, 't'kan<br />

zeer wel zijn Wegens zijn ouderdom-, of ijver. Dit<br />

woord wórd ook'Mare. 3.- 16, en Luc. 6: J4. niet<br />

'gevonden. -<br />

b. ) Matth. 16: 18. Gij sijt Petrus, en op deze<br />

Petra zal ik mijn gemeinte bouwen, enz. Wij<br />

antwoorden , dat alfchoon wij door Petra PETRUS<br />

verftonden, dan nog niets meer van hem gezegt<br />

wordt dan van de overige Apoftelen, dit blijkt klaar<br />

uit Eph. 2: 20. daar van de gemsinte gezegt word,<br />

dat zij is gebouwd op V fondament der Apoftelen en<br />

Propheeten enz. Men zou ook met CHRIJSOSTHOkus<br />

en veele andere de belijdenis van Petrus dat Jezus


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 245<br />

zus de Chriftus de zoon des levendigen Gods is, zie<br />

vs. 16., kunnen verftaan.<br />

c.) Matth. i6: 19. Zegt Chriftus tot Petrus,<br />

ik zal U geven de fleutelen van 't koningrijk der<br />

Ihemelen; al wat gij zult binden op aarde, zal in<br />

\de hemelen gebonden zijn enz, Qll) Doch vergelijken<br />

wij hier mede Matth. 18: 18. en Joh. ao: 23. zo<br />

zien wij, dat de Zaligmaker 't hoofdzaakelijke dei<br />

zer woorden ook tot alle zijne Apoftelen zegt.<br />

b.) De tweede (telling is , dat Petrus dan van de<br />

1;andere Apoftelen als zodanig moeft erkend zijn, en<br />

ihij zig als zulk een opperbisfchop hebben ge-<br />

: dragen. Doch 't tegendeel van dit alles heeft plaats<br />

; gehad, als men flegts let op 't volgende:<br />

0.) Petrus had dan zeer gemakkelijk na den<br />

. dood van Judas een ander Apoftel kunnen aanftellen,<br />

; dit had voorzeker tot zijn ampt behoord; maar zulks<br />

1 heeft hij niet gedaan, zie Hand. 1: 23-26. En<br />

1<br />

waarom verkoos hij ook niet de 7 Diaconen ? Hand.<br />

i 6: 1-6.<br />

b.) 't;Was dan ook ganfeh niet voegzaam, dat de<br />

Apoltelen, benevens Johannes ook Perrus naar Samariï<br />

zonden. Petrus zou dan de magt en 't regt<br />

van zenden zijn toegekomen , 't geen hij niet ge.<br />

i bruikt, Hand. 8: 14,<br />

c.) Op<br />

(//) Zie over deeze plaats mijne BIJBKI.VEBKI.AH1N» betrekkelijk<br />

tot Pmejlina. p. a«;


246 Het derttenJe Gefprek, van de<br />

c.) Op de vergadering der Apoftelen te Jeruia-r<br />

lern heeft Petrus (daar 't anders zeer zou te pas ge<br />

komen zijn) geen Pauflijk gezag getoond. Men ziet<br />

dat daar t oordeel van Jacobus wordt gevolgd. Hand.<br />

1<br />

S : 1 9-> 20. en 24-29.<br />

d") Petrus ver'ieft zig niet boven anderen, maar<br />

noemt zig een mede ouderling, 1 Petr. 5: 1.<br />

c.) De derde ftelling is, dat Petrus opvolgers<br />

dan ook algemeene Bisfchoppen zouden moeten geweeft<br />

zijn: Want zo zeggen ons de Roomsgezinder,<br />

dat de Paus van Rome door een onafgebroken fuccesfie<br />

de wettige opvolger van Petrus is. Doch 'r blijkt<br />

ten duidelijkfte uit de oudheid en de befte kerkelijke<br />

gefchiedenijfen, dat in dezes eerfte eeuwen des Chriftendoms<br />

de Bisfchop van Rome geen algemeene Bis.<br />

fchop geweeft is.<br />

577•) J' Ik ben zeer wel voldaan, gelief nu verder<br />

van de dienaars der kerk te fpreken.<br />

L. Ik heb u ftraks de dienaars der kerk naar Eph.<br />

4: 11. opgegeven, men onderfcheidt ze in buitengezvoone<br />

en gewoone.<br />

5/8.) '}• Wie waren de buitengewoone?<br />

L. Hier toe brengt men de Apoftelen , Propheeten,<br />

Euangeliften, enz.<br />

a.) De Apoftelen die wij hier bedoelen, waren in<br />

den aanvang twaalf, Matth. \o: 2-5. SIMON PE­<br />

TRUS , zijn broeder ANDREAS , JACOBUS zoon van '<br />

Zebedeus, zijn broeder JOHANNES, PHIUPPUS, BAR-<br />

THO«


Roeping,, 't Geloof, en de Kerk.<br />

&tf<br />

THOLOMEUS, THOMAS, MATTIIEUS de tollenaar, JA­<br />

COBUS zoon van Alpheus, LÉBBEUS biigenamd THAD-<br />

DEUS, SIMON Canamtes, JUDAS 7/èarioth. Bij deze<br />

werd naderhand nog Paulus gevoegd. Hand. 9.<br />

•Gal. 1: 1. Zij hadden eene onmiddelijke Godlijke<br />

roeping tol hun ampt; hun zending was niet bepaald<br />

tot een bijzondere gemeente, maar tot allerlij plaatzen<br />

die zij bereiken konden; zij waren van Chriftus<br />

zelve onmiddelijk onderwezen ; zij deeden niet alleen<br />

wonderwerken, maar voerden ook op eene wonderdadige<br />

wijs ftraffen uit, Hand. 5: 1-13. Cap.<br />

13: 8. 1 T<strong>im</strong>. 1: 10. en andere plaatzen; ook deelden<br />

zij door oplegging der handen den II. Geeft<br />

mede. Hand. 8: 14. Men moet hier nog bij<br />

opmerken, 1) dat na de zelfsmoord van Judas Ifcarioth,<br />

die den Heiland verraden heeft, MATTHI-<br />

AS met 't lot in deszelfs plaats tot Apoftel verkozen<br />

is. 2) Dat voorgemelde Apoftelen moeten onderfcheiden<br />

worden van zommige afgezanten der gemeente,<br />

die ook in de grondrext ^ctirrnxoty Apoftelen<br />

dat is afgezanten genoemd worden, b. v. BARNA-<br />

BAS Hand. 14; ±4. TITUS 2 Cor. 8: 23. EPAPHRO»<br />

DITUS Pbil. 2: 25. en dergelijke.<br />

b.) Propheeten; daar van vindt men ook gewag gemaakt,<br />

Rom. 12: 7. Ï Cor. 12'. 10,28. en andere plaatzen.<br />

Men kan er door verftaan zodanige niet alleen, die<br />

de propherifche fchriften uitleidden tot nut en« rooft<br />

der


£43 Het dertiende Gefprek, van de<br />

der gemeente, Rom.tr.7. i Cor.14.-3. n airookzodanige<br />

perióonen die toekomftige dingen voorzeidden,<br />

hoedanig was AGABUS , Hand. n: 27, 28.<br />

Cap. 21: ic, 11. eti de vier dogters van Phiiippus,<br />

Hand. 21: Q. Het prophereeren der vrouwen door<br />

de buitengewoone gaven des H. Geeftes, zouden<br />

wij liever in dien laatften zin nemen, en dus niet<br />

voor openbaar leeren, vermits dit aan de vrouwen<br />

verbodej wordt, 1 Cor. 14: 34. 1 T<strong>im</strong>. 2: 12.<br />

c.j Euangeliften.<br />

Hier door moet men nier alleen<br />

verftaan MAÏTHEUS, MARCUS , LUCAS, JO-<br />

KANNES, die de vier Euargelien befchreven hebben<br />

(mm), maar ook alle de zodanige, die door<br />

de Apoftelen allerwegen werden uitgezonden om 't<br />

Euangelium te verkondigen, en waren dus aan geen<br />

ééne gemeente vaft verbonden; zulke penoonen waren<br />

ten tijde des Zaligmakers de 70 difcipelen, en<br />

naderhand onder andere PHILIPPTJ SJ<br />

Hand. 21. 8.<br />

Er zijn, die denken, dat ook de 70 difcipelen, Luc.<br />

10: ij na Jezus dood door alle landen 't Euangelium<br />

verkondigt hebben, en dus de bediening van<br />

Euangeliften hebben waargenomen.<br />

Behalven deze buitengewoone dienaars der kerke,<br />

waren nog andere in den eerften aanvang des N.<br />

T. zo lang de buitengewoone gaven vanden H. Geeft<br />

duur-<br />

\mm) Mauheus en Johannes waren ook tevens Apofteis.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 249<br />

duurden; doch deze gaa ik kortheids halve voorbij.<br />

Men zie 1 Cor. 12: 28. enz.<br />

579') J- Gelief nu tot de gewoone Opzienders der<br />

kerk overtegaan.<br />

L. Paulus noemt die, in da ftraks aangehaalde<br />

plaats van Eph. 4.- n. Herders en Leeraars, daar<br />

wij geen tweederlij perföonen, maar flegts eenerlij door<br />

te verftaan hebben, 't wek daar uit blijkt, dat 't<br />

woordje zommige niet tusfchen beide komt, gelijk telkens<br />

in 't vorige van dit vers. Het zijn deze Herders<br />

en Leeraars, welke ook den naam in 't N. T.<br />

hebben van Opzienders en Ouderlingen. Het woord<br />

Opziender isin't ondukfch Bisfchop, afkomftig van 't<br />

Griekfch (irn^Qmg) Episkopos', 't welk met een<br />

weinig verkorting en verandering door Bisfchop is<br />

uitgedrukt. Er zijn er die aan een Bisfchop en Op*<br />

ziender een grooter gezag in de kerk toefchrijven,<br />

dan aan die Herders en Leeraars, welke den naam<br />

van Ouderlingen draagen Andere nogthans beweeren,<br />

dat door beide benamingen een en dezelve<br />

perlöonen in 't N. T. bedoeld worden, dewijl die<br />

benamingen fchijnen verwisfeld te worden, men ver-<br />

ge-<br />

(WJ) Zo doen de Roomsgezinden en ook zommige der<br />

Gereformeerde Engelfche kerk, die men daarom de Episct',<br />

pale kerk noemt.<br />

Ilde DEEL.<br />

R


250 Het dertiende Gefptek, van de<br />

gelijke Hand. 20: 17 met vers 28; en Tit. 1: 5.<br />

met wri 7. Ook is 't zeer aanmerklijk, dat Paulus<br />

Pbilipp. 1: 1. en 1 7ïw. 3: 1-8. wel van Opzienders<br />

en Diakenen, maar niet van Ouderlingen {preekt,<br />

en in de eerftgemelde plaats Philip. \: 1. va«j Oj&-<br />

zienders in 't meervouwdige getal melding maakt,<br />

waar uit 't blijkt dar er te Philippis meer dan één<br />

is geweeft. Om alle welke redenen , wij kofit 't<br />

laatftgemelde gevoelen omhelzen, namelijk dat er in<br />

den tijd der Apoftelen geen wezenlijk onderfcheid<br />

heeft plaats gehad. (00). Wat de naam van Ouderlingen<br />

betreft, deze hebben de Chriftenen van de joden<br />

ontleend. Men heeft er tweederlij perföonen<br />

door te verftaan. 1) Zulke die niet alleen 't opzicht<br />

hebben over de gemeente maar ook tevens openbaar<br />

't Euangelie verkondigen en de Sacramenten bedienen,<br />

en daarom met regt dien dubbelen naam dragen<br />

van Herders en Leeraars. 2) Aan wien alleen de<br />

regeering der kerk of 't opzicht der gemeente benevens<br />

(co) Volgens menfchlijke inftelling is er in de kerk al fpoe.<br />

dig eenig onderfcheid gekomen. Als een hulpmiddel tegen<br />

fcheuring wierd een van dc Ouderlingen onder den naam va*<br />

Opziender of Bisfchop over de andere gefield De fleer Dir-<br />

IING (Mifcell. p. 429) zegt, dat in de eerfte eeuw dc Eisfchoppen<br />

niet boven de Ouderlingen verheven waren, doch<br />

in de 2de eeuw hun gezag reeds niet gering was, 't welk<br />

naderhand nog grooter is geworden.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 251<br />

vens de Leeraars is aanbetrouwd. Dat wij<br />

er 1<br />

is over moeten denken, daar toe krijgen wij aanleiding<br />

uit, 1 T<strong>im</strong>. 5; 17. Dat de Ouderlingen,<br />

die u/el regeer en, dubbele eere waardig geacht worden<br />

, voornamelijk die at bet den in 't woord en de<br />

leere.<br />

Tot de gewoone Dienaars der kerk kan men ook<br />

nog andere brengen, als daar zijn de Diakenen. Men<br />

vindt derzelver ampt en inftelling, Hand. 6: 1-6.<br />

Men wil dat Paulus die bedoelt, Rom. 12: 8. die<br />

uitdeelt in eenvouwdigheid, en 1 Cer. 12: 28. onder<br />

de benaming van behulpzels. (pp). De pligten<br />

van de bedienaars der kerk kan men op zeer veele<br />

plaatzen des N. T. lezen; de voornaamfte vindt<br />

men<br />

(pp) 1 T<strong>im</strong> 3: 11. kan inen zeer gemaklijk de vrouwen<br />

van dc Opzienders en Diakenen verltaan; maar wat moet<br />

men denken van die weduwen, waar van gefproken wordt,<br />

I T<strong>im</strong> 5: 9. Onze geachte Randtekenaars verftaan er door<br />

Diakonefen, welke in de eerfte kerk de gemeente dienden<br />

onder zieke, vreemde en arme lieden, en die daar om vaa<br />

de gemeente, des noodszijnde, wierden onderhouden. De<br />

Heer MOSHEIM in deszelfs verklaaring van dezen bricr is van<br />

andere gedachten, houdt die weduwen hoger dan de Diakcw<br />

nesfen, en meent dat ten opzicht van 't vrouwelijk geflaebt<br />

haar ampt overeenkomft heeft gehad met de Ouderlingen onder<br />

de mannen. Vooral worden zij in de oude OofterfcJas<br />

gemeenten gevonden.<br />

R 3


252 ' Het dertiende Gefprek, van de<br />

men aangehaalt in onze gewoone formulieren van beveiliging.<br />

Maar dat tot de pligten van een Leeraar<br />

zou vereifcht worden de ongehuwde ftaat ontkennen<br />

wij tegen de Roomfchgezinden. En ons gevoelen<br />

blijkt i) uit Hebr. 13: 4. 1 T<strong>im</strong>. 3: 2. 2) Daar<br />

wij voorbeelden vinden, 1 Cor. 9 5. En hebben<br />

•wij niet magt om een tvijfeen zufter zijnde [met ons]<br />

om te leiden, gelijk ook de andere Apoftelen en de broeders<br />

des Heeren en Cephas ? Vergel. Matth. S: 14.<br />

Hand. 21: 8, 9. 3) Paulus houdt 't verbieden van<br />

't huwelijk vooreen duivelfche leer, 1 T<strong>im</strong>. 4: 3.<br />

Wanneer nogthans Paulus zegt dat een Opztender eener<br />

vrouwe man moet zijn , 1 l<strong>im</strong>. 3: 2, zo wil<br />

hij niet leeren, dat een Opziender noodzaaklijk moet<br />

getrouwd zijn, want de Apoftel zelve was ongehuwd,<br />

1 Cor. 7: 7. maar dathij niet veele vrouwen of te gelijk<br />

, of de een na de andere door echtfcheiding moeft<br />

heoben , gelijk in de Oofterfche landen onder joo.<br />

den en Grieken lang heeft in zwang gegaan, 't welk<br />

in een Leeraar niet moeft geduld worden, vergel.<br />

1 T<strong>im</strong>. 5: 9. Zo verklaaren 't onze Randtekenaars.<br />

Qiqj.<br />

(qq) Andere Geleerden verfchillen hier van. Prof. BROU­<br />

WER iu deszelfs leerredenen over die plaats i.d bl. 137. zegt<br />

„ Ik zou als nog met die uitleggeren ftenunen, die willen, dat<br />

,, Pau-


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 2.5$<br />

580 ) J. W


S54<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

Paulus rot de Ouderlingen van Ephefen, Hand. 20:<br />

28. Zo hebt dan acht op u zeiven, en op de geheele<br />

kudde, over welke U de H. Geeft tot Opzienders gefield<br />

heeft enz. Zit ook 1 Cor. 12: 28. Eph. 4:<br />

II. (rr)<br />

581.) J. Dewijl dan thands eene middèlijke roeping<br />

plaats heeften door menfchen verrigt wordt, aaa<br />

wie ftaat dezelve ?<br />

L. Hier op kan men met onderfcheid antwoorden.<br />

Wanneer de kerk uitgebreid en nieuwe gemeenten<br />

gefticht werden, gefchiedde de zending der Opzienders<br />

of Ouderlingen , door de Apoftelen en andere<br />

Leeraars der kerk. Zo moeft TITUS van ftad<br />

tot ftad Ouderlingen ft ellen, Tit. 1: 5. Doch daar<br />

een kerkgemeente reeds gefticht is, behoort 't regt<br />

bij de gemeente. En dit blijkt daar uit, om dat de<br />

kerk niet is om de Opzienders, maar de opzienders<br />

om de kerk. Ook behooren de Leeraars aan de gemeente<br />

toe. 1 Cor, 3: 22. Wij zijn alle uwe. Men<br />

kan hier bij doen, dat niet alleen de Apoftelen maar<br />

ook de Ouderlingen, ja ook de geheele gemeente te<br />

Jerufalem ftem hadden in zommige mannen naar Antiochie<br />

af te vaardigen: hoe veel te meer moet dan<br />

aan<br />

(rr) Men zie hier over't 31 Artikel van onze Geloofsbel$denis.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk.<br />

ag£<br />

aan de gemeente niet ftaan, de beroeping van Leerraars,<br />

dxzJJicnaars<br />

van die gemeente zijn.<br />

582.) J. De geheele gemeente heeft <strong>im</strong>mers in<br />

ons land geen lte:n in de beroeping der Predikan.<br />

ten?<br />

L. Het is ook niet volftrekt nodig, datiederhoofd<br />

voor hoofd daar ineen (tem heeft. Nogthands zijn er<br />

in ons vaderland dorpen, daar alle de mans ledematen<br />

Hemmen; doch op de meefte plaatzen gelchiedt<br />

dezelve door óm kerkenraad, die de gemeente vertegenwoordigen,<br />

Matth. 18: 17. 't zij zulks gefchiedt<br />

na alvorens Handopening verzogt te hebben, uk<br />

eene vrijwillige verkiezing, \ zij volgens vooraf<br />

gaande voor/telling Cf).<br />

Welke beroeping ïtteèfe<br />

over<br />

UJ) Wanneer de kerkenraad beroept naar eigene verkiezing,<br />

dan Bocmt men 't een vrij beroep; doch wanneer zulks<br />

gelchiedt na voorafgaande voorJleUing van een proponent of<br />

predikant door een Heer of Vrouwe dier plaats, zo worit<br />

zulks een Collatie genoemd of 't Jus Patronatns Uicalis,'t geen<br />

zodanige Heeren of Vrouwen hebben.<br />

Dit regt is al lang<br />

uitgtoeffend, al voor de Reformatie; en wordt, wat den<br />

oorfprong betreft, meeft al afgeleid uit 'i bouwen en begiftigen<br />

van kerken, 'tgeen door gemelde Heeren en Vrouwen<br />

of derzelver voorzaaten bekoftigd is. S. VAN<br />

LEEUWEN,<br />

Cens. For. I. II. C. 25 Fol, 166 zegt „ Jus Patronatus<br />

„ non defertur, nU» illis, qui, aut qusrum prasdecesfores,<br />

„ ipfi<br />

R4


f2.56 Het dertiende Gefprek, van de<br />

overal (tt) moet agtervolgd worden door de goedkeuring<br />

der Burgeroverheden. En wanneer zij daar<br />

in't welzijn der gemeinte betragten; de regteu der<br />

kerk handhaven; voor 't onderhoud der Leeraaren<br />

zorgdragen; enz. kunnen zij met regt Voefierheeren<br />

en Zoogvrouwen der kerk genoemd worden, Jez,<br />

42- 23.<br />

Ver-<br />

„ ipfi Ecclefiam fundaverint: & ex piopriis fuis bonïs dita-<br />

„ vermt". Verder kan de taalkundige Lezer zien *t oordeel<br />

derLeidfche Godgeleerden in't jaar 1635 bij den fcjoogl.<br />

B. DE MOOR. Comm. in MARCKII Comp. Tom. VI. p. 293.<br />

00 Ik zeg meelt overal; want hier van moet men uitzon,<br />

deren 't Woud een dorp, een uur gaans van Delft gelegen,<br />

daar men zulk eene vrije beroeping heeft als nergens elders<br />

in onze Nederlanden; te weten door de mans ledematen,<br />

zonder voorafgaande Hdxdópening, noch op 't beroep Politieke<br />

Approbatie nodig te hebben. Men zegt bij overlevering<br />

dat zij dit regt hebben verkregen van een der Graven<br />

van Holland in dcXVeeuw, (vermoedelijk PHILIPS DE SCHOO-<br />

NE) wanneer op zekeren tijd AAM VAN DÏR BURCH ( uit<br />

wien 't aanzienlijk geflaebt van dien naam te Delft afkomftrg<br />

is,) met zijn twaalf zooncn alle te paard wel uitgeruft den<br />

Graaf te gemoed reed, en dezelve Hem ten krijg aanbood.<br />

De Graaf hierop we! vergenoegt, vroeg, wat hij begeerde,<br />

AAM VAN DER BURGH zeide niets te begocren, dan dat de<br />

dorpelingen hun eigen paftoor beroepen mogten, 't welk hem werd<br />

toegedaan. Zie Tegenw. flaat der Nederl 4 D. p. 524. W.<br />

A. BACHIENE Kerkel. Geogr. zdefluk p. 62. En deszelfs bi<br />

Jchr der Nederl. ific D. p. 573.


Roeping, 'i Geloof, en de Kerk. 257<br />

Verder meik ik aan, dat zij aan vvien de zorg en<br />

't opzicht der kerke Gods istoebetrouwd, nauwkeurig<br />

behoren acht te geven zo op de bekwaamheden<br />

als 't gedrag der geenen, welke deze heilige bediening<br />

zouden aanvaarden. Paulus zegt, 1 T<strong>im</strong>. 5:<br />

22. Leg niemand haafleüjk de handenap, noch heb<br />

geen gemeenfchap aan anderer zanden enz. De zeergeleerde<br />

en nu zalige Heer A. BUURT zegt (bcjcb.<br />

Goagel. 6de D. p. 305) „ Grotere wreedheid kan<br />

„ men nauwlijks plegen, dan wanneer men ooi: on-<br />

„ bekwame perföonen, of die van een flegt gedrag,<br />

„ of van llegte gevoelens zijn, tot den prgdikdienft<br />

„ bevordert of helpt bevorderen".<br />

5Ü3.) J. Dewijl UE. nu van de roeping der bedienaaren<br />

des Euangeliums, en aan wien al meer 't<br />

beftier der kerk is aanbetrouwd, gefproken hebt, zo<br />

verzoeke nu van 't 3de ftuk te handelen, namelijk<br />

van de uitoejfening van aan befluur.<br />

L. Dit gefchied deels door de verkondiging des<br />

woords, deels door de kerkelijke tucht. Men is gewoon<br />

dit te noemen de fieutelen van 't koning: ijk<br />

der hemelen, volgens 't zeggen van Chriftus Matth.<br />

18: 19. Ik zal U geven de jlcutels van 't ' koningrijk<br />

der hemelen enz. (uu)l Deze magt komt toe<br />

aan<br />

{uuj Men zie ter opheldering van deze nioeijlijke woorden,<br />

K. 5


258 .Het dertiende Gefprek, van de<br />

aan de Opzienders der kerk; want Chriftus fpreekt<br />

hier tot Petrus en in hem tot alle de Apoftelen, en<br />

Leeraars der kerk, gelijk blijkt uit vergelijking van<br />

Joh. 20: 23. en Matth. 28: 20. Aangaande deze<br />

kerkelijke magt is op te merken, dat zij 1) verfchilt<br />

van die der Burgeroverheden, als zijnde geen heerichappij<br />

voerende maar flegts eene bedienende magt<br />

1 Petr. 5: 3. en niet gaande over 't lichaamlijk ,<br />

maar geeftelijk welzijn der menfchen. 2) Dat deze<br />

magt niet 't allerminfte b -nadeelt aan de magt der<br />

Hoge Overheid, zomin als de magt en regeering<br />

der Ouders over hunne kinderen: zij ftrekt tot bevordering<br />

en welzijn van de Hooge magten van ons<br />

Vaderland (yv).<br />

584.) J. Gelief van de twee fleutelenvan 't koningrijk<br />

der hemelen nog wat afzonderlijk te fpreken.<br />

L.) a.) De eerfte Sleutel is de vèrkondiging van 'e<br />

'Euangelium. Deze is van een Godlijke inftelling,<br />

Mare. 16: 15, 16. Eph. 4; 11, 12. Zie onze<br />

HeiJelbergfcbe Katechismus vrage 84.<br />

b.) De tweede Sleutel is ie kerkelijke tucht, of<br />

Chrijlelijke ban. Deze is van Godlijke inftelling,<br />

Matth.<br />

den , mijne BIJUELVERKLAKING betrekkelijk tot Palejiina p.<br />

207. *<br />

(vv) Zie 't 32 en 36 Artikel van onze 37 Artikelen of Geloüfsbelijdenïs<br />

der Geref. Kerk.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 259<br />

Matth. 18: i5-i3. 2 Cor. 13: 10. Zie van dezelve<br />

de Heidelb. Katechismus vrage 85. — Laat<br />

ik hier nog deze volgende zaken melden.<br />

a.) Dat die kerklijke tucht moet geoeffend worden<br />

, nier omtrent de geenen , die buiten de kerk<br />

Zijn,- maar omtrent de geenen, die binnen zijn en<br />

den Chriftelijken naam belijden, 1 Cor. 5:12. Want<br />

wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen, enz.<br />

bi) Dat zij beide gaan moet over de leer en over<br />

't zedelijk gedrag.<br />

1. ) Over de zuiverheid der leer. Rom. 16: 17.<br />

Tit. 3: 10. Een ketterfch menfeh verwerp na de eerple<br />

en tweede vermaning.<br />

2. ) Over 't zedelijk gedrag of den wandel, 1<br />

Cor. 5: 11 £«13. 2 Tbesft 3: 6. En wij bevelen<br />

u broeders in den naam van onzen Heer Jezus Christus,<br />

dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder die<br />

engereld wandelt, enz.<br />

c.) Dat men in de uitoeffening van dezen Sleutel<br />

met veel omzigtigheid moet te werk gaan. Ook onderfcheid<br />

maken tusfchen een minderen ban, waar door<br />

voor zekeren tijd iemand van 't gebruik des H. A-<br />

vondmaal wordt afgeweerd; en een grooteren ban,<br />

waar door men ten eenmaal van de gemeenfehap der<br />

kerk wordt afgefheden. Men kan hier 't voorlchrift<br />

des Zaligmakers zig tot een regel Hellen, Maitb.<br />

18: 15-17.<br />

. d.j Men kan in alle gevallen niet denken, als of<br />

zo-


S6b<br />

Het dertiende Gejprek, van de<br />

zodanig eene kerklijke uitfluiring, waar door zelfs<br />

wel eens Godvrugtigen, die tot groote verkeerdheden<br />

zijn vervallen, moeten getuchtigd worden, eene<br />

verklaring ware van eene dadelijke uitfluiting van<br />

Chriftus geeftelijk lichaam, want er is geen afval der<br />

heiligen; maar 't moet aangemerkt worden als eeneplegtige<br />

verklaring van 't ftratwaerdige van 't bedreven<br />

kwaad, en 't gevaar, waar in men zig heeft geftort<br />

(ro), Nogthans wanneer de kerklijke tucht wettig<br />

geoeffend wordt, moet zij werden aangemerkt,<br />

als eene verklaring, die in den hemel wordt goedgekeurd.<br />

Zie Matth. i3: f 8.<br />

e.) Eindelijk wanneer zij beterfchap beloven en<br />

bewijzen, moet men hen weder aannemen. Spr. z'd:<br />

5 8 5-) J. Is zulk een kerklijke tucht wel volftrekt<br />

nodig?<br />

L. Zekerlijk is zij nodig, want wij hebben reeds<br />

getoond, dat zij van Godlijke inftelling is, en hier<br />

om zo in 't O. T. als in 't N. T. in gebruik geweeft.<br />

a.) Onder 't O. T. daar wierden de onreinen van<br />

de gemeenfehap der kerk en den tabernakel geweerd<br />

om aftebeelden de geeftelijke onreinheid Lev. 13. —<br />

Ook<br />

H Vid. F. TUBRETINI Comp. Theol. p 229. Ei. Amfi.<br />

I695. En A. BUUKT bejeh. Godgel. 6de D. p. 31$.


Roeping, 't Geloof,'en de Kerk. 261<br />

Ook had er plaats een uitroeijing uit zijn volk Lev.<br />

I 9: 8. — Eene uitwerping uit de Sijnagogen, Job.<br />

9: 22.<br />

b.) Onder 't N. T.<br />

a."j In den Apoftolifchen tijd, daar gefproken<br />

wordt van een overgeven aan den fatan, 1 Cor. 5:<br />

5. 1 T<strong>im</strong>. 1: 20. Waar door zommige verftaan<br />

eene buitengewoone ftraf door een Apoftolifch wonderwerk,<br />

den zulken tot verbetering toegezonden (xx).<br />

In de eerfte Chriften kerk, daar de kerkelijke<br />

tucht 'zeer ftreng geoeffend wierd.<br />

586.) J. Maar zo heeft <strong>im</strong>mers Johannes de Doper<br />

niet gedaan, die adderen gebioedfels tot zijn doop<br />

liet komen, noch Chriftus welke leerde Matth. 13.<br />

dat men 't onkruid met de tarwe moeft laten opwasfen<br />

tot den oogft; ook heeft Hij Judas niet uitgeworpen.<br />

L. Johannes predikte den doop der bekeering, en<br />

doopte niemand, ten zij hij belijdenis deed van zijne<br />

zonden, Matth. 3: 2 en 6. En Chriftus wil ons<br />

door die gelijkenis, als ook door zijn voorbeeld omtrent<br />

Judas leeren, hoe de Leeraars aangaande geveinsden<br />

en fchijnvromen zig te gedragen hebben:<br />

deze, zo lang zij zig met in leer of leven als ergerlijke<br />

(xx) Dus denken ook onder anderen de Heeren MOSHEIM<br />

en BROUWER meermalen aangehaald.


2.62 Het dertiende Gefprek, van de<br />

ke leden openbaren, moeten in de kerk geduld worden.<br />

Het woord door onkruid vertaald heeft zeer<br />

veel gelijkheid aan de tarwe.<br />

587.) J. Dit is wel zo, doch is met dit alles zodanig<br />

eene kerkelijke ftrafoeffening wel nuttig, 't<br />

ftrekt dikwijls meer tot verbittering, dan tot verbetering?<br />

L. Voor verharde zondaars, die luft hebben in 't<br />

kwaad voortegaan tot hun eeuwig verderf, kan dezelve,<br />

gelijk alle Godlijke ftrafgerigten, tot verbittering<br />

ftrekken, maar daarom houdt dezelve niet op<br />

zeer nuttig te zijn: 1) Om de onteerirg van Gods<br />

naam voor te komen, Rom. 2: 24. De naame Gods<br />

wordt om uwen wil gelafterd onder de heidenen. 2.)<br />

Om te verhoeden de befmetting van andere leden,<br />

door 't volgen van hun kwaad voorbeeld, 1 Cor. 5:<br />

6. Weet gij niet, dat een weinig zuurdeeg, 't geheele<br />

deeg zuur maakt. 3.) Om zondaars tot verootmoediging<br />

te brengen, 2 Thesf. 3: 14. Vermengt<br />

u niet met hem, op dat hij befchaamd worde. Zit<br />

ook 1 Cor. 5: 5.<br />

588.) J. Wat is er meer aantemerken?<br />

L. Dewijl ons gefprek reeds lange geduurt heeft,<br />

zal ik nog maar alleen zeggen, dat wat de uitoeffening<br />

van de regeering der kerk betreft, 't zeer nodig<br />

is eenige gefchikte wetten, waar naar de kerk in<br />

goede order beftuurd worde; als ook 't houden van<br />

Kerkenraad, Clasfen 9<br />

Sijnoden, waar in zaken van<br />

min


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 163<br />

min of meer belang, de kerk betreffende, behandeld<br />

1 worden.<br />

589. ) J. Schoon ons Gefprek lang is uitgelopen,<br />

wenfch ik nogthans iets tot nabetragting te hooren.<br />

L. Dank God, dat gij in de waare kerk geboren,<br />

1 gedoopt en opgevoed zijt; maar beruft daar niet in,<br />

I dewijl gij niet wezenlijk kunt gelukkig zijn, ten zij<br />

I gij door 't hartreinigend geloof met Chriftus veree-<br />

I nigd, en daar door een levend lid der kerke geworden<br />

zijt.<br />

590. ) J. Gij hebt in deze onze famenfpraak gefproken<br />

van een fchijngeloof, waar mede men verlooren<br />

gaat, dit onrult mij, of ik niet misfchien maar<br />

i zulk een fchijngeloof heb, 't welk men doorgaans<br />

een lliftarifch of Tij : dgeloof'gewoon is te noemen.<br />

L. Wilt gij U niet bedriegen, zo moet gij U zeiven<br />

nauwkeurig onderzoeken.<br />

591. ) J. Hoe zal ik dit beft doen?<br />

L. Hoewel een bedriegelijk fchijngeloof veel gelijkheid<br />

heeft met 't waar zaligmakende Geloof, is<br />

er nogthans een merkelijk onderfcheid tusfchen beide.<br />

Op dat gij des te beter tot zelfs onderzoek zoud ko-<br />

, men, zo zal ik 't ondeifcheid in eenige voorname<br />

ftukken U voorllellen.<br />

59a.) J. Ik zal naarftig toeluifteren.<br />

L. Het fchijngeloof<br />

a.) heeft veel overeenkomft met 't waar zaiigmai<br />

kend Geloot Hij die 't heeft weet dikwijls meer<br />

van


26*4 Het dertiende Gefprek, van de<br />

van de Godlijke waarheden dan een waargelovige;<br />

hij kan en wil dezelve tegen de vijanden des Chris»<br />

tendoms verdedigen; hij bidt meermalen, ook in 't<br />

eenzaame; hij neemt de uitwendige Godsdienftpligten<br />

zeer gezet waar, en leidt voor 't oog der menfchen<br />

een onergelijk leven. Nogthans kan zulk een<br />

't zaligmakend geloof misfen.<br />

b.) Let op 't onderfcheid, 't verfchilt in beginfel;<br />

in Geloofs werkzaamheden ; in vrugten.<br />

al) In beginfel. Een fchijngelovige, fchoon<br />

hij gemeene bewerkingen des Geefts heeft, ontbreekt<br />

hij die werking des H. Geeftes,die in den Bijbel levendigmaking,<br />

en nieuwe fchepping wordt genaamd.<br />

En dewijl hij die ontbreekt, zo vergeno-gt hij zig<br />

met eene bloote kennis der Heilige waarheden, en<br />

houdt niet van zelfs onderzoek, cf die waarheden<br />

reeds aan zijn ziel geheiligt zijn, en wanneer waare<br />

Gelovigen willen onderzoeken naar zijn gronden en<br />

't bedriegelijke van 't fchijngeloof voordellen , zo<br />

wordt hij inwendig gemelijk, en vliedt 't gezelichap<br />

van de zodanige. Een waar gelovige die den<br />

Geeft der levendigmaking deelachtig is, houdt wel<br />

veel van kennis der Godlijke waarheden, maar vergenoegt<br />

er zig niet mede, hij wil de waarheid ken.<br />

nen, zo als zij in Chriftus Jezus is. om door de<br />

waarheid te worden vrijgemaakt vandedienltbaarheid<br />

der zonden. Hij houdt veel van zelfs onderzoek,<br />

en wil zeer gaarn van andere onderzogt zijn, dewijl<br />

hij


Roeping, '/ Geloof, en de Kerk.<br />

i5g<br />

hij weet, dat zijn harte bedriegelijk is, meer dan<br />

eenig ding, ja doodelijk, wie zal 't kennen?<br />

b. j In Geloofswerkzaamheden. Het fchijnge»<br />

;<br />

loof neemt ook wel den toevlugt tot Jezus en zoekt<br />

j van Hem gebruik te maken, maar niet zo als Hij in<br />

; 't Euangelie wordt voorgefteld als propheet, priefter<br />

!<br />

en koning. Neen, hij gaat tot Hem als priefter om<br />

i de fchuld zijner zonde kwijt te worden om dus niet<br />

; in de hel, maar in den hemel te komen. Doch van<br />

: beide de andere ampten maakt hij geen gebruik. Hij<br />

komt tot Chridus niet als propheet om regt ingeleid<br />

te worden in zijne zonden en verdorven aart; ook<br />

onderwerpt hij zig niet aan Chriftus als koning om<br />

naar deszelfs voorbeeld , en de voorfchriften van<br />

Gods woord te leven. Een waargelovige maakt<br />

in alles van Chriftus gebruik, hij is niet alleen gezet<br />

.op vergeving der zonden in Chriftus bloed, om flegts<br />

van de hel verloft te worden; maar hij is ook voor*<br />

namelijk gefteld op de wegneming der verdorvenheid<br />

om heilig voor God te leven. Ja hij vindt den dienft<br />

van God zo betamelijk, dat 't zijn lult zou zijn God te<br />

dienen, al was er geen beloning aan valt gemaakt, enz.<br />

c. ) In vrugten. Bij een fchijngelovigen heeft<br />

alleenlijk eene uitwendige vertoning van vrugten<br />

plaats. Gaat hij in ergerlijke zonden dagelijks voort,<br />

hij is zeer blij en vergenoegt, als hij die maar voor<br />

de mentenen kan verborgen houden; en meer om zijn<br />

confeientie deswegens geruft te Hellen, dan om van de<br />

Ilde DEEL.<br />

S<br />

zon-


266 Het dertiende Gefprek, van de<br />

zonden verloft te worden, vermenigvuldigt hij 't gebed,<br />

't zij in 't verborgen, 't zij in 't openbaar, om<br />

van de menfchen gehoord te worden, en dikwijls zo<br />

ootmoedig, dat men ligtelijk zou denken, dat hij een<br />

vroom man was. En dewijl hij veel meer gezet is<br />

op de goedkeuring der menfchen, dan op de eer van<br />

God, zo kan hij zig wonderwel naar tijds omftandigheden<br />

fchikken Woont hij op een plaats, daar<br />

de Godsdienft in achting is, hij gaat veel te kerk om<br />

van de menfchen gezien te worden. Komt hij in een<br />

Godvrugtig gezelfchap, hij biedt zig aanftonds aan<br />

om den weg van zijn ontdekking en bekeering te verhalen,<br />

om dus de toejuiching van menfchen te erlangen.<br />

Doch word de Godsdienft op zijn plaats algemeen<br />

veracnt, worden de Lrodvrugtige vervolgt,<br />

dan houdt hij op langer een fchijnheilige te zijn. —<br />

Geheel anders is een waargelovige gefteld. Hij bidt<br />

veel in 't verborgen, niet om zijn confcieniie geruft<br />

te ftelleu, maar om ziin zonden te belijden en te<br />

betreuren, hij bidt om derzelver vergeving in Chriftus<br />

bloed, en om kragt des Geeftes om tegen de zonden<br />

te ftrijden, onder 't gebruikmaken van alle nodige<br />

middelen, die hij als een redelijk fchepfel kan in 't<br />

werk ftellen, om die te laten en te vlieden. Hij bidt<br />

ook in 't openbaar tot nut van zijn huisgezin en anderen.<br />

Het is zijn luft in alles meer de eere Gods té<br />

zoeken, dan dat hij gezet is om menichen te behagen.<br />

En zijne te kortkomingen hier in zijn hem<br />

van


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 2.6f<br />

van hartenleed. Het zon de lult zijner ziele zijn,<br />

dagelijks meer der zonde aftefteiven, en der geregtigheid<br />

te leven. Hij wil om de zaak van Chriltus<br />

ook wel fmaadheid ondergaan, enz.<br />

593- ) T* Gij toont 't ond, rlcheid zeer duidelijk<br />

aan. Maar mij valt eene bedenking in, die wel eenigzins<br />

van een' andereu aart is, nogthans, (dewijl wij<br />

over de verkondiging des woords gehandeld hebben,)<br />

thands niet ongepaft voorkomt. Zij beftaat daar in,<br />

hoe't komt, dat veelen, waar onder ik ook denk,<br />

dat waare vromen zijn, menigmaal uit de kerK komen<br />

, zonder dat zij kunnen zeggen zegen voor hun<br />

gemoed onder de predikatie gehad te hebben, en dus<br />

naar huis gaan , even als zij in de kerk gekomen<br />

zijn?<br />

Z. Ik zou daarin 't gemeen wel op kunnen antwoorden,<br />

dat't de Godlijke vrijmagt is, om door<br />

zijn Geeft den eenen tijd 't woord van nut te doen<br />

Zijn, en op andere tijden niet, zelfs aan zijne kinderen.<br />

Doch ik wil hier liever onderzoeken de oorzaaken,<br />

die aan de zijde van de Hoorders des woords<br />

zijn. Veele menleken zijn er, en daar onder ook<br />

waare Godvrugtige, die niet weten, waar in de zegen<br />

die zij uit de prediking des woords kunnen halen,<br />

gelegen is.<br />

594- ) J- W a a r ftelt m e n d a n doorgaans den zegen<br />

ia?<br />

L. Veel? vromen ftellen genoegzaam alleen daar<br />

8 a den


2.68 Het dertiende Gefprek, van de<br />

den zegen in, wanneer zij den Leeraar horen voordellen<br />

den weg dien God gewoonlijk houdt in 't ontdekken<br />

en bekeeren van zondaaren ; wanneer hij<br />

voordek 't groot geluk der geenen, die deel aan Jezus<br />

hebben; wanneer hij affchetd dc doreloze zaligheid<br />

die 's Heeren volk in den hemel zal genieten.<br />

Waare gelovigen die dit horen, hebben 't eerde ondervonden,<br />

verheugen zig in 't tweede, en zien met<br />

verlangen 't laaide te gemoed.<br />

Zij keereu dus met<br />

een ïnerkelijken zegen , volgens hun zeggen, naar<br />

huis/<br />

595-) .?• w el is-dit dan waarlijk geen zegen voor ­<br />

een duiden?<br />

L. Dit wil ik niet ontkennen, 't is in de daad zegen<br />

, hier door wordt een Chriden zeer bemoedigt.<br />

Maar 't is zeer verkeerd, als men geen ander<br />

nut uit de prediking zoekt.<br />

Een Chriden zo lang.<br />

hij aan deze zijde des doods verkeert, draagt een<br />

jicnaam der zonde om, daar hij tegen te waken en tedrijden<br />

heeft.<br />

Predikt nu bij voorbeeld een Leeraar<br />

*t zondige van burgerlijken of geedelijken hoogmoed,<br />

van haadigetoornigheid, van haatdragenheid, praatzucht,<br />

verkwiding of altegroote zuinigheid, liefdeloosheid<br />

omtrent nooddruftigen enz.<br />

Ziet een<br />

Chriden nu zig aan een of andere van die gebreken<br />

fchuldig, merkt hij 't Godonteerende van zijn gedrag<br />

in dezen, met wat een grooten zegen kan hij<br />

tot zijne wooningen wederkeeren ?<br />

Hij moet 't als<br />

een


Roeping, '/ Geloof, en de Kerk. 26$<br />

een grooter zegen aanmerken dan 't vorige: dat ftrekte<br />

hem wel tot bemoediging en trooft; maar dit<br />

dient ter bevordering van heiligmaking en ter beantwoording<br />

aan 't geene hem God gedaan heeft.<br />

506.) J. Wat is er meerder ter betragting voor<br />

mij optemerken?<br />

L, Gij moet de kerkelijke gefchiedenisfen lezen<br />

inzonderheid des N. T. om dus de wegen Gods,<br />

die Hij met zijne kerk gehouden heeft te leeren kennen,<br />

dit zal (tof verfchaffen tot verwondering en dankbaarheid.<br />

597-) 7- G i i<br />

h e b t d e<br />

^delingen des genadenverbonds<br />

voor Chriftus geboorte te vooren (zie p. 13 )<br />

in verfcheide tijdperken verdeelt, kan men ook de<br />

gefchiedenisfen des N. T. niet op gelijke wijs in eenige<br />

tijdperken verdeelen?<br />

L. Zekerlijk ja, men kan dezelve bekwaamlijk in<br />

vier tijdperken afdeelen, namelijk<br />

Ir) van Chriftus geboorte tot 't Jaar 306. In dezen<br />

tijd hebben wij te letten<br />

a.) Op de uitbreiding des Chriftendoms door de<br />

Apoftelen en andere Leeraars der kerk.<br />

*0<br />

(yy) Den Nedciduitfchen lezer kan ik hier als een zeer<br />

beknopt en fraaij werkje aanprijzen J. H S. FORMEIJ kort<br />

begrip der Kerkelijke Hiflorie, vermeerderd door J. »E LA<br />

FONTAINK.<br />

S 3


ajro Hét dertiende Gefprek, van de<br />

bi) Op veele dwalingen en bijgelovigheden, welke<br />

reeds in den aanvang des IN. T. zelfs ten tijde<br />

der Apoftelen plaats hadden.<br />

c ) Op de wreede vervolgingen die de Chrifte-<br />

«en oi.dtr de Heideniche Keizeis hebben ondergaan,<br />

inzonderheid onder INERO, DOMITIAAN en Diocus-<br />

TIAAN. (zz)<br />

2.) Van 't jaar 306 tot 't einde der zesde eeuw.<br />

Met 't begin van dit Tijdperk werd<br />

KONSTANTIJN<br />

de Groot Keizer, welke er openlijk voor uitkwam,<br />

dat hij de Leer der Chriftenen wavS toegedaan, en<br />

daarom in plaats van heideniche tempelen , veele<br />

Chrilten kerken deed bouwen. Intusichen werden<br />

de plegtigheden in den Godsdienft niet weinig vermeerderd.<br />

De rutt der kerk hielt niet lang<br />

ftand. Keizer JULIAAN bijgenaamd de Afvallige zogt<br />

't heidendom weer intevoeren, en heeft de kerk veel<br />

kwaads gedaan, gelijk ook de ketterijen voornamelijk<br />

van ARIÜS in de vierde, en die van ITELAGIUS in<br />

de<br />

(zz) Men fpreekt veel al van tien vervolgingen, die er in<br />

dit tijdperk zouden geweeft zijn; doch zeer onnauwkeurig.<br />

Algemeene vervolgingen zijn er geen tien geweeft, en indien<br />

men de vervolgingen mede rekent, die in zommige gedeeltens<br />

van 't Romeh.fche rijk zijn aangericht, maken zij een veel<br />

grooter getal uit. Men heeft ze tot tien willen brengen, om<br />

dat mtn dagt dat de tien plagen van Egijpten voorbeelden van<br />

onheilen der Chriftenen waaren.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 371<br />

de vijfde eeuw. Onder andere onheilen die de kerk<br />

in dit tijdperk zijn wedervaren, kan men tellen de<br />

grooie onderdrukking en wreedheden, die de Chriftenen<br />

ondervonden inde zesde eeuw van de Jooden,<br />

die in'gelukkig Arabie toenmaals't opperbewind voerden,<br />

en veel gezags hadden.<br />

3.) Het derde tijdperk neemt zijn aanvang met<br />

de zevende eeuw en eindigt met de vijftiende eeuw<br />

ingefloten. Geven wij hier acht<br />

a.) In 't begin van de zevende eeuw, treft men<br />

merkwaardige gebeurtenisfen aan.<br />

al) Wanneer PHOCAS keizer MAURITIUS had<br />

om 't leven gebragt en zelve den rijkszetel beklommen,<br />

zo gaf hij den Bisfchop van Rome BONJFACIUS<br />

den lil, den titel van algemeen Bisfchop der kerke;<br />

waar over niet alleen in 't oolten de Griekfche Bisfchoppen<br />

zeer te onvreden waren, maar ook velen<br />

Bislchoppen in de Latijnfehe of weilerfche kerk zig<br />

tegen verzet hebben. Het is dus niet met den Apostel<br />

PETRUS, d.it de geeftelijke heerfchappij over de<br />

algemeene kerk een aanvang neemt, maar met Bo-<br />

NIFACIUS de lil. Q).<br />

h.)<br />

(*) Hoe van tijd tot tijd de heerszugt der Pauzen is toegenomen,<br />

en ten tijde van Paus GUEGORIUS de VII ten toppunt<br />

P4


1<br />

2/2 Het dertiende Gefprek, van de<br />

b.) Ook ontftond er in 't begin dezer /de eeuw<br />

eene nieuwe gezintheid, die in Arabie te voorfchijn<br />

kwam, en weiker ftichter was MOHAMMED, die uit<br />

aanzienlijke ouders (**) te Mecca was gebooren. Hij<br />

hield zig eerft met den koophandel bezig, gaf zig vervolgens<br />

uit voor een propheet van God gezonden om<br />

den vervallen Godsdienft weder opterigten. Hij deed<br />

de leer en plegtigheden van dien nieuwen Godsdienft<br />

ineen boek zamenftellen, 't welk al KORAN of de<br />

KORAN (***) word genaamd. Het behelft in zig eenige<br />

punt geklommen is, zo dat % TbeQ'. 2: 4. op hem zeer wel<br />

kon toegepall worden, vindt men zeer fraaij bij Profr.<br />

VENEMA Hift. Eccles. V. & N. T. Tom. V. p. 614-(545.<br />

(**) Zommige Schrijvers fpreken van MOHAMMED , als of<br />

hij van eene laage geboorte was en een zesr geringe bezigheid<br />

had; doch dit is verkeerd Hij was uit een aanzienlijk<br />

gedacht, zo't fchijnt der Koreifchiten te Mecca, alwaar hij<br />

na den dood zijner Ouders en Grootvader onder de bezorging<br />

van zijn oom ABUTALEB is opgevoed in den koophandel,<br />

zfj'nde door hem beliefd bij een rijke weduwe CHADTGA of<br />

CHADIZJA geheten, met welke hij ook getrouwd is. Men<br />

2.1e beha'.ven 't voorgemelde werk van den Hooggel. VENE.<br />

MA, de brieven van Ladij MONTAGUE in een aanhangzel,<br />

en andere.<br />

(***; Het woord Koran ftemt ten naaftcn bij overeen met<br />

't Hebr. woord JOpQ 'c welk men vindt , Neh. &: 8 en<br />

waar mede de Joden de H. Schrift benoemen. Doch<br />

be-


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 273<br />

nige ftukken uit den verbafterden Joodfchen en Chriften<br />

Godsdienft, en is aangevuld met veele verdichtzelen,<br />

gefchikt naar de denkenswijze der Arabieren.<br />

De voortplanting van dien Godsdienft door hem en<br />

zijne opvolgers is meeft al toe te fchrijven aan den<br />

voorfpoed der wapenen. MOHAMMED vlugtte in 't<br />

jaar 622 van Mecca naar Medina, daar hij 632 geflorven<br />

en begraven is. Van deze vlugt, in 't Arabifch<br />

Hegira genoemd, beginnende Mohammedanen hunne<br />

jaartelling.<br />

b.) In 't vervolg dezer eeuw is 't Euangelium,<br />

't welk evenwel al zeer door bijgelovigheden verbasterd<br />

was door verfcheiden landen van Europa verkondigt,<br />

gelijk ook in onze Nederlanden, (aaaj<br />

behalven dit, heeft men nog een ander boek van den God?-<br />

dienft, genaamd Sura, 't welk overleveringen van zaken en<br />

voorfchriften van pligten behelft, die in den Koran niet gevonden<br />

worden. De Pennen verwerpen de Suna, en houden<br />

zig alleen aan den Koran , doch de Turken omhelzen<br />

ze beiden, die daarom ook den naam van Suniten dragen.<br />

(aaa) 't Euangelium was in ons Vaderland nogthans al voor<br />

dien tijd bekend. Het was eerft onder de Romeinen in ons<br />

land gebragt, vervolgens toen de Friezen 't in bezit hadden,<br />

is 't van tijd tot tijd, en wel meeft door toedoen der Frankifche<br />

koningen aan de Afgodifche ingezetenen verkondig:.<br />

Zie WAGENAAR Vaderlandjche hijlorie, ijie Deel.<br />

*6


274 Het dertiende Gefprek, van de<br />

c.) Verder wierd de oLeere des Chriftendoms in<br />

deze en in de volgende eeuwen zeer verbafterd, veele<br />

bijgelovige plegtigheden werden ingefteld. Er<br />

heerichte diepe onkunde, zelfs;onder:kerklijke perföonen,<br />

inzonderheid in de tiende eeuw, die de looden,<br />

ijzeren en donkere genaamd word. Zo dat als men<br />

nrèt gedagtig was aan de belofte van den Koning der<br />

kerk Matth. 28: 20. en tevens aan de Waldenzen<br />

in de vallijen van Piemnnt, men twijfelen zou of<br />

er toen wel een waare kerk op aarde was.<br />

598. ) J-, Eer gij overgaat tot't vierde tijdperk,<br />

zo verzoeke mij iets te zeggen van die Waldenzen,<br />

ik lees er dikwijls van, inzonderheid als ik een of ander<br />

Aucteur over de zijle Zondag van den Heidelh.<br />

Katechismus nazie.<br />

L. Gij kunt van dezelve lezen 't ongemeen fraaije<br />

werkje van den Wel Eerw. Heer MARTIHET (bbf)<br />

't welk allezins lezenswaerdig is.<br />

599. ) J. Ik zal dit zo ras mij mogelijk is lezen,<br />

doch t'eel mij iets uit 't zelve thands mede.<br />

L. Waldenzen houden zommige afkomftig van PE­<br />

TRUS WALDUS die in de Xllde eeuw geleeft heeft.<br />

Doch 't blijkt dat zij voor zijn tijd reeds dien naam<br />

gehad hebben, waarfchijnhjk naar de plaats van hun<br />

' ver-<br />

(bbb) Genaamd kerkelijke Gefchiedenis der Waidenzen, waar<br />

vaa de 2de druk 1775 it uitgekomen.


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 2.75<br />

verblijf in dalen, 't welk Latijnfche Schrijvers zomtijds<br />

door l/alaenfes hebben uitgedrukt, waar door zij<br />

Dalbeivooners wilden betekenen. Zij hebben van onheugelijke<br />

tijden in Italië in de Vallijen van Piemont<br />

gewoond. FICTET wil, dat Paulus op zijn reize,<br />

die hij beloofde naar Spanje te doen, Rom. 15: 28.<br />

de leer van Chriftus daar zou gepredikt hebben. De<br />

Waldenzen zelve zijn van gedachten, dat 't Euangelie<br />

door de Apoitels, of derzelver naalle • opvolgers<br />

aan hunne Voorvaderen is bekend geworden, 'twelk<br />

niet onwaarichijnlijk is, nadien 't uit EUSEBIUS blijkt,<br />

dat er in de 2de eeuw in 't over en binnen Jlpijib<br />

Gallie Chriften gemeentens zijn geweeft. Zij hebben<br />

van 't begin af, en vervolgens, door alle eeuwen<br />

der Rooiufche dwalingen heen, de zuivere leer<br />

onbefmet bewaard, doch hebben veele vervolgingen<br />

oudergaan, alsonder anderen in 't jaar 1655, toen 't<br />

leger van den Hertog van Savoije 15000 man fterk,<br />

in die vallijen kwam , om dat de Waldenzert den<br />

Roomfchen Godsdienft weigerden te omhelzen, en<br />

regten daar een verfchriklijk bloedbad aan. In<br />

't jaar 166.2 kwamen zij weder in een zwaaren oorlog,<br />

des Hertogs leger van 8ooo man overviel hen,<br />

doch zij fielden zich te weer , en doodden, met<br />

weinig verlies aan hunne zijde, wel 4000 vijanden.<br />

Het leger met 12000 man verfterkt zijnde, moeft<br />

weder afdeinzen, waar door de Waldenzen met dankzegging<br />

Gode de eer der overwinning gaven, en in<br />

't


&?6 Het dertiende Gefprek, van de<br />

\ jaar 1664 vrede bekwamen. Droevig was<br />

voor hen 't jaar 1686, hunne vijanden pleegden ongehoorde<br />

wreedheden , 12000 Waldenzen werden<br />

gevangengenomen, en 2000 van derzelver kinderen<br />

wierden ter opvoeding onder de Roomfchgezinden<br />

befteld. Na negen maanden in de grootfte ellende<br />

in nauwe gevangenisfen te zijn opgeflooten geweeft,<br />

waarin meer dan 8000 geftorven waren, wierden<br />

de overige op vrije voeten gefteld. Zij trokken naar<br />

•Geneve, doch vermits'n winter was, ftierven veele<br />

van koude op weg, alwaar zij met andere, die ook<br />

de vallijen verlaten en derwaards getrokken waren,<br />

eene vriendelijke herberging vonden. Na zig<br />

eenigen tijd in Zzvitzer'land en deszelfs omtrek te hebben<br />

opgehouden, vertrok een gedeelte naar Brapdenlurg,<br />

een ander gedeelte zogt in den omtrek van<br />

Zzuitzerland en in den Paltz fchuilplaats. Na veel<br />

omzwervens keerden zij naar Zwitzerland te rug;<br />

doch dewijl zij reeds voorlang in den zin hadden,<br />

hunne oude woonplaatzen, de vallijen van Piemont,<br />

weder te betrekken, en reeds twee ondernemingen<br />

te voren waren miflukt, zo nemen zij voor de derde<br />

reis dit befluit, en voeren zulks in 't jaar 1689 dadelijk<br />

uit. Hun Leeraarde zeer beroemde ARNAUO,<br />

was derzelver Opperbevelhebber, zij trokken gewapend<br />

over 't meir van Geneve, en deden een togt van<br />

twaalf dagen over fteile klippen en hooge bergen,<br />

langs enge wegen, en dik met meeuw bedekte plaat.<br />

zen,


Roeping, 't Geloof, en de Kerk. 377<br />

ren, en moeten niet zelden met den Sabel in de<br />

vuift den doortogt banen, en kwamen na duizend<br />

gevaren en ongemakken geleden te hebben in hun<br />

oude Vaderland de Vallijen aan, en bekwamen na<br />

veel ftrijds in 't jaar 1690 m=t den Hertog van Savoije<br />

den vrede, en dienden hem in den oorlog<br />

In 't jaar 1697 kwam er op aanzoek des konings van<br />

Franrijk, een bevel, dai alle die in de Staten van den<br />

Hertog van Savoije niet geboren waren, uit die vallijen<br />

moeten vertrekken, waar door 300 Franfche<br />

vlugtelingen, benevens zeven Leeraars, waaronder<br />

ook de Eerwaarde en dappere ARNAUD moeten vertrekken<br />

tot groote droefheid der Waldenzen. Deze<br />

hebben zig naar Duitfchland.begeven en zijn Stichters<br />

van zeven gemeentens geworden in 't Hesfifcbe en<br />

Wirtembergfche , die nog in wezen zijn. Ik ga<br />

voorbij veele rampen, die de ongelukkige Waldenzen<br />

in 't vervolg geleden bebben: alleenlijk heb ik<br />

dit aan te merken, dat bij de Utrechtfche vrede in 't<br />

jaar 1713 de Vatlije Pragelas, waar in 6 gemeentens<br />

waren, aan den Hertog van Savoije afgeftaan zijnde,<br />

op voorwaarde van geen vrije GodsdienftoefFening,<br />

zo werden zij van de Roomfchgezinden zo zeer gedrukt,<br />

dat meer dan 8oo Waldenzen in 't jaar 1730<br />

die vallije verlaten hebben, en de wijk genomen ge.<br />

deeltelijk in Zwitzerland en gedeeltelijk in Holland.<br />

Op deze wijs is de Hervormde Godsdienft in die<br />

val-


373 Het dertiende Gefprek, van de<br />

vallije te gronde gegaan. In 't jaar 17-12 en<br />

1743 ' ie bben zij den Hertog van Savooi je, koning<br />

van Sarainie tegen Frankrijk en Spanje in den oorlog<br />

gedienr, en toonden proeven van hun oude dapperheid.<br />

En die koning heeft ook-zijn liefde tot de<br />

Waldenzen betoond in 't jaar 1756 en 1761 door hen<br />

te bevreiden van de moeijüjkheid, die zijn Roomfchgezinde<br />

onderdanen hun tragtten aan te doen.<br />

Wat hunne jegenswoordige gefteliheid betreft, zij<br />

bewoonen fhands nog drie vallijen, namelijk Lucern,<br />

Peroufe, St. Martin: in dezelve zijn 13 gemeentens,<br />

die ieder zo 't mogelijk is een eigen Leeraar<br />

hebben. Men fpreekt er een mengelmoes van Italiaan<br />

fch en Franjch. Zij vervatten ru<strong>im</strong> 10 , coo<br />

zielen. Veele gemeentens zijn zeer uitgebreid. De<br />

meefte Leeraars hebben aangrenzende plaatzen, die<br />

dus als combinatiën zijn, in de eene kerk wordt op<br />

Zondag en in de combinatie in de week gepredikt.<br />

Ook zijn de gemeenten in verfcheiden Quartieren of<br />

Wijken afgedeeld, in ieder van de welke een ouderling<br />

woont , die 't opzicht op de gemeente heeft.<br />

Ider is volgens kerkelijke wetten verpligt de Katechifatien<br />

der Leeraaren bij te woonen. De kerk is<br />

thands in verval en armoede: deels door zwaare belaftingen,<br />

deels door de gefteldheid van hun land:<br />

Van alle kanten zijn hunne vallijen met zwaare bergen<br />

omringt, die allen in den winter met fneeuw bedekt<br />

zijn,


Roeping, *t Geloof, en de Kerk. 2.79<br />

zijn, waar door dan de een, dan de andere valüje bloot<br />

gefield is aan verfchriklijke neerftortingen van verbazende<br />

grooie ineeuwklompen; of wanneer de fneeuw<br />

fmelt aan geweldige watervloeden, welke de vrugtbomen<br />

ontwortelen, de huizen omverwerpen. Hier<br />

bij komt nog de zware hagelbuijen, waaraan de vallijen<br />

zijn onderworpen, die veel Ichade aan de kweekcrij<br />

der Moerbeziebomen veroorzaken. Wanneer<br />

hier nu nog bijkomt een misgewas der Kaftanien, '1<br />

gewoone voedzel van veele menfchen, inzonderheid<br />

der armen. Uit deze armoede nu ontftaat gebrek<br />

aan Leeraars. De Proteftantfche Vorfien laten egter<br />

niet na liefde gaven over te zenden, gelijk ook bij<br />

ons in Nederland gefchiedt. In 't jaar 1728 deden<br />

de ó'taten van Holland een liefde gift van 9000 gutden;<br />

in 't jaar 1731 lieten gemelde Staaten een collecte<br />

doen, die ru<strong>im</strong> 250, 000 guldensopbragt, die<br />

meeft aan de Waldenzen der vallije Pragelas zijn uitgedeeld;<br />

dir voorbeeld is van andere provinciën gevolgd.<br />

Ik zwiige van collcctens van later tijd zo<br />

in de Nederduitiche als Walfche kerken, waar door<br />

men is in ftaat gefield, om jaarlijks eenig geld van<br />

derzelver intresten over te maken.<br />

600.) J. Gelief nu 't ftuk weder op te vatten, en<br />

van 't vierde tijdperk des N. T. te fpreken.<br />

L. Dit beginnen wij met de 16 eeuw tot onzen<br />

jegenwoordigen tijd. Hier in komt ons eene menigte


siïo<br />

Het dertiende Gefprek, van ae<br />

te van zaken voor, daar ik thands wegens de kortheid<br />

niet van kan melden. Let flegts op dit volgende<br />

:<br />

a.) In de 16de eeuw begon 't licht der hervorming<br />

in veele landen van Europa door te breken.<br />

Paus LEO de X onder voorwendzel, dat hij geld<br />

nodig had om de kerk van ST. PIETER te herbouwen,<br />

als mede wegens den oorlog tegen de Turken,<br />

zond door Duit febfand en elders Aflaten te<br />

koop. Het misbruik in dezen opende veeier oogen.<br />

Wanneer zekere monnik TETZEL , die Aflaten<br />

door Duitfcbland te koop veilde , verzette<br />

zig inzonderheid hier tegen MARTEN LUTHER, uitmuntend<br />

Godgeleerde der Hogefchool te Wittenberg<br />

, deed in 'r jaar 1517 redentwiften over 95<br />

Hellingen, welke hij over de kragt der Aflaten had<br />

doen afkondigen en aanplakken. Keizer KAREL de<br />

Vde deed Luther ontbieden in 't jaar 1521 voor<br />

eene Rijksvergadering te Worms, daar Luther zig<br />

manlijk verdedigde; des niet tegenftaande werd hij<br />

als een ketter veroordeeld. De Keurvorft van Saxen<br />

deed hem ter beveiliging op 't kafteel van Warburg<br />

brengen in de nabuurfchap van Eifenach, alwaar<br />

hij tien maanden bleef, dit noemde LUTHER<br />

zijn Patmos, fchreef veele fchriften, maakte eene<br />

vertaling van 't N. Teftament. JNaaft Luther komt<br />

onder de hervormers van Duitfcbland meeft in aan-<br />

mer-


Roeping, '£ Gekof, en de Kerk.<br />

a8l<br />

-merking PHILIPPUS MELANCHTON , die in 't jaa<br />

1521 zeker werkje (ccc') uitgaf, 't welk voor 't eerfte<br />

kort begrip van den zuiveren Godsdienft kan gehouden<br />

worden. Ten zei ven tijde, dat Luther<br />

en Melanchton in DuHJchlandarbeidden, deed ZWING-<br />

LIUS een parochie prediker te Zurich, zulks in Zwitzerland.<br />

Ook kwam JOHANNES KALVIJN in 't jaar<br />

1536 te Geneve, alwaar hij 't werk der hervorming<br />

voortzette. Het licht van den gezuiverden<br />

Godsdienft bleef niet binnen die paaien, Frankrijk,<br />

Grootbritanje, Zweeden , Denemarken , Polen en<br />

andere landen, waar toe ook ons dierbaar Vaderland<br />

behoort, werden er mede beftraald.<br />

b.) Het geen de hervorming zeer bevorderd heeft,<br />

daar onder kan men tellen, dat veele Duitfche Vorften<br />

de Leer van LUTHER en MELANCHTON toevielen,<br />

ja koningen derzelver voorftanders waren, gelijk<br />

GUSTAVUS koning van Ziveden, en FREDERIK<br />

koning van Denemarken in dien rijd geweeft zijn. Hier<br />

bij komen de Katechismusfen en Geloofsbelijdenis/en,<br />

gelijk onder andere de Confes/ie die Ao. 1530 op<br />

de Rijksvergadering te Augsburg werd ingeleverd;<br />

De 37 Artikelen onzer geloofsbelijdenis, zamengefteld<br />

door den vermaardenGuiDODE BRE.°, predikant<br />

te<br />

(ccc) Hijpotijpqf't TJteologUa genaamd.<br />

lide DEEL.'<br />

T


s3a<br />

Het dertiende Gefprek, van de<br />

te Valencijn in Henegouwen, met behulp van ADIU-<br />

ANUS SARAVIA, H. MODET, GODOFRIDUS WINGIUS.<br />

Zij werd in 't Franfcb gefchreven in 't jaar 1561, en<br />

kwam in't jaar 1563, zo in 't Neder duitfch als Hoog.<br />

duitfch te Heidelberg in druk te voorfchijn. In welk<br />

jaar ook de Ileidelbergfche Katechismus, die op laft<br />

-van den Vromen FREDERIK den HL Keurvorft van<br />

den Pakz, door ZACHARTAS URSINUS en KASPER.<br />

OLEVIANUS was cpgefteld , in druk werd uitgegeven,<br />

(ddd) Verder heeft aan 't werk der hervorming<br />

in ons vaderland veel toegebragt 't verbond<br />

der vereeniging van zeven provinciën, of de Unie<br />

te Utrecht geflooten 1579; de afzweering van Philips<br />

den II Koning van Spanje 1581; onze onaf hanglijkheid<br />

van Spanje bij. den Munfterfchen vrede Ao.<br />

1648. enz.<br />

c.) Er<br />

(ddd) Deze Heidelbergfche Katechismus, benevens de voor.<br />

gemelde 37 Artikelen, als mede nog de Regels van 't Nationaal<br />

Sijnode van Dort tegen de Remonflranten, gehouden Ao.<br />

r£r8 en 1619, maken te zamen de formulieren van eenigheid<br />

in onze Gereformeerde kerk uit. Zie A. BUUBT bejchouwende<br />

Godgel. 6de Huk p. 323. Behaïven deze Formulie.<br />

ren van eenigheid zijn er nog Liturgien b. v. van de bediening<br />

des Doops, en 't Avondmaal, van 't huwelijk enz. Doch<br />

wie daar van de Opftellers zijn kan met geen zekerheid gezegt<br />

worden. Zij worden reeds gevonden agter den eerften<br />

druk der Rijm Pfalmen door P. DATHHEN, 1566. uitgegerei.


•Roeping, V Geloof, en de Kerk» 383<br />

c. ) Er hebben zig nogthans van tijd tot tijd vijanden<br />

opgedaan, die 'c werk der hervorming hebben<br />

getragt te keer te gaan, als daar is 't Concilie van<br />

Torenten, zijn begin nemende Ao. 1545; 't gedrag<br />

der Spanjaarden, inzonderheid van koning PHILIPS<br />

de II omtrent ons Nederland; de herroeping van't<br />

Eii& van Nantes door LOOEWIJK de XIV, bij 'c<br />

welk aan de Proteftanten in Frankrijk door Hendrik<br />

den IV Ao. 1598 vrije oeffeniug van Godsdienft: was<br />

toegeftaan. Om nu niet te fpreken van de woelirgen<br />

van veelen, die de kerke Gods door lift of geweld<br />

hebben zoeken te ontruften.<br />

d. ) Wat den jegenwoordigen ftaat der kerk betreft.<br />

1.) Wij erkennen met dankzegging aan den Koning<br />

der kerk, dat wij thands nog de zuivere Leer der<br />

waarheid onder ons hebben, die nu reeds twee eeuwen<br />

in ons Vaderland openbaar gepredikt is (eeé).<br />

Wij<br />

(eet) Alreeds bij de Pacificatie van Gent Ao. 1576 was in<br />

de Neaerlanden de vrije ocft'ening zo wel des Hernrmder. als<br />

Roomfchen Godsdienft toegeftaan. Doch dit verdrag werd<br />

van de zijde der Roomfchgezinden fchier nergens gehouden,<br />

De Hervormden eifchten met regt, dat in alle Heden, waar<br />

in niet minder dan soo huisgezinnen van hunnen Godsdienft<br />

waren, ceae keik of kapel zou worden ingeru<strong>im</strong>d. Dit ge-<br />

wei-<br />

T 3


284 • Het dertiende Gefprek, van de<br />

Wij zien met blijdfchap, hoe de thans regerende Keizer<br />

van Duitfcbland Jofepbus de II. veele misbruiken<br />

in de Roomfche kerk ingeflopen, in deszelfs Qoflenrijkfebe<br />

Staaten bezig is af te fchaffen.<br />

2.) Ook is er veel ftof tot klaagen : 't ongeloof<br />

begint hoe langs zo meer veld te winnen, waar toe<br />

't lezen van fommige uit andere taaien overgezette<br />

boeken niet weinig kwaads aanbrengt. Voeg hierbij<br />

een Geeft van zorgeloosheid en onopmerkzaamheid<br />

• onder des Heeren zegeningen en ftrafgerichten. Eindelijk<br />

om alles niet bij te brengen, de pogingen<br />

van veelen om onder den zagtzinnigen naam van verdraagzaamheid<br />

eene onverjchilligheid in den Godsdienft<br />

weigerd wordende , werd er geweld gebruikt. Intusfchen<br />

^roeijde '1 getal der Hervormden zeer aan, zo dat zij 't ge<br />

tal der Roomfchgezinden overtroffen. Des fielden do Alge-<br />

'meene Staaten Ao. 1583 valt, dat voordaan de EUAXGELI-<br />

SCHE HERVORMDE GODSDIENST ceniglijk in *t openbaar zou<br />

'geoeffend worden, en andere Godsdieuften bij oogluiking<br />

zouden gedult worden Het gevolg hier van was, dat, daar<br />

eertijds de kerken nog een tijd lang onder de belijders der<br />

••beide Godsdienften waaren verdeeld geweeft, zij nu alle bc.<br />

nevens derzelver inkomften, ten gebruike voor Jen Hervormden<br />

Godsdienft werden ingeru<strong>im</strong>d. Zie Profr. XV. A. BA-<br />

CHIENE kckelijke Geographie ïfte Jluk p. 4, 5.<br />

Dus kan , terwijl ik dit fchrij! , 't jegenswoordig- jaaF<br />

1783 te regt als 't tweJe Eeuwgetij van onzen openbaren gezüivcrden<br />

Godsdienft worden aangemerkt.


Roeping, V Geloof, ,e/i de Kerk. 285<br />

dienft intevoeren. Hoe donker 't nogthans met de<br />

kerk uitziet, wij moeten denken Jezus 't hoofd der<br />

kerke leeft, en regeert. Hij zal zijn volk niet begeven<br />

noch verlaten; Hij zal 't Zion Gods bewaren en<br />

befche<strong>im</strong>en als zijn oogappel; Hij zal alle zijnegedaane<br />

toezeggingen aan haar vervullen. En er zal aan<br />

Gods kerk waar zijn, 't geen de Heere al van oude<br />

tijden tot trooft van zijn volk gefproken heeft, Jez.<br />

54: 17. Alle inflrument dat tegen u bereid'word, zal<br />

niet gelukken, en alle tonge, die tn 't gerichte tegen<br />

u opftaat, zult gij verdoemén. Dit is He erve'van de<br />

knegten des Heeren, en hunne geregtigheid is uit mii<br />

fpreekt de Heere.<br />

T 3<br />

HET


A86<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

HET<br />

VEERTIENDE<br />

G E S P R E K ,<br />

over de<br />

Regtvaardiging, Heiligmaking, en andere weldaden<br />

des Genaden Verbonds.<br />

601.j jongeling. Dewijl wij naar ons gemaakt be-<br />

J (lek, thauds moeten fpreken van die<br />

genaden weldaden, die des Heeren volk als bondgenooten<br />

erlangen, zo verzoek mij dezelve te wil»<br />

len opnoemen.<br />

Leeraar. Men kan dezelve gevoegelijk verdeelen<br />

in weldaden m dit leven en weldaden na dit leven.<br />

De voornaamfte in dit leven zijn de Regtvaardiging<br />

en Heiligmaking. En de weldaden na dit leven kun.<br />

nen


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz.


2o8<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

Wigtig Leerftuk van drie onderfcheidene woorden<br />

melding maken, namelijk Regtvaardigheid, Regt,<br />

Regtvaaraiging. (£)<br />

a.) 't Woord Regtvaardigheid of Geregtigheid:<br />

*t wordt dikwijls aan God toegelchreven en duidt dan<br />

aan die deugd, waar door 't hoogfte Opperwezen;<br />

altoos en in alles, overeenkomftig deszelfs heilige na-,<br />

ruur naar 't flipfte regt e.n de. hoogfte billijkheid zig<br />

gedraagt. En met opzigttot menfchen wordt het in 't<br />

algemeen gebruiktvan zodanige, die in hunne handelingen<br />

't regt en de billijkheid jegens hunnen evenmenfeh<br />

betragten, en naar Gods wet zoeken te leven:<br />

in dien zin zegt David $£<br />

18: 21. De Heere<br />

vergold mij naar mijne Geregtigheid. Zie ook Pf.<br />

Q; 11. En hier uit kan men opmaken, wie dat<br />

men zomtijds onder den naam Regtvaardigen in den<br />

Bijbel te verftaan hebbe , ftrekkende onder, andere<br />

ter opheldering van Ezech. 18.- 24. Met<br />

betrekking tot de eeuwige zaligheid,<br />

wordt 't<br />

woord Regtvaardigheid tweezins gebruikt, of Wettijchoï<br />

Euangelifch. . Een Wettifche Geregtigheid<br />

is zodanig een, waar door de menfeh in alles<br />

der wet Gods gel'ijkformig is, Rom. 10: 5. Mozes<br />

befchrijft ons de regtvaardigheid, die uit de ivet is,<br />

zeggende de menfeh, die deze dingen doet, zal door<br />

..w^v-arilte*..^ . , de*<br />

(bj SiKdHxrwti, SiKXiuiJ.ee>, SIUXIOKTI;,


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 289<br />

dezelve leven. In dien zin kan niemand na den zondenval<br />

regtvaardig heeten,' Rom. 3: 19, 20, 23.<br />

Eene Euangelifcbe Geregtigheid, zijnde'de<br />

volmaakte overeenkomft van 't lijden en de gehoorzaamheid<br />

van Chriftus met den eifch der wet. Zij.<br />

die deze geregtigheid door 't. geloof omhelzen, kunnen<br />

regtvaardigen genaamd worden. Rom. 3:' 21,<br />

22. 2 Cor. 5: 21. Op dat wij zouden worden regt.<br />

vaerdigbeid Gods in Hem.<br />

b. ) Door 'c woord Regt hebben wij in 't ftuk der<br />

regtvaardiging des Euangeliums te verftaan, dat geene<br />

om 't welke de gelovige wordt vrijgeiproken van<br />

de fchuld en ftraf der zonden (c) en 't eeuwig leven<br />

verkrijgt, Rom. 8: 4. Op dat 't regt der wet vervuld<br />

zoude worden in ons. 1<br />

c. ). Eindelijk hebben wij 't woord Regtvaardiging,<br />

afkomftig van Regtvaardigen of vrij/preken, 't<br />

komt in dien zin in den Bijbel voor, en wordt tegen<br />

verdoemen overgefteld, Deut. 25: 1. Wanneer er on<<br />

der<br />

(c) Menzon gemakkelijk kunnen volftaan, indien wij zeiden<br />

: eene vrijjpreking ven ie fchuld der zonden, en 't woordje<br />

Jlraf \s overtollig; dewijl dc fchuld eene verbintenis tot ftraf<br />

is. Doch dewijl de Roomfchgezinden onderfcheid maken,<br />

tusfchen eene verbintenis van de fchuld der zonden, en van<br />

de flraf der zonden, zo zijn wij gewoon beide deze bewoor<br />

dingen tc gebruiken,.<br />

T 5


floo<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

der Ultedentwift zal zijn, en zij tot 't gerichte zul-,<br />

len toetreden, dat zij ze richten, zo zullen zij den<br />

regtvaerdigen regtvaerdig /preken, en den onregt<br />

vaerdigen verdoemen. Spr. 17: 15. Matth. 12: 37.-<br />

en elders. Het behelft dus een uitfpraak doen of<br />

vonnis flaan omtrent iemand, gelijk de Regters ge-,<br />

woon zijn in de Vierfchaar te doen. Hier van ver<br />

fchilt de Roomfche kerk (d), die onder dat woord<br />

niet alleen de vergeving der zonden verftaat, maar<br />

tevens ook de Heiligmaking en vernieuwing van den<br />

menfeh. Doch dat dit twee ondertcheiden weldaden<br />

zijn, zullen wij ftraks nader toonen, deH. S. onder-,<br />

fcheidt ze, als 1 Cor. 1: 30. Die ons geworden is<br />

wijsheid van Gode, en regtvaerdigheid, en heiligmaking,<br />

enz. zie ook 1 Cor. 6: 11. De plaatzen<br />

die zij tot bewijs bijbrengen, geven dit niet te kennen<br />

als daar is, Jez. 53: 11*. Dan. tm 3. Openb.<br />

22: i x . Zie daar van een fraai je verklaring bij onze<br />

geleerde Randtekenaars des Bijbels,<br />

604.) J. Hoe kau men de Regtvaardiging befchrijven<br />

?<br />

L. Het<br />

(d) Men geeft doorgaanfeh 't gevoelen der Roomfche<br />

kerk op, als of zij door de Regtvaardiging, of gelijk zij fpreken<br />

Regtvaardigmaking verdaan eene geregtigheid Inftorten,<br />

maar dat zij er ook de vergeving der zouden door begrijpen<br />

wijkt duidelijk uit 't Concilie van Trtnten, Vid. Sesj. VI. Caf».<br />

Vil. ab iniiit.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz.<br />

SQI<br />

L. Het is „ die weldaad van 't Genaden verbond,<br />

„ waar door God ><br />

in 't bijzonder de Vader als Refter,<br />

hem, die gelooft, enkel en aliecn om de lij-<br />

, delijke en dadelijke gehoorzaamheid van Chridus<br />

„ den zodanigen uit genade toegerekend, vrjipreekt<br />

„ van de fchuld der zonden en toewijft't regt ten eeu-<br />

„ wigen leven", (e)<br />

605. ) J. Gelief dit wat uitte breiden, ik zal tusfchen<br />

beiden een en andere aanmerking maken.<br />

L. Dewijl 't woord Regtvaardigen zijn betrekking<br />

heeft tot de vierfchaar, zo zal ik dit leerltuk nader<br />

ophelderen onder 't denkbeeld van een Gerichtshandeling,<br />

waar in onderfcheiden 4foort van perföonen<br />

voorkomen, als een Regt er; aangeklaagde', aan*<br />

k<br />

klager; voorfpraak, enz.<br />

.<br />

606. ) J. Wat is er omtrent den Regt er op te<br />

merken ?<br />

L. De<br />

(f) Mén kan door dit vonnis niet verftaan een pardon of<br />

ibilitU , indien men met die bewoordingen verftaat eene<br />

ichuldvergiffeni?, die zonder eenige voldoening 't zii door<br />

den overtreder zelfs, J t zij door iemand anders in zijn plaatï<br />

gefchiedt. In de regtvaardiging der gelovigen is aan't ftrengflc<br />

regt der wet voldaan. Evenwel kan men de regtvaardiging<br />

een Genade weldaad noemen, vermits 't fchenken<br />

van een borg, en dc werking des geloofs onverdiende gunftenzijn.<br />

Zie ook A. BUUKT. Bejch. Godgel. sdejïuk, p.<br />

H5- laó.


£5> 2 Het veertiende Gejprek, van de<br />

L. De Regter is God, en wel naar de orde der<br />

drie perföonen de Fader, Rom. 8: 33. God is 't die<br />

regtvaerdigt; zie ook 1 Joh. 2: 1.<br />

• 607.) J. Nu komt ons de aangeklaagde voor ? .<br />

f<br />

L. Zo is 't, deze zijn van natuure wel al ie men,<br />

fchen, dewijl zij alle fchuldig voor God ftaan, maar<br />

deze allen komen hier niet in aanmerking, 't zijn alleen<br />

de uitverkoornen Gods, die vrijgefproken worden,<br />

Rom. 8.- 33. En deze komen in de Godlijke<br />

Vièrfchaar voor als in zig zeiven Godlozen, doch die<br />

de volmaakte geregtigheid van den Heere Jefus onïhelft<br />

hebben, en dus niet om eigenwerken, Rvm.^:<br />

5. Den geenen die niet werkt, maar gelooft in Hem,<br />

die den Godlozen regtvaerdigt, wordt zijn geloof gerekendtot<br />

regtvaerdigheid. (ƒ)<br />

607.)<br />

(ƒ) Indien de menfeh uit de werken geheel zoude geregtvaardigt<br />

worden, dan moeiten zij i) voor eerft volmaakt zijn,<br />

maar dit zijn ze niet, want de gelovige zelfs ftruikelt nog<br />

in veelen Jac. 3: 2. men zie ook Job g: 2, 3, 20. Pf. i 3o.<br />

3 en 143: 2. Dan. 9: 18. 2.) Dan moeft hij dezelve niet<br />

verfchuldigt zijn; doch't tegendeel zegt de Zaligrriaker Luc.<br />

17: 10. • Indien hij ten deele door de werken geregtvaardigt<br />

wierd, dan had hij evenwel nog eenigen roem; doch<br />

die is geheel uitgefloten. Rom. 3: 27. Om te bewijzen<br />

dat de werken der Godviugtigen zeer gebrekkig zijn<br />

wordt doorgaans bijgebragt , Jez. 64; ö. Doch wij allen<br />

zijn


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 293<br />

r5o3.) J. Is dan 't geloof zo verdienftelijk , dat<br />

men om 't geloof geregtvaerdigt word ?<br />

Z. Het geloof kan niet verdietjflelijk zijn, dewijl<br />

wij te voren hebben aangetoond, dat 't Gods gave is;<br />

ook zegt de H. S. nergens om 't geloof, maar over<br />

al uit, of door 't geloof, men zie R-om. ic: 6. Eph.<br />

2: 8. Het geloof komt in de regtvaardiging ook<br />

•niet voor als een werk, maar wel als een werktuig,<br />

gelijk een noodlijdend perfoon met z''jn hand een aalmoes<br />

aanneemt, alzo is 't geloof als eene hand, waar<br />

door men de verdienfle van Chriftus zig zeiven toeeigent.<br />

609.)<br />

zijn als een triremen, en onze geregtighedenzijn als een wegwef<br />

pelijk kleed. De Wel Eenv. P. NIEUW_AND {uitlegk. vermuakl.<br />

1. D. p. 170.) wil deze plaats tot geen bewijs van<br />

dit lecrfhik hebben bijgebragt, zijn Eenv. zegt, dat daar 't<br />

l.chaam der Joodfche natie vuoikomt, voor zo verre 't nog vleefchlijk<br />

en onrein voor God was, en dat alle hunne geregtigheden,<br />

dat is die middelen, waarop z : j in 't Jodendom hunne geregtigheid<br />

voor God bouwden, als offeranden , kerkgebaaren,<br />

enz. voor Gods heilig 00c, zoo onaangenaam, zo walchelijk<br />

waren, als een kleed der wegdoenivgen, dat op een of andere<br />

wijs Levitiich onrein was. Wat de plaats betreft Luc.<br />

17: 10 hief boven bijgebragt, moeten wij 't woord onnutte<br />

dienflknegten niet dus begrijpen, als of de werken der gelovigen<br />

onmatig zijn, maar dus, dat zij aan God geen nut noch<br />

voor-


294 Het veertiende Gefprek, van de<br />

609.) Ik ben hier in zeer wel voldaan, maar hoe kan<br />

PAULUS fpreken van iemand die niet zverkt, daar JA­<br />

COBUS duidelijk zegt, dat Abraham uit ie werken geregtvaardigtis,<br />

Jac. z: 21?<br />

Z. Wanneer men Paulus brief aan de Romeinen,<br />

en die van Jacobus aandagtig naleeft, zo kan men deze<br />

twee Apoftelen zeerwel met malkander doen overeenftemmen.<br />

Paulus had te doen met menfchen, die<br />

door de werken wilden geregtvaardigt worden, daarom<br />

bewijft hij opzerlijk 't leerftuk der Regtvaardiging<br />

uit Genade zonder de werken; doch Jacobus<br />

fchrijft fegen menfchen, die roemden op hun geloof,<br />

daar zij in veele godloosheden leefden, die de A-<br />

poftel in dezen brief opgeeft: om nu die foort van<br />

menfchen getrouw te onderrigten, zo leert hij dat<br />

men hen voor geen gelovigen kon houden, ten zij<br />

dat zij dit uit hunne werken toonden; anders is ; t<br />

een dood geloof vs.17, en een dood geloof is geen<br />

zaligmakend geloof. Dit nu bewijft Jacobus met 't<br />

voorbeeld van Abraham, deze toonde voor 't oog<br />

der ganfche weereld, dat hij een waar gelovige, en<br />

bijgevolg een geregtvaardigde was. Dat men de<br />

wooideo dus moet opvatten, blijkt ten duidelijkften<br />

daar uit, dat Abraham niet eerft geregtvaardigt is,<br />

toen<br />

voordcel aanbrengen. In dien zin zegt Eliphas tot Job r<br />

Cap. 22; 2, 3. Zal ook een man Code profijtelijk zijn, enz.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 2.95<br />

toen hij zijn zoon offerde op 't altaar zie v-ers ai,<br />

maar volgens de H. gefchiedenis was hij te voren<br />

reeds een gelovige, en dus van God geregtvaardigt.<br />

Zie Rom. 4: 9, 10. (g)<br />

609.)<br />

(g) Hoe de Roomfche kerk omtrent 't leerftuk der Regtya.irdiging,<br />

denkt, wordt in weinige onzer Godgeleerde boeken<br />

duidelijk voorgefteld.<br />

De Roomfchgezinden fpreeken<br />

van eene eerfte en tvede Regtvaardiging. In de eer/ie wordt<br />

hij van een onregtvaardige een regtvaardigc door t inftorten<br />

eencr geregtigheid: deze eerfte regtvaardiging gefchiedt,<br />

seggen zij, door 't geloof zonder de werken.<br />

Zij fpreken<br />

wel vaneen meritumex congruo, 't welk voorafgaat, maar ver.<br />

klaren dit van geen eigenlijk gezegde verdienlie, maar wil.<br />

len, dat die hun beft doen, en zig tot 't goede<br />

fchikken,<br />

God die in alles zo gepaft handelt, den zulken zal regtvaardigen.<br />

Door de twede verftaat men een toenemen van<br />

die regtvaardigheid, en deze zeggen zij gefchiedt door de<br />

werken, en hier fpreken zij van een meritum ex condigno,<br />

eene verdienfte uit waardigheid.<br />

Zie 't concilie van Trenten,<br />

Sesftone VI of de 6de zitting. A. BUURT Godgel. V. ftuk p.<br />

JJ 2. • Er zijn nogtbani Roomfchgezinden, die in dc<br />

Regtvaardiging geenzins eene RegtcrHjke daad uit 't oog verliezen<br />

, en die 't meritum ex condigno alleen uit kragt van eon<br />

verbonds overcenkomfte (ex pacio) afleiden.<br />

Vid. BUDDEI<br />

Thtol. Dogmat. 5. p. 954, 955 &c. Ja er zijn Roomfchgezinden<br />

, die tr openlijk vooruitkomen, om met afzien van eigen<br />

geregtigheid om voor God te beftaan eeniglijkhun vaftbetrouw<br />

eri Hellen op de verdiinfte van Chriftus.<br />

Overmerkwaerdig<br />

ere


Het veertiende Gefprek, van de<br />

, 6br.) J. Nu begrijp ik 't zeer klaar: de goede<br />

daden van den menfeh komen dan even als 't geloof,<br />

niet voor als een werk, maar flegts als een werktuig<br />

om de verdienfte van Chriftus deelachtig te worden.<br />

L. Ganfchelijkniet, gij begrijpt de zaak nog niet<br />

regt, men word alleen door 't geloof geregtvaerdigt<br />

zonder de werken der tvet, Rom. 3: 28. doch dit<br />

geloof moet levendig zijn door, en blijkbaar uit de<br />

goede werken. Men kan dus zeer wel zeggen, dat'<br />

de menfeh niet uit de werken geregtvaardigt wordt,<br />

om dat zij niets tot de regtvaardiging toebrengen,<br />

men zie Rom. 4. doch men kan ook in zekeren zin<br />

zeggen, dat de menfeh al uit de werken geregtvaardigi<br />

wordt, om dat't zaligmakend geloof, waardoor<br />

men geregtvaardigt word, levendig is, in goede werken.<br />

Zie Jac. 2. Het is van hier dat de H. S. wel zegt<br />

UIT 't geloof en UIT de weiken, maar nergens leeft<br />

men DOOR de werken, gelijk men leeft EOOR 't geloof.<br />

611.)<br />

om gelezen te worden, zijn de woorden van den Cardinaal Coir-<br />

THRENUS, als mede van den CardinaalBEi.LAitwiNus. Ds Neder»<br />

duitfche lezer kan dezelve vinden in URSIKUS Schatboek der verklaring<br />

over den Katechismus. iDeel fol. 253. Insgelijk brengtde<br />

Heer B. PICTST getuigenis van Roomfche Schrijvers bij, die<br />

niets in de regtvaardiging aan eigen verdienfte toefchrijven,<br />

als daar zijn de Cardinaals CA TETANUS, Hosius, CONTARIMUS,<br />

enz. Zie Chrift. Godgel. 2 D.p. 104, 105.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 297<br />

$11.) J. Zoud gij dit ook door eenige gelijkenis<br />

nader kunnen ophelderen?<br />

L. Ik heb (traks al gefproken onder de gelijkenis<br />

van een bedelaar, welke een almoes ontvangt: ik<br />

beb er nu nog maar alleen bij te voegen, dat fchoon<br />

de hand aan 't overige van 'c lichaam van dien armen<br />

menfeh moet vaft zijn, zal 't eene levendige hand,<br />

die hem van dienft is, wezen; nogthans wordt altoos<br />

alleen de hand, en niet 'toverige van't lichaam<br />

aangemerkt als 't werktuig, waar door hij de gifte<br />

ontvangt. Dus is't ook met 't geloof, dit is wel ten<br />

nauwften verknogtmet de goede werken, zal't een<br />

levendig geloof zijn, en dienftbaar om 't heil dat in<br />

Jezus is deelachtig te worden, evenwel blijft 't geloof<br />

alleen 't werktuig.<br />

612.) J. Ik bedank UE zeer voor die fraaije en<br />

ophelderende gelijkenis, ik heb dit ftuk te voren zo<br />

klaar niet begrepen. Gelief mij nu te zeggen, wie<br />

men in de Regtvaerdiging a\s aanklager kan befchouwen?<br />

L. Hier over vfcrfchillen de Godgeleerden, mijns<br />

oordeels komt hier voornamelijk in aanmerking Gods<br />

woord en wet (hj, welke meermalen bij perfoons<br />

ver-<br />

(h) Zommige Godgeleerden tellen nog onder die aankh*<br />

gers de duivel cn 's menfeben sonfeientit.<br />

6<br />

Ilde DEÏ&,<br />

V<br />

«) Doet


298 Het veertiende Gefprek, van de<br />

verbeelding worden voorgefteld > (i) de Zaligmaker<br />

zeide tot de Joden Joh. 5: 45. Die U verklaagt is<br />

Mozes; en van de wet lezen wij Rom. 3: ao. dat<br />

door dezelve de kennis der zonde is. En deze wet<br />

kan men zelfs als eisfcher aanmerken, welke ftraft<br />

vordert. Dit zou zelfs plaats kunnen hebben in een<br />

menfchlijke vierfchaar, daar de Regters iemand, wiens<br />

misdaad is bekend geworden, gaern zouden verichoonen,<br />

maar daar de wet ftraf vordert. Hier bij moet<br />

men<br />

d) Doch wat de duivel betreft, deze komt nergens voor<br />

in den Bijbel als zulk een aanklager des zondaars voor God<br />

in 't ftuk der Regtvaerdiging. Hij word wel genaamd een<br />

aanklager der broederen, Openb. 12: 10. vergel. Job. ico-11.<br />

Zach. 3: j.<br />

Doch daar word gefproken , niet van menfchen<br />

bij hunne regtvaerdiging voor God als Regtcr, maar<br />

van zulken die reeds geregtvaerdigden<br />

zijn , en de Satan<br />

komt in die plaatzen niet zo zeer voar als een regtmatigc<br />

aanklager, maar als een lafteraar van 's Heeren volk.<br />

b.j Met geen meer regt kan hier de confeientie worden<br />

bijgevoegd, want deze klaagt ons niet aan bij God, maar<br />

zij befchuldigt ons inwendig, gelijk 'tin alle kwaaddoeners,<br />

welkers geweten wakker is, toegaat; zij beklaagt zigzelerj<br />

wegens begaane zonden, Zie de Ueidelb. Katech vr. 60. Indien<br />

men al de confeientie hier deed in aanmerking komen,<br />

'zou men dezelve niet als aanklager bij den Godlijken Reg-<br />

«er, maar als een mede getuigen moeten befchouwen. Rom.<br />

a: 15.<br />

(0<br />

7- ie Cal. 3-; 24.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 299<br />

men nog ar.nmerken, dat men hier aan geen aanklager te<br />

denken hebbe, die regt vooreen ander verzoekt, gelijk<br />

fomtiids onder ons plaats heeft, maar aan zulk een,<br />

die voor zig zeiven kom: om gehandhaaft te worden.<br />

613) J' Wie de Foorfpr aak is, kan ik gemaklijk<br />

denken, 't is Jezus Chriftus.<br />

L. Dit kunr gij zeer wel uit zijne Middelaars bediening,<br />

waar van te voren (in 't X Gefprek) gefproken<br />

is, afnemen. Ja dat meer is, Jezus blijft een<br />

voorfpraak bij zijn vader na die regtvaerdiging, ,1<br />

Joh. 2: 1.<br />

614.) J. Ik heb hier nu van God den vader en van<br />

God den zoon horen melding maken, maar komt<br />

God de H. Geeft in 't fluk der Regtvaerdiging in 'c<br />

geheel niet in aanmerking?<br />

L. Dewijl volgens de Huishouding der genade,<br />

de Vader 't is, aan wien moet voldaan worden; en<br />

de zoon't is, die voldoet; en de H. Geeft, detoepasfer<br />

van de verworven heilweldaden; zo is de H. Geeft<br />

die perfoon, welke aan den gelovigen kennis geeft<br />

van de regtvaerdiging. Doch hier van ftraks nader<br />

als wij van de verzekering fpreken.<br />

J' Word nu telkens wanneer er een zondaar<br />

waatlijk in Chriftus gelooft, een Vierfchaar in<br />

den hemel gefpannen, waar in hij geregtvaerdigt of<br />

vrij verklaard wordt ?<br />

L. Ganfchelijk niet, gij moet zulke lichaamlijke<br />

denkbeelden van Godlijke en Geeftelijke zaken niet<br />

V. a ma:


300 Het veertiende Gefprek, van de<br />

maken: fchoon zij wel eens onder een lichaam lijk<br />

zinnebeeld worden voorgefteld. Neen de Regtvaerdiaing<br />

gefchied in den BIJBEL, daar in word ieder<br />

zondaar die in Chriftus gelooft vrijgefproken. Joh.<br />

3: 36. Die in den zoon gelooft, heeft 't eeuwige leven,<br />

Rom. 8: 1. Zo is er dan nu geen verdoemenis<br />

voor de geenen die in Chriftus Jezus zijn, enz. Men<br />

kan nu ook uit deze en dergelijke plaatzen opmaken,<br />

dat de uitfpraak van 't vonnis ter regtvaerdiging niet<br />

alleen in zig behelft een öntflag van de fchuld en<br />

ftraf der zonden, maar ook tevens een regtgeving tot<br />

't eeuwig leven. Van hier, dat de zodanige welgelukzalig<br />

worden genoemt, -wiens overtredingen ver.<br />

geven, wiens zonden bedekt zijn, aan wien de Heere,<br />

de ongeregtigheid niet toerekent, Pf. 32: 1, 2.<br />

vergel. Rom. 4; f, 8.<br />

616£ J. Wanneer gefchiedt de Regtvaerdiging?<br />

Ik fprak onlangs iemand, die wilde, dat zij van<br />

eeuwigheid was.<br />

L. Er zijn Godgeleerden geweeft, die dit gefteld<br />

hebben, en misfehien zijn er nog eenige weinige,<br />

die dit gevoelen voorftaan; doch Ichoon 't geen gefchilpunt<br />

van zo veel aanbelang is, gelijk fommige<br />

ons getragt hebben wijs te maken; indien men flegts<br />

voor 't overige omtrent dit leerftuk regtzinnig is;<br />

zo is 't juift niet nauwkeurig en naar de fpreekwijzen<br />

die de ff. S. gebruikt, gedagt. De regtvaerdiging<br />

is niet van eeuwigheid, maar gefchiedt<br />

zo


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 301<br />

zo dra <strong>im</strong>and door 't zaligmakend Geloof met Chriftus<br />

wordt vereenigt, of deszelfs geregtigheid omfaielft.<br />

Let hier llegts op deze volgende redenen<br />

a. ") Wij ontkennen niet, dat God van eeuwigheid<br />

aan de ukv.erkoorenen uit eene vrijwillige liefde de<br />

geregtigheid van Chriftus heeft tocgedagt, ja dit<br />

Hij dezelve in den Borg aanziende, als geregtvasrdigden<br />

befehouwen kon; maar dit alles voldoet niet<br />

aan 't denkbeeld van Regtvaerdigen, 't welk niet is<br />

't oordeel des Regters bij zigzelven te voren genomen,<br />

maar 't beftaat in eene duidelijke uitfprzak van 't<br />

vonnis der vrijverklaring aangaande eenen befchuldigden.<br />

Het voornemen Gods nu is wel van eeuwigheid,<br />

maar de uitfpraak van 't vonnis is in de tijd,<br />

en te vinden in 't geopenbaarde woord van God.<br />

b. ) Op gelijke wijze als men de Regtvaerdiging<br />

van eeuwigheid (telt, zou men ook de Roeping, 't<br />

Geloof, de Heiligmaking, enz. van eeuwigheid kunnen<br />

ftellen, 'tgeen ongerijmd is. Op zodanig<br />

eene wijze verwart men de regtvaerdiging met de<br />

eeuwige verkiezing.<br />

c. ) De uitverkoorenen zijn voor hunne wedergeboorte<br />

kinderen des toorns Eph. 2: 3, Vijanden Gods<br />

Rom. 5.' 10. Dus konden zij niet genaamd worden,<br />

indien zij al gc-regtvaerdigd waren.<br />

d. ) De II. S. fielt de regtvaerdiging na de roeping<br />

Rom. ü: 30. en zegt, dat zij uit endoor 't Getoof<br />

gefchiedt Rom. 5: 1. en Cap. 3: 28^ — Dus<br />

V 3<br />

be.


302 Het veertiende Gefprek, van de<br />

begrijpen 't ook de geachte Opftellers onzer Neder,<br />

lanufche Belijdenis, Art. 23. „ Welke gehoorzaam'<br />

„ heid van Chriftus onze is, ivanneer wij in Hem<br />

„ geloven".<br />

617. ) J. Blaar hoe kan Paulus dan zeggen, dat<br />

deze weldaad al gefchied is bij de opftanding van<br />

Chriftus Rom. 4: ȣ. Die overgeleverd is om onze<br />

zonden, en opgewekt om onze regtvaerdiging.<br />

L. 13e Apoftel zegt niet, dat de uitverkoornen bij<br />

Chriftus opftanding geregtvaerdigt zijn, maar om of<br />

van wegen. Verftaa 't op deeze wijze, dat God de<br />

Vader door deze opwekking betoond heeft, dat Hij<br />

den dood van zijnen zoon voor een genoegzaam randzoen<br />

voor de zonden zijns volks heeft aangenomen ,<br />

waar door iemand kan verzekerd zijn, dat wanneer<br />

hij gelooft in Chriftus, vergeving der zonden ontvangen<br />

zal in zijnes naam. Dit nu zou geen plaats gehad<br />

hebben, indien Chriftus in den dood ware gebleven.<br />

Ik)<br />

618. ) J. Doch hoe kan de toerekening van Chriftus<br />

(k) De zin van 't geheele vers zal dan hier op uit komen;<br />

dat gelijk de zonden der uitverkoorenen veroorzaakt heb.<br />

ben, dat de Heiland is overgeleverd; 't verwerven van die<br />

geregiighvid door Hem, die de eenige grondllag der regtvaerdiging<br />

zijns volks is, de oorzaak was, waarom Hij van<br />

der. Vader is opgewekt.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 503<br />

ftus geregtigheid 't geloof volgen, daar de II. Geeft<br />

in den zondaar 't geloof werkt, dit kan <strong>im</strong>mers met<br />

gefchieden, dan uit kragt van Chriftus geregtigheid<br />

den zondaar te voren toegerekend ?<br />

L. Men kan gevoeglijk onderfcheid maken, tusfchen<br />

zaken, die aan elkander verknogt zijn. x) De<br />

eeuwige verkiezing, waar door de Vader alle genade<br />

weldaden in Chriftus aan hun heeft toegedagt. a)<br />

De verdienftfi of zoenofferande van Chriftus, 't zij<br />

men die aanmerkt als zullende aanbrengen, 't zij als<br />

reeds aangebragt. 3) ^ toepasfing of toeeigening<br />

van die zoenofferande; dit laatfte gefchiedt door den<br />

H Geeft, die volgens 't eeuwig raadsbeftuit in de uitve'rkoorenen,<br />

wegens de verdiende of zoenofferande<br />

van Chriftus in hun *t geloof werkt, waar door hun<br />

op eene Gode betamelijke wijs de geregtigheid zou<br />

kunnen worden toegerekend, dat is dat zij deelgenoten<br />

kunnen worden, van de goederen des Genaden<br />

verbonds.<br />

Ó19.) 7- I k b e n z e e r welvoldaan, doch gefchicdc<br />

deze regtvaerdiging maar eens en volkomen , zo dat<br />

alle zonden zelfs toekomeode vergeven worden; of<br />

gefchiedt zij nog dagelijks op elke vernieuwde geloofs<br />

daad? Wat ik hier omhels, beide fchijnt bedenking<br />

en zwarigheid onderhevig. Stel ik 't eerfte,<br />

dan moet ik daar toekomen, dat er zonden wotden<br />

vergeven, die nog niet gemaakt zijn, dan mag men<br />

ook niet meer bidden om vergeving, enz. Kies ik<br />

V4


304 Het veertiende Gefprek, van de<br />

't laatfte, dan volgt, dat de regtvaerdiging waar van<br />

wij thands gefproken hebben, onvolkomen is, vermits<br />

zij gerïuurige herhaling nodig heeft; en hoe<br />

moet men 't dan maken met een Godvrugtige, die<br />

onverwagt fterft? Gilleren avond in 't fraaije werk<br />

van FRANKEN (7) lezende, merkte ik dat onze Godgeleerde<br />

in ditftuk verfchillen, zijn Eerw. ftelt beide<br />

de gevoelens voor; maar durft,, zo 't fchijrjt, geen<br />

verkiezing doen.<br />

L. Het is zeker lang een zaak van bedenking geweeft,<br />

en men heeft de zwarigheden langs verfchillenden<br />

weg tragten op te ru<strong>im</strong>en, welke ik kortheids<br />

halve niet op zal noemen. Ik denk er (behoudens beter<br />

oordeel) eenvouwdig dus over: dat de Regtvaardiging<br />

of vergeeving van zonden, waar van wij thans<br />

gefproken hebben, op eenmaal en volkomen gefchiedt,<br />

't is een daad van God als Regter aangemerkt, zij<br />

krijgen ontflag (zo dra zij door 't geloof Chr'iftus<br />

omhelzen en zig met Hem vereenigen) van alle zonden,<br />

die zij tot dat ogenblik bedreven hebben, en te<br />

gelijk eene gunftige verklaring, dat zij wegens toekomende<br />

misdaden niet zullen verdoemd worden,<br />

Rom. 8: x. Zij krijgen langs dien weg als geregtvaerdigd»<br />

in Chriftus tot God als hunnen Vader<br />

eene kinderlijke betrekking. Zo dra zij nu zondigen<br />

(i) Stellige Godgei. ide Deel p, 486 - 491.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 305<br />

gen handelen zij ontrouw en liefdeloos, en God de<br />

Vader mag hen ten nutte kaftijden. Van hier dat<br />

een Chriften wegens geduurige ftruikefingen, dagelijks<br />

zig voor God moet verootmoedigen en met<br />

fchuldbelijdenis om fchuldvergiffenis fmeken , dat<br />

God om zijne verkeertheden deszelfs aangezicht niet<br />

wil verbergen, noch hem doen naar zijne zonden;<br />

maar dezelve om Chriftus gunftrijk vergeven. Dus<br />

begrepen zijnde, worden alle zwarigheden weggenomen,<br />

en de ongerijmtheden te voren opgenoemd,<br />

vervallen van zelfs.<br />

620) J. Nog eene bedenking, en dan ftap ik er<br />

af, zij is deze: indienden regtvaerdigen zo volkomen<br />

de verdienften des Heilands worden toegerekend,<br />

hoe kan Petrus dan zeggen, dat de regtvaerdige<br />

nauwlijks zalig word? 1 Pet. 4: 18.'<br />

L. Het woordje nauwlijks moet men niet verftaan in<br />

den zin van bezwaarlijk, dit kan geen plaatshebben,<br />

noch aan de zijde Gods noch aan de zijde van de Gelovigen,<br />

Niet aan Gods kant, dewijl de Vader volkomen<br />

genoegen heeft genomen in de zoen offerande van zijn<br />

Zoon, die ook als Middelaar volkomen voldaan heeft<br />

aan de Godlijke geregtigheid, en de //. Geeft all de<br />

verworvene heilwekladen volkomen aan de gelovigen<br />

deelachtig maakt. De regtvaerdige kan ook niet aan<br />

zijn kant gezegt worden bezwaarlijk zalig te worden<br />

, want hij kan nu niet befchouwd worden als een<br />

Godlozen of onherboornen, maar is een geregtvaer-<br />

V 5


306 Het veertiende Gejprek, van de<br />

digden, san wien 't regt ten eeuwigen leven is toegezegt,<br />

en komt niet in de verdoemenis, fchoon zijbe<br />

heiligmaking in dit leven onvolmaakt is, gelijk<br />

wij die waarheden te vooren bewezen hebben; men<br />

voege hier nog bij, Rom. 5; 10. Indien wij vijanden<br />

zijnde, met God verzoend zijn door den<br />

dood zijns zoons, veelmeer zullen zvij Verzoend zi<br />

de, behouden ivorden door zijn leven. Doch 't<br />

Griekfche woord (ptom) door nauwlijks vertaald,<br />

komt af van een woord CUOAO?) 't welk arbeid ofJlrijd<br />

betekent. De gelovigen waren in Petrus tijd in zwaa><br />

re verdrukkingen en onder vervolgingen, waar van<br />

de Godlozen in dit leven bevrijd waren ; God is<br />

nogthans een regtvaerdig Regter. De zin van dit<br />

vers is dan deze: Indien de regtvaerdige niet zonder<br />

Jlrijd of moeijlijkheden en verdrukkingen zalig<br />

wordt; dan mag men billijk denken, dat de Godlozen<br />

en zondaars 't aller ondragelijkft na dit leven<br />

zullen hebben, waar zal de Godloze en zondaar<br />

verfchijnenP Dat hier 't gemelde Griekfche woordje<br />

, op 't lijden der geloovigen in dit leven ziet,<br />

blijkt klaar genoeg uit 't voorgaande 16 en 17 vers<br />

en 't volgende 19 vers. (OT).<br />

621.;<br />

(m) Het is opmerkeiij'k dat men dezelve woorden van 't<br />

heele 18 vers vindt in de Griekfche overzetting des Bijbels,<br />

üie incnde Septuaginta noemt. Spreuk, tu 31. daar wij vol.<br />

gens


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 307<br />

621.J J. Gelief nu tot de Heiligmaking overte,<br />

gaan,<br />

als eene andere weldaad des Genaden verbonds.<br />

L. Het is „ een Genaden werk Gods des H. Geefts,<br />

,, waar door de Regtvaerdigen hoe langs zo meer van<br />

„ de verdorvenheid gezuiverd, en naar Gods beeld<br />

„ vernieuwd worden, '1 welk bij den dood eerft vol-<br />

„ tooit word". 1 Cor. 6: 11. maar gij zijt af gewas-<br />

Jcken, maar gij zijt gebeiligt, maar gij zijt geregtvaerdigt<br />

in den naam van den Heer Jezus, en door<br />

r^„„a ,.„~o


3o8<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

volkomen vergeven wordt; de Heiligmaking over de<br />

verdorvenheid, die trapsgewijs wordt weggenomen.<br />

2) De Regtvaerdiging gefchiedt buiten den gelovigen<br />

in 't woord van God, de Heiligmaking binnen<br />

in den gelovigen.<br />

6*230 J- Gij flelt de Heiligmaking in dit leven<br />

onvolkomen, en dit fchijnt aantelopen tegen Paulus<br />

taal i Cor. 2: 6. Philip. 3;<br />

I 5.<br />

H e i u<br />

g ^<br />

daar de gelovigen volmaakten genoemt worden.<br />

- L. Men kan hier niet denken aan eene Heiligmaking<br />

in den hoogften trap, die zij inwendig zouden<br />

deelachtig zijn, want dan zou de Apoftel zigzelven tegenfpreeken,<br />

1 Cor. 13: 10. Philip. 3;<br />

I 2. ]\| aar<br />

wij moeten hier denken aan eene volmaaktheid in<br />

Chriftus, of aan eene volmaaktheid der deeien, en<br />

in vergelijking met anderen ; zo maakt Paulus een<br />

onderfcheid in de gelovigen, gelijk 'er is tusfchen<br />

kinderen en volzvasfenen, Hebr. £<br />

14. Het woord<br />

(rêAeof) daar door volmaakt overgezet, word 1 Cor.<br />

14: 20. door volwas/en vertaald.<br />

624.) Wat is verder aantemerken ?<br />

L. Dat deze Heiligmaking zig naar buiten vertoont<br />

m de betragting van goede werken als derzelver vrugfen.<br />

Dit word eene tweede of dagelij kfche bekeer mg<br />

genoemd, om dat zij in zig behelft eene verdere affterving<br />

des ouden, én eene verdere opftanding des<br />

nieuwen menfeh.<br />

62.5. J. Gij fpreekt daar van de goede werken<br />

ik


Regtvaardiging, Heiligmaking, &nz. 309<br />

ik heb uit HELLENBROEK geleerd , dat de dezelve<br />

moeten gefchieden „ uit 't geloof, naar Gods wet,<br />

,, en tot Gods eer". En dit word vervolgens uit de<br />

H<br />

niet.<br />

S. bewezen,- doch ik begrijp dit in 't geheel<br />

L. Zo fpreekt er ook de Heideld. Katechismus over<br />

vr. 91. Welke duifterheid vindt gij daar in?<br />

526.) J. Ik weet niet regt wat ik door 't Geloof<br />

verftaan moet, dewijl Paulus Rom. 14:23. zegt, Al<br />

wat uit 't geloof niet is, dat is zonde.<br />

Dit zegt de<br />

Apoftel bij gelegenheid, dat hij over 't ecten en niet<br />

eeten van zekere fpijze fpreekt.<br />

L. Zo lang de H. Geeft, die 't geloove werkt,<br />

't hart van den menfeh niet geheiligt heeft, zo is hij<br />

werkzaam uit een grondbeginfel van verkeerde eigenliefde<br />

O).<br />

Hier uit blijkt van zelve, dat niemand<br />

ten zij een waar gelovige werken doen kan, die fchoon<br />

onvolmaakt, nogthans uit hoofde van hun opregtheid<br />

den naam kunnen dragen van goede werken.<br />

•<br />

Uit<br />

fa) Ik zeg eene VERKEERDE eigenliefde. Men vergift zig<br />

zeer, dat de zuivere eigenliefde zou zondig zijn, God zelve<br />

heeft ze den regten menfsh ingefchapen, en Hij vooronderftelt<br />

die eigenliefde ah geoorloofd, in zijne Wet, als<br />

Hij zegt Gij zult uwen naaften lief hebben als U Z E L V E N .<br />

Men kan hier over lezen, de in 't Nedcrduitfch verhaalde<br />

Redevoering van Profr. V A N DE WIJNP£R,SSE.


3io<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

Uit den gelove duidt in de H. S. deze twee dingen<br />

aan.<br />

a. ) Wanneer men iets verrigt, moet men geloven<br />

dat 'c niet ftrijdig is met den wil van God. Indien iemand<br />

iets doet, dat op zigzelven niet kwaad is, wordt<br />

het zonde, indien hij (fchoon verkeerdelijk) denkt<br />

dat God 't verboden heeft. b. v. Daar er met den<br />

dag des N. T. geen onderfcheid is in fpijze, en niets<br />

onrein is, bij gevolg derzelver gebruik geen zonde;<br />

wordt nogthans 't gebruik zonde, indien hij meent<br />

verboden fpijze te eeten. Hier ziet Paulus op Rom.<br />

14: 23. in verband met 't vorige befchouwd.<br />

b. ) Ook noemt de H. S. een werk., dat uit den<br />

gelove is, zulk eene daad , welk met opzicht tot<br />

Chriftus gefchied, in vertrouwen dat 't in Hem, Gode<br />

zal aangenaam zijn. In dien zin fpreekt er Paulus<br />

van Hebr. II: 6. Zonder geloof is 't onmogelijk God<br />

te bebagfn, in verband met 't volgende.<br />

5 2 7'~) J- Gelief verder voort te gaan.<br />

L. Hetrigtfnoer, waar naar onze daden moeten gefchikt<br />

worden, is de Wet van God zijnde de Godlijke<br />

wil, die men te betragten heeft: 't zij men die<br />

befchouwt als ingefchapen , 't zij als geopenbaard<br />

in Gods woord. ((?)<br />

627.)<br />

Co) De ganfche Bijbel verdient den naam vanlVet vanGoi,<br />

voor zo ver zij pligten in zig bevat, integenftelling van 't<br />

Euan-


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 311<br />

628.) J. Behoeven dan de werken der gelovigen<br />

niet ingericflt te zijn naar crl wetten van onze Burger-<br />

Overheden of Kerklijke opzieners?<br />

L. Deze moet men ook gehoorzamen, indien dezelve<br />

niet ftrijden tegen de Godlijke wet, want dit<br />

is de wille Gods. Paulus leert zulks, Rom. 13.<br />

' 629.) J. Hoe kunnen de Wetten verdeelt worden?<br />

L. In twee zoorten. 1.) In zedelijke Wetten, die<br />

de natuur leert. 2.) In fiellige Wetten, die zonder<br />

bijzondere openbaaring niet kunnen gekend worden.<br />

630.) J. Had Ifrael niet door Godlijke Openbaring<br />

beide zoorten van wetten?<br />

L. Ja de burgerlijke en kerkplegtige Wetten kunnen<br />

tot de fiellige, en de Tiengeboden tot de zedelijke<br />

of Natuurwet gebragt worden fj>).<br />

631-)<br />

Euangelie 't welk de beloften van zaligheid betreft.<br />

De Zaligmaker<br />

geeft daarom aan 't boek der Pfalmen den naam van<br />

IVet Jok. 10: 34. Joh. 15: 25. En Paulus noemt 't O. T.<br />

de Wet en de Propheeten.<br />

(p) Het is aanmerkelijk, dat men in de Schriften der Heidenen,<br />

die den Bijbel niet hadden, dingen vindt, die vcej<br />

overcenkomfl hebben met de Tiengeboden, betreffende 't Ie<br />

gebod zegt CICERO ,, De natuur zelve heeft in de gemoederen<br />

„ van alle menfchen eene bezeffmg der Godhdd ingedrukt".<br />

ZiKCHius (de xtno vero DeeL.<br />

I. C. 3) noemt onder dellei.<br />

de


312 Het veertiende Gefprek, van de<br />

°3«0 J- Wat moet men door die Burgerivetten<br />

verftaan P *<br />

L. Die wetten waar na Ifrael in vrede en Oorlog<br />

moeft<br />

dencn , die maar eenen Opperften of waaren God erkend<br />

hebben HOMBRUS, PIJTHAGORAS, PLATO, MENANDER. enz.<br />

Het He Gebod, daar toe kan men onder anderen<br />

brengen't zeggen van den Griekfchen Poëet ARATOB, Zie<br />

Hand. 17: 28 , 29 SEIS FCA zegt dat men God niet kan uitbeet.<br />

den. • Het Me Gebod: SOCRATES zeide altijd ontzag<br />

te hebben voor de namen der Goden; en CICERO getuigt: „ On-<br />

„ ze voorouders heiben geen nauwer band om onze trouw te ver-<br />

,, binden gehad, dan den eed" • Het IVe Gebod: Jo«<br />

ZEraus (contra App. L. II.) zegt. „ Daar is geen Stad van<br />

Grieken of Barbaren nog eenig volk 't welk de gewoonte van<br />

„ met ons eens ter week te ruften, niet aangenomen heeft", —<br />

Het Ve Gebod: EUR:PIDES zegt, „ Die levende zijn Ouders<br />

,, eert, die is in zijn leven en fterven aan God geliefd".<br />

Her Vle Gebod.- OVIDIUS ieert, dat de fchuld des doodftags<br />

met geen water is af te fpoelen. Het V.lle. Gebod: SE-<br />

NECA zegt Men heeft al overfpel begaan, wanneer men 't<br />

„ zelve begeerdt". Het VlIIe. Gebod: JUSTINUS zegt<br />

Geen fchelmftuk is fnoder dan den diefftal". ••' • Het IXe.<br />

ARISTOTBLES zeide De leugen is door zig zelfs fchandelijk en<br />

verfoeijelijk; de waarheid fchoon en prijsfelijk". —— Het Xe.<br />

Gebod: Tegen de begeerlijkheid gaf PLATO die leffe „ Dat<br />

„ men niet moet tragten zijne bezittingen te vermeerderen ,<br />

„ maar zijne begeerte te verminderen". Zie ook I Thesf. \t<br />

5. Veele van dergelijke gezegden uit de Schriften der Heidenen<br />

aangaande de Natuurwet, vindt men bij eec gezameld<br />

door J. SLUIJTER over de wet des Heeren,


Regtvaerdiging, Heiligmaking, enne. 313<br />

rnoeft beftierd worden: waar uit men wel zommige<br />

dingen kan ^vernemen; maar anders meed: gefchikt<br />

1 waaren naar de gefteltheid van 't land en volk van<br />

Erael.<br />

^3 r 0 J' Wat verftaat men door de kerkplegtige<br />

i wetten ?<br />

L. Deze worden Ceremoniële wetten genaamd, om<br />

dat zij zekere plegtigheden bevatten, ook wel fcha*<br />

duwagtige om dat zij op Chriftus zagen. Men ver*<br />

ftaat er door, dat geheele lichaam van wetten, omtrent<br />

de priefters, offeranden , wasfchingen , enz.<br />

Deze in Chriftus 't tegenbeeld vervuld zijnde, zijn<br />

na deszeis dood en hemelvaart afgefchaft. Hebr.<br />

10: I. De wet hebbende een fcbaduwe der toekomen*<br />

, de goederen enz.<br />

Ij 63 a.) J. Welke moet men tot de zeaelijke wetten<br />

brengen ?<br />

L. Alle<br />

(q) Zommige dingen kunnen uit de Burgerwet overgenomen<br />

worden, b. v. de wet der bloedjchande enz. Let. 20.<br />

Aangaande*/* Doodflagers Deut. 19: 4. enz.<br />

andere dingen, Zie Lev. 33." 22. Cap. 24: 16—16.<br />

En nog ve&le<br />

Andere<br />

wetten waren gefchikt naar de geftctdheid van 't land en<br />

volk ffraels, b. v.<br />

een wet van eene leuning op 't dak te makm,<br />

Deut. 22: 8 een dorfchende offe niet te muilbanden,<br />

Deut. 25: 4. En veele andere dingen, Zie Lev. 25: 13 —<br />

16 en 47 — 52. Num. 36: 6 - 9. Deut. 15: 12. en dergelijken.<br />

11de DEEL.<br />

X


314 Bet veertiende Gefprek, van de<br />

L. Alle die zedelijke bevelen, zo die de natuur li<br />

leert, als die in 'r ganfche woord van God vervat»<br />

zijn, waar van men een kort begrip vindt in de Tiengeboden<br />

aan Ifrael gegeven,<br />

°33 ) J. Zijn de tien Geboden maar een kort be- | 1<br />

grip der zedenwet?<br />

L. Zekerlijk ja, alle zedelijke pligten, noch ook B»<br />

zedelijke wanbedrijven worden er niet woordelijk of i'<br />

uitgeivikkeld in voorgefteld, b. v. de pligt van ma- i ï ;<br />

tigheid in fpijs.en drank; de ondeugd van dronken- f<br />

fchap en braffexij enz. En dit leert ons dat de tien i ,;<br />

Geboden een uitgejlrekten zin hebben, dat is, dat I 1<br />

alle andere geboden en verboden, in den Bijbel voor i i;<br />

Komende, tot een van die tien Wetwoorden kunnen<br />

gebragt worden. Dus had de Ceremouieele wct^ «<br />

waar in de wijze van den Godsdienft onder de dagen<br />

des O. T. was bepaald, haar grond in de eerfte ta^<br />

fel dezer wee; en de burgerlijke wet, had haar grond 0<br />

in de tweede tafel. De Zaligmaker (telt ze in \<br />

nog korter begrip voor, en brengt alles tot twee ge- \<br />

boden, nariielijfc de liefde Gods en des naaften, en c<br />

leert tevens, dat de wet geeftelijk is, dat wil zeggen,<br />

niet alleen 't uitwendig gedrag des menfchen betreft,<br />

maar ook't harte raakt, Matth. 21: 37-40. verge. -<br />

leken Kom. ?: 14. Matth. 5: 27, 20'.<br />

In dit laatnV<br />

gemelde Hoofdftuk heeft Chriltus de wet niet ver-'<br />

meeruerd , noch verbeterd ; maar alieen gezuiverd<br />

van de dwalingen dier Joden, welke leerden , dat<br />

men<br />

^<br />

a<br />

B<br />

E<br />

, r


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 315<br />

men met de uitwendige letter der tienGeboden te ou><br />

jferhouden, gemakkelijk voldaan kon. •<br />

6; n<br />

) J. Zou men de tien Geboden niet kunnen<br />

aanmerken als een der burgerwetten van Ifrael, dje<br />

niet ons, maaralleen 't Joodfche volk raakte?<br />

L. Ganlcheüjk met ., de wet der tien Geboden<br />

wordt zeer duidelijk van alle de burgerlijke wetten<br />

onderfcheiden: 1.) Zij werd op eene zeer luifterijke<br />

wijze afgekondigt. 2) Op twee fteene tafelen gefchreven,<br />

en wel door God zelve. 3) Zij werd gelegd<br />

in de arke des verbonds enz. Dit was zo niet<br />

met de andere wetten. Wij ontkennen niet,<br />

dat zij was ingericht naar de gefteltheid van "t volk<br />

lfraels, en hen in de eerfte plaats betrof, gelijk uitde<br />

voorrede blijkt; wij willen ook niet, dat zij ons<br />

aangaat, om dat zij aan Ifrael is gegeven: want dan<br />

raakten ons ook alle de overige wetten; maarzij raakt<br />

ons, 0111 dat derzelver geboden zedelijk zijn , gegrond<br />

op de natuur van God en 't fchepzel, benevens<br />

op de orde die God gewild heeft, dat in da<br />

menfchlijke maatfchappij zou ftandgrijpen. (r)<br />

(r) Rij voorbeeld. Indien God 't ganfeh menfendom op<br />

eenmaal of te gelijk gefchapen lud, dan kon men zijn Vader<br />

cn moeder niet eeren, volgens 't 5de gebod, noch overfpel<br />

begaan naar 't 7de gebod. Indien er a.tooi volgens den Godlij.<br />

X 2


316 Bet veertiende Gefprek, van de<br />

636.) J. Hebt gij nog iets van de zeden wet aantemerken<br />

?<br />

L. Dewijl zij in zig behelft den eifch van 't werkverbond,<br />

zo dient ze om den zondaar van zijn diepe<br />

ellende, fchuld, en ftrafwaardigheid te overtuigen,'<br />

en tevens van de onmogelijkheid om door de werken<br />

der wet behouden te worden, Gal. 3: 10. op dat<br />

hij uitzie naar den Middelaar Jezus Chriftus, om<br />

door 't geloove in Hem zalig te worden, Gal. 3:<br />

21, 22. En dan dient deze wet den verloflen des<br />

Heeren tot een regel van waare dankbaarheid, zie de<br />

Beidelb. Rat. Zond. 34-44.<br />

63''O J. Kunnen de gelovigen, die wet wel volmaakt<br />

in deszelfs uitgebreidden en gecftelijken zin<br />

onderhouden ?<br />

Z, Neen, de allerheiligflen, zo lang zij in dit leven<br />

zijn, hebben maar een klein beginfel dezer gehoorzaamheid;<br />

doch alzo, dat zij met een ernftig<br />

voornemen niet alleen naar zommigen, maar naar alle<br />

geboden tragten te leven. Zie de Beidelb. Kat.<br />

vr. 114. 637.)<br />

lijken wil een gemeenfehap van goederen had moeten plaats<br />

grijpen, dan was 't 8te Gebod, gij zult niet fteelen onnodig<br />

geweeft, gelijk ook *t 10de gebod, enz. Dus ziet men hoe<br />

de letterlijke zin van de meefte geboden der 2de tafel, niet<br />

voortvlocijen uit de natuur van God en't fchepzel alleen,<br />

maar inzonderheid ruften op de orde, die God in de maatfichappij<br />

der menfchen gefield heeft.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 317<br />

638. ) J. Hier komt mij nog een bedenking te<br />

binnen: hoe kan een gelovige alle zijne bedrijven<br />

naar de wet van God inrigten; alles is <strong>im</strong>mers in<br />

Gods woord niet nauwkeurig bepaald, wat wij doen<br />

of laten moeten ?<br />

L. Het is zeer verkeert, dat men alles in den Bijbel<br />

letterlijk wil uitgedrukt hebben, indien dit plaats<br />

had, mag ik ook wel met Johannes zeggen in zijn<br />

Euang. Cap. SM; 25, de weereld zou de geCchtevene<br />

boeken niet kunnen vatten. Neen, wij als redelijke<br />

fchepzelen, mogen en moeten gevolgen trekken:<br />

zijn wij gaern gehoorzaam aan 's Heeren wil,<br />

dan zal een kleinen wenk ons genoeg zijn (f).<br />

639. ) J. Nu moeten wij nog van 't 3e vereitchte<br />

van een goed werk {preken. •<br />

L. Ja, en dat is, dat alle onze daden zo veel<br />

moge-<br />

(j-) Men kan dit met voorbeelden ophelderen: De Engel<br />

zeide niet tot de fleiders, dat zij naar Ccthlehem nueftsn<br />

gaan; hij zei Je alleen, dat zij 't kindeke daar zou-lcn vinden;<br />

en hier ui: trekken zij 't befluit, dat zij derwaards behoorden<br />

te gaan. •• Maria de zufter van Lazarus, had<br />

nergens in den Bijbel gelezep, dat zij den Zaligmaker met<br />

welriekende Nardus moeft zalven: evenwel doet zij zulks,<br />

en wel zeer overvloedig, en Jezus keurt 't goed.<br />

Zie dit alles Lue. 2: 12, 15. Joh. ia: 3 — 8. En dergelijke.


318 Het veertiende Ge/prek, van de<br />

mogelijk is, moeten ingerigt worden tot eer van God,<br />

dit leert Paulus i Cor. 10; 31. 't zij dat gij Heden<br />

eet, 't zij dat gij drinkt, 't zij dat gij iets anders<br />

doet, doet 't al ter eere Gods.<br />

640.) J. Zoud gij mij alle de pligten van een gelovigen<br />

kunnen opnoemen?<br />

L. Daar toe is ons bellek veel te kort", gij moet<br />

hierover een boek lezen, dat over ae Chrijlelijke<br />

ztdekundc handelt. Ik zeg alken dit, dat men die<br />

pligten tot vier hoofddeelen brengen kan, die weder,<br />

om haar onderdeden hebben.<br />

God;<br />

1.) Pligten jegens<br />

2) jegens ons zelfs; 3) jegens- onze naaften;<br />

A) jegens de overige Schepzelen, In de II. S.<br />

vindt men verfcheiden plaatzen, in welke een reeks<br />

vsu pligten bij elkander voorkomen, b. v. Micba 6:<br />

8. IVat eij'cht de -Heere van U, als regt te doen,<br />

weldadigheid lief te hebben, en ooi moedig te wandelen<br />

tv et uii en God. Tit. 2: II, 12. De Zaligmakende<br />

Gen aai Gcds isvcrfcheenen allen iveifchen, en onderwij/l<br />

ons, dat wij de Godloosheid, en de weereldfche<br />

begeerlijkheden verzakende, matig, en regtvaardig<br />

en Godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wee.<br />

reld. 2 Pet. 1: 5-7. Fuegibij uw gelove deugd,<br />

en bij de deugd kennisje, en bij ue keunisfe matigheid<br />

en bij • de matigheid lijdzaamheid , en bij de lijdzaamheid<br />

Godzaltgbeed, en bij de Godzaligheid broederlijke<br />

liefde, en bij de broederlijke, liefde [tegen<br />

mlle.2


Roegtvaardlgitig, Heiligmaking, enz. 319<br />

641. J. Waartoe moet een gelovige nog goede<br />

werkendoen, daar Chrittus <strong>im</strong>mers volkomen voor<br />

hem voldaan heeft?<br />

L. De goede werken zijn nuttig en nodig:<br />

a. ) Zij zijti nuttig om God te verheerlijken,<br />

Job. 15: 8. Hier in is mijn Vader verheerlijkt,<br />

dat gij veel vrugt draagt.<br />

Om den naaften te<br />

ftichten, Matth. §: 16. Laat uw licht alzo fchijnen<br />

voor de menfchen, op dat zij uwe goede werken<br />

zien.<br />

verzekerd te zijn,<br />

Om int dezelve, als uit echte vrugten,<br />

van zijn opregt geloof, de inwendige<br />

roeping en de verkiezing, Jac. 2: 14, 17,<br />

18. 2 Petr. 1: 8-10.<br />

b. ) Zij zijn volftrekt nodig — r t is 't oogmerk<br />

van Chriftus verlosfing.<br />

verpligt tot dankbaarheid<br />

De verlosfing zelve<br />

De geloofs vereeniging<br />

met Chriftus door den Geeft brengt zulks mede.<br />

Zij komen in 't zalig worden van menfchen<br />

te pas, niet ah verdienstelijk, want wij heb.<br />

ben te voren gezien, dat 't vrije genade is; maar dewijl<br />

zij mede naar de Godlijke orde voorkomen in<br />

de toepasfing van zaligheid, zo zijn ze de weg, niet<br />

om welken, maar langs welken men behouden word.<br />

Eph.<br />

2: 10. Want wij zijn zijn maakzel gejehapen<br />

in Chriftus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid<br />

beeft, op dat wij<br />

in dezelve zouden wandelen,<br />

642.) J. Uit ai't geen wij thans wegens de He-<br />

X 4<br />

hg


320 Het veertiende Gefprek, van de<br />

ligmaking verhandeld hebben, blijkt mij klaar, dat<br />

zij haar opzigt heeft op den geheelen wandelen Godsdienft<br />

van een waar Chriften, in alle omftandigheden<br />

en ten allen tijden.<br />

Doch gelief mij op te geven de<br />

befte middelen ter bevoordering der dadelijke Heiligmaking?<br />

Z. De hulpmiddelen om in den ftaat der genade<br />

en dagelijkfche bekeering voortgangen te maken, zijn<br />

van tweerlij zoort.<br />

a. ) Het zijn hulpmiddelen die God zelfs inwendig<br />

of uitwendig geeft, door \ geen de Heere den<br />

gelovigen doet ontmoeten in voor of tegenfpoed; of<br />

door 't geen God in anderen laat gebeuren om te<br />

djen ftrekken tot leeringen waarfchouwing.<br />

b. ) Wij moeten hier ook denken aan hulpmiddelen,<br />

die de gelovigen zelve in af hangelijkheid van<br />

God moeten in 't werk ftellen. En hier toe kunnen<br />

verfcheidene zaken gebragt worden, die wij om kort<br />

te zijn alle tot twee voorname brengen, te weten wakenen<br />

bidden, welke beide moeten famengaan, want<br />

waken zonder bidden zou een fteunen zijn op zigzelfs,<br />

en bidden zonder waken is eene zorgeloze sefteltheid.<br />

6<br />

13-) J- ik kan niet begrijpen hoe V waken eau<br />

middel zijn kan ter bevordering van Heiligmaking.<br />

Indien een Chriften dikwijls den nagt flapeloos doorbrengt,<br />

zo kan 't hem zodanig afmanen, dat zijn<br />

lichaam ongefteld raakt, en hij daar door ook min<br />

be-


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 321<br />

bekwaam word om werkzaam te zijn in Godsdienftige<br />

dingen.<br />

L. Ik bedoel hier niet zo zeer een natuurlijk waken<br />

of onthouding van flaap, als wel voornamelijk<br />

een geeflelijk waken, beftaande in eene nauwkeurige<br />

oplettendheid op alle onze pligten, en op alles<br />

wat ons voorkomt.<br />

Dit waken is van verre uitgeftrektheid.<br />

deze twee Hukken uit.<br />

Het hoofdzaaklijke komt nogthands op<br />

a. ) De eerfte pligt betreft 3e gelegenheid der<br />

zonden, en beftaat om die gelegenheid tot de zonden<br />

vooruittezien, daartegen op zijn hoede te zijn, en<br />

die op alle mogelijke wijzen zorgvuldig te mijden.<br />

En wanneer men die gelegenheden niet heeft kunnen<br />

vooruitzien, noch vermijden, dat men dezelve dan,<br />

wanneer zij voorkomen, niet alleen kloekmoedig in<br />

Gods mogenheid wederftaat, maar zelfs in de beginfelen<br />

weerftand biedt, op dat zij over ons de overhand<br />

niet krijgen.<br />

b. De tweede pligt betreft de gelegenheid van<br />

deugd en Godsvrugt,<br />

en beftaat daar in, dat men<br />

alle goede en gepaite gelegenheden daar toe zoekt,<br />

en wanneer zij ons voorkomen, die dadelijk te omhelzen<br />

en daar van gebruik te maken.<br />

644.) J. Gelief nu tot 't Gebedüs 't tweede voornaame<br />

hulpmiddel overtegaan.<br />

L. „ Het is die nedrige aanfpraak tot God, waar<br />

j, door men zijn eigen ellende en gebrek of dat van<br />

X 5<br />

„ an-


322 Het veertiende Gefprek, van de<br />

„ anderen, ootmoedig te kennen geeft, derzelver<br />

„ vervulling uit genade om Chriftus wil affmeekt,<br />

„ en den Heere voor genorene weldaden dankt". Ik<br />

maak de befchrijving van 't gebed met dat oogmerk<br />

zo breedvoerig, op dat zij op meeft aile foorten van<br />

gebeden kan toepasfeiijk gemaakt worden. Zo fpreekt<br />

Paulus i T<strong>im</strong>. 2: 1. van Jmekingen, gebeden, voorbiddingen<br />

,' dankzeggingen. Het eerfte woord kan<br />

toepasfeiijk gemaakt worden op afbiddingen van 't<br />

kwade; 't 2de op toebiddinge om 't goede; 't 3de<br />

ziet op een gebed voor andere; en 't 4de behelft eene<br />

erkentenis van reeds bewezen iveidaden.<br />

645.) J. Dat eene Dankzegging tot God voor<br />

genootene gunftbewijzen nodig is, kan ik zeer gemakkelijk<br />

begrijpen , behalven , dat Paulus zulks<br />

leert, 1 Tbesf. 5: 18. Dankt God in alles. Maar<br />

't ichijnt overtollig , dat men om iets bidt: God<br />

weet alle onze noden, en heeft reeds van eeuwigheid<br />

beflooten, wat Hij ons geven zal, en dat befiuit kunnen<br />

wij met ons bidden niet veranderen.<br />

L. Het moet ons genoeg zijn, dat God zelve 't<br />

gebed heeft bevolen, Pf. 50: 25. Matth. 7: 7. dat<br />

Chriftus en zijne Apoftelen ons daar in hebben voorgegaan;<br />

daar en boven kunnen wij aanmerken, dat<br />

't gebed mede beilooten is, niet, dat God om 't zelve,<br />

maar op \ zelve al 't nodige fchenkt. Dus moeten<br />

wij bidden om zaken die God belloten en beloofd<br />

heeft. Dit word ons geleerd, Ezecb. 36: 37. Alzo<br />

zeid


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 323<br />

zeid de Heere HEERE : daar en boven zal ik hierom<br />

van den huize Jjraels verzogt zvorden, dat tk 't hen<br />

doe.<br />

646. ) J. Maar onbekeerde menfchen kunnen <strong>im</strong>mers<br />

niet bidden?<br />

L. Zij bidden niet op de regte wijs of met 't hart<br />

zo wel als met den mond, zo lang hun verftand<br />

verduifterd , en hun wil verkeerd is;<br />

maar dit<br />

ontflaat hen niet van dien betamelijken pligt, even<br />

zo min als zij van andere Godsdienftige en burgerlijke<br />

verrigtirigen ontflagen zijn, om dat zij die niet<br />

uit 't regte beginfel naar 't regte rigtfnoer en tot 't<br />

regte einde waarnemen.<br />

Petrus belaft 't bidden aan<br />

den onbekeerden SIMON Hand. 8: 22.<br />

647. )' J. Wat zal dat bidden baten, God hoort<br />

<strong>im</strong>mers volgens de H. S. de zondaars niet, Job*<br />

9- 3«-<br />

L. Men moet aanmerken dat deeze woorden wel<br />

in de H. Schrift gevonden worden, maar geen gezegde<br />

zijn van Jezus of zijn Apoftels of een of ander<br />

Heilig Schrijver, maar 't zijn woorden van een<br />

man, die blindgeboren (j),<br />

en door Jezus wonder-<br />

da-<br />

(t) Ik merk bij deze gelegenheid aan, dat men een groot<br />

onderfcheid moet maken tusfchen perföonen, die in den «ijbel<br />

fprekende voorkomen, of't God is , en mannen door den<br />

cmfaalbaaren Geeft fprekende; dan of't meafchen zijn, die<br />

vol-


324 Hét veertiende Gefprek, van de<br />

dadig genezen was. Evenwel kunnen wij in zekeren<br />

zin zijne woorden overnemen, als wij hier zulk een<br />

zondaar verftaan, die met zijn mond zekere zonden<br />

afbidt, en nogthans in de zonden verhard voortgaar,<br />

en dus des Heeren vermaningen in den wind flaat.<br />

Dan is op hem toepasfeiijk, 't geen SALOMO zegt,<br />

Spr. 28: 9. Die zijne ooren afwendt van de wet te<br />

booren, diens gebed zelfs zal een gr ouwel zijn.<br />

J. Wat behoort er tot een welgefteld gebed?<br />

L. Het moet gefchieden tot 't regte voorwerp, op<br />

een betamelijke wijze en om nodige zaken. .<br />

Gij weet dat 't regte voorwerp des gebeds GOD is,<br />

en wel alleen: trouwens, die bezit die alwetendheid,<br />

alomtegenwoordigheid, almagt, algenoegzaamheid,<br />

majefteit, welke in 't waare voorwerp des gebeds<br />

vereifcht worden. Het is de Drieenigen God die<br />

moet worden aangebeden, alle de drie Godlijke<br />

perföonen, en wel naar de huishouding der Genade<br />

moet men den Vader bidden om de verdienfte<br />

des zoons door den Geeft. Dit leert Paulus Eph.<br />

2: 18.<br />

volgens hunne eigene kundigheden fpraken. De gezegden<br />

der eeifte perföonen hebben een gewetend verbindend gezag,<br />

en niet dc laatfte. Dit word niet altoos opgemerkt<br />

b. v. De gezegden van JOBS vrienden hebben geen Godlijk<br />

gezag. M«n zie dit ook, Job 42: 7.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 325<br />

649.) J. Gelief nu van de wijze van bidden te<br />

fpreken.<br />

L. De regte geftalte van een bidder betreft 't inwendige<br />

en uitwendige van zijn gedrag:<br />

a.) Wat 't inwendig beftaan betreft, hier dient<br />

plaats te hebben,<br />

al) Eene betamelijke voorfchikking tot 't gebed<br />

(«), Pf. 5: 4. Des morgens zal ik mij tot U<br />

fchikken.<br />

b.) Eene Godvrugtige ingefpannenheid , afgetrokkenheid<br />

zo veel mogelijk is van andere dingen,<br />

Pf. 25: 1. Tot U 0 Heere, bef ik mijne zstle op.<br />

cl) Ee-<br />

(«) Bedenkelijk komt 't voor, hoe Paulus, Rom. 8: i6.<br />

kan zeggen: Wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk 't<br />

behoort. Hoe komt dit , mag men denken, <strong>im</strong>mers Gods<br />

woord leert, wat een Chriften behoorlijk van God heeft te<br />

bidden? Doch men moet opmerken, dat de Apofte! hier<br />

gelovigen bedoelt, die in lilden of Verdrukkingen zijn, en<br />

wegens d-j zwakheid hunner geiteleherd, niet weten, wat<br />

zij behoorlijk bidden zullen; doch ue H Geeft komt hun te<br />

hulp. Niet min aanmerkli k is 't volgende : maar de<br />

H. Geeft bidt voor ons met onuitfprekelijke zugtingen. Hier<br />

fchijnt de H. Geeft een voorbidder bij den throon voor de<br />

Gelovigen te zijn. Doch zo moeten de woorden niet vetftaan<br />

worden, want Chiiftus is daar alleen de voorbidder.<br />

Wij moeten 't dus verftaan, dat de H. Geeft als de Leermcefter<br />

der gelovigen , wanneer zij in verdrukkingen zijn,<br />

©pgceft of vporfpelt (diéteert) wat zij bidden zullaa.


'326 Het veertiende Gefprek, van de<br />

cl) Eane diepe nedrigheid , beftaande in eerbied<br />

en ootmoedigheid,. Gen. 18: 27. Ziet doch ik<br />

hebhe mij onderwonden te fpreeken tot den Heere,<br />

hoewel ik flof en asfche ben, Zie ook Hand.<br />

£CV 19.<br />

dl) Opregtheid, ernft en aanhoudendheid , Pf.<br />

27: 8. Pf. 42: 2. Rom. 12: 12. Volhardt in den<br />

gebeden.<br />

e. ) Een vertrouwen van verhoring. Welk vertrouwen<br />

gegrond is niet op eigen waardigheid,' noch<br />

op de veelheid (v) der woorden, die wij gebruiken,<br />

maar op de Godlijke barmhartigheid in Chriftus en<br />

Gods belofte, 1 Joh. 5: 14. En dit is de vrijmoedigheid<br />

die zvij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden<br />

naar zijnen wil, Hij ons verhoort.<br />

f. ) Eindelijk een lijdzaam inwagten van 't gebedene,<br />

Mich. 7: 7. Pk zal uitzien naar den Heer,<br />

ik zal wagten op den God mijns heils; mijn God zal<br />

mij hooren.<br />

b.) Ten aanzien van 't uitwendige, moeten zedige<br />

gebaerden des lichaams plaats hebben, Pf. 95: 6.<br />

Komt laat ons aanbiaden, laat ons nederkmelen voor<br />

den<br />

(v) Zeer verkeerd is 't, als men denkt, dat een lang ge •<br />

bed beter is dan een kort, en men dus door de veelheid der<br />

woorden des te eerder zou verhoord worden, de Zaligmaker<br />

gaat zulks te keer Matth. 6: 7, 8. Evenwel kan bij<br />

plegtige gelegenheden 't gebed langer zijn. Zie 2 Kon. S.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz.<br />

den God, die ons gemaakt beeft. En die lichaams<br />

houding kan onderfcheiden zijn, naar de onderfchei.<br />

den gefteitheid der perföonen , of van tijd, en<br />

plaats.<br />

650,) J. Gelief nu van de zaken te fpreken, waar<br />

om men moet bidden.<br />

L. Men behoordt te bidden , om dat geene, 't<br />

welk men volftrekt nodig heeft om tot eer van God en<br />

tot ons welzijn te leven. En dit noemt men geeftelijke<br />

en lichaameüjke nooddruft. Door geeftelijke<br />

nooddruft hebben wij te verltaan geloof, bekeering<br />

•en andere genade weldaden. — Lichaameüjke nooddruft<br />

is voedzel en dekzel. Omtrent dit lichaamlijke<br />

moet men opmerken : 1.) Dat men om geen overvloed<br />

mag bidden; geeft ze God ons, moeten wij<br />

er een nuttig gebruik van maken, zonder ons hart<br />

daar op tezetten. c.) Dat rnen minder om 't lichaamlijke,<br />

dan om 't gedichte moet bidden. Matth. 6:<br />

33. zoekt EERST (dat is VOORNAMELIJK) 't koningrijke<br />

Gods en zijne geregtigheid, en alle deze dingen,<br />

(namelijk voeJzel en dekzel, waar van in 't<br />

vorige gelproken was,) zullen u toegezvorpen zvorden.<br />

Dit alles vindt men beknopt bij elkander<br />

in 't allervolmaaklte gebed, 't welk Jezus zijn' discipelen<br />

geleerd heeft, men zie Matth. 6: 9-13, en<br />

Luc. ii.- 2-4.<br />

(Ï51. J. "Wat heeft UE aamemcTken omtrent dit<br />

gebed ?<br />

L. Ik


328 Het veertiende Gefprek<br />

3<br />

van de<br />

L. Ik zal om kort te zijn hier van geen verklaring<br />

geven; zegge alleen, dat men 't zelve doorganfch in<br />

3 delen verdeelt i) eene aanfpraak; 2.) 6 beden,<br />

3) 'c befluit. De eerbiedverwekkende aanfpraak<br />

benevens 't heerlijk flot des gebeds, dient om in den<br />

bidder eene kinderlijke vreeze , en een kinderlijk<br />

vertrouwen te verwekken. Wat de 6 zaakrijke beden<br />

betreft, deze worden door de Godgeleerden onderfcheiden<br />

verdeelt.<br />

652.) J. Hoe kunnen dezelve gevoegelijk verdeeld<br />

worden?<br />

L. Men kan dezelve gevoegelijk dus verdeelen,<br />

dat de drie eerfte zien op de bevordering van Gods<br />

eer; de drie laatfte op 't geen de menfeh als een behoeftig<br />

fchepzel voor zigzeiven naar lichaam en geeft<br />

bepaald nodig heeft. Andere verdeelen dezelve<br />

gefchikteüjk dus, dat de ïfte bedebehelft 'thoogfte<br />

einde, de overige beden middelen, dienftbaar tot<br />

verkrijging van dat einde, zo toebiddingen om 't<br />

- goede, geeftelijk goed in de 2de en 3de bede; lichaamhjk<br />

goed in de 4de bede; als afbiddingen van<br />

't kwade, zo van de fchuld der zonden in de 5de als<br />

van al dat geen 't welk ons ter verleiding tot 't<br />

kwade dienen kan, in de 6de bede. (ÏVJ<br />

Zit<br />

(w) Roomfchgezinden en Lutherfche ftallen 7 beden;<br />

leid


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 529<br />

Zie verder zoo over 't gebed in 't gemeen, als in<br />

't bijzondei 't Onze Vader, de uitbreiding van den<br />

Heidelb. Katech. Zond. 45-52.<br />

653.) J. Gij zeide in 't begin van onze famenfpraak,<br />

dat de. Regtvaerdiging en Heiligmaking de<br />

voornaamfle weldaden van 't Genaden verbond waren<br />

; dit vooronderitelt, dat er ook nog andere<br />

zijn.<br />

L. Zoo is 't. Met de Regtvaerdiging gaan behalven<br />

de heiligmaking, nog andere goederen des Genaden<br />

verbonds gepaard, als daar is: de Vrede<br />

met God. De aanneming tot kinderen. 1<br />

De verzegeling. Verzekering. - Vertroofiing.<br />

•• —••> Bewaring.<br />

654')<br />

leid ons niet in verzoeking is bij hen de éde bede, miar verlos<br />

ons van den booztK, houden zij voor de 7de bede. Dochten<br />

onregten, 't is maar eene bede: de woorden zijn cierlijkheids<br />

halvei: dus geplaatft, en moeten verklaard worden, als of<br />

er flond, leid ons niet in verzoeking des bozen, maar verlos er<br />

ons van- Zie den Hoogleeraar VENEMA Over de bergpredikatie<br />

van Chriftus idt Deel p. 399. Misfchien zou men beter<br />

doen, indien men de woorden van DEN bozen vertaalde van<br />

HET boze, zo kan ook't Griekfch oveigezet worden; zo verklaart't<br />

ook de Heideld Katech. in 't antw. op de 127 vraag<br />

daar de Katechismus fpreekt van alles dat boos is: Men<br />

zie ook , 2 T<strong>im</strong>. 4: 18 De Heere zal mij verlosjen ran alle<br />

toos werk 1 Joh 5: 19 De geheele waereld ligt in 'tbooze.<br />

Ilde DEEL.<br />

Y


33° Het veertiende Gefprek, van de<br />

w<br />

654.) J. Wat heeft U£. aangaande den Fr ede met<br />

God aantemerken ?<br />

L. Zij is „ die weldaad des Genaden verbonds<br />

waar door de üitverkoorenen te voren vijanden<br />

Gods zijnde , nu door't Geloof om de verdienfle<br />

} 3<br />

van Chriftus in eene aangenaame vrienlfchap met<br />

3, God gefield worden". ; Paulus fpreekt er van Col.<br />

1:


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 331<br />

gelovige een toegenegen harreden Heer toedraagt, zo<br />

draagt ook de Heer aan den gelovigen een toegenegen<br />

harte toe. iVler dezen vrede Gods gaat verzeid<br />

een vrede met alle de rJeiligen, zo in den hemel<br />

f<br />

als op aarde. Waar op veele wüien, dat Paulus<br />

doelt. Eph. 1: 10. Col. r; 20. Hebr. r: 14. Cap.<br />

12: L2. (j)<br />

655.)<br />

(y) Veele, Godgeleerden fpreeken hier ook van een vrede<br />

met alle Schepzelen, waar onder zij tellen vooreeift Godh.<br />

zen: Doch men verfchilt hoe de Gelovigen kunnen gezegt<br />

worden ir.t eiie bevredigt te zifn. Zommige willen, voor<br />

zoo verre de Godlozen onwetende de zaligheid van Gods<br />

volk menigmaal bevorderen, en met al hun boosheid hen<br />

niet befchadigen kunnen Jez. 45: 17. maar hier uit volgt<br />

die ongerijmdheid, dat dan 's Heeren volk ook gezegt kan<br />

worden vrede te hebben met den Duivel. Anderen nemen<br />

't dus, voor zoo verre de Gelovige den Godlozen een 'genegen<br />

hart tot bevordering van deszelfs tijdelijk en eeuwig<br />

welzijn toedraagt. Hier op merk ik aan, dat eene eenzijdige<br />

genegenheid dtn naam van vreede niet draagen kan. .<br />

Ten tweeden fpreekt men van een vrede met levenlooss ei<br />

redenlooze Schepzelen. Doch hoe moet men dit verftaan ?<br />

Mag een Godvrugtige denken en vaftftellen, dat geen wild<br />

dier hem verfcheuren zou? enz. Men brengt hier bij Job<br />

5. 23. Met de jleenen des velds Zal uw verbond Zijn, en 't gt*<br />

dierte des vslds zal met u bevredigd zijn. Ik mérk hier qp<br />

aan dit ELIPHAS hier fpreekt, een perfoon, die niet fprak<br />

door<br />

Y 3


-332 Het veertiende Gefprek, van de<br />

6<br />

55-) % I k k a Q z e e r weli begrijpen, hoe de gelovige<br />

door de verzoening met God vrede moet hebben<br />

met de heilige Engelen,, maar de ondervinding<br />

fpreekt *t tegen, dat hij vrede heeft met de Heiligen<br />

op aarde, hoe veele oneenigheden zijn er op aarde<br />

niet dikwijls onder 's Heeren vo'k ?.<br />

L. Ik wil niet ontkennen, dat er fömtijds oneenigheden<br />

tusfchen de gelovigen plaats hebben,<br />

welke uit de nog overgebleven verdorvenheid voortvloeijeu,<br />

welke fehadelijk zijn en aftekeuren.<br />

Doch<br />

dit neemt niet weg, dar men nogthans hier aan hun<br />

een ontledingen Geeftelijken vrede kan toefchrijven,<br />

voor zo ver uit 't beginfel des Geeftelijken levens<br />

voorvloeit een ernftige luft om elkander lief te hebben<br />

, om dat zij alle den zeiven God beminnen ,<br />

en daarom elkanders geeficlijk welzijn behartigen.<br />

Hier uit nu is op te merken, dat'fchoon eene verfchillende<br />

denksvvijze wel eenig ongenoegen baaren<br />

kan,<br />

door Gods Gééft; evenwel Kan zijn gezegde een goede verklaring<br />

dulden: men heeft flegts in acht te nemen, dat hij<br />

hier naar den verheven en zinnebeeldigen ftijl der Oofterlingen<br />

fpreekt, 't geen wij nu-cr vinden in 't O. T. vergelijk<br />

Jez. 65: 25. Hetwelk eenvouwdig misfehien niets meer<br />

'zal zeggen, dan 't geen men vindt, Rom. 8: 28. Zie over<br />

Job. 5- 73. mijne BITBELVERKLASIJSJG betrekkelijk Paleftina,<br />

Pag. 280.'


Regtvaataigingi Heiligmaking, enz. 333<br />

kan, 't tchter den inwendigen vrede niet geheelijk<br />

wegneemt.<br />

656. ) J. Hebben die gelovigen ten allen tijde bewuithtid<br />

van dien vrede met Godin hunne Conicientie?<br />

L. Neen, de bewuftheid maakt de verzekering<br />

uit, waar van wij ftraks moeten iprc' en.<br />

657. ) J. Wat moet men door de Janneming tot<br />

kinderen verliaan ? (z)<br />

L. Het is „ die weldaad des Genaden verbonds^<br />

,, waar door de uitverkoorenen, te voren van God<br />

„ door de zonden vervreemd, nu door 't Geloof<br />

om Chriftus wil tot kinderen en erfgenamen Gods<br />

„ worden aangenomen". De Gelovigen worden in<br />

den Bijbel kinderen Gods genoemd, men zie Pf.<br />

73: 15. Spr. 14.: 26. Joh. ï: 12. Rom. 3: 16.<br />

en andere plaatzen. * Wij bedoelen hier geen kindfchap<br />

uit kragt van Schepping, Luc. 3: 31. dewijl<br />

wij hier van eene aanneming tot kinderen fpreken,<br />

dus<br />

(s) De Aanneming tot kindere.a heeft bij veele volkeren<br />

plaats gehad, b. v. Egyptemaren, Joden, Grieken, Romeinen.<br />

Zo lezen wij dat de Egyptifehe Rijksprinces Mozes<br />

voor zig tot een Zoon aannaam Exod. 2: 9, 10. Jaeo;) nam<br />

dc zoonen van Jozeph, Ephra<strong>im</strong> en Manasfe als zijne zoo<br />

nen aan Gen. 45: 5. Mordechai nam Efther zijn nicht aan<br />

tot eene Dochter Efilier 2; 7.<br />

Y3


334 Het veertiende Gefprek, van de<br />

dus van zulken, die te voren eens anderen waren.<br />

Noch ook geen kindfcfaap wegen? eene uitwendige<br />

verbonds betrekking. Exod. 4; 22. maar wegens 7 t<br />

Genade verbond. 1) Door geloof en wedergeboorte.<br />

Joh. 1; 12, 13. Zoo veelen Hem aangenomen<br />

hebben, die heeft Hij magt gegeven kinderen Gods<br />

te worden, namelijk die in zijn naam geloven, welke<br />

niet uit den bloede, noch uit den wille des 'vleefchs<br />

noch uit den wille des mans, maar uit God geboren<br />

zijn. Door geedelijke ondertrouw en Huwelijk met<br />

Chriftus als 's vaders eigen zoon. Hoz. 2:18 , 19. Vergelijk<br />

Rom. 8: 15, 17. Eph. 1: g, Die ons te voren<br />

verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door<br />

Jezus Chriftus in zig zeiven, enz. Deze aanneeming<br />

tot kinaei en kan in meer dan een opzicht befchouwd<br />

worden, of met betrekking tot de bcdeelingen van 'tGenadenverbond,<br />

of met betrekking tot ieder gelovigen.<br />

a.) Mei; betrekking tot de bedeelingen des Genaden<br />

verbonds in 't gemeen , kunnen wij aanmerken,<br />

dat de Gelovigen des O. T. als minderjarige kinderen<br />

in den Bijbel voorkomen, die in de leere des<br />

heils niet alleen door mondelijk onderwijs, maar ook<br />

door zinnebeelden en fchaduwen geleerd wierden. De<br />

Gelovigen des N. V. komen voor als meerderjarige<br />

kinderen, die van de wet der fchaduwen ontflagen<br />

zijn. Men ziet dit zeer fraaij door Paulus beredeneerd,<br />

Gal. 4. Hij noemt de geloovige v 00 Chriftus<br />

komft fVijW) kleine onmondige kinderen, in't<br />

3de


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 335<br />

3de vers van dit Hoofdituk. En de gelovigen na<br />

Chrittus komlt noemt hij (-jml) meerderjaarige kinderen<br />

of zomen in 't 6de vers. {ad)<br />

b.) Met betrekking tot ieder gelovige kunnen<br />

wii die aanneming tot kinderen befchouwen in opzicht<br />

tot de voordeden die er aan zi n valt gemaakt,<br />

zoo in den tijd als in de eeuwigheid. —• Hier in den<br />

tijd zijn de gelovigen wel kinderen Gods, 1 Joh. 3;<br />

1, 2. en worden als kinderen van den Hemehchen<br />

Vader behandeld, Pf. 103: 13. Jez. 49/ 15, 16.<br />

doch ivoonen evenwel nog uit van den Heere , 2 Cor.<br />

5; 6. — In de eeuwigheid zuilen de gelovigen de erffenis<br />

volkomen deelagtig wórden , en dit noemt<br />

Paulus een aanneming tot kinderen, die voor 's [Leren<br />

volk nog te wagten is. Rom. 8: 23.<br />

J. Wat moet ik door de Verzegeling verftaan<br />

?<br />

L. Het is „ die weldaad van 't genade verbond<br />

„ waar door de uitverkoorenen, zo dra zij ZaKgma-<br />

„ kend in Chriftus geloven, den H. Geeft tot een in-<br />

„ wooner in hun hart deelagtig worden, 't welk een<br />

?, zegel of kenmerk is, waar door zij van natuurlijke<br />

„ men.<br />

(aa) Zie ook mijne liljEELVERKÏ.ARING betrekkelijk Paleftina,<br />

Pag. 343. Hetwelk aan 't zeggen des Apoiltls merke.<br />

iijk lictit verlprciJt.<br />

Y £


336 Het veertiende Ge/prek, van de<br />

„ menfchen onderfcheiden zijn". Pauhis zegt, Eph.<br />

IX 13. Na dat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden<br />

met den H. Geeft der belofte. En 1 Cor. 6:<br />

19. leert de Apoftel, dat de gelovigen zijn tempeten<br />

des H. Geefts. 2 Cor. 1: 22. Die ons ook heeft verzegeld<br />

en 't onderpand des Geefts in onze harten gegeven.<br />

Dat deze weldaad onderfcheiden is van de<br />

bewuftheid, die een gelovige erlangt van zijn aandeel<br />

aan Chriftus,<br />

blijkt genoeg uit Eph. 4: 30. Bedroeft<br />

den H. Geeft Gods niet, door welken gij ver.<br />

zegeld zijt tot den dag uwer verlosfing. Hier noemt<br />

de A portel de verzegeling een beftendige weldaad<br />

van 't begin des gelooft af; 't geen van de verzekering<br />

die een Chriften van zijn eigen zaligheid heeft,<br />

niet kan gezegd worden.<br />

Nogtans kan de inwonende<br />

Geeft, waar mede de gelovigen verzegeld zijn<br />

aangemerkt worden, als de werkmeefter, waar door<br />

zij verzekerd, per trooft, eu beivaard worden, enz.<br />

6<br />

59-) J- Gelief dus van de Verzekering (bb*) te<br />

fpreken.<br />

L. Het<br />

(bb) De Verzekering is die zelve weldaad, die onze Godsgeleerden<br />

ook wel by andere leerftukken , onder een<br />

anderen raam vermelden, b. v. bij 't behandelen van<br />

de leer der Regtvaerdiging noemt men 't eene regtvaerdiging<br />

in de Conjcientie ; als men van den vrede mee<br />

God handelt, fpreekt men ook van een vrede in de<br />

Csn-


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 337<br />

L. Het is „ die weldaad van 't genaden verbond,<br />

„ waar door de gelovige door den inwoonenden Geeft,<br />

„ volgens't onfeilbaar woord van God, kennis krij-<br />

„ gen van hun aandeel aan Chriftus, zo dat zij in<br />

„ de hoope der heerlijkheid mogen verkeeren". —<br />

Zulk een verzekering hebben veele gelovigen gehad,<br />

b. v. JACÓB Gen. 49; 18. jon Cap. 19: 25-27.<br />

DAVID Pf. 17: 15, AZAPII Pf. 73. 24. PAULUS 2<br />

T<strong>im</strong>. 1: 12. . De H. Geeft is de werkmeefter<br />

van die weldaad ; Gal. 4: 6. lezen wij dat de H.<br />

Geeft, die in 't hart der kinderen Gods woont, roept:<br />

Abba Vader! Rom. 8: 16. Dezelve Geeft getuigt<br />

met onzen Geeft, dat wij kinderen Gods zijn. De<br />

middelen, die de H. Geeft daar toe gebruikt zijn<br />

't woord en de Sacramenten.<br />

a.) Vooreerft gebruikt de H. Geeft daar toe 't<br />

woord Gods, en dit gefchiedt als Hij den Gelovigen<br />

doet opmerken, dat de kenmerken van waare Genade<br />

in hem gevonden worden. Zo dra een Chriften<br />

ziet, dat hij zo gefteld is, als de Bijbel van de km-<br />

de-<br />

Confeientie. Petrus meldt van een vaftmaken der Roeping en<br />

Verkiezing. Door deze en zoortgelijke uitdrukldngen moet<br />

men niet anders vcritaan dan de verzekering, waar van wij<br />

hier fpreken. Om geen verwarring in den Lezer te veroorzaaken,<br />

hebben wij er in de behandeling van de Regtvaerdiging<br />

en Vrede met God niet van gefproken.<br />

Y 5


S3'3<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

deren Gods fpreekt, zo kan hij zig verzekeren van<br />

zijn aandeel aan Chrittus. i Welke nu deze kenmerken<br />

zijn, zal ik tlnnds niet opnoemen, 't zijn dezelve<br />

die ik te voren heb opgegeven aangaande 't<br />

waar zaligmakend Geloof, en de waare bekeering.<br />

b.) Ten tweeden, doet zulks de H. Geeft door<br />

*t- gebru'k der Sacramenten, doch daar van wenfchen<br />

wij de volgende reis te fpreken.<br />

660.) J. Is de verzekering zulk bijblijvend Genade<br />

goed, dat wanneer een Chriften eens verzekerd<br />

is, altoos verzekerd blijft.<br />

L. Neen. De ondervinding leert, dat iemand<br />

fómtijds een geru<strong>im</strong>en tijd 't geloof geoeffend heeft,<br />

eer hij durft vertrouwen dat hij een geloovige is.<br />

Het is wat anders zaligmakend in Chriftus te geloven,<br />

en wat anders, te zien, dat men 't zaligmakend<br />

Geloof bezi:, gelijk wij in ons vorig gefprek<br />

gezegd hebben. En hier van kan de oorzaak zijn<br />

weinige kennis in 't woord Gods, verkeerd bellier<br />

van andere menfchen; ook wagt men zomtijds naar<br />

eene bijzondere openbaring, en dus maakt men zig<br />

gelijk aan den Apottel Thomas, die niet wiide geloven<br />

aan Jezus opftanding, voor dat hij den Heiland<br />

zelve gezien en betaft had, Joh. 10: 25. •<br />

Ook kan 't gebeuren, dat zulke, die op goede gronden<br />

verzekerd zijn, in vervolg van tijd die verzekering<br />

wel eens misfen, 't geen inzonderheid plaats<br />

heeft, ais zij zig aan deze of geene zonde hebben fchuldig


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 339<br />

dig gemaakt; dan verbergt God wel eens zijn aangezicht.<br />

Pf. 30: 8.<br />

661.I J. Is zulk eene verzekering niet zeer nuttig?<br />

L. Ongemeen nuttig, dit heb ik reeds te voren<br />

aangetoond. (Zie 't 3de Gefprek No. 103.) Ik voeg<br />

ik er nu nog maar bij, dat de Apoftel Thomas, die<br />

alle gronden had om aan des Zaligmakers opftanding<br />

te geloven, doorzijn onbetamelijk ongeloof, agt dagen<br />

dien trooft moeft mitfen, dien de over,ge Apoftelen<br />

uit die blijde gebeurtenis fmaakten.<br />

Zonder verzekering<br />

kan een Chriften niet getrooft leven. (cc).<br />

ftus<br />

(cc) Kan een Chriften zonder verzekering niet<br />

getrooft<br />

leven? dan moet ook 't antwoord op de vraag welk is uwen<br />

eenige Uooft beide in leven en in fterven, de taal van een versekerd<br />

driften zijn. En dewijl 't antwoord op die ifte vaagc<br />

van den Heidetb. Kit. in zig bevat dc leer der eliende,<br />

venoffing en dankbaarheid, welke 3 Hukken inde 2de vraag<br />

en antwoord worden opgegeven, en vervolgens uitgebreid;<br />

zo kan 't niet anders, of in den seheelen Katechismus (zal<br />

er aar. de ifte viaag voldaan worden) moet over al een ver^<br />

zekerd<br />

Chriften fprekende worden ingevoerd. Te meer<br />

werdt die behandeling verkozen, gelijk ook de opftcllets der<br />

37 Artikelen gedaan hebben, om de fteliing der Rooinfch.<br />

gezinden te keer te gaan, dat men in dit leven van zijn zaligheid<br />

niet kan verzekerd zijn.<br />

Onlangs mij door een<br />

•geleerd man gevraagd zijnde, hoe 't kwam, dat in de eerfte<br />

Chiis-


34° Het veertiende Gefprek, van de<br />

662. ) J. Gelief nu van de Fertroofling te fpreken.<br />

rV L. Het is ,, die weldaad des Genaden verbords<br />

„ waar door de H. Geeft den gelovigen in verdruk-<br />

„ kingen en moeijlijke omftandigheden met gepafte<br />

„ beloften uit den Bijbel bemoedigt en kragtig op-<br />

„ beurt". Jez. 40: 1,2. Trooftet, trooftet mijn<br />

volk, zal u lieder God zeggen ,* fpreekt naar *$ harte<br />

van Jerufalem. enz. Joh. 14: 16, 17. Ik zal<br />

den Fader bidden , en Hij zal u een anderen troufter<br />

geven, op dat Hij bij u blijve in der eeuwigheid',<br />

namelijk den Geeft der xocarheid, enz.<br />

663. ) J. Mag dan ieder geloven , wanneer hem<br />

een Schriftuur plaats met veel nadruk te binnen komt,<br />

dat dit gefchiedt door den H Geeft, zo dat hij op de<br />

vervulling daar van hopen mag ?<br />

L. Men<br />

Chriften tijd als ook in 't begin der Hervorming de Gelovigen<br />

doorgaans meer in verzekering leefden dan (hands? Jk<br />

antwoorde hier op, bij wijze van bedenking, of men dit niet<br />

aan twee redenen zou kunnen toefchrijven: 1) met betrekking<br />

tot de Godlijke wijsheid en goedheid; daar 't toen tijden<br />

van zwaare vervolgingen waren, waarin een Chriften verzekering<br />

van zaligheid nodig had, zou hij met blijdfensp<br />

om de zaak van Chriftus den dood ondergaan. 2) Met<br />

betrekking tot de gelovigen is, de middèlijke oorzaak, gegronder<br />

kennis in de Eijbelwaarhedcn , en nauwgezetter<br />

Godvrugt, welke dingen, leeft men flegts de Schriften dier<br />

tijden, toen plaats hadden.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz.<br />

33t<br />

L. Men moet onderfcheid maken tusfchen zulke<br />

Schriftuur plaatzen, welke vermaningen in zig behelzen;<br />

en die, welke beloften bevatten, b. v. Wanneer<br />

aan een onbekeerd menfeh met veel nadruk te<br />

binnen komt, de vermaning der opperfte Wijsheid,<br />

Spr. 9: 6. Verlaat de flegttgheden en leeft; en treedt<br />

in den iveg des verftands: zoo behoort hij op dat<br />

woord acht te geven. Herinner u, *t geen ik onlangs<br />

van de gemeene werkingen des Geefts (prak,<br />

.waar door God wel eens aanklopt aan 't hart van een<br />

natuurlijk menfeh. Doch wanneer iemand te binnen<br />

komt een of ander Godlijke belofte of Geloofsbetuiging<br />

eens Godvrugtigen, zo mag hij die Bijbelwoorden<br />

niet cp zig zeiven toepasfen, ten zij hij die geftalte<br />

heeft, welke aan zulk een perfoon eigen was,<br />

of in verband van zaken voorkomt, b. v. Aan iemand<br />

komt met veel nadruk op zijn verftand 't zeggen<br />

van David, Pf. 17: 15. Ik zal u aangezicht<br />

in geregtigheid aanfehouvjen, ik zal verzadigd worden<br />

met uw beeld, als ik zal optvaken: zo mag hij<br />

dit niet op zigzelven toepasfen, ten zij hij zulk een<br />

Godvrugtig beftaan heeft, als David van zig zeiven<br />

kon getuigen in '14, 5, 6, vers. wanneer de<br />

aandacht van iemand bepaald word bij de Godlijke<br />

belofte, Jer. 31; 25. Ik hebbe de vermoeijde ziele<br />

dronken gemaakt,, (dat is overvloedig met geeftelijke<br />

genade goederen verzadigd;) en ik heb alle ireu-<br />

'\ ..<br />

ri'


342 Het veertiende Gefprek, van de<br />

rige ziele vervuld: zo kan hij geen ftaat maken op<br />

de vervulling dier trooltbelofte aan hem. ten zij hij<br />

waarlijk een geefielijk vermoeijde en treurige ziele<br />

zij; enz.<br />

664.) J. Ik begrijp dit zeer. klaar, en verblijde<br />

mij;, dat ik in dit ftuk door UE. nader ingelicht en<br />

beveiligd ten; wart onlangs in zekergezellchapzijnde,<br />

daar van '"t bevindelijk Genade werk des H.<br />

Geefts gefproken wierd , zo was er iemand, die<br />

ftaande hieidt, dat zulke dingen dweeperachtige gevoelens<br />

waren, en zeer nabij kwamen aan Geeftdrijverij.<br />

L. Ik kan wel merken, dat dit een natuurlijk menfeh<br />

is geweeft, den geeft niet hebbende; dezulke lafteren<br />

dikwerf, ft geen zij niet verftaan, Jud. vs. 19. 2<br />

Petr. 2: 12. Maar deze perfoon moet daar bij zeer<br />

onbedreven zijn geweeft in de gevoelens der geenen,<br />

die Geeftdrijvers genoemd worden, welke voorge»<br />

ven, bijzondere infpraken door den H/ Geeft te krijgen<br />

van dingen, die in den Bijbel niet te vinden zijn<br />

en dus 't tegenovergeftelde van ons gevoelen.<br />

Wat zullen ook anders, dan wij verklaard hebben, de<br />

woorden van Chriftus betekenen, daar Hij belooft<br />

den H. Geeft als een troofter in zijn plaats te zullen<br />

zenden. De ondervinding leert ook aan Gods<br />

volk<br />

3<br />

hoe zij uit diezelve Bijbelplaatzen den eenen<br />

tijd meer trooft kunnen halen daa op een ander<br />

tijd


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 343<br />

i tijd (dd~). fchoon zij zig in dezelve omftandigheden<br />

! bebinden.<br />

665.) J. Moet men evenwel in de toepasfing van<br />

de trooftbeloften Gods in zijn woord niet omzichtig<br />

verkeeren?<br />

ƒ. Buiten twijfel, dewijl de kennis veel invloed<br />

heeft op de practijk of beotffening van den Godsdienft<br />

, zo zou onkunde iemand merkelijk bedriegen.<br />

Twee zaken komen hier vooral in aanmerking.<br />

a.") Vooreerft , dat men de zinnebeeldigs uitdrukkingen<br />

, die in den Bijbel voorkomen niet in<br />

den letterlijken zin moet opvatten* b. v. Jez. 43: 3.<br />

lezen wij: Wanneer gij zult gaan dour't zvater, ik<br />

zal bij u zijn; en door ie 1 ivieren, zij zullen u<br />

niet<br />

tdd) De Godvruetige BRAKEL fchrij ft in zijn nuttig werk<br />

de redelijke Godsdienft 1 D. p. 1064. „ Een Godzalige we-<br />

„ duwe verhaalde mij eens , dat zij eens in groot kruis<br />

„ kwam, zij als radeloos floeg den B'jbel op, en las bij dea<br />

„ opflag, Matth. 6. Dit had zulk een klem op haar Harte,<br />

„ dat zij met vrolijkheid 't kruis opnam. Zij floeg een<br />

„ vouwtje bij dat Kapittel, en aagt nu heb ik genoeg om<br />

mij tc trooficn, ik weet nu, waar ik mijn lterkte halen<br />

„ zal, als mij naderhand 't kruis zal ontmoeten; *t knus<br />

kwam , zij al haar beft naar Matth. 6. maar 't was er<br />

„ niet in, dat zij te vooren daar in vond. Waar kwam dat<br />

„ van daan ? De H. Geeft gebruikte doe dat middel niec,<br />

„ pafte haar dat niet toe al* te vooren".


344 • Het veertiende Gefprek, van de<br />

niet overk 1 romen; zvanneer gij door 't vuur zul<br />

en zult gij niet verbranden, en de vlamme zal u n<br />

aanfteken. Men most hier in't gemeen gevaarlijke<br />

omftandigheden en rampfpoeden door verftaan, vergelijk,<br />

2 Sam. 11: 17. Job. 15: 30. PJ. 32: 6.<br />

63: 12. 60: 2, 3. .1-24: 4-en dergelijke.<br />

b.) Ten weden, mag men ook die Godlijke<br />

toezeggingen niet op zig toepasfen, die de Heere aan<br />

bijzondere perföonen in buitengewoone gevallen heeft<br />

gedaan, b. v. 't zeggen Gods tot GIDEON , Regt. 6:<br />

14. {ee)<br />

666.) J. Wat verftaat men door de Bezuaaring?<br />

(ĥ)<br />

L. Het is „ die weldaad van 't Genaden verbond,<br />

„ waar<br />

(ee) Hier ftrijdt niet tegen, dat Paulus |eeie trooft belofte<br />

aanhaald, Heb. 13: 5- Die de Heeie tot Jozua gebruikt<br />

, Joz. 1: 5. en David tot Salomo 1 Chron. 28: 20.<br />

l?ewijl Mofes die aan geheel Jfrael (indien 't in Gods we.<br />

gen wandelde) doet, Deut. 31: 6.<br />

(ff) Dat de' Remonjlranten een afval der heiligen Hellen<br />

is bekend; maar 't gevoelen der Lutherfchen wordt dikwijls<br />

niet wel begrecpen. Zij onderfcheiden de gelovigen in Wtdergeboorenen<br />

en in Uitverkoorenen ter zaligheid. De eerftgemelde<br />

kunnen 't Geloof geheel en tot 't einde toe verliezen ,<br />

zo dat zij bij den dood verloren gaan. De laatffgemelde<br />

kunnen 't geloof wel geheel verliezen, maar worden voor<br />

hun ftefven door vernieuwde bskeerin^ weer herfteld, en<br />

zijn eeuwig gelukkig.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz, 345<br />

„ waar door de uitverkoorene van 't eerfte ogenblik<br />

„ zijner levendigmaakiBg en zaligmakend Geloof,<br />

„ noch voor een tijd, noch eindelijk uit den Haat<br />

,, der genade kan uitvallen, zoo, dat hij eeuwig ver-<br />

„ loren gaat". En dit bewijzen wij:<br />

a ) Uit de onveranderlijkheid der verkiezing,<br />

Matth. 24: 24. Zij zouden, indien 't mogelijk zvas,<br />

de uitverkoorenen verleiden.<br />

b. ) Uit de onwankelbaarheid van 't verbond der<br />

genade , Jez. 64: 10. IVant bergen zullen wijken<br />

(gg), en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid<br />

zal van u niet wijken, en 't'verbond<br />

mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw<br />

ontfermer. Zie ook Rom. 8." 35;<br />

c. ) Uit hoofde van Chriftus zorg voor de zijnen.<br />

Joh, 10: 28, 29. Ik geve mijne Schaapen 't<br />

eelt-<br />

(gg) Men zou de woorden -dus kunnen opvatten , dat<br />

fchoon 't mogelijk is, dat de bergen wijken en de heuvelen<br />

wankelen, is 't nogthans onmogelyk dat mijne goederrierenheid<br />

wijkt. Of anders, fchoon bergen en heuvelen wel<br />

eens geweken zijn, enz. En zeker oude Schrijvers als Sz.<br />

KECA en PLINIUS fpreekeu meer dan eens van 't wegwijken<br />

van bergen en heuvelen.<br />

David zegt Pf. .55; 7. Die de<br />

Vergen verzet door zijne kragt. Zeer merkwaerdig is 't geval,<br />

't welk, met opzicht tot deze zaak aan den berg Libanon in<br />

*t jaar 1770 is voorgevallen, men kan't zelve nalezen in<br />

mijne BrjisELVttRKXAfiiNG betrekkelijk Paleftina, p. 68, 69.<br />

Ilde De.nu Z


34Ö<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

eeuwige leven, enz. Hebr. 7: 25. Waarotn Hij nok<br />

volkomen kan zalig maken de geenen, die door Hem<br />

tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hun<br />

te bidden.<br />

d. ) Uit kragt van den inwoonenden Geeft, of<br />

de verzegeling, zijnde eene bijblijvende weldaad in<br />

onderfötëidlng van de verzekering, Eph. 4: 30.<br />

e. ) Eindelijk , om alles niet bij te brengen ,<br />

voeg ik er "nog bij, als dat N een gelovige dan nooit in<br />

dit leven van zijn zaligheid zou kunnen verzekerd<br />

zijn, 't geen tegen de H. S. ftrijdt, gelijk te vorert<br />

bewezen is.'<br />

667.} J- 'lk "ben hier mede zeer voldaan, doch<br />

heb eenige bedenkingen of zwarigheden, die ik met<br />

't vootige niet vereffenen kan. Voor eerft, wat moet<br />

ik deuken van SALOMO , die onze Godgeleerden voor<br />

een waar gelovigen houden, gelijk ons ook zijn Schriften<br />

hier van ten bewijze ftrekken: en deze koning<br />

is <strong>im</strong>mers ten eenernaalfafgevallen, blijkbaar uit die<br />

fchanuelijke afgoderij, 1 Kon. 11.<br />

L. Wij onfkennen niet, dat een waar geloovige<br />

in zwaare zonden zou kunnen vallen, en wel zoo,<br />

dat 't geeftelijk leven niet in hem befpeurd wordt.<br />

Gelijk in 't natuurlijke gebeurt, dat men zomtijds<br />

in een menfeh geen leven befpeürt, zonder dat daar<br />

uit volgt, dat hij geen leven bezit, zo is 't ook in<br />

't geeftelij fee. Dit heeft zelfs plaats met opzicht tot 't<br />

geloof, b. v. Wie zou gezegt hebben, dat Petrus<br />

een


Regtvaardiging,<br />

Heiligmaking, enz.<br />

een gelovige was, wanneer men hem zijn Heeren<br />

Meeiter met zelfs-vervloeking had horen verlochenen?<br />

Evenwel was hij op dat ogenblik voor een<br />

waar gelovigen te houden: dit zegt de Zaligmaker.<br />

Luc. 22: 32. Ik heb voer u gebeden, dat uw gelo<br />

j niet opboude. Uit SALOMO 'S grooten val kan<br />

dus geen bewijs ontleend worden, dat hij uit den<br />

ftaat der'genade ten eenemaal is uitgevallen; het tegendeel<br />

mogen wij veel eer opmaken uit de Godlijke<br />

toezegging aan zijn Vader David gedaan, 2 Sam.<br />

7: 14» \5-<br />

668. ) J. Ik lees, Joh. 15: 2. Alle ranke die in<br />

viij neen vrugt draagt, die neemt Hij weg. Hier<br />

uit fchijnt te blijken, dat er zodanige gelovige zijn,<br />

die, fchoon zij met Chriftus vereenigd waren, wegens<br />

hun wangedrag verloren gaan.<br />

L. Er is geen waare vereeniging met Chriftus dan<br />

door een levendig geloof, vrugtbaar in goede werken,<br />

die dit bezitten zijn alleen waare gelovigen, goede<br />

ranken, die de Vader reinigt, op dat zij meer vrugt<br />

drayen. Doch de dode of dorre ranken zijn wel in<br />

de wijnllok , maar behoor en niet tot den wijnftok,<br />

waarom de Landman dezelve te zijner tijd wegfnijdt<br />

en verbrandt: een eigf naartig zinnebeeld van fchijngelovigen<br />

, die door uitwendige belijdenis wel in<br />

de kerk zijn, maar niet behooren tot de kerk, gelijk<br />

wij de vorige reis getoond hebben.<br />

669. ) J. Nog eene bedenking, hoe moet ik be-<br />

Z 2<br />

gKJ-


348 Het veertiende Gefprek, van de<br />

grijpen 't zeggen van Jezus.<br />

mij gegeven hebt , hebbe ik beivaard,<br />

fob. 17: 12, Die gij<br />

en niemand<br />

L, Meó kan de Griekfche woordjes («» door<br />

dan overgezet, zeer wel door maar vertalen, dan is<br />

't eene uitfluitende tegenfteliing.<br />

In dien zin komt<br />

't meermalen voor. b. v. Luc. 4; 27. En daar<br />

uit hen is verkoren gegaan, dan de zoone der verderjfenis%<br />

waren<br />

veele mclaatzen in Ifrael ten tijde van den propheet<br />

Elifeus, en geen van hen wierd gereinigt DAN<br />

Naaman de Syriër. NAAJVIAN de Syriër was geen I-<br />

fraeliet.<br />

670. ) J. Heeft UE. nog iets aantemerken?<br />

1 L. Nu zouden wij van de weldaden na dit leven<br />

moeten fpreken; doch hier van in 't vervolgd als wij<br />

van den vierden ftaat des menfchen handelen, den<br />

ftaat hier namaals.<br />

Zal alleenlijk nog iets tot nahétragting<br />

zeggen: terbeftfaffing, bemoediging, opwekking<br />

en blijde<br />

dankzegging.<br />

671. ) J. Wat is hier ter beftrajftng aan te merken<br />

?<br />

L.. Hier zijn zeer te beftraffen zodanige menfchen,<br />

die onder 't klaar licht van 't Euangelie leven, aan<br />

wieu eene regtvaardiging enkel uit genade om de verdiende<br />

van Chriftus gepredikt wordt, en nogthans<br />

tteunen op eigen werken.<br />

Zulke menfchen, ook in<br />

'L midden van ons, die lezen, bidden, aalmoezen<br />

geven, naerftig in de kerk gaan, enz. aanmerken als<br />

de


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 349<br />

de middelen om met God verzoend te worden, d.a8c<br />

die dingen flegts de weg zijn om kennis te krigen aan<br />

den verzoeningsweg, en pligten, die wij God vcrfchuldigd<br />

zijn, en niets verdienen. Zulke menfchen<br />

zijn gelijk aan den Pharifeërj en zeer ongelijk aan<br />

den Tollenaar, waarvan Chriftus in eene gelijkenisfe<br />

fpreekt Luc. io; 9 - 13. De uitfpraak die de<br />

Heiland doet is merkwaerdig in 't 14. vers ik zegge<br />

u lieden, deze (de Tollenaar) ging af geregtvaerdigd<br />

in zijn huis (bh) [meer] dan ^'c(Pharifeër). Door<br />

dus te verkeereu, op eigen werken te fteunen, verlochenr<br />

men die groote waarheid, dat 't God is die<br />

den Godlozen regtvaerdigt. Ja hoe verkeerd redeneert<br />

dikwijls een van zonden overtuigd eu heilbegeerig<br />

menfeh, als hij denkt, was ik minder Godloos<br />

en beter van gedrag geweeft, dan was er nog<br />

kans om de regtvaardiging deelagtig te worden, maar<br />

nu ik zo Godloos ben, is 't buiten hoop; men zoekt<br />

zijn<br />

(Jih) Dewijl 't woordic meer in den groiuhext niet geyon-*<br />

den word, zou men de woorden, naar den aart der Griek<br />

fche taal, ook dus kunnen vertalen: Dese 'gir.g af geregt'<br />

vaardigd in zijn huis. niet die. Wil men bij onze overzetting<br />

blijven, dm word ook aan den Pharifecr èefieTegtvW*<br />

digheid tuegekend. evenwel niet, die voor God befl aan kan,<br />

maar eene ongenoegzame geregtigheid , men zie. Mattfi.<br />

5: 20.


350 Het veertiende Gefprek, van de<br />

zijn leven te verbeteren om in de gunft van God te<br />

komen.<br />

Een gedrag 't welk tegen de leer van 't Euangelie<br />

aanloopt, en de verklaring des Apoftels vvederfpreekt,<br />

die meldt, van een die niet werkt maar<br />

gelooft in Hem die den Godlozen regtvaerdigt,<br />

4: 5. — En wat zijn de zodaoigen ook niet te beftraffen,<br />

die deze waarheid wel met den monde belijden<br />

maar met 't hart verlochenec.<br />

Te geloven in<br />

een God die den Godlozen regtvaardigt fielt voor<br />

uit, zig regt als een Godlozen te kennen, en 't fluit<br />

in zig God te erkennen als zulk een God, die den<br />

Godlozen regtvaardigt.<br />

Rom.<br />

Zij die zorgeloos in de zonden<br />

voortgaan gelooven niet hartelijk en waarlijk aan<br />

deze waarheden,<br />

Ja, zij hebben zelfs geen begeerte<br />

om langs den weg van 't Euangelie geregtvaardigt te<br />

worden.<br />

Het is <strong>im</strong>mers eene volkomen tegenftrijdigheid,<br />

zorgeloos in de zonde voortegaan, te wandelen<br />

naar zijn eigen goeddunken en de eeuwe dezer<br />

waareld; en te gelijk over dit gedrag als zondig en<br />

Godloos bij God in Chriftus vergeving te zoeken.<br />

Mag ik niet tot zulken zeggen :<br />

„ Hoe ongeluk-<br />

*„ kig is'tmetugefteld? Gij zijt Godloos, God<br />

„ regtvaardigt godlozen; maar gij hebt er geen zin<br />

„ in, gij blijft liever godloos. Is dit niet door ei-<br />

„ gen fchuld uw heil verwerpen? O dwazen ! daar<br />

„ er zulk een weg open ftaat, en gij niet behoeft<br />

„ verloren te gaan 1 Zaagt gij uwe dwaasheid! En<br />

„ vervvierpt gij zulk een God niet langer! Alles roept<br />

u


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 351<br />

„ 11 tot uwer behoudenis: God is een God, die den<br />

L, Godlozen regtvaardigt: regtvaacdig is Hij, die in<br />

„ Hem als zulk een Gud gelooft; men kan zo ramp-<br />

„ zalig als men is, om niet behouden worden" (ii).<br />

67e.) J. Wat is er tot bemoediging in dit leerftuk<br />

te vinden?<br />

L. Groote bemoediging voor allen, die gaarh wrnfchen<br />

langs den weg van 't Euangelie gezaligd te<br />

worden. Moeft de menfeh door eigen werken met<br />

God verzoend worden, 't zag er met ons allen zeer<br />

wanhopig uit, maar 't is om de werken van Jezus<br />

Chriftus uit genade door 't geloof toegerekend. Hoe<br />

groot of veel of langduurig iemand ook gezoodigt<br />

heeft, 't bewijft niet meer dan dat hij een Godloze<br />

is. En de uitnodiging in 't Euangelie geeft hem vrijmoedigheid<br />

om met alle zijne fchuld tot God te komen,<br />

die deu Godlozen regtvaardigt, om bij Hem<br />

van fchuld en verdorvenheid verloft te worden door<br />

Chriftus bloed en Geeft. Wanneer dan een godloze<br />

met verfoeijing van zijn Godloosheid zig gelovig<br />

wendt tot Hem, die den Godlozen regtvaardigt,<br />

zo verheerlijkt hij God en verzegelt dat God waaragtig<br />

is. Joh. 3: 33.<br />

673-) %<br />

(iï) Zie 't meermaals aangehaalde werk van J. DE<br />

Leerredenen over 't geloof, p. 49.<br />

Z 4<br />

LEEUW,


5^2<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

673. ) J- Wat is er verder aan te merken ?<br />

L. Ik heb ten derde aan te merken, dat er in de<br />

verhandelde waarheden veel tot opwekking en beftiering<br />

voor alle die God zoeken te vrezen, ligt opgeflooten.<br />

En waar toe zal ik Gods volk beter op<br />

wekken, dan om de Heiligmaking geduurig na te<br />

jaagen, Hebr. 12: 14. En om daar in te vorderen<br />

hebben de gelovigen niet alleen de wet van God, maar<br />

ook tevens 't voorbeeld van den Heere Jezus, die<br />

heilig naar de wet Gods geleeft heeft. Die zegt dat<br />

hij In Hem (in Jezus) blijft, die moet ook zelve alzo<br />

wandelen, gelijk Hij gewandelt heeft, 1 Joh.<br />

2: 6. Dus moet men den Zaligmaker na wandelen,<br />

niet als borg, maar als een heilig menfeh.<br />

674. ) J- Ik verzoek. U 't leven van Jezus mij uit<br />

den Bijbel aftefchetzen.<br />

L. Dit wil ikkortelijk doen, zo als Hij zig gedragen<br />

heeft omtrent GW, zigzelven, en zijnen nadfien.<br />

a. Met opzigt tot God, liet Jezus een beftendige<br />

liefde blijken, Hij zogt niet anders dan zijn hemelfchen<br />

vader te verheerlijken, en betoonde eene<br />

groote hoogachting voor .Hem, Joh. 2: 17. 7; 18.<br />

8: 49 . De openbare Godsdienft wierd bij Hem<br />

nauwkeurig waargenomen, zo in den tempel als in<br />

de Synagogen. . Wat den inwendigen Godsdienft<br />

betreft: Denk hieraan den iever, vurigheid<br />

en ootmoed in 't gebed tot God, lübr. 5: 7. Welk<br />

een


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 353<br />

een zelfsverlochening, Matth, 16: 39. hoedanig een<br />

vertrouwen itraalde daar in door? Joh. li: 41, 42.<br />

Denk hier aan de gewillige gehoorzarning van<br />

alle Gods bevelen, zonder uitzondering, Joh. 4: 34.<br />

5: 30. Philip. 2: 8. —— Let op zijn geduld in alle<br />

tegenfpoeden, 1 Petr. 2: 23.<br />

b. Met opzigt tot zigzelven, een heilige voorzigtigheid<br />

om zig niet buiten noodzaak in gevaren<br />

te begeven , Matth. 4: 6,7. matigheid in<br />

fpijs en drank, Matth. n: 19. eerbaarheid, kuisheid<br />

en nedrigheid enz. Joh. 8: 46. Philip. 2: 7.<br />

c. Met opzigt tot zijn naaften, gehoorzaamheid<br />

jegens zijne ouders, Luc. 2: 51. en jegens de<br />

overheden, Matth. 22: 21. Jezus toonde liefde tot<br />

allerlij zoort van menfchen in alle betrekkingen: Hij<br />

bevorderde hun lichaamlijk welzijn, Hand. 10: 38.<br />

maar inzonderheid hun geeftelijk welzijn. Hij onttrok<br />

zig niet 't gezelfchap van onbekeerden met oogmerk<br />

om hun nuttig te zijn, Luc. 15: 1, 2. Hij<br />

was met medelijden aangedaan over de hardigheid<br />

hunner harten, Luc. 19: 41. Hij bezogt dikwerf de<br />

Godvrugtigen ([kk). Joh. n. Luc. 10: 38. Hij bad<br />

voor<br />

(kk) Het is zeer nuttig (indien 't mogelijk is) gezelfchap<br />

ran Godvrugtigen bij te wonen. Zo dra iemand bekeerd<br />

twordt<br />

2 5


354 Het veertiende Gefprek, van de<br />

voor zijne vrienden en voor zijne vijanden. Luc. 2z.<br />

32 en 23: 34.<br />

675.) J. Och mogt ik Jezus volmaakt kunnen<br />

navolgen! Hoe komt 't dat de heiligmaking hier in<br />

dit leven onvolkomen is?<br />

L. Indien de Heiligmaking hier op aarde volkomen<br />

was, dan zou een gelovige zijn bedorven beftaan<br />

zo zeer niet leeren kennen, want daar is langen<br />

tijd toe nodig; dan zou hij bij bevinding Gods<br />

ontfermende liefde in zulk eene mats niet beichouwen<br />

kunnen, welke hij nu gewaar wordt in de dageïijfche<br />

vergeving zijner misdaden. Deze Godlijke<br />

handelwijze maakt ook 't onderfcheid des te grooter<br />

tusfchen den Haat der genade hier, en der heerlijkheid<br />

hier namaais (ll~). En fchoon alle gelovigen<br />

niet<br />

wordt, zal hij ook daar toe luit hebben. Eerflbeginncndegelovigen<br />

hebben ook onderngt nodig. Evenwel gebeurt 't niet<br />

zelden, dat zij door onkunde zoo kwalijk beftuurd worden,<br />

dat zij verward in begrippen zeer lang moeten omdolen, eer<br />

zij te regt raken Het was beft, dat eeiflbeginnende raadpleegden<br />

alleen met verftandigc Chriftenen ; als ook dat<br />

min kundige menfchen (fchoon zij God vrezen) zig mogten<br />

wagten om opregt zoekende zielen, die door een ongelovig<br />

hart of andere vijanden bedreden worden, kleinmoedig te<br />

Kia'.en.<br />

(lij „ Te zeggen, dat den geloovigen gebreken aankle-<br />

» ven,


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 355<br />

Biet even ver gevorderd zijn in de heiligmaking,<br />

want Johannes ipreekt, 1 Joh. 1: 13. van kinderen,<br />

jongelingen ca vaders in Chriftus; zo is 't e-<br />

venwel 't heerjchend verlangen van een waar Chriften<br />

om den hoogften trap van heiligmaking te bereiken<br />

(mtn).<br />

676)<br />

„ nen, Op ast zij zig niet zouden •ferhovaerdigen, beh;lft geert<br />

„ voldoende redcgcvöig De vraag is <strong>im</strong>mers niet; of zij zig<br />

j, wegens hunne gebreken behoren te vernederen? Maar waar-<br />

„ om zij nog gebreken hebben? Indien God iemand op aarde<br />

„ die zelve zedelijke volmaaktheid, die de hemelingen be-<br />

„ zitten, geliefde te verdunnen, en he.n, gelijk Hij die<br />

„ doet, daar bij te bewaren: Zoude zulk een heilig menfeh,<br />

„ even als de hemelingen, allerootmoedigfl leven , en buiten<br />

,. gevaar zijn van zondige zelfsvemeffing". A. BUURT Befck.<br />

God gel. sdeftuk p. I5-<br />

(mm) Dat men door Eikenbomen der geregtigheid, Jez. 61:<br />

3. ver gevorderde gelovigen kan verftaan, wil ik niet ontkennen;<br />

ma»! 't kont mij niet waarfcriijnlijk voor, dat men<br />

door 't gekrooiue riet en rokende vlaswieke Jez. 42: 3' Matth.<br />

11: 20. aan zwakgelovigen moet denken. Veel waarschijnlijker<br />

is 't, om door die fpreckwijzen, den vervallen Joodfchen<br />

Kerk en Burgtrfiaat ten tijde van Chriftus tc verftaan.<br />

Deze<br />

was toenmaals gelijk aan een riet dat geknakt is, aan een<br />

viaswiek dat nog wat fmeuide, en duf nabij den ondergang.<br />

Chriftus zou nogthars zo zagtjiifihig en langmocdig<br />

met de Joodfche natie handelen, dat Hij dat geknakte riet<br />

aic-tzou verbreken, noch dat rokendu vlaswiek uitblusfch.cn,<br />

tot


35^<br />

Het veertiende Gefprek, van de<br />

676.) J. Gij zeide dat ook de verhandelde waarheden<br />

in ons gelprek ftrekten tot blijde dankerkentenis<br />

voor een Chriften.<br />

L. Een uitnemende dankerkentenis is een gelovige<br />

verfchuldigd voor zoo veele en heerlijke weldaden<br />

aan hem gefchonken; als daar is de verzoening met<br />

God; een kind en erfgenaam te zijn van den Hemelfchen<br />

Vader, de H. Geeft in 't hart als een inwoner<br />

te hebben; de Vertroofcinge des Heeren in ongelegenheden<br />

te ondervinden; bewaard te worden tot<br />

Gods hemels koningrijk.<br />

uitroepen :<br />

Hier moet een Chnften<br />

Wat zal ik den Heer vergelden voor alle<br />

zijne weldaden aan triij bewezen, Pf. 116: 12.<br />

Dë tijd van onze famenfpraak is reeds zoo ver verlopen,<br />

dat ik in alle deze genade weldaden , niet kan uitweijen.<br />

Ik zal alleenlijk nog iets van dc twee laatfte<br />

zeggen.<br />

6<br />

77 ) J• De vertroofting moet zeker ftof van blijdfchap<br />

zijn ?<br />

L Geen wonder in moeijelijke gevallen , in a-<br />

kelige vooruitzichten , bemoedigd te worden door<br />

den<br />

tot'dat hij 't oordeel zou uitgebragt hebben tot overwinnig; dat<br />

is, na zijn opftanding en hemelvaart, toen is omtrent 30<br />

jaar daar na, 'r Joodfcb gcmeenebeft verbroken, hun kerkelijk'<br />

gezag met alle de Godsdienftplegtigheden als uitgeblufi<br />

door de verwoefting van Land, Stad en Tempel.


Regtvaerdiging, Heiligmaking, enz. 357<br />

O<br />

den II. Geeft, die daar toe gebruikt de trooftbeloften<br />

van 't Heilig Bijbelblad.<br />

a. ) Is iemand hartelijk bedroeft over zijne zonde,<br />

en treurende over 't gemis van Jezus, denkende<br />

door moedeloosheid en ongeloof wel eens, dat God<br />

op hem niet zal willen nederzien: hoe trooftrijk moeten<br />

hem die woorden voorkomen, die men vindt,<br />

Jez. 57: 15. Alzo zegt de hoge en verhevene, die<br />

in de eeuwigheid woont en wiens name heilig is: ik<br />

woone in de hoogte en in 't heilige, en bij dien, die<br />

eens verbrijzelden en nedrigen geef!es is, op dat ik levendig<br />

make den geefl der nedrigen, en op dat ik levendig<br />

make 't harte der verbrijzelden. Zie ook<br />

Jer. 31; 25.<br />

b. ) Moet een Chriften tot zijn innige ziele fmart<br />

lang in 't duiltere verkeeren , daar hij intusfchen<br />

niet ontkennen kan, dat zijn hart opregt voor God<br />

is: hoe aangenaam is hem de Godlijke belofte, PJ'.<br />

112: 4. Den opregten gaat *i licht op in de duiflernis.<br />

Jez. 42: 16. Ik zal den blinden leiden door den<br />

weg die zij niet geweten hebben, Jez. 57: 18. Ik zie<br />

hunne wegen , ik zal ze geneezen, enz. Mal. 4:2. U<br />

lieden daar en tegen, die mijnen naam vreefl, zal<br />

de zonne der geregtigheid opgaan, enz.<br />

c. ) Wordt een Godvrugtige van zijne vijanden<br />

geplaagt, moe: hij omzwerven, zo dat hij nergens<br />

een veilige woonplaats vindt : hij wordt zeer getrooft


358 Het veertiende Gefprek, van de<br />

e<br />

trooft waaneer hij met David tot God zegt, Pf.<br />

56: 9. Gij hebt mijn omzwerven geteld; legt m<br />

tranen in Uwe flesjche; (««) en ztjnze niet in uw<br />

re gijl er ?<br />

d. ) Wordt dx>r een boze waareld lift op lift beraamd,<br />

om-niet alleen den vromen te benauwen,<br />

maar, was't mogelijk, hem tenverderve te brengen,<br />

hij fterkt zig in God, Jez. 54: 17. Alle inflrument<br />

dat tegen u bedagt wordt zal niet gelukken, en<br />

touge, die in 't gerichte tegen u opjlaat, zult gij<br />

verdoemen, dit is de erve der knegten des Heer<br />

enz.<br />

e. ) Verheft een vroome zijn tederlievende Echt*<br />

genoot of zijnetrouwhartige ouders, in wier leven hij<br />

zo veel belang ftelde, dat wegens derzelver dood,<br />

geen menfchlijke redeneering kragtig is om hem te<br />

trooften, hij veegt zijn tranen af, wanneer de H.<br />

Geeft hem doet zien dje kragt dier Bijbelfpreuk. PC.<br />

68; 6. Hij is een Vader der weezen, een Regterder<br />

weduwen: God in de wooiiflede zijner heiligheid 1 .<br />

f. ) Heeft hij veel moeijte om de koft voor zij»<br />

talrijk huisgezin te verzorgen; leeft hij in groote ar-<br />

moe-<br />

(nn) 't Woord hier door jlesfche vertaald, beduidt in '*<br />

Hebreeuws een Iedere zak. Niemand, dan die de gewoontens<br />

der Oosterlingen onbekend zijn, zal zig hier over verwonderen.<br />

Zie mijne EIJRLLVEEKLARING betrekkelijk Palejlina.<br />

p. 2.68.


Regtvaardiging, Heiligmaking, enz. 359<br />

moede: 't beurt zijn neerflagtig gemoed op, als hij<br />

leeft, Pf. 10: 14. Gij ziet 't [<strong>im</strong>merf] want gij<br />

aanfchouwt de moeijte en 't verdriet, op dat men 't in<br />

uwe hand geve; op u verlaat zig de arme; Gij zijt<br />

geweeft een helper des weezen. PJ. 37; 25. Ik ben<br />

jong geweeft, ook ben ik oud geworden, maar hehbe<br />

niet gezien den regtvaardigen verlaten, noch zijn<br />

zaad zoekende brood. •<br />

g.) Om alles niet bij te brengen, in welke moeijlijke<br />

omftandigheden een Chriften ook komt, welke<br />

akelige vooruitzichten hij ook heeft, raag hij zig flegts<br />

verzekerd houden , dat Tiij God opregt vreeli en<br />

dient, dan kan hij zijn wantrouwend beftaan beftraffen,<br />

Pf. 42: 6. Wat buigt gij u neder 0 mijne ziele<br />

enz, dan kan hij geloven, Pf. 25: 10. dat alle de<br />

paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid,<br />

enz. Dan kan hij in een blij vooruitzicht leven op<br />

de aanftaande heerlijkheid, en zeggen, Pf. 17: 15.<br />

Ik zal uw aangezicht in geregtigheid aanfehouwen,<br />

ik zal verzadigd worden met uw beeld, als ik zal<br />

opwaken. Zie ook, Pf. f%'. 24.<br />

678.) J. Gelief nu nog te zeggen hoe de veilige<br />

bewaring den gelovigen tot blijde dankbetuiging opwekt.<br />

L. De Godlijke bewaring is eene uitnemende wel.<br />

daad , en ook een voornaam goed van 't verbond<br />

der Genade. Gelijk er rondom Jerufalem bergen<br />

zij»


3_/>). „ Zo lang alle kniën, die in<br />

„ den hemel en op de aarde, en onder de aarde zijn<br />

„ buigen moeten, en gehoorzamen voor, en aan 't<br />

„ lam, dat geilagt is; zo lang Chriftus een onveran-<br />

„ derlijk en getrouw God is, die niet liegen kan;<br />

„ zo lang zal een arme zwakke worm, die op Hem<br />

„ betrouwt, beveiligd zijn voor afval en voor verboren<br />

te gaan. O dierbare zegeningen! Heerlijke<br />

„ verrrooftingen, die er ontfpringen uit de regte ken-<br />

„ nis van Jezus! enz".<br />

HET<br />

r» Zie deze Bijbelplaats opgehelderd in mijne BIJBEL­<br />

VERKLARING betrekkelijk Paleftina, p. 18,<br />

(pp) Zie Deszelfs Godvr. Brieven ïfte D. p. 100.


Pag. 36"t<br />

HET<br />

VIJFTIENDE<br />

G E S P R E K ,<br />

over de<br />

Sacramenten.<br />

679.) jongeling. Nu wij van de Sacramenten<br />

J hebben te fpreken, welke orde zullen<br />

wij hier in beft houden?<br />

Leeraar. Het zal nodig zijn, dat wij eerft iets<br />

in 't algemeen van de Sacramenten zeggen, en dan<br />

overgaan om in 't bijzonder te handelen van die des<br />

O. Teftaments, doch voornamelijk van de Sacramenten<br />

des N. Teftaments. Wat de Sacramenten-in<br />

't gemeen betreft, letten wij hier eerft ten weinig<br />

op 't woord, en dan zullen wij de zaak befchouwen.<br />

Ilde DfiEju A a 63o.)


362 Het vijftiende Gefprek,<br />

680.) J. Wat is omtrent 't woord aantemerken ?<br />

L. Het woord Sacrament is van een Latijnfchen<br />

oorfprong, Sacramentum komt af van jacrare, hei'<br />

ligen, tot een heilig gebruik afzonderen. Bij de .<br />

Romeinen was dit woord, onder anderen in gebruik<br />

0 n aan te duiden den eed, welken de krijgsknegten<br />

aan de overheid deden, waar door zij zig verbon- I<br />

den om aan hunne overften getrouw te zijn en den ,<br />

dienft niet te verlaten. Dit woord nu is al heel vroeg I<br />

ir de kérk overgenomen, maar ineen veel ru<strong>im</strong>er zin<br />

dan wij gewoon zijn het te nemen, en 't hier in ons \<br />

gefprek voorkomt. Teh : tijde van TERTULLIAAN , die I<br />

in 't begin der derde eeuw des Chriftendoms gebloeid<br />

heeft, wierden alle voorbeelden en bijfpteuken<br />

met dezen naam genoemt, en hij zelve noemt<br />

de Heilige leere met den naam van Sacrament. Ten<br />

tijde van AUGUSTINUS in de 5de eeuw heeft men<br />

zig van dit woord bedient om ieder, teken te benoemen<br />

, 't welk gefchikt is ter verfterking des geloofs,<br />

b. v. de Regenboog (af Verder dient nog aangemerkt<br />

te worden, dat in de gemeeneLatijnfche over- ;<br />

zetting, die men gewoonlijk de Vulgata noemt, 't<br />

Griek-<br />

(a) De Regenboog kan wel een Sacrament genoemt worden<br />

, en wel zodanig, dat door alle tijden heen plaats<br />

heeft, doch komt hier niet in aanmerking , alzoo 't geen<br />

Sacrament van 't verbond der genade is , zie hier vcreii<br />

Pas. 10, 20.


van de Sacramenten. 563<br />

Griekfche woord (W^w) bij de onzen verbórgenbeid<br />

vertaald, door facramentum wordt overgezet,<br />

waar van de Roomfchgezinden misbruik maken. (£)<br />

Wij gebruiken dit woord thans in onze kerk in een<br />

bepiaideren zin, en verftaan er door de zegeltekenen<br />

van 't genade verbond (c). En niet ten onregt kan<br />

men daar voor 't woord Sacrament gebruiken, om<br />

dat men door deze aan God word toegewijd, of ook<br />

wel zig zeiven aan den Heer toeheiligt en aan zijn<br />

dienft verbindt.<br />

681.) J. Om dan tot de zaak te komen, zo verzoek<br />

(&) Dewijl Paulus Eph. 5: 32, de geeftelijke vereeniging,<br />

die er tusfchen Chriftus en de kerk is, met zinfpeling op 't<br />

huwelijk eene verborgenheid noemt, zo telt de Roomfche kekk<br />

't Huwelijk onder de Sacramenten des N. T. beroepende<br />

zig op de Vulgata, alwaar dit woord Eph. 5: 32. gevonden<br />

word.<br />

Doch ik kan niet begrijpen, hoe de Roomfchgezinden<br />

zo onvoorzichtig kunnen wezen, om daar uit een bewijs<br />

te ontkenen , want de Vulgata noemt de verborgen»<br />

heid van de hoere van Babel en haar beeft, Openb. 17: 7.<br />

ook met 't woord Sacramentum. Ik weet niet, dat ooit ds<br />

efferanden, de befnijdenis, 'tPafcha, de Doop, 't Avondmaal,<br />

met den naam verborgenheid in de H. S. voorkomen.<br />

(c) Dewijl de Bijbel de Sacramenten tekenen en zegelen<br />

noemt , zo komt de Nederduitfche benaming zjtcsxTEKB-<br />

KENEN daar mede t beft overeen.<br />

Aa 2


364 Het vijftiende Gefprek,<br />

zoek ik, mij te zeggen, wat wij door Sacramenten<br />

verftaan ?<br />

L. „ Sacramenten zijn heilige zichtbaare waartej<br />

y<br />

kenen van God ingezet, op dat Hij ons door 't<br />

„ gebruiken dezelver de belofte des Euangeliums<br />

„ dies te beter te verftaan geve en verzegele" (dj.<br />

Rom. A- : i . En hij (ABRAM) heeft' 't teken derbefnijdem:<br />

ontvangen tot een zégel der regtvaardigheid<br />

dis Geloofs.<br />

682.) J. Gelief dit wat op te helderen.<br />

Z. God heeft na den val 't Euangelie verkondigt<br />

en laten verkondigen; dit Euangelie behelft in zig,<br />

gelijk wij te voren (in 't 13 gefprek) gezien hebben<br />

beloften voor een iegelijk die gelooft: en deze<br />

belofte zijn zelfs met eede geftaafd, Ezech. 33: 11.<br />

(e). Hier bij zou 't de Heere hebben kunnen laten,<br />

als zijnde Gods getuigenis en eed twee onveranderlijke<br />

dingen, in welke '1 onmogelijk is, dat God liege.<br />

Maar neen, boven dit alles heeft 't God behaagt<br />

zicht-<br />

(d) Een ieder ziet, dat ik deze woorden ontleend heb<br />

uit den Heidelb. Kat. vr. 66. Het woord 'waartekenen vinden<br />

wij in de Hoogd. uitgave van den Katechismus, daar<br />

de Latijnfche enkel figna, tekenen, heeft- Zeer fraaij is de<br />

uitdrukking die wij daar vinden facra in oculos incurrentia figna<br />

&c.<br />

(e) Zie ook de redeneering van Paulus Hebr. 6: 17, 18.


van de Sacramenten.<br />

3t>#<br />

zichtbaare tekenen te verordenen, welke de onzichtbare<br />

genade, in 't Euangelie beloofd, voor 't oog<br />

dzï menfchen zouden afbeelden, en te gelijk dies te<br />

fterker zouden verzegelen,.<br />

683.) J-.Ikbegrijp.dus, datértusfchenftwoord en<br />

de Sacramenten zekere overeenkomt! is, maar ook<br />

eenig onderfcheid.<br />

L. Er is zeker groote overeenkomft tusfchen 't woord<br />

des Euangeliums, en de Sacramenten; niets wordt<br />

ons in de Sacramenten betekend, dan't geen in't woord<br />

verkondigd wordt; en niets in de Sacramenten verzegeld<br />

dan 't geen in 't woord beloofd wordt. „ Bei-<br />

„ de woord en Sacramenten zijn daar henen gérig't,<br />

„ of daar toe verordend, dat zij ons geloof op de<br />

„ offerande van Jezus Chriftus aan 't kruis, als op<br />

„ den èer.igen grond onzer zaligheid wijzen: Want<br />

„ de H. Geeft leert ons in 't Euangelie, en, verze-<br />

„ kert ons door de Sacramenten, dat onze volko-<br />

„ men zaligheid in de eenige offerande van Chriftus<br />

., ftaat, die voor ons aan 't kruis volbragt is". Zo<br />

fpreekt de Beidelb. Kat. vr. 67. Doch er is<br />

ook eenig onderfcheid; 1) Da prediking des woords<br />

doet 't gehoor aan: de Sacramenten 't gezicht en andere<br />

zintuigen. Nu leert de ondervinding, dat 't<br />

geen wij behalven 't horen zien, ons dan klaarder en<br />

duidelijker de zaaken duet voorkomen, dm dat wij<br />

dezelve alleen horen. 2) De verkondiging van 't Euangelie<br />

woord is 't middel, waardoor 't geloof ge-<br />

Aa 3<br />

werkt


$65 'Het vijftiende Gefprek,<br />

werkt wordt, Rem. lo: 17. de Sacramenten zijn<br />

middelen, waar door 't geloof ver fier kt wordt, Rom.<br />

4: 'ii. En hij heeft 't teken der befnijdenis ontvangen,<br />

tot een zegel der regtvwardigheié des gelo'js,<br />

die hem in de voorhuid ivas toegerekend (ƒ). Zie<br />

eok den Heid. Kat. vr. 65.<br />

684.)<br />

(ƒ) Onze geleerde Randtekenaars zeggen op Rom. 4: IK<br />

„ In welke woorden de natuur aller Sacramenten kortelijk<br />

„ word aangewezen, namelijk, dat ze dienen om 't geloof<br />

„ niet eerft te werken, maar te verzegelen en te verfter-<br />

„ ken. enz". In URSINUS Schatboek ter verklaring var. den<br />

Kattch- vr. 67. wordt gezegt, „ Door *t woord wordt 'tge-<br />

,, loof begonnen en beveiligd en door de Sacramenten word<br />

„ 't begonnen geloof alleen beveiligd". Zie ook 't Kort be.<br />

grip van den Heidelb. Kat. vr. 48, 49> 5°- De Geloofs belijdenis<br />

Artikel 35. Zommige werpen hier tegen, dat evenwel<br />

de ondervinding heeft geleerd, dat menfchen, onder<br />

de bediening der Sacramenten, h. v. 't Avondmaal zijn ontdekt<br />

en bekeerd geworden. Wij antwoorden, dat wij dit<br />

niet ontkennen , maar daaruit volgt geenzins, dat de Sacramenten<br />

de middelen zijn om 't geloof te werken: de bediening<br />

van 't Avondmaal is flegts de gelegenheid bij welke zulk<br />

een bekeerd word; maar 't woord 't welk hij te voren ge<br />

hooid heeft, of onderde bediening hoort fpreken, is 'tmiddel,<br />

door weike dc H. Geeft 't geloof en de bekeering werkt.<br />

Het is ermede gelegen, als met een die onder een zwaare ziekte,<br />

aardbeving, onweders enz. bekeerd word, dit zijn ilegts<br />

gelegenheden, bij weike hij voorheen gehoorde waarheden<br />

zig


van de Sacramenten. %6f<br />

684») J. Wat behoort er tot een Sacrament van<br />

't verbond der Genade ?<br />

L. Daar behooren toe 4 dingen: 1) Een zichtbaarteken;<br />

2) eene betekende zaak; 3") eene veree.<br />

niging van 't teken met de betekende zaak; 4) eene<br />

Godlijke inftelling.<br />

685.) J. Gelief deze zaken wat op te helderen. 1<br />

Wat is er aangaande • 't 'téken aan te merken ?<br />

L. Men moet 't woord teken niet verwarren met'<br />

een ander woord, 't welk wij een bewijs of kenteken<br />

noemen, b. v. de vorft is een kenteken van koude,<br />

de rook een kenteken van vuur. Maar wij moeten'<br />

er door verftaan aftekeningen van zekere zaken, fchildzrijen.<br />

En deze aftekeningen'zij" of natuurlijk gelijk<br />

de tekening van een boom ons aanftonds aan een<br />

natuurlijken boom doet denken; of zij zijn zinnebeeldig<br />

: deze laatfte foort kunnen n<strong>im</strong>mer tekenen<br />

worden, dan uit kragt van zekere verordening of inftelling:<br />

en aan deeze laatfte moeren wij hier denken.<br />

En jdeeze tekenen in de Sacramenten , fchoon ze<br />

willekeurig zijn, (waut God had andere kunnen ver*<br />

•'• or«<br />

zig herinnert,, die de H. Geeft met kragt op 't hart brengt.<br />

Indien wij nu fteldcn, dat ziekte, aardbeving*, onweders,<br />

middelen der bekeering waren,,zo zou volgen, dat dv hei.<br />

denen buiten verkondiging van't Euangelie woord, kunnen<br />

zalig wotden.<br />

Aa 4


3^8 Het vijftiende Gefprek,<br />

ordenen,) hebben evenwel.een gepafte overeenkomfl:<br />

met de zaken, die zij moerefl afbeelden. Dat<br />

zij zichtbaar moeten zijn is uitj 't vorige klaar genoeg.<br />

Z;j worden heilige tekenen genaamd,<br />

om dat zij van een gemeen, tot een bijzonder ge.<br />

bruik afgezonderd, en alles naar de Godlijke inftel-<br />

Ihig moet verrigt worden.<br />

686. ) J. Dit begrijp ik zeer klaar, water', bij<br />

voorbeeld, is dan uit zig zelve geen afbeeldzel van<br />

Chridus bloed en Geeft, maar daar door dat de Godlijke<br />

inftelling 't zelve van die zaken, tot een teken<br />

heeft gemaakt in den Doop.<br />

L. Het tweede dat in een Sacrament van 't genade<br />

verbond wordt vereifcht, is eene betekende-zaak.<br />

En dit is Chriftus met zijne heilweldaden. En hier<br />

kan ik u nog twee dingen doen opmerken, i.) Dat<br />

teken en betekende zaak'zeer onderfcheiden zijn: de<br />

tekenen zijn aardlch en lichaamiijk, de betekende<br />

zaak geeftelijk; de tekenen wordt men lichamelijk<br />

deelachtig, de betekende zadk geniet men mét de<br />

ziel.<br />

boO<br />

687. ) ff. Gelief nu van de derde zaak, de vereeniging<br />

van 't teken met de betekende zaak, te ipreken.<br />

- -•• - • — —1<br />

L. Daar door verftaan wij, niet dat 't teken in<br />

de betekende zaak verandert; noch ook dat de betekende<br />

zaak zodanig onder 't teken is, dat die 't<br />

teken ontvangt, ook de betekende zaak zou deelachtig


van de Sacramenten. 369<br />

tig worden. Maar wij verftaan er door deels zekere<br />

overeenkomft die er is tuslchen 't reken en de betekende<br />

zaak, waar door 't eerfte is gefchikt om 't<br />

laatfte gevoegelijk af te beelden; deels eh wel voornamelijk<br />

fpreken wij van eene vereeniging, om dat<br />

de betekende zaak met 't teken altoos gepaard gaat<br />

•in eengefovig gebruikmaker van 't Sacrament. Hand.<br />

22: 16. Laat u-dopen en uwe zonden afivasfeben.<br />

Rom. 6: 3. Of weet gij niet, dat zo veele ah zvij<br />

in Chriftus Jezus gedoopt zijn, wij in zijn dood gedoopt<br />

zijh. Zie ook 1 Cor. 11: 24, 25 en andere<br />

plaatzen. •<br />

688. ) Maar is 't wel nodig, dat de Sacramenten<br />

van een Godlijke inftelling zijn, kunnen dit de Leeraars<br />

der kerk niet doen?<br />

L. Uit mogen geen Leeraars, of wie 't ook zijn,<br />

uit de bloore Schepfelen doen, dit komt God alleen<br />

toe, dewijl de Sacramenten tot de wezenlijke deelen<br />

van den Godsdienft behoren, waar omtrent God alleen<br />

beftelling kan maken. Wij zien dit niet al'een<br />

van alle die zegeltekenen, die wij voor waare Sacramenten<br />

erkennen,• maar zelfs de Joden ten tijde van<br />

Chriftus waren daar van overtuigt, Matth. 21: 25.<br />

Zie ook 1 Cor. 11; 23.<br />

689. ) J.lk heb nog eenige vragen over de Sacramenten<br />

in 't gemeen te doen; de eerfte is, waarom<br />

zij zegelen genaamd worden ? Ik begrijp dit dog<br />

niet klaar?<br />

Aa 5<br />

L. Dit


37° Het vijftiende Gefprek,<br />

L. Dit is zeer gemakkelijk te begrijpen, gelijk da<br />

H. Geelt: voor zo ver Hij in de harten der gelovigen<br />

woont, dan eens 't zegel, dan eens 't onderpand<br />

hunner erlFenis word genaamd, Epb.i:i^, 14. Zo<br />

is 't ook met de Sacramenten gelegen, 't zijn zegelen<br />

, die aan de waare gelovigen als onderpanden gefchonken<br />

worden. Onze Heidelb. Kat. vr. 73. noemt<br />

daarom den Doop een Godlijk pand en waar teken.<br />

Laat ik 't met een voorbeeld ophelderen: Wanneer<br />

gij van iemand een fchuldbrief krijgt, zo ftrekt die<br />

brief tot een onderpand van dat geld, 't welk gij ter<br />

beftemder tijd zult deelachtig worden, en 't verzekert<br />

u de trouwe des geenen, die zig aan u verbonden<br />

heeft. Om dat nu de genade goederen in dit leven<br />

onzichtbare goederen zijn, en de gelovigen van<br />

de hemelfche goederen hier op aarde nog geen dadelijke<br />

bezitters zijn, zo heeft't God behaagd, zichtbare<br />

tekenen als onderpanden ter verzekering hun te<br />

lchenken.<br />

690.) J. Hier uit fchijnt te volgen, dat de Sacramenten<br />

alleen moeten bediend worden aan waare gelovigen,<br />

dewijl aan onbekeerden geen verzegeling<br />

gefchieden kan, dewijl zij de betekende zaak misfen.<br />

L. De Sacramenten alleen aan waare gelovigen toe<br />

. tedeelen, is volftrekt onmogelijk, dewijl de bedienaars<br />

dier zegeltekenen geen hartenkenners zijn, en<br />

dit niet onfeilbaar van iemand weten kunnen. Neen<br />

de Sacramenten behoren tot de bedeelingen van 't


van de Sacramenten. 371<br />

Genade verbond , en moeten bediend worden aan<br />

zulken, welke onder de bedeeling van dac verbond<br />

of van de genade l*er leven. De bediening nogthans<br />

der Sacramenten moet naar derzelver aart worden ingericht.<br />

Er zijn niet alleen Sacramenten tot gedurige<br />

verfterking en voeding in 't geloof, hoedanig de<br />

.offeranden, 't Pafcha waren , en 't Avondmaal is,<br />

maar ook zulken, die dienen tot inlijving in de kerk.<br />

Van zodanigen aart was oudtijds de befnijdenis en<br />

nu de doop. Abraham moeft op Godlijken laft niet<br />

ËÜeen zig zelfs beihijden, maar ook alle zijne kncg«<br />

ten, om dat zij tot zijn huisgezin behoorden,<br />

onder welke in dien tijd de bedeeling van-de leere<br />

der genade was. En om dat die laatftgemelde Sacramenten<br />

zijn ter inlijving in de kerk, zo moeft wel<br />

eer de befnijdenis en ook nu nog de doop aan kinderen<br />

zo wel als aan volwasfenen worden bediend.<br />

Ik voeg er eindelijk bij, 't is klaar dat de Sacramenten<br />

ook aan onbekeerden bediend zijn, blijkende<br />

duidelijk uit S<strong>im</strong>on den tovenaar Hand. 8:<br />

13, ai. Dit geeft nogthans-niemand vrijheid om<br />

ongelovig de Sacramenten te gebruiken, gelijk in<br />

vervolg nader blijken zal.<br />

091.) J. UE. heeft nog niet beantwoord , hoe<br />

er aan onbekeerden iets kan verzegeld worden ?<br />

L. Het gaat er mede, zo als in de verkondiging<br />

van 't Euangelie: God verklaart ja verzekert in zijn<br />

woord en zo ook in de Sacramenten, dat Hij in Mesfias


3/2 Het vijftiende Gefprek,<br />

lias de God van een ellendig zondaar wil zijn^ dat<br />

er in Chriftus en door zijnen Geelt vergeving van<br />

zonden en heiligmaking re vinden is (gj. Deze verzegeling<br />

is volftrekt. Maar aan de zijde van de gebruikmakers<br />

der Sacramenten is de verzegeling vooronderftellende.<br />

Zii die de Sacramenteele rekenen gebruiken,<br />

en geen lüft hebben tot de betekende zaak ,<br />

•maar die verwerpen, verzwaren hun oordeel, en blijven<br />

zij daar in voortgaan, hun deel zal zijn met de<br />

geveinsden \hj,<br />

602.)<br />

(g) Vergelijk hier wederom de Heidelb, Kat. vr. 67.<br />

(h) Zulk een die de prediking des Euangeliums verwcipt,<br />

verzwaart zijn oordeel; maar nog veel meer gefchiedt dit<br />

door 't geveinsdelijk gebruik maken van de Sacramenten.<br />

Dit blijkt daar uit, dewijl men 't Euangelie hoort prediken<br />

geeft men daar mede niet te kennen, dat men dat Euangelie<br />

woord gelooft en gehoorzaam op wil volgen, want wij<br />

laaten ieder tot 't gehoor des wooids toe, al waren 't Heidenen,<br />

Joden en Turken. Maar zo is 't niet gelegen me:<br />

de Sacramenten: zij, welke die dadelijk gebruiken, geven<br />

daar mede in de tegenwoordigheid van Cod en de geneente<br />

te kennen, dat zij 't Euangelie voor zig omhelzen, en Christus<br />

zo omhelzen tot regtvaardiging en heiligmaking, als Hij<br />

in 't Euangelie wordt voorgeflcld. Hier uit ziet men, dat 'r<br />

horen var. 't woord en '{ gebruikmaken der Sacramenten niet<br />

overeenkomen, maar 't horen van 't woord met 't zien ge<br />

bruikmaken vnn de Sacramenten: evengelijk "t geloof aan 't<br />

woord, en 't gebruik van dc Sacramenten' in ccn hauw verband<br />

ft aan.


van de Sacramenten. 373<br />

692. ) J. De andere vraag is, waarom Chriftus<br />

zelve de Sacramenten gebruikt heeft, daar Hij geen<br />

erf nog dadelijke zonde had?<br />

L. Chrittus kan zeker niet gezegt worden in alle<br />

die betrekkingen de Sacramenten gebruikt te hebben,<br />

in welke wij die gebruiken. De voornaamfte rede<br />

lchijntmij deze te zijn, dat dewijl de Zaligmaker als<br />

borg zig verpligt had, niet alleen voor zijn volk te<br />

lijden, maar ook de wet te onderhouden, Hij ook alle<br />

die regten en Godlijke inftellingen moeit waarnemen,<br />

welke in deszelfs leeftijd in gebruik waren. Dit was<br />

des Heilands lult naar de voorzegging, Pf 40: 3, 9.<br />

en Hij betoonde zulks dadelijk, wanneer Johannes<br />

weigerde Jezus te dopen, zo was des Heilands taal,<br />

Matth. 3: 15. Laat nu af, want aldus betaamt<br />

ons alle geregtigheid te vervullen.<br />

Meer andere redenen kunt gij vinden bij WITZ 0-<br />

vcr de verbonden, 11de. Boek 10 Hoofd/1.<br />

693. ) J. Is er nog meer aan te merken?<br />

L. Nog maar drie zaken betreffende de bediening,<br />

de noodzaaklijkheid en 't einde, of oogmerk der Sacramenten.<br />

In de bediening des verbonds moet<br />

men zig, zo nauwkeurig mogelijk is, gedragen naar<br />

de Godlijke inftelling, zonder daar bij of af te doen.<br />

Ook hangt de kragt der Sacramenten niet af van de<br />

goede beooging of meening van de bedienaars, al<br />

zo min als de kragt des woords van de verkondigers<br />

des


374 Het vijftiende Gefprek,<br />

des Euangeliums afhangt, maar van de Godlijke gehade,<br />

i Cor. 3: 6.<br />

[ 604.) J. Zijn de Sacramenten noodzakelijk?<br />

L. Niet zo volftrekt, dat er de zaligheid van zou<br />

•afHangen, wanc dan waren al de kinderen oudtijds,<br />

"die voor den agtften dag onder Ifrael ftierven, ongelukkig<br />

geweeft, maar zij zijn noodzakelijk uit hoofde<br />

van de Godlijke inftelling, zo dat een verwaarloozer<br />

daar van zig grootelijks bezondigt, 't zij ouders<br />

die hunne kinderen verzu<strong>im</strong>en 't Sacrament te<br />

laten toedienen, gelijk Mozes Exod. 4: 24 - 26. 't<br />

zij volwasfenen, welke door kleinagting voor üie tekenen,<br />

dezelve niet gebruiken, Luc. 7: 30. Hier<br />

uit volgt, dat men aan de eene zijde niet bijgelovig<br />

moet verkeeren, door de Sacramenten al te zeer te<br />

verhaaften, nog ook zorgeloos door derzelver gebruik<br />

buiten noodzaaklijkheid uit te Hellen. Doch deze<br />

laatfte aanmerking raakt inzonderheid de Sacramenten<br />

des N. T. vermits God onder 't O. T. den jukten<br />

dag had bepaald.<br />

695.) J. Wat is 't einde of oogmerk der Sacramenten?<br />

L. Dit is vierledig, 1) tot verfterking des geloofs;<br />

a.) om zig van ongelovigen daar door aftezonderen;<br />

3) om zig zeiven plegrig aan den dienft van God te<br />

verbinden, Pf 50: 5. Gen. i7: 10. 2 Chron. co:<br />

10. enz. 4.) om de eensgezindheid der gelovigen. 1<br />

Cor. ia: 13. Eph. 4: 5.<br />

696.)


van de Sacramenten. 375<br />

696. ) J. Gelief nu overtegaan tot de bijzondere Sacramenten<br />

des genaden verbonds en wel eerft onder 't O. T.<br />

L. Wat de Sacramenten des O. T. betreft, daarin kan<br />

men de bedeelingen des genaden verbonds in aanmerking<br />

nemen van ADAM tot ABRAHAM; van ABRAHAM tot<br />

MOZES'; en van MOZES tot CHRISTUS; gelijk ik daarvan<br />

te voren(zie p. 13.N0.331.) gefproken heb. - Terftond<br />

na den val had men de offeranden, in Abrahams tijd is de<br />

befnijdenis, en in Mozes tijd 't Pafcba ingefteld.<br />

697. ) J. Gij brengt de offeranden ook tot de Sacra •<br />

mcnten des O. ï. dit vind ik zo niet overal bij andere<br />

• Godgeleerden, welke de befnijdenis voor 't eerfte bondzegel<br />

houden, üok zou men dan naar uw'gedachten<br />

drie Sacramenten tellen.<br />

L. Nergens wordt ons geleerd, noch in den Bijbel<br />

noch in onze Formulieren van eenigheid, dat er oudtijds<br />

maar twee Sacramenten waren. Indien men 't Pafcha<br />

als een bijzonder Sacrament, geheel o iderfcheiden<br />

van de offeranden aanmerkt, dan kan men er 3 tellen;<br />

doch indien men't Pafcha vooreen voorname offerande<br />

houdt, blijft men bij 't getal van twee. Het zal hier<br />

zoo zeer nier op aan komen, dewijl't zeker is, datalles,<br />

wat tot een Sacrament behoord, in de otïe/andcn gevonden<br />

wordt, gelijk ik u te voren (p. 17.) heb aangetoond.<br />

Gij moet 't nogthans niet voor een nieuwe<br />

gedachte houden, neen; meer dan een voornaam Godgeleerde<br />

is 't hier in met mij eens ? Ik zal u thans alleen<br />

maar voorlezen 't geen BRAKEL zegt. „ Voor<br />

Chris-


5/6 Het.vijftiende Gefprek,<br />

y, Chriftus komft in 't O. T. is de kerk van Adam tot<br />

„ op Abraham vergaderd uit allerlij natiën zonderonderfcheid.<br />

Van dien tijd is weinig befchreven. Doch<br />

„ dit weten wij, dat't verbond der genade verzegeld<br />

„is geworden door de offeranden, den gelovigen ver-<br />

„ zegelende de verzoening van den Mesfias door zijn<br />

„ lijden en fterven. Daar na heeft God Abraham geroepen<br />

en in zijn zaad de kerk befloten, aan welke<br />

„ 't onderkennend teken der befnijdenis tot een zegel<br />

„ des verbonds bij de offeranden gegeven is, enz".<br />

(Zie deszelfs Redei. Godsdienft, ï: D. f. 949.) (/)•<br />

Jk voeg hier nu niet meer bij, dan dat, gelijk de «<br />

doop in plaats van de befnijdenis, zo ook 't Avondmaal<br />

is ingefteld in plaats van 't Pafcha en de offeranden,<br />

inzonderheid zodanige, van welker otlervleefeh<br />

maaltijden werden gehouden, iSatn.i:^.. Cap. 16: t.<br />

693.) J- Wat is er omtrent de befnijdenis aan temerken<br />

?<br />

L. Het is dat }, Bondzegel des O. T. in 't welk<br />

., door de afmijding der voorhuid aan Abraham en al<br />

„ wat in zijn huisgezin mannelijk was, en vervolj,<br />

gens aan de mannelijke kinderen op den agtften dag<br />

» te<br />

-ib-( „<br />

(J) Men kan bier ook onder anderen nazien WITZ overat<br />

verbonden, Boek IV. Iloofdjl. 7. §. C, 7. Éls mede onze<br />

geloofsbelijdenis in 't 34 Artikel, daar de offerande der kraam-<br />

Trouwen duidelijk een Sacrament van Jezus Chriftus, aangaande<br />

zijn lijden en fterven genaamd wordt.


van de Sacramenten.<br />

%fr<br />

„ te verrigton, cie belofte van J t genade verbond t>2-<br />

„ teleend en verzegeld werd, en zij van alle andera<br />

„ volkeren werden onderfcheiden".<br />

699. ) J. Heeft de befnijdenis niet maar lichaamelijke<br />

weldaden verzegeld, b. v. de erffenisfe van Kanaan<br />

?<br />

L. Ganfchelijk niet, wanr dan zou God niet belaft<br />

hebben ISMAEL te befnijden, benevens veele andere,<br />

wier nazaten Kanaan niet beërven zouden. Neen,<br />

onderalie beloften, die God Gen. 17. doet, is zeker<br />

de voornaamfte, welke wij vinden in '17 vers. .<br />

om U te zijn tot eenen God, en uwen Zade na U.<br />

Schoon nu deze belofte inzonderheid Abraham betrof<br />

en zijn nagefiacht, dat uit zijn kleinzoon Jacob<br />

zou voortkomen, nam dit niet weg, dat aan Abrahams<br />

geheele huisgezin, zo lang zij leefden onder<br />

de bedeelinge van de leere der genade, ook 't zegelteken<br />

des verbonds moeit worden toegediend. Trouwens<br />

zouden Abrahams huisgenooten niet befneden<br />

worden, daar naderhand Heidenen, die geen betrekking<br />

op Abraham hadden, door befnijdenis zig der<br />

Joodfche kerk lieten inlijven, en mede van deszelfs<br />

Godsdienltige voorregten genooten. Dat de befnijdenis<br />

zodanig moet worden aangemerkt, zal nader<br />

blijken, als wij belchouwen , dat in dezelve<br />

alles gevonden wordt, dat tot een Sacrament behoort.<br />

700. ) J. Laat mij dit hooren.<br />

Ilde DEEL. B b L. Meu


378 Het vijftiende Gefprek,<br />

L. Men had in de befnijdenis<br />

a. ) een zichtbaar tek^n, 't vleefch der voorhuid,<br />

't welk moeft weggefneden worden, Gen. 17;<br />

11. Gij zult 't vleefch uiver voorhuid befnijden.<br />

b. ) eene betekende zaak. De voorhuid duidt<br />

aan 's menfchen natuurlijke verdorvenheid, dit blijkt<br />

uit alle die vergelijkingen en zinfpelingen, als Deut.<br />

10: 16. Befnijdt dan de voorhuid uwes harten, zie<br />

ook Jer. 6: 10. Hand. 7: 51. De wegfmjding der<br />

voorhuid kan betekenen de wegneming der verdorvenheid,<br />

Deut. 30: 6. de Heere uwe God zal uw<br />

harte befnijden, en't harte uwes zaads, om den Heere<br />

lief te hebben. Ezech. 44: 9.<br />

c. ) eene vereeniging van 't teken met de betekende<br />

zaak. Deze blijkt niet alleen uit de voegzame<br />

overeenkomft, dewijl de verdorvenheid door de<br />

natuurlijke geboorte wordt voortgeplant, maar ook<br />

de betekende zaak gaat met 't teken zamen in een gelovig<br />

gebruikmaker, Rom. 4; n. en Cap. 2: 28,<br />

29.<br />

d. ) Eindelijk eene Godlijke inftelling Gen. 17:<br />

10—13. Lev. 12: 3.<br />

701.) J. Ik ben hierin zeer voldaan en nader beveiligd<br />

in 't gevoelen, dat de befnijdenis de belofte<br />

des verbonds verzegeld, en behoord heeft tot de be.<br />

deelinge van 't Genade verbond in dien tijd, gelijk<br />

ook Paulus de nuttigheid der befnijdenis verheft Rom.<br />

V 1, 2. Maar ik heb hier eene bedenking, de befaij-


van de Sacramenten.<br />

§?Q<br />

ghijderiiB raakte alleen de mannen en niet de vrou.<br />

wen, en aan die wierd <strong>im</strong>mers ook de genade ieer<br />

verkondigd?<br />

L. De vrouwen werden in hunne vaders als befnedenen<br />

aangemerkt. Dit blijkt duidelijk uit Gen. 34:<br />

14. Jacobs zoons achtten haar zufter Dina als eene<br />

befnedene, en wilden haar nier geven aan iemand die<br />

de voorhuid had. Zie ook Rigt. 14: 3. (£).<br />

70a.) J. Is er nog iets meer aan te merken ?<br />

L. Ik zal't voornaamfte kortelijk famentrekken:<br />

de befnijdenis moeft aan kleine kinderen op den 81ten<br />

dag ftiptelijk verrigt worden, Gen. 17: 12. nogthans<br />

is 't waarfchijnlijk, dat zij bij ziekte des kinds werd<br />

uitgefteld, gelijk ook in 't doorreizen der woeftijne.<br />

van<br />

(k) Dat in zommige deelen van 't Ooften te B%gdad Ka.<br />

hira en elders ook de meisjens hedendaagfch befneden worden,<br />

is allerzekerit, en uit geloofwaardige Reizigers genoeg<br />

bekend, men zie onder andere NIKBUHR befchrijving van Arabh<br />

pag. 70. De Hoogleeraar MICHAELIS in deszelfs 52 vrage<br />

aan een gezelfchap van Celeerden enz. p. OD is van oordeel,<br />

dat dc befnijdenis in de hcete zuidelijke landen tot gezondheid<br />

dient, en méént dat zulks duidelijk ligt opgefloten in<br />

Joh. 7; 23. Dc Heer NIEBUHR. heeft dit niet kunnen ontdekken,<br />

hoewel hij niet tegenfpreekt, dat zij eenige nuttigbeid<br />

kan hebben. En berigt ons te gelijk dat de Mohammedanen<br />

op eene andere wijze befnijden als de Joden, He 't<br />

gemcliie werk jp. 73. enz,<br />

Bb 3


380 Het vijftiende Gefprek,<br />

van Arabie, Ifrael niet befneden werd Joz. 2: 2-5.<br />

.. De befnijdenis fchijnt in den aanvang door de<br />

huisvaders, en zo men wil in vervolg van rijd door<br />

jfjeïfonea daar in ervaren, verrigt te zijn. Dat er<br />

nogthans vrouwspérfonen toe gebruikt zijn, kan uit<br />

de daad van Zippora (7) niet beüoten worden die<br />

die zulks in groote verhaafting deed, Exod. 4: 25.<br />

Dat er fleetien mesten toe gebruikt zijn, is niet<br />

waarfchijnlijk; 't Hebreeuw! che woord door fteenen<br />

•overgezet, betekent ook fcherpe., gelijk onze over-<br />

.zetters in de Randtekening op 'Joz. 5: 2 aanmerken,<br />

en dat zelve woord ook dus vertaald hebben, Pf. 89.»<br />

44- fBij de pefeijdenis geichiedde ook de naamgeving<br />

des kinds, men zie Luc, 1: 59, 63. Cap. 2:<br />

21. Het welk zommige al van Abrams tijd afleiden,<br />

om dat God bij de inftelling der befnijdenis des Eerstvaders<br />

naam veranderde, en ABRAHAM noemde, gé-<br />

(ï)'Men denkt, dat Zippora uit Tfnael oprfproYikelijk de<br />

befnijdenis van haar zoon , tot zijn13'cte'jaar heeft wijlen uitffé'Itèri',<br />

gelijk de Arabieren,nakomelingen van Ifmael, opdien<br />

tijcl eerft bemljdeiï, om dat hun ftamvadêr toen eerft dit Sa.<br />

crrmcnt heeft ontvangen, Gen. :j: i$.<br />

Ten tijde der wreede vervolging van ANTIOCHUS EPIPKA-<br />

NES zijn verfcheide Joden overgegaan tot de Heidenen, en<br />

wiften door zekere kiinft weder een voorhuid aantenemen<br />

1 Mach. i; 16 Dit wil Paulus dat niet nodig was, wanneer<br />

men een Chriften wierd, 1 Cor. 7: iS.


van de Sacramenten.. 3§x<br />

lijk toen ook zijn huisvrouw in plaats van Sar ai genoemd<br />

wierd SARAH. Het dadelijk verzu<strong>im</strong> werd<br />

met eene uitroeijing bedrijft, Gen. 17. 14.<br />

Eindelijk is zij ook tot vreemde volkeren overgegaan.<br />

703.) J. Verzoeke mij nu van 't Pajcba te fpreken.<br />

L. 't Pafcha (tii) is „ een Sacrament des O. T.<br />

„ in 't welk een mannelijk volkomen eenjaarig Lam<br />

uit de Schapen of Geiten bokken aan den vuure<br />

, gebraden en met bittere kruiden gegeten werd. Bij<br />

't welk Ifnel zig herinneren moeft de weldaad<br />

van den flaanden Engel, die hunne huizen bevrijds,<br />

de, benevens de verlosfing uit de harde dicnfibaarheid<br />

van Egijpte: onder al 't welke de geeftelijke<br />

ver-<br />

0») 'c Woord Pafcha, in 't Hebr. ("IDS vertalen veelen<br />

door voorbijgang. De Heer VRIEMOET (ad Ditta Clasf. To,n.<br />

II p. 180, 181.) w l ' dat ' c woord naar't Arabifch af somt<br />

van een wortelwoord't geen aanduidt ru<strong>im</strong>te maten (Lixitztemfacerej.<br />

Dit is ook de gedachte van den Heer SCHÈLtfiNS<br />

(in Comm. ad Prov. 26: 7.) die dit woord met't Arabifch vergeleken<br />

een zin doet hebben van ru<strong>im</strong> te maken (laxar.di et<br />

hinc luxandQ Dus zou 't Pafcha zoo veel aanduiden als eene<br />

overvloedige of blijde maaltijd. Het geen zeer wel met de<br />

inftelling, zo met opzicht op dc lichamelijke als geeftelijke<br />

verlosfing overeenkomt.<br />

Bb 3


382 Het 1 'vijftiende Gef+rek,<br />

„ verlosfing door den Mesfias aan te brengen, bete-<br />

„ kend en verzegeld wierd". Het heeft alle de vereifchten<br />

van een Sacrament<br />

a. ) een uitwendig teken, zijnde een Lam, eenjarig,<br />

dat is niet ouder dan een jaar, van 't mannelijk<br />

geflacht, 't mogt niet in water gezoden maar moeit<br />

aan 't vuur gebraden worden. Geen been mogt er<br />

aan gebroken worden, enz. Exod. 12.<br />

b. ) eene betekende zaak, welke met opzicht tot<br />

't Genade verbond was, Chriftus en al wat hij door<br />

lijden en dood zou aanbrengen, Joh. r; 29. Ziet V<br />

Lam Gods dat de zonden der waereld wegneemt,<br />

I Petr. t: 18, 19.<br />

c. ) eene vereeniging van 't teken met de betekende<br />

zaak. Ik zou U hier gemakkelijk kunnen aantonen<br />

de fraaije fchilderij of overeenkomft, die er tusfchen<br />

Chriftus en dit Paafchlam was, doch dit laat<br />

ik aan uw eigen overdenking: ik zeg nu maar alleen,<br />

dat hij die door't geloof in Chriftus, van ditPaafch<br />

lam at, ook zekerlijk kon vertrouwen, dathij deel<br />

had aan't heil, dat Mesfias zou aanbrengen. 1 Cor.<br />

5: 7. Ons Pafcha is voor ons geftagt, namelijk<br />

Chriftus.<br />

d. ) Eene Godlijke inftelling, Exod. 12.<br />

704.) J. Wat is er verder over aanteraerken ?<br />

L. Ik zal 't voornaame kortelijk opgeven: Plet<br />

Pafcha moet tot de offeranden gebr"agt worden Exod.<br />

22.- 27. vergel. Cap. 34; 24. Num. 9: 7-14. 2<br />

Chron.


van ae Sacramenten. 383<br />

Chron. 30: 15 -18. enz. Het was nogthans onderfcheiden<br />

van de gewoone offeranden. —. Tusfchen<br />

't Pafcha in Egypte en in Kanaan was in 'c vieren<br />

van 'c zelve eenig onderfcheid. In Egijpte werd 't<br />

in de huizen geflagt, met deszelfs bloeok moeft aan<br />

den boven dorpel en beide zijdpofien geflreken wor.<br />

den, niemand mogt uit den huize gaan, enz. waar<br />

bij veele ook voegen, dat zij 't ftaande gegeten hebben,<br />

't welk nogthans niet blijkt. In Kanaan moeft<br />

't in 't voorhof des heiligdoms geflagt worden, en 't<br />

bloed aan den altaar gefprengt, en zo fommige denken<br />

ook 't vet op den altaar verbrand worden, 't<br />

welk men opmaakt uit Exod. 23: 18. . Het<br />

moeft geflagt worden op den 14 dag der eerfte maand<br />

Abib of Nizan genaamd, tusfchen de twee avonden.<br />

QÏ) Niemand dan die befnedeu was mogt daar<br />

van<br />

(n) Men verfchik wat er door die fpreekwijs tusfchen de<br />

twee wonden te verftaan zij. Het komt mij 't waarfchijnlijkft<br />

voor, dat de eerfte avond zijn begin nam, als de zon merklijk<br />

naar 't wellen daalt, omtrent 3 uuren voor deszelfs onder-i<br />

gang, en de twedc avbnd als de zon onder is. Dit blijkt uit<br />

de vergelijking van Matth, i4: 15. met Mare. 6: 35. Luc. 9:<br />

12. Fl. Jozephus tekent aan dat de Paafchlammeren geflagt<br />

wierden tusfchen de 9de en nde uur, dat is naar onze re<br />

kering des namiddags tusfchen de 3de en 5de uur. Niemand<br />

ver wondere zig, dat zo lang voor zonnen ondergang't woord<br />

avond<br />

Bb 4


384 Het vijf tiende Gefprek,<br />

van eeten, ook moeiten de or.reine er zig van onthouden.<br />

Ook had Gjd voor hun, die dooreen duode<br />

onrein geworden waren, of op een verren weg zig<br />

bevonden, verordend om op den 14den dag der tweede<br />

maand, op gelijke wijze 'tPafcha te houden, doch<br />

wanneer iemand rein was, mogt hij er zig niet van<br />

onttrekken met bedrijging van uitroeijing, Num. 9.<br />

Dat er bij die maaltijd zekere faus gebruikt<br />

wierd (die naar der Joden getuigenis uit aangenaame<br />

vrugten werd toebereid) in welke men 't vleefch indoopte,<br />

blijkt uit Matth. 26:23. Ook wijn, Matth.<br />

26: 27. De laatfte drinkbeker, die men wil, dat de<br />

derde was, wordt de drinkbeker der dankzegging genaamd,<br />

j Cor. 10: 16. Ook werden er lofzangen<br />

gezonden , die 't Heilig Hallei genaamd werden,<br />

zijnde Pfalm 113-118. Zie Matth. 26: 30.<br />

705.) J. Ik heb nog eenige bedenkingen. Mogten<br />

ook vrouwen van '1 Pafciia eeten ?<br />

L. Dit<br />

avord gebezigd wordt, daar 't zelfs bij ons in gebruik is , van<br />

de avond Godsdienft te fpreken, die des zomers ru<strong>im</strong> drie uuren<br />

voor den ondergang der zon op zommige plaatzcn zijn<br />

aanvang neemt. Dewijl nu de dagftelling bij de Joden bij<br />

den ondergang der zon zijn aanvang neemt, zo volgt dat 't<br />

lam den i4den dag geflagt, doch den 15de!! 's avonds gege.<br />

ten wierd, 't welk dient tot opheldering van Lev. 23: 6. dat<br />

op den ïsden dag 't Fecir. der ongezuurde hroden begon.


van de Sacramenten. 385<br />

L. Dit wordt niet uitdrukkelijk gezegt, doch wij<br />

kunnen zulks bij wettige gevolgtrekking met ja beantwoorden,<br />

i) Uit't algemeen bevel zonder bepaling<br />

gelijk bij de belnijdenis, Exod. 12. 2) Om dat<br />

't de vrouwen geoorlüft was van 't vleefch der offeranden<br />

te eeten, 1 Sam. 1: 4. Het bevel van God<br />

Exod. 34: 23. Deut. 16: 16. duidt niet aan, dat<br />

de vrouwen niet mogten gaan naar de plaats daar 't<br />

Pafcha gehouden wierd, 't tegendeel blijkt uit Maria<br />

Luc. 2: 41. Maar't geeft te kennen, dat de mannen<br />

daar alleen toe verpligt waren. • Kinderen van<br />

een bekwamen ouderdom inflaat tot de reize, gingen<br />

mede derwaards. De Zaligmaker ging reeds mede<br />

toen Hij 12 jaaren oud was. (0)<br />

706.) J. Hoe komt dat ik Deut. 16; 2, lees: Dan<br />

zult gij den Heere uiven God't Pafcha jlagten Schapen<br />

en RUNDEREN. Ik dagt dat 't alleen Schapen<br />

moeiten zijn ?<br />

L. Het<br />

(oj CAPELLCS (Via. POLI fynopf. in Matth. 26: 2.) en MARK<br />

(Vid. Medulla p. 5S2.) zijn van gedachten, dat rnen in andere<br />

rieden, behalven te Jerufalem, ook's jaarlijks't Pafcha,<br />

doch min plegtig vierden. Hiertegen hebben andere geleerden<br />

aangemerkt 1) 't duidelijk, getuigenis, Deut. 16: 2, 5.<br />

3) Om dat de wet Num 9. 10. van die op een verren weg<br />

waren, onnodig zou geweell zijn. 3) i Chron. 30: 1.<br />

Bb 5


385 Hei vijftiende Gefprek,<br />

L. Het woord Pafcha wordt daar ru<strong>im</strong>er genomer<br />

genomen, en ook alle die offeranden door verftaan,<br />

die op dat hoge feeft den Heere toegebragt moeflen<br />

worden. Even gelijk 't feeft der ongezuurde broden<br />

('i welk een onderfcheiden feeft was, en zeven dagen<br />

duurde, 2 Chron. 35: 17.) ook wel eens Pafcha genoemt<br />

wordt gelijk, Luc. 22: 1.<br />

707. ) J' Hoe komt, dat ik in 't 7de vers van<br />

Deut. 16. van een koken des Paafchlams vind gewag<br />

gemaakt, daar duidelijk op andere plaatzen van een<br />

braden gefproken word?<br />

L. Dit zult gij duidelijk kunnen begrijpen , als<br />

gij flegts inziet mijne BIJBELVERKLARING betrekkelijk<br />

tot Paleftina, p. 263, 264.<br />

708. ) J. Ik bedank U, dat gij mij zo veel meerder<br />

lichts gegeven hebt in de Sacramenten des O. T.<br />

maar waarom zijn dezelve afgefchaft, en andere in de<br />

plaats gefteld?<br />

L. 't Pafcha behoorde tot de offeranden, en in<br />

dezelve werd bloed geftort, en behoorden in zo<br />

verre tot 't lichaam der Ceremonieele weiten, die<br />

niet langer duuren moeften , dan tot Chriftus als<br />

't groote tegenbeeld zijn bloed geftort had, gelijk<br />

voorzegt wa.i, Dan. 9: 27. En wat de befnijdenis<br />

aangaat, behoorende insgelijks tot de bedeeling<br />

van 't Genade verbond onder 't O. T. zo<br />

wordt men daar door verpligt om alle de wetten die<br />

aan


van de Sacramenten. 38/<br />

aan de Joden gegeven waren in acht te nemen,<br />

Gal. 5' 2, 3- (/>)•<br />

609.) J- Welke overeenkomft , en wat onderfcheid<br />

is er dan tusfchen de Sacramenten des O. en<br />

ÏN. T?<br />

L. Er is eene groote overeenkomft, welke men tot<br />

de volgende dingen kan brengen. 1) De Sacramenten<br />

des O en N. T. hebben den zeiven infieller, namelijk<br />

God. a') Dïzdvc betekende zaak, de heilweldadenvan<br />

Mesfias. 3) Men trekt er op de zelve wijze<br />

nut van, namelijk door 't geloof. 4) 't einde of<br />

oogmerk is 't zelve, zo fttaks opgegeven. Zij<br />

verichillen dus niet in 't wezenlijke, maar flegts in<br />

fienige omftandigheden. 1) In uitwendige tekenen.<br />

a) In<br />

(p) Als Paulus te doen had met hardnekkige Joden, die de<br />

befnijdenis nodig oordeelden tot zaligheid, zo heeft hij om<br />

hunnen wil Titus niet willen laten bcfnijden , Gal. 2: 2-<br />

Doch had ds Apoflel te doen met zwakgelovige Joden, zo<br />

iiet hij om ergerr.isfe voortekomen Tirnotheus befnijden,<br />

en merkte in de betrekking deze verrigting voor zig en 1 t-<br />

mothcus aan, niet als een Sacrament, maar flegts als eene<br />

gewoonte, eene middelmatige zaak. Hand. 16: 3 Het is ze.<br />

ker aanmerkelijk, dat Tirnotheus in zijn jeugd niet was befneden<br />

, daar hij eene Joodfche moeder had , doch een<br />

Griekfche vader. Streed dit tegen de Godlijke wet? Neen;<br />

maar "t febijnt eene gewoonte in dien tijd geweeft te zijn,<br />

dat als de vader een Griek of Heiden was , de kinderen<br />

niet wierden befneden.


3^3<br />

Het vijftiende Gefprek,<br />

z) In zekere betrekking tot Chriftus onder 't O- T.<br />

die komen zou, onder 't N. T. die gekomen is. 3)<br />

Die van 'tN. T. zijn duidelijker, en gemakkelijker<br />

waar te nemen dan die des O. T.<br />

7io.) J. Wij (tellen maar twee Sacramenten Doop<br />

en Avondmaal onder 't N. T. (cf) en de Roomfchgezinden<br />

fpreken van 7 Sacramenten, wat moet ik<br />

van de overige vijf denken, te weten, 't Vormfel 3<br />

de Poznitentie of oorbigt, 't laatfte Oliefel, 't Prie.<br />

Jlerfchap of de ordening, '/ Huwelijk.<br />

L. Zij verdienen geenzins den naam van Sacramenten<br />

des Genaden verbonds; zij ontbreken allen<br />

eenige verdichten, die in Sacramenten moeten gevonden<br />

worden, En wat de plaatzen uit de H. Schrift<br />

be-<br />

(?) Eenige Godgeleerden fpreken nog van eenige buitengcv.oone<br />

Sacramenten, te weten: de oplegging der handen<br />

Matth. tg: 13 — 16. Het wasfehen der voeten Joh 33: 3.<br />

enz. 'r Aanblazen Joh 20- 22 De vuurdoop. Noch tweerlïj<br />

oplegging der banden, die Hand. 8: 17. 6: 6- 13: 3. 1<br />

T<strong>im</strong> 4 14 en elders voorkomen. Het zalven met olie.<br />

Men zie L^MPE over't Genaae Verbond 4de D. p. 1122. enz.<br />

Er zou bedenkingkunr.cn zijn, of de voctwasjching niet als<br />

een gewoon Sacrament des N. T'. door aile tijden heen te<br />

©effenen, door Chriftus is irgeitcld? Wij ontkennen dit,<br />

en cie rede is daar in gelegen, om dat er geen goederen des<br />

Genaden verbonds betekend en verzegeld worden ; maar<br />

ikgis die plegtigheid haar opzicht heeft op de nedngheid<br />

tn broederlijke liefde, die er in word afgefchetft.


van de Sacramenten. 389<br />

betreft, die zij voor hun gevoelen bijbrengen, 't is<br />

klaar, dat die van geen Sacramenten van 't Genade<br />

verbond fpreeken, maar of tot de buiten gewone<br />

gaven des H. Geeft, moeten gebragt worden, gelijk<br />

de gezondmaking vankrankenmet zalfolie, Jac.<br />

5: 14. zeer verfchillende van 't laatfte Olie/el; of ook<br />

wel van de gewoone zaligmakende gaven, 2 Cor. 1;<br />

21, 22. 1 Job. 2: 20 't welk naar 't Vormfel niet<br />

'gelijkt. VVat de Poznitentie of oorbiegt betreft, deze<br />

heeft geen grond in Godswoord, zo als zij in de<br />

Roomfche kerk bediend wordt, de Bijbel fpreekt van<br />

een openbare belijdenisfe van zonden voor God en<br />

menfchen Matth. 3: 6. ot tot bijzondere perfonen<br />

die wi] beledigd hebber., Jac. 5: 14. maar niet in 't<br />

oor van den Priefter. De inzegening van Leeraaren<br />

is flegts eene enkele plegtigheid , in navolging der<br />

Apoftelen. enz.<br />

711.) J. Gij melt niet van 't huwelijk, en daar<br />

in heeft men alles dat tot een Sacrament behoort 1)<br />

een uitwendig zichtbaar teken namelijk de trouwring;<br />

2) eene betekende zaak de geeftelijke vereeniging<br />

van Chriftus met zijn kerk vergelijk Eph. 5: 32. 3)<br />

eene veieeniging van 't teken met de betekende zaak,<br />

blijkbaar niet flegts in de voegzame 'overeenkomft die<br />

Paulus maakt, maar tevens ook daar in gelegen,<br />

dat zij die gelovig trouwen, ook zo waai lijk met<br />

Chriftus verenigd zijn, als zij onderling door Echtver-


39° Het vijftiende Gefprek,<br />

verbintenis aan malkander zijn verbonden. 4) eene<br />

Godlijke inftelling.<br />

L. Dit luidt al zeer fraaij, ik geloof datU dit van<br />

een of ander Roomfchgezinden, niisf:hien wel van<br />

een Roomfchen Priefter, met wien gij onlangs naar<br />

Amlterdam reifde, is voorgepraat. Ik zou hier zeer<br />

veel op kunnen antwoorden, maar laat dit weinige<br />

genoeg zijn. De Bijbel maakt, met opzicht tot 't<br />

huwelijk, van geen trouwring als deszelfs zichtbaar<br />

teken gewag. De Apoftel Paulus ontleent van<br />

't huwelijk wegens de nauwe vereeniging tusfchen<br />

man en vrouw eene gepafte gelijkenis van de niet minder<br />

nauwe vereeniging van Chriftus en de gemeente,<br />

en noemt dit eene verborgenheid. Doch wij weten,<br />

dat niet alle vergelijkingen en zinnebeelden, noch<br />

alle verborgenheden den naam van Sacamenten kunnen<br />

dragen. • En wat de Godlijke inftelling betreft,<br />

deze erkennen wij, doch niet tot een Sacrament<br />

van 't Genade verbond ; dit blijkt daar uit, om<br />

dat 't huwelijk al in den ftaat der regtbeid is ingefteld,<br />

toen er nog geen Genade verbond was bekend<br />

gemaakt. Indien nu 't huwelijk naderhand een Sacrament<br />

geworden was, moeiten wij in vervolg van<br />

tijd eene inftelling tot zulk een einde vinden, even<br />

gelijk 't met den Doop gelegen is, men had zig van<br />

te voren meermalen ingedompeld en met water gewasfen,<br />

maar dit was geen Sacrament, er moeft bij<br />

komen eene Godlijke inftelling tot zulk eee einde,<br />

om


van de Sacramenten, 391<br />

om de goederen des Genaden verbonds te betekenen<br />

en te verzegelen.<br />

712.) J. Ik ben hier mede zeer voldaan, derhaiven<br />

zou ik nu geern onderrigt worden in de twee waare<br />

Sacramenten van 't N. T. Wat moetik door den<br />

H. Doop verftaan?<br />

L. De oude Leeraars der kerk fpraken van vierderlij<br />

Doop, (r) en men kan niet ontkennen, dat dit<br />

zijn grond heeft in de H. S. mits men maar in 't oog<br />

houde, dat de drie eerfte zoorten oneigenlijk of zinnebeeldig<br />

dien naam draagen. 1) Een doop des lichts<br />

waar door zij de kennis in de leer des Euangeliums<br />

verftonden Hand 18: 25. 2.) Een Doop ócs bloedt-,<br />

zijnde lijden en verdrukkingen, Matth 20: 22. 3)<br />

Een Doop des vuurs, beftaande in de gave des H.<br />

Geefts, Matth. 3.- 11. 4) Eindelijk een Doop des<br />

Waters, waarvan wij thans fpreken moeten: zijnde't<br />

„ eerfte Sacrament van 't N. T. in 't welk door zui-<br />

„ ver water en 't geen er mede verrigt word betekend<br />

„ en verzegeld wordt de afwasfching of wegneming<br />

„ der zonden door't bloed en den Geeft van Chriftus".<br />

Door welke plegtigheid men aan God in Chriftus<br />

wordt roegeheiligd, dus in den fchoot der waare kerk<br />

opgenomen, van de ongelovigen onderfcheiden, en<br />

verpligt wordt zig als bondgenoten te gedragen, gelijk<br />

(r) Baptismus luminii, fanguinis, flarainis, Au mini».


39 2 Het vijftiende Gefprek,<br />

lijk te voren over de Sacramenten in 't algemeen gezien<br />

is.<br />

713.) J. Gelief nu ook aan te tonen, dat alle de<br />

vereifchten van een Sacrament des Genaden verbonds<br />

in den H. Doop te vinden zijn.<br />

L. 11c zal nier in maat kort zijn, dewijl gij uit al't<br />

vorige dit gemakkelijk kunt nagaan.<br />

a) Een uitwendig zichtbaar teken, namelijk<br />

zuiver water, (s) benevens al 't geen daar mede verrigt<br />

wordt, zo'zaakelijk als woordelijk, waar van wij<br />

ftraks nader nog fpreken zullen.<br />

b) Eene betekende zaak, de reinigmaking van<br />

de<br />

(/) Al vroeg zijn de tekenen en verrigtirgcn bi; den Doop,<br />

indekeik bijgelovig vermeerderd, men zie CAVE Eerfte<br />

Chri/l. I B 10 H. p. 277. In de Roomfche ke:k gefchieden<br />

veele Ceremoniën zo voor als na den Doop. Voor den<br />

Doop blaaft de Priefter den dopeling driemaal in 't aangezicht,<br />

verband den onreinen geeft, maakt een teken des kruis<br />

op 't voorhoofd en de borft des Dopelings, legt de hand<br />

op deszelfs hoofd, fteekt een ftukje gezegend zout in deszelfs<br />

mond. Hij bezweert den onreinen geeft, beftrijkt de<br />

ooren en neusgaten met fpeekzel, zeggende EPHPHATA !<br />

Na den Doop zalft de Priefter met de zalf olie chrijma kruis,<br />

gewijs 't hoofd des Dopelings, doet hem een wit kleed aan,<br />

en geeft hem een brandende kaars in de hand. • Bijalle<br />

deze plegtigheden zo voor als na, worden onderfcheidere<br />

woorden gebruikt. Zie de bediening der zeven H. H.<br />

Sacramenten 's Hage bij E: DE HAEN 1707 in Sv«.


van de Sacramenten. 393<br />

de fchuld en fmette der zonde door Chriftus bloed<br />

en . Geeft. Hand. 22: 16. Laat u do ben en uwe zonden<br />

af watjeben. Waar bij men voegen kan die plaatzen,<br />

alwaar op den Doop duidelijk gezien wordt,<br />

Epb. 5: 26. Op dat Hij ze heiligen zoude, ben gereinigd<br />

hebbende, met 'tbad des waters door 'f ivoord.<br />

Zie ook Tit. 3: 5.<br />

c. ) Eene vereeniging van 't teken met de betekende<br />

zaak, blijkbaar niet alleen uit de fraaije overeenkomft,<br />

Rom. 6: 4. Col. 2: 12. maar ook daar<br />

in, dat de betekende zaak met 't teken altoos gepaard<br />

gaat in een gelovig gebruikmaker van dit Sacrament,<br />

Hand. 22: 16.<br />

d. ) Eene Godlijke inftelling, en wel op drie onderfcheiden<br />

tijden,<br />

al) De eerfte inftelling des Doops was even<br />

voor de openbare bediening van Chriftus propbeetilcn<br />

ambt of bekendmaking als den Mesfias aan de<br />

Joden, toen was Johannes van God gezonden om te<br />

Dopen, die daarvan den naam van JOHANNES de Doper<br />

(f) draagt. Dat God daarvan de mlteller is blijkt<br />

uit<br />

(t) De Doop door Johannes bediend moet niet afgeleid<br />

worden van de Ceremoniële wasfehingen onder 't O. T.,<br />

want daar wierd geen bediening van een ander toe versifcht,<br />

ieder walchte zig zelvcn. Noch ook van den Doop der Profeliten,<br />

Ilde DEEL.<br />

Cc


-Q4 Het vijftiende Gefprek,<br />

uit 't zeggen van Johannes zelve, Joh. ï: 32, 33.<br />

Man vergelijke ook de redeneering van Chriftus,<br />

Matth. ai: enz. Deze verfchilde niet wat 't<br />

wezen der zaak betreft van onzen Doop, als zijnde<br />

teken en betekende zaak 't zelve, Joh. 1: 31. Mare.<br />

j: 4, Zij verfchilde in eenige omftandigheden: Zijn<br />

Doop had betrekking tot Chriftus die na hem kwam,<br />

doch zig ftraks openbaren zou; Hij doopte alleen<br />

Joden. de ru<strong>im</strong>e uitftorting van de gaven<br />

des Ceelles gingen er niet mede gepaard gelijk naderhand,<br />

Matth. 3: li. Hand. 19; 1-6. (»)<br />

b.) De<br />

felijten, 't geen eene menfchlijke inftelling was, en de onreinheid<br />

der Heidenen boven dc Joden aanduidde; daar was<br />

zulk een groot verfchil tusfchen, dat de Joden uit Johannes<br />

Doop opmaakten; hij moeft de Chriftus of een of ander<br />

groot propheet zijn, Joh. 1: 25. Wat de Doop der Profelijten<br />

of Jodengenoten betreft, men verfchilt, wanneer dezelve<br />

is in gebruik gekomen, zommige denken niet voor<br />

Chriftus geboorte, om dat JOZEPHUS en PHILO daar van geen<br />

gewag maken, welke rede niet zeer wigtig is, alzo die zaken<br />

van meer belang ftilzwijgeude voorbijgaan. Dit is zeker<br />

dat thans de Joden denken, dat de befnijdenis van een Jo«<br />

dengenoot niets zou gelden, ten zij de indompeling des lic<br />

haams plaats had, cn dan worden ook de vrouwen en kinderen<br />

des Profelijts in water gedompeld. Vid. IKENII Jntiq^<br />

Hebr F. 1. C. 22 j 16 - 18.<br />

O) Hand. 10: r —6. Verklaren veele Godgeleerden dus<br />

dat Paulus die Discipelen alleen de handen opleidde, doch<br />

dat


van de Sacramenten. 395<br />

b. ) De rwede inftelling is gefchied door Christus<br />

aan zijne Discipelen Job. 3: 25, 26 en Cap. 4: *<br />

1, 2. Deze Doop was wederom in wezen met dc<br />

vorige en volgende overeenkomende, doch verfchilde<br />

v-,n Johannes Doop daar in, dat Jezus difcipèlefl<br />

doopten in den Chriftus, die gekomen was, en zig<br />

dadelijk geopenbaard had. Zij vehchilde ook van<br />

de volgende, om dat zij niet alle volkeren betrof.<br />

c. ) Eindelijk na Chriftus dood en opftanding<br />

Mattb.<br />

dat zij niet wederom gedoopt wierden, en dan moeten de<br />

woorden die [hem] hoorden enz. vs. 5. tot Johannes gebragt<br />

worden. Doch fchoon genomen, die woorden tot Paulus<br />

werden betrekkelijk gemaakt, en die discipelen nog eens gedoopt<br />

zijn, kan daaruit nogthans niet bewezen worden, dat<br />

men thans herdopen mag-. De Heer J. PLEVIER (pjer de<br />

Handelingen der App. 4. D. p. 36. 37.) is van oordeel, dat<br />

zij op nieuws gedoopt zijn ,, 't welk zommigen" (zegt hij)<br />

„ geloven gefchied te zijn , om dat zij van te voren k-wahjk<br />

„ gedoopt waren van eenig Discipel van Johannes, of vaii<br />

, een anderen, die van zijn leer en Doop gehoord had,<br />

„ maar daar toe geen bevel of magt had, en dan mogelijk<br />

„ ook nog buiten tijds, als Cliriftus zijnen Apoftelen nu al<br />

„ bevolen had in zijnen naam, of in naam van den drieenigen<br />

„ God te dopen, wanneer de Doop van Johannes niet wel<br />

., meer kon plaats hebben, of voor goed gekeurd kon wor-<br />

„ den", enz.<br />

Cc a


39'5 Het vijftiende Gefprek,<br />

Matth. 28: 19. rakende niet alleen Joden, maar ook<br />

Heidenen, allerlij zoort van menfchen.<br />

714.) J. Nu wenfchte ik eenige dingen te verne.<br />

men, die betrekking hebben tot de uitoeffening van<br />

dit Heilig Sacrament.<br />

Z. Ik zal daartoe melding maken, van de bediening<br />

des Doops; wie ze behoren te bedienen; aan<br />

wie dezelve moet bediend worden; verder de tijd en<br />

plaats van dit Sacrament.<br />

71.5.) J. Wat is er aangaande de bedieningv&néen<br />

Doop aantefnerkeu ?<br />

L. Deze gefchiedt door indompeling en door befprehging.<br />

716. ) J. Ik zie in onze kerk altijd dopen door befprenging<br />

en nooit door indompeling. Ik fprak<br />

onlangs met iemand over dit ftuk, en die man was<br />

van oordeel, dat de indompeling betex eu voegzamer<br />

was dan de betprenging.<br />

L. En hoe bewees hij dat ?<br />

717. ) J. Hij merkte aan dat Johannes bij indompeling<br />

had gedoopt Matth. 3; 16. daar wij lezen<br />

: En Jezus gedoopt zijnde, is terfondopgekl'ommen<br />

uit 'ï water. Zoo doopte ook Philippus den.<br />

Kamerling, Hand. 8: 38. En zij daalden beide af<br />

in 't water, zo Philippus als de Kamerling, en hij<br />

doopte hem. Verder merkte hij aan, dat de Apostelen<br />

altoos doelen op een dpop bij indompeling, ge-"<br />

lijk Paulus, Kom. 6: 4. Wij zijn dan met Hem 'be><br />

gra-


van de Sacramenten. 307<br />

graven door den Doop in den dood enz. Zis öok Col.<br />

•2: 13. Eindelijk, om alles niet bij te brengen dat in<br />

de T3 eerfte eeuwen des Chrillendoms door indompeling<br />

gedoopt is. (w)<br />

L. Mag<br />

(?) A. KATTENÜURÜ Hoogleeraar onder de Remonftranten,<br />

zegt „ Dat de manier van door indompeling tc dopen,<br />

„ heeft ftand gegrepen tot den tijd van Paus KLEMÏNS den<br />

„ Vden, die in den jaare 1305 tot Paus van Rome gekroond,<br />

„ in 't tweede Sijnodê van Ravenna door zijn gezag 't gebruik<br />

beveiligd heeft, dat zedcrd honderd jaar voor hem<br />

,, in eenige kerken was ingeflopen , namelijk om de kn:de-<br />

„ ren zonder eenige dringende noodzaaklijkheid met dc" bc.<br />

fprengingte dopen, waar door eerlang die manier in alle<br />

,, Wefterfche kerken bijzonder heeft ftand gegrepen mt gfoo-<br />

,, te ergernisfe der Griekfche en Rusfijche of Mofcmfch; her-<br />

„ ken ; die , als mede die van Koichos en Iberie, of Mingre •<br />

„ He, tot den huidigen dag de gewoonte onderhouden , om<br />

„ dengenen, die zij tot den Chriftenlijken Godsdienft aan-<br />

,, nemen, onder te dompelen. Dat dit zcïfs in Doitfchland<br />

„ nog ftand greep met 't aanbreken van de Reformatie, bhikc<br />

., uit zeker boekje van den zeer geleerden en vermaarden<br />

„ JOHANNES BUGENHAGEN, die nevens Melanchton de groot.<br />

„ fte huiper is geweeft van den grooten Luther in 't begin<br />

,, der Reformatie, welke daar in verhaald, dat hij te Ham<br />

„ burg in 't jaar 1529, verzogt om te ftaan over d^n Doop<br />

„ van een kind, en ziende dat de dienaar 't kind, latende<br />

„ ie zijn luiren, alleen't voorhoofd befprengde, zig zeer<br />

„ daar<br />

;. CC 3


398 Het vijftiende Gefprek,<br />

L. Mag ik horen , wat gij daar op hebt geantwoord<br />

?<br />

718.) J. Ik heb verfcheide tegenwerpingen gemaakt<br />

en voor de Sefprenging gepleit.<br />

a. ) Vooreerft merkte ik aan, dat er wel 3000<br />

,op eenen dag gedoopt waren naar Handel. 2: 41.<br />

't welk niet door indompeling gefchieden kon.<br />

Hier op antwooide hij,' dat de bedienaars van den<br />

Doop alle de Apoftelen kunnen geweeft zijn, welke<br />

op een zomerfchen dag, want 't was toen Pinksteren<br />

, zeer veelen konden dopen.<br />

b. ) Ten tweden, bragt ik bij , dat zommige<br />

in<br />

,, daar over ontzette, wijl hij dat nooit gezien, gehoord,<br />

„ of in eenige biftorie gelezen had, uitgezonderd alleen<br />

„ van de Clinici of Bedlcgerigen. Dat hij hierom een ver -<br />

„ gadering der overige dienaars heobende verzogt, waarin<br />

ook tegenwoordig was JOHANNES FRITS , voorheen ge-<br />

„ wcell predikant te Lubek, hij dien gevraagd heeft, hoe<br />

„ de Doop te Lubek bediend wierd? Die daar op volgens<br />

„ zijn Godsvrugt en opregtheid had geantwoord, dat men<br />

,, te Lubek de kinderkous naakt doopte, gelijk ook in heel<br />

Duitfchland; en niet wilt, hoe die bijzondere wijs te .Ha?»<br />

buig was ingefloopen; waar op onderling befloten zijnde<br />

,, 't oordeel van LUTHSR en de Wittenbergfche Godgeleerden<br />

„ te verzoeken, ontvongen zij daar op van LUTHER ten ant.<br />

„ woord, dat de beiprenging een misbruik was, die men moefi<br />

„ weeren, en dat daaiom de indompeling te Hamburg werd<br />

„ heriteld, au". Zie deszelfs 13. Predikatiën £..508. en%


van ie Sacramenten. 399<br />

in huls gedoopt zijn en wei 's pagts, gelijk de ftokwaarderen<br />

zijn huisgezin,, Hmd. ró; 33. Hij antwoorde,<br />

dat, die maar eenige kundigheid had van<br />

de huizen in 't Ooften, weten, dat zeer veele in dezelve<br />

baden hebben, waar van zij geduurig ter was-<br />

1'ching gebruik maakten.<br />

c.) Ik zeide verder, dat de indompeling voor<br />

kleine kiadereu in onze koudere landen aan veel ongemakken<br />

zou onderworpen zijn. Doch hier op<br />

berichte hij mij, dat zulks evenwel in Rufland gefchied<br />

, zijnde een landftreek nog kouder dan hier.<br />

En indien men voor ongemakken bevreeft was, dat<br />

men dan Doopvonten met lauw water kon gebruiken.<br />

L. Ik lees in de kerkelijke gefchiedenisfen , dat<br />

oudtijds zieken die bedlegerig waren, door befprenging<br />

gedoopt zijn.<br />

719) J. Daar fprak hij ook van, maar merkte<br />

aan, dat dit niet wel anders wezen kon, wilden zij<br />

gedoopt worden; ook vvas't gevoelen der ouden daar<br />

niet eenparig over. Zommige trokken dit in twijfel,<br />

gelijk de Heer BUURT aanmerkt, befch. Godgel.<br />

6ie ft. p. 235- VVac zoud gij op dit alles antwoorden?<br />

L. Gij moet niet denken, dat ik volftrekt tegen<br />

de indompeling ben, noch dezelve wil at keuren;<br />

dan zou ik Godswoord tegenfpreken, als ook 't formulier<br />

van den kinderdoop, in 't welk niet alleen<br />

Cc 4<br />

van


400 Het vijftiende Gefprek,<br />

van befprenging maar ook van een ondergang des<br />

waters wordt gewag gemaakt. Ik wil alleen, dat gij<br />

deze twee zaken opmerkt, i) Dat wij van eene befprenging<br />

lezen , Ezech. 36: 25. Ik zal rein water<br />

op u fprengen enz. en 1 Petr. 1: 2. befprenging des<br />

bloeds van Jezus Chriftus. En fchoon 't niet kan bewezen<br />

worden, dat in die beide plaatzen op den H.<br />

Doop wordt gezien, wordt er nogthans gezien op<br />

die zelve zaak. die in den Doop door befprenging<br />

betekend wordt. 2) Wanneer de Doop door befprerging<br />

bediend wordt in onze kerk, moet men<br />

daar bij zig de indompeling herinneren en vertegenwoordigen.<br />

Laat ik U voorlezen, 't geen de zeer<br />

geleerde BUURT zegt Befch. Godgel. 6de ft. p. 23^:<br />

„ De befprenging nogthans, die met er tijd is inge-<br />

„ voerd, kan ons, vooral, wanneer wij niet te wei-<br />

„ nig watergebruiken, aan de indompeling als bij<br />

„ verkorting gefchiedende doen denken. En hier-<br />

„ om zijn wij van oordeel, dat, wanneer 't niet an-<br />

„ ders zvezen kan, de Doop dus bediend mag wor-<br />

„ den".<br />

720.) J. Tot de bediening des Doops behoort<br />

ook 't uitipreken van eenige woorden. Is 't niet wil.<br />

lekeurig, of men zig daar in bedient van de woorden,<br />

die wij vinden, Matth. 28: 10, dan of men<br />

alleenlijk zegt, Ik doop U in den naam van Jezus?<br />

20 fchijnt men oudtijds gedoopt te hebben, Hand.<br />

2: 38. en Cap. 8: \6?<br />

L. Ik


van at Sacramenten. 401<br />

L. Ik denk, dat dit ganfeh niet willekeurig is,<br />

maar dat men zig dient te houden aan 't formulier<br />

des Doops door den Zaligmaker zoo duidelijk voorgefchreven,<br />

Matth. 28: 19. (w). Wat rede tog<br />

zou men kunnen vinden, om daar van aftewijken?<br />

Het is waar, wij lezen, dat de discipelen gedoopt<br />

hebben in den naam van Jezus, Hand. 2: 38. en 8:<br />

16. maar niemand der uitleggeren (zo ver ik weet)<br />

heeft bewezen, dat in die gemelde plaarzen van een<br />

formulier wordt gefproken, 't welk zij zouden gebruikt<br />

hebben, en dat t niet zou kunnen betekenen,<br />

dat zij op Jezus lalt of bevel gedoopt hebben, gelijk<br />

de woorden in den naam meermalen te kennen geven.<br />

7'2!.) J. Ik weet dat de Bedienaars van dit Bondzegel<br />

de Leeraars zijn , maar mogen andere zulks<br />

niet verrigten, <strong>im</strong>mers Philippus heeft den Moorman<br />

en Ananias Paulus gedoopt, Hand. 8 en 9. en<br />

deze<br />

(w) De Dopeling werd in de eerfto Chriften kerk tor. drie<br />

onderfcheiden reizen in 't water ingedompeld, een gebruik,<br />

't welk KASU.IUS en SOZOMENES van de Apoftelen afkomftig<br />

rekenen. Men wil dat dit zien zou op de drie ondcricheidene<br />

Godlijke perfonen in 't formulier voorkomende, gelijk<br />

TaiiTULLiAAN en AMEROJIUS getuigen. Zie CAVE eerjle Christendom<br />

1 B. 10. II. p, 285.<br />

Cc 5


4oa Het vijftiende Gefprek,<br />

deze waren geen Apoftelen; Philippus was een Diaken,<br />

Hand. 6: 5.<br />

L. Het zijn de Apoftelen en zeventig Discipelen<br />

van den Zaligmaker alleen niet, welke 't regt van<br />

Dopen kan worden toegekend , maar ook alle die<br />

geenen, welke door de Apoltels zijn aangefteld om<br />

hun in de verkondiging van 't Euangelie behulpzaam<br />

te zijn, en deze Leeraars droegen den naam van Euangeliften<br />

, gelijk ik U te voren gezegt heb (zie pag.<br />

248.) Ja zelfs zommige Apoftelen maakten zo zeer<br />

geen werk van zelve te Doopen , althans zo deed<br />

Paulus, 1 Cor. %; 14-17. Wat nu Philippus betreft,<br />

deze was niet alleen Diaken, maar ook een<br />

Euangelift, Hand. 9: 17. • Dat nu de bediening<br />

des Doops aan de bediening des Woords verknogt<br />

is leert ons de Zaligmaker Matth. 28: 19.<br />

722.) J. Wie moeten gedoopt worden?<br />

L. Geen redenloze noch levenloze tchepzelen (#)<br />

maar<br />

(x) Aan de Roomfchgezinden wordt een Doop der klokken<br />

toegefchreven , zo men wil door Paus johannes de XIII<br />

Ëijgcfteld. De Heer B. PICTET {Godgel, 2.D, p. 509) zeet,<br />

,, maar men moet hier evenwel aanmerken, dat, als zij da<br />

„ klokken dopen, dezelve plegtigheden van den Doop niet<br />

,, waarnemen; zij gebruiken geen bezweeiing, nog olie der<br />

„ ieeringen; zij zegenen geen zout om ze tc wasfehen; zij<br />

„ zeggen meu'4 doop u. En daar zijn er die fuande houden ,<br />

„ dat


van de Sacramenten. 403<br />

maar allerlij zoort van menfchen, dit leert de Zaligmaker<br />

duidelijk, Matth. 28: 19. Gaat dan henen,<br />

onderwijft alle de volkeren , dezelve dopende enz.<br />

Dus moe; ien de Apoftelen en de Leeraars der kerk in<br />

de voortplanting des EuangeUums te werk gaan, dat<br />

zij niet den Doop voor 't onderwijs, maar 't onderwijs<br />

voor den Doop lieten gaan. Gelijk nu de Apos«<br />

telen en eerfte Chriften Leeraars dit .gedaan hebben,<br />

zo volgt onze Hervormde kerk ook dit bevel des<br />

Heeren tot den huidigen dag op. Wij willen niemand<br />

Dopen, die uit joden, Heidenen, Mohammedanen<br />

, enz. tot ons overkomen, voor dat zij in<br />

den Chriitelijken Godsdienft onderwezen zijn, en<br />

door belijdenis der zaligmakende waarheden hun geloof<br />

in Jezus Chriftus betuigen, daar in navolgende<br />

't voorbeeld der eerfte Euangelie dienaars, Hand. 8;<br />

34 - 58. Daar wij lezen dat Philippus eerft den<br />

Moorman onderwees in de H. Schrift, en den weg<br />

der zaligheid, en toen, op belijdenis des Geloofs<br />

doopte; want dus luidt 't 37 vers. En Philippus zeide,<br />

indien gij van ganjcher harte gelooft, zo is 't<br />

geoorlofd, (namelijk gedoopt te worden.) En hij<br />

antvjoordeaae zeide, ik gelove, dat Jezus de zone<br />

Gods is.<br />

74Ó<br />

„ dat 't een misbruik 's hun den naam van heiligen te geven.<br />

, t<br />

Ook willen zij niet toclraan, dat men de zegening det<br />

„ klokken een DQQ} nocme".


404 , Het vijftiende Gefprek,<br />

723.J J. Uit 't gezegde van Philippus tot den<br />

Kamerling fchijnt men te moeten befiuiten, dat men<br />

dan gelovigen behoort te dopen.<br />

L. Zo is 't ook; zij die openbaar de leer des Euangeliums<br />

verlochenen, of tegenfpreken, mogen niet<br />

gedoopt worden, dit is niet geooriofd: 't moeten gelovigen<br />

zijn. Doch vermits de Leeraars geen hartekenners<br />

zijn, zo is 't volftrekt onmogelijk alleen<br />

waare gelovigen, die niet flegts met den monde belijden,<br />

maar met 't hart geloven ter zaligheid , te dopen,<br />

gelijk ik U voorheen over de Sacramenten in<br />

\ gemeen gezegd heb. Er lopen zeer veele fchijngelovigen<br />

onder, waarommen genoodzaakt is te Dopen<br />

op de belijdenis,fe des geloofs; men ziet dit ook<br />

Hand. 8: 13. En S<strong>im</strong>on GELOOFDE ook zelve, en gedoopt<br />

zijnde, bleef gedurig bij Philippus. Hier wordt<br />

aan S<strong>im</strong>on Geloof toegekend, fchoon 't geen opregt<br />

zaligmakend geloof was, maar een bedriegelijk fchijngeloof,<br />

vergelijk vers 20-23. Zij die den H. Doop<br />

begeeren, moeten zig evenwel nauwkeurig onderzoeken,<br />

of hun hait opregt voor den Heere is, of<br />

zij zo wel heilbegeerig zijn naar de betekende zaak<br />

als naar 't uiterlijk teken te ontvangen, en zig genegen<br />

vinden met den Drieenigen God in een verbond<br />

te komen , en zig aan zijn volzaligen liefde dienft<br />

voor tijd en eeuwigheid op te dragen, op dat zij de<br />

verzegelende kragt des Doops genieten, en tot hun<br />

trooft geloven 't geen ons formulier zegt „ Want<br />

als


van de Sacramenten. 405<br />

„ als wij gedoopt worden in den naam des Vaders,<br />

„ zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, enz".<br />

Welke zaken, ja zelfs alle de drie ftukken, die de<br />

hoofdzomme van de Leere des H. Doops betreffen<br />

volgens order der Zuid Hollandfche Sijnode ook bij<br />

den Doop der bejaarden ,'moeten voorgeleezen worden.<br />

Laat men zig met een bedriegelijk hart dopen<br />

, men bezondigt zig grootelijks. Intusfehen kunnen<br />

de Bedienaars des Doops niets meer doen, dan<br />

tot de belijders van de leere des ChriftenJoms te zeggen<br />

met Philippus, Indien gij van ganfchcr harte gelooft,<br />

zo is 't geoorloft gedoopt te ivorden,<br />

7214.) J. Za\ men ook de kleine kinderen der<br />

Chriftenen dopen ?<br />

L. Zekerlijk ja, „ vermits zij zo wel als de vol-<br />

„ wasfenen in 't verbond Gods en zijne gemekte be-<br />

„ grepen zijn, en de verlosfing door Chriftus bloed<br />

„ en Geelt niet minder dan de volwasfenen wordt toe-<br />

„ gezeid". Zie onzen Heidelb. Kat. vr. 74.<br />

725.) J. Gelief dit gezegde wat uit te breiden.!<br />

L. Dat niet alleen volwasfenen maar ook KLEINE<br />

KINDEREN /« V VERBOND GODS en Zijne<br />

GEMEF.NTE<br />

begrecpen zijn , blijkt duidelijk uit de H. Schrift.'<br />

Want de befnijdenis, die een teken des verbonds was<br />

met Abram opgericht, Gen. 17. moeit niet alleen<br />

aan dien Eerltvader en zijne volwasfene knegten,<br />

maar ook aan de kleine kinderen bediend worden.<br />

Ik voeg hier bij Deut. 29: 10-12. Gij ftaat heden<br />

alk


4oö Het vijftiende Gefprek<br />

9<br />

alle voor 't aangezicht des Heeren moes Gods: moe<br />

hoofden uwer ftammen, u-we oudJle, en uwe ambt Heden,<br />

alle man van Ifrael; uwe IUNDERKENS, uwe<br />

wfven enz. Om over te gaan in f verbond desHee.<br />

ren uwesGods, enz. Zie ook Jo'èl i: 16. Cyf<br />

726.)<br />

(y) De bewijzen d;e ik dus ver heb voorgcftcld, en verder<br />

zal voorftellen zijn gehaald uit den Heidetbergfchen Ka.<br />

tech. En hadden onze Gódgeleerden zig daar bij gchouien,<br />

zonder buiten noodzaaklijkheid die te vermenigvuldigt n . er<br />

zouden zo veeie aanmerkingen en bedenkingen legen den<br />

kinderdoop waarfchiinln'k niet geweeft zijn. Maar men<br />

brengt veele "bewijzen doorgaans bij, die Mennoniten gemakkelijk<br />

kunren wederleggen. Al- daar zijn onder anderen:<br />

a. ) Matth. 28: 19. Hier gaat 't onderwijzen voor den<br />

Doop. Het voldoet niet dat men zegt , dat 't Griekfche<br />

woord aanduidt maakt Difcipelen, want dit kandoor geen dopen,<br />

maar wel door leeren getchieden.<br />

b. ) Hand. 2: 30. Het woord belofte, ziet naar verband<br />

duidelijk op de belofte door Petrus uit J>ël 2: 28, 29 aangehaald.<br />

En 't woord kinderen betekend naar den ftijl der<br />

H. S. zeer dikwijls nakomelingen , en meermalen voiwasfene<br />

kinderen (rr-tvov fihus.)<br />

c. ) Dat men geheele huisgezinnen heeft gedoopt. Doch<br />

wie zegt ons, dat zo er al kinderen in ge^veeft zijn, dat dit<br />

nog kleine kinderen zfn geweeft; ook kan zulks aanduiden,<br />

dat zij alle in dat huis gedoopt hebben, die onderwerpen des<br />

Doops waaren. Vergelijk Hand 16: 32, 34.<br />

d. ) De oudheid van den kinderdoop. Doch dat teveel<br />

bc.


van de Sacramenten. 407<br />

726.) J. Neem niet kwalijk, eer UE voortgaat,<br />

heb ik eene bedenking die mij onlangs gemaakt wierd<br />

door iemand, welke den kinderdoop in twijfel trok,<br />

zij beltaat daar in, dat men van 't O. T. tot 't N.<br />

T. niet redeneeren kan , dewijl men toen een uitwendig<br />

verbond had, waar in alle llraeliten bondgenooten<br />

waren, gelijk Gij zelve te voren (IX Gelpr.<br />

p. 42, 43.) beweezen hebt. Onder 't N. T. is <strong>im</strong>mers<br />

geen uitwendig verbond?<br />

L. Het uitwendig verbond, waarvan gij fpreekt,<br />

heeft zijn aanvang niet genomen met Abraham, maar<br />

met Mozes op Sinai, welks voornaamlle voorregt<br />

wordt opgeteld, Pf. 14.7: 19, 20. Zulk een uitwendig<br />

verbond heeft men niet in de dagen des N.<br />

T. doch dit neemt geenzins weg, dat er eene tutwendige<br />

bedeeling des Genaden verbonds plaats heeft,<br />

en hebben zal tot de voleinding der eeuwen. En deze<br />

tegenwoordige bedeeling van 't Genade verbond<br />

heeft<br />

bewijft, bewijft niets, dit zou te veel bewijzen, dewijl men<br />

dan alle bijgelovige plegtigheden, die in de eerfte eeuwen<br />

plaats hadden, in onze kerk zou moeten invoeren.<br />

e.) De Doop der Jodcngenootcn. Doch fchoon die<br />

voor Chriftus geboorte al heeft plaats gehad, waar aan zommige<br />

wegens 't ftilzwiigen van JOZEPHUS, PHILO en de £««<br />

ungrliltcn twijfelen , bewijft dit niets. Er waren in dien<br />

tijd xeeds zw vetle mcnichlijke inzettingen. Zie Mare. 7i<br />

3 -<br />

4.


408 Het vijftiende Gefprek,<br />

heeft haar grond in de belofte Gods reeds aan Abram<br />

gedaan, Gen. 12: 3. In « zulLn alle geflachten des<br />

aardrijks gezegend worden.<br />

Uit hoofde van die en<br />

xneer andere toezeggingen aan Abram gedaan,<br />

heeft<br />

God niet alleen Abraffls nageftaeht uit Jacob als een<br />

volk des eigendoms afgezonderd van alle volkeren<br />

der aarde geduurende 't U. T., maar ook onder't N.<br />

T. 't Euangelie onder de heidenen doen verkondigd<br />

, en de leere der Genade tot aller lij zoort van volkeren<br />

do°n komen, Matth. 28: 19 Mare. 16: 15.<br />

Eph 2: 17, 18. Gal. 3: 8. De befnijdenis nu is<br />

wel 400 jaren, voor dat God met Ifrael een verbond<br />

op Sinai maakte, ingefteld.<br />

Kan't nu met geen mogelijkheid<br />

bewezen worden, dat de kerk des N. T.<br />

minder voorregten zou hebben dan voorheen ,<br />

volgt, dat nu zo wel als oudtijds, de kinderen u t 't<br />

verbonden de gemeente behoren, gelijk zulks niet<br />

alleen onder de Mozaifche bedeeling, maar in Abrams<br />

tijd al plaats had.<br />

zo<br />

Het uitwendig verbond maakte<br />

wel onderfcheid tusfchen volk en volk,<br />

tusfchen kinderen en volwasfenen.<br />

maar niet<br />

, 7 Z 7~) J' Wordt aan de kleine kinderen ook de<br />

Verhifing door Chriftus-toegezeid?<br />

L. Zekerlijk ja, want Chriftus wil zo wel kinderen<br />

als volwasfenen zaligen, dit blijkt uit Luc 18:<br />

16. Laat de kinderkens tot mij komen en verhindert<br />

hen niet, want der zulker is 't Koningrijke Gods.<br />

Wij vinden hier een woord, dat heele kleine kinderen


van de Sacramenten. 409<br />

: ren aanduidt. Zijn zij nu de betekeade zaak deelagtig,<br />

dan mag hun 't teken niet onthouden worden,<br />

zo min als den volwasfenen. Men zegge hier niet,<br />

dat veele kinderen in 't groeijen blijken geven van<br />

't tegendeel; want ook veele bejaarde gedoopten geven<br />

van agterën blijken, dat zij 't waar geloof des<br />

:| harten piet bezitten.<br />

728.) J. Heeft de Doop van de kleine kinderen<br />

1 der Chriftenen nog meer nuttigheid ?<br />

L- Buiten twijfel, zij worden daar door van de<br />

kinderen der ongelovigen onderfcheiden, gelijk onder<br />

,| 't O. T, door de befnijdenis gefchied is, voor welke<br />

\ in '1 N. T. de Doop is ingezet. Zie de Heidelb. Kat.<br />

vr. 74.<br />

729 ) J. Dit laatfte begrijp ik niet klaar. Indien<br />

zij van de kinderen der ongelovigen onderfcheiden<br />

worden door den Doop, dan volgt <strong>im</strong>mers, dat<br />

l men niet dan kinderen van waare gelovigen Dopen<br />

moet, en dit is dunkt mij volftrekt onmoge-<br />

| lijk, dewijl de Leeraars geen harten kenners zijn,<br />

1 gelijk UE ftraks zelve gezegt heeft.<br />

L. Het woord ongelovigen ftaataltijd niet tegen<br />

| over waare Godvrugtigen of wedergeboorne men-<br />

I fchen, maar tegen de zulken, die noch door gehoor.<br />

1 te en Doop, noch door belijdenis der Chriften kerk<br />

1 zijn ingclijft. Indien zin fpreekt Paulus er van, 1<br />

I<br />

Cor. f: 14. Want de ongelovige man is geheiligd<br />

door 't wijf, en 't ongelovig wijf is geheiligd door<br />

Hde DEEÏ.. D d den


41 o Het vijftiende Gefprek,<br />

den man. Want anders tvaren uive kinderen onrei<br />

maar nu zijn ze heilig. Dewijl wij nu geen<br />

kinderen doopetï van ongedoopte ouders, maarzo<br />

veel wij weeien, van gedoopte Ouders, die tot 't<br />

Chriitendom behoren, (z) die ze door den Doop<br />

aan den drieënigen God toewijen, en verpligt worden<br />

eene Chriftelijke opvoeding te geven, zo kunnen<br />

die kinderen als afgezonderd van de kinderen der Joden,<br />

Heidenen, en Mohammedanen, in die betreki<br />

king heilig genaamd worden, (aa). 73°-)<br />


van de Sacramenten. 411<br />

730.) J. Maar hoe zond gij bewijzen , dat de<br />

Doop in plaats van de Belhijuenis is gekomen. Ik<br />

weet wel, dat men daar toe gewoonelijk b:jbrengt<br />

Col. 2: 11, ia. Doch ik zie tot hier toe daar geen<br />

meer bewijs in, als dat men uit 1 Petr. 3; 20, 21.<br />

zou willen bewijzen, dat de Doop in plaats van da<br />

behoudenis in Noachs ark gekomen is ?<br />

L. Peeën<br />

e uitwendige heiligheid zijn onder 'tN. T. zie A. BUURT<br />

bejek. Godgel. 6de /luk p. 220.<br />

In UKSINUS Schatboek wordt dit nog wat duideliiker gezegt.<br />

b. v. in de verklaring van de 70 trage fol. 15. ftaat<br />

,, 't vierde einde is: op dat de Doop een kenteken zij,<br />

„ waar door de gemeinte van andere Heidenen en Seften ia<br />

„ de waereld onderfcheiden worde". En op de 73 vrage,<br />

fol. to. „ Want gelijk de kleine kinderen der Joden, en<br />

„ der aankomëlingèn of Jodengenoten als geboren burgers<br />

,, der Gemeente terftond ten agtften dage befneden wier-<br />

„ den, en in 't verbond Gods aangenomen; maar de vol.<br />

„ wasfenen als dan eerft aangenomen wierden tot de befnij-<br />

„ denis en tot de gemeente, als zij de Joodfche. Religie be-<br />

., leden hadden: alzo worden ook nu de kleine kinderen<br />

„ der Chriftenen terftond gedoopt en in de gemeente aan-<br />

„ genomen, maar de volwasfenen worden niet aangenomen<br />

„ in't getal van de burgers der gemeente, al eer zij de<br />

„ Chriltelijke Religie beleden hebben, cn als dan worden<br />

„ zij ook van alle andere fe&en onderfcheiden, gelijk eer-<br />

„ tijds de 'oden van de Heidenen door de befnijdenii on<br />

„ derfcheiden werden".<br />

Dd a


41 & Bet vijftiende Gefprek,<br />

L. Petrus noemt den Doop 't tegenbeeld, wat dat<br />

dit zeggen wil, zal ik ftraks nader verklaren, waar<br />

uit 't duidelijk zal blijken, dat 't oogmerk dier beide<br />

.Apoftels verfchillende is. Paulus van den Doop fprekende<br />

maakt een fraaije zinfpeling op de befnijdenis,<br />

en zodanig eene vergelijking, waar uit "t blijkt dat<br />

aan de gelovigen des N. T. door den Deop niets<br />

minder betekend en verzegeld werd, dan aan de gelovigen<br />

van 't O. T. door de Befnijdenis voor heen gefchied<br />

was. Let wat de Apoftel zegt. In welken<br />

(namelijk Chriftus) gij ook b'efneden zift, met een<br />

befnijdenis.. die zonder handen gejehiedt, in de uittrekking<br />

des lichaams der zonden des vlcefchs, door<br />

de befnijdenis van Chriftus - zijnde met Bern begraven<br />

in dm Doop. enz. Doch al hadden wij die plaats<br />

van Paulus - niet, bleef't niet te min zeker, dat de<br />

Doop gekomen is in plaats van de befnijdenis. f let<br />

gaat tog vaft, dat de Doop een Sacrament is van opneming<br />

of inlijving in de kerk en verzegeling van de<br />

belofte des Genaden verbonds. Dit tog moet men<br />

aannemen,-'t zij men den kinderdoop goedkeurt of<br />

verwerpt, om dat zulks duidelijk blijkt uit, Matth.<br />

28: IQ. Hand. 2.: 38, 39. Cap. 8: 37 en jaé: 16.<br />

enz. Zodanig een Sacrament van inlijving in de gemeente<br />

is er onder 't O. T. al of niet geweeft. Doch<br />

wie is't, die durft ontkennen, dat 't er oudtijds geweeft<br />

is? Zo 't er geweeft is, zijn 't de offeranden,<br />

't Patcha of de befnijdenis geweeft. Een ieder die<br />

ge-


vin de Sacramenten. 413<br />

'gezond redeneert; zal hier aanltonds denken aan de<br />

befnijdenis • • 3<br />

731.) J. ik ben thans meer dan te voren overtuigd<br />

van de wettigheid van den kinderdoop, doch<br />

gij zult 't niet kwalijk nemen, dat ik nog eenige bedenkingen<br />

bij wijze van tegenwerpingen zal doen.<br />

Ik zal dezelve voorlteüen, zo als ik die uit den n ond<br />

van een Leeraar der Mennoniten heb, diqqkvoorl^ l§n<br />

jaar in zekere Stad hoorde prediken bij gelegenheid daf,<br />

de plegtigheid des Doops bediend werd. Zo dra ik<br />

't huis kwam heb ik al de tegenwerpingen opgetekend.<br />

Daar en boven heb ik onlangs zeker boek 0-<br />

ver dit ftuk gelezen, (cc) Mag ik ze voorlezen ?<br />

L. Als gij wilt, ik zal u tragten te voldoen in 't<br />

wegnemen der zwarigheden.<br />

732.0<br />

(bb) Sommige onder de Mennoniten of Doopsgezinde<br />

Chiilfenen beiijden zelve deze waarheid. Ik zal hier twee',<br />

bij die gezindheid, geachte Schrijvers aanhalen; KÖRN. VA\<br />

HUIZEN zegt „ de Doop is een zegel dei verbonds, gelijk<br />

,. de befnijdenis wasvoorde Kraelken". Zie deszelfs OodeeL<br />

dir Doopsgezinde Chriftenen, p. 211. H. SCHIJN zegt „ De<br />

„ Doop is gekomen in plaats van de befnijdenis, en niet in<br />

„ plaats van den Doop der Jodengenoten". Zie deszelfs<br />

Cefcliiedenis der Mennoniten, 1 D p. 144.<br />

(cc) Genaamd dé kinderdoop verworpen, en die der bejaarden<br />

verkoren in vier verhandelingen. Te Hirlingcn bij V. Q. PLAAT*<br />

.1782, in groot Svo.<br />

Dd 3


414 Het vijftiende Gefprek,<br />

732. ) J. Hij zeide, dat er nergens in den Bijbel<br />

eenig bevel van te vinden was.<br />

L. Ik merk hier twee dingen op aan, die ik denk,<br />

dat voor iemand die alle vooroordeelen heelt afgelegt,<br />

zeer voldoende zullen voorkomen.<br />

a. ) Er is geen uitdrukkelijk bevel nodig, om<br />

dat kinderen zo wel als volwasfenen onder de Joden<br />

werden befneden, düs zouden wij een tegen bevel<br />

moeten vinden, wilde men geen gevaar lopen om Jezus<br />

gebod kwalijk te verftaan, en daar door te overtreden.<br />

b. ) Alles ftaat niet met zo veel woorden in den<br />

Bijbel befchreven, wat wij te doen of te laten hebben,<br />

gelijk Ik n meer dan eens gezegd heb, en dus<br />

zijn wettige gevolgtrekkingen geoorloft.<br />

de Mennoniten ook,<br />

Dit doen<br />

b. v. nergens leeft men dat<br />

vrouwen ten Avondmaal behoren te gaan, en evenwel<br />

is 't bij hun ui beoefrening, om dat zij, gelijk<br />

ook wij, bij wettige gevolgtrekking redeneeren, b.<br />

v, uit 1 Cor. IJL: i.8.<br />

733. ) J- Het is wonder, dat er in 't N. T. nergens<br />

een voorbeeld voorkomt, dat kinderen gedoopt<br />

zijn.<br />

L. Er is nergens in den Bijbel een voorbeeld, dat<br />

vrouwen 't Pafcha en Avondmaal gebruikt hebben.<br />

Jezus hield dit met zijn Apoftelen.<br />

Indien iemand<br />

op vorig gelegde gronden den kinderdoop voor ge-<br />

Qorlofd houdt, kan dit geen zwarigheid zijn*<br />

Want<br />

ik


va*h de Sacramenten. 4*5<br />

ik geef 't aan uw oordeel over, of 't we! nodig was,<br />

dut de heilige lchrijvers, wanneer zij melden, dat<br />

geheele huisgezinnen gedoopt zijn, juiftmoeften zeggen,<br />

ook zijn, aldaar de kinderen gedoopt. Dit kan<br />

men nu geenzins wagten, alzo er over dit Leerfiuk<br />

ia der Apoftelen tijd geen geichil was.<br />

734.) J. Die tot den Doop van Johannes kwa-'<br />

men beieden hunne zonden, Matth. 3: 6. Dit kunnen<br />

kleine kinderen niet doen. En Jezus fpreekt van<br />

een onderwijs voor den Doop, Matth. 28: 19. en<br />

dit kan aan pas geboren kinderen niet gefchieden.<br />

L. In die gemelde piaatzen worden buiten twijfel<br />

perföonen bedoeld, die tot redens gebruik gekomen<br />

zijn. Geen wonder ook, noch Johannes noch de A-<br />

poftelen moeiten 't Euangelie prediken aan eerftgeboren<br />

kinderen of zulken, die nog tot 't gebruik der<br />

rede niet gekomen waren: derhaiven kon 't bevel<br />

van Chriftus .aan zijn Discipelen aangaande de uitbreiding<br />

zijns koningrijks, niet anders zijn , dan:<br />

Onderivijft alle volkeren dezelve dopende. Dit zou<br />

nog onder ons gefchieden, wanneer er Leeraars in<br />

de landen der Heidenen of onder de Joden enz. "t<br />

Chnftcfidom wilde uitbreiden, zouden zij een beginmoetcn<br />

maken niet met Doopen, maar met volwasfenen<br />

of zulken die tot jaren van onderfcheid gekomen<br />

waren, te onderwijzen, en de ondcrwezenen<br />

Op belijdenis hunnes geloofs te dopen ; doch niet<br />

alleen hen,


416 Het vijftiende Gefprek,<br />

ren, Dit laatfte nu behoefde de Zaligmaker er geenzins<br />

uitdrukkelijk bij te zeggen, 't was een bekende<br />

zaak, dat wanneer volwasfenen uit.de Heidenen<br />

bij de aanneming van de leer der Jooden, zig lieten<br />

befnijden, ook derzelver kinderen befneden wierden,<br />

en zo der kerke werden ingelijft. Gefchiedde dit nu<br />

zo met de aankomeliagen tot 't Jodendom, wat rede<br />

is er dat dit niet zou gefchieden omtrent de aankomelingcn<br />

tot 't Chrifteudom." Ik voeg er eindelijk<br />

bij, dat indien men uit Matth. 28: 19. wil bewijzen,<br />

dat geen kiudeien moeten gedoopt worden, om<br />

dat op die plaats van een voorafgaand onderwijs<br />

wordt gefproken; men dan ook uit Mare. 16: 16.<br />

kan bewijzen dat geen kinderen zalig worden, oui<br />

dat 't geloof aldaar voorafgaat.<br />

735-) J- Onder de bewijzen om den kinderdoop<br />

te keer te gaan, voerde de Leeraar der Mennoniten<br />

aan, dat indien men zulk een groote gelijkheid wilde<br />

ftellen tusfchen befnijdenis en Doop, dat men dan<br />

ook alleen maar de zoons en niet de dogters moeft<br />

dopen.<br />

L. Wij hebben te voren al bewezen dat de kinderen<br />

van 't vrouwelijk geflaent in hunne vaders als bemeden<br />

werden aangemerkt. Dat nu God gewilt heeft<br />

dat onder 't N. T. ook die van 't vrouwelijk geflacht<br />

zouden gedoopt worden, blijkt uit Lijdia die<br />

Hana. 16: 15. gedoopt is. Zegt men, die behoorde<br />

tot de volwasfenen? Dit is zo, doch 't ftaat<br />

bij


van de Sacramenten. 417<br />

bij ons vaffc, dat a's er geen kleine kinderen van<br />

de vrouwlijke >Sexe mogten gedoopt worden , dat<br />

wij dan ook geen volwasfenen van dat geflacht zouden<br />

mogen dopen. Immers er is bij den Doop,<br />

gelijk wel eer bij de befnijdenis geen onderfcheid<br />

door God gemaakt tusfchen man en vrouw.<br />

736.^ ,7. De kleine kinderen begrijpen 't nut van<br />

den Doop niet, en derhaiven moeft men denzelven<br />

uitllellen tot dat zij meer vatbaarheid hadden.<br />

L. Zij begrijpen 't nut van 't onderwijs dat men<br />

hun in de jeugd geeft ook nier, moet men daarom<br />

wagten tot een meer gevorderden leeftijd. Begrepen zij<br />

oudtijds het nut der befnijdenis niet, noch 't overgaan<br />

in 't verbond, Deut. 29. was dit daarom vrugteioos?<br />

is 't niet aangenaam voor Ouders, dat de<br />

Heere ook zijn wil de God van hun zaad, dat hunne<br />

kleine kinderkens, en die de borden zuigen mede<br />

behooren onder de bedeeling van 't genade verbond<br />

? En is 't niet aller verkwikkend!! voor zulke<br />

die tot redensgebruik zijn gekomen , en werkzaam<br />

zijn met de betekende zaak, dat zij kunnen<br />

zeggen tot God op u ben ik geworpen van de baarmoeder<br />

af, Pf. 22: 11".?<br />

737-) J-, Dan moeft men ook kinderen aan 't A-<br />

vondmaal laten gaan, gelijk oudtijds aan 't Pafcha.<br />

L. Het is ganfeh niet te geloven. dat kinderen,<br />

die pas befneden waren, mede van 't Pafcha genuttigd<br />

hebben, ja 't is niet klaar bewezen, dat zij er<br />

Dd 5<br />

van


418 Iht vijftiende Gefprek,<br />

van gebruikt hebben, voor dat zij tot jaren van onderfcheid<br />

gekomen warerr. Dus is 't ook met 't A-<br />

vondmaal gelegen: wij keren niet, dat iemand 20<br />

of 30 jaar moet oud zijn, eer hij dat Sacrament gebruiken<br />

mag, maar zo dra hij belijdenisfe van zijn geloof<br />

heeft afgelegten zig beproeven kan, en hoe eerder<br />

of jonger in jaren dit gefchiedt, hoe beter.: (f)<br />

738.) J. Indien men zulk een overeenkomft wil<br />

ftellen tusfchen de Sacramenten des O. en des N.<br />

T. waarom doopt men dan niet altijd op den agtften<br />

dag, gelijk men gewoon was, als dan 't kindeken<br />

te beihijden?<br />

L. Meer dan eene rede kan men geven waarom dit<br />

niet vroeger gelchiedde, als de tederheid der kinderen,<br />

doch inzonderheid hunne onreinheid in de zeven<br />

eerfte dagen zvefLev. 12: 2, 3. Eene wet die wei<br />

ligt in Abrahams tijd al is bekend geweeft, ouder<br />

meer andere Ceremoniële wetten die er waren, en<br />

na-<br />

(*) Men zie hier ook over 't geen in de Iiefchoinvende<br />

Godgel van den Oordeelkundigen Heer A. BUURT 6de D.<br />

pi 257, 258, wordt gevonden. ,, Datde kinderen der gelovi-<br />

„ gen tot 't gebruik des II. Avondmaal* moeten worden tocgela-<br />

„ ten, 20 dra zij bekwaam zijn tot eene behoorlijke zelfsbeproe-<br />

,, vittg . als meie tot 't vieren van Jezus gedagtenis, en 't verkonaigen<br />

van zijnen Dood, op zulk een wijze als van hun, aie<br />

„ ten Avondmaal gaar. gevorderd werd; dit woidt van ons niet<br />

„ gelochend*'.


van de Sacramenten. 419<br />

naderhand door Mozes befchreven , doch met den<br />

tijd des N. T. afgefchafr. De befnijdenis moeft<br />

niet later gefchieden , om dat, zo dra mogelijk, zulks<br />

maar gefchikt gefchieden kon , de kinderen langs<br />

dien weg aan God toegewijd worden, en gebragt onder<br />

den band des verbonds.<br />

739-) J- Chridus is eerft op zijn 3^fte jaar gedoopt<br />

?<br />

L. Dit is zo, maar de Doop was eerft kort te<br />

voren ingefteld, en door Johannes bediend. De Mennoniten<br />

wagten ook niet, tot zij 30 jaar oud zijn.<br />

74c.) J. Eindelijk merkte die Predikant aan, dat<br />

men in de eerfte eeuwen des Chriltendorns in plaats<br />

van jonge kinderen te dopen , den Doop zelfs tot<br />

den ouderdom of 't rterfbed uitftelde.<br />

L. Dit gefchiedde wegens zekere dwaling, die er<br />

in de kerk was, daar inbeftaande, dat de zonden na<br />

den Doop onvergeeflijk waren. Dat nogthans ook<br />

de kinderdoop toen plaats had, leeren ons duidelijk<br />

de kerkelijke gelchiedenislen. Op eene kerkvergaring<br />

Ao. 254 in Africa waren 63 Bisfchoppen tegenwoordig,<br />

die niét bij eengekomen waren om dc<br />

wettigheid van den kinderdoop te beilisfèn, maar<br />

om dat er ge'fchil oniftaan was, op den hoeveelften<br />

dag na de geboorte 't beft was den Doop aan dezelve<br />

te laten toedienen.<br />

741.) J. Is er nu nog iets meer over dit Bondzegel<br />

aantemerken?<br />

L. Ik


42° Het vijftiende Gefprek,<br />

L. Ik zal nog maar van twee dingen fpreken, ts<br />

weten den tijd en plaats betreffende.<br />

a. ) Wat den tijd aangaat op welken de Doop<br />

moet bediend worden, daar van vinden wij geen uiifte<br />

bepaling, waarom men dezelve niet bijgelovig<br />

moet verhaaften nog zorgeloos uitftellen. Ook<br />

moet ze maar eens gefchieden, om dat ze een Sacrament<br />

is, opzicht hebbende op de wedergeboorte en<br />

dient tot'inlijving in de gemeente des Heeren, 't<br />

welk maar eens nodig is.<br />

b. ) De plaats des Doops is ook in de II. S.<br />

niet bepaald; Johannes doopte in Enon bij Sal<strong>im</strong>,<br />

dewijle aldaar veele wateren waren , Job. 3; 23.<br />

Philippus doopte den Moorman op den weg, als zij<br />

reisden, Hand. 8: 38. Ook heeft men in de huizen<br />

gedoopt. Hand.^ 16. Dit alles gefchiedde bij de uitbreiding<br />

van 't Chriftendom. Nu er Chriften kerken<br />

gefticht zijn, is't beft, dat daar de H. Doop gelchiedt,<br />

alwaar de gemeente in 't openbaar vergadert, (ddj<br />

142.)<br />

(dd) Merkwaardig is, 't geen in 't fraaije werkje van CA-<br />

V2, 't eerfte Chriftendom p. 2-5, 276. des aangaande gezegt<br />

wordt. „ De plaats van de verrigting dezer plegtigheid was<br />

„ Iti 't eerft niet bepaald, en gefchiedde alzo, waar maar<br />

„ waterwas, gelijk JUSTINUS ons zeidt, in %èlit of poelen,<br />

„ in fontein of mieren gelijk TERTULLIANUS fpreekt; maar<br />

„ egter altijd zo na als mogelijk was, bij de plaatzen vau<br />

„ hun.


van de Sacramenten. 421<br />

74.O J. Hier fchiet mij nog te binnen, dat UE.<br />

mij een verklaring beloofde te zullen doen, van<br />

1 Petr. 3: ai. Waar van 't tegenbeeld de Doop,<br />

enz.<br />

L. Het woord tegenbeeld (xvnrmiv) heeft hier<br />

niet die gewoone betekenisfe , waar door wij voorbeeld<br />

en 't tegenbeeld zo onderfcheiden, dat daar 't<br />

eerfte eene fchaduwe is, 't laatïte de zaak zelve: dan<br />

zou 't water des zondvloeds en de behoudenis in de<br />

ark een voorbeeld van den Chriilelijken Waterdoop<br />

zijn gcweett.<br />

Neen , 't Griekfche woord zegt zo<br />

veel als ons Ncderduitfch woord tueerflag, en wordt<br />

genomen voor 't geen ergens mede<br />

overeenkomt,<br />

Zie Hebr. 0; 24. Vergel. Cap. H: 5. Daar nu een<br />

or-<br />

„ hunne vergaderingen" , „ 't Concilie gehouden tot<br />

„ 'IrullaCan- 59 liccniet toe, dat d'iDoop in eene particu-<br />

„ iiere bidplaars, maar alleen in openbare kerken bediend<br />

,, zou worden". „ Hierom hebben zij'naderhand ge-<br />

„ had hunne Baptifteria of Doopvonten, gcplaatfl eerft digt<br />

„ bij de kerk, daarna in 't poitaal'. ,. Deze waren<br />

„ gemeenlijk vrij groot en ru<strong>im</strong>, niet aileen om te kunnen<br />

„ voldoen aan de algemeene gewoonte dier tijden omtrent<br />

„ de Dopelingen, die ingedompeld en alzo gedoopt wierden,<br />

„ maar om dat de tijden tot deli Doop gefield, zo zelden<br />

„ omkomende gemeenlijk een groote menigte op eenen tijd<br />

„ gedoopt wierden. In 't midden van de vont was eene af-<br />

.,Jcheiding, de eene zijde voor de mans, de andere voor<br />

,, de vrQuwsperfoonen".


4üa<br />

Het vijftiende Gefprek,<br />

Godloze waereld in Noachs tijd omkwam, werd hij<br />

met de zijne in de ark bewaard door of liever wegent<br />

(ee) 't water, 't ftrekte hun niet tot verderf.<br />

Zo is 't ook in den H. Doop, de ondergang in 't<br />

water, dient niet, om den menfeh te verdrinken,<br />

maar te behouden; 't betekent en verzegelt de afwasfching<br />

der zonde. Petrus wil evenwel niet, dat men<br />

denken zou, dat 't water zelve zulk een kragt had:<br />

Niet, zegt hij, die een aflegging is van de vuiligdes<br />

lichaam, maar die eene vrage is eener goede<br />

Confeientie tot God, door de opftanding van Jezus<br />

Chriftus. Een goede Confeientie is eene opregte<br />

Confeientie, welke onbewuft is van kwade oogmerken,<br />

waar om hij zig zou laten dopen, maar eene<br />

vrage tot God, die zijn hart kent, om, gelijkerwijs<br />

Chriftus uit den dood is opgeftaan, alzo ook op te<br />

ftaan uit den dood der zonde tot een nieuw leven,<br />

door de kragt van den opgewekten en verhoogden<br />

Heiland.<br />

743- J- Onze Formulieren fchijnen tog groote<br />

kragt aan den Doop toe te kennen. Met verwonde*<br />

ring lees ik in t 15 Artikel der geloofsbelijdenis van<br />

on-<br />

(ee) Dat 't Gr woordje hm. ook door causfa, propter, &c,<br />

kan vertaald worden, blijkt onder anderen uit Gen 39: 5.<br />

Deut. 15; 13, enz. alwaar de Griekfche overzetters dit woordje<br />

gebruiken.


van de Sacramenten. 423<br />

onze kerk, daarvan de Erfzonde gefproken werd,<br />

't volgende ,. Zij is ook zelfs door den Doop niet<br />

„ ganfchelijk te niet gedaan, noch geheel uitgeroeid;<br />

,, aangezien de zonde daar uit altijd als opzuellend<br />

„ v: at er uitfpringt, gelijk uit eene onzalige fontei-<br />

„ ne n . Hier uit moet ik <strong>im</strong>mers befluiten dac deop-<br />

'ftellers in 't gevoelen zijn , dat, fchoon de Doop<br />

niet geheel de erfzonde wegneemt, dat zij 't evenwel<br />

ten deele doet.<br />

L. De Doop in dit 15 Artikel moet niet genomen<br />

worden voor de uiterlijke plegtigheid, maar voor zo<br />

ver teken en betekende zaak gepaard gaan in een gelovig<br />

gebruikmaker. En dan fpreekt de H. S. even<br />

zo fterk als onze belijdenis, men zie Hand. 22: j6\<br />

Eph. 5: 26. Tit. 3: 5. De' Doop is dus een zegel<br />

van dé afwasfching der zonden door Chriftus bloed<br />

en Geeft; evenwel niet van eene volkomen wegneming<br />

van de verdorvenheid in dit leven, dit heeft<br />

God nergens beloofd in 't Euangelie, dus kan 't door<br />

den Doop ook niet verzegeld worden, en de ondervinding<br />

komt hier mede overeen. Dat 't in dien gezonden<br />

zin in onze geloofsbelijdenis gemsend wordt,<br />

blijkt allerduidelijkft uit 't 34 Artikel. „ Gelijk 't<br />

„ water de vuiligheid des lichaams afwafcht, wan-<br />

„ neer zvij daar mede begoten worden, 't welk op 't<br />

„ lichaam aes genen, die den Doop ontvangt gezien<br />

wordt, en befprengt hem; dat alzo 't bloed van<br />

,, Ckrijléis uaa binnen in de ziek doet, door den<br />

>, Hei,


424 Het vijftiende Gefprek,<br />

,, Heiligen Geeft, dezelve befpr en genie en zuiverende<br />

„ van haare zonden, en ons wederbarenie uit kin-<br />

„ deren des toorns tot kinderen Gods. Niet dat<br />

„ zulks door 't uiterlijke water gefchiedt, maar<br />

„ door da befprenging de: dierbaren bloeds des zoons<br />

., Gods". ,<br />

744.) J. Gij zeide , dat men maar eens moet<br />

gedoopt worden, hoe komt dat Paulus dan fpreekt<br />

van een Leere ier DOPEN, Hebr. 6: 2.<br />

L. Het zelve woord daar door dopen overgezet,<br />

Wordt Hebr. 9: io. door wasfchingen vertaald,<br />

ziende op de verfcheidene reinigingen onder 't O. T.<br />

Dan, men zou ook kunnen denken, dat Paulus<br />

aan de Hebreen fchrijvende , eene Hebreeuwfche<br />

manier van fpreeken gebruist heeft, die ééne zaak<br />

wegens deszelfs voortreflijkheid wel eens in 't meervouwdige<br />

getal noemen , gelijk wij zo vinden gewag<br />

gemaakt van befnijdenisfen, Exod. 4: 26.<br />

745-) J- Eindelijk wat moet ik verftaan door 't<br />

geen die zelve Apoftel zegt, r Cor. 15: 29. Wat<br />

zullen zij doen, die voor de dooden gedoopt werden ?<br />

L. Dit is eene zeer moeijiijke plaats, en daar over<br />

zijn zeer veele verfchillende uitleggingen. De aannemelijkfte<br />

komt mij voor deze te zijn: dat men de<br />

Griekfche woorden rm VIK^UV) vertaaldt<br />

plaats van de dooden. (ff) Het woordje (VTTÉ*) voor<br />

of<br />

(ff) Zie onder anderen de LXX op Jez. 43; 3, 4.


van at Sacramenten. 4:25<br />

pf in plaats moet men nogthans niet nemen in den<br />

z:n van ten nutte der dooden; maar even gelijk in<br />

den oorlog in plaats van de gefueuvelde audere weder<br />

vrijwillig dienft nemen. De zin zal dan hier op<br />

uitkomen, wat zullen zij doen, hoe verkeerd zullen<br />

zij handden, die zig laten dopen, en daar door als<br />

't ware de plaats vervullen der Chriftenen, die ter<br />

dood gebragt zijn om 't geloof in eenen opgewekten<br />

Chriftus, indien er geen opftanding der doden is,<br />

en dus ook Jezus nier is opgewekt. Deze uitlegging<br />

komt ook 't beft overeen met 't volgend 30<br />

vers. Waarom zijn ook -wij alle uure in per ij kei?<br />

746.) J. Gelief nu over te gaan tot 't 11. Avondmaal.<br />

L. Dit is „ 't tweede Sacrament des N. T. waar<br />

„ in onder de uiterlijke tekenen van brood en wijn,<br />

„ benevens al 5 t geen er mede verrigt wordr, aan de<br />

„ gelovige gebruikmakers betekend en verzegeld<br />

„ wordt de gemeenfehap aan Chriftus, en 'tgeen Hij<br />

„ door lijden en gehoorzaamheid verdiend heeft,<br />

„ op dat hun geloof in Chriftus verfterkt en zij tot<br />

„ de betragting van deugd en Godzaligheid meer-<br />

„ der zouden worden aangezet". Dit zegelteken<br />

des Genaden Verbonds draagt veelerlij benamingen,<br />

zo min als meer gewoone. De mingewoone<br />

benamingen zijn deels fchriftuurlijk, deels kerkelijk.<br />

In de H. Schrift komt 't voor onder den naam van<br />

Brekinge des broods Hand. 2: 42. Cap. 20: 7.<br />

JIde DEEL. E e De


s\.i6 Het vijftiende Gefprek,<br />

De tafel des Heeren i Cor. 10: 21. Bij de<br />

oude kerkleeraars word 't genoemd Eucharifiie of<br />

dankzegging, Eulogie of zegening , ziende op 1<br />

Cor. 10: 16. Communie of gemeenfehap dodende op<br />

Hand. 2; 42. ï Cor. 10: 16, 17. Mi.fe hebbende<br />

zijn corfprong, dat men oudtijds voor de bediening<br />

van dit Sacrament, (op dat, die geen ledema*<br />

ten waren, zouden weggaan,) overluid riep: Ite,<br />

datig: Gaat henen y<br />

\de vergadering] is<br />

WEGGEZONDEN. En dergelijke benamingen meer<br />

De gewoone en meeftgebruiklijke benaming is 't A-<br />

vondmaal of Nag<strong>im</strong>aal des Heeren, 1 Cor. tïf:<br />

co en 23.<br />

7470 J- Wordt er alles in dat Avondmaal gevonden<br />

, Wat tot een waar Sacrament behoort ?<br />

L. Buiten twijfel,<br />

a. ) Uitwendige zichtbaare tekenen , brood en<br />

wijn, waar van wij ftraks nader fpreken zullen.<br />

b. ) Eene betekende zaak, en deze is Chriftus<br />

met alles, wat Hij voor zijn volk door zijn zelfs offerande<br />

verworven heeft; men zie Matth. 26: 26-28.<br />

Eu hier bij moet men opmerken, dat niet flegts de<br />

ftoffe van brood en wijn eenige beduidenis hebben,<br />

maar ook alles wat er mede verrigt word, zo woordelijk<br />

als zakelijk van de Bedienaars en Difchgenoten.<br />

De Dienaars des Euangeliums moeten die<br />

tekenen nemen, en met dankzegging tot God zegenen;<br />

zij moeten 't brood breken en den wijn infehenken


ken, en beiden overgeven.<br />

De Difchgenoten moeten<br />

deze tekenen aannemen en mondelijk gebruiken.<br />

van de Sacramenten. 427<br />

748 *) J. Wat geeft ie dankzegging en zegening<br />

(gg\ van brood en wijn te kennen ?<br />

L. Lene dankbaare verheffing des gemoeds voor 't<br />

onwaardeerbaar gefchenk van Chriftus tot heil van<br />

zondaaren, afgelchetft wordende onder zichtbare tekenen,<br />

die nu van een gemeen tot een heilig gebruik<br />

worden afgezonderd.<br />

749-) J- Wat beduidt'/ breken van 't brood en 't<br />

uitfcbenken van den wijn?<br />

L. Dat Chriftus zijn lichaam heeft laten verbreken,<br />

en zijn bloed doen vergieten, tot vergeving der.<br />

zonden Matth. 2.5: 26 - a8. 1 Cor. ii : 23<br />

-26.<br />

75°-) J' Wat duidt 't geven van deze tekenen<br />

aan ?<br />

L. Dat<br />

(gg) Aangaande 't brood lezen wij Matth. 26: 26. en<br />

Mare. 14: 22, dat de Zaligmaker 't zelve zegende; doch<br />

Luc 22; TO. en 1 Cor. 1K24. word gezegt, dat Jezus dankte.<br />

Di; is geen tégenftrijdigheid, dewijl de Joden oudtijds,<br />

gelijk ook nog hedendaags hunne dankzeggingen tot God met't<br />

uitfpreken van zegeningen doen, b. v. Zijt gezegent Heere<br />

God, koning der waereld 1 die 't hrood uit de aarde doet voeftkomen,<br />

enz.<br />

Ee 2


428 Het vijftiende Gefprek,<br />

L. Dat Chridus met al zijn heil verdiende als 't<br />

geeftelijk voedzel voor hongerige en dordige zielen<br />

gefchonken word»<br />

75*0 J' Heeft 't aannemen benevens 't eeten en<br />

drinken , dar de Difchgenoten doen, ook eenige geeftelijke<br />

betekenis?<br />

L. Ja zekerlijk , zij die deze tekenen aannemen<br />

en mondelijk genieten, geven daar mede te kennen,<br />

dat zij met eene hartelijke genegenheid Jezus Christus<br />

voor zig omhelzen tot regtvaardiging en heiligmaking,<br />

om in vereeniging met Hem vrugten te dragen.<br />

752. ) J. Wat geeft 't te kennen dat veelen van één<br />

brood eeten, ea van èénen wijn drinken ?<br />

L. De onderlinge gemeenfehap der gelovigen met<br />

Chriftus en onder eikanderen 1 Cor. 10: 17. Een<br />

brood [is 't, zo~] zijn wij veeten één lichaam, dewijl<br />

wij allen eenes broods deelachtig zijn.<br />

753. ) J. Gelief nu 't derde vereiichte , tot een<br />

waar Saaament behorende, in dit bondzegel des<br />

Avondmaals aan te wijzen.<br />

L. Het<br />

c. derde vereifchte is gelijk gij weet, de vereeniging<br />

van 't teken met de betekende zaak , daar<br />

in beftaande , dat hier een zeer gevoegzame overeenkomfte<br />

is, men vergelijke hier, Joh. 6: 33, 35,<br />

i Cor. 10. 3, 4. Maar ook vooral, om dat 't teken<br />

met de betekende zaak zaamen gaat in een gelo-


van de Sacramenten. 429<br />

lovig gebruikmaker, zie Matth. 26: 26-58. 1<br />

Cor. 10: 16, 17.<br />

Hier dwalen de Roomsgezinden,<br />

welke willen, dat de tekenen wezenlijk veranderen<br />

in de betékende zaak, in Chridus lichaam en<br />

bloed; als mede de Lutherfche, welke zeggen, dat<br />

Chriftus menfchlijke natuur tegenwoordig is in met<br />

en onder de tekenen. Doch van deze gevoelens ftraks<br />

nader.<br />

d.) Ten vierden eene Godlijke inftelling, door<br />

Chriftus in den laten avond of nagt, toen hij verraden<br />

wierd, Mttth. 26: 20. i Cor. 11: 23.<br />

754.) J. Hoe komt't, dat dit Bondzegel dan eens<br />

Avondmaal dan eens Nagtmaal wordt genoemd ?<br />

L. Dit komt daar van, om dat de Joden, gelijk<br />

zij 't begin van den dag rekenden met den opgang<br />

der zon, en eindigden met den ondergang; zo ook<br />

was 't met den nagt, dezen rekenden zij van,den ondergang,<br />

en eindigden dien met den opgang der zon,<br />

Deze nagt nu wierd verdeeld in vier deelen,<br />

Mare.<br />

13: 35. Het eerfte deel van den nagt werd avond<br />

genoemt, namelijk den tweeden avond, beginnende<br />

met de ondergang der zon en duurende drie uuren.<br />

In deze avond nu, zijnde een gedeelte van de nagt,<br />

heeft Jezus't Avondmaal ingefteld, en wel na dat<br />

Hij 't Pafcha met zijne Apoftelen gegeten had.<br />

Dewijl<br />

nu Jezus ging aanzitten als 't avond was geworden<br />

Matth.<br />

26: 20. mogen wij met veel waarichijnlijkheid<br />

gislèn, dat de Zaligmaker volgens onze uur-<br />

Ee 3<br />

tel-


43o<br />

Het vijftiende Gefprek,<br />

telling des avonds tusfchen de 7de en 8fte uur dit<br />

Sacrament heeft ingefteld. Uit dit gezegde is 't klaar,<br />

waarom 't zelve dan eens Avondmaal óm eens Nagt'<br />

maal heet. Het Avondmaal heeft Jezus ingefteld<br />

in plaats van de offerande en 't Pafcha, (bh)<br />

Schoon 't Avondmaal zelve geen offerande is, maar<br />

ter gedagtenis van Jezus offerande is ingefteld.<br />

De Oofterlingen plegen hunne bette maaltijden des<br />

avonds te houden (ii). Dit kan ook in 't geeftelijke<br />

een heerlijke maaltijd genaamd worden.<br />

755.) J. Gelief nu, even als te voren van den<br />

Doop, aangaande dit Avondmaal nog een weinig te<br />

fpreken van de Bedienaars, de bediening, de gebruikmakers,<br />

de tijd, plaats, enz.<br />

L. De Bedienaars zijn dezelve als die van den<br />

Doop, namelijk wettig geroepene Leeraars, welke<br />

dienaars van Chriftus genaamd worden en uitdeelers<br />

der verborgenheden Gods 1 Cor. 4: I. (kk\<br />

756.)<br />

(hh) Dat 't Avondmaal in plaats van de offerande cn 't Pafcha<br />

is ingefteld, zie URSINUS Schatboek 2 deel Fol. 10.<br />

(ff) Zie WITS over de verbonden, B. 4. II. 17. J. 2.<br />

f<br />

kk) De Hooglceraar WITS (over de verbonden B. 4. H.<br />

17. g. 23.) zegt „ De Hebrcën onderhielden niets bijzon*<br />

„ ders in hunne gewoone maaltijden omtrent de ingietinge<br />

., des wijns. Zij gefchiedde zonder onderfcheid van een<br />

„ knegt of iemand anders, na dat de gelegenheid medebragt.<br />

„ Maar


van de Sacramenten. 431<br />

756.) J. Wat de bediening van 't Avondmaal betreft,<br />

dit Ichijnlzeer eenvouwdig, gelijk ook de tekenen,<br />

namelijk enkel brood en wijn, dit geeft in't<br />

geheel geene vertoning van eene pragtige maaltijd ?<br />

L. Alles is eenvouwdig, doch zeer gepaft, en le-<br />

Vcft eene treffelijke fehilderij uit. Brood en wijn<br />

zijn een gezond eu verdenkend voedzel, en ondec<br />

die beide benamingen worden naar den flijl der H.<br />

S. meermalen alle koninghjke lekkernijen begrepen,<br />

Zie Spreuk. 9. 5. • Het zijn zulke zaken, die<br />

meelt overal te bekomen zijn. En zijn er al zodanige<br />

landen, daar geen koorn, noch wijnftokken groeijen,<br />

men zou dan dit Sacrament kunnen bedienen<br />

met<br />

„ Maar in 'tPaafchreeft bevelen zij, indien 't eenigzins kan<br />

„ gefchieden, dat de Vader des huisg'jzins zelve niet ingicte,<br />

maar dat hij door een ander Dienaar laat ingieten, om<br />

dat alle dingen op dat feeft op eene heerlijke wüze moes.<br />

„ ten gefchieden, om de herftelde vrijheid uit de rjgijpti-<br />

„ fche flavernij te betekenen. En daarom is 't ganfeh waar.<br />

„ fchijnlijk, dat niet de Heer zelve , of de Apoftelen, maar<br />

„ eenig bedienaar van de maaltijd, uit 't dienllvolk van de<br />

„ geenen , die deze toegerufte eetzaal aan Chriftus ingeru<strong>im</strong>d<br />

,, hadde, op 't bevel des Heeren den wijn ingefchonken<br />

„ heeft. Waar uit balloten wordt, dat ook in dezen decle<br />

„ allernaaft aan de oudheid komen onze gemeinten, in wel.<br />

„ kc de Diaconcn gewoon zijn dit werk waar tc nemen''.<br />

Ee 4


432 Het vijftiende Gefprek,<br />

met zodanige dingen, die alckar voor brood en wijn<br />

gehouden worden.<br />

757-) J- Is \ niet evenveel welk brood men gebruikt<br />

in 't Avondmaal?<br />

L. Dit is evenveel, indien 't flegts gewoon en<br />

voedzaam brood is, Chriftus heeft brood gebruikt<br />

dat voor handen was. Zommige zijn van oordeel,<br />

dat't gevoegelijk is, dat men ongezuurd brood gebruike,<br />

wegens i Cor. 5; 7, 8. Ql). Het is der<br />

moeijte niet waardig hier over te twiften, gelijk er<br />

in vorige tijden een hevig verfchü geweeft is tusfchen<br />

de Griekfche of Oofterfche, en de Latifnfche of Westerfche<br />

kerk. De eerfte was yoor 't gezuurde of gerezen<br />

brood, grondende zig daar op, dat Ch.-iftus<br />

een dag eerder dan andere Joden 't Pafcha zou gevierd<br />

hebben; doch 't gevolg, dat zij daar uithalen,<br />

is valfch, want fchoon dit al zeker was, dat de Heiland<br />

een dag vroeger dan veele andere Joden deze H.<br />

ptegtigheid met zijne Apoftels gehouden heeft, zo<br />

heeft Hij evenwel ongezuurd brood gebruikt, gelijk<br />

God<br />

(li) De Keer BUURT (befeb. Godgel. 6de ft. p, 260.) zegt<br />

Hot brood waar van Jezus zig bediende was ongezuurd,<br />

„ dewijl 't Avondmaal bij gelegenheid van 't Pafcha is in-<br />

„ gefield. Ik durf niet verzekeren dat hier uit Volgt, dat<br />

„ cok wij in dit Sacrament zodanig brood gebruiken moe-<br />

,, ten. Doch alzo min durf ik die geenen flerk tegenfpre.<br />

„ ken, die oordelen dat dit gevoeglijk zij".


van de Sacramenten. 433<br />

God geboden had, Exod. 12: 8.<br />

kerk beweerde wegens 'r voorbeeld van<br />

De Latijnfche<br />

Chriftus,<br />

dat men ongezuurd of opgerezen brood moet gebruiken.<br />

Het gebruik van ouüeien of bbliën (mm) die<br />

men in dePvOomfche en LutherIchekerk gebruikt, is<br />

nogthan:-; aftekeuren.<br />

1) Om dat dezelve geen voedzaam<br />

brooi verwonen.<br />

2) De breking des broods<br />

is niet eene willekeurige daad maar iets wezenlijks,<br />

betekenende 't gebroken lichaam van Chrittus, zie<br />

Matth. 26 •


434 Het vijftiende Gefprek,<br />

hielt men dazelve gefchikt , om de zilverlingen<br />

te verbeelden, voor welke Ohrillus verraden is,<br />

enz. (po)<br />

758.) J. Welken wijn moet men in r t Avondmaal<br />

gebruiken, en is 't volftrekt nodig , dat die<br />

met water gemengd worden.<br />

L. Mier omtrent heeft ons de Zaligmaker niets<br />

belaft, nog nergens is ons des aangaande eenig bevel<br />

door de Apoftelen voorgelchreven. Hij wordt enkel<br />

genaamd de vtugt des wijnftoks Mattb. 26:<br />

20. Men was, volgens de Joden gewoon op 't Pafcha<br />

Rode (pp) wijn te gebruiken, waar van ook<br />

dikwijls in de H. S. gefproken wordt als Spr. 23:<br />

31. jez. 27: 2. Zomtijds, doch niet altcos,<br />

werd dezelve met water gemengd, dit was bij de Joden<br />

(00) Zie PICTET Godgel. 2. D. p. 550. WITS over de verb.<br />

B. 4. 11. 16 f. 7-<br />

(pp) Dit toont de Heer WITS aan (over de verb B. 4. //•<br />

16. $. 8 ) uit den Jerufal. TALMUD Tracl de Sabbatho Fol.<br />

11. Ook zegt Hij „ Ook fchijnt niet ganfchelijk verwaarlooft<br />

„ te moeten worden dc overeenkomft die er is tusfchen 't<br />

„ bloed der druiven, met welke naam de Rode wijn allemaaft<br />

„ betekend wordt, en 't bloed van Chriftus". De Heer<br />

BUURT (befch Godgel ófte ft. p. 260) zegt ,, Van den wijn<br />

,. kunnen wij niet vaftelijk bepalen, hoedanig de klew be<br />

„ hoort te zijn. Echter-heeft de Rode, zo 't ons to


van de Sacramenten. 435<br />

den eene middelmatige zaak (qq) Of Chriftus dit ge.<br />

daan heeft kan niet zeker gezegd worden. Dat men<br />

zulks al heel vroeg gedaan heen, is zeker; en dit ga.<br />

fchicdde, zo men wü, om dat bij gelegenheid van<br />

't Avondmaal ook liefde maaltijden (rr) werden gehouden<br />

van dien zeiven wijn, dus door 't drinken<br />

van gemengden wijn geen aanleiding tot dronken'<br />

fchap zou gegeven worden. Ook heeft men daar in<br />

gehe<strong>im</strong>zinnige beduidenisfen gezogt, b. v. dat uit<br />

de zijde van Chriftus bloed en water is voqrtge»<br />

vloeit.<br />

?59-) J' Zo ik 't wel heb, geeft men in de<br />

Roomfche kerk alleen 't brood of liever den ouwel<br />

aau de Communicanten of die ten Avondmaal<br />

gaan, dewijl de Priefter flegts alleen brood en wijn<br />

gebruikt.<br />

L. Zo is 't, ipen fteekt hun den ouwel in den<br />

mond,<br />

(qq) Dit bewijft de Heer WITS uit de Joodfche Schriften,<br />

Zie Deszelfs Huisk, der. verb. B 4 ƒƒ. 16. tj. 9<br />

{rr) Op die liefdï maaltijden wordt in meer dan ecnc<br />

plaats der.H. S. gedoelt als 1 Cor. 11: 21. Jnla vs 12.<br />

Men vraagt of zij voor of na de bediening des H. Avondniaals<br />

gehouden werden ? Indien men de kerkelijke oudheid<br />

raadpleegt , zo gefchiedde zulks meeft na 't Avondmaal.<br />

Evenwel fchijnt 't mij toe. dat in de Corinthijche gemeente<br />

de liefde maaltijden voorafgingen, waar na zig 1<br />

Cor. ii: tl. makkelijker laat verklaarcn.


436 Het vijftiende Gefprek,<br />

mond, welke zij nedergeknield zijnde ontvangen,<br />

geeft aan hen wat wijn te drinken om dien door te<br />

fpoelen (jf); doch dit is gemeene wijn, dewijl de<br />

Priefter de geconfacreerde dat is de geheiligde wijn<br />

alleen gebruikt. Dan de Zaligmaker heeft zulks onder<br />

twee tekenen bedient; Paulus zegt zulks ook<br />

uitdrukkelijk aangaande alle,, die dit Sacrament gebtuiken<br />

i Cor. i1 •


van de Sacramenten. 437<br />

„ gedaante is". De gevarenea ergernis/en, waarvan<br />

zij fpreken zijn zeer beuzelachtig. Ook merkt gij<br />

duidelijk uit't laatfte, dat dit gevoelen or5.k al ruft<br />

op de dwaal leer der Transfubftantiatie. (ttj<br />

760.) J. Mag ik 't gevoelen der Roomfche kerk<br />

aangaande die Trans/ubft antiatie horen?<br />

• L. Zij leeren, dat zo dra de Priefter den ouwel<br />

geheiligd heeft door 't uitlpreken van deze Latijnfche<br />

woorden. Hoe efi en<strong>im</strong> corpus meurn, want<br />

dit is mijn lichaam, dezelve aanftonds wezenlijk<br />

veranderd wordt in 't waare en eigenlijke lichaam van<br />

Chriftus, en zo dra de Priefter den drinkbeker geheiligd<br />

heeft door 't uitfpreken van deze Latijnlche<br />

woorden. Hic efi en<strong>im</strong> calix fanguinis jnci, want<br />

dit<br />

(tt) Dit leerftuk is zeer breedvoerig in vericheiden boek.<br />

deelen behandeld door Prof. J. VAN DEN HONERT , en<br />

zekér Roomfchs Godgeleerden , welke zijn naam verbergde,<br />

en onder den verbloemden haam van L. ZEELANDER<br />

ziine Schriften in 't licht gat, onder den titel van: De vajïs<br />

gronden van 't Catholijk geloof wegens 't H. Sacrament des Autuars,<br />

beweerd tegen een boek in Holland uitgegeven met dit opfchrift:<br />

Verhandeling van de Trttisjubjiantiatie der Roomfche<br />

kerk aoor Joan van' denlJoN&RT. T. R.Zoon, Doilor en Pr*<br />

fesfor der II. Godgeleerdheid en Predikant te Ledjden 1738.<br />

Men heeft evenwel naderhand met zekerheid geweten, dat<br />

L. ZEELANDER was PHiLiprus LAURENTIUS VERHULST, Leerrheefter<br />

in 't kweekfchool der Janzenijïtn tc Amersfoort, tevo.<br />

ren lid der Leuvenfche Hogefchool.


438 Het vijftiende Gefprek,<br />

dit is de drinkbeker mijns bloeds; daar op aanftonds<br />

de wijn des oekers wezenlijk veranderd wordt in 't<br />

waareen eigenlijke bloed van Chriftus. Doch niet<br />

alleen is 't lichaam en bloed, maar ook de ziel en<br />

Godheid des Heeren onder de gedaante van brood en<br />

wijn tegenwoordig. Daar en boven Hellen zij,<br />

dat er zulk een nauwe verbintenis tusfchen de twee<br />

gedaanten plaats heeft, dat onder de gedaante van<br />

brood de geheele Chriftus is. Het zelve moet men<br />

ook geloven van elk kru<strong>im</strong>eltje van den ouwel, en<br />

van elk drupje van den wijn, * Deze verandering<br />

is zo wonderbaarlijk, dat fchoon de wezens der zaken<br />

veranderen, nogthans de toevalligheden overblijven,<br />

want men blijft als voren, niets anders zien,<br />

frnaken, rieken, enz, als brood en wijn. Uit kragt<br />

van deze verandering wil de Roomfche kerk, dat dit<br />

Sacrament aangebede worde , dat 't overfchot der<br />

geheiligde ouwels in de facriflie moet bewaard Worden,<br />

op plegtige dagen met veel pragt in proceshen<br />

omgedragen en 't volk voorgefteld worde; eindelijk<br />

aan zieken (des begeerendej insgelijks met veel Italië<br />

moet worden t' huis gebragt. (nu)<br />

761.) J. Wanneer is dit gevoelen in de waereld<br />

gekomen?<br />

L., De grondflagen tot dit wangevoelen zijn reeds<br />

in<br />

(w


van de Sacramenten. 439<br />

in vroege eeuwen gelegd, wanneer men veele onnodige<br />

plegtigheden bij de bediening van dit Sacrament<br />

gevoegd heeft. De twift over den beeldendienft in<br />

de Vill deed deszelfs vooritanders zeggen, dat in 't<br />

H. Avondmaal iets meer dan 't beeltenis yan Christus<br />

gevonden werd (y vjen om dat te betogen, begon<br />

men de figuurlijke of verbloemde ipreekwijzen der<br />

oude kerkvaders in een eigenlijken zin op te vatten.<br />

Vervolgens heeft zekere PASCHASIUS RADBERTUS<br />

omtrent 't jaar 822 een boek gefbhreven, waar in hij<br />

beweerde en verdedigde: dat de zelfltanJigheid van<br />

brood en wijn na de heiliging*, is, wordt, of veranderd<br />

(vv) In 't hevige van 't gefchil in d« VIII eeuw óver dc<br />

beelden, hadden de Vaders op 't Concilie te Konftantinopole<br />

in 't jaar 754 gezegd, dat de Zaligmaker ons geen ander<br />

beeld had nagelaten, dan 't brood en dm wijn in 't H. A-<br />

vondmaal; waar tegen die van Nicea in 't jaar 787 ftelden,<br />

dat 't H. Avondmaal niet een beeltenis van Chriihis, maar<br />

zijn eigen lichaam eti bloed was. Dus was 'I leerftuk van<br />

-de wezenlijke tegenwoordigheid van Chriftus in 't H. A-<br />

vondmaal zijn oorfprong fchuldig aandeh beeldendienft. --—<br />

PASCHASIUS RADBERTUS was Monaik te Corbie jn Frankrijk<br />

heeft zijn gevoelen niet heef klaar voorgefteld. Het geen<br />

men er van begreep, hielt men voor iets nieuws, en veelö<br />

Godsgeleerden waren aanftonds in de weer om 't te wederleggen.<br />

Onder dezen was RATSAMUS of BSRTUAMUS de voor.<br />

nsamftc. Zie IORMEJJ kerkel. Hiflorit t, D. 2. St. p. 30,


44o<br />

Het vijftiende Gefprek,<br />

derd worde in 't waaragtig vleefch en bloed van Christus.<br />

Het gefchil is lang betwift, in de zesde kerkvergadering<br />

van Rome onder GREGORIUS de VII in<br />

't jaar IO~Q is belloten geworden, dat 't brood zelfftar,<br />

digi ijk in 't lichaam van Chriftus en de wijn in<br />

zijn bloed veranderd wordt. In 't Concilie van La.<br />

teranen onder INNOCENTIUS III in 't jaar 1215 is de<br />

Trar.sfubftantiatie openlijk gefield. En eindelijk<br />

heeft 't Concilie van Trenten in 't midden der 16de<br />

eeuw dit Leerftuk nogmaais gewettigd.<br />

762.) J. Hoe kan men dit gevoelen 't beft wederleggen<br />

?<br />

L.. Men kan hier veele dingen tegen aanmerken,<br />

ik zal om kort te zijn, mij flegts van deze bedienen.<br />

a ) Vooreerft is dit leerftuk in de 7 of 8 eerfte<br />

'eeuwen niet geloofd. Ik zal dit flegts met getuigenisfen<br />

uit fchrijvers van de vioegfte tijden bewijzen.<br />

a.j In de I eeuw beroepen wij ons op de getuigenisten<br />

der H. SJjrtft, daar in is gegn taal nog teken<br />

van zulk. eene verandering. Wanneer die van<br />

Capernaum den Heiland kwalijk verftonden en aan een<br />

lichaamlijk eeten van Chriftus dagten, zo verklaart<br />

Jezus zijn gezegden aan zijn Discipelen Jóh. 6:<br />

63. Dit was nu wel voor de inftelling des Avondmaals,<br />

maar daar uit konden zij ieeren, hoe Jezus<br />

woorden ook vervolgens moeiten opgevat worden.—•<br />

Ook


van de Sacramenten. 441<br />

Oak zouden de Apoftelen uit den beker niet gedronken<br />

hebben, indien zij geloofd hadden, dat<br />

de wijn in bloed was veranderd , dewijl 't bloed<br />

drinken fcherpelijk was verooden.<br />

hl) In de II eeuw zegt IREN/EUS (lik 4. c. 34.)<br />

„ 'c Avondmaal beftaat uit twee dingen, een aardtch<br />

,, en een hemelfch".<br />

c. ) fn de III eeuw zegt TERTULLIANUS (contra<br />

Mare. I. 4.) Hij heeft "t brood dar Hij gemomen<br />

„ en zijn' Difcipelen heeft uitgedeeld, zijn lichaam<br />

„ gemaakt, zeggende: dit is mijn lichaam, dat is<br />

,, een figuuremijns lichaams"<br />

d. ) In de IV eeuw zegt CHRIJSOSTOMUS (in<br />

Ep. ad Ca/arium Moaachum) 5, Want gelijk voor<br />

„ dat 't brood geheiligd wordt, wij 't brood noe-<br />

„ men, doch , wanneer de Godlijke genade door<br />

s, middel des priefters't heiligt, is't wel bevrijd van<br />

i, de benaming van brood, dewijl 't waardig wordt<br />

„ gehouden den naam van 't lichaam des Heeren te<br />

,, dragen, fchoon de natuur des broods in 't zelve is<br />

gebleven". («)<br />

O Ia<br />

(xx) Met dit gezegde uit CHRIJSOSTOMUS zijr. dc Roomfchgezinden<br />

zeer verlegen, men heeft alle moeijte aangewend<br />

om er zig uit te redden, maar te vergeefs. Merkwaardigis<br />

't geen MISSON te Florence zijnde aan zijn vriend fchrijfc<br />

Pf<br />

Ilde DEEL.<br />

Ff


442 Het vijftiende Gefprek,<br />

e.) In de Veemv zegt AUGUSTINUS (contr. Ad<strong>im</strong><br />

c. ii.) „ De Heere heeft niet getwijfeld te zeggen<br />

„ dit is mijn lichaam, als Hij een teken zijns lic~<br />

„ haams gaf". Ook had men in die eeuw de ge<<br />

woonte om 't overlchot van 't brood des Avondmaals<br />

te verbranden, (yyj 't welk men niet zou ge«<br />

daan hebben, indien men de Transfubftantiaüe geloofd<br />

had.<br />

b.) Ten tweeden merken wij aan, dat de eerfte<br />

Chriftenen aan fommige heidfnen verwceten , dat<br />

zij aanbaden, 't geen men opat; maar in de X1ÏI<br />

eeuw deden de heidenen dit verwijt aan de Chrisftenen.<br />

Hier van kan men geen redenen geven, als<br />

dat in de eerfte eeuwen de Chriftenen dat geen ver<br />

foeij-<br />

„ De <strong>Bibliotheek</strong> van Sr. LSUBENTIUS is voor al vermaard<br />

„ om haare manufcripten. Ik zal u zegden, dewijl 't mij te<br />

binnenkomt, nu wij van Bibliotheken fpreken, dat de<br />

,, heer MAGLIABECCHI mij den blief van St. CHRIJSOSTÖ-<br />

,, v.us aan CLESARIUS niet kon laten zien, hebbende van de*<br />

,, Groot Hertog een duidelijk verbod bekomen , die aan nic-<br />

„ mand mede te deelen. Maar UE. kan in alle zekerheid<br />

,, aan onzen vriend zeggen, dat de heer MAGLIABFCTHI mij<br />

„ ftellig verzekerd heeft, dat de pasfagie doorMARTijR aan»<br />

gehaald van letter tot letter overeenkomt met 't Mamj.<br />

,, feript daar van gefpioken werd". Zie Reize door Itaiii<br />

i D. p. 412.<br />

(yy) Vid. ALBERTINUS de Jacra Euchar. p. S51.


van at Sacramenten, 443<br />

foeijden, 't geen in volgende tijden onder hen is ingevoerd<br />

(zz).<br />

c.) Ten derden wanneer men deze leer geloof<br />

geeft, zo vervalt alle hidorifche zekerheid, en zulk<br />

een kan niets geloven van 'r geen de Bijbel leert.<br />

763.) J. Gelief dit laatfte te verklaren.<br />

L. Indien onze zintuigen, 't gehoor, 't gezicht,<br />

't gevoel, de reuk, de lmaak wel gelteld zijn, en<br />

de voorwerpen onder 't bereik derzelver, dan kunnen<br />

onze zintuigen n<strong>im</strong>mer dwalen. Doch de Transfubdantiatie<br />

leert, dat welgeftelde zintuigen omtrent<br />

voorwerpen , die onder haar bereik zijn, dwalen<br />

kunnen. Daar nu de gebeurtenisfen, in den Bijbel<br />

voorkomende, ruften op de kennis die men door de zintuigen<br />

van zaken verkrijgt, zie 1 Job. 1: 1-3.<br />

zo volgt, dat alle hidorifche waarheid des Bijbels,<br />

ja alle zekerheid ten eenemaal vervalt. —-— Ook<br />

kan men tegen een Roomfchgezinden dus redeneeren:<br />

Onze zintuigen, wanneer zij welgedeid zijn,<br />

en de voorwerpen niet te ver af zijn, kunnen dwalen<br />

of niet dwalen. Wat men hier ook dek , er<br />

zal uit volgen, dat de Translbbdantiatie re verwerpen<br />

is. Kielt men't eerde, hoe kan ik dan ditleerduk<br />

omhelzen, ik blijf dan altoos in 't Onzekere, of ik<br />

een<br />

(zz) Zie STAÏFER v/ednl. Godgel. 1 D. p. 45c,<br />

Ff 2.


444 Het viiftiende'Gefpre.h,<br />

een pri-SPÉe* met een ouwel en een drinkbeker vcor<br />

mij zie, dan iets anders; verder blijf ik onzeker of<br />

ik de priefter die 5 en 6 Latijnfche woorden hoor<br />

fpreken, buiten welke die verandering niet gefchieden<br />

kan, dan of hij een gedeelte van een Pater no*<br />

fier bidt; derhaiven gefield zijnde , dat de-zinnen<br />

dwaler, kan ik aan die wonderlijke Transfubftantiafie<br />

geen geloof geven. Stelt men 't twede, dan<br />

vofet insgelijks dat ik dit leerftuk moet verwerpen ,<br />

dewijl ik zo voor als na de heiliging der tekenen niet<br />

anders zie, fmaake en rieken kan , dan brood en<br />

w'jn.<br />

764.) J. Stellen de Lutherfche niet iets dergelijks*<br />

L. Het gevoelen der Lutheranen verfchilt van dat<br />

der Roomfche kerk, zijfiellen geen verandering van<br />

brood en wijn, in 't lichaam en bioed van Chriftus,<br />

maar willen dat Chriftus lichaam in, met en onder<br />

die tekenen tegenwoordig is. Wij zijn gewoon dit<br />

hun gevoelen Confubftantiatie te noemen, hoe wel<br />

zij zelve die nog onder andere dergelijke benamingen<br />

willen gebruikt hebben. (atta~)<br />

765.)<br />

r>a) Vid. BÜDOEI Jnfl. Tlieol. Dogm. p. 1097. MOSHEIM<br />

TjiecL Degm. p- 3. p. 318. zegt. „ Dat 'X lichaam en bloed<br />

„ van Chrijj-as in 't Avondmaal waarlijk er, ?.aakcliik tegen.<br />

,, woordig zijn, en waarlijk zo van de gelovigen als ougelo-<br />

» vi


van de Sacramenten. 445<br />

J. Wzz heeft UE. aangaande dit gevoeien<br />

aan te merken?<br />

L. Wanneer dit gevoelen in de waereld ts gekomen<br />

kan niet zeker gezegd warden. Zommige<br />

ichrijveri 't toe aan EERENGARIUS in de XI eeuw,<br />

voorueflijk Godgeleerde der kerk van Angers in<br />

Frankrijk (bbb). Andere deuken aan eenen WAL,-<br />

. RAMUS<br />

vigen gebruikt wordt; maar ds wijze van de zakelijke te-<br />

„ genwoordigheid is ons onbekend; wij weten ze, doch zij<br />

„ is een vciborgenheid, die wij niet begrijpen". En Pag.<br />

3:9 „ Wij zeggen ook dat wij Chriftus in, met en or.der'z<br />

,), brood genieten, dit zijn 3 modi, maarzij duiden 'tzelve<br />

aan. Wij willen niets van de manier dier tegenwoor-<br />

„ digheid bepalen, misfchien is 't maar eene waare modus<br />

,, die wij geloven, en niet bepalen, Zij dwalen dus, die<br />

» zeggen dat wij geloven eene Inpwiatie, jubpanatie of Cun.<br />

,, fubftantiatie".<br />

(bbb) In de vorftelijke <strong>Bibliotheek</strong> van V/olfenbuttel heeft<br />

langs verborgen gelegen een werk van BEHENOARIUS, behelzende<br />

een ancwoord door hem gefebtevèH op 'c boek van<br />

LANFRANK de corpore et fanguin» J. C door den uitmuntenden<br />

Heer Bibliothecaris G. E. LEISH*G eindelijk ontdekt,<br />

is door hem aangekondigd , in een zeer geleerd gefchrift,<br />

dat ten titel heeft Bercngarius Turonerfis; oder ankundigung<br />

enz. Brunswijk 1770. De Heer LUSSING toont, dat BEIUIV<br />

GARIUS de verandering van 't brood in 't lichaam van Christusgelochend,<br />

doch tc gelijk de dadelijke tegenwoordigheid<br />

van dat lichaam, in ecu' Lutherfthen zin beweerd heit.<br />

Ff 3


446 Het vijftiende Gefprek,<br />

RAMUS, tegen welken ANSELMUS twee boeken heeft<br />

gefchreven: Andere melden van RUPERTUS Abbas<br />

Tuitienfts, die in't begin der XII eeuw geleefd heeft.<br />

LUTHER zeide in 't eerlt, dat 't geen artikel des Geloofs<br />

was of 't wezen des broods blijft of niet blijft<br />

met't lichaam des Heeren, maar dat't beide kan verdedigd<br />

worden zonder ketterij. Dan, daar na dagt 't<br />

hem meer bewijsbaar te zijn, dat 't brood blijft, en<br />

dat 't lichaam van Chriftus is in 't brood, met<br />

't brood , en onder 't brood. Het geen de hedendaagfche<br />

Lutheranen nog (tellen , zig grondende<br />

en op de woorden van Chriftus dit is mijn lichaam,<br />

en op de alomtegenwoordigheid van "Chriftus menfchelijke<br />

natuur. Wij achten 't onnodig om in<br />

't bijzonder deze dwaling te keer te gaan. De alomtegenwoordigheid<br />

van Chriftus menfchlijke natuur<br />

is ongegrond; als men daar nu bijvoegt, 't geen ik<br />

üraks tegen de dwaalleer der Roomfche kerk heb aangemerkt<br />

, wordt dit gevoelen gemakkelijk wederlegd.<br />

766.) J. Onlangs met een Roomfchgezinden disputeerende,<br />

voegde hij mij toe, dat indien men meer<br />

dan eene onbegrijpelijke verborgenheid gelooft, als<br />

daar is b. v. de H. Drieëenheid en de menfehwording<br />

van Chriftus, dat men dan ook ligteiijk de Transfubftantiatie,<br />

die ons begrip te boven gaat, kan geloven;<br />

te meer, daar Chriftus zelve toen Hij op aarde<br />

was, water in wijn heeft veranderd.<br />

L. De


van de Sacramenten. 44£<br />

Z, De verborgenheden der H. Dnëenheid en<br />

menfehwording van Chrittus worden op veele plaatzen<br />

in Gods woord ons geleerd; zij zijn onbegrijpelijk,<br />

dit kan ook niet anders zijn, want God is<br />

onbegrijpelijk, en die leerftukken verkeeren niet omtrent<br />

zaken, die onder onze zintuigen vallen. Zij<br />

ftrijden niet tegen de gezande rede, om dat wij niet<br />

heren, dat er een God is en drie Goden, noch ons<br />

wordt niet geleerd, dat de Godheid van Chriftus is<br />

veranderd in de menfeheid. enz. Geheel anders is't<br />

met de leer der Transfubttantiatie, zij verkeert omtrent<br />

lichaamlijke zaken, die or.der onze zinnen vallen.<br />

Het is eene groote ongere<strong>im</strong>theid, dat ik moet<br />

geloven, dat daar ik een ouwel zie, die in de weeg-<br />

Ichaal gelegd, ongemeen ligt is, waarlijk beflaat uit<br />

vleefch en bloed, van een volkomen volwasfen menfeh;<br />

dat daar ik een ouwel voel tusfchen mijne vingeren,<br />

die ik in een klein doosje kan opfluiten, Jezus Christus<br />

zelve zou zijn, zo groot als Hij aan t kruis hing.<br />

Ja dat nog verder gaat, ik word verpligt te geloven<br />

, dat Chriftus lichaam en bloed gepaard met zijn<br />

ziel en Godheid in eiken ouwel, ja in eik kru<strong>im</strong>eltje<br />

van den ouwel, in eiken drinkbeker, ja in elk drupje<br />

van den wijn geheel en Volkomenlijk tegenwoordig<br />

is. En hoe veel daizende ouwels en drinkbekers<br />

kunnen er op aarde niet ten zeiven tijde gecon/a~<br />

creerd worden? Toen de Heiland te Cana<br />

in Gahiea 't wacer in wijn veranderde, zo proef-<br />

Ff 4<br />

üa


448 Het vijftiende Gefprek,<br />

de men geen water meer, maar wijn, Joh. 2: 9,<br />

10. (cccj<br />

767.) J. Ja maar Chriftus zegt duidelijk , toen<br />

Hij't brood overgaf dat is mijn lichaam. Roomfchgezinden<br />

en Luteriche houden zig aan de eigenlijke<br />

betekenis dezer woorden.<br />

L. Het is van aloude tijden eene gebruikelijke wijze<br />

van fpreken geweeft, dat als men wilde zeggen<br />

*/ betekent, men zeide 't is. Zie zulks in 't O, IS<br />

T. Gen. 17; ÏO. Cap. 40: 12, 18. Cap. 41: 26,<br />

9,7. En in 't N. T. wordt gezegt dat de rotjken<br />

WAS Chriftus 1 Cor. lor 4. De Apoltelen konden<br />

den Zaligmaker dus zeer gemakkelijk begrijpen, dat<br />

Hij<br />

(ccc) Merkwaardig is 't zeggen van den Heer A. C. DE<br />

PILATT, zijnde een Roomfchgezinde , die van zijn eigen<br />

Godsdienft dus fpreekt „ Laat een man, die zijn gezond<br />

verftand heek, en wiens geeft door de ongere<strong>im</strong>dfte voor.<br />

„ oordeeien niet geheel en al bedorven is, 't Euangelium<br />

v, met de boeken onzer Godsgeleerden vergelijken; en hij<br />

„ zal met verwondering zien, dat er geen de minfte verbia.<br />

„ tenis, geene de minfte overeenkomft tusfchen de drome-<br />

„ rijen va.ndcze, en deleere desBijocls is. Men vergelijke<br />

5, daar en boren de tegenwoordige Godsdienftige oeffenin.<br />

,, gen met die geenen, welke Jezus Chriftus en zijn Apos-<br />

„ tels hebben voorgcfebreven; en men zal insgelijks zien ,<br />

dat deze geen de minfte overeenkomft met die hebben";<br />

Zie deszelfs reizen, in 't jaar 1774—1776. 2de deel. f. 30,,<br />

40.


van de Sacramenten. 440.<br />

hij door die woorden geen wezenlijke verandering<br />

bedoelde, maar alleen dat \ brood en de wijn zijn<br />

lichaam en bloed betekenden , dewijl de Heiland aan<br />

zodanig een fpreektrant zeer gewoon was, men zie<br />

Jok. 6: 35. Cap. 10: 5). Cap. 15; 1. en andere<br />

plaatzen. Wij zijn ook zeer dikwijls gewoon aldus<br />

te fpreken, zonder daar door duifter te zijn; wanneer<br />

wij b. v. een fchilderij zien vau Prins WIL­<br />

LEM den j. zo zeggen wij dit is Prins WILLEM den<br />

I. enz. (ddd) Het is van hier, dat verfcheide<br />

Room>gezinden zeggen, dat dit leerftuk uit de H.<br />

S. niet kan bewezen worden, als CAJETANUS, SCCV<br />

TUS, DURANDUS, en veele andere (eee).<br />

768.) J. Onze Gereformeerde kerk fchijnt ook<br />

de Transjuhflantiatie te begunftigen, want dus lees<br />

ik<br />

(ddd) Dewijl 't Hebr. woord rT!"! en 't Griekfche iiv&t<br />

zo menigmaal in de H. S. betekenen aanuirdt, zo zou meu<br />

zeer gevoegelijk over al waar 't volgens 't verband dit ie<br />

kennen geeft, ook zo kunnen vertalen, en dan zou men lente:<br />

meer als een Tropus of figuurlijke fpreekwijs, maar als<br />

eene notio fecundaria of tweede betekenis van die woorden,<br />

kunnen aanmerken. Dit gefchiedt zeer dikwijis, b. v.<br />

beduidt doorklieven. Doch dit woord heeft meer betekenis,<br />

fen, 't duidt ook aan eeten &c. Men kan uit 't verband op»<br />

maken hoe dit woord moet vertaald worden.<br />

(eee) Zie PICTET Godgel. 2. D. p. s8t.<br />

Ff 5


45° Het vijftiende Gefprek,<br />

ik in 't 35de Artikel van onze Geloofsbelijdenis,<br />

„ Daar en tusfchen zo feilen wij niet, als wij zeg-<br />

,, gen, dat 't geen van ons gegeten en gedronken<br />

,, wordt, 't eigen en natuurlijk lichaam en 't eigen<br />

„ bloed van Chriftus is". Zie daar de leer der Roomfche<br />

kerk; of zo men liever wil, teu minfte de leer<br />

der Lutheranen,<br />

L. Ik beken, dat dit zeer fterke uitdrukkingen<br />

zijn. Doch de Bijbel fpreekt even zo fterk, zonder<br />

dat wij met eenige mogelijkheid aan eene wezenlijke<br />

verandering kunnen denken. Al voor de inftelling<br />

des Avondmaals, zeide Jezus c Joh. 6: 53. V zij,<br />

dat gij 't vleefch des zoons des menfchen eet, en<br />

zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in'u zeiven.<br />

Het blijkt nogthans uit 't geheele verband van zaken,<br />

dat Jezus niet fpreekt van een eeten met den<br />

mond, maar bedoelt een gelovig aannemen of omhelzen<br />

van Hem. Een bijna gelijke fterke uitdrukking<br />

gebruikt onze Beidelb. Rat. in '/ antiv. of de<br />

?5 vrage, daar gezegd wordt. „ Ten anderen,<br />

„ dat Hij zelve mijne ziele met zijn gekruiftelichaam<br />

„ en vergoten bloed zo zcKerüjk tot 't eeuwig leven<br />

„ fpijft en laaft, enz". Doch in de 76 vrage wordt<br />

naar verklaring ge vraagt „ Wat 't is te zeggen, dat gc~<br />

„ kruifte lichaam van Chriftus te eeten en zijn ver go*<br />

„ ten bloei te drinken" ? Het welk nietin den zin der<br />

Roomfche kerk, maar in een Bijbelfchen zki wordt beantwoord.<br />

Dat de opftellers van onze Artic. 't in dezen<br />

laatsten


van de Sacramenten. 451<br />

laatften zin, en niet anders begrepen hebben, blijkt<br />

alierdüidelijkft, als zij ter verklaring van de woorden<br />

die gij zo even aanhaalde , terftond daar op doen<br />

volgen „ maar de wijze, waarop wij dezelve nut-<br />

„ ten, is niet de mond, maar de Geeft door geloo-<br />

„ ve". (Jff)<br />

769O "J- Gelief nu van de gebruikmakers van dit<br />

Sacrament te fpreken.<br />

L. Aangaande de gebruikmakers van dit zegelteken<br />

van 't Gcnadenverbond kunnen drie onderfcheiden<br />

vragen gedaan worden , waar op onderfcheidenlijk<br />

dient geantwoord te worden. 1) Wie<br />

moc-<br />

(fff) De zeergeleerde Heer P. JNIEUWLAND vat die fterke<br />

uitdrukkinge in ons formulier op bij wijze van eene fubintratio<br />

of in as plautslomi'ig op deze wijze „ Dat God (de-<br />

„ wijl 't waare en eigenlijk gezegde lichaam van Ciu iftus<br />

noch aan 't Avondmaal tegenwoordig is, noch kan zijn<br />

, op eene natuurlijke wijze) gewild heeft, dat 't brood en<br />

„ de wijn (welke na de heiliging der tekenen brood en wijn<br />

blijven) de plaats van Chriftus lichaam en bloed vervan-<br />

„ gen zal, en dat God 't bij 't Avondmaal zo wil aancc-<br />

„ merkt hebben', als of't eigen lichaam van zija Zoon al-<br />

„ daar naar waaïhsui tegenwoordig was , zo dat Hij aan<br />

„ dat SÖUINTREREND BROOD EK WIJN alle de gewrogten vaft-<br />

„ maakt, die aan ! t waare en eigon lichaam van Chriftus<br />

verknogt zijlij invoegc cr naar volle waarheid kan gezegd<br />

„ worden. Dit brood cn wijn ie Chriftus lichaam, enz".<br />

Zie desze'.ls Uitlegk. Vcrmaaki. 1 D. p. 556 — 562.


452 Het vijftiende Gefprek,<br />

moeren de Opzieners der kerk tot 'r Avondmaal toelaten<br />

? 2) Wie hebben regt en vrijheid voor zigzelven<br />

om er van gebruik te maken tot hun nut en trooft?<br />

3) Wie moeten van 't Avondmaal worden afgeweerd?<br />

Op de eerfte vraag antwoorde ik, alle belijders van<br />

de leer des Chriftendoms, die door hun gedrag geen'<br />

openbaare ergernis geven. Op de tweede is 't antwoord,<br />

alleen waare gelovigen. En op de derde zeggen<br />

wij, dat alle die onregt zinnig zijn in de leer, of<br />

openbaare ergernis door hun levensgedrag geven van<br />

de tafel des Heeren moeten geweerd worden.<br />

f< O.} J- Gij zegt dat de Opzieners der kerk alle<br />

belijders der zuivere leer moeten toelaten: ik begrijp<br />

wel zeer klaar, en 't is uit 't vorige genoeg gebleken<br />

, dat dewijl de Leeraars geen hartenkenners zijn,<br />

't volftrekt onmogelijk is om alleen waare Godvrugtigen<br />

toe te laten; Jezus zelve om hier in een voorbeeld<br />

te zijn, heeft Judas aan 't Sacrament toegelaten,<br />

is 't al niet aan 't Avondmaal, evenwel aan de<br />

Paalchmaalnjd. Maar hoe kunnen Leeraars (die in<br />

begrip zijn, dat 't Avondmaal voor waare gelovigen<br />

is ingefteld) aan zulken de tekenen en zegelen uitreiken<br />

, die z\j van nabij kennen, en weeten dat onkundige<br />

en zorgelooze menfchen zijn, die daar en<br />

boven nog aan ergerlijke misdaden vermoedelijk fchuldigftaan,<br />

doch om welke men hen bij gebrek van<br />

klaar bewijs, niet cenfureeren kan ? Verkragt een<br />

Leeraar


van ie Sacramenten. 453<br />

Leeraar niet telkens, wanneer hij met zulke Avondmaal<br />

houdt, zijne Confeientie?<br />

L. Dit is zeker eene bedenking, waar mede gaern<br />

getrouwe Leeraars en andere Opzieners der kerk wel<br />

eens te worftelen hebben. Doch, als men de zaak<br />

wel doordenkt, kan dit geen de minfte zwaarigheid<br />

verwelken aan een Leeraar, die z"ijn pligt behoorlijk<br />

betngt en naar onze kerkenordening te werk<br />

gaar. Let flegts op 't volgende. 1) Op dat geene<br />

onkundige aan de tafel des Heeren zouden komen,<br />

is 't volgens de orde in onze kerk nodig, dat men<br />

eerft onderwezen wordt, en belijdenis van de leer des<br />

Chriftendoms doet. 2) De Opzieners der kerk doen<br />

voor de bediening des Avondmaals huisbezoeking,<br />

alwaar men eenig onderrigt en beftiering geven kan,<br />

en zeggen wat er nodig is, zal men tot zijn wezenlijk<br />

nut en niet tot een oordeel eeten en drinken. 3)<br />

Hier bij komen nog de voorbereidings predikatiën<br />

voor de bediening, befhande in belijdenis predikatiën<br />

van de Geloofs leer; en proefpredikatie, waar<br />

in men zo duidelijk als mogelijk is, de kentekenen<br />

van regte Avöndri&algingers opgeeft, waar bij een<br />

ieder zig beproeven kan.<br />

7Til) J. Mijn oom, die in eene nabuurige gemeinte<br />

meer dm eens Ouderling geweeft is, verhaalde<br />

mij onlangs, toen ik over dit ftuk fprak, dat hijveelë<br />

menfchen ten Avondmaal ziet, die in de huisbezoeking,<br />

welke de Predikant dier plaats met hem<br />

ge-


454 Het v vft ie §rf e Gefprek,<br />

gedaan had, in hun gefprek duidelijk toonden, geen<br />

waare gelovigen te zijn.<br />

L. Indien zulke menfchen tot des Heeren Bondtafel<br />

naderen, niet tegenlïaande zij in hunne zonden<br />

voortgaan, zo is de fchuld niet bij den Predikant,<br />

die heeft hen getrouw gewaarfchouwd, maar de fchuld<br />

is bij zodanige menfchen. Daar en boven kan men<br />

aanmerken , dat een Leeraar met een goed geweten<br />

ook aan zulken 't Avondmaal kan toedeelen, nadien<br />

hem onbekend is, wat weikzaamheden zodanige<br />

menfchen na de huisbezoeking kunnen gehad hebben,<br />

de Heere zou hen in dien tusfchen tijd kragtdadig<br />

door zijnen Geeft hebben kunnen bekeeren. Om<br />

welke rede veele Leeraars van oordeel zijn, dat men<br />

onder de bediening des Avondmaals a!ie die aan tafel<br />

komen op dien tijd voor waare gelovigen dient<br />

te houden, tot dat zij naderhand 't tegendeel toonen.<br />

Die dus denken, kunnen geredelijk inftemmen met<br />

't geen na de bediening in de kerk wordt nagelezen<br />

en nagebedeu , gelijk gij in ons Formulier van 't<br />

Avondmaal zien kunt.<br />

772.) J. Uwe tweede Helling is, dat alleen waare<br />

gelovigen voor zig zeiven regt en vrijheid hebben<br />

om 'c Avondmaal te gebruiken, en dit ook aileen<br />

tot hun wezenlijk nut en trooft doen kunnen.<br />

» .<br />

L. Deze Helling is zeer gemakiijk te verdedigen,<br />

. * in-


van de Sacramenten. 455<br />

indien men onbevooroordeeld op 't volgende acht<br />

geeft:<br />

a. ) Niemand kan ons toefternmen, dat 't uitwendig<br />

gebruik der tekenen op zigzelven genoeg is ,<br />

maar dat Chriftus daar ook geeitelijker wijze moet<br />

gegeten en gedronken worden, benevens de gemeenfehap<br />

der heiligen onderholden. Doch hoe ongefchikt<br />

is daar toe iemand, die geen geeftelijken honger<br />

noch dorft heeft, en door den band des geloofs<br />

niet vereenigd is met Gods volk ?<br />

b. ) Het blijkt ook uit de H. S. Paulus noemt<br />

't brood en den drinkbeker een gemeenjchap des<br />

lichaams en des bloeds van Chriftus 1 Cor. ie:<br />

16. en Cap. xv. 28. leert hij, dat men zig moet<br />

beproeven en zegt vers 29. dat die onwaardig eet<br />

en drinkt, zig zeiven een oordeel eet en drinkt,<br />

niet onderfeheidende V lichaam des Heeren.<br />

c. ) Verder is zulks te zien uit onze formulieren<br />

van eenigheid.<br />

d) De Heidelb. Kat. in 't antwoord op de 8r<br />

vrage , daar wij eerft een waar gelovigen beichreven<br />

vinden, en dan in 't ilot er nog bij tegenfteliing<br />

wordt bijgevoegd. „ Maar de hijpocrijten en<br />

„ die zig niet met zvaren harten tot God bekeer en,<br />

„ die eeten en drinken zig zeiven 't oordeel". -<br />

Hijpocrijten betekent geveinsden , dit zijn in den<br />

fterkften en meeft gewoonen zin , zulke menfchen<br />

die zig voor Godvrugtigen uitgeven, doch inwendig<br />

ea


456 Het vijftiende Gefprek,<br />

en in 't gehe<strong>im</strong> boos en Godloos zijn. Bij dezen<br />

nu voegt de Katecb. nog de geenen, die zig niet met<br />

waaren harte tot God bekeeren. En hier door kan<br />

men verftaan zulke menfchen, die't zaligmakend geloot<br />

misten, 't geen altoos met waarachtige bekeering<br />

verzeld gaat, en daarom ten Avondmaal gaan uit fleuï<br />

of gewoonte, of nog andere verkeerde einden.<br />

b.) Onze Belijdenis in 't begin van 't 35 Artikel,<br />

daar wordt gezegd: „ Wij geloven en belij-<br />

., den, dat onze Zaligmaker Jezus Chriftus 't Sa»<br />

„ crament des H. Avon dma als verordend en in ge-<br />

„ field heeft, om te voeden en te onderhouden de ge-<br />

„ nen, die Hij airede wedergeboren, en in zijn huis*<br />

„ gezin, 't welk is zijn kerke, ingelijft beeft".<br />

773-) J- I°dicn een onbekeerde 't Avondmaal al<br />

niet zedelijk goed kan gebruiken, hij kan 't evenwel<br />

natuurlijk of ftofelijk goed gebruiken, even als 't<br />

horen van Gods woord en 't bidden.<br />

L. Niets kan natuurlijk of (loffelijk goed genaamd.<br />

worden, waar in de juifte orde der zaken is omgekeerd,<br />

b. v. Wanneer iemand zijn kind ter fchool<br />

doet gaan, en wil dat hij eerft leert lezen en fchrijven,<br />

en dan vervolgens de letters van 't A. B. C. dit<br />

zou <strong>im</strong>mers niet (loffelijk goed kunnen heeten. Zo<br />

handelt iemand die ongelovig ten Avondmaal gaat,<br />

en dus wil verfterken 't geen er niet is. Wat 't<br />

hooren van 't woord betreft, 'twelk een onbekeerde<br />

doet, dit kan ftoflijk goed genaamd worden, om dat<br />

't een


van de Sacramenten. 457<br />

't een middel is, waar onder de Heer met zijn Geeft<br />

wil werken Hand. 16: 14. En wat 't gebed aangaat,<br />

een onbekeerde mag zomin bidden, even of hij<br />

een gelovige was, b. v. om vermeerdering van geloof<br />

en wasdom in 't Geeftelijk leven, enz.; zo min<br />

als hij ten Avondmaal mag gaan. Maar hij moet bidden<br />

als een onbekeerde, b. v. om geloof in Christus,<br />

waare bekeering, enz. En indien hij in twijfeling<br />

verkeert, kan hij bidden, dat indien hij nog<br />

geen opregt geloof enz. heeft, God 't hem fchenke.<br />

774. ) J. Ik hoorde onlangs iemand zeggen, dat<br />

een onbekeerde wel zondigt, wanneer hij ten Avondmaal<br />

gaat, maar dan ook zondigt, als hij er af<br />

blijft.<br />

L. Het eerfte ftaa ik volledig toe, namelijk dat hij<br />

zondigt, wanneer hij als een ongelovige en onboetvaardige<br />

ten Avondmaal gaat; maar ik ontken, dat<br />

hij zondigt, als hij, ora die rede, om dat hij onbekeerd<br />

is, van 's Heeren tafel afblijft. De zonde is<br />

hier niet gelegen in 't afblijven, maar daar in dat hij<br />

niet ernftïg en ftandvaftig naar geloof en bekeeriug<br />

uitziet, op dat hij tot verheerlijking van Goden zijn<br />

eigen nut 's Heeren Avondmaal gebruiken kan.<br />

775. ) J. Maar hoe kan een menfeh weten, of hij<br />

een waar geloovige is ?<br />

L. Hij moet zig beproeven naar Paulus vermaning<br />

1 Cor. iir 20. en 2 Cor. 13: 5. En die beproeving<br />

dient over deze 3 ftukken inzonderheid te gaan<br />

Ilde DEEL. G g 1) Of


458 Het vijftiende Gefprek,<br />

i) Of da zonden en wel alle zonden ons van harten leed<br />

zijn. a) Of wij derzelver vergeving alleen en volkomen<br />

in den kruisdood van Chriftus zoeken. 3) Of wij<br />

em hartelijk voornemen hebben om met afftand van<br />

ongeregtigheid, en wel van alle ongeregtigheid in<br />

den dienft van God te verkeeren. 1 - Vergelijk<br />

hier mede 't geen ik in 't XIII gefprek :van 't onderfcheid<br />

tusfchen een waar en fchijn Chriften gezegd<br />

heb. Zie pag. 263. Ook geve merrhier acht op \<br />

geen de Heere zegt Jez. 55: 1, 2. ó alle gij aorftigen!<br />

komt tot de wateren enz. Cap. 57: ig. Alzo<br />

zeidt de Hooge en Ferhevene, die in de eeuzvigheid<br />

woont, en wiens name heilig is: Ik woonein de hoog<br />

te en in > heilige, en bij aien, die een es verbrijzel^<br />

den en nedrigen Geeftes is, op dat ik levendig make<br />

den Geef der nedrigen, en op dat ik levendig make<br />

V harte der verbrijzelden. Zit ook vers 18. Ik zie<br />

hunne wegen, enz.<br />

776.) J. Onze Heide.lb. Kat. in 't antwoord op<br />

de 81 vrage laat tot 't Avondmaal toe alleen verzekerde<br />

Chriftenen, die bewuftheid hebben van de<br />

vergeving hunner zonden; en Gij fchijnt ook zwak<br />

gelovigen toe te laten.<br />

L. Ik erken dat de Katech. in 't eerfte gedeelte<br />

van dat antwoord fpreekt van Chriftenen , die verzekerd<br />

zijn van de vergeving hunner zonden. £n dat<br />

die 't Avondmaal mogen gebruiken, en met vrugt<br />

kunnen gebruiken , zal niemand onzer , denk ik,<br />

ont-


van de Sacramenten. 459<br />

ontkennen, dewijl't geloof nooit zo volkomen zijn<br />

kan, of 't heeft verfterking nodig, 't zij voor 't tegenwoordige,<br />

't zij voor 't toekomende. Maar dat<br />

gij daar uit 't gevolg trekt dat onze Heide/b. Kat.<br />

zwakgelovigen zoude uitfluiten, hebt gij mis; 't tegendeel<br />

blijkt uit de tegenftelling. „ Maar de Hy-<br />

„ pocryten, en die enz". Zwakgelovigen zijn <strong>im</strong>mers<br />

ook opregt gelovigen, en kunnen geenzins geveinsden<br />

genoemd worden, of die zig met eenvalfch<br />

hart tot God bekeeren ?<br />

77 7 0 J' Uvv derde ftellingwas, dat zij die openbaare<br />

ergernife, 't zij in de leer of in leven gegeven<br />

hebben, moeten afgeweerd worden.<br />

L. Zo is 't ook, dit leert de Heidelb. Katecb.<br />

vrage en antwoord 82. Deze moeten, tot dat zij<br />

beteringe hunnes levens bewijzen, door de fleutelen<br />

des Hemelrijks worden uitgeflooten. Zie de Heidelb.<br />

Kat. Zondag 31. Vergelijk hier mede Mattb. 7: 6.<br />

I Cor. 5: 13. en andere plaarzen.<br />

778.) J. Op zulk eene wijze kan 't gemakkelijk<br />

gebeuren, dat ook waare gelovigen (die regt tot 'tAvondmaal<br />

hebben) van de verbonds tafel worden afgeweerd;<br />

dewijl die wel eens in ergerlijke zonden<br />

vallen.<br />

L. Dit moeten zij dan aanmerken als eene tugtiging<br />

van 's rieeren wegen , op dat zij langs dien<br />

weg tot verootmoediging mogen gebragt worden.<br />

779\) J- Gelief nu nog van den tijd en de plaats<br />

Gg 2<br />

te


460 Het vijftiende Gefprek,<br />

te fpreken. in welke dit Sacrament moet bediend worden.<br />

L. Wat<br />

a.) De tijd betreft, wij hebben te vooren reeds<br />

gezien, dat Jezus met zijn Apoftelen dit Sacrament in<br />

den Avond, welke een gedeelte des Nachts uitmaakte,<br />

gehouden heeft. Dan, deze tijds omftandigheid behoort<br />

niet tot 't wezen der zaak. Men heeft onder<br />

de eerfte Chriftenen dit bondzegel ook wel des a-<br />

vonds of 's nachts gehouden, maar dit gelchiedde<br />

niet wegens de inftelling, maar wegens de vervolgingen;<br />

want men gebruikte 't ook wel op andere<br />

tijden. In de eerfte eeuwen des Chriftendoms<br />

gebruikte men 't alle dag, 't geen in de wefterfche<br />

kerk ten tijde van AUGUSTINUS nog plaats had.<br />

Naderhand viermaal, tweemaal, ook maar eenster<br />

week. Vervolgeus driemaal in 't jaar Paasfchen ,<br />

Pinkfteren, en Kersmis (gggj. — Bij ons gefchiedt<br />

de bediening des H. Avondmals in de meefte gemeentens<br />

in ons Nederland viermaal in 't jaar, in eenige<br />

weinige plaatzen zesmaal, enz.<br />

b.) Wat de plaats aangaat, de Zaligmaker heeft't<br />

zelve ingefteld in een bijzonder huis, alwaar Hij 't<br />

Pafcha at. De Apoftelen m de uitbreiding van Jezus<br />

301.<br />

(.SëS') Zie CAV£ Eerjle Chriftendom £. L H. 298 —


van de Sacramenten. 461<br />

zus koningrijk waren insgelijks genoodzaakt dit in de<br />

huizen, daar zij leerden, te doen. In de zwaare vervolgingen<br />

hielden zij 't Avondmaal in onderaardfche<br />

grotten, die in de gebergtens zijn.<br />

Doch toen er<br />

kerken voor de Chrifteneu gefticht werden ,<br />

heeft<br />

men deze heilige plegtigheid in de kerk gehouden,<br />

en wel in 't Oolteinde der kerk op een bouten tafel,<br />

die naderhand vcrwisfeld werd in een van fteen, die<br />

men bij wijze van zinfpeling een altaar noemde,<br />

en zelfs 't Avondmaal bijzonder in latere tijden de<br />

naam droeg van 't Sacrament des Altaars (Jjbb) 9<br />

't<br />

welk in volgende tijden aanleiding tot bijgelovigheden<br />

heeft gegeven.<br />

Dewijl wij thans in geen3<br />

tijden der vervolgingen leven, zo is 't zeer voegzaam<br />

om *t Avondmaal daar te bedienen, waar de<br />

Godsdienft in 't openbaar gehouden wordt en de gemeente<br />

vergaderd, namelijk in de kerken; langs dezen<br />

weg wordt ook de gemeenfehap der heiligen aangekweekt<br />

en onderhouden. (»/')<br />

?8o.)<br />

(/;/;/;) Zie CAVE Eer/ie Chrifltndcm, p' 301, 302.<br />

(«i) Er zijn er, die van oordeel geweed zijn, dat in fommige<br />

gelegenheden 't Avondmaal in een bijzonder huis zelfs<br />

door een Leek of een gemeen Chriften mag bediend wor»<br />

den: Onder andere heeft H GUOTIUS dit gevoelen voorgeilaan<br />

in zeker boekje, genaamd di adminijtrat<strong>im</strong>c Cienc, ubi<br />

pajlurcs<br />

Gg 3


4^2<br />

Het vijftiende Gefprek,<br />

780.) J. Ik bedank Uzeer voor uw nuttig onderwijs<br />

ia de leer der Sacramenten. Mag ik nu nog eenige<br />

dingen de practijk betreffende horen.<br />

L. Wat de praftijk of beoeffening betreft, deze<br />

kunt gij zeer gemaklijk zelfs uit de behandelde<br />

waarheden afleiden. Evenwel wil ik thans dit weinige<br />

nog aanmerken betreklijk tot 't Sacrament dea<br />

ïl, Doops.<br />

a.) Dat hier veele ouders te beflraften zijn,<br />

die hunne kinderen laten dopen enkel uit gewoonte;<br />

die zeer onkundig zijn in de leere des Doops;<br />

die<br />

fajhres non junt. Men wil dat hij te Parijs zijnde, zodanig<br />

afzonderlijk Avondmaal des Heeren met zijne huisgenooten<br />

gehouden hfeft. Zie MOSHEIM over een Euangeliedienaar p.<br />

6$i ^tegtn dit gevoelen kunnen verfcheiden aanmerkingen<br />

gemaakt worden, welke de taalkundige Lezerkan vinden bij<br />

Z. GSAPII Sijjïcma novijj. Controvers. T. IV. p. 85 -- 89.<br />

Laat ik dit weinige voor den Nederduitfchen Lezer aanmerken.<br />

1) Wij hebben te voren bewezen, dat de Leeraars<br />

alleen de bedienaars zijn der Sacramenten, en fchoon God<br />

de plaats daar toe wel niet bepaald heeft, is de kerk (wanneer<br />

men in geen zwaare vervolgingen leeft,) de géfchikfte plaats.<br />

2) De gemeenfehap der heiligen wordt dus te klaarder uitgeoeftend.<br />

3) Het ftrijdt tegen de gewoonte der Chriftenen.<br />

Zekere EUSTHASIUS wierd van zijn Bisdom afgezet, om dat<br />

hij he<strong>im</strong>elijke vergaderingen hielt, en zommige overreedde<br />

aan hunne huizen te Communiceeren. Zie CAV£ Eerjle Chriji.<br />

?• S°3.


van de Sacramenten. z6"3<br />

die tneenen, dat de Doop flegts dient, op dat hunne<br />

kinders een naam zouden krijgen. Zij betuigen<br />

plegtig voor den predikftoel ten aanfchouwen van de<br />

gemeinte, dat de leer der Hervormde kerk de waare<br />

leer is der zaligheid, daar er veelen zijn die niet<br />

meer kundigheid in die leer hebben dan de Heidenen<br />

(kkk). Zi] heiligen hunne kinderen door den<br />

Doop aan God in Chridus toe, en beloven dezelve<br />

optevoeden en te doen onderwijzen in de Chriden<br />

leer. Maar zo ras is die Doops plegtigheid niet gedaan<br />

, en zij zijn weder naar huis gekeerd, of zij too«<br />

nen vervolgens in hun gedrag, hoe weinig lud zij hebben<br />

om aan hunne gedaane beloften te voldoen, en<br />

brengen hunne kinderen voor de waereld en den<br />

duivel op. ó Wat zal 't zulke ouders zwaar vallen<br />

in 'den dag des doods en der eeuwigheid!<br />

b.) En<br />

(kkk) Het Eerw. Ccetus van Embien beef: den. 20 Aug.<br />

1720 befloten , tcnj einde 't heilig Bondzegel des Doops.<br />

niet mogte ontheiligd woiden, dat men de kinderen van bei'<br />

de ergerlijke of onwetende ouders eenigen tijd zoude ongedoopt<br />

laten, op aSPoe Ouders irnmiddels tot eenige kennis<br />

of" boetvaardigheid 'mogten gebragt' worden. Zie ËIJSSON'IUS<br />

zevendaags onderwijs, in de Voorrede. - • Och dat op (ff*<br />

ze Chriftelijke Sijnodens ook eenige maatregelen genomen<br />

v/erden om .zo veel mogelijk de. ontheüiging van dit BondzeteL<br />

voor te komen 1<br />

Gg 4


44 Het vijftiende, Gefprek,<br />

b.) En hoe weinig zijn er, die hun eigen<br />

Doop beleven, die zig geduurig die heilrijke verbintenis<br />

herinneren , waar ouder zij door hunne<br />

ouders in den Doop gebragt zijn , om door de<br />

Genade des H. Geefts hunne oude natuur gedood<br />

te krijgen, en in een nieuw Godzalig leven te wandelen;<br />

die in tegendeel alle banden van verpligting<br />

losrukken. Ochl dat deeze dwaaze eens wijs wierden,<br />

en op *t einde mogten letten, en denken aan<br />

Paulus taal Hebr. 10; 29. Hoe veel te zwaarder<br />

ftraffe meent gij zal bij waardig geacht wor.<br />

den , die den Zoone Gods vertreden heeft , en 't<br />

bloed des Teftaments onrein geacht heeft, daar d<br />

bij geheiligd zvas , en den Geeft der genade fmaad<br />

beid heeft aangedaan.<br />

781.) J. Is er nog niet iets over 't Avondmaal<br />

aantemerken?<br />

L. Daar over zou nog veel zijn aantemerken,<br />

bedenkingen, beftieringen , vertrooftingen ; doch<br />

vermits ons gefprek langer dan naar gewoonte<br />

heeft geduurt, zoo kan ik mij daar niet inlaaten.<br />

Dit gemis zal u nogthans rijkelijk vergoed worden<br />

, indien Gij zeker boek koopt en leeft, \<br />

welk een zeer klein werkje, en voor een geringen<br />

prijs te bekoomen is, doch waardiger is dan<br />

goud, genaamd de kragt des Avondmaals tot trooft<br />

en heiligmaking van Godskinderen , kortelijk aan-


van de Sacramenten. 465<br />

gewezen door G. SALDENUS , bedienaar des H.<br />

Euangeliums, in 't midden der vorige eeuw te<br />

Delft, (lil)<br />

HET<br />

(lil) Men kan ook met zeer veel nut gebruik maken van't<br />

fraaije werk van den WelEerw. IMMENS Godvrugtige Avondmaalgonger.<br />

Gg5


466 Het jeftiende Gefprek, over den<br />

HET<br />

SESTIENDE<br />

G E S P R E K<br />

over een<br />

Staat des menfchen na dit leven.<br />

782.) jongeling. Wij moeten jegenswoordig een<br />

J<br />

aandoenclijk ftuk behandelen.<br />

Leerraar. Zois't, 't zijn zaken, die niet in dit<br />

leven, maar na dit leven ons zullen overkomen, terftond<br />

bij den dooa ;<br />

in den dag der opftanding; bij 7<br />

laatfte oordeel; en eindelijk tot in eene altootduui ende<br />

eeuwigheid: en dit zijn de vier ftukken, daar wij<br />

thans van moeten fpreken.<br />

7 8 3-) J- Dat de menfeh fterven moet leert de ondervindingen<br />

de H. S. Pf 8o: 49. Hebr. 0.27.<br />

't is den menfeh gezet eenmaal te fterven. Wat gebeurt


Staat des menfchen na dit leven. 467<br />

beurt er bij dat fterven;. en is 't wel volkomen ze»<br />

ker, dat de ziel levendig overblijft?<br />

L. Het geen uiterlijk'van een menfeh bij 't fterven<br />

kan gezien worden, behoef ik niet te melden:<br />

Het<br />

lichaam of door ouderdom of door ziekte afgemat,<br />

of op eene andere wijze 't zij langzamer of fchielijker<br />

buiten ftaat gefield om in vereeniging met de ziel<br />

werkzaam t-c -zijn, wordt eindelijk een lijk, van gevoel<br />

en leven beiden beroofd, 't wordt verftijfd vankoude<br />

, is aan verderf onderworpen, eene affchu-<br />

Wing voor de levende,, zelfs voor de meeftgeliefde<br />

vrienden, en nergens toe gefchikt dan om tot fpijs<br />

voor wormen te dienen: zo is 't met'tlichaam gefteld.<br />

. 784.) Jü -Hoe is \ met de ziel gelegen?<br />

L. Dit zullen wij beft bij ondervinding weeten,<br />

ieder voor zig zeiven , wanneer wij eenmaal, en wie<br />

weet wanneer, den weg van alle vleefch betreden<br />

zullen.<br />

Het geen ons nogtlrands de gezonde rede,<br />

en de H- S. leert, is, dat de ziel bij den dood des -<br />

hchaams niet fterft, maar levendig overblijft met bewuftheid.<br />

a.) De ziel is van eene geheel andere natuur of<br />

gefteldheid dan 't lichaam , zij is onftoffelijk,<br />

blijkt uit haar denken, oordeelen, vrijwillige werkzaamheden,<br />

enz.<br />

dit<br />

Dit alles nu kan in geen ftof vallen.<br />

Is nu de ziel onftoffelijk dan kan zij ook niet<br />

als 't lichaam ontbonden worden en fterven. Dit<br />

neemt


468 Het feftiende Gefprek, over den<br />

neemt egter geenzins weg, dat de ziel bij den dood<br />

door God zou kunnen vernietigd worden, zo dat zij<br />

ophield langer te beftaan. Dan de vraag is, of God<br />

die doet? De gezonde rede ontkent dit. — Vooreerft<br />

zien wij niet, dat God op deze aarde iets dat<br />

floflijk is vernietigt, alles ondergaat flegtseenige verandering,<br />

hoe ongere<strong>im</strong>d zou 't dan zijn van te denken,<br />

dat God den Geeft des menfchen, die zo veel<br />

voortreflijker is, zou vernietigen? Ten tweeden<br />

, indien God de zielen der menfchen vernietigde,<br />

dan was er geen beloning of ftraf na dit leven;<br />

doch zo wi] dit ontkennen, dan is er geen Voorzienigheid.<br />

Daar wij nu te vooren bewezen hebben, dat er een<br />

Voorzienigheid is, die 't goede beloont en 't kwade<br />

ftraft, zo moet noodzaaklijk de ziel na den dood des<br />

lichaams overblijven met bewuftheid.<br />

b ) De H. S, leert ook deze dingen. Zij leert<br />

ons. i.) Dat de ziel met kan gedood worden even<br />

als 't lichaam Matth. 10/ a&. Vreeft u niet voor de<br />

geenen die ft lichaam dooden, en de ziel niet kunne<br />

dooden. 2.) Dat de ziel levendig overblijft met bewuftheid,<br />

Luc co: 38. wordt van Abraham Izaak<br />

en Jacob getuigd, dat zij alle leven voor God. Dewijl<br />

nu derzelver lichaamen voor lange verrot waren<br />

in 't graf, zo moet men dit van hunne ziel verftaan.<br />

Ook Pred. 12: 7. En dat 't flof weder tot de aarde<br />

keere, als't geweeft is; en de Geeft zveder tot God<br />

keere, die hem gegeven heeft. Men kan hier nu nog<br />

bij


Staat des Menfchen na dit leven. 469<br />

bij voegen alle die plaatzen, welke van eene opftanding<br />

der lichaaraen en een laatfte oordeel fpreken.<br />

Deze dingen zouden geen plaats kunnen hebben, indien<br />

de zielen bij den dood vernietigd werden.<br />

785.) J. Salomo fchijnt evenwel geleerd te hebben<br />

, dat de ziel des menfchen fterft Pred. 3: 19.<br />

Want wat de kinderen der menfchen wedervaart, dat<br />

wedervaart ook de heeften, en eenerlij wedervaart<br />

hen [heiden] gelijk die fterft, alzo fterft deze enz.<br />

L. De wijze Koning fpreekt alleenlijk van 't natuurlijk<br />

leven en den dood, zo als 't zig uitwendig<br />

toedraagt. Anders zou hij zigzelven tegenfpreken Cap.<br />

12: 7.<br />

7Ü6.J J. Zullen de zielen bij den dood niet ineen<br />

foort van flaap gedompeld liggen ?<br />

L. Ganfchelijk niet, dit hebben oudtijds eenige<br />

zo genaamde Wederdoopers en andere dwaalgeeften<br />

gefteld , doch zeer verkeerd. Het tegendeel blijkt<br />

uit plaatzen reeds bijgebragt, Pred. 11: 7. Luc. 20:<br />

38. Ik voeg er nu nog bij de gelijkenis Luc. iö:<br />

22-3I. Het is waar de dood wordt wel eens een<br />

flaap genoemd, want zo zegt Chriftus Joh. tv 11.<br />

Lazarus onze vriend flaap. ölaar dit is te verftaan,<br />

of met betrekking tot 't lichaam, welks werkeloze<br />

gefteldheid te regt met een flaap kan vergeleken worden;<br />

of met opzicht tot de ziel, die nu ontflagen is<br />

van alle verdriet, wanneer zij zalig fterft, Openb. 14:<br />

13-


47o<br />

Bet feftiende Gefprek, over den<br />

13. Zalig zijn de dooden, die in den Beere fterven<br />

van nu aan.<br />

787. ) J. Hoedanig zal die bewuftheid zijn?<br />

L. Wij kunnen daar niet veel van zeggen. Daar<br />

't nogthans eene zekere waarheid is, die God ons in<br />

zijn woord verklaart, dat wij van natuure kinderen<br />

des toorns zijn, en buiten Chriftus eeuwig ongelukkig;<br />

maar dat zo wie Chriftus als de eenige oorzaak<br />

van zaligheid in dit leven gelovig omhelft heeft,<br />

voor eeuwig gelukkig is; zo kunnen wij niet anders<br />

denken, of de werkzaamheden der ziel zullen zig<br />

tot die voornaame zaak bepalen, waar toe zij hierop<br />

aarde in vereeniging met 't lichaam geweeft is. Doch<br />

zeer onderfcheiden bij onbekeerden en bekeerden.<br />

788. ) J. Hoe zal 't met onbekeerden of Godlozen<br />

gefteld zijn?<br />

L. Deze hunne ziel zal zig in de allernaarfte en<br />

akeliglie geftaltheid bevinden, aangedaan met droefheid,<br />

fmarte, wanhoop, verfchrikking. Eene onbegrijpelijke<br />

droefheid zal er in de ziel ontftaan, dat<br />

zij nu alle aardfche genoegens, haare goederen, daar<br />

zij haar hart aan vaftmaakte, voor altoos zal moeten<br />

misfen, en in eene troofteloze enallerakelijkfte plaats<br />

haar verblijf moet houden. Welk eene grievende<br />

fmarte , dat zij haare ooren heeft afgewend van<br />

de lieflijke vermaningen tot haar wezenlijk heil, die<br />

van 's Heeren wegen zo menigmaal op aarde gedaan<br />

zijn. Wanhoopige gefteldheid, zij is bewuft dat de<br />

tijd


Staat des menfchen na dit leven. 471<br />

tijd der genade uit is, en moet dus in dat fchrikververwekkend<br />

vooruitzicht verkeeren, dat haare rampzaligheid<br />

in den dag van 't algemeene oordeel zal voltooid<br />

worden. Vreeflijk moet haar'c denkbeeld zijn<br />

van God een gehoond Regter, die voor zondaars een<br />

verteerend vuur is, die nu alle zijne bediijgingen zal<br />

waar maken.<br />

789. ) J. Hoe zullen de Godvrugtigen gelleld<br />

zijn?<br />

L. Deze hunne ziel zal zig aangedaan vinden met<br />

eene onuitfpreeklijke blijdfihap in den hemel, eene<br />

volkomen bewuftheid hebbende van de vergeving der<br />

zonde en de wegneming der veidorvenheid , waar<br />

door zij is in ftaat gelleld om zonder eenig beletzei<br />

in een' reinen Geelt God te dienen. De ziel zig voor<br />

Gods throon bevindende, heeft een onbegrijpelijken<br />

diepen eerbied voor de hooglte Majefteit, een' eerbied,<br />

die ongelijk grooter is, dan die van Job was<br />

toen hij zeide met 't gehoor der oore heb ik U gehoord,<br />

maar nu ziet Ü mijn ooge, enz. Cap. 42; 5, 6.<br />

Zij verkeert in dat allerverrukkelijklt vooruitzicht op<br />

eene ftoreloze zaligheid, die in de voleinding der eeuwen<br />

naar beide deelen, zielen lichaam, zal volkomen<br />

gemaakt worden.<br />

790. ) J. Zeer verkeerd is dus 't gevoelen der<br />

Roomfche kerk , die een vagevuur verzinnen. Wat<br />

is hun gedagte daaromtrent?<br />

L. Zij geloven, dat er drie plaatzen zijn na dit Ieven


472 Het fefliende Gefprek, over den<br />

ven, de hemel, 'c vagevuur en de hel. Door 't vagevuur<br />

verftaan zij eene plaatze onder de aarde, in<br />

welke de zielen der gelovigen door 't vuur en andere<br />

pijnen gezuiverd worden van alle hunne zonden en<br />

fchulden. Zij die derwaards gaan zijn niet, die in<br />

de liefde Gods zo fterven, dat zij niet meer te betalen<br />

of te zuiveren hebben, want die gaan aanftonds<br />

naar den Hemel; maar 'tzijn zulken, die in de gratie<br />

Gods wel fterven, doch noch niet ontflagen zijn van<br />

alledagelijkfche zonden of laft van penitentie: en deze<br />

zielen blijven zo lang in 't vagevuur, tot dat zij<br />

door hun lijden aan de Godlijke regtvaerdigheid voldaan<br />

hebben. Evenwel kunnen hunne pijnen verkort<br />

, en zij uit 't vagevuur eerder verloft worden<br />

door de gebeden en goede werken der levenden, en<br />

bijzonder door 't heilig facriftcie der Misfe, en 't toevoegen<br />

dei Aflaten, (a).<br />

7°&<br />

(a"j Zie de Roomfche Katechismus van 't Eerfibisdom Mecke<br />

len 15de les. De beroemde ÜELLARMIHUS (de purgat.<br />

i. 2. c. 6.) zegt „ De Scholaftiken ftellen met eenparigheid<br />

„ onder de aarde vier vakken, of één vak in vier delen ver-<br />

„ deeld: een ^oor r'e verdoemden; 't tweede voor de gee.<br />

„ nen, die gereinigd moeten worden; 't derde voorde klei.<br />

„ ne kinderen , die zonder Doop fterven; 't vierde voor dc<br />

„ regtvaardigen, die geftorven waren eer Dog Chriftus ge.<br />

„ leden had, welk laatfte nu ledig blijft". Om 't vagevuur<br />

te bewijzen beroept zig BELLARMINUS als getuige op Yerfcheidc


Slaat des menfchen na dit leien. 473<br />

791.) J. Hoe kan men dit leerftuk wederleggen?<br />

L. Met de H. S. die van geen vagevuur weet,<br />

Chriftus bloed reinigt van alle zonden 1 Joh. 1: 7.<br />

Hat er geen vagevuur is blijkt ook duidelijk genoeg<br />

uit Openb. 14; 13. Zalig zijn de dooden, die in aen<br />

Heere fterven, VAN NU AAN, en ardere plaarzen,<br />

als Luc. 23; 43. Men wil, dat 't een leerltuk is<br />

der Platoniften onder de heidenen; althans dit is zeker,<br />

dat de kerkvaders der eerfte eeuwen er onkundig<br />

van geweeft zijn, en deze dwaling eerft ten tijde<br />

van Paus GRE^ORIUS den Ifte inde Vide eeuw is opgekomen<br />

in de Chn'Ilen kerk; door BEDA in't Wes-<br />

.ten voortgezet; door de onwetendheid der tijden aangekweekt;<br />

en door 't Concilie van Florence in den<br />

j'aare 1439 beveiligd.<br />

79 2 ) J- Zij beroepen zig, zo ik meen, op Matth.<br />

5: 25, 26. daar de Zaligmaker in 't Hot van die versfen<br />

zegt. En gij in de gevangenisfegeworpen wordt,<br />

voorwaar ik zeg U, gij zult daar geenzins uitko.<br />

men, tot dat gij den laatften penning (b) zult le.<br />

taald hebben.<br />

Tj e<br />

de heidenen, als PLATO in Phedone,<br />

KONIS , VIRGILIUS in Aeneid. I. VI.<br />

C.C*RO in fomnio Sci-<br />

Het vagevuur brengt aan de Roomfche geeftelijkheid een<br />

verbazenden fchat 's jaarlijks op.<br />

f» Dikwijls lezen wij in dén Bijbel van penningen, maar<br />

Ilde DEEL,.<br />

H h


474 Het fejfiende Gefprek, over den<br />

L. De Heiland fpreekt in dezen text niet van 't<br />

vagevuur, zelfs niet eens van de hel', maar vermaant<br />

zijne Apoftelen en toehoorders om den infchikkelijkft<br />

p n weg met hunne wederpartijders in te flaan, en<br />

liever wat toe te geven, om fpoedig met hun te verzoenen<br />

, op dat zij voor den waareldlijken regter komende,<br />

'tzij billijk of onbillijk, niet in de gevangenis<br />

geraken tot hunne merkfijke fchade, als zij dan<br />

alles zullen moeten betalen, dat vtn hun gevorderd<br />

wordr.<br />

J- dunkt U van PPUIPS raai i Ccr. 3:<br />

15. Zo iemands ue'ik zal verbrand noorden, die zal<br />

fchade lijden; maar zelve zal hij bel ouden worden ,<br />

doch alzo ah door vuur?<br />

L. De Apoftel had in't 10de en 1 ide vers gefproken<br />

van 't eenige en waare fundament, de leer van<br />

Jezus Chriftus. Op dit fundament moeften de Leeraars<br />

der kerk bouwen i maar '1 is niet evenveel hoe<br />

of wat men daarop bouwt; gelijk hij vervolgens aantoont.<br />

Paulus blijft in 't zinnebeeld van een bouw*<br />

meefter: de een bouwt daar op koftelijke dingen, goud,<br />

zilver, kojibaarefieenen, waardig zulk een voortreflijken<br />

grondflag. Een ander bouwt daar op hout,<br />

hooij<br />

zij zijn alle niet van dezelve waardij. Die de Bijbcllche<br />

gïldiiiunrcn wil leeren kennen, en hoe veel in waarde tegen<br />

ons Hollandsgeld gerekend, dieziemijne BIJÜ£LVERKLAKI^C;<br />

betrekkelijk Palejlina p. 300, enz.


Staat des menfchen na dit leven. 475<br />

hooij, flopfelen. Door 't eerfle heeft men te verdaan<br />

heilrijke waarheden, die voortreflijk, die zaligmakend<br />

ziji; door de andere dingen , eene onvafte leer, fabelen<br />

enz. De tijd zal nogthans leeren, welk werk zal<br />

ftandgrijpen , welke leeringen 't vuur der verdrukking<br />

zullen kunnen doorftaan. 't Gebouw van goud,<br />

zilver en koftelijke fteenen zal ftaande blijven, en de<br />

bomvmeefter, de Leeraar grooten loon uit genade<br />

deelachtig worden. Doch die hout, hooij, ftoppelen<br />

gebouwt heeft zal fchade lijden, zijn arbeid zal ijdel<br />

bevonden worden; evenwel kan hij zelve nog behouden<br />

worden, dewijl hij op 't waare fundament gebouwd<br />

heeft, doch 't zal bezwaarlijk zijn: 't zal,<br />

om in de gelijkenis te blijven, als door vuur zijn,<br />

als iemand die zijn houte woning, wiens dak uit<br />

hooij en ftoppels beftaat in denbrand vliegt, en door<br />

de vlugt nauwlijks zijn leven redt.<br />

794. ) J. Gelief nn van de opftanding der geftorvene<br />

lichaamen te fpreken.<br />

L. Aangaande dit gewigtig leerftuk moeten wij<br />

eerft derzelver waarheid bewijzen, dan eenige bijzonderheden,<br />

welke plaats zullen hebben, befchou.<br />

wen.<br />

795. ) J. Hoe moet men te werk gaan om derzelver<br />

waarheid aan te toonen ?<br />

L. Ik zal eerft de mogelijkheid van zodanig eene<br />

•pftanding uit de rede en ondervinding, en dan de<br />

Hh 2


476 liet Jefliende Gefprek, over den<br />

zekerheid van dit leerftuk ui: Gods onfeilbaar woord<br />

aanwijzen.<br />

a.'") Er is zodanig eene opftanding mogelijk,<br />

a.) dit Iesrt de rede. Hij die uir de befchou»<br />

wing van zigzelven en van de dingen buiten zig, een<br />

Opperwezen erkent, die de oorfprong van alles is<br />

en de wiereld uit niet heeft voortgebragt,<br />

noodzaaklijk<br />

moet<br />

tóe/temmen , dat de opftanding der<br />

doder, voor dat almagtig 'Opperwezen zeer wel mogelijk<br />

is.<br />

hl) De ondervinding doet onsgeduurig zodanige<br />

zaken bcfchouweu, die veel gelijkheid met deze<br />

- waarheid hebben, b. v. zaad korreltjes, wier planten<br />

of bloemen in den Herfft verwelkt en in den winter<br />

verrot zijn, in de aarde gevallen of geworpen<br />

2ijnde, t<br />

brengen in de Lente tijd weder op nieuw<br />

planten of bloemen voort. Dit is geen nieuwe fchepping,<br />

't is geen voortbrenging van dingen , die er<br />

voorheen niet waren; neen, 't wezen van die plant<br />

of bloem was te voren reeds in 't zaadje<br />

opgefloteu.<br />

(c)<br />

b.) Zo-<br />

(c) Hier uit ontleent de Apoftel Paulus een zinnebeeld,<br />

1 Cor 15; 35 — 38. Moeijlijk is in den eerrten Ópilag ' £ 3


Staat des menfchen na dit leven. 477<br />

b.) Zodanig eene opftanding der afgéftorvehe Ho<br />

hamïn is ulterzckerft, Godswoord leerr zulks, zo<br />

in 't Oude als Nieuwe Teftament.<br />

al) In '1 O. T. ten tijde der Eerft vaderen werd<br />

deze waarheid reeds geloofd, Job. 19; 25, 26, 27.<br />

Wur.tik xieetmijnVerlosfer leeft, en Hij zal de laatfle<br />

over 't Hof öpftaan ; en als zij na mijne huid dit<br />

aoorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleefch<br />

God aanj'chouvjen enz. En deeze woorden wilde de<br />

Godvrugtige job niet ilegts in een boek hebben opgerekend<br />

: maar hij wilde dat dezelve ook in een rotzlteen<br />

met een ijzeregriffie werden uitgehouwen, waar<br />

! in loot gegoten werd. vs. 23, 24. Misfchien moeft<br />

dit een graffchrift zijn, waar in een gedenkteken,<br />

dat terfcheiden eeuwen duuren kon, van Jobs geloof<br />

te vinden was. (d) Ook in den tijd der propheeten<br />

Dun. 12: 2. en andere plaatzen.<br />

b.) In<br />

klcedzel der zaaden, En dit komt met de ondervinding volkomen<br />

overeen.<br />

(et) Sommige denken, dat Jub. 14: 7 — x6. eenige blijken<br />

van Jobs geloof in de opftanding der doden te vinden is.<br />

inzonderheid komt in aanmerking 't 12 vers. Alzo ligt de<br />

menfehi neder, en Jlaat niet op, tot dat de hemelen niet mier<br />

zijn, enz. Inde nieuwe vertaling van dit boek door den<br />

Gottinger Hooglceraar MICHASLIS vind ik in de aantekening<br />

op<br />

Hfc 3


478 Het feftiende Gefprek, over den<br />

hl) In 'c N. T.ten üjde van Jezus-omwandeling<br />

op aarde is overmerkwaardig 't zeggen van Martha<br />

tot Jezus, Joh. ïi: 23, 24. Jezus zeide tot huar,<br />

uw broeder zal weder opjïaan. Martha zeide tot<br />

Hem, ik zveet dat hij opliaan zal, in de opftanding<br />

ten laatften dage* Matth. 22: 29-32, verdedigt<br />

de Zaligmaker dit leerftuk tegen de Sadduceën. (e)<br />

Ook in den tijd der Apoftelen is deze waarheid geloofd<br />

en tegen partijen beweerd 1 Cor. 15: en andere<br />

plaatzen.<br />

79Ó.) J. Welke bijzonderheden zijn er nu nog<br />

van te befchouwen 9<br />

L. Hier<br />

op dit vers deze woorden. „ Hoe duidelijk wordt hier de<br />

„ opftanding der dooden , met 't tijdftip derzelver aangewe-<br />

„ zen, cn hoe volmaakt overcenkomftig met de Ièei Van dé<br />

,, gezanren des nieuwen verbonds! Een treliijk kenmerk<br />

„ voorzeker van Godlijke openbaring in zulk een overoud<br />

„ gefchrift. Men vergelijke, 2 Petr. 3: 10. Openb. 21: 1".<br />

(e) De Sadduceën lochenden niet alleen de opftanding<br />

der dooden, maar zelfs de onfterflijkhcid der ziele. Vid.<br />

Fi.. JOZF.PHUS debeüo l. 2 c. 12. Zie ook onze R.andtekenaars<br />

op Hand. 23: 8. Hier uit ziet men nu klaar, hoe gepaft<br />

de Zaligmaker *t zeggen des Heeren bijbrengt, Ik ben dt<br />

God Abrahams enz. Matth. 22: 32. Hei was dan niet ora<br />

die rede , om dat de Sadduceën alleen de boeken van Mozes<br />

voor Godtijk hielden, dat doen wel de Samaritanen,<br />

maar de Sadduceën namen 't ganfche O. T. aan.


Staat des rmnfcben na dit teven.<br />

4^9<br />

L. Hier komen onsnogeenige bijzonderheden voor.<br />

1) Wie zal de dooden opwekken ? 2) Wie zullen<br />

opgewekt worden? 3) Hoedanig zullen zij opge.<br />

wekt worden ? 4) Wanneer zal zulks gefchieden ?<br />

797. ) J. Ik begrijp dat niemand anders dan God<br />

in ftaat is om door zijn alma^t de doo.lea op te wekken,<br />

volgens Paulus taal Rom. 4; 17. God [is 't,]<br />

die de dooden levendig maakt.<br />

L. Zois'"t, en wel aan alle de drie-Godlijke perföonen<br />

wordt dit toegekend, Joh.$: ai, 28- Rom. 8; ri.<br />

De Godlozen zullen worden opgewekt uit kragt van<br />

Gods ftrafoeffenende regtvaardigheid, de Godvrugtigen<br />

uit kragt van Gods belonende regtvaardigheid om<br />

de verdiende van Chriftus* En gelijk de H. Geed de<br />

toepasfer is van alieheilweldaden, zo zullende Iaatftgemelden<br />

worden opgewekt door den inwonenden<br />

Geed. Dit blijkt duidelijk uit Rom. 8: n b . Hij die<br />

Cbrijlus uit den dooden opgewekt beeft [zal] ook uwe<br />

fterflijke lichamen levendig maken door ZIJNEN GEEST<br />

DIE IN U WOONT. Ook fpreekt de H. S. van de<br />

itemme eener bazuine, waar door de dooden zullen<br />

opgewekt worden, 1 Cor. 15: 52. 1 Theff. \: 16.<br />

798. ^ J. Wie zullen er worden opgewekt?<br />

L f<br />

Niet alle menfchen: men moet hier van uitzonderen<br />

Enocli" Elias en wie al meer reeds met ziel<br />

en lichaam in den hemel zijn; ook zullen bij de opftanding<br />

nog veele menfchen op aarde levende zijn<br />

overgebleven, 1 Cor. i$: 52. Maar men kan zeg-<br />

Hh 4 gen


480 Het feftiende Gefprek, over dén<br />

gen dat 't alle menfchen zullen zijn, die ooit geltorven<br />

zijn, van 't begin der waereld af tot dien tijd<br />

toe, niet alleen Godvrugtigen , maar ook onbekeerde<br />

en Godloze menfchen. Dit hebben oudtijds fomrr.ige<br />

Socinianen (ƒ-) ontkend, welke wilden dat dit<br />

geluk flegts den gelovigen zou te beurt vallen, daar<br />

integendeel de Godlozen nooit zouden verrijzen.<br />

Wij bewijzen ons gevoelen uit de H. S. Job. 5:<br />

28, 29. De uure komt, in welke alle die in de graven<br />

zijn, zijne flemme zullen hoor en, en zullen uit'<br />

gaan, die 't goede gedaan hebben tot de opftanding<br />

des levens; en die 't kwade gedaan hebben tot de opftanding<br />

der verdoemenis. Hand. 24 15, wordt gezegt<br />

dat er eene opftanding der dooden wezen zal,<br />

beide der regtvaardigen en onregtvaai digen. Zie<br />

ook Openb. 20: 13 en andere plaatzen. Ook blijkt<br />

de algemeene opftanding uit 't algemeen oordeel a<br />

Cor. 5; 10. Hebr. 9; 27.<br />

799.) J. Er zijn tog plaatzen, zo ik meen in de<br />

R S. waar in van de Godlozen gezegt wordt, dat<br />

zij niet zullen optlaan.<br />

L. Du is waar, zo lezen wij van de ongeregtige<br />

(ƒ) Ik zeg zommige Socinianen-, dewijl zij allen dit niet<br />

ftellen b. v. CRELLIUS, VOLKELIUS, SCHLTNGTING, WISSO-<br />

VVATIUS cn .anderen, hebben eene opftanding zo wel van<br />

Godlozen tot eene eeuwige ftraf, als van regtvaardigen ten<br />

eeuwigen leven geitcld.


Staat des menfchen na dit leven. 481<br />

tige lieden Jez. 26: 14. Dood zijnde zullen zij<br />

niet weder leven; overleden zijnde zullen zij niet oppaan.<br />

Doch deze plaats handelt niet van de opftanding,<br />

waarvan wij hier fpreken, maar duidt aan,<br />

dat de heerfchappij, dwingiandij enz. van onregtvaardigen<br />

bepaald is binnen den korten omtrek van dit<br />

leven; en dus als zij dood zijn, niet tot dit tijdelijk<br />

en aardtch leven zullen wederkeeren, om als voren<br />

geweld te oeftenen.<br />

800.) J. Ja {mar Dan. 12:3. lees ik dat flegts VEE­<br />

LEN van die, welke in 't ft of der aarde flapeu, zullen<br />

ontwaken. Dus zullen niet alle geftorvene opftaan.<br />

L. Het Hebreeuwfch woord door veelen<br />

overgezet, duidt niet altoos aan een gedeelte van een<br />

geheel, maar dikwijls wordt *t gebruikt om iets dat<br />

een groote menigte is, te kennen te geven, men zie<br />

Gen. 21: 34. Num. 10: 11, 15. Doch behalven<br />

dat, wordt er in 't vervolg van dit vers zo wel van<br />

Godlozen ah Godvrugtigen gefproken , dewijl er<br />

wordt bijgevoegd, deze ten eeuwigen leven, engce-<br />

11e tot verfmaadheden en eeuwige af grijzing. —<br />

80;.) J. Is er nog iets aantemerken?<br />

L. Ik kan dit nog aanmerken, dat 't altijd \ oogmerk<br />

der H. S. met is, om van de opftanding der<br />

Godlozen te fpreken, maar fomtijds enkel van die<br />

der regtvaerdigen, zie Luc. 14; 14. 1 Cor. 15. 't<br />

welk nogthans niets ter verzwakking van ons leer-<br />

Ha 5<br />

ftuk


4S2 Het fefl lende Gefprek, over den<br />

ftuk dient, alzo die waarheid op veele andera plaaïzen<br />

duidelijk voorkomt.<br />

802.) J. Hoedanig zullen de dooden worden opgewekt<br />

?<br />

L. Met dezelve lichaamen, wat r t wezen betreft,<br />

doch veranderd in hoedanigheden.<br />

Socinianen willen<br />

dat God geheel nieuwe lichaamen zal voortbrengen.<br />

Maar dit ftrijdt tegen de benaming van cpfianding<br />

(g\ 't verdiende dan eene Schepping re heeten.<br />

Ook ftrijdt zulks tegen de H, S. Job zegt duidelijk<br />

ik zal uit MIJN VL.EESCH God aanfchouwen:<br />

den welken m voor mij aanfchouwen zal en<br />

MIJNE oOGEN zien zullen, en niet een vreemde. Job<br />

19. 26, 27. Dan is de taal des Heilands ten eenemaal<br />

onverftaanbaar Joh. 5: 23, 29. dat, die in<br />

de graven zijn,<br />

zijne femme zullen hooren, en zullen<br />

uitgaan.<br />

Er kwam dan geen uitgaan uit de graven<br />

te pas. Zie ook Dan. 12: 2. Openb. 2c;<br />

13*<br />

8 o<br />

3 ) 3- Ik geloof zeer wel, dat God doorzijn<br />

almagt alle de ftofjes, hoe ver verftrooid bij elkander<br />

kan vergaderen.<br />

Maar ik kan niet ge'oven dat<br />

God iets doen kan, 't geen tegenftrijdig is.<br />

L. Is er dan in de opftanding der dooden tegenftrijdigheid<br />

?<br />

804.)<br />

(gj Zij nemen 't woord opftanding oneigenlijk.


Staat des menfchen na dit leven. 483<br />

804. ) J. In 't gemeen kan ik dit niet zeggen,<br />

maat 't fchijnt mij toe van bijzondere perföonen.<br />

Men leeft in den Bijbel, hoe men in een.zwaarehongernood<br />

menfchen heeft gegeten, 2 Kon. 6: 29. Dit<br />

vleelch nu heeft tot voedzel geftrekt en is ten deele<br />

overgaan tot de lichaamen der geenen, die er van<br />

gebruikt hebben. Hier uit nu volgt , dunkt mij,<br />

duidelijk, dat 't een tegenftrijdigheid is, dat elk met<br />

zijn eigen lichaam zal worden opgewekt.<br />

L. Gij hebt een verkeerd denkbeeld van de gefteldheid<br />

der opftanding. Wij zeggen niet , noch<br />

de H. S. leert zulks niet, dat de menfeh met alle<br />

deszelfs toevallige hoedanigheden zal worden opgewekt.<br />

Indien wij dit zeiden, zou er niet alleen die<br />

tegenftrijdigheid , maar ook nog andere ongerijmt.<br />

heden uit voortvloeijen. Neen, wij zeggen dat dezelve<br />

lichaamen der afgeftorvene zullen opgewekt<br />

worden wat 'c wezen betreft, maar niet met alle<br />

die toevallige en uitwendige hoedanigheden. Gij<br />

moet 't wezen van een zaak onderfcheiden van de<br />

toevalligheden.<br />

805. ) J. Dit begrijp ik niet klaar met toepisfing<br />

op de verrijzenis van de eigen lichaamen der menfchea.<br />

L. Ik zal U, dit duidelijk zoeken voor te ftellen.<br />

Toen gij eerft geboren wierd had gij toen niet uw<br />

eigen lichaam wat 't wezen betreft, 't geen gij nog<br />

hebt?<br />

806.)


484 Het fcfliende Gefprek, over den<br />

8o'5.) 7- J a 3 doch 't is nu ongelijk groote, zwtarder<br />

enz.<br />

Dit is wel zo, maar nogthans in't wezen hebt<br />

gij 't zelve lichaam.<br />

Dew'jl nu uw lichaam meer<br />

dan honderd pond zwaarder is dan bij de geboorte,<br />

zo volgt, dat er meer dan honderd pond vleefch,<br />

zappen enz. aan uw lichaam zijn, die niet tot deszelfs<br />

wezen behoren.<br />

Dit zal U niet min duidelijk<br />

voorkomen, als gij aanmerkt, dat uw vader,<br />

die een zeer zwaar en dik man is, voor eenige jaaren,<br />

door een groote ziekte, wel 80 cf 90 pond<br />

'ligter was geworden door vermagering, doch thans<br />

ru<strong>im</strong> zo vet en zwaar is als te voren. Uit al 'twelk gij<br />

'kunt opmaken, hoe veel er aan een menfeh gezien<br />

wordt, dat tot zijn wezen niet behoort.<br />

En dit is<br />

genoeg om de gewaande tegenftrijdigheid weg te nemen.<br />

807.) J. Maar hoe kan 't in wezen 't zelve lic<br />

ü2am zijn, daar de Zaligmaker zegt Luc. 20: 36".<br />

dat de gelovigen na de opftanding de Engelen zullen<br />

gelijk zijn.<br />

En Paulus leert 1 Cor. 6: 1-3. dat buik<br />

en f pijzen zullen te niet gedaan worden; gelijk hij<br />

ook Cap. 15: 44. zegt, een natuurlijk lichaam<br />

wordt er gezaaid, een geeficlijk lichaam wordt er<br />

opgewekt ?<br />

Li Wat de eerfte plaats betreft, de Zaligmaker bewijft<br />

aldaar de opftanding tegen de Sadduceën, die<br />

in een vooroordeel waren, dat indien men eene op-<br />

ftan-


Staat des menfchen na dit leven. 485<br />

{landing ftelde, daar uit zou voortvloeijen, dat men<br />

dan als voren in een gehuwden ftaat zou leven, en ieder<br />

man zijn eigen wjjf zou hebben: maar daar uit<br />

maken zij den Heiland eene zwarigheid, die zij tegenwerpen<br />

vs. 28-33. Jezus toont aan, dat dit<br />

hier namaals geen plaats zal hebben, en ook niet zal<br />

nodig zijn, dewijl zij niet zuilen fterven, en derhaiven<br />

't huwelijk, waar door 't menfchdom in ftand<br />

blijft, niyt nodig is. Zij zullen dan zijn als de Engelen,<br />

die niet fterven, enz. En de Apoftel<br />

Paulus wijlt aan, dat na dit leven, de menfeh geen<br />

fpijsen drank tot onderhoud zal nodig hebber., dat<br />

de gelovigen zulke lichamen zullen hebben, die geeftelijk<br />

kunnen genaamd worden, niet om dat zij onftoflijkzijn,<br />

maar om dat zij door den levendigmakeuden<br />

Geeft die in hun woont, als dan zullen onderhouden<br />

worden.<br />

808.) J. Gij zeide ook , dat de lichaamen der<br />

menfchen andere hoedanigheden zullen hebben, welke<br />

zullen die wezen?<br />

L. In 't algemeen kan men zeggen, dat zij onfteiffelijk<br />

zullen opgewekt worden. Doch in 't bijzonder<br />

zullen de lichamen der Godvrugtigen zeer<br />

heerlijk zijn, 'r lichaam van Chriftus in zekere mate<br />

gelijkformig 1 Joh. 3; 2. Wij zullen Hem gelijk wezen.<br />

Zie ook 1 Cor: 15: 42, 43. Bij tegenftet-<br />

Img mag men denken, dat de lichaamen der onbekeerden<br />

zeer onaanzienlijk ja affchuwelijk zullen zijn<br />

Dan.


486 Het fefiiende Gefprek, over den '<br />

Dan. 12,: 2. Zij zullen ontwaken — tot ver-<br />

.fmaadheden en eeuwige af grijzing.<br />

8OQ.) f . Wanneer zal die opftanding plaats hebben?<br />

L. Ten jongften dage, de tijd daar van gelijk ook<br />

van 't laatlh oordeel, dat daar op zal volgen, is ons<br />

onbekend, er moeten nog eenige dingen voorafgaan:<br />

Na de onderbrenging van den Antichrift 2 Thesf. 2:<br />

8. Openb. 18 en 19. is er nog eene voorrrefiijke<br />

kerkftaat op aarde te wagten volgens Openb. 20: 1 -<br />

6. vergelijk Hos. 3: 4, 5. Rom. n: 25-27. 2<br />

Cor. 3? 16. Na welken tijd er weder groote verdrukkingen<br />

, verleiding en zorgeloosheid zal plaats hebben,<br />

Openb. 20: 7-9. vergelijk Mat tb. 24: 37 —<br />

7,9. En dan zal de opllandir-g en 't oordeel alleronverwagft<br />

gtfehieden Openb. 20: 12, 13,<br />

8lo.) J. Ik hoorde onlangs iemand uit Openb. 201<br />

1-6. beweeren, dat de martelaaren, of zulken , die<br />

voor, den naam en zaak van Chriftus waren ter dood<br />

gebragt, duizend jaaren voor den jongften dag, zouden<br />

opftaan, wat dunkt U van dit gevoelen V<br />

L. Men behoeft maar weinig in 't boek der Open.<br />

bar in ge van JOHANNES gelezen te hebben, of men<br />

zal terftond zien, dat er zeer veele zinnebeelden in<br />

vooikomen, inzonderheid in de gezichten, met welke<br />

Johannes verwaardigd wierd. Deze nu kunnen,<br />

noch mogen zo letterlijk niet verklaard worden. Dewijl<br />

nu in geene andere plaatzen der H. i>. van zulk<br />

eene


Staaf des menfchen na dit leven. 487<br />

eene vroegers opftanding wordt melding gemaakt,<br />

maar veel eer 't tegendeel geleerd wordt, b. v. Joh.<br />

f5: 39, 40. zo kunnen wij dit gevoelen niet omhelzen.<br />

Wat nu die plaats uit Openb. 20: . 1-6. betreft,<br />

mijn bellek duit thans niet, om in de verklaaring<br />

daar van uit te wijen. Zie 't fraaije werk van<br />

BRAKEL Red. Godsdieufl ^de Deel p. 328-343.<br />

• 811 ) J. Wat zal er op de opftanding volgen?<br />

L. Het laatfle oordeel, wanneer alle menfchen , ja<br />

zelfs ook de duivelen zullen geoordeeld worden. En<br />

dewijl de tijd der opftanding, gelijk wij ftraks zagen,<br />

onbekend is, zoo is 't ook met den dag van 't jongde<br />

waereld gericht. Matth. 25: 13. Gij weet den<br />

üag niet, noch de uure, in welke de Zoon des men'<br />

fchen komen zal.<br />

812. ) J. Zullen ook de duivelen geoordeeld worden<br />

, ik dagt dat die hun ftraf reeds weg hadden ?<br />

L. Zi] zijn wel aanftonds na hun val aan ftraffen<br />

onderworpen geweeft, en zijn dus als bij voorraad<br />

veroordeeld, gelijk't ook met den menfeh plaats<br />

heeft aanftonds na den dood. Doch hun flotvonnis<br />

ofgrooifte ftraf zal eerft volgen in den jongften dag,<br />

dit kan men opmaken uit 2 Petr. 2: 4. Juda vs.6.<br />

813. ) J. Is 't volkomen zeker, dat er zulk eert<br />

oordeel zal gehouden worden ?<br />

L. Dit' is allerzekerft. De gezonde rede, en<br />

de H. S. beiden pleiten daar voor. De rede leert<br />

ons, dat God hoogft regtvaardig is, en dus 't goede<br />

be-


488 Het fcfiiende Gefprek, over den<br />

beloonen moer en \ kwade ftraifen. Dewijl wij nu<br />

altoos in dit leven niet zien, dat 't den deugdzamen<br />

en Godzaligen welgaat, en dat kwaaddoeners geftrafr<br />

worden, zo volgt, dat hier namaals een oordeel zal<br />

gehouden worden, waar in een iegelijk zal vergolden<br />

worden naar zijn werk. . Ook leert zulks de<br />

H. S. 2 Cor. 5; 1 o. Wij allen moeten geopenbaard<br />

warden voor den Regt er poel van Chrifius, op dat<br />

een iegelijk wegdrage, 't geen door 't lichaam gefchiedt,<br />

na dat hij gedaan heeft, 't zij goed, 't zij<br />

kwaad. Hand. 17: 31. Daarom , dat Hij eenen<br />

dag gefield beeft, op wellen Hij den aardbodem regtvaar.dig<br />

zal oordeelen , door eenen man, dien Hij<br />

daar toe geordineerd heeft, verzeKeringe daar van<br />

doende aan allen, dezvijl Hij Hem uit den dooden opgewekt<br />

beeft.<br />

814.) J. Waarom zal juift Chriftus daar de Retrter<br />

zijn?<br />

L. Het behoort tot zijne Middelaars bediening;<br />

de Vader heeft Hem daartoe regt en magt gegeven<br />

Joh. 5: 22. iiij is als God alwetend, en als menlch<br />

kan Hij zichtbaar verfchijnen, dus heeft Jezus Chri-<br />

{lus de juifte eigentchappen van een algemeen Regter.<br />

Daar en boven zal zijne heerlijkheid, heerfchappij<br />

en magt, die Hij reeds nu bezit aan 's Vaders<br />

regtehand, doch door zijne vijanden niet erkend is,<br />

Juifternjk voor 't oog der ganfche waereld uitblinken<br />

Matth. 25; 31. Wanneer ae Zoone des menfchen


Staat des menfchen na dit leven. 489<br />

fchen komen zal in zijne heerlijkheid', en alle de hei'<br />

lige Engelen met Hem. dan zal Hij zitten op den<br />

throon zijner heerlijkheid. Eindelijk, zal zulks dienen<br />

tot grooten trooft der Godvrugtigen, welke hua<br />

verlosfer tot een' regter verwagten 'Job. 19: 25.<br />

815.) J. Waar zal de plaats zijn, daar 't oordeel<br />

zal gehouden worden ?<br />

L. Met opzichr tot den Zaligmaker als Regter zal<br />

't gehouden worden in de wolke des Hemels. Hand.<br />

U 11. 1 Thesf. 4: 17. en andere plaatzen. Enten<br />

aanzien van hun die geoordeeld zullen worden, zal<br />

't de aarde zijn. Sommige onder de Jooden en<br />

Roomfchgezinden hebben in 't bijzonder gedagt aan<br />

'/ dal Jozaphats, waar van gewag gemaakt wordt<br />

Joel 3: 2 en 12. Doch geheel verkeerd, want daar<br />

wordt niet van 't algemeen en laatfte oordeel, maar<br />

van eene bijzondere gerichtshandeling, dii God met<br />

de vijanden der kerk zou houden, gefproken; zeer<br />

waarfchijnlijk moet men aan de geheele aarde, en<br />

niet aan een bijzonder deel denken, zo dat Jezus dan<br />

eens hier dan eens elders zig in de wolke boven de<br />

aarde zig vertopnen zal. En hier voor zijn deze redenen.<br />

1) De opftanding zal op de ganfche aarde gefchieden,<br />

dewijl over al menfchen geftorven zijn. 2)<br />

Er zal zuik eene verbazende menigte menfchen zijn,<br />

dat dit niet gevoegelijk in een gedeelte van deze onze<br />

aarde fchijnt ie kunnen gefchieden. 3) Als de Zaligmaker<br />

op een en dezelve plaats in de wolke bleef,<br />

11de DEEL. J i zou


4.9c Het fefiiende Gefprek -, over den<br />

zou Hij maar voor een zeer klein getal van de opgewekte<br />

menfchen en alle die geoordeeld moeten worden,<br />

zichtbaar zijn.<br />

816. ) J. Ik heb hier eene bedenking. Ik lees van<br />

een dag des oordeels Hand. 17: 31. Hoe kan dit<br />

in e'én dag gefchieden, mij dunkt 't zal een zeer lan •<br />

gen tijd, wegens de menigte van menfchen moeten<br />

du uren ?<br />

L. Het woord dag wordt zomtijds genomen voor<br />

zekeren tijd. Het is als of er ftond God heeft EEN<br />

TIJD gefield, enz. of dus er zal een dag komen, die<br />

God gefield heeft, op welken dit oordeel zal beginnen.<br />

Evenwel behoeft men niet te denken, dat 't<br />

zo heel lang duuren zal, indien men in aanmerking<br />

neemt de alwetendheid des Regters, en 't ontwaakt<br />

geweeten van den menfeh.<br />

817. ) J. Wat zal er in dat oordeel plaats hebben?<br />

L. Er zullen inzonderheid deze vier dingen plaats<br />

hebben. 1) Eene Regterhjke dagvaardiging. 2)<br />

Een Regterlijk onderzoek. 3) Eene Regterlijke uitlpraak<br />

van 't vonnis. 4) Eene uitvoering van 't zelve<br />

vonnis.<br />

a.) Eene Regterlijke dagvaarding Matth. 25/<br />

32, 33- Foor Hem zullen alle volken vergaderd<br />

woeden en Hij zal de fchapen (dit zijn de Godvrugtigen)<br />

tot zijne Regtehand zetten; maar de bokken,<br />

(dit zijn de onbekeerden) tot zijn ftinkeband.<br />

b.) Een


Staat des menfchen na dit leven. 491<br />

b. ) Een Regterlijk onderzoek aangaande alle des<br />

menfchen verrigtingen Pred. 12: 14. God zal ieders<br />

Merk in 't gerichte brengen met al dat verborgen is,<br />

't zij goed, of't zij kwaad. Eu aangaande<br />

dit onderzoek fpreekt de H. S. van boeken, dat wij<br />

niet eigenlijk maar zinnebeeldig moeten verflaan,<br />

b. v. 't boek van Gods alwetendheid , van Gods<br />

woord Cji) en 's menfchen confeientie, enz. Dan.<br />

7: 10. Openb. ao: 12.<br />

c. ) Eene uitfpraak van 't vonnis door den Rigter,<br />

eerft tot de regtvaardigen , die aan zijn Regter.<br />

hand {taan dan tot de onregtvaardigen, die aan zijn<br />

flinkehand zijn De eerftgemelde zal Chriftus<br />

die bhjde uitfpraak doen horen: Komt gij gezegende<br />

mijns baders en beërft 't koningrijk, aat u bereid is<br />

Van de grondlegging der waereld Matth. 25: 34.<br />

. De onregtvaardigen daar en tegen zal die allerdroevigfte<br />

Sententie in de ooren klinken: Gaat<br />

weg van mij gij vervloekten in 't eeuwige vuur,<br />

dat<br />

Qi) Het geopenbaarde woord van God komt meermalen<br />

voor onder de benaming van wet; deze wet nu hebben alle<br />

menfchen niet gehad, veele hebben geleefd zonder zulk eene<br />

Godlijke openbaring, deze dan zullen geoordeeld wor.<br />

den naar de ingefchapen natuur wet. Men kan dat opm«,<br />

ken uit Ram. 2: it,<br />

li %


492 Het fejl rende Gefprek, over den<br />

dat den Duivel en zijn Engelen bereid is, Maith.<br />

25: 41.<br />

d.) Eindelijk zal hier op volgen de uitvoering<br />

van 't vonnis heerlijk voor de gelovigen, rampzalig<br />

voor onbekeerden.<br />

818.) J. Welke ftraffen zullen dan den onbekeerden<br />

overkomen?<br />

L. Zij zullen verdoken zijn van alle genoegens,<br />

die zij hier op aarde hadden, en in de ondervinding<br />

van Gods vreeflijken toorn verkeeren. Zie de gelijkenis<br />

Luc. 16: 23-31. En t geen de verdoemenis<br />

verzwaren zal is de akelige plaats de Hel; 't<br />

rampzalig gezelfchap de Duivelen en alle Godlozen ;<br />

de tijd, die zonder einde zijn zal. Matth. 25.- 46".<br />

Deze zullen gaan in de eeuwige f ijne. Zie ook<br />

Mare. 9: 44.<br />

!: 819.) J. Zal de verdoemenis niet maar een vernietiging<br />

zijn van de Godlozen, of meter tijd eindigen<br />

?<br />

L. Neen, 't zal een draffe van gevoel zijn, zonder<br />

einde. (*)<br />

a.) Dat<br />

(*) Verfcheidon zo vroegere als latere dwaalgecften hebben<br />

de altoosduurendheid der helfche ftraf Ontkend. Onder<br />

de latere is te tellen ESERHARD Lutherfch predikant te<br />

B-.riijn, die voor eenige weinige jaaren in zijne Apologie voor<br />

Socrates dit leerftuk benevens andere, als de leere der vcrzoe*


Sttiaï des menfchen na dit leven. 493<br />

a. ) Da: 't eeuwig verderf, zo als de ftraf ;der<br />

verdoemden genaamd wordt 2 Toeft'. 1: 9. in geen<br />

vernietiging van den menfeh beftaan zal, blijkt onder<br />

anderen daar uit. ;) Om dat er dan geen trappen<br />

in de verdoemenis zouden zijn. Doch de Zaligmaker<br />

leert allerdui de! ij kil dat de een zwaarder<br />

ftraf zal ontvangen dan den anderen Matth. rir<br />

21—24. Luc, 12: 47, 43. 2) Dan kon de Zaligmaker<br />

aangaande Judas niet gezegd hebben Matth.<br />

2.6: 24. Wee dien menfehe, door welken de Zoon des<br />

menfchen verraden wordt, 't ware hem goed, zo die<br />

menfche niet gebot en ware geweeft.<br />

b. ) Dat de verdoemenis nooit eindigen zal,<br />

blijkt klaar, behalven uit de texten zo even aangehaald<br />

Matth. 25: 46. Mare. 9; 44. nog uit andere<br />

fchriftplaatzen als, Dan. 12: -2. Matth. 18: 8.<br />

2, Thesf. i: 9. en andere. Daar en boven wordt de<br />

eeuwige verdoemenis der Godlozen tegen 't eeuwige<br />

leven der Godvruchtigen overgefteld; zo zeker nu 't<br />

laatfte niet zal eindigen, zo ook niet 't eerfte, zie<br />

Matth. 25: 46. 'Joh. 3: 30. En ons ifte Déefipag.<br />

283, a8 4<br />

.<br />

820.)<br />

zoening, erfzonde, Godlijke genadewerkingen, gclochend<br />

heeft. Doeh dit hoek is door verfchciden Godgeleerden<br />

zo van onze kerk als die der Lutheranen weder'egt. 1<br />

ü 3


494 Het fèfliénde Gefprek, over den<br />

820.) J. Het woord eeuwig wordt in deH, S. altoos<br />

zo volftrekt niet genomen, 't drukt zelis zomtijds<br />

maar een korten tijd uit, b. v. 1 Sam. 1: 22.<br />

L. Dit is zo, maar 't is genoeg, dat dit woord,<br />

als 't van den toekomenden tijd gebruikt wordt ahijd<br />

aanduidt eene voortduring, zo lang als er met mogelijkheid<br />

in een onderwerp van dien aart, waar van<br />

gefproken wordt , kan plaats hebben, b. v. Wij<br />

fpréleken van eene eeuwige gevangenis, waarmede forr><br />

Uiige perfonen door den waereldlijken Regter worden<br />

geftraft. Dat deze ftraf fomtijds maar eenige<br />

weinige dagen duurt , om dat de veroordeelde<br />

fterft, is geen rede dat wij door 't woord eeuwigheid,<br />

als wij 't zelve gebruiken, flegts eenige weinige<br />

dagen verftaan, want dai de eeuwigheid dier<br />

gevangenis niet altoos duurend was , komt niet,<br />

uit kragt van 't woord eeuwigheid, met hoedanig eene<br />

gevangenis de misdadige gedreigd en tot welke hij<br />

veroordeeld was; maar 't fpruit voort uit de verandering<br />

welke in 't onderwerp voorviel, namelijk de<br />

dood van den perfoon (J). Men kan dus uit 't woord<br />

eeu-<br />

(ij Exai. 21: 6. wil eeuwiglijk dienen niet zeggen een dienen<br />

tot'( Jubeljaar: waar een dienen zonder einde, of voor<br />

altoos, indien men door den dood als anderzins daar niet<br />

in belet wierd. J-ïet Jubeljaar was toen nog niet ingefteld.<br />

Daar en boven kan men aanmerken, dat uit Lev. 25: 40.<br />

blijkt


Staat des menfchen na dit leven. 495<br />

eeuwigheid, 't welk inde II. S. (omtijds voor een<br />

korten tijd genomen wordt, niet tegen ons gevoelen<br />

redeneeren, ten zij men eerft op zekere gronden uit<br />

de H. S. bewezen hebbe, dar. de menfchen, die in<br />

de verdoemenis komen, zulk een verandering-zullen<br />

ondergaan, waar door hunne ftraf noodzaakiijk moet<br />

ophouden, en dit kan onmogelijk gefchieden.<br />

821.) J. PETRUS fpreekt evenwel van eene wederopregting<br />

aller dingen, Hand. 5: 21.<br />

Zr. De Apoftel kan daar onmogelijk bedoelen eene<br />

herftelling der verdoemden , want hij mek van<br />

zulk eene wedéropregting aller dingen, die God ge-<br />

/proken heeft door den mond aller zijner heilige pro*<br />

pbetten. En de propheeten hebben nergens van zodanige<br />

eene herttelling aller dingen gewag gemaakt.<br />

Men moet hier dan denken, of met lommige op die<br />

dingen die terftond na 't laatfte oordeel betrekkelijk<br />

onze aarde zullen voorvallen, waar van die zelve A-<br />

poftel fpreekt 2 Petr. 3: 13. Of met andere aan de<br />

herftelling van al die dingen, die tot heil der Joden<br />

in de laatfte tijden gebeuren zullen 'jez. 59: 20. vergo-<br />

blijkt dat men een Ifraë.itifche knegt, indien hij zulks bewilligde,<br />

mogt laten dienen tot 't Jubeljaar; maar uit't4óve-s<br />

blijkt dat Ifraël een heiderfche flaai mogt doen dieren tot<br />

in eeuwigheid Waar, uit liaarüjk 'c onderfcheid dier üéiae<br />

fprcekwijzen is op te maken.<br />

ii<br />

4


+9 6 Het fefliende Gefprek, over den<br />

geleken Rom. n: 26. Dit laitfte komt bijzonder<br />

wel met 'c verband overeen, vooral 't 19 vers. Hij<br />

fpreekt tot de Joden en zegt Betert u dan en bekeert<br />

U, op dat uive zonden mogen irJgewifcht worden,<br />

wanneer of liever op dat de tijden der verkoelinge<br />

komen enz. Het Griekfche woord \«v»^v^f) door<br />

verkoeling of verademing Exod. 8: 15. en 't zelve<br />

werkwoord wordt door de onzen 2 T<strong>im</strong>. 1: f.6. door<br />

verkwikken vertolkt.<br />

8.42.) J- Wat zal den Godvrugtigen na dit algemeen<br />

oordeel te beurt vallen ?<br />

L. Deze zullen naar 1 Thesf. 4: 17. opgenomen<br />

Worden in de wolken den Heere te gemoet in de lucht,<br />

en alzo zullen zij altijd met den Heere wezen. Zij<br />

zullen genieten verzadiging van vreugde voor Gods<br />

aangezicht , lieflijkheden aan Gods regtehand enz.<br />

Pf. 16: u. Deze zaligheid zal voornamelijk beftaan<br />

in eene voor ons nog onbegrijpelijke kennis en befchouwing<br />

van God en zijne werken, in eene alles<br />

overtreffende gemeenfehap met God, en in eene ziel<br />

verkwikkende verluftiging in God. En 't geen deze<br />

zaligheid vermeerderen zal, is, de heerlijke plaats de<br />

Hemel, 't aangenaam gezelfchap van heilige Engelen<br />

en gelukzalige menfchen, inzonderheid van den beminlijken<br />

Heer Jezus; en de tijd die nooit eindigen<br />

zal, Matth. 25: 46. De regtvaardige zullen gaan<br />

in 't eeuwige leven.<br />

823O


Staat des menfchen na dit leven. 497<br />

323.) J. Hoe zal 't dan met deze onze aarde gaan,<br />

zal cie vernietigd worden ?<br />

L. Deze onze aarde zal niet vernietigd, maar vernieuwd<br />

en gezuiverd worden, waarna zij voor't oog<br />

der gelovigen zig alterheerhjkft zal vertoonen. Dit<br />

leere Petrus 1 Br. Cap, 3: 12, 13. verwagtende en<br />

haafïende tot de toekomfie van den dag Gods, in zvel'<br />

ken de hemelen door vuur ontfleken zijnde zullen vergaan,<br />

en de elementen brandende zullen verfmelten.<br />

Maar wij verwagten na zijne beloften nieuwe hemelen<br />

en eene nieuwe aarde , in de welke geregtigheid<br />

woont.<br />

824) J. Ik verwonder mij zeer, dat de Apoftel<br />

niet flegts van de aarde maar ook van dc hemelen<br />

fpreekt, zullen die 't zelfde lot met de aarde ondergaan?<br />

L. Wij moeten door 't woord hemelen hier niet<br />

denken aan den hemel daar God zijn throon en heerlijkheid<br />

heeft, noch ook dien wij gewoon zijn den<br />

fterren hemel te noemen. Wij moeten hier denken<br />

aan den luchthemel, waar in de wolken drijven,- de<br />

vogelen vliegen, enz. Dit blijkt daar uit, om dat<br />

Petrus dezelve vs. 7. noemt hemelen die nu zijn,<br />

integendeel van die, welke voor den zondvloed waren<br />

en vergaan zijn , zie vs. 5, 6. Nu is bij den<br />

zondvloed niet de fterrenhemel of de hemel van<br />

Gods throon vergaan, maar 'c is de lucht hemel<br />

D 5-<br />

ge-


498 Het feftïende Gefprek, over den<br />

geweeft (£)• Deze luchthemel komt meermaalen<br />

voor in 't mcervouwdige getal b. v. 'Job 35: u. vo.<br />

gelen des hemels, in 't Hebreeuwfch der hemelen. —.<br />

Dien hemel nu bedoelt de Apoftel, en hier voegt hij<br />

bij de elementen, de hoofdftotfen, waar uit de aarde<br />

is faamgefteld, deze zullen door vuur ontfteken zijnde<br />

vergaan enz. met alle de werken die daar op zijn,<br />

Zie 't 10 vers.<br />

825. ) J. Moeten wij hier aan eigenlijk vuur denken<br />

of aan vuur in een zinnebeeldigen zin ?<br />

L. Het is zeker dat meermalen't woord vuur inde<br />

H. S. wel eens in een zinnebeeldigen zin voorkomt.<br />

Maar wat rede om't hier oneigenlijk te nemen? En<br />

wat zullen wij er gevoegelijk door verftaan? Liever<br />

denken wij aan eigenlijk vuur, alzo de Apoftel<br />

't overftek tegen eigenlijk water, zie vers 6 en y.<br />

Het is den Natuurkundigen bekend, Hoe lucht<br />

en aarde vervuld zijn met veele wuu,dealen, die God<br />

ais middelen daar toe gebruiken kan.<br />

826. ) J. Uit de woorden van Petrus fchijnt mij<br />

te blijken, dat de hemelen en aarde door 't vuur<br />

Ziftte)<br />

Het woord vergaan is hier geen vernietiging, gelijk<br />

uit 'c vervolg nader zal blijken; 't duidt flegts aan, dat alle'<br />

de waterdeeltjes, ook die voor ons oog onzichtbaar zijn<br />

en in onzen Dampkring gevonden worden, tot water zij»<br />

verdikt en in regen op de aarde zijn Rcargevallen.


Staat des menfchen na dit leven. 499<br />

zullen verbranden of vernietigd worden, waar op God<br />

wederom nieuwe fcheppeo zal.<br />

L. Wij kunnen bier aan geen vernietiging van onzen<br />

hemel en aarde denken 1) Omdat door verbranding<br />

niets vernietigd , maar wel ontbonden wordr.<br />

2) Petius gebruikt 't wuord fmelten, ontleend van<br />

metalen , die men door vuur ter zuivering doet fmelten.<br />

3) Schoon de Apoftel bij 't verbranden 't woord<br />

vergéan voegt, moeten wij evenwel geen vernietiging<br />

daar door verftaan, want Petrus'gebruikt ook dat<br />

woord aangaande den ondergang der eerlle waereld<br />

v t m<br />

6.<br />

Dus moeten wij ook door nieuwe hemelen<br />

en nieuwe aarde verftaac een hemel en aarde<br />

die vernieuwd, dat is die gezuiverd is. Het woord<br />

nieuw word in dien zin dikwijls in de H. S. genomen,<br />

zlsEzecb. 36: 26. Eph. 4: 24. Col. 3: 10<br />

en andere plaatzen. Hier bij komt '1 geen wij vinden,<br />

Pf. 102: 26, 27. Gij hebt voorma als de aar*<br />

de gegrond, en de hemelen zijn 't werk uwer handen<br />

, die zullen vergaan, maar gij zult ftaande blijven<br />

: en zij allen zullen als een kleed verouden, gij<br />

zult ze, veranderen als een gewaad, en zij zullen<br />

veranderd zijn.<br />

827.) J. Maar ik verwonder mij nogthans , dat<br />

Perrus zegt, dat de gelovigen naar dien dag wagtende<br />

en haaflende moeften zijn , daar 't dunkt<br />

mij een alleryerfcbriklijkfte dag moet wezen , in<br />

welken de hemelen door vuur óntftoken zullen<br />

ver-


500 Het fejliende Gefprek, over den<br />

zullen vergaan , en de elementen brandende zullen<br />

verfmelten.<br />

Z. Die dag zal voor de waare gelovigen in 't minlr.<br />

niet verfchriklijk zijn, in tegendeel hebben zij rede<br />

om dien dag blijdelijk in te wagten, en daar na te<br />

haaften of met verlangen dien te gemoet te zien. En<br />

wel om deze twee redenen.<br />

a) Zij kan tot geen verfchrikking dienen, om<br />

dat de ontfloping der waereld, de verbranding van die<br />

hemelen en de aarde, niet voor 't laatfte oordeel zal<br />

gaan, gelijk fommige verkeerdelijk gedagt hebben,<br />

maar't zelve zal volgen, gelijk men kan opmaken<br />

daar uit, dat alle menfchen bij de voleinding der waereld<br />

en 't oordeel niet zullen geftorven zijn, maar<br />

fommige nog levendig zijn overgebleven i Cor. 1.5:<br />

51, 52. Om dat bij 't oordeel de doden uit de graven<br />

zullen opftaan. Van al 't welk wij geen begrip<br />

kunnen maken, indien wij die verbranding der aarde<br />

(<br />

voor 't oordeel ftellen. Zal zij dan na 't gehouden<br />

oordeel plaats hebben, zo volgt, dat de gelovigen<br />

die verbranding niet zullen bijwonen. Zie 1 Thesf.<br />

4: 17. Itraks aangehaald. •'<br />

b. Zij moeten daar na heilbegeerig uitzien, om<br />

dat dit ftrekken zal tot bevordering van hun wezenlijk<br />

geluk, want dus vervolgt de Apoftel vs. 13.<br />

wij verwagten naar zijne beloften nieuwe hemelen,<br />

en eene nieuwe aarde in welke geregtigheid woont.<br />

Denk


Staat des menfchen na dit leven. 501<br />

Eenk hier aan eene merkelijke verandering, zo in 't<br />

natuurlijke als zedelijke.<br />

al) In 't natuurlijke nieuwe hemelen en eene<br />

nieuzve aarde . Een vernieuwd luchtgewelf, gezuiverd<br />

van dit verderf, waar aan 't om der zonden<br />

wil te voren onderworpen was: Geen kwade en befmettende<br />

dampen, geen verfchriklijkedonderflagen,<br />

geen vernielende biixemftralen , geen venvoeftende<br />

ftormen zullen meer belpeurd worden. — Een vernieuwd<br />

aardrijk heerlijk opgecierd met veele fchoonheden,<br />

niet minder voortreflijk ja waarfchijnlijk nog<br />

ongelijk meer verluftigend, dan't Paradijs voor onze<br />

eerfte ouders: Geen krankheden noch pijnen, geen<br />

droei'fenisfe noch geween zal aldaar plaats hebben.<br />

Geen <strong>im</strong>vooner zal zeggen, ik ben ziek, Jez. 33:<br />

24. God zal alle traanen van de oogen afwisfen<br />

Openb. 21: 4.<br />

b.) In 't zedelijke, een vernieuwde hemel en<br />

aarde in welke geregtigheid woont. Niets dan enkele<br />

billijkheid zal daar in gevonden worden: al wat<br />

betamenli k is, al wat eerlijk is, al wat welluidt.<br />

Trouwens de gelovigen zijn nu meer dan ooit voorheen<br />

met 't beeld van hunnen maker vercierd, 't welk<br />

zig in eene regre kennis, een geheiligden wil en alle<br />

hunne werkzaamheden zichtbaar vertoonen zal —<br />

Hun verftand zal onbeneveld zijn , in ftaat om regt<br />

te kennen, te oordeelen en te redeneeren. Hier ziet<br />

een gelovige als door een fpiegel in eene duiftere<br />

rede


502 Het fefllende Gefprek. over den<br />

rede, daar zullen zij zien aangezicht aan aangezicht.<br />

Hier kennen zij flegts een klein gedeelte van de werken<br />

Gods, en niet zelden ftaat hun ver ftand ftil voor<br />

zaken, waarin zij niet kunnen doordenken, maar daar<br />

zullen zij volkomen kennen, hoe langs hoe meer de<br />

veelvuldige werken Gods befchouwen en dus lleeds<br />

in kennis toenemen. —— Een geheiligde wil zal<br />

in derzelver bewooners gevonden worden; geen oorlogen<br />

of twiften, geen afgunft of nijdigheid, geen<br />

hoogmoed of trotsheid; maar vrede, liefde en redrigheid<br />

zullen in hunne harten huisveften, en van<br />

hunne aangezichten afftralen. In alle de werkzaamheden<br />

zullen zij dit Godlijk deugden beeld ver.»<br />

toonen. —— Het zal een nieuwe hemel en aarde<br />

zijn, in welke geregtigheid woont. (/)<br />

828.) J. Ik heb nog twee vragen te doen, voor.<br />

eerft, Petrus fpreekt van eene belofte, waar is dat beloofd?<br />

L. Wij vinden beloften dat de gelovigen 't aardrijk<br />

zullen beërven, b. v. Pf. 37; li. Matth. 5:<br />

5. 't geen niet dan in een Hauwen zin op dit leven,<br />

maar<br />

(i) Het zou der mocijte dubbelwaardig zijn, in dat ftuk<br />

(voor zo ver 't woord van God ons aanleiding geeft) wat<br />

uit te wijen. De lezer die daar na begeerig is, make gebruik<br />

van de voortreflijke Leerrede van Prof. G: BONNET<br />

mijnen Hooggeachten Lecrmeefter, in 't "ide deel der ver-<br />

%ameling van Leerredenen Pag. 378. enz.


Siaat des menfchen na dit leven. 503<br />

maar in volle kragt op 't toekomend leven kan worden<br />

toegepaft. Doch inzonderheid ziet de Apodtl<br />

op Jez. 65: 17. Ziet ik Jcheppe nieuwe hemelen en<br />

eene nieuwe- aarde.<br />

829. ) J. Mijne twede bedenking is, wat zal dit<br />

alles nodig zijn, de H. S. leert <strong>im</strong>mers op veele<br />

plaatzen, dat de gelovigen zullen komen in dien hemel<br />

der heerlijkheid, daar Chridus thans is, wat zai<br />

dan deze aarde?<br />

L. Die hemel waar van gij fpreekt, welke de Bijbei<br />

ook wel den derden hemel, ook 't Paradijs Gods<br />

noemt, zal zeker de woonplaats zijn v«n de Godvrugtigen,<br />

maar dit neemt niet weg, dat zij ook de*<br />

ze aarde hebben zullen tot een' plaats van verludiging.<br />

Trouwens zij die tot in eeuwigheid de werken<br />

Gods zo in natuur als in genade zullen befchouwen,<br />

om God daar in groot te maken, hebben tot<br />

deze aarde eene bijzondere betrekking.<br />

830. ) J. Wat is er tot betragting uit te leerenV 1<br />

L. Wij kunnen uit de verhandelde waarheden ve*-<br />

Ie dingen opmerken.<br />

a.) Vooreerd kunnen wij opmerken, dat zodanige<br />

menfchen te bedraden zijn, die den dag des doods<br />

verre dellen, daar zij dagelijks zien of horen zeggen,<br />

dat er zo jonge als oude derven. Die in<br />

onkunde en zorgeloosheid voortleven, die de middelen<br />

der genade klein achten en verwaarlozen. .<br />

Die den tijd huneer bekeering tot op een dood bed<br />

uit


504 Het fefl lende Gefprek, over den<br />

uitftellen, daar zii niet weten, of zij wel een krankbed<br />

zullen hebben, en zo ja, of zij wel bij 't gebruik<br />

van hun verftand zullen zijn; en indien dit al<br />

plaats heeft, of God dan niet aan hun zal vervullen,<br />

die bedreiging welke men vindt Spr. I: 24-2». Dewijlik<br />

geroepen heb, en gij lieden geweigerd hebt,<br />

mijne handen uit ge ftrekt heb, en daar niemand'was,<br />

die opmerkte: en hebt alle mijnen raad verworpen;<br />

en mijne befhaffingen niet gewilt: Zo zal ik ook in<br />

ulieder verderf lachen, ik zal fpotten , wanneer uwe<br />

vreeze komt. Om nu met te fpreeken van zeer<br />

veelen, die in de uitlating vin veele Godloosheden<br />

hunne dagen hebben doorgebragt.<br />

b.) Treurepswaardige toeftand, rampzalig noodlot<br />

van onbekeerd fttrvencie zondaren. Ik ben niet<br />

in ftaat om U 't duizendlie gedeelte y»n de ellende<br />

en akeligheid van dien allerbeklaaghjkften jammer,<br />

ftaat voor ogen te ftellen, eerft na den dood met opzicht<br />

tot de ziel, dan vervolgens in en na 't oordeel<br />

naar ziel en lichaam beide. Hoe moet die taal van<br />

die wanhopende menigte niet zijn, bergen valt op<br />

ons, en heuvelen bedekt ons voor 't aangezichte des<br />

geenen die op den throon zit? .Welk een handen<br />

gewring zal er plaats hebben, als zij door den Godlijken<br />

Regter tot de hoogfte ftraf zig. veroordeeld vinden<br />

, en bemerken, dat de hemel voor altoos voor<br />

hun geflooten, doch de hel tot eene eeuwige ftrafplaats<br />

voor hun geopend is? Als dan zal er een groot<br />

\ doch.


Staat des Menfchen na dit leven. 505<br />

doch te laat berouw plaats hebben, dat men niet ge-<br />

Iuifterd heeft naar de ftemme Gods in zijn woord,<br />

of door de Leeraars of door andere tot hen gedaan.<br />

Dat zij de kloppingen in hunne confeientie verdoofd<br />

of verijdeld hebben, enz.<br />

c. ) Och! dat mijne medemenfehen wijs waren en<br />

op hun einde mogten letten, den tijd uitkopen, de.<br />

wijl de dagen boos zijn! . En dewijl 't oordeel<br />

naar 't ftipfte regt gefchieden zal, zo moet niemand<br />

iets tot een grond van hope ftellen buiten de geregtigheid<br />

van Chriftus. De werken der Godzaligen<br />

zullen in 't oordeel komen niet als verdien (tel ijk,<br />

maar als bewijzen van een opregt geloof in Hem.<br />

Matth. 25: 35-4°d.<br />

) Opregte Godvrugtigen moet de befchouwing<br />

van dit alles niet affchrikken maar tot tröoft ftrekken<br />

en aanfporen tot heiligmaking.<br />

1. ) 't leert hen wandelen in eene heilige zorgvuldigheid<br />

om niet tegen God te zondigen, die ailes<br />

ziet, die alles hoort, die alle dingen zal brengen<br />

in 't gerichte.<br />

2. ) 't moet hen in ootmoed en verwondering<br />

doen verkeeren, dat God zulk eene groote genade<br />

aan hun boven veele andere bewezen heeft, daar<br />

Chriftus in hunne plaats op aarde voor den reaterftoel<br />

geftaan heeft en veroordeeld is, op dat zij hier<br />

namaals zouden wordea vrijgefproken.<br />

3. ) Het leidt hen op tot waare dankbaarheid om<br />

Ilde DEEL. K k waar-


gotf<br />

Het fefttende Gefprek, over den<br />

waardig dien Heer te leven, die voor hun geftorven<br />

is.<br />

4.) Het verwekke in hun eene beftendige vreugd:<br />

in alle rampen, in alie verdrukkingen, kunnen zij<br />

met blijdfchap hunne hoofden opheffen en gedenken,<br />

dat hunne verlosfing nabij is.<br />

831.) J. Meermalen ben ik verwaardigd op goede<br />

gronden mijn aandeel aan Chriftus te'geloven;<br />

doch Éisfdïien zal mij dat duifter zijn op een dood<br />

bed, en dit bekommert mij wel eens.<br />

L. Schoon dit al plaats had , maakt zulks geen<br />

zwarigheid.<br />

God houdt naar zijn wijsheid een onderfcheiden<br />

weg met zijn volk. Zij die -t wel eens<br />

dikwijls hebben kunnen geloven in dit leven, raken<br />

wel eens in- aanvegtingen en duifterheid op een dood<br />

bed; daar in tegendeel in deze laatfte levensftond aan<br />

andere, die in donkerheid hunne dagen hebben moeten<br />

flijten, 't licht uit de duifternis opgaat. Doch hoe<br />

dit ook wezen moge, houd dit volgende tot moedgeving<br />

in uwe gedagten.<br />

a.) Dat niemand zal geoordeeld worden naar zijn<br />

laatfte levens ogenblik, 't zij hij dan duifter of licht<br />

•is, maar 't zal er op aan komen, of hij God opregt<br />

gediend en gevreeft heeft.<br />

God zal dan zijn ftok eu<br />

ftaf zijn, hem geleiden tot aan en over den dood.<br />

• Let op den vromen en ziet naar den opregt en, want<br />

't einde van dien man zal vrede zijn Pf. 37: 37.<br />

' b.) Eindelijk zalige veiwisfeling, hoe heugelijk<br />

zal


Staat des menfchen na dit leven. 507<br />

zal die laatfte overftap voor Gods volk zijn! Zijn<br />

zij hier in verdrietelijkheden geweeft? haaft is hunne<br />

ziel alle verdrukkingen en aanvegtingen te boven,<br />

omringd van veele duizende hemelingen, die over 't<br />

volbragte verlosfingswerk vrolijk zijn met een onuitfpreeklijke<br />

en hemelfche vreugde. Hij zal ingaan<br />

in vrede, zij zullen ruften op hunne ft aap ft eden, een<br />

iegelijk die in zijne opregttgheid gewandeld heeft,<br />

Jez. 57: 2. Met 't hoogfte regt mag men op 't graf<br />

eens Godvrugtigen Hellende woorden uit Openb. 14:<br />

13. ZALIG ZIJN DE DOODEN, DIE IN DEN HEERE<br />

STERVEN VAN NU AAN:<br />

JA ZEGT DE GEEST , OP<br />

DAT ZIJ RUSTEN MOGEN VAN HUNNEN ARBEID', EN<br />

HUNNE WERKEN VOLGEN MET HUN.<br />

Kk s<br />

KOR:


5*68<br />

I&QÏHTM<br />

V A N<br />

s c :BH JE T<br />

D E N<br />

BEIBEEB: KATECHISMUS ,<br />

BIJ WELKE WORDT AANGEWEZEN,<br />

HOE OOK DIT WERK TER VER-<br />

KLARING OF UITBREIDING<br />

VAN DENZELVEN KAN GE­<br />

BRUIKT WORDEN.<br />

De HEÏDELBERGSCHE KATECHISMUS word zeer<br />

gevoeglijk in twee voorname deelen afgedeeld.<br />

I. Eene opgave van's menfchen hoogde geluk, beftaande<br />

in 't eigendom aan Chriftus in leven en<br />

' dood: Bij wijze van eene inleiding tot de Chriftelijke<br />

leer voorgefteld. Zondag I. vrage i. Zie<br />

hier over dit werk 2 deel pag. 165, i6ë.<br />

II. De middelen tot verkrijging van dat hoogtt geluk<br />

vr. 2-129. Welke middelen zijn, kennis<br />

van eigen ellende, van verlosfing en van dankbaarheid.<br />

A. Van des menfchen ellende wordt gehandeld in<br />

den II, III en IV Zondag,<br />

a. Men moet zijn ellende kennen, zal men<br />

naar verlosfing uitzien. En deze ellende<br />

kent men uit de wet van God, wiens<br />

eilch men moet weten, en waar mede men<br />

zijn


Heidelbergfcben Kaïechi<strong>im</strong>us. 509<br />

II.A.<br />

a. zijn gedrag moet vergelijken. Zond. II. Zie<br />

deze mijne GESPREKKEN 2 D. p, ,^14. enz.<br />

b. De ellende van den menfeh wordt belchuuwd<br />

0. in haren eerften oorfprong. Zij is<br />

niet van God , want die heeft den<br />

menfeh regt gefchapen. Zond. 111.<br />

vr. 6. Zie mijne GESPREKKEN I D.<br />

p. '193 -224.<br />

s. maar uit den val onzer eerfte ouders.<br />

Zond. III. vr. 7. Zie GESI-R. I D.<br />

p. 223-255.<br />

b. in hare grootheid,<br />

-. Verdorvenheid, Zond. IIIJ vr. 3.<br />

Zond. IV. vr. 9. Zie DE GESPR. X<br />

D. p. 256-276.<br />

-* ftrafwaerdigheid. Zond. IV. vr. 10,<br />

li. Zie de GESPR. I. D. p. 276-294.<br />

B. V Mi's menjeben verlosfing, Zond V — XXXI.<br />

a. Het middel der verlosfing Zond. V en VL<br />

a. van voren befchouwd, vrag. 12-17. ^ e<br />

de GESPR. 2 D. p. -,6-.50.<br />

b. Van agteren befchouwd, vrag. 18, 19.<br />

waar in wordt aangewezen<br />

—. Wie de verlosfer is, vrag. 18. Zie de<br />

GESPR. 2 D. p. 51-70.<br />

. z. Waar uit die gezegende pericon gekend<br />

wordt, te weten 't Euangelie, vrag.<br />

Kk 3 19.


510 Korte Schets van den<br />

II.B.a.3. =.19. Zie de GESPR. 2 D.p. 11-50.<br />

b. Aan deze verlosfing krijgt niemand deel dan<br />

door een opregt geloof.<br />

~. dit wordt in 't algemeen geleerd Zond.<br />

VII. vr. 20.<br />

s. In 'E bijzonder handelt de Katechismus<br />

I.) Van de natuur van dat geloof. 2.)<br />

Tan 't Voorwerp van dit zaligmakend geloof.<br />

3.) Deszelfs nuttigheden. 4.) Den<br />

verheven oorlprong van dat geloof.<br />

/. Van den aart of de natuur van een opregt<br />

geloof. Zond. VII. vr. 21. Zie<br />

de GESPR. 2 D. p. 207-217. en 263<br />

enz.<br />

jj. Het voorwerp des zaligmakenden geloofs,<br />

*. Zo als dit in 't Euangelie voorkomt,<br />

en geleerd wordt in de 12 Artikelen<br />

des algemeenen en ongetwijfelden<br />

Chriftelijken Geloofs." vrage<br />

22* 23.<br />


Heidelb erg[ch en Katechismus. 511<br />

II. B. b. = ,//.*.§§. behandeld vr. 25. Zie de GESPR.<br />

1. D. p. 2-6. En p. 40-68.<br />

**. Dewijl dan ons geloof omtrent de<br />

drie Godlijke perföonen en derzelver<br />

werken verkeert, zo worden de 12<br />

Artikelen verklaard en uitgebreid.<br />

Zond. IX —XXII.<br />

Van God den Vader en onzeSchepping<br />

Zond. IX en X.<br />

Van<br />

f. Den oorfprong van 't geheel<br />

Al Gf de iS'ehepping vr. 26.<br />

Zi.e de GESPR. I D. p. na<br />

— 156.<br />

f\. De voortduuring der Schepzelen<br />

of de Voorzienigheid<br />

vrag 27. Zie de GESPR. r<br />

D. p. 157-180.<br />

... Van de nuttigheden, die er in 't<br />

Leerftuk der Schepping en<br />

, Voorzienigheid vooreen Chriften<br />

gelegen zijn. Vrage 28.<br />

Zie de GESPR. X D. p. 180<br />

— 102.<br />

§§. Van God den Zoon en onze verlosfing.<br />

Zond. XI-XIX. En<br />

daar in komt ons voor Deszelfs<br />

jNamen. en Ambten; zijn Natuu.<br />

Kk 4 ren


5 2-1 Korte Schets van den<br />

Il.B.b.-.//. •.*.§$. renen Scaaten .<br />

.. Deszelfs Namen<br />

f. JEZUS Zond. XI. Zie de GE­<br />

SPREKKEN 22).j!>. 86-0i. £/;<br />

pag.<br />

ÏII—1:4.<br />

ft. CHRISTUS. Bij welke gelegenheid<br />

van 's Heilands ambten<br />

wordt gefproken. Zond.<br />

XII. Zie de GESPR. 2<br />

91-110. En p. 114-119.<br />

... Deszelfs Natuuren,<br />

D.p.<br />

f. Zijn Godlijke natuur, Zond.<br />

XIII. Zie de GESPR. 1<br />

69-—75.<br />

D.p.<br />

t|. Zijn Menfchlijke natuur.<br />

Zond. XIV. Zie de GESPR.<br />

2 D. p 71—-76. En pag.<br />

125-—129.<br />

Deszelfs Staaten<br />

+. Van vernedering Zond. XV.<br />

én XVI. Zie de GESPREK­<br />

KEN 2 D.p. 120-166. En<br />

over de 42 vrage 1 D. p.<br />

27 8 en 279.<br />

ff. Van Verhoging , Zond.<br />

XVII-XIX. Zie de GE­<br />

SPR. 2 D.p. 169-194.<br />

S5S-- V a H God den H. Geeft en onze<br />

hei-


Heidelhergfchen Katechismus. 513<br />

II. B.b. =<br />

.//.•*.§£§• heiligmaking. '<br />

.. in'calgemeen, Zond.XX. Zie<br />

de GESPR. I D. p. 75 - 80.<br />

En 2 D. p. 2.36 - 360.<br />

... in 't bijzonder zo als Chriftus<br />

door dien Geeft zig een gemeente<br />

vergadert, genaamd<br />

eene heilige algemeene Chrifte~<br />

lijk'e kerk, die eene gemeenfehap<br />

der Heiligen oetTent.<br />

Zond. XXI. vr. 54 en 55.<br />

Zie de GESPR. 2 D.p. 223.<br />

- 257. En pag. 269-285.<br />

En pag. 487-496.<br />

De H. Geeft maakt deze kerk<br />

veele vveldaden deelagtig.<br />

f. In dit leven de vergeving<br />

der zonden, zijnde de<br />

hoofd weldaad, waarmede<br />

•andere gepaard gaar. Vrage<br />

56. Zie de GESPREK­<br />

KEN 2 D. 286 enz.-sJLii<br />

f* 330-333-<br />

]]. Na dit leven de opftan-,<br />

ding des vleeich en 't eeuwig<br />

leven. Zond. XXil.<br />

Zie de GESPREKKEN, 2<br />

D.p.475-487. En pag.<br />

Kk 5 496.


514 Korte Schets van ten<br />

II.B.b. =<br />

.//. •*.§§§ ff. A96enz.<br />

lil. De baat of nattigheid van dit geloof,<br />

zijnde de Regtvaerdiging. Zond.<br />

XXIII en XXIV. Zie de GESPR. 2<br />

D. p. 286-306.<br />

////. De verheven oorfprong van dit opregt<br />

Geloof is de H. Geelt.<br />

% Deze werkt 't geloof in 't harte door<br />

de verkondiging van 't H. Euangelie<br />

, ea fterkt 't zelve door 't ge-<br />

.. . bruik der Sacramenten. Zond. XXV<br />

vr. 65. Zie de GESPREK. 2 D. p.<br />

3°5 r 366.<br />

% Bij deze gelegenheid wordt van de<br />

Sacramenten gefproken.<br />

§. Van de Sacramenten in 't algemeen.<br />

Zond. XXV. vr. 66 -<br />

68. Waar in van den eigen aart<br />

of natuur der Sacramenten gefproken<br />

wordt, en 't getal van de<br />

Sacramenten des N. ïeftaments<br />

wordt opgegeven. Zie de GE­<br />

SPR. 2 D. p. 361 - 390.<br />

§§. In 't bijzonder van de Sacramenten<br />

des N. Teftaments,<br />

Doop en Avondmaal.<br />

•. Van den H. Doop , welke<br />

leer zuiver wordt voorgedragen<br />

,


Htidelbergfcben Katechismus. 515<br />

II.B.b.-.1111.**.§§.•• gen, en tegen partijen verdedigt.<br />

Zond. XXVIen XXVII<br />

Zie de GESPREK. 2 D. p. 391<br />

— 425.<br />

... Van 't H. Avondmaal<br />

f. Welke leer zuiver voorgei<br />

dragen en tegen partijen verdedigd<br />

wordt, Zond XXVIII<br />

- XXX. vr. 80. Zie de GE­<br />

SPR. 2 D. p. 425- 45X.<br />

•ff. Vervolgens onderzogt,<br />

a. Voor wie 't Avondmaal<br />

des Heeren is ingefteld,<br />

vr. 81. Zie de<br />

GESPR. 2 D. p. 451 -<br />

459-<br />

h. hoe zodanige, die in leer<br />

ot leven zig als ongelovigen<br />

of Godlozen aanftcllen,<br />

moeten worden afgeweerd<br />

door de fleutelen<br />

des Hemelrijks, vr. 82;<br />

GESPR. 2 D. p. 459.<br />

c. hoe veel, en welke die<br />

! . fkutelen zijn, Zond.<br />

XXXI. Zie de GESPR.<br />

2 D.p. 257-262.<br />

C. Vin de dankbaarheid, Zond. XXXII-LH.<br />

Eene


5*16 ! Korte Schets van den A<br />

II. C. a. Eene voorafgaande Inleiding tot dit Leerftuk}<br />

Zond. XXXII. behelzende<br />

-. de betamelijkheid en nuttigheid der dank*<br />

baarheid, vrage,86".<br />

-. de volftrekte noodzaaklijkheid, vr. 87.<br />

b. De verhandeling van dit Leerftuk zelve, waar<br />

in de Katechismus fpreekt<br />

eerft van 't grondbeginfel, zijnde eene<br />

waarachtige bekeering, Zond. XXXIII.<br />

vrag. 88 -90. Zie de GESPR. 2 D. p.<br />

218 - 222.<br />

d. Vervolgens de uitoelfening der dankbaarheid<br />

door goede werken,<br />

/. in 't algemeen voorgefteld. vr. 91. Zie<br />

de GESPR. 2D. ƒ1.308. enz.en p.319.<br />

//. nader .aangewezen , dat die goede<br />

l werken. 1<br />

*. moeten ingerigt zijn naar 't voor-<br />

Ichrift van des Heeren wet. Zond.<br />

XXXIV—ZLIV. Zie de GESPR.<br />

2 D.p. 25 enz. En/>. 210-317.<br />

**. en verrigt worden door oeffening<br />

des Gebeds. Zond. XLV—Lil<br />

Zie de GESPREKKEN, 2 D. v. 321<br />

— 328.<br />

BLAD-


BLADWUZEE.<br />

V A N<br />

ZODANIGE<br />

SCHRIFTUURPLAATZEN,<br />

WELKE IN DIT WERK VERKLAARD<br />

WORDEN, OF EENIGE OPHEL­<br />

DERING ONTVANGEN.<br />

Gen. i: 1*25. In den beginne<br />

fchiep God den hemel en de<br />

aarde, enz. . I.D.P. 120-128<br />

Gen. 1:26. EnGodzeide: laat<br />

ons menfchen maken naar onzen<br />

heelde, naar onze gel ijken is/e. I.D. p. 195.<br />

Gen. 2: 6. Maar een damp was<br />

opgegaan uit de aar de, en bevogtigde<br />

den gantfchen aardbodem. 1 D. p. 131.<br />

Gen. 2: 1-24. DeSlangenuzvas .<br />

liftiger dan al 't gedierte aes velds,<br />

enz. — 1. D.p. 230-251.<br />

Gen. 3: 18. Ook zaFt u doornen<br />

en difielen voortbrengen , en<br />

gij zult 't kruid des velds eeten. i.D.p. 259.<br />

Gen. 4: 15. De Heere /lelde<br />

een teken aan Kain.- 1.D.p. 145.<br />

Gen. 49: 1 o. De Scepter zal<br />

van-Juda nizt wijken, enz. 2. D.p. 55.<br />

Exod,


5i8<br />

BLADWIJZER.<br />

Exod. 4: 04. Doe nam Zippora<br />

een ft tenen mes. 2. D.p. 380.<br />

Exod. 20: 5. Die de misdaad<br />

der Faderen bezoeke aan ie kinderen,<br />

enz. —— f i.D.p. 261.<br />

Levit. 26: 26. Ais ik u den<br />

ft af des broods verbreken zal, enz. i.D.p. 190.<br />

Deut. 16: 2. Dan zult gij den<br />

Heere uwen God't Pafcha ftagten,<br />

Schapen en Runderen, vers 7. Dan<br />

zult gij 't koken en eeten. 2. D.p.385.386.<br />

Job 5: 23. Want met de fteenen<br />

des velds zal uw verbond zijn, en<br />

't gedierte des velds zal met u bevredigt<br />

zijn.<br />

2.D.P.331.<br />

1<br />

Job. 12: 7 - T o. En waarlijk<br />

vraagt doch ie heeften, en elk een van<br />

die zal 't u leer en, enz. ——— I.D.p. 164.<br />

Pfalm 2: 7. Ik zal van 't beftuit<br />

verhalen, de Heere heeft tot<br />

mij gezegd: Gij zijt mijn zoon,<br />

heden heb ik u gegenereerd. I.D.p. 71.<br />

Pf. 19: 5, 6. Hij heeft in dezelve<br />

eene tente gefield voor de<br />

zonne. En die is als een bruidedom<br />

enz.<br />

i.D.p.126.<br />

Pf. 22- 17. Zij hebben mijne handen<br />

en mijne voeten doorgraven.<br />

2.D.p, 13'si<br />

Pf


BLADWIJZER. 519<br />

Pf. 29: 9. De ftemme des Heeren<br />

doet de Hinden jongen werpen.<br />

—- . i.D.p. 164.<br />

Pf. 33: 6. Door 't woord des<br />

Heeren zijn de hemelen gemaakt,<br />

en door den Geefi zijns monds al<br />

hun heir. • I.D.p. 63.<br />

Pf 34: 8. De Engel des Heeren<br />

legert zig enz. i.D.p. 136".<br />

Pf. 104: 4. Hij maakt zijne<br />

Engelen geeften , zijne dienaars<br />

tot een vlammende vuur. - . i.D.p. 133.<br />

Pf. 118: 22. De fteen, diende<br />

bouwlieden verworpen hadden, is<br />

tot een hoofd des hoeks geworden. 2. D.p. 122.<br />

Pf. 146: 5, 6. Welgelukzalig<br />

is hij, die den God Jacobs tot zij'<br />

ne bulpe beeft, enz. —. i.D.p. 59.<br />

Spreuk. 8: 34. Welgelukzalig'<br />

is de menfeh, die mij hoort, dagelijks<br />

wakende aan mijne poorten<br />

, waarnemende de pollen mijner<br />

deuren. . 1. D.p. 184.<br />

Spreuk. 23: 26. Mijn Zoon,<br />

geeft mij uw hart. — — 2.D.p. 221.<br />

Predik. 7: 16, 17. Weeft niet<br />

al te regtvaardig. 1.D.p. 165.<br />

Jez. 38: 1 . 5, In dit dagen<br />

werd


520 ; BLADWIJZER.<br />

werd Hiskia krank tot flervens<br />

toe, enz.<br />

i.D.p.87,89,91.<br />

Jez. 53:. 9. En men heeft zijn<br />

graf bij \de Godlozen gefield , en<br />

Hij is bij de rijken in zijn dood<br />

geiveefl, om dat Hij geen onregt<br />

gedaan heeft; enz. — 2. D. p. 140.<br />

Jez. 54: 7. Foor een' kleinen<br />

ogenblik heb ik Uverlaten, enz. ï.D.p. 14.<br />

Jez. 54.: 10. Want her gen'zullen<br />

wijken , -en heuvelen_ wankelen,<br />

enz. - • 2. D.p. 345.<br />

Jez. 64: 6. Doch wij allen zijn<br />

als een onreine, en alle onze geregtigheden<br />

zijn als een wegwerpelijk<br />

kleed.<br />

2.D.p.292.<br />

Jerem. 3. 15. ik zal 11 aannemen<br />

eenen uit eene ftad, en twee<br />

uit een Ge f acht. I.D.p. 12.<br />

Jer. 31: 31- 34. Ziet de dagen<br />

komen fpreekt de Heere, dat ik<br />

met den huize Ifrcëls en met<br />

den huize Juda een nieuw verbond<br />

zal maken> enz. 2 D.p. 41.<br />

Ezech. 18: 20. De zoon zal<br />

niet dragen de ongeregtigheid des<br />

Vaders. I.D.p. 260.<br />

Ezech. 20: 37. Ik zal ulieden<br />

on-


BLADWIJZER. 531<br />

onder ie roede doen doorgaan, en<br />

ik zal u brengen onder den band<br />

des verbonds. > 2.D.p. 34.<br />

Dan. 12: 2. En veele van die,<br />

vu .'Ik' in 't ft of dér. aarde flap en.,<br />

zullen ontwaken, enz. — «.D.p.481.<br />

Haggai 2: 2, 10. Ik zal dit<br />

buis met heerlijkheid vervullen.<br />

vers 1 o. De heerlijkheid dezes laatjlen<br />

huizes zal grooter woraen,<br />

dan des eerft en, enz. . 2. D.p. 6a.<br />

Matth. 2: 1-11. Doe nu Jezus<br />

geboren waste Bethlehem gelegen<br />

in Judea, in de dagen des<br />

konings Her odes, ziet eenige wijzen<br />

van 't Ooften zijn te Jerufalem<br />

aangekomen, enz. . e.D. p. 127.<br />

Matth. 5: 25, 26. Weeft haastelijk<br />

welgezina tegen uwe wederpartijen<br />

terwijl gij nog met hem<br />

op den weg zijt enz.<br />

2.D.p.473.<br />

Matth. 6: 13. Leidons niet in<br />

verzoeking, maar verlos ons van<br />

den bozen. , 2.0^.328,329.<br />

Matth. 6: 27. Wie doch van u<br />

kan met bezorgt te zijn, eene elle<br />

tot zijne lengte toedoen ? 1. D. p. 181.<br />

11de DEEL. L 1 Matth.


5*a BLADWIJZER.<br />

Matth. 6: at. Aanmerkt de leliën<br />

des velds, hoe zij was fan, enz. i. D. p. 187.<br />

Matth. 12: 20. Het gekrookte<br />

riet, zal Hij niet verbreken enz. 2.D»p. 255.<br />

Matth. 12: 40. Want gelijk<br />

Jonas arie dagen en drie nachten<br />

enz. 2.D.p.J7r, 17%.<br />

Matih. 16: i8 y<br />

19. Gij zijt<br />

Petrus, en op dezen Petra zal ik<br />

mijngemeinte bouwen, en de poorten<br />

der helle zullen de-zelve nict o.<br />

verweldigen. En ik zal u geven<br />

de jleutelen van 't koningrijk der<br />

hemelen enz. -—- 2. D. p. 244, 245".<br />

Matth. .23: I9. Gif- dwazen en<br />

blinaen, want wat is meerder de<br />

gave, of de altaar y die-de gaven •<br />

heiligt. — — —- 2» D.p. 107.<br />

Matth. 28: 11-1.5. Eenige van<br />

de wagt kwamen in de Stad en<br />

boodfchapten enz. — —. 2. D.p. 176.<br />

Mare 13: 32. Maar van dien<br />

dag, en die uure zveet niemand,<br />

noch de Engelen, die in den hemel<br />

zijn, noch de Zoone, dan de<br />

Vader. * 2.D.p. 73.<br />

Mare. 15: zg. Het was de oer-'<br />

de uur, en zij itruisftgdcn Hem. z. D.p. 132.<br />

Luc.


BLADWIJZER. 523<br />

Luc. 2: 46. En 't gefchiedde na<br />

drie dagen, dal zij Hem vonden<br />

in den tempel, zittende in 't midden<br />

der Leeraaren , hen horende<br />

en hen ondervragende. 3.D.p. 98.<br />

Luc. ao' 36. Want zij kunnen<br />

niet meer fterven, want zij zijn<br />

dèn Engelen gelijk. • 2.D.p.484.<br />

Luc. 22: 44. Zijn zweet werd<br />

gelijk groote droppelen bloeds, die<br />

op de aarde afliepen. 2. D.p. 145.<br />

Joh. 12: 24. Indien 't tarwe<br />

graan. , in de aarde niet valt en<br />

fterft, zo blijft , t zelve alleen;<br />

maar indien 't fterft, zo brengt<br />

't veel vrugten voort. — 2-D.p.477.<br />

Joh. 15: 2. Alle ranke die tn<br />

mij geen vrugt draagt, -die neemt<br />

Hij weg.<br />

2.D.p.347.<br />

Joh. 17: 5. En nu verheerlijkt<br />

nuj gif Vaaer bij u zeiven met<br />

de heerlijkheid, die ik bij u hadde,<br />

eer de waereld was. — I.D.p. 68.<br />

Joh. 17' 12. Die gij mij gegeven<br />

hebt, heb ik bewaard, en niemand<br />

uit hun is verloren gegaan<br />

dan de Zoone der verderftenisfe,<br />

op dat de öcbrift vervuld werde. 3.D.p. 348.<br />

LI 2<br />

Hand.


524 BLADWIJZER..<br />

Hand. i: 6. Heere -zult gij in dezen<br />

tijd aan Ifrael 't koningrijk<br />

weder opreglenl — — 2.D.p. 181.<br />

. Hand. 2: 17, r8. En 't zal<br />

zijn in de laatfle dagen ([zegt God,).<br />

Ik zal uit/lorten van mijnen Geeft<br />

op alle vleefch: en uwe zootien enz. i.D.p. 32.<br />

Hand. 3: 19. Betert u- dan en<br />

bekeert u , op dat uwe zonden<br />

mogen uitgewifcht worden, wanneer<br />

de tijden der verioelinge zullen<br />

gekomen zijn van''t aangezicht .<br />

des Heerèn. . 1 2. D.p.496.<br />

Hand. 3: 21. Welken de hemel<br />

moet ontvangen, tot de tijden der<br />

ivederopregting aller dingen enz. 2.D.p.495.<br />

Hand. 7: 51. Gij wederftaat<br />

altijd den H. Geeft — 2.D.p.206".<br />

Hand. 1.9: 5. En die hem hoorden,<br />

wierden gedoopt in den naam<br />

des Heeren Jesu. — 1 2.0^.394,395.<br />

Hand. 23: 8. De Sadduceën<br />

zeggen, dat er geen opftanding is,<br />

noch engel noch geeft. ' 1 1. D.p. 132. >[<br />

^ Rom. 5: 18. Want gelijk door<br />

eene misdaad de fchuld gekomen is<br />

over alle menfchen, enz. 1. D.p. 259.<br />

Rom. 8: 20. Want 't Schepzel<br />

is


BLJDIFIJZEFi.<br />

52£<br />

is der ij delheid onderworpen, met<br />

gewillig, maar enz. i.D.p 258.<br />

Rom. 8: 26". En desgelijks komt<br />

ook de Geeft onze zwakheden te<br />

hulp, want wij weten niet, wat<br />

wij bidden zullen, enz. « 2.D.p.325.<br />

Rom. 9: 13. Jacob heb ik lief<br />

gehad en Esau heb ik gehaat. i.D.p. 93.<br />

Rom. 9: 16. Zo isdan niet<br />

des geenen, die wil, noch des geenen,<br />

die loopt, enz. — J i.D.p.io5.<br />

Rom. 9: 20, 21. Maar doch<br />

0 menfeh, wie zijt gij, die-tegen<br />

God antwoordt 1 * zal ook't maakzei<br />

tot den geenen, die 't gemaakt<br />

heeft zeggen, enz. - . 1.D.p. 100.<br />

1 Cor. 3:15. Zo iemands zoerk<br />

zalverbrand'worden., die zal feba.<br />

de lijden, maar zelve zal hij behouden<br />

worden, doch alzo als door<br />

vuur. —— 2. D.p. 474.<br />

1 Cor. 6: 13. De fpijzen zijn<br />

voor den buik, en de huik; is voor<br />

de jfijzen, maar God zal beiden<br />

deze en die te niete doen. 4 L). p.484.<br />

I Cor. 7: 18. Is iemand befneden<br />

zijnde geroepen, die--laate<br />

hem geen voorhuid aantrekken. 2.D.P.3O0.<br />

LI 3<br />

1 Cor.


v<br />

$«6 BLADWIJZER.<br />

x Cor. 15: 24, 25. Daar na<br />

zal 't einde zijn, voanneer Hij 't<br />

koningrijk Gode en den Vader zal<br />

overgegeven hebben, enz. ——— 2. D. p. 11 o.<br />

1 Cor. 15: 29. Wat zullen zij<br />

doen, die voor de dooden gedoopt<br />

voorden. • —* 2. D.p. 424.<br />

1 Cor. 15: 36. G# dwaas,<br />

9<br />

1 geen gij zaait, word niet levendig,<br />

't en zij, dat 'tgejïorven zij. 2. D. p. \77.<br />

1 Cor. 15: 44. Een natuurlijk<br />

lichaam ivordt er gezaaijt,<br />

fen gcejlehjk lichaam wordt er opgewekt.<br />

~ 2. D.p. 484.<br />

2 Cor. 4: \7. Want onze ligte<br />

verdrukking , die zeer haaft<br />

voorbijgaat, werkt ons een ganfeh<br />

zeer uitnemend en eeuwig gewigt<br />

van heerlijkheid. 1 2. D. p. x ï 3.<br />

2 Cor. 7: 10. Want de droef.<br />

beid naar God, werkt eene onberouiveiijke<br />

bekeering, enz. 2.D.p.219.<br />

Gal. 5: 22. Maar de vrugt des<br />

Geefls is gelove. 2.D.p. 217.<br />

Eph. 4: 24. En den nieuwen<br />

menfeh aar doen, die naar God gefchapen<br />

is enz. I.D.p. 198.<br />

Colosf.


BLADWIJZER.. 527<br />

Colosf. 3: 3. Uiv leven is met<br />

Chriftus verborgen in Gode. —- 2. D.p. 194.<br />

I ThesC 5: 23. Uw geheel opregt<br />

en geeft, en ziel en lichaam. I.D.p. 150.<br />

1 T<strong>im</strong>. 3: 2. Een Opziender<br />

moet onberispelijk zijn, eener vrouwe<br />

man. —- — — 2. D.p. 252.<br />

1 T<strong>im</strong>. 5: 9. Dat eene weduwe<br />

gekoren worde, niet minder<br />

dan van zeftig jaaren. — 2.D.p. 251.<br />

2 T<strong>im</strong>. 2: 20. Doch in een groot<br />

buis zijn niet alleen gouden en zilveren<br />

vaten, enz. 2. D.p. 225.<br />

Hebr. 6: 2. Fan de leere der<br />

doopen. — —. 2. D.p. 424.<br />

Hebr. 7: 3. Zo?ider vader, zonder<br />

moeder, enz. 2.D.p. 101.<br />

Hebr. 7: 8. - Van welken getuigt<br />

wordt, dat hij leeft. 2.D.p. 103.<br />

Hebr. 13: 10. Wij hebben een<br />

altaar, van welken geen magt heb*<br />

ben te eeten, die den tabernakel<br />

dienen. —-.— 2. D.p. 108.<br />

Jac. 2: 5. Hoort mijne geliefde<br />

broeders, beeft God niet uitverkoren<br />

de armen dezer waereld om rijk<br />

te zijn in't geloof. I.D.p. 98.<br />

1 Petr. 3: 31. Waar van 't tehl<br />

4<br />

gen-


5-8 BLADWIJZER.<br />

genbetldde doop ons nu ook behoudt,<br />

enz. 2. D.p. 421.<br />

1 Petr. 4: 18. Indien de regt- ^<br />

vaardige nauwlijks zalig wordt,<br />

enz. 2. D.p. 305.<br />

2 Petr. 3: 9. Niet willende<br />

dat eenige verloren gaan , maar<br />

dat zij allen tot bekeering kernen. 1. D. p. 98.<br />

2 Petr. 3: ïo-13. Maar de<br />

dag des Heeren zal komen als een<br />

dief in den nacht , in welken de<br />

hemelen met een gedruisch zullen<br />

voorbijgaan, enz.<br />

2.D.p.497.<br />

Openb. 1: 4. En van de zeven<br />

Geeften , die voor zijnen throon<br />

zijn. i.D.p. 78.


DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.<br />

Bladz. Regel ftaat<br />

i 8 famenfpraaK<br />

19 5 Noachs<br />

— 15 zou<br />

2 7<br />

22 dc wel Eerw<br />

«

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!