catalogus - theobakker.net

theobakker.net

catalogus - theobakker.net

KOLONIAAL-AARDRIJKSKUNDIGE

TENTOONSTELLING

TER GELEGENHEID VAN HET VEERTIG-

JARIG BESTAAN VAN HET KONINKLIJK

NEDERLANDSCH AARDRIJKSKUNDIG

GENOOTSCHAP.

20 SEPT. —31 OCT. 1913.

CATALOGUS

STEDELIJK

MUSEUM AMSTERDAM.


KOLONIAAL-AARDRIJKSKUNDIGE

TENTOONSTELLING

TER GELEGENHEID VAN HET VEERTIG-

JARIG BESTAAN VAN HET KONINKLIJK

NEDERLANDSCH AARDRIJKSKUNDIG

GENOOTSCHAP.

20 SEPT.—3I OCT. 1913.

CATALOGUS

STEDELIJK MUSEUM AMSTERDAM


KONINKLIJK NEDERLANDSCH

AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP,

J.

Beschermvrouwe:

H. M. de Koningin.

Eere- Voorzitter:

Z. K. H. Prins Hendrik der Nederlanden.

W. IJzerman,

Voorzitter.

Dr. H. F. R. Hubrecht,

Ouder-Voorzitter.

Dr. J. F. Hoekstra,

Secretaris.

L. A. Bakhuis.

A. A. Beekman.

A. Brandes Sz.

Dr. L. Bolk.

Th. F. A. Delprat.

J. Dudok van Heel.

J. J. C. van Dijk.

Dr. C Easton.

J. C. van Eerde.

Dr. E. van Everdingen.

E. Heldring.

Dr. K. Martin.

Dr. G. A. F. Molensraafe.

Dr. H. P. N. Muller.

Dr. J. J. A. Muller.

Huishoudelijk Bestuur:

Overige Bestuursleden:

H. C. Rehbock,

Penningmeester.

J. IJzerman,

Bibliothecaris.

L. Roosenburg,

Bibliothecaris.

J. F. Niermeyer.

Dr. A. W. Nieuwenhuis.

J. R. van Osselen.

S. M. Phaff.

J. C. Ramaer.

G. P. Rouffaer.

W. Ruijs.

R. Schuiling.

J. J. Staal.

Mr. S. R. Steinmetz.

W. Toose,

G. F. Tydeman.

J. W. Welcker.

Dr. F. C. Wieder.


COMMISSIE VOORDE INRICHTING

DER TENTOONSTELLING.

J. J. K. Enthoven, Oud-kolonel Chef van den

Topographischen dienst in Ned.-Indië, Voorzitter.

E. C. Abendanon, Oud-ingenieur van het Mijnwezen

in Ned.-Indië.

C. W. H. Baard, Conservator van het Stedelijk

Museum te Amsterdam.

J. F. Niermeyer, Hoogleeraar aan 's Rijks Universiteit

te Utrecht.

J. M. Phaff, Kapt.-luit. t/zee, Sous-chef der afd. Hydrographie

a/h Departement van Marine.

Dr. J. P. van der Stok, Directeur aan het Kon.

Ned. Meteor. Instituut te De Bilt.

G. F. Tydeman, Vice-admiraal, Directeur en Commandant

der Marine te Amsterdam.

Dr. R. D. M. Verbeek, Oud-hoofdingenieur van het

Mijnwezen in Ned.-Indië.

Dr. J. F. Hoekstra, Secretaris v/h Kon. Ned. Aardr.

Genootschap, Secretaris.


VOORWOORD.

Het Bestuur van het Koninklijk Nederlandsch

Aardrijkskundig Genootschap heeft gemeend 's Genootschaps

40-jarig bestaan op geen waardiger wijze

te kunnen vieren, dan door het inrichten eener tentoonstelling

welke een duidelijk beeld geeft van den

grooten vooruitgang, dien onze aardrijkskundige

kennis van Oost- en West-Indië in het afgeloopen

veertigjarig tijdperk heeft te boekstaven.

Een zoo aanschouwelijk en volledig mogelijk beeld

zou derhalve gegeven moeten worden van den tegenwoordigen

stand der aardrijkskundige wetenschap

van Neerland's koloniaal gebied, als tegenstelling

van de zoo veel geringere bekendheid met Oosten

West-Indië omstreeks 1873, het stichtingsjaar

van het Genootschap.

Rekening houdende met de beschikbare middelen,

heeft de Commissie, die zich op verzoek van 's Genootschaps

Bestuur met de voorbereiding en inrichting

dezer tentoonstelling heeft belast, zich moeten

bepalen tot het bijeenbrengen van de graphische

uitkomsten, die zoowel op algemeen aardrijkskundig

gebied als op dat der voornaamste hulpwetenschappen

der geographie — de geodesie, hydrographie,

geologie, meteorologie, enz. — betreffende de Nederlandsche

koloniën in ongeveer de laatste halve eeuw

mochten worden verkregen.

Kaarten en graphische voorstellingen op velerlei

gebied en in de grootste verscheidenheid moesten

derhalve wel een hoofdrol op deze Koloniaal Aardrijkskundige

Tentoonstelling spelen, terwijl van het

exposeeren van ethnographisch materiaal, ondanks

de nauwe betrekking tusschen de beschrijvende

aardrijkskunde en de volkenkunde, moest worden

afgezien.


6

Ten einde echter ook een levendiger voorstelling

te geven van den tegenwoordigen stand der aardrijkskundige

kennis van Oost- en West-Indië dan

uitsluitend langs cartographischen weg mogelijk was,

werd tevens een rijke collectie photographische afbeeldingen

betreffende het Indische landschap bijeengebracht,

terwijl bovendien een kleine verzameling

van in Indië vervaardigde schilderijen een kleurrijk

en artistiek beeld der tropische natuur zal geven.

Uit de talrijke boekwerken, die voor de aardrijkskunde

onzer Koloniën van belang zijn, kon, in verband

met de beschikbare ruimte, slechts een beperkte

keuze worden gedaan.

Een afzonderlijke afdeeling voor de historische

aardrijkskunde omvat een aantal der belangrijkste

kaartwerken — waaronder zeer zeldzame — waarin

de Nederlandsche koloniën van voorheen en thans

zijn voorgesteld tot aan den aanvang der topographische

opnemingen.

Tot nadere toelichting van hetgeen in onze Koloniën

op geographisch gebied in uitgebreiden zin

is verricht, heeft de Commissie eindelijk gemeend

in den Catalogus aan de lijst der tentoongestelde

voorwerpen eenige monographiën te moeten doen

voorafgaan, die samen een duidelijk overzicht geven

van de inderdaad buitengewone ontwikkeling der

geographische kennis van Oost- en West-Indië in

het afgeloopen 40-jarig tijdperk.

Dankbaar moet worden erkend, dat de Commissie

over het algemeen bij haren arbeid op ruime schaal

medewerking heeft mogen ondervinden, en zeker

niet 't minst van Regeeringswege. Aan die even

welwillende medewerking als krachtige hulp, zoowel

van zeer vele autoriteiten als van particulieren hier

te lande en in de koloniën, is het vooral te danken,

dat de Commissie haar taak heeft kunnen volvoeren.

Amsterdam, September 1913-


Plattegrond der Koloniaal-Aardrijkskundige Tentoonstelling van het Koninklijk Nederlandsch

Aardrijkskundig Genootschap, in het Stedelijk Museum te Amsterdam.


INLEIDING.

HET ONTSTAAN VAN HET KAARTBEELD

VAN DEN INDISCHEN ARCHIPEL.

Toen de Nederlanders voor het eerst op het eind

der XVIe eeuw in Indië kwamen, waren zij er geen

pioniers. Zij volgden het pad door Spanjaarden en

Portugeezen gewezen. De cartographie van den

Indischen Archipel is dan ook ouder dan het begin

der Hollandsche periode.

De Portugeezen, die sinds Magelhaen's tocht reeds

bijna een eeuw de zeeën van het verre Oosten bevoeren,

hadden zich reeds een cartographisch beeld

gevormd van de grootere eilanden en de eilandengroepen.

Wij kunnen hier in het midden laten hoe

dit beeld zich langzamerhand bij hen ontwikkelde,

't zij genoeg er op te wijzen, dat enkele trekken van dit

beeld reeds in de oudheid door Ptolomaeus geschetst

waren naar de verhalen van kustvaarders, die zeker

de plaats van het latere Singapore en waarschijnlijk

den omtrek van Canton en China bereikten.

Men kan aannemen, dat de door de Spanjaarden

en Portugeezen in de XVIe eeuw uitgegeven kaarten

waren, met meer zekerheid

hier te lande bekend

weten wij dit van het werk der Italiaansche

cartographen,

die in de XVIe eeuw de cartographie tot

een groote hoogte wisten op te voeren. Hun arbeid

baseerde zich, voor Amerika en Indië, vooral op

Spaansche en Portugeesche kaarten.

De arbeid van mannen als Gastoldi was hier niet

alleen bekend, maar zijn kaarten werden reeds sedert

het midden der XVIe eeuw hier nagedrukt, soms

met belangrijke wijzigingen en oorspronkelijke toe-


10

voegsels. Men vergelijke hiertoe de twee te Antwerpen

verschenen herdrukken van Gastoldi's beroemde

wereldkaart, beide op de Tentoonstelling aanwezig.

En de eerste atlassen hier te lande samengesteld,

zooals die van Ortelius, Mercator en de Jode geven

van Indië niet anders dan de Portugeesche opvatting.

Het beeld

van den Indischen Archipel was nog

verre van volledig. Sumatra, Java's Noordkust en

Borneo's Westkust waren vrij voldoende bekend.

De Zuidkust van Java was onbekend en bleef het

nog lang. Ten Oosten van Borneo is de groepeering

der eilanden nog zeer onzeker. Van Celebes is nog

slechts het Zuider-gedeelte eenigszins bekend, en

de veel te groote schaal waarop Gilolo is voorgesteld,

doet vermoeden, dat dit eiland met Celebes

verward werd. Van kennis van het binnenland is

nog nergens sprake.

De uitvoerigste kaarten van Indië vonden de

eerste Hollandsche zeevaarders in het Itinerario van

Jan Huygen van Linschoten, die zelf met de

Portugeezen in Indië geweest was, en die daarenboven

de werken waaruit kennis van Indië te putten

was, grondig bestudeerd had. In zijn bibliotheek

bevond zich bijv. het werk van Ramusio, de

meest uitgebreide verzameling reisbeschrijvingen in

de XVIe eeuw verschenen. Één deel van het

exemplaar dat aan Linschoten behoord heeft, is

onlangs teruggevonden en is thans op de Tentoonstelling

aanwezig.

Linschoten's kaarten zijn getrouwe copieën van

Portugeesche origineelen; zij waren zeer zeker van

onschatbare waarde voor onze ondernemende handelsen

zeelieden.

Maar de behoefte tot verbetering der nog zoo

gebrekkige voorstelling liet zich evenzeer gevoelen

en het was een voorname zorg der eerste expedities

die naar Indië uitgingen, cartographische gegevens

te verzamelen.

Wij weten slechts weinig van deze eerste

cartographische werkzaamheid in Indië. Enkele

kaarten op de reis van Van Neck in Indië ge-


11

teekend, zijn in het archief der Oost-Indische Compagnie

bewaard gebleven. Doch in den laatsten tijd

zijn aan het licht gekomen gegraveerde kaarten uit

dien tijd (hoogst zeldzame stukken) die, blijkens

hun opschriften, verschenen zijn na het terugkeeren

van Hollandsche expedities uit Indië, of waarop

men duidelijk aanwijzingen aantreft van die expedities

afkomstig. Door de voorkomende bereidvaardigheid

van den Heer Dr. C. P. Burger Jr., bibliothecaris

der Amsterdamsche Universiteits-Bibliotheek, is het

ons mogelijk niet minder dan zeven .dezer kaarten

ten toon te stellen.

Hoewel deze kaarten in verschillende jaren verschenen

zijn, door verschillende teekenaars en graveurs

ontworpen, is er zoo groote overeenkomst

onderling, dat men ze voor de resultaten van een

vast plan moet aanzien, een plan door één man

ontworpen en uitgevoerd. Verschillende gegevens,

te veelvuldig om er hier verder op in te gaan,

maken het zeer waarschijnlijk dat die man Petrus

Plancius was, de bekende Amsterdamsche predikant,

geograaf en zeevaartkundige, van wien een tijdgenoot

bij zijn portret getuigde „Dit is des hemels-,

aard- en zeebeschrijver".

Zijn arbeid op cartographisch gebied vangt aan

met een groote wereldkaart, in 1592 verschenen,

die een wijde vermaardheid verkreeg. Een voor

het eerst in 1594 verschenen bewerking van dezelfde

kaart op wat kleiner schaal, op deze Tentoonstelling

aanwezig, beleefde tal van herdrukken en

werd aan alle edities van Linschoten's Itinerario

toegevoegd.

Deze kaarten wijken nog slechts in geringe bizonderheden

van de Portugeesche voorstelling af. De

resultaten der eerste reizen waren nog van te

weinig beteekenis om het algemeene beeld van den

Indischen Archipel ingrijpend te wijzigen.

Eerst langzamerhand, nadat er meer sprake begint

te komen van een vestiging der Hollanders in

Indië, kunnen wij op de kaarten der verschillende

atlassen, in Nederland verschenen, de langzame

vooruitgang volgen. De groote eilanden nemen


12

allengs een meer aan de werkelijkheid nabijkomenden

vorm aan; in de Molukken komt meer orde, Nieuw-

Guinea en zelfs een groot gedeelte van de Westkust

van Australië beginnen te verschijnen.

Omstreeks 1660 begint men de eerste grootere

afzonderlijke kaarten van Java, Sumatra en Borneo

uit te geven.

Hoe deze verbeteringen en aanvullingen langzamerhand

ontstaan zijn, moeten ons de oorspronkelijke

ter plaatse geteekende kaarten en schetsen

leeren; hiervan is veel, zeer veel verloren gegaan,

ook nog in onze dagen. Waar is bijv. de prachtige

collectie van 49 op perkament geteekende zeekaarten

van Oost-Indië van ± 1650 gebleven, die in het

bezit was van den bekenden Haarlemschen kunsthistoricus

Van der Willigen en die in $875 in de

veiling zijner bibliotheek verkocht werd?

Omstreeks 1660 is een kaart-type van Oost-Indië

ontstaan, dat men het „Hollandsche" type kan noemen.

Dit type omvat niet slechts den Indischen Archipel,

maar strekt zich veel verder Westelijk en Noordelijk

uit. Te beginnen met de Kaap de Goede Hoop,

zet het zich voort langs Afrika's Oostkust en Azie's

Zuid- en Oostkust tot voorbij Japan. Zóó uitgebreid

was het handelsgebied van de Oost-Indische Compagnie

!

De kustlijnen en de vorm der eilanden zijn over

het algemeen vrij juist, de fijnere details echter

ontbreken nog, zoo ook alle kennis van het binnenland.

Dit kaarttype heeft zich langen tijd gehandhaafd,

zelfs tot in de tweede helft der XVIIIe eeuw. Gedurende

die lange periode is echter veel werk verricht

en hebben tal van zeelieden verbeterde en

uitgebi eidere kaarten van enkele eilanden en kortere

kuststreken naar het vaderland medegebracht.

En hier was lange jaren een handelshuis, dat

als een centraal punt de resultaten van dien arbeid

tot zich trok en door bekwame personen liet bearbeiden

tot voor de praktijk geschikte kaarten. Dit

was de beroemde uitgeverszaak Van Keulen, sedert

ongeveer 1680 te Amsterdam gevestigd.


13

Wij kennen slechts ten deele de bemoeiingen der

Van Keulens, maar de ons ten dienste staande gegevens

laten ons zien, dat reeds van het begin af

aan bij hen het streven bestond een zoo volledig

mogelijken zeeatlas van Oost-Indië uit te geven.

Vooral sedert ongeveer 1720, nadat Gerard van

Keulen zijn vader opgevolgd was, treffen wij tal

van zeer uitvoerige zeekaarten aan van de verschillende

gedeelten van den Archipel en van afzonderlijke

eilanden; men zie de groote kaarten

van Java, Sumatra en Borneo, die een sterken

vooruitgang in details vormen op de kaarten van

Janssonius.

In 1753 hadden de Van Keulens hun doel bereikt,

toen zij hun grooten Atlas van Oost-Indië lieten

verschijnen, die ter tentoonstelling aanwezig is.

Met de uitgave van dezen Atlas bereikte het huis

Van Keulen zijn hoogtepunt, en hiermede had ook

de cartographie van ons Indië voor dien tijd zijn

hoogste ontwikkeling gevonden. Zijn de kustlijnen

thans veel meer ontwikkeld dan op het type van

1660, het binnenland blijft nog altijd even onbekend.

Van opzettelijke cartographische opnamen is gedurende

deze geheele periode in Indië nauwelijks

sprake, het vaststellen van den omvang der landerijen

waarover geschillen ontstonden, routekaarten van

zeer zeldzaam in het binnenland ondernomen tochten,

is zoowat alles wat de archieven der Compagnie

opleveren.

En ook de cartographie der kustlijn kwam met

het jaar 1753 tot stilstand. Wat er sedert verschijnt

is slechts zelden verbetering, gewoonlijk is het

nadruk van steeds meer verouderend materiaal.

In dien tijd waarin bij ons het verval intreedt,

neemt de werkzaamheid der Engelschen meer en

meer toe. De geschiedenis van het huis Van Keulen

gaat nauw samen met die onzer cartographie. Van

oorspronkelijke uitgevers, die bij voorkeur uit nog

onbekende bronnen putten, worden de Van Keulens

meer en meer debitanten, vooral van Engelsche

kaarten. En ten slotte neemt de Engelsche cartographie,

krachtig bestuurd door het Hydrographic


14

Office, bij den stilstand der Hollandsche, zoozeer

de overhand, dat het huis Van Keulen, dat als

kaarten-uitgever eens een wereldvermaardheid bezat,

in zijn Catalogus van 1824 voor de cartographie

van ons Indië als het beste aanbeveelt „The English

Pilot".

Nederlandsch-Indië werd in die dagen bij voorkeur

bevaren met Engelsche kaarten.

F. C. Wieder.


DE CARTOGRAPHIE VAN NEDER-

LANDSCH OOST-INDIË.

Hoe het, wat de landkaarten betreft, omstreeks

een eeuw geleden met het kaartbeeld van den

Nederlandsch-Indischen Archipel gesteld was, blijkt

zeker het best uit den in 1818 door Van den Bosch

uitgegeven en thans tentoongestelden Atlas, waaromtrent

de vervaardiger, die zich door zijn langdurig

verblijf in de koloniën en zijn voortdurende

bemoeienis met de opneming en kaarteering van

den Archipel, in staat gesteld achtte de beste bescheiden

te verzamelen, zelf meende te moeten verklaren

: l

)

„Daar echter de meeste dezer bezittingen nog

„niet behoorlijk topographisch opgenomen zijn, en

„de gedane metingen veelal op de oogmaat geschied-

„den, terwijl eene verbetering daarin, door vele,

„bijna onoverkomelijke bezwaren nog lang zeer moei-

„lijk zal zijn, zoo blijft deze Atlas, hoewel misschien

„het volledigste wat wij tot nu toe bezitten, nog

„altijd verre van de volkomenheid verwijderd.

„Door de reizen van den majoor von Wollzogen,

„die de Staten van Mataram bezocht, konden de

„kaarten der Vorstenlandeh gegeven worden.

„Van Sumatra was het niet mogelijk eene eenigs-

„zins nauwkeurige schetskaart te geven, daar de

„binnenlanden onbekend zijn en de kennis der

„kusten, al nam men alle Engelsche en Neder-

„landsche gegevens te samen, ten hoogste onzuiver

„en onvolledig was.

„Van Celebes, dat nooit opgenomen was, kan

') Zie het artikel van R. F. De Seijff in het Natuurkundig

Tijdschrift van Ned. Indië, jaargang 1856,deel XI


16

„geen bizondere kaart gegeven worden, terwijl de

„uitgestrektheid van Borneo den Europeanen het

„indringen binnenlands heeft belet, en de ongezonde

„lucht hen van de kusten verdrijft."

Men stelde zich toch toenmaals het binnenland

van Borneo voor als eene in den regentijd onder

water staande moerassige vlakte; meende dat alle

rivieren uit één groot meer ontstonden en dat het

binnenland, van Noord naar Zuid door het zoogenaamde

Kristalgebergte doorsneden, zich door

vele aardbevingen en uitbarstingen kenmerkte.

Maar zelfs voor Java beschikte men toen nog

slechts over vrij ruwe schetskaarten, ten minste de

in 1820 door de officieren van den Algemeenen

Staf en der Genie bewerkte kaart van Java, veelal

berustende op gegevens afkomstig van de Marineschool

te Samarang, droeg nog een geheel schetsmatig

karakter, en bij het uitbreken van den Javaoorlog

in 1825 moest men zich met cartographisch

materiaal behelpen, dat voor een goed deel tijdens

het Engelsch tusschenbestuur door Raffles bijeengebracht

was.

In de eerste helft der 19e eeuw werden veel

opmetingen verricht en cartographische gegevens

verzameld tijdens de vele toen in den Archipel gevoerde

oorlogen en ondernomen militaire expedities,

en ook de toen plaats gehad hebbende verkenningsen

ontdekkingsreizen droegen veel bij tot de vermeerdering

der geographische kennis van het zoo

uitgestrekte Indische eilandenrijk. Maar er bestond

helaas weinig of geen verband tusschen al dat

opnemingswerk. Alles bleef dan ook min of meer

schetsmatig en van uit ons tegenwoordig standpunt

bezien hoogst onvolledig.

Tot de voornaamste kaartwerken, welke in die

periode verschenen en die voor zooveel mogelijk

thans tentoongesteld

zijn, behooren:

1833 eene „Esquisse de I'ile de Java, divisée en

résidences avec indication des chefs-lieux" door

F. V. A. de Stuers — een schetskaart vervaardigd

naar de kaart van Raffles en aangevuld met alle

gegevens tijdens den Java-Oorlog verzameld;


17

1834 de „Kaart van Java" op 1 : 500.000 door

von Schierbrandt;

1836 de „Etappenkaart van Java"door W.Brouwer;

1842 de „Algemeene kaart van Nederlandsch

Oost-Indië", schaal 1 : 2.250.000, van Baron von

Derfelden von Hinderstein;

1845 de „Kaart van het eiland Java en omliggende

eilanden en vaarwaters" schaal 1 : 500.000

door P. Baron Melvill van Carnbée;

1847 de „Algemeene kaart van Nederlandsch

Oost-Indië" schaal

1 : 5.000.000 uitgegeven door de

Kon. Mil. Academie te Breda;

1850 de „Kaart van Java en Madoera" 1:1.000.000

door kapitein Ie Clercq;

1853 de „Kaart van het Gouvernement Sumatra's

Westkust", schaal 1 : 500.000 door kapitein L. W.

Beyerinck;

1856 de „Kaart van het eiland Java" schaal

1 : 350.000 door Dr. F. Junghuhn (resultaat van

diens onderzoekingen van 1835— x 848);

1853—1862, de „Algemeene Atlas van Nederlandsch-Indië",

door P. Baron Melvill van Carnbée

en W. F. Versteeg.

Laatstgenoemd hoogst merkwaardig kaartwerk,

geheel naar officiëele bescheiden samengesteld en

met goedkeuring der Regeering uitgegeven, onderscheidt

zich door de uitvoerigheid en nauwkeurigheid

der teekening, zoomede door zijn keurige bewerking,

en zeker niet in 't minst door de waarde, die zelfs

thans nog aan verscheidene der in dien Atlas voorkomende

kaarten der kleinere eilanden kan worden

toegekend.

Door de uitgave van dit kaartwerk is in het

midden der vorige eeuw ontegenzeggelijk op vrij

voldoende en tevens weinig kostbare wijze voorzien

in de toen reeds, en vooral uit een bestuursoogpunt,

zoo dringende behoefte aan bruikbaar kaartmateriaal

van ons zoo uitgestrekt koloniaal gebied.

Maar al was ook hiermede het gehalte der kaarten

van onze „Oost" niet onbeduidend verbeterd, het

kaartbeeld beantwoordde toch nog geenszins aan de

eischen, die omstreeks de hellt der vorige eeuw


18

ook in Ned. Indië op den voorgrond traden, n.l.

het ontwerpen van een verdedigingsplan voor Java

tegen een Buitenlandschen vijand.

Daartoe moest men toch kunnen beschikken over

zoogenaamde topographische kaarten, dat zijn kaarten

op betrekkelijk groote schaal, die o. m. een alleszins

juiste voorstelling moeten geven van de configuratie,

de bodemgesteldheid, de begroeïing en bebouwing

van het terrein.

Rekening houdende met die eischen, werd het

Departement van Oorlog te Batavia in 1849 door

de Indische Regeering gemachtigd om met de terreinopneming,

noodig voor de samenstelling van

zulke meer uitvoerige kaarten, een aanvang te doen

maken.

Aanvankelijk bepaalde dit opnemingswerk zich

tot het terrein tusschen Batavia en Buitenzorg, dat

naar men meende het eerst voor een verdediging

tegen een Buitenlandschen vijand in aanmerking kon

komen. Nadat dit terrein op de schaal 1 : 10.000

in kaart was gebracht, werd besloten om die speciaal

militaire opneming over de geheele toenmalige

residentie Batavia uit te strekken.

Toen men in 1853met geheel Batavia was gereed

gekomen, hadden de met die meer uitvoerige metingen

verkregen resultaten het nut eener opneming

op groote schaal zóó duidelijk in het licht gesteld

— die eerste topographische opneming had echter

nog grootendeels op het oog en den pas plaats —

dat in December van dat zelfde jaar tot de topographische

opneming van de geheele residentie

Cheribon werd besloten, welke opneming tevens

met eene driehoeksmeting gepaard zou gaan, en

derhalve ook zooveel mogelijk op een goeden wiskunstigen

grondslag zou berusten.

En hiermede deed ook de geodesie voor goed

haar intree bij het opnemingswerk in ons Koloniaal

gebied, zooals t.a.p. meer uitvoerig is uiteengezet.

Dat echter de opvatting van het nut, dat uit

driehoeksmetingen voor de topographie van een land

kan getrokken worden, toenmaals een geheel andere

was dan thans, moge blijken uit de in 1853 gegeven


19

voorschriften betreffende de in de residentie Cheribon

uit te voeren geodetische metingen, namelijk, dat

„de vaste punten voor bovenbedoelde opname (Cheribon)

zullen worden bepaald door de thans op Java

aanwezige geographische ingenieurs, ten einde op

die wijze den dirigeerenden officierder topographische

opname in staat te stellen den trouwen en kundigen

opnemer te onderscheiden van den ontrouwen en

onkundigen, en opdat de samen te stellen kaart

(i : 10.000) dié nauwkeurigheid en zekerheid erlange,

welke bij zulk een belangrijk werk een eerste vereischte

zijn: suilende de topographische opname die

der geographische ingenieurs eenigen tijd vooruit

moeten zijn."

In 1853 spande men dus op geodetisch en topographisch

gebied de paarden nog achter den wagen,

en het behoeft wel geen nader betoog, dat in Cheribon

de topographische opneming zoo goed als niet

op het geodesisch net is gebaseerd geweest.

Het is gelukkig geweest dat de Indische Regeering

toenmaals in hare Geographische ingenieurs

over deskundigen en raadgevers beschikte, die reeds

in 1857, bij den aanvang der topographische opneming

van de residentiën Banjoemas en Bagelen,

tot eene meer rationeele zienswijze omtrent het

noodzakelijk verband tusschen geodesie en topographie

deden besluiten!

Het Gouv. Besluit van 1853 (25 Dec. Np. 10),

waarbij tot de geregelde topographische opneming

van Cheribon werd besloten, kan gerekend worden

de grondslag te zijn van het ontstaan der zoogenaamde

„Militaire verkenningen" een diensttak waaruit

in

1874 (G.B. van 7 April No. 2) de Topographische

dienst werd geboren, welke, als daartoe in de eerste

plaats bestemd, zeker in den allerruimsten zin tot

de geleidelijke ontwikkeling van de Indische cartographie

heeft kunnen bijdragen.

Met den aanvang der geregelde topographische

opneming van Java in 1853 kan tevens gerekend

worden dat het nieuwste tijdperk der Indische cartographie

intrad.

Het bestek van dezen catalogus gedoogt uit den


20

aard der zaak niet hier in bizonderheden te treden

omtrent de wijze, waarop de bescheiden diensttak

van 1853—en ook nog van 1874— geleidelijk

heeft kunnen ontwikkelen tot den belangrijken dienst,

zooals wij dien tegenwoordig in Indië kennen, en

evenmin om den geleidelijken voortgang van het

opnemings- en kaarteeringswerk van dien dienst

hier uitvoerig te bespreken.

Wij meenen hiervoor te mogen verwijzen naar

de literatuur over dit onderwerp, w.o. de brochure,

welke het Topographisch bureau te Batavia in 189r

het licht deed zien, waarin een beknopt overzicht

van de wording en de geleidelijke ontwikkeling van

dien dienst, zoomede gegevens omtrent de toenmalige

organisatie en werkwijze zijn opgenomen, en voorts

naar de door hetzelfde bureau ter toelichting van

zijn hoogst belangrijke inzending op deze Tentoonstelling

voor belangstellenden beschikbaar gestelde

brochure, welke eveneens eenige gegevens omtrent

de geschiedenis, zoomede de tegenwoordige organisatie

en werkwijze van den meer genoemden

dienst bevat.

Vervulde de Topographische dienst reeds sedert

lange jaren een hoogst belangrijke rol in de cartographie

van Nederlandsch-Indië, ook omdat die dienst

veelal pionierswerk te verrichten had, waar het

goldt door opneming of terreinverkenning meerdere

kennis van land en volk te vergaren, de na jarenlange

voorbereiding in 1907 in Nederlandsch-Indië

tot stand gekomen centralisatie op opnemings- en

kaarteerings gebied heeft de arbeidssfeer van den

Top. dienst nog zeer aanmerkelijk uitgebreid.

Niet alleen alle geodetische, maar ook zooveel

doenlijk alle terrein-opnemingswerkzaamheden, welke

vroeger bij de verschillende Departementen van

Algemeen Bestuur onafhankelijk van andere diensten

werden verricht, zijn toch toen onder éénhoofdige

leiding naar den Topographischen dienst overgebracht.

In Ned. Indië is op die wijze in het opnemingswerk

de meest mogelijke samenwerking en

vereenvoudiging verkregen, waardoor tevens het

vroeger herhaaldelijk opmeten van éénzelfde terrein


voor

21

verschillende doeleinden, met de daaraan onvermijdelijk

verbonden groote geldelijke nadeelen

voor den lande, ten eenemale werd uitgesloten.

De Topographische dienst van Nederlandsch-

Indië is dan ook geleidelijk eene organisatie ten

bate der algemeene belangen van ons zoo uitgestrekt

koloniaal gebied geworden en hiermede ontegenzeggelijk

ook van een niet te miskennen centrale

beteekenis voor geheel Indië.

Het behoeft wel geen nader betoog, dat eene

geregelde en nauwkeurige opneming en kaarteering

van een zóó reusachtig arbeidsveld als de Oost-

Indische Archipel, dat zich langs bijna een zesde

deel van den omtrek der aarde uitstrekt, niet in enkele

tientallen van jaren ten einde kon worden gebracht

— die van Java kwam eerst in 1885 geheel gereed - ,

en dat wij ons helaas zelfs thans nog voor enkele

zeer belangrijke deelen van dienArchipel (Z.- en O.-

Afdeeling van Borneo en het grootste deel van

Celebes) met eenvoudige schetskaarten moeten

tevreden stellen, terwijl andere, zelfs zeer uitgestrekte

gedeelten van dat arbeidsveld (verscheidene

der Kleine Soenda-eilanden en een groot deel van

den Molukschen Archipel) als 't ware nog geheel

braak liggen.

In niet onbelangrijke mate is dit o.m. veroorzaakt

door de zeer spoedige veroudering waaraan de

Indische landkaarten blootgesteld zijn, als een gevolg

van de gelukkig buitengewone economische ontwikkeling

van ons koloniaal rijk, vooral sedert het

begin dezer eeuw. Zeer uitgestrekte en voor betrekkelijk

weinige jaren nog slechts met maagdelijk

woud bezette landstreken worden toch, dank zij

den particulieren ondernemingsgeest, hoe langer hoe

meer in rijke cultuurgebieden herschapen ; het spoor-,

tram- en gewone wegennet, zoomede het irrigatiewezen

moest met dien grooten vooruitgang op

cultuurgebied wel zooveel mogelijk gelijken tred

nieuwe nederzettingen verrijzen alom, en

houden;

onze Indische landkaarten blijken helaas soms reeds

enkele jaren na de tot standko'ming niet meer te

beantwoorden aan de hooge eischen, die daaraan


22

thans vooral uit een economisch oogpunt noodwendig

moeten gesteld worden.

Herziening, om- en bijwerking der topographische

kaarten is dan ook voortdurend een onverbiddelijke

eisch voor Nederlandsch-Indië, en om daaraan

te voldoen moet noodwendig een niet onbelangrijk

deel van het beschikbaar technisch personeel

doorloopend met herzieningswerkzaamheden worden

belast, in stede van te kunnen medewerken tot de

opneming en kaarteering van nog niet nauwkeurig

in kaart gebrachte gedeelten van den Archipel.

Ter zake mag zeker evenmin over het hoofd

worden gezien, dat de binnenlandsche politieke

toestanden van Nederlandsch-Indië tot aan het begin

dezer eeuw een niet onbelangrijk deel van ons

koloniaal rijk voor een zeer intensieven opnemingsarbeid

als 't ware ontoegankelijk maakte, en dat

eerst sedert dien, in verband met de toen meer op

den voorgrond getreden ,Buitenbezittingen-politiek"

de directe bestuurs-bemoeienis met verscheidene tot

dien tijd weinig bekende deelen van dien archipel

een aanvang heeft genomen, en die landstreken

eigenlijk ook toen eerst voor eene geregelde opneming

werden ontsloten.

De rijke inzending van den Topographischen

dienst op deze Tentoonstelling, zoomede de voor

belangstellenden beschikbaar gestelde volledige opgave

van kaarten, enz., welke thans bij het hoofdbureau

van dien dienst te Batavia, zoomede hier te

lande voor het algemeen verkrijgbaar zijn, kunnen

echter overtuigend doen blijken, dat men in Indië

er met groote krachtsinspanning naar heeft gestreefd

om de aardrijkskundige kennis van ons Koloniaal

gebied in het algemeen en zeker ook de topographische

kennis in 't bizonder, zooveel mogelijk te

bevorderen.

De reproductie van het in vroegere jaren meer

eenvoudige Indische kaartwerk werd uitsluitend bij

het Topographisch bureau te Batavia uitgevoerd,

terwijl tot voor weinige jaren voor de zeer belangrijke

cartogaphische uitgaven ook de medewerking

werd ingeroepen van de Topographische Inrichting


23

van het Departement van Oorlog te 's-Gravenhage,

die de Indische cartographie ontegenzeggelijk heeft

mogen verrijken niet ware meesterstukken op het

gebied der kaartreproductie (de Residentiekaarten

van Java op i : iooooo, de Atlas van Ned.-Indië

van Stemfoort en ten Siethoff).

Sedert het Lithographisch etablissement van de

Topographische inrichting te Batavia echter geleidelijk

de beschikking heeft gekregen over de

meest moderne technische hulpmiddelen, maar vooral

over een technischen leider, die dekaartreproductie

aldaar geheel op de hoogte van den tegenwoordigen

tijd heeft weten te brengen, is men te Batavia in

staat tot de vervaardiging van de grootste en moeilijkste

kaartwerken, die op reproductiegebied den

toets eener vergelijking met hetgeen in Europa

onder zoo oneindig veel gunstiger omstandigheden

tot stand komt, zeker met glans kunnen doorstaan.

De heer J. W. Teillers, die sedert 1900 aan het

hoofd van bedoeld etablissement staat, verdient in

dit verband hier zeker wel eene eervolle vermelding.

Dat van Regeeringswege, ofmet behulp van haren

grooten steun, gedurende de laatste 40 jaren ook

nog in verschillende andere richtingen een zeer

groote werkzaamheid aan den dag werd gelegd om

de aardrijkskundige kennis van Nederlandsch-Indië

belangrijk te bevorderen, en dat de van haar uitgegane

kaartwerken, wetenschappelijke boekwerken en verslagen

op natuurwetenschappelijk gebied in het

algemeen daarmede gelijken tred hebben gehouden,

zal zeker niet minder overtuigend uit het tentoongestelde

kunnen blijken.

Zoo zijn de van wege het Departement van Marine

uitgevoerde, omvangrijke hydrographische opnemingen,

welke hierachter meer in 't bizonder worden

besproken, voor de cartographie van den Oost-

Indischen eilandenwereld van het allergrootste belang

geweest. Een zeer juiste kennis van vaarwaters, kustlijnen,

baaien en havens, zoomede hoogst belangrijke

gegevens op het gebied der Oceanographie


24

in het algeme-en, hebben wij aan die nauwkeurige

opnemingen te danken.

Op het gebied der Natuurkundige aardrijkskunde

werd voorts in Nederlandsch-Indië door het mede

onder genoemd Departement ressorteerend Koninklijk

Magnetisch en Meteorologisch Observatorium te

Batavia, tevens het eenige Geophysisch Instituut

in de tropen, een wetenschappelijke arbeid van

groote beteekenis geleverd op het gebied van getijstroomingen,

windrichting, aardmagnetisme, seismologie,

enz., en in het algemeen op het gebied

der meteorologie en klimatologie, zooals in dezen

catalogus nog nader wordt toegelicht, en zeker niet

minder uit het thans tentoongestelde kaartwerk blijkt.

Het geologisch opnemingswerk, dat in de laatste

tientallen van jaren zoowel van Regeeringswege

door den Dienst van het Mijnwezen, als door enkele

groote Mijnbouwmaatschappijen, zoomede door tal

van particuliere wetenschappelijke explorateurs in

Ned.-Indië werd verricht, schonk het aanzijn aan

waardevolle geologische kaarten, die voor den practischen

mijnbouw van het allergrootste belang kunnen

worden geacht.

Ten behoeve der Irrigatie van Java werden door

het Departement der Burgerlijke Openbare Werken

verscheidene zeer omvangrijke irrigatie-opnemingen

verricht en bevloeiingskaarten vervaardigd en uitgegeven.

De dienst van het Boschwezen vervaardigde talrijke

boschkaarten der djati-complexen op Java,

welke echter niet zijn uitgegeven, evenmin als de

tot voor weinige jaren nog door den Kadastralen

dienst vervaardigde kaarten op landrente-gebied,

waarvan de opneming en kaarteering sedert 1907

naar den Topographischen dienst zijn overgebracht.

Met betrekking tot hetgeen van Regeeringswege

op deze Tentoonstelling werd ingezonden, vermeenen

wij nog de bizondere aandacht te moeten

vestigen op de door het Departement van Binnenlandsch

Bestuur te Batavia tentoongestelde Overzichtskaart

van Java op de schaal 1: 500.000, waarop


25

in groote trekken de verschillende soorten van

grondbezit zijn aangegeven, die uit een economischaardiïjkskundig

oogpunt van belang zijn, en op de

inzending van het onder hetzelfde Departement

ressorteerend, eerst kortelings opgericht Encyclopaedisch

Bureau, betreffende een exploratietocht door

een deel van het eiland Celebes.

Voorts op de belangrijke inzending van het Departement

der Gouvernements-Bedrijven te Batavia,

bestaande uit Spoor- en Tramwegkaarten, en uit

kaarten betreffende den Post-Telegraaf- en Telefoondienst

in Nederlandsch-Indië. waaruit o.m. de zoo

buitengewone uitbreiding der verkeersmiddelen in

het afgeloopen 40-jarig tijdperk kan blijken, zoomede

uit kaartmateriaal betrekking hebbende op den mijnbouw

in Ned.-Indië.

Bizondere aandacht verdient niet minder de mede

uit een economisch oogpunt zoo merkwaardige inzending

van het Departement van Financiën te

Batavia, bestaande uit graphische voorstellingen

betreffende den In- en Uitvoer in ons tropengebied

van 30 jaar geleden en thans, en uit eene voorstelling

der Stoomvaartlijnen in en op Nederlandsch-

Indië.

Het vorenstaande samenvattende, kan worden

getuigd, dat, rekening houdende met de financiëele

draagkracht van Nederlandsch-Indië, van Regeeringswege

op onbekrompen wijze is medegewerkt tot

bevordering der geographische kennis van Tropisch

Nederland, overtuigd als Zij was, dat kennis van

land en volk in den meest uitgebreiden zin een

hoofdvereischte is om het door Nederland als groote

Koloniale Mogendheid overheerschte rijk en deszelfs

bewoners tot meerdere ontwikkeling, beschaving en

welvaart te brengen.

En wanneer wij nog de aandacht hebben gevestigd

op de talrijke bijdragen, die in de laatste

40 jaren zoowel door Nederlandsche als door Buitenlandsche

natuuronderzoekers aan de Indische cartographie

zijn geleverd, en wij verder in 't licht

hebben gesteld de vruchtbare werkzaamheid op dat

gebied van de Maatschappij ter Bevordering van


26

het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche

Koloniën en van het aan die Maatschappij nauw

verwant Indisch Comité ie Batavia, op deze Tentoonstelling

gedemonstreerd door hare kostbare

uitgaven, betrekking hebbende op de expedities,

welke door genoemde Maatschappij zijn uitgezonden

of ondersteund, dan valt ten slotte nog te wijzen

op het vele, dat door ons jubileerend Genootschap

op het gebied der Indische cartographie werd verricht.

De reeds lijvige serie deelen van 's Genootschaps

Tijdschrift, zoomede de vele afzonderlijke wetenschappelijke

werken door hetKoninklijk Nederlandsch

Aardrijkskundig Genootschap uitgegeven, leggen

daarvan op deze Tentoonstelling zeker het meest

sprekend getuigenis af.

J. J. K. Enthoven.


DRIEHOEKSMETINGEN IN NEDER-

LANDSCH-INDIË.

1873—1913-

Toen in 1873 net Aardrijkskundig Genootschap

werd opgericht, waren de werkzaamheden voor de

driehoeksmeting van Java, welke in rB6i onder

leiding van den Hoofdingenieur van den Geographischen

dienst, Prof. Dr. J. A. C. Oudemans waren

aangevangen, nog in vollen gang. Op de meeste

stations van het driehoeksnet waren de metingen

reeds verricht en in dat zelfde jaar werd de eerste

basis gemeten, nabij Simplak in West-Java, met

den reeds in 1867 door Repsold te Hamburg geleverden

toestel, die in 1872 uit Nederland was

ontvangen.

Deze driehoeksmeting had niet alleen ten doel

het leveren van vaste punten voor het in kaart

brengen van het eiland, waarvoor tevens een secundaire

triangulatie werd uitgevoerd, maar in 1862

was op voorstel van Oudemans, die daarbij werd

ondersteund door de Koninklijke Akademie van

Wetenschappen te Amsterdam, door de Regeering

goed gevonden, dat zij tevens, als graadmeting een

zuiver wetenschappelijk doel zou beoogen, namelijk

het leveren van gegevens voor de bepaling van de

gedaante der geoïde. Daartoe waren in het programma

opgenomen de uitvoering van astronomische

breedte- en azimutbepalingen op tal van driehoekspunten

en de bepaling van een aantal lengteverschillen

met den telegraaf.

In 1875, kort voordat de meting eener tweede

basis, bij Logantong in Midden-Java

was afgeloopen,

keerde Oudemans naar Nederland terug en werd


28

de leiding der triangulatie opgedragen aan den

Ingenieur 11. Th. Soeters. In 1877 werd de derde

basis, bij Tangsil in Oost-Java, gemeten. In 1879

overleed de Ingenieur C. Woldring, die in 1880

wegens ziekte met verlof naar Europa vertrok en

te Mentone overleed.

In het laatst van 1881 kwam door de opheffing

van den Geographischen dienst, die een onderdeel

was van het Departement van Marine, een einde

aan de werkzaamheden op Java. De eigenlijke

triangulatie was geheel voltooid; van het programma

waren een aantal breedte- en azimutbepalingen en

alle voorgenomen telegraphische I'engtebepalingen

onuitgevoerd gebleven

Bijzonderheden omtrent de uitgevoerde werkzaamheden

en de verkregen resultaten zijn doorOudemans

gepubliceerd in „die Triangulation von Java", waarvan

de eerste „Abtheilung" verscheen in 1875 D Ü

de landsdrukkerij te Batavia, terwijl de vijf volgende

van 1878 tot 1890 zijn uitgegeven bij Martinus

Nijhoff te 's Gravenhage.

Het hoofddriehoeksnet bevat 114 punten, terwijl

ten behoeve der topographische opneming nog ruim

800 punten der tweede orde door secundaire

triangulatie zijn vastgelegd.

De opheffing van den Geographischen dienst

hield verband met het voornemen om de uitvoering

van triangulatiën voortaan op te dragen aan

den onder het Departement van Oorlog ressorteerenden

Topographischen dienst. Daardoor zou

bij de uit te voeren triangulatie van Sumatra, die

uitsluitend ten doel had eén betrouwbaren grondslag

te leveren voor de topographische opneming,

een beter verband worden verkregen tusschen trianguleerings-

en opnemingswerkzaamheden, dan op

Java het geval was geweest. De Kapitein van den

Generalen Staf H. Helb, aan wien de leiding der

triangulatie zou worden opgedragen, had zich voor

zijn taak voorbereid tijdens eene detacheering bij

het Departement van Marine; verder werden in het

begin van 1882 twee officieren naar Nederland gezonden

om daar een speciale opleiding te ontvangen


29

van de hoogleeraren Ch. M. Schols te Delft en J.

A. C. Oudemans te Utrecht.

Toen de voorbereiding geheel was afgeloopen

en het Legerbestuur het voorstel deed een aanvang

te maken met de uitvoering, vond de toenmalige

Gouverneur-Generaal het goed, uit een oogpunt van

bezuiniging en uit vrees voor politieke verwikkelingen,

onder nadere goedkeuring des Konings af

te zien van de triangulatie van Sumatra. Het Gouvernements-Besluit

van 2 Juni 1882 werd hier te

lande bekend door een hoofdartikel in het Nieuws

van-den Dag van 26 Juli 1882, waarin de geheele

tekst werd openbaar gemaakt. De in dat artikel

uitgesproken veroordeeling van den slecht gemotiveerden,

voor de ontwikkeling van Sumatra zoo

nadeeligen maatregel, die bovendien het voortbestaan

van den Topographischen dienst in de waagschaal

stelde, vond hier te lande allerwege weerklank

blijkens talrijke artikelen in dagbladen en tijdschriften

verschenen. Niet het minst gordde het Aardrijkskundig

Genootschap zich aan om het besluit

van den Gouverneur-Generaal ongedaan te maken.

Reeds den 31 Juli 1882 richtte het bestuur met

dit doel adressen aan den Minister van Koloniën

en aan de beide Kamers der Staten-Generaal Den

14 October werd in de 38ste Algemeene Vergadering

te Amsterdam door den toenmaligen kapitein

van den Generalen Staf F. de Bas een bespreking

ingeleid betreffende de triangulatie van Sumatra,

als gevolg waarvan door den Ondervoorzitter, den

oud-kolonel der Genie van het Indisch Leger W.

F. Versteeg een motie werd voorgesteld, die met

algemeene stemmen werd aangenomen. Daarin sprak

de vergadering haar leedwezen uit over den inhoud

van het besluit van den Gouverneur-Generaal en

gaf zij het verlangen te kennen, dat het Bestuur

zich zou wenden tot de Volksvertegenwoordiging

met het verzoek tot ondersteuning der pogingen

van het Genootschap om 's Konings goedkeuring

aan dat besluit te doen onthouden. Verder werd

door het Genootschap als Bijblad No. 10 een stuk

van den Kapitein de Bas over de triangulatie van


30

Sumatra uitgegeven, waarin het ongemotiveerde en

schadelijke van het besluit van den Gouverneur-

Generaal op overtuigende wijze werd aangetoond. In

het voorloopig verslag betreffende de begrooting

van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1883

werd dan ook door vele leden krachtig aangedrongen

op de uitvoering der triangulatie van Sumatra.

Het valt te betwijfelen of de aandrang bij de

Regeering inderdaad noodzakelijk is geweest; waarschijnlijk

heeft men er op het Plein nimmer aan

gedacht het besluit ter goedkeuring aan den Koning

voor te leggen. De Gouverneur-Generaal is verplicht

geworden te verklaren, dat hij van zijne meening

was teruggebracht; echter heeft hij zich niet gehaast

den maatregel ongedaan te maken: eerst den 9 Maart

1883 werd machtiging verleend tot uitvoering der

triangulatie en in Mei van dat jaar werd met de

werkzaamheden aangevangen in het Gouvernement

van Sumatra's Westkust.

De kapitein Helb, aan wien de leiding was opgedragen,

werd in 1883 bevorderd tot majoor: hij

moest in 1886 wegens ziekte met verlof naar Nederland

vertrekken en werd vervangen door den kapitein

van den Generalen Staf H. D. H. Bosboom.

In 1889 werd het personeel der triangulatie,

onder den naam van Triangulatie-brigade, in de

vaste formatie van den Topografischen dienst opgenomen.

Wegens zijn benoeming tot chef van den

Topografischen dienst trad de heer Bosboom, die inmiddels

tot luitenant-kolonel was bevorderd, in 1894

af als brigadechef; hij werd opgevolgd door schrijver

dezes. In 1896 was de triangulatie van het Gouvernement

van Sumatra's Westkust, waartoe toenmaals

ook de residentie Tapanoeli behoorde, afgeloopen.

Het hoofddriehoeksnet bevat 59 punten; een basis

is nabij Padang gemeten, met een stalen meetband;

men had de met dit eenvoudig instrument te bereiken

nauwkeurigheid voldoende geacht in verband

met het doel der triangulatie, terwijl de basistoestel

van Repsold in 1883 naar Nederland was teruggezonden.

Op twee stations zijn astronomische

breedte- en azimutbepalingen uitgevoerd.


31

Door secundaire triangulutie zijn 170 punten der

tweede en 1484 punten der derde orde vastgelegd.

De uitkomsten der triangulatie zijn in 1900 in het

licht verschenen bij de Landsdrukkerij te Batavia.

Bij de uitvoering dezer triangulatie is een voor

de seismologische wetenschap belangrijk feit geconstateerd.

In Mei 1892 had in de residentie

Tapanoeli, waar de metingen toen in vollen gang

waren, een hevige aardbeving plaats. Door een

buitengewoon groote sluitingsfout in een der driehoeken,

waarvan twee hoeken vóór de aardbeving

waren gemeten, de derde daarna, rees het vermoeden,

dat door het natuurverschijnsel verschuiving

der driehoekspunten was veroorzaakt. Door uitvoering

van hennetingen op een aantal stations

heeft men voor drie punten de verschuiving inderdaad

kunnen constateeren en met een vrij groote

nauwkeurigheid de richting en grootte daarvankunnen

bepalen. Twee van deze, gelegen aan de westzijde

der vulkanische spleet, die zich uitstrekt volgens

de lengteas van Sumatra, bleken ruim 1,2 meter

in noordwestelijke richting te zijn verplaatst, terwijl

het derde op 12 kilometer beoosten de spleet gelegen,

0,6 meter in zuidwestelijke richting was verschoven.

Een horizontale verschuiving van uitgestrekte

deelen van het aardoppervlak werd hierdoor

voor de eerste maal met zekerheid aangetoond.

Met de triangulatie van Zuid-Sumatra werd aangevangen

in 1895; het driehoeksnet is aangesloten

aan dat van Java en de lengte der zijden afgeleid

uit die der aansluitingszijden van het Javanet, om

zoodoende grooter nauwkeurigheid te verkrijgen dan

bij het gebruik van een stalen meetband was te verkrijgen.

Van de in 1868 door den Geographischen

dienst in de Lampongsche Districten vastgelegde

punten kon daarbij geen gebruik worden gemaakt,

daar de pilaren waren vernield, zoodat een nieuwe

verbinding over straat Soenda noodig was,

De leiding der werkzaamheden berustte tot in 1903

bij schrijver dezes, die echter in 1897 en 1898, gedurende

afwezigheid met verlof in Europa, werd

vervangen eerst door den majoor van den Generalen


32

Staf J. J. K. Enthoven, en na diens benoeming tot

Chef van den Topographischen dienst door den

kapitein der Infanterie R. A. van Dorssen. In 1903

trad op als Chef der Triangulatie-brigade de kapitein

der Genie S. Blok, die in 1805 den miiitairen

dienst verliet en met den titel van ingenieur aan

het hoofd der brigade bleef.

De verbinding aan het hoofddriehoeksnet met het

net van Sumatra's Westkust kwam in 1904 tot stand;

in 1906 waren de metingen in Zuid-Sumatra geheel

afgeloopen.

Het hoofddriehoeksnet bevat 41 punten; op één

station zijn breedte- en azimutbepalingen uitgevoerd.

Verder bevat het net 61 punten der tweede, en 680

der derde orde. In de oostelijke laaglanden der

residentiën Lampongsche Districten en Palembang,

waar de terreinsgesteldheid triangulatie onmogelijk

maakt, zijn de vaste punten voor een topographische

opneming op kleine schaal verkregen door astronomische

plaatsbepalingen. De lengteverschillen werden

daarbij bepaald door het overbrengen van tijdmeters;

alleen het lengteverschil Palembang-Lahat

is telegraphisch bepaald. In het geheel zijn op deze

wijze 61 punten vastgelegd. De uitkomsten der driehoeksmeting

en der astronomische bepalingen zijn

in 191 1 uitgegeven bij de Javasche Boekhandel en

Drukkerij te Batavia.

In 1906 werd door de bovenlanden van Djambi

een nieuwe, meer gunstige verbinding tusschen de

driehoeksnetten van Midden- en Zuid-Sumatra gezocht

en verkregen, waaraan tevens de secundaire

triangulatie van dat gewest kan worden aangesloten.

Nadat op enkele stations reeds hoekmetingen waren

uitgevoerd, werden in 1908 de werkzaamheden gestaakt,

om vooreerst alle krachten te kunnen besteden

aan de triangulatie van de residentie Oostkust

van Sumatra.

In dit zoo belangrijk gewest zijn de werkzaamheden

in 1907 begonnen onder leiding van den

ingenieur Blok. Toen deze in 1909 wegens ziekte

niet verlof naar Europa moest vertrekken, werd hij

als Brigadechef opgevolgd door den kapitein der


33

artillerie A. van Lith, die in ign werd vervangen

door den kapitein der infanterie V. E. Segov.

Door de aanschaffing bij Carpentier te Parijs van

een basistoestel volgens de door Benoit en Guillaume

aangegeven constructie met draden van

invar, een alliage van ijzer en nikkel met zeer

kleinen uitzettingscoefficient, kwam de Triangulatie

eindelijk in het bezit van een toestel voor

basismeting volgens de door Jaderin ingevoerde

methode. Met behulp der draden, die een lengte

hebben van 24 meter, kunnen de metingen zeer

snel en nauwkeurig worden uitgevoerd. In 1910 is

met dezen toestel een basis gemeten nabij Sampoen

op de hoogvlakte ten noorden van het Tobameer.

Het volgend jaar werd, aansluitende aan het oude

net van Tapanoeli en het net der residentie Oostkust

van Sumatra, een driehoeksketting gebracht

over de tot Tapanoeli behoorende landstreken ten

westen van het Tobameer. De hoekmetingen in

beide gewesten zijn nog in gang.

Een deel van het personeel der Triangulatiebrigade

ging in 1910 over naar Celebes, om aldaar

een begin te maken met de triangulatie op het

zuidwestelijk schiereiland; in 1911 werd in de

nabijheid van Djeneponto met de invardraden een

basis gemeten. Terwijl op Sumatra de geheele

triangulatie wordt uitgevoerd door het personeel

der Triangulatie-brigade, zal op Celebes de vastlegging

van de punten der derde orde geschieden

door het personeel der opnemings-brigades, die

het eiland in kaart zullen brengen. Bij de te verwachten

economische ontwikkeling van Celebes

onder de gewijzigde bestuurstoestanden zal men

later in verband met wegenaanleg, cultures en

mijnbouw beter in staat zijn de vaste punten in

het terrein oordeelkundig te kiezen, dan thans het

geval zou zijn. De hoofddriehoekmeting en de vastlegging

van punten der tweede orde zullen dien

ten gevolge veel vlugger kunnen worden uitgevoerd.

Door de opnemings-brigades, die vóór 1886 met

het in kaart brengen der gewesten van West- en

van Oost-Java waren belast, zijn aansluitende aan


34

de hoofd- en secundaire driehoeksmeting van Oudemans,

doch volgens voorloopige gegevens, detailtriangulaties

uitgevoerd; de oude opnemingen in

Midden-Java berusten niet op een triangulatie. Toen

in 1895 aan de pas opgerichte Opleidings-brigade

onder den naam van „herziening" der verouderde

en onbruikbare kaarten een geheel nieuwe opneming

van Midden-Java werd opgedragen, ging hiermede

de uitvoering eener detailtriangulatie gepaard. Reeds

dadelijk bleek daarbij, dat de gegevens betreffende

de punten der tweede orde, voorkomende in de

vijfde Afdeeling der „Triangulation von Java"

onbruikbaar waren, daar de pilaren die indertijd

na de uitvoering der hoekmetingen door de bevolking

in heerendienst waren gebouwd, voor het

meerendeel niet op de juiste plaats waren opgericht;

dientengevolge moest een nieuwe bepaling

der punten van de tweede orde worden uitgevoerd.

Ook deze metingen worden nog voortgezet; de

resultaten zijn reeds gepubliceerd voor de residentiën

Banjoemas en Kedoe in 1903 bij Kolff en Co.

te Batavia, voor de residentie Semarang in 1912

bij de Javasche Boekhandel en Drukkerij te Batavia.

Behalve door het personeel van den Topographischen

dienst zijn verder op Java nog detailtriangulaties

uitgevoerd door het Kadaster, het

Boschwezen en het personeel der Irrigatie.

J. J. A. Muller.


OVERZICHT VAN DEN OPNEMINGS

EN KAARTEERINGSARBEID IN DE

WEST-INDISCHE KOLONIËN.

Hoewel onze West-Indische koloniën reeds eeuwen

in ons bezit zijn, behoeft men den blik niet zoo

heel ver achterwaarts te werpen om te kunnen

nagaan wat daar aan cartografischen arbeid verricht

is.

Wel werd

— wat Suriname betreft — hetgeen

er buiten den kring der toenmaals bestaande plantages

lag, eenigszins bekend door de vele tochten

die, hoofdzakelijk in de laatste helft vandeiBdeen

in de eerste helft van de 19de eeuw, werden ondernomen

om weggeloopen slaven in de bosschen

te sporen of ze tot de Boven Marowijne en de

Suriname-rivier te vervolgen, doch toen die tochten

met de erkenning van de vrijheid, welke die slaven

zich zelven hadden verschaft, een einde hadden

genomen, werd er niet meer naar de binnenlanden

omgezien.

In dien toestand kwam feitelijk eerst verandering

toen de Heeren J. F. A. Cateau van Rosevelt en

J. F. A. E. van Lansberge, met het doel een betrouwbare

kaart van Suriname samen te stellen, in

1860 de verschillende rivieren tot aan hunnen middenloop

begonnen te verkennen en de ligging er

van vaststelden met behulpvan tal van astronomisch

bepaalde punten. Die werkzaamheden duurden tot

1879 en hebben geleid tot de in 1882 van Regeeringswege

uitgegeven kaart van Suriname in

10 bladen, schaal 1: 200000, welke kaart thans nog

als de officieele kaart van die kolonie geldt.

Uit deze kaart, aangevuld met zijne eigene van

op


36

veel energie getuigende opmetingen in de binnenlanden

tusschen de jaren 1876 tot 1897, met die

van de Boven Corantijn door C. Barrington Brown,

van de Marowijne kreek door H. Coudreau en van

een deel van den bovenloop der Nickerie-rivier door

den toenmaligen Districts-Commissaris Van Drimmelen,

heeft daarop de toenmalige Gouvernementslandmeter

W. L. Loth in 1899 een kaart van de

kolonie Suriname, schaal 1: 500000, met handleiding

samengesteld en het licht doen zien.

Met dat al moest daarop nog ruim 2 /3 gedeelte

vin de Kolonie als „onbekende wildernis" worden

aangegeven. Dit beschamend feit leidde er toe dat

van verschillende zijden ernstige stappen werden

gedaan om het onderzoek van Suriname's binnenlanden

met kracht door te zetten.

De eerste uitingen daarvan waren de op zich

zelf staande expeditie in 1900 onder leiding van

Dr. H. van Cappelle, die een in hoofdzaak geologisch

onderzoek van de Nickerie-rivier instelde, en de

Coppename-expeditie, die in 1901 onder leiding van

den oud-majoor L. A. Bakhuis de verkenning van

den bovenloop en van de bronnen van de Coppename-rivier

op zich nam.

Deze laatstgenoemde tocht was georganiseerd dooide

Vereeniging voor Suriname, de Maatschappij

ter bevordering van het Natuurkundig onderzoek

van

de Nederlandsche Koloniën en het Koninklijk

Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap, die daarvoor

uit hun midden een Commissie tot Wetenschappelijk

Onderzoek benoemden, waarvan de oud-

Gouverneur Generaal van Nederlandsch-Indië Jhr.

C. H. A. van der Wijck voorzitter werd.

Deze Commissie heeft zich niet beperkt tot de

eerste expeditie, doch, nadat gebleken was, dat deze

belangrijke resultaten had opgeleverd, ook het patronaat

op zich genomen van de zes volgende tochten,

t. w. de Saramacca-expeditie in 1902 onderleiding

van den luitenant ter zee ie klasse A. J. van

Stockum, de Gonini-expeditie in 1903 en de Tapanahoni-expeditie

in 1904 onder leiding van den

ien luitenant van het O. I. leger A. Franssen Her-


37

derschee, de Toemoekhoemak-expeditie in 1907 onder

leiding van den luitenant ter zee 2de klasse C. H.

de Goeje, de Suriname-expeditie (1908) onder leiding

van den luitenant ter zee ie klasse J. G. W. J.

Eilerts de Haan, en eindelijk de Corantijn-expeditie

in 1910 onder leiding van laatstgenoemden zeeofficier

en toen deze onderweg tengevolge van een

hevigen malariaaanval bezweek, onder die van den

luitenani ter zee 2e klasse C. C. Kayser.

In het begin werkten de drie genoemde vereenigingen

min of meer gelijkelijk samen om die tochten

mogelijk te maken, ofschoon toch van het begin af

het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap

de moeilijkste taak daarbij te vervullen had,

daar het voor het bijeenbrengen van de nog noodige

geldmiddelen zorg droeg. Bij de latere expedities

was het zelfs uitsluitend dit Genootschap dat ze

organiseerde met steun van de andere genoemde

Vereenigingen, terwijl de Commissie hierboven vermeld

zich met de leiding in Nederland bleef belasten.

De vereischte geldmiddelen werden verkregen ten

deele door de voor elke expeditie verstrekte Regeerings-subsidies,

ten deele door bijdragen van de genoemde

Vereenigingen, of gelden door particulieren

bijeengebracht.

De resultaten van deze expeditiën op topografisch

gebied vindt men hoofdzakelijk in de uitvoerige door

de leiders bewerkte kaarten, die met de daarop

betrekking hebbende verslagen achtereenvolgens zijn

opgenomen in het tijdschrift van het Aardrijkskundig

Genootschap, jaargang 1902, 1903, 1904, 1905, 1908,

1910 en 1912, terwijl die van de hiervorengenoemde

tochten van de H.H. van Drimmelen en Dr. van

Cappelle worden aangetroffen op de Carte géognostique

du Nickérie Supérieur, schaal 1 : 200000, in de

in 1907 bij de Hollandia-drukkerij te Baarn verschenen

„Essai sur la Constitution géologique de

la Guiane Hollandaise (district occidental) door Dr.

H. van Cappelle.

Deze kaarten doen zien dat thans alle Surinaamsche

rivieren tot aan haren oorsprong in kaart gebracht zijn,

het verticaal verband in hoofdtrekken bepaald is en


38

de grens met Brazilië met voldoende zekerheid is

vastgesteld kunnen worden; in één woord, dat de

groote witte plek die tot een dertien jaren geleden

nog op elke kaart van Suriname voorkwam, geheel

verdwenen is.

De bedoeling is het, thans een geheel nieuwe

kaart van Suriname te vervaardigen, waarop de in

het binnenland verkregen resultaten worden verbonden

aan een geheel te herziene kaart van de

benedenlanden.

Met dat doel is eenige jaren geleden de oudmajoor

van den Topografischen dienst van het 0.1.

Leger Spiriet in Suriname geplaatst geworden, werden

het vorige jaar in de benedenlandental van plaatsen

op nieuw astronomisch bepaald en zijn eenige intelligente

Surinaamsche jongelieden naar Java gezonden

om daar het vak van opnemer grondig te

leeren, ten einde, in Suriname teruggekeerd, de

kern te vormen van een uitgelezen opnemingsbrigade.

De West-Indische eilanden kon men, in het algemeen

gesproken, tot zelfs een halve eeuw geleden

slechts vinden op algemeene kaarten van den West-

Indischen Archipel, waarop ze uiteraard niet veel

meer dan stippen vormen. Het Kon. Nederlandsch

Aardrijkskundig Genootschap heeft zich zeer beijverd

om in dien toestand verbetering te brengen door

in zijn tijdschrift te publiceeren geologische kaarten

van Curacao, Aruba en Bonaire van Prof. K. Martin

(zie 2e serie, deelIV, afdeeling: Verslagen en mededeelingen)

en speciale kaarten van St. Eustatius

(1874), van Curacao (1882) en van St. Martin (1890).

Deze kaarten waren echter alle min of meer

schetsmatig, zoodat, toen het voornemen bestond op

Curacao het bevloeiingswezen te herzien, het gemis

van topografische kaarten zeer werd gevoeld en de

Regeering besloot de voornaamste eilanden Curacao,

Aruba en Bonaire topografisch te doen opnemen.

Een bekwaam topograaf van den Topografischen

dienst in Nederlandsch-Indië werd daarvoor in 1906

naar Curacao gedetacheerd en in het begin van 1911

kon reeds de Topografische kaart van het eiland


39

Curaqao in kleurendruk, schaal i : 20000, in 18

bladen in den handel worden gebracht. De uitgave

van de Topografische kaart van het eiland Aruba,

schaal 1: 20000, in 8 bladen mede in kleurendruk,

volgde in 1912, terwijl een soortgelijke kaart van

Bonaire, in 6 bladen en op dezelfde schaal, thans

nog ter perse ligt.

Voorts zag nog in 1912 het licht dekaart van het

stadsdistrict van het eiland schaal 1 : 5000,

in 2 bladen in kleurendruk.

L. A. Bakhuis.


DE HYDROGRAPHIE VAN DEN

OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.

De hydrographische dienst is te allen tijde een

zorg geweest van onze voorouders en onder hen

waren in de eerste plaats de bewindhebberen der

Oost-Indische Compagnie overtuigd van het belang,

dat men had bij goede zeekaarten, speciaal van den

0.-I. Archipel.

De gegevens daarvoor werden verzameld op de

verschillende reizen en de „Examinateurs" met den

„Baas Kaartenmaker" te Batavia zorgden voor het

verwerken daarvan.

Dat die gegevens, hoewel niet volledig, soms

merkwaardig juist waren, bewees de jongste opneming

van de golf van Tomini, waarbij de hooge

waarde bleek van de kaart, welke de hoeker „de

Brandtgans", schipper Jan van der Wal, in 1682

daarvan heeft gemaakt; hoe lang zij dienst kunnen

doen bewijst dekaart, welke het fregat „deGeelvinck,"

de chaloup „de Kraanvogel" en de pantjalang „Nova

Guinea" in 1705 hebben vervaardigd van de Geelvinkbaai,

welke thans nog de grondslag is van onze

zeer gebrekkige hydrographische kennis dier kust.

In de laatste helft der 18e en het begin der 19e

eeuw hebben de Engelschen kaarten gemaakt van

gedeelten van onzen Archipel, speciaal van het

N.lijk gedeelte van Sumatra en de eilanden op de

O.kust, en de Fransche wetenschappelijke expedities

daarvoor gegevens geleverd door vluchtige opnemingen

in de Anambas-eilanden en op de NW.

en N.kust van Nieuw-Guinea, zoodat in 1854, van

de 827 manuscripten, aanwezig in het depot der

zeekaarten, 121 van vreemden oorsprong waren


41

Thans is dit getal geslonken tot enkele, de kaarten

der Anambas-eilanden, in 1893 opgenomen door

de Engelschen.

De meer systematische verzameling en verwerking

van gegevens dateert eerst van 1821, toen de Gouverneur-Generaal

Van der Capellen een „Kommissie

tot verbetering van Indische zeekaarten" instelde

en bepaalde dat ten allen tijde een oorlogsvaartuig,

met uitsluiting van alle andere diensten, belast zou

worden met het doen van hydrographische opnemingen.

In 1823 werd aan de Kommissie toegevoegd

een „depot van zeekaarten, boeken en instrumenten"

en daarbij geplaatst een zeeofficier als

amanuensis.

De eerste opnemingsvaartuigen (') waren de

koloniale korvet „de Courier" en de brik „Jacoba

Elisabeth", welke dadelijk een aanvang maakten

met het in kaart brengen van drie voorname vaarwegen:

de Gasparstraten, straat Karimata en straat

Sapoedi. Doch die ijverige en productieve arbeid

duurde slechts 2 jaren, vermoedelijk ook ten gevolge

van den achteruitgang en de weinige veerkracht

bij de Koloniale marine in de laatste jaren

van haar bestaan. Daarna werd gedurende 35 jaren

geen vaartuig meer voor dien specialen dienst aangewezen;

de Kommissie ontving daardoor slechts

weinige gegevens, haar arbeid werd onbelangrijk

en bij de bezuinigingen, tijdens het bestuur van den

Kommissaris-generaal du Bus ingevoerd, werd zij in

1834 ontbonden en hare werkzaamheden provisioneel

opgedragen aan den havenmeester te Batavia.

Toen de Koloniale marine bij de Koninklijke

Nederlandsche was ingelijfd, werd de Kommissie in

1838 wederom in eere hersteld om nog bijna 30

jaar te blijven bestaan; evenwel werd nog geen schip

aangewezen voor de hydrographische opnemingen

en eerst in 1858 werd de Schoenerbrik „Pylades"

daartoe geschikt gemaakt.

De opnemingen tusschen '24 en '58 verricht, zijn

bijna uitsluitend te danken aan in dienst zijnde

(!) Zie ook de bijlage.


42

oorlogschepen, van daar dat de meeste gelegen zijn

in de nabijheid van de stations dier schepen, Ambon,

Makasser, Banjoewangie, Samarang, Sambas, Riouw

en Padang. Ook zijn toen eenige speciale opdrachten

op de Z.kust van Java, welke slechts geringe

hulpmiddelen eischten, volvoerd.

Van de groote reizen, welke dienstbaar werden

gemaakt om de hydrographische kennis van den

Archipel te vermeerderen, dienen in het bijzonder

te worden genoemd die naar de ZW.kust van Nieuw-

Guinea in 1826—35 ondernomen door de korvet

„Triton," de brikken „Postiljon" en „Doerga" en de

schoeners „Iris" en „Sireen." Na het bezoek dier

schepen hebben zwijgende wapenborden het Nederlandsche

gezag daar moeten hooghouden.

Met de „Pylades" begint de onafgebroken rij opnemingsvaartuigen

waarvan de namen met de bewerkte

terreinen, hierachter worden vermeld. Gebrek

aan praktijk, geringe hulpmiddelen en voortdurend

afbreken der werkzaamheden wegens timmeren of

ziekte, maakten evenwel, dat het werk in den beginne

maar weinig opschoot. In 1868 scheen een betere

tijd te zullen aanbreken met de vervanging van

het zeilschip door het stoomschip „Stavoren" maar

tevens werd een terrein, de N. en N.0.-kust van

Banka, in bewerking genomen, waarvoor zelfs dit

vaartuig zonder stoomsloepen niet berekend was.

Hoewel daar jarenlang is vertoefd en de minuutbladen

bezaaid zijn met cijfers ')> bleek toch in den

loop der tijden het werk onvolledig en moest het

later worden herzien.

Een stap vooruit deed men in 1874, door het

speciaal voor de opnemingen gebouwde stoomschip

„Hydrograaf" in dienst te stellen en daaraan toe te

voegen een stoombarkas en kruisprauw, maar in

1883 deed men weer een stap terug, door de uitzending

van twee zeilschepen, de „Melvill van Carnbée"

en de „Blommendal," omdat men meende, dat

met een zeilschip de opnemer het terrein zooveel beter

leert kennen. Hoewel toen de opneming van ver-

') Op de tentoonstelling aanwezig.


43

scheidene vaarwegen o.a. Straat Makasser en die

van de kleine Soenda-eilanden veel meer drong dan

die van de N.kust van Java, O.kust van Sumatra,

Riouw en Lingga Archipel, waarvan vrij bruikbare

kaarten bestonden, moesten deze laatste toch

wel worden gekozen omdat alleen daarankergrond

en geregelde land- en zeewind het mogelijk maakten

ook met zeilschepen op te nemen, en een woord

van hulde mag hier wel worden gebracht aan de

officieren die, met die hoogst gebrekkige en verouderde

vaartuigen, betrekkelijk nog zoo veel tot

stand wisten te brengen.

Eerst met den aanvang der 20ste eeuw brak een

betere tijd aan. De zeilvaartuigen werden vervangen

door stoomschepen, aanvankelijk getransformeerde

flottieljevaartuigen, later ook speciaal voor het doel

gebouwde, maar toch vorderden de opnemingen

nog te langzaam om te voldoen aan billijke eischen

der scheepvaart, zoodat het aantal steeds in dienst

zijnde opnemingsvaartuigen moest worden uitgebreid

en in 1905 werd bepaald op 4. Ook hadden zich

langzamerhand nieuwere denkbeelden over de wijze

van opneming baan gebroken, welke er toe leidden

een juister verband te vinden tusschen het terrein

en de nauwkeurigheid, vereischt voor de schaal der

uit te geven kaart en dit, gevoegd bij het groote

aantal der jongeren, die een leerschool doorliepen

op het terrein zelf dat zij later zouden moeten

bewerken, maakte dat het opnemen nu vlugger

opschoot. Het tijdvak 1905 t/m '9 zal wel een van

de meest productieve blijven; l) sedert werd één

der 4 vaartuigen meer speciaal bestemd voor herzieningen

van partieele opnemingen.

Maar de groote uitbreiding van het transportwezen

te water stelde steeds hooger en dringender

algemeene en plaatselijke eischen en daaraan is

het wel toe te schrijven, dat niet stelselmatig kon

worden voortgegaan met het in kaart brengen van den

]

) Zie de op de tentoonstelling aanwezige kaart, welke

in kleuren aangeeft welke terreinen in de verschillende

tijdvakken zijn opgenomen.


44

Archipel en dat zich tusschen de opgenomen kusten

hier en daar nog gedeelten vertoonen, welke steeds

op karteering wachten.

Dat door de verschillende oorlogsbodems niet

meer zooveel wordt geleverd op hydrographisch

gebied als vroeger, niettegenstaande op de vloot

nu meer officieren dienen die het opnemen machtig

zijn, vindt zijn oorzaak in het veel geringer aantal

schepen dat in dienst is en in den weinigen tijd,

welke voor zulk werk beschikbaar kan worden

gesteld. De Gouvernements-Marine blijft zich steeds

beijveren om bijdragen voor de hydrographie te

leveren en zelfs de officieren derKoninklijke paketvaart

vinden, niettegenstaande hun zeer drukken

dienst, nog gelegenheid af en toe nuttige aanwijzingen

in te zenden.

Als buitengewone baten voor de hydrographie

mogen worden genoemd de om haar wetenschappelijke

resultaten zoo algemeen bekende Sibogaexpeditie

en de belooding van de tracés der telegraaikabelsjava

—Boeleleng—Ampenan,Boeleleng—

Makasser, Makasser—Ambon—Ternate —Menado,

Koeteimonden —Makasser, Koeteimonden—Menado

en Menado —Yap.

Werden en worden de hydrographische opnemingen

te water gedaan, voorbereid kunnen zij ook

gedeeltelijk worden te land.

Reeds in 1852 vinden wij aan de Kommissie

toegevoegd een hydrographisch ingenieur, die sterrekundige

waarnemingen deed om de onzekerheid,

welke bestond omtrent de lengte van de hoofdplaats

van Nederlandsch Oost-Indië, op te heffen. ') Later

neemt deze ingenieur deel aan de groote topographische

opneming van Cheribon, ook voor de

hydrographie van belang wegens het astronomisch

i) Opgeheven is die onzekerheid toen evenwel niet.

In 1882 werd de bepaalde lengte, tengevolge van het

telegraphisch bepaalde lengteverschil met Madras en

Singapoera, vermeerderd met 18" en in 1896,toen Singapoera

in het wereldnet was opgenomen, nogmaals met

n",5, zoodat het nu is gebracht op i06°48'37' O.


45

bekend worden van punten aan de kust, daarop

vinden wij hem terug in de Minahassa.

Van 1862 t/m '71 worden door den hoogleeraar

1879 t/m '93 door verschillende

Oudemans en van

zeeofficieren reizen door den Archipel gedaan tot

astronomische bepaling van punten, welke bepalingen

vooral moesten dienen om de bestaande zeekaarten

te verbeteren. Maar ook voor de latere opnemingen

zijn deze van veel nut geweest, omdat deze punten

op verschillende terreinen gelegenheid hebben

gegeven tot controleeren en verbeteren van het

uitgevoerde werk, al boden zij den opnemer niet

zulk een prachtig sluitend triangulatie-net om op

voort te werken, als de Geographische en de Topographische

dienst dit op sommige gedeelten deden.

Behalve voor Batavia valt er slechts melding te

maken van één lengtebepaling door telegraaf, n.l. die

van Java—Boeleleng—Makasser in 1891, terwijl

door draadlooze telegrafie in 1912 het lengteverschil

werd bepaald tusschen Penang en het seinstation

Je Meule op Weh. Ook de astronomische bepaling

van Ned. Engelsche grensbakens op Sibetik, Ö.kust

Borneo, en die van den mond der Bensbach-rivier,

de Ned. Engelsche grens op de Z.kust van Nieuw-

Guinea, zijn de hydrographie ten goede gekomen.

Het is zeer moeilijk, zoo niet ondoenlijk een

denkbeeld te geven van de kosten van de opnemingen,

omdat de kosten der vaartuigen in vroegere jaren

bijna niet zijn na te gaan. Eerst in het Koloniaal

verslag van 1910 vinden wij deze; daarbij gevoegd

de posten „plaatsing van signalen, aankoop, onderhoud

en transportkosten van instrumenten en verdere

kosten", „opleiding van Commandanten voor de

opnemingsvaartuigen" en „kosten van het hydrographisch

bureau in Nederland", krijgt men de

volgende cijfers

hydrographie:

voor de totaalkosten der Indische

1909. 1910. 1911.

/ 612.370.— / 752.031.— / 679.041.—

De kaarten, naar deze opnemingen

vervaardigd,


46

werden uitgegeven gedeeltelijk in Indië, waar men

slechts kon beschikken over lithographen, gedeeltelijk

in Nederland, waar de firma Hulst van Keulen nog

kopergraveurs in dienst had. Zoo geeft de catalogus

van 1853, voorkomende in het Natuurkundig tijdschrift

voor Nederlandsch Indië deel VII, 1854,

16 kaarten welke in Batavia. 36 welke in Nederland

worden uitgegeven, terwijl het recht daarvoor uitsluitend

aan genoemde firma was verleend.

Deze lijst is bedroevend onvolledig. Zij bevat

slechts 6 overzichtskaarten en 13 kustkaarten, de

overige zijn detailkaartjes van reeden en ankerplaatsen,

zoodat een groot deel van den Archipel

toen, en nog jaren daarna, hoofdzakelijk werd bevaren

op Engelsche kaarten.

Van 1871 tot '76, ten tijde dat het hydrographisch

bureau in Nederland was overgebracht, werden ook

koperkaarten vervaardigd aan het Departement van

Marine te 's-Gravenhage en gedrukt bij particulieren,

maar daarna werden in Batavia uitsluitend lithographiën

vervaardigd. De Catalogus van 1893ver '

meldt nog slechts 8 koperkaarten, waarvan het

uitgeversrecht intusschen was overgegaan aan de

firma Seyffardt.

Na 1894, het jaar van de tweede overbrenging

naar Nederland, werden de lithographiën, naarmate

de toestand der steenen dit noodig maakte, geleidelijk

weder omgezet in kopergravures, waar het blijvende

gegevens betrof, en in autographieën voor terreinen,

waar de toestand aan veel verandering onderhevig

is, en werden alle kaarten uitgegeven door het Departement

van Marine zelf. Aangezien in Nederland

geen koperkaartgraveurs meer worden gevonden,

worden de gravures in het buitenland vervaardigd.

Thans bedraagt het aantal zeekaarten van den

Archipel reeds 308, maar volledig is dit stel nog

niet; van de Z.kust van Sumatra beZ. de eilanden,

de Z.kust van Java, de O.lijkste kleine Soenda, de

Sangi- en Talaud-eilanden, de Molukken en de Noorden

ZW-kusten van N. Guinea bestaan nog geen

kustkaarten, aan die van de W.kust van Nieuw-

Guinea is men eerst kortelings begonnen.


47

Wat de zeemansgidsen aangaat, was men vroeger

eveneens aangewezen op de Engelsche en tot 1900

werden de East Indian Archipelago Pilot en Findlay

druk gebruikt. Behalve enkele partieele zeilaanwijzingen

') bestonden alleen een gids rondom Java,

een voor de kleine Soenda-eilanden en een voor de

Molukken.

Eerst na de laatste overbrenging van het bureau

naar

Nederland is men begonnen met het samenstellen

van gidsen voor den geheelen Archipel, welk

werk in 1908 is gereed gekomen.

J. M. Phaff.

J) Alle op de tentoonstelling aanwezig.


Opnemingen, verricht in Oost-Indië door opnemingsvaartuigen

BIJLAQE.

of speciaal daarvoor aangewezen schepen.

Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1822i Brik Jacoba Elisabeth

F. A. Fokke.

1823I Korvet Courier

J. Stolze.

1824 —1857 geen opnemingsvaartuig.

1843 6

7

1858 J

9 j

60/

O. en N.-kust Madoera-eil. Karimata

en Seroetoe.

N.-kust Billiton en aangrenzende vaarwaters.

M. H. Jansen. Vaarwaters naar Soerabaja.

I G. D. A. Ampt.

(J. W. van Rhijn.

J. Vos.

A. W. Keuchenius.

1 ) Schoenerbrik Pylades. »

Straat Banka.

n

* 3

W. Enstie.

5

N.-kust Banka.

61"

W H!'F. van Oordt.

48


Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1867 ( Schoenerbrik Pylades.

8 ( Stoomschip Stavoren.

9 .. 11

70

1

l » »

2 1

3 j geen opnemingsvaartuig.

4 i Stoomschip Hydrograaf.

5 | »

7 11

»

8 I ■


9 1;

„ Soembing.

II

1880 „ Hydrograaf.

IJ

W. H. F. v. Oordt.

J. C. Smith.

C. L. v. Woelderen.

n

11

H. J. v. Broekhuizen.

:• T. E. de Brauw.

W. J. v. Loenen.

H.A. deSmit v.d.Broecke

H. Nijgh.

H.A.deSmitv d.Broecke

H. Nijgh.

H.A.deSmitv d.Broecke

N. en N.O.-kust Banka

O.-kust Banka.

„ en Gasparstraten.

J Gasparstraten en vaarwaters rond

Billiton.

' Vaarwaters beW. en beZ. Billiton.

Straat Siberoet.Gedeelte straat Soenda.

Gasparstraten.

Zeeloodingen N.O.-kust Banka. (*)

Vaarwaters naar Soerabaja.

1Zeeloodingen N.O.-kust Banka.

JN, en N O.-kust Billiton.

Vaarwaters naar Soerabaja.

O.-kust Billiton.

49

(*) Van de periodieke opnemingen van het Westgat en Oostgat is, met uitzondering van de laatst verrichtte, geen melding gemankt.

De eerste vallen in '82, '86, '00, '96, 1900, '4 en '8, de tweede in '82, '87- '94, '98, 1902 en '6.


I

Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1881

2

3

Stoomschip Hydrograaf.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Hydrograaf.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Hydrograaf.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Hydrograaf.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Hydrograaf.

Schoener Melvill v. Carnbée.

M. C. v. Doorn. , Straat Karimata.

H. F. Kouwenberg.

ë | u , ,

T. L. Hordijk. j N.kust Java.

IM. C. v. Doorn. Krakatau en omgeving. Duizend eilani

C. H. Cornelissen.

den.

f££&?"* i| N.kust Java.

C. H. Cornelissen. Duizend eilanden.

H. F. Kouwenberg. N.kust Java.

S. K. Sybrandi. Z.O. kust Sumatra.

K. W. Goetz. Tjilatjap.

C. H. Cornelissen. Javazee.

H. F. Kouwenberg. N.kust Java.

* f W yb A F an di

v 'Maren ■ ! zO-- Sumatra. N. gedeelte straat

) ëernz. v. I Berg | Soenda-

'

N-kllst

I C. H. Cornelissen. 1) T

, ■ TV -, ■ ,

) A.W F. C.v. Woerden. I

Kanmon Djawa-eilanden. Java-zee.

A. H. Hoekwater.

Madoera-

'

N.kust Java.

I

.

50


Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

.

Schoener Blommendal.

) J. W. A. F. v. Maren O. en Z.-kust Madoera.

j Bentz. v. d. Berg.

1888 Stoomschip Hydrograaf.

A. W. F. C. v. Woerden.

Schoener Melvill v. Carnbée. A H. Hoekwater.

„ Blommendal.

\ J. W. A. F. v. Maren.

Bentz. v. d. Berg.

I J. H. Calmeyer.

Stoomschip Hydrograaf.

A. W. F. C. v. Woerden.

Schoener Melvill v. Carnbée. A. H. Hoekwater.


!J.

W. A. F. v. Maren.

Blommendal.

Bentz. v. d. Berg.

D. A. Krayenhoff v. d.

Leur.

,H.

Stoomschip Hydrograaf.

O. W. Planten. Key-eilanden

1890

Straten Sapoedi en Laoet.

NO.-kust Sumatra.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Hydrograaf.

„ Banda.

•A.W. F. C. v. Woerden.

\A. H. Hoekwater.

/G. F. Tydeman.

D. A. Krayenhoff v. d.

Leur.

H. O. W. Planten.

11.A. T. J. F. van Oyen.

Bawean. Java-zee.

N.-kust Java Straat Madoera.

Z.O. kust Sumatra. Gedeelte straat

Soenda.

Koninginne baai en Emmahaven.

Bawean. Java zee.

ZO.-kust Borneo.

ZO.-kust Sumatra Gedeelte straat

Soenda.

ZO.-kust Sumatra. Gedeelte straat

Banka.

Key eilanden.

ZO.-kust Borneo.

51


aar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

G F. Tydeman.

.

D. A. Krayenhoff v. d.

Leur.

L. A. T. J. F. v. Oyen.

G. F. Tydeman.

i D. A. Krayenhoff v. d.

Leur.

/ J. H. Hoogstraten.

L. A. T. J. F. v. Oijen.

G. F. Tydeman.

J. H. v. Hoogstraten.

G. P. v. Hecking Colenbrander.

R. O. J. Verschoor.

J. H. v. Hoogstraten.

G. P. v. Hecking Colenbrander.

! R. O. J. Verschoor.

[( J. H. v. Hoogstraten.

I W. Naudin ten Cate.

I G. P. v. Hecking Coleni

i_„

NO.-kust Sumatra.

ZO. en NO.-kust Sumatra.

Z.O.kust Borneo.

N.O.kust Sumatra.

Kleine Paternoster-eil.

N.O.kust Sumatra.

O.wal Aroe-eilanden.

N.O.kust Sumatra. Riouw-arch.

Z.gedeelte Straat Makasser.

Riouw-archipel.

f N.O.kust Sumatra.

Z.gedeelte Straat Makasser.

52


|

Jaar Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1897

8

Schoener Melvill v. Carnbeé.

„ Blommendal.

Stoomschip Borneo.

„ Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Banda.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip Java.

„ Banda.

„ Makassar.

Schoener Melvill v. Carnbée.

„ Blommendal.

Stoomschip van Gogh.

Stoomschip Java.

1900 „ Makasser.

„ Van Gogh.

Bali.

„ Makasser.

H O. W. Planten.

W. Naudin ten Cate.

H. C. Velthuizen.

E. E. Dullemond.

H. O. W. Planten.

W. Naudin ten cate.

E. E. Dullemond.

H. O. W. Planten.

W. Naudin ten Cate.

S. K. Sybrandi.

E. E. Dullemond.

H. F. Hoven.

H. O. W. Planten.

| J. M. P. Kluit.

S. K. Sybrandi.

H. F. Hoven.

i 1. M. P. Kluit.

| R. O. J. Verschoor.

J. T. v. Slooten.

H. F. Hoven.

Riouw- en Lingga-archipel.

I O.kust Sumatra. Lingga-arch.

Gedeelte Z.kust Nieuw-Guinea.

Z.gedeelte Straat Makassar.

Riouw-archipel.

i Lingga-archipel.

i O.kust Borneo. N.kust Celebes.

Lingga-archipel.

, Gedeelte golf van Tomini.

1 O.kust Borneo. W.kust Celebes.

Lingga-archipel.

Lingga-archipel en O.kust Sumatra.

Gedeelten Golf van Tomini en N.kust

Celebes

O.kust Borneo. W. en N.kust Celebes.

O.kust Sumatra.

Straat Boeton.

W.kust Celebes. O.kust Borneo.

53


-

Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

'

Stoomschip Van Gogh.

! F.' Bot J

"

VerSCh

°° Straat Karimata.

Bali.

J. F. v. Slooten. O.kust Celebes.

Ceram.

D. A. P. Koning. Humboldtbaai en omgeving.

1902

Makasser

H. F. Hoven. O.kust Borneo.

Van Gogh.

F. Bot. Kleine Soenda eilanden.

Bali.

J. T. v. Slooten. Saleyer en omgeving.

3

Makasser.

H. M. v. Straaten. O.kust Borneo.

„ Van Gogh. I F. Bot.

Kleine Soenda-eilanden.

v J.

Bali.

T. v. Slooten.

' J. A. M. Bron. Golf v. Boni. Z.kust Celebes. Saleyer

/ S. P. fHonoré Naber. en omgeving.

\

de

SamPh baai

- W.kust Borneo en eilanden

T Haan.

-

„ Van Doorn.

„ Van Gogh.

Bali.

„ Van Doorn.

„ Van Gogh.

Bali.

F. Bot. Kleine Soenda-eilanden.

S. P. 1'Honoré Naber. Golf van Boni. Z.O.kust Borneo. Z.-

kust Celebes.

J. G. W. J. Eilerts de W.kust Borneo en eilanden.

Haan.

L. P. W. v. d. Wal. | Kleine Soenda-eilanden.

S. P. 1'Honoré Naber. ! Golf van Tomini.

i

54


Jaar. j Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1906 11

IJ

JJ

II

II

IJ

JJ

Jl

H

II

II

II

M

w

JJ

IJ

JJ

JJ

IJ

Van Doorn.

Van Gogh.

Bali.

Borneo.

Lombok.

Van Doorn.

Van Gogh.

Sumbawa.

Borneo.

Lombok.

Van Gogh

Sumbawa.

Van Doorn.

Borneo.

Lombok.

Van Gogh.

Van Doorn.

Borneo.

Lombok.

J. G. W. J. Eilerts de

Haan.

L. P. W. v. d. Wal.

S. P. 1'Honoré Naber.

C. A. Fock.

| J. F. Hosang.

L. H. G. Krol.

L. P. W. v. d. Wal.

C. A. Fock.

tF. . H. Hosang.

G. Krol.

. tF. H. Hosang.

L. P. W. v. d. Wal.

J. L. H. Luymes.

C. A. Fock.

G. Krol.

J. L. H. Luymes.

O. H. v. Persyn.

D. E. Keus.

W.kust Borneo en eilanden.

Kleine Soenda-eilanden.

Golf van Tomini en O.kust Celebes.

Z.kust Borneo en rivieren.

W.kust Borneo en eilanden.

W. „ Sumatra „ „

Kleine Soenda-eilanden.

O. en N kust Celebes.

Z.kust Borneo.

W.kust Sumatra en eilanden.

jKleine Soenda eilanden.

O.kust Celebes. Golf van Boni.

Z.kust Borneo en rivieren.

W.kust Sumatra en eilanden.

Kleine Soenda-eilanden.

W.kust Aroe-eilanden.

Z.kust Borneo en rivieren. N. en N.O.-

kust Banka, kleine opdrachten.

55


Jaar. Naam van het Vaartuig. Commandant. Verrichte opneming.

1910 Stoomschip Van Gogh.

„ Van Doorn.

„ Borneo.

„ Lombok.

„ Havik.

Van Gogh.

Van Doorn.

Borneo.

„ Sumbawa.

Van Gogh.

„ Van Doorn.

Van Doorn.

Lombok.

„ Borneo.

„ Sumbawa.

„ Condor.

F. C, Brust.

f J. L. H. Luymes.

I P. C. Coops.

O. H. v. Persyn.

D. E. Keus.

C. L. v. Buuren.

C. F. Brust.

P. Kruys.

O. H. v. Persyn.

D. E. Keus.

I F. C. Brust.

] J. J. H. Cömmys.

( G. L. Heeris.

j P. Kruys.

J. J. de Vries.

J. P. Muller.

P. C. Coops.

W.-kust Sumatra en eilanden.

Kleine Soenda-eilanden.

W.kust Nieuw-Guinea.

N. en O.kust Banka, Palembang,Djambi

en Paneirivier en kleine opdrachten.

Westervaarwater Soerabaja Drempel

Kapoeas-rivier.

Westkust Sumatra en eilanden.

NW.kust Nieuw-Guinea.

W.kust „

Assahan-rivier. Kleine opdrachten.

W.kust Sumatra en eilanden.

N.W.kust Nieuw-Guinea.

Reede Tg. Priok en Batavia. Vaarwater

beW. Koender. Kleine opdrachten.

Westgat Soerabaja.

56


DE OCEANOGRAPHIE VAN DEN

OOST-INDISCHEN ARCHIPEL.

Hoewel waarnemingen de zee betreffende uit den

aard der zaak door zeevarenden en kustbewoners

sinds onheuchelijke tijden zijn gedaan, is de Oceanographie

als wetenschap, welke in den ruimsten zin

het systematisch onderzoek der zee beoogt, nog

slechts weinig meer dan een halve eeuw oud. Bepaalde

zich te voren het onderzoek voornamelijk

tot de oppervlakte en tot de kennis van de diepten,

rechtstreeks van belang voor de scheepvaart en

visscherij, omstreeks het midden der vorige eeuw

gaven de eischen van het allangs aangroeiend

wereldverkeer aanleiding tot uitbreiding van het

onderzoek tot de grootere diepten en tot het systematisch

verzamelen, bewerken en publiceeren van

wat er aan waarnemingen omtrent weer en wind

en stroomen in tal van scheepsjournalen besloten

lag. De telegraafkabel kwam den weg vragen langs

den bodem van den oceaan; de Amerikaansche

zeeofficier Brooke vond in 1854 het eerste doelmatige

diepzeelood uit, en enkele jaren later, in

1857, publiceerde een ander Amerikaansch zeeofficier,

Maury, de eerste dieptekaart van den Atlantischen

oceaan.

Reeds een tiental jaren te voren had dezelfde

Maury door de publicatie van zijne „Wind- en Stroomkaarten

der Oceanen" (1848) eene eerste, belangrijke

schrede gedaan op den weg, waarlangs sinds dien

Meteorologie en Oceanographie zich hebben ontwikkeld.

De ontdekking, dat ook op zeer groote diepten

nog levende organismen voorkwamen, was oorzaak,


58

dat vooral zoölogen het onderzoek der zee gingen

ter hand nemen en de ook voor hunne wetenschap

noodige oceanographische waarnemingen gingen

doen. Het voorbeeld werd gegeven door Wyville

Thomson, die in 1868met het Engelsch oorlogschip

„Lightning" de eerste eigenlijke oceanografische

expeditie leidde, welke sinds door tal van grootere

en kleinere in alle deelen der wereldzee werd gevolgd.

Een der meest bekende, die van den „Challenger,"

welke van 1872 tot 1876 een reis om de wereld

maakte, bezocht ook onzen Oostindischen archipel.

Nadien werden ook door enkele andere onderzoekingsvaartuigen

onder vreemde vlag in het gebied

van dien archipel hier en daar eenige oceanografische

waarnemingen gedaan. Onder eigen vlag werd daar

door H.M. flottieljevaartuig „Siboga" onder leiding

van Max Weber eene diepzee-expeditie gemaakt,

welke een jaar duurde (1900 —1901) en uitsluitend

het oostelijk deel van den Archipel tot haar terrein

koos. De bewerking van de vooral op zoölogisch

gebied zeer omvangrijke resultaten dezer expeditie

is nog niet geheel afgeloopen. Met behulp van de

door H.M. „Siboga" gedane loodingen en van die,

welke uit andere bronnen tot het jaar 1903bekend

waren, kon in laatstgenoemd jaar eene dieptekaart

van den archipel worden uitgegeven, welke ter

tentoonstelling aanwezig is.

In een ander hoofdstuk van dezen catalogus vindt

men aangegeven hoe het staat met de kennis van

den horizontalen vorm, d.i. met de cartografie van

de zeeën en kusten, en welke belangrijke vooruitgang

er, tengevolge van den voortdurenden arbeid

onzer opnemingsvaartuigen en de bijdragen van de

schepen der Gouvernements-Marine op dit gebied

te constateeren is; weder een ander hoofdstuk doet

zien, dat, dank zij den omvangrijken arbeid van

Van der Stok voor een groot aantal punten in den

archipel een vrij volledig overzicht omtrent de vertikale

waterbeweging door de getijen is verkregen,

van de horizontale beweging — de getij- en moessonstroomingen

— nog slechts weinig met nauwkeurigheid

bekend is.


59

De kennis van den vertikalen vorm dezer zeëen,

d.i. van hare diepten, strekte zich een 40-tal jaren

geleden nog slechts weinig verder uit dan tot de

diepten, welke in voorkomend geval nog het ankeren

van schepen toelieten. Diepten boven 100 vademen

(-t- 180 M.) komen op de zeekaarten dezer streken

van vóór 1870 slechts sporadisch voor. Betrouwbare

gegevens omtrent de vraag of de diepten in

de binnenzeeën van den archipel bij honderden,

dan wel bij duizenden vademen waren te rekenen,

had men nog slechts op enkele punten.

De onzekerheid, welke er vooral bij eenigszins

bewegelijk schip, bij gebrek aan bijzondere hulpmiddelen,

voorbereiding en oefening, in vele gevallen

bleef bestaan omtrent het oogenblik. waarop

het lood, dalende aan een uit touw geslagen loodlijn,

den bodem had bereikt, maakte, dat het ook voor

den meest weetgierige weinig aanlokkelijk was zich

met de toevallig aan boord aanwezige hulpmiddelen

aan dat zeer tijdroovend experiment te wijden. Als

voorbeeld hoe onzeker de dan verkregen resultaten

konden zijn, kan worden gewezen op eene looding,

welke indertijd door een onzer oorlogsschepen in

de Banda-zee werd verricht bewesten de Bandagroep,

en waarbij werd aangenomen, dat eerst met

4000 vademen lijn de bodem werd bereikt, terwijl

later dicht bij hetzelfde punt de loodingsmachine van

H. M. „Siboga" slechts diepten van ruim 4000 M.

vond.

Eerst het gebruik van staaldraad in plaats van

touw en van looden, welke volgens het door Brooke

aangegeven beginsel een groot deel van hun gewicht

op den zeebodem achterlaten, heeft in belangrijke

mate tot de kennis van de groote diepten

der oceanen en van de bekkens in onzen archipel

bijgedragen. Uitbreiding van deze kennis behoorde

mede tot de opgaven van de Siboga-expeditie, welke

daartoe een aantal loodingen op doelmatig gekozen

punten verrichtte.

Hoezeer met de uitgave van de Siboga-kaart

eene belangrijke schrede voorwaarts werd gedaan,

waren en zijn ook nu nog over zoo groote uitge-


60

strektheden van den zeebodem in onzen archipel

de diepten onbekend, dat van het aangeven van

het juiste beloop der dieptegrenzen in bijzonderheden

op vele punten vooreerst nog geen sprake

zal kunnen zijn. Daar uit den aard der zaak voor

de opnemingsvaartuigen de opnemingen voor nautische

doeleinden als regel voor moeten gaan, zullen

loodingen van groote diepte, evenals tot dusverre,

voornamelijk te wachten zijn van kabelleggers en

van schepen, varende voor wetenschappelijk onderzoek.

Dit neemt niet weg, dat sinds 1903 ook van

de opnemingsvaartuigen, welke uitgerust waren met

een diepzeeloodingstoestel, op vele punten zeer welkome

gegevens werden verkregen. Daaronder valt

in de eerste plaats te noemen H. M. „Bali", welk

schip onder bevel van den luitenant ter zee iekl.

S. P. I'Honoré Naber een groot aantal diepe

loodingen verrichtte in de Golf van Tomini en daar

beoosten in de Molukken-passage, alsmede een

zeker aantal op doelmatig gekozen punten in het

Noordwestelijk deel der Banda-zee, benoorden Straat

Manipa, in Straat Makassar, de Flores-zee, de Balizee

en bij Bonerate.

Behalve door deze loodingen werd de uitbreiding

van de kennis der grootere diepten in den O. I.

archipel sinds de verschijning van de Siboga-kaart

verkregen doorloodingen van de navolgende schepen

ter aangeduider plaatse:

H. M. Flottieljevaartuig „Edi", welk schip o. a.

op de strekking Palao-Menado en in Straat Makassar

een groot aantal loodingen verrichtte ten dienste

van de Duitsch-Nederlandsche Telegraafmaatschappij.

H. M. Opnemingsvaartuig „Borneo" in het Oostelijk

gedeelte der Banda-zee (nabij de Banda-groep,

de Watubela- en de Kei-eilanden) en in het Oostelijk

gedeelte van de Ceram-zee bezuiden Nieuw-Guinea.

H. M. Opnemingsvaartuig „van Gogh" in het

Noordoostelijk gedeelte van de Ceram-zee aan den

rand van het plateau ten ZW. van de Macluer-golf.

Het Duitsche onderzoekingsschip „Planet" in het

Mentawei-bekken, in den Indischen Oceaan bewesten

Sumatra en bezuiden Java, in het westelijk deel der


61

Ceram-zee tusschen Obi Major en Misool, en in den

Stillen Oceaan ter Noordkust van Nieuw-Guinea.

Het Engelsch kabelschip „Magnet" in den Indischen

Oceaan tusschen N. Keeling-eiland en Straat

Soenda.

Het Engelsch oorlogsschip „Fantome" in Straat

Lombok en ten ZW. van Soemba.

Deze loodingen hebben de ook uit de vroegere

loodingen opgedane ondervinding bevestigd, dat

bijna overal in het oostelijk deel van den archipel

de zeebodem sterk afwisselende diepten vertoont

en dat in het algemeen reeds op korten afstand uit

de kust groote diepte wordt gevonden. Ook bevestigden

o. a. de door de „Planet" gedane loodingen

het vermoeden, dat er bezuiden Java eene randdiepte

zou bestaan, d. i. eene betrekkelijk smalle,

sterke inzinking van den bodem, loopende evenwijdig

aan de algemeene strekking van de kustlijn.

Die loodingen doen het meer dan waarschijnlijk

achten, dat er bezuiden Java twee dergelijke randdiepten

bestaan, waarvan de noordelijkste, met diepten

tot ruim 3000 M., de oostwaartsche voortzetting

schijnt te vormen van het Mentawei-bekken, de

zuidelijkste met diepten tot 7000 M., die van de

reeds op de Siboga-kaart aangegeven aan Sumatra

evenwijdig loopende inzinking van tuim 5000 M.

diepte.

In den Stillen Oceaan werd door H. M. „Edi"

eene diepte van ruim 7200 M. gelood beoosten de

Talauer-eilanden, welke diepte waarschijnlijk is te

beschouwen als het zuidelijkste deel van eene randdiepte

evenwijdig aan den oostrand der Philippijnen.

Binnen het gebied der Siboga-kaart werd door

hetzelfde schip nog eene dergelijke randdiepte gevonden

beoosten de Palao-eilanden met ruim 6800 M.

diepte.

De loodingen van 11. M. „Bali" toonden o. a. aan,

dat de Golf van Tomini tot dichtbij de kust ofden

rand van het kustrif meer dan 1000 M. diep is, in

het westelijk gedeelte over een groot oppervlak

zelfs diepten van 1800 tot 2000 M. heeft, en in den

oostelijken toegang diepten tot ruim 3700 M. Laatst-


62

bedoelde inzinking schijnt, zij het met eene onderbreking

van minder diepte, samen te hangen

tot ééne randdiepte, evenwijdig aan het Noordelijk

deel van Celebes, met de inzinking, welke zich

tusschen de Sangir- en de Talaut-eilanden in

Noordelijke richting tot nabij Mindanao schijnt uit

te strekken.

Ditzelfde schip constateerde in het Noordwestelijk

deel van de Banda-zee eene diepte van 5098 M.,

ongeveer 30 zeemijlen beZ. Straat Greyhound;

ongeveer 50 zeemijlen verder zuidwaarts eene van

4833 M. en dicht beoosten Wowoni eene van 3881 M.

In Straat Makassar bleken de in het Noorden en

Zuiden gevonden diepten van meer dan 2000 M.

zich voort te zetten door het nauwe gedeelte tusschen

de Borneo-bank en het kustgedeelte van Kaap Mandar

tot Kaap Williams.

Eene ter tentoonstelling aanwezige, onder leiding

van Prof. Dr. G. A. F. Mole'ngraaff vervaardigde

dieptekaart is samengesteld met gebruikmaking van

alle hier genoemde gegevens.

Blijft, ook na deze aanwinsten der laatste jaren,

nog veel te doen over, wat betreft de meer gedetailleerde

kennis van de diepere gedeelten van

den Archipel, in hare groote trekken kunnen thans

de diepteverhoudingen daar reeds vrij goed bekend

worden genoemd.

In zijn westelijk gedeelte maakt de zeebodem

van den archipel deel uit van een uitgestrekt ondiep

plateau, samenhangend met het aziatisch vasteland

en aan zijn west- en zuidzijde begrensd door de

groote diepte van den indischen oceaan; in het

oostelijk gedeelte van den archipel een afwisseling

van hoogte en diepte, met opvallend smalle, langgerekte

en in vele gevallen gebogen bodemverheffingen.

De daartusschen besloten inzinkingen van

den bodem hebben over het algemeen groote diepten

en zijn, hoewel aan de oppervlakte overal met elkaar

en met de oceanen in verbinding staande, op bepaalde

diepten van elkaar en van de oceanen geïsoleerd

door onderzeesche ruggen.

Als een gevolg van deze bodemformatie doet zich


63

het verschijnsel voor, dat in tegenstelling met hetgeen

in de oceanen wordt waargenomen, waar de

temperatuur van het water tot op zeer groote diepte

steeds afneemt, in de bekkens van den archipel de

temperatuur afneemt tot aan de diepte, waarop zij

van den oceaan zijn afgesloten en beneden die diepte

verder genoegzaam constant is.

Het aantal waarnemingen op verschillende diepten

omtrent temperatuur en samenstelling van het zeewater

was in den archipel tot dusverre nog gering,

zoodat in dit opzicht nog veel te doen overblijft.

Intusschen bleek reeds uit de onderzoekingen van

den Challenger, later door die van „Valdivia",

„Siboga", „Planet", e. a. bevestigd, dat ook in de

bekkens van den archipel zich in de temperatuurverdeeling

eenzelfde verschijnsel voordoet, als in

tropische gedeelten van de oceanen werd geconstateerd,

en door de Duitschers met den naam „Sprung,

schicht" wordt aangeduid. Hieronder wordt verstaandat

de temperatuur van het zeewater op eene betrekkelijk

geringe diepte (100 a 200 M.) snel afneemt,

vervolgens met toenemende diepte langzaam. De

oorzaak van dit verschijnsel, het eerst uiteengezet

door den duitschen oceanograaf Dr. G. Schott bij

de bewerking van de resultaten der „Valdivia"-

expeditie, is te vinden in de sterke verdamping van

het water aan de oppervlakte. Dit water verkrijgt

daardoor een zoodanig zoutgehalte, dat het, ondanks

zijne hoogere temperatuur, grooter soortgelijk gewicht

heeft dan het daaronder gelegene, koelere

water. Hierdoor ontstaat eene vertikale uitwisseling

en menging tot op die diepte, waar het aanwezige

koudere water hetzelfde soortelijk gewicht

heeft als het zinkende, gemengde en warmere doch

zoutere water der boven die diepte aanwezige waterlaag.

Op die diepte houdt de menging door vertikale

uitwisseling op en heeft warmteuitwisseling

verder alleen door de zeer langzaam werkende geleiding

plaats. Het gevolg is, dat even boven de

bedoelde diepte het water nog eene tamelijk hooge

temperatuur heeft, even daaronder eene merkbaar

lagere. Deze waterlaag, waar aldus de temperatuur


64

bij toenemende diepte als met een sprong afneemt,

vormt de „Sprungschicht".

Omtrent de samenstelling van den zeebodem in

de groote diepten van den archipel is nog weinig

onderzocht. Wel zijn door de Siboga-expeditie en

o.a. ook door H.M. „Bali" een aantal bodemproeven

bovengebracht, doch het tijdroovend onderzoek daarvan

is nog niet afgeloopen. Het aantal punten, waarvan

deze in vele gevallen kleine hoeveelheden bodemmaterie

werd verkregen, is in vergelijking van het

zeer groote oppervlak van dit zeegebied, nog altijd

klein te noemen.

Als een vrij algemeen kenmerk werd bij eene

oppervlakkige beschouwing der verzamelde bodemproeven

tijdens de Siboga-expeditie den indruk

verkregen, dat overal binnen het eilandengebied

de bezinkingsproducten in sterke mate van terrigenen

aard zijn, d. w. z. dat een goed deel daarvan

bestaat uit de door afwatering en wind naar zee

gevoerde verweeringsproducten van het boven water

reikende deel van de aardkorst en uit materie van

plantaardigen ooreprong. Vulkanische producten

komen veelvuldig op den zeebodem voor.

Van de koraalriffen, waaraan vooral het oostelijk

deel van den archipel zeer rijk is, is, uitgezonderd

dan in zuiver zoölogisch opzicht, nog betrekkelijk

weinig studie gemaakt. Ook omtrent deze riffen en

de ondiepe kustwateren is de bestaande kennis door

de onderzoekingen van Max Weber verrijkt geworden.

Onder meer is daarbij ook gebleken, dat

ook in onzen archipel uitgestrekte lithotamnionbanken

voorkomen.

De vroeger gehuldigde meening, als zouden in

het westelijke deel van den archipel geene rifvormende

koralen voorkomen, is gebleken niet juist

te zijn.

Omtrent de vraag, of in den archipel atollen en

randriffen voorkomen, heerscht nog een verschil

van meening. dat voornamelijk verband houdt met

de vraag of de daarmede overeenkomende rifvormen,

welker aanwezigheid in den archipel uit de hydrografische

opnemingen is gebleken, ook wat hunne


65

wordingsgeschiedenis betreft, gelijk zijn te stellen

met die, welke elders tot de echte atollen en randriffen

worden gerekend.

Omtrent hetgeen in deze wateren tot dusverre

is verricht op het gebied van de zoölogie en de

botanie, welke niet tot de eigenlijke physische

oceanographie zijn te rekenen, zij hier alleen vermeld,

dat met name door de resultaten der Sibogaexpeditie

de kennis dier wetenschappen belangrijke

uitbreiding heeft ondergaan en dat sinds eenige

jaren van gouvernementswege onderzoekingen worden

gedaan, welke meer bepaaldelijk bevordering

van visscherijbelangen beoogen.

G. F. Tydeman.


NATUURKUNDIGE AARDRIJKS-

KUNDE VAN DEN OOST-INDISCHEN

ARCHIPEL.

Bij het onderzoek van natuurverschijnselen op

aarde en zee of in den dampkring zijn twee richtingen

mogelijk: men kan op één plaats, maar

gedurende langen tijd, volgens een bepaald systeem,

nauwkeurige waarnemingen verrichten, of ook er

zich op toeleggen om gegevens te verzamelen,

minder in getal en uit den aard der zaak minder

nauwkeurig, maar voor vele plaatsen van een streek,

land of oceaan, die men de intensieve en extensieve

zou kunnen noemen. Beide richtingen hebben haar

voor- en nadeelen: voorkeur voor een van beiden

houdt verband met aard en aanleg van den natuuronderzoeker

en beide zijn onmisbaar, omdat zij

elkander aanvullen en steunen.

De oudste vertegenwoordigers dezer beide

richtingen in Nederlandsch-Indië zijn zeker wel

Dr. P. L. Onnen, die in 1841 te Buitenzorg een

reeks van meteorologische waarnemingen aanving

en Franz Junghuhn, die, in 1835in Indië aangekomen,

overal waar hij kwam observaties deed en ze ook

wist te vereenigen tot één geheel in zijn bekende

beschrijving van het klimaat van Java in verschillende

hoogtegordels.

Een eerste organisatie, uitgegaan van de Kon.

Akademie van Wetenschappen, waarbij den officieren

van gezondheid was opgedragen meteorologische

waarnemingen te verrichten, voerde natuurlijk tot

teleurstelling, ofschoon voor enkele plaatsen als

Buitenzorg, Banjoewangie, Padang, Bandjermassin

en Ambon, bruikbare reeksen werden verkregen.

In 1866 kon Dr. P.A.Bergsma, in 1861hiertoe uitgeonden,

met behulp van 5 inlandsche assistenten


67

in een daartoe gehuurde woning, de reeks van

uurwaarnemingen aanvangen, die tot heden onafgebroken

is voortgezet en, ofschoon de officiceele

organisatie van het Observatorium te Batavia eerst

in 1875 haar beslag kreeg, kan dus de geboorte

van die instelling en de aanvang van systematisch

onderzoek op 1 Januari 1866 worden gesteld. Hoe

zich daarna het Observatorium op natuurlijke wijze

heeft ontwikkeld en de stroomingen van wetenschappelijk

onderzoek en methoden van onderzoek

heeft gevolgd, moge blijken uit de volgende korte

overzichten, die tot toelichting mogen dienen van de

tentoongestelde boekwerken, kaarten en instrumenten.

1. Het Jaarboek. In 1871 verscheen het eerste

deel van de „Observations", bevattende uurwaarnemingen

van meteorologische elementen en van

magnetische declinatie. De uitvoerige bewerking

dezer gegevens werd destijds als een groote bijzonderheid

beschouwd en kan als voorbeeld dienen

van een uitmuntende toepassing van de intensieve

methode.

Volledige magnetische observaties van de drie

elementen (declinatie, horizontale kracht en verticale

kracht) zijn verschenen in de jaarboeken van af

September 1883 en resultaten van seismologische

observaties zijn geregeld daarin gepubliceerd sinds

Juli 1898.

In deze Jaarboeken, waarvan op het oogenblik

het 33 ste deel (1910) is gepubliceerd, zijn ook

verschillende bijzondere onderzoekingen opgenomen

in den vorm van Appendices, waarvan men de

onderwerpen in de hierbijgaande lijst kan vinden.

De bewerking van het 34 ste deel is gereed, maar

de publicatie bleef achterwege wegens overmaat

van werk op de Landsdrukkerij.

2. Regenwaarnemingen. Vóór zijn vertrek uit Indië

in 1882 werd door Dr. Bergsma een systeem van

regenwaarnemingen in den Indischen Archipel georganiseerd,

dat in 1879 in werking trad met 74

stations op Java en 44 op de Buitenbezittingen.

Hoe gering omstreeks dien tijd de algemeene

belangstelling in dergelijke publicaties was, moge


68

hieruit blijken, dat een Gouverneur-Generaal den

steller van dit overzicht den raad gaf die uitgave

te staken, omdat zich toch niemand voor den regenval

interesseerde en hoezeer de tijden sedert veranderd

zijn, uit van Bemmelen's publicatie „Regenval

op Java" (1908), waarin van meer dan 700

stations de verkregen resultaten zijn samengesteld;

deze publicatie toch geschiedde onder den drang van

belangstellenden bij cultures van allerlei aard, van

het Departement van Landbouw en van denIrrigatiedienst.

In 1911 werd een belangrijk bedrag door de

Regeering toegestaan voor de systematische bewerking

van gegevens betreffende den regenval op

Java en op het eind van 1912 werden geregeld

waarnemingen ontvangen van 1660 stations, waarvan

1361 op Java en Madoera en 299 in de Buitenbezittingen.

Kenmerkend voor de algemeene belangstelling

is het, dat onder die 1361 stations 669

behooren tot den Bevloeiingsdienst en 539 aan

particulieren.

Een tentoongestelde regenkaart van Java bevat

de nieuwste gegevens, die op dit oogenblik beschikbaar

waren.

3. Aardmagnetisme. Nadat in 1874—1879 Dr.

E. van Rijckevorsel een magnetische opneming van

den Indischen Archipel had tot stand gebracht, kon

30 jaren later, 1903—1907, door Dr. W. van

Bemmelen een nieuwe opneming worden verricht;

de resultaten hiervan zijn in een wandkaart tentoongesteld.

4. Vulcanische verschijnselen en Aardbevingen. De

macro-seismische waarnemingen in den geheelen

archipel zijn jaarlijks te samen gesteld en gepubliceerd

in het Natuurkundig Tijdschrift van Nederlandsch-Indië

(Deel 46—71, 1883 —1912), eerst door

de seismologische commissie, later, vanaf 1898, door

het observatorium.

Vanaf 1898 zijn in de jaarboeken de resultaten

der macro-seismische waarnemingen gepubliceerd,

verricht eerst met behulp van Milne's horizontalen

slinger, in aansluiting aan de organisatie van de


69

British Association, later door middel van horizontale

slingers van Bosch en Ehlert en den vertikalen

slinger (1000 KG.) van Wieehert. Ook een maandclijksch

seismologisch bulletin wordt door het Observatorium

uitgegeven, waardoor de verschillende

observatoria zoo spoedig mogelijk in kennis worden

gesteld met de Indische aardbevingen.

5. Getijden. Kort nadat Darwin zijn nieuwe methode

van bewerking van getijwaarnemingen had uitgewerkt

en een getijdienst in Britsch-Indië was georganiseerd,

werd een nieuwe methode, steunend op Darwin's

grondslagen, maar geschikt voor waarnemingen op

enkele uren per dag, uitgewerkt en een getijdienst

voor 5 jaren georganiseerd, omvattende omstreeks

80 stations. De eerste resultaten werden gepubliceerd

in 1889(Verslagen en MededeelingenKon. Akademie)

in het Tijdschrift van het Kon. Instituut van Ingenieurs

(1890—1896) en in het Natuurkundig Tijdschrift

van Ned. Indië (1896); een eerstesamenstelling

der resultaten met kaarten is te vinden in het werk

„Wind and Weather, Tides and Tidal Streams", 1897;

een tweede volledig overzicht in de uitgave „Elementaire

theorie der Getijden" (1910). Van 1908tot op

heden werden door het Observatorium getijtafels berekend

en uitgegeven voor Pontianak, Belawan Dcli,

Oost- en Westgat van Soerabaia, Oedjoeng Pangka,

Bandjermasin, Moeara-djawa en Palembang.

6. Meteorologische waarnemingen in den Archipel.

Het groote nut, dat men van meteorologische waarnemingen

ook buiten Batavia kan trekken, bleek

duidelijk in 1890, toen aan het Observatorium advies

werd gevraagd omtrent de meest geschikte plaats

voor legering van troepen in de Preanger. Op

grond van observaties, verricht gedurende één jaar

op 5 stations langs de lijn Batavia-Garoet, kon Tjimahi

als de meest geschikte plaats worden aangewezen.

Een andere methode, om een voor vele doeleinden

(expedities, opnemingen) nuttige en noodzakelijke

kennis te verkrijgen van meteorologische toestanden

in den Archipel, werd gevolgd door uittrekking van

de niet-instrumenteele waarnemingen, vastgelegd in

de scheepsjournalen van oorlogsschepen, die van


70

1814—1890 de Indische zeeën hadden bevaren,

welke journalen voor dit doel uit het Archief te

's Gravenhage naar Batavia werden opgezonden.

De resultaten van dit onderzoek zijn gepubliceerd

in den atlas „Wind and Weather etc." 1907.

Op dit oogenblik is een nieuwe organisatie in

werking getreden, waarbij op vele plaatsen zoo op

Java als

in de Buitenbezittingen, meteorologische

waarnemingen worden verricht, die door het Observatorium

worden bewerkt. In dit jaar zag het eerste

deel dezer publicatie het licht onder den titel

„Observations made at secondary stations in Netherlands

East India", 1913.

7. Het onderzoek der hoogere luchtlagen. In het

wolkenjaar 1896— 97, door Hildebrandsson georganiseerd,

werd door het Observaterium aan de internationale

coöperatie deelgenomen, en hoogte en drift

van de verschillende wolkensoorten met behulp van

twee photographische theodolieten gemeten.

In 1909 werd met behulp van de nieuwste middelen:

loodsballons, ballons met registreertoestel en

vliegers, het eigenlijke onderzoek der hoogere luchtlagen

aangevangen. De resultaten dezer onderzoekingen

zijn en worden gepubliceerd in een nieuwe

uitgave van het Observatorium onder den titel

„Verhandelingen", waarvan op dit oogenblik twee

nummers zijn verschenen. Een overzicht van de verkregen,

hoogst belangrijke, resultaten vindt men in

een verhandeling van Dr. van Bemmelen gepubliceerd

in het werk „Luftfahrt und Wissenschaft," herausgegeben

von J. Sticker. De ontdekking van verscheidene

luchtstroomingen boven elkander en van een

sterke westelijke strooming (oostenwind), die zich met

een snelheid van 34 M. per seconde op een hoogte

van 30.5 KM. beweegt en voorts het aantreffen van

een temperatuur van — 87 0 C. op een hoogte van

16 K.M. mogen hier alleen worden genoemd.

8. Nadere bijzonderheden omtrent de werkzaamheden

van het Observatorium en de daardoor noodzakelijk

geworden uitbreiding van personeel vindt

men in de jaarverslagen (1910 —1912), doorDr. van

Bemmelen in de laatste jaren in het licht gegeven.


71

Hieruit blijkt, dat de inrichting, die door Bergsma

werd aangevangen met 5 inlandsche assistenten, nu

arbeidt met een personeel van een 40-tal personen.

9. Reizen naar Indië. Vanafde oprichting van het

Kon. Ned. Meteor. Instituut heeft Prof. Buys Ballot

het groote belang voor de zeevaart van kennis der

oceanografische toestanden in den Indischen en Atlantischen

Oceaan ingezien en gewaardeerd.

Het oudste aanwezige journaal loopt over 1820-1825

en is gehouden door den Kapitein Jacobus Boelen

van het schip Delphina ; uit de verzameldejournalen

werden reeds in 1855 belangrijke zeilaanwijzingen

van het Kanaal naar Java en omgekeerd gepubliceerd.

Was destijds kennis van de heerschende winden

de meest belangrijke voor de zeilvaart, waardoor

groote besparing aan tijd kon worden verkregen,

thans zijn het voornamelijk de zeestroomingen, van

wier mede- of tegenwerking op lange routes de duur

van de vaart afhankelijk is. De verschillen in gewonnen

tijd zijn geringer dan vroeger, maar daarin gelijke

mate dekosten zijn gerezen, blijft het product constant.

Journalen, bevattende reizen van en naar Oost-

Indië, ontvangt het Instituut van de Maatschappij

Nederland, Rotterdamsche Lloyd, Java—China—

Japan Lijn, Java—Bengalen Lijn en de Indische

Lloyd. Deze journalen nemen zonder twijfel een

eerste plaats in onder de verzamelingen vanandere

zeevarende naties, waaronder alleen Engeland,

Duitschland en Amerika deelnemen aan de bewerking

van Oceanografische gegevens. Op 31 December 1905

bedroeg het aantal journalen 5191, op 31 December

1912 6698, een gemiddelde toeneming van ongeveer

200 journalen per jaar. In 1912 was dit aantal reeds

263 en het is nog steeds toenemend.

De tentoongestelde kaarten van zee- en windstroomingen

zijn werkkaarten, geteekend ten behoeve van

de gepubliceerde atlassen. Het aantal waarnemingen,

gebruikt voor de samensteliing van het nieuwste deel

(December, Januari, Februari 1856 —1910) van het

werk over den Indischen Oceaan bedraagt 1.860.613.

J. P. van der Stok.


DE VERMEERDERING ONZER

GEOLOGISCHE KENNIS VAN DEN

NEDERLANDSCH OOST-INDISCHEN

ARCHIPEL IN DE LAATSTE

40 JAREN.

Ofschoon het natuurwetenschappelijk onderzoek

onzer Koloniën in de laatste halve eeuw in allerlei

richting krachtig werd voortgezet, zijn de resultaten,

naar het mij wil voorkomen, op het gebied der

geologie en aanverwante vakken zeker niet het

minst belangrijk geweest.

Wat vooreerst de praktische resultaten betreft,

kan gewezen worden op de ontdekking van belangrijke

kolenvelden (Sumatra's Westkust, Borneo's

Oostkust), die gedeeltelijk reeds in ontginning zijn;

op groote hoeveelheden petroleum, die door boringen

aan den dag werden gebracht (Java, Sumatra

Borneo); eindelijk op goudertsen, die op enkele

punten van Sumatra en van Noord-Celebes in ontginbare

afzettingen bleken voor te komen.

Daarbij werd het wetenschappelijk onderzoek niet

vergeten. Door de Gouvernements mijningenieurs,

gedeeltelijk ook door Nederlandsche en buitenlandsche

geleerden, werden uitgestrekte terreinen hetzij

verkend, hetzij nauwkeurig opgenomen, en hunne

bevindingen in den vorm van verslagen, met bijbehoorende

geologische kaarten, gepubliceerd. Hier

zijn vooral te noemen: Java, een groot gedeelte

van Sumatra, geheel Bangka en Billiton, een gedeelte

van West-Borneo, van Oost-Borneo en van Celebes,

Lombok, eindelijk de Molukken, met inbegrip van

Nederlandsch Nieuw-Guinea en den Timor-Archipel.


73

Bij dit onderzoek bleek nu, dat de opvatting, die

men vroeger over de geologische samenstelling van

den Indischen Archipel had, ten eenenmale onjuist

was. Uitgezonderd Java, dat door Junghuhn reeds

goed bekend geworden was, wist men vóór 50 en

zelfs vóór 40 jaren niet veel meer van dienArchipel,

dan dat er werkzame vulkanen voorkwamen, dat

er dikke sedimentaire lagen optraden, die in navolging

van Junghuhn alle voor tertiair gehouden

werden, en welke hier en daar steenkolen van

goede kwaliteit bevatten, eindelijk, dat de eilanden

Bangka en Billiton rijk aan tinerts waren. Tot dit

weinige, en enkele andere verspreide, maar weinig

vertrouwbare gegevens, was toen de geologische

kennis van onze overzeesche bezittingen buiten Java

beperkt.

Op den algemeen als juist aangenomen regel,

dat alle sedimenten tertiair waren, maakte alleen

Timor een uitzondering, op welk eilandreeds door

Macklot, een lid der vóór Junghuhn in Indië werkzame

„Natuurkundige Commissie" versteeningen

waren gevonden, die een oud karakter droegen.

In 1858 kwamen eenige fossielen van Timor naar

Batavia, waaronder encrinietcn en ammonieten herkend

werden; in 1862 hield von Richthofen eenige

versteeningen van Timor, die hij bij Junghuhn

zag, zeer bepaald voor tot de Bergkalk behoorend,

dus voor carbonisch; en nadat in 1864 Beyrich

eene grootere suite versteeningen van Timor, als

behoorend tot de kolenkalk had beschreven, was

aan het optreden van paleozoïsche lagen op dat

eiland niet meer te twijfelen. Latere onderzoekingen

hebben aangetoond, dat deze fossielen iets jonger

zijn, en tot de perm-formatie, dus tot het opperste

paleozoïcum moeten gesteld worden.

Eerst 10 jaren later, in 1874, werden op Sumatra,

in de Padangsche Bovenlanden, door het Mijnwezen

lagen met versteeningen {Phillipsia, fnsulinen, enz.)

ontdekt, die eveneens paieozoïsch waren. Zij werden

door Ferd. Roemer als kolenkalk beschreven, terwijl

latere onderzoekers ze weder voor iets jonger, namelijk

voor opper-carbonisch, houden.


74

In 1883 werden door het Mijnwezen de eerste

mesozoïsche versteeningen gevonden, namelijk in

mergels van de Wester-Afdeeling van Borneo, die

Geinitz als cretaceïsch bepaalde.

In 1889 volgde de ontdekking door Wichmann

van de eerste triassische lagen op het eiland Roté

(Rotti), en van jurassische gesteenten op hetzelfde

eiland, deze laatste echter niet in vaste lagen, maar

als uitwerpsels van slikbronnen (z. g. slikvulkanen);

terwijl Ten Kate in 1891 door het vinden van halobiënkalk

als rolstukken in eene rivier van Midden-

Timor bewees, dat de triasformatie ook op dat eiland

voorhanden is.

Van dit jaar volgen de ontdekkingen van mesozoïsche,

gedeeltelijk ook van paleozoïsche formaties

snel op elkaar. Successievelijk werd aangewezen:

In 1892, jura op Boeroe, door Martin.

In 1895 en 1896, jura op West-Borneo, door

Martin, Vogel en Krause.

In 1897, jura op Noord-Borneo (Serawak), door

Bullen Newton.

Daarna:

In 1899, op verschillende eilanden vau het oostelijk

gedeelte van den Archipel (Molukken), perm,

trias, jura, krijt, eoceen en jong-tertiair, door Verbeek.

In 1899, trias in Noord-Sumatra, door Volz.

In 1900, perm, trias, jura, krijt, op verschillende

Moluksche eilanden, door G. Boehm.

In 1902, trias op West-Borneo, door Wing Easton

en Vogel.

In 1906, carboon en krijtformatie in Djambi fZuid-

Sumatra), door Tobler.

In 1907, trias in de Molukken op verschillende

eilanden door Wanner, en in Portugeesch Timor

door Hirschi.

In 1908, de rhatische formatie in de Padang'sche

Bovenlanden (Sumatra), door Miss M. Healey. Deze

formatie is echter later gebleken een weinig ouder

te zijn, en tot de opper-trias te behooren.

In 1908, jura, in Djambi (Zuid-Sumatra), door

Tobler.

In 1909, trias op Boeroe, door Krumbeck.


75

In 1911, paleozoïsche, mesozoïsche en tertiaire lagen

in westelijk Zuid-Nieuw-Guinea, door Martin.

In 1912, opper-trias in de Padangsche Bovenlanden,

door Krumbeck.

Terwijl men dus nog in 1882 meende, dat alle

mesozoïsche lagen in Nederlandsch-Indië ontbraken,

blijkt nu, dat lagen uit alle drie de hoofdafdeelingen

van het mesozoïcum voorhanden zijn. De zee, die

nu de eilanden van onzen Indischen Archipel omgeeft,

was zooals uit verschillende gegevens blijkt,

in het carboon reeds voorhanden, en scheidde toen

reeds China van Australië. De groote landmassa,

die Neumayr in de jura-periode tusschen die landen

aannam, en als sino-australisch-continent aanduidde,

heeft nooit bestaan, althans niet na het carboon,

en waarschijnlijk vroeger evenmin.

Volgens de boven opgegeven nieuwe ontdekkingen

kunnen nu in den Archipel de volgende gesteentegroepen

onderscheiden worden, die op de door den

oud-mijningenieur E. C. Abendanon vervaardigde, en

ten toon gestelde geologische schetskaart van den

Archipel aangegeven zijn. Met het oog op de kleine

schaal der kaart moesten echter sommige groepen

vereenigd worden.

1. Oude leigesteenten (schiefers) zonder versteeningen,

van onbekenden ouderdom. Hieronder zijn

waarschijnlijk zoowel azoïsche, als verschillende

oud-paleozoïsche gesteenten. Tot de laatste behooren

waarschijnlijk de kleileien met goudhoudende kwartsgangen,

maar tot nog toe is zelfs geen spoor van

versteeningen in deze leien aangetroffen.

Deze gesteenten zijn zeer verspreid en komen

waarschijnlijk overal in den ondergrond voor. Men

kent ze van Sumatra, Bangka, Billiton, Karimondjawa,

Borneo, Celebes en talrijke eilanden van de

Molukken (de Molukken hier in uitgebreiden zin genomen,

dat is, met inbegrip van Nieuw-Guinea, den

Timor-Archipel en de Kleine Soenda-eilanden).

2. Groep der oude basische eruptiefgesteenten, van

grootendeels prae-permischen ouderdom; een gedeelte


76

is wellicht jonger (mesozoïsch). Hiertoe behooren

peridotiet, serpentijn, gabbro, diabaas en diabaasporfieriet,met

hunne tuffen, brecciën en schaalsteenen,

die met de oude leigesteenten opgericht en geplooid

zijn. Sumatra, Borneo, Celebes, Molukken.

3. Granietgesteenten. Deze zijn in de Molukken

jonger dan groep 2, daar zij o.a. op Ambon, Lirang

en Wetar gangvormig in peridotiet, diabaas en

gabbro optreden. Zij zijn echter tevens ouder dan

triassisch, omdat gruis van granieten in de opperpaleozoïsche,

of waarschijnlijker triassische zandsteenen

van Ambon voorkomt. Andere granieten,

namelijk sommige van Djambi en het Noordelijke

gedeelte van Palembang (de Rawas), zijn echter

stellig jonger, daar zij mesozoïsche (waarschijnlijk

jurassische) sedimenten contact-metamorph veranderd

hebben. Sumatra, Bangka, Billiton, Borneo, Celebes,

Molukken.

4. Paleozoïsch, grootendeels opper-carbonisch en

permisch. Sumatra, Timor, Molukken.

5. Trias-formatie. Sumatra, Borneo, Oost Celebes,

talrijke Molukken-eilanden.

6. Jura-formatie. Sumatra, Borneo, Oost-Celebes,

verschillende Molukken-eilanden.

7. Krijt-formatie. Sumatra, Java, West-Borneo,

verschillende Molukken-eilanden.

8. Eruptiefgesteenten dermesozoïsche periode. Hiertoe

behooren sommige granieten, kwartsporfieren,

diabazen en melafieren. Sumatra, Java, Borneo,

Molukken.

9. Oud-tertiaire (eoceene en oligoceene) afzettingen.

Sumatra, Java, Borneo, Celebes, Molukken. Bevatten

de goede Indische steenkolen.

10. Jong-tertiaire (mioceene) eruptiefgesteente)!.

Leuciet- en nephelien-gesteenten, andesieten, dacieten

en bazalten. Gruis van deze gesteenten komt wel in

de mioceene, maar niet in de eoceene gesteenten

voor. Sumatra, Java, Bawean, Borneo, Celebes,

Molukken.

11. Jong-tertiaire (mioceene enplioceene) afzettingen.

Zachte kleisteenen, mergels, zandsteenen en kalksteen,

steeds met een gehalte aan gruis van de


77

eruptiefgesteenten der groep 10. In de Molukken

behooren de hoogstgelegene terrasvormige koraalkalken

tot het plioceen. Mioceene afzettingen komen

°p de meeste eilanden van den Archipel voor, maar

niet op Bangka, Billiton, Ambon en enkele andere.

12. Kwartaire afzettingen en Vulkanen. Hiertoe

behooren de laaggelegen terraskalken der Molukken,

losse zandsteenen van vulkanisch gruis en de vulkanen

zelf, die voor het grootste gedeelte in den

kwartairen tijd werden opgebouwd. De kwartaire

sedimenten komen op bijna alle eilanden van den

Archipel voor, de vulkanen, waarvan er verscheidene

nog werkzaam zijn, daarentegen slechts op enkele

eilanden, die in vier groepen zijn in te deelen. Tot

de eerste groep behooren de vulkanen van Sumatra,

Java en de kleine Soenda-eilanden tot Pantar. Het

op Pantar oostelijk volgende eiland Alor bevat geen

jonge vulkanen, maar wel mioceene eruptiepunten.

I)e tweede groep bevat de ellipsvormig geranschikte

vulkanen van de Banda-zee; hiertoe behoort de

Banda-groep. De derde, of Menado-groep, strekt

zich uit van het eilandje Oena-oena in de Tominibocht

over de vulkanen in de Minahasa (Noord-

Celebes) naar de Siau-Sangi-reeks en verder noordelijk

naar de vulkanen der Philippijnen. De vierde

groep eindelijk is samengesteld uit de reeks der

Halmahera-vulkanen, die van den grooten Tobelovulkaan

over den Gam Koenora, Ternate en Tidore

tot aan Makian loopt. Alle eilanden, die niet tot

deze 4 groepen behooren, bezitten geen vulkanen.

13. De recente, ofhedendaagsche vormingen bestaan

hoofdzakelijk uit uitwerpselen van nog werkzame

vulkanen, uit afzettingen van kalksteen nabij de

kusten of in ondiepe zee, door den bouw van

koralen, foraminiferen en kalkalgen, uit aanslibbingen

van rivieren bij hunne uitmonding in zee, en uit

afzettingen van warme bronnen.

Eene meer uitvoerige samenstelling van denieuwste

onderzoekingen op geologisch gebied van den Archipel

is te vinden in Verbeek's „Molukken-Verslag",

Jaarboek van het Mijnwezen in Ned. Oost.-Indië,


78

XXXVII, 1908, Wetensch. Ged., Batavia, 1908.

De na dien tijd, tot ultimo 1912, verschenen

mijnbouwkundige en geologische geschriften over

onzen Archipel zijn opgenomen in Verbeek's „Opgave

van geschriften over geologie en mijnbouw van

Nederlandsch Oost-Indië," Verhandelingen van het

Geol. Mijnb. Genootschap voor Nederland en Koloniën,

Geol. Serie, Deel I, 's-Gravenhage, 1912.

R. D. M. Verbeek.


DE VOLKENKUNDE.

Nu het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig

Genootschap ter gelegenheid van zijn veertigjarig

jubileum schouw houdt over hetgeen gedurende zijn

bestaan op aardrijkskundig gebied in de Nederlandsche

koloniën aan wetenschappelijke winst is behaald,

schijnt het een verklaarbaar verlangen, dat daarbij

ook de uitkomsten van de Volkenkunde gedurende

dat tijdvak

onder de oogen worden gezien. Aardrijkskunde

en Volkenkunde zijn te nauwer verwant

naarmate — zooals in onze koloniën nog veelal

het geval is en ook uit de statuten van het jubileerend

Genootschap blijken kan — onderzoekingen

van land en van volk veelvuldiger hand aan hand

gaan. Bovendien is de mensch en vooral de primitieve

mensch als „slaaf van de hem omringende

natuur" in hooge mate afhankelijk van zijne omgeving

in den ruimsten zin, van den bodem waarop hij

leeft, van de planten- en dierenwereld en van het

klimaat en de aardrijkskundige gesteldheid van zijn

land, zoodat er uiteraard wisselwerking bestaat

tusschen de Aardrijkskunde en de Volkenkunde, die

zich ten plicht heeft gesteld het wezen te doorgronden

van de volken, welke nog slechts oppervlakkig

of nog niet in aanraking zijn gekomen met

hetgeen wij als beschaving aanmerken. Bij de behandeling

van de vraagstukken, welke met de toestanden

bij dergelijke volken verband houden, speelt

wederom de aardrijkskunde een rol, want zij kan

inlichten met betrekking tot de wegen, welke verschillende

volksstammen ofverschillende beschavingsuitingen

hebben afgelegd. In dit opzicht valt er in

den Indischen Archipel met zijn bonte mengeling

van bevolkingsgroepen nog veel licht te ontsteken,


80

zooals blijken kan aan dengene, die het stoffelijk

beschavingsbezit van die bevolking vergelijkt met

dat van de haar omringende volken. Er blijven bij

de beschouwing van de kleeding, de sieraden, de

wapenen, het huisraad, de gereedschappen voor

landbouw, ambacht, jacht en visscherij nog zoovele

vragen omtrent herkomst, of vreemde invloeden

over, dat men uit een wetenschappelijk oogpunt

wenschen mocht het aanwezige te kunnen behoeden

voor verworden en verdwijnen, zoolang die vragen

niet tot oplossing zijn gebracht, in aansluiting bij

hetgeen taaivergelijking en somatische anthropologie

leeren of leeren zullen nopens de plaats, die de

Indonesiërs in de rij der volken innemen.

Met het geestelijk beschavingsbezit is het niet

anders; vreemde invloeden in het godsdienstig en

maatschappelijk leven wijzen op nauwe aanrakingen

met de bewoners van Azië, de in den Archipel

gesproken talen getuigen bovendien nog van de

gemeenschap met de oostelijk gelegen eilandengroepen,

de inheemsche ondergrond van het geestelijk

wezen der oudste bewoners van den Indischen Archipel,

hunne primitieve, godsdienstige en zedelijke

begrippen, hunne instellingen, rechtsbeginselen en

mythen eischen nog in velerlei opzicht stage bestudeering

tot vermeerdering van de kennis nopens

verwantschap met elders levende volken, een gemeenschappelijk

uitgangspunt of bepaalde wegen van

aanraking. Hieruit volgt reeds eenigszins het belang,

dat er voor de wetenschap der volkenkunde in het

algemeen gelegen is in elke vermeerdering van de

kennis nopens het zieleleven, de maatschappelijke

toestanden, de economische verhoudingen en de

voorwaarden om tot een hooger beschavingspeil te

komen van de volken in den Indischen Archipel.

Die kennis toch kan nog belangrijke bijdragen leveren

voor het inzicht in de geschiedenis van het ontstaan

en verdwijnen van beschavingsuitingen van die

volken en van de menschheid in het algemeen,

omdat zich bij de natuurvolken van Insulinde nog

primitieve toestanden laten waarnemen, die voor

het begrip nopens de ontwikkelingsgeschiedenis van


81

elders heerschende of geheerscht hebbende verhoudingen

licht kunnen geven. Er zijn weiniglandstreken

op den aardbol, die in dit opzicht zulk een

belangrijke rol kunnen vervullen als het Indonesische

eilandenrijk, dat aan de zorgen van Nederland is

toevertrouwd, want elk van die eilanden is op zich

zelf een wereld of een wereldje, waar thans nog

(voor hoe lang nog?) schatten aan stoffelijk en

geestelijk ethnologisch materiaal liggen opgehoopt

en voor den belangstellende te verzamelen zijn

In engeren zin laat zich het belang der Indische

Volkenkunde tastbaar gevoelen aan iedereen, die

geroepen is die volken te leiden op de banen, welke

aan de onderdanen van eene koloniale mogendheid

voor hen begeerenswaard toeschijnen. Immers zal

niemand in dezen tijd meer ontkennen, dat die leiding

alleen dan, zonder steeds voor beide partijen

te betreuren misverstand, mogelijk en vruchtdragend

kan zijn, wanneer zij rekening houdt met den aard

en den geestelijken aanleg van hen, aan wie wereldlijk

of geestelijk heil zal worden gebracht, een heil,

dat trouwens dan alleen wordt aanvaard en behoorlijk

ten nutte gemaakt, wanneer het gewenscht en

als een behoefte gevoeld wordt. Denkt men zich

die wereldlijke of geestelijke leiders alleen als bestuursambtenaren,

rechters, zendelingen en onderwijzers,

dan trekt men den kring te eng. Ook de

handel vraagt naar den aard van de behoeften,

naar de ontwikkeling van smaak en kunstgevoel

bij zijne afnemers; eene goede kennis van land en

volk geeft trouwens voordeel aan iedereen, die uit

die kennis waardeering weet te putten voor andersdenkenden

; dan schenkt zij een verruimden blik en

kan zij nieuwe gezichtspunten openen ook ten aanzien

van de fundamenteele denkbeelden van onze

Westersche maatschappij; dan geeft zij eene verruimde

menschenliefde, zooals zij den kunstenaar

nieuwe motieven schaft en verlustiging in eenvoudige

en daardoor vaak zuivere uitingen van schoonheidsdrang.

In het licht van de practijk bezien, moet dus

elke vermeerdering van onze kennis nopens de


82

bewoners van onze koloniën, afgescheiden van het

nut voor de wetenschap, dankbaar worden erkend

door allen, die maatregelen ten behoeve van die

bewoners beramen of uitvoeren en in nog ruimeren

kring door allen, welke betrokken zijn bij het wel

en wee van de koloniën, dat zijn alle onderdanen

van eene koloniale mogendheid. Zoowel uit een

wetenschappelijk als uit een practisch koloniaal oogpunt

is het dus gewenscht van tijd tot tijd stil te

staan en monstering te houden over hetgeen de

uitkomsten zijn van een tijdvak van het onderzoek

naar en de bearbeiding van gegevens op het gebied

der Volkenkunde van onze koloniën.

Als uitgangspunt van dat doel leent zich het jaar

1873, waarin het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig

Genootschap werd opgericht, zeer goed,

omdat er omstreeks dien tijd op het gebied der

Volkenkunde nieuw levea ontstond. In Duitschland

was toen (in 1869) voor het eerst een leerstoel

voor anthropologie opgericht te München; in Engeland

verscheen in 1871 E. B. Tylor's werk Primiiive

Culture, een boek, dat in verschillende landen

aan tal van ethnologen den weg heeft gewezen ten

aanzien van de verzameling en de bewerkingsmethode

van gegevens met betrekking tot de maatschappelijke

instellingen, de zeden en de godsdienstige

voorstellingen van de zoogenaamde primitieve

of wilde volken. Nederland bleef niet achter; daar

werd in 1876 vóór


andere landen — aan de

hoogescholen plaats gegeven aan de vergelijkende

godsdienstgeschiedenis, die bij haar onderzoek ook

rekening wenschte te houden met de uitkomsten

van de Volkenkunde en die met de namen van

Tiele en Chantepie de la Saussaye den Nederlandschen

roem heeft hooggehouden. De Volkenkunde,

aldus medegeplaatst op den troon der geestelijke

wetenschappen, ging meer en meer vergelijkenderwijs

de door de ethnographie van heinde en ver

aangebrachte gegevens verwerken tot ethnologische

studiën, die de leer van den mensch verrijkten en

tot wasdom deden komen. Kern's Buddhisme verscheen

spoedig daarna (1881 —1883); zijne studiën


83

over het Sanskrit en de Indogermaansche talen en

zijne ver over de grenzen van den Indischen Archipel

reikende kennis van inlandsche talen droegen

bij tot de ontsluiting van de gedachten van vverelddeelen.

Zooals hij en Brandes de beteekenis van

den Hindutijd voor de bevolking van den Archipel

vaststelden, zoo kwam Snouck Hurgronje,

die te Mekka het Mohammedanisme in eigen huis

had opgezocht en verkend (1884—'85), in tal van

geschriften verkonden, hoe de Islam door natuurvolken

wordt aanvaard en welke zijn beteekenis

kan zijn voor onze koloniale politiek, een taak, die

hij op zich kon nemen, omdat hij èn de roerselen

van het Islamitische hart èn de ziel van den

inlander èn het wezen van ons koloniaal regeeringsbeleid

had doorgrond. Wilken, die in het geboortejaar

van het Aardrijkskundig Genootschap reeds

gedurende eenigen tijd bestuursambtenaar in Indië

was geweest, begon toen reeds met het uitgeven

van zijne eerste verhandelingen, die gevolgd zijn

door een reeks van meesterlijke opstellen op het

gebied der Volkenkunde, een reeks, die in 1885

toen Wilken Veth als hoogleeraar te Leiden opvolgde,

haar hoogtepunt bereiken zou met het opstel

over het Animisme bij de volken van den Indischen

Archipel. Door de zorg van Mr. van Ossenbruggen,

onlangs in vier kloeke deelen verzameld uitgegeven,

hebben Wilkens geschriften het bewijs geleverd voor

hare beteekenis tot ver over den huidigen dag. De

huidige dag, die de breed opgezette fundamenten

laat zien, waarop van Vollenhoven bezig is het

grootsche gebouw te stichten, dat den aard en de

waarde der rechtsbeginselen van de bevolking van

den Indischen Archipel zal vertoonen en waarin

haar rechtsleven op het voetstuk wordt gezet, dat

het verdient. Ten aanzien van een ander gedeelte

van het geestelijk beschavingsbezit van die bevolking

— de kunst — dient zulk een arbeid nog te

geschieden. Wie het boek over de Indonesische

kunst zal schrijven, vindt reeds een belangrijke

hoeveelheid bouwstoffen verzameld ; een verblijdend

verschijnsel, omdat het wijst op den vooruitgang


84

van onze kennis in de laatste tientallen jaren. In

1875 was in van der Lith's handboek nog slechts

sprake van de „groote handigheid" van den inlander

en van zijne hooge mate van „kunstvaardigheid";

sedert de laatste kwarteeuw is het ieder duidelijk

geworden uit de geschriften van Hein, Haddon,

Foy en Richter, Rouffaer en Juynboll, von Saher,

Pleyte, Jasper, Loubèr, Nieuwenkamp, Nieuwenhuis

en anderen, dat door de inlandsche bewoners echte

kunst wordt beoefend en dat de veelal „anonieme

kunstenaars" soms aanspraak hebben op groote

waardeering. Nog in ander opzicht valt er winst

te boeken. Groeneveldt deed (in 1876) licht opgaan

uit Chineesche bronnen over de geschiedenis en de

oude zeden en gewoonten van de bevolking in den

Indischen Archipel; van der Lith droeg materiaal

van Arabische zijde aan (1883 —'86); Kern en

Brandes ontcijferden de geheimen van steenen en

metalen en lontar-oorkonden; de te vroeg overleden

Dr. Brandes kwam in 1896 met zijn Pararatoncommentaar

en in 1902 met de Negarakretagama,

die Kern ontsluiten zou; Rouffaer deed met veel

scherpzinnigheid menig punt van nieuwe en oude

vondsten naar behooren uitkomen; eene in het leven

geroepen oudheidkundige dienst ondernam systematisch

en wetenschappelijk, wat enkelen, soms zeer

verdienstelijk, reeds hadden verricht tot vermeerdering

van de kennis nopens de bouwkundige monumenten

van het verleden; ook andere inlandsche

geschiedboeken werden in den laatsten tijd, mede

door den Javaanschen deskundige Dr. Hoesein

Djajadiningrat bewerkt en hun objectieve waarde

vastgesteld.

Het valt niet te ontkennen, dat de belangstelling

voor de Volkenkunde zoowel in het Moederland

als in de koloniën wast. Aan meer dan één Nederlandsche

universiteit wordt de Volkenkunde beoefend;

het nieuw opgerichte Koloniaal Instituut

wees er een werkplaats voor aan; het Leidsche

museum draagt zijne schatten aan het licht in een

rij van kwartijnen, die gewagen van zijn rijke bezit,

dat een paleis waardig, in het duister wordt opge-


85

schuurd; het Bataviaasch museum doet den vreemdeling

steeds duidelijker kond van het belangwekkende

cultuurbezit van de bevolking van Insulinde;

verscheidene andere verzamelingen wedijveren om

het bezit van de Indonesische ethnographica; fraaie

afbeeldingen van het inlandsche leven werden verkrijgbaar

gesteld; tentoonstellingen in Indië en in

Europa (Parijs 1900, Brussel 1910)riepen om waardeering

voor het inlandsche wezen en het inlandsche

kunnen, niet het minst in het buitenland.

Ook uit het verschijnen van op Nederlandsch-

Indië betrekking hebbende verzamelwerken, welke

een ruime plaats afstaan aan de gegevens, welke

het stoffelijke en het geestelijke leven van de bevolking

betreffen, kan vermeerdering van de belangstelling

voor die bevolking blijken. Om bij de buitenlanders

te beginnen: Chailley, Cabaton, Clive Day,

The twentieth century impressions, zij allen getuigen

in woord of in beeld van die belangstelling buiten

onze grenzen. Het fraai verluchte boek, dat onder

Colyn's leiding verscheen (1911 — '12) en het Handboek

van Insulinde van D. van Hinlopen Labberton

(1910) zijn er de bewijzen voor, hoezeer na van der

Lith's handboek (2e druk 1893—'95) hier te lande

behoefte bestond aan algemeene voorlichting betreffende

land en volk van Neerlands-Indië. Daarom

wordt nog het gemis gevoeld aan een boek als

Strachey's India (4e druk 1911), dat in een boeiende

zelfdoorleefde eenheid van het geheel van land en

volk in beknopten vorm eene voorstelling geeft. Wat

de Volkenkunde betreft, zijn de gegevens voor zulk

een boek voorhanden. Zij zijn in de eerste plaats te

vinden in de uitmuntende werken, welke reeds met

betrekking tot sommige ethnische eenheden van die

bevolking werden geschreven. Om enkele te noemen:

de Atjèhers van Snouck Hurgronje (1893—94' Engcd.

1906); zijn Gajo-land (1903), dat werd geschreven

op een tijdstip, toen wij nog geen voet in de Gajo-

Loeos hadden gezet en waarvan de juistheid werd

geroemd toen onze bestuursvestiging daar reeds verscheidene

jaren oud was. Dan: Quer durch Borneo

van Nieuwenhuis (1904), dat door een Nederlander


86

zonder afgunst gelegd wordt naast The pagan tribes

of Borneo door Hose en Mc. Dougall (1912); de

Batakspiegel (1910) onze eerste gazetteer; Veth's Java

(2e druk, deel IV, bewerkt door Snelleman 1907; de

Barèesprekende Toradja's 1(1912), door Adriani en

Kruyt, wiens Animisme (1906) hier ook genoemd

moge worden; Riedel's sluik- en kroesharige rassen

(1886); voorts van Hasselts Volksbeschrijving van

Midden-Sumatra (1882), die later door de werken van

Ijzerman es. (1895), Kleiweg de Zwaan (1908, 1910)

en Maass (1910) isaangevuld. Ook deboeken vanVolz,

die Batak-Lander (1909) en die Gajo-lander (1912) en

P: en F. Sarasin (Anthropologie Celebes, Reisen

Celebes 1905) behooren tot de belangrijke ethnographische

werken, die door vreemdelingen zijn geleverd.

Wat Nieuw-Guinea betreft, dat „om zoo te

zeggen een klein vastland is, dat de verschillendste

primitieve overblijfselen van de menschheid bevat"

(Ruggeri), de toeneming van de kennis der bevolking

van dit eiland in de laatste tien jaren is van groot

belang. Onder de Nederlanders was het vooral van

der Sande, die een standaardwerk (1907) over die

bevolking schreef, onder de Engelschen Seligmann

(1910), onder de Duitschers Neuhaus (i9ii)ennog

telkens verschijnen er geschriften (Wollaston, van

Nouhuys, Lorentz) en berichten van ontdekkingsreizigers

en militaire explorateurs met betrekking

tot Nieuw-Guinea, die wijzen op een uiterst merkwaardige

bevolking, waaronder het voorkomen van

dwergmenschen nu vaststaat. Vooral de Maatschappij

tot bevordering van het natuurkundig onderzoek der

Nederlandsche Koloniën en het Indisch comité van

wetenschappelijke onderzoekingen maakten zich verdienstelijk

ten aanzien van de ethnographische verkenning

van Nieuw-Guinea.

Een niet geringe vermeerdering van de kennis

omtrent een deel van de bevolking van Nederlandsch-Indië

is het gevolg geweest van de uitbreiding

van den bestuursinvloed over een groot gedeelte

van de buitenbezittingen in de laatste vijftien jaren;

tijdens en na de vestiging van ons gezag werd

door militair en civiel personeel allerlei materiaal


87

verzameld, dat de tijdschriften van Genootschappen

en Instituten en Vereenigingen vult en blijft vullen;

vooral Celebes, Borneo, de kleine Soenda-eilanden

en sommige eilanden van de Molukken leverden

belangrijke gegevens, ook dank zij den ethnographische

arbeid van sommige zendelingen.

Van de uitkomsten van sommige wetenschappelijke

expeditiën in Nederlandsch-Indië werd reeds

gewag gemaakt; aan het Aardrijkskundig Genootschap

komt de verdienste toe van de Midden-Sumatraexpeditde

(1877 —'79), het onderzoek van de Keieilanden

en van Flores (1887), van dekleine Soendaeilanden,

waar Dr. ten Kate in 1891 anthropologïsch

en ethnographisch materiaal verzamelde, de Zuid

Nieuw-Guinea expeditie in 1903 en de exploratie

van Midden-Celebes in 1909—'10. Het is hier ook

de plaats om melding te maken van de reeks van

de zeven onderzoekingstochten in Suriname, die

zulke belangrijke gegevens hebben verzameld omtrent

de Indianen en de Boschnegers in het Nederlandsche

gebied. Die gegevens zijn in hoofdzaak

te vinden in de jaargangen van het tijdschrift van

het K. N. Aardrijkskundig Genootschap 1902 (Coppename),

1903 (Saramacca), 1904 (Gonini), 1905

(Tapanahoni), 1908 (Toemoek Hoemak), 1910

(Suriname-rivier), en 1912 (Corantijn), zoomede in

de afzonderlijke geschriften van de Goeje (1906,

1908).

Voor wie de ziel der inlanders van onze koloniën

beluisteren wil in zijne letterkunde, ware hier nu

nog eene uitvoerige opgave op te nemen van taaigeleerden

en hunne geschriften, waaruit blijken zou,

dat de taalvorsching in de laatste decenniën een

berg van gegevens aan het licht heeft gebracht, die

evenals de tijdschriftenreeksen van Bataviaasch

Genootschap, Koninklijk Instituut voor de Taailand-

en volkenkunde, Indisch Genootschap,Aardrijkskundig

Genootschap en van vele andere, ook

zendingsvereenigingen, een schat van gegevens

nopens de inlandsche volken bevatten. Doch waartoe

hier nog meer namen te vermelden? Het spreekt

immers vanzelf, dat in het vorenstaande bij lange


na

88

niet alle geschriften, welke op de volkenkunde

van onze koloniën betrekking hebben, zijn opgesomd

of aangeduid. Naar volledigheid is hier niet gestreefd.

Wie volledigheid wil, raadplege boeken-catalogus

en repertorium en encyclopaedie. I lier is slechts

getracht een indruk te wekken; den indruk, dat er

in den tijd van het bestaan van het Aardrijkskundig

Genootschap en vooral in de tweede helft van zijn

leven, zeer veel is verzameld en verwerkt, dat van

groot belang voor de volkenkunde van onze koloniën

is. Wanneer wij thans het terrein overzien en ons

rekenschap geven van het standpunt waarop de

kennis van de bevolking onzer koloniën is gekomen,

dan kan worden gezegd, dat die bevolking in hoofdzaak

ethnographisch verkend — dat is nog iets

anders dan gekend — is, dat omtrent sommige van

de groepen, waarin die bevolking te verdeden is,

evenals van sommige onderdeden van de Indische

ethnographie reeds voortreffelijke samenvattende

beschrijvingen en studies bestaan en dat omtrent

andere groepen of onderwerpen een min of meer

uitgebreide literatuur op verspreide plaatsen is te

vinden. Daarmede is dan tevens aangegeven wat

in de naaste toekomst de opdracht van de verdere

beoefening der Volkenkunde zal moeten zijn. Haar

taak is in hoofdzaak tweeledig. Vooreerst zal zij

hebben te streven naar verdieping van de kennis

omtrent de koloniale bevolking en naar de aanvulling

van de leemten, die te dien aanzien nog

bestaan. Om die leemten te kennen — en ziehier

een tweede opdracht — zullen de reeds voorhanden

gegevens, voor zooveel nog noodig, verwerkt dienen

te worden tot overzichtelijke samenvattingen, die

den huidigen stand onzer kennis kunnen weergeven

en een grondslag kunnen vormen voor nader onderzoek,

ook in verband met de leemten die dan

duidelijk aan het licht komen. Voor het betreden

van die nieuwe banen heeft dekoloniale volkenkunde

naast meer belangstelling in alle lagen van de

Nederlandsche bevolking echter noodig, dat hare

beoefenaren, meer dan tot nu toe het geval was,

zijn deskundigen, die na eene speciale opleiding


89

voor dien arbeid, een levenstaak vinden in de studie

betreffende de inlandsche volkeren. Want naast de

dankbare erkenning van het vele, dat door belangstellenden

soms met voortreffelijken uitslag in dit

opzicht is en wordt verricht, schijnt thans de tijd

wel aangebroken, waarin meer en meer aan speciale

deskundigen de verdere verdieping van de kennis

en de vruchtdragende bewerking van de voorhanden

gegevens dient te worden opgedragen in het vooruitzicht,

dat in afzienbaren tijd tot goede uitkomsten

zal worden geraakt. Ook te dien aanzien kan de

medewerking van het Koninklijk Nederlandsch

Aardrijkskundig Genootschap van veel nut blijken

te zijn.

J. C. van Eerde.


LANDBESCHRIJVING.

Het is zeker ditmaal een gelukkige omstandigheid,

dat men bij het bezoeken eener aardrijkskundige

tentoonstelling allereerst verwacht kaarten te zien;

daarnaast afbeeldingen, reliëfs, grafieken —, maar

dat men niet zoozeer verlangt naar de boeken,

die veelal mede worden neergezet. Een tentoonstelling

is niet de plaats om rustig te gaan zitten

lezen, en ook wie een algemeen denkbeeld mocht

wenschen te krijgen van wat er over eenig onderwerp

geschreven is, gaat beter naar een bibliotheek.

Weliswaar beslaat de literatuur over onze koloniën,

in de laatste veertig jaren verschenen, een

aanzienlijk aantal boekenkasten. Maar de inrichters

eener tentoonstelling, uitgaande van een Aardrijkskundig

Genootschap, zouden, allereerst zoekende

naar aardrijkskundige beschrijvingen, met een paar

kleine plankjes hebben moeten volstaan. Zoozeer

staat de landbeschrijving met het woord nog achter

bij die door de kaart.

Omtrent onze koloniale topografische kaarten

mag worden getuigd, dat ieder die eenmaal met de

signatuur vertrouwd is (en deze is in den regel

zeer rationeel), een aantal belangrijke elementen der

landbeschrijving daarvan met veel grooter gemak

en genoegen afleest dan uit de beste beschrijving in

woorden mogelijk is. Daar is ten eerste het bodemrelief,

op de detailbladen weergeven door hoogtelijnen,

die op de best opgenomen kaarten in zuiver

beloop het karakter der terreinvormen uitnemend

weergeven; daar is verder de begroeiing van het

terrein, waarvan de uitnemende voorstelling deze

kaarten tegelijk tot kultuurkaarten maakt.


91

Maar het spreekt vanzelf, dat ook naast de beste

kaarten een tekst noodig blijft. Dat is gevoeld door

de leiders van den Topographischen dienst zelve,

die bij de karteering der residentiën van Java beschrijvingen

lieten samenstellen, welke veel belangrijks

bevatten en waarvan sommige stellig verdiend

hadden gedrukt te worden, wat echter niet is geschied

'). Evenmin is dat gebeurd met de uitvoerige

en zeer verdienstelijke landschapsmonografieën,

op initiatief van F. A. Liefrinck samengesteld bij

het landrente-onderzoek in de Preanger Regentschappen,

die vooral voor de kennis der economische

toestanden van groot gewicht waren.

Ook voor de Buitenbezittingen is het aantal monografieën

te gering gebleven; de meeste zijn in het

Tijdschrift van ons Genootschap te vinden, andere

in de publicatien van het Kon. Instituut voor de

taal-, land- en volkenkunde en van het Bataviaasch

genootschap, en ook in de Encyclopedie van Nederlandsch-Indië

-).

Aan beschrijvingen van grootere gebieden heerscht,

buiten Java, volkomen gemis. En zoo moet helaas

worden bekend, dat Nederland, vooraan staand in

de rij der koloniale mogendheden wat de kartografie

betreft, in de landbeschrijving niet alleen

door Engeland en Frankrijk, maar ook al door

Duitschland is overvleugeld en dat dit ook door

de Vereenigde Staten van Amerika staat te gebeuren.

Gelukkig kan op één gunstig teeken worden gewezen:

de oprichting van het „Encyclopedisch

Bureau voor de Buitenbezittingen." Dit heeft de

taak van het samenstellen van monografieën aanvaard.

Maar men verheele zich niet, dat die taak

alleen goed zal kunnen worden volbracht, wanneer

'

Enkele gegevens er uit zijn in het Tijdschrift Aardr.

Gen. gepubliceerd.

2 ) Titels behoeven hier niet genoemd omdat dekoloniale

bibliographie goed is verzorgd Repertorium van Hartmann,

met vervolg van Schalker en Muller; Catalogus

der Koloniale Bibliotheek, met vervolgen, doorRouffaer

en Muller.


92

\

men aan dat Bureau een voldoend aantal wetenschappelijk

geschoolde krachten weet te verbinden.

En dan zal ook aan een nieuwe, dieper gaande

beschrijving van Java de hand dienen te worden

geslagen.

Thans moet hij, die van eenig stuk in den Archipel

een denkbeeld wil trachten te krijgen, nog veelal

verwezen worden naar reisverhalen. Gelukkig zijn

er vele onderzoekers die een levendigen stijl vereenigen

met ruimen wetenschappelijken zin en ook

buiten eigen studievak hun blik laten gaan. Dat geldt

vooral van een aantal geologen, van enkele andere

natuuronderzoekers en van eenige ethnografen.

Gaan wij thans nog na hoe het gesteld is met

het systematisch verkregen materiaal omtrent bodem,

water, klimaat, plantengroei en de werken van den

mensch, dat voor elke grondige beschrijving onmisbaar

is.

Met de studie der bodemsoorten is Dcli vooraangegaan

en is ook in de laatste jaren voor Java een

organisatie tot stand gekomen, die reeds goede

vrucht heeft gegeven maar noodzakelijk dient uitgebreid,

en aangevuld met de studie der bodembacteriologie.

Buiten de genoemde gebieden is de

Archipel nog nagenoeg één witte vlek, wat de

bodemkennis aangaat. Gegevens omtrent hetregime

der rivieren zijn alleen voor enkele Javaansche

aanwezig, en de limnologie, de studie der meren,

heeft in den Archipel nog nauwelijks haar intree

gedaan.

De oprichting van klimaatstations buiten het groote

Observatorium te Batavia, waarop reeds lange jaren

van aardrijkskundige zijde is aangedrongen, wordt,

blijkens het laatste, pas verschenen jaarverslagvan

dat observatorium, thans eindelijk stelselmatig ter

hand genomen. Het aantal klimatografische monografieën,

berustend op de waarnemingen van particuliere

onderzoekers, is nog zeer gering.

Is er in deze beide dingen, althans vooruitgang,

datzelfde kan moeilijk worden getuigd van de studie

der plantbekleeding; d. w. z. aan goede beschrijvingen

van het plantenkleed eener bepaalde streek,


93

waarbij ook gelet wordt op het verband met bodem

en klimaat, blijft groot gebrek heerschen.

Vraagt men ten slotte naar de werken van den

mensch in het landschap, naar de studie van de

vorm en inrichting van huizen, dorpen, steden en

hun verband met bodemgesteldheid, watemet en

plantenkleed; naar de verschillende landbouwvormen,

die mede zoozeer het uiterlijk van het landschap

beheerschen en met de natuurlijke gesteldheid

in zoo nauw verband staan, dan kan gezegd, dat

daaromtrent zeker een zeer uitgebreid materiaal

bestaat, dat echter zeer versnipperd is, groote

leemten bezit en dus rangschikking en aanvulling

nog sterk behoeft.

Voor West-Indië is het materiaal, benoodigd

tot een aardrijkskundige beschrijving, nog evenzeer

onvoldoende aanwezig als voor de meeste streken

van Oost-Indië.

J. F. NIERMEYER.


ECONOMISCHE

AARDRIJKSKUNDE.

De statistische gegevens voor den economischen

toestand onzer koloniën zijn in de laatste jaren

sterk vermeerderd en verbeterd. Het Koloniaal Verslag

geeft daarvan een volledige lijst, voor zoover

de officieële publicatiën betreft. Daarnaast vallen te

noemen belangrijke jaarverslagen van handelslichamen,

allereerst dat der Nederlandsche Handc!-

maatschappij; vele uitnemend bewerkte overzichten

in de Indische Mereuur, in 't bizonder haar Jaaroverzicht

van den handel in koloniale producten;

verslagen van Kamers van Koophandel in den

Archipel (die echter een vergelijking met de verslagen

der Kamers van Amsterdam en Rotterdam

niet wel kunnen doorstaan). Ook voor zoover deze

gegevens rechtstreeks vooral betrekking hebben op

onder Europeesche leiding gedreven cultures en op

buitenlandschen handel en scheepvaart, zijn zij toch

van gewicht voor de kennis van de economische

gesteldheid der inlandsche maatschappij, die daarmede

in nauw verband staat en bij het doordringen

van Nederlandschen invloed in de binnenlanden der

buitenbezittingen in steeds enger betrekking komt.

Maar, evenals voor de landbeschrijving, ontbreekt

het ook hier nog aan een kritische verwerking van

al dit materiaal, waarbij de leemten tevens aan het

licht zouden komen. Die verwerking zou hier te

lande hoogstens alleen kunnen worden ondernomen

voor de beschrijving van den buitenlandschen handel

en scheepvaart, en voor de Europeesche cultures,

en ook voor die beide zou het beter in Indië zelve

kunnen geschieden. Uitsluitend daar kan zij worden

verricht, wanneer men een volledige beschrijving


95

van den economischen toestand der Indische Maatschappij

in al haar geledingen wil verkrijgen, die

wel het best wordt opgebouwd uit monografieën,

de afzonderlijke eilanden en hun onderdeden behandelend.

De organisatie van dezen arbeid kan

alleen goed geschieden van Regeeringswege en

niemand zal willen betwisten, dat het op den weg

der Regeering ligt, tot dit doel een bureau in te

richten, door wetenschappelijk gevormde ambtenaren

geleid.

Voor de kennis van Java's economischen toestand

is een hoogst gewichtig en omvangrijk materiaal

bijeengebracht en uitgegeven door de eerbiedwekkende

werkkracht der Welvaart-Commissie.

Het getuigt zeker van de groote belangstelling

der Indische Regeering in de studie der economische

toestanden, dat verschillende Bestuurs-Departementen

zich de moeite hebben gegeven belangrijke kaarten

en grafieken voor deze afdeeling der Tentoonstelling

te doen samenstellen.

Op de meeste daarvan is reeds hiervoor (blz. 25)

de aandacht gevestigd. Daarbij moge nog worden

gewezen op de belangwekkende kaart derbevloeiingsgebieden

van Java en Madoera, ingezonden door

het Departement der Burgerlijke Openbare Werken.

De overzichtskaart der soorten van grondbezit op

Java en Madoera, hoe belangrijk ook, maakt geen

onderscheid tusschen „communaal bezit" en „erfelijk

individueel bezit" en maakt dus niet overbodig een

nieuwe

uitgaaf der kaart van het grondbezit door

K. F. Holle, gevoegd bij het Koloniaal Verslag van

1895. Zulk een uitgaaf zou vooral ter vergelijking

met Holle's kaart van gewicht zijn.

De kaart der Stoomvaartlijnen in en op Nederlandsch-Indië

geeft voor het eerst daarvan een

volledig overzicht, wat vooral van beteekenis is

omdat de talrijke Chineesche lijnen nooit, zoover

bekend, volledig op een kaart waren aangegeven,

en hun beteekenis hier duidelijk blijkt.

Hoogelijk moet inzonderheid worden gewaardeerd,

dat het Departement van Financiën zich niet bepaalde

tot het inzenden van deze kaart en van een


96

aantal duidelijke grafieken betreffende den in- en

uitvoer van Nederlandsch-Indië, maar bovendien

een allerbelangrijkste brochure, met tal van tabellen

en graphische voorstellingen, voor deze Tentoonstelling

liet samenstellen en daarvan een groot

aantal ter verspreiding beschikbaar stelde.

De economische toestanden in West-Indië zijn, bij

zooveelkleiner omvang en, wat Suriname betreft, zooveel

geringere bevolkingsdichtheid, veel eenvoudiger

en dus gemakkelijker te overzien dan die van Oost-

Indië. Aan goede economisch-geographische beschrijvingen

ontbreekt het echter ook hier.

J. F. NIERMEYER.


LIJST DER INZENDINGEN.

A. NEDERLANDSCH OOST-INDIË.

I. LANDKAARTEN.

a. Topographische Kaarten.

Inzending van den Topographischen

dienst (IXe Afd. van het Dep. van Oorlog) te

Batavia 1 ).

Algemeene Overzichtskaarten.

No. i. Overzichtskaart van den Oost-Indischen

Archipel, i : 2.500.000, 6 bladen, met

alph. naamregister, uitgegeven in 1908.

No. 2. Overzichtskaartje van den 0.1. Archipel,

1 : 10.000.000 1910.

No. 3. Overzicht van den stand der cartographie

in het jaar 1910.

(Geplaatst in de historisch-geographische

afdeeling, C).

No. 4.

Java en Madoera.

Overzichtskaart van Java en Madoera

(Etappe-kaart), 1: 500.000, 4 bl. 2 ) 1878.

ld. id., 1 : 500.000, 8 bl. 1905.

ld. id., 1 : 2,000,000 Ibl , 1909.

Id. id., 1

: 500.000, 4 bl., 1912.

x ) Eenige kaarten zijn bijgevoegd uit de verzamelingen

van het Kon. Ned. Aardrijkskundig Genootschap en van

het Geographisch Instituut der Rijksuniversiteit te Utrecht,

voornamelijk bladen van oudere opnemingen, ter vergelijking

met de nieuwere. Bij de nummers van die kaarten

is een A gevoegd.

-) Met later bijgedrukte spoor- en tramlijnen.


98

No. 5. Spoor- en tramwegkaart van Java en

Madoera, 1 : 1.000.000, 2 bl., 1900.

Id. id., 1 : 1.000.000, 2 bl., 1909.

No. 6. Blad-indeelingskaart voor de graadafdeelingsbladen,

1:1.000000,2b1., 1909.

No. 7. Overzichtskaartderresidentießatavia,

1 : 250.000, 1 bl 1898.

Id. id., 1 : 250.000, 1 bl. . . . 1909.

No. 8. Overzicht der residentie Banjoemas,

1 : 250.000, 1 bl 1910.

No. 9. Id. id., Kediri, 1 : 250.000, 1 bl. 1891.

No. 10. Id. id. Besoeki, 1 : 250.000, 1 bl. 1899.

Id. id. id. id. 1 bl. 1912.

No. 11. Id. id. Pasoeroean, 1 : 250.000, 1 bl. 1885.

Id. id. id. id. 1 bl. 1907.

No. 12.

Id. id. Preanger-Regentschappen,

1:250.000 (herdruk) 1 bl. . . 1911.

Deze overzichtkaarten 12

7— staan bekend

onder den naam van „Reiskaarten".

No. 13. Topographische kaarten der voormalige

residentiën Bagelen, Japara, Krawang,

Probolinggo en Tegal, en van de residentiën

Bantam, Besoeki, Cheribon,

Djokjakarta, Kediri, Madioen, Pasoeroean,

Pekalongan, Preanger-Regentschappen.

Rembang, Soerabaja en Soerakarta,

1 : 100.000

1877—1910.

Deze chromolithographische kaarten, bekend

onder den naam van „Residentiekaarten

van Java" zijn vervaardigd bij de

Topographische Inrichting te 's-Gravenhage.

No. 14.

Kaart van de residentie Batavia, behalve

de afdeeling Krawang, omvattende 10

graadafdeelingsbladen . . 1 : 100.000,

1910—1913


99

Hierbij ter vergelijking opgehangen: 14A,

de Residentiekaart van Batavia, naar de

opneming van J87-

9 15. Militaire kaart der residentie Batavia, behalve

de afdeeling Krawang. 16 bl.,

1 : 50.000 1902—1908.

Voor nadere bijzonderheden betreffende

deze nieuwe militaire kaarten wordt verwezen

naar het opstel „De Militaire Cartographie

in Nederlandsch-Indie (Ind. Mil.

Tijdschrift 1905, No. 3). Zij dragen den

naam van „militaire kaarten" omdatbij de

troepenbewegingen uitsluitend van deze

kaarten wordt gebruik gemaakt.

No. 16. Kaart van het gedeelte der residentie Batavia

tusschen Tangerang en Bekasi en benoorden

Depok, 1 : 50.000 4 bl. . 1888.

No, 17. Vier bladen van de militaire kaart der

residentie Preanger-Regentschappen,

1:50.000 1908—1912.

No. 18. Eenige bladen der kaart van de residentie

Pasoeroean, 1: 20.000.

Nieuwe uitgave in kleuren, herzien volgens

de landrente-opneming. . 1912.

Hierbij is gevoegd, ter vergelijking een

kaart van dezelfde bladen der oude uitgave,

in zwartdruk, uit de jaren 1874—80.

No. 19. Gedeelte van het bergland langs de Zuidkust

der residentie Preanger-Regentschappen,

1 : 20.000,

54 bl. 1871—1886.

De nummers 19, 23, 24 en 25 zijn samengesteld

omeenige der voornaamste terreinvormen

van

Java voor te stellen.

Uitnemend toont kaart 19 hoe door hoogtelijnen

(hier op 10 M. verticalen afstand)

een duidelijk beeld van een sterk ingesneden

bergland wordt verkregen.

Het geheel geeft een afbeelding van het

meest woeste deel van het Zuid-Preanger

hellingland, dat zich uitstrekt beZ. de vulkaanrijen,

die de meervlakten van Bandoeng

en Garoetafsluiten. Het noordoostelijkste,

hoogste deel bestaat uitharde, dikke

banken van vulkanische puinbrokken.


No. 20,

100

Junghuhn, wiens beschrijving van deze

terreinen nog steeds onovertroffen bleef",

zegt er van: „Nergens op het gansche eiland

worden reusachtiger dalen en dalkloven

aangetroffen, nergens zulke woeste, steile

bergvormen, jukken, ribben, loodrechte

muren, hoog oprijzende pilaren en bergtoppen

gezien als hier, nergens zijn de

dalen zoo ontzaglijk diep en ten deele geheel

en al ontoegankelijk."

Westwaarts en zuidwaarts is het land opgebouwd

uit zeer zachte lagen, vooral zandsteenen

en mergels, de in zee afgezette

producten aan den voet der eruptieve gebergten

uit de tertiaire tijden.

De kaart geeft van dit terrein een nog

fraaier beeld, door deafwisseling van vlakke

gedeelten en steile dalwanden Vroeger

vormde dit gebied één hoogvlakte, thans

is het doorploegd door een menigte dalen,

van zeer groote diepte en steilte en met

zoo merkwaardig regelmatige vormen als

nergens anders op Java.

De dalwanden, waarvan vele watervallen

afstorten, worden met rotanladders beklommen.

Dikwijls hebben hier aardstortingen

plaats.

Nabij de kust zijn de ruggen breeder en

platter, en niet loodrecht op de kustlijn

gericht, maar meer evenwijdig daaraan. De

rivierdalen zijn hierbreeder, methorizontale

dalbodems. Het tropische oerwoud maakt

hier plaats voor rietvelden, kreupelhout,

bamboebosschen en wouden van gebangpalmen,

terwijl de dalbodems bedekt zijn

met frisch gras en verspreide boomgroepen.

Terreingedeeite in het Zuiden derresidentie

Kedoe, 1:25,000, 2 bl. 1903—1909.

No. 21. Kaart van de rcsidentiën Banjoemas en

Kedoe, 1 : 100.000, 17 bl. 1901 —1913.

Ter vergelijking is bij deze kaart gevoegd

als 21A een kaart hetzelfde gebied omvattend,

samengesteld uitdeßesidentiekaarten

van Kedoe, Bagelen (thans tot de residentie

Kedoe behoorend) en Banjoemas, vervaardigd

naar opnemingen in de jaren 1857

Men ziet —61.

met een oogopslag dat groote

moerassen in de kustvlakten in de tweede

helft der 19e eeuw voor de kuituur zijn

veroverd. Het sterkst was de uitbreiding


101

der bevolking in de oostelijke kustvlakte

van Banjoemas; in de westelijke daarentegen,

de omtrek der Segara Anakan, is

ze nog zeer gering. Ook in de bergdalen

en bergvlakten breidde de bevolking zich

uit. Het voorgestelde gebied is het dichtst

bevolkte deel van gansch Java.

De eigenaardige evenwijdige ligging der

dorpsreeksen langs de kust is een gevolg

van de aanwezigheid van hoogere terreinstrooken,

voormalige strandwallen; de tegenwoordige

strandwal draagt kleine duinen.

Duidelijk is een en ander te zien op

de Irrigatiekaart van Karanganjar, waarop

hoogtelijnen van i M. en 0.5 M. verticalen

afstand zijn getrokken.

Naarmate de opneming der omliggende

residentiën vordert, worden de bladen,

waarover de residentiegrenzen loopen, samengedrukt,

wat o. a. voor de terreinstudie

van groot nut is.

Men vergelijke verder voor dat gebied de

kaarten 20 en 22.

No. 22. Gedeelte der militaire kaart van Midden-

Java (res. Kedoe en O. deel van Banjoemas),

1 : 50.000, 30 bl. 1904—1909.

No. 23. Het Oostelijk deel van den GoenoengSewoe

'(res. Madioen, afd. Patjitan), 1 : 20.000.

1864—1871.

De titel van deze kaart is niet geheel juist,

door dat daarop een grooter gebied is

, voorgesteld dan gevraagd was, wat het

voordeel heeft, dat zoodoende het contrast

uitkomt tusschen den terreinvorm van den

GoenoengSewoe, die zich bewesten de baai

van Patjitan uitstrekten het oostwaarts daarvan

gelegen deel van het Zuidergebergte.

De Goenoeng Sewoe (= Duizend gebergte)

is een kalklandschap, genoemd naar de

duizenden topjes, die zich hier geïsoleerd

verheffen, meestal gescheiden doorkleine

dalkommen, die ondergrondsche afwatering

hebben. Behalve door Junghuhn is het beschreven

door Danes in Tijdschr. Aardr.

Gen. 1910, blz. 247.

No. 24. Het Tengger-Smeroe gebergte (res. Pasoeroean),

1: 20.000, 8 bl. 1873— T BB3.

Typische vulkaankegel en kratercircus.


No. 25.

No. 26.

No. 27.

102

Het Argapoera of Jang-gebergte (res. Pasoeroean

en Besoeki), 1.20.000,

.

35 bl.

1875—1883.

Typische vulkaanruïne.

Kaart van de hoofdplaats Batavia en omstreken,

1: 50.000, 1 bl. 1904.

Id. 1 :20.000, 1 bl. . . 1904.

De kaarten der hoofdplaatsen, 26—32, geven

duidelijk de groote uitgestrektheid der

Indische steden aan, in 't bizonder van de

inlandsche wijken.

Kaart van de hoofdplaats Bandoeng,

1 : 20.000, 1 bl. 1882.

Id. id. 1 : 10.000, 1 bl. 1910.

No. 28. Kaart van de hoofdplaats Magelang en

omstreken, 1 : 20.000, 1 bl. 1895—1896.

No. 29. Salatiga en omstreken, 1 : 20.000, 1 bl.,

omstreeks 1870.

Kaart van

Salatiga—Ambarawa en omstreken,

1 : 50.000, 1 bl. 1891.

Id. 1 : 50.000, 1 bl. 1907.

No. 30. Kaart van de hoofdplaats Semarang en

omstreken, 1 : 10.000, 2 bl. 1892.

Id. id. 1 : 10.000, 2 „ 1909.

No. 31. Kaart van de hoofdplaats Kediri 1 : 5000,

1 bl. 1913.

No. 32. Soerabaja en omstreken en een gedeelte

van Straat Madoera, 1: 20.000, 4b!. 1905.

Sumatra.

No. 33. Overzichtskaart van het eiland Sumatra

(z.g. economische kaart), 1 : 200.000,

1 bl. Uitgave 1908, herdruk . 1910.

No. 34. Kaart van Groot-Atjeh, 1:50.000, 2 bl.

1883.

No. 35. Kaart van Groot-Atjeh en onderhoorigheden,

1 : 750.000, 1 bl. 1886.


No. 36.

103

Kaart van het bezet gebied in Groot-Atjeh,

1 : 20.000, 4 bl. 1895.

Id. id. 1: 40.000, 1 bl. 1895.

Id. id. 1 : 40.000, 1 bl. 1898.

No. 42.

No. 37. Kaart van Groot-Atjeh en aangrenzende

kuststaten, 1 : 200.000, 1 bl. . 1898.

No. 38.

Kaart van Groot-Atjeh en Pedië, 1:200.000,

1 bl 1900.

No. 39. Kaart van Atjeh en onderhoorigheden,

1 : 500.000, 1 bl 1901.

No. 40. Overzichtskaart van Atjeh en onderhoorigheden,

1 : 200.000, 16 bl. . . 1903.

No. 41. Gedeelte der kaart van Atjeh en onderhoorigheden,

1 : 400.000, 8 bl. 1905.

Figuratieve schetskaart van de Pediëstreek,

I : 500.000, 1 bl 1898.

No. 43. Gedeelte der detailkaart van Sumatra's

Westkust, 1 : 20.000, 6 bl. 1885—1887.

Atlas der detailkaarten van Sumatra's

Westkust, 1 : 20.000.

Kaart van de hoofdplaats Padang en

omstreken, 1 : 10.000, . . . 1900.

No. 44.

Gedeelte der militaire kaart van Sumatra's

Westkust, 1 : 40.000, 15 bl. 1893—1895.

Atlas der militaire kaarten van Sumatra's

Westkust, 1 : 40.000.

No. 45. Gedeelte der kaart van Sumatra's Westkust

en Tapanoeli, 1 :80.000, 4 bl.

1885-1894.

Atlas der graadafdeelingsbladen van Sumatra's

Westkust, 1 : 80.000.

No. 46. Gedeelte der kaart van Zuid-Sumatra,

1:25.000, 12 bl. . . . 1908—1911.

No. 47. Gedeelte der kaart van Zuid-Sumatra

1 : 100.000, 6 bl. . . . 1909—1912.

Atlas der graadafdeelingsbladen van Zuid-

Sumatra en Java, 1 : 100.000.


104

No. 48. Schetskaart van de afd. Koerintji (res.

Djambi), 1 : 200.000, 1 bl. . . 1907.

No. 49.

Schetskaart van Djambi, 1 : 500.000, 1 bl.

1906.

Id. id. 1 : 300.000, 2 bl. 1910.

No. 50. Kaart der Bataklanden en van het eiland

Nias, 1 : 250.000, 16 bl.. . . 1890.

No. 51. Schetskaart van een deel der Bataklanden,

1 : 250.000, 1 bl. . . . . . 1905.

No. 52. Id. van het Toba-meer en aangrenzende

landstreken, 1 : 250.000, 2 bl. 1909.

No. 53.

No. 54.

No. 55.

No. 56.

Id. van het eiland Nias, 1 : 150.000, 1 bl.

1910.

Id. id. id., 1 : 200.000, 1 bl. 1909.

Id. van de Mentawei-eilanden (verschillende

schalen) 1910.

Id. (gedeelte) van deresidentie Oostkust van

Sumatra, 1 : 200.000, 36bl. 1889—1896.

Id. van het Noordelijk deel van Sumatra,

1 : 200.000, 4 bl 1912.

De vluchtige opnemingen, waarop de beide

laatste kaarten berusten, wordt thans gevolgd

door een topographische opneming,

waarvan de triangulatie bijna voltooid is.

No. 57. Kaart van de hoofdplaats Medan, 1:10.000,

1 bl. 1893.

Id. id. 1: 5 000, 1 bl. 1913.

No. 58. Schetskaart van het stroomgebied der

Indragiri-rivier en aangrenzende landstreken,

1 : 500.000, 1 bl. . . 1907.

No. 59. Schetskaart van het N. deel der Batang

Hari-districten en IX koto, 1 : 250.000,

1 bl. 1910.

No. 60.

Schetskaart van Indragiri en Zuid-Pelawan,

1 : 250.000, 2 bl 1910.


105

No. 61. Schetskaart van deresidentieLampongsche

districten, 1:200.000, 4 bl. . 1911.

Vervaardigd naar de gegevens der triangulatie-brigade.

Banka en Billiton.

No. 62. Kaart van het eiland Banka, 1 : 300.000,

2 bl. 1896.

Overzichtskaart van het eiland Banka,

1 : 600.000, 1 bl 1911.

No. 63. Kaart van het eiland Billiton, vluchtig

opgenomen 1877—1878, 1:200.000,

bijgewerkt tot 1894.

Borneo.

No. 64. Overzichtskaart van het eiland Borneo

(z. g. economische kaart), 1 : 2.000.000,

1 bl 1902.

Id. id. id. id. id. 1909.

No. 65.

Overzichtskaart (geteekend exemplaar) der

Wester-Afdeeling van Borneo, door

Carlinsky von Carlowitz, 1 : 500.000,

1 bl 1870.

Toen in 1886 met de topographische opneming

van Borneo's Westkust werd begonnen,

was van dit gewest niet meer

bekend dan op deze kaart is voorgesteld.

No. 66. Kaart der Wester-Afdeeling van Borneo,

1 : 500.000, 4 bl. (herdruk). . 1911.

No. 67. Overzichtskaart der Wester-Afdeeling van

Borneo, 1 : 200.000, 26 bl. in album

en 4 bladen opgeplakt 1886—1895.

De topographische beschrijving van het

stroomgebied der Kapoewas werd onder

den titel van „Bijdragen tot de geographie

van Borneo's Wester-Afdeeling door J. J.

K. Enthoven" als afzonderlijk werk door

het Kon. Ned. Aardr. Genootschap in 1903

gepubliceerd.

No. 68. De bladen VII e —g der weg- en rivierkaart

van de Wester-Afdeeling van

Borneo, 1 : 50.000 1890.


106

Bij de topographische opneming der Wester-Afdeeling

van Borneo, in de jaren

1886—1895 werden, behalve de overzichtskaarten

1: 200.000 en 1 : 500.000 (boven

N os . 66 en 67) deze weg- en rivierkaarten

1:50.000 samengesteld, die zoowel voor

de practijk als voor de wetenschap van

nut gebleken zijn. Bij het uitgeven van concessies

voorkultuurondernemingen hebben

zij goede diensten bewezen; en o.a. verschaften

zij aan Prof. Dr. Molengraaff den

topographischen grondslag voor zijn geologische

onderzoekingen (zie G. A. F. Molengraaff.

Geologische Verkenningstochten in

Centraal-Borneo; Voorwoord, blz. XI; Inleiding,

blz. XIV).

No. 69. Kaart van Mandor en omstreken, 1:20.000,

1 bl 1888.

No. 70. Kaart van den vierk. paal gouvernements

grondgebied te Pontianak, 1: 5000, 1887.

No. 71. Schetskaart van Midden-Borneo en het

landschap Koetei, 1 : 1.000.000, 1905.

No. 72. Schetskaart van de res. Zuider- en Oosterafdeeling

van Borneo, 1 : 750.000, met

kaart voor de administratieve indeeling

1 : 1.500.000 1913-

De jongst verschenen kaart der Topographische

Inrichting; zij bevat vele nieuwe

gegevens.

Celebes.

No. 73. Overzichtskaart van het eiland Celebes,

1 : 1.250.000, 1 bl 1909.

No. 74.

Schetskaart van Midden- en Zuid-Celebes,

1 : 1.000.000, 1 bl 1906.

No. 75. Id. van Midden-Celebes, 1 : 500.000,

2 bl 1907-

No. 76. Id. van het stroomgebied van de Posso

en van een deel van het stroomgebied

van de Laa, 1 : 100.000 . . . 1912.

No. 77. Kaart van de vlakte van Gowa, 1:50.000,

1 bl 1900.

Kaart van het rijk Gowa, 1 : 100.000,

1 bl 1902.


107

No. 78. Kaart van de hoofdplaats Makasser en

omstreken, 1 : 20.000, 1 bl. . 1894.

Overige eilanden.

No. 79. Schetskaart van het eiland Bali, 1 : 250.000,

1 bl. T897.

Id. id. 1 : 250.000,

1 bl. 1909.

No. 80. Schetskaart van Midden-Bali, 1 : 100.000.

1 bl. 1906.

No. 81. Kaart van het eiland Lombok, vluchtige

opneming, 1: 200.000, 1 bl. 1895—1896.

Id. id. herdruk, 1 bl. 1908.

No. 82. Kaart van Midden-Lombok, vluchtige opneming,

1 : 100.000, 1 bl. 1895—1896.

Id. id. herdruk, 1 bl. 1908.

No. 83. Schetskaart van het eiland Soemba,

1 : 500.000, 1 bl. 1897.

ld. id. id. , 1 „ 1907.

Id. id. id. , 1 „ 1911.

No. 84.

No. 85.

Schetskaart van de onderafdeeling Boeroe,

1 : 250.000, 1 bl 1910.

Id. van Halmaheira en omliggende eilanden,

1 : 600.000, 1 bl 1911.

No. 86. Id. van het eiland Leti, 1: 25.000, ibl. 1912.

No. 87. Id. van het eiland Wetar, 1 : 150.000,

1 bl 1911.

No. 88. Id. van het eiland Adonare, 1 : 100.000,

1 bl 1911.

No. 89.

Id. van Nederlandsch Timor en omliggende

eilanden, 1:500.000, 1 bl. . . 1911.

No. 90. Id. van het eiland Soembawa, 1:250.000

1 bl 1910.

No. 91.

Id. van het eiland Flores en omliggende

eilanden, 1 : 250.000, 1 bl. . . 1911.


108

No. 92. Id. van Banda Neira en Goenoeng Api,

1 : 20.000, 1 bl 1901.

No. 93. Id. van Nederlandsch Nieuw-Guinea en

omliggende eilanden,

1 :2.000.000, 1 bl.

1897.

No. 94. Id. van Nederlandsch Nieuw-Guinea,

1 : 1.000.000, 4bl, bijgewerkt tot 1912.

Krater-kaarten.

Deze krater-kaarten zijn gepubliceerd in verschillende

deelen van het Jaarverslag van denTopographischen dienst.

No. 95.

1. TopvandenG ng Oengaran(Midden-Java),

1 : 10.000, opneming van 1905—1907.

2. Kraterveld op de Westelijke helling

van den G" g Goentoer (Preanger-Regentschappen),

1 : 10.000 .... 1908.

3. Krater van den G"- Gede, 1 : 10.000

T906.

4. Top van den vulkaan Tampomas

(Preanger-Regentsch.), 1 : 20.000, 1907.

5. Krater van den vulkaan Tangkoeban

Prahoe (Batavia), 1 : 10.000. . 1908.

6. Krater van den G Dg Galoenggoeng

(Preanger Regentsch.), 1 : 10.000, 1908.

7. Krater van den vulkaan Tjikoeraj

(Preanger Regentsch.), 1 : 10.000, 1911.

8. Top vanden G ng Semeroe(Pasoeroean)

I : 20.000 einde 1909.

Id. id einde 1911.

Hierbij is gevoegd een kaartje van den top

in 1879 (eerste opneming door den Topographischen

dienst) en in 1885 (opneming

door het Mijnwezen, onder leiding van R.

Fennema).

9. Top van den G ng Merbaboe (Midden-

Java), 1:10.000 . . 1905—1907.

10. Top van den vulkaan Kaba (Palembang),

1 : 10.000 1907-

---11. Top van den G ng Dempo (Palembang),

1 : 10.000 1910.

.


109

12. Top van den G ng Sekintjau (Benkoelen),

1:25.000 1911.

13. Top van den G" s Betoeng (Lampongsche

districten), 1 : 25.000 1907.

14. Top van den G ng Radjo baso (id.)

1 : 25.000 19°1-

-15. Toppen van het Pasawaran-Rataigebergte

(Lampongsche-districten),

1 : 25.000 1907.

16. Top van den G"s Tanggamoes (Lampongsche

districten), 1 : 25.000, 1907.

17. Top van den Boer-ni-Telong (Atjeh

en onderhoorigheden, Meergebied),

1 : 10.000 1909.

Relief-kaarten.

I let relief werd verkregen door exemplaren derkaarten,

gedrukt op carton van l \i millimeter dikte, langs de

hoogtelijnen (Isohypsen) af te snijden en de zoo verkregen

lagen achtereenvolgens op elkaar te plakken. De

horizontale en verticale verhoudingen zijn derhalve overeenkomstig

met die in de natuur. Bij het kleuren werden

de conventioneele kleuren gebruikt, die gewoonlijk

worden toegepast om bepaalde soorten begroeiing enz.

aan te duiden; de tinten werden alleen iets minder vlak

genomen, om zooveel mogelijk een natuurlijk geheel te

verkrijgen.

No. 96. De Krakatau-groep in straat Soenda,

schaal

1:25.000; elke hoogtelijn stelt

een verschil van 12,5 M. in de werketijkheid

voor. De isobathen zijn aangegeven

door blauwe tinten met 50 M.

diepteverschil.

Dit relief is vervaardigd na afloop der

opnemings-expeditie, welke in 1908 — dus

25 jaren na de laatste groote eruptie —

door den Topographischen dienst naar de

Krakatau-groep werd uitgerust. De resultaten

dier expeditie zijn vervat in het jaarverslag

over 1908 van den genoemden

dienst; zie de bijgevoegde brochure.

No. 97. Krater van den vulkaan Dempo in de

residentie Palembang, schaal 1 : 10.000.

Het platte vlak stelt een hoogte voor van

2750 M., de hoogste top ligt 3173 M. boven

den zeespiegel.


110

No. 98. Krater van den Goenoeng Slamet in

Midden-Java, schaal 1

: 10.000.

Het platte vlak stelt een hoogte voor van

3100 M., de hoogste top van 3432 M. boven

den zeespiegel.

No. 99.

No.

Top van den vulkaan Tjikoeraj, in de residentie

Preanger-Regentschappen, schaal

1 : 10.000.

Het platte vlak stelt een hoogte voor van

2000 M., de hoogste top van 2820 M.

boven den zeespiegel.

100 Kraters van den vulkaan Tangkoeban Prahoe

op de grens der residenties Batavia

en Preanger-Regentschappen, schaal

1 : 10.000.

Het platte vlak stelt een hoogte voor van

1750 M., de hoogste top van 2076 M. boven

den zeespiegel.

No. 101. De vulkaan Papandajan in de residentie

Preanger-Regentschappen, schaal

1 : 10.000.

Het platte vlak komt overeenmet het zeeniveau,

het laagste punt van het relief met

een hoogte van ± 1530 M. en het hoogste

punt met 2662 M. boven den zeespiegel.

No. 102. Terreingedeelte aan den bovenloop der

Kali Serajoe tusschen Wonosobo en het

Diëngplateau in Midden-Java, schaal

1 : 25.000.

Het laagste punt van het relief komt overeen

met een hoogte van ± 600 M., het

hoogste punt met 2599 M. boven den zeespiegel.

No.

103. De vlakte van Kedoe, met de hoofdplaats

Magelang in het midden, de bergen Sendoro

en Soembing aan de west- en de Merbaboe

en de Merapi aan de oostzijde. Schaal

1 : 50.000.

Het laagste punt van hetreliefkomt overeen

met een hoogte van ± 174 M., het

hoogste met 3371 M.boven den zeespiegel.


111

Inzending van het Geographisch Instiuut

der Rij ks- Universiteit te Utrecht.

No. 104. Relief-teekening van het Idjen-plateau en

omgeving, in Java's Oosthoek, 1:250.000,

vervaardigd door A. van der Zweep.

Inzending van de Maatschappij tot bevordering

van het Natuurkundig Onderzoek

der Neder 1. Koloniën.

No. 105. Kaart van Nederlandsch Nieuw-Guinea,

1 : 500.000.

Inzending van de

te Amsterdam.

firma J. H. de Bussy

No. 106. Kaart van den Nederl. Ind. Archipel,

1 : 6.500.000.

No. 107. Kaart van Ned. Oost-Indië, 1 : 5.000.000,

door H. Ph. Th. Witkamp.

No. 108. Wandkaart van Java en Madoera,

1: 500.000.

Inzending van de Vereeniging „Toeristenverkeer"

te Batavia.

No. 109. Reliefkaart van de residentie Preanger-

Regentschappen, 1 : 250.000.

School-uitgaven.

Inzending van de Ui tgeversfirma Joh.

IJkema te 'sGravenhage.

No. 110. i. De Overzeesche bezittingen der Republiek

in de 17e eeuw, door J. W. De

Jongh.

2. Groei en bloei van onze Oost-Indische

bezittingen, door J. W. de Jongh.

No. in. Schoolkaart van Oost-Indië, 1:800.000,

3e druk in 4 bl. door J. J. ten Have.

Inzending van J. B. Wolter s. Ui tgever

te Groningen.

No. 112. Schoolkaart van Nederlandsch Oost-Indië,

op nieuw bewerkt door J. F. Niermeyer

en W. van Gelder, 4e druk.


112

No. 113. Kaart van Java, 4 bl., door P. R. Bos,

W. van Gelder en R. R. Rijkens, 4e.

druk.

b. Geologische Kaarten.

Inzending van het Koninklijk Nederlandsen

Aardrijkskundig Genootschap.

No. 114. Eerste geologische Schetskaart van Nederlandsch

Oost-indië, 1: 2,500.000.

Ten behoeve van hetKon. Ned. Aardr. Genootschap

samengesteld door E. C. Abendanon,

op grond der bestaande gegevens

en met medewerking van Dr. J. Ahlburg,

de Bataafsche Petroleum Maatschappij,

prof. Dr. H. Bücking, prof. Dr. K. Deninger,

N. Wing Easton, Dr. J.K. van Gelder,

Dr. M. Mühlberg, prof. Dr. G. A. F. Molengraaff,

Jhr. Dr. C. G. S. Sandberg, de

Singkep Tin Maatschappij, Dr. A. Tobler,

Dr. R. D. M. Verbeek, prof. Dr. W. Volz

en prof. Dr. J. Wanner, 1913.

Inzending van het Departement der

Gouve rnements Bedrijven te Batavia.

No. 115. Overzichtskaart van den mijnbouw in

Nederlandsch Indië OP3I December 1912,

1 : 2.500.000, geteekend op het Hoofdbureau

van het Mijnwezen, 1913.

Inzending van Dr. J. F. Hoekstra te Amsterdam.

No. 116. Twee geologische kaarten van het Oembilien-kolenveld,

Sumatra's Westkust,

1: 10.000 en 1: 25.000, van Dr. R.

D. M. Verbeek, 1875.

No. 117. Zuid-Sumatra, 1: 500.000, van Dr. R. D. M.

Verbeek, 1881.

Inzending van den Heer C. J. M. Wertheim,

m. i. te 'sHage.

No. 118. Gedeelte van Sumatra's Westkust, in 8

bladen, 1 : 100.000; en overzichtkaart,

1

: 500.000, van Dr.R. D. M Verbeek,

1883.


No.

113

119. Noordelijk gedeelte van Sumatra's Westkust,

1: 500.000, van R. Fennema, 1887.

No. 120. Gedeelte der afdeeling Martapoera, Z. en O.

afdeeling van Borneo, 1: 50.000, van J.A.

Hooze, 1893.

No. i2i. Java en Madoera, 1:500.000, van Dr. R.

D. M. Verbeek en R. Fennema, 1896.

No. 122. Banka, 1: 300.000, Billiton, 1: 100.000,

Gaspar Straten, 1: 200.000, van Dr. R.

D. M. Verbeek, 1897.

No. 123. Banda Neira en Goenoeng Api, 1: 20.000,

met een panorama, van Dr. R. D. M. Verbeek,

1900.

No. 124. Gedeelte van Midden-Sumatra, 1: 100.000,

van E. A. Neeb, 1900—1901.

No. 125. Vallei van Groot-Atjeh, 1:200.000, van

P. J. Jansen, 1903.

No.

126. Gedeelte der Wester-Afdeeling van Borneo,

1:100.000, van N. WingEaston, 1904.

No. 127. Ambon, 1: 100.000, Leitimor, 1: 20.000.

Goenoeng Nona, 1: 10.000, van Dr. R,

D. M. Verbeek, 1905.

No. 128. Oostelijk gedeelte van den Ned. Ind. Archipel,

1: 3.000.000, van Dr. R. D. M.

Verbeek, 1908.

No. 129. Lombok, 1: 200 000, van J. G. B. van

Heek, 1909.

No. 130. Gedeelte vanZuid-Nieuw-Guinea, 1125.000,

van O. G. Heldring, 1909.

No. 131. Djambi en aangrenzende landstreken,

1

: 1 000 000, van Dr. A. Tobler, 1910.

No. 132. Mamberano-rivier (Noord Nieuw-Guinea),

1 ".500.000, vanDr. J.K. van Gelder, 1910.


114

Inzending van Prof. Dr. W. Volz te Erlangen.

No. 133. Gajo- en Alaslanden (Atjeh), 1 : 400.000,

van Dr. W. Volz, 1912.

No.

Inzending van Dr. J. Ahlburg te Berlijn.

134. Landschap Abouton en landstreek tusschen

Kasimbar en Tamboe (Tomini-bocht),

1 : 400.000, van Dr. J. Ahlburg, 1913.

C. Abenda-

Inzending van den Heer E.

non, m. i., te 's Hage.

No. 135. Latimodjong-gebergte en stroomgebied der

Saadang-rivier (Midden-Celebes),

1: 100.000. Route-kaart der Midden-

Celebes expeditie, onder leiding van E. C.

Abendanon; topographische opneming

door J. L. Lefèvre, Sergeant-majoor

opnemer van den Topographischen

dienst, 1913.

No. 136. Verbeek-gebergte en stroomgebied der

Malili-rivier(Midden-Celebes), 1:100.000,

als voren, 1913.

c. Economische Kaarten.

Inzending van het Departement der

Burgerlijke Openbare Werken te Batavia.

No. 137. Irrigatiekaart van Java en Madoera, schaal

1 : 500.000 1913-

Inzending van het Geographisch Instituut

der Rijks Universiteit te Utrecht.

Irrigatiekaarte.it.

No.

138. Irrigatiewerken in Noord-Tegal. Calques,

vervaardigd in 1899.

1. Bladverdeeling, 1 : 100.000.

2. Bevloeiing Tjomal-Tjatjaban.


115

a. Schetskaart van den tegenwoordigen

toestand, i : 50.000.

b. Schetskaart der ontworpen bevloeiing,

1 : 50.000.

3. Overzichtskaart Tjomal-Ramboet,

1 : 20.000.

4. Id Ramboet-Tjatjaban, 1 : 20.000.

5. Id. Tjatjaban-Gangsa, 1 : 20.000.

6. Id. der bevloeiingsgebieden tusschen

Gangsa en Losari, 1 : 50.000.

7. Id. Gangsa—Pemali, 1 : 20.000.

8. Id. Pemali—Babakan, 1: 20.000.

9. Id. Babakan—Losari, 1 : 20.000.

10. Id. Boven-Kaboejoesan, 1:20.000.

Dat voor kaarten op de schaal 1 :20.000

de term „overzichtskaart" gebruikt wordt,

vindt zijn verklaring in de gedetailleerde

werkwijze van den Waterstaat, waarbij

de opnemingsbladen in de vlakte op 1:5000,

in bergland op 1:2 000 worden vervaardigd.

Het doel der kaarten eischt een zeer

nauwkeurige waterpassing; de hoogtelijnen

zijn getrokken op 0.5 M. afstand.

Doordat de topographische opneming van

Tegal een der oudste is (1863—65) en

alleen op de schaal 1: 100.000 is gepubliceerd,

zijn deze kaarten van den Waterstaat

voor de aardrijkskundige beschrijving

der vlakte onontbeerlijk geweest. Vgl.Veth,

Java, 2e druk, Deel 111, blz. 439 vlg.

No. 139. Kaart van het Zuidelijk gedeelte der

residentie Bagelen. Bevloeiingswerken,

(Calque), 1 : 50.000.

No. 140. Bevloeiingskaarten der Irrigatie-afdeeling

Brantas, 1: 20.000, met legenda en met

register der bevloeiingen in de Brantasdelta;

in omslag.

Vgl o a. het opstel „De Bevloeiingswerken

op Java" in Tijdschr. Kon. Ned Aard.

Gen. XX, 1903, blz. 489.

Voor oudere kaarten der bevloeiingswerken

zie men de Verslagen der Burgerlijke

Openbare Werken.

No.

141. Ontbreekt.


116

Inzending van het Departement van

Binnenlandsch Bestuur te Batavia.

No. 142. Overzichtskaart van Java en Madoera,

schaal 1 : 500.000, waarop in groote

trekken de verschillende soorten van

grondbezit zijn voorgesteld. 1 9 13-

Inzending van het Departement der

Gouvernements Bedrijven te Batavia.

a. Afdeeling Spoor- en Tramwegen.

No. 143. Spoor- en Tramwegkaart van Java en

Madoera, schaal 1 : 500.000, aangevende

de op het einde van 1912 bestaande,

in uitvoering zijnde, en, voor zoover

de tot standkoming zoo goed als verzekerd

mag heeten, ook de ontworpen

spoor- en tramwegen op die eilanden.

No. 144. Overzichtskaart van den groeivan het spooren

tramwegnet op Java en Madoera,

van den aanvang af tot ultimo 191 2.

No. 165. Kaart van Java en Madoera, schaal

1 : 1.000.000, aangevende de dichtheid

van het personen- en van het goederenvervoer

op de verschillende baanvakken

der spoor- en tramwegen in 191 1 (zoogenaamde

intensiteits-kaart).

No. 146. Spoor- en tramwegkaart van Sumatra,

schaal 1 : 2.000.000, aangevende de op

het einde van 1912 bestaande, in uitvoering

zijnde, en, voor zoover de totstandkoming

zoo goed als verzekerd

mag heeten, ook de ontworpen spooren

tramwegen.

b. Afdeeling post-, telegraaf- en telefoondienst.

No. 147. Kaart, schaal 1 : 2.500.000, van de omstreeks

1870 bestaande postkantoren

en postroutes in Nederlandsch-Indië,

(met uitzondering van Java).


No.

117

148. Kaart, schaal 1: 500.000, van de omstreeks

1870 bestaande postkantoren en postroutes

op Java en Madoera.

No. 149. Kaart, schaal 1 : 2.500.000, van de in

1912 bestaande postkantoren en postroutes

in Nederlandsch-Indië (met uitzondering

van Java).

No. 150. Kaart, schaal 1: 500.000, van de in 1912

bestaande postkantoren en postrouten

op Java en Madoera.

No. 151. Kaart, schaal 1:2.500.000, van de omstreeks

1870 bestaande telegraaflijnen

en telegraafkantoren in Nederlandsch-

Indië (met uitzondering van Java.)

No. 152. Kaart, schaal 1:500.000, van de omstreeks

1870 bestaande telegraaflijnen en

telegraafkantoren op Java en Madoera.

No. 153. Kaart, schaal 1: 2.500.000, van de in 1912

bestaande telegraaflijnen en telegraafkantoren

in Nederlandsch-Indië (uitgezonderd

Java).

No. 154. Kaart, schaal 1: 500.000 van de in 1912

bestaande telegraaflijnen en telegraafkantoren

op Java en Madoera.

No. 155. Kaart, schaal 1:2.500.000, van de omstreeks

1885 bestaande telefoonnetten

(concessies) in Nederlandsch-Indië (uitgezonderd

Java).

No.

156. Kaart, schaal 1: 500.000, van de omstreeks

1885 bestaande telefoonlijnen en netten

(inclusief concessies) op Java en Madoera.

No. 157. Kaart, schaal 1:2.500.00, van deinigi2

bestaande telefoonnetten (concessies) in

Nederlandsch-Indië (met uitzondering van

Java).


118

No. 158. Kaart, schaal 1: 500.000, van de in 1912

bestaande telefoonlijnen en netten (inclusief

concessies) op Java.

Inzending van het Departement van

Financiën te Batavia.

a. Hoofdbureau der In- en Uitvoerrechten en

Accijnsen.

No. 159. Graphische voorstelling van den invoer

van Java en Madoera (1871 — 1911).

No. 160. Graphische voorstelling van den invoer

der Buitenbezittingen (1881 —1911).

No. 161. Graphische voorstelling van den uitvoer

van Java en Madoera (1871 — 191 1).

No. 162. Graphische voorstelling van den uitvoer

der Buitenbezittingen (1881 — 1911).

Eene brochure met toelichtingen op de

grafieken No. 159—162,getiteld „De handel

van Nederlandsch-Indië in 1911" is ter beschikking

van belangstellenden.

No. 163. Overzichtskaart van Nederlandsch-Indië,

schaal 1 : 2.500.000, aangevende de verschillende

scheepvaartverbindingen tusschen

de havens onderling.

b. Pandhuisdienst.

No. 164. Overzichtskaart van Java en Madoera,

waarop jaarsgewijze de successieve uitbreiding

van den Pandhuisdienst is aangegeven.

Hierbij zijn gevoegd: „Het onderzoek naar

de werking der pandhuispacht" en de reeds

verschenen jaarverslagen van den Pandhuisdienst.

Inzending van het Geographisch Instituut

der Rijksuniversiteit te Utrecht.

No.

165. Kaart, voorstellende de dichtheid van bevolking

der afdeelingen van.Nederlandsch

Oost-Indië. aan het einde van het jaar


119

1912, schaal 1 : 2 500.000, volgens door

de Indische Regeering verstrekte gegevens

van de hevolkingssterkte. Vervaardigd

door A. van der Zweep.

Inzending van de firma J. H. de Bussy te

Amsterdam.

No.

166. Kaart van het Spoor- en Tramwegnet der

Deli-spoorweg Maatschappij, 1 : 200.000.

No. 167. Kaart der Tabaksondernemingen in Badagei,

Langkat, Dcli, Serdang, Padang,

Batoe Bahra en Asahan (Oostkust v.

Sumatra), 1 : 200.000.

No. 168. Map of the Rubber-Estates in Java,

1 : 1.000 000.

No. 169. Rubber Estates in the East-Coast of Sumatra,

1 : 600.000.

11. ZEEKAARTEN.

Inzending van het Hydrographisch

Bureau van het Departement van Marine

te 's Gravenhage.

De oudere kaarten, meerendeels van vóór

1870, zijn voor bepaalde gedeelten van den

Archipel met die van reeenten datum tot

groepen vereenigd.

De jaartallen geven het jaar van verschijning

aan; het jaar, waarin de laatsteverbeteringen

in de gravure werden aangebracht,

is tusschen haakjes bijgevoegd.

No. 170. Overzichtskaart van den O. I. Archipel,

aangevende den stand der hydrographische

opneming op verschillende tijdstippen.

No. 171. a. Nederl. Oost-Indië, Westblad. 1867.

b. id. id. Middenblad. 1867.

Het Oostblad dezer uitgave is niet verschenen.

e. O. I. archipel, Westblad. 1897 (3)- I-9I

--d. id. id. , Oostblad. 1897 (Ï910).


120

No. 172. a, b. Westkust Sumatra en Straat Malakka

in 2 bladen. 1861.

c. Sumatra, N-lijk gedeelte. 1902 (1912).

d. Westkust Sumatra, Padang tot Vlakke

hoek. 1898 (191 j).

No. 173. a, b. Westkust Sumatra in 2 bladen. 1857.

Op deze kaarten zijn vele namen ook in

Maleisch schrift aangegeven.

c. Westkust Sumatra, Sinkel tot Padang.

1913-

--d. id. id. , SibolgatotTamang

en Nias, 1912.

No. 174. a. Westkust Sumatra. Padang tot Taboejoeng,

1841 (1843).

b. id. id. . Singkel totSibolga.

1911.

No. 175. a. Eilanden nabij Padang. 1861.

b. Reede Singkel. 1865.

c. Vaarwaters en ankerplaatsen W-kust

Sumatra, 1911.

No' 176. a. Noordoostkust Sumatra, Dilhie tot Roepat.

1864.

Deze kaart werd vervaardigd volgens

Engelsche opnemingen.

b. Oostkust Sumatra, Diamantpunt tot

Asahan-rivier. 1906 (1913).

c. Oostkust Sumatra, Asahan-rivier tot

Singapoera. 1906 (1913).

No.

177. a, b. Zuidelijk gedeelte Chineesche zee in

2 bladen. 1864.

c. Zuidelijke Chineesche zee, Westblad,

1899 (1912).

d. Zuidelijke Chineesche zee, Oostblad,

1900 (1912).

No. 178. a,b.Riouw-enLingga-archipelin2bl. 1863.

c. Riouw- en Lingga-archipel, Noordbl.

1901 (1913).

d. Riouw- en Langga-archipel, Zuidbl.

1902 (1913).


121

No. 179. a. Straat Riouw. 1863.

b. id. id. 1910 (1913).

No. 180. a. Bangka. 1866.

b. Straat Banka. 1909 (1913).

No. 181. a. Gaspar-straten. 1863.

b. id. id. 1907 (1913).

No. 182. a, b. Westkust Borneo in 2 bl. 1862.

c. Zuid-Chineesche zee, Anambas- en Natoena-eilanden.

1909.

d. Westkust Borneo, St. Petrus tot Seroetoe.

1907(1912).

e. id. id. , Straat Karimata.

1910 (1911).

f. id. id. , Pontianak tot eil.

Maja. 1907.

g. id id. , Vaarwaters en ankerplaatsen.

1908.

No. 183. a, b. Java-zee in 2 bl. 1861.

c. id. , Westblad. 1900 (1913).

d. id. , Oostblad. 1910 (1912).

No. 184. a, b, c. Java in 3 bl. 1865.

d. id. , Westblad. 1907 (1913).

e. id. , Middenblad. 1907 (1912).

f. id. , Oostblad. 1907 (1912).

No.

185. a. Straat Soenda en Kust van Java tot en

met reede Batavia. 1862.

b. Straat Soenda 1899 (1912).

Na. 186. a. Reede Batavia. 1868.

b. Westelijke vaarwaters naar Batavia en

Tj. Priok. 1913.

No. 187. a. Reede Samarang. 1868

b. Vaarwaters van Soerabaja. 1847(1868).

Deze uitgave was de derde; de tweede

verscheen in 1864.

c. Reeden Onrusten Tj. Priok. 1913.

d. id. Samarang en Soerabaja. 1907.

e. Westervaarwater Soerabaja. 1913.

f. Oostervaarwater id. 1911.


122

No. 188. a. Straat Madoera. 1864.

b. Noordkust Java, Soerabaja tot Straat

Bali. 191 1 (1912).

No. 189. a, b. Eilanden en vaarwaters beO. Java,

in 2 bl. 1861.

c. id. id. id. id. Westbl. 1912.

d. id. id. id. id. Oostbl. 1913.

No. 190. a. Straten Bali en Lombok. 1864.

b. Soembawa. 1867.

c. Flores. 1869.

d. Kleine Soenda-eilanden. Straat Bali.

1908 (1910).

e. id. id. id. Straat Lombok. 1908.

f. id. id. id. Straat Alas. 1908.

No. 191. a. Kleine Soenda-eilanden. Straten tusschen

Soembawa en Flores. 1909.

b. id. id. Soemba. 1911.

c. id. id. Vaarwaters en ankerplaatsen.

1908.

d. Zuidwest-Timor en Roti. 1912.

Van deze gedeelten bestaan geene oudere

kaarten op overeenkomstige schalen.

No. 192. a. Straat Mangkasar. N.-lijk deel. 1875

(1883).

b. id. id. Z.-lijk deel. 1871.

No. 193. a, b. Westkust Celebes, van Kekean tot

en met de baai van Pare Pare, in 2 bl.

1868.

c. Reede Mangkasar. 1866.

d. Straat Makassar, N.-blad. 1903 (1911).

e. id. id. Middenblad. 1901 (1913).

f. id. id. Z.-blad. 1903 (1912).

No. 194. a, b. Vaarwater beN. Makasser in 2 bl.

1851.

No. 195. a. Mahakam- of Koeitei-rivier. 1862.

b. ZW.-kust Celebes. 1866 (4de uitgave).

De eerste opneming voor deze kaart geschiedde

in 1841.

c. ZW-gedeelte Golf van Boni. 1860.


123

No. 196. a, b. Oostkust Celebes in 2 bl. 1866.

No. 197. a. Baai van Ambon. 1840.

b. id. id. 1895 ( I 9I °)-

No. 198. a. Moluksche eilanden en vaarwaters.

1847.

b. Moluksche archipel. Noordblad. 1902

(1913)-

--c. id. id. Zuidblad 1902 (1913).

No. 199. a. Noordkust Nieuw-Guinea. 1912.

b. Aroe-eilanden. 1911.

c. Zuidwest- en Zuidkust Nieuw-Guinea.

1908 (1912).

d. Zuidwestkust Nieuw-Guinea. Kaap van

den Bosch tot Etna-baai. 1913.

No. 200.

a. Constructie- tevens minuutblad O-kust

Banka, Tj. Berikat tot Salinta. Z. M.

„Stavoren", 1870.

b. Als voren, Tj. Salinta tot Toeing.

Z. M. „Pylades". 1867.

c. Constructieblad O-kust Banka. Tj. Berikat

tot Soengei Liat, H. M. „Lombok",

1909 —10.

d. Minuutblad van de opneming sub c.

e. Constructieblad ZO-kust Sumatra. Lucipara-punt

tot Sekopong. H. M. „Blommendal",

1891.

f. Minuutblad van de opneming sub e.

No. 201. Depth of the Sea in the Indian Archipelago,

scale 1:1.700.000, by prof. Dr.

G. A. F. Molengraaff.

Deze kaart is de geheel bijgewerkte kaart

der Siboga-expeditie op vergroote schaal.

No. 202.

Depth of the Sea in theEastern Part ofthe

Indian Archipelago, scale 1:3.000.000,

by G. F. Tydeman.

No. 203. Depth of the Sea in the Indian Archi-


124

pelago, scale 1 : 5.000.000, by G. F.

Tydeman.

De laatste twee kaarten zijn de dieptekaarten

der Siboga-expeditie, en zijn door

den vervaardiger voor de tentoonstelling

afgestaan.

111. METEOROLOGISCHE KAARTEN.

Inzending van het Koninklijk Nederlandsen

Meteorologisch Instituut te De

Bilt, en van het Kon. Ned. Meteorologisch

Observatorurn te Batavia.

No. 204. Windkaart, Januari. Indische Oceaan

(1856—1910).

No. 205. Stroomkaan, Januari. Indische Oceaan,

(1856- 1910).

No. 206. Kaart van Stoom- en zeilroutes, Stormbanen,

mist- en ijsgrenzen. Grenzen van

Passaten en Moessons voor December.

No. 207. Getijkaart voor getij M,. (1907).

No. 208. Getijkaart voor getij K|. (1907).

No. 209. Moesson- en Regenkaart, Januari. (1897).

No. 210. Moesson- en Regenkaart, Agustus. (1897).

No. 211. Getijkaart (Homokumenen) van getij M...

No. 212. Getijkaart (Homokumenen) van getij K t .

No. 213. Algemeene Windkaart. (1860).

No. 214. Kaart van de Regenstations op Java.

No. 215. Kaart van de Meteorologische stations in

den N.I. Archipel.

No. 216. Kaart betreffende de Magnetische opneming

van den N.I. Archipel.


125

IV. BOEKWERKEN, ATLASSEN, IN-

STRUMENTEN »).

Inzending van de Maatschappij tot bevordering

van het Natuurkundig Onderzoek

der Nederlandsche Koloniën te Amsterdam.

No. 217. 1. 57 deelen der publicatie betreffende

de Siboga-expeditie

2. 10 deelen van de uitgave „Nova

Guinea".

3. 2 deelen Bulletins der Maatschappij.

4. „Een jaar aan boord H.M. „Siboga",

door Mevr. Weber- van Bosse.

5. „Eenige maanden onder de Papoea's",

door Mr. H. A. Lorentz.

6. „Zwarte menschen — Witte bergen",

door Mr. H. A. Lorentz.

7. De „Borneo-expeditie" met Atlas, door

Dr. G. A. F. Molengraaff.

8. Geological exploration in Central

Borneo", doorDr. G. A. F. Molengraaff.

9. „Quer durch Borneo" 2 dln., door Dr.

W. A Nieuwenhuis.

Inzending van het Hydrographisch

Bureau van het Departement van Marine

te 'sGravenhage.

Oudere werken, niet meer in gebruik

No. 218. 1. Beschrijving van het vaarwater langs

de Westkust van Sumatra tusschen

Padang en Tapanoly, doorH.L. Osthoff.

Batavia. 1840.

2. Zeemansgids door de straten Banka

en Gaspar, door H. D. A. Smits.

Batavia. 1847.

3. Zeemansgids voor de vaarwaters rondom

het eiland Java, door C. baron

!) De boekwerken en atlassen uit de boekerij van het

Kon. Ned. Aard. Genootschap, welke tot aanvulling der

tentoonstelling dienen, zijn niet in den catalogus vermeld.


Thans

126

Melvill van Carnbée. Uitgeg. door Jacob

Swart. Amsterdam, Wed. G. Hulst van

Keulen. Derde verb. uitgave, 1859.

4. Zeemansgids voor de eilanden en vaarwaters

beO. Java, door wijlen H. D.

A. Smits. Tweede druk. Amsterdam.

Wed. G. Hulst van Keulen. 1859.

5. Zeilaanwijzing of beschrijving der vaarwaters

van Makasser tot in de baai van

Pare Pare door J. van Gogh en H. A.

Modderman. Amsterdam. Wed. G. Hulst

van Keulen. 1853.

6. De Moluksche Archipel, door F. A. A.

Gregory. Uitgeg. door Jacob Swart.

Amsterdam. Wed. G. Hulst van Keulen.

1853-

in gebruik zijnde Zeemansgidsen, enz.

7. Zeemansgids voor den Oost-Indischen

archipel. Deel 1 t/m. 5, resp. 1912—

13—09—12-08.

8. Landverkenningen, behoorende bij den

Zeemansgids voor den O. I. Archipel.

Deel 1 t/m. 6, resp. 1902 02—03—

06—08—12.

9. Lichtenlijst van Nederl. Oost- en West-

Indië. 1913-

-10. Catalogus van kaarten en boekwerken.

De boekwerken 7 t/m. 10 worden uitgegeven

door het Departement van Marine

te 's Gravenhagc.

11. Tafelen benoodigd bij het hydrographisch

opnemen, 1913.

Instrumenten, enz. ten dienste van hydrographische

opnemingen.

Inzending van de Verificatie van'sßijks

zee-instrumenten te Leiden en van het

Departement van Marine te'sGravenhage.

Zeevaartkundige instrumenten.

Model van een opnemingsvaartuig (H.M.

„van Doorn").


127

Inzending van het Koninklijk Meteorologisch

Instituut te De Bilt.

No. 219. Verzameling boekwerken, instrumenten,

photographieën enz., betrekking hebbend

op het geophysisch onderzoek van

den Nederl. Indischen Archipel en den

Indischen Oceaan.

1. Jaarboek van het Kon. Ned. Meteorol.

Instituut, 6 dln. 1854—1859, bevattende

meteorologische waarnemingen verricht

te:

Paramaribo, 1851-1854; Buitenzorg,

1848—1854; Amboina, 1850—1854;

Padang, 1850—1856; Palembang, 1850

—1856; Bandjermassing, 1850—1858.

2. Dr. Buys Ballot. Uitkomsten vanmeteor.

waarnemingen te Lahat, op Sumatra,

District Palembang, 1858.

3. Wenckebach en Swaving. Meteorologische

waarnemingen te Buitenzorg op

het eiland Java, door P. L. Onnen, 1858.

4. Dr. H. Zollinger. Ueber die Gewitter

und andere

damit verwandten meteorologischen

Erscheinungen im Indischen

Archipel. 1858 (Bevat de oudste literatuur-opgaven).

5. Observations made at the Royal Magnetical

and Meteorological Observatory

at Batavia, Vol. I, 11, 111 (1866-1875),

Batavia, 1873,1878. Vol. XXXI, XXXII,

XXXIII (1908 —1910), Batavia, 1911,

1912, 1913.

6. Regenwaarnemingen in Nederlandsch-

Indië, Vol. I, 11, 111 (1879, 1880, 1881)

Vol. XXX, XXXI, XXXII (1909, 1910,

1911).

7. Observations made at secondary stations

in Netherlands East-India. Vol. I, 1913.

8. Jaarverslag van het Kon. Magn. en

Meteor. Observatorium te Batavia, 1910,

1911, 1912.


128

9- Dr. W. van Bemmelen. Die Windverhaltnisse

in den oberen Luftschichten

nach Ballonvisierungen in Batavia. Kon.

Magn. Meteor. Observ. Verhandelingen

No. i, 1910.

10. Dr. C. Braak. Draehen und Fesselballonbeobachtungen,

11.Wissenschaftliche Ergebnisse

der Aufstiege mit dem Freiballon

„Batavia". Kon. Magn. Meteorol.

Observ. Verhandelingen No. 2, 1912.

11. Dr. W. van Bemmelen. Magnetic Survey

of the Dutch East-Indies (1903—

1907). Batavia, 1909.

12. E. van Rijckevorsel. Magnetische opnemingen

van den Indischen Archipel

(1874—1877). 3 dln.

13. Dr. Bergsma en Backer-Overbeek. Bijdrage

tot de kennis der Weergesteldheid

ter kuste van Atjeh, 1877.

14. Dr. Buys Ballot. De winden op de kust

van Atjeh, 1878.

15. Institut Botanique de I'Etat de Buitenzorg.

Observations météorologiques.

7 dln. 1901—1911.

16. Dr. J. P. van der Stok. Studiën over

getijden in den Indischen Archipel,

1890—1896.

17. Id. Wind and Weather, Currents, Tides

and Tidal Streams in the East-Indian

Archipelago, 1907.

18. Id. Elementaire Theorie der Getijden,

Getijconstanten in den Indischen Archipel,

1910.

19. Dr. S. Figee. Meteor. waarnemingen

in Nederl. Indië (1886, 1887, 1888).

Uitgegeven door de Kon. Natuurk. Vereenigingin

Ned. Indië(1888-1889)2dln.

20. Dr. W. van Bemmelen. Meteor. waarnemingen

verricht gedurende de

„Sneeuwgebergte"-expeditie van 1909

en 1910.

Natuurk. Tijdschrift 62, 1912.


129

2i. Dr. S. Figee. Report on Cloud-observations

at Batavia made during the International

Cloud-year, 1896-1897,1910.

22. Dr. W. van Bemmelen. Die Erforschung

des tropischen Luftozeans in Niederlandisch

Ost-Indiën. Berlin, 1913.

23. Id. Air-pressure, Temperature, Humidity

and Wind on Days of Bright Sunshine

at Batavia (1889 —1906).

24. Dr. C. Braak. A long range weatherforecast

for the East-monsoon in Java,

1913

25. Smits. Harmonische Analyse der Watergetijden,

1911.

26. Id. Cloud-Observations at Batavia, Frequency

of different forms of clouds

during thethreeyears 1903 —1905,1907.

27. Dr. Buys Ballot. Klimatologie van onze

Koloniën en Aardmagnetisme (voordracht).

1883.

28. Dr. J. P. van der Stok. Het klimaat in

Nederlandsch-Indië, 1912.

29. Kon. Nederl. Meteor. Instituut. Waarnemingen

in den Indischen Oceaan.

Maart, April, Mei. Atlas, 1913.

30. Id. Oceanographische enMeteorologische

waarnemingen in den Indischen Oceaan.

Tabellen en Atlas.

Sept., Oct., Nov. 1856—1904. 1908.

Juni, Juli, Aug. 1856—1908. 1911.

Dcc, Jan., Febr. 1856—1910.1913.

31. Id. Oceanographische enMeteorologische

Waarnemingen bij Kaap Guardafui. Atlas,

1909.

32. Id. Lijst der uitgaven van het Kon. Ned.

Meteor. Instituut. 1913.

33. Id. Routen voor Stoomschepen tusschen

Aden en Nederl. Oost-Indië, 1891.

34. Id. Zeilaanwijzingen van het Kanaal

naar Java, 1877.

35. ld. Zeilaanwijzingen van Java naar het

Kanaal, I, 1868, 11, 1877.


130

36. Id. Uitkomsten van Wetenschap en

Ervaring, 2 dln. 1858 en 1859.

37. Een meteorologisch Journal (No. 6879)

van den Gezagvoerder van Ewijk, gehouden

aan boord van het Stoomschip

„Flores". Reis van Amsterdam naar

Oost-Indië en terug. April—Aug. 1913.

38. Een Journaal van denkapitein d'Arnaud

Gerkens, gehouden aan boord van het

Fregat „India". Reis van en naar Java,

1855—1856.

No. 220. Een zilveren medaille, als model van de

uitgereiktebelooningen (in goud enzilver.)

No. 221. Een

verzameling photographieën van wolken,

genomen te Batavia, 1894 en 1895,

door J. P. van der Stok.

No. 222. Een ballon voor het onderzoek der hooge

luchtlagen.

No. 223. Een vlieger voor onderzoek der hooge

luchtlagen.

No. 224. Een zelfregistreerend toestel voor gebruik

met ballon en vlieger.

Inzending van de Firma Martinus Nijhoff

te 's-Gravenhage.

No. 225. Eene verzameling boekwerken uit den

Fondscatalogus, betrekking hebbende op

de geographie van Oost- en West-Indië,

(Vergelijk den afzonderlijken catalogus

dier inzending).

Inzending van de Firma E.

Leiden.

J. Brill te

No. 226. Eene verzameling boekwerken uit den

Fondscatalogus, betrekking hebbende op

de Land- en Volkenkunde van Oost- en

West-Indië (Vergelijk den afzonderlijken

catalogus dier inzending).


131

Inzending van de Uitgevers-Maatschappij

),Elsevier" te Amsterdam.

No. 227. „Neerlands Indie" door H. Colijn, 2 dln.

Inzending van de Koninklijke Militaire

Academie te Breda.

No. 228.

Leerboek der MilitaireAardrijkskunde en

Statistiek van Nederlandsch Oost-Indië.

Inzending van J. J. K. En tho ven te 's-Graven

hage.

No. 229.

1. Driehoeksnet van Sumatra's Westkust.

De coördinaten der driehoekpunten, 1900.

2. De coördinaten der driehoekspunten

gebezigd bij de herziening der topographische

kaarten van Midden-Java. Eerste

gedeelte. De residenties Banjoemas en

Kedoe, 1903.

3. ld. id. Tweede gedeelte. De residentie

Semarang, 1912.

4. Geodetische formules en tafels ten

gebruike bij de triangulatie van het eiland

Sumatra, 1884.

5. Technische voorschriften ten gebruike

bij de triangulatie-brigade van den Topographischen

dienst, 1904.

6. Handleiding voor de uitvoering van

secundaire triangulaties, 1900.

7. Handleiding voor het bepalen van de

correctie eener boussole en van den tijd,

samengesteld ten behoeve van het personeel

van den Topographische dienst,

1899.

8. De rekenliniaal in gebruik bij den

Topographischen dienst, door J. van

Roon, 1905.

9. Beknopt voorschrift betreffende de

opstelling, het onderzoek en de regeling

van de boussole tranche-montagne, 1900.

10. Instructiën voor de triangulatie-brigade,

den chef der opnemingsbrigades en

de opnemers van den Topographischen

dienst, 1904.


132

ii. Overzicht van de organisatie en de

werkwijze van den Topographischen

dienst in Nederlandsch-Indië, 1901.

12. De Meetinstrumenten in gebruik bij

den Topographischen dienst in Nederlandsch-Indië,

1893, met atlas.

13. Terreinleer. Samengesteld bij de

Vlle Afd. van het Departement van

Oorlog(Onderafd.Topographischedienst),

1902.

14. Geographischeplaatsbepalingen,door

J. J. K. Enthoven (Overdruk uit het

Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr-

Genootschap, Jaargang 1903).

15. De militaire cartographie in Nederlandsch-Indië,

door J. J. K. Enthoven

(overdruk uit het Ind. Militair tijdschrift.

36e Jaargang, No. 3).

16. De topographische opneming der

Wester-Afdeeling van Borneo, door J. J.

K. Enthoven (Overdruk uit het Album

der Natuur, 1892).

17. Hoe een groote kaart tot stand komt,

door W. B. Oort (Overdruk uit „Onze

Eeuw", 1909).

18. De opneming van deKrakatau-groep

in Mei 1909 (Overdruk uit het Jaarverslag

van den Top. dienst in Ned. Indië

over 1908).

19. Een Trans-Borneo Spoorreisje.

Visioenen en Droomen van een Amsterdammer,

1893.

20. Bijdragen tot de geographie van

Borneo's Wester-Afdeeling, door J. J. K.

Enthoven. 1903. Supplement bij het

Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr.

Genootschap.

21. De basismeting te Sampoen met

Jaderin's basistoestel, door J. H. G.

Schepers, c. i., Ingenieur bij de triangulatie-brigade

van den Topogr. dienst

in Ned. Indië (Overdruk uit het week-


133

blad „de Ingenieur" van 25 Mei en

1 Juni 1912, Nos. 21 en 22).

Inzending van de firma J. H. de Bussy

te Amsterdam.

No. 230. Eene verzameling boekwerken, betrekking

hebbende op de Economische geographie

van Oost- en West-Indië (Vergelijk den

afzonderlijken catalogus dier inzending).

Atlassen.

Inzending van de firma J. Smulders en

C° te 's-Gravenhage.

No. 231. Atlas der Nederlandsche Bezittingen in

Oost-Indië, door J. W. Stemfoort en J. J.

ten Siethoff, in 16bl. èn titelblad. Nieuwe,

geheel bijgewerkte en herziene herdruk

van 1906.

Dezelfde atlas, ieeditie, van 1883—1885.

Inzending van J. B. Wolters, uitgever

te Groningen.

No. 232. 1. Schoolatlas van Nederlandsch Oost-

Indië, 11e druk, door W. van Gelder.

2. Atlas Ketjil Hindia Nederland, dengan

Kitab Peta, terkarang oleh W. van

Gelder.

3. Dezelfde blinde atlas, bestemd voor

invul-teekenatlas, door W. van Gelder.

Instrumenten.

Inzending van P. J. Kipp en Zonen, J. W.

Giltay, opvolger, te Delft.

No. 233. Eene verzameling meet- en teekeninstrumenten

als in gebruik bij de driehoeksmetingen

en de terrein-opnemingswerkzaamheden

in Oost- en West-Indië.

In deze verzamelingkomen ook enkelehoekmeetinstrumenten

van verouderd model

voor, zooals bij de oudste opnemingen van

den Topographischen dienst werden gebruikt.


134

V. VOORSTELLINGEN

VAN HET INDISCHE LANDSCHAP, ENZ.

DOOR SCHILDERIJEN, TEEKENINGEN, PHOTOGRAPHIËN, ENZ.

a. Schilderijen, teêkeningen.

Inzending van den Nederlandsch-Indischen

Kunstkring te Batavia.

No. 234. Zie afzonderlijken Catalogus.

b. Photographiën.

Inzending vanDr. A.H. Blaauw, Haarlem.

No. 235. Kleurenphoto's uit de tropische natuur van

Java en Sumatra.

Deze inzending bestaat uit 26 kleurenphoto's

(meest Lumière- en enkele Dufayplaten)

door den inzender in 1911 —1912

op Javaen Sumatra opgenomen.De waarde

van deze verzameling bestaat daarin, dat

dit de eerste serie kleurenphoto's is, die

uit de tropen naar Holland is gebracht.

Daarmee is aangetoond, dat de kleurenphotografie,

die nog maar door enkelen in

de tropen is beproefd, even goed als de

gewone photografie in de vochtig-warme

gewesten is toe te passen. Daar tot nu

toe het klimaat der vochtige tropen nog

den grootsten hinderpaal bood aan het

opnemen met Lumière-platen, is het thans

zeker, dat de kleurenphotografie op reizen

in alle streken uitvoerbaar is.

Uitvoeriger vindt men dit allesbeschreven

in de „Tropische Natuur", eerste uitgave

van het Koloniaal Instituut (verkrijgbaar

bij J. H. de Bussy, Amsterdam), waarin

alle kleurenphoto's afgedrukt zijn.

De bezoeker vindt de platen gerangschikt

in een vijftal groepen: I. Bloemen en

bladen. 11. Kleeding. 111. Landschappen.

IV. Uit 'sLands Plantentuin, en V. Vruchten.

Deze groepen zijn telkens gescheiden door

een

viertal zwarte lantaarnplaatjes. Verderen

uitleg vindt men bij de plaatjes zelf.

Java.

Inzending van Dr. J. Ahlburg te Berlijn.

No. 236. West-Java, 16 vulkaan-studies, meest eigen

opnamen.


135

Inzending van den Heer J. Bosman,

Resident van Besoeki.

No. 237. Banjoewangi (O. Java), 6 diversen.

Inzending van het Departement van

Binnenlandsch Bestuur te Batavia.

No. 238. Preanger-Regentschappen, 35 landschapsbeelden

en volkstypen.

No. 239. Cheribon, 4 landschapsbeelden.

No. 240. Semarang, 7

id.

No. 241. Djokjakarta, 21 volkstypen.

No. 242. Madioen,

10 landschapsbeelden.

No. 243. Kediri, 2 id.

No. 244. Besoeki (Idjen-plateau), 23 landschapsbeelden.

Inzending van Dr. Am. Heim te Zürich.

No. 245. Tengger-gebergte en Tjikorai (W. Java),

19 landschapsbeelden, eigen opnamen.

Inzending van Dr. H. Hirschi te Zürich.

No. 246. Tengger-gebergte en West-Java, 4 landschapsbeelden,

eigen opnamen.

Inzending van

Soerabaja.

No. 247. Preanger-Regentschappen,

den Heer J. E. Jasper te

6 diversen.

No. 248. Keloet-eruptie van 22—23 Mei 1910,

26 photo's.

No. 249. Oost-Java, 36 vulkaan-studies en diversen.

Inzending van Dr. J. P. Kleiweg de

Zwaan te Amsterdam.

No. 250. West- en Oost-Java, 17 diversen.

No. 251. Het Smeroe en Tengger-gebergte, 10

vulkaan-studies, opname van Kurkdjian.


136

Inzending van Dr. •M.

A a r a u.

No. 252. Papandajan,

3 vulkaan-studies.

Mühlberg te

Inzending van Dr. W. Roepke te

Salat i g a.

No. 253. Oost-Java, 96 vulkaan-, wolken- en florastudies,

eigen opnamen.

Inzending van den Heer J. F. Ruijter

de Wildt te Malang.

No. 254. De vulkaan Salak, 2 krater-studies.

Inzending van de Vereeniging „Toeristenverkeer"

te Batavia.

No. 255. Oost-Java, Preanger-RegentschapDen, Boroboedor,

32 landschapsbeelden en volkstypen.

Sumatra.

Inzending van het Koninklijk Nederlandsen

Aardrijkskundig Genootschap.

No. 256. Karo-landen, 24 landschapsbeelden, clichés

van eigen opnamen door den Heer

Ch. Palmer van den Broek, resident van

Ternate, afgestaan.

No. 257. Moeara Laboek (onderafdeeling Soengai

Pagoe en de XII Kota's), 27 landschapsbeelden,

als voren.

No. 258. Midden-Sumatra, 17 landschapsbeelden,

als voren.

Inzending van het Departement van

Binnenlandsch Bestuur te Batavia.

No. 259. Sabang, 6 landschapsbeelden.

No. 260. De Alaslanden, 5 volkstypen.

No. 261. De nieuw aangelegde weg van de kust

naar de Laoet (= meer) Tawar; 36

landschapsbeelden en volkstypen.


137

37 landschaps-

No. 262. Tapanoeli (Bataklanden),

beelden en volkstypen.

No. 263. Djambi, 4 landschapsbeelden.

No. 264. Sumatra's Westkust, 27 landschapsbeelden

en volkstypen.

No. 265. Palembang, 10 landschapsbeelden en volkstypen.

Inzending van den Heer Th. F. A. Delprat

te Amsterdam.

No. 266. Midden-Sumatra en Sumatra's Westkust,

120 landschapsbeelden en volkstypen.

Inzending van Dr. Am. Heim te Zürich,

No. 267. Zuid-Sumatra, 20 landschapsbeelden en

volkstypen.

Inzending van Dr. H. Hirschi te Zürich,

No. 268. Langsar en Gajoland, 11 landschapsbeelden,

eigen opnamen.

Inzending van Dr. J. P. Kleiweg de

Zwaan te Amsterdam.

No. 269. Nias, 12 diversen, eigen opnamen gedurende

het Nias-onderzoek, 1910.

No. 270. Palembang,

2 diversen.

Inzending van prof. Dr. A. Maass te

B e r 1ij n.

No. 271. Midden-Sumatra, 23 diversen, eigen opnamen

gedurende de Midden-Sumatraexpeditie,

1907.

Inzending van Dr. A. Tobler te Basel.

No. 272. Djambi, 24 landschapsbeelden, eigen opnamen

gedurende het Djambi-onderzoek,

1907—1912.


138

Inzending van den Heer W. L. Troostenburg

de Bruijn te Nijmegen.

No. 273. Palembang, 12 beelden van het stroomgebied

van de Moesi en Lematangrivieren,

eigen opnamen.

Inzending van prof. Dr. W. V o 1z te

Erlangen.

No. 274. Atjeh, Gajo-, Alas- en Bataklanden, 85

landschapsbeelden, eigen opnamen gedurende

de Noord-Sumatra-expeditie,

1904—1906.

Borneo.

Inzending van Dr. J. P. Kleiweg de

Zwaan te Amsterdam.

No. 275. Bandjermasin, 2 diversen.

Inzending van Dr. M. Mühlberg teAarau.

No. 276. Tarakan en de Oostkust van Borneo, 7

landschapsbeelden.

Inzending van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis

te Leiden.

No. 277. Centraal-Borneo, 15 landschapsbeelden.

Commissie-reis 1898—1900.

Inzending van den Heer D. Merens te

Koeta radja.

No. 277a. Bem-Brem stroomversnellingen in de

Kajan-rivier (tocht Maart—Mei 1909),

22 landschapsbeelden.

Celebes.

Inzending van den Heer E. C. Abendanon,

m. i. te 's Hage.

No. 278. Midden-Celebes, 60 landschapsbeelden,

eigen opnamen gedurende de Midden-

Celebes-expeditie, 1909—1910.

Inzending van Dr. J. Ahl burg te Berlijn.

No. 279. Noord-Celebes, 38 landschapsbeelden en

volkstypen, eigen opnamen.


139

Inzending van het Departement van

Binnenlandsch Bestuur te Batavia.

No. 280. Taloet-eilanden, 9 diversen.

No. 281. Menado, 12 diversen.

No. 282. Mongondow, 8 diversen.

No. 283. Gorontalo, 17 diversen.

No. 284. Kolonedale, 6 landschapsbeelden.

Inzending van

Dr. J. Elbert te Frankfurt

a/M.

No. 285. Kabaena, Boeton en Moena, 6 landschapsbeelden,

eigen opnamen gedurende de

Soenda-expeditie, 1909.

Inzending van Dr. H. Hirschi te Zürich.

No. 286. Oostkust van Celebes en Noordkust van

de Golf van Tomini, 6 kustlandschapsbeelden,

eigen opnamen.

Inzending van Dr. M Mühlberg te Aarau.

No. 287. Westkust van Celebes van Makassar tot

Donggala, 14 kustlandschapsbeelden.

Inzending van Drs. P. en F. Sarasin te

Basel.

No. 288. Celebes, 63 landschapsbeelden en volkstypen,

eigen opnamen gedurende het

Celebes-onderzoek, 1893—1896 en

1902—1903.

Inzending van den Heer I.

tijdelijk te Batavia.

Troostwijk,

No. 289. Baai van Kolonedale van Zuid naar Noord.

Inzending van het Encyclopaedisch

Bureau (Departement van Binnenlandsch

Bestuur) te Batavia.

No. 290.

1. Album met photo's van de Boegineesche

landen (Gouv. Celebes en onderhoorigheden,

afd. Boni en Para Pare en kuststaten

van Mandar).


140

2. Drie kistjes met lantaarnplaatjes naar

die photo's.

3. Schetskaart van de streken, waarop

de onder 1 bedoelde photo's betrekking

hebben.

Kleine Soenda-eilanden.

Inzending van het Kon. Ned. Aardrijkskundig

Genootschap.

No. 291. Soembawa, 40 landschapsbeelden en volkstypen,

opnamen van den Heer H. Witkamp,

m.i.,tijdelijk te Balik Papan, clichés

door het Koloniaal Instituut afgestaan.

Inzending van den Heer J. Bosman, Resident

van Besoeki.

No. 292. Bali en Lombok, 6 diversen..

Inzending van het Departement van

Binnenlandsch Bestuur te Batavia.

No. 293. Timor, 6 diversen.

Inzending van Prof. Dr. K. Deninger te

Freiburg im Breisgau.

No. 294. Bali, 3 landschapsbeelden, eigen opnamen.

Inzending van den Heer J. C. van Eerde

te Amsterdam.

No. 295. Bali, 20 diversen.

Inzending van Dr. J. EIbert te Frankfurt a/M.

No. 296. Lombok, 14landschapsbeelden en vulkaanstudies.

No. 297. Soembawa, 2 landschapsbeelden

No. 298. Wetar, 2 landschapsbeelden.

Inzending van den Heer R. A. Kunst,

tijdelijk te Bussurn.

No. 299. Timor, 12 landschapsbeelden en volkstypen,

eigen opnamen gedurende de

Timor-expedities in 1909 en 191 1.


141

Inzending van Prof. Dr. J. Wanner te

Bonn.

No. 300. Timor, 35 landschapsbeelden en volkstypen,

eigen opnamen gedurende de

Timor-expedities in 1909 en 1911.

Molukken, enz.

Inzending van het Kon. Ned. Aardrijkskundig

Genootschap.

No. 301. Noord-Nieuw-Guinea, 26 landschapsbeelden

en volkstypen der Mamberano-expeditie,

1910-1911, clichés door het

Koloniaal Instituut afgestaan.

No. 302. Nieuw-Guinea, 22 landschapsbeelden, clichés

van eigen opnamen door den Heer

Ch. Palmer van den Broek, Resident

van Ternate, afgestaan.

Inzending van den Heer O. G. Heldring,

m.i. te Moeara Aman (Sumatra).

No. 303. Zuid-Nieuw-Guinea, 12 landschapsbeelden,

eigen opnamen (H. was als geoloog toegevoegd

aan het exploratie-detachement,

1907 —1908).

Inzending van den Heer P. E. Mooienburgh,

tijdelijk te Nijmegen.

No. 304. Noord-Nieuw-Guinea, 22 landschapsbeelden

en volkstypen, eigen opnamen.

Inzending van de Maatschappij tot bevordering

van het Natuurkundig Onderzoek

der Nederlandsche Koloniën.

No. 305. Nieuw-Guinea, 9 landschapsbeelden der

Sneeuwgebergte-expeditie, onder Mr. H.

A. Lorentz, 1909.

Inzending van Prof. Dr. K. Deninger en

den Heer E. Kresemann te Freiburg i/B.

No. 306. Boeroe en Ceram, 55 landschapsbeelden

en volkstypen, eigen opnamen gedurende

de 2de Freiburger Molukken-expeditie,

1910—1912.


142

Inzending van den Heer A. M. Hens te

Endeh.

No. 307. Flores, 13 landschapsbeelden en volkstypen,

eigen opnamen.

Inzending van Dr. H. Hirschi te Zürich.

No. 308. Ambon, Banda, enz., Nieuw-Guinea, 13

landschapsbeelden, eigen opnamen.

Inzending van Dr. M. Mühlberg te Aarau.

No. 309. Ambon, Banda en Ceram, 10 landschapsbeelden.

Inzending van den Heer H. J. A. Raedt

van Oldenbarneveldt, Resident van Amboina.

No. 310. Ambon, 27 diversen.

No. 311. Boeroe, 4 landschapsbeelden.

No. 312. Aroe-, Kei- en Tanimber-eilanden, 15 diversen.

No. 313. Nieuw-Guinea, 19 landschapsbeelden en

volkstypen.

Oost- en West-Indië (lichtdrukken).

Inzending van Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis

te Leiden.

No. 314. 78 lichtdrukken van landschappen en volkstypen.

Inzending van de firma Kleijnenberg

en Co. te Haarlem.

No. 315. 3 portefeuilles, inhoudende 170 lichtdrukken

van landschappen en volkstypen.

Inzending van het Handelsmuseum van

het Koloniaal Instituut te Amsterdam.

No. 316.

Album, bevattende de platen der ondervolgende

Schoolalbums I t/m V.

Schoolalbum I.

1. Klapper of Kokospalm.

2. Rijstvelden (sawah's).

3. Suikerriet.


143

4. Liberiakoffie-oogst.

5. Assamthee-aanplant.

6. Sorteeren van thee.

7. Indische Gomelastiek-boom.

8. Kina-tnin.

9. Cacao-boom.

10. Pepertuin.

11. Kapokboom en -vruchten.

12. Arrowroot.

Schoolalbum 11.

1. Pinangpalm.

2. Tak van de Gambier-plant; vrucht

tros van den Pinangpalm.

3. Pandanen.

4. Nipa- en Kokospalmen.

5. Waringin.

6. Nootmuskaat-vruchten.

7. Tabaksveld.

8. Droogschuur; fermenteerschuur

(tabak).

9. Para-caoutchoucboom.

10. Suikerrietveld.

11. Vervoer van suikerriet naar de

fabriek.

12. Koffieland.

Schoolalbum 111.

1. Bamboestoel,

2. Reuzen-Bamboe.

3. Strandbosch (Mangrove-vegetatie);

Rotanpalmen.

4. Boomvarens; Waringin's.

5. Djati-boom; Rasamala-boom.

6. Sago-palm; Papaja.

7. Vruchtdragende tak van den Tamarinde-boom;

laan van Tamarindeboomen.

8. Indische vruchten.

9. Vanille.

ïo. Ontginning van terrein voor tabaksteelt.


ii. Bloem-

144

en vruchtdragende tak van

den Cacao-boom.

12. Sisal-aanplant op Java.

Schoolalbum IV.

i. Vruchtdragende tak van den Mangistan.

2. Bloem- en vruchtdragende tak van

Liberia-koffie.

3. Getah-pertja onderneming op Java.

4. Boroboedoer.

5. Chineesch graf.

6. Bamboe-woning en dos-a-dos te

Batavia.

7. Chineesche wijk te Batavia.

8. Veer over de Tji Taroem.

9. Pasar (markt) te Fort de Cock.

10. Spoorweg nabij Moeara Kalaban.

11. Bataksche Hoeta (dorp) bij het Tobameer.

12. Kamponghuis met bewoners (Mentawei-eilanden).

Schoolalbum V.

1. Ploegen en eggen der rijstvelden.

2. Rijstoogst.

3. Rijstvelden (uitplanten van de jonge

plantjes).

4. Java-Abaca (Manilla-hennep).

5. Bruidsstoet in de Vorstenlanden;

Javaansche danseres.

6. Pottenbaksters aan den arbeid.

7. Batikken.

8. Bij den waschman; badende karbouwen.

9. Weefster; groente-verkooper.

10. Rijststampen.

11. Draagbaar etenskraampje bij een

kampongwoning te Batavia.

12. Ontpitten, uitpluizen en spinnen van

katoen.

Prijs per album van 12 lichtdrukken ƒ 2.50

Voor scholen zijn de albums verkrijgbaar

a contant en zonder korting . . . „ 1.50

.


145

B. WEST-INDISCHE KOLONIËN.

Inzending van het Gouvernement van

Suriname.

No. 317. Kaart van Suriname, de z. g. „kaart van

Rosevelt", 1

: 500.000, vergroot met

de bladen aantoonend het werk verricht

door de verschillende topographische

expedities naar het binnenland,

sedert 1900.

No. 318. Kaart (vergroote) uit het verslag van den

ingenieur Middelberg, gewezen leider

der Mijn-exploratie van gouvernementswege

in Suriname van 1908.

No. 319.

Lengte-profielkaart van den kolonialen

spoorweg, waarop de formatie van het

terrein uitkomt.

No. 320. Graphische voorstelling van de meteorologische

waarnemingen in Suriname

sedert de laatste halve eeuw.

No. 321. Voorstellingen aangaande de geologische,

hydrographische en topographische expedities

van de laatste 40 jaren, en de

naar aanleiding van die expedities uitgegeven

werken.

No. 322. Verzameling van

Suriname.

50 photo's betreffende

Inzending van het Gouvernement van

Curafao.

No. 323. Topographische kaart van het eiland

Curacao, 1:20.000, 18 bl., 1911.

No. 324. Kaart van het Stadsdistrict van het eiland

Curacao, 2 bl., 1912.

No. 325. Topographische kaart van het eiland

Aruba, 1 : 20.000, 8 bl., 1912.

De nieuwe topographische kaart van het

eiland Bonaire, op dezelfde schaal en in

6 bl. ligt nog ter perse.


146

No. 326. Album met verschillende historische documenten

betreffende de Kolonie Curacao.

Inzending van het Kon. Ned. Aardrijkskundig

Genootschap te Amsterdam.

No. 327. Kaart van Suriname, 1 : 50.000, waarop

de tot heden bekende geologische gegevens

zijn aangegeven. Samengesteld

door Prof. J. A. Grutterink, m.i., 1913.

Inzending van de firma J. H. de Bussy

te Amsterdam.

No. 328. Kaart van Suriname, 1 : 500.000, naar

opmetingen van J. J. A. Cateau v.

Rosenfelt en J. F. A. E. van Lansberge,

aangevuld tot 1898 door W. L. Loth.

Inzending van Prof. J. A. Grutterink,

m. i. te 's-Gravenhage.

No. 329. Hoogtekaart van Curacao, 1 : 20.000.

Dezelfde kaart als No. 323, maar waarop

de hoogtevlakken door verschillende lichte

tinten zijn verduidelijkt.

Inzending van het Hydrographisch

Bureau van het Departement van Marine

te 's-Gravenhage.

No. 330. a. Kust van Guyana, Essequebo-rivier tot

Cayenne, 1887 (1897).

b. Monden der Coppename en Saramaccarivier,

1911.

c. Curacao, Bonaire en Aruba, 1899.

d. Baaien op de Z.W. kust van Curacao,

1912.

e Plannen en ankerplaatsen op Aruba,

Bonaire en klein-Curacao, 1903(1909).

f. St. Martijn, Saba, St. Eustatius en omliggende

eilanden, 1903.

No. 331. Kaart van het eiland Curacao met plan

van stad en haven, 1836.

Deze kaart, een zeer goede kopergravure

van de firma Hulst van Keulen, is vooral

1 merkwaardig om het groot aantal daarop

aangegeven plantages.


147

No. 332. 1. Beschrijving van de kust van Guyana

en zeilaanwijzingen voor het bevaren

zijner rivieren, 1867.

2. Zeevaartkundige beschrijving van de

Nederlandsche West-Indische bezittingen,

door J. Modera, 1843.

Inzending van Van Stockum's Antiquariaat

te 's-Gravenhage.

No. 333. Curacao. — Gezicht op de reede en de

stad Curac/ao. Teekening in kleuren uit

het begin der 18e eeuw. Hoogst merkwaardig

document.

Rechts het fort met de poort, waarboven

de initialen der West.-Ind. Cie. Naar links

strekt zich de stad uit: witte huizen met

roode daken en veranda's, waarboven Holl.

vlaggen. Op den voorgrond Hollandsche

en Engelsche oorlogschepen en sloepen.

Inzending van het Kon. Ned. Meteorologisch

Instituut te De Bilt.

No. 334. 1. Meteorologische waarnemingen, gedaan

op de meteorologische stations in de

kolonie Suriname en Curacao, 7 dl.,

1905 1911.

2. „Goede tijding". Nieuws- en Advertentieblad

der kolonie Suriname. Meteorologie

door C. J. Hering, 2 st., 1894.

Inzending van Joh. IJkema, uitgever

te 's-Gravenhage.

No. 335. Schoolkaart van West-Indië, 1 : 500.000,

4 bl., door J. J. Ten Have.

Inzending van Prof. J. A. Grutterink

te 's-Gravenhage.

No. 336. Suriname, Aruba en Curacao, 28 photo's.

Inzending van Dr. H. van Cappelle te

's-Gravenhage.

No. 337. Suriname, 44 landschapsbeelden en volkstypen,

eigen opnamen gedurende de

Nickerie-expeditie, 1900.


148

Inzending van het Kon. Ned. Aardrijkskundig

Genootschap te Amsterdam.

No. 338. Suriname, 120 landschapsbeelden en volkstypen,

opnamen gedurende zeven Suriname-expedities,

1901—1911.

C. HISTORISCH-GEOGRAPHISCHE

AFDEELING

samengesteld met medewerking vanDr. F. C. Wieder.

De stukken, waarbij geen inzender vermeld wordt, zijn

het eigendom van het Kon. Nederl. Aardrijkskundig

Genootschap.

A. KAARTEN

DE VOORHISTORIE. INDIË IN DE XVIe EEUW,

NOG NIET DOOR HOLLANDERS BEZOCHT.

No. 339. Dubbel-hartvormige Wereldkaart door

Gekard Mercator, uitgegeven te Rome

door A. Lafreri, omstreeks 1560. —

32.5 X 5i cM.

Op dezekaart van den grooten Vlaamschen

cartograaf vindt men nog slechts een primitieve

voorstelling van den Indischen

Archipel. Toch moet men aannemen dat

Mercator reeds gegevens bezat, die aan zijn

voorgangers onbekend waren.

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 340. Wereldkaart van Gerard de Jode, gebaseerd

op den „Universale" van den

beroemden Italiaanschen cartograaf

Giacomo Gastaldi. Antwerpen, 1555. —

505 X 80 cM.

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 341.

Latere uitgave van de Wereldkaart

van Gerard de Jode. Zonder jaartal,

(omstreeks 1600). — 48 X 80 cM.


149

Beide kaarten van De Jode en die van

Mercator toonen welke voorstelling men

zich hier te lande van Oost-Indië maakte,

vóór de gedachte opkwam zelf de reis

daarheen te ondernemen.

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 342. Abraham Ortelius, Oost-Indië. 1570.

DE HOLLANDSCHE VOORSTELLING VAN INDIË

BIJ HET BEGIN EN TIJDENS DE EERSTE REIZEN

DAARHEEN ONDERNOMEN.

De hier volgende kaarten werden kort vóór het vertrek

en langzamerhand na het terugkeeren der eerste expedities

uit Indië, te Amsterdam bij Cornelis Claesz uitgegeven.

Het is zeer waarschijnlijk, dat wij daarbij aan het initiatief

van Petrus Plancius moeten denken.

De unieke verzameling dezer zeldzame en kostbare

kaarten, op de Amsterdamsche Universiteits-Bibliotheek

aanwezig, is voor de Tentoonstelling afgestaan.

No. 343. Petrus Plancius, „Orbis terrarum typus

de integro multis in locis emendatus.

1594. Joannes a Duetecum juniorfecit".

41 X 58 cM,

Proefdruk van Plancius' wereldkaart. —

Latere afdrukken werden gevouwen opgenomen

in Linschoten's Itinerario.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 344. „AfbeeldinghedercustendeslandtsGuinea,

Manicongo ende Angola na d'allerbeste

Indische pascaerten oversien. Arnoldus

F. a Langren delineavit et sculpsit",

omstr. 1595. 39 53.5 cent.

Proefdruk. — Latere afdrukken werden

toegevoegd aan Linschoten's Itinerario.

Deze proefdruk is zeer scherp en ongevouwen

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 345. „Afbeeldinghe van alle de zee-custen des

gheheelen Zuyderschen deels van America,

genaempt Peruviana, na d'allerbeste

Spaensche pas-caerten oversien. Arnoldus


150

Florentius a Langren author et sculptor".

39-5 X 5 6 cent.

Proefdruk. — Ook van deze kaart komen

latere afdrukken, gevouwen, inLinschoten's

Itinerario voor.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 346. „Europa. Baptista a Doetechum fecit."

[1594].

— 39.5 X 56 cent.

Een speciaal-kaartje geeft een schets van

de omgeving van Nova Zembla. Blijkens

een daaronder geplaatst inschrift waren

kort vóór het verschijnen dezer kaart de

schepen van Heemskerk en Willem Barendtsz.

uitgezeild, om deze streken nader

te exploreeren.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 347. „Tabella hydrographicé oras maritimas

Africae a promontorio dicto Capo de

Cantin, Angolam usque. Joannes a Doetechum

fecit." [1594J. — 39 X 55 cent.

Deze kaart sluit precies bij de vorige aan

en is waarschijnlijk te gelijkertijd verschenen.

Een vignet geeft een afbeelding

van St. Helena, „quae refocillationi et adaquationi

navium euntium in Indiam Orientalem

inservit."

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 348. „Beschrijvinghe van de drie seylagien door

de Hollanders gedaen aen de Noordt

syde van Noorweghen, Moscovia, Nova

Sembla, ende door de Weygats ofte

Strate de Nassou, etc. door Willem

Barents van Amstelredam de vermaerde

Piloot. Auctore Wilhelmo Bernardo.

Cornelius Nicolai excudebat. Baptista

a Doetechum sculp. A° 1598." —

4 1 -5 X 57 cent.

Een der oudste kaarten van de Poolstreken

in Nederland verschenen, door Willem

Barendtsz. vervaardigd. Zij werd opgenomen

in de Latijnsche uitgave van Linschoten's

Itinerario, die in 1598 verscheen.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


151

No. 349. „Asiae nova descriptie Henricus F. a

Langeren fecit". [1598]. — 38 X 52 cent.

Twee vignetten ontleend aan het reisverhaal

van Cornelis de Houtman (een Chineeschetempel,

en plattegrond van Bantam)

wijzen erop, dat deze kaart kort na Houtmans

terugkeer werd uitgegeven.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 350. „Nieuwe caerte op Java gheteeckent, van

de eylandcn van Java, Sumatra, Borneo

tot Malacca toe, daar in dat alle de

bijleggende eylanden naar t'leven gestelt,

ende op haer plaetse geleyt zijn

door G. M. A. L[odewijckx]." [1598].—

38 X 54 cent

Ook deze kaart verscheen kort na Houtmens

terugkeer. Zij werd op Java geteekend

door Lodewijckx, auteur van Houtmans

reisverhaal. Als versiering bevat

ze zeven afbeeldingen aan datreisverhaal

ontleend. In de onderschriften wordt naar

het journaal verwezen: „describuntur in

itinerario in Javam Insulam."

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 351.' „Insulae Moluccae. Joannes a Doetechum

fecit". [1600]. — 39 X 55.5 cent.

De oudste kaart der Molukken (met inbegrip

van de Philippijnen en Nieuw-Guinea)

in Nederland verschenen. Waarschijnlijk

uitgegeven kort na de terugkeer van Van

Neck en Van Warwijck's expeditie.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 352. „Effigies ampli Regni auriferi Guineae in

Africa siti, delineata per S. Rovelascum

et politioribus lineamentis figurata per

Ludovicum Texeram, protocosmographum

Regis Hispaniarum. Baptista Doetechomius

sculpsit [1602]. Hugo Allardt

excudit." — 46 X 60.5 cent.

Deze kaart van de kust van Guinea verscheen

in hetzelfde jaar als Pieter de Marees'

beschrijving zijner reis naardiekust,

blijkens een opschrift op de kaart: „Eodem

anno editus est liber, amplam harumregio,

num descriptionem continens, perP.D.M.'


152

Twee groote vignetten zijn aan de reis van

De Marees ontleend.

Het adres van Hugo Allardt is een later

toevoegsel.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 353. „Asiae tabula nova multis locis, tam ex

terrestri peregrinatione quam recentiori

navigatione ab exploratissimis naucleris

emendata & multo quam antea exactior

edita." (Gegraveerd door de Van Deutecum's

en uitgegeven te Amsterdam,

bij Corn. Claesz. omstr. 1605). —

101 X 147 cM.

Op deze kaart van Azië, geheel in denzelfden

stijl als de voorgaande, zijn deresultaten

der eerste Hollandsche reizen naar

Oost-Indië verwerkt. Dit blijkt vooral uit

tal van vignetten waarmedezij versierd is,

die ontleend zijn aan de eerste reisjournalen.

Zoo wordt bijv. melding gemaakt

van W. van Warwijck in 1599.

's Gravenhage, Jhr. J. W. Six.

DE ALGEMEENE VOORSTELLING VAN INDIË

IN DE XVIIe EEUW.

No. 354. (Jud. Hondius), Oost-Indië, omstr. 161o.

No. 355. Henricus Hondius, Oost-Indië, omstr. 1630.

No. 356. W. Blaeu, Oost-Indië, (1635).

No. 357. Joh. Janssonius, Oost-Indië, omstr. 1640.

No. 358. Joh. Janssonius, Indische Oceaan, omstreeks

1640.

No. 359. Pieter Goos, Oost-Indien. Amsterdam,

omstr. 1660. Groote zeekaart op perka-

88 cM.

ment gedrukt. — 68.5 X

No. 360. Pieter Goos, West-Indische paskaart.

Amsterdam, omstr. 1660. Groote zeekaart

op perkament gedrukt. 78 X 98 cM.


153

No. 361. Pieter Goos, Wassende paskaart van

Europa. Amsterdam, omstr. 1660. Groote

zeekaart op perkament gedrukt. —

70 X 89 cM.

Vooral merkwaardig om de voorstelling

der Poolstreken.

Deze drie groote paskaarten op perkament

sluiten bij elkaar aan en geven een voorstelling

van alle toen bevaren kusten der

wereld.

No. 362. Hendr. Doncker, Zeekaart van Oost-Indië

van Kaap de Goede Hoop tot Japan. 1666.

No. 363. Nic. Visscher, Oost-Indië, omstr. 1680.

No. 364. Twee geteekende kaarten van den Indischen

Archipel met Maleisch en Makassaarsch

schrift. Door inlanders vervaardigd in

de XVIIIe eeuw.

Utrecht, Geographisch Instituut.

De eenige oude kaarten door inlanders

vervaardigd, welke bekend

zij n.

UIT HET ARCHIEF DER OOST-INDISCHE

COMPAGNIE.

(Inzending Algemeen Rijksarchief

's Gravenhage).

Dank zij de zeer gewaardeerde medewerking van de

autoriteiten die het beheer voeren over het Archief der

Oost-Indische Compagnie (berustend op het Algemeen

Rijksarchief te 's Gravenhage) is het mogelijk geworden

verscheidene documentaire kaarten tentoontestellen, die

herinneren aan belangrijke ontdekkingsreizen en zeldzame

verkenningstochten uit ons koloniaal verleden.

Wij verwijzen naar: Inventaris der verzameling kaarten

berustende in het Rijksarchief. (Door P. A. Leupe). I.

's Gravenhage, 1867.

No. 365. Jacob van Neck op Sumatra en Java.

Kaarten vervaardigd op

de tweede Hollandsche

expeditie naar Oost-Indië onder

het bevel van Jacob van Neck, 1598—

1600. 4 oorspronkelijke stukken.

Inventaris Leupe, Nos. 331, 339, 378, 447.


154

a. „Vera delineatio Insulla Mauritius de

Nassou Illust. Princeps Orangia".

b. Sumatra van den Vlakken hoek Ganday

(de Varkenshoek) en Java tot aan de

Bocht van Bantam.

c. De Bocht van Bantam tot aan de tweede

Versche Rivier.

d. Lombok, Soembawa, enz.

Dit zijn de oudste oorspronkelijke

kaarten door Hollanders in Indië

vervaardigd, welke bewaard gebleven

zijn.

No. 366. Java's Zuidkust. — Paulus Paulusz.,

kaartemaker, „Generale pascaart van de

Zuyd-Cust Java, ondersogt in Jan. 1739."

Oorspronkelijke handschriftkaart in 6

bladen.

Inventaris Leupe, no. 443.

Een der eerste, zoo niet de allereerste

J

opname van Java s Zuidkust, welke nog

zeer lang onbezocht bleef.

De Instructie voor Paulusz., alsmede zijn

Rapport over de opname, zijn beide bewaard

gebleven.

No. 367. Java. — Speciaalkaarten van gedeelten van

Java, alle uit de XVIIe eeuw.

a. „Plan van 't fort en omleggende land

Jacatra 1619". (Leupe, no. 1176).

b. Twee kaarten van het beleg van Batavia

in 1628, 1629, door Frans Florisz. van

Berckenrode en Jacob Cuyck, gezworen

landmeters. Batavia, 1629. (Leupe,

nos. 1178, 1179).

c. Route van Batavia naar de Zuydzee door

Pieter Scipio, sergeant. 1687. (Leupe,

no. 1172).

d. Cheribon tot Golongong en de negory

Madoera, 1684. 1 Leupe, no. 1162).

e. Samarang J s omgeving, door M. de Roy,

1695.

(Leupe, no. 1257).

/. Soerabaja en omstreken. XVIIe eeuw.

(Leupe, no. 1279).

No. 368. Makassar. — „Caarte ende teykeninge van

Macassar, in 1693 door my ondergesz.

bereyst, opgesteld ende verdeeld enz."

Handschrift-kaart in 7 bladen.

Inventaris Leupe, No. 1293.


155

Zeer uitvoerige kaart van ditgedeelte van

Celebes, volgens het opschrift het resultaat

eener speciale opname. De vervaardiger

is onbekend.

No. 369. — Amboina. Herman van Speult, „Ontwerpinghe

van Amboyna. 1623". Handschrift-kaart

met beschrijving, 12 bladen.

Inventaris Leupe, No. 1324.

De eerste Hollandschekaart van Amboina.

No. 370. Nieuw-Guinea door Jax Carstensz. —

„Caerte van de ontdecte Custe ende

plaetsen van Nova Guinea, in 1623,

door Arent Martsz. de Leeuw opperstierman".

Oorspronkelijke handschriftkaart.

Deze

Inventaris Leupe, no. 493.

kaart is afkomstig van de ontdekkingsreis

naar Nieuw-Guineavan dejachten

Pera en Arnhem onder bevel van Jan

Carstensz. — Arent Martsz. deLeeuw was

stuurman aan boord van de Pera.

No. 371. Australië. — Hessel Gerritsz, „Caert

van 't Landt van dEendracht, uit de

Journalen ende affteyckeningen der stierluyden

t'samengestelt". Amsterdam,

Hessel Gerritsz. 1627. Kopergravure.

Inventaris Leupe, no. 502.

De oudste kaart van een gedeelte van

Australië, afzonderlijk in druk verschenen.

Zij bevat de resultaten der waarnemingen

gedurende de laatst verloopen jaren door

Hollandsche schippers gedaan.

No. 372. Australië. —Willem de Vlamingh, „Kaart

van 't Zuydland door den schipper

Willem de Vlamingh, in de maanden

January en February, Anno 1697, met

't jacht de Geelvink, de hoecker de

Nyptangh, ende 't galjoot 't Weseltje

enz." Oorspronkelijke handschrift-kaart

in drie bladen.

Deze kaart beeldt het resultaat af der opzettelijk

tot verkenning van Australië


156

uitgezonden expeditie onder De Vlamingh.

Een nog onbekend gedeelte van de Westkust

werd geëxploreerd, vooral het eiland

„Rottenest", dat afzonderlijk op de kaart

voorkomt (omgeving van het latere Swan

river).

No. 373. Ceylon. — J. C. Toorzee, Ingenieur,

„Kaarte van 't Eyland Ceylon, benevens

een gedeelte der Kusten Malabar en

Cormandal, etc." Handschrift-kaart op

perkament, XVIIe eeuw.

Inventaris Leupe, no. 923.

Een der fraaiste en uitvoerigste kaarten van

Ceylon tijdens de Hollandschenederzetting.

No. 374. Japan. — Marten Gerritsz Vries, Kaart

van het Noord-Oostelijk gedeelte van

Japan en Jeso, het Statenland, Compagniesland,

enz. waarop de route van Vries'

ontdekkingstocht in de Japansche wateren

is aangeteekend. 1643.Handschrift-kaart.

Inventaris Leupe, n». 284.

Door Vries werden voor het eerst in het

Noordelijk gedeelte van het Japansche

eilandenrijk belangrijke verkenningen gedaan.

No. 375. De Kaap onder Jan van ■—

Riebeeck.

„Affteyckeningh van deTaeffelbay so men

in 't fort staet, met aenwysinge van de

vlacke landeryen, seer schone weyden

ende boulanden, synde voor d'Generale

Nederl. Geoctr. Oost-Indische Comp. in

possessie genomen, by Jan van Riebeeck,

door last van d'Ed. Heeren Bewinth. de

gem. Comp., gesticht het fort de Goede

Hoop 1652." Oorspronkelijke handschrift-kaart

op Japansch papier.

Inventaris Leupe, n°. 801.

De oudste kaart van de Hollandsche ne

derzetting aan De Kaap. Ter plaatse geteekend,

werd zij in 1653 door Van Riebeeck

naar Europa gezonden.


157

AFZONDERLIJKE EILANDEN VAN DEN

INDISCHEN ARCHIPEL.

No. 376. Java. Joh. Janssonius, omstr. 1660.

De oudste afzonderlijke kaart van Java.

No. 377. Java. Hadr. Relandus, omstr. 1720.

's Gravenhage, J. W. IJzerman.

No. 378. De kust van Java van Bantam tot Batavia.

Zeekaart geteekend op perkament. Begin

XVIIIe eeuw. — 41 X 105 cent.

No. 379. De reede van Batavia. Gerard van Keulen,

omstr. 1720.

No. 380. „Afbeeldinge van 't Casteel en de Stad

Batavia gelegen op 't groot Eijlandt

Java-major, in 't Coninkrijk van Jaccatra.

Amsterdam, Fred. de Wit, 1653." —

70 X 97 cent.

De oudste plattegrond van Batavia, in druk

verschenen.

Particuliere inzending.

No. 381. Batavia. Plattegrond en gezicht, uitgegeven

te Neurenberg, bij de erven Homan,

1733-

No. 382. Straat Soenda. Joh. van Keulen, omstr.

i7s°-

No. 383. Sumatra. Joh. Janssonius, omstr. 1660.

De oudste afzonderlijke kaart van Sumatra.

No. 384

Sumatra. ~t'Amsterdam. Bij Isaak de Graaf,

1710". Zeekaart geteekend op perkament.

— 99 X 80 cent.

No. 385. Sumatra. Joh. van Keulen, omstr. 1750.

No. 386. Pisang en Poeloewai. Joh. van Keulen,

omstr. 1750.

No. 387. De omgeving van Singapore.

Joh. van

Keulen, omstr. 1750.

No. 388. Borneo. Joh. Janssonius, omstreeks 1660.

De oudste afzonderlijke kaart van Borneo.


158

No. 389. Borneo. Joh. van Keulen, omstr. 1750.

No. 390. De kusten van Borneo, Malakka en

Siam. Joh. van Keulen, omstr. 1750.

No. 391. De Molukken. W. Blaeu, omstr. 1630.

No. 392. DeMolukken. Joh. Janssonius,omstr. 1640.

DE OOST-INDISCHE COMPAGNIE OP CEYLON,

IN CHINA EN JAPAN, EN AAN DE KAAP.

No. 393.

Ceylon. Petrus Plancius, omstr. 1610.

No. 394.

Ceylon. Nic. Visscher, omstr. 1680.

No. 395. Punta Gala op Ceylon. Op perkament

geteekende paskaart. Begin XVIIIe eeuw.

37-5 X 86 cent.

No. 396. De baai van Nilewelle op Ceylon.

Zeekaart geteekend op perkament. Begin

XVIIIe eeuw. 41 X 51 cent.

No. 397. Aria atol aan de Westzijde van de

Maladiven. ~t' Middelburg, bij Abrm.

Anias, Ao. 1728". Zeekaart geteekend

op perkament. 63.5 •; 77.5 cent.

No. 398. Japan. Abr. Ortelius naar Lud. Texeira.

1595-

No. 399. Japan met Staten Eijlant en Compagniesland.

Joh. Janssonius, omstr. 1660.

No.

400. Kaart van de jaarlijksche Hofreis der Hollandsche

gezanten in Japan van Nagasaki

naar Osacca, en van Osacca naar

Jedo. Door P. van der Aa, omstr. 1710.

No. 401. China. — J. Blaeu, Nova et accuratissima

Sinarum imperii tabula. Amsterdam,

1655. — 108 ;•: 125 c.M.

De belangrijkste kaart van China in Nederland

uitgegeven.


159

No. 402. Zuid-Afrika. [W. J. Blaeu] omstr. 1640.

No. 403. Zuidkust van Afrika door Jodocus Hondius,

met daaronder gedrukt verhaal

van de reis van vijfschepen in 1651/52

gedaan [1652]. — Reproductie.

No. 404. Land- en zeekaart der Kaffersche kust

en de Caap de Bonne Esperance. Verschenen

omstr. 1695. — 60 X 50 c.M.

De oudste afzonderlijk verschenen kaart

van de Hollandsche nederzetting aan De

Kaap. Men lette op de namen der eerste

kolonisten!

Auteur noch uitgever zijn bekend.

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 405. Zuid-Afrika. Wed. N. Visscher omstr. 1740.

Met speciaal-kaart van de boerenplaatsen

rondom De Kaap.

Particuliere inzending.

No. 406. Joh. van Keulen, Paskaart van 't Zuydelijkste

gedeelte van Africa. Amsterdam,

omstr. 1750. — 59.5 X

101 cM.

De uitvoerigste kaart van De Kaap als

Hollandsche kolonie. Een vergelijking van

deze kaart met die van de vorige nummers

doet den vooruitgang der kolonie zien

gedurende een halve eeuw.

Utrecht, Geographisch Instituut.

DE HOLLANDERS IN AMERIKA, GUIANA,

WEST-INDISCHE EILANDEN, BRAZILIË, CHILI.

No. 407. Paskaart van de Westkust van Afrika

en de Oostkust van Brazilië. Geteekend

op perkament. Begin XVIIIe eeuw.

92-5 X 77-5 c.M.

No. 408. Guiana, door Henricus Hondius, omstr.

1630.


160

No. 409. Suriname. — „Caerte ofte vertooninge

vande rivieren van Suriname en Commewijne

met verscheyde creken uyt deselve

spruytende als Para, Surinoo en Cotteca

ende Ander meer gelyck die nu tegenwoordich


bewoont werden. Anno 1671."

51.5 X 4°-5 cM.

De oudste kaart van Suriname.

Alle plantages en suikermolens zijn aangegeven

met de namen der eigenaars.

Eenig bekend exemplaar.

's Gravenhage, Jhr. J. W. Six.

No. 410. Suriname.

— Dezelfde kaart, tweede uitgave,

waarop namen van nieuwe kolonisten

zijn aangebracht en de veranderingen

in de eigenaars zijn bijgewerkt, fol.

Eenig bekend exemplaar.

's Gravenhage, Jhr. J. W. Six.

No. 411. „Alex. de Lavaux, Generale Caart van

de provintie Suriname, rivieren en districten

met alle dOndekkingen van militaire

togten mitsgaders

de groote der

gemeetene plantagien, gecarteert A°.

1737-"

Groote kaart van Suriname omgeven door

een rijk geornamenteerden rand met de

wapens der Directeuren van de Sociëteit

van Suriname. — 164 X 1895 cent.

Gedrukt op blanke zijde.

's Gravenhage, Jhr. J. W. Six.

No. 412. Opmetingen van plantages in Suriname,

voornamelijk door denlandmeterG. Palm,

1716 en volgende jaren.

6 oorspronkelijke, in kleuren geteekende

schetskaarten, met beschrijving in handschrift.

No. 413, 414. Suriname (Westelijk en Oostelijk gedeelte)

door M. D. Teenstra, 1832.

2 kaarten.


161

No. 415.

Demerary „van ouds Immenary", door

L. L. van Bercheyck, 1759,metaanwijzing

van alle plantages. — 51.5 X 101 cent.

No. 416. F. von Bouchenroeder, Carte d'Essequebe

& Demerarie rédigée et dédiée au Comité

des colonies & possessions de la République

batave en Amérique & a la Cöte

de Guinee. 1798. — 64.5 X 98 cent.

No. 417. Berbice met de Hollandsche plantages,

door Hendr. de Leth, omstr. 1730.

No. 418. Curac\ao door Gerard van Keulen, omstr.

1720.

No. 419, 420. Oorspronkelijke kaarten van HeSdrik

Brouwers expeditie naar Brazilië en

Chili, 1642,43. 4 geteekende bladen.

Afkomstig uit de verzameling van Johan

Maurits van Nassau, gouverneur van Brazilië

tijdens Brouwers expeditie.

Vergelijk de opschriften der kaarten met

de aanteekening op het ex. van De Laet,

dat tot Johan Maurits'bibliotheek behoord

heeft (No. 488 van deze Tentoonstelling).

Utrecht, Geographisch Instituut.

B. ATLASSEN.

No. 421. Abr. Ortelius, Theatrum orbis terrarum.

Antwerpia, Aegid. Coppenius Diesth,

XX Maïi 1570. Met 53 kaarten, folio.

Editio princeps van den beroemden atlas

van Ortelius, de eerste atlas van moderne

geographie, gedurende ongeveer 40 jaren

tallooze malen herdrukt in verschillende

talen.

No. 422. Abr. Ortelius, Theatro de la tierra

universal. Anveres, por Christ. Plantino.

1588. Met 100 kaarten, folio.

Eerste uitgave in het Spaansch, de wereldtaal

dier dagen; — deze vertaling is een

bewijs van de internationale beteekenis

van Ortelius' Atlas.

Particuliere inzending.


162

No. 423. Abr. Ortelius, Theatrum orbis terrarum.

Antwerpia, Plantin, 1595. Met 147

kaarten, folio.

Een der volledigste uitgaven. Velekaarten

der eerste uitgave zijn door betere vervangen.

No. 424. Gerard de Judaeis, Speculum orbis terrae.

Antwerpiae, sumptibus Viduae et

etHeredum Gerardide Judaeis, 1593.folio.

De Atlas van Gerard de Judaeis of De

Jode is niet minder belangrijk dan die

van Ortelius, hij bleef echter veel minder

bekend.

De Jode is een voorganger van Ortelius,

en de vroegste kaarten door Ortelius vervaardigd,

werden door De Jode uitgegeven.

Het schijnt echter dat Ortelius meer

ondernemingsgeest bezat; in 1569 verzekerde

hij

zich het uitsluitend privilege

tot het uitgeven van een Atlas. De Jode

moest daardoor met de uitgave van zijn

atlas wachten tot Ortelius' privilege verstreken

was Toen, in 1578, kon zijn atlas

zich naast die van Ortelius geen plaats

meer veroveren, en hij werd niet eerder

herdrukt dan in 1593 door zijn zoon Cornelis,

die er verscheidene hoogst belangrijke

kaarten aan toevoegde.

Particuliere inzending.

No. 425. Gerard Mercator, Atlas sive cosmographicae

meditationes de fabrica mundi

et fabricati figura. Duisburgi Clivorum.

(Colophon:) Dusseldorpii, excudebat

Albertus Busius sumptibus haeredum

Gerardi Mercatoris. 1595. 5 stukken in

1 bd. folio.

Eerste volledige uitgave van den

Atlas van Mercator, bezorgd door zijn

zoon Rumoldus.

Particuliere inzending.

No. 426. Het eerste proef-exemplaar van Blaeu's

wereld-atlas. [1629].

Serie van 42 gegraveerde kaarten, alle op

hetzelfde papier gedrukt, aan de keerzijde


163

in gelijktijdig handschrift genummerd, en

alle door dezelfde hand gekleurd; sommige

gedateerd van 1610 af tot 1629.In den oorspronkelijken

verguld perkamenten band,

verguld op snede. Fol.

Na sedert het begin der XVIIe eeuw verscheidene

landkaarten te hebben uitgegeven,

begon langzamerhand het idee bij

Blaeu op te komen een Atlas der wereld

samen te stellen. De oudste uitgave die

men tot heden van een proeve van zulk

een atlas kon aanwijzen, was het eenig

bekende exemplaar, ophetBritsch Museum,

van "Atlantis Appendix, sive pars altera,

continens tab. geographicas diversarum

Orbis regionum, nunc primum editas.

Amsterdami, apud Guiljelmum Blaeuw,

1630". fol. Van de 60 kaarten welke dit

"Appendix" bevat, komen er 38 voorin den

hier tentoongestelden band. Zij dragen

hier echter niet het adres van

Blaeu, maar de meeste dat van

Judocus Hondius. Vergelijkt men

elke kaart van het Appendix met de respectieve

in dezen band onderling, dan blijkt

dat zij telkens beide van dezelfde koperplaat

gedruktzijn, maar dat in het Appendix

het adres van Judocus Hondius is weggeslepen

en dat van Blaeu daarvoor in

de plaats gesteld.

Geen dezer Judocus Ilondius-kaarten komen

ergens elders in een atlas voor, en

daar één dezer kaarten (no. 41, Palestina)

het jaartal 1629 draagt en alle op hetzelfde

papier gedrukt zijn, moet onze band dagteekenen

van 1629 en van vóór 1630,toen

in het Appendix het adres van Judocus

Hondius reeds weggeslepen was.

Daar Jud. Hondius omstreeks 1630 stierf,

moeten wij aannemen, dat de koperplaten

na of kort vóór zijn dood door Blaeu

werden overgenomen, die er enkele exemplaren

van afdrukte vóór hij het adres

veranderde

Hij voegde er enkele kaarten afkomstig

van C J. Visscher aan toe, en twee van

Hessel Gerritsz, nl. no. 2 Rusland, 1614,

die later in Blaeu's Atlas vooikomt met

Blaeu's adres, en no. 36 (Gulick) welke

Blaeu (toen nog „Willem lans') tezamen

met Hessel Gerritsz reeds in 1610 had

uitgegeven.


164

In dezen band bevinden zich o.a. een kaart

van de Molukken en een van Guiana,

beide met adres van Judocus Hondius,

die dus van 1629 dagteekenen.

Het is hoogst waarschijnlijk dat er door

Blaeu slechts één exemplaar op deze wijze

werd samengesteld, welk exemplaar door

een gelukkig toeval in een zeer fraaien

staat bewaard is gebleven.

's Gravenhage, Jhr. J. W. Six.

No. 427. W. en J. Blaeu, Tooneel des aerdrijcx

ofte nieuwe atlas. Amsterdam, 1635.

No. 428. Joh.

2 dln. met 203 kaarten, folio.

Eerste uitgave van Blaeu's beroemden

Atlas.

Hij bestaat nog slechts uit twee deelen

Voortdurend uitgebreid en bijgewerkt, bereikte

de laatste uitgave een omvang van

12 deelen.

Janssonius, Atlantis majoris quinta

pars, orbem maritimum seu omnium

marium totius Orbis Terrarum navigationibus

frequentatorum descriptionem continens.

Amstelodami, 1650. groot folio.

Eerste druk van

Janssonius' Zee-atlas,

verschenen als vijfde deel van zijn grooten

Wereld-Atlas in zes deelen.

Particuliere inzending.

No. 429. Joh. Janssonius, Hetzelfde werk. Amstelodami,

1657. groot folio.

Deze uitgave is aanzienlijk uitgebreid, o.a.

met een zeer uitvoerige kaart van Nieuw-

Nederland. Verschillende kaarten zijn bijgewerkt.

Men vergelijke bijv. de twee

edities van de kaart van het Zuidelijk

halfrond. In den atlas van 1657zijn de ontdekkingen

van Tasman in den Grooten

Oceaan aangegeven. Deze ontbreken nog

geheel in de uitgave van 1650.

Particuliere inzending.

No. 430. Arnold Colom, Zee-atlas oftewaterwereldt,

inhoudende een korte beschrijvinge van

alle de bekende zee-kusten des aardtrycks.

Amsterdam, omstr. 1660. Met

18 kaarten, groot folio.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


165

No. 431. Hendrick Doncker, De zee-atlas ofte waterwaereld,

vertoonende alle de zee-kusten

van het bekende deel des aerd-bodems.

Amsterdam, 1660. Met 31 kaarten in

goud en kleuren, groot folio.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 432. Joh. van Loon, Klaer lichtende noortster

ofte zee-atlas. Amsterdam, 1661. Met

44 kaarten, folio.

Eerste uitgave.

No. 433. Pieter Goos, De zee-atlas ofte waterwereld,

waer in vertoont werden alle de zeekusten

van het bekende des aerd-bodems.

Amsteldam, wed. Pieter Goos, 1675.

Met 41 kaarten, groot folio.

Exemplaar in verguld perkamenten band,

versierd met het wapen der Admiraliteit;

de kaarten fraai gekleurd en met goud

gehoogd.

No. 434. Geteekende Atlas der Hollandsche nederzettingen

in Azië, Afrika en Amerika,

omstr. 1660. Verzameling van 115 in

kleuren geteekende kaarten, plattegronden

en gezichten, bijna alle van één hand

en in denzelfden stijl uitgevoerd, gebonden

in een ouden lederen band,

groot-folio.

Deze merkwaardige verzamelingwerd voor

het eerst beschreven door Frederik Muller

in den Catalogus zijner boekverkooping

op 18—22 Mei 1869, no. 877. Volgens

Frederik Muller zou de verzameling bijeengebracht

zijn in de eerste jaren der XVIIIe

eeuw door C. Beudeker, „bibliophile distingué

a Amsterdam dans ce temps", die

er een titelbladvoorliet drukken. De kaarten

dagteekenen echter uit een vroegeren

tijd, van omstr. 1660.

De band bevat zeer fraai uitgevoerde afbeeldingen

der Hollandsche nederzettingen

in den Indischen Archipel, Atjeh, Ceylon,

Malabar, Cambodja, Japan, De Kaap de

Goede Hoop, de Kust van Guinea, Nieuw

Nederland, Brazilië, enz.


166

Hoewel de oorsprong van dezenband niet

meer is na te gaan, is het toch waarschijnlijk

dat hij behoord heeft aan de Van

Keulens. Men vindt in hun atlas verschillende

kaarten uit deze verzameling terug.

In de XlXe eeuw raakte het archief van

Van Keulens los en kwam deze band in

bezit van Frederik Muller en later in het

Rijksarchief te Den Haag.

's Gravenhage, Algemeen Rijksarchief.

No. 435. Arent Roggeveen, Het eerste deel van

het brandende veen, verlichtende geheel

West-Indiën, de vaste kust en de eylanden,

beginnende van Rio Amasones, en

eyndigende benoorde Terranova.

Amsteldam, uytgegeven door Pieter

Goos in compagnie met den Autheur.

[1 675-

Met 32 kaarten in goud en

kleuren, groot folio.

De oudste zee-atlas van de Oostelijke

kusten van Noord-Amerika en van West-

Indië.

De auteur beschikte over een groote verzameling

handschriftkaarten van alle kusten

van den aardbodem. Zijn plan was een

volledigen Zee-atlas der wereld uit te geven.

Het is echterbij dit ééne deel gebleven.

Wat er van zijn verzameling terecht gekomen

is, weet men niet. Waarschijnlijk

kwam zij in handen van Van Keulen.

No. 436. Johannes Loots, Zee-atlas. Amsterdam,

omstr. 1700. Met 126 gekleurde kaarten,

groot folio.

Een concurreerende uitgave van den atlas

van Van Keulen. Zij bevat vele kaarten

die Van Keulen's werk aanvullen. Later

ging het fonds van Loots op Van Keulen

over.

No. 437. Johannes van Keulen, De groote nieuwe

vermeerderde zee-atlas of waterwerelt,

vertoonende in sigh alle de zee-kusten

des aardtrijks. Amsterdam, 1688. 2 dln.

groot folio.

Een der oudste uitgaven van den beroemden

zee-atlas van Van Keulen. Met bijna ge-


167

heele verdringing van alle bestaande zeeatlassen,

bleef Van Keulen's atlas het

standaardwerk gedurende meer dan een

eeuw.

Merkwaardig exemplaar in rijk vergulde

perkamenten banden, versierdmet het wapen

van Amsterdam en het opschrift:

„Oude Sydts Hnys Zitten Armen, Anno

i6Bg." Waarschijnlijk een geschenk van

Van Keulen aan de Regenten. De kaarten

fraai gekleurd en met goud gehoogd.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 438. Johannes van Keulen, La nueva, y grande

relumbrante antorcha de la mar, que

contiene todas las costas .... de Gujana,

Florida, Virginia, Nueva Francia, Guinea,

Angola, Brazil, Mar meredional, etc.

per Nicolas Jansz. Voogt geometra, y

maestre de matematica. En Amsterdam

en casa de Joannes van Keulen, mercador

de libros, y cartas marinas,

maestre de balestrillas, en el Cabo del

Puente Nuebo, en la Incignia del Piloto

Coronado. 17)00]. groot folio.

Spaansche uitgave van Van Keulen's

grooten Zeeatlas.

Merkwaardig exemplaar, waarin bijgevoegd

zijn tal van groote kaarten door VanKeulen

afzonderlijk uitgegeven.

Particuliere inzending.

No. 439. Gerard van Keulen, De groote nieuwe vermeerderde

zee-atlas ofte water-wereld.

Amsterdam, 1708. 5 dln. zeer groot folio.

Een der volledigste uitgaven van den

grooten Atlas van Van Keulen.

Exemplaar op groot en zwaar papier, gebonden

in vijf zware deelen, waarvan deel

IV tentoongesteld wordt.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No 440. Johannes van Keulen. „Oost-Indische

Zeeboeck". Verzameling zeekaarten van

Oost-Indië, van Kaap de Goede Hoop

tot Japan, grootendeels uitgegeven door

Johannes van Keulen.

Eerste helft der XVIIIe eeuw, groot folio.


168

Vele dezer kaarten werden door Van

Keulen opgenomen in het „Zesde deel"

van zijn Zee-atlas (zie n0.442 dezer Tentoonstelling).

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 441. Johannes van Keulen. Een dergelijke

atlas als de vorige, doch in vele opzichten

verschillend, perk. groot folio.

Deze beide atlassen geven een idee van

het langzamerhand ontstaan van den grooten

atlas van Oost-Indië, in 1753 bij Van

Keulen verschenen. Zie no. 442.

's Gravenhage, J. W. IJzerman.

No. 442. Jan de Marre en Joannes

van Keulen,

De nieuwe groote lichtende zeefakkel,

het zesde deel. Amsterdam, 1753. Met

57 kaarten en 7 bladen met „landopdoeningen",

te zamen op 55 gegraveerde

bladen, groot folio.

De volledigste atlas van Oost-Indië tijdens

de Compagnie'verschenen.VanKeulen heeft

hierin in zijn kwaliteit van „kaartmaker

der Oost-Indische Compagnie" alles vereenigd

wat hij te voren reeds op ditgebied

uitgegeven had en wat hij kon putten „uit

de ongedrukte schriften en dagregisters

der oude en hedendaagsche zee-omeieren

der Oost-Indische Compagnie".

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 443. Ph. F. von Siebold. — Atlas von Landund

Seekarten vom Japanischen Reiche.

Leyden, 1851. Met 17 kaarten, groot

folio, — Met een deel tekst 4 0 .

Dit werk, één der laatste bewijzen van de

betrekkingen tusschen Nederland en Japan,

heeft nog altijd een groot deel van zijn

waarde voor de ontdekkingsgeschiedenis

van Japan behouden.

Eén der 25 exemplaren met een oorspronkelijke

Japansche kaart in vier bladen.

Particuliere inzending.


169

C. REISBESCHRIJVINGEN.

Door de welwillende medewerking van den Heer Mr.

Dr. C. P. Burger Jr., bibliothecaris der Universiteits-

Bibliotheek van Amsterdam, werd het ons mogelijk een

zoo goed als volledige verzameling van de eerste

uitgaven der oudste reizen naarIndië tentoontestellen.

No. 444. Ramusio, Primo volume et Seconda editione

delle Navigatione et Viaggi. Venetia,

Giunta, 1554. perk. band. folio.

Hoogst merkwaardig exemplaar hetwelk

behoort heeft aan Linschoten. Op den

titel leest men, eigenhandig door hem geschreven:

„Johannes Hitgonis A. Linschoten

Haerlemensis".

Een boek, waaruit Linschoten ongetwijfeld

veel geput heeft voor zijn „Itinerario 1

Particuliere inzending.

No. 445. Linschoten. — Itinerario, voyage ofte

schipvaert van Jan Huygen van Linschoten

naer Oost of te Portugaels

Indien. Amstelredam, Cornelis Claesz.

1596. Met platen en kaarten, fol.

Het eerste Hollandsche standaardwerk

overOost-Indië, dat toen nog„Portugeesch"

Indië heette.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 446. Linschoten. — Navigatio et itinerarium

Johannis Hugonis Linscotani in Orientalem

sive Lusitanorum Indiam. Hagae-

Comitis, Alb. Henricus, impensis Authoris

& Cornelii Nicolai, prostantque apud

Aeg. Elsevirum, 1599. Met kaarten en

platen, fol.

Eerste Latijnsche uitgave, vermeerderd

met een hoofdstuk over de

reizen naar het Noorden.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 447. Thomas Cavendish. — Beschrijvinge

van de overtreffelijcke ende wijdtvermaerde

zeevaerdt van Thomas Candish,


170

uytghevaren 1586. Beschreven door

Francais Prettie. Amstelredam, Cornelis

Claesz., 1598. breed 4 0 .

Een der eerste Engelsche reizen om de

wereld.

Merkwaardig is dat dezeeerste Hollandsche

uitgave verscheen vóór de oorspronkelijke

Engelsche.

Amsterdam,

Universiteits-Bibliotheek.

No. 448. Walter Raleigh. — Waerachtighe ende

grondighe beschrijvinge van het groot

ende goudtrijck ConinckrijckvanGuiana

in America, ontdeckt ende beschreven

in 1595 ende 1596 door Walter Ralegh

ende Laurens Keymis. Amstelredam,

Cornelis Claesz. 1598. breed 4 0 .

Eerste Hollandsche uitgave.

De reizen van Cavendish en van Raleigh,

die groote vermaardheid verwierven, vonden

hier een leesgraag publiek in die

dagen van de eerste opwekking tot groote

reizen.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 449. Heemskerck en Barendtsz. — Waerachtighe

beschrijvinghe van drie seylagien,

ter werelt noyt soo vreemt ghehoort,

door de Hollandtsche ende

Zeelandtsche schepen by Noorden Noorweghen,

Moscovia ende Tartaria, na de

Coninckrijcken van Catthay ende China,

. . . hoe t volck op Nova Sembla een huys

ghetimmert, ende 10 maendenhaeraldaer

onthouden hebben. Gedaen deur Gerrit

de Veer. Amstelredam, Cornelis Claesz.

1598. Met kaarten en platen, breed 40 .

Eerste uitgave van het verhaal van

Heemskerck en Barendtsz' reizen om de

Noord en de overwintering op Nova

Zembla.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


171

No. 450. Heemskerck en Barendtsz. — Vraye description

de trois voyages de mer tres

admirables, faicts par les navires d'Hollande

et Zélande, au Nord. Par Gerard

Le Ver. Amsterdam, Cornille Nicolas.

1598. Met kaarten en platen, fol.

Eerste Fransche uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 451. Heemskerck en Barendtsz. — Diarium

nauticum seu vera descriptio triurn navigationum

a Hollandicis et Zelandicis

navibus ad Septentrionem. Auctore

Gerardo de Vera. Amstelrodami, ex

officina Corn. Nicolaij, 1598. Met kaarten

en platen, fol.

Eerste Latijnsche uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 452. Heemskerck en Barendtsz.


Voyagie ofte

schipvaert van Jan Huyghen van Linschoten,

van bij Noorden om langs

Noorwegen enz. door de Strate ofEngte

van Nassau tot voorby de Revier Oby.

1594—95. Franeker, Gerard Ketel, 1601.

Met kaarten en platen, fol.

Uitvoerig rapport, vooral belangrijk om

de kaarten, van Barendtsz' eerste reis naar

het Noorden. Linschoten bevond zich op

het tweede schip, dat tijdens Barendtsz'

verblijf op Nova Zembla de Karazee exploreerde.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 453. Cornelis de Houtman. — D'eerste boeck,

historie van Indien, waar inne verhaelt

is de avontueren die de Hollandtsche

schepen bejeghent zijn. Door G. M. A.

W. L(odewijckx). Amstelredam, Cornelis

Claesz. 1598. breed 4

0.

Eerste uitgave van het journaal van

Lodewijckx, het meest volledige verslag

dat over de eerste Hollandsche expeditie

naar Indië in druk verscheen.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


172

No. 454.

Cornelis de Houtman. — Premier livre

de I'histoire de la navigation aux Indes

Orientales, par les Hollandois. Par G.

M. A. W. Lfodewijckx]. Amstelredam,

par Cornille Nicolas, 1598. Met kaarten

en platen, fol.

Eerste Fransche uitgave van Lodewijckx'

journaal.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 455. Cornelis de Houtman. — Prima pars

descriptionis itineris navalis in Indiam

Orientalem, earumque rerum quae navibus

Battavis occurrerunt. Authore G.

M. A. W. L(odewijckx). Amstelrodami,

ex officina Cornelij Nicolaij, 1598. Met

platen en kaarten, fol.

Eerste Latijnsche uitgave van Lodewijckx'

Journaal.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 456. Cornelis de Houtman. — Diarium nauticum

itineris Batavorum in Indiam

Orientalem. Parisiis, Adr. Perier. 1598.

Met kaarten en platen, breed 4

0.

Eerste Latijnsche uitgave van het

eerste verhaal van Houtmansreis.Te Parijs

verschenen. Gebonden in een gelijktijdigen

Franschen marokkijnen band.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 457. Van Neck en Van Warwijck. — Het

tweede boeck, journael vande reyse,

gedaen door de acht schepen van Amstelredamme,

gheseylt in Martij 1598

onder Admirael Jacob Cornelisz. Neck

ende Wybrant van Warwijck als Vice-

Admiraeï. Middelburch, Barent Langhe-

0

nes. 1601. Met platen, breed 4 .

Journaal

van de tweede Hollandsche expeditie

naar Oost-Indië, onmiddellijk na

Houtmans terugkeer uitgezonden.

Eerste uitgave met een jaartal.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


173

No. 458. Van Neck en Van Warwijck. — Le second

livre, journal ou comptoir, contenant

le discours du voyage faict par les huict

navires d'Amsterdam, au mois de Mars

I'an 1598 soubs la conduicte de I'Admiral

Jaques Corneille Necq et du Vice-

Admiral Wibrant de Warwicq. Amsterdam,

Corneille Nicolas, pour Bonaventure

Dacivelle libraire a Calais, 1601. fol.

Eerste Fransche uitgave, gedrukt

voor een uitgever in Calais.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 459. Sebald de Weert. — Wijdtloopigh verhael

van tgene de vijf schepen (in 1598

tot Rotterdam toegherust) om door de

Straat Magellana haren handel te drijven,

wedervaren is. Amsterdam, Zach. Heyns,

1601. Met platen, breed 4 .

0

Journaelvan de eerste Hollandsche scheepstocht

door de Straat van Magelhaen. Zij

liep zeer ongelukkig af, de schepen raakten

van elkander, en alleen het schip van De

Weert keerde, onverrichterzake, naar het

vaderland terug.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 460. Olivier van Noort. — Beschryvinghe

vande voyagie omden geheelen Werelt

Cloot, ghedaen door Olivier van Noort

van Utrecht, generael over vier schepen.

Rotterdam, Jan van Waesberghen en

Amstelredam bij Cornelis Claessz. 1602.

Met kaarten en platen, breed 4 0 .

Journaal van de eerste reis om de wereld

door een Hollander volbracht.

Eerste uitgave,

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 461. Olivier van Noort. — Description du

pénible voyage faict entour de I'Univers

par Olivier du Nort d'Utrecht. Amstel-


174

redame, Cornille Claessz. 1602. Met

kaarten en platen, fol.

Eerste Fransche uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 462. Heemskerck en Harmensz. — Derde voornaemste

zee-getogt (der verbondene vrye

Nederlanderen) na de Oost-Indien gedaan

met de Achinsche en Moluksche

vloten, onder de Admiralen Jacob Heemskerck

en Wolfert Harmansz. 1601—1603.

Door H. Soeteboom. Amsteldam, Gerrit

van Goedesberg, 1648. Met platen. 4 0 .

De eerste uitgave van deze derde expeditie

naar Indië verscheennieteerder dan in 1648.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 463. Pieter de Marees. — Beschrijvinge ende

historische verhael vant gout koninckrijck

van Gunea anders de goutcuste de Mina

door eenen persoon die daer tot verscheyden

tyden gheweest heeft. P(ieter)

D(e) M(arees). Amstelredam, Cornelis

Claesz. 1602. Met platen, breed 4

0.

Een der beste oude beschrijvingen van de

kust van Guinea.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 464. Pieter de Marees. — Description et récit

historial du riche royaume dor de

Gunea. [Par] P. D[e] Mfarees]. Amsterdamme,

Cornille Claesson, 1605. Met

kaarten en platen, fol.

Eerste Fransche uitgave van De

Marees.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

— Journael van

No. 465. Bicker en Heemskerck.

de voyagie na Rio de Plata, ghedaen

met het schip de Silveren Werelt, onder

't admiraelschap van Laurens Bicker


175

ende het bevel van Cornelis van Heemskerck.

Amstelredam, Cornelis Claesz.

1603. Met platen, breed 4°.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 465A. Frederick de Houtman, Spraeck ende

woordboeck der Maleische tale.Amsterdam,

1603. breed 4°.

De oudste Maleisch-Hollandsche spraakkunst.

Curieus zijn vooral de samenspraken

tusschen het Hollandsche scheepsvolk en

de inlanders.

Rotterdam, W. A. Engelbrecht.

No. 466. Joris van Spilbergen. — 't Historiael Journael,

van tghene ghepasseert is van

weghen drie schepen, ghenaemt den

Ram, Schaep ende t'Lam, ghevaren uit

Camp-Vere naar d'Oost-Indien, onder

Joris van Spilbergen. Delff, Floris

Balthasar, 1605. Met platen, breed 4 0 .

De eersteHollandsche expeditie diehandelsbetrekkingen

met het eiland Ceylon aanknoopte.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 467. — Cornelis Matelief de Jonghe. Historiale

ende ware beschrijvinge vande reyse

des Admiraels Cornelis Matelief de

Jonghe,naar deOost-Indien, wtghetrocken

in 1605.Rotterdam, Jan Janssz. 1608.4 .

0

Eerste bericht van

naar Indië.

MateliePs tocht

No. 468. Schouten en Lemaire.

— Journal ou description

du merveilleux voyage de Guilliaume

Schouten, 1615—1617, comme

il a descouvert vers le Zud du destroit

de Magellan vn nouveau passage, jusques

a la grande Mer de Zud. Amstredam,


176

Guillaume Janson [Blaeu], 1618. Met

platen en kaarten. 4 .

0

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 469. Schouten en Lemaire. — Diarium vel

descriptio itineris facti a Guilielmo Cornelis

Schoutenio, 1615—1617. Amsterdam,

Petrus Kaerius, 1619. Met platen

en kaarten. 4°.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 470. Schouten en Lemaire. — Spieghel der

Australische navigatie door den wijt

vermaerden ende cloeckmoedighen zeeheldt

Jacob Le Maire, president ende

overste over de twee schepen, dEendracht

ende Hoorn, uytghevaren den

14 Junij 1615.Amsterdam, Michiel Colijn,

1622. Met platen en kaarten, folio.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

De reis om de wereld door Schouten en

Le Maire werd door de tijdgenooten verschillend

beoordeeld. Van de eene zijde

werd het succes van de reis, waarop een

nieuwe straat ten Z.O. van de Straat van

Magelhaen werd ontdekt, die de reisroute

oneindig vergemakkelijkte, toegeschreven

aan Schouten; anderen zagen in Le Maire

de ziel der onderneming. De straat kreeg

en behield den naam van Le Maire.

No. 471. Joris van Spilbergen. —

0. .

Oost ende West-

Indische Spiegel der twee leste navigatien,

gedaen 1614 —18: .... Joris

van Spilbergen door de Magellanes de

werelt rontom. . . Met de Australische

navigatien van Jacob le Maire. Leyden,

Nic. van Geelkercken, 1619. Met platen,

breed 4

Eerste uitgave van het journaal van

Spilbergen's reis om de wereld, waaraan

een verkorting van Lemaire's journaal is

toegevoegd. De laatste ontdekte op zijn

reis de straat die naarhem genoemd werd


177

ten O. van de Straat van Magelhaen. Door

deze nieuwe straat werd de toegang tot

den Grooten Oceaan veel vergemakkelijkt.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 472. W. IJz. Bontekoe, Journael van de Oost-

Indische reijse, 1618—25. Hoorn, J. J.

Deutel, 1648. Met platen. 4 .

0

Een der oudste uitgaven van Bontekoes

spreekwoordelijk geworden reisavonturen.

Amsterdam,

0.

Universiteits-Bibliotheek.

No. 473. Pieter van den Broecke, Historiael van

de reysen nae Cabo Verde, Angola,

Oost-Indien. Haerlem, Hans Passchiers

van Wesbusch, 1634. Met fraai portret

naar Frans Hals en platen door A. Matham.

breed 4

Eerste uitgave van de reizen van

Pieter van den Broecke. Hij was deeerste

Europeaan die dwars door Hindostan trok.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 474. Seyger van Rechteren. — Journael gehouden

op de reyse ende wederkomste

van Oost-Indien door Seyger van Rechteren

voor desen Kranck-besoeker in de

voorgenoemde landen. Den tweeden druk.

Zwolle, Jan Gerritsz ende Frans Jorryaensz.

1639. Met kaarten en platen. 4 .

0

Van Rechteren bezocht in het bijzonder

Formosa en de kust van China.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 475. Hendrick Brouwer, Journael van de

reyse naar Chili, met beschryvinghe van

het eylandt Eso ghelegen omtrent 30

mylen van Japan. Amsterdam, Broer

Jansz. 1646. Met platen en kaarten. 4 0 .

Door Brouwer werden belangrijke waarnemingen

gedaan aan de kusten van Chili

en in Japan.

Zie origineele kaarten, van deze expeditie

afkomstig, No. 419-420 der Tentoonstelling.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


178

No. 476. Francoys Pelsaert. — Ongeluckige voyagie

van 't schip Batavia nae de Oost-

Indien, gebleven op de Abrolhos van

Frederick Houtman, 1628 en 1629.Amsterdam,

Jan Jansz. 1647.Met platen. 4

0.

Pelsaert leed schipbreuk op de toen nog

zoo goed als onbekende Westkust van Australië.

Zijn naam werd gegeven aan een

eilandengroep.

Eerste uitgave.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 477. Joh. van Twist, Generaele beschrijvinghe

van Indien. Amsterdam, 1651. Met platen.

4 .

0

Een der oudste handboeken voor dekennis

van Oost-Indië.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 478. Glanius, A new voyage to the East Indies,

containing an account of the Kingdome

of Bantam. Londen, 1682. Met frontispice.

12°.

Een der weinige Engelsche berichten over

Java uit de XVIL' eeuw.

Particuliere inzending.

No. 479. Francoys Caron, Beschrijvinghe van het

machtigh Coninckrijcke Japan. Amsterdam,

Joost Hartgers, 1648. 4°.

Caron was gedurende vele jaren „Directeur

des Compagnies negotie" in Japan.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

No. 480. Henry Hamel, Relation du naufrage dun

vaisseau hollandais sur la coste de I'lsle

de Quelpaerts, avec la description du

Royaume de C orée. Traduite du flamand,

par Minutoli. Paris, 1670. 12 0 .

Verhaal van een merkwaardige Hollandsche

ontdekkingsreis in de wateren van Japan.

De reizigers waren de eerste die zekere

berichten over Korea in Europa brachten

De eilanden der Quelpaert-groep dragen

hun naam naar het Hollandsche schip.

Particuliere inzending


179

No. 481. Beschreibungen (Wahrhaftige) dreyer

machtigen Königreiche Japan, Siam und

Corea. Mit Anmerkungen von Chr.

Arnold. Nürnberg, 1672. Met kaarten en

platen. 8°

Deze band van 1200 bladzijden bevat een

verzameling Hollandsche reisbeschrijvingen

naar Japan, Siam en Korea: Caron,

Hagenaer, Reyer Gijsbertsz, Coenraet

Krammer, Leon. Campe, Joost Schouten,

Jacob van Neck, Hendr. Hamel, e.a.

Een dergelijke verzameling werd in Holland

nooit uitgegeven.

Particuliere inzending.

D. DE OUDE HOOFDWERKEN

OVER DE HOLLANDSCHE NEDER

ZETTINGEN BUITEN EUROPA.

No. 482. Begin ende Voortgangh van de Vereenigde

Nederl. Geoctr. Oost-Indische Compagnie,

vervatende de voornaemste

reysen, by de inwoonderen derselver

Provinciën, derwaarts gedaan. Amsterdam,

J. Commelin, 1646. Met meer dan

200 kaarten en platen. 2 dln. breed 4

0.

De volledigste verzameling Nederlandsche

reizen naar Oost-Indië; standaardwerk

over de eers!e Hollandsche nederzettingen

in Oost-Indië.

No. 483. Francois Valentijn, Oud en Nieuw Oost-

Indiën, vervattende eene verhandeling

van Nederlands mogentheyd

in die gewesten.

Amsterdam, 1724. 8 dln. Met

talrijke platen en kaarten, folio.

Het standaardwerk over Nederlandsch-

Indië tijdens de Compagnie.

No. 484. Francois Valentijn. — De zee- en landcaarten,

en gezigten van steeden en

landvertooningen van Oost-Indiën, eertijds

in 't ligt gegeeven door F. Valentijn,

en nu te bekomen bij Joannes van

Keulen. Amsterdam, omstr. 1730. folio.


180

De kaarten en prenten van Valentijn tot

een afzonderlijk deel vereenigd, vormen

hier een fraai album van Oost-Indië tijdens

de Oost-Indische Compagnie.

No. 485. J. W. Heydt, Allerneuester geographischund

topographischer Schau-Platz von

den der Hollandisch-Ost-Indischen Compagnie

in Africa und Asia zugehörigen

Landern. Wilhermsdorff, 1744, breed

folio.

Bevat 115 prenten door den auteur zelf

ter plaatse geteekend. Zij geven een uitvoerige

voorstelling van de nederzettingen

der O. I. Compagnie in Oost-Indië, Japan

en aan De Kaap.

Utrecht, Geographisch Instituut.

No. 486. Nic. Witsen, Noord- en Oost-Tartarije.

2e druk. Amsterdam, 1705. Met vele

kaarten en platen. 2 dln. folio.

Het Oud-Hollandsche standaardwerk over

het Verre Oosten, grootendeels gebaseerd

op handschriften en kaarten van Hollandsche

reizigers. De kostbare verzameling,

door Witsen voor ditboek bijeengebracht,

werd door hem voor een groote som gelds

aan den Koning van Spanje verkocht. Het

schip dat de schatten zou overbrengen,

verging echter op reis.

Een gedeelte van de copiën, doorWitsen

behouden, dook eens op in een veiling in

het midden der XlXe eeuw, doch verdween

weder, als een komeet, uit het oog.

De eerste uitgave van dit werk, in 1692

verschenen, was nog zeer onvolledig.

Particuliere inzending.

No. 487. P. Koi.be, Beschrijving van de Kaap de

Goede Hoop. Amsterdam,

1727. 2 dln.

Met kaarten en platen, folio.

Standaardwerk over De Kaap tijdens het

Hollandsche bewind.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.


181

No. 488. Joh. de Laet, Novus orbis seu descriptio

lndiae Occidentalis Lugd. Batav. apud

Elzevirios 1633. Met kaarten, perk.

band. fol.

Beschrijving van Amerika door een der

directeuren der West-Indische Compagnie,

waarin de Hollandsche nederzettingen in

Noord- en Zuid-Amerika uitvoerig behandeld

worden. Brazilië komt in deze uitgave

voor het eerst voor.

Merkwaardig exemplaar door den schrijver

ten geschenke gegeven aan

JohanMaurits

van Nassau den gouverneurvan Hollandsch

Brazilië. Op den titel leest men in handschrift:

„ Tohannis Mauritii ex donoauctoris

MDCXXXVin."

Particuliere inzending.

No. 489.

Caspar Barlaeus, Rerum per octo-ennium

in Brasilia et alibi nuper gestarum sub

praefectura Comitis Johanni Mauritii

Nassaviae historia. Amsterdam, Joh.

Blaeu, 1647. Met talrijke platen en

kaarten, verguld perkamenten band.

groot folio.

Prachtwerk over de Hollandsche kolonie

in Brazilië, welke slechts een kort leven

had. Vooral door de fraaie platen, geëtst

door Jan van Brosterhuizen naar de ter

plaatse geteekende origineelen van Frans

Post, munt dit boek uit boven de meeste

andere oudere werken aan de koloniën

gewijd.

Amsterdam, Universiteits-Bibliotheek.

E. KAARTWERKEN BETREFFENDE

NEDERLANDSCH OOST-INDIË

UIT DE EERSTE HELFT DER XlXe EEUW.

(Uit de verzameling van het Koninklijk

Neder 1. Aardrijkskundig Genootschap).

No. 490. Nieuwe kaart van het eiland Java, door

den kolonel Van den Bosch, 1816.


182

No. 491. Atlas van Nederlandsch Oost-Indië, door

den kolonel Van den Bosch, 1818.

No. 492. Esquisse de I'ïle de Java, door F. O. A.

de Stuers, 1833.

No. 493. Algemeene kaart van Nederlandsch Oost-

Indië, 1:2.250.000, door Baron von

Derfelden von Hinderstein, 1842.

No. 494. Kaart van het eiland Java, 1 : 700.000, door

C. W. M. Van de Velde, 1845.

No. 495. Algemeene kaart van Nederlandsch Oost-

Indië,

1:5.000.000, uitgegeven door de

Kon. Mil. Academie te Breda, 1847.

No. 496. Kaart van het eiland Timor, door G. H.

Heymering, 1847.

No. 497. Kaart van Java en Madoera, 1: 1.000.000,

door kapitein le Clercq, 1850.

No. 498. Kaart van het Gouvernement Sumatra's

Westkust, 1:500,000, door L. W.

Beijerinck, 1853.

No. 499. Kaart van het eiland Java, 1:350,000,

door F. Junghuhn, 1856.

No. 500. Algemeene Atlas van Nederlandsch-Indie,

door P. Baron Melvill van Carnbée en

W F. Versteeg, 1853 —1861.

KAARTEN, IN OPDRACHT VAN HET

KON. NED. AARDRIJKSKUNDIG GENOOTSCHAP.

samengesteld aan hetGeographischlnstituut

der Rijksuniversiteit te Utrecht,

door J. Schokkenkamp.

No. 501. Kaart der Ontdekkingstochten en Wetenschappelijke

reizen in Nederlandsch Oost-

Indië, 1873—1913. Schaal 1 : i.0c0.000.

No. 502. Kaart der Ontdekkingstochten en Wetenschappelijke

reizen in Suriname, 1836—

1911. Schaal 1:500.000.


183

Met deze kaarten is voor de eerste maal

een poging gewaagd, den gang der ontdekkingen

en van het wetenschappelijk

onderzoek in Nederlandsen Oost-Indië zoowel

als in Suriname cartografisch voor te

stellen, op een groote schaal en door duidelijk

aangeven der reisroutes.

Voor Nederlandsch Oost-Indië heeft de

samensteller zich daarbij bepaald tot de

laatste veertig jaren, in overeenstemming

met het doel dezer tentoonstelling. Deze

beperking is bovendien rationeel, omdat

dicht aan het begin van dit 40-jarig tijdperk

staat de door het Aardrijkskundig Genootschap

uitgezonden Sumatra-expeditie, met

welke een periode van nieuw krachtig

onderzoek van den Archipel werd ingeleid,

na een langdurig tijdperk van verslapping.

Voor Suriname begon het intensiefonderzoek

eerst veel later en zou het jaar 1873

een willekeurige tijdbegrenzing hebben gegeven.

Daarom zijn ook hier eenige oudere

expedities opgenomen, waarmee de tochten

naar het binnenland aanvangen.

Op volkomen volledigheid kan voor deze

kaarten geen aanspraak worden gemaakt.

Immers er zijn een aantaltochten van wetenschappelijke

onderzoekers, ook in onbekende

landstreken, waarvan nooit een kaart

der reisroute is gepubliceerd, en dikwijls

is het dan ondoenlijk de juiste route uit

den tekst van het reisverhaal af te leiden.

Vaak ook kon dat niet geschieden, doordat

de topographische gegevens op de tegenwoordige

kaarten niet meer terug te vinden

zijn. Soms ontbreekt zelfs dat verhaal en

heeft de onderzoeker zich alleen tot het

verwerken zijner wetenschappelijke waarnemingen

en verzamelingen bepaald. Dat

komt vooral voor bij zoölogen en botanici,

wat zeer begrijpelijk is. Ook geologen en

mijningenieurs, slechts enkele uitgezonderd,

geven meestal hun resultaten meer

in een beschrijving en een geologischekaart,

zonder hun routes op deze kaart aan te

geven. Men vergelijke daarom ook de

„Eerste geologische Schetskaart van Nederlandsch-Indië",

voor deze Tentoonstelling

vervaardigd.

In de gevallen, waarin de route niet kon

worden ingeteekend, en door den reiziger

een belangrijk onderzoek is verricht of een


184

belangrijke beschrijving uitgegeven, is zijn

naam met jaartal ter plaatse op de kaart

ingeschreven.

Voor de kustopnemingen moet naar de

kaarten, die op den arbeid der Marine

betrekking hebben, worden verwezen.

Wat het zee-onderzoekbetreft, zijn de reiswegen

der wetenschappelijke expedities

opgenomen; niet die, waarop alleen loodingen

verricht werden. ! )

In elk geval hebben deze kaarten dit nut,

dat ze de ligging der terreinen, waar het

onderzoek nog niet is doorgedrongen, duidelijk

doen zien. Maar de kaart van Oost-

Indië vertoont bovendien één witte plek

van volkomen omgekeerde beteekenis:

Java, waar de eerste topographische opneming

grootendeels reeds vóór en in het

begin der voorgestelde periode valt en

waar het wetenschappelijk onderzoek niet

langs lijnvormige reiswegen beperkt is.

Ook voor de topographisch opgenomen

gedeelten der Buitenbezittingen dient deze

kaart vergeleken te worden met die, welke

den stand der opneming aangeeft.

]) Van ëéne landexpeditie zijn ook de overzeesche routes aangegeven, nl.

van de reis van Dr. R. D. M. Verbeek door de Oosthelft van den Archipel

in 1899; het verband tusschen diens tochten was anders niet aan te geven.


INHOUD.

Blz.

Bestuur van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig

Genootschap 3.

Commissie voor de inrichting der Tentoonstelling

. . . . : 4.

Voorwoord, door J. J. K. Enthoven ... 5.

Plattegrond der Tentoonstelling 7.

Inleiding. Het ontstaan van hetkaartbeeld van

den Indischen Archipel, doorDr. F. C.Wieder. 9.

De cartographie van Nederlandsch Oost-Indië,

door J. J. K. Enthoven 15.

Driehoeksmetingen in Nederlandsch-Indië,

1873—1913, door Dr. J. J. A. Muller . . 27.

Overzicht van den opnemings- en kaarteeringsarbeid

in de West-Indische Koloniën, door

L. A. Bakhuis 35.

De hydrographie van den Oost-Indischen Archipel,

door J. M. Phaff 40.

De oceanographie van den Oost-Indischen

Archipel, door G. F. Tydeman .... 57.

Natuurkundige aardrijkskunde van den Oost-

Indischen Archipel, door Dr. J. P. van der

Stok 66.

De vermeerdering onzer geologische kennis

van den Nederlandsch Oost-Indischen Archipel

in de laatste 40 jaren, door Dr. R.

D. M. Verbeek 72.

De volkenkunde, door J. C. van Eerde 79.

Landbeschrijving, door J. F. Niermeyer . . 90.

Economische aardrijkskunde, door J. F. Niermeyer

94.

.


186

Lijst der Inzenders.

A. Nederlandsch Oost-Indië.

Blz.

I. Landkaarten 97.

a. Topographische kaarten 97.

Topographische dienst van Ned.-Indië . 97.

Geographisch Instituut des Rijksuniversiteit

te Utrecht 111.

Maatschappij tot bevordering van het

Natuurkundig Onderzoek der Ned.

koloniën, Amsterdam 111.

J. H. de Bussy, Amsterdam in.

Vereeniging „Toeristenverkeer", Batavia 111.

Joh. Ykema, Uitgever, 's Gravenhage,

Schooluitgaven 111.

J. B. Wolters, Uitgever, Groningen . . 111.

b. Geologische kaarten 112.

Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig

.

Genootschap, Amsterdam 112.

Departement der Gouvernements Bedrijven,

Batavia 112.

Dr. J. F. Hoekstra, Amsterdam . . 112.

C. J. M. Wertheim, m.i., 'sGravenhage 112.

Prof. Dr. W. Volz, Erlangen . .114.

Dr. J. Ahlburg, Berlijn 114.

E. C. Abendanon, m.i., 's Gravenhage . 114.

c. Economische kaarten 114.

Departement der Burgerlijke Openbare

Werken, Batavia 114.

Geographisch Instituut der Rijksuniversiteit

te Utrecht

114.'

Departement van Binnenlandsch Bestuur,

Batavia 116.

Departement der Gouvernements Bedrijven,

Batavia

ri6.

a. Afdeeling Spoor- en Tramwegen 116.

b. Afdeeling Post-, Telegraaf- en Telefoondienst

116.

.


187

Blz.

Departement van Financiën, Batavia. . 118.

a. Hoofdbureau der In- en Uitvoerrechten

en Accijnsen 118.

b. Pandhuisdienst nB.

Geographisch Instituut der Rijksuniversiteit

te Utrecht 118.

J. H. de Bussy, Amsterdam .... 119.

11. Zeekaarten 119.

Hydrographisch Bureau van het Departement

van Marine, 's Gravenhage. . 119.

111. Meteorologische kaarten

Koninklijk Nederlandsch Meteorologisch

Instituut te De Bilt, en Koninklijk

Nederlandsch Meteorologisch Observatorium,

Batavia 124.

IV. Boekwerken, atlassen, instrumenten . . 125.

Maatschappij tot bevordering v/h Natuurkundig

Onderzoek der Ned. Koloniën,

Amsterdam 125.

Hydrographisch Bureau van het Departement

van Marine, 's Gravenhage. . 125.

Koninklijk Meteorologisch Instituut, DeBilt 127.

Martinus Nijhoff, 's Gravenhage . . . 130.

Boekhandel en Drukkerij, voorheen E. J.

Brill, Leiden . 130.

Uitgevers-Maatschappij „Elsevier", Amsterdam

131.

Koninklijke Militaire Academie, Breda . 131.

J. J. K. Enthoven, 's Gravenhage . . 131.

J. H. de Bussy, Amsterdam . . . . 133.

J. Smulders en Co., 's Gravenhage . . 133.

J. B. Wolters, Groningen 133

P. J. Kipp & Zonen, J. W. Giltay, opvolger,

Delft 133.

V. Voorstellingen van het Indische landschap,

enz. door schilderijen, teekeningen, photographiën,

enz. 134.


188

Blz.

a. Schilderijen, teekeningen . . . 134.

Nederlandsch-Indische Kunstkring, Batavia 134.

b. Photographiën, enz 134.

Dr. A. H. Blaauw, Haarlem .... 134.

Dr. J. Ahlburg, Berlijn 134.

J. Bosman, Resident van Besoeki . . 135.

Departement van Binnenlandsch Bestuur,

Batavia 135.

Dr. Am. Heim, Zürich 135.

Dr. H. Hirschi, Zürich 135.

J. E. Jasper, Soerabaja 135.

Dr. J.P. Kleiweg de Zwaan, Amsterdam. 135.

Dr. M. Mühlberg, Aarau 135.

Dr. W. Roepke, Salatiga 136.

J. F. Ruijter de Wildt, Malang . . . 136.

Vereeniging „Toeristenverkeer", Batavia. 136.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap,

Amsterdam 136.

Departement van Binnenlandsch Bestuur,

Batavia 136.

Th. F. A. Delprat, Amsterdam . . 137.

Dr. Am. Heim, Zürich 137.

Dr H. Hirschi, Zürich 137.

Dr. J. P. Kleiweg de Zwaan, Amsterdam. 137.

Prof. Dr. A. Maass, Berlijn 137.

Dr. A. Tobler, Basel 137.

W. L, Troostenburg de Bruyn, Nijmegen. 138.

Prof. Dr. W. Volz, Erlangen .... 138.

Dr. J. P. Kleiweg de Zwaan, Amsterdam. 138.

Dr. M. Mühlberg, Aarau 138.

Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis, Leiden . 138.

D. Merens, te Koeta radja 138.

E. C. Abendanon, m. i., 's Gravenhage 138.

Dr. J. Ahlburg, Berlijn 138.

Departement van Binnenlandsch Bestuur,

Batavia. . 139.

Dr. J. Elbert, Frankfurt a M. ... 139.

Dr. H. Hirschi, Zürich 139.

Dr. M. Mühlberg, Aarau. ..... 139.

Drs. P. en F. Sarasin, Basel .... 139.

J. Troostwijk, Batavia 139.

.


.

189

Blz.

Encyclopedisch Bureau v/h Departement

van Binnenlandsch Bestuur, Batavia 139.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap,

Amsterdam 140.

J. Bosman, Resident van Besoeki . . 140.

Departement van Binnenlandsch Bestuur,

Batavia 140.

Prof. Dr K Deninger, Freiburg im Br. 140.

J. C. van Eerde, Amsterdam .... 140.

Dr. J. Elbert, Frankfurt a. M. ... 140.

R. A. Kunst, Bussurn 140.

Prof. Dr. J. Wanner, Bonn .... 141.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap

141.

O. G. Heldring, ni. i., Moeara Aman . 141.

P. E. Moolenburgh, Nijmegen. . . . 141.

Maatschappij tot bevordering van het

Natuurkundig Onderzoek der Nederl.

Koloniën, Amsterdam 141.

Prof. Dr. K. Deninger en E. Kresemann,

Freiburg i/Br 141.

A. M. Hens, Endeh 142.

Dr. H. Hirschi, Zürich 142.

Dr. M. Mühlberg, Aarau 142.

H. J. A. Raedt van Oldenbarnevelt,

Resident van Amboina 142.

Prof. Dr. A. W. Nieuwenhuis, Leiden 142.

Kleijnenberg & Co., Haarlem .... 142.

Handelsmuseum van het Koloniaal Instituut,

Amsterdam 142.

B. West-Indische Koloniën 145.

Gouvernement van Suriname .... 145.

Gouvernement van Curacao .... 145.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap,

Amsterdam 146.

J. H. de Bussy, Amsterdam .... 146.

Prof. J.A. Grutterink, m.i., 's Gravenhage 146.

Hydrographisch Bureau van het Departement

van Marine, 's Gravenhage . 146.


Van

190

Blz.

Stockum's Antiquariaat, 's Gravenhage

147.

Konink. Nederl. Meteorologisch Instituut,

De Bilt. , 147.

Joh. IJkema, 's-Gravenhage 147.

Prof. J. A. Grutterink, m.i., 's-Gravenhage 147.

Dr. H. van Cappelle, 's-Gravenhage . . 147.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap,

Amsterdam 148.

C. Historisch-geographische afdeeling, samengesteld

met medewerking van Dr. F. C.

Wieder 148.

. .

a Kaarten 148.

Geographisch Instituut, Utrecht 148.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam 149.

Jhr. J. W. Six, 's-Gravenhage. . 152.

Geographisch Instituut, Utrecht. . 153.

Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage

153.

Geographisch Instituut, Utrecht. . 159, 161.

Jhr. J. W. Six, 's-Gravenhage . 160.

Koninkl. Nederl Aardrijkskundig Genoot-

.

schap, Amsterdam . . 152, 157, 159, 161.

b. Atlassen 161.

Particuliere inzendingen .... 161, 164.

Jhr. J. W. Six, 's-Gravenhage. 162.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam 164.

Algemeen Rijksarchief, 's-Gravenhage 165.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam 166.

J. W. IJzerman, 's-Gravenhage 168.

Geographisch Instituut, Utrecht . . . 168.'

c. Reisbeschrijvingen 169.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam . . 169.

Particuliere inzendingen .... 169, 178.

d. De oude hoofdwerken over de Hollandsche

nederzettingen buiten Europa

. .

179.

.


191

Blz.

Geographisch Instituut, Utrecht . . . 180.

Particuliere inzending 180.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam . 180.

Particuliere inzending 181.

Universiteits-Bibliotheek, Amsterdam . 181.

e. Kaartwerken betreffende Nederlandsch

Oost-Indië, uit de eerste helft der

XlXe eeuw 181.

Koninkl. Nederl. Aardrijkskundig Genootschap

181.

Kaarten in opdracht van het Koninkl.

Nederl. Aardrijkskundig Genootschap

samengesteld door J. Schokkenkamp 182.

.


DRUKKERIJ MOUTON & Co., DEN HAAG.

More magazines by this user
Similar magazines