trends-in-nederland-2015-web

ellenatimmer

trends-in-nederland-2015-web

Trends in Nederland

2015

Hoofdstuktitel 3


Trends in Nederland

2015


Verklaring van tekens

. Gegevens ontbreken

* Voorlopig cijfer

** Nader voorlopig cijfer

x Geheim

– Nihil

– (Indien voorkomend tussen twee getallen) tot en met

0 (0,0) Het getal is kleiner dan de helft van de gekozen eenheid

Niets (blank) Een cijfer kan op logische gronden niet voorkomen

2014–2015 2014 tot en met 2015

2014/2015 Het gemiddelde over de jaren 2014 tot en met 2015

2014/’15 Oogstjaar, boekjaar, schooljaar enz., beginnend in 2014

en eindigend in 2015

2012/’13–

2014/’15 Oogstjaar, boekjaar enz., 2012/’13 tot en met 2014/’15

In geval van afronding kan het voorkomen dat het weergegeven

totaal niet overeenstemt met de som van de getallen.

Colofon

Uitgever

Centraal Bureau voor de Statistiek

Henri Faasdreef 312, 2492 JP Den Haag

www.cbs.nl

Prepress: Centraal Bureau voor de Statistiek, Studio BCO

Druk: Tuijtel, Hardinxveld-Giessendam

Inlichtingen

Tel. 088 570 70 70, fax 070 337 59 94

Via contactformulier: www.cbs.nl/infoservice

Bestellingen

Trends in Nederland 2015 is verkrijgbaar via www.cbs.nl.

Prijs: € 10,00 (exclusief verzendkosten)

ISBN 978-90-357-2085-5

ISSN 0924-2686

Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen/Bonaire, 2015.

Verveelvoudiging is toegestaan, mits CBS als bron wordt vermeld.

4700 201501 A-26


Voorwoord

Trends in Nederland 2015 is de opvolger van het

Statistisch jaarboek. Hierin beschrijft CBS vanuit

vijf gezichtspunten de trends in de Nederlandse

maatschappij. De publicatie geeft een kleurrijke

indruk van de informatie die CBS samenstelt.

Ook is er aandacht voor twee nieuwe producten

van CBS: de webapps voor open data en voor

corporate nieuws. Via de webapp open data

worden alle CBS-dataverzamelingen in diverse

grafische vormen getoond. De corporate

nieuwsapp geeft de relaties van CBS een kijkje

in de keuken.

Net als alle andere publicaties van CBS is Trends

in Nederland 2015 als PDF te downloaden op

www.cbs.nl. De grafieken, tabellen, kaarten en

teksten in dit boek vormen slechts de etalage:

er is nog veel meer te krijgen. In StatLine, de

online statistische databank, staan alle

statistische uitkomsten en de meest actuele

cijfers. De databank is gratis toegankelijk via

www.cbs.nl/statline en via de open datawebapp

(http://opendata.cbs.nl/Dataportaal).

Dagelijks publiceert CBS nieuws- en achtergrondartikelen

op www.cbs.nl. De website

biedt ook de ingang tot de thematische websites,

zoals CBS in uw buurt, CBS voor uw bedrijf

en CBS in de klas. Met RSS-feeds en via Twitter

(http://twitter.com/statistiekcbs) kunt u op de

hoogte blijven van de nieuwste informatie.

Ik wens u veel lees- en kijkplezier en nodig u

graag uit op de website voor nog veel meer

informatie.

Directeur-Generaal

Dr. T.B.P.M. Tjin-A-Tsoi

Den Haag/Heerlen/Bonaire, juni 2015


Inhoud

1 CBS corporate 7

2 Economie

Trends 11

De feiten op een rij 17

Internationale handel 17

Prijzen 17

Financiële markten 18

Faillissementen 19

Bouwen en wonen 20

Handel en horeca 21

Financiële en zakelijke diensten 21

Verkeer en vervoer 22

Overheid 23

3 Arbeid en inkomen

Trends 25

De feiten op een rij 31

Koopkracht 31

Ziekteverzuim 32

Arbeidsmarkt 33

4 Mens en welzijn

Trends 39

De feiten op een rij 47

Bevolking 47

Gezondheid en welzijn 52

Vrije tijd en cultuur 57

5 Publieke sector

Trends 65

De feiten op een rij 71

Onderwijs 71

Veiligheid 75

Asielzoekers 75

Brandweer 76

Rechtspraak 77

6 Leefomgeving

Trends 79

De feiten op een rij 85

Energie 85

Landbouw 90

Natuur en milieu 95


98 000

volgers op Twitter

3 600

datasets in StatLine

50

video’s op CBS-YouTube

CBS online 2015

62 Trends in Nederland 2015


1. CBS corporate

StatLine App en Open data-portal

CBS is volop in ontwikkeling. Daar horen nieuwe

producten bij. Vorig jaar is in dat opzicht veel

gebeurd. Zo lanceerde CBS medio 2014 de Open

data-portal, waarin alle 3 600 dataverzamelingen

uit de CBS-databank StatLine als open data

vrij beschikbaar zijn. Inmiddels is er ook een

webapp voor StatLine op basis van Open data

beschikbaar. Dit is een applicatie die alle

tabellen uit de CBS-databank StatLine in grafiekof

kaartvorm laat zien. Met twee klikken

hebben gebruikers een grafiek op hun scherm,

maar de app kan uiteraard ook cijfers in tabelvorm

tonen. De app is laagdrempeliger en ook

geschikt voor gebruikers zonder kennis van

StatLine. Nieuwe producten zijn te vinden op

www.cbs.nl.

CBS in uw buurt

CBS heeft begin april 2015 een vernieuwde

versie van CBSinuwbuurt.nl gelanceerd, waar

cijfers over 75 kenmerken van buurten en hun

inwoners op een kaart te bekijken zijn.

CBS corporate 7


CBS Corporate nieuws

Op corporate.cbs.nl publiceert CBS actuele

artikelen over onder andere nieuwe dienstverlening,

nieuwe producten, internationale

ontwikkelingen en evenementen van CBS. De

webapp CBS Corporate nieuws is gemaakt

voor de externe relaties van CBS, waaronder

bedrijven, overheid, journalisten, studenten

en ieder ander die geïnteresseerd is in

nieuws over CBS. De artikelen zijn makkelijk

te filteren en te doorzoeken en kunnen

eenvoudig worden gedeeld via Facebook,

Twitter en LinkedIn. Directeur-Generaal Tjark

Tjin-A-Tsoi is enthousiast over dit nieuwe

product: ‘Zeven jaar lang hadden we een

papieren relatiemagazine voor onze externe

relaties. Het blad had een oplage van

2 500 exemplaren en verscheen eens per

kwartaal. Met de huidige mogelijkheden om

snel te publiceren is dit achterhaald. We

hebben daarom een eigentijdse, gebruiksvriendelijke

webapp ontwikkeld waarmee

iedereen het nieuws over CBS kan bekijken

op verschillende apparaten.’

8 Trends in Nederland 2015


CBS en social media

Om zijn cijfers nog toegankelijker te maken,

verspreidt CBS ze ook via social media. Iedereen

die altijd de laatste cijfers bij de hand wil

hebben, kan CBS volgen op Twitter.

Via @statistiekcbs twittert CBS eigen nieuws,

cijfers bij de actualiteit en leuke weetjes. In de

afgelopen vijf jaar is het aantal volgers

gegroeid naar zo’n 96 duizend (juni 2015).

Op het YouTube-kanaal youtube.com/statistiekcbs

staan zo’n vijftig filmpjes met uitleg over

statistische begrippen als inflatie en maatschappelijke

ontwikkelingen als vergrijzing, toelichtingen

bij publicaties en registraties van (pers-)

bijeenkomsten.

CBS corporate 9


Transportmiddelenindustrie

3,1% productiegroei

in 2014

45 400

werkzame personen in 2013

€ 13 825 000 000

omzet in 2013

10 Trends in Nederland 2015


2. Economie

Trends

Economisch herstel zet door, crisis nog niet

te boven

De Nederlandse economie is in 2014 weer

gegroeid, na een periode van krimp die langer

duurde dan in de ons omringende landen. De

bedrijvigheid, de export en de werkgelegenheid

groeiden. Ook de woningmarkt trok weer aan.

Maar het gaat nog niet hard vooruit. De omvang

van onze economie ligt nog 2 procent onder het

niveau van 2008. Veel Europese landen zijn het

niveau van vóór de crisis inmiddels al voorbij.

Groei breed gedragen

De Nederlandse economie is in 2014 met

0,9 procent gegroeid. Daarmee zet het herstel,

dat halverwege 2013 begon, voorzichtig door.

De consumptie door huishoudens steeg licht,

met 0,1 procent. Consumenten schaften voor

het eerst sinds lange tijd weer meer duurzame

consumptiegoederen aan, vooral elektronica.

De overheidsconsumptie kromp in 2014 daarentegen

voor het vierde jaar op rij.

De groei in ons land wordt gedragen door de

export, geholpen door de euro die sterk in

waarde is afgenomen, maar ook door de

consumptie en de investeringen. Voor de

consumptie door huishoudens en de investeringen

was het de eerste groei sinds 2011. In

voorgaande jaren groeide alleen de uitvoer en

hield daarmee de krimp van de economie nog

enigszins beperkt. Het vertrouwen van consumenten

en producenten is toegenomen.

De meeste bedrijfstakken groeiden in 2014,

de industrie met 1,1 procent. Binnen de industrie

nam in het bijzonder de productie van de

machine- en transportmiddelenindustrie sterk

toe, mede doordat de investeringen aantrokken.

De (beperkte) groei van de hout-, papier- en

grafische industrie was zelfs de eerste groei na

zes opeenvolgende jaren van krimp. Het

groei tempo van de voedings- en genotmiddelenindustrie

nam daarentegen iets af, de

productie van de delfstoffenwinning ging

Economie 11


achteruit. Vanwege de zachte winter was er

weinig vraag naar aardgas.

De bouwproductie nam met 3,4 procent toe.

Het was de eerste substantiële groei na jaren

van neergang. De omvang van de bouwsector

lag eind 2014 nog wel ruim 20 procent onder

het niveau van 2008. De landbouw groeide met

4,2 procent het hardst, onder meer door een

toename van de uitvoer van groente en fruit in

de eerste maanden van het jaar, en de goede

aardappeloogst.

2.1 Bruto binnenlands product (bbp)

% volumemutatie t.o.v. een jaar eerder seizoengecorrigeerd, 2008-I=100

5

105

4

104

3

103

2

102

1

101

0

100

–1

99

–2

98

–3

97

Minder werknemers, meer zelfstandigen

–4

96

De werkgelegenheid trok in 2014 aan. Het

aantal werknemersbanen lag in 2014 nog wel

iets lager dan in 2013, het aantal banen van

–5

I

II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III IV

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

95

zelfstandigen ging omhoog. Het is een al langer

bestaande trend: sinds de crisis eind 2008 daalt

het aantal banen van werknemers en stijgt het

Mutatie

Index (rechteras)

aantal banen van zelfstandigen.

Het banenverlies is met name groot in de zorg

en in de bouw. De zorgsector is zijn functie als

banenmotor daarmee inmiddels kwijt. Debet

daaraan is onder meer het wegvallen van

banen in de kinderopvang. Het aantal banen in

de bouw loopt al terug sinds 2008. De werk-

100 000

banen weg uit bouwsectorBb

gelegenheid in de bouw is sindsdien gedaald

12 Trends in Nederland 2015


2.2 Bbp en bestedingen

2008 2011 2012 2013 2014

% volumemutatie t.o.v. een jaar eerder

Bbp 2 ,1 1 ,7 −1 ,6 −0 ,7 0 ,9

Invoer 1 ,8 3 ,5 2 ,8 0 ,8 4,0

Uitvoer 1 ,5 4 ,4 3 ,3 2 ,0 4,0

Consumptie huishoudens 1 ,0 0 ,2 −1 ,4 −1 ,6 0 ,1

Consumptie overheid 4 ,1 −0 ,2 −1 ,6 −0 ,3 −0 ,3

Investeringen 4 ,8 5 ,6 −6 ,0 −4 ,0 3 ,4

2.3 Werkzame beroepsbevolking naar arbeidspositie

x mln

x mln

2,0

1,6

6,0

5,6

1,2

5,2

0,8

4,8

0,4

4,4

0

0

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

Zelfstandigen met personeel

Zelfstandigen zonder personeel

Werknemers flexibele arbeidsrelatie

Werknemers vaste arbeidsrelatie (rechteras)

met ruim 100 duizend banen. Het gaat hierbij

voornamelijk om banen van werknemers. Het

aantal banen van zelfstandigen in de bouw

bleef de laatste jaren ongeveer gelijk.

Economisch herstel in Europa

Nederland deed het met een groei van

0,9 procent minder goed dan het gemiddelde

van de Europese Unie (1,3 procent), maar net zo

goed als het gemiddelde van de eurozone

(eveneens 0,9 procent). Het herstel in Europa

wordt vooral getrokken door Duitsland en het

Verenigd Koninkrijk, die relatief sterk groeiden

met 1,6 en 2,6 procent. De economieën van

Italië, Kroatië, Cyprus en Finland groeiden in

2014 niet.

Ondanks het herstel liggen zowel de omvang

van de Nederlandse economie als die van de

eurozone nog bijna 2 procent onder het niveau

van vóór de crisis. Ook Griekenland, Portugal,

Spanje en Italië zijn nog niet terug op dat

niveau. De economieën van België en Frankrijk

liggen al wel iets boven het niveau van begin

2008, de Duitse economie ligt er al 4 procent

boven, de Britse economie 3,4 procent.

Economie 13


Snel herstel economieën buiten Europa

Buiten Europa deden de Verenigde Staten het met

een groei van 2,4 procent opnieuw goed. De

economische groei van dit land ligt al drie jaar

boven de 2 procent. In Azië en de meeste opkomende

markten is het groeitempo de laatste jaren

wat ingezakt. In China zwakte de groei af van

10 procent in 2008 tot 7 procent in 2014.

De Amerikaanse economie herstelde sneller dan

die van de Europese landen en ligt inmiddels

9 procent boven het niveau van vóór de crisis.

Japan leek begin 2014 de weg omhoog gevonden

te hebben, maar viel daarna weer terug.

Hierdoor kwam de omvang van de Japanse

economie eind 2014 iets onder het niveau van

begin 2008 uit.

2.4 Internationale inflatie

2008 2011 2012 2013 2014

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

Eurozone 3 ,3 2 ,7 2 ,5 1 ,3 0 ,4

Nederland 2 ,2 2 ,5 2 ,8 2 ,6 0 ,3

Duitsland 2 ,8 2 ,5 2 ,1 1 ,6 0 ,8

Frankrijk 3 ,2 2 ,3 2 ,2 1 ,0 0 ,6

Verenigd Koninkrijk 3 ,6 4 ,5 2 ,8 2 ,6 1 ,5

Verenigde Staten 4 ,4 3 ,8 2 ,1 1 ,3 1 ,3

Bron: Eurostat.

Inflatie fors gedaald

Mede door de dalende olieprijs is de inflatie in

Europa fors afgenomen. In de eurozone nam de

inflatie af van 1,3 procent in 2013 tot 0,4 procent

in 2014. In Nederland daalde de inflatie in

deze periode nog sneller, van 2,6 tot 0,3 procent

(volgens internationale richtlijnen). Buiten

de eurozone lag de inflatie in 2014 iets hoger:

1,5 procent in het Verenigd Koninkrijk en

1,3 procent in de Verenigde Staten.

0,4%

Aa

inflatie eurozone

in 2014

14 Trends in Nederland 2015


2.5 Economische groei

2008-I=100

110

108

106

104

102

100

98

96

94

92

90

I

II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III IV I II III

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

IV

Eurozone

Japan

Verenigde Staten

Verenigd Koninkrijk

Duitsland

Nederland

Economie 15


11´

Nederlandse economie groeit

weer in 2014

0,9%

stijging van bbp

7,4%

van beroepsbevolking werkloos

1,0% inflatie

laagste niveau sinds 1988


De feiten op een rij

Internationale handel

Nederland heeft in 2014 weer meer goederen

in- en uitgevoerd dan een jaar eerder. Dit is de

vijfde stijging op rij. De lage olieprijs zorgde

voor lagere invoerprijzen dan een jaar eerder.

Hierdoor is de waarde van de invoer per saldo

niet veel veranderd. De uitvoerwaarde is nog

wel iets toegenomen.

Het handelsoverschot was 50 miljard euro,

3 miljard euro meer dan in 2013.

Met een aandeel van ruim 9 procent in de

invoer staat China op de derde plaats van

belangrijkste aanvoerlanden voor Nederland. In

vergelijking met 2008 steeg het aandeel met

2 procentpunt. Duitsland blijft met een aandeel

van 16 procent van de invoer en 24 procent van

de uitvoer de belangrijkste handelspartner.

2.6 In- en uitvoerwaarde van goederen, 2014*

10%

4 %

9%

9%

5%

Invoer (totaal 383 mld euro)

14%

13%

13%

22%

28%

Uitvoer (totaal 432 mld euro)

26%

Machines en vervoermaterieel

Minerale brandstoffen

Chemische producten

Voeding en levende dieren

Fabrikaten

Niet-eetbare grondstoffen,

excl. brandstoffen

Overig

Prijzen

De prijzen van de Nederlandse industrie lagen

13%

17%

17%

in 2014 2,2 procent lager dan een jaar eerder,

dankzij de lage olieprijs vooral. Het was het

tweede jaar op rij dat de prijzen van de

industrie daalden. Niet alleen de aardolie-

Economie 17


verwerkende industrie kon haar prijzen verla-

2.7 Inflatie

gen door de lagere inkoopprijs van ruwe

aardolie, ook de chemische industrie verlaagde

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

3,5

haar prijzen. In de voedings- en genotmidde-

3,0

lenindustrie was de prijsdaling minder sterk. De

2,5

textielindustrie en de bouwmaterialenindustrie

verhoogden de prijzen in 2014 nog licht.

Consumentengoederen werden in 2014

gemiddeld 0,4 procent goedkoper. Consumentenelektronica

daalde flink in prijs en ook

kleding, glas, aardewerk en andere huishoude-

2,0

1,5

1,0

0,5

0

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

lijke artikelen werden goedkoper. De woninghuren

stegen met ruim 4 procent, daardoor

kwam de gemiddelde inflatie per saldo uit op

1,0 procent.

2.8 AEX-index eindejaarsstanden

Financiële markten

In 2014 profiteerden aandelenmarkten wereldwijd

van de aantrekkende Amerikaanse economie.

Aandelen behaalden een koersrendement

van gemiddeld 8 procent. De Nederlandse

AEX-index sloot 6 procent hoger dan een jaar

eerder.

De rente op Europese staatsobligaties is in 2014

verder gedaald. In Nederland zakte de rente op

10-jaars staatsobligaties aan het einde van

2014 voor het eerst onder de 1 procent.

600

500

400

300

200

100

0

2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

Bron: DNB.

18 Trends in Nederland 2015


2.9 Uitgesproken faillissementen

x 1 000

10,0

9,5

9,0

8,5

8,0

De overheid kon hierdoor goedkoop haar

oplopende staatsschuld financieren.

De euro daalde in 2014 fors in waarde ten

opzichte van andere munten. Door de lage

waarde van de euro was het voor landen buiten

de eurozone relatief goedkoop om hier goederen

te kopen.

7,5

7,0

6,5

0

2009

2010

2011

2012

7 621 bedrijven

gingen in 2014 failliet

2013

2014

Cc

Faillissementen

Van de 1,4 miljoen bedrijven die in 2014 actief

waren in Nederland werden er 7,6 duizend

failliet verklaard. In 2013 ging nog een recordaantal

van 9,4 duizend bedrijven failliet. De

afname van het aantal faillissementen betekent

dat het beter gaat met de economie.

In vrijwel alle bedrijfstakken is het aantal

faillissementen gedaald, maar het meest in de

bouw (39 procent). Het aantal faillissementen

in de industrie lag 33 procent lager en in de

handel 23 procent lager. In de financiële

dienstverlening steeg het aantal faillissementen

echter met 30 procent. In 2014 gingen hier

13 op de duizend bedrijven failliet. In de

landbouw gaan gewoonlijk weinig bedrijven

failliet. In 2014 gebeurde dit met 1,4 op de

duizend bedrijven, minder dan gebruikelijk.

Economie 19


Bouwen en wonen

Na twee jaren van krimp steeg de omzet van de

bouw in 2014 met 1,5 procent. Ook op andere

fronten ging beter in de bouw. Het aantal

faillissementen daalde fors en het vertrouwen

van bouwondernemers was aan het begin van

2015 voor het eerst sinds 2008 positief. Ook

werd voor bijna 40 duizend woningen een

nieuwbouwvergunning verleend, anderhalf

keer zo veel als in 2013. Het aantal banen in de

bouwnijverheid daalde wel, van 532 duizend in

2013 tot 511 duizend in 2014.

Bijna 154 duizend bestaande koopwoningen

wisselden in 2014 van eigenaar, veel meer dan

in 2013 (110 duizend). De prijzen van bestaande

koopwoningen stegen in 2014 met

bijna 1 procent.

2.10 Nieuwbouwwoningen met afgegeven

bouwvergunning

x 1 000

60

50

40

30

20

10

0

2011

Koopwoningen

2012

Huurwoningen

2013

2014

20 Trends in Nederland 2015


2.11 Omzet handel en horeca, 2014

Autohandel

Groothandel

Detailhandel

waaronder

non-food

voedingsmiddelen

postorder, internetwinkels

Horeca

waaronder

cafés e.d.

hotels

snackbars

restaurants

–4 –2 0 2 4 6 8 10

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

Handel en horeca

Voor het eerst in zes jaar namen in 2014 de

winkelverkopen in de detailhandel weer toe

ten opzichte van een jaar eerder. Omdat de

prijzen licht daalden, verbeterden de omzetten

slechts weinig. De omzet van de horeca nam

met 5,6 procent toe, de grootste stijging van de

afgelopen jaren. Consumenten sliepen, aten en

dronken weer meer buiten de deur. Alle

branches binnen de horeca boekten meer

omzet dan in 2013.

Autohandelaren noteerden vooral in het laatste

kwartaal van 2014 een omzetdaling ten

opzichte van een jaar eerder. In het vierde

kwartaal van 2013 was de omzet uitzonderlijk

hoog doordat consumenten en bedrijven toen

anticipeerden op belastingmaatregelen voor

nieuwe auto’s per 1 januari 2014.

Financiële en zakelijke diensten

In 2014 is de langjarige rente voor pensioenfondsen

met 45 procent gedaald. Hierdoor

namen de beleggingen met 18 procent toe, de

pensioenverplichtingen met 21 procent. De

pensioenverplichting geeft weer hoeveel geld

er nu in kas moet zijn om de afgesproken

pensioenen in de toekomst te kunnen betalen.

Economie 21


Bij een lagere rente is een hoger bedrag in kas

nodig om op het gewenste eindbedrag uit te

kunnen komen. Omdat de verplichtingen sneller

toenamen dan de beleggingen is de financiële

positie van pensioenfondsen in 2014 per saldo

verslechterd.

Verkeer en vervoer

In 2014 is ruim 365 miljoen ton goederen met

een binnenvaartschip vervoerd. Dat is een derde

van al het goederenvervoer over Nederlands

grondgebied. Van bijna alle producten werd

meer vervoerd, maar vooral het vervoer van

zand en grind, andere bouwmaterialen en

containers nam toe. Het vervoer van kolen voor

energiecentrales en ijzererts daalde.

Het totale laadvermogen van schepen voor

droge bulk (grind) is sinds 2012 aan het dalen

doordat kleinere schepen uit de vaart zijn

genomen. Het gemiddelde laadvermogen per

binnenvaartschip groeit daardoor nog steeds.

Bij de schepen voor vloeibare bulk (zoals olie)

zit er nog steeds een groei in zowel het aantal

schepen als het totale laadvermogen. Deze

groei is wel afgenomen.

2.12 Invloed rente op pensioenverplichtingen

mld euro %

1 200

6

1 000

5

800

4

600

3

400

2

200

1

0

0

–200

–1

2007

2008

2009

Totaal beleggingen

Buffer

2010

2011

2012

Pensioenverplichtingen

15-jaarsrente (rechteras)

2.13 Ontwikkeling geladen goederen, 2014

Kolen

IJzererts

Bouwproducten

Containers

Andere goederen

Zand en grind

2013

2014*

–4 –2 0 2 4 6 8 10

mutatie t.o.v. een jaar eerder, mln ton

22 Trends in Nederland 2015


2.14 Overheidssaldo en -schuld

2012 2013 2014

mld euro

Overheidsinkomsten 278 ,7 286 ,2 290 ,5

Overheidsuitgaven 304 ,0 300 ,8 305 ,4

Overheidssaldo (EMU) −25 ,3 −14 ,6 −14 ,9

Overheidsschuld (EMU) 426 ,1 441 ,0 451 ,0

% bbp

Overheidssaldo (EMU) −4 ,0 −2 ,3 −2 ,3

Overheidsschuld (EMU) 66 ,5 68 ,6 68 ,8

Inkomsten 43 ,5 44 ,5 44 ,3

belastingen en premies 36 ,0 36 ,8 37 ,6

Uitgaven 47 ,5 46 ,8 46 ,6

Overheid

De overheid had over 2014 een tekort van

2,3 procent van het bbp, net als in 2013. Toen

viel het tekort voor het eerst in vijf jaar weer

binnen de Europese tekortnorm van 3 procent.

In 2009 was het tekort nog 5,5 procent.

De overheidsschuld kwam in 2014 uit op

68,8 procent van het bbp. Het is voor het eerst

sinds het uitbreken van de kredietcrisis dat de

schuldquote nagenoeg gelijk is gebleven. De

schuld in euro’s nam wel verder toe, met

10 miljard euro. De extra schuld was nodig om

het overheidstekort te financieren. De rentelasten

op de schuld bleven dalen door de

dalende rentestanden.

68% schuldquote in 2014Aa

Economie 23


Vermogen

741 000

huishoudens zonder hypotheekschuld in 2014

€ 142 000

gemiddeld huishoudensvermogen in 2013

1 480 000

huishoudens ‘onder water’ in 2014

8 Trends in Nederland 2015


3. Arbeid en inkomen

Trends

Inkomens en vermogens ongelijk verdeeld

De inkomensongelijkheid in Nederland is

relatief klein en stabiel, ook sinds het uitbreken

van de crisis eind 2008. Wel is het gemiddeld

vermogen van huishoudens sindsdien een stuk

lager geworden. Dat komt vooral door de sterke

daling van de waarde van de eigen woningen.

In 2013 was het gemiddelde (gestandaardiseerd)

inkomen van huishoudens

23,6 duizend euro. Het inkomen is niet gelijk

verdeeld: de helft van de huishoudens heeft

minder dan 21,1 duizend euro, een kwart

heeft minder dan 16 duizend euro. Veertigduizend

huishoudens (0,6 procent) hadden

zelfs een negatief inkomen. In de helft van

de gevallen ging het om zelfstandigen die

verlies hadden geleden. Dertigduizend

huishoudens (0,4 procent) hadden een

inkomen van meer dan 100 duizend euro.

In de periode 1977–2013 is het gemiddeld

inkomen structureel toegenomen. Die stijgende

trend is een aantal malen onderbroken door

een (conjuncturele) inzinking. Het laagste

inkomensniveau werd bereikt rond 1985, toen

sprake was van een ernstige economische crisis.

Ook rond 1994 en 2004 was er sprake van een

economische achteruitgang, zij het op aanmerkelijk

kleinere schaal. Het hoogste inkomensniveau

in de periode 1977–2013 werd bereikt in

2007 tijdens de opbloei van de economie. Als

gevolg van de daaropvolgende economische

crisis is het gemiddeld inkomen in elk van de

jaren 2008–2013 gedaald.

Vermogensverschillen groot

Meer nog dan het inkomen is het vermogen

ongelijk verdeeld over huishoudens. In 2013 had

een huishouden gemiddeld 142 duizend euro aan

vermogen. Dat omvat de bezittingen zoals het

huis, de bank- en spaartegoeden, de aandelen en

effecten minus de schulden. De helft van alle

huishoudens heeft minder dan 19 duizend euro,

terwijl ruim anderhalf miljoen huishoudens over

Arbeid en inkomen 25


een vermogen beschikt van meer dan twee ton.

Begin 2013 was 85 procent van het vermogen in

handen van de 20 procent meest vermogende

huishoudens.

Vermogen is volgens de CBS-definitie overdraagbaar

en het huishouden kan er vrijelijk over

beschikken. Dit geldt niet voor pensioenaanspraken

en deze maken dan ook geen deel uit

van het vermogen. Het pensioenvermogen is voor

een groot deel via verplichte bijdragen opgebouwd.

Collectieve vormen van vermogen, zoals

de sociale vangnetten en onderwijs rekent CBS

evenmin tot vermogen. Door de verplichte

deelname aan pensioenregelingen en de ruime

beschikbaarheid van collectieve voorzieningen is

er voor vele Nederlanders geen noodzaak om zelf

vermogen voor de oude dag op te bouwen, of te

sparen. Vergelijkingen van Nederland met landen

waar de vermogensopbouw aanmerkelijk minder

via collectieve regelingen gebeurt, gaan dan ook

per definitie mank.

3.1 Huishoudens naar hoogte inkomen 1) , 2013*

huishoudens (x 1 000)

800

600

400

200

0

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

gestandaardiseerd inkomen (1 000 euro)

1)

Aantal huishoudens per inkomensklasse met een breedte van 2 000 euro.

19 duizend euro (2013). De vermogensdaling wordt vooral

veroorzaakt door de daling van de waarde van de eigen

woning, van in doorsnee 256 duizend euro begin 2008 tot

207 duizend euro begin 2013. Tegelijkertijd steeg de

doorsnee hypotheekschuld van 143 duizend euro naar

165 duizend euro.

Vermogen fors gedaald

De vermogenspositie van huishoudens is sinds

het begin van de economische crisis eind 2008

voortdurend verslechterd. Het doorsnee vermogen

liep terug van 51 duizend euro (2008) naar

Begin 2013 hadden 4,3 miljoen huishoudens een eigen

woning. Bij 1,5 miljoen huishoudens was de waarde van

deze woning op dat moment lager dan de fiscale hypotheekschuld.

Sinds de crisis is het aandeel huishoudens met

zogeheten onderwaarde flink gestegen: van 13 procent in

26 Trends in Nederland 2015


3.2 Gemiddeld inkomen van huishoudens 1)

1 000 euro (in prijzen van 2013)

40

30

20

10

0

1975

1980

1985

1990

1995

2000

2005

2010

Gestandaardiseerd inkomen

Besteedbaar inkomen

1)

De Inkomensstatistiek is herzien waardoor de cijfers uit de reeks 1977–2000 niet

geheel vergelijkbaar zijn met die uit de reeks 2000–2013.

2015

2008 tot 34 procent in 2013. In 2014 was er

geen verdere toename. De problematiek betreft

vooral mensen die voor het uitbreken van de

crisis een huis hebben gekocht en sindsdien de

waarde van hun woning fors hebben zien

dalen. Van 2,1 miljoen huishoudens was de

waarde van de eigen woning begin 2013 en

begin 2014 hoger dan de fiscale hypotheekschuld.

Dat is in beide jaren bijna de helft van

de huishoudens met een eigen huis. Bij de

fiscale hypotheekschuld is geen rekening

gehouden met opgebouwde tegoeden bij

spaar- en beleggingshypotheken, vanwege het

ontbreken van gegevens.

3.3 Mediane vermogen van huishoudens, 1 januari 2013

1 000 euro (in prijzen van 2013)

60

50

40

30

20

10

0

2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013*

Ongelijkheid verschillend tussen groepen

De inkomens- en vermogensverschillen tussen

huishoudens zijn voor een belangrijk deel te

verklaren door de leeftijdsopbouw van de

bevolking. De leeftijd van de hoofdkostwinner

van een huishouden bepaalt bijvoorbeeld sterk

de hoogte van het inkomen en de omvang van

het vermogen. Aan het begin van de arbeidscarrière

verdienen mensen relatief weinig. Zij

kunnen dan weinig geld opzijzetten en nemen

vaak een flinke schuldenlast op zich bij de

aankoop van een eigenwoning. Naarmate zij

Arbeid en inkomen 27


ouder worden, verbetert hun financiële positie.

Het inkomen stijgt door werkervaring en het

aanvaarden van beter betaalde functies, zodat

er ruimte is voor verdere vermogensaanwas,

bijvoorbeeld door aflossingen op de hypotheek.

Bij het bereiken van de pensioengerechtigde

leeftijd vallen huishoudens weliswaar terug in

inkomen, maar veel 65-plushuishoudens

hebben nagenoeg of volledig afgeloste hypotheken

en zijn relatief vermogend.

Maar ook andere dan demografische factoren

zorgen voor ongelijkheid. Zelfstandigen beschikken

bijvoorbeeld over meer inkomen dan

werknemershuishoudens en uitkeringsontvangers.

En eigenwoningbezitters hebben veel

meer vermogen dan huurders. Zelfs als de eigen

woning buiten beschouwing blijft hebben

huurders met 3 duizend euro een lager mediaan

vermogen dan eigenwoningbezitters (28 duizend

euro). Tot de huurders behoren namelijk

relatief veel huishoudens met weinig inkomen,

zoals alleenstaanden en eenoudergezinnen.

Wel of geen baan, wel of geen eigen woning

Economische ongelijkheid bestaat ook binnen

groepen. De grote ongelijkheid tussen jongeren

komt door hun verscheidenheid in economische

3.4 Fiscale hypotheekschuld t.o.v. waarde eigen

woning, 1 januari

x mln

5

4

3

2

1

0

2006

2007

Onderwaarde

2008

2009

2010

Overwaarde

2011

2012

2013

Geen hypotheekschuld

activiteit. Een derde van hen is uitwonend student met

een relatief laag inkomen, terwijl meer dan de helft een

sub stantiële baan heeft. De ongelijkheid in inkomen en

2014*

vermogen wordt minder naarmate de leeftijd hoger is. De

hoge vermogensongelijkheid komt ook door de sterke

diversiteit in woonsituatie. Sommige jongeren hebben een

huurwoning en een doorgaans zeer bescheiden spaarpot,

anderen zijn starters op de woningmarkt en kampen met een

forse hypotheekschuld en veelal een aanzienlijke onderwaarde

van hun huis. De inkomens- en vermogensongelijkheid

is het kleinst bij 65-plushuishoudens.

28 Trends in Nederland 2015


3.5 Ongelijkheid naar achtergrondkenmerken, 2013*

Vermogen

incl. eigen woning Inkomen

mediaan Gini Theil gemiddeld Gini Theil

1 000 euro 1 000 euro

Totaal 19 ,1 0 ,895 1 ,750 23 ,6 0 ,281 0 ,155

Leeftijd hoofdkostwinner

Jonger dan 25 jaar 1 ,1 . 3 ,111 10 ,1 0 ,396 0 ,273

25–44 jaar 1 ,4 . 3 ,043 22 ,8 0 ,264 0 ,132

45–64 jaar 59 ,0 0 ,821 1 ,527 26 ,5 0 ,281 0 ,154

65 jaar of ouder 99 ,6 0 ,709 1 ,155 23 ,1 0 ,230 0 ,115

Voornaamste inkomensbron

Inkomen uit arbeid 9 ,2 1 ,031 1 ,991 25 ,7 0 ,246 0 ,115

Inkomen uit eigen

onderneming 95 ,1 0 ,844 1 ,665 28 ,9 0 ,377 0 ,286

Uitkering of pensioen 24 ,5 0 ,753 1 ,194 19 ,1 0 ,245 0 ,116

waaronder 61 ,0 0 ,703 1 ,021

werkloosheidsuitkering 2 ,6 0 ,944 1 ,625 16 ,3 0 ,205 0 ,077

ziekte/ arbeidsongeschiktheidsuitkering

2 ,8 0 ,887 1 ,648 16 ,6 0 ,173 0 ,051

pensioenuitkering 91 ,5 0 ,672 0 ,931 21 ,8 0 ,205 0 ,083

bijstandsuitkering 0 ,4 1 ,109 3 ,299 11 ,9 0 ,138 0 ,061

Woonsituatie

Eigen woning 115 ,3 0 ,789 1 ,350 28 0 ,256 0 ,134

Huurwoning 2 ,9 0 ,941 2 ,153 17 ,8 0 ,250 0 ,121

Grotere ongelijkheid vanaf 2009

De vermogensverschillen fluctueerden in de

periode 2006–2013 beduidend meer dan de

inkomens verschillen, en vanaf 2009 neemt de

vermogensongelijkheid tussen huishoudens

zichtbaar toe. Vooral debet hieraan is de daling

van de waarde van de woning bij woningeigenaren

tijdens de crisis. Bij de minder

vermogenden bestaat het vermogen vrijwel

uitsluitend uit de waarde van de eigen woning

minus de hypotheekwaarde. Hun vermogen

slonk hierdoor verhoudingsgewijs meer dan dat

van huishoudens met een hoger vermogen, die

vaak ook over bijvoorbeeld aandelen en

spaargelden, beschikken. Hierdoor groeiden de

vermogens verschillen tussen de huishoudens.

Als we de (eigen) woningwaarde en de uitstaande

hypotheekschuld niet tot het vermogen

zouden rekenen, zou de vermogens ongelijkheid

nauwelijks zijn toegenomen. De stijgende

vermogensongelijkheid is dan ook een direct

gevolg van de aan het begin van de crisis

ingestorte woningmarkt.

Arbeid en inkomen 29


Inkomen en arbeidsmarkt

jongeren werkloos in 2014

10,3%

huishoudens onder armoedegrens in 2013

1 600 000

mensen (15-64 jaar) met arbeidshandicap in 2013

11∂175 000


De feiten op een rij

Koopkracht

De koopkracht van de bevolking is in 2013 met

1,1 procent afgenomen en daalde daarmee

voor het vierde jaar op rij. Alleen werknemers

gingen er in 2013 met 0,4 procent iets op

vooruit. Zelfstandigen leverden met 3,3 procent

het meest in. Ook de uitkeringsontvangers

zagen hun koopkracht met respectievelijk

3,0 procent en 1,4 procent flink terugvallen. De

daling bij gepensioneerden komt onder meer

door het niet indexeren of zelfs korten van de

aanvullende pensioenen vanwege de onvoldoende

dekkingsgraad van pensioenfondsen.

3.6 Koopkrachtontwikkeling , 2013*

Totale bevolking

Werknemer

Zelfstandige

Uitkeringsontvanger

waaronder

arbeidsongeschikte

gepensioneerde

bijstandsontvanger

–3,5 –3,0 –2,5 –2,0 –1,5 –1,0 –0,5 0 0,5

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

Het aandeel huishoudens met een inkomen

onder de lage-inkomensgrens kwam in 2013 uit

op 10,3 procent. Dat is meer dan in 2012

(9,3 procent), 2011 (8,2 procent) en 2010

(7,4 procent). De stijging is in alle risicogroepen

terug te vinden, zoals bij eenoudergezinnen,

bijstandsontvangers, niet-westerse allochtonen

en alleenstaanden tot 65 jaar.

726 000 huishoudens met

inkomen onder lage-inkomensgrens in 2013Aa

Arbeid en inkomen 31


Ziekteverzuim

Het ziekteverzuim van werknemers in Nederland

is in 2014 gedaald tot 3,8 procent. Sinds 1996 is

het ziekteverzuim niet zo laag geweest. Het lage

verzuim houdt mogelijk verband met de economische

situatie en het feit dat meer mensen zich

zorgen maken om het behoud van hun baan.

Ook draagt de milde griepgolf aan het begin van

2014 bij aan het lage verzuim percentage.

Het ziekteverzuim is het hoogst in het onderwijs

en het openbaar bestuur (inclusief de overheid),

in de horeca was het verzuim het laagst.

De verschillen in verzuimpercentage hangen

samen met verschillen in leeftijdsopbouw in de

bedrijfstakken. In de horeca werken bijvoorbeeld

veel jongeren, in het onderwijs juist veel

ouderen. Het verzuim neemt toe met de leeftijd.

In 2013 had een op de zeven 15–64-jarigen in

Nederland – bijna 1,6 miljoen mensen – een

arbeidshandicap. Zij zijn langdurig ziek of

hebben een aandoening of handicap die hen

belemmert bij het werk of bij het vinden van

werk. Een derde van hen had betaald werk van

12 uur per week of meer, vaak in vaste loondienst

en relatief vaak in deeltijd. De arbeidsdeelname

stijgt als het opleidingsniveau

3.7 Huishoudens (langdurig) onder lage-inkomensgrens

naar samenstelling van het huishouden, 2013*

Uitsluitend minderjarige kinderen

Minstens 1 meerderjarig kind

Eenoudergezin

Uitsluitend minderjarige kinderen

Minstens 1 meerderjarig kind

Laag inkomen

Totaal

Alleenstaand

Jonger dan 65 jaar

65 jaar en ouder

Paar zonder kind

Jonger dan 65 jaar

65 jaar en ouder

Paar

Overig huishouden

0 5 10 15 20 25 30 35 40

%

Langdurig (vier jaar en langer) laag inkomen

32 Trends in Nederland 2015


3.8 Ziekteverzuim per bedrijfstak, 2014

Horeca

Specialistische zakelijke diensten

Landbouw

ICT-bedrijven

Financiële dienstverlening

Nederland

Industrie

Water- en afvalbeheer

Gezondheids- en welzijnszorg

Onderwijs

Openbaar bestuur

3.9 Arbeidsgehandicapten

(15–64 jaar), 2013

Mannen

x 1 000

Vrouwen

15–24 jaar 65 78

25–34 jaar 74 102

35–44 jaar 123 164

45–54 jaar 164 245

55–64 jaar 239 297

0 2 4 6

%

toeneemt, maar blijft ook op het hoogste

niveau duidelijk achter bij de deelname van

niet-arbeidsgehandicapten.

Niet alleen is de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten

laag, zij zijn ook relatief vaak

werkloos: hun werkloosheidspercentage is met

15,8 bijna tweemaal zo hoog als van personen

zonder arbeidshandicap (7,6).

Arbeidsmarkt

In 2014 werkte ruim de helft van alle werkende

Nederlanders van 15–64 jaar in deeltijd. De

andere landen van de Europese Unie blijven

daar ver bij achter. Oostenrijk en Duitsland

volgen met 28 procent deeltijders, in het

Verenigd Koninkrijk is dat 27 procent, in Zweden

26 procent. Gemiddeld werkte in de 28 landen

van de Europese Unie ruim een op de vijf

werkenden in deeltijd.

Dat Nederland de absolute nummer 1 in

deeltijdwerken in Europa is komt vooral door de

vrouwen. In 2014 had ruim driekwart (77 procent)

van de werkende Nederlandse vrouwen

een deeltijdbaan. In alle andere EU-landen was

dat minder dan de helft. Gemiddeld had iets

minder dan een op de drie werkende vrouwen

in de EU parttimewerk.

Arbeid en inkomen 33


Het aantal mannen in Nederland dat in deeltijd

werkt is beperkt (28 procent). In 2014 werkten

even goed veel meer Nederlandse mannen in

deeltijd dan in welk ander EU-land ook.

Onder jongeren in de beroepsbevolking is

de werkloosheid de laatste jaren sterk toegenomen.

In 2014 waren 175 duizend jongeren

werkloos. Dat komt neer op een werkloosheidspercentage

van 12,7. In 2008, voor de crisis,

was nog 8,6 procent van de jongeren werkloos.

Het percentage werkloze jongeren (15–24 jaar)

is hoog vergeleken met de totale werkloosheid

van 7,4 procent. Maar met bijna 13 procent

werkloze jongeren staat ons land in Europa

(EU-28) er desalniettemin goed bij. In de

28 landen van de Europese Unie is gemiddeld

22 procent van de jongeren werkloos. In

Duitsland is het 8 procent, in Oostenrijk

10 procent. Maar in Italië en Kroatië ligt de

jeugdwerkloosheid boven de 40 procent, in

Spanje en Griekenland zelfs boven de

50 procent.

3.10 Deeltijders in de Europese Unie, 2014

Nederland

Duitsland

Oostenrijk

Verenigd Koninkrijk

België

Zweden

Luxemburg

Denemarken

Ierland

Italië

Frankrijk

Malta

Spanje

Finland

Cyprus

Slovenië

Portugal

Griekenland

Estland

Roemenië

Polen

Lithouwen

Tsjechië

Letland

Hongarije

Kroatië

Slowakije

Bulgarije

Europese Unie (28 landen)

Vrouwen

Bron: Eurostat.

0 20 40 60 80 100

% actieve beroepsbevolking

Mannen

34 Trends in Nederland 2015


3.11 Werkloosheid in de Europese Unie, 2014

Griekenland

Spanje

Kroatië

Cyprus

Portugal

Slowakije

Italië

Bulgarije

Ierland

Letland

Lithouwen

Frankrijk

Slovenië

Polen

Finland

België

Zweden

Hongarije

Nederland

Estland

Roemenië

Denemarken

Verenigd Koninkrijk

Tsjechië

Luxemburg

Malta

Oostenrijk 1)

Duitsland

Europese Unie (28 landen)

3.12 Werkgelegenheid, 2014*

Totaal

1 000 personen

Werknemers

Zelfstandigen

Werkzame personen totaal 8 677 7 220 1 457

Landbouw, bosbouw

en visserij 212 95 117

Nijverheid (geen bouw)

en energie 831 793 38

Bouwnijverheid 459 298 161

Handel, vervoer en horeca 2 167 1 898 269

Informatie en communicatie 260 221 39

Financiële dienstverlening 237 231 6

Verhuur en handel van

onroerend goed 73 62 11

Zakelijke dienstverlening 1 683 1 238 444

Overheid en zorg 2 392 2 144 248

Cultuur, recreatie, overige

diensten 364 240 124

0 10 20 30 40 50 60

% van de beroepsbevolking

Jonger dan 25 jaar

1)

2013.

Totaal

Bron: Eurostat.

Arbeid en inkomen 35


3.13 Werkloosheid naar geslacht, leeftijd

en herkomst

2012 2013 2014

% van de beroepsbevolking

Totaal 5 ,8 7 ,3 7 ,4

Mannen 5 ,5 7 ,2 7 ,2

Vrouwen 6 ,2 7 ,3 7 ,8

3.14 Banen van werknemers

5 000

4 600

4 200

3 800

3 400

15–24 jaar 11 ,7 13 ,2 12 ,7

25–34 jaar 5 ,1 6 ,8 6 ,5

0

2008

2009

2010

2011

2012*

2013*

2014*

35–44 jaar 4 ,5 5 ,9 6 ,2

45–54 jaar 4 ,4 5 ,6 5 ,9

55–64 jaar 5 ,3 6 ,8 7 ,7

65–74 jaar 3 ,8 4 ,8 5 ,7

Vrouwen

Mannen

Autochtonen 4 ,6 5 ,8 6 ,1

Westerse allochtonen 7 ,3 8 ,9 8 ,7

Niet-westerse

allochtonen 14 ,1 16 ,5 16 ,5

3.15 Banen van werknemers, 2014*

Totaal Mannen Vrouwen

1 000 personen

Werknemers totaal 7 725 4 043 3 682

9 782 000

banen in 2014

Bb

Landbouw, bosbouw en visserij 103 69 34

Nijverheid (geen bouw) en energie 808 631 176

Bouwnijverheid 304 269 35

Handel, vervoer en horeca 2 019 1 137 882

Informatie en communicatie 229 168 61

Financiële dienstverlening 238 132 106

Verhuur en handel van onroerend goed 66 35 31

Zakelijke dienstverlening 1 361 792 569

Overheid en zorg 2 299 696 1 603

Cultuur, recreatie, overige diensten 298 114 184

36 Trends in Nederland 2015


3.16 Personen met een uitkering, 31 dec.

2012 2013 2014*

x 1 000

Arbeidsongeschiktheid 786 787 789

Wajong 216 228 239

WAO 397 366 336

WAZ 21 18 16

WIA 160 185 208

Werkloosheid (WW) 351 441 447

3.17 Netto-arbeidsparticipatie, 2014

%

100

80

60

40

Bijstand 428 460 482

IOAW 15 18 22

IOAZ 2 2 2

Kinderbijslag 1 928 1 919 1 906

Nabestaandenwet 75 55 42

AOW 3 136 3 223 3 304

20

0

15–19 20–24 25–29 30–34 35–39 40–44 45–49 50–54 55–59 60–64 65–69 70–74

leeftijd in jaren

Vrouwen

Mannen

c

482 000 personen

met WWB-uitkering in 2014ICi

Arbeid en inkomen 37


Een zeven voor welzijn

85% is tevreden

met het leven

68% is tevreden

met de financiële situatie

71% is tevreden

met de lichamelijke gezondheid

12 38 Trends in Nederland 2015


4. Mens en welzijn

Trends

Een De industrie zeven voor herstelt welzijn zich in 2010

Nederlanders Voor industrie geven stond zichzelf 2010 een in het 7 voor teken het van

eigen economisch welzijn. herstel. Dit rapportcijfer Over het hele voor jaar welzijn was de is

een omzet gecombineerde 14 procent hoger score bij voor ruim onder 8,5 procent andere de

financiële hogere afzetprijzen. situatie, maatschappelijke Ook de orderontvangsten

participatie,

waren het aanzienlijk oordeel over hoger de gezondheid dan in 2009. en Het het

vertrouwen herstel zette in zich instellingen. op de exportmarkten

Het welzijnscijfer is

een sterker gemiddelde: door dan in sommige het binnenland. mensen geven Wel bleef

zichzelf de gemiddelde een hoger maandomzet cijfer en zijn in gelukkiger 2010 nog en

tevredener verwijderd van dan andere. omzetniveaus van voor de

economische crisis.

Grote meerderheid is gelukkig

De meeste productie volwassenen in de industrie (18 nam jaar en met ouder) bijna in 6,5

Nederland procent toe. voelen Van alle zich branches gelukkig. produceerden

In 2014 zegt

88 alleen procent de meubelindustrie gelukkig te zijn en de 85 hout- procent geeft

aan bouwmaterialen tevreden zijn industrie met het minder leven. dan Maar in 2009. niet

alle De groei aspecten van de van tansportmiddelenindustrie

ons leven beoordelen we

even was met positief, 23 procent ook het zijn sterkst. soms Ondanks grote verschillen

positieve tussen omzet- bevolkingsgroepen. en productie ontwikkelingen

De

de

gezinssamenstelling

herstelde het producenten speelt bij het vertrouwen geluksgevoel zich een

grote in 2010 rol. moeizaam. Mensen die Tot met augustus een partner waren samenwonen,

ondernemers al dan van niet de met industrie kinderen, negatief. zijn het

de

vaakst

Het energieverbruik was niet eerder zo hoog

Tem fugitis qui custem et earchillita quittount.

tevreden Unitunt apita met quia het leven. dolorio Alleenstaanden omnim voloris en atem.

alleenstaande Ut litatio. Dem ouders labo. Opta geven dunt, minder erferi vaak dicidunt. aan

dat Es min ze tevreden cum, nonsequ zijn met issitatatis het leven. sam Vrouwen debisi

zeggen blandi tium iets vaker voluptassum gelukkig quossin te zijn plam dan mannen. con

nulpa in re nientur ad el ent ut quo que

voloressit volo es volest, utem hillis estios es

4.1 Aandeel dat gelukkig en tevreden is

doloreria met sequi het leven, ommosto 1997–2014 modit vel 1) et voluptus

magnimus.

%

100

Ulparci

90

atusam erspides et volupta dolore

80

laccuscil inimint ut fugit qui repersp errorum et

70

dernati nctest, corepreria nostias ilit qui cusam

60

nihillorro 50 min pa volut inis eturemque nia adio

40

es essequid.

30

20

Sut fugiass incit, sus quas nullabor sinveliquae.

10

Feratur, 0 cus sum quiaspe dignimi llaborerae.

Nequam,

’97 ’98 ’99’00

soloriost

’01 ’02 ’03

am

’04’05

volupta

’06 ’07 ’08’09

tionsecum

’10 ’12 ’13 ’14

quassum apiendae ra etur molent ditatati quas

modiae apid moditatur sin re.ipis etus.

Tevreden Gelukkig

1)

In 2011 vond er een trendbreuk plaats.

Industrie Mens Hoofdstuktitel en energie welzijn 13 39


Helft hoge inkomens bezorgd over

financiële toekomst

Bijna zeven op de tien volwassenen geven

aan tevreden te zijn over hun financiële situatie,

twee op de tien zijn hier tevreden noch

ontevreden over en bijna één op de tien is hier

ontevreden over. Zes op de tien maken zich

wel eens zorgen over de financiële toekomst,

mensen met de hoogste inkomens overigens

minder vaak dan degenen met de laagste

inkomens. Toch is bijna de helft van de mensen

met een inkomen in de hoogste inkomensgroep

bezorgd over de financiële toekomst. Bij

mensen met de laagste inkomens is dat bijna

70 procent. Jongeren (18–24 jaar) en ouderen

(65-plus) maken zich minder zorgen dan

25–64-jarigen.

Regelmatige sporters meer tevreden

Over het algemeen geven mensen aan vaker

tevreden te zijn met hun psychische dan met

hun lichamelijke gezondheid (85 procent

tegenover 71 procent).

Regelmatige sporters zeggen vaker tevreden te

zijn met hun lichamelijke gezondheid dan

mensen die niet (regelmatig) sporten. Ook

overgewicht is van belang: mensen met matig

4.2 Mate van zorgen over de financiële toekomst

naar hoogte van het inkomen, 2013

1e kwartiel

(laagste inkomens)

4e kwartiel

(hoogste inkomens)

Veel zorgen

2e kwartiel

3e kwartiel

0 20 40 60 80 100

%

Weinig zorgen

Geen zorgen

4.3 Tevredenheid met de lichamelijke gezondheid

naar sportfrequentie, 2013

Wekelijks sporten

Maandelijks sporten

Minder dan maandelijks sporten

Zelden of nooit sporten

Tevreden

0 20 40 60 80 100

%

Niet tevreden, niet ontevreden

Ontevreden

40 Trends in Nederland 2015


4.4 Aandeel met vertrouwen in de Tweede Kamer,

politie en rechters naar opleidingsniveau, 2013

Lager onderwijs

Vmbo, avo onderbouw, mbo1

Mbo 2,3,4, havo, vwo

Hbo, wo bachelor

Wo master, doctor

Vertrouwen in Tweede Kamer

Vertrouwen in politie

0 20 40 60 80 100

%

Vertrouwen in rechters

4.5 Aandeel met vertrouwen in de Tweede Kamer,

politie en rechters naar leeftijd, 2013

%

100

80

60

40

20

0

18–24

25–34

35–44

45–54

55–64

65–74 75 of ouder

leeftijd in jaren

overgewicht en vooral mensen met ernstig

overgewicht zijn beduidend minder vaak

tevreden met hun lichamelijke gezondheid dan

mensen met een normaal gewicht. Sport en

overgewicht spelen ook bij de tevredenheid

met de psychische gezondheid een rol, maar

de verschillen zijn hierbij minder groot.

Meer vertrouwen in politie dan in politiek

Minder dan één op de drie volwassenen heeft

vertrouwen in de Tweede Kamer. Het vertrouwen

in rechters en politie is groter: ruim twee

op de drie geven aan vertrouwen in hen te

hebben. Hoogopgeleiden hebben meer vertrouwen

in instanties en de politiek dan lager

opgeleiden. Zo heeft 49 procent van de universitair

opgeleiden heel veel of tamelijk veel

vertrouwen in de Tweede Kamer tegenover

22 procent van de laagstopgeleiden. Daarnaast

hebben ouderen over het algemeen minder

vertrouwen dan jongeren. Dat geldt zowel voor

het vertrouwen in de Tweede Kamer als voor

het vertrouwen in politie en rechters.

Vertrouwen in Tweede Kamer

Vertrouwen in politie

Vertrouwen in rechters

Mens en welzijn 41


Mannen vaker eenzaam dan vrouwen

Ruim zeven op de acht volwassenen zijn

tevreden over hun sociale leven. Vrouwen zijn

hier wat vaker tevreden over dan mannen.

Slechts weinig mensen voelen zich eenzaam.

Mannen, vooral oudere mannen, zijn vaker

eenzaam dan vrouwen. Bij mannen neemt

de eenzaamheid vooral vanaf 55 jaar toe,

bij vrouwen vanaf 75 jaar.

4.6 Mate van eenzaamheid naar geslacht

en leeftijd, 2013

Mate van eenzaamheid 1)

Gemiddelde

Standaardfout

Totaal

18–24 jaar 1 ,3 0 ,1

25–34 jaar 1 ,4 0 ,1

35–44 jaar 1 ,6 0 ,1

45–54 jaar 1 ,8 0 ,1

55–64 jaar 2 ,1 0 ,1

65–74 jaar 2 ,1 0 ,1

75 jaar en ouder 2 ,6 0 ,1

Jj

75-plussers

meest eenzaam

Mannen

18–24 jaar 1 ,4 0 ,1

25–34 jaar 1 ,5 0 ,1

35–44 jaar 1 ,9 0 ,1

45–54 jaar 1 ,9 0 ,1

55–64 jaar 2 ,5 0 ,1

65–74 jaar 2 ,5 0 ,2

75 jaar en ouder 2 ,7 0 ,2

Vrouwen

18–24 jaar 1 ,1 0 ,1

25–34 jaar 1 ,4 0 ,1

35–44 jaar 1 ,4 0 ,1

45–54 jaar 1 ,7 0 ,1

55–64 jaar 1 ,7 0 ,1

65–74 jaar 1 ,8 0 ,2

75 jaar en ouder 2 ,5 0 ,2

1)

Gemeten op een schaal van 0 t/m 12

(0 = minst eenzaam, 12 = meest eenzaam).

42 Trends in Nederland 2015


4.7 Gemiddelde score op de persoonlijk welzijnsindex

naar achtergrondkenmerken, 2013

Totaal

Geslacht

Mannen

Vrouwen

Leeftijd

18–24 jaar

25–44 jaar

45–64 jaar

65 jaar of ouder

Herkomst

Autochtonen

Westerse allochtonen

Niet-westerse allochtonen

Hoogopgeleiden scoren best op welzijn

In de Persoonlijke Welzijnsindex zijn de scores

op acht dimensies tot één samenvattende score

herleid. Deze index heeft een waarde van 1 tot

en met 10, waarbij een 1 staat voor het laagste

welzijn en een 10 voor het hoogst mogelijke

welzijn. De gemiddelde welzijnsscore van de

volwassen bevolking is 7,1. De score van laag -

o pgeleiden en niet-westerse allochtonen is met

6,6 iets lager. Vooral onder hoogopgeleiden en

jongeren is het welzijnsgevoel relatief hoog.

Hoogopgeleiden scoren op bijna alle welzijnsdimensies

hoger dan lager opgeleiden.

Opleidingsniveau

Lager onderwijs

Vmbo, avo onderbouw, mbo1

Havo, vwo, mbo 2, 3, 4

Hbo, wo bachelor

Wo master, doctor

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10

score op welzijnsindex

Dd

7,5 gemiddelde

geluksscore academici

Mens en welzijn 43


4.8 Onveiligheidsgevoelens

naar geslacht, 2013

4.9 Mate van tevredenheid met de woonbuurt naar stedelijkheidsgraad

van de buurt, 2013

Mannen

11%

Totaal

14%

Zeer sterk stedelijk

Sterk stedelijk

Matig stedelijk

Weinig stedelijk

75%

Niet stedelijk

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Vrouwen

17%

Tevreden

Niet tevreden, niet ontevreden

63%

20%

Onveilig

Niet veilig, niet onveilig

Veilig

Cc

93% is tevreden met zijn koopwoning

Aa

78% is tevreden met zijn huurwoning

Ontevreden

%

44 Trends in Nederland 2015


4.10 Tevredenheid met het sociale leven naar

geslacht en leeftijd, 2013

%

100

80

60

40

20

0

18–24

25–34

35–44

45–54

55–64

65–74

75 of ouder

leeftijd in jaren

88% is tevreden

met zijn sociale leven

Gg

Mannen

Vrouwen

4.11 Tevredenheid met relatie partner naar geslacht

en leeftijd, 2013

%

Ee

100

80

60

40

9 op 10

samenwoners zijn gelukkig

20

0

18–24

25–34

35–44

45–54

55–64

65–74

75 of ouder

leeftijd in jaren

Mannen

Vrouwen

Mens en welzijn 45


11ç

Gezondheid en welzijn

4,7 km is de gemiddelde afstand

tot het dichtstbijzijnde ziekenhuis

5,2 dagen duurde in 2012

gemiddeld een ziekenhuisopname

67% van de mensen kreeg in

2013 een voorgeschreven geneesmiddel


De feiten op een rij

De feiten op een rij

Bevolking

De industrie herstelt zich in 2010

80

De Nederlandse bevolking economisch in 2014 sneller herstel. Over het hele jaar was de Es min cum, nonsequ issitatatis sam debisi

gegroeid dan in eerdere jaren, omzet vooral 14 procent als gevolg hoger bij ruim 8,5 procent

van immigratie. Er kwamen hogere bijna afzetprijzen. 73 duizend Ook de orderontvangsten

personen bij. Het aantal geboorten waren aanzienlijk nam voor hoger dan in 2009. Het

het eerst in vijf jaar toe, het herstel aantal zette immigranten

zich op de exportmarkten

bereikte zelfs een recordhoogte. sterker door dan in het binnenland. Wel bleef

Vorig jaar kwamen ruim 181 de gemiddelde duizend personen maandomzet in 2010 nog

naar ons land. Het aantal verwijderd mensen dat van Nederland

omzetniveaus van voor de Ulparci atusam erspides et volupta dolore

verliet bleef, met 144 duizend, economische ongeveer crisis. gelijk.

Per saldo vestigden ruim 37 duizend personen

x 1 000

Voor de industrie stond 2010 100 in het teken van

zich in ons land. Dit migratiesaldo De productie was in bijna de industrie nam met bijna 6,5 nihillorro min pa volut inis eturemque nia adio

4.13 Emigratie van autochtonen en allochtonen

tweemaal zo hoog als in 2013. procent De toe. grootste Van alle branches produceerden es essequid.

groep immigranten, 24 duizend alleen personen, de meubelindustrie was en de hout- en

afkomstig uit Polen. Hun aantal bouwmaterialen was zelfs groter industrie minder dan in 2009.

dan de bijna 22 duizend autochtone De groei van remigran-

de tansportmiddelenindustrie

ten. Veel mensen van Poolse was komaf met 23 verlieten procent het sterkst. Ondanks de

Nederland ook weer, maar positieve per saldo omzet- kwamen

productie ontwikkelingen

er bijna 12 duizend Polen herstelde bij. Inmiddels het producenten zijn de vertrouwen 0 zich modiae apid moditatur sin re.ipis etus.

Polen in omvang de vijfde in groep 2010 immigranten,

moeizaam. Tot augustus waren 2000 de

na ingezetenen die in Turkije, ondermnemers Marokko, Suriname

en Indonesië zijn geboren. negatief. Daarna krabbelde de

van de industrie over wegend

stemmingsindicator

langzaam op.

Het energieverbruik was niet eerder zo hoog

4.12 Immigratie van Tem autochtonen fugitis qui custem en allochtonen

et earchillita quittount.

60

40

20

0

x 1 000

100

80

60

40

20

2000

2002

Autochtonen

2004

Niet-westerse allochtonen

2002

Autochtonen

Niet-westerse allochtonen

Unitunt apita quia dolorio omnim voloris atem.

Ut litatio. Dem labo. Opta dunt, erferi dicidunt.

blandi tium voluptassum quossin plam con

nulpa in re nientur ad el ent ut quo que

voloressit volo es volest, utem hillis estios es

doloreria sequi ommosto modit vel et voluptus

2006

magnimus.

2008

2010

Westerse allochtonen

2012

2014*

laccuscil inimint ut fugit qui repersp errorum et

dernati nctest, corepreria nostias ilit qui cusam

Sut fugiass incit, sus quas nullabor sinveliquae.

Feratur, cus sum quiaspe dignimi llaborerae.

Nequam, soloriost am volupta tionsecum

quassum apiendae ra etur molent ditatati quas

2004 2006 2008 2010 2012 2014*

Westerse allochtonen

Industrie Mens Hoofdstuktitel en energie welzijn 15 47


miljoen

4.14 Belangrijkste reden voor vertrek autochtonen

met emigratieplannen, 2013

29% 35%

2%

2%

11%

3%

16%

3%

Werk

Familie of vrienden

Ruimte, rust, stilte of natuur

Belastingdruk

Opleiding

Te vol in Nederland

Verloedering of criminaliteit

Anders

Gg

181 363

immigranten in 2014

143 940

Ff

emigranten in 2014

4.15 Allochtonen in Nederland, 1 januari 2015*

Westerse landen

Indonesië

Duitsland

Polen

België

Verenigd Koninkrijk

Voormalig Joegoslavië

Voormalig Sovjet-Unie

Italië

Frankrijk

Spanje

Verenigde Staten

Portugal

Bulgarije

Roemenië

Hongarije

Griekenland

Voorm. Tsjecho-Slowakije

Niet-westerse landen

Turkije

Marokko

Suriname

Nederlandse Antillen

China

Irak

Afghanistan

Somalië

Iran

India

Syrië

0 100 200 300 400 500

x 1 000

Eerste generatie

Tweede generatie

48 Trends in Nederland 2015


4.16 Kerncijfers bevolking

4.18 Bevolkingsprognose

2012 2013 2014*

x 1 000

Bevolking op 1 januari 16 730 16 780 16 829

Geboorte 176 171 175

Sterfte 141 141 139

Immigratie 158 165 181

Emigratie 144 146 144

Saldo overige correcties −34 −28 −24

2015 2040 2060

x 1 000

Bevolking, 1 januari 16 902 17 983 18 057

jonger dan 20 jaar 3 828 3 891 3 826

20–39 jaar 4 135 4 241 4 376

40–64 jaar 5 931 5 098 5 163

65–79 jaar 2 273 3 145 2 735

80 jaar of ouder 735 1 607 1 958

Totale groei 49 50 73

Bevolking op 31 december 16 780 16 829 16 902

4.17 Bevolking naar leeftijd, 1 januari 2015*

miljoen

4%

13%

23%

Jonger dan 20 jaar

20–39 jaar

40–64 jaar

65–79 jaar

80 jaar of ouder

35%

24%

Bevolking, jaarmutatie 73 10 9

waaronder

levendgeborenen 175 185 193

overledenen 139 193 199

geboorte-overschot 36 −8 −6

immigratie 181 185 187

emigratie (incl. administratieve correcties) 144 168 171

migratiesaldo (incl. administratieve correcties) 37 17 15

kinderen per vrouw

Totaal vruchtbaarheidscijfer 1 ,71 1 ,75 1 ,75

jaren

Levensverwachting bij de geboorte

mannen 79 ,9 84 ,0 86 ,9

vrouwen 83 ,3 86 ,8 89 ,7

%

Bevolking, 1 januari

jonger dan 20 jaar 22 ,6 21 ,6 21 ,2

20–64 jaar 59 ,6 51 ,9 52 ,9

65 jaar of ouder 17 ,8 26 ,4 26 ,0

Mens en welzijn 49


4.19 Gemiddelde leeftijd bij eerste

huwelijkssluiting

jaren

38

36

34

32

4.21 Alleenstaanden/alleenstaande ouders met

een lat-relatie, naar leeftijd, 2013

18–79 jaar

18–29 jaar

30

30–39 jaar

0

’00

’01

’02

’03

’04

’05

’06

’07

’08

’09

’10

’11

’12

’13

’14

40–49 jaar

50–64 jaar

65–79 jaar

Vrouwen

Mannen

0 5 10 15 20 25 30 35 40

%

4.20 Huwelijken (incl. partnerschappen) en

flits/echtscheidingen, 2000–2014

x 1 000

100

80

60

40

20

0

’00

’01

’02

’03

’04

’05

’06

’07

’08

’09

’10

’11

’12

’13

’14*

22,5% van de

alleenstaanden heeft lat-relatieBb

Echtscheidingen

Huwelijken

50 Trends in Nederland 2015


4.22 Verwachtingen van twintigers over

relatievorming, 2013

4.24 Demografische druk

%

60

20%

2% 3%

Getrouwd of wil trouwen

Woont samen of wil uiteindelijk

samenwonen

Wil uiteindelijk latten

50

40

30

Wil geen relatie/weet het niet

20

10

75%

0

Groene druk (aantal

0–19-jarigen t.o.v.

aantal 20–64-jarigen)

Grijze druk (aantal personen

van 65 jaar of ouder t.o.v.

aantal 20–64-jarigen)

4.23 Particuliere huishoudens naar grootte,

1 januari 2015*

1995

2015*

2035

2055

Totaal 7,7 miljoen

12%

12%

5%

33%

38%

1 persoon

2 personen

3 personen

4 personen

5 personen of meer

24 760

daklozen in 2013Aa

Mens en welzijn 51


Gezondheid en welzijn

Het aantal ziekenhuisopnamen voor kanker

verdubbelde in 2002–2012. Het steeg van bijna

200 duizend naar iets meer dan 400 duizend

opnamen. Als rekening wordt gehouden met de

veranderende bevolkingssamenstelling in die

periode, steeg het aantal opnamen met

ongeveer 75 procent. Het gaat bij de toename

vooral om meer dagopnamen, dit aantal

verdriedubbelde in 2002–2012. In 2012 was

62 procent van de opnamen voor kanker een

dagopname, tien jaar eerder lag dat aandeel

nog op 40 procent.

Ook het aantal opnamen voor hart- en vaatziekten

nam toe, van 284 duizend in 2002 naar

395 duizend in 2012. Rekening houdend met de

veranderde bevolkingssamenstelling komt dit

neer op een toename van 16 procent en is

daarmee kleiner dan voor kanker. Ook voor

hart- en vaatziekten steeg vooral het aantal

dagopnamen. In de meeste gevallen echter

verbleven mensen hiervoor een of meer

nachten in het ziekenhuis, in 2012 was bijna

70 procent een klinische ziekenhuisopname.

4.25 Overledenen naar doodsoorzaak, 2013*

Mannen Vrouwen

x 1 000

Totaal 68 ,4 72 ,9

Kanker 22 ,9 19 ,5

waarvan

luchtpijp en long 6 ,2 4 ,1

prostaat 2 ,5

borst 3 ,2

Ziekten van ademhalingsorganen 6 ,3 6 ,0

Ziekten van hart en vaatstelsel 18,0 20 ,4

waarvan

acuut hartinfarct 3 ,2 2 ,5

hersenvaatletsels 3 ,7 5 ,7

Ziekten van spijsverteringsorganen 2 ,1 2 ,4

Psychische stoornissen 3 ,4 7 ,0

Uitwendige doodsoorzaken 3 ,6 2 ,9

waarvan

wegverkeersongevallen 0 ,4 0 ,1

zelfdoding 1 ,3 0 ,5

Overige doodsoorzaken 12 ,1 14 ,7

52 Trends in Nederland 2015


4.26 Meest voorkomende langdurige

aandoeningen, 2014

4.28 Personen aan wie een middel tegen migraine

is verstrekt naar leeftijd, 2013*

%

Allergie

Hoge bloeddruk

Migraine of ernstige

hoofdpijn

Gewrichtsslijtage van

heupen of knieën

6

5

4

3

2

1

0

0–14

15–24

25–34

35–44

45–54

55–64

65–74

75-plus

leeftijd in jaren

0 5 10 15 20

%

Vrouwen

Mannen

Mannen

Vrouwen

4.27 Gezonde levensverwachting, 2013

4.29 Levensverwachting bij geboorte

Levensverwachting

(totaal)

In als goed ervaren

gezondheid

Zonder lichamelijke

beperkingen

Zonder chronische

ziektes

jaren

100

80

60

40

20

0

Prognose →

In goede geestelijke

gezondheid

1995

2005

2015

2025

2035

2045

2055

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

jaren

Mannen

Vrouwen

Mannen

Vrouwen

Mens en welzijn 53


4.30 Banen van werknemers in de zorg

2009=100

125

120

115

110

105

100

95

90

2009

2010

2011

2012**

2013*

4.32 Personen met AWBZ/Wmo-gefinancierde

zorg naar leeftijd, 2013*

%

100

80

60

40

20

0

65–79

80–84

85–89

90 of ouder

leeftijd in jaren

Niet-verplicht geregistreerde beroepen

Verpleegkundigen

Artsen en tandartsen

Totaal

Zorg zonder verblijf

Zorg met verblijf

Overige (para) medische beroepen

4.31 Gemiddelde winst van zelfstandig werkzame

medisch specialisten

x 1 000 euro

300

250

200

150

100

50

0

2001 2002 2003

2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012*

b

41 500

fysiotherapeuten in 2013B

54 Trends in Nederland 2015


4.33 Overgewicht naar leeftijd, 2014

Totaal

4.34 Overgewicht onder de bevolking vanaf 4 jaar

%

50

40

4–11 jaar

12–15 jaar

16–19 jaar

20–29 jaar

30

20

10

30–39 jaar

0

40–49 jaar

1981

1985

1989

1993

1997

2001

2005

2009

2014

50–54 jaar

55–64 jaar

65–74 jaar

75 jaar of ouder

Matig overgewicht

Ernstig overgewicht

0 10 20 30 40 50 60 70

%

Matig overgewicht

Ernstig overgewicht

4.35 Rokers (bevolking van 12 jaar en ouder)

%

40

30

20

10

0

2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

Rokers

(


4.36 Zware en overmatige drinkers van alcohol

naar leeftijd, 2014

Totaal

12–15 jaar

16–19 jaar

20–29 jaar

30–39 jaar

40–49 jaar

50–54 jaar

55–64 jaar

65–74 jaar

4.37 Uitgaven aan zorg

2012 2013** 2014*

mld euro

Totaal 92,9 93,3 95,0

Ziekenhuizen, specialistenpraktijken 24,3 25,4 26,0

Ouderenzorg 17,2 17,4 17,8

Gehandicaptenzorg 9,5 9,5 9,6

Praktijk eerstelijn 7,7 7,5 7,7

Geestelijke gezondheidszorg 6,6 6,6 6,6

Overig 27,6 26,8 27,4

euro

Per hoofd van de bevolking 5 543 5 551 5 630

%

Als percentage van het bbp 14,5 14,5 14,5

75 jaar of ouder

0 5 10 15 20

%

Overmatige drinker (gemiddeld veel alcohol)

Zware drinker (veel alcohol op één dag)

14% van de 12–15-jarigen

Cc

drinkt wel eens alcohol

56 Trends in Nederland 2015


Vrije tijd en cultuur

In 2014 ging 80 procent van de Nederlanders

één of meer keren met vakantie. De vakantiegangers

gingen gemiddeld 2,8 keer op

vakantie, vooral naar Europese bestemmingen.

Bijna de helft van in totaal ruim 35 miljoen

vakanties werd in eigen land doorgebracht.

Bij de buitenlandse vakanties was Duitsland in

2014 net als in voorgaande jaren favoriet, met

3,4 miljoen vakanties. Frankrijk volgt met

2,6 miljoen en Spanje met 1,9 miljoen vakanties.

Een groot deel van de buitenlandse vakanties

wordt traditioneel in het Middellandse Zeegebied

doorgebracht. Spanje, Italië, Griekenland

en Turkije zijn hier de belangrijkste bestemmingen.

Zij zijn samen goed voor 4,4 miljoen

vakanties.

Vakantiegangers gaven gemiddeld 702 euro per

persoon uit aan buitenlandse vakanties. Vakanties

in Nederland waren met 166 euro per

vakantieganger een stuk goed koper.

4.38 Toptien vakantielanden van Nederlanders

Oostenrijk

Groot-Brittannië

Griekenland

2014

Duitsland

Frankrijk

Spanje

België

Italië

Turkije

Portugal

0 0,5 1,0 1,5 2,0 2,5 3,0 3,5

mln vakanties

2013

4.39 Gemiddeld aantal overnachtingen per dag in

logiesaccommodaties, 2014*

x 1 000

600

500

400

300

200

100

0

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Vanuit Nederland

Vanuit buitenland

Mens en welzijn 57


4.40 Nederlandse en buitenlandse hotelgasten per

provincie, 2014

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Flevoland

Noord-Brabant

Utrecht

Groningen

Limburg

Overijssel

Gelderland

Friesland

Drenthe

Buitenlandse gasten

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Nederlandse gasten

%

4.42 Hotels

2012 2013 2014*

aantal

Hotels, pensions en

jeugdaccommodaties

Accommodaties 3 505 3 510 3 561

Slaapplaatsen 236 823 244 145 252 115

gemiddeld aantal per dag x 1 000

Gasten 58 59 63

Nederlandse 31 32 33

buitenlandse 27 27 30

Overnachtingen 100 102 109

Nederlandse gasten 51 52 54

buitenlandse gasten 49 50 55

Zakelijke overnachtingen in hotels

Totaal Nederland 43 44 45

waarvan in Amsterdam 11 12 13

4.41 Buitenlandse gasten in Nederlandse

logiesaccommodaties, 2014

Totaal 14,0 mln

9%

10%

13%

13%

26%

29%

Duitsland

Overig Europa

Verenigd Koninkrijk

België

Noord-, Midden- en Zuid-Amerika

Azië, Australië en Afrika

Aa

984 000

hotelgasten uit de VS in 2014

58 Trends in Nederland 2015


4.43 Vakanties van Nederlanders

Eenheid 2012 2013 2014

Vakanties in Nederland

Aantal vakanties x 1 000 18 120 17 490 17 176

Totale uitgaven mld euro 3 3 3

Uitgaven per vakantieganger euro 157 163 166

Vakanties in het buitenland

Aantal vakanties x 1 000 18 628 18 093 17 933

Totale uitgaven mld euro 13 13 13

Uitgaven per vakantieganger euro 692 697 702

Totaal aantal vakanties x 1 000 36 748 35 583 35 109

Gemiddeld aantal vakanties

per deelnemer aantal 2 ,87 2 ,79 2 ,80

Gemiddeld aantal lange

vakanties per deelnemer aantal 1 ,96 1 ,94 1 ,93

Gemiddeld aantal korte

vakanties per deelnemer aantal 2 ,04 1 ,98 2 ,01

4.44 Bevolking van 18 jaar of ouder naar kerkelijke

gezindte

%

50

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

2004

2005

2006

Gereformeerd

2007

2008

Protestantse Kerk in Nederland

Nederlands hervormd

2009

2010

2011

2012

2013

Overige kerkelijke gezindten

Rooms-katholiek

Geen kerkelijke gezindte

Aa

56% van de bevolking ging meer dan

één keer op vakantie in 2014

Mens en welzijn 59


4.45 Aantal openbare bibliotheken en uitleningen

400

350

300

250

200

150

100

50

0

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

x 1 000

160

140

120

100

80

60

40

20

0

4.46 Aandeel vrijwilligers onder de bevolking van

18 jaar of ouder naar achtergrondkenmerken,

2014

Geslacht

Man

Vrouw

Leeftijd

18–24 jaar

Openbare bibliotheken (linkeras)

Uitleningen (rechteras)

25–34 jaar

35–44 jaar

45–54 jaar

55–64 jaar

82% van de sportclubs

zette in 2013 vrijwilligers in

Dd

65–74 jaar

75 jaar of ouder

Stedelijkheid buurt

Niet

Weinig

Matig

Sterk

Zeer sterk

0 10 20 30 40 50 60

%

60 Trends in Nederland 2015


4.47 Bezoeken aan voorstellingen

x mln

10

9

8

7

6

5

4

3

2

1

0

’99

’00

’01

’02

’03

’04

’05

’06

’07

’08

’09

’10

’11

’12

’13

Dans- en bewegingsvoorstellingen

Bezoeken aan overige voorstellingen

Cabaret- en kleinkunstvoorstellingen

Muziektheatervoorstellingen

Theatervoorstellingen

Muziekvoorstellingen

26 484 000

bezoeken aan musea in 2013Cc

Mens en welzijn 61


4.48 Contact met familie, vrienden en buren, 2014

%

100

90

80

4.49 Gebruik van sociale media naar leeftijd, 2014

Berichten plaatsen op

chat site of discussieforum

70

60

50

Weblogs lezen of schrijven

40

30

20

10

Tekstberichten uitwisselen

0

Familie

Vrienden

Buren

Professioneel netwerk

Dagelijks

Minstens 1x per week

Minstens 1x per maand

Minder dan 1x per maand

Zelden of nooit

Ander sociaal netwerk

12–24 jaar

25–44 jaar

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

%

45–64 jaar

75 jaar of ouder

65–74 jaar

62 Trends in Nederland 2015


4.50 Gebruik van mobiel internet

4.52 Online winkelen internationaal, 2014

% van internetgebruikers

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

2009 2010

2011

2012

2013

2014

Verenigd Koninkrijk

Denemarken

Zweden

Duitsland

Nederland

Finland

Frankrijk

België

EU-27

Spanje

Portugal

Italië

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

% van internetgebruikers 16–74 jaar

Tablet

Laptop

Smartphone

Bron: Eurostat.

4.51 Gebruik van sociale media, 2014

Tekstberichten

uitwisselen

Ander sociaal

netwerk

Professioneel

netwerk

Berichten plaatsen op chat site

of discussieforum

Weblogs lezen

of schrijven

90% van de bevolking

Dd

is

elke dag online

0 10 20 30 40 50 60 70 80

% van internetgebruikers

Mens en welzijn 63


Vandalisme

45% minder vandalisme

geregistreerd in 2014 dan in 2005

62% minder mensen verdacht

van vandalisme in 2013 dan in 2005

16 64 Trends in Nederland 2015


5. Publieke sector

Trends

De Minder industrie misdrijven, herstelt minder zich in slachtoffers

2010

Voor Het aantal de industrie geregistreerde stond 2010 misdrijven in het teken vertoont van

economisch al jaren een herstel. dalende Over trend. het Ook hele het jaar aandeel was de

omzet slachtoffers 14 procent van veel hoger ondervonden bij ruim 8,5 criminaliteit

procent

hogere daalt al afzetprijzen. tien jaar haast Ook onafgebroken. de orderontvangsten Niet

waren anders aanzienlijk dan tien jaar hoger geleden dan in zijn 2009. zowel Het de

herstel geregistreerde zette zich als op ondervonden exportmarkten criminaliteit en

sterker onveiligheidsgevoelens door dan in het binnenland. steden een Wel groter bleef

de probleem gemiddelde dan in maandomzet de rest van Nederland.

in 2010 nog

verwijderd van de omzetniveaus van voor de

economische Minder geregistreerde crisis. misdrijven

In 2014 registreerde de politie 1 miljoen

De mis productie drijven, 7 in procent de industrie minder nam dan met in 2013 bijna en 6,5

procent de sterkste toe. daling Van alle van branches de afgelopen produceerden tien jaar.

alleen De geregistreerde meubelindustrie criminaliteit en de vertoont hout- en al jaren

bouwmaterialen een dalende trend industrie en is het minder afgelopen dan in decennium

groei met van een de kwart tansportmiddelenindustrie

afgenomen. Werden in

2009.

De

was 2005 met nog 23 bijna procent 46 gevallen het sterkst. van Ondanks diefstal en de

positieve inbraak zonder omzet- geweld en productie geregistreerd ontwikkelingen op iedere

herstelde duizend Nederlanders, het producenten in 2014 vertrouwen waren dat zich 34 op

in de 2010 duizend moeizaam. mensen. Tot Ook augustus het aantal waren registraties de

ondermnemers van vernieling en van beschadiging, de industrie gewelds- langzaam en op.

Het energieverbruik was niet eerder zo hoog

Tem fugitis qui custem et earchillita quittount.

Unitunt seksuele apita misdrijven quia dolorio en verkeers- omnim en voloris drugs-

atem.

Ut misdrijven litatio. Dem daalde labo. de Opta afgelopen dunt, erferi tien jaar dicidunt. fors.

Es min cum, nonsequ issitatatis sam debisi

blandi tium voluptassum quossin plam con

5.1 Aantal geregistreerde misdrijven

nulpa in re nientur ad el ent ut quo que

x 1 000

voloressit volo es volest, utem hillis estios es

1 500

doloreria sequi ommosto modit vel et voluptus

magnimus.

1 200

Ulparci atusam erspides et volupta dolore

laccuscil inimint ut fugit qui repersp errorum et

900

dernati nctest, corepreria nostias ilit qui cusam

nihillorro min pa volut inis eturemque nia adio

es essequid.

600

Sut fugiass incit, sus quas nullabor sinveliquae.

Feratur,

300

cus sum quiaspe dignimi llaborerae.

Nequam, soloriost am volupta tionsecum

quassum apiendae ra etur molent ditatati quas

0

modiae apid moditatur sin re.ipis etus.

2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014

Internationale Publieke Hoofdstuktitel handel sector 17

65


5.2 Aantal geregistreerde misdrijven per 1 000 inwoners

50

40

30

20

10

0

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Vermogensmisdrijven

Gewelds- en seksuele misdrijven

Verkeersmisdrijven

(Vuur-)wapenmisdrijven

Vernielingen, misdr.openb.orde/gezag

Misdrijven WvSr (overig)

Drugsmisdrijven

Misdrijven overige wetten

Minder criminaliteit in grote steden

In de vier grote steden (G4) komt criminaliteit relatief gezien

nog steeds het vaakst voor. In 2014 werden in Amsterdam

115 misdrijven per duizend inwoners geregistreerd, voor

heel Nederland was dit aantal 60. In Rotterdam, Utrecht en

Den Haag werden tussen de 95 en 100 misdrijven per

duizend inwoners geregistreerd. Maar ook in de grote

steden is het aantal geregistreerde misdrijven de afgelopen

tien jaar afgenomen. Het aantal geregistreerde misdrijven

per duizend inwoners daalde in Den Haag en Amsterdam

met respectievelijk 18 en 19 procent, in Rotterdam met meer

dan een kwart en in Utrecht met bijna 40 procent. Landelijk

werden 28 procent minder misdrijven per duizend inwoners

geregistreerd.

Minder slachtoffers

Niet alleen het aantal geregistreerde misdrijven daalt, ook

het aantal mensen dat naar eigen zeggen slachtoffer was

van criminaliteit is in de periode 2005–2014 gedaald. Met

behulp van enquêtes meet CBS hoe vaak personen van

15 jaar en ouder naar eigen zeggen slachtoffer waren van

criminaliteit, aangezien niet alle delicten in politieregistra-

66 Trends in Nederland 2015


5.3 Daling geregistreerde misdrijven per 1 000 inwoners,

2005–2014

Minder dan 10%

10 tot 20%

20 tot 30%

30 tot 40%

40% en meer

Niet beschikbaar

ties terechtkomen. In 2005 zeiden bijna drie op

de tien Nederlanders slachtoffer te zijn geweest

van een misdrijf, in 2014 minder dan twee op

de tien, een daling van ruim 30 procent.

Tegelijk met de daling van het aandeel slachtoffers

namen de onveiligheids gevoelens af, zij

het iets minder sterk. Gaf in 2005 nog bijna de

helft van de Nederlanders aan zich wel eens

onveilig te voelen, in 2014 voelde ruim een op

de drie zich wel eens onveilig.

Meeste slachtoffers in grote steden

In de vier grote steden geven relatief meer

inwoners aan slachtoffer te zijn geweest van

veel voorkomende criminaliteit dan landelijk

gemiddeld. In totaal is 28 procent van de

inwoners in de G4 eenmaal of vaker slachtoffer

geweest van een delict. Het landelijk gemiddelde

is 19 procent. Dit is in lijn met de politieregistraties

waarin relatief meer misdrijven

worden geregistreerd in grote steden. Ook in

veel andere gemeenten met meer dan

70 duizend inwoners zijn mensen vaker dan

gemiddeld slachtoffer geweest van een misdrijf.

In Amsterdam ligt het slachtofferschap met

31 procent ver boven het landelijk gemiddelde.

Publieke sector 67


Bijna 36 procent van de Nederlanders voelt zich

wel eens onveilig. In vier op de vijf ge meenten

met meer dan 70 duizend inwoners is dit

per centage hoger. In Maastricht voelt bijna

48 procent van de inwoners zich wel eens on -

veilig. Ook in Gouda, Utrecht en Leidschendam-

Voorburg voelen relatief veel inwoners zich wel

eens onveilig. Er zijn echter ook 70-duizendplusgemeenten

waar inwoners zich veiliger

voelen dan gemiddeld: in Súdwest Fryslân voelt

maar 27 procent van de inwoners zich wel eens

onveilig.

5.4 Onveiligheidsbeleving in de

woonplaats, 2014

In eigen huis

In winkelgebied

In centrum van

woonplaats

In openbaar vervoer

Bij treinstation

Rondom uitgaansgelegenheden

Op hangplekken

Vrouwen

0 10 20 30 40 50

% wel eens onveilig

Mannen

5.5 Slachtofferschap criminaliteit en onveiligheidsgevoelens

2005=100

100

90

80

70

60

50

2005

2006

2007

Slachtofferschap totaal

2008

2009

5.6 Geregistreerde criminaliteit

2010

2011

Onveiligheidsgevoelens

2012

2013

2012* 2013* 2014*

x 1 000

Totaal misdrijven, geregistreerd door politie

en Koninklijke Marechaussee 1 138 1 087 1 001

Vermogensmisdrijven 697 682 621

waarvan

diefstal en inbraak met geweld 15 13 10

diefstal en inbraak zonder geweld 637 632 574

Vernielingen, misdrijven tegen openbare orde

en gezag 162 140 133

Gewelds- en seksuele misdrijven 110 102 96

Misdrijven Wetboek van Strafrecht (overig) 12 11 12

Verkeersmisdrijven 130 124 114

Drugsmisdrijven 17 16 16

(Vuur)wapenmisdrijven 7 6 6

Misdrijven overige wetten 4 4 3

2014

68 Trends in Nederland 2015


5.7 Slachtofferschap criminaliteit en onveiligheidgevoelens in gemeenten met meer dan 70 duizend

inwoners, 2014

Meeste slachtoffers

Amsterdam

Leeuwarden

Groningen

Utrecht

Delft

Maastricht

Rotterdam

Breda

's-Gravenhage

Oss

Nederland totaal

Roosendaal

Emmen

Alphen aan den Rijn

Spijkenisse

Ede

Súdwest Fryslân

Apeldoorn

Westland

Leidschendam-

Voorburg

Zoetermeer

Slachtofferschap

0 10 20 30 40 50

Onveiligheidsgevoelens

%

Meeste onveiligheidgevoelens

Maastricht

Gouda

Leidschendam-Voorburg

Utrecht

Rotterdam

Heerlen

Nijmegen

Hilversum

’s-Gravenhage

Sittard-Geleen

Nederland totaal

Haarlemmermeer

Purmerend

Emmen

Helmond

Almelo

Apeldoorn

Oss

Westland

Deventer

Súdwest Fryslân

0 10 20 30 40 50

%

Onveiligheidsgevoelens

Slachtofferschap

Publieke sector 69


11ç

Gediplomeerden

in 2013/’14

177 628

mbo-gediplomeerden

65 757

hbo-gediplomeerden

71 338

wo-gediplomeerden


De feiten op een rij

De feiten op een rij

De industrie herstelt zich in 2010

Unitunt apita quia dolorio omnim voloris atem.

Onderwijs

Voor de industrie stond 2010 5.8 in het Onderwijsuitgaven teken van Ut litatio. per Dem einddiploma, labo. Opta dunt, 2013* erferi dicidunt.

Het voortgezet onderwijs (vo) economisch veranderde herstel. tijdens Over het hele jaar was de Es min cum, nonsequ issitatatis sam debisi

de twintigste eeuw steeds omzet meer van 14 procent elite-onder-

hoger bij ruim 8,5 procent

wijs naar onderwijs voor velen. hogere De afzetprijzen. groei van het Ook de orderontvangsten

aantal leerlingen aan het begin waren van aanzienlijk de twintig-

hoger dan in 2009. Het

ste eeuw hing samen met herstel de industrialisatie; zette zich op de de exportmarkten

vraag naar geschoolde arbeids sterker krachten door dan nam in toe. het binnenland. Wel bleef

Na de Tweede Wereldoorlog de steeg gemiddelde het aantal maandomzet in 2010 nog

leerlingen explosief. Naast verwijderd economische van de groei omzetniveaus van voor

Hbode

Ulparci atusam erspides et volupta dolore

en de verlenging van de leerplicht economische zorgden crisis. de

invoering van de Mammoetwet (1968) en het

aantal babyboomers ervoor De dat productie het aantal in de industrie nam met bijna 6,5

leerlingen in het vo steeg. procent Bestaande toe. onderwijs-

Van alle branches produceerden

soorten als mulo, mms en alleen hbs werden meubelindustrie vervangen en de hout- en

door mavo (nu vmbo-t), havo bouwmaterialen en atheneum, industrie minder

5.9

dan

Voortgezet

in 2009.

onderwijs

Sut fugiass incit, sus quas nullabor sinveliquae.

waarbij het atheneum een De jaar groei langer van duurde de tansportmiddelenindustrie Feratur, cus sum quiaspe dignimi llaborerae.

dan de hbs. Het lager beroeps was onderwijs met 23 procent (nu het sterkst. Ondanks de

vmbo-bkg) viel voortaan ook positieve onder omzet- het vo. De en productie ontwikkelingen

brugklas werd geïntroduceerd herstelde en leerlingen het producenten vertrouwen zich

konden makkelijker stapelen. in 2010 Vanaf moeizaam. halverwege Tot augustus waren de

de jaren tachtig trad een verzadiging ondermnemers op: het van de industrie over wegend

aantal leerlingen fluctueerde negatief. met de Daarna bevolkings-

krabbelde de stemmings-

aantallen van de overeenkomstige indicator leeftijdsgroep.

langzaam op.

Primair onderwijs

Vmbo

Havo

Vwo

Wo bachelor

Wo master

Het energieverbruik was niet eerder zo hoog

Tem fugitis qui custem et earchillita quittount.

blandi tium voluptassum quossin plam con

nulpa in re nientur ad el ent ut quo que

voloressit volo es volest, utem hillis estios es

doloreria sequi ommosto modit vel et voluptus

magnimus.

laccuscil inimint ut fugit qui repersp errorum et

dernati nctest, corepreria nostias ilit qui cusam

nihillorro min pa volut inis eturemque nia adio

es essequid.

0 30 60 90 120 150

Eenheid 2012/’13 2013/ ’14 2014/ ’15

Nequam, soloriost am volupta tionsecum

Onderwijsinstellingen* absoluut 658 658 .

Leerlingen** x 1 000 961 974 981

Algemeen leerjaar 410 414 441

Vwo 162 161 164

Havo 154 157 160

Vmbo-gt 108 112 114

Vmbo-bk 100 102 100

Praktijkonderwijs 28 29 29

1 000 euro

quassum apiendae ra etur molent ditatati quas

modiae apid moditatur sin re.ipis etus.

Industrie Publieke Hoofdstuktitel en energie sector 19 71


5.10 Aantal leerlingen en percentage 12–17-jarigen in het voortgezet onderwijs vanaf 1900

x 1 000 %

1 500

100

1 200

900

600

300

0

80

60

40

20

0

1900/’01

1915/’16

1930/’31

1945/’46

1960/’61

1975/’76

1990/’91

2005/’06

2014/’15*

Aantal vo-leerlingen (linkeras)

Aandeel vo-leerlingen op het totaal aantal 12–17-jarigen van de bevolking (rechteras)

5.11 Uitgaven aan onderwijsinstellingen per deelnemer

Primair onderwijs

Voortgezet onderwijs en mbo

Hoger onderwijs

€ 166 900 kostte

een masterdiploma in 2013

Cc

Hoger onderwijs

excl. R&D

0 2 4 6 8 10 12 14 16

1 000 euro

2011

2012

2013*

72 Trends in Nederland 2015


5.12 Onderwijsniveau bevolking van 15–74 jaar,

2014

18%

10%

1%

10%

21%

Basisonderwijs

Vmbo, mbo 1, avo-onderbouw

Havo, vwo, mbo 2–4

Hbo, wo bachelor

Hbo, wo master, doctor

Onbekend

5.14 Uitgaven aan onderwijs

2011 2012 2013*

mln euro

Totaal 39 971 40 465 41 741

Door overheid 33 187 33 091 34 327

waarvan aan

primair onderwijs 10 881 10 812 11 142

voortgezet onderwijs, mbo 13 850 14 062 14 519

hoger onderwijs 8 456 8 218 8 666

40%

5.13 Primair onderwijs

Eenheid 2011/’12 2012/’13 2013/’14

Onderwijsinstellingen** absoluut

Basisonderwijs 6 808 6 743 6 651

Speciaal basisonderwijs 304 296 291

Speciale scholen 327 322 321

Leerlingen* x 1 000

Basisonderwijs 1 517 1 498 1 477

Speciaal basisonderwijs 42 40 38

Speciale scholen 70 70 71

Door huishoudens 3 231 3 780 3 812

waarvan aan

primair onderwijs 324 361 388

voortgezet onderwijs, mbo 1 411 1 361 1 386

hoger onderwijs 1 497 2 058 2 038

Door bedrijven 3 032 3 233 3 271

waarvan aan

primair onderwijs 41 60 63

voortgezet onderwijs, mbo 1 540 1 711 1 680

hoger onderwijs 1 450 1 461 1 527

Door buitenland 521 360 331

waarvan aan

primair onderwijs 21 27 13

voortgezet onderwijs, mbo 234 45 14

hoger onderwijs 266 288 305

%

In % bbp (vóór NR-revisie) 6 ,7 6 ,3 6 ,5

Publieke sector 73


5.15 Mbo en volwassenenonderwijs

Eenheid 2012/’13 2013/’14* 2014/’15*

Onderwijsinstellingen absoluut 69 69 69

Deelnemers x 1 000

Aa

4 897 mannen volgen

lerarenopleiding basisonderwijs in 2014/’15

Mbo (exclusief extraneï) 511 500 482

Bol 360 371 378

Bbl 151 129 104

Niveau 1 23 20 13

Niveau 2 118 111 97

Niveau 3 140 147 129

Niveau 4 230 221 243

Volwassenenonderwijs* 35 33 14

Educatie 22 20 .

Vavo 13 13 14

5.16 Hoger onderwijs

2012/’13 2013/’14* 2014/’15*

x 1 000

4 374 wo-studenten

vreemde talen in 2014/’15Bb

Ingeschrevenen

Hbo 422 440 446

Wo 241 250 257

Gediplomeerden*

Hbo bachelor 59 61 .

Wo bachelor 33 33 .

Wo master/doctoraal 33 34 .

8 291 wo-studenten

informatica in 2014/’15

Dd

74 Trends in Nederland 2015


5.17 Uitgaven aan veiligheidszorg

mld euro

14

12

10

8

Veiligheid

In 2013 werd 12,9 miljard euro uitgegeven aan

veiligheidszorg, waarvan 5,8 miljoen euro aan

preventie. De uitgaven zijn, na een fikse stijging,

sinds 2009 vrijwel stabiel.

6

4

2

0

2003 2004 2005

Preventie

Opsporing

2006 2007 2008 2009

Tenuitvoerlegging

Overig

2010

2011

2012

2013*

Asielzoekers

In 2014 vroegen 23,9 duizend mensen asiel aan in

Nederland. Dit is 66 procent meer dan in 2013. De

meeste asielzoekers kwamen uit Syrië als gevolg

van de oorlog daar. Het aantal aanvragen uit dit

land steeg tot 9,5 duizend, bijna 40 procent van

het totaal. Ook kwamen er relatief veel mensen

uit Eritrea, bijna 4 duizend.

5.18 Eerste asielverzoeken naar nationaliteit

2012 (totaal 9 715)

2013 (totaal 14 395)

2014 (totaal 23 935)

9%

5%

36%

21%

33%

4%

Somalisch

Syrisch

49%

10%

14%

4%

9%

5%

5%

7%

8%

18%

2%

2%

16%

3%

40%

Iraaks

Eritrea

Iraans

Afghaans

Overig/staatloos

Publieke sector 75


Brandweer

In 2013 zijn bij de brandweer bijna 139 duizend

meldingen binnengekomen, 87 duizend

brandmeldingen en 52 duizend verzoeken om

hulpverlening. Het aantal brandmeldingen was

9 procent lager dan het jaar ervoor, het aantal

verzoeken om hulpverlening 12 procent hoger.

Van alle meldingen was 38 procent loos alarm.

145 slachtoffers

moord en doodslag in 2013Bb

5.19 Meldingen bij de brandweer

5.20 Ervaren slachtofferschap, 2014

2011 2012 2013*

x 1 000

Brandmeldingen 107 ,2 95 ,6 86 ,7

waarvan

buitenbrand 25 ,7 19 ,7 19 ,3

binnenbrand 14 ,5 14 ,4 15 ,0

schoorsteenbrand 1 ,8 1 ,7 1 ,7

loze alarmmelding 65 ,2 59 ,8 50 ,6

Hulpverleningsmeldingen 48 ,3 46 ,5 52 ,2

waarvan

hulpverlening in gebouwen 21 ,0 17 ,8 28 ,4

hulpverlening, anders dan in gebouwen 23 ,8 25 ,2 21 ,0

loze alarmmelding 3 ,4 3 ,5 2 ,8

Totaal

Vandalismedelicten

Vermogensdelicten

Geweldsdelicten

Totaal

15–24 jaar

0 10 20 30 40

% slachtoffer

25–44 jaar

65 jaar of ouder

45–64 jaar

76 Trends in Nederland 2015


5.21 Aangehouden verdachten naar herkomst,

12 jaar en ouder

5.22 Rechtbankstrafzaken, sancties rechter eerste

aanleg, 2013

Totaal 117,6 duizend

Totaal

Autochtoon

13%

9%

27%

Taakstraf

Vrijheidsstraffen

Geldboete

Maatregelen

Allochtoon

Bijkomende straffen

22%

Westerse allochtoon

29%

Niet-westerse allochtoon

waarvan

Marokko

Turkije

Ned. Antillen en Aruba

Suriname

Overig niet-westers

0 1 2 3 4 5 6

% van de herkomstgroepering

2012

2013*

Bron: CBS/KLPD.

5.23 Schuldigverklaringen rechter eerste

aanleg

2011 2012 2013

x 1 000

Totaal schuldigverklaringen 93 ,8 86 ,0 83 ,5

Wetboek van Strafrecht 65 ,8 60 ,9 58 ,6

waarvan

vermogensmisdrijven 33 ,0 31 ,2 31 ,0

vernielingen en misdrijven tegen

openbare orde en gezag 11 ,0 9 ,8 8 ,8

gewelds- en seksuele delicten 18 ,5 17 ,5 16 ,9

Verkeersmisdrijven 14 ,9 14 ,6 15 ,0

Drugsmisdrijven 6 ,4 6 ,2 6 ,8

Misdrijven overige wetten 6 ,7 4 ,4 3 ,2

Publieke sector 77


Melkkoeien in 2014

70% van alle melkkoeien

komt in de wei

85 melkkoeien zijn er op

een doorsnee melkveebedrijf

8 100 liter melk

geeft een doorsnee melkkoe per jaar

20 78 Trends in Nederland 2015


6. Leefomgeving

Trends

1,1 miljoen melkkoeien in de wei

In 2013 kwamen bijna 1,1 miljoen melkkoeien

in de wei, 70 procent van alle melkkoeien

(1,7 miljoen). De inspanningen van de zuivelsector

om weidegang voor de koeien te behouden

lijken effect te hebben.

In de typische veenweidegebieden in Utrecht,

Noord- en Zuid-Holland lopen de meeste melkkoeien

in de wei. Veengrond is veelal te zuur

en te nat voor akkerbouw en daarom vooral

geschikt als weide- of hooiland. In gebieden die

geschikter zijn voor akkerbouw is minder grasland

en lopen er minder melkkoeien in de wei.

In het oosten van Noord-Brabant en in Noord-

Limburg lopen minder koeien buiten, omdat

het een gebied is waar vooral intensieve veehouderij

plaatsvindt en de grond gebruikt wordt

voor het verbouwen van voedergewassen en

het uitrijden van mest.

Melkrobot houdt koeien in de stal

De introductie van de melkrobot heeft de toepassing

van weidegang in de bedrijfs voering

bemoeilijkt. Het gebruik van de melkrobot

begon in 1992 in Nederland, maar pas na 2000

nam het gebruik sterk toe. Bij de inzet van een

melkrobot worden de koeien meestal vaker

gemolken, soms wel drie keer per dag. Het

melken met de melkrobot gebeurt meestal in

de stal. Maar er is al een mobiele melkrobot

ontwikkeld, waarmee de koeien weer in de wei

gemolken kunnen worden. De zuivelfabrieken

stimuleren de melkveehouders om weidemelk

te leveren, door hen een hogere prijs voor

weide melk te bieden.

Helft landbouwgrond is grasland

Het aandeel grasland in het totale landbouwareaal

is vanaf de jaren zeventig gedaald, maar

het grasland neemt met 54 procent nog steeds

het grootste deel van de landbouwgrond in

beslag. Het grasland dient niet alleen voor de

Leefomgeving 79


eweiding van koeien, maar is ook voor de

productie van veevoer. In 2013 werd van het

gemaaide gras 86 procent ingekuild, dat wil

zeggen op een grote hoop verzameld en afgedekt

met plastic. Steeds vaker wordt het gras

op het land in plastic (balen) verpakt. Van het

gras dat niet wordt ingekuild, wordt 5 procent

gedroogd tot hooi, 5 procent wordt gebruikt

als zomerstalvoeder en het overige gras is voor

divers gebruik. In 2013 was de totale oogst

aan kuilgras 5,5 miljard kg droge stof, de totale

oogst aan hooi 208 miljoen kg droge stof.

Mutatie

6.1 Percentage melkkoeien met weidegang per

landbouwgebied, 2013

Minder dan 50%

50 tot 70%

70 tot 80%

80 tot 90%

90% of meer

Melkveestapel groeit weer sinds 2012

Het aantal melkkoeien is sinds 1980 met een

derde afgenomen, van 2,4 miljoen stuks in 1980

naar 1,5 miljoen in 2012. De sterke afname

na 1984 viel samen met de invoering van de

melkquota in de Europese Unie. Er werd meer

melk geproduceerd dan er geconsumeerd werd,

wat door de opkoopregeling van de Europese

Unie tot de zogenoemde melkplassen en boterbergen

leidde. Door de groeiende vraag naar

zuivel op de wereldmarkt is de noodzaak voor

melkquota verdwenen. Vanaf 2012 neemt het

aantal melkkoeien weer toe en ook is er een

toename van het aantal stuks jongvee voor de

80 Trends in Nederland 2015


6.2 Biologische melkveehouderij

25 000

24 000

380

370

melkveehouderij. Het aantal dieren steeg van

2012 tot 2014 met 118 duizend naar 1,31 miljoen,

een stijging van 10 procent. De melkboeren

speelden hiermee in op de afschaffing

van de melkquota op 1 april 2015.

23 000

360

De biologische melkveestapel laat een soort-

22 000

350

gelijke groei zien. Het aantal melkkoeien steeg

van 2012 tot 2014 met 8 procent tot 25 duizend,

21 000

340

het jongvee met 10 procent tot 19 duizend.

Biologische melkkoeien en jongvee vormen

0

2011

2012

2013

2014

0

overigens niet meer dan 1,5 procent van de

totale melkveestapel en dit aandeel neemt

maar langzaam toe.

Melkkoeien

Bedrijven (rechteras)

1,5% van de

melkveestapel is biologischAa

22 liter melk per koe per dag

In 1950 gaf een gemiddelde Nederlandse melkkoe

net geen 4 duizend liter melk per jaar. In

2000 was de gemiddelde melkgift al 7,3 duizend

liter. Inmiddels is dit verder gestegen tot

8,1 duizend liter, dit komt neer op ongeveer

22 liter melk per koe per dag. In 2014 was de

totale melkproductie van koeien 12,5 miljard

liter.

Bijna alle melk gaat naar de zuivelfabrieken,

die ruim de helft van de melk verwerken tot

kaas en een tiende tot consumptiemelk. Van de

Leefomgeving 81


6.3 Melkveehouderij in Nederland

90

80

70

60

50

40

30

20

10

mln dieren

4,5

4,0

3,5

3,0

2,5

2,0

1,5

1,0

0,5

0

0

1984

1986

1988

1990

1992

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

Melkkoeien per bedrijf (linkeras) Bedrijven met melkkoeien (x 1000) Melkkoeien (rechteras)

overige melk wordt onder meer boter, room, yoghurt,

desserts, ijs, gecondenseerde melk en melkpoeder gemaakt.

In 2014 produceerden de zuivelfabrieken 768 miljoen kg

fabriekskaas, 146 miljoen kg boter, 205 miljoen kg melkpoeder

en 384 miljoen kg gecondenseerde melk.

Ruim 200 miljoen liter melk gaat niet naar de fabriek, maar

is bestemd voor de kalveren op de boerderij of voor verwerking

door boeren en boerinnen tot regionale producten als

kruidenkaas en ijs.

Schaalvergroting

In de periode 2000–2014 is het aantal bedrijven met melkvee

met bijna 11 duizend gedaald tot 18,6 duizend, het aantal

melkkoeien steeg tot 1,7 miljoen. Dit leverde een forse

schaalvergroting op. Het aantal melkkoeien per bedrijf nam

van 2000 tot 2014 toe van 51 tot 85. In 2000 waren er 320

bedrijven met 150 melkkoeien of meer. In 2014 was dit al gestegen

tot 1700 bedrijven. Het aantal bedrijven met 250 melkkoeien

of meer nam in die periode toe van 45 tot bijna 300.

82 Trends in Nederland 2015


6.4 Productie van mest en mineralen

2012 2013 2014*

mln kg

Mest veestapel 71 207 73 155 74 089

waarvan

rundvee 55 416 57 428 58 389

schapen en geiten 1 699 1 719 1 710

paarden en pony's 929 919 895

varkens 11 571 11 472 11 424

pluimvee 1 416 1 442 1 500

konijnen en pelsdieren 176 175 172

Mineralenuitscheiding

Stikstof 461 473 480

Fosfaat 161 166 168

Kali 505 517 525

Melkproductie bedraagt 5,0 miljard euro

In 2014 bedroeg de totale productiewaarde

van de Nederlandse land- en tuinbouw ruim

27,5 miljard euro. Van de productiewaarde

werd 47 procent geleverd door het verbouwen

van gewassen, 41 procent door de vee houderij

(voornamelijk melk, vlees en eieren) en

9 procent door de agrarische dienstverlening.

De productiewaarde van melk was met

5,0 miljard euro goed voor 18 procent van

de totale productiewaarde. In de periode

1995–2014 schommelde de productiewaarde

van melk flink rond een stijgende trend. De

schommelingen zijn vooral een gevolg van sterk

variërende melkprijzen.

27,5 miljard euro bedroeg de

productiewaarde van de land- en tuinbouwAa

Mestproductie vooral door rundvee

Behalve melk produceren koeien ook mest.

In 2013 produceerde de gehele Nederlandse

veestapel 73,2 miljard kg mest. Melkkoeien

droegen daar ruim 40 miljard kg aan bij, dat is

55 procent van het totaal. Varkens waren goed

voor 16 procent van de mestproductie, pluimvee

voor 2 procent en vleeskoeien voor 23 procent.

Leefomgeving 83


Oogst enkele akkerbouwgewassen in 2014

3 871 000 000 kg

consumptieaardappelen

1 220 000 000 kg

uien

6 000 000 kg

bruine bonen


De feiten op een rij

Energie

De elektriciteitsproductie is in 2014 na een

daling van drie jaar met 2 procent gegroeid

tot 103 miljard kWh. De toename komt vooral

omdat de vraag naar elektriciteit vanuit het

buitenland fors groeide.

In 2014 kwam de uitvoer van elektriciteit 21 procent

hoger uit dan in 2013 en bereikte daarmee

een recordhoogte. Vooral naar België en Engeland

nam de export sterk toe. De toe genomen

vraag uit België werd met name veroorzaakt

door de afgenomen elektriciteits productie als

gevolg van stilgelegde kern reactoren.

Voor het eerst is wind de belangrijkste energiebron

voor hernieuwbare elektriciteit. De elektriciteitsproductie

uit wind lag in 2014 zo’n

8 procent hoger dan in 2013, terwijl deze productie

uit biomassa 16 procent lager uitpakte.

De totale productie van hernieuwbare elektriciteit

in 2014 was 11,7 miljard kWh, net iets

minder dan in 2013. Het is het vijfde achtereenvolgende

jaar dat de productie van hernieuwbare

elektriciteit schommelt rond 10 procent

van het verbruik.

6.5 Ontwikkeling elekriciteitsverbruik en bruto binnenlands

product

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

15

10

5

0

–5

–10

1951

1958

1965

Elektriciteitsverbruik

(% jaarmutatie)

1972

1979

1986

1993

Bruto binnenlands product

(% volume jaarmutatie)

6.6 Energieaanbod naar energiedrager

petajoule

4 000

3 000

2 000

1 000

0

’46 ’50

’54

’58

Steenkool en

-producten

’62

’66

’70

’74

Aardolie en

-producten

’78

’82

’86

’90

Aardgas

’94

2000*

’98

’02

2007*

Overig

’06

’10

2014*

’14

Leefomgeving 85


6.7 Prijs van Euro95

6.8 Energiebronnen voor elektriciteitsproductie

euro/liter

miljard kWh

2,00

140

1,80

1,60

1,40

120

100

80

60

40

1,20

0

2010

2011

2012

2013

2014

20

0

'98

'99

'00

'01

'02

'03

'04

'05

'06

'07

'08

'09

'10

'11

'12

'13 '14*

Aardgas

Steenkool

Andere fossiele brandstoffen

Kernenergie en overig

Biomassa

Wind, zon en water

6.9 Verbruik van elektriciteit en aardolie

% mutatie t.o.v. een jaar eerder

20

15

10

5

0

–5

–10

–15

–20

–25

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Elektriciteit

Aardolie

86 Trends in Nederland 2015


% of meer

Mutatie

6.10 Gemiddeld elektriciteitsverbruik vrijstaande

woningen, 2013

1 250–4 000 kWh

4 001–4 500 kWh

4 501–5 000 kWh

5 001–7 000 kWh

6.11 Elektriciteitsbalans

2012 2013 2014*

mld kWh

Aanbod van elektriciteit 119,6 119,1 117,3

waarvan

productie 102,5 102,5

centraal 64,0 63,1 67,5

decentraal 38,5 37,8 35,0

invoer 32,2 33,3 32,9

uitvoer (-) 15,0 15,0 18,1

Verbruik van elektriciteit 119,6 119,1 117,3

waarvan

via het openbare net 101,8 101,4 99,1

via bedrijfsnetten 14,1 14,2 14,2

bij de productie 3,7 3,5 4,0

Netverliezen 4,5 4,5 4,4

rechteras)

Leefomgeving 87


Mutatie

6.13 Gemiddeld energieverbruik particuliere

6.12 Gemiddeld gasverbruik vrijstaande woningen in

3 501–6 000 m 3 in appartement 950 1 000 1 050

2013

woningen

1 250–2 000 m 3

2011 2012 2013

2 001–2 750 m 3

m 3

2 751–3 000 m 3

Aardgasverbruik 1 450 1 500 1 600

3 001–3 500 m 3

waarvan

in tussenwoning 1 300 1 400 1 500

in hoekwoning 1 550 1 650 1 800

in twee-onder-één-kap woning 1 900 2 000 2 100

in vrijstaande woning 2 400 2 600 2 800

kWh

Elektriciteitsverbruik 3 250 3 200 3 150

waarvan

in appartement 2 250 2 200 2 200

in tussenwoning 3 300 3 250 3 300

in hoekwoning 3 500 3 400 3 400

in twee-onder-één-kap woning 3 950 3 850 3 850

in vrijstaande woning 4 600 4 500 4 450

88 Trends in Nederland 2015


6.14 Provinciaal aandeel aan landelijk stroomverbruik

ICT in 2013

6.15 Hernieuwbare elektriciteit

2011 2012 2013 2014*

% van elektriciteitsverbruik

1,9%

8,4%

1,4%

Bruto productie (genormaliseerd) 9 ,84 10 ,48 10 ,07 10 ,03

waarvan

waterkracht 0 ,08 0 ,08 0 ,08 0 ,09

windenergie 3 ,87 4 ,13 4 ,51 4 ,98

zonnestroom 0 ,08 0 ,21 0 ,43 .

biomassa 5 ,80 6 ,05 5 ,05 4 ,34

43,3%

3,2%

4,0%

12,7%

6,5%

6,1%

0,5%

8,6%

3,2%

Bb

8% steeg het elektriciteitsproductie

uit wind en werd hiermee de belangrijkste

bron voor hernieuwbare energie

rechteras)

Leefomgeving 89


Landbouw

In 2014 is er met 349 miljoen kg een record

aan peren geoogst, een stijging van 7 procent

ten opzichte van het voorgaande jaar. De oogst

is toe te schrijven aan stijging van de teeltoppervlakte

en gunstige teeltomstandigheden.

De oogst van appels was met 353 miljoen kg

net iets groter dan die van peren. Alleen in het

topjaar 2011 was de oogst van appels groter.

90% of meer

6.16 Percentage cultuurgrond met appelteelt per

landbouwgebied, 2014

tot 0,1%

0,1 tot 0,5%

0,5 tot 1%

1 tot 2%

2% of meer

De gezamenlijke teeltoppervlakte appel en

peer is de laatste jaren stabiel rond de 16,5

duizend ha. In 1980 was het totaal areaal nog

23 duizend ha, dat is ruim een kwart meer dan

in 2014. In deze periode is het areaal appel van

17,2 duizend meer dan gehalveerd tot 7 850 ha.

Het areaal peer steeg van 5,7 duizend ha met

50 procent tot 8 603 ha.

90 Trends in Nederland 2015


% of meer

Mutatie

6.17 Percentage cultuurgrond met perenteelt per

landbouwgebied, 2014

tot 0,1%

0,1 tot 0,5%

0,5 tot 1%

1 tot 2%

2% en meer

6.18 Veestapel op landbouwbedrijven, 1 april

2011 2012 2013 2014

1 000 dieren

Graasdieren

Geiten 380 397 413 431

Paarden en pony's 137 132 131 127

Rundvee 3 885 3 879 3 999 4 068

Schapen 1 088 1 043 1 034 959

Hokdieren

Kippen 96 919 95 273 97 719 103 039

waarvan

leghennen 44 460 42 810 44 816 46 570

vleeskuikens 43 912 43 846 44 242 47 020

Overig pluimvee

(waaronder eenden,

kalkoenen) 2 324 1 822 1 709 1 699

Konijnen 302 327 311 321

Edelpelsdieren 978 1 031 1 031 1 003

Varkens 12 429 12 234 12 212 12 238

waarvan

biggen 5 297 5 180 5 274 5 382

fokvarkens 1 227 1 180 1 184 1 199

vleesvarkens 5 905 5 874 5 754 5 657

(rechteras)

Leefomgeving 91


6.19 Oogst akkerbouw

6.20 Oogst appels en peren

2011 2012 2013 2014

mln kg

Aardappelen, consumptie- 3 857 3 384 3 481 3 871

Aardappelen, poot- 1 313 1 479 1 400 1 475

Aardappelen, zetmeel- 2 163 1 904 1 695 1 754

Suikerbieten 5 858 5 735 5 727 6 822

Zaaiuien 1 582 1 330 1 200 1 220

Gerst 205 206 208 197

Haver 8 10 10 10

Rogge 6 9 7 7

Tarwe 1 175 1 302 1 335 1 304

Triticale 10 12 10 9

Corn-cob-mix (met 65% droge stof) 75 63 68 67

Korrelmaïs (met 65% droge stof) 204 191 185 173

Snijmaïs (met 35% droge stof) 10 559 10 670 10 268 10 788

Vezelvlas 8 13 11 10

2012 2013 2014*

mln kg

Appelen 281 314 353

Elstar 115 123 140

Golden Delicious 20 16 18

Jonagold/Jonagored 73 92 100

Junami 8 12 16

Kanzi 14 17 18

Rode Boskoop 14 16 19

Rubens 3 3 2

Peren 199 327 349

Beurré Alexandre Lucas 12 24 20

Conference 161 256 275

Doyenne du Comice 17 28 30

Stoofperen 5 8 9

Ee

557 328 600

vleeskuikens geslacht in 2014

11 440 ha

tulpen in Nederland in 2014Bb

220 spruitentelers in 2014Dd

92 Trends in Nederland 2015


6.21 Vlees- en zuivelproductie

2011 2012 2013 2014

mln kg

Vleesproductie

kalveren 219 215 212 217

volwassen runderen 163 159 156 159

schapen en geiten 15 15 14 14

varkens 1 347 1 332 1 282 1 371

vleeskuikens 809 857 888 920

6.22 Gemiddeld aantal dieren per bedrijf

2000=100

300

250

200

150

Onbewerkte koemelk naar

zuivelfabrieken 11 642 11 675 12 213 12 469

100

Melkverwerking

2000

2002

2004

2006

2008

2010

2012

2014

boter 129 133 137 146

fabriekskaas 750 764 794 768

gecondenseerde melk 354 371 360 384

melkpoeder 193 187 194 205

Schapen

Runderen

Kippen

Varkens

Geiten

6.23 Leeftijd van bedrijfshoofden in de land- en tuinbouw

2004 (totaal 79 809) 2014 (totaal 61 258)

20%

4%

23%

23%

3%

14%

Jonger dan 35 jaar

35–44 jaar

45–54 jaar

55–64 jaar

65 jaar of ouder

27%

26%

28%

32%

Leefomgeving 93


6.24 Areaal glasgroenten

2000 (totaal 3 027 ha) 2007 (totaal 3 445 ha) 2014 (totaal 3 644 ha)

3%

3%

3%

22%

18%

16%

37%

45%

49%

Aubergine

Komkommer

Paprika

Tomaat

38%

34%

32%

6.25 Gebruik chemische gewasbeschermingsmiddelen

in de landbouw

1 000 kg werkzame stof

7 000

6 000

5 000

4 000

900 000 000 kg

tomaten geoogst in 2014

Cc

3 000

2 000

1 000

0

1995

1998

2000

2004

2008

2012*

54 000 000 kg

aardbeien geoogst in 2014

Bb

Tegen insecten en mijten

Tegen schimmels

Tegen onkruiden

Overige middelen

94 Trends in Nederland 2015


6.26 Living Planet Index Nederland

1990=100

140

120

100

80

60

40

20

0

1990 1995 2000

2005

2010

6.27 Luchtverontreiniging, uitstoot naar bron, 2013

17%

Broeikasgassen

23%

Landbouw

24%

Verkeer en vervoer

14%

5%

17%

20%

5%

Industrie

Verzurende stoffen

15%

6%

Energiebedrijven

3%

Overig

51%

Raffinaderijen

2013

Natuur en milieu

De Living Planet Index (LPI), een mondiale

graadmeter voor biodiversiteit, maakt duidelijk

dat de biodiversiteit wereldwijd sterk is afgenomen.

CBS heeft deze index uitgerekend voor

Nederland. In deze berekening speelt de aantalsontwikkeling

van gewervelde diergroepen

een belangrijke rol. De Nederlandse LPI geeft

de gemiddelde trend weer van zoogdieren,

broedvogels, reptielen en amfibieën samen.

Sinds 1990 is deze groep met 22 procent toegenomen.

Deze toename komt door een toename

van het aantal zoogdieren, vogels en reptielen

in deze periode. De amfibieën zijn als groep

echter niet toegenomen. Het grootste verschil

met de mondiale LPI is dat in de berekening van

de Nederlandse versie vissen niet meegenomen

zijn.

De mondiale trend lijkt haaks te staan op de

Nederlandse trend. Als echter de LPI wordt uitgesplitst

naar landengroepen met verschillend

inkomensniveau (volgens Wereldbank-criteria),

dan is te zien dat de LPI voor hoge inkomenslanden

juist is gestegen (met 9,7 procent) en

dit correspondeert met de Nederlandse trend.

Volgens het WWF wijst deze toename op herstel

na de zware verliezen in biodiversiteit die deels

Leefomgeving 95


al voor 1970 optraden. Ook denkt het WWF dat

het natuurherstel is doordat in rijke landen hiervoor

tegenwoordig meer financiële middelen

worden aangewend.

6.28 Uitstoot verzurende stoffen en broeikasgassen

1990=100

120

6.29 Bedrijfsafvalstoffen nijverheid, 2013*

Totaal

mln kg

Nuttige

toepassing

Eindverwerking

Niet-gevaarlijk afval 24 392 20 840 3 552

waarvan door

delfstoffenwinning 209 115 94

energievoorziening 1 335 1 297 38

waterbedrijven en afvalbeheer 8 735 6 033 2 702

industrie 14 112 13 395 717

waarvan

voedings- en

genotmiddelenindustrie 8 454 8 298 156

chemische industrie 581 438 141

basismetaalindustrie 1 650 1 610 40

overige industrie 3 427 3 049 380

100

Niet-chemisch afval 21 811 19 595 2 216

80

waarvan

60

40

20

0

metalen 955 935 20

papier en karton 605 595 10

hout 753 747 7

dierlijk en plantaardig afval 6 763 6 673 90

gemengd afval 2 394 2 095 299

’90

’95

’00

’01

’02

’03

’04

’05

’06

’07

’08

’09

’10

’11

’12

’13

slib 2 237 877 1 360

mineralen en steenachtig materiaal 7 712 7 318 394

overig niet-chemisch afval 392 356 36

Verzurende stoffen

Broeikasgassen

Chemisch afval 2 581 1 245 1 336

96 Trends in Nederland 2015


6.30 Gemeentelijk afval

6.31 Belasting oppervlaktewater

2010 2011 2012 2013**

mln kg

Totaal 10 061 10 163 9 816 9 450

Afval van huishoudens 8 860 8 915 8 655 8 302

waarvan

gemengd ingezameld afval 4 441 4 413 4 266 4 062

gescheiden ingezameld afval 4 419 4 502 4 389 4 239

waarvan

gft 1 255 1 297 1 303 1 255

papier 1 065 1 044 981 924

glas 350 349 348 345

grof tuinafval 447 448 461 441

houtafval 323 334 318 308

schoon puin 402 427 389 375

overig gescheiden afval 577 603 589 591

Reinigingsdiensten- en overig afval 1 200 1 248 1 161 1 149

2010 2012 2013

x 1 000 kg

Fosfor (als P-totaal) 6 896 7 548 6 478

Stikstof (als N-totaal) 90 250 88 330 76 085

Koper 91 ,3 96 ,5 92 ,1

Nikkel 55 ,4 56 ,8 80 ,7

Zink 401 439 390

Lood 41 ,1 43 ,1 39 ,8

Cadmium 1 ,34 1 ,37 1 ,19

55 kg oud papier per

inwoner ingezameld in 2013Aa

75

Cc

kg gft per inwoner

ingezameld in 2013

Leefomgeving 97


Gg

16 902 146

inwoners op 1 januari 2015

Aa

0,9%

economische groei in 2014

Voor wat er feitelijk gebeurt

9 789035 720855

1 Trends in Nederland 2015

Similar magazines