Download rapport - Biax Consult

biax.nl

Download rapport - Biax Consult

BIAXiaal

204

Palynologisch onderzoek en 14 C AMSdatering

van een venige laag uit de

locatie Ripperda-complex in Haarlem

D. van Smeerdijk

September 2004

BIAX

C o n s u l t

Onderzoeks- en Adviesbureau

voor Biologische Archeologie en Landschapsreconstructie


Colofon

Titel:

BIAXiaal 204

Palynologisch onderzoek en 14 C AMS-datering van een venige laag uit de locatie Ripperdacomplex

in Haarlem.

Auteur:

D. G. van Smeerdijk

Opdrachtgever:

Gemeente Haarlem

ISSN: 1568-2285

©BIAX Consult, Zaandam, 2004

Correspondentie adres:

BIAX Consult

Hogendijk 134

1506 AL Zaandam

tel: 075 – 61 61 010

fax: 075 – 61 49 980

e-mail: BIAX@BIAX.nl


BIAXiaal 204 1

1. Inleiding

In het voorliggende rapport wordt het palaeo-ecologisch onderzoek besproken dat uitgevoerd

is aan materiaal, aangetroffen tijdens het in 2003 uitgevoerde archeologisch onderzoek

op de locatie van het zogenoemde Ripperda-complex‚ een voormalige kazerne,

gelegen aan de zuidzijde van de Kleverlaan, ter hoogte van de kruising met de Schoterweg,

gemeente Haarlem.

Op basis van uitgevoerd booronderzoek (Groeneveld 2000a & 2000b) 1 in combinatie

met bekende historische en archeologische gegevens (de Jong 1971 & 1997) 2 bestond de

ver-wachting dat op de locatie sprake was van de aanwezigheid van een uit het Late

Neolithi-cum en/of (Vroege) Bronstijd, respectievelijk 2850 - 2000, 2000 - 1800 v. Chr.,

daterend nederzettingsterrein (Jacobs 2003). 3

Naar aanleiding van bovengenoemde verwachting is de locatie, op basis van haar

intrinsieke archeologische waarde en haar relevantie met betrekking tot het door Bureau

Archeologie van de gemeente Haarlem gehanteerde onderzoekskader, als behoudenswaardig

aangeduid. Behoud van de vindplaats in situ was echter niet mogelijk en de vindplaats

diende dan ook, voor zover zij verstoord zou worden door de ontwikkeling van de

locatie ex situ behouden te worden door middel van vlakdekkend archeologisch onderzoek.

Dit onderzoek is in opdracht van de gemeente Haarlem door het archeologisch

projectbureau Jacobs & Burnier in de periode van 24 september t/m 3 oktober 2003

uitgevoerd volgens de in het daarvoor opgestelde ontwerp genoemde richtlijnen (Jacobs

2003). Tijdens het onderzoek zijn diverse langgerekte en circa 5 meter brede werkputten

aangelegd die tezamen een goed beeld gaven van de opbouw van de locatie (zie figuur 1).

In tegenstelling tot de verwachting zijn daarbij geen sporen aangetroffen die uit de prehistorie

dateren. Op twee locaties zijn laagtes, vermoedelijk stuifkuilen, aangetroffen

waar in de prehistorie sprake is geweest van enige veengroei. De monsters uit een van

deze laagtes (Spoor 1) staan in het navolgende centraal. Daarnaast zijn een groot aantal

kuilen en greppels aangetroffen die uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd dateren.

De aanwezigheid daarvan sluit aan bij de bekende historische gegevens die betrekking

hebben op het onderzoeksgebied. De Kleverlaan, de Schoterweg en de Middenweg

betreffen oude wegen waarlangs gedurende de (post)middeleeuwen aanwezigheid van

bewoning waarschijnlijk is. Aan de Kleverlaan, tegenover de huidige Ter Spijtstraat,

bevond zich in ieder geval in de 18 e eeuw een hofstede waarvan de bijbehorende gronden

zich uitgestrekt zullen hebben tot op het voormalige Ripperda-complex.

De gegevens van dit rapport worden opgenomen in:

Jacobs, E. & M.C. Drost 2005: ‘Ripperda-Kazerne’, gemeente Haarlem. Een vlakdekkend

archeologisch onderzoek. Jacobs & Burnier Standaard Archeologisch Rapport (STAR)

nr. 54, Amsterdam.

Op verzoek van de opgravers is BIAX Consult gevraagd om monsters voor

palynologisch onderzoek en 14 C-AMS datering te verzamelen en voor te bereiden.

1 Groeneveld 2000a en 2000b.

2 De Jong 1970: 110-149; de Jong 1997: 3-29.

3 Jacobs 2003.


BIAXiaal 204 2

Figuur 1

Ripperda Kazerne, overzicht van de onderzoekslocatie (grijs) en aangelegde

Werkputten


BIAXiaal 204 3

2. Materiaal en Methoden

2.1 VELDWERK

Op 30 september 2003 is uit het oostprofiel van werkput 1 de zwarte humeuze laag

(Spoor 1) bemonsterd voor palynologisch onderzoek. Het bemonsteren heeft plaats gevonden

met behulp van een monsterbakje op een plek waar de laag het beste zichtbaar

was. Daarnaast zijn verderop in het profiel, waar Spoor 1 minder duidelijk ontwikkeld is,

een aantal kleine monsters genomen. Zie voor de positie van de monsters figuur 2. Spoor

1 is ook goed zichtbaar in het noordprofiel en in het westprofiel, maar is niet aanwezig in

de profielen van een werkput die op ca. 10 meter achter werkput 1 ligt. Zie voor een uitgebreide

beschrijving van Spoor1 bijlage 1a en bijlage 1b voor detailtekening van

monsterbak 35).

Figuur 2 Ripperda Kazerne, profiel noordoostzijde van werkput 1.


BIAXiaal 204 4

2.2 MONSTERVERWERKING

2.2.1 Macrorestenonderzoek

Voor het palaeo-ecologisch onderzoek is het materiaal uit het monsterbakje (M35) tussen

-0,90 en -0,99 m NAP aansluitend in plakjes van ongeveer een centimeter dik gesneden.

Daarnaast is nog een plak van 3 cm dik gesneden tussen -1,04 en -1,07 m NAP. Uit deze

monsters zijn eerst submonsters genomen voor pollenonderzoek en bulkmonsters voor

14 C-AMS datering. Dit laatste, in het geval dat er geen of te weinig macroresten aanwezig

zijn voor datering. De restanten zijn met kraanwater over een zeef van 170 µm uitgewassen

om macroresten te verzamelen die gebruikt konden worden voor 14 C-AMS datering.

In het niveau met het minste zand (diepte -0,93 m NAP; 45 % zand) zijn te weinig macroresten

beschikbaar. In het submonster van 1 cm hoger (diepte -0,92 m NAP; 51% zand)

zijn voldoende resten aangetroffen. Van dit niveau zijn alle aangetroffen knoppen en

knopschubben (van eiken?) ingestuurd voor datering. In de overige submonsters waren te

weinig macroresten aanwezig. Als alternatief is een bulkmonster van diepte -0,95 m NAP

ingestuurd voor een tweede datering. Zie voor de resultaten van het macrorestenonderzoek

tabel 1.

Tabel 1

Ripperda Kazerne, resultaten van het macrorestenonderzoek.

+ = aanwezig, ++ = matig, +++ = veel, ++++ = zeer veel.

monsterbak M35 M35 M35 M35 M35 M35

diepte in cm - NAP (top) 92 93 94 95 96,5 104

diepte in cm - NAP (onder) 93 94 95 95,8 99 107

zand (volume %) 51 45 48 66 75 99

donker gefragmenteerd materiaal ++++ ++++ ++++ ++++ ++++ ++

houtige wortels . . . . + +++

mycorrhiza worteltjes + . + . + ++

Cenococcum geophilum 15 20 100 220 120 170

monocotylen wortels + + + + + +

dierlijke resten + . + . + .

insectenresten . . . + . .

knop 3 2 1 . . .

knopschubben 50 12 4 . . .

Chenopodium spec. + . . . . . Ganzenvoet

Galeopsis spec. . 2 . 2 . . Hennepnetel

Glechoma hederacea . . 1 . . . Hondsdraf

Persicaria lapathifolia . . . 1 . . Beklierde duizendknoop

Plantago major . . 1 . . . Grote weegbree

Scirpus tabernaemontani . . . 1 . . Ruwe bies

Urtica dioica 2 1 . 1 . . Grote brandnetel

Indet 6 . 1 . . . Niet determineerbaar

Beide monsters zijn gedateerd door het Centrum voor Isotopenonderzoek van de Rijks

Universiteit van Groningen. Zie voor de resultaten van het dateringonderzoek tabel 2.


BIAXiaal 204 5

Voor het calibreren van de verkregen dateringen is gebruik gemaakt van het calibratieprogramma

Cal25 (versie 1998, Groningen). 4

Tabel 2

Ripperda Kazerne, overzicht van de 14 C-AMS dateringen.

Bak Diepte in geschatte 14 C-AMS GrA- calibratie waarden in

Nr. cm - NAP ouderdom jaren ± BP code kalenderjaren (1-sigma)

boven onder jaren BP

M35 92 93 3000 3675 ± 45 25957 2137-2079, 2067-2013, 1997-1979 cal BC

M35 95 95,8 >3000 3720 ± 45 25958 2197-2167, 2145-2113, 2101-2035 cal BC

2.2.2 Palynologisch onderzoek

Ten behoeve van het palynologisch onderzoek zijn uit het gehele bovenste deel van Spoor

1 vier aansluitende pollenmonsters gesneden en uit de bovenzijde van het onderste deel

van Spoor 1 nog een submonster. Daarnaast is een submonster genomen uit laag 20 en

één uit laag 22. Om na te gaan of er verschillen in pollensamenstelling (en dus verschillen

in vegetatie) zijn tussen het zeer humeuze deel van Spoor 1 en de veel minder humeuze

laterale uitbreiding van Spoor 1 zijn nog drie monsters genomen op respectievelijk 1,90

m (M36), 4,45 m (M37) en 8,70 m (M38) noordelijk van het monsterbakje.

Omdat we te maken hebben met zeer zandig materiaal zijn soms grote volumina bewerkt.

Het volume van de submonsters varieert tussen 2, 5, 10 en 25 cm 3 . Om inzicht te

verkrijgen in de concentratie van het stuifmeel in het materiaal is aan een bekend volume

van de submonsters een aantal tabletten met een bekend aantal sporen (gemiddeld 12.542

per tablet) van een exoot (wolfsklauw = Lycopodium) toegevoegd. De submonsters zijn

vervolgens op de standaardwijze verwerkt, met enige modificaties zoals door Konert zijn

ontwikkeld. 5

Alle bewerkte monsters zijn geïnventariseerd, waarbij gelet is op pollenrijkdom,

conservering, verontreiniging en telbaarheid. Na de inventarisatie is in overleg met E.

Jacobs besloten slechts 3 monsters te analyseren, deze zijn alle afkomstig uit het deel van

het profiel waar Spoor 1 het duidelijkst aanwezig is. Zie bijlage 2 voor de resultaten van

de polleninventarisatie.

De preparaten zijn geteld tot een boompollensom van minimaal 500 was bereikt. Tijdens

het tellen is extra aandacht besteed aan de beschadigde pollenkorrels. Van een aantal

soorten was het aandeel beschadigde korrels zo groot dat deze apart geteld konden

worden. De gecorrodeerde korrels hebben wel dezelfde somcode als hun niet

gecorrodeerde soortgenoten en komen alleen in de totaalsommen voor. In het diagram

zijn zij als aparte curven in het achterste deel van het pollendiagram opgenomen.

2.2.2.1 Het pollendiagram (bijlage 3)

Voor de berekening van de relatieve bijdragen van de verschillende pollentypen is een

pollensom gebruikt waarin alle bomen en struiken (∑AP, inclusief de gecorrodeerde

boompollenkorrels) zijn opgenomen. Deze ∑AP varieert van 523 tot 1207. De gegevens

zijn weergegeven in een gecombineerd pollen- en microfossielendiagram (bijlage 3). Het

diagram bestaat uit twee deeldiagrammen. In het eerste deeldiagram (hoofddiagram) is

het totaal aanwezige pollen van bomen en struiken (∑AP) uitgezet tegen het totaal

aanwezige pollen van de overige kruidige planten (∑NAP, inclusief de gecorrodeerde

pollenkorrels), exclusief de waterplanten. Het tweede deel van het diagram begint met de

curve van de totale pollenconcentratie uitgedrukt in aantallen per cm 3 . Daar achter zijn

4 Calibratie literatuur van Stuiver et al. 1998.

5 Erdtman 1960; Fægri & Iversen 1975; Fægri et al. 1989; Konert 2002.


BIAXiaal 204 6

alle individuele curven van de pollentypen en andere microfossielen weergegeven. 6 Zij

zijn uitgedrukt in percentages, berekend over de hier boven genoemde boompollensom

(∑AP). Deze curven zijn zo gerangschikt dat ze min of meer duidelijke vegetatiekundige

eenheden vormen.

3. Resultaten

3.1 MACRORESTEN

Bij het voorbereiden van de monsters voor 14 C-AMS datering bleek dat er behalve in het

monster van diepte -0,92 m NAP maar weinig macroresten aanwezig waren. Alle

monsters bevatten resten van de bodemschimmel Cenococcum geophilum. De meeste

resten komen voor op diepte 0,95 m NAP. Dit is een mycorrhiza vormende schimmel en

komt veel voor op de wortels van houtige gewassen. 7 De diepst gelegen onderzochte

monsters bevatten naast de schimmelresten voornamelijk resten van houtige wortels.

Waarschijnlijk zijn deze resten afkomstig van een houtrijke vegetatie die op dit zandlichaam

groeide voordat de zwarte humeuze horizont (Spoor 1) is ontstaan. Het is echter

niet geheel uitgesloten dat er ook resten tussen zitten van meer recente houtige wortels

gezien de in het veld waarneembare verticale doorgroeiïng van Spoor 1 met houtige

wortels. In de monsterbak bevinden zich in het zand onder Spoor 1 tussen -1,10 en -1,35

m NAP ook diverse houtige resten waaronder wortels en een stuk elzenhout (determinatie

P. van Rijn, BIAX Consult).

Het belangrijkste deel van de herkenbare macroresten bestaat uit knopschubben van

waarschijnlijk eiken. De overige macroresten bestaat uit een paar zaden van diverse onkruiden.

Een deel daarvan kan in de ondergroei van een bos groeien zoals grote brandnetel

(Urtica dioica), hondsdraf (Glechoma hederacea) en hennepnetel (Galeopsis spec.).

Grote brandnetel is een soort van stikstofrijke, droge tot natte, vaak half beschaduwde

plaatsen op humeuze grond. De andere zaden zijn afkomstig van ganzenvoet (Chenopodium

spec.), grote weegbree (Plantago major) en beklierde duizendknoop (Persicaria

lapathifolia). Beklierde duizendknoop is een soort van open, natte tot vochtige, voedselrijke

grond onder andere op akkers. De laatste drie zijn soorten van betreden of omgewerkte

grond die palynologisch gezien indicatief zijn voor menselijke invloed op de

vegetatie. In het monster -0,95 m NAP vlak boven de zandinschakeling is ook een enkel

zaad aangetroffen van ruwe bies (Schoenoplectus tabernaemontani). De laatste is afkomstig

uit de moerasvegetatie in de omgeving.

3.1.1 Interpretatie macroresten

De knopschubben (waarschijnlijk van eiken) wijzen op lokale groei van bomen.

Cenococcum geophilum is een aanwijzing voor de aanwezigheid van bos van drogere

gronden, mogelijk eikenbos. De aanwezigheid van de soorten van betreden of omgewerkte

grond zijn een aanwijzing dat in de omgeving sprake is van open terrein al dan

niet door de mens betreden.

Het venige karakter van Spoor 1 wijst op een hoge lokale grondwaterstand, waardoor

het organisch materiaal dat ter plekke geproduceerd werd niet volledig kon worden afgebroken.

Echter de overgebleven resten zijn dusdanig gering of te sterk vergaan dat er

weinig te zeggen valt over de planten die er mogelijk groeiden tijdens de accumulatie van

het organische materiaal en daarmede weinig over de vegetatie.

6 Voor meer informatie over microfossielen zie o.a. Bakker & van Smeerdijk 1982; van Geel 1978;

van Geel et al. 1980/1981; van Geel et al. 1982/1983 en Pals et al. 1980.

7 Jensen 1974.


BIAXiaal 204 7

3.2 POLLEN

Voor de polleninventarisatie is meestal de middelste regel van het preparaat geteld en de

rest van het preparaat doorgekeken op pollentypen en andere microfossielen die nog niet

eerdere tijdens het tellen waren waargenomen. Twee preparaten (M35-90 en M38) bevatten

zeer weinig pollenkorrels, bij de inventarisatie is van beide het gehele preparaat

geteld. In de overige preparaten varieerde de polleninhoud, maar de conservering was

redelijk tot goed. Uit de inventarisatie van de pollenpreparaten bleek dat alle preparaten

telbaar zijn. Vervolgens zijn er vier geselecteerd om te analyseren.

In het pollendiagram zijn de grenzen tussen de lithologisch herkenbare lagen aangeven.

Spoor 1 is onderbroken door een dunne zandlaag daarom is in het diagram het

bovenste deel aangegeven als Spoor 1B en het onderste deel als Spoor 1O. De pollenconcentratiecurve

geeft een min of karakteristiek beeld van de pollenconcentratie in een

bodem. Namelijk lage concentraties in de diepere lagen en hoge concentraties bovenin. 8

Echter de hoogste concentratie zit niet aan de top maar op diepte -0,95 m, dat is aan de

onderkant van het bovenste deel van Spoor 1. De betekenis hiervan is dat rond diepte -

0,95 m het voormalige oude oppervlak heeft gelegen waarop het pollen kon accumuleren

en dat na diepte -0,95 m het terrein natter is geworden waardoor steeds meer organisch

materiaal kon accumuleren en het profiel veniger is geworden. Bij gelijkblijvende pollenproductie

zal de hoeveelheid geaccumuleerd pollen verdund raken door de hogere bijdrage

aan organisch materiaal (= minder vergane plantenresten). Een ander aspect dat

aangeeft dat er wat gewijzigd is in de (lokale) hydrologie van het gebied is de aanwezigheid

van minder beschadigde (gecorrodeerde) pollenkorrels en sporen in de meer venige

bovenste monsters dan in de onderste monsters. Hierbij moet wel in ogenschouw genomen

worden dat dit niet alleen veroorzaakt werd door verhoging van de grondwaterstand,

maar natuurlijk ook doordat het oudere pollen langer in de grond zit en langer aan

afbraakprocessen is blootgesteld.

De pollendata laten hoge percentages zien voor bomen (∑AP 70 % of hoger) en wijzen

op een bosvegetatie op dan wel dicht bij de monsterplek. Het is een vrij gesloten loofbos

dat voornamelijk uit eiken (Quercus) bestaat, met wat hazelaar (Corylus avellana) en

berk (Betula). In de ondergroei komen klimop (Hedera helix), wilde kamperfoelie

(Lonicera periclymenum), drienerfmuur (Moehringia trinerva) type en grote muur

(Stellaria holostea) voor. De overige pollen- en sporentypen bestaan voornamelijk uit

grassen (Poaceae), cypergrassen (Cyperaceae), eikvarens (Polypodium), adelaarsvarens

(Pteridium aquilinum) en niervarens (Dryopteris), die eveneens onderdeel van de

ondergroei van het eikenbos geweest zijn.

De den (Pinus) is met zulke lage waarden vertegenwoordigd dat de boom geen onderdeel

uitmaakte van de vegetatie in de omgeving. Opvallend zijn de lage percentages voor

het pollen van de els (Alnus). Dat betekent dat de els op grote afstand van het monsterpunt

heeft gegroeid.

Een ander interessant aspect is dat er geen pollen van de duindoorn en jeneverbes is

aangetroffen. Beide soorten komen veelvuldig voor is pollendiagrammen uit het

kustgebied. Andere soorten die ook regelmatig en in flinke hoeveelheden voorkomen in

pollendiagrammen van het kustgebied zijn wilg (Salix) en wilde gagel (Myrica gale). 9

Alleen wilde gagel is in het diagram uit de Ripperda Kazerne in hele lage waarden

aanwezig in het bovenste deel van de sectie. Dat maakt het niet eenvoudig het diagram

met andere diagrammen te vergelijken en het in de tijd te plaatsen. In het diagram komt

alleen in het bovenste monster wat pollen voor van de beuk (Fagus sylvatica) maar geen

pollen van de haagbeuk (Carpinus). Dit maakt het aannemelijk dat het bos van ver voor

de Romeinse Tijd dateert.

8 Dimbleby 1985.

9 Jelgersma et al. 1970; de Jong & Zagwijn 1983.


BIAXiaal 204 8

3.3 DATERING

Het bovenste deel van Spoor 1 is veniger en hierin komen meerdere pollentypen voor, die

daaronder niet of nauwelijks voorkomen. Een deel daarvan vertegenwoordigt moerasplanten

of planten van graslanden. Een klein deel van de pollentypen wijst op mogelijke

menselijke invloed op de vegetatie zoals schubkamille (Anthemis) type, smalle weegbree

(Plantago lanceolata) en varkensgras (Polygonum aviculare). Onder de overige pollentypen

zijn er diverse die van nature in open vegetaties in de duinen voorkomen.

Zoals boven al was aangegeven is de sectie palynologisch moeilijk te dateren. Als alternatief

is gezocht naar dateerbare macroresten uit de boven- en onderkant van Spoor 1 (zie

tabel 1). Een inschatting van de te verwachte ouderdom van deze humeuze laag is moeilijk

te geven maar wordt geschat op Bronstijd (ca. 3000 jaar BP.).

Met het beschikbaar komen van de dateringen is vergelijking met andere diagrammen

makkelijker geworden. De datering van beide monsters ligt dicht bij elkaar. Het onderste

monster bevat als bulkmonster niet alleen materiaal uit de periode dat het venige laag

gevormd is, maar ook wat ouder materiaal (resten van de bodemschimmel Cenococcum

geophilum) en mogelijk wat jonger materiaal. Denk daarbij aan de houtige doorworteling

van bovenaf. De gemeten ouderdom is daardoor waarschijnlijk te jong wanneer we aannemen

dat de bijdrage van het jongere materiaal hoger is dan dat van oudere bodemmateriaal.

Het verschil in ouderdom is 45 14 C-jaren (over een afstand van 3 cm). In veenafzettingen

varieert de hoeveelheid tijd die nodig was om een centimeter veen te vormen.

Dit is onder andere afhankelijk van het type veen en de mate van afbraak en in een later

stadium speelt de mate van compactie ook een rol. In hoogvenen representeert een pakket

veen van een meter dik vaak 1000 jaar (komt overeen met 1 cm per 10 jaar), in sterker

vergane venen is 20 tot 30 jaar per 1 cm niet ongebruikelijk. Dus de hier verkregen 45

jaar voor 3 cm venig materiaal is geen ongewoon resultaat. Het materiaal is zeer zandig.

Dat kan duiden op een open landschap met nog flink wat verstuiving van zand, maar in

het geval van een meer gesloten bosvegetatie is menging van organisch materiaal door

middel van bodemdieren in het aanwezige zandoppervlak ook niet onlogisch. In het eerste

geval is er al sprake van veenvorming en zal het grondwater aan het maaiveld staan. In

het tweede geval is er nog geen sprake van veenvorming en kan het grondwater

aanzienlijk onder het maaiveld staan.

3.4 VERGELIJKING VAN ANDERE POLLENDATA UIT HAARLEM EN OMGEVING.

In het onderzochte profiel van Aelbersberg bij Bloemendaal 10 is sprake van meer dan een

meter veen waarvan de onderzijde op -3,54 m NAP is gedateerd op 2430 ± 35 BP (GrN-

14455). Het betreft een fase met een boompollenpercentage van 60%, voornamelijk

bepaald door els, eik en den en daarnaast redelijk veel wilg, jeneverbes en afnemende

hoeveelheid duindoorn.

In het onderzoek aan de kabelsleuf in Haarlem-Noord zijn meerdere locaties verkend

waarin diverse veenlagen of humeuze horizonten werden aangetroffen. 11 De oudste datering

uit dit onderzoek is 3545 ± 20 BP (GrN-18717) afkomstig uit de basis van een sterk

zandige veenlaag op diepte -1,80 m NAP van de locatie HV-I/6. Uit dit profiel HV-I zijn

meerdere veenlaagjes of een begroeingslaag en bewoningslaag gedateerd. Echter juist uit

dit profiel zijn geen pollenanalyses gedaan. Uit een profiel daar niet zo ver vandaan is op

een diepte van -2,11 m NAP de onderkant van een rietveenlaag gedateerd op 2870 ± 60

BP (GrN-10249). In het bijhorende pollendiagram domineert de els en spelen eiken en

hazelaar een belangrijke rol. Uit palynologisch gezichtspunt wordt de zone (-2,58 tot -

1,34 m NAP) waar deze datering middenin valt aangegeven als zone Va (ongeveer

overeenkomend met de IJzertijd). Het daaronder liggende deel van het profiel met een

10 De Jong 1986.

11 De Jong 1991.


BIAXiaal 204 9

veenlaag van meer dan 10 cm zou palynologisch gedateerd zijn in zone IV (laatste deel

van de Bronstijd). In dit deel domineert nog steeds de els, maar er is tevens sprake van

hoge eikenwaarden en lage waarden voor de hazelaar en berk. In de veenlaag spelen ook

grassen en cypergrassen en met name niervarens een belangrijke rol. Ook de den bereikt

waarden boven de 20 %.

In de bouwput aan de Ridderstraat van het verpleeghuis Janskliniek werd in het

zuidelijk deel een veenlaag aangetroffen die ingeschakeld lag in ongestoorde Oud

Duinzand. 12 Direct onder het veen ligt een humeuze laag met geulvormige opvullingen

(‘greppels’). De veenlaag ligt tussen -0,32 m en -0,62 m NAP. De datering van de

onderkant van het veen op -0,59 m NAP is 2640 ± 40 BP (GrN-4643). Dit is ook te jong

in vergelijking met het Ripperda onderzoek. De pollenanalyse uit het veen wijst op een

open landschap met voornamelijk elzen, eiken en hazelaars in de bosvegetatie. Gyttjaachtig

materiaal uit hetzelfde profiel van diepte -0,97 m NAP levert een datering van

3155 ± 55 BP (GrN-9451) op. Echter uit dit deel van de sectie zijn geen pollenanalyses

uitgevoerd.

Onderzoek aan veenlagen die zichtbaar werden bij ontgravingen op het stationsplein

leverde bij lokatie III een ouderdom op van de onderkant van het veen op ca.-0,83 m

NAP van 3280 ± 60 BP (GrN-7778). 13 Onder het veen, in het humeuze zand domineert

het pollen van els. De overige bomen zijn vertegenwoordigd met lage waarden. Op diepte

-0,95 m NAP komt veel pollen van jeneverbes voor. Vlak bij dit profiel is een tweede

profiel (locatie V) waar een zandige veenlaag voorkomt die dieper ligt. De onderkant op -

1,80 m NAP is gedateerd op 3805 ± 75 BP (GrN-7491) en de top op -1,64 m NAP is

gedateerd op 3710 ± 60 BP (GrN-7779). In dit profiel is het boompollen sterker vertegenwoordigd

(tussen de 60 en 80 % in het onderste deel en tussen 45 en 60 % in het bovenste

deel). Els is onderin nog steeds de dominante soort met flinke bijdragen van eik, hazelaar

en den. In het bovenste deel domineert eik en is els flink afgenomen. Lokaal zijn net als

in de andere hier voorgenoemde locaties de cypergrassen het belangrijkste niet-boompollentype

samen met varens.

Met name bij dit onderzoek is het duidelijk dat op betrekkelijk korte afstand meerdere

veenlagen op verschillende dieptes (en met verschillende ouderdom) kunnen voorkomen,

en dat de aangetroffen veenlagen vaak maar over korte afstand aanwezig zijn. Ook gaan

veenlagen vaak over in humeuze horizonten.

Uit een beperkt palynologisch onderzoek aan vermeende akkers uit de Bronstijd en

veenlagen domineert de els bij het boompollen, en bij het niet-boompollen de cypergrassen

en de grassen. 14 .

In het onderzoek van Jelgersma representeren de pollendiagrammen uit Velsen en

omgeving allemaal een jongere periode van de duinvorming. 15 In deze diagrammen komt

het boompollen (exclusief duindoorn = Hippophaë rhamnoides, jeneverbes = Juniperus

communis en wilg = Salix) niet boven de 50 % uit. Daar binnen domineert soms de els

dan weer de eik. Daarentegen vertonen duindoorn, jeneverbes en wilg regelmatig sterke

voorkomens met hoge percentages (soms meer dan 40%).

4. Interpretatie en conclusies

De hier besproken humeuze/venige laag is op basis van de palynologische informatie te

plaatsen in de laatste fase van het Subboreaal (ongeveer overeenkomend met het Laat

Neolithicum tot Bronstijd). 16 Dit komt redelijk overeen met de verwachting dat er een

12 De Jong 1988.

13 De Jong 1985.

14 Van Smeerdijk 1999; Jacobs 1999.

15 Jelgersma et al. 1970.

16 Janssen 1974; de Jong 1982.


BIAXiaal 204 10

nederzettingsterrein uit het Late Neolithicum en/of (Vroege) Bronstijd aanwezig kon zijn.

De resultaten van het 14 C-onderzoek geven een nauwkeurige plaatsing in de tijd. De top

van de humeuze laag op 0,92 m beneden NAP is gedateerd op 3675 ± 45 BP (2137 - 1979

cal voor Chr.), dus Laat Neolithicum en Vroege Bronstijd. De onderkant op 0,95 m

beneden NAP is gedateerd op 3720 ± 45 BP (2197 - 2035 cal voor Chr.), Laat

Neolithicum.

De gegevens wijzen op een betrekkelijke oude natte fase in de duinvorming. De oudste

natte fase (onderbreking van de duinvorming = strikt genomen verstuiven van zand) zoals

beschreven door Jelgersma et al. is fase O.D. A en dateert van 1700 - 1600 BC. 17 In de

omgeving van Den Haag tussen 4200 en 3800 BP kende de Oude Duinen een landschap

dat gedomineerd werd door duinstruweel met in het bijzonder duindoorn. Later is daar de

bebossing sterk toegenomen met vooral eiken. 18

Het macrorestenonderzoek geeft beperkte informatie over de lokale vegetatieontwikkeling.

In het diepere deel van het onderzochte profiel (vanaf diepte 96,5 cm beneden

NAP) komen voornamelijk resten van bodemschimmels en wortels voor. Dit materiaal is

afkomstig van houtige gewassen van een hoger niveau daar waar de vegetatie stond. De

macroresten uit de duidelijke humeuze band bevatten nog steeds resten van bodemschimmels.

Onderin is er sprake van bodemmateriaal gemengd met plantenresten,

bovenin betreft het voornamelijk plantenmateriaal met ingestoven zand. De aanwezigheid

van knopschubben wijst op een vegetatie met bomen dicht bij de monsterplaats. De

aanwezigheid van zaden van grote weegbree, beklierde duizendknoop, hondsdraf en

hennepnetel in het onderste monster uit de duidelijk humeuze laag is een aanwijzing voor

open en verstoorde grond.

De gegevens uit het pollenonderzoek wijzen op een bodemprofiel onder een bos dat

gedomineerd werd door eiken. Het bostype dat het meest in aanmerking komt is een

Duineikenbos, maar dit is een bostype dat beschreven is naar het huidige voorkomen en

zal er ongetwijfeld ruim 3000 jaar geleden anders hebben uitgezien. 19 Hoewel het altijd

moeilijk is om palynologische gegevens te vertalen naar een huidige vegetatie is het toch

wel mogelijk om binnen de aangetroffen pollentypen taxa te vinden die mogelijk tot het

Duineikenbos behoort hebben. Belangrijke taxa zijn bijvoorbeeld wilde kamperfoelie en

niervarens type. Op gestoorde plaatsen komen o.a. voor drienerfmuur type, hondsdraf,

robertskruid (binnen het Geranium molle type). Op meer open grazige plekken diverse

grassoorten (Poaceae), zandzegge (binnen de Cyperaceae). Op drogere plaatsen komen

eikvarens voor.

De in het huidige onderzoek besproken venige laag is dus gevormd in een periode dat

dit deel van de Oude Duinen al bedekt was met enigszins open eikenbossen met een

ondergroei van onder andere wilde kamperfoelie en varens.

Het vrij geringe aandeel aan elzenpollen wijst op een verder afgelegen broekbos. Omdat

de laterale uitbreiding van deze venige laag niet bekend is kan niet goed aangegeven

worden op wat voor afstand het elzenbroekbos heeft gelegen.

In de pollenspectra zijn diverse pollentypen aanwezig die wijzen op andere vegetatietypen

al dan niet door de mens beïnvloed. Zo wijzen wilde gagel (Myrica gale), heide

(Ericales) en veenmossen (Sphagna) op natte heide/hoogveenachtige vegetaties. Het is

niet aan te geven waar zij zich bevonden. Er zijn ook aanwijzingen voor moerasvegetaties,

mogelijk komt een deel van het pollen van cypergrassen en grassen ook van de

moerasvegetatie.

17 Jelgersma et al. 1970: 62.

18 De Jong & Zagwijn 1983: 62.

19 Van der Werf 1991: 107 e.v..


BIAXiaal 204 11

Het voorkomen van smalle weegbree (Plantago lanceolata), veldzuring (Rumex acetosa)

type, soorten binnen de composietenfamilie (Asteraceae liguliflorae en Asteraceae

tubuliflorae), ratelaar (Rhinanthes) en walstro (Galium) zijn aanwijzingen voor de

aanwezigheid van open terreinen zoals grasland. Het zijn allemaal niet heel erg specifieke

pollentypen, maar in een vegetatie die gedomineerd wordt door bos zijn dit belangrijke

indicatoren voor de aanwezigheid van open terreinen.

4.1 INDICATOREN VOOR MENSELIJKE ACTIVITEITEN.

Er zijn geen pollenkorrels van granen of andere cultuurgewassen aangetroffen.

Alle planten die in het pollendiagram vertegenwoordigd zijn komen in natuurlijke vegetaties

voor. Het voorkomen van een aantal soorten (pollentypen) kan gekoppeld worden

aan menselijke activiteiten. 20 Smalle weegbree (Plantago lanceolata) wordt gezien als

een klassiek voorbeeld van een indicator voor de aanwezigheid van weidegronden.

Samen met zuring (Rumex), grassen (Poaceae) en boterbloemen (Ranunculus) kunnen ze,

indien in flinke hoeveelheden voorkomend, opgevat worden als indicatoren voor weidegrond.

Andere pollentypen die met weidegrond geassocieerd kunnen worden zijn soorten

uit de composietenfamilie (Asteraceae), uit de anjerfamilie (Caryophyllaceae), grote

weegbree (Plantago major) en ratelaar (Rhinanthes).

Grote weegbree en varkensgras vertegenwoordigen soorten van betreden plaatsen.

Het zijn allemaal pollentypen die met lage waarden vertegenwoordigd zijn, maar gezien

de lokale dominantie van boompollen zijn ze wel belangrijke indicatoren voor de aanwezigheid

van openvegetaties. Deze kunnen door de mens zijn ontstaan of in stand

gehouden.

5. Literatuur

Bakker, M. & D.G. van Smeerdijk 1982: A Palaeoecological Study of the Late Holocene

Section from "Het Ilperveld", Western Netherlands, Rev. Palaeobot. Palynol., 36, 95-

163.

Behre, K-E, 1981: The Interpretation of Anthropgenic Indicators in Pollen Diagrams,

Pollen et Spores, XXIII-2, 225-245.

Dimbleby, G.W., 1985: The Palynology of Archaeological Site, Acad. Press, London.

Erdtman, G., 1960: The Acetolysis Method, Svensk. Bot. Tidskr. 54, 561-564.

Fægri, K. & J. Iversen 1975: Textbook of Pollen Analysis, Munksgaard, Copenhagen.

Fægri, K., P.E. Kaland & K. Krzywinski 1989: Textbook of Pollen Analysis (IV

Edition), Chichester.

Geel, B. van, 1978: A Palaeoecological Study of Holocene Peat Bog Sections in Germany

and The Netherlands, based on the Analysis of Pollen, Spores and Macro- and

Microscopic Remains of Fungi, Algae, Cormophytes and Animals, Rev. Palaeobot.

Palynol. 25, 1-120.

Geel, B. van, S.J.P. Bohncke & H. Dee 1980/81: A Palaeo-ecological Study of an Upper

Late Glacial and Holocene Sequence from "De Borchert", The Netherlands, Rev.

Palaeobot. Palynol. 31, 367-448.

20 Behre 1981.


BIAXiaal 204 12

Geel, B. van, D.P. Hallewas & J.P. Pals 1982/83: A Late Holocene Deposit under the

Westfriese zeedijk (Prov. of Noord-Holland, The Netherlands): Palaeoecological and

Archeological Aspects, Rev. Palaeobot. Palynol., 38, 269-335.

Groeneveld, P. 2000a: rapportage boringen Ripperdaterrein 1999. Intern rapport Bureau

Archeologie, gemeente Haarlem.

Groeneveld, P. 2000b: rapportage boringen Ripperdaterrein 2000. Intern rapport Bureau

Archeologie, gemeente Haarlem.

Jacobs, E., 1999: Een landschap doorsneden. Prehistorische boeren in de Hekslootpolder,

Haarlems Bodemonderzoek 33, 20-63.

Jacobs, E., 2003: Archeologisch ontwerp voor het pro-actief veldonderzoek op de locatie

van het ‘Ripperda-complex’, gemeente Haarlem (0.03KLEV), intern rapport Bureau

Archeologie, gemeente Haarlem.

Janssen, R. 1974: Verkenningen in de palynologie, Oosthoek, Utrecht.

Jelgersma, S., J. de Jong, W.H. Zagwijn & J.F. van Regteren Altena 1970: The Coastal

Dunes of the western Netherlands; Geology, Vegetational History and Archeology,

Med. Rijks Geol. Dienst, N.S., 21: 93-167.

Jensen. A., 1974: Cenococcum geophilum Fr. in arable Soil in Denmark, FRIESIA, X, 4-

5, 300-314.

Jong, J., de, 1971: Geologische geschiedenis en vroege bewoning van Haarlem, Haerlem,

Jaarboek 1970.

Jong, J. de, 1982: Chronostratigraphic Subdivision of the Holocene in the Netherlands,

Striae 16, 71-74.

Jong, J. de, 1985: Geologisch onderzoek in ontgravingen op het stationplein te Haarlem,

Haarlems Bodemonderzoek, 19, 25-38.

Jong, J. de, 1986: Wat er aan Aelbertsberg voorafging; resultaten van een pollenanalytisch

en 14 C-onderzoek, Haarlems Bodemonderzoek, 20, 3-14.

Jong, J. de, 1988: Haarlem, bouwput aan de Ridderstraat; waarnemingen en onderzoek,

Haarlems Bodemonderzoek, 22, 19-33.

Jong, J. de, 1991: Kabelsleuf in Haarlem-Noord, Haarlems Bodemonderzoek, 25, 13-32.

Jong, J. de, 1997: geologische opbouw van het stadsdeel Schalkwijk en het verband met

prehistorische bewoning, Haarlems Bodemonderzoek 30, 3-25.

Jong, J. de & W.H. Zagwijn 1983: De vegetatiegeschiedenis van 's-Gravenhage en

omgeving, Med. Rijks Geol. Dienst, 37-1: 44-62.

Konert, M., 2002: Pollenpreparation Method, Intern rapport VU, Amsterdam.

Pals, J.P., B. van Geel & A. Delfos 1980: Paleoecological Studies in the Klokkeweel Bog

near Hoogkarspel (Prov. of Noord-Holland), Rev. Palaeobot. Palynol., 30, 371-418.

Smeerdijk, D.G. van, 1999: Palynologisch onderzoek aan mogelijke prehistorische akkers


BIAXiaal 204 13

uit de Hekslootpolder (gemeente Haarlem), BIAXiaal 84.

Stuiver, M., P.J. Reimer, E. Bard, J. Warren Beck, G.S. Burr, K.A. Hughen, Bernd

Kromer, G. McCormac, J. van der Plicht & M. Spurk 1998: INTCAL 98 Radiocarbon

Age Calibration, 24,000 - 0 cal BP, Radiocarbon 40-3.

Werf, S. van der, 1991: Natuurbeheer in Nederland, Deel 5 Bosgemeenschappen. Pudoc,

Wageningen.

More magazines by this user
Similar magazines