Download rapport - Biax Consult

biax.nl

Download rapport - Biax Consult

BIAXiaal

378

Geen voedsel maar teer

Botanisch en chemisch onderzoek aan de

inhoud van een vroege-ijzertijdpot

uit Wierden, Enter “De Akkers”

L. Kubiak-Martens

T.F.M. Oudemans

augustus 2007

BIAX

C o n s u l t

Onderzoeks- en Adviesbureau

voor Biologische Archeologie en Landschapsreconstructie


Colofon

Titel:

BIAXiaal 378

Geen voedsel maar teer – Botanisch en chemisch onderzoek aan de inhoud van een

vroege-ijzertijdpot uit Wierden, Enter “De Akkers”

Auteur:

L. Kubiak-Martens & T.F.M. Oudemans

Opdrachtgever:

ADC ArcheoProjecten

ISSN: 1568-2285

©BIAX Consult, Zaandam, 2007 en ©Kenaz Consult, Leiden, 2007

Correspondentie adres:

BIAX Consult

Kenaz Consult

Hogendijk 134 Morssingel 179

1506 AL Zaandam 2312 EW Leiden

tel: 075 – 6161010 tel: 071-5128632

fax: 075 – 6149980

fax:

email: BIAX@BIAX.nl

email: kenaz@xs4all.nl


BIAXiaal 378 1

1. Inleiding

1.1 OPGRAVING “WIERDEN, ENTER: DE AKKERS”

In het kader van de uitvoering van de plannen van de gemeente Wierden (Overijssel) voor

het aanleggen van een nieuwe woningbouwlocatie is door ADC ArcheoProjecten een

archeologische opgraving uitgevoerd voor het plangebied Enter “De Akkers” fase 2. Het

plangebied ligt aan de noordwestzijde van de dorpskern van Enter en wordt begrensd

door de Zwiksweg en de huispercelen aan de Wierdenseweg. Vooronderzoek had al

aangetoond dat zich op deze locatie nederzettingssporen bevinden. De voorgenomen

bouwplannen zouden deze sporen vernietigen dan wel ernstig beschadigen. Tijdens het

tweede fase onderzoek, uitgevoerd tussen 21 augustus 2006 en 27 september 2007, zijn in

het totaal 3988 grondsporen (paalsporen, greppels en kuilen) aangetroffen welke redelijk

tot goed geconserveerd waren. Er zijn verschillende structuren onderscheiden, waaronder

2 huisplattegronden en een aantal spiekers. Over het terrein verspreid zijn 17 kuilen

aangetroffen, waarvan 12 kuilen een grote hoeveelheden aardewerk bevatten. Ondanks

aanwijzingen voor de aard van de vulling, is de functie van de kuilen niet altijd duidelijk

vast te stellen. Soms zijn de kuilen het resultaat geweest van winning van grondstoffen

(zoals klei), maar waarschijnlijk hebben ze ook verschillende functies gehad variërend

van kuilen voor voorraadopslag tot afvalkuilen. Onder de sporen in de nederzetting is een

fasering in periode aan te brengen, variërend van IJzertijd tot Middeleeuwen.

Figuur 1

Wierden, Enter ‘’De Akkers’’, kuil 6, spoor 371 overzicht van aangetroffen aardewerk.

Foto: ADC Archeoprojecten.


BIAXiaal 378 2

1.2 EEN VROEGE IJZERTIJD POT MET INHOUD

Eén van deze kuilen (Kuil 6, spoor 371, werkput 10) was bijzonder vanwege het

aardewerk wat erin gevonden werd. De kuil is een spoor dat onderdeel is van een cluster

van 31 diepe sporen gelegen aan de zuidzijde van de putten 2 en 8. Deze cluster sporen

lijkt een deel uit te maken van een structuur waarvan de exacte plattegrond niet duidelijk

is. Onder andere omdat het zuidelijk deel van de structuur ontbreekt in verband met de

huidige bebouwing. Ook een grote hoeveelheid andere (paal)sporen maken het beeld

onduidelijk. De kuil zelf heeft een diepte van 68 cm, met een gelaagde vulling, waaronder

een laag houtskool. In de diverse vullingen zijn onder andere een spinsteentje,

natuursteen, aardewerk en verbrand aardewerk aangetroffen. Onderin het spoor werden

echter grote fragmenten van twee aardewerken potten aangetroffen (figuur 1). Naast

aardewerk werd zowel in de onderste vullingen als ook op het aardewerk vastgekoekte

brokken van een “verbrande” donkerkleurige organische substantie gevonden.

Een opvallende drieledige pot (WIEN-06, pot 408) kon grotendeels worden gerestaureerd

uit de aardewerkfragmenten aangetroffen in deze kuil (spoor 371). Het is opvallend dat de

pot niet in zijn geheel binnen het spoor teruggevonden is. Een deel van het aardewerk

ontbreekt. Het is zeer te betwijfelen of we hier kunnen spreken van een originele

gebruikscontext. Eerder lijkt het hier te gaan om een depositie na breuk.

Het potprofiel was redelijk goed te reconstrueren (figuur 2). Een robuuste drieledige pot

van ongeveer 40 cm hoogte en een vergelijkbare maximale diameter met vrij grove

besmijting op de buik (vanaf ca. 2 cm boven bodem) en een gepolijste schouder, hals en

rand. De hals is ca. 5 cm hoog en de rand is deels intact (ca. 40 %) en toont een opening

van ongeveer 20 cm. De bodem heeft een diameter van 12 cm en heeft in het midden een

licht hol verloop.

Binnen de typologie van

Verlinde over Late Bronstijd

en Vroege IJzertijd

grafveldkeramiek valt deze pot

onder de Kegelhäls-vormige

potten (Kegelhälsurnen), door

de combinatie met de

besmeten buik binnen de

Vroege-IJzertijdtraditie. 1 De

pot is dan vermoedelijk te

dateren in de Vroege IJzertijd. 2

Figuur 2

Wierden, Enter ‘’De

Akkers’’, overzicht van

de gevonden delen

van Pot 408. Foto:

ADC Archeoprojecten.

1 Verlinde 1987, 268-269, figuur 135.

2 Pers. com. Eimmerman.


BIAXiaal 378 3

Het meest opvallende was de aanwezigheid van een grote hoeveelheid organische resten

die in associatie met het aardewerk zijn gevonden. Er waren dikke aankoeksels zichtbaar

op het aardewerk zelf en er waren losse klonten donkerbruine en zwarte organische

substantie zichtbaar die tezamen gekit waren met de grond. Tijdens de opgraving werd de

mogelijke inhoud van de pot verzameld. De aankoeksels en losse organische brokken

werden gezien als mogelijke indicatie voor gebruik van de pot als kookpot. Maar de

context binnen de kuil en de grootte van de pot deden speculeren dat de pot mogelijk

(secundair) als voorraadpot gebruikt is.

1.3 VRAAGSTELLING

De vraagstelling van dit onderzoek was gericht op het identificeren van macroresten en

organische verbindingen die meer licht zouden kunnen werpen op de functie van deze

aardewerken pot. Dit rapport toont de resultaten van onderzoek met een Scanning

Electron Microscope (SEM) aan botanische resten door L. Kubiak-Martens van Biax

Consult en van de analyse van organische residuen met behulp van Directe Temperatuuropgeloste

Massaspectrometrie (DTMS) door T.F.M. Oudemans van Kenaz Consult.

2. Materiaal en methode

2.1 POTINHOUD

Het materiaal zoals aangeleverd door ADC ArcheoSpecialisten bestond uit los organisch

materiaal en een tweetal scherven met aankoeksels op binnenzijde.

Het losse organische materiaal (vondstnummer 408 en 188) is door ADC eerst met

leidingwater gezeefd over een set zeven met als kleinste maaswijdte 0,25 mm, en na

droging bewaard in plastic zip-lock zakjes. Het losse materiaal bestond voor het

merendeel uit brokken zwart organisch materiaal (figuur 3) en verder uit verkoolde zaden

en stukjes houtskool. Dit materiaal is bemonsterd voor botanisch onderzoek, SEM en

chemisch onderzoek.

Het aardewerk met daarop aangekoekte residuen waren afkomstig van pot 408. De

scherven waren bewaard in plastic zakken. Eén fragment van de besmeten buikwand

(figuur 4) en één fragment van de gepolijste schouder en hals (figuur 5) werden

bemonsterd voor chemisch onderzoek. Een klein fragment aardewerk met daarop

vergelijkbare aankoeksels werd aangetroffen in het gezeefde monster. Deze scherf is

bestudeerd op botanische resten met behulp van de SEM.


BIAXiaal 378 4

Figuur 3

Wierden, Enter ‘’De Akkers’’, brokken van zwart organisch materiaal (vondstnummer

408). Foto: M. van Waijjen (BIAX Consult)

Figuur 4

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, binnenaanzicht van de scherf van de buikwand met

aangekoekt residu. Het vierkant toont de locatie waar monster ORA 9 is genomen. Foto:

T. F.M. Oudemans


BIAXiaal 378 5

Figuur 5

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, binnenaanzicht van de scherf van de schouder en hals met

aangekoekt residu. Het vierkant toont de locatie waar monster ORA 8 is genomen. Foto:

T.M.F. Oudemans

2.1.1 Botanische monsters

Twee (vroege-)ijzertijdpotten uit Wierden, Enter “De Akkers” zijn bemonsterd op hun

botanische inhoud (vondstnummers 408 en 188). Het botanisch onderzoek van beide

potinhouden is in twee fasen uitgevoerd. De eerste fase bestond uit het inventariseren van

de inhoud. Hierbij werd de conserveringstoestand, rijkdom en globale

soortensamenstelling van het botanisch materiaal in de monsters genoteerd. Het doel van

deze fase was het vaststellen van de waarde van de monsters voor een eventueel

gedetailleerd vervolgonderzoek. De inventarisatie is gedaan met behulp van een

opvallend-lichtmicroscoop met een vergroting van 6x. De resultaten van deze eerste

inventarisatiefase zijn samengevat in tabel 1.

Tabel 1 Wierden, Enter ‘’De Akkers”, overzicht van onderzochte botanische monsters -

resultaten van de inventarisatie. Aantal (zaden): G = 0, W = 1-5, R = 5-20, V = >20

resten; Variatie (zaden): G=0-1; W-2-5; V=>5); analyse: J = ja, N = nee. Overig: vnr. =

vondstnummer, hk = houtskool, x = aanwezig.

verkoold

put spoor vnr. context hk aantal variatie analyse opmerkingen

10 371 408 potinhoud x V V j organisch residu

3 1 188 potinhoud x W G n organisch residu

De resultaten van de inventarisatie toonden dat één van de monsters (vnr. 408) geschikt

was voor fase twee, het gedetailleerd botanisch vervolgonderzoek. Dit monster bestond

voor het overgrote deel (90%) uit zwarte organische brokken (figuur 3). Verkoolde zaden

en stukken houtskool vormden de rest van de potinhoud. Voor de zaden analyse is een

opvallend-lichtmicroscoop met vergroting tot 50x gebruikt.

De analyse van de zwarte brokken organisch materiaal werd verricht met een scanning

electron microscope in het SEM-laboratorium van het Nationaal Herbarium in Leiden. In


BIAXiaal 378 6

totaal werden drie van de organische brokken en één fragment van aangekoekt residu (op

de binnenzijde van de scherf) onderzocht. Hiertoe werden ze op SEM ‘stubs’ bevestigd

met ‘carbon cement’ en met goud gecoat. De organische brokken werden daarna

geanalyseerd onder een JOEL JSM-5300 scanning electronen microscoop en vervolgens

gefotografeerd. Een overzicht van de SEM-monsters is gegeven in tabel 2.

Tabel 2

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, overzicht van organische residuen bestudeerd met

scanning electron microscope.

put spoor vnr. SEM photo

Fig. nr. in

text

Omschrijving

10 371 408 nrs. 1-3 7 a-c Aankoeksel op binnenzijde wand pot

10 371 408 nrs. 12-14 8 a-c Los residu (potinhoud)

10 371 408 nrs. 7-8 9 a, b Los residu (potinhoud)

10 371 408 nrs. 11-14 . Los residu (potinhoud)

Het gebruik van de SEM is essentieel voor botanisch onderzoek aan voedsel bereid uit

plantaardig materiaal, zoals brood en pap. Het proces van voedselbereiding gaat vaak

gepaard met malen of pletten hetgeen de morfologische herkenbare plantendelen of

weefsels vernietigt. Onderzoek met een scanning electron microscope maakt het mogelijk

de micromorfologische en microanatomische kenmerken van zeer kleine plantaardige

overblijfselen die het proces van voedselbereiding hebben overleefd te bestuderen,

voorbeelden zijn kaf deeltjes en fragmenten van epidermis. Het gebruik van de SEM is

bovendien belangrijk voor de studie van producten welke door verhitting uit plantaardige

materialen gewonnen zijn. Door het verhittingsproces hebben kleine fragmentjes

houtskool de kans te overleven in de substantie. SEM onderzoek maakt het mogelijk de

houtanatomie van dat houtskool te bestuderen.

2.1.2 Organisch Chemische Residuen Analyse met DTMS

Analyse met temperatuur-opgeloste massaspectrometrie (DTMS) toont de chemische

‘vingerafdruk’ van complete organische materialen met inbegrip van de extraheerbare en

niet extraheerbare fracties. DTMS kan informatie geven over een breed scala aan

organische verbindingen (bijv. lipiden, wassen, terpenoïden, polynucleaire aromatische

koolwaterstoffen, oligosacchariden, kleine peptiden en eiwitfragmenten, en een hele reeks

thermisch stabiele, meer of minder gecondenseerde, polymere koolstructuren). In principe

benut de techniek de massaspectrometer om te monitoren welke stoffen vrijkomen als een

monster wordt verhit op een platina/rhodium (Pt/Rh) filament. Extraheerbare vluchtige

componenten verdampen in de beginfase van de verhitting, waarna de niet-vluchtige

stoffen vrijkomen door thermische fragmentatie (opbreken van grote moleculen in kleine

specifieke, indicatieve fragmenten).

Een DTMS meting geeft alle massa’s van alle verbindingen die vrijkomen weer, als

functie van de tijd (en dus de temperatuur, aangezien de temperatuur stijgt gedurende de

meting). Recente toepassingen van deze techniek binnen de archeologie moeten vooral

worden gezocht in de studie van complexe organische vaste stoffen. Typische recente

toepassingen zijn de studie van verkoolde granen en erwten, 3 harsachtige stoffen 4 en

voedselresten en andere coatings op aardewerk uit pre-, en protohistorie. 5 De DTMS

studie van vaste residuen op aardewerk uit de Romeinse IJzertijd heeft geresulteerd in de

detectie van vele organische componenten, zoals kenmerkende indicatoren voor eiwitten

3 Braadbaart 2004.

4 Gijn & Boon 2006.

5 Oudemans 2006; Boon 2006.


BIAXiaal 378 7

en suikers en vetzuren in etensresten, verfstoffen en lijm, en polynucleare aromatische

koolwaterstoffen in roetaanslagen van houtvuren. 6

2.1.2.1 Monsters en monsterbehandeling

In het totaal zijn zes monsters genomen voor DTMS-analyse. Er zijn vier monsters van de

losse organische brokken op het oog gekozen (op visuele diversiteit). Aanvullend zijn

twee monsters genomen van de aankoeksels die op de scherven vastgekleefd zaten. Een

overzicht van de DTMS-monsters is gegeven in tabel 3. Naast de residuen is een aantal

gedetermineerde zaden (Camelina sativa, Chenopodium album), granen (Hordeum

vulgare en Panicum miliaceum) en een stukje eikel (Quercus) bemonsterd voor controle

met DTMS. Al deze plantenresten toonden visuele kenmerken van verhitting. Het doel

van deze bemonstering was controle op degradatieprocessen.

Tabel 3

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, overzicht van monsters voor DTMS analyse.

ORA nr DTMS code put spoor Vnr. Kleur Omschrijving

1 03aug07002 10 371 408 Bruin Los residu (inhoud?)

2 03aug07003 10 371 408 Bruin Los residu (inhoud?)

3 03aug07004 10 371 408 Zwart Los residu (inhoud?)

4 03aug07006 10 371 408 Zwart Los residu (inhoud?)

8 03aug07008 10 371 408 Bruin Aankoeksel op binnenwand pot

9 03aug07009 10 371 408 Bruin Aankoeksel op binnenwand pot

Voorafgaande aan de analyse werd van elk monster een kleine hoeveelheid (50

microgram) fijngewreven en gehomogeniseerd met 10 – 50 microliter ethanol in een

gazen wrijfbuisje met een glazen staafje. Kleine hoeveelheden (2-5 microliter) van deze

suspensie werden op de filament-houder van de massa spectrometer gebracht en gedroogd

(in vacuüm) alvorens te analyseren.

2.1.2.2 Instrumenteel

De massaspectrometer was een JEOL SX102-102A tandem massaspectrometer. De MS

condities waren 16 eV elektron ionisatie, 8kV versnelspanning, en een scan bereik van

massa’s m/z 20 tot en met m/z 1000 met een snelheid van 1 scan per seconde.

Dataverwerking werd uitgevoerd met behulp van het JMA7000 data systeem en

bijbehorende software uitgevoerd.

3. Resultaten en Discussie

3.1 BOTANISCHE MACRORESTEN

Met uitzondering van een kleine hoeveelheid granen en onkruidzaden werd het monster

van de potinhoud overheersd door zwarte brokken organisch materiaal (ca. 90 % van het

materiaal). Deze brokken leken geen voedsel te vertegenwoordigen, maar eerder een harsof

teerachtige substantie. Er werden ook losse fragmenten houtskool afkomstig van

verschillende houtsoorten aangetroffen in de potinhoud. De resultaten van de analyse van

botanische macroresten zijn weergegeven in bijlage 1.

6 Oudemans et al. 2005, 2007a.


BIAXiaal 378 8

3.1.1 Gebruiksplanten

Drie soorten graan zijn aangetroffen in de pot: emmertarwe (Triticum dicoccon), bedekte

gerst (Hordeum vulgare) en pluimgierst (Panicum miliaceum).

Zowel emmertarwe als gerst zijn slechts in kleine aantallen waargenomen.

Emmertarwe was vertegenwoordigd door een enkele graankorrel en één aarvorkje

(kafrest - dorsafval) en gerst door drie graankorrels. Pluimgierst (Panicum miliaceum)

was aanwezig met een groter aantal korrels (zie figuur 6).

Hoewel pluimgierst in Nederland al vanaf de Bronstijd werd gecultiveerd, werd het

gedurende de IJzertijd één van de belangrijkste cultuurgewassen, tezamen met

emmertarwe, bedekte gerst en huttentut (Camelina sativa). Pluimgierst is een typisch

zomergewas, dat het liefst groeit op een zandige bodem. De korrels van pluimgierst

werden waarschijnlijk gebruikt voor het bereiden van een soort pap.

Een mogelijk cultuurgewas in dit monster was de huttentut. Archeobotanisch

onderzoek elders suggereert dat deze plant sinds de Vroege-IJzertijd (ca. 800 v. Chr.) in

Nederland werd gecultiveerd op zeer gevarieerde bodem. Het is aangetroffen in

vindplaatsen op de zandgronden en in het holocene veengebied. 7 De plant werd verbouwd

voor haar oliehoudende zaden. Voorafgaande aan de periode van cultivatie werd huttentut

echter ook aangetroffen als akkeronkruid, vooral in vlasvelden. In het materiaal uit Enter

“De Akkers” zijn geen resten van vlas aangetroffen , hetgeen suggereert dat huttentut hier

mogelijk werd verbouwd als onafhankelijk cultuurgewas. Hoewel de cultuurgewassen

slechts in kleine aantallen voorkomen, is de soortensamenstelling vergelijkbaar met

andere ijzertijdvindplaatsen op de zandgronden van Noord- en Oost-Nederland.

Voorbeelden zijn de nabijgelegen nederzetting uit Midden-IJzertijd tot Vroeg-Romeinse

tijd in Borne-Zuid Esch en drie locaties in de provincie Drenthe: de Late-Brons- en

IJzertijd vindplaats in Wachtum, en de IJzertijd vindplaatsen in Noordbarge en Peelo. 8

De overblijfselen van de cultuurgewassen in deze potinhoud geven informatie over de

economie van de Vroege-IJzertijd in Enter “De Akkers”. Omdat het archeobotanisch

bewijs slechts uit één (geïsoleerde) context afkomstig is, kan niet worden geconcludeerd

dat het hier geschetste profiel een compleet beeld geeft van de voedingseconomie op deze

vindplaats. Wel is er een indicatie dat minstens vier cultuurgewassen, te weten

emmertarwe, bedekte gerst, pluimgierst en huttentut, werden gebruikt en mogelijk lokaal

verbouwd.

Het ontbreken van andere gewassen zoals spelt (Triticum spelta) en paardenboon

(Vicia faba var. minor) in het monster lijkt de Vroege IJzertijddatering van Enter “De

Akkers” te ondersteunen, aangezien deze twee aanvullende cultuurgewassen vooral vanaf

de Midden/Late IJzertijd op prijs gesteld werden. 9

Eén andere mogelijke bron van plantaardig voedsel was aanwezig in de potinhoud, in

de vorm van fragmenten (ca. een kwart of minder) van eikels (Quercus). Opvallend was

het ontbreken van de epidermis van de eikels. De eikels waren duidelijk gepeld voordat

ze in aanraking kwamen met vuur. Helaas is het niet mogelijk om enkel op basis van de

fragmenten onderscheid te maken tussen de twee inheemse soorten eik: zomereik

(Quercus robur) en wintereik (Q. petraea). De identificatie van het archeobotanische

materiaal moet dus worden toegewezen aan het genus eik (Quercus).

De aanwezigheid van verkoolde eikels in het materiaal uit Enter “De Akkers” doet

vermoeden dat de bewoners eikels als voedsel gebruikten. Eikels van alle soorten eiken

zijn eetbaar, indien op de juiste wijze bereid. Eikels bevatten een hoge concentratie

tanninen (looizuur), waardoor ze bitter smaken, en die moeten worden verwijderd

alvorens de eikels als voedsel kunnen worden gebruikt. De voedingswaarde van eikels is

vergelijkbaar met granen en gedroogde wortelgewassen en bestaat voornamelijk uit

7 Van Zeist 1968; Bakels 1991, 1997.

8 Van Haaster 1999, 2005; Van Zeist 1981; Van Zeist & Palfenier-Vegter 1996.

9 Van Zeist 1981; Van Haaster 2005.


BIAXiaal 378 9

koolhydraten, opgeslagen in de vorm van zetmeel. 10 Het roosteren van geschilde eikels in

hete as is mogelijkerwijs één van de methoden geweest die werden gebruikt om de bittere

tanninen te verwijderen (maar ook een aantal andere bereidingswijzen zijn mogelijk). Een

ander voordeel van roosteren is dat de eikels er brozer van worden, waardoor ze

geschikter zijn om te malen als ze worden gebruikt voor het maken van brood/koek of

pap. 11 Mogelijk is het gebruik van het roosteren van eikels de oorzaak van de verkoolde

eikels in Enter “De Akkers”. In Noordwest-Europa zijn aanwijzingen voor het gebruik

van eikels als voedingsmiddel gevonden vanaf het Laat-Mesolithicum tot en met de

Romeinse tijd. 12 De ontdekking van, soms aanzienlijke hoeveelheden, verkoolde eikels is

bekend van diverse ijzertijdnederzettingen in Nederland, zoals twee vindplaatsen op de

zandgronden in Drenthe: Dalen-Huidbergsveld en Peelo. 13

Figuur 6

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, verkoolde zadenresten van pluimgierst, emmertarwe, gerst

en huttentut aangetroffen in de potinhoud (vnr. 408). Foto: M. van Waijjen (BIAX

Consult).

3.1.2 Wilde planten

Het onkruidprofiel werd overheersd door verkoolde zaden van melganzenvoet

(Chenopodium album). Meestal wordt dit gezien als een akkeronkruid in velden met

zomergewassen, maar het kan hier ook worden geïnterpreteerd als een onkruid dat rond

de nederzetting groeide. Hoewel het meestal moeilijk is het verschil te zien tussen

onkruidgroepen die thuishoren bij verschillende cultuurgewassen, gaan we er hier toch

van uit dat twee van de onkruiden komen uit velden pluimgierst en/of bedekte gerst,

namelijk glad vingergras (Digitaria ischaemum) en hanenpoot (Echinochloa crus-galli).

Deze twee wilde gierstachtigen zijn eenjarige zomerplanten die vooral voor zouden zijn

10 Mason 1995.

11 Mason 1995, 2000; Kubiak-Martens 1999, 2002.

12 Hopf 1973; Jørgensen 1977; Kubiak-Martens 1999, 2002.

13 van Zeist & Palfenier-Vegter 1994, 1996.


BIAXiaal 378 10

gekomen onder in het voorjaar gezaaide zomergranen en in velden met wortelgewassen. 14

Diverse andere onkruiden die potentieel thuishoorden tussen zomergranen of

zomergewassen zijn bekleirde duizendknoop (Persicaria lapathifolia), kleefkruid

(Galium aparine) en zwarte nachtschade (Solanum nigrum). De onkruidsamenstelling,

vooral met soorten als glad vingergras, hanenpoot en schapenzuring (Rumex acetosella)

wijst duidelijk in de richting van lichte, zandrijke bodems, hoewel ook enige zeer rijke

bodems moeten hebben bestaan in de omgeving van de nederzetting, waarin soorten zoals

melganzenvoet en zwarte nachtschade kunnen hebben gegroeid (mogelijk door het

opbrengen van mest?). Meeste (zo niet alle) onkruidsoorten hebben gegroeid in

zomergewassen die in het voorjaar werden gezaaid. Pluimgierst is een typisch

zomergraan, terwijl emmertarwe en gerst als winter- en als zomergraan kunnen worden

verbouwd.

3.1.3 Houtskool

Anlyse van losse fragmenten houtskool (dus niet verkleefd in de organische brokken

materiaal) toont een breed spectrum aan loofhout soorten (bijlage 1). Het is opvallend dat

er geen hout is aangetroffen van naaldbomen. Het meeste geïdentificeerde houtskool is

afkomstig van es (Fraxinus). Andere geïdentificeerde houtsoorten zijn eik (Quercus),

wilg (Salix) en els (Alnus) (determinaties door N. den Ouden). Blijkbaar werd de eik

gebruikt voor zowel het hout als voor de eetbare eikels, hetgeen suggereert dat de eik een

van de lokale soorten is geweest.

3.2 BROKKEN ORGANISCH MATERIAAL EN EEN AANKOEKSEL OP AARDEWERK (SEM

ONDERZOEK).

De meest opvallende aspecten van de brokken organisch materiaal die werden onderzocht

met de SEM zijn de aanwezigheid van kleine stukjes houtskool, die ingebed liggen in de

organische matrix, en de complete afwezigheid van enig ander plantenmateriaal. De

kleine stukjes houtskool waren aanwezig in de aankoeksels op de binnenzijde van de

scherven van de pot (figuur 7) en in alledrie de losse brokken organisch materiaal (figuur

8 en 9). De houtskoolfragmenten waren dusdanig klein dat ze, zelfs na SEM onderzoek,

niet konden worden toegeschreven aan een taxon. Slechts in één geval was het mogelijk

te bepalen dat het houtskoolfragment ingebed in de organische matrix afkomstig was van

els (Alnus) dan wel berk (Betula) (figuur 8). Wel is duidelijk dat alle hier onderzochte

houtskoolfragmenten afkomstig zijn van loofhout en niet van naaldhout. 15

14 Van Zeist & Palfenier-Vegter 1996.

15 Pers. com. P. van Rijn, BIAX Consult.


BIAXiaal 378 11

a)

b)

Figuur 7

Wierden, Enter ‘’De Akkers”, SEM-beeld van teerresidu in korst op het binnenvlak van

de pot: a) totaal overzicht (korst aangegeven door pijl); b) fragmentjes houtskool

ingebed in glasachtige matrix; c) details van houtanatomie karakteristiek voor loofhout.

Foto: L. Kubiak-Martens.

c)


BIAXiaal 378 12

a)

b)

Figuur 8 Wierden, Enter ‘’De Akkers, SEM-beeld van geïsoleerd brok organisch materiaal: a)

klein houtskool fragment ingebed in de matrix; b-c) details van houtanatomie

karakteristiek voor loofhout, mogelijk berk/els (Betula/Alnus). Foto: L. Kubiak-Martens.

c)


BIAXiaal 378 13

a)

Figuur 9 Wierden, Enter ‘’De Akkers”, SEM-beeld van geïsoleerd brok organisch materiaal: a)

overzicht van klein houtskool fragment ingebed in de matrix; b) details van

houtanatomie karakteristiek voor loofhout. Foto: L. Kubiak-Martens.

b)

3.3 CHEMISCHE KARAKTERISTIEKEN VAN DE ORGANISCH RESIDUEN

3.3.1 Voedselresten?

Resultaten van de DTMS analyses zijn weergegeven in de massaspectra (bijlage 2) en

worden hier besproken. De vraagstelling van de onderzoekers was onder andere gericht

op het zoeken naar organische verbindingen die kunnen wijzen op voedselbereiding.

Voedselresten zoals vetten, eiwitten en verkoolde polysacchariden zijn regelmatig

aangetoond in aankoeksels op prehistorisch aardewerk of organische componenten

geabsorbeerd in het aardewerk. 16 Dergelijke voedselresten zijn in de losse organische

brokken of in de aankoeksels op het aardewerk van pot 408 niet aangetroffen. Hoewel de

afwezigheid van bepaalde organische verbindingen niet bewijst dat deze stoffen nooit

aanwezig zijn geweest (en later door verhitting of degradatie weer vergaan), is toch de

complete afwezigheid van componentklassen betekenisvol. Het gaat hier dus niet om

voedsel.

16 Rottländer & Schlichtherle; Evershed et al. 1990; Oudemans et al. 2007a,b; Oudemans & Boon

1991, 1996


BIAXiaal 378 14

3.3.2 Harsachtige componenten

Alle residuen (zowel losse brokken als de aangekoekte resten op de scherven) tonen

daarentegen een duidelijk organische profiel dat toebehoord aan harsachtige

verbindingen. Harsen zijn onoplosbaar in water en komen van nature voor in planten en

bomen als bescherming tegen uitdroging en tegen bacteriële rot na beschadiging of breuk.

Alle monsters vertonen een zeer vergelijkbaar chemisch profiel en worden hier dus niet

apart besproken.

De chemische karakteristieken worden helder geïllustreerd aan de hand van de DTMS

spectra van monster ORA 9 - DTMS code 03Aug07009 (zie fig. 10, bijlage 2).

De TIC (Total Ion Current) toont twee pieken waarvan één in het gebied van de

verdampbare, niet-chemische gebonden stoffen (gebied A: scan 30-60); en één in het

gebied van de cross-linked of gecondenseerde materialen (gebied B: scan 60-85).

Het DTMS spectrum voor het gecondenseerde materiaal (gebied B) toont fragmentionen

voor pentacyclische triterpenoïden (m/z 189, 203) en grotere fragmenten en

molecuulionen (m/z 394, 396, 406, 424, 438). Verder bewijs voor de aanwezigheid van

pentacyclische triterpenoïden is te zien in het DTMS spectrum voor gebied A waarin

molecuulionen van diverse triterpenoïden uit de lupane familie zoals betuline (m/z 442),

lupenone (m/z 424), allobetul-2-ene (m/z 424) en lupeol (m/z 426) zichtbaar zijn. 17 Een

extra bewijs voor de identificatie als triterpenoide hars is de relatief hoge intensiteit voor

massa m/z 204, dat is veroorzaakt door het fragment-ion van alpha,omegadicarboxylzuren

en omega-dihydrocarboxylzuren, welke een identificerende

karakteristiek zijn voor natuurlijke harsachtige verbindingen gewonnen uit berkenbast. 18

Deze resultaten tonen een chemisch profiel van een natuurlijke pentacyclische

triterpenoïde hars. Triterpenoide harsen komen voor in hout en bast van diverse planten

en bomen (onder andere in berken), maar verschillen chemisch duidelijk van diterpenoide

harsen welke voorkomen in dennen en andere coniferen. De monsters bestaan uit pure

triterpenoide hars, en zijn niet vermengd met diterpenoide hars. De pieken afkomstig van

diterpenoide harsen (m/z 300 en 302 voor abietic acid en dehydroabietic acid en de

indicatieve pieken m/z 239 en 285 en 197) zijn niet of nauwelijks aanwezig.

De meest waarschijnlijke oorsprong van de organische residuen in deze Vroege-IJzertijd

Pot 408 is een teer gewonnen uit hout of bast van berken. Teer (in het Engels: ‘tar’, of

‘pitch’) is een dikke, stroperige substantie die door verhitting is verkregen uit hout of

boombast. Teer wordt gevormd uit harsen die in het hout zitten. Bij verhitting tot 300 -

400°C van harsrijk hout of boombast onder uitsluiting van zuurstof, treedt droge

destillatie (=pyrolyse) op, waarbij teer en pek weglopen uit het hout en houtskool

achterlaten. Het woord ‘teer’ en het woord ‘pek’ worden vaak door elkaar gebruikt maar

‘pek’ is eigenlijk dikker terwijl ‘teer’ juist vloeibaarder is. Chemisch geïdentificeerde

berkenbastteer is bekend uit alle tijden van de prehistorie, 19 van het midden

Paleolithicum, 20 tot en met de Romeinse tijd. 21 Het prehistorisch gebruik van dit

berkenbastteer is divers en gevarieerd. Het diende als waterafstotende ‘coating’ op

aardewerk, 22 als lijmstof in de decoratie van paardentuig, 23 als reparatiemateriaal voor

gebroken of gebarsten aardewerk, 24 als kauwgum en voor anti-bacteriële medicinale

gebruiken, 25 als kleefstof voor het schachten van bijlen of pijlen, 26 en mogelijk zelfs als

brandbaar materiaal voor fakkels. 27

17 Gijn & Boon 2006; Regert & Ronaldo 2002; Charters et al. 1993.

18 Regert & Ronaldo 2002

19 Pollard & Heron 1996.

20 Koller et al. 2001.

21 Charters et al. 1993.

22 Hayek et al. 1991; Urem-Kotsou et al. 2002.

23 Stacey 1986.

24 Charters et al. 1993.

25 Aveling & Heron, 1999


BIAXiaal 378 15

De toewijzing van de door DTMS verkregen chemische karakteristieken aan

berkenbastteer is een redelijke determinatie, hoewel bevestiging van deze oorsprong van

de teercomponent pas met zekerheid kan worden verkregen na identificatie van

individuele componenten met behulp van gaschromatografie/massaspectrometrie

(GC/MS).

3.3.3 Oliën en vetten

De enige aanvulling op de harsachtige verbindingen is de aanwezigheid van een kleine

hoeveelheid vetzuren in het losse monster ORA1 - DTMS code 03aug07002 (fig. 11,

bijlage 2). Enkele pieken voor vetzuren (m/z 256 in combinatie met m/z 284 en 129) zijn

zichtbaar in het DTMS profiel. Er zijn geen

indicatoren voor intacte vetzuren of acylglycerolen (m/z 550, 578 en 604) zichtbaar. De

reden voor de aanwezigheid van kleine hoeveelheden vetzuren in dit ene monster is

onduidelijk. Er is mogelijk sprake van opzettelijk bijmenging van vetten gedurende het

productieproces. De afwezigheid van vergelijkbare hoeveelheden vet in de andere

monsters van dezelfde potinhoud is echter een duidelijke aanwijzing dat de meest

waarschijnlijke verklaring een contaminatie is, die is opgetreden na opgraving.

3.3.4 Plantenresten

Aanvullend op de monsters van de organische brokken en de aankoeksels, werden ook

een vijftal gedetermineerde zaden (Camelina sativa, Chenopodium album), granen

(Hordeum vulgare en Panicum miliaceum) en een stukje eikel (Quercus) met DTMS

geanalyseerd. Al deze plantenresten toonden visuele kenmerken van verhitting. De

DTMS-spectra waren totaal onvergelijkbaar met de spectra van de potinhoud en bevatten

niet of nauwelijks aanwijzingen voor enige harsachtige verbinding (DTMS spectra niet

weergegeven). Duidelijk spreken we hier van materiaal uit een andere bron dan de

harsachtige verbindingen.

De plantenresten waren heel arm in organische componenten en vertoonden duidelijke

signalen voor een hoge graad van thermische degradatie in de vorm van sterk

gecondenseerde polymere verbindingen. Opvallend was de hoge concentratie Kalium in

de monsters (m/z 39) hetgeen mogelijk het gevolg is van contact met de as van

houtvuren, deze bevat namelijk vaak een hoge concentratie Kalium. Waarschijnlijk zijn

deze verkoolde zaden tezamen met de losse stukken houtskool afkomstig uit de as van

een vuur. Mogelijk hebben deze zaden nooit een deel gevormd van de originele inhoud

van de pot.

4. De functie van de aardewerken pot

Aan het begin van dit project bestond het vermoeden dat de inhoud van de pot bestond uit

resten van voedsel dat in de pot was gekookt (of eventueel opgeslagen). Gedurende het

onderzoek is dit beeld geheel veranderd. Zowel de SEM-onderzoek als de chemische

karakterisering van de losse brokken organisch materiaal en de resten aangekoekt op de

scherven toonden hetzelfde beeld: het gaat hier om teer of pek, niet om voedsel. Er zijn

geen voedingsstoffen aangetroffen in de DTMS-analyse, en geen resten van plantaardige

voedsel die waren ingebed in het teer in de brokken of aangekoekte harsresten gezien

tijdens de SEM-analyse.

De aanwezigheid van chemisch te identificeren losse brokken teer en aangekoekte teer

residuen (waarschijnlijk berkenbastteer) op de binnenzijde van de aardewerken pot

26 Regert et al. 1998

27 Gijn & Boon, 2006


BIAXiaal 378 16

suggereert dat deze grote pot als laatste in gebruik is geweest als pot voor de productie, de

opslag of het opwarmen van teer. De kleine stukjes houtskool afkomstig van loofhout die

zijn aangetroffen in het teer, zijn waarschijnlijk afkomstig van het originele

productieproces. Tijdens de productie druipt de teer (die door droge destilatie wordt

gevormd) uit het hout of de bast onder achterlating van houtskool of verkoolde bastresten.

Het feit dat er slechts houtskool van loofhout kon worden aangetoont in de teer, komt

uitstekend overeen met het feit dat er chemisch gezien enkel sprake is van triterpenoide

teer die exclusief afkomstig is van loofbomen (hars uit naaldhout is chemisch gezien

anders).

Of de functie als teerpot ook de eerste functie van het aardewerk was (en of het

aardewerk hiervoor speciaal is gemaakt), kan moeilijk worden vastgesteld. Het is

mogelijk dat de pot eerder als kookpot heeft dienstgedaan, maar chemische aanwijzingen

daarvoor zijn niet gevonden. Wel is het duidelijk dat het de laatste functie is geweest.

De overblijfselen van cultuurgewassen, de onkruidzaden, de verkoolde stukjes van eikels

en de losse stukjes houtskool, zijn hoogstwaarschijnlijk secundair in de pot terecht

gekomen. De plantenresten waren niet in de teer ingebed, en bleken tijdens chemische

analyse ook geen duidelijk signaal te geven voor harsachtige verbindingen maar wel voor

sterke verhitting en associatie met as van een houtvuur.

Tevens is de pot niet intact (of compleet) teruggevonden in kuil 6, hetgeen toch doet

denken aan een depositie na breuk - waarschijnlijk in een afvalkuil. Het meest

waarschijnlijke scenario is dan ook dat deze plantenresten als een soort

“nederzettingsruis” in de pot terecht zijn gekomen, na het laatste gebruik als teerpot. Of

dit gebeurd is voor of na breuk en voor of na depositie is niet duidelijk.

5. Conclusies

De potinhoud van de vroege-ijzertijdpot met vondstnummer 408 uit Enter “De Akkers”

bestaat uit losse brokken en aangekoekte residuen op het aardewerk, welke botanisch en

chemisch zeer met elkaar overeenkomen en geïdentificeerd zijn als een soort teer

gemaakt uit hout of bast van loofbomen.

DTMS analyse van de organische verbindingen in de potinhoud geven geen aanwijzingen

voor voedselbereiding. De belangrijkste organische component is een triterpenoïde teer,

waarschijnlijk afkomstig van het verhitten van loofhout of berkenbast.

SEM analyse van de teer op en de aankoeksels in de pot toonden geen plantenresten

aan, behalve kleine stukjes houtskool van loofhout welke hoogstwaarschijnlijk in de teer

terecht zijn gekomen tijdens het originele productieproces.

Cultuurgewassen uit de vroege-ijzertijdse nederzetting - Wierden, Enter “De Akkers” zijn

onder andere emmertarwe, gerst, pluimgierst en huttentut. Een andere mogelijke bron van

plantaardig voedsel zijn eikels. De resultaten van de cultuurgewassen zijn conform het

beeld dat eerder was ontstaan in andere (Vroege-) IJzertijd nederzettingen in Noord- en

Oost-Nederland. De soortensamenstelling van de akkeronkruiden suggereert dat de

cultuurgewassen werden gezaaid in het voorjaar en dat de akkers lagen op zandige, matig

voedselrijke bodem.

De cultuurgewassen tonen verschillende activiteiten die plaatsvonden op de nederzetting

zoals dorsen van granen (kafresten en akkeronkruiden zijn aangetroffen), het bereiden

van voedsel uit granen en mogelijk het gebruik van eikels als voedselbron.

De losse overblijfselen van cultuurgewassen, de onkruidzaden, de verkoolde stukjes van

eikels en de losse stukjes houtskool aangetroffen in de potinhoud zijn secundair als een


BIAXiaal 378 17

soort “nederzettingsruis” in de pot terecht gekomen, nà het laatste gebruik als teerpot.

Deze overblijfselen zijn duidelijk geen onderdeel van de oorspronkelijke potinhoud.

6. Literatuur

Aveling, E.M. & Heron, C. 1999. Chewing tar in the early Holocene: an archaeological

and ethnographic evaluation. Antiquity 73, 579-84.

Bakels, C.C., 1991. Western Continental Europe, in: W. van Zeist, K. Wasylikowa &

K.E. Behre (eds.), Progress in Old World Palaeoethnobotany, Balkema, Rotterdam, 279-

298.

Bakels, C.C., 1997. De cultuurgewassen van de Nederlandse Prehistorie, 5400 v.C. – 12

v.C, in: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van

het Neolithicum tot 1500 AD, Wageningen, 15-24.

Boon, J.J. 2006, Anlytical report on some archaeological charred residues from

Schipluiden. in: Louwe Kooijmans, L.P. & Jongste, P.F.B. (eds.), Schipluiden - A

Neolithic Settlement on the Dutch North Sea Coast c. 3500 Cal BC, Analecta

Praehistorica Leidensia, vol. 37/38, 353-361.

Braadbaart, F. 2004, 'Carbonization of Peas and Wheat - A Window into the Past', Leiden

University, Leiden.

Charters, S., Evershed, R.P., Goad, L.J., Heron, C. & Blinkhorn, P. 1993. Identification

of an adhesive used to repair a Roman jar. Archaeometry 35, 91-101.

Evershed, R.P., Heron, C. & Goad, L.J. 1990, Analysis of organic residues of

archaeological origin by high-temperature gas chromatography and gas chromatographymass

spectrometry', Analyst, vol. 115, pp. 1339-1342.

Gijn. A.L. van & Boon, J.J. 2006, Birch Bark Tar, in: Louwe Kooijmans, L.P. &

Jongste, P.F.B. (eds.), Schipluiden - A Neolithic Settlement on the Dutch North Sea

Coast c. 3500 Cal BC, Analecta Praehistorica Leidensia, vol. 37/38, 261-266.

Haaster, H. van, 2000, Palaeo-ecologisch onderzoek op de essen van Wachtum en

Zwinderen (Drenthe). BIAXiaal 101.

Haaster, H. van, 2005, Archeobotanisch onderzoek aan enkele grondmonsters uit de

periode IJzertijd-Romeinse tijd van de Zuid Esch in Borne. BIAXiaal 248.

Hayek, E.W.H., Krenmayr, P., Lohninger, H., Jordis, U., Sauter, F. & Moche, W. 1991.

GC/MS and chemometrics in archaeometry. Investigation of glue on copper-age

arrowheads. Fresenius Journal of Analytical Chemistry 340, 153–56.

Hopf, M., 1973. Getreide, Äpfel und Eicheln. In: H. Higst (ed), Eine bronzezeitliche

Siedlung bei Schmalstede, Kr. Rendsburg-Eckernförde. Offa 30.

Jørgensen, G., 1977. Acorns as a food-source in the late Stone Age. Acta Archaeologica

48, 233-238.

Koller, J., Baumer, U. & Mania, D. 2001. High-tech in the middle Palaeolithic:

Neandertal- manufactured pitch identified. European Journal of Archaeology 4, 385 –97.

Kubiak-Martens, L., 1999. The plant food component of the diet at the late Mesolithic

(Ertebølle) settlement at Tybrind Vig, Denmark, Vegetation History and Archaeobotany

8, 117-127.


BIAXiaal 378 18

Kubiak-Martens, L,. 2002. New evidence for the use of root foods in pre-agrarian

subsistence recovered from the late Mesolithic site at Halsskov, Denmark, Vegetation

History and Archaeobotany 11, 23-31.

Mason, S.L.R., 1995. Acornutopia? Determining the role of acorns in past human

subsistence. In: Wilkins, J., Harvey, D., Dobson, M. (eds), Food in Antiquity. Exeter

University Press, Exeter, 12-24.

Mason, S.L.R., 2000. Fire in Mesolithic subsistence-managing oaks for acorns in

northwest Europoe?, Palaeogegraphy, Palaeoclimatology, Palaeoecology 164, 139-150.

Oudemans, T.F.M. 2006, Molecular Studies of Organic Residues in Ancient Vessels.

Leiden University, PhD Dissertation.

Oudemans, T.F.M. & Boon, J.J. 1991, Molecular archaeology: analysis of charred (food)

remains from prehistoric pottery by pyrolysis-gas chromatography/mass spectrometry,

Journal of Analytical and Applied Pyrolysis, vol. 20, 197-227.

Oudemans, T.F.M. & Boon, J.J. 1996, Traces of ancient vessel use: investigating

prehistoric usage of four pot types by organic residu analysis using pyrolysis mass

spectrometry' Analecta Praehistorica Leidensia, vol. 26, 221-234.

Oudemans, T.F.M., Eijkel, G.B. & Boon, J.J. 2005, DTMS and DTMS/MS study of solid

organic residues preserved on ancient vessels, the 33rd International Symposium on

Archaeometry, 22-26 April 2002, eds H. Kars & E. Burke, Vrije Universiteit, Amsterdam,

501-505.

Oudemans, T.F.M., G.B. Eijkel & Boon, J.J. 2007a, Identifying biomolecular origins of

solid organic residues preserved in Iron Age Pottery using DTMS and MVA, Journal of

Archaeological Science, 34 (2), 173-193.

Oudemans, T.F.M., Boon, J.J. & Botto, R.E. 2007b, FTIR and solid-state 13 C CP/MAS

NMR spectroscopy of charred and non-charred solid organic residues preserved in

Roman Iron Age vessels from the Netherlands, Archaeometry, 49 (3), 571-595.

Pollard, A.M. & Heron, C. 1996. Archaeological Chemistry. Cambridge: The Royal

Society of Chemistry.

Regert, M. & Rolando, C. 2002, Identification of Archaeological Adhesives Using Direct

Inlet Electron ionization Mass Spectrometry, Analytical Chemistry, vol. 74, no. 5, pp.

965-975.

Regert, M., Delacotte, J., Menu, M., Petrrequin, P. & Rolando, C. 1998. Identification of

Neolithic hafting adhesives from two lake dwellings at Chalain (Jura, France). Ancient

Biomolecules 2, 81-96.

Rottländer, R.C.A. & Schlichtherle, H. 1980, Gefäßinhalte - Eine kurz kommentierte

Bilbliographie, Archaeo-Physika, vol. 7, pp. 61-70.

Stacey, R. 1986, Evidence for the use of Birch bark tar from Iron Age Britain. In: The

Society’s newsletter, PAST. Ook te lezen op

http://www.ucl.ac.uk/prehistoric/past/past47.html

Urem-Kotsou, D., Stern, B., Heron, C. and Kotsakis, K. 2002. Birch-bark tar at Neolithic

Makriyalos, Greece. Antiquity 76, 962–7.

Verlinde, A.D. 1987. Die Gräber und Grabfunde der späten Bronzezeit und frühen

Eisenzeit in Overijssel. Rijksuniversiteit Leiden, Leiden, Dissertatie.

Zeist, W. van, 1968. Prehistoric and Early Historic Food Plants in the Netherlands,

Palaeohistoria 14, 41-173.


BIAXiaal 378 19

Zeist, W. van, 1981. Plant remains from Iron Age Noordbarge, province of Drenthe, the

Netherlands, Palaeohistoria 16, 223-383.

Zeist, W. van & R.M. Palfenier-Vegter, 1994. Zaden en vruchten uit prehistorisch en

vroeg-historisch Dalen: een archeobotanisch onderzoek, Nieuwe Drentse Volksalmanak

111, 146-160.

Zeist, W. van & R.M. Palfenier-Vegter, 1996. The archaeobotany of Peelo. 3. Iron Age

and Roman Period, Palaeohistoria 37/38, 481-490.


Bijlage 1

Wierden, Enter “De Akkers” (context potinhoud), resultaten van de analyse. Alle resten zijn verkoold.

(+) = 1-10.

Vondstnr. 408

put 10

spoor 371

Cultuurgewassen/gebruiksplanten

Camelina sativa 12 Huttentut

Hordeum vulgare 3 Gerst

Panicum miliaceum 21 Pluimgierst

Quercus, eikels ca. 8 Eik

Triticum dicoccon 1 Emmer

Triticum dicoccon, aarvorkjes 2 Emmer

wilde planten

Chenopodium album 97 Melganzevoet

Digitaria ischaemum 4 Glad vingergras

Echinochloa crus-galli 2 Hanenpoot

Galium aparine 1 Kleefkruid

Persicaria lapathifolia 4 Beklierde duizendknoop

Persicaria hydropiper 1 Waterpeper

Poa 1 Beemdgras

Rumex acetosella 9 Schapenzuring

Solanum nigrum 1 Zwarte nachtschade

houtskool

Alnus 2 Els

Fraxinus ca. 50 Es

Salix 4 Wilg

Quercus ca. 10 Eik

Indet. (+) niet te determineren

overigen

zwarte organische brokken 90% monstermatrix

coprolieten ? (+)


Bijlage 2

Wierden, Enter “De Akkers”, resultaten van de DTMS analyses

More magazines by this user
Similar magazines