Verpleegkundige toekomst in goede banen - lcwz.nl

venvn.nl

Verpleegkundige toekomst in goede banen - lcwz.nl

Verpleegkundige toekomst in goede banen


Verpleegkundige toekomstin goede banenSamenhang en samenspelin de beroepsuitoefeningVBOC – AVVVUtrecht, mei 2006


InhoudSamenvatting 71 Het project VBOC 151.1 Aanleiding 151.2 Opdracht 151.3 Afbakening 161.4 Werkwijze 171.5 Leeswijzer 172 De verpleegkundige beroepsstructuur 192.1 Inleiding 192.2 Verticale tweedeling in het verpleegkundig beroep 192.3 Waarom een verticale tweedeling 242.4 Conclusie 322.5 Horizontale indeling in deelgebieden en differentiaties 332.6 Waarom een horizontale indeling 362.7 Internationale ontwikkelingen in het verpleegkundig beroep 383 Het verpleegkundig opleidingscontinuüm 433.1 Inleiding 433.2 Huidige situatie 433.3 Gewenste situatie 453.4 De adviezen 464 Gewenste leerstrategieën 574.1 Inleiding 574.2 Leren op de werkplek 574.3 Loopbaanmogelijkheden 584.4 Educatief partnerschap 594.5 Rol verpleegkundige als docent, begeleider en leermeester 605 Implementatie 615.1 Inleiding 615.2 Werken aan de wettelijke en institutionele randvoorwaarden 615.3 Overgangsregelingen en -activiteiten gericht op een flexibele en 64kwalitatief hoogwaardige beroepsstructuur en een daaroptoegesneden opleidingscontinuum5.4 Aanpak 665


Bijlagen1 Opdrachtbrief minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 682 Demografische ontwikkelingen in de verpleegkundige beroepsgroep 723 Verwachte ontwikkelingen in de zorg 804 a Samenstelling stuurgroep, projectgroep en werkgroepen 954 b Deelnemers expertmeetings 975 Overzicht verenigingen die aan consultatierondes hebben deelgenomen 986 Begrippenlijst 102LiteratuurColofon6


Beroepsstructuur: verticale tweedeling in het verpleegkundigberoepOm snel en flexibel in te kunnen spelen op de veranderende zorgvragenuit de samenleving, wordt een eenvoudige en niet tot in detail ingevuldeverpleegkundige beroepsstructuur voorgesteld. Dit heeft als voordeel dater geen smalle opleidingen ontstaan, die tot fuikfuncties voor verpleegkundigenleiden.Waar in de verpleegkundige beroepsstructuur nog sprake is van verpleegkundigen,gespecialiseerd verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten,gaat de nieuwe verpleegkundige beroepsstructuur uit van eenverticale tweedeling in het verpleegkundig beroep. In deze structuur isenkel nog sprake van de beroepsniveaus verpleegkundige en verpleegkundigspecialist. Zowel het niveau van verpleegkundige als het niveauvan verpleegkundig specialist vormt een basis van waaruit de verpleegkundigeberoepsbeoefenaar zich – al dan niet ondersteund door aanvullendescholing – verder kan ontwikkelen in de verbijzondering vande beroepsuitoefening. Elk van de twee niveaus van beroepsuitoefeningberust op een specifieke deskundigheid.Horizontale indelingNaast deze verticale tweedeling is er sprake van een horizontale functiegerichteindeling in de deelgebieden: preventieve zorg, acute zorg, intensievezorg en chronische zorg. Per deelgebied wordt een onderscheid gemaaktnaar aard van de aandoening: somatisch, psychisch en/of gedragsmatig.Op deze manier ontstaan er acht clusters van verpleegkundige zorg. Percluster is verdere differentiatie mogelijk, bijvoorbeeld de zorg voor mensenmet hartfalen binnen de chronische zorg bij somatische aandoeningen.De stuurgroep verwacht dat er met de horizontale indeling een duidelijkeronderscheid is te maken tussen generieke competenties binnen eendeelgebied en specifieke competenties voor een differentiatie. Hierdoor ishet mogelijk om een deel van de scholingsprogramma’s voor de huidigedifferentiaties samen te voegen. Dit vergroot de inzetbaarheid en flexibiliteitvan verpleegkundigen binnen een deelgebied en stimuleert ketendenken.Een voorbeeld hiervan is de acute zorg waarbinnen verpleegkundigenbijvoorbeeld zijn opgeleid tot ambulanceverpleegkundige of totspoedeisende-hulpverpleegkundige. Deze verpleegkundigen beschikkenover veel overeenkomstige competenties, maar zijn toch slecht uitwisselbaar.Wanneer ze overstappen naar een andere setting dan moeten ze debijbehorende opleiding gaan volgen. waarbij ze veel overlappende lesstoftegenkomen. Een gemeenschappelijke opleidingsbasis moet de wendbaarheidvergroten en de kosten en tijd voor scholing verminderen.8


VervolgopleidingenDe huidige verpleegkundige vervolgopleidingen zijn te smal om adequaatin te spelen op ontwikkelingen zoals transmuralisering en ketenzorg. Devervolgopleidingen moeten bestaan uit flexibele leertrajecten, waarbij deberoeps- en opleidingservaring van een verpleegkundige bepalend zijnvoor het traject dat deze volgt. Uit een vergelijking van de beroepsdeelprofielendoor de avvv blijkt dat verpleegkundigen die een vervolgopleidinghebben gevolgd, over veel gemeenschappelijke patiëntgebondencompetenties beschikken, die in een specifieke context worden toegepast.Dit laat zien dat het mogelijk is om de verschillende vervolgopleidingenonder te brengen onder grotere noemers. Het voorstel is daarom om inaansluiting op de vier deelgebieden uit de beroepsstructuur, waar mogelijkgemeenschappelijke opleidingstrajecten te ontwikkelen: generiekwaar het kan, specifiek waar het moet. Op deze manier hoeven veel verpleegkundigenniet langer een vervolgopleiding in haar geheel te volgenen kunnen zij efficiënt worden ingezet en sneller van functie wisselen.In de gezondheidszorg zijn honderden zorginstellingen die allemaal verschillendgeorganiseerd zijn. Binnen die instellingen zijn afdelingen weerverschillend georganiseerd, omdat patiëntengroepen van elkaar afwijken.Dit zorgt voor een grote diversiteit aan functies. Opleidingsinstellingenspelen hierop in en bieden een keur aan opleidingen aan. Het civiel effectvan veel opleidingen is onduidelijk en vormt een belemmering voor demobiliteit op de arbeidsmarkt van verpleegkundigen.Een landelijk accreditatieorgaan kan de kwaliteit van de verpleegkundigevervolgopleidingen waarborgen. De branche en beroepsorganisatieskunnen met elkaar criteria ontwikkelen waarmee beoordeeld kan wordenof een opleiding aan de kwaliteitseisen voldoet.Verpleegkundig specialistBinnen de directe patiëntenzorg moeten zogenoemde ‘excellent performers’onder de verpleegkundigen kunnen doorgroeien naar defunctie van verpleegkundig specialist. In de beroepsstructuur wordtde verpleegkundig specialist omschreven als een zorgprofessional diezelfstandig vorm geeft aan het zorgproces en een zelfstandige behandelovereenkomstaangaat binnen het eigen deskundigheidsgebied. Ditbetekent dat zij zelfstandig en autonoom beslist over uit te voeren interventies.Zij is expert op een deelgebied van de verpleegkunde en gebruiktdaarbij inzichten uit andere deskundigheidsgebieden. Verder draagt deverpleegkundig specialist proactief bij aan de beroepsontwikkeling. Ditbetekent dat zij enerzijds reflecteert op de beroepsuitoefening en protocollenen anderzijds bijdraagt aan de wetenschappelijke beroepsontwik-10


keling. Het profiel van de verpleegkundig specialist vertoont grote overeenkomstmet de internationale ontwikkeling van de nurse practitionerin de Verenigde Staten, de Scandinavische landen en Groot-Brittannië.De nurse practitioners worden in de nieuwe beroepsstructuur opgenomenals verpleegkundig specialist. Dit betekent dat de individuele nursepractitioner moet voldoen aan de criteria voor de verpleegkundig specialist.Het College Specialismen Verpleegkundigen stelt het toetsingskader,de opleidingseisen en een overgangsregeling voor de huidige nursepractitioners en verpleegkundig specialisten vast.Opleiding verpleegkundig specialistbig-geregistreerde hbo-verpleegkundigen met minimaal twee jaar werkervaringkomen in aanmerking voor de opleiding tot verpleegkundigspecialist. Dit is een nvao (Nederlands-Vlaamse accreditatie organisatie)geaccrediteerde opleiding tot professional master. Verpleegkundigendie geen hbo-getuigschrift hebben kunnen de competenties die zij hebbenverworven door werkervaring en opleiding laten waarderen via eenevc-procedure (evc = erkenning verworven competenties). Aan de handvan deze waardering kan worden beoordeeld of zij toegelaten worden totde opleiding. Er moeten wel voldoende valide en betrouwbare beoordelingsstandaardenkomen voor de evc-procedures. De stuurgroep vbocadviseert om hierbij het Kenniscentrum evc in te schakelen.Er zijn steeds meer verschillende zorgprofessionals voor een langere periodebij dezelfde patiënt betrokken. Dit maakt multiprofessionele samenwerkingen samenhang noodzakelijk. Dit kan bevorderd worden door deopleidingen voor verpleegkundig specialist en physician assistant op elkaaraf te stemmen zodanig dat zij een gemeenschappelijk deel vormen.Op basis van cijfers uit de Verenigde Staten in 2003/2004 adviseert destuurgroep om te streven naar 5 procent verpleegkundig specialisten inde verpleegkundige beroepsgroep. Uitgaand van de ongeveer 150.000verpleegkundigen die daadwerkelijk in de zorg werkzaam (peildatum2004) zijn, gaat het om 7500 verpleegkundig specialisten.Wettelijk kader verpleegkundig specialistDe verticale tweedeling sluit aan bij het wettelijk kader zoals dat wordtgevormd door artikel 3 en artikel 14 van de Wet big: de wet gaat uit vanberoepen (artikel 3) en van specialisaties binnen een beroep (artikel 14).Hierdoor is het mogelijk om een wettelijke bescherming te verlenen aande specialistentitel. Hiervoor moet de verpleegkundig specialist wordenopgenomen in artikel 14. Alleen verpleegkundigen die staan ingeschrevenin het specialistenregister mogen dan nog de titel ‘verpleegkundig11


specialist’ voeren. De huidige omschrijving van het deskundigheidsgebiedvan de verpleegkundige biedt de verpleegkundig specialist onvoldoendehandelingsruimte. Er zal wettelijk geregeld moeten worden datverpleegkundig specialisten de bevoegdheid krijgen om een aantal voorbehoudenhandelingen zelfstandig te indiceren en uit te voeren binnenhet deskundigheidsgebied. Zij moeten ook de bevoegdheid krijgen omgeneesmiddelen op recept uit te schrijven. Hiervoor wordt op dit momenteen regeling voorbereid door het ministerie van vws. Met deze wettelijkekaders is de kwaliteit van zorg gewaarborgd.Om de kwaliteit van de beroepsgroep in zijn geheel te waarborgen, zoudener bij herregistratie voor het big-register ook kwalitatieve eisen moetengelden. Binnenkort moeten verpleegkundigen zich om de vijf jaarlaten herregistreren. Voor deze herregistratie geldt nu alleen nog eenkwantitatieve eis: je moet minimaal 1840 uren hebben gewerkt in de afgelopenvijf jaar. Bij het formuleren van een kwalitatieve eis kan de avvveen initiërende rol spelen.Leven lang lerenActief en zelfstandig leren tijdens de initiële opleiding en verantwoordelijkheidvoor het eigen leerproces, vormen de kern van het verpleegkundig(vervolg)onderwijs. Leren kan voor een deel het beste plaats vindenop de werkplek zelf. De leeromgeving moet daarom zoveel mogelijk op dewerksituatie lijken en de werkplek moet tevens fungeren als opleidingssituatie;leren is dan een aspect van het handelen. Leren op de werkplekis ook belangrijk voor de flexibiliteit en mobiliteit op de arbeidsmarkt.Om over te kunnen stappen naar een andere functie moet een verpleegkundigeechter vaak over formeel aantoonbare kwalificaties beschikken,bijvoorbeeld een afgeronde vervolgopleiding. evc-procedures spelenhierbij een belangrijke rol: ze bieden onder meer toegangsmogelijkhedentot formele opleidings- en leertrajecten, geven de mogelijkheid de duuren inhoud van een opleidingstraject aan te passen, ze bieden toegang totspecifieke terreinen van beroepsuitoefening, of tot een hoger niveau.Meer dan nu gebruikelijk is moet de praktijkcultuur een leeromgevingzijn waar voortdurend kritisch wordt gekeken naar het gezamenlijke professionelehandelen. Verpleegkundigen begeleiden en coachen studentenen beginnende verpleegkundigen. Op landelijk niveau moeten afsprakengemaakt worden over de kwaliteitseisen voor deze praktijkopleiders.12


Aansluiting op de praktijkBeroepsgroep, zorg- en opleidingsinstellingen zijn gezamenlijk verantwoordelijkvoor een juiste invulling van de opleidingen en voor de aansluitingop de praktijk. Dit betekent dat zorginstellingen en de beroepsgroepde competentieprofielen vaststellen en dat de onderwijsinstellingen dezevertalen naar opleidingsprofielen. Om optimaal in te kunnen spelen opveranderingen in de zorg is het belangrijk dat in opleidingsregio’s structureelwordt overlegd tussen zorgorganisaties, opleidingsinstellingen ende beroepsgroep: zij moeten een educatief partnerschap vormen.avvv, brancheorganisaties en opleidingsinstellingen zullen met elkaarmoeten vaststellen wat de kennisgebieden zullen worden waarbinnende verpleegkundigen zich kunnen bekwamen. Welke kennis en vaardighedenvoor welke zorgvragen en welke specifieke functies kunnen zijontwikkelen. Zij moeten ook vaststellen waar welke opleiding of aanvullendescholing te volgen is. Uiteindelijk is het noodzaak dat de opleidingsinstellingenhun opleidingsaanbod aanpassen. Gemeenschappelijkecompetenties voor een deelgebied kunnen in samenhang wordenaangeboden; een deel van de scholingsprogramma’s is dus samen tevoegen. De opleidingen moeten verder het onderwijs voor de specifiekecompetenties organiseren en aanbieden. Dit alles vergt een aanpassingvan de structuur van de vervolgopleidingen en het vermijden van kokerdenkenen het stimuleren van ketendenken.Innovatieve projectenDe gewenste veranderingen binnen de beroepsstructuur en het opleidingscontinuümkunnen niet worden opgelegd, maar moeten mogelijkworden gemaakt door het stimuleren van innovatieve projecten. Hierinis een rol weggelegd voor de avvv, de opleidingsinstellingen en het CollegeBeroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg (cbog), dat het ministerievan vws nog dit jaar op wil richten en dat zich gaat bezighoudenmet advisering over opleidingscapaciteit en innovatie en structuur vanberoepen en opleidingen in de gezondheidszorg. Deze projecten zullensystematisch geëvalueerd moeten worden zodat de ervaringen verspreidkunnen worden en er lering uit te trekken is voor de samenwerking, deregelgeving en de financiering.13


1 Het project VBOCDit rapport is het resultaat van het project ‘Verpleegkundige Beroepsstructuuren Opleidingscontinuüm’ (vboc). Het bevat adviezen voor devereenvoudiging van de verpleegkundige beroepsstructuur en het bijbehorendeopleidingscontinuüm.1.1 AanleidingHet advies van de stuurgroep vboc komt voort uit een van de aanbevelingenvan de Commissie Implementatie Opleidingscontinuüm enTaakherschikking (commissie LeGrand). Deze commissie constateerdein haar advies ‘De zorg van morgen; flexibiliteit & samenhang’ dat ersprake is van een wirwar aan verpleegkundige specialisaties en dat nietduidelijk is wat deze specialisaties betekenen voor de verpleegkundigeberoepsuitoefening. De veranderingen in de samenleving en zorg vragenom een flexibele beroepsstructuur. Dit is nodig met het oog op eenflexibele, betaalbare, kwalitatief hoogwaardige en toegankelijke gezondheidszorg.Ook het dreigend tekort aan verpleegkundigen is een belangrijke redenom de verpleegkundige beroepsstructuur onder de loep te nemen. Voorverpleegkundigen is het gebrek aan loopbaanmogelijkheden aan het bedeen van de belangrijkste redenen om het vak te verlaten. Hierdoor verliestde gezondheidszorg veel ervaren krachten. Het verbeteren van hetloopbaanperspectief van verpleegkundigen is een belangrijk instrumentom ook de komende jaren voldoende gekwalificeerd personeel voor dezorgsector te behouden.Tegen deze achtergrond heeft de avvv op verzoek van minister Hoogervorsthet project vboc gestart.1.2 OpdrachtDe minister beoogt met zijn opdracht aan de avvv randvoorwaarden tescheppen voor het realiseren van taakherschikking en de daarmee gepaardgaande zelfstandige beroepsuitoefening door verpleegkundigen.Hiervoor is nodig dat er duidelijkheid is over de kennis en kunde van deverschillende verpleegkundige beroepsbeoefenaren. De minister heeft deavvv verzocht om:15


●●een duidelijke ordening van en normering in de veelheid aan beroepenen vervolgopleidingen;een flexibel systeem van (vervolg-)opleidingen waarin de bestaande en denieuwe (vervolg-)opleidingen kunnen worden ingepast.●●●●Naar aanleiding van deze opdracht heeft de avvv een projectplan geschrevenen een stuurgroep, onder voorzitterschap van mw. prof. dr. P.Meurs, ingesteld. Voor de samenstelling van de stuurgroep heeft de avvvgekozen voor een kleine, slagvaardige stuurgroep die bestaat uit onafhankelijkeleden uit kringen van zorginstellingen (care en cure), onderwijsen beroepsbeoefenaren.De avvv heeft de stuurgroep vboc de volgende opdracht gegeven:maak een beschrijving van de verpleegkundige beroepsstructuur metdaarin een duidelijke plaats voor vernieuwingen in de verpleegkundigeberoepsuitoefening;geef een duidelijke omschrijving van het onderscheid tussen basisverpleegkundigenen verpleegkundigen met een specialisatie;ontwikkel een breed gedragen ontwerp voor een verpleegkundig opleidingscontinuümmet een duidelijke samenhang tussen de verschillendeinitiële opleidingen, de opleidingen tot gespecialiseerd verpleegkundigeen verpleegkundig specialist;voorzie de aanbevelingen van een implementatieplan.1.3 AfbakeningOp verzoek van minister Hoogervorst zijn de initiële opleidingen tot verpleegkundigebuiten het bestek van het vboc-project gehouden. Omdatvervolgopleidingen moeten stoelen op een stevig fundament, wordendesondanks in dit advies een aantal adviezen gegeven voor de aansluitingtussen het initieel onderwijs en vervolgonderwijs. De eindtermen van deinitiële opleidingen vormen immers de begintermen van de vervolgopleidingen.Het advies van het vboc beperkt zich tot het beroepsmatighandelen in het primaire proces. Taken waarbij er geen direct patiëntencontactis zoals onderwijs, management, beleid en onderzoek vallenbuiten de beroepsstructuur en zijn ondersteunend aan het beroepsmatighandelen. Het is de bedoeling om in de loop van de komende tien jaareen verandering in gang te zetten. Nieuwe beroepsbeoefenaren zullenvolgens de nieuwe structuur het beroep instromen.16


1.4 WerkwijzeVoor de uitwerking van de opdracht zijn een werkgroep beroepsstructuuren een werkgroep opleidingscontinuüm ingesteld. De vboc-projectmedewerkershebben op basis van bestaand materiaal een ruwe versie vanhet deeladvies geschreven. Vervolgens zijn deze deeladviezen voorgelegdaan de werkgroep. De daaruit voortvloeiende commentaren zijn verwerkin een concept, dat in een aantal consultatierondes is besproken met belanghebbendepartijen. De uitkomsten van deze raadplegingen zijn waarmogelijk verwerkt in het eindrapport, dat door de stuurgroep vboc isvastgesteld.1.5 LeeswijzerDe knelpunten in de huidige beroepsstructuur worden in hoofdstuk 2 inkaart gebracht en vervolgens wordt de gewenste situatie beschreven. Hethoofdstuk wordt afgesloten met een beschouwing van internationaleontwikkelingen in het verpleegkundig beroep In aansluiting op de gewensteberoepsstructuur wordt in hoofdstuk 3 het verpleegkundig opleidingscontinuümbeschreven. Het hoofdstuk bevat 11 aanbevelingen vooreen toekomstbestendig opleidingscontinuüm. Belangrijke trefwoordenzijn samenhang en afstemming. In hoofdstuk 4 de gewenste leerstrategieënbeschreven. Hoofdstuk 5 bevat voorstellen voor een succesvolleimplementatie.In de bijlagen zijn twee stukken opgenomen waarin relevante ontwikkelingenin de maatschappij en beroepsgroep worden beschreven, waaropmet de beroepsstructuur en opleidingscontinuüm ingespeeld moet worden.17


2 De verpleegkundige beroepsstructuur2.1 InleidingOm snel en flexibel te kunnen inspelen op de veranderende zorgvragenuit de samenleving, moet de verpleegkundige beroepsstructuur eenvoudigen overzichtelijk zijn. De beroepsstructuur moet niet bij voorbaatal tot in detail worden ingevuld. Het risico van detaillering is dat er tesmalle opleidingen ontstaan die tot fuikfuncties voor verpleegkundigenleiden. De voorkeur gaat uit naar breed opgeleide verpleegkundigen diezich verder ontwikkelen door middel van differentiatie en specialisatie.Dit advies over de beroepsstructuur bevat twee kernelementen. Enerzijdshet aanbrengen van een verticale tweedeling in het verpleegkundig beroepen anderzijds het indelen van de beroepsstructuur in horizontaledeelgebieden.2.2 Verticale tweedeling in het verpleegkundig beroepWaar in het spraakgebruik over de verpleegkundige beroepsstructuurnog sprake is van verpleegkundigen, gespecialiseerd verpleegkundigenen verpleegkundig specialisten, gaat de nieuwe verpleegkundige beroepsstructuuruit van een verticale tweedeling in het verpleegkundig beroep.In deze nieuwe structuur is enkel nog sprake van de beroepsniveaus verpleegkundigeen verpleegkundig specialist.Twee beroepsniveaus:verpleegkundigeen verpleegkundigspecialistZowel het niveau van verpleegkundige alshet niveau van verpleegkundig specialistvormt een basis van waaruit de verpleegkundigeberoepsbeoefenaar zich – al danniet ondersteund door aanvullende scholing– verder kan ontwikkelen in de verbijzonderingvan de beroepsuitoefening.Elk van de twee niveaus van beroepsuitoefeningberust op een specifieke deskundigheid. Deze deskundigheiddoorsnijdt en overstijgt afzonderlijke functies, differentiaties en organisatiecontexten.Het gaat om deskundigheid die op meer dan één terreinaangewend kan worden en waarvoor landelijk draagvlak bestaat.Dit advies beperkt zich tot beroepsmatig handelen door verpleegkundigenin het primaire proces. Er is in alle gevallen sprake van een daadwerkelijkezorgrelatie met de patiënt of met groepen patiënten. Dit advieszegt dus niets over de betekenis van andere taakgebieden waarin verpleegkundigenzich profileren, maar waarin geen direct patiëntencon-19


tact plaatsvindt, zoals bijvoorbeeld in onderwijs, onderzoek, beleid enmanagement. Deze terreinen spelen een uitermate belangrijke rol bijhet realiseren en ontwikkelen van de beroepsmatige activiteiten van verpleegkundigendie in het primaire proces werkzaam zijn. Binnen dezetaakgebieden zijn er ook volop mogelijkheden voor verpleegkundigenom zich – anders dan binnen het primaire proces – te ontwikkelen encarrière te maken. Zij vallen echter buiten de beroepsstructuur, maar zijnondersteunend aan het beroepsmatig handelen.Hieronder wordt een inhoudelijke beschrijving gegeven van beide niveausvan de verpleegkundige beroepsuitoefening: verpleegkundige enverpleegkundig specialist.2.2.1 De verpleegkundigeDe verpleegkundige is een beroepsbeoefenaar volgens artikel 3 van deWet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet big). Voorde zogenoemde ‘artikel 3-beroepen’ zijn het deskundigheidsniveau en deopleidingseisen wettelijk vastgelegd. Alleen degene die aan die eisen voldoet,mag de beschermde titel ‘verpleegkundige’ voeren. Met het voerenvan een beschermde titel geeft de beroepsbeoefenaar aan deskundig tezijn op een bepaald gebied van de gezondheidszorg. Zij beschikt overalgemene verpleegkundige competenties,zoals omschreven in het VerpleegkundigBeschermde titelwaarborg voordeskundigheidBeroepsprofiel (Leistra et al., 1999). In ditberoepsprofiel wordt verplegen omschrevenals: ‘het beroepsmatig ondersteunenen beïnvloeden van de vermogens van dezorgvrager bij feitelijke of potentiële reactiesop gezondheids- en/of daaraan gerelateerdebestaansproblemen en op behandeling of therapie, om hetevenwicht tussen draagkracht en draaglast te handhaven of te herstellen’.Het beroepsprofiel van de verpleegkundige beschrijft zes taakgebiedenmet daarbij behorende competenties. Hierbij wordt een onderscheidgemaakt tussen zorgvragergebonden taken en voorwaardenscheppendetaken. Deze voorwaardenscheppende taken zijn weer onder te verdelenin professie- en organisatiegebonden taken. De generieke competentieswaarover iedere verpleegkundige beschikt worden gewaarborgd door zowelde opleidingskwalificatie (die op twee competentieniveaus verworvenkan worden, namelijk op mbo-niveau of op hbo-bachelorniveau), alsde wettelijke kwalificatie door opname in de Wet big.20


De verpleegkundige kwalificatieniveaus 4 en 5Sinds 1997 zijn er twee kwalificatieniveaus (Commmissie Kwalificatiestructuur,1996) waarop verpleegkundigen kunnen afstuderen: kwalificatieniveau4 en kwalificatieniveau 5. Beide groepen afgestudeerden (niveau4 en 5) hebben volgens artikel 3 van de Wet big het recht de wettelijkbeschermde titel ‘verpleegkundige’ te voeren. De Wet big maakt echtergeen onderscheid tussen mbo- en hbo-verpleegkundigen. Wat verpleegkundigebekwaamheden betreft zijn zij voor de wet gelijk.Bij verpleegkundigen op niveau 4 ligt het zwaartepunt op de uitvoeringvan de directe zorgverlening. Verpleegkundigen op niveau 5 verrichtenook handelingen in het primaire verpleegkundig proces, maar zijn instaat complexere problematiek te behandelen en vervullen daarnaastook een zorginhoudelijke regiefunctie, verlenen consulten, vervullen eenvoorbeeldfunctie en scheppen voorwaarden voor de verbetering van deverpleegkundige beroepsuitoefening.In de praktijk roept deze tweedeling veel vragen op over de meerwaardevan het ene niveau ten opzichte van het andere. Zorginstellingen vindenhet moeilijk om de kwalificatieniveaus 4 en 5 te positioneren ten opzichtevan de bestaande functies en verpleegkundigen die deze functiesvervullen. Vaak komt het erop neer dat verpleegkundigen van beide niveausin vergelijkbare functies worden ingezet,waarbij ofwel te hoge eisen wordengesteld (de mbo-er wordt aangesprokenop vermeende hbo-competenties) ofwelonvoldoende aanspraak wordt gedaan opde competenties van de verpleegkundige.Voorkomen moet worden dat hbo-verpleegkundigendoor gebrek aan uitdagingVerschillenmoeten scherperworden aangezeten ontplooiingsperspectief de patiëntenzorg gaan verlaten. Hoewel ergeen onderzoeksgegevens beschikbaar zijn, is het aannemelijk dat de nivelleringvan hoog opgeleide verpleegkundigen een negatieve uitwerkingheeft op de kwaliteit van de zorg. De stuurgroep vboc vindt dan ookdat de verschillen tussen deze twee groepen verpleegkundigen scherperaangezet moeten worden en tot uiting moeten komen in functies en beloning.Steun hiervoor is te vinden in het onderzoek van Aiken et al. (2003).Deze onderzoekers hebben het effect gemeten van de inzet van hbo-verpleegkundigenin vergelijking met lagere niveaus van geregistreerde verpleegkundigen.Uit deze studie blijkt dat bij chirurgische patiënten desterftekans aanzienlijk afneemt met de inzet van hbo-verpleegkundigen.Dat inzet van hoog opgeleide verpleegkundigen leidt tot meerwaardevan de kwaliteit van zorg, blijkt tot nu toe alleen uit Amerikaans onder-21


zoek. Er zijn nog geen bronnen die dit ook voor de Nederlandse situatiebevestigen. Daarom is onderzoek hiernaar in Nederland sterk aanbevolen.Beroepsgroep, zorg- en opleidingsinstellingen moeten met elkaaraan de slag om via heldere deelprofielen het verschil tussen niveau 4 en5 in kaart te brengen. Hierbij dient tevens onderzocht te worden of hetverschil tussen niveau 4 en 5 in de Wet big kan worden vastgelegd.2.2.2 De verpleegkundig specialistEen verpleegkundig specialist wordt geregeld via artikel 14 van de Wetbig (zie ook kadertekst) en onderscheidt zich van de verpleegkundigedoor een hogere mate van zelfstandigheid, deskundigheid en beroepsontwikkeling:a. Zelfstandigheid (= mogen):De verpleegkundig specialist geeft zelfstandig vorm aan het zorgprocesvan de patiënt door het aangaan van een zelfstandige behandelrelatiebinnen het eigen deskundigheidsgebied. Dit betekent dat de verpleegkundigspecialist binnen het eigen deskundigheidsgebiedzelfstandig beslist overde uit te voeren interventies. De verpleegkundigspecialist verwijst waar nodig depatiënt door en andere hulpverleners kunnenook rechtstreeks doorverwijzen naarde verpleegkundig specialist. Waar nodigZelfstandigbeslissen overinterventiesbeschikt de verpleegkundig specialist over de bevoegdheid tot het zelfstandigindiceren tot en uitvoeren van voorbehouden handelingen.b. Deskundigheid (= kunnen):De verpleegkundig specialist is expert op een deelgebied van de verpleegkundigeberoepsuitoefening en maakt daarbij gebruik van inzichten uitandere deskundigheidsgebieden.c. Beroepsontwikkeling (= willen)De verpleegkundig specialist is verantwoordelijk voor een proactieve(niet-volgende maar zelfsturende) houding in haar beroepsontwikkeling.Beroepsontwikkeling betekent enerzijds reflectie op de beroepsuitoefeningen protocollen, anderzijds houdt het wetenschappelijke beroepsontwikkelingin. Een innovatieve beroepshouding is een noodzakelijkevoorwaarde voor het uitoefenen van het beroep op het niveau van verpleegkundigspecialist.22


ToelichtingIn artikel 14 van de Wet BIG worden aan de minister bevoegdheden toegekend omspecialismentitels wettelijk te erkennen. Daarvoor moet wel aan een aantal in artikel14 beschreven voorwaarden zijn voldaan: een representatieve organisatie moet eenregeling in het leven roepen (voor de verpleegkundig specialist is dit de AVVV RegelingSpecialismen Verpleegkunde die de minister in 2005 heeft goedgekeurd), opbasis daarvan worden door het College Specialismen Verpleegkunde de specialismenvan de beroepsuitoefening aangewezen. Vervolgens kan de AVVV een erkenning alsspecialist verlenen aan personen die op het betrokken deelgebied een bijzonderedeskundigheid hebben verworven. Het staat niet letterlijk in de Wet BIG, maar die erkenninghoudt in dat de organisatie de betrokkenen het recht geeft om een aan hetspecialisme verbonden titel te voeren. Het toekennen van die titel is namelijk nodigvoor wat wèl in artikel 14 staat: de minister kan de aan de specialismen verbondentitels als wettelijk erkende titels aanmerken.Samengevat gelden voor de verpleegkundig specialist de volgende verantwoordelijkheden,bevoegdheden en competenties:Figuur 2.1 Verantwoordelijkheden, bevoegdheden en competentiesverpleegkundig specialistVerantwoordelijkheden en bevoegdheden● De verpleegkundig specialist gaat zelfstandig een behandelrelatie aan metde patiënt: zij treedt op als (mede)behandelaar.● De verpleegkundig specialist heeft een specifiek deskundigheidsgebiedwaarbinnen zij zelfstandig beslist over de uit te voeren interventies.● De verpleegkundig specialist:– stelt binnen het eigen deskundigheidsgebied diagnoses;– stelt binnen het eigen deskundigheidsgebied een behandeling in, waarvanhet indiceren van voorbehouden handelingen en het medicamenteusbehandelen deel uit kunnen maken;– voert binnen het eigen deskundigheidsgebied deze behandeling zelf uitof geeft opdracht tot uitvoering aan anderen;– beëindigt binnen het eigen deskundigheidsgebied de behandeling;– verwijst binnen het eigen deskundigheidsgebied de patiënt door en/ofconsulteert andere disciplines.● Andere hulpverleners kunnen rechtstreeks verwijzen naar de verpleegkundigspecialist.23


Competenties● De verpleegkundig specialist beschikt over competenties op expertniveauop het gebied van verpleging en behandeling van specifieke groepenzorgvragers met complexe problematiek, waarbij ze kennis uit verschillendekennisgebieden toepast en combineert, en interventies uit die verschillendekennisgebieden beheerst. Dit betreft toegevoegde kennis, vaardigheden enattituden ten opzichte van het verpleegkundig beroepsprofiel en omvat eenafgebakend en omschreven deskundigheidsgebied.● De verpleegkundig specialist combineert informatie uit verschillendekennisgebieden tot nieuwe inzichten voor het oplossen van unieke opgaven.● De verpleegkundig specialist genereert onderzoeksvragen en implementeertresultaten van onderzoek voor verbetering van de patiëntenzorg.● De verpleegkundig specialist neemt als zelfstandig beroepsbeoefenaar deelaan multidisciplinair overleg.● De verpleegkundig specialist consulteert derden of verleent op verzoek vananderen consult.ToelichtingEen belangrijk uitgangspunt in dit advies is dat horizontaal en verticaal onderscheidwordt gemaakt. Om het onderscheid tussen ‘horizontaal’ en ‘verticaal’ helder te makenwordt in dit advies een horizontale loopbaan omschreven als ‘een reeks vanfuncties die in de loop van het werkzame leven worden vervuld’, waarbij de functiesonderling verschillen wat betreft inhoud en taken. Dit in tegenstelling tot het begripcarrière, dat vooral wordt geassocieerd met verticaal stijgen. Hier gaat het om eenserie hiërarchische stappen waarbij de verpleegkundige per stap een positie gaatbekleden met meer autoriteit en verantwoordelijkheden.2.3 Waarom een verticale tweedeling?In de onderstaande paragrafen volgt een toelichting op en onderbouwingvan de keuze voor de verticale tweedeling in de verpleegkundigeberoepsstructuur.2.3.1 Verpleegkundige en verpleegkundig specialist sluiten aan bijbehoeften uit de marktDe bijdrage van de verpleegkundige aan de zorg voor patiënten kenttwee typerende kerntaken: de verpleegkundige staat de patiënt primairbij in het omgaan met de gevolgen van de aandoening voor de patiënt. Datbetekent dat de verpleegkundige er letterlijk voor zorgt dat de patiëntkan leven met zijn aandoening. Daarnaast levert de verpleegkundige eenbijdrage aan de behandeling van de aandoening met ondersteunende of24


faciliterende handelingen of door het deels zelf uitvoeren van de behandeling.Vanuit de markt is er behoefte aan goed opgeleide verpleegkundige beroepsbeoefenarendie duurzaam inzetbaar en flexibel zijn. Ze moetenmakkelijk kunnen meebewegen met veranderende, steeds complexerezorgvragen en met ontwikkelingen in het verpleegkundig en medisch(-technisch) handelen (levv, 2005).Vanuit het perspectief van patiënten (rvz, 2003) schuilt de meerwaardevan verpleegkundige zorg vooral in zaken als aandacht voor de kwaliteitvan leven, het coördineren van zorg vanuit een brede blik op de situatievan de patiënt, aandacht voor meerdere levensgebiedenen aandacht voor de patiëntMeebewegen metsteeds complexerezorgvragenin zijn eigen omgeving. Vanuit dit patiëntenperspectiefbestaat zowel een grotebehoefte aan verpleegkundigen die overgenerieke competenties beschikken waardoorzij wendbaar zijn en vanuit een breedaandachtsgebied kijken, als aan verpleegkundigeprofessionals die in complexe zorgsituaties zelfstandig kunnenoptreden als (mede)behandelaar.De terechte verwachting is dat inzet van de juiste verpleegkundigen enverpleegkundig specialisten leidt tot meer continuïteit, efficiency en nietin de laatste plaats tot meer kwaliteit van de geleverde zorg. Recent onderzoekin de diabeteszorg toont aan dat het overnemen van delen vande behandeling van de arts door de verpleegkundige tot een kwalitatiefeven goed resultaat leidt en zelfs tot grotere tevredenheid van patiënten(Houweling, 2005). De overheid stimuleert deze ontwikkeling nadrukkelijk.Effectiviteitsonderzoeken zullen, meer dan tot op heden is gebeurd,moeten aantonen wat het rendement is van de inzet van verpleegkundigspecialisten. Bekend is dat de beoogde verpleegkundig specialisten, nunog veelal nurse practitioners, een rol van betekenis spelen in de afstemmingtussen verpleegkundigen en artsen. Deze verpleegkundig specialistenkunnen in een steeds complexer wordende gezondheidszorg eenbrug slaan tussen deze groepen zorgverleners. Ook zijn onderzoekenbekend (knmg, 2005) waarin bleek dat de inzet van nurse practitionersleidt tot een kortere ligduur en grotere tevredenheid van patiënten. Detoegevoegde waarde van de nurse practitioner zit in competenties dieoverlappen met die van artsen en verpleegkundigen, in de holistische25


enadering, in de advanced nursing competenties en in praktijkervaringmet en specialisatie in bepaalde patiëntenstromen. Hierdoor kan – metbehulp van substitutie en integratie van care- en cure-georiënteerde takenbinnen een functie – zorg op maat worden geleverd (Knip, 2005) .Figuur 2.2 Behoefte aan verpleegkundigen in relatie tot de nieuwe beroepsstructuurAan welke verpleegkundigenis behoefte?Welke verpleegkundige voorzietin deze behoefte in denieuwe beroepsstructuur?Voorbeeld van functies inde toekomstige praktijkVerpleegkundigen die overgenerieke competentiesbeschikken en daarom flexibelinzetbaar zijn in een groot aantalzorgsituaties. Het verlenenvan verpleegkundige zorg staatcentraal.Verpleegkundige zondervervolgkwalificaties die zich bekwaamtbinnen een deelgebiedvan het verpleegkundig beroep(mbo of hbo).Verpleegkundige in depsychiatrie.Verpleegkundigen die, naasthet verlenen van verpleegkundigezorg, zorgprocessenplannen en coördineren inallerhande complexe zorgsituaties.Verpleegkundige zonder vervolgkwalificaties(hbo).Verpleegkundig zorgcoördinator.Verpleegkundigen die bijzonderezorg verlenen waarvooraanvullende deskundigheiden dus opleiding vereist is,of verpleegkundigen die eenspecifieke bijdrage leveren aande uitvoering van de behandeling.Het bijzondere wordtbepaald door de aard van deaandoening of de aard van debehandeling.Verpleegkundige: de verpleegkundigeheeft via vervolgonderwijseen vervolgkwalificatiebehaald binnen een deelgebiedvan het verpleegkundig beroep(mbo of hbo).Verpleegkundige binnenhet deelgebied intensievesomatische zorg met dedifferentiatie oncologie.Verpleegkundigen die zelfstandig(een deel van) de behandelingvan patiënten met een specifieke,complexe problematiekplannen en uitvoeren.Verpleegkundig specialist: deverpleegkundige heeft zich viaeen erkende masteropleidingen praktijkervaring bekwaamdop een deelgebied van hetverpleegkundig beroepVerpleegkundig specialistchronische zorg met differentiatiepijn.Verpleegkundig specialistpsychiatrische zorg.Verpleegkundig specialistintensieve somatische zorgmet differentiatie.26


Tussenniveaugespecialiseerdverpleegkundigeniet nodig2.3.2 Tweedeling in plaats van driedelingOnderscheid binnen een beroep heeft betrekking op een betekenisvol onderscheidtussen wat de ene categorie beroepsbeoefenaren aan zorg kanen mag bieden ten opzichte van de andere categorie.In de nieuwe verpleegkundige beroepsstructuur is enkel sprake vaneen beroepsniveau voor verpleegkundigen en een beroepsniveau voorverpleegkundig specialisten, en niet meer van een apart beroepsniveauvoor gespecialiseerd verpleegkundigen. Gebleken is dat een extra tussenniveaumet gespecialiseerd verpleegkundigenin de beroepsstructuur nietnodig is. Uit analyse van beroepsdeelprofielen,die A.J. Boekholt (Boekholt, 2004)uitvoerde in opdracht van het vboc,kwamen nauwelijks tot geen onderscheidendekenmerken tussen verpleegkundigenen gespecialiseerd verpleegkundigennaar voren. De verschillen tussen gespecialiseerdverpleegkundigen en verpleegkundig specialisten warenbescheiden. Kort gezegd is de conclusie: gespecialiseerd verpleegkundigenvoeren algemene verpleegkundige interventies uit in bijzonderesituaties en beschikken daartoe over algemene beroepscompetenties,aangevuld met specifieke competenties voor de doelgroep.In de nieuwe beroepsstructuur zijn de huidige gespecialiseerd verpleegkundigendan ook terug te vinden op het niveau van beroepsuitoefeningvan de verpleegkundige. De aard van de zorgvraag of de context bepalenof inzet van verpleegkundigen met toegesneden kennis en vaardighedennoodzakelijk is.De twee niveaus van beroepsuitoefening representeren niveaus van geleverdeprestatie en resultaten, bezien vanuit de zorgvrager, de medeprofessionalsen de zorgorganisatie. Niveaus van beroepsuitoefening hebbengeen directe relatie met de categorie zorgvragers. Bijvoorbeeld: omdateen verpleegkundige te maken heeft met oncologiepatiënten, hoeft hijof zij niet direct een verpleegkundig specialist te zijn. Wel moet deze verpleegkundigevaardig/ specifiek deskundig zijn in het verplegen van dezegroep patiënten.De indeling in twee niveaus van verpleegkundige beroepsuitoefeningkrijgt brede ondersteuning vanuit het veld. Bijna unaniem hebben degeconsulteerde partijen ingestemd met de voorgestelde tweedeling. Volgenshen leidt deze structuur tot meer duidelijkheid en overzichtelijk-27


heid met daarbij mogelijkheden voor betere sturing en ontwikkeling vanberoep en opleidingen.Een blijvende behoefte aan breed opgeleide verpleegkundigen diezich verder ontwikkelen door differentiatieVoor een adequate verpleegkundige zorgverlening moet de verpleegkundigebeschikken over toegesneden kennis en vaardigheden op het gebiedvan bepaalde zorgvragen of zorgvragers, zo laat de huidige beroepspraktijkzien. Van een verpleegkundige met een algemene beroepsopleidingkun je niet verwachten dat ze over voldoende kwalificaties beschikt omalle voorkomende zorgvragen aan te kunnen. Daarvoor is aanvullendescholing nodig. De beroepspraktijk is nu eenmaal gevarieerd en complex.Dit betekent dat het voor veel functies nodigis dat verpleegkundigen aanvullende kennisen vaardigheden aanleren om verpleegkundigezorg te kunnen verlenen aan specifiekegroepen zorgvragers. Deze noodzaak tot aanvullendekwalificaties is vooral functiegerichten wordt bepaald door de context waarin deverpleegkundige werkt, maar heeft geen invloedop de algemene beroepskwalificaties. DeAanvullendescholing voorspecifiekezorgvraagbetekenis hiervan voor de kwaliteit van zorg is groot. Tijdens de consultatierondesvan het project vboc onderstreepten vertegenwoordigers uitde praktijk het belang van voldoende gekwalificeerde verpleegkundigenmet het oog op behoud van de kwaliteit van zorg.In de gezondheidszorg zijn honderden zorginstellingen die allemaal verschillendgeorganiseerd zijn. Binnen die instellingen zijn afdelingen weerverschillend georganiseerd, omdat patiëntengroepen van elkaar afwijken.Dit zorgt voor een grote diversiteit aan functies. Opleidingsinstellingenspelen hierop in en bieden een keur aan opleidingen aan. Het civiel effectvan veel opleidingen is onduidelijk en vormt een belemmering voor demobiliteit op de arbeidsmarkt van verpleegkundigen.2.3.3 Aantrekkelijk ontplooiingsperspectief door verticale tweedelingDe verticale tweedeling biedt helderheid in het ontplooiingsperspectiefvoor verpleegkundigen in de directe patiëntenzorg naast, of in plaatsvan, ontplooiingsmogelijkheden in bijvoorbeeld management, staf enonderwijs.Binnen de twee niveaus van beroepsuitoefening wordt een aantrekkelijkontplooiingsperspectief geboden. Voor verpleegkundigen met verschillendeachtergronden en verschillende ambitieniveaus die binnen28


het beroep willen doorgroeien zijn passende opleidingen en functiesbeschikbaar. Dit creëert optimale mogelijkheden om verpleegkundigente behouden voor het primaire proces. De beide niveaus van beroepsuitoefeningen genoemde ontplooiingsperspectieven worden ondersteunddoor een helder ingericht verpleegkundig opleidingscontinuüm (ziehoofdstuk 3).Samengevat geeft de nieuwe beroepsstructuur richting aan de wijze waarop de verpleegkundigezich kan ontplooien:● Op het niveau van verpleegkundige: door het opdoen van extra kennis en vaardighedenop een bepaald functiegebied (differentiatie);● Op het niveau van verpleegkundig specialist: door het krijgen van andere verantwoordelijkhedenen bevoegdheden en een andere rol in het zorgproces van de patiënt(specialisatie).2.3.4 De gewenste personele inzet in kaart brengenVerschillende soorten patiënten vragen om verschillende vormen vanverpleegkundige zorg. Het is van belang dat de functies aansluiten bijde competenties van de verpleegkundige. Een kritische bezinning op derollen die de verpleegkundige vervult in relatie tot genoten opleiding,werkervaring en competenties is daarom noodzakelijk. Niet alleen hetdreigend tekort aan verpleegkundigen, maar ook de efficiëntie van dezorgverlening moet hierbij in beschouwing worden genomen. Mindercomplexe taken kunnen worden gedelegeerd aan verzorgenden en helpenden.De samenstelling van zorgteams moet zodanig zijn dat efficiënten flexibel op de zorgvraag kan worden ingespeeld.Zorginstellingen moeten daarom aan de hand van de zorgvraag de gewenstepersonele inzet in kaart brengen, om te komen tot een goedeinzet van zowel mbo- als hbo-verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten.Belangrijke criteria hierbij zijn de aard en de omvang van de zorg,de complexiteit van de zorgvraag, het takenpakket, de verdeling van deverantwoordelijkheden en de gewenste ‘outcomes’.2.3.5 Wettelijk kader en gewenste beroepsstructuur sluiten op elkaar aanDe Wet big biedt kaders voor het inrichten van een beroepsstructuur.Doel van deze wet is het beschermen van de burger tegen ondeskundighandelen. Iedereen die werkzaam is in de individuele gezondheidszorgvalt onder de algemene werking van de Wet big. Daarnaast kent deze weteen regeling voor een beperkt aantal specifieke beroepen. De opleidingseisenen het deskundigheidsgebied van deze beroepen liggen vast. Alleenwie voldoet aan de wettelijk vastgestelde eisen wordt in het big-register29


opgenomen en mag de beschermde beroepstitel voeren. Voor verpleegkundigengeldt bovendien dat zij ingeschreven moeten zijn in het big-registervoordat zij de titel mogen gebruiken, de zogenaamde constitutieveregistratie. Met het voeren van een beschermde titel geeft de beroepsbeoefenaaraan deskundig te zijn op eenbepaald gebied van de gezondheidszorg.In de Wet big is geregeld dat de ministergoedkeuring dient te verlenen aan de doorde beroepsgroep vastgestelde criteria enopleidingseisen.Artikel 3 en 14van de Wet BIGDe voorgestelde tweedeling sluit aan bij het wettelijke kader van artikel3 en artikel 14 van de Wet big. De wet gaat uit van ‘beroepen’ (artikel 3)en van ‘specialisaties binnen een beroep’ (artikel 14). De verpleegkundigeberoepsstructuur bestaat dan ook uit ‘verpleegkundigen’ en uit ‘specialistenop het gebied van de verpleegkunde’.De huidige wettelijke regeling biedt zo de mogelijkheid om aan specialistentitelswettelijke bescherming te verlenen. De specialistentitel kan uitsluitendworden gevoerd door hen die op grond van artikel 3 gerechtigdzijn een titel van het basisberoep te voeren.De burger moet erop kunnen vertrouwen dat een verpleegkundige overcompetenties beschikt om zorg te verlenen volgens de geldende verpleegkundigeprofessionele standaard. In de Wet big staat slechts in globaletermen omschreven wat van een beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.Artikel 33 van de Wet big geeft een summiere omschrijving van hetdeskundigheidsgebied van de verpleegkundige. De beroepsgroep wordtzelf geacht instrumenten te ontwikkelen waaruit blijkt aan welke eisengoede beroepsuitoefening voldoet. Het verpleegkundig beroepsprofielvormt daarin uiteraard een sleuteldocument, maar het betreft ook hetvastleggen van ‘verantwoorde zorg’ in protocollen, richtlijnen en bijvoorbeeldook de beroepsdeelprofielen. Indien nodig zal de wetgever hieropteruggrijpen om te beoordelen of een beroepsbeoefenaar voldoet aan deeisen die worden gesteld aan een goede beroepsuitoefening. Het systeemvan registratie en herregistratie is een middel van de overheid om te beoordelenof beroepsbeoefenaren aan de gestelde normen voldoen.Voor de (nieuwe) verpleegkundig specialist zal ook een beroepsdeelprofielmoeten worden opgesteld.Om de specialistentitel wettelijk te verankeren moet het College Specialismendeelgebieden aanwijzen en de algemene en bijzondere eisen vaststellenwaaraan een opleiding tot specialist moet voldoen*. Dat schept* Zie artikel 10 van de Regeling Specialismen Verpleegkunde30


duidelijkheid in de verwachtingen die je van deze groep beroepsbeoefenarenmag hebben, wat betreft opleiding en bevoegdheden in relatie totde grenzen van het deskundigheidsgebied. Deze kaders waarborgen dekwaliteit van zorg voor de burger.De Wet big kent een regeling van voorbehouden handelingen. Dit zijnhandelingen die zijn voorbehouden aan artsen, tandartsen en verloskundigen,voor zover deze handelingen binnen hun deskundigheidsgebiedliggen. Gezien de ontwikkelingen in de praktijk, waar al sprake is vantaakherschikking, ligt het voor de hand verpleegkundig specialisten debevoegdheid te verlenen een aantal voorbehouden handelingen te verrichten.Daarvoor moet de huidige regeling van de Wet big worden gewijzigd.De volgende aanpassingen zijn noodzakelijk voor een wettelijkeverankering van de nieuwe beroepsstructuur:De minister maakt gebruik van de in artikel 14 Wet big aan hem toegekendebevoegdheid om de titel ‘verpleegkundig specialist’ als een wettelijkerkende specialismentitel aan te merken. Net als voor verpleegkundigen(artikel 3 Wet big) geldt ook hierNieuwe regelingvoorbehoudenhandelingendat inschrijving in het specialistenregistervoorwaarde is voor het voeren van de beschermdetitel van verpleegkundig specialist.Voor de duidelijkheid richting publieken andere beroepsbeoefenaren adviseertde stuurgroep om per deelgebied een concretetitel te kiezen (bijvoorbeeld verpleegkundig specialist preventie,verpleegkundig specialist acute zorg, etc.). Dit betekent dat de vier deelgebiedenuit dit advies als zodanig door het College voor de VerpleegkundigSpecialismen zijn aangewezen.Door een aanpassing van artikel 36 Wet big krijgen verpleegkundigspecialisten de zelfstandige bevoegdheid om een aantal voorbehoudenhandelingen (o.a. heelkundige handelingen, endoscopieën, catheterisaties,injecties en puncties) te indiceren en uit te voeren. De omschrijvingvan het deskundigheidsgebied van de verpleegkundig specialist geeft degrenzen van deze bevoegdheden aan. Ook het voorschrijven van geneesmiddelenop recept maakt deel uit van het deskundigheidsgebied vande verpleegkundig specialist. Het ministerie van vws heeft hiervoor eenregeling in voorbereiding.In de huidige omschrijving van het deskundigheidsgebied van de verpleegkundigein artikel 33 staat als bepaling b. opgenomen: ‘Het ingevolgeopdracht van een beroepsbeoefenaar op het gebied van de individuele31


gezondheidszorg verrichten van handelingen in aansluiting op diens diagnostischeen therapeutische werkzaamheden.’Deze omschrijving biedt de verpleegkundig specialist onvoldoende handelingsruimte.Zowel de omschrijving ‘in opdracht van’ als ‘in aansluitingop’ staan zelfstandige bevoegdheid op het gebied van voorbehoudenhandelingen in de weg. Daarom zal de omschrijving van het deskundigheidsgebiedvan de verpleegkundig specialistworden uitgebreid, zodat er ruimteontstaat voor het zelfstandig handelen vande verpleegkundig specialist. Deze ontwikkelingenin het uitbreiden van bevoegdhedenheffen de wettelijke belemmeringenvoor taakherschikking op.De in het spraakgebruik gangbare term ‘gespecialiseerd verpleegkundige’heeft nooit een wettelijke basis gekend. Dat betekent dat voor gespecialiseerdverpleegkundigen geen andere bepalingen gelden dan voor verpleegkundigen.Dit staat los van de eventuele landelijke afspraken overhet opleiden van bepaalde groepen verpleegkundigen, zoals nu bekendonder de lrvv-regeling (www.czo.nl).2.3.6 Positionering nurse practitionerIn de nieuwe beroepsstructuur wordt de nurse practitioner niet als apartberoep gepositioneerd maar opgenomen binnen het verpleegkundigeberoep, te weten als verpleegkundig specialist. Met dien verstande datde individuele nurse practitioner dient tevoldoen aan de criteria voor verpleegkundigspecialist. De noodzakelijke bevoegdhedenworden daarmee geregeld via artikel36 van de Wet big.*Voor de physician assistants wordt een andertraject ingezet dat buiten het bestekvan dit advies valt. Wel kunnen we hierEfficiënt enflexibel inspelenop zorgvraagHuidige nurse practitionersvoldoen aancriteria verpleegkundigspecialistzeggen dat de physician assistants en nurse practitioners over een aantalgemeenschappelijke competenties beschikken en hetzelfde opleidingsniveau(professional master) hebben.2.4 ConclusieAl met al blijkt dat er, ook bezien vanuit bestaande wet- en regelgeving,voldoende grond bestaat om in de landelijke beroepsstructuur uit tegaan van twee niveaus van beroepsuitoefening: de verpleegkundige ende verpleegkundig specialist. Elk van deze niveaus berust op een spe-* Brief d.d. 23-12-2005 van minister Hoogervorst aan de TweedeKamer over taakherschikking en taakherziening en de Wet BIG32


cifieke bekwaamheid van verpleegkundigen, met dienovereenkomstigerollen, taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en resultaten. Belanghebbendepartijen die voor dit advies zijn geraadpleegd, onderstreeptenvooral het belang van het toekennen van duidelijke kwalificatiesaan de verschillende verpleegkundigen.Dit met het oog op kwaliteit van zorg enop duurzaamheid van de gezondheidszorg.Voor de patiënt is het van belang dat hij eropkan vertrouwen dat hij wordt behandeld doorgekwalificeerde beroepsbeoefenaren. Om dezebehandeling goed te kunnen managen moetenberoepsbeoefenaren onderling weten wat zij aan elkaar hebben enwat zij wel en niet aan elkaar kunnen overlaten. Dat biedt zicht op demogelijkheden voor taakherschikking, die weer een voorwaarde is vooreen flexibele en duurzame inrichting van de gezondheidszorg. Er bestaatbehoefte aan duidelijkheid over de inhoud en het aantal niveaus van beroepsuitoefeningbinnen de verpleegkundige beroepsstructuur, als onderdeelvan de bredere beroepsstructuur in de gezondheidszorg.2.5 Horizontale indeling in deelgebieden en differentiatiesIn de huidige verpleegkundige beroepsstructuur is horizontale afbakeningvan de beroepsuitoefening terug te vinden in de beroepsdeelprofielenwaarin groepen verpleegkundigen hun specifieke kennis en kundetoespitsen. Een deel van deze verpleegkundigen wordt in de huidige situatiegespecialiseerd verpleegkundigen genoemd op basis van de vervolgopleidingdie zij gevolgd hebben.Tweedelingvoldoet aanbehoefteSamenhangendekennisbundelen toteenhedenDe horizontale indeling van de nieuwe verpleegkundigeberoepsstructuur is terug te voerenop een matrixindeling van deelgebiedenmet daarbinnen differentiatiemogelijkheden.Met deze deelgebieden wordt beoogd samenhangendekennisgebieden binnen het beroepte bundelen tot betekenisvolle eenheden waarbinnende verpleegkundige zich kan bekwamen. Voor de verpleegkundigedifferentiaties hebben de deelgebieden de functie om in scholing degemeenschappelijke competenties in samenhang aan te bieden.Naar aanleiding van de verkenning Ontwikkelingen in de zorg (zie bijlage3), komt de stuurgroep tot de functiegerichte indeling in deelgebiedenzoals weergegeven in het matrixmodel. Hierin is sprake van vier horizontalegebieden: preventieve zorg, acute zorg, intensieve zorg en chronische33


zorg. Voor al deze gebieden geldt de aard van de aandoening als tweededimensie. De matrix maakt een onderscheid tussen somatische aandoeningenen psychische aandoeningen en/of gedragsproblematiek. Binnende zo ontstane clusters van verpleegkundige zorg is verdere uitsplitsingmogelijk in differentiaties.In figuur 2.3 wordt de kern van ieder deelgebied weergegeven. Uiteraardkunnen patiënten onder meerdere doelgroepen vallen, waarbij de verpleegkundigedus gebruik moet maken van deskundigheid uit verschillendedeelgebieden.Daar waar de verpleegkundige zorg vooral wordt bepaald door de context(bijvoorbeeld ziekenhuiszorg), is de zorg veelal georganiseerd naarde aard van de benodigde (verpleegkundige) interventies. In de ene context(c.q. afdeling) staat primaire preventie centraal, in de andere contextjuist meer de (vaak medische) behandeling. De verpleegkundige heeftper context andere bijzondere kennis en vaardigheden nodig. Deze verbijzonderingenzijn terug te brengen tot de vier hoofdgroepen:1. preventieve zorg2. acute zorg3. intensieve zorg4. chronische zorgAfhankelijk van de ‘opdracht’ die de verpleegkundige vervult in het zorgprocesvan de patiënt is deskundigheid vereist op één van de velden vande matrix. Hiermee worden de verbijzonderingen in de verpleegkundigeberoepsuitoefening tot uitdrukking gebracht. De verpleegkundige kanzich differentiëren in één of meerdere onderdelen van de matrix.Voor de verpleegkundig specialist geldt in de meeste gevallen dat juist eenbrede deskundigheid vereist is, op meerdere velden tegelijk. Naast dezebrede, generieke deskundigheid van de verpleegkundig specialist geldtdat ook hier verdieping op één van de matrixvelden kan plaatsvinden.34


Figuur 2.3 Matrix van deelgebiedenOmschrijving kern van deelgebiedPreventievezorg(voorkomen)SomatischeaandoeningenPsychischeaandoeningenen gedragsstoornissenCentraal staan primaire preventie en secundaire preventievan dreigende gezondheidsproblemen, hetbevorderen van gezond gedrag en het signalerenvan gezondheidsbedreigende factoren.Naast specifiek verpleegkundige en medische zorg issprake van sociaal-maatschappelijke zorg.Doelgroep: jeugdgezondheidszorg bij kinderen 0-19jaar en hun ouders; volwassenen 19 jaar-overlijden.Infectieziektenbestrijding en algemene preventievegezondheidszorg.Dominante zorg/preventie en proactie.Acutezorg(behandelen)SomatischeaandoeningenPsychischeaandoeningenen gedragsstoornissenCentraal staat voorkomen en behandelen van acute,levensbedreigende situaties. De medische zorg ishierin voorwaardelijk.Doelgroep: mensen met een levensbedreigendeaandoening; geneeskundige hulpverlening bij ongevallenen rampen.Dominante zorg/ triage en stabiliseren.Intensievezorg(behandelen+ begeleiden)SomatischeaandoeningenPsychischeaandoeningenen gedragsstoornissenDe ziekte, de behandeling van de ziekte en deconsequenties van de ziekte voor het directe functionerenstaan centraal. Bij deze zorgcategorie isper definitie sprake van sterke invloed van medischezorg en therapeutische interventies op de aard vande verpleegkundige zorg.ICD-dominant/genezing-dominante zorg.Doelgroep: mensen met somatische of psychischeaandoeningen in de behandelfase.Chronischezorg(begeleiden +ondersteunen)SomatischeaandoeningenPsychischeaandoeningenen gedragsstoornissenKwaliteit van leven, tertiaire preventie,omgaan met de handicaps en sociale inclusie staancentraal. Verpleegkundige zorg speelt een grote rolen de medische zorg en therapeutische hulp wordenvooral ondersteunend en voorwaardelijk aan eerstgenoemdeingezet.ICF-dominant/kwaliteit van leven dominante zorg.Doelgroep: mensen met lichamelijke handicaps,mensen met chronische ziekten zoals diabetes,hartfalen, COPD, mensen met chronisch psychiatrischeaandoeningen, mensen met een verstandelijkehandicap, ouderen met leeftijdsverwante problematiekzoals dementie, ouderen met niet specifiek geriatrischeaandoeningen zoals overgewicht, gevolgenvan een hartinfarct en een beroerte, artrose, kankeren reumatoïde artritis.35


2.6 Waarom een horizontale indeling?De volgende paragrafen geven een verdere toelichting op de keuze vooreen horizontale indeling van het verpleegkundig beroep in deelgebiedenen differentiaties.Grotereflexibiliteit eninzetbaarheidverpleegkundigen2.6.1 Doelmatigheid en kwaliteit door samenhang binnen deelgebiedenDe nieuwe beroepsstructuur krijgt met behulp van het ordeningsprincipevan de voorgestelde deelgebieden meer samenhang. Dit geldt vooral voorde vervolgopleidingen. In de nieuwe situatie zal een duidelijker onderscheidaangebracht worden tussen generieke competenties binnen eendeelgebied en specifieke competenties. Samenvoegen van een deel van descholingsprogramma’s leidt tot een breder werkveld van beroepsbeoefenaren,zodat meerdere zorgvragers binneneen deelgebied doelmatiger kunnen wordengeholpen. Dit vergroot de flexibiliteiten de inzetbaarheid van verpleegkundigenbinnen een deelgebied in het werkveld. Tevensondersteunt deze wijze van opleidende ontwikkeling van een breder werkveldbij beroepsbeoefenaren en daarmee eenintegrale benadering van de patiënt. Daardoorwordt ‘kokerdenken’ vermeden en ‘ketendenken’ juist gestimuleerd.Deze brede inzetbaarheid zal naar verwachting ten goede komen aan dekwaliteit van zorgverlening in de verschillende deelgebieden. Verder zullendeelgebieden richting geven aan het verder ontwikkelen van de verpleegkundigeexpertise en het oplossen van verpleegkundige vraagstukkenbinnen een deelgebied.2.6.2 Verbreding leidt tot betere sturingsmogelijkheden op macro- enmesoniveauEen van de redenen om te kiezen voor een horizontale ordening vande nieuwe beroepsstructuur met brede deelgebieden, is de toekomstbestendigheidvan deze deelgebieden. In een innovatieve beroepsstructuurmoeten deze deelgebieden niet te smal worden gemaakt. Zij moeten immerskunnen meebewegen met de ontwikkelingen en veranderingen inde markt.In tegenstelling tot de huidige situatie waarin door wildgroei van specialisatieshet overzicht zoek is, zal door de horizontale indeling in brederedeelgebieden beter gestuurd kunnen worden op inzet en capaciteit vandeskundigheden, zowel op macro- als op mesoniveau in de zorg. Wanneer36


zorgvragen of zorgaanbod binnen een deelgebied wijzigen, bijvoorbeelddoor veranderende behoeften van patiënten of door veranderingen inbehandelmogelijkheden, is het vermogenom hierop te anticiperen groter vanuit denieuwe verpleegkundige beroepsstructuurmet bijbehorend opleidingscontinuümgebaseerd op deelgebieden, dan vanuit deonoverzichtelijke situatie met talrijke opsplitsingendie momenteel bestaat.Makkelijkeranticiperen opveranderingenTevens is op macroniveau beter te sturen op de capaciteit en deskundigheiddie nodig is.Ter illustratie een voorbeeld uit de acute zorg. Verpleegkundigen zijn inde huidige situatie opgeleid tot bijvoorbeeld ambulanceverpleegkundigenen anderen tot spoedeisende-hulpverpleegkundigen. Deze verpleegkundigenbeschikken uiteraard over veel overeenkomstige competenties,maar zijn in de huidige situatie toch slecht uitwisselbaar. Dit heeft zowelconsequenties voor de individuele verpleegkundige als voor het managenvan de acute-zorgprocessen. Als een verpleegkundige in een anderesetting wil gaan werken, moet de verpleegkundige de desbetreffende vervolgopleidinggaan doen. Het gaat om dure, vaak intensieve opleidingen,waarin de verpleegkundige veel overlappende lesstof tegenkomt.De manager die efficiënter gebruik wil maken van de verschillende werkersin de acute zorg, loopt aan tegen een vrij strikte scheiding tussenambulancezorg, spoedeisende hulp en intensive care. In de praktijk zijndit – wat kwalificaties en opleiding betreft – slecht uitwisselbare gebieden.Als alle verpleegkundigen in de acute zorg over meer gemeenschappelijkecompetenties zouden beschikken, dan zou de wendbaarheid tussende verschillende afdelingen of taakgebieden groter zijn.2.6.3 Aantrekkelijk ontplooiingsperspectief door horizontale indelingEr zijn verpleegkundigen die zich beter thuis voelen en tot hun rechtkomen in een uitvoerende rol dan in de rol van zorgregisseur of specialist.Deze groep wil voornamelijk patiëntenzorg verlenen. Voor dezeverpleegkundigen (met name mbo-verpleegkundigen) moeten betererandvoorwaarden worden gecreëerd voor horizontale loopbaanveranderingen(onder andere job rotation, erkenning verworven competenties,laagdrempelige om- en bijscholing), waarbij de nadruk ligt op het uitbouwenvan de patiëntgerichte competenties. Een aantrekkelijk loopbaanperspectiefis tevens een belangrijke voorwaarde om deze groep verpleegkundigenvoor de zorg te behouden. Daarom moeten horizontale37


loopbaanmogelijkheden worden gecreëerd, zodat zij gemakkelijk doorstromenin patiëntgebonden functies. De horizontale indeling van denieuwe beroepsstructuur verschaft meerzicht op welke competenties waar opgedaankunnen worden en wat deze competentiestoevoegen aan de competenties diede individuele verpleegkundige reeds bezit.Kortom, loopbaanpaden worden duidelijkeren dat maakt ook sturing op loopbaangemakkelijker.Sturing oploopbaan wordtgemakkelijkerFiguur 2.4 Twee beroepsniveaus, vier deelgebiedenverpleegkundig specialist artikel 14 Wet BIGverpleegkundige artikel 3 Wet BIGpreventieve acute intensieve chronischezorg zorg zorg zorg2.7 Internationale ontwikkelingen in het verpleegkundige beroepDe hierboven beschreven aanbevelingen sluiten aan op ontwikkelingenop Europees niveau. Internationaal gezien bestaat er voor een verpleegkundigeberoepsstructuur en opleidingscontinuüm geen gezamenlijkeontwikkelingslijn. Een mondiaal of Europees model is er niet, aangeziende beroepsstructuur en het opleidingscontinuüm grotendeels landelijkof regionaal zijn bepaald.* Wel is een lijn te herkennen in de belangrijkste,actuele issues van het verpleegkundige beroep en de opleidingen inEuropa. Deze issues zijn:● Ontwikkeling van gezamenlijke competentieprofielen voor verpleegkundigenen verzorgenden (met het oog op de mobiliteit van werknemersbinnen Europa) aan de hand van bestaande best practices (bijvoorbeelduit Denemarken en de andere Scandinavische landen).* A. Mellema, gespreksverslag (6/12/2005)38


● Periodieke (her)registratie voor de kwaliteitsborging (in de vroegereoostbloklanden en mediterrane landen gebeurt dit al middels ordes vanverpleegkundigen).● Functiedifferentiatie en taakherschikking.2.7.1 Niveaus van verpleegkundigen internationaalIn Nederland bestaan aparte beroepsgroepen voor verpleegkundigen envoor verzorgenden. In andere landen wordt doorgaans alleen gesprokenover de ‘nurse’. Deze term wordt dus voor uiteenlopende beroepsniveausgebruikt. Tussen de verpleegkundige beroepsbeoefenaren in verschillendelanden blijken niveauverschillen te bestaan. Het niveau van eenbachelorverpleegkundige in het ene land kan aanzienlijk anders zijn danhet niveau van een bachelorverpleegkundige in het andere land. In Denemarkenbijvoorbeeld komen verpleegkundigen die in Nederland opniveau 4/5 werken alleen op hbo-niveau voor. (Denemarken en Zwedenlopen overigens voorop wanneer het gaat om de bachelorstructuur.)Daarnaast werken andere landen vaak met de verpleeghulp in plaats vanmet verpleegkundige (niveau 4) of verzorgende (niveau 3).2.7.2 Verpleegkundige beroepsstructuur in diverse landenVoor de inrichting van de verpleegkundige beroepsstructuur gebruikenverschillende landen verschillende invalshoeken. Zo wordt in de Scandinavischelanden en de Britse eilanden de verpleegkundige beroepsstructuurberedeneerd vanuit de eerste lijnsgezondheidszorg (communitycare, public health, health promotion). In deze landen zijn de eerstelijnscommunity health centers uitgangspunt voor de inrichting vande (rest van de) gezondheidszorg. Dit in tegenstelling tot Nederland,dat opvallend minder aandacht besteedt aan ‘public health’ dan de restvan Europa.In Scandinavië en de Britse eilanden is de verpleegkundige beroepsstructuurhet meest ontwikkeld en wordt de verpleegkundige beroepsgroepsterk erkend. In landen als Zweden,Finland en Noorwegen nemen verpleegkundigendikwijls complexe taken vanartsen over vanwege het tekort aan artsenen de geografische spreiding van de bevolkingin dit land. Deze landen wisselensystemen en concepten met elkaar uit viade Nordic Nursing Association.Verpleegkundigein Scandinavië hetmeest ontwikkeldIn Engeland heeft de National Health Service (nhs) zelfs een beroepsstructuurvoorgesteld die volledig aan het domein-denken voorbij gaat,39


namelijk een matrixstructuur met negen niveaus van beroepsuitoefening,waarbij de competenties voor bepaalde functies en zorgvragen centraalstaan.Al met al focussen Scandinavië en de Britse eilanden steeds meer op ontwikkelingvan verpleegkundigen in de breedte, omdat dit de werkbaarheiden flexibiliteit vergroot. Een ontwikkeling die de stuurgroep vboceveneens voor Nederland ziet weggelegd.België maakt onderscheid tussen verpleegkundigen, gegradueerd verpleegkundigenen verpleegkundig specialisten. De gegradueerd verpleegkundigeheeft een aanvullende opleiding genoten op een bepaald deskundigheidsgebied.*Zo zijn er bijvoorbeeld gegradueerd verpleegkundigenin de intensieve zorg en spoedgevallenzorg en gegradueerd psychiatrischverpleegkundigen. De verpleegkundig specialist in België is een universitairgeschoolde professional die een voortrekkersrol vervult in het slaanvan een brug tussen verplegingswetenschap en klinische praktijk.** Eenbelangrijk deel van haar tijd besteedt de verpleegkundig specialist aancoaching, educatie en begeleiding van patiënten, familie en zorgverstrekkers.Op vraag van verpleegkundigen, artsen of andere zorgverlenersgeeft de verpleegkundig specialist, als lid van een multidisciplinair team,advies en aanbevelingen over zorgproblemen. De verpleegkundig specialistis op verschillende niveaus bij wetenschappelijk onderzoek betrokken.Zij beoordeelt en gebruikt onderzoeksresultaten, evalueert de eigenpraktijkvoering en neemt deel aan (verpleegkundig) onderzoek.In de Verenigde Staten wordt de inrichting van het verpleegkundig beroepen van de opleiding gestuurd vanuit de markt.*** In de Verenigde Statenis naast de registered nurse (rn) sprake van de nurse practitioner (np) ende clinical nurse specialist (cns). Daarnaast heb je nog de certified nursemidwife (verloskundige) en nurse anesthesist (crna).****Een clinicalnurse specialist (cns) is een op masterniveau geschoolde verpleegkundigedie in de zorgverlening focust op specifieke patiëntenpopulaties. De cnsverdeelt haar tijd over de gebieden zorgverlening, onderwijs, onderzoek,advies en case-management. De cns is uitermate geschikt voor de rol vancase-manager, die de complexe multidisciplinaire zorgverlening rondompatiënten organiseert en coördineert. Het beroepsniveau van cns biedtcarrièreperspectief voor goed opgeleide verpleegkundigen die zowel gaanvoor patiëntencontact als voor de verbetering van de processen in de zorgverlening.De cns kan werkzaam zijn op verschillende deelgebieden.* www.verpleegkunde.com en www.health.fgov.be (19/12/2005)** www.uzleuven.be (19/12/2005)*** bron: A . Mellema, gespreksverslag (6/12/2005)**** www.allnursingschools.com (6/12/2005)40


Ook de nurse practitioner (np) in de Verenigde Staten heeft – op eenbepaald deelgebied – een mastertitel. De Amerikaanse np focust op holistischeen preventieve zorg aan individuele patiënten en doet dit vanuiteen verpleegkundige benadering. Ze doet meer dan enkel het overnemenvan taken van de arts. Wanneer het takenpakket van een zorgverlenergrotendeels bestaat uit overgenomen taken van de arts, komt eerder dephysician assistent in beeld.Terwijl de cns de nadruk meer legt opzaken als onderzoek, onderwijs, advies,beleid en management, houdt de np zichprimair bezig met zorgverlening. De npdiagnosticeert en behandelt een bredeInrichting beroepgestuurd vanuitmarktgroep patiënten (bijv. acute zorg, chronische zorg, somatische zorg), interpreteertlabresultaten, verleent consulten aan patiënten, ontwikkeltbehandelplannen en schrijft medicatie voor. De np kan werkzaam zijnop verschillende deelgebieden.2.7.3 De nurse practitioner internationaal bekekenDe rollen van de nurse practitioner ontwikkelen zich wereldwijd. Omduidelijkheid te scheppen en verdere wereldwijde ontwikkeling mogelijkte maken heeft de icn (International Council of Nurses) een definitie,kenmerken en wettelijke bepalingen beschreven voor de rollen van de npwereldwijd.*Definitie nurse practitioner (NP):Een np is een geregistreerd verpleegkundige met kennis op expertniveau,met vaardigheid om te beslissen in complexe zorgvraagstukken en klinischecompetenties op een breed werkgebied (afhankelijk van contextof land waarin de np bevoegd is om te werken). Beroepsuitoefening ophet niveau van de np vereist doorgaans masterniveau. De icn pleit voorde vereiste van een formeel erkende opleiding tot geaccrediteerd np, envoor een formeel systeem van certificering/diplomering, accreditatie enregistratie.Universele kenmerken van de advanced nurse practitioner (ANP):● Integreren van onderzoek, opleiding, praktijk en management● Hoog niveau van professionele autonomie/onafhankelijke praktijk● Case-management/eigen case-load● Vaardigheden op het gebied van behandeling, besluitvorming endiagnosestelling● Erkende klinische competenties● Consultfunctie voor andere zorgverleners* www.aanp.org (6/12/2005)41


● Maken, implementeren en evalueren van behandelplannen● Aanspreekpunt en herkenbaar contactpersoon voor cliënten● Werkzaam in behandelzorg, preventieve zorg en palliatieve zorgWettelijke bepalingen:● Bevoegdheid voor het stellen van diagnoses● Bevoegdheid voor het voorschrijven van medicatie● Bevoegdheid voor het voorschrijven (en beëindigen) van behandeling● Bevoegdheid voor het verwijzen van cliënten naar andere zorgprofessionals● Bevoegdheid voor het verwijzen naar ziekenhuizen en andere zorginstellingen● Wet- en regelgeving tot voering en bescherming van de titel ‘nursepractitioner/advanced practice nurse’De meerwaarde van np’s voor de gezondheidszorg wordt in steeds meerlanden erkend. Onderzoek wijst uit dat np’s over een breed gebied significantbijdragen aan het bevorderen van de kwaliteit en toegankelijkheidvan de zorg.* Daarnaast ontstaat wereldwijd steeds meer overeenstemmingover de vereiste dat de np de opleiding op masterniveau moet hebbenafgerond.2.7.4 Betekenis van de internationale ontwikkeling voor deverpleegkundige beroepsstructuur in NederlandEen aantal landen kiest voor een hoger basisniveau van verpleegkundigen(hbo). Een deel van de verzorgende taken wordt uitgevoerd doorbijvoorbeeld verpleegassistenten. Hiermeekomt de regie over de te verlenen zorg bijeen hoger niveau beroepsbeoefenaar te liggen.Dit is een principieel andere insteekdan in de Nederlandse situatie, waar verplegenop mbo-niveau is gepositioneerdmet daarnaast een hbo-variant.De internationale ontwikkeling van denurse practitioner vertoont zeer groteNP komt snel inaanmerking voorregistratie alsverpleegkundigspecialistovereenkomst met het voorgestelde profiel van de verpleegkundig specialistin de nieuwe beroepsstructuur.* www.cna-nurses.ca (11/1/2006)42


3 Het verpleegkundig opleidingscontinuüm3.1 InleidingNet als de verpleegkundige beroepsstructuur heeft het verpleegkundigopleidingscontinuüm alleen betrekking op verpleegkundigen die hunberoep uitoefenen op het terrein van de individuele en collectieve gezondheidszorg.Het gaat dus om zorg die gericht is op de gezondheidvan de individuele patiënt. Dit betekent dat de masteropleidingen totverplegings- en zorgwetenschapper en andere opleidingen die zich nietrichten op het primaire zorgproces buiten beschouwing worden gelaten.Deze studies kunnen immers ook gevolgd worden door studenten dieniet als verpleegkundige zijn geregistreerd.3.2 Huidige situatieSinds 1997 vallen de inservice opleidingen tot verpleegkundige onder hetministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Er zijn twee kwalificatieniveaus(Commissie Kwalificatiestructuur, 1996) waarop verpleegkundigenkunnen afstuderen: kwalificatieniveau 4 en kwalificatieniveau5. De term ‘kwalificatie’ staat voor een specifiek geheel van kennis envaardigheden, dat maatschappelijk erkendis. Iemand is gekwalificeerd voor een bepaaldberoep als zij een diploma of certificaatheeft dat staat voor een bepaalde setcompetenties. De opleiding tot verpleegkundigekwalificatieniveau 4 is een beroepsopleidingdie valt onder de web (WetEducatie en Beroepsonderwijs) en is daarmeeeen mbo-opleiding. De opleiding totMbo- en hboverpleegkundigenvoor Wet BIGgelijkverpleegkundige kwalificatieniveau 5 is een hbo-opleiding en valt onderde Wet op het Hoger onderwijs en Wetenschappelijk onderzoek (whw*).Deze mbo- en hbo-opleidingen leiden studenten op volgens de Wet opde Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet big).3.2.1 VervolgopleidingenVerpleegkundigen leren tijdens de initiële opleiding generieke vaardighedenen kunnen deze in specifieke situaties toepassen. De verpleegkundigeberoepsuitoefening kent echter verbijzonderingen, die hun weerslagkrijgen in functies. In de gezondheidszorg zijn honderden zorginstellin-* Deze wet wordt waarschijnlijk in 2006 vervangen door de Wet ophet Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHOO)43


gen die allemaal verschillend georganiseerd zijn. Binnen die instellingenzijn afdelingen weer verschillend georganiseerd, omdat patiëntengroepenvan elkaar afwijken. Dit zorgt voor een grote diversiteit aan functies.Zorginstellingen leiden hun verpleegkundigen via vervolgopleidingenop voor de zorgverlening aan bepaalde groepen patiënten. Opleidingsinstellingenspelen hierop in en bieden een keur aan opleidingen aan. Hetciviel effect van veel opleidingen is echter onduidelijk en dit vormt een belemmeringvoor de mobiliteit op de arbeidsmarkt van verpleegkundigen.Figuur 3.1 Overzicht zorgopleidingenWet BIGverpleegkundigevervolgopleidingenzorghulpkwalificatieniveau1helpendezorg- enverplegingswetenschappenkwalificatieniveau2verzorgendekwalificatieniveau3kwalificatieniveau4advancednursingpracticeMBOverpleegkundeHBOverpleegkundekwalificatieniveau5BaMastructuurVMBOVMBOVMBOHAVO/VWOVWOWEBWHW3.2.2 Post-hbo-opleiding tot verpleegkundig specialistNederland kent momenteel een scala aan post-hbo-opleidingen voor verpleegkundigen.In twee van deze opleidingen komt de naam ‘verpleegkundigspecialist’ voor. Deze opleidingstitel is verwarrend, want er zijnnog geen wettelijk beschermde verpleegkundig specialistentitels (artikel14, Wet big) vastgesteld.3.2.3 Masteropleiding tot nurse practitionerMasters in Advanced Nursing Practice, in de beroepspraktijk meestalnurse practitioners genoemd, zijn verpleegkundigen die geschoold zijnom zelfstandig te werken in het grensgebied van behandeling en zorg(zie figuur 3.2). De np is een hooggespecialiseerde verpleegkundige op44


het overgangsgebied tussen verpleegkundige en medische zorg. Ze bezitkennis en vaardigheden die verder gaan dan de competenties van hboverpleegkundigen.Een verpleegkundige die de opleiding tot np wil volgenmoet staan ingeschreven in het big-registeren moet minimaal twee jaar ervaringhebben in het deelgebeid waarin zij gaatwerken. Verpleegkundigen die niet overeen hbo-diploma beschikken, kunnen viaeen assessment aantonen dat zij op hboniveaufunctioneren. De filosofie van deOverlap vanverpleegkundigeen medische zorgnp-professie is geworteld in de verpleegkundige traditie. Centraal in hetonderwijs staan diagnostiek, behandeling en preventie van veel voorkomendegezondheidsproblemen.SamenvattingHet verpleegkundig opleidingscontinuüm heeft de volgende kenmerken:● een leven lang leren● eigen verantwoordelijkheid verpleegkundige● maatwerk● nadruk op competenties● versterking3.3 Gewenste situatieDe basis voor het gewenste verpleegkundig opleidingscontinuüm is delandelijke beroepsstructuur voor alle sectoren van de gezondheidszorg:de verpleegkundige zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet big en de verpleegkundigspecialist zoals bedoeld in artikel 14 van de Wet big. Daarnaastwordt de beroepsstructuur ingedeeld in horizontale deelgebiedenmet daarbinnen differentiaties.Het beoogde verpleegkundig opleidingscontinuüm is flexibel, zodat verpleegkundigenmet diverse vooropleidingen en werkervaring efficiënt‘toegeleid’ kunnen worden naar verschillende functies in de verpleegkundigeberoepsuitoefening. Kennis, inzicht en het toepassen ervan zijnaanwezig op een niveau dat voldoende is om het verpleegkundig beroepuit te oefenen. Competentiegericht onderwijs, meer maatwerk en versterkingvan de relatie tussen zorgorganisaties en opleidingsinstituten zijnbelangrijke kenmerken van het verpleegkundig opleidingscontinuüm.Verpleegkundigen houden hun competenties op peil via een scala aandeskundigheidsbevorderende activiteiten. Zonodig volgt de verpleegkundigeeen vervolgopleiding.45


Een aantal verpleegkundigen kiest voor een opleiding tot verpleegkundigspecialist. Hiervoor is minimaal een erkende opleiding op het niveauvan professional master vereist. De opleiding tot verpleegkundig specialiststaat open voor hbo-verpleegkundigen die staan ingeschreven in hetbig-register en beschikken over minimaal twee jaar relevante ervaring inhet deelgebied waarin zij zich gaan specialiseren.Figuur 3.2 Advanced Nursing PracticeAdvanced Nursing PracticeEen professionele kwalificatie voorexpertverpleegkundigen die na minimaal2 jaar werkervaring een tweejarigeopleiding hebben gevolgd totMaster in Advanced Nursing Practice.Nurse PractitionerEen functie waarvoor een ANP-kwalificatienodig is, gericht op het combinerenvan medische en verpleegkundigecompetenties voor een specifieke,beperkte omschreven patiëntengroep.Bron: Knip, 20053.3.1 Meer samenhang en afstemmingHet verpleegkundig opleidingscontinuüm is zodanig ingericht dat degewenste samenhang in postinitieel verpleegkundig beroepsonderwijsmogelijk wordt evenals betere afstemming met initieel onderwijs. Hetcontinuüm – en verdere concretisering ervan – reguleert het aanbod vanopleidingen die nuttig en noodzakelijk zijn voor de loopbaan van verpleegkundigen.3.4 De adviezenVoor de inrichting van een nieuw verpleegkundig opleidingscontinuümis de stuurgroep vboc tot de volgende adviezen gekomen:advies 1 Stem initiële en vervolgopleidingen op elkaar afAls reactie op de kritiek dat in het huidige opleidingsstelsel de breedteten koste gaat van de diepte en de theorieonvoldoende aansluit op de praktijk, hebbende roc’s en hogescholen uitstroomvariantennaar werkveld ontwikkeld. Tevenszijn de duur en de opbouw van destages aangepast. Na een brede basis inde eerste twee jaar, kiezen studenten inde laatste twee jaar voor een differentiatie.Verspillingvan tijd, gelden menskrachtvoorkomen46


Het huidige opleidingsaanbod van de initiële en vervolgopleidingen isechter niet of nauwelijks op elkaar afgestemd.Door in de toekomst bij het opleiden in eerste instantie te focussen opde breedte wordt de opleidingsexpertise efficiënter benut dan in de huidigesituatie waarin nog steeds veel overlap bestaat tussen opleidingen.De huidige ongewenste gevolgen van doublures in opleidingsprogramma’s– zoals onnodige verspilling van tijd, geld en menskracht – kunnenworden voorkomen door een betere afstemming.Figuur 2.2Figuur 3.3 Horizontale loopbaanmogelijkheden voor verpleegkundigenverpleegkundigeartikel 3 Wet BIGverpleegkundige vervolgopleidingen (contextgericht)verpleegkundegezamenlijke basis vervolgopleidingadvies 2 Ontwikkel flexibele vervolgopleidingenDe branchegerichte vervolgopleidingen spelen een grote rol in de personeelsvoorzieningvan zorginstellingen. De doelgroep voor deze opleidingenkenmerkt zich door een grote diversiteit in vooropleiding, werkervaringen vervolgopleiding. Om de verpleegkundigen uit deze groephet gewenste loopbaanperspectief te bieden, is het belangrijk flexibeleleertrajecten te ontwikkelen in combinatie met een heldere erkenningvan verworven competenties. Welk opleidingstraject een verpleegkundigevolgt, is afhankelijk van haar beroeps- en opleidingservaring in relatietot de te behalen kwalificatie.Deze flexibilisering vereist een aanpassing van de structuur van de vervolgopleidingen.Uit een vergelijking van de beroepsdeelprofielen van deavvv is gebleken dat verpleegkundigen dieeen vervolgopleiding hebben gevolgd overveel gemeenschappelijke competenties beschikken(Boekholt, 2004). Het gaat hierbijom generieke patiëntgebonden competentiesdie verpleegkundigen in een specifiekecontext toepassen.Dit geeft handvatten om de verschillendeGeneriekwaar het kan,specifiekwaar het moetvervolgopleidingen onder te brengen onder grotere noemers: de vierdeelgebieden die in het hoofdstuk ‘beroepsstructuur’ worden beschreven(preventieve, acute, intensieve en chronische zorg). Om aan te sluitenop de deelgebieden moeten – waar mogelijk – gemeenschappelijke47


opleidingstrajecten worden ontwikkeld. Dit heeft een belangrijk positiefneveneffect dat de eenheid van taal tussen de verschillende disciplineswordt versterkt. Generiek waar het kan, specifiek waar het moet. De huidigevervolgopleidingen zijn te smal om adequaat in te spelen op ontwikkelingenals transmuralisering en ketenzorg. Bij de flexibiliseringmoet ook rekening worden gehouden met deze ontwikkelingen. Op dezemanier is het voor veel verpleegkundigen niet langer nodig de hele opleidingte volgen en kunnen zij efficiënt worden ingezet en sneller vanfunctie wisselen. Dit vergroot zowel de flexibiliteit en slagvaardigheid alsde kwaliteit van de zorgverleners.Vervolgopleidingen groeperen per deelgebiedBinnen een deelgebied worden de gemeenschappelijke competenties van verschillendedifferentiaties gebundeld. Een voorbeeld: voor alle verpleegkundigen diebinnen het deelgebied ‘chronische zorg’ werkzaam zijn geldt dat zij moeten kunnenomgaan met handicaps die patiënten ervaren als gevolg van hun ziekte. De preciezeuitwerking voor mensen met COPD ziet er echter anders uit dan voor mensen metdiabetes. Die specificatie vindt plaats op het niveau van de differentiatie.Figuur 2.3Figuur 3.4 Per deelgebied gemeenschappelijke basis vervolgopleidingzorgcategoriedifferentiatieCOPDzorgcategoriedifferentiatieDIABETESzorgcategoriedifferentiatieREUMAgezamenlijke basis vervolgopleidingdeelgebied chronische zorgadvies 3 Creëer voorwaarden en stimuleer hbo-verpleegkundigente werken in functies die appel doen op hbo-competentiesZowel mbo- als hbo-verpleegkundigen verrichten handelingen in het primaireverpleegkundige proces. Er is echter wel verschil in de mate waarinmbo- en hbo-verpleegkundigen verantwoordelijkheden kunnen dragenen innovatief en vernieuwend kunnen werken. Hbo-verpleegkundigenmoeten overstijgend kunnen denken en kunnen overschakelen van deconcrete situatie naar een meer abstract niveau en weer terug. Zo geeftbijvoorbeeld de hbo-verpleegkundige – in de rol van regisseur – aanwijzingenover de wijze waarop de andere verpleegkundigen en verzorgendende zorgactiviteiten moeten uitvoeren. In het regisseren ligt het overstijgendeelement besloten ten opzichte van het zorgen ‘aan het bed’.48


De meeste zorginstellingen maken nog steeds geen onderscheid tussende werkzaamheden en functies, en daarmee tussen de beloning van eenmbo- en een hbo-verpleegkundige. Voorveel hbo-verpleegkundigen is dit een demotiverendesituatie. Het gevaar bestaatdat ze de patiëntenzorg de rug toekeren.Dit moet worden voorkomen. Zorgorganisatieswerken in toenemende matemet functies waar de verpleegkundigenaast patiëntenzorg ook organiserendeen beleidsondersteunde werkzaamheden verricht. Dit zijn functies diebij uitstek geschikt zijn voor hbo-verpleegkundigen.Zorginstellingen moeten de zorg continu aanpassen aan wetenschappelijkeinzichten, technische mogelijkheden en de behoeften van de maatschappij.Verpleegkundig handelen dat door onderzoek is onderbouwd,is van groot belang voor de verhoging van de kwaliteit van het verpleegkundighandelen. Hbo-verpleegkundigen moeten in staat zijn zich bezigte houden met de inhoudelijke ontwikkeling van het vak en een bijdragekunnen leveren aan wetenschappelijk onderzoek. Het is daarom van belangdat de hbo-verpleegkundige wordt ingezet op functies die hbo-competentiesvereisen.advies 4 Creëer verticale loopbaanmogelijkheden voor de excellenteperformers onder de mbo- en hbo-verpleegkundigenDe verpleegkundig specialist is een verpleegkundige met kennis op expertniveau.Ze beschikt over de vaardigheid om te beslissen in complexezorgvraagstukken en over klinische competenties op een breed werkgebied.Daarnaast levert de verpleegkundig specialist een bijdrage aan dewetenschappelijke beroepsontwikkeling. Om deze noodzakelijke competentieste verwerven is minimaal een nvao-geaccrediteerde opleiding totprofessional master nodig.De opleiding tot verpleegkundig specialist kan worden gevolgd doorhbo-verpleegkundigen die ingeschreven zijnin het big-register en minimaal twee jaarervaring hebben.De opleiding tot verpleegkundig specialistis primair bedoeld voor alle excellenteverpleegkundigen, maar staat alleen openScherper differentiërentussen mbo- en hboverpleegkundigenismotiverendOpleiding totprofessional mastervoor verpleegkundigen met een hbo-getuigschrift. Verpleegkundigen dieniet over een hbo-getuigschrift beschikken, kunnen door middel van eenevc-procedure (evc staat voor erkenning verworven competenties)* laten* www.kenniscentrumevc.nl49


eoordelen of zij over de noodzakelijke competenties beschikken en toegelatenkunnen worden.Figuur 3.5 Verticale loopbaanmogelijkhedenToelichtingOp Europees niveau zijn gemeenschappelijke kwalificaties voor de bachelor- enmasteropleiding afgesproken. Kort samengevat: de bacheloropleiding bouwt voortop het secundair onderwijs en komt tot een hoger niveau; de masteropleidingbouwt voort op de bachelor en komt tot een hoger niveau. In Nederland wordende masteropleidingen aangeboden door universiteiten (de master of science en demaster of arts) en hogescholen (de professional master). Een professional masteris meer toepassingsgericht dan een master of science/arts en kent een duidelijkekoppeling met de actuele beroepspraktijk. Professionele masteropleidingen richtenzich op een autonome, hoogwaardige, professionele beroepsuitoefening. Zozijn afgestudeerden van een zorgdiscipline in staat de organisatie en kwaliteit vande zorg op een hoog niveau te brengen. De hbo-master en de wo-master, of betergezegd de professional master en de academische master of science/arts, moetenopleiden tot hetzelfde niveau, maar dat hoeft niet met dezelfde inhoud of volgensdezelfde werkwijze.advies 5 Leven lang leren is onderdeel van het opleidingscontinuümEen goede voorbereiding op de uitoefening van een verpleegkundig beroepbetekent: je voorbereiden op een veranderlijke toekomst. Het is nietlanger mogelijk om beroepstaken en daarbij benodigde competentieste omschrijven die een hele loopbaan geldig blijven. Verpleegkundigenmoeten zich erop voorbereiden dat hun beroep zich continu ontwikkelt.De initiële beroepsopleiding vormt in feite het begin van een traject vaneen leven lang leren. Leren na het initieel beroepsonderwijs is op zichzelfgeen nieuw verschijnsel. Wel is het tempo waarin geleerd moet wordenversneld. De eisen van de arbeidsmarkt veranderen immers steeds vakeren sneller. Daardoor is de verpleegkundige nooit uitgeleerd en moet zijzich soepel aan nieuwe omstandigheden aanpassen.50


Deskundigheidsbevorderende activiteiten, zoals bij- en nascholing, vormeneen essentieel onderdeel van een opleidingscontinuüm. Naast deformele kwalificerende opleidingen vormen deze activiteiten een ondersteuningvoor de deskundigheid waarover een verpleegkundige beschikt.Ze kunnen dus worden meegenomen in evc-procedures. De kwaliteitsregelingvan de avvv met het digitale portfolio is hierbij een goed hulpmiddel.Verpleegkundigen zijn zelf verantwoordelijk voor het onderhouden vande eigen competenties: dat past bij hun professionaliteit. Daar staat tegenoverdat werkgevers hiervoor de benodigdemiddelen (tijd en geld) beschikbaarstellen. Werkgevers moeten bij voortduringaan deze verantwoordelijkheid herinnerdworden door elkaar, door de overheid endoor de beroepsverenigingen. Een kennisvoorsprongals gevolg van opleiding is eenVerpleegkundigenooit klaar metlerenmeerwaarde voor een zorginstelling. Kennis veroudert echter snel doortechnologische ontwikkelingen. Werkgevers moeten kennisontwikkelingin de productprijs kunnen doorberekenen. Dat kan alleen als daarover inde branche heldere afspraken zijn gemaakt.ToelichtingDe EVC-procedure (erkenning verworven competenties) kan de volgende functieshebben:● het bieden van toegangsmogelijkheden tot formele opleidings- of leertrajecten● het bieden van mogelijkheden tot aanpassing in duur en inhoud van formele opleidings-en leertrajecten● het bieden van toegangsmogelijkheden tot specifieke terreinen of hogere niveausvan beroepsuitoefening● het bijdragen aan wervings- en selectiebeleid en loopbaanbeleid in zorgorganisaties● het bijdragen aan leer- en loopbaanontwikkeling van individuele medewerkers.EVC-procedures gaan te werk volgens een summatieve en formatieve aanpak. Deformatieve aanpak van EVC heeft betrekking op het stimuleren van kennisontwikkelingen past bijvoorbeeld goed in een persoonlijk ontwikkelingsplan.De summatieve aanpak concentreert zich op het erkennen en waarderen van wateen kandidaat al heeft geleerd. Het doel is meestal het verkrijgen van een diplomaof een getuigschrift. Wanneer dit waarderen plaatsvindt aan de hand van een erkendestandaard, zoals de kwalificatiestructuur in het mbo, kan dit de kandidaatcertificaten of een diploma opleveren. Instrumenten die hierbij ingezet kunnenworden zijn portfolio- en werkplekassessments. Aan de hand van het portfolio51


eoordelen opleiders met behulp van een meetinstrument in welke mate de eerderverworven competenties zodanig relevant zijn dat de verpleegkundige in aanmerkingkomt voor een erkenning in de vorm van een diploma of vrijstellingen vooreen opleiding. Een assessment of gedragsbeoordeling kijkt naar het gedrag dat deverpleegkundige laat zien in opdrachten die representatief zijn voor de betreffendefunctie of taak. Assessment heeft vooral populariteit gekregen als instrument voorde selectie van personeel, maar er zijn ook andere toepassingen binnen arbeidsorganisaties,zoals de preselectie voor (kostbare) opleidingen, evalueren van trainingenen als instrument voor loopbaanbeleid (Tillema, 2001).advies 6 Ontwikkel een landelijke standaard voor EVCVerpleegkundigen kunnen op verschillende plekken op verschillendemanieren leren. De combinatie van competentiegericht leren en erkenningvan verworven competenties (evc) maakt onorthodoxe oplossingenmogelijk. Dit kan leiden tot effectief opleiden en dus tot het behalen vantijd- en geldwinst (Thomas en Frietman, 1998).Officiële diploma’s en certificaten bieden een garantie op erkenning vanverworven competenties en zijn van belang voor het civiel effect. Het civieleffect gaat over de rechten die op de arbeidsmarktkunnen worden ontleend aaneen diploma of certificaat (bijvoorbeeldtoelating tot beroepsgroepen, toelating totopleidingen, inschaling binnen een cao).EVC moet civieleffect hebbenDiploma’s en getuigschriften die via evc zijn verkregen, moeten hetzelfdeciviel effect hebben als die van de kwalificatiestructuur en de doorde branche erkende opleidingen. Het civiel effect wordt met name bepaalddoor de acceptatie van en het draagvlak voor de gehanteerde beoordelingsstandaardenerzijds en door de kwaliteit van de gehanteerdebeoordelingsprocedures anderzijds. Dit stelt hoge eisen aan de validiteit(meet de procedure wat hij moet meten?) en betrouwbaarheid (wordenverpleegkundigen voor dezelfde kwalificatie volgens dezelfde standaardbeoordeeld?) van de procedure. De stuurgroep vboc adviseert om hierbijhet Expertisecentrum evc in te schakelen.De elementen in de assessmentprocedure moeten representatief zijnvoor de functie of taak en voor de daarbij vereiste competenties, en moetenworden beoordeeld door deskundige opleiders. Om dit te bereikenis het nodig op landelijk niveau experimenten in gang te zetten en dievervolgens systematisch te evalueren.52


Figuur 3.6 3.6 Doorstroommogelijkheden verpleegkundigenEVCverpleegkundige vervolgopleidingen(contextgericht)gezamenlijke basis vervolgopleidingadvancednursingpracticeMBOverpleegkundeHBOverpleegkundeverpleegkundigspecialistart. 14 Wet BIGverpleegkundigeart. 3 Wet BIGverpleegkundigeart. 3 Wet BIGadvies 7 Ontwikkel een gemeenschappelijk deel in de opleidingvan verpleegkundig specialist en physician assistantDe toenemende complexiteit van patiëntenproblematiek (preventie,diagnose, behandeling, revalidatie) in samenhang met de toegenomenmedische mogelijkheden, zorgt ervoor dat in het hele zorgproces steedsmeer verschillende beroepsbeoefenaars bij dezelfde patiënt betrokkenzijn – en dat voor een langere periode. Datmaakt multiprofessionele samenwerkingnoodzakelijk en benadrukt het belang vanmeer samenhang, afstemming en samenwerkingtussen professionals onderling entussen professionals en opleidingen. Deopleidingen tot verpleegkundig specialistCommon trunkvoor beteresamenwerkingen physician assistant moeten zodanig op elkaar worden afgestemd datzij een gemeenschappelijk deel (‘common trunk’) vormen. Een goed gestructureerdgezamenlijk traject biedt mogelijkheden voor afstemmingen samenwerking én verbreding van de individuele expertise.advies 8 Breng samenhang in ramingen van het aantal benodigdeartsen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten enphysician assistantsDe initiële opleidingen tot verpleegkundige kennen geen numerus fixus.De uitstroom van deze opleidingen vormt de potentiële instroom voorde vervolgopleidingen.Het ministerie van vws wil in 2007 de acht lrvv-erkende verpleegkundigevervolgopleidingen via het Opleidingsfonds gaan financieren. Dit53


moet voorkomen dat onvoldoende verpleegkundigen worden opgeleidom in de vraag te voorzien. Ter ondersteuning hiervan is het Capaciteitsorgaanvoor de medische en tandheelkundige specialismen gevraagd omeen ramingsmodel te ontwikkelen. Het gaat hierbij alleen om ziekenhuisopleidingen.Het is van belang dat per deelgebied beoordeeld wordtof ook opleidingen (bijv. verpleegkundig specialist ggz) in aanmerkingkomen voor de ramingen door het Capaciteitsorgaan. In de planning vanhet aantal benodigde verpleegkundigen moet er een samenhang zijn metde planning van verpleegkundig specialisten en physician assistants.advies 9 Zorg voor een vergroting van ‘body of knowledge’ vanverpleegkundig specialistenTer vergroting van de omvang en het niveau van de kennis van verpleegkundigspecialisten (‘body of knowledge’) is landelijk gezien een bepaaldekritische massa nodig. Voor het bepalen van deze kritische massa isgekeken naar soortgelijke gegevens in andere landen. Op grond van deverhouding tussen het aantal ‘registerednurses’ ten opzichte van het aantal nursepractitioners in de Verenigde Staten in 2003en 2004, adviseert de stuurgroep vboc omde verpleegkundige beroepsgroep voor vijfprocent uit verpleegkundig specialisten telaten bestaan*. Naar verwachting komtOp termijn 5%verpleegkundigspecialisten nodigeen groot deel van deze vijf procent voort uit de groep verpleegkundigendie al over een zodanige kennis en ervaring beschikken dat zij doormiddel van een relatief kort scholingstraject de titel verpleegkundig specialistkunnen voeren. Deze vijf-procents ambitie dient meegenomen teworden in het ramingsmodel van het Capaciteitsorgaan.advies 10 Zet een landelijk accreditatieorgaan op voor verpleegkundigevervolgopleidingenIn de gezondheidszorg zijn er honderden zorginstellingen die allemaalverschillend georganiseerd zijn. Binnen die instellingen zijn afdelingenweer verschillend georganiseerd, omdat patiëntengroepen van elkaar afwijken.Dit zorgt voor een grote diversiteit aan functies. Opleidingsinstellingenspelen hierop in en bieden een keur aan opleidingen aan. Hetciviel effect van veel opleidingen is onduidelijk en vormt een belemmeringvoor de mobiliteit op de arbeidsmarkt van verpleegkundigen. Omzicht te krijgen op de kwaliteit van deze opleidingen is het van belang dat* In 2004 waren er 150.000 verpleegkundigen daadwerkelijk werkzaam inde zorg. Het gaat dus om 7500 verpleegkundig specialisten.54


de branche- en beroepsorganisaties samen eengeneriek accreditatiesysteem ontwikkelen voorde beoordeling van opleidingen. Per deelgebiedkan beoordeeld worden of de opleidingen aande gewenste kwaliteitseisen voldoen.De huidige (branchegerichte) structuur voorMeer zichtop kwaliteitopleidingenkwaliteitsborging is te beperkt. Een brede aanpak door zorg-, opleidingsinstellingen,beroeps- en patiëntenorganisaties is dan ook noodzakelijk.advies 11 Ontwikkel overgangsregelingen voor verpleegkundigendie een inservice opleiding of een oude mbo- of hbo-opleidinghebben gevolgdHet gewenste opleidingscontinuüm voor de verpleegkundige beroepsgroepis gebaseerd op de kwalificatiestructuur die in 1997 in werkingis getreden. Naast de verpleegkundigen die in de kwalificatiestructuurzijn opgeleid, zijn er echter ook verpleegkundigen die een inservice opleiding*of een oude mbo- of hbo-opleiding hebben gevolgd. Veel vandeze verpleegkundigen hebben één of meerdere vervolgopleidingen gevolgden beschikken over een schat aan kennis en werkervaring. Voorverpleegkundigen uit deze groep is de formele erkenning van verworvencompetenties van groot belang. Het vormt een beloning voor de geleverdeinspanningen, is een stimulans voor verdere talentontwikkeling enverhoogt de inzetbaarheid in een bredere kring van arbeidsactiviteiten.* De laatste groep inservice verpleegkundigen is in 1999 afgestudeerd.55


4 Gewenste leerstrategieën4.1 InleidingHet actief en zelfstandig leren van de verpleegkundige in opleiding isde kern van verpleegkundig (vervolg)onderwijs. Het curriculum moetaansluiten bij de vereiste competenties en zo georganiseerd zijn dat studentendaarin zelf de verantwoordelijkheid voor hun leerproces kunnennemen. Leren is een sociaal fenomeen en vindt plaats in interactie metanderen. Gezamenlijk leren dwingt verpleegkundigen hun kennis expliciette maken, zodat wederzijdse impliciete kennis en vaardigheden beschikbaarkomen (Nonaka & Tacheuki, 1995).De verpleegkundige opleidingen moeten dusdanig worden ingericht datde verpleegkundige haar beroep op een adequate wijze, conform de geldendestandaarden en met plezier kanuitoefenen. De leeromgeving moet zoveelmogelijk op de werksituatie lijkenén deelnemers moeten goede begeleidingin het werkveld krijgen. Verdermoet er een terugkoppeling door samenwerking met opleiding en werkveldtot stand komen. De manier waarop competenties worden overgedragenen aangeleerd is van groot belang, niet alleen tijdens de studie,maar ook in de tijd daarna. Dit pleit voor een leven lang leren.4.2 Leren op de werkplekDe laatste decennia is de opvatting gegroeid dat competentieverwervingvoor een belangrijk deel het beste kan plaatsvinden op de werkplek zelf.Dat wil zeggen door doen, sociale interactie, ervaren en reflectie. Dewerkplek fungeert dan tevens als opleidingssituatie. Bij het leren op dewerkplek is het leren geen doel op zich, maar een aspect van het handelenonder supervisie van een praktijkopleider.Veel van wat iemand leert vindttijdens het dagelijkse handelen plaats.Het is van belang om die vorm van lerenexpliciet te maken en stil te staanZelf verantwoordelijkvoor leerprocesSociale interactie,ervaren en reflectiebij het (vanzelfsprekende) handelen dat aan dat leren ten grondslag ligt.De verpleegkundige moet zich de benodigde achtergrondkennis eigenmaken als tijdens praktijkleren blijkt dat inzichtverwerving essentieel isen bijdraagt aan een betere taakuitoefening (just-in-time leren). Leren op57


de werkplek kan gestuurd worden door de verpleegkundige zelf en doorinhoud, verloop en structurering van de werkzaamheden.Figuur 4.1 Professioneel leren in relatie tot handelenstuderen en oefenen(buiten context, gemedieerd)reflectie +expliciterenprofessioneelhandelenreflectie +expliciterenervaringLERENdoor:participatiesociale interactieomgeving: praktijkcultuurBron: Meyboom-de Jong, 2002Het gaat om een continuüm van spontaan verlopende leerprocessen (inhet werk geïntegreerd leren) tot individuele leerprojecten en door dezorgorganisatie opgezette vormen van opleiden op de werkplek. Het professionelehandelen wordt geleerd doordat het formele leren buiten decontext (studeren en droog oefenen) duidelijk in samenhang wordt gebrachtmet informeel leren door participatie in de beroepspraktijk. Metandere woorden: leren door directe ervaring en sociale interactie (Bolhuis,2002) (zie figuur 4.1). De belangrijkste factor bij professioneel leren is hetcreëren van een cultuur van professionele samenwerking die gekenmerktwordt door wederzijds vertrouwen en respect, ondersteuning en gemeenschappelijkeverantwoordelijkheid voor kwaliteitsverbetering.4.3 LoopbaanmogelijkhedenOm de doorstroom van verpleegkundigen te bevorderen, moet duidelijkzijn welke doorgroeimogelijkheden (horizontaal dan wel verticaal)verpleegkundigen hebben naar een andere functie binnen de zorg. Van58


elang hierbij is dat zorgorganisaties loopbaanmogelijkheden voor verpleegkundigenbeschrijven.Leren op de werkplek bijvoorbeeld is belangrijk voor de flexibiliteit enmobiliteit van de verpleegkundige op de arbeidsmarkt (employability).Hierbij spelen – naast algemene beroepsvaardigheden en het vermogende eigen loopbaan vorm te geven – ook kwalificatiesmet een marktwaarde een belangrijke rol.Deze kwalificaties zijn momenteel gekoppeldaan de succesvolle afronding van een vervolgopleiding.Veel verpleegkundigen beschikkenniet over een diploma van een vervolgopleiding,maar functioneren wel op dat niveau enbeschikken in de praktijk over beroepscompetenties die zij verworvenhebben door werkervaring en leren op de werkplek. evc-procedures kunnenalles wat de verpleegkundige heeft geleerd in formele omgevingen– zoals op school en de werkplek – en in andere leeromgevingen en viatalloze andere manieren, formeel erkennen en waarderen.4.4 Educatief partnerschapFlexibiliteit enmobiliteit oparbeidsmarktOnderwijsinstellingen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van hetonderwijs. De beroepsgroep, zorg- en opleidingsinstellingen zijn gezamenlijkverantwoordelijk voor een juiste invulling van de (initiële) opleidingenen aansluiting op de praktijk. Dit betekent dat op macroniveauzorginstellingen en beroepsgroep de vereiste competentieprofielenmoeten vaststellen. Het is dan aan de landelijke organen voor beroepsonderwijsom die profielen te vertalen naar startkwalificaties, erkendemodulecertificaten en bijhorende opleidingsprofielen.Het is belangrijk om het spanningsveld te erkennen tussen werkgever,werknemer en onderwijsinstelling. De onderwijsinstelling verkoopt contacttijden heeft baat bij lange opleidingsduur en veel theorieonderwijs.De werkgever heeft belang bij korte opleidingsduur, een lage productprijsof een hoge winstmarge en hoge kwaliteit. De werknemer heeft belangbij een hoog niveau en een belangrijk civiel effect dat zich vertaaltin autonome handelingsvrijheid en een hoge beloning. In dit spanningsveldkunnen creatieve producten ontstaan die voor iedere groep winstbetekenen, maar er is ook een risico dat een patstelling ontstaat die improductiefis. Het is belangrijk dat de overheid toezicht houdt en ingrijptals de partijen er onderling niet meer uitkomen.Zorginstellingen kunnen een goede kwalificatieverwerving ondersteunendoor een gestructureerde leeromgeving te bieden met voldoende va-59


iatie in werkzaamheden. Dit geldt voor de gehele loopbaan, maar in hetbijzonder voor de periode van beroepspraktijkvorming. Aanpassingen inhet initieel onderwijs hebben effect op het vervolgonderwijs en omgekeerd.De centrale opgave waarvoor deonderwijsinstellingen en zorginstellingenstaan, is het ontwerpen van krachtigeleeromgevingen op verschillendeleerplaatsen buiten en binnen de schooldie – waar mogelijk – op elkaar zijn afgestemd. De structurele samenwerkingkan zich niet alleen op landelijk niveau afspelen. Het verpleegkundigopleidingscontinuüm moet zodanig zijn ingericht, dat het snel kaninspelen op veranderingen in de zorg. Het is daarom van belang dat ookin de opleidingsregio’s sprake is van een structureel overleg.Dit vraagt om netwerkvorming van docenten rondom inhoudelijk opelkaar afgestemde programma’s, zonodig aangevuld met uitwisselingsprogramma’svan docenten. Zorgorganisaties en opleidingsinstellingenvormen op deze wijze samen met de beroepsgroep een educatiefpartnerschap.4.5 Rol verpleegkundige als docent, begeleider en leermeesterVeel meer dan nu vaak gebruikelijk is, moet de praktijkcultuur een leeromgevingzijn waarin nieuwkomers niet stilzwijgend het handelen reproduceren,maar waar het gezamenlijke professionele handelen voortdurendvoorwerp van explicatie en kritische reflectie is.Het begeleiden en coachen van studenten en beginnende verpleegkundigenis een belangrijke rol voor verpleegkundigen. Zij vervullen hiermeeenerzijds een rolmodel, anderzijds moeten zij een leeromgeving creërenwaarin het actief en zelfgestuurd leren van verpleegkundigen (in opleiding)een optimale kans krijgt.Praktijkopleiders dienen daarbij voortdurend open te staan voor nieuwekennis en inzichten. Als opleiders volharden in verouderde methodiekenkrijgt innovatie geen kans. Beginnendverpleegkundigen brengen vaak nieuwekennis en vaardigheden mee. De opleiderdient een antenne te hebben voorwat daarvan bruikbaar is voor innovatieStructureel overleg inopleidingsregio’sRolmodel voorstudenten en beginnersin de beroepspraktijk. Een veilige leeromgeving met voldoende tijd voorreflectie en zonodig herhaling is daarbij zeer belangrijk.Het is van belang dat er op landelijk niveau afspraken worden gemaaktover de kwaliteitseisen waaraan praktijkopleiders moeten voldoen.60


5 Implementatie5.1 InleidingDit hoofdstuk geeft aanbevelingen voor de implementatie van de adviezenvoor de verpleegkundige beroepsstructuur en het opleidingscontinuüm.De implementatie-activiteiten hebben betrekking op:● de wettelijke en institutionele randvoorwaarden die nodig zijn om de indit advies gewenste situatie te realiseren● de overgangsregelingen en -activiteiten die nodig zijn om van de huidigenaar de gewenste situatie te komenTer ondersteuning moet een tijdelijke ondersteuningsorganisatie wordeningesteld. Ook op dit punt worden in dit hoofdstuk enkele adviezengeformuleerd.De gedachte achter de implementatie is: geen revolutie, maar evolutie.Het is niet mogelijk de beoogde veranderingen in een keer te realiseren.Opleidingsinstellingen moeten bijvoorbeeld in staat zijn om continu inte spelen op de veranderende zorgvraag. Dit vergt een voortdurende aanpassingvan het onderwijs.De aanbevolen activiteiten en projecten dienen echter wel direct opgepaktte worden. Alleen dan zijn er goede resultaten te behalen.5.2 Werken aan de wettelijke en institutionele randvoorwaarden1 Zelfstandige bevoegdheden verpleegkundig specialist krijgen wettelijkeonderbouwingDe verpleegkundig specialist moet de bevoegdheid krijgen om zelfstandigvoorbehouden handelingen te indiceren en uit te voeren. Dit vergteen aanpassing van artikel 36 van de Wet big.Actoren: avvv en vwsDomein: vws61


2 College Specialismen Verpleegkunde (CSV) stelt een wettelijk kader voorverpleegkundig specialist vastAlleen verpleegkundigen die staan ingeschreven in het specialistenregistermogen nog de titel ‘verpleegkundig specialist’ voeren. Het betrefteen nadere uitwerking van de artikelen 14 tot en met 17 van de Wet big.Het door de avvv opgerichte College Specialismen Verpleegkunde (csv)stelt het toetsingskader, de opleidingseisen en een overgangsregelingvoor de huidige nurse practitioners en verpleegkundig specialisten vast.Het csv doet dit onafhankelijk, maar maakt wel gebruik van het adviesdat het vboc hierover heeft uitgebracht.Actoren: avvv/csv en cbogDomein: vws3 Onderscheid kwalificatieniveaus 4 en 5 wordt verhelderd en wettelijkverankerdDit onderscheid krijgt in de praktijk alleen betekenis als hbo-verpleegkundigenandere verantwoordelijkheden en bevoegdheden krijgen dan mboverpleegkundigen.Het verschil moet in kaart worden gebracht.Regionale pilotprojecten kunnen dit proces op gang brengen. De stuurgroepadviseert vervolgens de avvv om in samenwerking met zorg- en opleidingsinstellingente komen tot een herziening van het beroepsprofiel.De stuurgroep adviseert de avvv om in samenspraak met het ministerievan vws te onderzoeken op welke wijzen het verschil tussen niveau 4 en 5in artikel 3 van de wet big tot uitdrukking moet komen.Actoren: avvv, cbog, brancheorganisaties en opleidingsinstellingenDomein: oc&w en vws4 Er komt een kwaliteitsregister voor verpleegkundigenVerpleegkundigen zijn zelf verantwoordelijk voor hun professionele ontwikkeling.Werkgevers moeten de middelen hiervoor beschikbaar stellen.Binnenkort treedt artikel 8 van de Wet big in werking. Dit betekent dat verpleegkundigenzich voortaan moeten laten herregistreren. Om voor herregistratiein aanmerking te komen, dienen zij in vijf jaar tijd minimaal 1840uren gewerkt te hebben in hun beroep. Dit is een zogenaamde kwantitatieveeis. Het ministerie van vws heeft ervoor gekozen om voor alle artikel 3-beroepenin de Wet big het hierbij te laten en geen zogenaamde kwalitatieveeis te formuleren. Dit laat zij aan de beroepsgroep over. De avvv zal, als koepelvan vele verpleegkundige beroepsorganisaties, in deze lacune voorzienmet het instellen van een kwaliteitsregister voor verpleegkundigen.Actoren: avvv/ brancheorganisatiesDomein: vws62


5 Verpleegkundige vervolgopleidingen behoeven stroomlijning en kwaliteitsborgingEr dient overeenstemming te komen tussen brancheorganisaties en avvvover aard en kwaliteit van de huidige en toekomstige verpleegkundigevervolgopleidingen met een landelijke erkenning.A. Stroomlijnen vervolgopleidingenDe samenhang binnen en tussen deelgebieden moet concreet wordengemaakt. Dit kan onder meer door een verdere bundeling van samenhangendekennisgebieden in betekenisvolle eenheden waarbinnen deberoepsbeoefenaar zich kan bekwamen (breedte). Hierbij moeten despecifieke zorgvragen in kaart worden gebracht, waarop verpleegkundigenbinnen de diverse deelgebieden specifieke toegesneden kennis envaardigheden voor specifieke functies kunnen ontwikkelen (diepte). Enuiteraard moet dit worden afgestemd met de opleidingen (waar kun jewelke opleiding/aanvullende scholing volgen, etc.).B. KwaliteitsborgingHet huidige College Ziekenhuisopleidingen wordt omgevormd tot eencollege landelijke vervolgopleidingen waarin ook de andere brancheorganisatiesen de avvv zijn vertegenwoordigd.Bij de verdere ontwikkeling van criteria en werkwijze dragen zij zorg vooreen onafhankelijke borging van de kwaliteit van de vervolgopleidingen.Actoren: avvv, cbog, brancheorganisaties en opleidingsinstellingenDomein: vws6 Raming en advies over benodigde opleidingscapaciteitEr dient een raming te komen voor verpleegkundig specialisten op basisvan de uitgangspunten van dit advies. Specifiek voor de curatieve zorg ishet nodig een gezamenlijke raming te maken van verpleegkundig specialistendie in de curatieve zorg werken en physician assistants. De uiteindelijkeopleidingscapaciteit voor verpleegkundig specialisten en physicianassistants dient op deze raming gebaseerd te zijn. Zij zullen conformdit advies anders dan nu gebeurt in het eerste jaar een gelijke opleidingvolgen (common trunk) waarna differentiatie volgt.Onderzoek moet worden geïnitieerd om na te gaan welke opleidingenin aanmerking komen voor de ramingen van het Capaciteitsorgaan. Verdermoet de vergroting van de ‘body of knowledge’ van verpleegkundigspecialisten worden gerealiseerd: het ambitieniveau van vijf procent verpleegkundigspecialisten moet over tien jaar bereikt zijn, door vergrotingvan de opleidingscapaciteit, werving en instroom via assessment etc.Actoren: avvv, levv, Capaciteitsorgaan en cbogDomein: vws en oc&w63


5.3 Overgangsregelingen en -activiteiten gericht op een flexibeleen kwalitatief hoogwaardige beroepsstructuur en een daaroptoegesneden opleidingscontinuüm7 Aanpassing van opleidingsaanbod aan spanningsveld tussen roep ombreed en specifiek opgeleide verpleegkundigenDit implementatiepunt sluit nauw aan op het indelen van de beroepsstructuurin deelgebieden en de concretisering daarvan. Er bestaateen spanningsveld tussen enerzijds de roep uit het veld om verpleegkundigenmet brede kwalificaties en anderzijds de roep om goed toegerusteverpleegkundigen voor bepaalde groepen patiënten. Dit vereistbreed opgeleide verpleegkundigen die zich verder ontwikkelenop specifieke deskundigheden. Dat vergt weer actie binnen de opleidingsinstellingen,die hun opleidingsaanbod moeten aanpassen aandeze roep uit het veld. Zij moeten gemeenschappelijke competentiesdie benodigd zijn voor een deelgebied in samenhang aanbieden (samenvoegenvan een deel van de scholingsprogramma’s) en onderwijsvoor de nodige specifieke competenties organiseren en aanbieden.Hiervoor is een aanpassing nodig van de structuur van de vervolgopleidingen(zie concretisering van deelgebieden), zodat flexibel ingespeeldkan worden op ontwikkelingen als transmuralisering en ketenzorg. Zokun je kokerdenken vermijden en ketendenken stimuleren.Het is aan te bevelen op regionaal niveau met opleidingsinstellingen,aanbieders en interne opleidingsafdelingen te experimenteren met opleidingsaanbodwaarbij een deel van de functionele aanvullende opleidingen‘indaalt’ in het initiële niveau en er meer samenwerking komttussen opleiders op het initiële en op het vervolgniveau.Deze pilots kunnen dienen om meer duidelijkheid te krijgen over wat nude landelijk erkende opleidingen zijn en wat de inhoudelijke eisen zijn(zie punt 5).Actoren: avvv, cbog in samenspraak met branche- en opleidingsinstellingenDomein: vws8 OvergangsregelingenIn samenspraak met opleiders en zorgaanbieders dient de avvv overgangsregelingente ontwerpen die zo helder mogelijk aangeven wat deopties zijn voor de huidige verpleegkundigen met hun reeds genoten opleidingom in aanmerking te komen voor specifieke vervolgopleidingen,dan wel voor de opleiding tot verpleegkundig specialist. Tevens zal dui-64


delijk moeten worden welke stappen zij moeten zetten om opgenomente worden in het kwaliteitsregister.Actoren: avvv, cbog in samenspraak met branche- en opleidingsinstellingen9 Projecten als aanjager van gewenste veranderingenDe gewenste veranderingen opleggen heeft weinig zin; ze moeten mogelijkworden gemaakt. Dit kan door het stimuleren van innovatieve projecten.● Verdere ontwikkeling van competentiegericht onderwijs en een levenlang leren (dus toekomstbestendig continuüm).● Continue ontplooiing van de nodige (te prioriteren) deskundigheidsbevorderendeactiviteiten (afgestemd op de behoefte aan competenties).Hiervoor moet een mechanisme worden ontwikkeld en gebruikt.● Realiseren van een koppeling tussen beroepsstructuur en de toelatingseisenvoor de opleidingen tot verpleegkundige en verpleegkundig specialist.● Samenhang in postinitieel verpleegkundig beroepsonderwijs creëren enafstemming op het initieel onderwijs realiseren.● Horizontale loopbaanmogelijkheden voor verpleegkundigen.Het is aan te bevelen om ten behoeve van deze projecten samenwerkingsverbandenop regionaal niveau te ontwikkelen tussen opleidingsinstellingenen zorgaanbieders.Actoren: avvv, cbog en opleidingsinstellingenDomein: vws en oc&w10 Opzetten van een professional masters met een gemeenschappelijk eerstejaar voor physician assistant en verpleegkundig specialistOp dit moment worden voor nurse practitioners en physician assistantsaparte opleidingen opgezet. Vanuit het perspectief van samenhang enflexibilisering is het gewenst een professional masters aan te bieden meteen gemeenschappelijke basis (common trunk) en differentiatiemogelijkhedenin het tweede jaar. Differentiaties onder andere naar pa en naarverpleegkundig specialist met verschillende aandachtsgebieden.In afwachting van een gemeenschappelijke raming en toewijzing vanopleidingsplaatsen is het wenselijk dat hogescholen reeds nu een startmaken met het ontwikkelen en aanbieden van een gemeenschappelijkcurriculum in nauwe samenspraak met beroepsveld en zorgaanbieders.Actoren: avvv, Nederlandse Associatie Physician Assistants (napa), cbog,zorgaanbieders en opleidingsinstellingenDomein: vws en oc&w65


11 Vervolgproject: beroepsstructuur en opleidingscontinuüm voorverzorgendenSteeds minder jongeren kiezen voor een loopbaan in de zorg. De aantrekkingskrachtvan het verzorgend en verpleegkundig beroep moet groterworden. Er zijn maatregelen nodig om verzorgenden en verpleegkundigenvoor de zorg te behouden. Functiedifferentiatie is een van de middelendie ingezet kunnen worden om ook in de (nabije) toekomst voldoendezorghanden aan het bed te hebben. Een kritische bezinning op de rollendie de verpleegkundige vervult in relatie met genoten opleiding, werkervaringen competenties is daarom noodzakelijk. Niet alleen het dreigendtekort aan verpleegkundigen, maar ook de efficiëntie van de zorgverleningmoet hierbij in beschouwing worden genomen. Minder complexetaken kunnen gedelegeerd worden aan verzorgenden en helpenden.Het beroep verzorgende is beschreven in het beroepsprofiel, maar bestaandeberoepsvarianten zijn niet beschreven. Er zijn veel verschillende(vervolg)opleidingen, waarvan de status niet duidelijk is. Dit leidt tot eenbeperkt loopbaanperspectief voor verzorgenden. Verzorgenden gevenjuist een ontbrekend loopbaanperspectief aan als vermijdbare vertrekredenuit de zorg. Het ordenen van het beroep van verzorgende met zijnvarianten en de (vervolg)opleidingen voor verzorgenden is daarom noodzakelijk.De beroepsstructuur dient als basis voor (toekomstig) erkendevervolgopleidingen. Verder dienen initiële en erkende vervolgopleidingenop elkaar aan te sluiten.Actoren: avvv, cbog branche- en opleidingsinstellingenDomein: vws en oc&w5.4 Aanpak12 Taskforce implementatie VBOCDe hiervoor genoemde activiteiten kunnen gelezen worden als een implementatie-agendavoor de korte en langere termijn. De ervaringen methet vboc-project leren dat het een weerbarstige materie is, waarbij hetniet alleen gaat om wettelijke regelingen en waarborgen maar ook omgevestigde belangen, verschillende opvattingen over kwaliteit en wat eengoede inzet van verpleegkundige expertise nu concreet inhoudt.Het verdient aanbeveling de hiervoor genoemde activiteiten onder tebrengen in een taskforce implementatie vboc.Deze taskforce wordt geformeerd door vertegenwoordigers uit het opleidingsveld,het beroepsveld en de zorgaanbieders en staat onder leidingvan een onafhankelijk voorzitter. In overleg met het cbog beziet de avvvop welke wijze deze taskforce het beste kan worden gepositioneerd.66


Het werk van de taskforce dient op basis van een daartoe in te dienenbegroting te worden gefinancierd door vws en oc&w.De opdracht kan worden afgeleid uit de aanbevelingen van dit advies.Actoren: cbog, avvv, opleidingen, zorgaanbiedersDomein: vws en oc&w13 Verspreiden van kennis van implementatieprojectenDe opgedane kennis en ervaring van deze projecten moet worden verspreid.Daarvoor zijn specifieke communicatiemiddelen nodig. Bijvoorbeeld(elektronische) nieuwsbrieven, een tijdschrift en een website. Hierbijkan onder andere aangesloten worden bij het initiatief van Loznet. Desite www.loznet.nl geeft een overzicht van opleidingen en bij- en nascholingin de zorg- en welzijnssector.Meer in het algemeen zal de taskforce periodiek moeten rapporterenover de bevindingen.Actoren : avvv en cbogDomein: vws14 Fonds voor innovatieEen fonds voor innovatie is een belangrijk hulpmiddel om opleidingsinstellingenen zorgaanbieders te stimuleren tot vernieuwingsprojecten.Het verdient aanbeveling de taskforce toe te rusten met een budget omdeze initiatieven te ondersteunen.Actoren: avvv en cbogDomein: vws en oc&wDe stuurgroep heeft geconstateerd dat de noodzaak van vernieuwing inde verpleegkundige beroepsstructuur en opleidingscontinuüm bij veelbetrokken partijen leeft en dat men ook bereid is zich in te zetten voorverbeteringen daarvan. De stuurgroep verwacht dan ook dat de eersteverbeteringen binnen twee jaar zichtbaar zullen zijn.67


Bijlage 1Opdrachtbrief minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport68


Bijlage 2Demografische ontwikkelingen in de verpleegkundigeberoepsgroep2.1 InleidingVerpleegkundigen spelen een essentiële rol in zorginstellingen. Zij werkenvoor een grote diversiteit aan cliënten en sectoren. In zorgprocessenzijn zij een onmisbare schakel. De vraag naar verpleging en verzorgingblijft toenemen door een groeiende bevolking (0,4 procent), voortzettendevergrijzing, een groeiend aantal (niet-westerse) allochtonen en eenstijgend aantal eenpersoonshuishoudens.De laatste jaren is het aantal mensen dat zich met verpleging en verzorgingbezighoudt toegenomen. In 2004 waren er ongeveer 152.900verpleegkundigen en 245.700 verzorgenden, helpenden en zorghulpenwerkzaam. Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de ontwikkelingen perbranche waar verpleegkundigen werkzaam zijn, en van de in-, door- enuitstroom van verpleegkundigen in de zorgsector.BIG-registerIn 1993 is de Wet Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet big)aangenomen. In het big-register is onder andere de verpleegkundige beroepsgroepopgenomen. In 2005 telde het big-register in totaal 233.412geregistreerd verpleegkundigen. Hiervan is 84 procent vrouw. De gemiddeldeleeftijd van de vrouwelijke verpleegkundigen ligt lager dan die vanmannen. In alle branches tezamen is de gemiddelde leeftijd van verpleegkundigen38,9 jaar. De verpleegkundige beroepsgroep is aan het vergrijzenen dit fenomeen zal consequenties hebben voor de zorgverlening opde langere termijn (levv, 2005).Interculturalisatie op de arbeidsmarktDe leeftijdsopbouw van de allochtone bevolking in Nederland verschiltsterk met die van de autochtone bevolking. Momenteel is de grootstegroep (ruim 420.000) veertig jaar of jonger. Deze groep vormt een grootarbeidspotentieel; kwantitatief, maar ook zeker kwalitatief gezien. Inbijlage 3 wordt aangegeven dat er een toename is van mensen met eenallochtone achtergrond die andere hulpvragen en behoeften met zichmeebrengen (zie bijlage 3.2.3). Allochtone verpleegkundigen zouden hiereen belangrijke rol in kunnen spelen. Helaas kiezen jonge allochtonennauwelijks voor een baan in de directe patiëntenzorg. Om de instroomvan allochtonen te bevorderen moet hun belangstelling voor de zorgsec-72


tor worden gestimuleerd. Dit moet al gebeuren op het moment dat ergekozen wordt voor een leerweg binnen het vmbo.2.2 Werkgelegenheid in de zorgsectorDe groei van de Nederlandse economie in de afgelopen jaren is inmiddelsomgeslagen naar een lichte inkrimping. De werkgelegenheid in dezorgsector wijkt hiervan echter af. In 2002 groeide de werkgelegenheidnog met 4 à 5 procent en voor de jaren 2003 en 2004 werd nog een lichtegroei verwacht. Door de ruimere algemene arbeidsmarkt is het voor dezorgsector iets gemakkelijker geworden om de nieuwe banen in te vullen.Naar verwachting zal de zorgsector in de periode 2003-2007 groeien meteen gemiddelde van 2,7 procent. Op de lange termijn zal de arbeidsmarktin de zorg krap blijven (Sectorfondsen Zorg en Welzijn, 2004). De tekortenzijn niet voor elke branche even groot. Met name de zorgverleningaan ouderen, zoals door de thuiszorg en de verpleeg- en verzorgingshuizen,kampt met problemen (De Veer e.a., 2002: 17). Er zijn verschillenderedenen aan te wijzen voor deze personeelstekorten:● door de toenemende vergrijzing maakt een steeds grotere groep ouderenaanspraak op zorgfaciliteiten, waarvan een steeds kleiner wordendegroep mensen de kosten moet dragen en de zorg moet leveren;● er is niet genoeg instroom vanuit de verpleegkundige opleidingen. Daarbijkomt dat de zorgsector voor vrouwen niet meer de enige optie is omte werken;● het behoud van personeel is problematisch, met als belangrijke oorzakenhet fysiek zware werk en de hoge werkdruk;● de zorgsector heeft een imagoprobleem vanwege geringe promotie- enontplooiingskansen.2.3 Arbeidsmarkt kenmerken per brancheHet aantal verpleegkundigen en verzorgenden in Nederland is in de afgelopentien jaar gegroeid met gemiddeld 3 procent per jaar. In 2004 warener ongeveer 152.900 werkzame verpleegkundigen. Van een landelijktekort aan verpleegkundigen en verzorgenden, zoals in de periode tussen1999 en 2002, is geen sprake meer. Vermoedelijk blijft dit zo op kortetermijn. Vanaf 2007 zijn de eerste knelpunten te verwachten, met namein de zorg voor ouderen (levv, 2005).73


Verdeling verpleegkundigen kwalificatieniveau 4 en 5 in 2004niveau 4 niveau 5ziekenhuizen 54.900 21.400geestelijke gezondheidszorg 10.800 5.400gehandicaptenzorg 19.200 2.800verpleeg- en verzorgingshuizen 9.200 3.400thuiszorg 8.100 7.800overige (o.a. zelfstandigen) 3.700 6.200totaal 105.900 47.000Bron: LEVV, 2005.2.3.1 ZiekenhuizenDe ziekenhuisbranche heeft de stap gemaakt van een aanbodgestuurd systeemvan budgetfinanciering, naar een vorm van gereguleerde marktwerking.Hierin is de invoering van de dbc’s een belangrijk instrument.Daarnaast veranderen ziekenhuizen steeds meer in medisch-technologischebehandelcentra. De gemiddelde jaarlijkse groei van het behandelendpersoneel is hoger dan die van het verplegend personeel (2,9 versus 1,3 procent).De grotere toename onder medisch personeel wordt volgens het cbsveroorzaakt doordat patiënten sneller naar huis mogen na behandeling.Er zijn meer patiënten en er worden meer operaties uitgevoerd. De ‘hotelfunctie’van ziekenhuizen wordt echter kleiner, waardoor de stijging vanhet aantal verpleegkundigen achterblijft bij die van het aantal artsen (cbs,2006). Arbeidsmarktprognoses laten zien dat het aanbod van verpleegkundigpersoneel op korte termijn voldoende zal zijn (RegioMarge 2004).De lrvv-opleidingen* leveren in ziekenhuizen grotendeels de vervolgopleidingenaan verpleegkundigen die voor hun beroepsuitoefening overspecifieke bekwaamheden moeten beschikken. De instroom in deze opleidingendaalde tussen 2002 en 2004. Dit is deels te verklaren door deoprichting van het Opleidingsfonds. Aangezien er in de toekomst mogelijkeen aparte financiering komt, waarvan onduidelijk is hoe die er preciesgaat uitzien, wachten veel instellingen nu af. Omdat arbeidsmarktprognosesvoor deze groepen verpleegkundigen ontbreken, is het niette voorzien welke problemen in vraag en aanbod zijn te verwachten. Deaansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt is door haar complexiteitlastig te voorspellen. De gevolgen van de eenwording van Europa zijnminstens zo onvoorspelbaar.* www.czo.nl74


De laatste jaren vervaagt de scheiding tussen de werkzaamheden van artsenen verpleegkundigen enigszins. Zo zijn er inmiddels nurse practitioners(np) en physician assistants (pa) werkzaam. Zij zullen de komendejaren naar verwachting in aantal toenemen (Arbeid in Zorg en Welzijn,2005).2.3.2 Geestelijke gezondheidszorgOok de geestelijke gezondheidszorg zal van een centrale overheidsgestuurdeaansturing overgaan naar gereguleerde marktwerking. Hierbijkomt de langdurige klinische zorg te vallen onder de awbz* en komende collectieve dagactiviteiten onder de werking van de Wmo**, terwijl decure via de dbc-systematiek wordt gefinancierd. Instellingen krijgen dusmet verschillende nieuwe wettelijke regimes tegelijk te maken.De werkgelegenheid in de ggz groeide de afgelopen jaren in lichte mate,de komende jaren zal de vraag naar personeel met 1,3 procent toenemen.Arbeidsmarktprognoses laten zien dat er op korte termijn voldoendeaanbod van verpleegkundig personeel zal zijn (RegioMarge, 2004). Oplangere termijn daarentegen zal het verloop naar verwachting toenemen,waardoor de ggz te kampen kan krijgen met een krapper aanbod vanpersoneel. De sterke daling aan instroom in de opleiding voor spv-ersstaat haaks op de sterk groeiende vraag naar zorg, die ggz Nederlandsignaleerde.2.3.3 GehandicaptenzorgIn de gehandicaptenzorg is de vroegere scheiding tussen intra- en extramuraalbijna verdwenen. Dit is ingevuld door grotere organisaties te vormenmet kleinere locaties. Een belangrijke ontwikkeling is het scheidenvan wonen en dagbesteding. Daardoor is de invulling van de werkzaamhedenvan personeel in de gehandicaptenzorg veranderd. De invoeringvan het pgb*** heeft er mede toe geleid dat er op kleine schaal enigeervaring met vraaggestuurd werken in de branche aanwezig is. In de gehandicaptenzorgis er nog een aanzienlijke groei van werkgelegenheid,door toename van de hulpvraag mede onder invloed van de vergrijzing.* Op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) kan menbijzondere ziektekosten zoals kosten van langdurige opname in ziekenhuis ofinrichting vergoed krijgen. Deze worden niet door de zorgverzekeraar vergoed.** Wet maatschappelijke ondersteuning: gaat de basis vormen voor het gemeentelijkwelzijnsbeleid dat momenteel gevoerd wordt op grond van de Welzijnswet,maar ook de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) endelen van de AWBZ. Voorlopig zal dat de huishoudelijke verzorging zijn.*** Een persoonsgebonden budget (PGB) is een geldbedrag waarmee men zorg,hulp en begeleiding kan inkopen. Men kan zelf de hulpverleners en begeleidersuitkiezen.75


Deze toename geldt niet voor het aantal verpleegkundigen en verzorgenden;hun aantal daalt (RegioMarge, 2004). Dit heeft vooral te makenmet de inschatting van werkgevers. Zij beoordelen steeds meer functiesals sociaal-agogisch in plaats van verpleging en verzorging. Een nieuwcurriculum voor een opleiding Sociaal Agogisch Medewerker Gehandicaptenzorgis in de maak (levv, 2005).Het bruto- en nettoverloop onder het personeel neemt steeds verder af.Als de trend zich voortzet, stijgt de vraag naar personeel de komendejaren met gemiddeld 2,2 procent. Het aanbod van personeel in het algemeenzal volgens prognoses de komende jaren voldoende zijn (Regio-Marge, 2004).2.3.4 OuderenzorgVerpleeg- en verzorgingshuizen gaan steeds meer op in grotere verbanden,bijvoorbeeld door fusies. Daarbij is het niet langer alleen publiekgeld dat omgaat in deze branche, ook private middelen worden aangewend.Ook deze branche heeft te maken met wijzigingen in het zorgstelsel,zoals de modernisering van de awbz en de invoering van de Wmo. Devraag naar diensten van verpleeg- en verzorgingshuizen vertoont regionaalgrote verschillen. In de grootstedelijke gebieden blijft het aandeel75-plussers de komende jaren gelijk, terwijl de Brabantse regio’s een toenamevan 25% in zeven jaar tijd kunnen verwachten.In 2004 kwam er een einde aan de groei van de werkgelegenheid in verpleeg-en verzorgingshuizen. De vergrijzing van het personeel in de branchezette sterk door. Hierdoor zal de vraag naar personeel de komendejaren naar verwachting met gemiddeld 2,6 procent toenemen. Arbeidsmarktprognoseslaten zien dat er landelijk op korte termijn maar netvoldoende aanbod van verzorgend personeel zal zijn (RegioMarge, 2004).Vanaf 2007 zijn de eerste knelpunten in de zorg voor ouderen te verwachten(levv, 2005).2.3.5 ThuiszorgEen groot gedeelte van de thuiszorg gaat binnen de Wmo vallen. Omdatdeze wet een andere aanbestedingsprocedure en prioriteitsbepaling kent,is er bij verschillende thuiszorgorganisaties sprake van afslanking vanhet zorgaanbod en werkt men met zoveel mogelijk flexibel personeel.Daarnaast wordt het aandeel ziekenhuisgerelateerde zorg (cure) gerichtop kortdurende zorg ten behoeve van herstel. Een belangrijk deel vande verpleegkundige en verpleegtechnische ontwikkelingen speelt zichin dit gebied af. De vraag in deze keten is sterk groeiend (lvt, 2003).Bij een verdere trendmatige ontwikkeling neemt de vraag naar perso-76


neel de komende jaren met gemiddeld 2,5 procent toe. Ook hier latenarbeidsmarktprognoses zien dat er landelijk op korte termijn maar netvoldoende aanbod van verzorgend personeel zal zijn. Op langere termijnzal dit problemen geven (RegioMarge, 2004). Het blijkt dat verpleegkundigenwanneer het opleidingsniveau lager is makkelijker van beroep enwerksoort veranderen, dan wanneer het opleidingsniveau hoger is. Ditheeft waarschijnlijk iets te maken met de combinatie van specialisatiemet arbeidsvreugde.2.4 Uitstroom uit het beroepUitstroomcijfers kunnen worden onderverdeeld naar bruto- en nettoverloop.Het brutoverloop is het percentage verpleegkundigen dat uit deinstelling vertrekt, bijvoorbeeld omdat ze een baan hebben bij een andereinstelling. Dit is in 2004 gedaald met 9,5 procent. Het nettoverloop is hetdeel van de vertrekkers dat het beroep niet meer uitoefent en iets andersgaat doen. In 2004 is het nettoverloop in alle branches in de gezondheidszorgafgenomen.Het aantal verpleegkundigen in de thuiszorg dat binnen de thuiszorgblijft werken is traditioneel laag, terwijl verpleegkundigen die binneneen ziekenhuis werken, vaker kiezen voor een baan binnen hun eigenbranche, dus in een ander ziekenhuis. Over het algemeen is de leeftijdvan de vertrekkende verpleegkundigen lager dan van het zittende personeel(levv, 2005).Belangrijkste redenen voor vertrek zijn te vinden in de behoefte aan anderwerk en het ontbreken van loopbaanperspectief en ontplooiingsmogelijkheden.Van de vertrekkende verpleegkundigen gaf 44 procent aandat ze niet zouden zijn weggegaan als bepaalde aspecten van het werkanders waren geweest.Nettoverloop per branche voor de jaren 2000-20042000 2001 2002 2003 2004ziekenhuizen 4,3 3,5 2,6 2,1 2,1geestelijke gezondheidszorg 5,2 3,2 3,2 2,3 3,1gehandicaptenzorg 6,6 6,2 4,9 4,2 4,0verpleeg- en verzorgingshuizen 6,2 4,3 3,7 3,3 3,1thuiszorg 10,4 9,4 6,1 6,3 4,6totaal zorgsector 6,8 5,6 4,2 3,9 3,4Bron: LEVV, 200577


2.5 Instroom in de opleidingenIn het najaar van 1999 is het vmbo van start gegaan. De opvolger van vboen mavo kent vier leerwegen: basisberoepsgericht (bb), kaderberoepsgericht(kb), gemengde leerweg (gl) en de theoretische leerweg (tl). In hetschooljaar 2004/2005 nam ruim eenderde van de vmbo-leerlingen in deleerjaren drie en vier deel aan de theoretische leerweg (cbs, 2006). Deuitstroom van vmbo-tl is van belang voor de instroom van verpleegkundigeen sociaal-agogische opleidingen op niveau 4. Het aantal leerlingendat deze richting volgde is in 2004 licht gedaald ten opzichte van2003 (Minocw, 2004). (De verwachting is dat deze daling de komendejaren sterk zal doorzetten. Het is daarom zaak tijdig nieuwe doelgroepenonder schoolverlaters en scholieren aan te spreken (Arbeid in Zorg enWelzijn, 2005).Anno 2005 was er in het aanbod van verpleegkundigen sprake van eenaantal voortzettende trends. Het vertrek uit het beroep nam af, het ziekteverzuimdaalde verder en het aantal moeilijk vervulbare vacatures nameveneens verder af. In 2004 daalde de instroom in de verpleegkundigevervolgopleidingen aanzienlijk, tot ongeveer 29.000. Deze daling gaatdoor tot onder het niveau van de jaren 2000 en 2001.Bij de initiële mbo-opleidingen doen de grootste schommelingen in deinstroom zich voor bij de bbl-route (leren-werken). Deze is gevoeligervoor ontwikkelingen op de arbeidsmarkt dan de bol-route (leren-stage).Ten opzichte van 2003 daalde de instroom in de bbl, terwijl de instroomin de bol juist toenam, zodat het totaal aantal nieuwe leerlingen tochnog groeide.Bij de instroom in de initiële hbo-opleidingen is de duale instroom afgenomenen de voltijd instroom juist toegenomen. Dit is vergelijkbaar metde ontwikkelingen binnen de mbo-opleidingen.Instroom in V&V opleiding 1990-20041990 1995 2000 2002 2003 2004Niveau 5 2.342 2.951 2.820 2.885 3.264 3.179duaal * * 617 658 707 587voltijd 2.342 2.523 1.825 1.769 2.219 2.412deeltijd - 428 378 458 338 280Niveau 4 6.455 3.373 4.869 5.720 6.819 7.6634 bbl 6.455 3.373 2.883 3.481 3.805 3.7204 bol * * 1.986 2.239 3.014 3.943totaal 8.797 6.324 7.689 8.605 10.083 10.942Bron: LEVV, 2005* cijfers niet beschikbaar78


2.6 ConclusieIn 2004 is er een einde gekomen aan de jarenlange sterke groei van dewerkgelegenheid in de zorgsector. Het aantal banen groeit nog licht ende loonkosten stijgen minder dan de economie als geheel. De verwachtingis dat de komende jaren toch weer groei zal optreden, mede onderinvloed van de toenemende vergrijzing (cbs, 2006). Hieruit blijkt eengrote behoefte aan voldoende beroepsbeoefenaren. Enerzijds bestaat erbehoefte aan genoeg verpleegkundige ‘massa’, anderzijds moeten dezeverpleegkundigen kwalitatief goede zorg leveren.De meeste verpleegkundigen zijn tevreden met hun werk. Met hun organisatiezijn medewerkers altijd minder tevreden. Gezien het belangvan een goed imago op de arbeidsmarkt blijft extra aandacht voor dearbeidsomstandigheden gewenst (Van Dijk e.a., 2004).In de afgelopen jaren is de sector erin geslaagd om de opleidingscapaciteitop het gewenste niveau te houden. Toch neemt de instroom vanbbl-opleidingen af vanwege een terughoudend aannamebeleid in de instellingen.Als reactie daarop stijgt de instroom van bol-opleidingen. Hetaantal stageplaatsen stijgt niet, zodat de problemen die op dit gebied alaanwezig waren alleen nog maar verder toenemen. Zet deze trend zichvoort, dan ontstaat een serieus probleem voor de onderwijsinstellingenop korte termijn en voor de zorginstellingen op langere termijn (Van derWindt, 2005). Zaak is om een flexibel opleidingscontinuüm te beschrijven,zodat verpleegkundigen met diverse vooropleidingen en werkervaringefficiënt ‘toegeleid’ kunnen worden naar de verschillende functies inde beroepsuitoefening. Op die manier wordt de (toekomstige) verpleegkundigeeen aantrekkelijke loopbaan met uitgebalanceerde opleidingsmogelijkhedengeboden.79


Bijlage 3Verwachte ontwikkelingen in de zorg3.1 InleidingEen aantal ontwikkelingen in de maatschappij en gezondheidszorg isvan betekenis voor de ontwikkeling van de verpleegkundige beroepsuitoefening.Deze bijlage gaat achtereenvolgens in op enkele veranderingenin de zorgvraag, het zorgaanbod en de wetgeving, en bekijkt de invloedvan deze veranderingen op de verpleegkundige beroepsuitoefening.Overzicht belangrijke ontwikkelingen in de zorg1 De demografische ontwikkeling: vergrijzing en comorbiditeit leiden tot toenamevan zorgvragen.2 Technologische ontwikkelingen: intensivering van zorg in de eerste lijn.3 Paradigmaverschuiving: van ‘kwaliteit van zorg’ naar ‘kwaliteit van leven’ (welzijn).4 Vermaatschappelijking: zelfstandig of beschermd kleinschalig wonen in eenwoonwijk is voor velen haalbaar.5 Preventieve zorg (o.a. welvaartsziekten) is van belang om de vraag naar zorg tebeteugelen.6 Behoud van (financiële) zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid zijnkernwaarden.7 Professionele regie voor integratie van zorg, welzijnsactiviteiten en ketenzorg.8 Kerncompetentie van de verpleegkundige: het kunnen verbinden vanvakinhoudelijke deskundigheid met deskundigheid in zorgcoördinatie.9 Strategische positie van de verpleegkundige: aantrekkelijke functies zijn nodig omschoolverlaters voor de zorg aan te trekken (schoorsteeneffect).3.2 Demografische ontwikkelingen3.2.1 Ontgroening en vergrijzingMensen leven langer. Elke tien jaar stijgt de levensverwachting met 2,5jaar. In het recente verleden veranderde de samenstelling van de ouderebevolking sterk. Er was sprake van dubbele vergrijzing: het aantal 80-plussers nam sneller in omvang toe dan het aantal ouderen als geheel,dus het aandeel 80-plussers groeide. Naar verwachting kennen de komendedecennia wat dat betreft een rustiger verloop. Het aantal ouderenneemt weliswaar met de helft toe, maar het aandeel van 80-plussers daalt(De Beer & Verweij, 2005).80


Figuur 3.1 Percentage 80-plusserspercentage25201510501990 1995 2000 2010 2020 2050mannenvrouwenBron: CBSDe komende jaren daalt het aantal jongeren en stijgt het aantal ouderen.Daardoor zullen meer mensen een beroep doen op de zorg, terwijl tegelijkertijdminder mensen beschikbaar zijn als zorgverlener. Meer ouderenbetekent extra behoefte aan verplegend personeel. Maar de poel waaruitzorgverleners moeten komen wordt kleiner, omdat de beroepsbevolkingslinkt door de vergrijzing en ontgroening (nizw, 2005). De zorg moetdus doelmatiger worden ingericht. Het persoonlijk contact en het vertrouwenvan de patiënt in de zorgverlener komen daarmee onder drukte staan.Met het ouder worden verandert de aard van de ziekteproblemen. Daarbijgaat het vaak om een combinatie van meerdere, al dan niet chronische,aandoeningen. Het zijn vaak niet de ziekten zelf maar de bijkomendebeperkingen (van de 80-plussers loopt eenderde slecht en een op de vijfkan zichzelf niet verzorgen) die leiden tot intensief en langdurig gebruikvan ‘care’ voorzieningen (Timmermans & Woittiez, 2004a).Door de vergrijzing en de verwachte toename van het aantal chronischzieken kan de vraag naar verpleging met 39 procent toenemen. Van 1,2miljoen chronisch zieken in 2000 naar 1,6 miljoen in 2017 (Timmermans& Woittiez, 2004b). De zorg zal zich ook steeds meer richten op het compenserenvan de beperkingen van chronisch zieken, zodat ze kunnen blijvendeelnemen aan de samenleving.3.2.2 JeugdDe Nederlandse jongeren zijn over het algemeen gezond. In vergelijkingmet mensen van 25 jaar en ouder lijden zij relatief weinig aan ziekten enaandoeningen. De meest voorkomende langdurige aandoeningen bij jon-81


geren zijn astma, migraine en eczeem. Infectieziekten zoals verkoudheiden griep komen veel bij jongeren voor. Aandoeningen die specifiek bijjongeren voorkomen zijn dyslexie, woordblindheid en adhd. Zorgelijk iswel dat veel jongeren er een ongezonde leefstijl op na houden. Vooral 18tot 24-jarigen roken en drinken veel en een groot deel van hen heeft weleens drugs gebruikt. Driekwart van de jongeren tot 18 jaar voldoet nietaan de norm voor gezond bewegen. Ook de helft van de 18 tot 24-jarigenvoldoet niet aan deze norm. In deze leeftijdsgroep is 20 procent te dik.Over het algemeen geven jongeren aan dat zij gelukkig en tevreden methun leven zijn (cbs, 2003).Op dit moment is de jeugdwerkeloosheid onder allochtonen opgemerktals een belangrijk probleem (Dagevos, 2006). De jongeren die niet aanwerk komen, lopen meer gezondheidsrisico’s. Ze vereenzamen, voelenzich geïsoleerd, hebben een slechter voedingspatroon, lopen meer verslavingsrisicoen lopen het risico dat hun positie op de arbeidsmarkt alsgevolg van inactiviteit verslechtert. Door de Europese eenwording ondervindenze meer concurrentie uit het buitenland. De verwachting is datwanneer de werkgelegenheid aantrekt, de vraag naar zorg voor jongerenvoor een belangrijk deel weer verdwijnt. Voor een harde kern zal datniet het geval zijn en zullen extra maatregelen nodig zijn. Het specifiekeprobleem van een jeugdige harde kern is dat zij hun hele leven continuaangewezen zijn op zorg en dat hiermee een belangrijk arbeidspotentieelvoor de samenleving verloren gaat.3.2.3 Overige trendsInterculturalisatieFiguur 3.2 Aantal allochtonen7.000.0006.000.0005.000.0004.000.0003.000.0002.000.0001.000.0000◆◆ ◆ ◆ ◆ ◆ ◆◆ ◆ ◆2005 2010 2015 2020 2025 2030 2035 2040 2045 2050Bron: CBS82


In sociaal-cultureel opzicht is Nederland aan het veranderen. Met namein de grote steden is een toename van het aantal allochtone jongeren tezien. Er zijn verschillen in ziekte en ziektebeloop tussen allochtonen enautochtonen. Ook hulpvragen en behoeften kunnen anders zijn (vws,2001). De Nederlandse gezondheidszorg is onvoldoende afgestemd opcultureel bepaalde verschillen in ziektebeleving. Zij weerspiegelt een teeenzijdig cultureel perspectief, waarbij de Nederlandse opvattingen overziekte en gezondheidszorg maatgevend zijn. Dit leidt in veel gevallen totonvoldoende herkenning van klachten en daarmee tot onjuiste diagnosenen behandelingen. Vooral in de geestelijke gezondheidszorg blijktduidelijk dat de daar gehanteerde methoden te zeer westers en ’ik’-gerichtzijn, en niet aansluiten bij de ’wij’-cultuur van veel migranten (rvz,2001).Tussen allochtonen en autochtonen bestaan er cultureel bepaalde verschillenin ziekte, ziektebeloop en ziektebeleving. Ook hulpvragen en -behoeften kunnen verschillen. Het is voor de zorgsector een uitdagingom de gezondheidsverschillen en de vaak (cultureel bepaalde) hoge zorgconsumptievan nieuwkomers aan te pakken. In 2001 calculeerde het cpbeen verhouding van 1,72 voor de extra zorgconsumptie per hoofd voorniet-westerse allochtonen (cpb, 2001).AlleenstaandenHet aantal alleenstaanden zal in de periode 2000-2020 stijgen van 25naar 37 procent. Hierdoor zullen mantelzorg en vrijwilligerswerk nogmeer onder druk komen te staan. In oktober 2005 gaven de Verenigingvan Mantelzorgers (lot) en de Landelijke Huisartsen Vereniging (lhv)een eerste waarschuwing. Volgens de lot zijn 200.000 mantelzorgersoverbelast. Bezuinigingen in de zorg, de vergrijzing, het zo lang mogelijkthuis houden en (te) snel naar huis sturen van patiënten zijn de belangrijksteoorzaken voor het grote aantal overspannen mantelzorgers (Boer& Schellingerhout, 2003).IndividualiseringIn de loop van de tijd veranderen opvattingen en gedrag van patiënten.Het Sociaal en Cultureel Planbureau (1998) omschrijft de individualiseringvan de samenleving als het meest centrale kenmerk van demaatschappelijke dynamiek. Dit betekent een groeiende autonomie vanhet individu ten opzichte van zijn directe omgeving. Daarnaast is hetopleidingsniveau van de Nederlandse (beroeps)bevolking de afgelopenjaren toegenomen. Hoger opgeleiden zijn over het algemeen mondigeren gezonder dan lager opgeleiden (rvz, 2005). Steeds meer medische83


informatie is voor een groot publiek toegankelijk via internet. Ook deruim driehonderd patiëntenverenigingen en patiëntcontactpersonenvoor zeldzame ziekten bieden, naast belangenbehartiging en lotgenotencontact,veel informatie. Deze ontwikkelingen leiden tot een steedskrachtiger positie van de patiënt in de relatie tot de hulpverlener. Steedsmeer patiënten zijn mondig, kritisch en gesteld op autonomie en keuzevrijheid.Daarnaast blijft een grote groep patiënten bestaan die nietmondig is en niet in staat is zelfstandig te kiezen. Ze zijn kwetsbaar enafhankelijk van hulpverleners. De sociaal-economische verschillen tussenbeide groepen zullen toenemen. Ondanks deze ontwikkelingen blijftde ‘patiënt van straks’, mondig of niet, een persoon die behoefte heeftaan medische zorg en ondersteuning, met behoud van autonomie enkeuzevrijheid. Meer consument, maar nog steeds patiënt.3.2.4 Gevolgen voor de zorgverleningDoor het stijgende aantal alleenstaanden staan niet alleen de mantelzorgersonder druk, maar ook de thuiszorg. Daar zal in de toekomst vakereen beroep op worden gedaan.De groei van het aantal allochtonen heeft als gevolg dat de behoefte aanzorg op maat verder zal toenemen. In een pluriforme samenleving bestaatimmers een groeiende behoefte aan zorg die recht doet aan de eigenculturele en levensbeschouwelijke identiteit. Om hieraan tegemoette komen is een breed palet aan zorgvormen noodzakelijk. De verschillenin achtergronden en leefstijlen van cliënten vragen specifieke vaardighedenen competenties van verpleegkundigen en verzorgenden, waarmeeze hulpvragen kunnen verduidelijken en behoeften onderkennen (nizw,2005). Tegelijkertijd zal de sterke toename van het aantal allochtonengevolgen hebben voor de toestroom van deze groeperingen in het verpleegkundigonderwijs.Het profiel van de patiënt zal de komende jaren veranderen, zo blijkt uithet bovenstaande.Onderscheid kan worden gemaakt tussen patiënten en consumenten.Patiënten hebben een zogenoemde ‘need’: een intrinsieke behoefte aancuratieve zorg die zich laat omschrijven als onvermijdelijk, onuitstelbaaren onontkoombaar (de drie o’s). Consumenten hebben die behoefte(nog) niet maar anticiperen wel op een toekomstige ‘need’.Bij de consumenten ligt het accent vaak meer op het terrein van de ‘demands’:een extrinsieke behoefte aan curatieve en aanvullende zorg gebaseerdop wensen en verwachtingen ten aanzien van gezondheidszorg en-dienstverlening. De patiënt zal zich kritischer opstellen en tijdig en goe-84


de informatie willen krijgen over zijn ‘needs’ en ‘demands’. Hij laat vanzich horen als hij niet tevreden is. Patiënten zijn steeds meer geneigd omclaims in te dienen en juridisch werk te maken van aansprakelijkheidskwesties.De patiënt stelt hoge eisen aan de zorgverlening. Verpleegkundigenmoeten sterk in de schoenen staan ten opzichte van de zorgvrageren moeten hun handelen goed kunnen verantwoorden (nizw, 2005).Over het algemeen leidt een mondigere patiënt tot een gemiddeld langereduur van een consult. Mondige patiënten kunnen echter soms ookbepaalde taken van professionals overnemen en zelf uitvoeren. Dit betekentvoor cliënten minder medicalisering en meer zelfstandigheid, meerzeggenschap en meer flexibiliteit. Het kan bijdragen aan de beheersingvan de zorgvraag en past bij de huidige samenleving. Het vergt wel eenandere manier van denken en een cultuuromslag in de zorg, te beginnenbij de dagelijkse beroepspraktijk en bij de opleidingen (Ott et al., 2005)(Luijkx en De Roo, 2005).3.3 Epidemiologische trends3.3.1 Chronische aandoeningenChronische aandoeningen vormen de grootste ziektelast onder de Nederlandsebevolking. Vooral ouderen hebben ermee te kampen. Vrouwen enmannen brengen gemiddeld zestig jaar van hun leven in goede gezondheiddoor. In de resterende jaren (ongeveer twintig jaar voor vrouwen enveertien jaar voor mannen) neemt de gezondheid af. Oudere vrouwenhebben een slechtere lichamelijke en geestelijke gezondheid dan mannen.Zo hebben vrouwen boven de 65 jaar gemiddeld drie lichamelijkebeperkingen (bijvoorbeeld slecht lopen of niet goed kunnen horen), terwijlmannen er twee hebben. Depressies worden bij oudere vrouwen tweekeer zo vaak geregistreerd als bij mannen (Deeg et al. 2000 in De Klerk,2001).Gelet op het stijgend aantal ouderen zullen ook de chronische aandoeningende komende decennia sterk toenemen. De grootste stijgingendoen zich voor bij verschillende vormen van kanker, hart- en vaatziekten,diabetes, dementie, astma en stoornissen aan de zintuigen en hetbewegingsapparaat (vws, 2001). Als antwoord op deze ontwikkelingenkunnen verschillende soorten ’specialisatieklinieken’ ontstaan die ofwelop ziektebeeld ofwel op technologie gericht zijn. Veel chronische aandoeningenhebben een intermitterend karakter: de ernst van de aandoeningalsmede de behoefte aan zorg kan in de loop der tijd verschillen.Periodieke controle en begeleiding worden afgewisseld met acute ziekenhuisopnames.Hierdoor veranderen de grenzen tussen de eerste- en85


tweedelijnszorg. Een ander kenmerk van chronische aandoeningen is comorbiditeit,waarbij een patiënt te maken heeft met de gevolgen van tweeof meer ziekten tegelijk.Gevolgen voor de zorgverleningEr is een verschuiving zichtbaar van ‘disease management’* naar levensmanagementofwel kwaliteit van leven. Het doel van de zorg is een bijdrageleveren aan het mogelijk maken van maatschappelijke participatie.Veel chronische aandoeningen vragen om een bundeling van kennis envaardigheden op medisch, paramedisch, verpleegkundig en sociaal vlak.Dat maakt multiprofessionele samenwerking noodzakelijk. De verdelingen afstemming van verantwoordelijkheden tussen artsen, verpleegkundigenen paramedici verandert.Er is ook een verschuiving van intramurale naar extramurale zorg. Thuiszorgen outreaching zorg in combinatie met mantelzorg stellen andereeisen aan het zorgproces. De duur van een diagnose/behandel-combinatiewordt door technologische ontwikkelingen steeds korter. De prijsvan intramurale zorg neemt toe. Zowel de zorgverzekeraar als de patiëntverkiezen om verschillende redenen de extramurale zorg als alternatief.De vraag naar mobiele apparatuur en goede communicatievoorzieningennemen toe. De zorgverlener komt in een nieuwe werkomgeving, dieandere eisen stelt aan het beroep en haar competenties. Er kunnen conflictenontstaan tussen zorgverleners die onoplosbaar zijn zonder eenduidelijke regisseur.Combinaties van gezondheidsproblemen maken de intramurale zorgcomplexer. Hierdoor ontstaat binnen de zorginstelling een logistiekvraagstuk. Ook binnen de zorginstelling wordt een groter beroep gedaanop regie en sturing van de zorg. Op welke afdeling in welke instellinghoort de patiënt thuis en hoe zorg je dat de patiënt op die afdeling dejuiste multidisciplinaire zorg ontvangt. Wanneer vervoer je de patiënt enwanneer verplaatst de zorgverlener zich? Bij een gebrek aan zorgverlenersneemt dit probleem in zwaarte toe.3.3.2 Psychische stoornissenIn één jaar tijd kampt ongeveer 25 procent van de Nederlandse bevolkingmet psychische problemen, zo schatte de stuurgroep Toekomstscenario’sGezondheidszorg in 1990 in. Studies van de Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid(2002) en Bijl (1998) bevestigden dit. Aandoeningen* Onder disease management wordt verstaan ‘het proces waarineen voortdurende verbetering van meetbare resultaten van hetbehandelingscontinuüm (preventie, diagnostiek, management)van een specifieke ziekte wordt bevorderd’86


als dementie, depressie en angststoornissen nemen sterk toe. Hierbij spelenechter het toegenomen hulpzoekgedrag bij psychische problemen ende betere herkenning door de huisarts een belangrijke rol. Daardoor isniet duidelijk in hoeverre van ‘echte’ epidemiologische trends sprake is(Van Oers, 2002). Door uitbreiding van de behandelingsmogelijkhedenvoor psychische aandoeningen (o.a. geneesmiddelen) is er in ieder gevalsprake van een opwaartse druk op het zorggebruik. Daar komt bij datnieuwe generaties ouderen hun psychische klachten minder somatiserenen hun eerder opgedane oriëntatie op de ggz op oudere leeftijd behouden.In een intensieve kenniseconomie vallen steeds meer mensen uit. Debehoefte aan hoogopgeleiden neemt toe, maar een aantal mensen bereikthet gewenste startniveau voor deelname aan de arbeidsmarkt nietof wordt daarvan uitgesloten. In het onderwijs blijken veel jongeren teblijven steken onder het niveau van een startkwalificatie (mbo-niveau 2).Er is een harde kern van 5% die analfabeet is. Voor hen neemt de prestatiedrukvanuit de samenleving toe. Dit kan leiden tot een toename vanfrustratie met agressie, angst en depressie als gevolg.Gevolgen voor de zorgverleningAlleen al door de demografische ontwikkeling zal het zorggebruik voorpsychische aandoeningen toenemen. In combinatie met de geschetsteontwikkelingen zal dat zorggebruik hoogstwaarschijnlijk nog meer stijgen.3.3.3 DementieHet rivm (2005) gaat ervan uit dat het toekomstig aantal dementiepatiëntengelijke tred houdt met de demografische ontwikkeling. Dat betekenteen toename van het aantal dementiepatiënten van 203.000 nunaar 281.000 in 2020, een stijging met 38 procent. Bij dementie zijn ergeen epidemiologische trends bekend. Ook zijn er op korte termijn geenbelangrijke doorbraken in de behandeling te verwachten. Er lijken grotesociaal-economische verschillen te bestaan in het vóórkomen van dementie.Toch is nog niet duidelijk of mensen met een hogere sociaal-economischestatus werkelijk minder kans hebben om dement te worden,of dat hoger opgeleiden meer compensatiemechanismen hebben in devroege stadia van dementie waardoor de ziekteduur bij hen korter lijkt.Gevolgen voor de zorgverleningOp dit moment maken ongeveer 75.000 dementiepatiënten gebruik vaneen zorgvoorziening. Wil men dit aandeel op peil houden, dan zal de87


capaciteit van de zorgvoorziening voor dementiepatiënten evenredig aande groei van het aantal dementiepatiënten moeten toenemen.3.3.4 Verstandelijk gehandicaptenIn 2001 telde Nederland ongeveer 112.000 verstandelijk gehandicaptenmet een iq onder de 80. Van deze groep is bijna de helft licht verstandelijkgehandicapt (iq tussen 50 en 80) en iets meer dan de helft matigtot zeer ernstig verstandelijk gehandicapt (iq lager dan 50). Het aantalvan 112.000 zal de komende vijftien jaar vrijwel stabiel blijven, zo is teverwachten op grond van de demografische ontwikkeling. Wel zal binnendeze groep sprake zijn van vergrijzing. Het percentage 50-plusserszal toenemen van 16.000 (15 procent) in 2002 tot 26.000 (25 procent) in2020 (scp, 2004).Steeds meer mensen met een verstandelijke handicap geven aan dat zeliever in kleinere wooncombinaties of zelfstandig willen blijven wonen(rivm, 2002). De hulpverlening wordt hierop afgestemd door een flexibelaanbod van verpleging, verzorging, begeleiding en ondersteuning.Een verhoudingsgewijs klein gedeelte uit deze groep zijn mensen met eenlichamelijke en verstandelijke handicap. Vanwege hun ernstige cognitieveen lichamelijke beperkingen of ernstige gedragsproblematiek hebbenzij behoefte aan zorg die 24 uur per dag beschikbaar is. Zij hebbeneen combinatie van verzorging en begeleiding nodig in een beschermdestructuur.Organisaties in de verstandelijk gehandicaptenzorg zijn bezig om te anticiperenop deze ontwikkelingen. Grote intramurale instituten werkenmeer en meer toe naar tussenvormen van zorg en naar kleinschaligevoorzieningen. Deze kleinschalige eenheden liggen verspreid in de regioen worden zo veel mogelijk geïntegreerd in de maatschappij. Om eensamenhangend aanbod van zorg en welzijn te kunnen leveren, zullen verpleegkundigenmeer moeten samenwerken met andere disciplines. Ookzullen zij relatief vaker zelfstandig, ambulant en solistisch werken.Naast het eerdergenoemde vraagstuk van de regie ontstaat hier ook hetvraagstuk van overhead en productiviteit van medewerkers. Zelfstandigenen kleinschalige bedrijven ondervinden veel last van administratievelastendruk. Alles wat met bedrijfsvoering te maken heeft moet kleinschaliggeregeld worden: informatie en communicatietechnologie, administratieen dossiervorming, werving en selectie, opleidingen en herregistratie,vervoer, marketing en acquisitie, juridische zaken, beveiliging,overleg met ketenpartners, etcetera. De vraag naar het schaap met vijfpoten neemt bij kleinschalige zorg enorm toe.88


Gevolgen voor de zorgverleningDergelijke teams van samenwerkende zorgverleners moeten in de nabijetoekomst goed zijn toegerust voor begeleiding, zorg en verplegingvan mensen die geleidelijk intensievere zorg nodig hebben. “Vermaatschappelijkingvereist een omslag van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’ .”*Zorgverleners zijn daartoe vaak niet opgeleid. Binnen het intramuralezorgaanbod voor verstandelijk gehandicapten kunnen mbo- en hbo-verpleegkundigenvan de initiële opleiding worden ingezet. Voor de semi-,extra- en transmurale zorgverlening is een vervolgopleiding (differentiatie)nodig waarin verpleegkundigen worden opgeleid voor de functiesvan praktijkverpleegkundige en consultatief verpleegkundige met hetaandachtsgebied verstandelijk gehandicapten. Regie en consultvoeringbehoren tot het primaire aandachtsgebied van deze functies (De Haan,2002).3.5 Ontwikkelingen in de zorgmarktBovenstaande ontwikkelingen en veranderende opvattingen over de gezondheidszorgvereisen een nieuw evenwicht tussen aanbodgestuurdezorg met overheidsbemoeienis’ naar vraaggerichte particuliere zorg metmeer vrijheden en keuzemogelijkheden. Vraaggerichte zorg’, ‘belevingsgerichtezorg’ en ‘zorg op maat’ zijn allemaal termen voor een nieuwemanier van kijken naar de zorg en naar een andere invulling van de zorg.Dit evenwicht mag echter niet doorslaan in zorgeloosheid of zorggebrek.3.5.1 Van aanbod- naar vraaggerichte zorgDe wensen van zorgvragers staan centraal in de inrichting en het aanbodvan de zorg- en dienstverlening. Om tegemoet te kunnen komen aan devraag en behoefte van de patiënt moeten verpleegkundigen flexibel kunneninspelen op de zorgvraag. Het streven naar het leveren van zorg opmaat betekent op lokaal niveau een toenemende samenwerking tussende verschillende zorginstellingen, zowel binnen de sector verpleging enverzorging, als met andere zorgsectoren. Er vindt ontschotting tussen deinstellingen plaats.3.5.2 Zorgketens en zorgcoördinatieDe grens tussen de eerste en tweede lijn is aan het vervagen. Een deel vande zorg wordt regionaal in zorgketens georganiseerd, die zowel extra-,semi- als intramurale zorg bieden. Minder ernstig zieke patiënten dievroeger in de kliniek werden opgenomen, krijgen in de toekomst een poliklinischebehandeling of een dagopname. Alleen hoog specialistische* Hans Kröber in Zorgvisie nr. 11, pagina 9. November 2005.89


zorg, crisisinterventie en infrastructuurafhankelijke zorg zal nog intramuraalgebeuren. Door deze ontwikkelingen krijgt de patiënt meer dannu te maken met een samenwerkend team van behandelaars. Dat vereisteen goede zorgcoördinatie. Patiënten hebben behoefte aan één loket enaan één aanspreekpunt dat de zorgcoördinatie uitvoert als de patiënt datzelf niet kan.De kennis over de oorzaak van ziekten en aandoeningen groeit in hoogtempo. Ziekten en aandoeningen kunnen in de toekomst beter wordenvoorspeld, voorkomen (preventie), opgespoord (diagnostiek), behandeld,begeleid en ondersteund. Medisch-technologische ontwikkelingen kunnennieuwe en/of meer vraag naar zorg genereren. Patiënten zijn steedsbeter geïnformeerd over bijvoorbeeld nieuwe medicijnen en behandelmethoden,en willen hiervan gebruik maken. De snelle technologischeontwikkeling brengt ethische discussies met zich mee. Nog vaker dannu zullen we ons afvragen: ‘Moet alles kunnen wat kan?’ En dat terwijlde verwachtingen van patiënten alleen maar groter worden. De overheidzal zich daarom altijd met de zorg moeten blijven bemoeien, waar hetmarktmechanisme faalt.Om adequaat te kunnen inspelen op de zowel kwalitatief als kwantitatieftoenemende vraag naar zorg, zullen verschuivingen in de organisatieen regelgeving van zorg optreden.Specialistische medische behandelingen zijn steeds minder voorbehoudenaan ziekenhuizen en komen vaker in andere zorgsettings of in dethuissituatie voor. Snelle ontwikkelingen, zoals binnen de ggz, zorgenook voor een stijging van deze behoefte. Ambulantisering van zorg,transmuralisering en het vormen van zorgketens zijn hier een direct gevolgvan en dwingen zorgverleners meer vanuit de inhoud van de zorgverleningte kijken. Ook hier geldt dat het accent op de coördinatie enregie van zorg komt te liggen.3.5.3 Diagnose Behandeling CombinatiesOm patiënten in staat te stellen een gefundeerde keuze te maken, is goedeinformatievoorziening noodzakelijk. Ziekenhuizen gaan werken metzogenoemde Diagnose Behandeling Combinaties (dbc’s): elke aan eenbepaalde diagnosegroep gekoppelde behandeling krijgt een typering vanproductkwalificaties, kwaliteitsindicatoren en de hierop gebaseerde productprijs.Daardoor kunnen de kosten, opbrengsten en kwaliteit in dezorg met elkaar worden vergeleken. De zorgverzekeraars kunnen nagaanof zij waar voor hun geld krijgen en de zorgaanbieders kunnen bepalenof zij voor de geboden vergoeding in alle redelijkheid goede zorg kunnen90


leveren. Ook de patiënt kan zijn keuze voor een behandelaar baseren opeen vergelijking van prijs, kwaliteit en levertijd.3.5.4 De rol van ICTDe rol van ict in het primaire zorgproces wordt steeds prominenter.Naast de vraaggestuurde bekostigingsystemen (dbc’s) is er de opmars vaninternet en een groot aantal medische toepassingen zoals picture archivingand communication systems (pacs), en het elektronisch patiëntendossier (epd). Adequate inzet van ict kan de kwaliteit en doelmatigheidvan de zorg optimaliseren. Op dit moment voldoen de huidige systemenechter nog niet altijd aan de toenemende eisen van de gebruikers.Ondanks aanloopproblemen zullen de groeiende mogelijkheden vanict, met name internet en ict-ondersteunde transmurale ketenzorg, gevolgenhebben voor de rollen en verhoudingen tussen patiënten, zorgverlenersen zorgverzekeraars. De patiënt kan nu via internet informatieover diagnostiek en behandeling voor zijn symptomen of ziekte vinden.Als de arts deze diagnostiek of behandeling niet kan of wil bieden, kande patiënt via het internet nagaan waar dit wel mogelijk is. Dit zal zichniet beperken tot Nederland. Europese ontwikkelingen zorgen ervoordat een patiënt meer keuzevrijheid heeft: hij hoeft niet meer binnen delandsgrenzen te blijven.De externe oriëntatie krijgt nog een extra impuls door de ontwikkelingin de medische technologie, die kleinschaliger en mobieler zal worden.Daardoor kan de patiënt vanuit huis verbonden zijn met diagnose-, alarmerings-en medicatietechnologieën. Voor zowel zorgorganisaties alsprofessionals betekent dit een herbezinning op de centrale taakinvullingen positionering in het veld van de zorg (Berg, 2001). Het internet biedtmogelijkheden voor de uitwisseling van data en dossiers tussen zorginstellingenin de zorgketen. De patiënt zelf zal regisseur over zijn gegevenszijn (rvz, 2000).3.5.5 PreventieVergrijzing in combinatie met nieuwe, steeds duurdere medische technologiezal de kosten van de gezondheidszorg opjagen. De meeste medischekosten worden gemaakt in de laatste levensfase (rvz, 2005). Hetpromoten van een gezonde levensstijl wordt belangrijker. Goede voedingen beweging kunnen hoge kosten op latere leeftijd voorkomen. Preventievormt echter tot nu toe in financiële zin maar een klein deel (1%) van detotale gezondheidszorg. Nederland anticipeert te weinig op welvaartsziekten(zoals de gevolgen van overgewicht), psychosociale problemen bijkinderen en op pandemieën. (igz, 2005).91


Enkele jaren geleden leefden Nederlanders langer dan inwoners van demeeste andere landen. Die voorsprong is weg, vooral door een ongezonderelevensstijl. Nederland is nu ‘afgezakt’ naar de Europese middenmoot.Overgewicht geldt als een belangrijke oorzaak hiervan. Het is eenvan de belangrijkste gezondheidsproblemen van de toekomst en zorgtna roken voor de grootste kans op overlijden.Gedrag is van grote invloed op de vraag naar zorg. Toename in rijkdomen kennis, andere vrijetijdsbesteding, andere vormen van vervoer en deinvloed van reclame voor en aanbod van ‘fast food’ hebben het gezondegedrag en de gezondheidstoestand van de bevolking negatief beïnvloed.Dit vraagt om een gezondheidszorg met enerzijds meer aandacht voorpreventie en anderzijds meer aandacht voor chronische zorg, waarbijzelfzorg en professionele zorg in toenemende mate verweven zullen raken(rvz, 2005). Patiënten krijgen hierdoor een grotere rol in het voorkomenen behandelen van hun aandoeningen. De patiënt/mens zal zichbewust moeten worden van een ‘eigen risico en aansprakelijkheid’.3.5.6 InternationaliseringDoor de toenemende internationalisering krijgen de mensen voor sommigevormen van gezondheidszorg meer keuzevrijheid: ze kunnen overde landsgrenzen heen kijken. Steeds vaker is het mogelijk via internet ofin het buitenland aan bepaalde medische behandelingen, diagnostischetests of geneesmiddelen te komen. Dit betekent dat de patiënt zelf kankiezen voor een bepaalde behandeloptie en behandelend arts.De Europese regelgeving gaat uit van vrij verkeer van personen, goederenen diensten. Patiënten gaan daardoor makkelijker de grens over als er ineigen land wachtlijsten voor behandeling bestaan. Verzekeraars makenbij schaars aanbod gebruik van buitenlandse zorgverleners en -instellingen.Deze medaille heeft twee kanten. Als zorgverleners in eigen landgeen werk kunnen vinden, gaan ze naar een ander lid van de EuropeseUnie, en zorginstellingen benutten hun capaciteit beter door ook patiëntenuit andere lidstaten te behandelen. De Raad voor Volksgezondheid& Zorg gaat in het advies ‘Europa en de gezondheidszorg’ (rvz, 2000)ervan uit dat de gevolgen voor de kosten en de kwaliteit van de zorg opde korte en de middellange termijn beperkt blijven. Volgens de rvz moetbij de capaciteitsplanning op langere termijn rekening worden gehoudenmet aanbod aan de andere kant van de grens.3.6 Veranderingen in het zorgsysteemOns zorgstelsel bevindt zich momenteel in een overgangsfase van prijsreguleringnaar gereguleerde marktwerking. De eerste stap op weg naar92


gereguleerde marktwerking is begin 2005 gezet met de invoering van dediagnose en behandelcombinaties. Per 1 januari 2006 is de nieuwe zorgverzekeringswetin werking getreden en per 1 juli de Wet maatschappelijkeondersteuning. Doel van de gereguleerde marktwerking is de doelmatigheid,vraaggerichtheid en kwaliteit van de zorg te verbeteren zonderdat de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg in het gedrangkomen.3.6.1 ZorgverzekeringswetDe kern van het nieuwe zorgstelsel is de omslag van aanbodsturing metveel overheidsbemoeienis naar een vraaggerichte zorg met meer vrijhedenén verantwoordelijkheden voor patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.Om de vraaggerichte zorg verder te stimuleren zal de overheidmeer gebruik maken van economische strategieën: het oplossen van beleidsproblemendoor financiële prikkels of door ingrijpen in de economischemachtsverhoudingen. Daarbij is van belang dat de overheid ervoorzorgt dat patiënten binnen een economische benadering voor hun belangenkunnen opkomen.De nieuwe zorgverzekeringswet biedt verzekeraars en patiënten meerkeuzevrijheid. Vanzelfsprekend mag deze keuzevrijheid niet ten kostegaan van de kwaliteit van zorg. Het kwaliteitsbeleid van de verpleegkundigeberoepsgroep (met eisen van registratie- en herregistratie) is eenvan de waarborgen om patiënten te beschermen tegen onoordeelkundighandelen van verpleegkundigen.3.6.2 Wet maatschappelijke ondersteuningZoals het er nu uitziet zal op 1 juli 2006 de Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo) ingevoerd worden. Deze wet legt de beleidsverantwoordelijkheidvoor het inrichten van maatschappelijke ondersteuningbij gemeenten en regelt dat verantwoording daarover aan de burger moetworden afgelegd. Gemeenten krijgen daardoor de mogelijkheid een samenhangendbeleid te ontwikkelen op het gebied van maatschappelijkeondersteuning, wonen, welzijn en aanpalende terreinen (vws, 2004). Debundeling van wetten en regelingen moet schotten slechten die in hetverleden een gezamenlijke inzet van middelen en gezamenlijke bedieningvan cliënten belemmerden. Dat geldt voor middelen en doelen van deWelzijnswet, de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg), delen van deAlgemene Wet Bijzondere Ziektekosten (awbz) en nog enkele subsidieregelingen.De Wmo beoogt dat de verschillende partijen werken aan hetzelfde doel:een afdoende ondersteunende dienstverlening aan de cliënt zodat hij zo93


zelfredzaam mogelijk kan functioneren. Niet het eigen aanbod of de rationaliteitvan de eigen organisatie vormen het vertrekpunt, maar de behoefteaan ondersteuning van de cliënt. De organisaties en personen diedeze voorzieningen of diensten moeten leveren, zullen hun bestaandewerkwijze moeten veranderen. Een samenhangend aanbod is bij uitsteknodig voor mensen met meervoudige problemen. Dat kunnen meervoudigebeperkingen zijn zoals een combinatie van fysieke en verstandelijkebeperkingen, maar ook problemen op meerdere leefgebieden zoals wonen,zorg, welzijn, inkomen en dagbesteding, als gevolg van een of meerbeperkingen,.3.6.3 Gevolgen voor de zorgverleningZorgverleners zullen flexibeler moeten zijn, niet alleen wat betreft hunwerktijden, maar ook als het gaat om de aard van hun werkzaamheden(Delfgauw, 2005 in Ott e.a. 2005). Er zal vraag zijn naar breed inzetbareverpleegkundigen, die hun vakinhoudelijke deskundigheid kunnen verbindenmet deskundigheid op het gebied van zorgcoördinatie. Daarnaastzal er behoefte zijn aan verpleegkundig specialisten die specifieke kennisen competenties inzetten voor bepaalde patiëntencategorieën.94


Bijlage 4a. Samenstelling stuurgroep, projectgroep en werkgroepenStuurgroepMevrouw prof. dr. P.L. Meurs, voorzitterMevrouw drs. C.C. van Beek mcm, tot 1 april 2006De heer J. FerdinandusMevrouw drs. E.E.P.M. Janssen-Sengers, vanaf 15 december 2005Mevrouw dr. M.J. Kaljouw, tot 15 december 2005De heer drs. J.L. KauffeldMevrouw dr. E.M. OttDe heer prof. dr. A.J. RabelinkMevrouw dr. W.J.M. Scholte op ReimerProjectgroepDe heer drs. A.P.N. van Rooijen, projectleiderMevrouw M. OuwerkerkMevrouw ir. M.A.J. de GrootDe heer drs. L.J.P. PluijmenDe heer drs. C. NasWerkgroep beroepsstructuurMevrouw dr. E.M. OttMevrouw M. OuwerkerkDe heer drs. R. BakkerDe heer R.P.P.M. Koch MScNDe heer drs. A.J. BoekholtMevrouw mr. dr. N.P.Y.M. de BijlMevrouw B.P.Bakker-VerschoorDe heer W. de GraafWerkgroep opleidingscontinuümDe heer drs. A.P.N. van RooijenMevrouw ir. M.A.J. de GrootMevrouw A. van der DussenDe heer R.P.P.M. Koch, MScNDe heer T.J.M. SwinkelsMevrouw drs. E.K. LeistraMevrouw drs. C.A. KlingemanDe heer drs. A.J. BoekholtMevrouw drs. I. van der Padt95


. Deelnemers expertmeetingsAanwezige leden van de stuur- en projectgroep zijn niet in dit overzicht opgenomen.Expertmeeting NFUDe heer dr. G.L. EngelMevrouw drs. E.E.P.M. Janssen-SengersDe heer drs. P.J.J. JochemsMevrouw drs. P.F. RoodbolExpertmeeting GGZDe heer P.J.M. KoopmanMevrouw drs. M.G.C. de LeeuwDe heer B.J.M. Venneman, MScNDe heer drs. L.A.VoogtExpertmeeting TaakherschikkingMevrouw mr. M.C.I.H. BiesaartDe heer dr. P. van den HomberghDe heer drs. A.P.N. van RooijenMevrouw drs. H.M.J. Slot, kinderartsExpertmeeting Taakherschikking en wet-regelgevingMevrouw mr.dr. M.P.Y.M. de BijlMevrouw mr. A.M. BuijseMevrouw drs. I. JansenMevrouw mr. G.P.M. RaasExpertmeeting BeroepsontwikkelingMevrouw M.W.E.P. Broeken MScNMevrouw dr. M.J.C. van HattumMevrouw drs. S. LiefhebberMevrouw drs. J. MastExpertmeeting Openbare GezondheidszorgDe heer drs. J.J.T.M. van den DonkMevrouw A.M.A. van ’t KloosterMevrouw drs. J.H.M. van der LindenMevrouw C. MoréeDe heer P.W. van OostMevrouw T.M.J. RosenbachDe heer drs. D.T. van SchaikMevrouw W.H. VerhaveExpertmeeting Verpleegkundig onderwijsMevrouw A. van der DussenDe heer R.P.P.M. Koch MScNDe heer T.J.M. Swinkels96


Voorts zijn een of meerdere gespreken gevoerd met de volgende personen:ABVAKABO FNVMevrouw M. MeereArcaresDe heer drs. J. van der SpekMevrouw A. MulderBveRaadMevrouw A.P. GründemannMevrouw H. HoebinkCZOMevrouw drs. E. WardenaarGGD NederlandDe heer drs. J.J.M.T. van den DonkMevrouw dr. T. van KleffensDe heer. J.G.A. DerksGGZ NederlandDe heer drs. M.D. MahakenaMevrouw drs. W. ZeldenrustHBO-raadDe heer drs. J. A. C. F. TuytelMevrouw drs. E.K. LeistraKNMGDe heer P.C.H.M. Holland, artsDe heer drs. A.P.N. van RooijenZ-orgDe heer drs. P.J. de JongeNFUMevrouw drs. M.A.P. MensMevrouw prof. dr. L.J. Gunning-SchepersDe heer dr. G.L. EngelMevrouw drs. E.E.P.M. Janssen-SengersDe heer drs. P.J.J. JochemsMevrouw dr. P.F. RoodbolNIZWDe heer P. VlaarMevrouw G. HerrmannMevrouw dr. M. van HattumNVZDe heer drs. N.G.M. OerlemansDe heer mr. dr. R.J. de FolterMevrouw drs. B.J.M. GalléDe heer drs. R. SmitsVGNDe heer drs. E.F.F. van SchijndelDe heer J.P.N. TimmermanDe heer mr. drs. J.L.L. PepersVBGDe heer drs. A.R.J. KleijnOrde van Medisch SpecialistenMevrouw drs. H.J.M. Slot, kinderartsNPCFMevrouw I. van Bennekom MHAMevrouw ir. H.J.M van der HoevenLEVVMevrouw M.J.M. Le Grand-van den BogaardMevrouw dr. A.J Mintjes-de GrootMevrouw mr. A.M. BuijseMevrouw J.Th.C.M. de KruifMevrouw drs. M.L.A. Crijns97


Bijlage 5Overzicht verenigingen die aan consultatierondes hebbendeelgenomenConsultatieronde verpleegkundige beroepsstructuur d.d. 12 juli 2005– NVSPV– SOSA– NVVVR– NVPV– NVAV– BVA– NVVPZ– NVNVConsultatieronde verpleegkundige beroepsstructuur d.d. 1 september 2005– FVGGZ– VGN– Opleiders V en V– VSG– NVICV– NU’91– NVCZ– LOVS– NVHVV– BAV– B*O*G– LVW– WVac– VNIV– NVGE-SEVA– VVVG– VVSNConsultatieronde verpleegkundig opleidingscontinuüm d.d. 30 januari 2006– FVGGZ– Opleiders V en V– NVGE-SEVA– NVICV– NU’91– NVNP– NVvVB– LVSV– NVHVV– VCPV– VVVG– B*O*G– LVW– WVac– VNIV– NVVPZ– EADV– VVSNConsultatieronde verpleegkundig opleidingscontinuüm d.d. 2 februari 2006– NVSPV– NVSHV– LOVS– NVVVR– CNV Publieke Zaak– Werveling– NVL– BNMVV– NVNV98


Bijlage 6BegrippenlijstAssessmentLetterlijk: beoordeling of toewijzing. In Nederland wordt de term assessment vaak gebruiktals synoniem voor performance assessment, ook wel authentieke beoordeling. Assessmentwordt in de literatuur gedefinieerd als het multidimensioneel beoordelen van de geschiktheidvan een persoon voor een (toekomstige) taak of functie.BeroepIn de gezondheidszorg is een beroep een geheel van met elkaar samenhangende (kern)taken,gemeenschappelijk aanvaarde theoretische en ethische uitgangspunten en beroepsmethodieken,waarvan de aard en de onderlinge samenhang onafhankelijk zijn van de concretewerksituatie (rvz).Beroepsbegeleidende leerweg (bbl)Opleidingen van de beroepsbegeleidende leerweg bestaan uit een praktijkdeel van zestigprocent of meer van de studieduur. Voorheen heette deze leerweg het leerlingwezen. Nuwordt deze manier van opleiden aangeduid met de term ‘mbo werkend leren’.Beroepsopleidende leerweg (bol)Opleidingen van de beroepsopleidende leerweg bestaan uit een praktijkdeel van tenminstetwintig procent en minder dan zestig procent van de studieduur. Deze manier van opleidenwordt aangeduid met de term ‘mbo dagonderwijs’.BijscholingHet geven van scholing aan in de regel reeds volwassen werknemers om hun vakbekwaamheidte verhogen.CapaciteitsorgaanIn 1999 opgerichte stichting die raamt hoeveel huisartsen, verpleeghuisartsen, sociaal geneeskundigen,medisch specialisten en tandheelkundigen opgeleid dienen te worden omin de toekomstige vraag naar zorg te kunnen voorzien. Het Capaciteitsorgaan is een samenwerkingsverbandvan de verschillende beroepsgroepen, zorgverzekeraars, opleidingsziekenhuizenen geeft – niet-bindende – adviezen aan de minister van vws.CBOG i.o.College voor de Beroepen en Opleidingen in de Gezondheidszorg in oprichting. De doelstellingvan het cbog is het bevorderen van de modernisering van de beroepsstructuur inde zorg met de bijbehorende opleidingen.Civiel effectCiviel effect heeft betrekking op de rechten (bijvoorbeeld toelating tot beroepsgroepen,toelating tot opleidingen, inschaling binnen een cao) die aan een certificaat ontleend kunnenworden op de arbeidsmarktpositie. Het civiel effect wordt met name bepaald door deacceptatie van en het draagvlak voor de gehanteerde beoordelingsstandaard enerzijds endoor de kwaliteit van de gehanteerde beoordelingsprocedures anderzijds. Erkenning vancompetenties zijn zodanig vastgelegd en gewaardeerd dat ze (enig) civiel effect hebben.99


DeelgebiedEen te onderscheiden deel of terrein van verpleegkundige beroepsuitoefening, op basis vaneen representatieve groepering van zorgvragers. Dat wil zeggen een groepering van zorgvragersmet eigen, herkenbare en te generaliseren zorgvragen.Duaal (opleiden)Een duale opleiding is een opleiding waarbij het volgen van onderwijs wordt afgewisseldmet beroepsuitoefening in verband met dat onderwijs. De opleiding bestaat uit een onderwijs-en een beroepsuitoefeningsdeel. De beroepsuitoefening is onderdeel van het onderwijsprogrammavan de opleiding.EVCErkenning Verworven Competenties. evc beoogt de erkenning, waardering en ontwikkelingvan wat een individu heeft geleerd op school, thuis of op het werk. Mensen dienen zichflexibel aan nieuwe (arbeids)omstandigheden te kunnen aanpassen. Niemand is daardoorooit uitgeleerd.FunctieEen functie is het geheel van arbeidstaken, dat in een specifieke arbeidsorganisatie dooréén persoon moet worden verricht (rvz).Initiële opleidingDe opleiding tot verpleegkundige.KwalificatieEen kwalificatie is een samenstelling van deelkwalificaties (kennis, inzicht, vaardigheden enhoudingen) die vereist is voor de uitvoering van een beroep (beroepskwalificatie), verderestudie (doorstroomkwalificatie) en/of het maatschappelijk functioneren (maatschappelijke/culturelekwalificatie). Kwalificaties zijn primair afgeleid van beroepsprofielen en vaninstroomprofielen van het vervolgonderwijs en van maatschappelijke en culturele situaties.KwalificatieniveauEen kwalificatieniveau is een aanduiding van het niveau van beroepsuitoefening, gebaseerdop de mate van verantwoordelijkheid, complexiteit en transfer. De kwalificatieniveaus (1 toten met 5) zijn geordend in een hiërarchische indeling parallel aan de Europese indeling vankwalificatieniveaus. Het geeft aan op welke niveaus gediplomeerde uitstroom mogelijk is.KwalificatiestructuurDe kwalificatiestructuur secundair beroepsonderwijs is een geordend en samenhangendgeheel van op kerntaken, kernopgaven en competenties gebaseerde kwalificaties die voorhet secundair beroepsonderwijs worden onderscheiden. Kwalificaties worden per bedrijfstakof groep van bedrijfstakken geordend.Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO)De nvao waarborgt en draagt bij aan de bevordering van de kwaliteit van hoger onderwijsin Nederland en Vlaanderen.100


NascholingMeestal na een beroepsopleiding gegeven opleiding die ten doel heeft het vroeger geleerdeop te halen en aan te vullen.Master of ArtsMaster of Arts (afkorting: MA, Latijn: Magister Artium) is een universitaire graad of titelbinnen het bachelor-masterstelsel. De titel met specificatie ‘of Arts’ wordt gebruikt om aante duiden dat men aan een universiteit een wetenschappelijk of academisch georiënteerdeinitiële masteropleiding heeft afgerond in de geesteswetenschappen (taal- en letterkunde,theologie, filosofie, geschiedenis of kunst) of de sociale wetenschappen (bijv. economie,sociologie, psychologie, etc.).Master of ScienceMaster of Science (afkorting: MSc, Latijn: Magister Scientiae) is een universitaire graad oftitel binnen het bachelor-masterstelsel. De titel met specificatie ‘of science’ wordt normalitergebruikt om aan te duiden dat men aan de universiteit een wetenschappelijk of academischgeoriënteerde initiële masteropleiding heeft afgerond in de toegepaste wetenschappen(techniek, ingenieursstudies) of exacte wetenschappen (alle natuurwetenschappen ofwiskunde). Alle masteropleidingen van dit type duren twee jaar, met uitzondering van destudie MSc Farmacie (opleiding tot apotheker) die in Nederland drie jaar duurt.Nurse practitionerEen verpleegkundige met een academisch werk- en denkniveau als expert werkzaam in dedirecte patiëntenzorg voor een bepaalde groep patiënten.OpleidingscontinuümHet verpleegkundig opleidingscontinuüm is het gehele traject van de verpleegkundigevanaf de start van de initiële opleiding tot en met de afronding van de vervolgopleiding(en)en de bij- en nascholing.Stuurgroep MOBGDe Stuurgroep mobg is op 1 april 2004 door de minister van vws geïnstalleerd met deopdracht om binnen vijf jaar met de betrokken organisaties in de gezondheidszorg de beroepenstructuuren de zorgopleidingen te moderniseren tot een samenhangend stelsel meteen daarbij passende besturingsstructuur.Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG)De Wet big beoogt de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorgte bevorderen en te bewaken en de patiënt te beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldighandelen door beroepsbeoefenaren. De wet spitst zich toe op de individuele gezondheidszorg,dat wil zeggen zorg die rechtstreeks is gericht op een persoon. In de Wet bigworden een aantal voorbehouden handelingen genoemd. Deze mogen alleen worden verrichtdoor daartoe bevoegde beroepsbeoefenaren, om te voorkomen dat door ondeskundighandelen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s voor de patiënt ontstaan.101


LiteratuurAiken, L.H, S.P. Clarke, R.B. Cheung, D.M. Sloane, J.H. Silber (2003). Educational Levels ofHospital Nurses and Surgical Patient Mortality. JAMA, September 24, 2003 – vol 290, no12; 1617-1623.Beer, J. de (NIDI), A.Verweij (RIVM), (2005). Vergrijzing: Wat is de huidige situatie? In:Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. Rivm, Bilthoven.Bijl, R.V. & A. Ravelli (1998). Psychiatrische morbiditeit, zorggebruik en zorgbehoefte:Resultaten van de Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (Nemesis).Tsg/Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen, 76, 446-457.Boekholt, A.J. (2004). Rapport analyse beroepsdeelprofielen. AVVV, Utrecht.Boer, A.H. de, R. Schellingerhout, J.M. Timmermans (2003). Mantelzorg in getallen. SCP,Den Haag.Bolhuis, S. (2002). Professioneel leren: wat is het en hoe bevorderen we het? Tijdschrift voorMedisch Onderwijs.CBS (2004). Jeugd 2003, cijfers en feiten. Voorburg.CBS (2006). Jaarboek onderwijs in cijfers, 2006. Voorburg.CBS (2006). Overhead in algemene ziekenhuizen gestegen. Voorburg.Commissie Kwalificatiestructuur (1996). Gekwalificeerd voor de toekomst.Kwalificatiestructuur en eindtermen voor Verpleging en Verzorging. Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschappen en Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Zoetermeer/Rijswijk.Commissie Psychische Arbeidsongeschiktheid (2002). Tweede Tussenrapportage. SZW,Den Haag.Dagevos, J.(2006). Hoge (jeugd)werkloosheid onder etnische minderheden. SCP, Den Haag.Dijk, J.K. van , M. Derks, H.J. Messchendorp, M. Ott (2004). Personeelsgerichte maatregelen inde zorg. Prismant, Utrecht.Haan, J.H. de (2002). De rol van de verpleegkundige in de moderne verstandelijke gehandicaptenzorg.LCVV, AVVV, Werveling. Utrecht.Houweling, S.T. (2005). Taakdelegatie in de eerste- en tweedelijns diabeteszorg: resultaten van deDISCOURSE-studies, promotiedatum 21 december 2005.IGZ (2005). De Staat van de Gezondheidszorg 2005. Openbare gezondheidszorg hoe houden we hetvolk gezond? Inspectie voor de Gezondheidszorg, Den Haag.Klerk, M.M.Y. de (2001). Rapportage Ouderen 2001: veranderingen in de leefsituatie. SCP,Den Haag.Knip, M. (2005). Werken met Nurse Practitioners; effecten van functiedifferentiatie op de grens vancare en cure. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen.KNMG (2005). Symposium Taakherschikking, presentatie Dr. V.A.W.M. Umans, cardioloogMedisch Centrum Alkmaar.Kwartel, A.J.J. van der (2002). Zorg voor verstandelijk gehandicapten samengevat. In:Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationaal Kompas Volksgezondheid. RIVM, Bilthoven.Leistra, E., S. Liefhebber, H. Geomini, H. Hens (1999). Beroepsprofiel van de verpleegkundige.Elsevier/LCVV/NIZW, Maarssen/Utrecht.LEVV (2005). Feiten en cijfers: Factsheets verpleegkundigen en verzorgenden 2005.LEVV (2005). Factsheet: het aantal BIG-geregistreerde verpleegkundigen naar leeftijd en geslacht.LEVV (2005). Factsheet: de instroom in de V&V opleidingen 1990-2004.LEVV (2005). Factsheet: nettoverloop per branche.102


LEVV (2005). Factsheet: omvang van de verpleegkundige en verzorgende beroepsgroepen.LEVV (2005). Factsheet: trends in de gehandicaptensector.LEVV (2005). Factsheet: verloop en vertrekrichting per branche.Luijkx, K.G., A. de Roo (2005). Prosumerisme in de zorg: mogelijkheden, obstakels en maatregelen.IVA, Tilburg.LVT (2003). Naar een toekomstbestendige thuiszorg. Strategienota, Bunnik.Meyboom-de Jong, B. (eindred.) (2002). De Arts van Straks: een nieuw medischopleidingscontinuüm. KNMG, Utrecht.Ministerie van VWS (2004). Contourennota WMO. Ministerie van VWS, Den Haag.Ministerie van VWS (2001). Met zorg kiezen. De toerusting van patiënten en consumenten in eenvraaggestuurde zorg. VWS, Den Haag.Ministerie van VWS (2001). Vraag aan bod. Hoofdlijnen van vernieuwing van het zorgstelsel.VWS, Den Haag.Ministerie van OCW (2005). http://www.minocw.nl/documenten/kerncijfers2000_2004.pdfNIZW Beroepsontwikkeling en NIZW Zorg (2005). Beroepscompetentieprofielen verpleging enverzorging, concept. Utrecht.Nonaka, I. & H. Takeuchi (1995). The knowledge creating company. Oxford University Press,New York.Oers, J.A.M. van (eindred.) (2002).Volksgezondheid Toekomstverkenning 2002, NationaalKompas Volksgezondheid). RIVM, Bilthoven.Polder, J.J. et al. (2005). Risicosolidariteit en zorgkosten. Achtergrondstudie uitgebracht bij het RVZsignalementHoudbare solidariteit in de gezondheidszorg. RIVM. Bilthoven.RVZ (2000). Europa en de gezondheidszorg. RVZ, Zoetermeer.RVZ (2000). Interculturalisatie van de gezondheidszorg. RVZ, Zoetermeer.RVZ (2000). Patiënt en Internet. RVZ, Zoetermeer.RVZ (2003). Taakherschikking in de gezondheidszorg. RVZ, Zoetermeer.RVZ (2005). Houdbare solidariteit in de gezondheidszorg. RVZ, Zoetermeer.Sectorfondsen Zorg en Welzijn (2004). Labour Market Developments in Dutch Hospital Sector.Utrecht: Sectorfondsen Zorg en Welzijn.Thomas, E. en J. Frietman(1998). (H)erkenning van elders verworven competenties. ITS,Nijmegen.Timmermans, J. en I. Woittiez (2004a). Verpleging en verzorging verklaard. SCP, Den Haag.Timmermans, J. en I. Woittiez (2004b). Advies ramingen verpleging en verzorging. SCP,Den Haag.Tillema, H. (2001). Assessment van competenties: van beoordelen naar ontwikkelen. Kluwer,Alphen a/d Rijn.Veer, A.J.E. de, D.J. den Ouden en A.L.Francke (2002). Grenzen geslecht? Ervaringenvan en met zorgpersoneel uit EU-(kandidaat) lidstaten. Organisatie voor StrategischArbeidsmarktonderzoek (OSA), Tilburg.Windt, W. van der, H. Talma (2005). De arbeidsmarkt voor verpleegkundigen, verzorgendenen sociaal-pedagogen in de zorgsector 2004-2008, Prismant, Utrecht.Woittiez, I. et al. (2005). Zorg voor verstandelijk gehandicapten. Ontwikkelingen in de vraag.SCP, Den Haag.103


ColofonHet rapport ‘Verpleegkundige toekomst in goede banen’ is een uitgavevan de Algemene Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden.EindredactieMevrouw prof. dr. P. MeursDe heer drs. A.P.N. van RooijenTekstStuk producties, NijmegenGrafische vormgevingbureau Stijlzorg, UtrechtIllustratiesArend van DamDrukdrukkerij Haasbeek, Alphen aan den RijnOplage1.500 exemplarenUtrecht, 11 mei 2006