uwen weg op den HEERE - Koninklijke Bibliotheek

resources4.kb.nl

uwen weg op den HEERE - Koninklijke Bibliotheek

KONINKLIJKEBIBLIOTHEEKCOLLECTIE-TH1ERRYB R U I K L E E Nvan de Ned. Herv.Gemeentete 's Gravenhage7118 - '35


LEERREDENEN,O V E R H E TL E V E NV A ND A V I D.D Ö O RPAÜLÜSB ON N ET,Predikant te Rotterdam.IV. D E E L .TEROTTERDAM,B IJ P. EN j. H O L S T E Y N jE NTEUTRECHT,BIJ A. V A N P A D D E N B U R G ,E N 'G. V A N D E N BRINK, J. Z,M D C C L X X X I X .


Onderzocht en goedgekeurd , doorde E. Clasfis van Schieland, den28 e van Lentemaand, 1789.


ÏVV O O R R E D E.Doch welk een ongeluk , dat Joabsverraaderlijke wraakzugt, zooheugelijk eene gebeurdnis met bloedbevlekte ! — Verder wordt onsDavid hier vertoond, roemruchtigveroveraar van Jerufaïem, en SionsBurg; aldaar een cederen Paleisbouwende ; en zeegepraalendoverwinnaar van vijandige Filistijnen;en, geduurende dien veldtogt,belust naar water uit Bcthhhemsbornput. — Voords zienwij hier, David, nu eenige rustGenietende , onderneemen, 's HeerenArk naar Sion optevoeren ;maar daar in verhinderd, door*s heer en oordeel over Uza ; dochdit eerlang, met verblijdenden uitflag,hervatten en volbrengen. —Eindelijk vertoont ons dit VierdeDeel,


V O O R R E D E .Deel, den vroomen Forst, in ernstigoverleg, om den Heere eenenTempel te bouwen, doch van 'sHeerenwege daar in verhinderd;maar niettemin hooglijk verblijd,door vaste toezegging , dateen zoon, welke hem ftond geboorente worden , den Tempel bouwen,hem in V Koningrijk opvolgen,en zijn Koningrijk bevestigdzou worden in eeuwigheid. Toe--zeggingen , welken onzen Davidvervoerden in verwondering, overflorttenmet blijdfehap, en vervuldenmet dankbaarheid. Sloffe, zeker,vol onderwijs, bejïuur, en troost.TER bekorting van dit Werk,zijn nu en dan twee Leerredenentot één gebtagt. Lenige druk-* 3 fou-V


v lV O O R R E D E .fouten zijn ingejloopen; doch menhoopt, geene zinftoorende. Te laatheeft men opgemerkt, dat onder delaat/Ie Leerrede van het voorgaandeDerde Deel, de jaarteekening isgefield 1771, taar hei zijn moest1771-D E Heer bewaare ons lieveVaderland voor tzvistftookende Abners, voor verraaderlijke enwraakzugtige Joabs , voor belaagendeen vijandige Filistijnen;bouwe de muuren van ons Jerufalcm,doe wel aan Sion, beveilipezijnen Tempel , en bewaarezijne Arke onder ons! Hij begunstigeons met het onfchatbaarvoorrecht, om onderdaanen te zijnin het heerlijk en eeuwig Koningrijk


V O O R R E D E . vurijk van denTEGENBEELDI-GEN DAVID, en da^r door erfgenaamen te zuorden van zijneZegeningen! De Heer geeve hun 9die daar toe verwaardigd, zijn,onder verblijdend inzien in denonbegrijpelijker rijkdom der genade, hun gefchonken — . in degrootheid en zekerheid der beloften,tot verre heen 7tot in de eindeloozeeeuwigheid , hun gedaan' en in de volkomen zaligheidwelke hun te wachten jlaat,ootmoedig met God 9dankbaar aande vrije genade9lijdzaam onderbeproevingen , geloovig onder uitftelvan V verwachte goed, gemoedigdonder druk , en godvruchtigin handel en wandel kependeen verkeerende , voorbereid


vm V O O R R E D E .te worden voor de eeuwigheid lDat ook daar toe het leezen deezerLeerredenen gezegend worde,wenscht de Uwe in Christus,PAULUSBONNET.ROTTERDAMden 14 van Lentemaands• 1789. ,XXXIV.


Bladz. jLXXXIV. L E E R R E D E ,2 SAMUELS II. VS. I—TiI. Ende 't gefchiedde dier na, dat David denHE ERE vraegde, /eggende; Sal ick optreckenin eene der Jleden Juda? ende de HE EREfeyde tot hem; Tree kt op: ende David fey de;Wacr henen fal ick optrecken ? ende hy feyde ;Na Hebron.\ 2 t0- ^lf° °g' 1David derwaerts op , als oockfijne twee wijven; Ahinoam de Jizreëlitifche,ende Abigaïl, Nabals , des Carmeliters , hüys*3. Oock dede David fijne mannen optrecken,die by hem waren, eenen yegelicken met fijnhuysgefin: ende fy woonden in de Jleden Hebrons.4. Daer na quamen de mannen van Juda,ende falfden aldaer David tot eenen Koningover het hnys Jada: Doe boodfcliapten fy David,Jeggende; 't Zijn de mannen van Jabes in GLlead, die Saul begraven hebbem5. Doe fondt David boden tot de mannen vanJabes in Gilead: ende hy feyde tot hen; Gef gentzijt gy den HE ERE , dat gy defe weldadigheytgedaen hebt aen uwen heere, aen Saul, endehebt hem begraven.IV. DEEL. A 6. Sa


* XXXIV. L E E R R E D E .6. So doe nu de HE ERE aen u weldadigheytende trouwe : ende ick oock, {ck fal aen udit goede doen, dewijle gy defe fake gedaen hebt.7. Ende nu, laet uwe handen Jlerck zijn, endezijt dapper, dewijle uw heere Saul geftorven is:ende oock hebben my die van den huyfe Juda totKoninghover hen gefalft.Moeiim //^NSZELVEN wel te kennen, is moeilijk,isbet,uit%Jjf omdat ons hart bedriegelijk, ja arglistigfiLTtZ is , en wij genegen zijn, onszelven te vleien.gtnvoor- .— N 0g moeilijker is het, onzen medemensen.as£' te wel te kennen , daar zijn hart een diep dingkejluiten j s, en wij ligclijk vervoerd worden, door heti geen voor oogen is. — Maar allermoeilijkst isw a t ziTalTzijnhet, uit der menfehen tegenwoordig gedrag tezullen, fcefluiten, wat men voor het vervolg van hunte wachten hebbe. Een jongeling , ondereene verftandige en godvruchtige opvoeding,en met een ontwaakt geweten leevende, kan,in de openbaare weereld koomende , tot beklaagelijkedwaasheid, en onzinnige buiten-{poorigheid , vervoerd worden. En hij , diein vroeger jaaren een kind van traanen was,kan door genade veranderd worden, zijnenmedemenfehen ten zegen, en den Heere tenlof en naam. — Maar kan men op een'mensch van meerder jaaren vaster rekeningmaaken ? Men zou zeggen, ja. Dan hoe.vaak wordt men ook hier bedroogen ! Dever-


i SAMUELS ff. vs. i— 3Verborgen neigingen van het gemoed , bedwongenverdorvenheden van het hart, deheimelijke inzichten die men koestert, blijvenveelal anderen onbekend, tot de gelegenhedenkoomen in welken zij zich ontwikkelen ; endeezen koomende, zag men fomwijlen menfchentot zulke uiterften vervoerd worden ,voor welken zij zeiven niet dachten vatbaarte wcezen. Hazaël , den man 'Gods Elifaziende weenen , vraagt hem naar de reden.De Profeet geeft hem bericht, dat hij Koningover Syrië zoude worden, en voorfpelt hem,Welke moorddaadige en onmenschlijke grauwe»len hij tegen Israël bedrijven zou. Hazaëlontzet zich j en noch het een, noch het ander, aangaande zichzelven , kunnende geloo-Ven, vraagt hij : Wat is uw knecht g die eenhond is ? of: IVat is uw knecht ? een hond (a) ?M EER bewijs uit voorbeelden van elderste haaien , is onnoodig, daar wij die , in degcbcurdnisfen welken wij behandelen, zoo nabijons hebben. — Saul, door Samuel totKoning gezalfd zijnde, toonde eerbied en achtingvoor Samuel, hoorde naar 's mans raad,en gaf veel hoop ten goede. Dan met verloopvan jaaren, verwaarloosde hij den Godsman, verwierp deszelfs raad, en poogdehem te bedriegen. 'Gods gebod verfmaadende,Verviel hij tot de fchreeuwendfte godloosheid,Ci) 2 Koningen Vtll: 12, 13,A 2


Echterkan mc»zulks metveel•waarJcbiineiilkheiddoen.4 XXXIV. L E E R R E" D E.onrechtvaardigheid, en wreedheid. Voorheenkbin in zijne eigen oogen (b) , was hij inlaateren tijd groot in zijne oogen, en haatelijkin het oog van God en mentenen. iDAN hoe moeilijk en onzeker het is, uitder menfehen beftaan en gedrag in vroegerjaaren, te befluiten tot het geen zij zijn endoen zullen in volgende jaaren, zijn er echtergevallen, in welken men dit, mefr veel waarfchijnelijkheid,met veel grond zelfs, kandoen. En zulks , onder anderen , wanneermen ziet, dit iemand , en vroegtijdig, en opden duur,Aijne genegenheid aan den Heereen zijnen dienst verbindt; bij groote bekwaamheden, vlijt en beftendigen arbeid tengoede paart; vooral, wanneer men ziet, datzulk een, in veelerlei verzoekingen , en fellebeproevingen , ftandvastig den Heere blijftaanklceven , en voordgaat aan den rechtenVan eene n weg en zijnen pligt vasttehouden. — HebbenDavid, wij dit in David van jongs af gezien ; watzoo lang, grond van verwachting ten goede gaf dit niet,beproefdban mei. ' voor het vervolg! — Wij zagen hem, achterveel goe ^de fchaapen — aan Sauls hof — in Israëlste boope' leger , God , den Koning , en zijn Vaderlandgodvruchtig dienende. Wij zagen hem voorzijnen vervolger vlugten — deszelfs levenverfchoonen — zijnen dood beweenen , enwreeken. Wat is van zulk een' man tewach-(b) I Samueh XF: i~-


2 SAMUELS II. vs. 1—7. 5*wachten ? Buiten bedenking , veel -goeds.En dat de uitkoomst aan die verwachtingheeft beantwoord , zal ons blijken , wanneerwijT HANDS befchouwen — Davids optogtfctwe/kd e uipnaar Hebron; — zijne zalving aldaar tot Ko-"ning; - zijn betaamclijk en voorzichtig ge- ZXtdrag, omtrent die van Jabes in Gilead. £neindelijk zullen wij' , over deeze gebeurdnisfen, eenige vraagen voorftellen , en beantwoorden.A. TER toelichting van dit gefchiedverhaal, en van de verfcheidenheid van itofFedaar in voorkoomende,N. VESTIGEN wij onze aandacht, voorEERST, op Davids optogt naar Hebron —Wanneer ondernam hij dien ? Daar na , zegthet heilig gefchied verhaal. ' Dit Wüst ons opden tijd — niet, nadat David het Klaaglied,m het even voorgaande gemeld , gemaakthadde; dit deed hij eerst , nadat hem het koninglijkbewind over Juda was opgedraagDit daar na, ziet op den tijd , wanneer Da- Dtariif ,vid bericht van Israëls nederlaag, en van den^ *" ' :e 'dood van Saul en zijne zoonen, ontvangen ZÏlhad. — Wanneer David naar Hebron optrokis op geenen dag te bepaalen. Dat het ech'ter fpoedig gefchied zij, blijkt daar uit, dathij reeds te Hebron tot Koning was gezalfd ,A3 toen


f XXXIV. L E E R R E D E ,toen hem bericht gedaan werd , aangaand©het loflijk gedrag der mannen van Jabes inGilead , omtrent Sauls lijk gehouden (b). —Trouwends, er moest thands geen tijd ver.fpild worden; lang zich te bedenken, wasVeel .te verliezen.DAN hoe legt David zijne zaaken aan?Neemt hij, in aller ijl, en doldriftig , zijnbefluit ? Neen 3 hij pleegt bedachtzaam raad.Met wien ? met zijne krijgshoofden en vrienden? Ongetwijfeld ja. Doch dit was hem„*r«*-niet genoeg. Als een godvruchtig man, kentSikde hij den Heer in alle zijne wegen; hyZ'Je"e üneekte 's Heeren aangezicht, om wijzen raad,raai e n R u n s tig bcftuur. Ook dit was hem met ge.noeg Israëls Rijk was een Godsrijk. Schoonhet thands door eenen Koning geregeerd was,en verder dus ftond geregeerd te worden,bleef het eene Godsregeering. — David wasop onmiddellijken last van Israëls God enOpperkoning gezalfd, en zonder gelijken last,ma^ hij, noch wil hij iets onderncemen. Hijvraagt den Heere zijnen God, Door wxen?en op welk eene wijze? JOSEFUS zegt,door eenen Profeet (c). Waarfchijnehjk deedhii dit, door den Hoogenpriester Abjathar,bekleed met den Efod. Wij hebben reedsin meer dan één geval gezien, dat David dusdenO) Vers 4. CO > ( h L 'VU'Ch


2 SAMUELS II. VS. I—7. 7/den Heere raadvraagde (d) • wat reden is er,om te denken, dat hij thands op andere wijzeden Heere zou gevraagd hebben? Israëls leidsmantoch , moest voor het aangezicht desPriesters Haan, die voor hem raad moestvraagen, naar de wijze van Urim (e).WAT vraagt David? Zal ik optrekken in Vraageneeneder jleden van Juda? — Zal ik optrekken/ 6 ofbi' it. w., uit Ziklag, daar ik thands ben? -Sf»,Met reden vraagt David dit. Want Ziklagte verlaaten , was bedenkelijk. Hij had hiereen wettig en veilig verblijf, voor zich enalle de zijnen ; en druk waren zij beezig, inte herftellen het geen de Amalekijten verwoesthadden. Niet zeker onderrecht, vande gezindheid van Israëls volk en oudftenkwam billijk in overweeging, of het raadzaamware, hier aftewachten, wat aanzoekenmen hem zou doen; dan wel, optetrekkenen daar door hen , wier harten voor en methem waren, te gemoet te koomen. —• Zal ikoptrekken in eene der lieden van %cda ? Hiii"",naar eenevraagt met: Zal ik nu de koninglijke regee- der liedenring aanvaarden? dit wist hij, dat hij doen va "? uda 'moest; maar , waar heen hij zich het eerstzoude begeeven ? Zijne aandacht is op eeneder Jleden. Trouwends, op het vlakke land,ofCd) i Samtuh XXIII: 6, 9; XXX: 7, 8.(e) Numeri XXVU: 18-21.A 4


XXXIV. L E E R R E D E .of in onbemuurde plaatfen, was het voorhem niet veilig ; noch tegen het geweld derthands alom ftroopende Filistijnen , noch tegende laagen van zijne vijanden onder Israël,— Ook is zijne aandacht gevestigd , op eeneder fteden van Juda. Niet, dat hij denHeere wil bepaalen tot deezen , in tegenviellingvan eenen der andere Hammen. De geleo-enhcidfcheen van zelve medetehrengen,dat hij, optrekkendei zich naar den ftam vanJuda moest begeeven. Ziklag, fehoon thandsin de magt der. Filistijnen , behoorde tot Judaasftam ; des waren de naaste fteden , dieonder de bcheering van Israëls Koningrijkftonden, in Judaas erfdeel gelegen. Daar bij,meer noordwaards, kon hij niet wel in Israëlsland koomen, omdat der Filistijnen leger,en ftroopende benden, aldaar zijn optrekken,zoo niet ondoenlijk , althans hoogst zorgelijkkondenmaaken. Ook ftonden de zaaken zoo,dat, zou hij zich in den weg ftellen, om denhem toegezegden troon te beklimmen , hij inJuda beginnen moest. Hij , gelijk elk weet,behoorde tot dien ftam ; daar had hij zijnevrienden ; en daar verwachtte hij , met raaden daad best te zullen geholpen worden.D vid vraagt: Heer, zal ik optrekken in eeneder Jleden van Juda?Waarop DOOR den dienst van Priester Abjathar,t 1 ï' antwoordt hem de Heer: Trek op. — Maar'" • " waarom zegt de Heer niet te gelijk, waar'4>-e4 op,heen.


2 SAMUBLS II. VS. l!—7. 9heen, naar welke Had ? Waarfchijnelijk, omDavid te beproeven. Immers had hij , doordrift vervoerd, kunnen denken, dat de Heer,een gedeelte zijner vraag beantwoordende,voor -het overige aan zijne keuze liet j naarwelke itad hij zoude optrekken. Dan de bedachtzaamheid, in deeze zoo gewigtige als


fb XXXIV. L E E R R E D E .moest gebooren worden. Wij weeten ook,Hij moest nederig en .vernederd geboorenworden; daar toe ook moest Bethlehem kleinzijn en blijven , onder de duizenden van Juda— en even daar toe moest ook dienen,dat David zijnen troon en rijkszetel niet aldaar,maar elders vestigde. Bethlehem, dehoofd- en hofftad des Rijks wordende , ftonddoor toevloed van menfchén en vermogens,groot en aanzienlijk te worden. Bethlehem,Davids ftad, moest, ter vernedering van degebooite van Davids Zoon en Heer, kleinblijven. — Ten aanzien van HEB ROK isveel, met betrekking tot 's Heeren bevel aanDavid , om derwaards optetrekken, in aanmerkingte neemen. Hebron was eene overoudeftad, naar Mofes bericht, zeven jaarenvoor Zoan in Egypten gebouwd (f); onzekerdoor wien. In vroeger' tijd, werd zij Ki-RIATH ARBAH, Stad van Arba, in laaterentijd, Hebron genaamd (g). In deeze ftad,'immers in derzelver omtrek, aan het eikenboschvan Mamre , heeft Abraham zijn verblijfgehad (h), genoot aldaar 's Heeren gunstigeverfchijnjngen , en had aldaar eene grafplaats,in de fpelonk van Machpela, in welkehet gebeente van dien grooten Man, vanzijne huisvrouw, van Haak, van Jakob, van(f) Numeri XIII: aa. (g) Cenefit XXIII: a.(bj> Gtnefit XIII: 18.


2 SAftïUELS II. VS, I—7. TI•Rebekka en Lea , rustte. Het was eene ko.ninglijke ftad, wijlecr der Kanaanijten (i);door Jofua bemagtigd (k) ; aan den braavenKaleb ter bezitting gegeeven (1) ; doch naderhand, als eene priesterlijke ftad, aan Leviingeruimd , en door de Kahathijten bewoond(m), Nog laater, werd deeze ftad tot eenevrijftad afgezonderd; blijvende het omliggendeland, en de onderhoorige dorpen, aan Kalehsnakroost tot eene erflijke bezitting (n), —•Deeze ftad wees de Heer David aan ; derwaardsmoest hij optrekken. Veel liep erook faamen, waar door deeze ftad , bovenanderen , zeer gefchikt was voor zijn' intreken verblijf. Het was eene voornaame enaanzienlijke ftad, gelegen in het hart van Judaasftam ; alwaar David bekend was, envermoogende vrienden had , aan welken hij,uit den buit op de Amalekijten behaald , ookgefchenken had gezonden (o). Derwaardswas de optogt ook min moeilijk, als zijndeniet verre van Ziklag gelegen. Hier konDavid veilig zijn verblijf neemen, zijnde dcezêftad op eenen berg gebouwd, Van hier konhij het oog houden, op het geen in andereftammen , ten noorden , en in het overjordaanfche, omging, en ondernoomen werd,He-0) Jofua XII: 10. fk) Jofua X: 36, 37. (*) >fua XIV: 6-14. (m) Jofua XXI: 11. 00 JofuaXX: 7; XXI; 11, 12, (o) 1 Saawels XXXt 31.


s XXXIV. L E E R R E D E .Hebron was eene ftad, welke de Heer voorDavid verkoozen had , als hoogst nuttig aanzijne belangen.W er. WAT nu? Alle arbeid, om het verwoestewaards Ziklag te herftellen, wordt eensflags geftaakt.bj!gop-~ Elk flaat handen aan 't werk , om het zijnetrekt. bij een te pakken , en ten optogt in gereedheidte brengen. Spoedig is alles in orde.Alzoo toog David derwaards op , als ook zijnetwee wijven , Ahimam de Jizreëlijtifche, enAbigaïl, wijleer Nabals des Karmelijters huisvrouw; van welke beide wij voorheen gefprookenhebben. Zoo worden de deelgenootenzijner rampen, deelgenooten vanzijnen verblijdenden gclukftaat. Ook' deedDavid zijne mannen optrekken , die bij hemwaren , eeri iegelijk met zijn huisgezin, opdatdezelven, achterblijvende, den Filistijnen nietter prooie zouden worden. •— Om van deezenoptogt , en toeftand van Davids zaaken,een behoorelijk denkbeeld te vormen, moetenwij ons herinneren — gelijk te voorenreeds is opgemerkt — het geen ons in hetEerfte Boek der Kronijken wordt bericht (p).Daar leezen wij , dat tot David , toen hij teZiklag was, boven de zeshonderd mannenmet welken hij aldaar was aangekoomen, vantijd tot tijd waren toegevloeid een aantal helden, uit Benjamins ftam, en zelfs uit Saulsi. . . : naast,£p) i Kronijlun XII,


' 2~SAMUELS II. Vs. ï—7. mnaastbeftaanden; die , bloeiiverwandfchap terzijde Hellende, zich, tot befcherming vanhet verdrukte vaderland , bij den vervolgdenDavid voegden (q). Dat, verder , dapperehelden uit de Gadijten , nevens, nog anderenuit Benjamin en Juda (r), tot hem kwamen;en toen het fcheen, dat hij met de Filistiinentegen Saul zou ftrijden , nog veelen uit Manasfe(s). Ook leezen wij daar, dat er,wanneer David uit der Filistijnen leger naarZiklag aftrok, nog meer voornaame mannen,uit dien ftam, tot hem overkwamen (t);waar door zijn leger, toen hij uit Ziklagnaar Hebron optrok, groot, en als een legerGods was.IN dit verhaal koomt ons eene bezonderheidvoor, welke wij uwe A. moeten herinneren.In het aangehaalde Hoofdfiuk wordtons bericht (u) , dat toen David in de vestingZiklag was , en onder anderen, tot hemkwamen van de kinderen Benjamins en Juda,hij, in plaats van hen met opene armen teontvangen, hen te gemoete ging, en ophunne aanbieding ten zijnen dienste , antwoordde: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekoomenzijt, om mij te helpen , zoo zal mijnhart te gelijk over ulieden zijn ; maar indien hetis,(q) 1 Kronijken XII: 1—7. CO Vers ,8—18.Cs) Vers 19. CO Vers 20. (u) Vers 16—18.


Z 4XXXIV. L E E R R E D E *•is , om mij mijnen vijanden bedriegelijk overte*leveren, daar toch geen wrevel in mijne handeni ;_ de God onzer vaderen zie hei , en Jlraffehet! Met reden doet dit vraagen: Van waar,waar toe , zulk eene bejegening ? — Waarfchijnelijkhad David aanleiding om te vreezen, dat onder die veelen die tot hem kwamen, ook verfpieders en verraaders waren.Waarfchijnelijk , dat zij die thands kwamen,lieden waren, welken hij meende niet te kunnenvertrouwen; het zij, dat hij hen niet genoegzaamkende ; het zij , dat hij hen zoodacht te kennen , dat hij reden had hen tefchroomen; het zij , dat hunne hoofden zooaanzienlijk waren, en hun getal zoo grootwas , dat hij vreesde, eerder door hen overheerscht,dan geholpen te zullen worden —wel weetende , dat magtige helpers , al dikwijls, meer te duchten zijn , dan het kwaad,waar tegen zij zeggen te willen helpen. Danfchoon Davids voorzichtigheid te prijzen is,deed de uitkoomst hem zien, dat de zaakenbeter ftonden, dan hij vermoedde. AM AS IA,de Overfte deezer manfehap , door liefde totDavid, en door heldenmoed , krachtig aangedrecven, riep dien Vorst toe: Wij zijn uwe,o David! en met u zijn wij, gij zoon van IfailOp zoo rondborstig een taal, laat David zijnebekommering ten eenemaal vaaren „ ontvangthen met blij genoegen, en ftelt hen tot hoofdender benden.ZIET


s SAMÜELS II. vs. i—-7. T$ZIET daar, David, met zijn volk en huis-flfcr vakgezinnen, verzeld van zoo aanzienlijk een v^e p teelrk° e n"leger , trekt op naar Hebron. Uit dit alleszien wij — dat de ftaat van Israëls Rijk, ophet laatst van Sauls regeering, zeer ontzenuwd, verdeeld , en los was ; — dat vrijalgemeen, Sauls wangedrag veroordeeld, enDavid hoog geacht j en zijn lot beklaagdwerd ; — dat die van Juda, vooral-, in dieverwachting waren, dat bij Sauls dood , detroon door David ftond beklommen te worden;— dat hij, naar Hebron trekkende, vergezeldwas van eene krijgsmagt, zoo aanzienlijk, dat die van Hebron , en gansch Juda,grond hadden om te gelooven, dat hij in ftaatwas , om hen, en zichzelven, tegen de Filistijnen, en binnenlandfche vijanden , te verdeedigen.•— En in dit alles zien wij , dat,en hoe , de Godlijke Voorzienigheid , ter uitvoeringvan haare bedoelde oogmerken, trapsgewijzede middelen befchikt, en omftandigheden,,op welken men niet had kunnendenken , wonderbaar doet faamenloopen. —David, dus in optogt zijnde, had niet Vooralweinig te bedenken en te befchikken ; maar^/Vhet ontbrak hem ook niet aan ftoffe , ommet verbaazing terug te zien, op zoovee-Ie donkere dagen , in welken hij uit de benaauwdheidtot zijnen God had geroepen,en , ziende op zijne tegenwoordige omftandigheden,zijnen Verlosfer ootmoedig tedanken, en tevens, door zooveele ondervin*


Die hierï6 XXXÏV. L E E R R E D E .vindingen bemoedigd , verder op den Heerete hoopen.INTUSSCHEN nadert David de ftadv- Onderblij gejuich opent men. hem de poorten.Hij treedt binnen , en neemt zijn verblijf aldaar.— Dan de mannen die bij hem waren,en welken hij , een ijder met zijn huisgezin,had doen optrekken, woonden, namen hunverblijf, in de fteden Van Hebron. Wat zegtdit? Dat David, zijne wooning in de ftad genoomenhebbende, zorg droeg, dat deezepriesterlijke ftad, door de inlegering van zulkeen talrijk hcir, niet bezwaard wierd , endaarom het krijgsvolk in de fteden , aan hetrechtsgebied van Hebron onderworpen, hunverblijf deed necmen.DAAR is nu David , van vlugtend buitenvtralde- ' S l a n d s 'J 1^ 3'i n h e t l i a r ti n ftedegr'n» on- zich te vcrfchuilen in holen , fpelonken, endervend, (jigte bosichen , vindt hij zich in eene welgevestigdeftad. Blijde was hij , toen de FilistijnfcheKoning hem Ziklag ten verblijfgaf; maar welk eene dankftof, daar Israëlsen zijn God, hem HEBRON fchenkt terwooning! Thands ziet hij zich omgeeven,niet van vervolgende vijanden , en fnoodeverraaders, maar van begunstigende vrienden,en getrouwe helpers. Hij ziet en hoort zich,in ftede van veracht en gevloekt, alom geëerden geliefd. Welk eene verandering! —•Dit


2 SAMUÉLS II. VS. ï—7. ffDit was groot. Dan David kwam niet tcHebron, om daar gemakJijk te \voonen, gerustte flaapen , een goede tafel te houden,en zich in den aangenaamen omtrek van dieftad te verlustigen. De Koning was dood,de troon ftond open, en het Rijk was inbfjstere verwarring, Er moest een Koningzijn ; en hier toe was onze 'David van Godverkoozen, en op zijn bevel gezalfd. — Watzal David nu doen? Zal hij nu, met zijn gewapendleger, uit Hebron trekken , de omliggendefteden bcmagtigen, vlekken en dor--pen met het zwaard dwingen , om , willendsonwillends, hem voor Koning te erkennen?Neen. God had hem den troon beloofd, maargeen bevel gegeeven, om dien naar eigen goedvindente beklimmen, Dit ook was niet noodig;de Heer deed, door eenen faamenloopvan zaaken , hem opdraagen , het geen hij ^op grond der Godlijke belofte, verwachtte,3. DAAR na, kort nadat David te Hebron Bczovder,was aangekoomen, kwanten de mannen van r,aarhi iJuda, en zalfden aldaar David tot eenen Ko. ZnSgning over het huis Juda, Over deeze woor->den,welken klaar zijn, zal ik flegts dit ^ï- d a g T l f inige zeggen. — Dat men perfoonen, tot dekoninglijke waardigheid verkoozen, gewoonwas plegtig te zalven, is voorheen reedsopgemerkt (v) , en ftaat ons in het vervolg00 Hnofdfluk 'XPI.IV. DKEL. Bn° S


IS XXXIV. L E E R R E D E .nog voortekoomen. — Die hier bedrijvigzijn , zijn de mannen van Juda ; dat is, dehoofden van dien ftam , de oudftert der fteden, en met hun, het ganfche volk vanJuda , en ook die gedeelten der andere Hammen,welken in Judaas ftam hun erfdeel hadden,_ Deezen , het zij in perfoon, of doorhunne afgezondenen , zalfden David tot Konjn < T_ niet over gansch Israël ; daar toehad & Judaas ftam recht noch magt. En inhet vervolg zullen wij zien , dat de aadereHammen , meestendeels , nog eenigen tijd dezijde van Sauls huis hielden. — Eenige vraagen, ten aanzien en van Judaas, en van Davidsgedrag , waren hier te doen ; doch beterzullen die aan het einde der verklaaring-—o•»•vleien. Ziet daar de groote zaak, Davidis Koning over Juda! Ziet daar, God getrouwin het vervullen zijner beloften, en aanbiddelijkwijs in zijn befiuur — doende in zoolangduurig een tijdsvervolg zooveele gebeurdnisfenen° omflandigheden faamcnloopen , omzijnen eeuwigen raad te doen beflaan, zijnegedaane beloften te vervullen ; en dat inzulk een' tijd, en in zulke omflandigheid vanzaaken , in welken David door oefening bekwaamgemaakt was , tot zoo gewigtig een'post, en Juda, door nood'gedrukt, naar hertellinguit rampen hijgde, en beide de ruimfteHof tot danken hadden. — Ziet daar,.David aanvanglijk uit nood gered, uit ballinpfchanen jammer verlost, uit de laagtever-


2 SAMUÈLS II. VS. I—J. je}verhoogd, ten Vorst en Voorganger van. Judaa'sftam. — Ziet daar," Septer en Wetgeever,naar Jakobs voorzegging,- tot denrechten ftam gebragt. — Ziet daar den weggebaand , om afkoomst j hoedanigheden , enlotgevallen van Vorst Mesfias , der Kerketot veel nuts, duidelijk te teekenen; — Eenegebeurdnis, zeer aanmerkelijk in kérk- eriburgerftaat; voorgevallen ,- volgends de bcpaalingvan geachte Tijdrekenkundigen, inhet 2942 jaar na de fchepping der weereld ~435 jaar, na den uittogt uit Egypten —.omtrent 14 jaaren, nadat David door Samuelin flilte was gezalfd — en omtrent 10 jaaren, nadat Saul hem openlijk begon te vervolgen.J, DAT David, nu Koning geworden, hoofd 7 **»*en handen vol werks had , is ligtlijk te den-^^fken. Eene der eerfte beezigheden, door hem^W*,Verricht, en hier verhaald , was zijne betaamelijkeen voorzichtige befchikking , omtrentdie van Jabes in Gilead. Toen , in die omftandigheidvan tijd en zaaken , boodfehapten ontvangtzij David, zeggende: Het zijn de mannen van éij !' e 'Jabes in ^Gilead, die Saul begraaven hebben, aa^n-Dit bedrijf van die van Jabes in Gilead el- d e d i e v a nders befchreeven (w) , behoort niet tot 'onzeftolfe ; maar wel, dat wij vraagen : -— wat8CO t Samueh XXXI: 11-13; ï Kronijken X:"~ 12, IB 2


se> XXXIV. L E E R R E D E . 'men , met dit bericht aan David te doen,beoogd hebbe ? — en hoe dees zich omtrentdat bericht gedroeg? — Wat bedoelde men,met dit bericht aan David te geeven ? Hadmen het boosaartig oogmerk, om die vanJabes in Gilead verdacht te maaken , als ofzij, door Sauls lijk die eer aantedoen, Davidhadden willen hoonen ? Het is zoo , erwaren ten allen tijde menfchen , die de onfchuldigfte,de pligtmaatigfte bedrijven, alshaatelijk en ftrafwaardig deeden voorkoomen.Heeft men dit bedoeld , dan heeft men Davidniet gekend. Veeleer moet men denken , datde berichters beoogd hebben , hem door zooaangenaam eene tijding te verblijden, en hemachting voor die edelmoedige vaderlanders inteboezemcn.Die Davids geaartheid en beftaankent , zal niet kunnen twijfelen , ofzijn hart is door het liefdewerk van die lie-W e l k e nden fterk getroffen geweest. - Dit blijkthifht- ook , uit het gedrag, dat hij, op het ontvanda" k t ' gen van dit bericht, gehouden heeft. Hijdoet eene plegtige bezending aan die van Jabesin Gilead", en laat hun zeggen , hoezeerzijn hart gevoelig is , over zulk een liefdeblijk,aan hunnen geweezen Koning betoond.Gezegend, zeide hij tot hen, zijt gij denHEERE; alle heil en voorfpoed hun dustoewenfchende — dat gij deeze weldaadigheidgedaan hebt aan uwen heere, aan Saul, en hebthem begraaven; hun doen dus roemende, alshoogst weldaadig, aan hunnen gefneuvelden


2 SAMUELS II. VS. I—7. ziKoningien gansch het Rijk. Hartlijk boezemthij deezcn wensch over hen uit: Zoo zegendoe nu de HEER aan u weldaadigheid; uw wcmcbt > \weldoen met weldaaden vergeldende • entrouwe ; vervullende zijne beloften , aan hundie gerechtigheid doen , zoo meenigwcrf gedaan! •— Bij zulk eene dankzeggende zegening,voegt David eene verklaaring en verzekeringvan zijne koningrijke gunst. En iïvan^jntook, zegt hij, zal aan u dit goede doen ;uweldoende', .dewijl gij aan Saul en de zijnen 'deeze lofwaardige zaak gedaan hebt. — Voordsvermaant hij hen tot kloekmoedige dapperheid.En nu , zegt hij , laat uwe landen fierkaanmoe.zijn , u wapenende ter verdeediging , tegen *geweld van buiten, en list van binnen * enzoo het tot ftrijden koomcn moet, weest dandapper — tè meer, dewijl uw Heer Saulg e.ftorven is. Want, daar door van gebiedendkrijgshoofd ontbloot zijnde, moet gij zcJfdies te meer voor de goede orde, voor derust, voor de veiligheid van uzelvcn en uwenabuuren, waaken. -— Ter bemoediging tegenmoedloosheid , en om andere redenen , ftrakste overweegen, voegt hij er dit bericht bij ;En ook hebben mij die van het huis Juda mKoning over hen gezalfd; plegtiglijk hun dus v a nkennis geevende , van zijne koomst tot ÖK**troon.WAT moeten wij van dit bedrijf en ge-Gedragdrag van David oordeelen ? Dat het betaame. v a n'B 3lijk'/"»


ar XXXIV. L E E R R E D E .lïik, dat het voorzichtig, dat het lofwaardigint h,- is. — Dat het betaamelijk is. Saul had hem.taameuitbitteren haat, vijandiglijk vervolgd,en was dus zijn vijand geweest; maar Davidshart had geen haat of vijandfchap tegen dienongelukkigen gevoed. Had hij nu geen blijkenvan kinderlijke liefde aan den perfoonkunnen geeven , hij wiï die aan zijne nagedachtenisbetoonen, hartlijk die van Jabesdankende, die gedaan hadden, het geen hywel had willen , maar niet had kunnen doen,En begriioende , in welk gevaar deeze liedenwaren ; , van vijand aan den eenen, en moedloosheid, aan den anderen kant, bemoedigthij hen, door opwekking tot dapperheid, doorverzekering van zijne dankbaare erkendtenis,en bericht van zijn koninglijk vermogen , terhunne hulpe. — Dit gedrag van David moe,kjcbiig, ten wij ook voorzichtig keuren. Hij laat zichdus zien, als een man die oplettend is op hetgeen hem voorkoomt, en die de zaaken juistbeoordeelt; als een man ook , die rechtvaardig, billijk, en dankbaar is, en gezind , omdeu'dzaame bedrijven, door weldoen edelmoedigte vergelden. Een gedrag van David,nu eerst ten Koning gehuldigd , van grooteaangelegenheid. Het moest flioode vleiers enbooze lasteraars befchaamen, en het hart dergoeden aanmoedigen en fterken. Zulk eengedrag was ook zeer gefchikt, om de gemoederender andere Hammen , buiten Juda , inteneemen; zulk eene bezending , met zulkeene


2 SAMUELS II. vs. i—7. 23eene boodfchap, te Jabes gedaan, moest vandaar, door geheel Gilead , en verder heen,met lof vermeld worden. "En dé bekendmaaking, dat die van het huis van Juda hemtot Koning over hen gezalfd hadden , fchijntvan ter zijde in bedenking te geeven, of menhet aldaar niet dienstig zou oordeelen, dievan Juda natevoJgen, en zich onder het beftuuren de befcherming van Koning Davidte ftellen. Dit beleid is voorzichtig. •—• Te-«»l«fvensis het lofwaardig. ,, Dat zou het ge-% aard ' sweest zijn, zegt de belaager van Davids eer,indien ftaatkunde en eigenbelang geen deel indit beleid hadden gehad. Het flot van deboodfehap , welke de gezand ten te Jabes inGilead moesten afleggen , verraadt het geheimeoogmerk ; David poogt de lieden aldaaruittelokken , om hem , gelijk die vanJuda gedaan hadden, tot Koning uitteroepen".— Zou men wel denken kunnen , dat beftrijdersvan Gods Woord , zulke ftrenge Zedenmeesterswilden zijn? Maar, met hun verlof;het zij zoo , dat David met deeze bezendinf,en de boodfchap door zijne gezandten tedoen, ook beoogd hebbe, zich aan die vanJabes te veraangenaamen; het zij zoo, dathij een proef hebbe willen neemen, van hunnegezindheid jegens hem — wat doet dit,ter bezwalking van Davids lof ? Met redenroemt men ten hoogften , zulk een deugdlijkbedrijf, bij het welk alle uitzicht op eigenbelangis uitgeflooten; maar kan wel alle lofB 4aan


24 XXXIV. L E E R R E D E .aan zulk ccn bedrijf ontzegd worden, waarinhet betaamehjk eigenbelang aan deugd enpligt ondergefchikt wordt ? David is getroffen,door het edelmoedig gedrag van die van Jabes.Hij wil die lieden doen weeten, dat zijnhart dankbaar , en hun dieswegens toegenegenis ; dit is lofwaardig. Hij laat hun tevensweeten , dat Juda hem ten Koning ver Tkoozen heeft. Wat valt hier te berispen?Hij heeft , zegt men , een proef willen neermen, of men in Gilead genegen zou zijn,hem voor Koning uitteroepen. Het zij zoo \maar ftond hem dit niet vrij ? Is het niethoogst prijslijk, dat hij, van 's Heeren wegetot Koning over gansch Israël gezalfd zijnde,zich van alle geweld onthoudt, en niet, dandoor vrijwillige keuze, tot het bezit wil koomenvan het geen, waar op hij van 's Heerenwege recht had ? Davids bedrijf was indit geval lofwaardig.0/)jf t% NOG moeten wij , over deeze gebeurd rverbaal nis , cenige vraagen voorftellcn , en beantvaitaan- j — JVleii vraast: Deeden die vantemet ken, • ° , .Juda wel, dat zij David ten Koning verkoozen?— Deed David wel, daf hij hunne verkiezingaannam ? -— Heeft David den troonwel door behoorelijke middelen beklommen?dat y u- DEEDEN die van Juda wel, dat zij Davidd7ii/'v)et-" t e n Koning verkoozen ?" •—• Men vraagt:tig is. Beftond het Koningrijk niet uit alle de twaalfftam.


2 SAMUELS II. vs. 1—7. 25ftammen Israëls ? Immers ja. Mogt dan deftam van Juda, op en voor zichzclvcn, weieenen Koning verkiezen ? maakte die ftam,zulks doende, niet eene onbehoorelijke fchuiring?En zoo Juda hier al in de voorbaatwilde zijn, met eenen Koning te verkiezen,had men dan niet Isbofeth , zoon van denoverleeden Koning Saul, behooren te verkiezen; gelijk wij zien, dat de andere ftammeudeeden ? en zou gansch Israël dan niet ver,eenigd , en alles in rust en vrede gcbleevenzijn? Ziet daar bedenkingen, tegen de wettigheiden deugdiijkheid van Judaas bedrijf. —De zaak , alleenlijk bcfchouwd met opzicht,tot Juda, zou van zoo groot een belang nietzijn , dat wij moeite en tijd behoefden te befteeden, om de deugdiijkheid van dcszclfs ge--drag te onderzoeken. Doch daar het karakteren gedrag van David , in zulk een verbandmet dit ftuk ftaat, zijn wij verpligt, het eenen ander, zoo kort moogelijk, hier over voortedraagen.— Het Koningrijk had, 't is waar,beftaan uit alle de twaalf ftammen ; maar deband , welke hen tot één Koningrijk verbon-,den had , was door Sauls dood verbrooken.En gelijk, voorheen, bczondere ftammenzich eenen Hechter mogten verkiezen , wasJuda thands ook bevoegd , om over zijn beftuurbefchikking te maaken. — Maar maakteJuda dus geene fcheuring onder deNaatfij?.Juda , doende dat recht was , wees aan deandere ftajanien den weg ; geliefden die nietB 5te


16 XXXIV. L E E R R E D E .te volgen, dit was hunne zaak. En wiemaakte dan fcheuring? — Maar waarom verkoosJuda. niet-Isbofeth , Sauls zoon? Hiertoe was geene verpligting; want de kroonwas als nog niet erflijk. Dus is ze eerst geworden, in Davids huis. En had men hierhet erfrecht willen doen werken , dan hadniet Jsbofeth , maar Mefibofeth , zoon vanPrins Jonathan, de kroon moeten erven. Defnoode Ziba , dit weetende , zegt, om dienzoon van Jonathan bij David in verdenkingte brengen , dat Mefibofeth deeze taal gevoerdhad : Heden zal mij het huis Israëlsmijnes Vaders Koningrijk wedergeeven (x).Dit zou ook niet ftaatkundig zijn geweest.Israëls leger was gefiaagen ; de beste legerhoofdenwaren gefneuveld ; de vijand was;en woonde, in 't hart van het land; en doordit alles, was de verwarring zoo groot, alsde ellende. Hier was geen Isbofeth, maareen David noodig. En Juda , weetende datde Heer David ten Koning had verordend,volbragt , door hem te verkiezen, den wil;van Israëls Opperkoning. —Meent men, datgansch Israël in rust en vrede zou gebleevenzijn , indien Juda Isbofeth had verkoozen ?dit zou ook hebben plaats gehad, indien deandere ftammen, met Juda, David haddenverkoozen. Al het gewoel voor Isbofeth,was het werk van den heerschzugtigen Ab-(%) a Samuels XFb 3.ner;-


2 SAMUELS II. VS. 1—7.2 7ner; gelijk wij in het vervolg zullen zien.Dees man en zijn aanhang, zijn de oorzaakengeweest van al de verdeeldheid en rampen,welken het land zeven jaaren lang gefolterdhebben.„ DEED David wel, dat hij de verkiezing cw//*„op hem uitgebragt, aannam?" dit is de*""""'TWEEDE vraag. Deeze is uit de gronden, zoo^*even aangèweezen, gemaklijk te beantwoorden.God had David verkoozen , en door Samuellaaten zalven. Jonathan had deszelfs kroonrechterkend en verzekerd. Saul zelf hadverklaard : Ik weet dat gij voorzeker Konin*worden zult, en dat Israëls Koningrijk in uwehand beftaan zal (z). De vrije neiging derandere ftammen was ook tot David ; overheerfchendgeweld alleen , had die zugt doenfmooren. Wij zullen Abner, in het vervolg,deeze taal tot de andere ftammen hooren voeren: Gij hebt David te voeren lang tot eenenKoning -over u begeerd; zoo doet het nu (a).David, door Juda verkoozen wordende, mogt,moest de kroon aanneemen, en den troonbeklimmen.„ MAAR is David wel ten troon gekoo-„ men, langs wettige, langs behoorelijke„ wegen?" Dit is de DERDE vraag; en deezeraaktCO I Smuels XXIV: ai. (^iSamuelsIU: 17,18.


fc8 XXXIV. L E E R R E D E .raakt onmiddellijk het karakter van David. —-Wat middelen heeft hij dan te werk gefield tHij heeft de hoofden ,van Juda door gefchenkenomgekocht. Welk een eerloos bedrijf!Maar hoe weet men het ? Hij heeft uit denbuit, op de Amalekijten behaald, gefchcnkenaan de oudften van Juda gezonden (b).Dit, ja , heeft hij gedaan ; maar wat heefthij daar in misdaan? Hij had dienst en vriendfchapgenooten ; en mogt hij , nu hij konde,dit niet dankbaar erkennen ? Hij maakte dusgeen vrienden, maar hij dankte zijne vrienden.Wat en waar is hier omkooping ? — Maarheeft hij daar bij niet bedoeld , de genegenheidvan zijne vrienden onder Judaas oudften,te bevestigen , en verder optewakkeren ? Hetzij zoo ; wat zwaarigheid ? Wat misdaad washier in gelegen ? wat Godlijke of mcnschlijkewet had hem dit verbooden ? David had rechttot, en verwachting op den troon ; en waaromzou zulk een Vorst, in een' tijd dat deopenvalling des troons nabij fchcen, zijn wettigbelang niet door vriendlijkheden moogonbevoorderen? Noch Juda, noch David, hebbenhier iets gedaan, dat berispt kan worden,dan alleen door zulken, die het zich eene eerrekenen, eens anders eer eerloos te fchenden.ZAGEN wij voorheen , Saul gefiorvcn —Israëls troon ledig — het leger geflaagen •—hetfb) i Samueh XXX: 26-31.


2 SAMUELS II. vs. i—7. aphet overblijf fel zonder opperhoofd — de Fi.listijncn in 't hart van het land — het Rijkzonder geregeld beltuur — en geweld , ver.warring, eh fchrik alom verlpreid; zie daar,na zoo donker een' nacht, den dageraad der•verlosfing , en voor den verdrukten David,en voor het gefolterd vaderland, heugelijkdoorbreeken ! David ziet van vervolgers,vrienden , en zich , die balling was, Koning;•en verwisfeit daar door zijn geween en bangeklagten , met blijde Psalmen. Het Rijk zietaanvangüjk zijne breuken geheeld, en verblijdtzich in het vooruitgezicht, dat zoo dappereen held den vijand verdrijven, het krijgswezenverbeteren, en land en fteden befcher--men en beveiligen zal; — tevens , dat zoogodvruchtig een man, zoo wijs, zoo edel-• moedig een Vorst, door voorzichtig beleid-de rust herftellen, den Godsdienst befchermen,•de welvaart bevoorderen, en den zegen envrede alom verfpreiden zal. — En de ftamJuda mogt thands aanfchouwen de aanvanglijkevervulling der aloude Godfpraak, vanvader Jakobs ftervende lippen afgevloeid.Volgends dezelve, zou de Septer van Juda nietwijken, noch de Wetgeever van tusfchenzijne voeten, tot de Schilo koomen zou. Dathet opperbeftuur en magt, in Sauls perfoon,bij Benjamins ftam was , was zekerlijk eenebeproeving voor Israël in 't gemeen, en voorden ftam van Juda in het bezonder. Maarthands zag die ftam , gezag en wetgeevendemagt,


So XXXIV. L E E R R E D E .magt, door Godlijk beftel , tot zich over»gebragt, en daar in een bewijs van 's Heerentrouw, en grond voor het geloof, aangaandeSchiloos koomst in de volheid des tijds.mjlre- B. WANNEER wij op dit gedeelte van hetrenn eilig gefchiedverhaal behoorelijke aandachtvestigen , zullen wij ook hier het een en andervinden, dat ons, in onderfcheiden omftandigheden,tot onderwijs, beftuur, en bemoedigingdient. Laat ons,N. VOOR EERST, opmerken: „ In alle onzeinivelr- „ wegen , vooral in zaaken van aangelegensewen?». ^Q\d , moeten wij den Heere kennen, envZten" naar zijn welbehagen vraagen". Dus, zienvan ge- wjj ^ deed David. — Dit onderwijs , in hetgemeen, is ons voorheen reeds voorgekoowoetenm e n ; en het is ons voornemen niet, onslemen. ^o y e r ti iands uittebreiden. Het bezonderedat ons hier voorkoomt, is dit: David wist,dat hij bij Sauls dood den troon beklimmenzou' hij wist, dat hij zich daar toe in denweg'moest ftellen, en middelen ter hand neemen; hij wist, een faamenloop van zaakenbeflischte het , dat hij zich naar Juda begcevenmoest — maar de vraag was, of hij zichvoor eerst in het veld zou legeren , dan ineene der fteden zijn verblijf neemen ? en zoodit laatfte ; in welke ftad ? — Het is zekereen groot voorrecht, in gewigtige gevallen ,te weeten.wat men doen moet; doch dit isniet


2 SAMUELS ff. VS. 1—7. 3ïniet altijd , noch in alle. gevallen , genoeg.De ondervinding leert ons, dat wij, offchoondit weetende, zeer verlegen kunnen zijn, tenaanzien van den tijd wanneer, de plaats waar,de menfchen met wicn , en de wijze op welke, wij best zullen kunnen doen, het geenwij weeten te moeten doen. De ondervindingleert ons ook, dat die dingen , welkenwij weeten onze pligt te zijn , door die ontijdigte doen — niet op de behoorelijkeplaats te doen •— niet bij en met de gefchiktemenfchen te doen — niet op gepaste wijzete doen , even daar door , veelal, bedorvenworden , en wij , met de beste oogmerken,allerongelukkigst flaagen. Dit met voorbeeldenoptehelderen , zou ons te lang ophouden.Wie heeft er geen ondervinding van?HOE noodig dan, ook in deeze bezonderhedenden Heere raad te vraagcn ! Het iszoo, wij hebben geen' Priester, met de Urimen Thummim ; onmiddellijke openbaaringenhebben wij niet te wachten. Ook moetenwij wel op onze hoede zijn , voor ons eigenhart —' invallende gedachten — verbeeldingenvan, en in onzen geest; als Godfpraakendie te eerbiedigen , is onszei ven bedriegen.Maar noodig is het, dat wij ftaan naar eenenbedaarden en bedachtzaamen geest; en datwij waaken tegen drift en haast, in het befluiten.Vlugge vaardigheid, in het bepaalenvan gedachten, wordt wel eens ftreelendbe-


3i XXXIV, LEERREDE.bewonderd, maar bij de üitkoomst niet zeldenbezugt. Noodig is het, voorkoomende zaaken,zooveel moogelijk , van rondom te bezien,en, daar men kan, den raad inteneemenvan godvruchtige en wijze vrienden. Noodigis het, verftandig op het Woord acht te geeven; daar het, door onderwijs en voorbeelden, eene lamp is voor onzen voet , en een. licht op ons pad. Noodig is het , dien God,bij Wien alle onze paden zijn , ootmoedig tefi»eeken, dat Hij ons leere, zijn welbehagente doen , en dat zijn goede Geest ons leide ineen effen land. Noodig is het, dat wij ophet beftuur der heilige Voorzienigheid letten,en wel zorgen , dat wij niet ftijfzinnig doordrijven, wanneer wij kunnen opmerken datde Heer , op de eene of andere wijze , onstegen koomt. Noodig, immers, dat wij, ietsmoetende befluiten of onderneemen , het zijer meer of minder tijd tot beraad is , zulksdoen met een oog op den Heere , en in afhangingvan zijn hoog beftuur, met oprechtezugt , om den Heere in alles welbehaagelijkte zijn.WIERD dit altoos behartigd '. Maar hoedikwijls is het veelen genoeg, dat zij weeten,of mccnen te weeten , wat zij moeten doen,zonder recht bedacht te zijn, hoe zij het doenmoeten ! —- Ik zal thands van zulke menfchenniet fpreeken , die meenen , dat hunnezaak goed zijnde , het om 't even is, hoe zijdie


a SAMUÈLS II. vs. 1—7.g.|'die behandelen, voordzetten, en ten eindebrengen ; en die des geen leugens, geen' laster, geene bedriegerijen , geene onrechtvaardighedennoch geweldénaarijen ontzien j omhunne oogmerken te bereiken —• het daarvoor houdende, dat de fnoodfte middelendeugdzaam, immers geoorloofd worden, doorde gewaande deugdzaamheid hunner zaak enoogmerken, Der zulken handelingen zijn godloos; zij brengen over zich en hun bedrijfden vloek. God toch heeft geen' lust aangodloosheid ; van den man des bedrogs heeftHij eenen grouwel. — Ik fpreck van andere,van betere menfchen; van menfchen, die nietalleen overtuigd zijn van de deugdiijkheid vanhunne zaak en hoofdoogmerk, maar ook gezindzijn , om zich in dcrzclver behandelingbetaamelijk te gedraagen. Onder deezen gebeurthet, dat zij, door hunne drift verrast iof door verbeelding van hun goed doorzichtmisleid , of door anderen vervoerd , niet behöorelijknadenken, hoe noodig het is , denHeere te kennen in alle hunne wegen ; hoeveel er aan gelegen is , in alles in 't middenvan de paden des rechts te wandelen. — Onderdeezen gebeurt het , dat zij, de bedachtzaamheidniet over hen de wacht houdende, teveel op hun verftand fteunen, te fnel zijn methunnen mond , te voorbaarig in hun bedrijf,zonder biddend optezien tot den ,Heere , enzonder wijs beraad, te werk gaande, van achterenzien, dat zij ontijdig, op min gefchikteIV, DEEL, C wijf


I 54 XXXIV. L E E R R E D E .wijze, en op verkeerde plaats, bedrijvig zijn;waar door zij al de vrucht van hunne poogingenverliezen, zichzelven verwarren, moeiteen zorg verdubbelen , en bij de uitkoomstmeer fchade dan nut bewerken. — Gedenkenwiï toch: David , weetende dat hij moest optrekken,vraagt: Waar heen zal ik optrekken?En datwij,'s Heerenwil kennende,vol vaardigdientune tenvolgen.2. LAAT ons, ten TWEEDEN, hier leeren: „ Daar wij 's Heeren wil kennen, moe-• ten wij dien volvaardig, in vertrouwen op| den Heere ,. en gemoedigd , volgen". —David, 's Heeren bevel ontvangen hebbende,trekt zonder verwijl, met gansch zijn huisgezinen volk, naar Hebron op, vertrouwende, dat de Heer, die hem derwaards wees,hem leiden zou. Die behooren wij natevolgen.— Intusfchen gebeurt het , dat menbewust is van zijne roeping, en overtuigdvan ziinen pligt, en men echter fchroomt,handen aan 't werk te flaan. Berispelijketraagheid des harten , ongegronde bekommeringen, ingebeelde zwaarigheden , ongeloofaan 's Heeren beloften, onverloochendheid aanmenfchen gunst, en wat niet al ? kunnenzelfs den godvruchtigen vervoeren , om , mplaats van den roependen God blijmoedig tevolden , het verftand te fcherpen , om moeilijkhedenuictedenken , welken een' vleienden-fchijn hebben van wezenlijke verhindering,üf immers tot uitftel fchijnen te raaden. —'t Is waar , men heeft veelal, in het doenvan


1 SAMUËLS II. Vs. ï—7»(35van zijnen pligt, veel voorzichtigheid , tenaanzien van menfchen, tijd, plaats, en wijzevan doen, noodig. Dan, gehoorzaamheid asnGod , fluit deeze oplettendheid niet buiten.In tegendeel, ook dit is Gods gebod : Zktlhoe gij voorzichtiglijk wandelt. Maar deezepligt mag nimmer een voorwendfel- zijnscmlicht en overtuiging te overdwars fchen , roepingte wederftreeven , en pligt. te verzuimen.— Hebt gij , godvruchtigen , mcenig.maal bevinding , van de moeite en ftrijd, •welke er aan vast is, om een' roependen Godte volgen ; laat dit u den moed niet bencemen,noch terug houdeu, Drukt u den pligtVan bidden op het hart. Ziet geloovig opHem , die roept. Smeekt om 's Heeren vrijmoedigmaakendenGeest. Vertrouwt, datGod voor het einde zal zorgen. Wanneer gijkoomt daar gij geroepen wordt, zullen misfchiende fteenen voor Welken gij vreesdet,wechgeruimd zijn. Wees toch , o Christen,volvaardig , daar God roept •—• gewillig, 'daar Hij u Uwe beftemming aanwijst •— gehoorzaam, daar Hij gebiedt — en gemoedigd,daar Hij belooft: Ik zal met u zijn,}. WIJ leeren hier, ten DERDEN: „ Schoon Ook, dat„ de Heer, om wijze redenen, de vervulling G t dïy gedaane beloften fomtijds langen tp 0 £f" t„„ tijd uitftelt, zal Hij die echter , op zijnen »jd ver-„ tijd, welke zekerlijk de beste tijd is, onfaal- v * l t '„ baar vervullen". •— Wij weeten, dat deC 2Heer


36 XXXIV. L E E R R E D E .Heer voorheen David ten Koning deed zalven, en dus hem den troon beloofde. Maarwaar bleef de vervulling ? Omtrent veertienjaaren verloopen 'er ; en die belofte blijft belofte.. Dit niet alleen; maar onder een ramp}fpoedig' zwerven , geraakt hij reis op reis inhet ürtèrfte gevaar, om door eenen geweldigendood om 't leven te koomen ! Wat zaler toch van worden ? Dit, dat God — wijhebben het nu gezien — zijne belofte voorzekerzal vervullen ; doch op zijn' eigen tijd,des op den besten tijd. — God heeft aan zijnvolk veelc en groote beloften gedaan; beloften,aan zijne'Kerk in het gemeen, en aanelk van zijne kinderen in het bezonder. Veel-.maalen ook, gaf de Heer vrijmoedigheid desgeloofs, om op dezeiven te hoopen. Maarwat gebeurt? De vervuiling wordt reis opreis uitgefteld , en zelfs , wanneer de nóódpp het hoogde klimt, afgefneeden. — Zwaar'kan hier de beproeving des geloofs zijn; daarhet ongeloof zegt: Wat zoudt gij, telkens teloorgefteld, toch verder op den Heerehoopen? en de vijand (pottend vraagt: Waaris uw God? Dan , onder al het geen den gedruktenvroomen, in zulk eene verzoeking,moet bemoedigen, is niet alleen het geloofaan 's Heeren wijsheid, magt, en trouw,maar ook een verflandig letten op de ondervindingder heiligen , inzonderheid van onzenDavid. Dit zien wij : God , die aan. Davidbeloften deed, heeft ze aan hem vervuld.Maar


2 SAMUELS II. vs. 1—7. 3?Maar ook dit zien wij , dat God, die vervullinglangduurig uitftellen.de , zulks wijslijk'deed. Dus toch , bragt en hield God dienVorst in een, hem allernuttigst, lecrfchool;fchool, in welk zijn geloof beproefd, zijne;godvrucht geoefend, zijn verftand opgefcherpt,zijne kennis vermeerderd, zijne bekwaamhedenbevoorderd, zijn roem vei breid,'s volks harten tot hem geneigd, en hij, doordit alles , bekwaam gemaakt werd , om dienpost, tot welken de Heer hem gefchikt had,gelukkig te bekleeden. Ware David niet zoolang in dit leerfchool gehouden, hij warenooit die David geworden.ZIET gij , o Christen, Gods Kerk m langduurigebeproevingen ; verkeert gij zelf in •'ronmtniat den'at hehiureenen dag van benaauwdheid; verwijlt, onder'uw roepen , 's Heeren uitredding —< houd u •(rent, e»roest.niet vreemd. Dit gebeurde, gelijk anderen,'ook aan David. Waak toch tegen haasten;dit beleedigt den Heere •— en tegen moedloosheid; die verdrukt en bederft uw gemoed.Geloof, dat 's Heeren befruur wijsheidis, al kunt gij het niet doorzien. Weetgij zelf, wat u nuttigst is ? wat gij nog teleeren hebt ? wat gij nog te verloochenenhebt ? waar in gij nog moet geoefend , vanwelke dwaalingên , driften , en verkeerdheden, gij meer of min moet gezuiverd, worden? Zou de gebeeden en verwachte reddingu nuttig, en gij in dezelve gelukkig zijn ?C 3Dat


38 XXXIV. L E E R R E D E .Dat de Heer David door zijne verootmoediginggroot maakte (c) , was immers beter jdan dat hij, door vroegere verhooging, mindergeoefend zijnde, zichzelven had klem gemaakt.— Vertoeft de Heer ; verbeidt Hem.Beproeft de Heer; bezit uwe ziel in lijdzaamheid.Rijzen de gedachten bij u op , dat debeste tijd met uitftel en wachten voorbij gaat;herinner u , dat 's Heeren tijd de beste is.Schijnen u de uitzichten op vervulling derGodlijke beloften, dag bij dag donkerer teworden ; geloof , o Christen , dat den Heeregeen ding te wonderlijk is, Gods Kerk, elkftrijdend °lid in dezelve , zal bij de uitkoomstvan 's Heeren weg , met dankzegging erkennen, dat God een Rotsfteen is , wiens werkvolkomen is; dat God waarheid is.En datGml 'gèwioiin.fnapsgeïwijze ieverooagen.% WIJ zien hier, ten VIERDEN, „ Dat„ God, David verhoogende, het niet op één." maal, maar trapsgewijze deed ; en dit is„ meermaalen 's Heeren weg", —- Door Saulsdood , werd David verlost van eenen dood,lijken vijand. Dat zoo veel manfehap tot hemte Ziklag kwam , vermeerderde zijn magt enmoed. Dat de Heer hem gebood , naar He- -bron te trekken, opende hem eenen gebaandenweg. Dat hij aldaar ten Koning overJuda gezalfd werd, verhoogde hem op dentroon, Is David nu niet gelukkig? Ja. Maaris.(c) 2 Smuels XXjl; 36.


a SAMUELS II. vs. i—7. 39..is zijne verlosfing en verhooging daar doortot die volkomenheid gebragt, welke Godbeloofd, en hij geloofd en verwacht had?Neen. Hij was Koning over Juda, maar nietover gansch Israël. Hij was verlost vanSaul, maar niet van Sauls huis. Nog zevenjaaren ftrijds , nog zeven jaaren beproevens^moest hij doorftaan , eer zijne verlosfing enverhoogingvolkomen was. — En dus is God;gewoon , meermaalen, met menfchen, vooralmet zijne kinderen, te handelen. •—• Het haastendhart verkiest hier veelal den kortftenweg ; en het ongeduld wil liever met éénenfprong op den top des bergs zijn, dan dienmet langzaame , 'en fomtijds moeilijke fchrcden,beklimmen. •— Het ondankbaar- hart zegtal ligtlijk , bij aanvanglijke veranderingen tengoede : Dit , ja, is wel; maar wat verfchiithet veel, van het geen ik meende te moogenverwachten , van het geen , waar op ik geloofde,dat de Heer mij had doen hoopen !HOE zondig , hoe dwaas is zulk een beftaanen gedrag ! Zondig ; want in ftede vaneen' weldoenden God te danken, gaat men dusmet Hem twisten. Dwaas; want dus willenwij , die minst weeten, wat ons het best is,Gods wijsheid bedillen , en onszelven, zonderdat wij zulks weeten , meest benadeelen.Een fchielijk fchijnend licht, verblindt hetoog, dat aan donkerheid gewend was ; maareen langzaam op- en voordgaande dageraad,C 4rtreelt.


40 XXXIV. L E E R R E D E .ftreek het. En zelfs is eene tusfchenkoo-.mende wolk, eer dc zon den middag bereikt,al veel een zegen. — Dat wij, in nood, uitzichtop redding hebbende, toch niet op. éénmaalgroote dingen verwachten ! Dat wijvoor aanvanglijke afwending van rampen,en eerstimgen van -verblijdende zegeningen,ootmoedig danken , en die befchouwen , alsblijken en onderpanden van 's Heeren magt,en wil, om naar zijne wijsheid verder tedoen , boven bidden en denken. Wie tochveracht den dag der kleine dingen?Ook. dai H. WTJ moogen hier, ten VIJFDEN, leeren: „ Het is betaamelijk , dat men het goe-vei- betgoede,aan , nz't, „ de , door anderen , zelfs aan onzen vijandvijand ba>voeezer,, „ die in ongelegenheid en ellende is., gedaan,den wel­doeneren kan, niet mag prijzen , den dienst welkenden billijken. lof geeve". — Dat men nietda; kbaatmoeten men eenen vijand bewijst, om hem in ftaaterkennen te ftellen zijne vijandige boosheid te gelukkigeruittevoeren, fpreekt van zelvcn. Dedienst, door Doëg aan. Saul, door Achitofelaan Abfa'.om bewcezen,. is vloekwaardig...Maar dc dienst en ccre , door die van Jabesin Gilead aan de lijken van Saul en zijnezoo.nen gedaan, verdient allen lof; en David,hoe bitter een vjjand Saul hem geweest was,bet..ligt plegtig des wegens zijne dankbaarheid,met. verzekering van zijne koninglijke gunst.En elk, die wel denkt, zal dit prijzen, en inmeer of min gelijke gevaiien, naar gelegenheidvan


2 SAMUELS II. vs. i—7. 4rvan zaaken, ook willen navolgen. Maar heeftnietdikwijls een tegengefteld beftaan plaats?;•— Men wordt door iemand vijandig behandeld; dit fmert, en niet zonder reden. Ditwordt gedaan door iemand , wien men nimmerreden tot billijk ongenoegen heeft ge-,geeven , door iemand, wien men dienst entrouw beweezen had; dit verdubbelt de miert,en zulks met reden. — Dan die beleedigergeraakt in treurige ongelegenheden. En watnu ? Hoe vaak haart dit in het hart van denbeleedigden een blij genoegen ! Hoe onbetaamelijk! Onder des begint de wraakzugt opnieuw te gloeien ; en deeze wenscht den on;gelukkigen nog rampen bij zijne rampen. Koegodloos! — Maar wat gebeurt ? Er is icma d,die, door medelijden getroffen, dien ongelukkigente hulpe koomt, hem naar vermogenuit nooden poogt te redden , en, naar dat degelegenheid van perfoonen en zaaken toelaat,eere en vriendfehap te betoonen. -— Watnu ? Dit is den beleedigden ondraagclijk , envervoert hem vaak tot woede. Dus fpreekt,indien niet zijn mond, immers zijn hart:„ Vindt zoo fnood een vijand nog mede-„ lijden! Hij is niet waardig, dat zich iemand„ over hem ontferme. Wat mensch is het,„ die zulk eenen gunst bewijst ? hij is zeker„ een zot, Of door flegt. Dus toont hij,„ dat ook hij mijn vijand is. Die mijnen„ vijand goed doet, verklaar ik voor mijn'„ vijand; cn al ware hij ook tot heden mijnC ï„ vriend


4» ' XXXIV. L E E R R E D E .vriend geweest, hij is van deezen oogen-„ blik af mijn vriend niet meer. Ik zie,„ zijn hart is verraaderlijk; zijne handelingen„ zijn mij hoonende en tergende ; mijnes vij-„ an,ds weldoener, is mijn beleediger — mijn„ vijand!"M A A R ik bidde , is dit menschlijk? is ditredelijk ? is dit christelijk ? •—-Is dit menschlijk? Blijft onze vijand niet onze natuurgenoot?en maakt zijn ongeval hem niet billijkeen voorwerp van medelijden ? — Is dit redelijk? Gij ,> die dus beftaat en handelt, zijtbuiten de gelegenheid, om uwen ellendigenvijand goed te doen ; of, al waart gij in dezelve, gij zijt te boos , om het te willendoen — maar moest gij dan nog, zoo gij weldacht, niet blijde zijn, dat een ander ditkonde en wilde doen? moest gij hem, die ditdoet, even daarom niet hoog fchatten , engelukkig boven u ? moest gij niet zeggen:Wanneer hij , die mij voor zijnen vijandhoudt, mij , in ongelegenheid zijnde , dusgunstig behandelde , hij zou menschlievend,hij zou edelmoedig, hij zou deugdzaam hamdelen, en mij tot de grootfte dankbaarheidverpligten ? •— Maar vooral, laat ons onszelvenvraagen: Is dit christelijk? Wat heeftonze gezegende Heiland zelf gedaan , en metGodlijk gezag bevoolen ? Hij zelf heeft der"vijanden haat en fmaad, leugen en laster,woede en geweld , niet alleen geduldig,, vej-I .draa-


2 SAMUELS II. vs. 1—7. 43draagen, maar met weldoen beantwoord,hunne welverdiende rampen met heete traanenbeweend , en voor hua gebeeden. MetGodlijk gezag heeft Hij ons ten fterkften gebooden, misdaadcn , tegen ons begaan , tevergeeven, kwaad, ons aangedaan, met goeddoente vergelden , vloeken met zegenen tebeantwoorden, en, met één woord, onzevijanden lieftehebben. Men heeft in de,gelijkenisvan den barmhartigen Samaritaan,door den Heiland voorgeftcld , op de vraagvan eenen Wetgeleerden :. Wie zijn naastewas (d) ? vecle verborgenheden gezocht ;maar wcnfchelijk ware het, dat wij 's Heilandsonderwijs , daar uit afgeleid , wel ver,ftonden, recht ter harte namen, en in degevallen waarlijk beoefenden ! — Te uitvoerigerheb ik dit. ftuk voorgedraagen , omdatonze bedorven natuur van deszelfs beoefeningzeer af keerig is, en wij zoo ligtlijk tegendeezen pligt zondigen; terwijl wij, willenwij , waare Christenen zijn , naar 's Heilandsuitdrukkelijke verklaaring (e) , ten duurftenverbonden zijn , om denzelven oprechtlijk tebehartigen,1.IAAT ons, ten ZESDEN, hier nog lee-*w


44 XXXIV. L E E R R E D E .de, deugd-iijke mid­„ deugdrijke middelen met voorzichtigheid enreiken , zoo betaamelijk is het en noodig,delen metvoarzicbtigbeidSauls dood ontvangende, mogt nu met grond„ vlijt te gebruiken".


2 SAMUELS II. VS. I—7.' 45ook waar , dat der bouwlieden post is , albiddende om voorfpoed, met vlijt te bouwen.Het is zoo , men moet met wijs beraad, en voorzichtig, te werk gaan; maarhet is ook waar , dat men, door zich te blijvenberaaden, zonder werk te beginnen,zich ten uiterfte flegt beraadt. Het kan zijn,dat men zwaa, igheden te gemoet ziet ; hetzij zoo , maar om die met 's Heeren hulp.teboven te koomen , moet men in het gebruikenvan deugdlijke middelen te ijveriger werken.Te blijven peinzen ; zwaarigheden optezockcn; het einde te willen zien, eer menbegint; te wenfchen , maar met de handenever elkander geflaagen ; op zijne wijze ernstigte bidden , en ftil te blijven zitten ; ijverigzelfs over werk en pligt te fpreeken,en er niets aan te doen —• is altemaal dwaasen zondig. En hoe fchadclijk is zulks, inonze tijdlijke , en in onze eeuwige belangen!IN onze tijdlijke belangen. Wie werischt iaar verwint,niet, in zijne omftandigheden, om voorfpoed?ilhierZii, die godsdienstige beieffen hebben, bidden 'voogster om , fpreeken en raadpleegen er over. J "chade-'ijk is.Maar wat baat dit, wanneer men verzuimt,handen aan 't werk te flaan , ter beoefeningvan aangeweezen pligt ? Dus wordt de behoorelijkeopvoeding 'van, en toezicht opkinderen , verwaarloosd , en de gelegenheid,ter betaamelijke bevoordering van welvaren,verzuimd. Dus geraaken zaaken in verach-;3 te-


46 XXXIV. L E E R R E D E .tering en verwarring, en hoofd en hart,daar door, beroerd en berooid. Zoo wordende beste gelegenheden , om ongelegenhedenVoortekoomen , te jammerlijk verlooren, endie , om wat goeds te doen en te bevoorderen,te droevig verwaarloosd. Had David,in liet overweegen van alle moogelijke zwaarigheden,blijven draalen, en Abner haddeintusfchen den voet in Juda kunnen krijgen;wat zou er toch van zijne zaaken gewordenzijn ? — Godvruchtige wijsheid gebiedt ons,-ja, alle moogelijke zwaarigheden , in het uitvoerenvan onzen pligt, zooveel wij kunnen,te voorzien; doch niet, aan zondige vreesachtigheiden traagheid voedfel te geeven , maarbiddend , met vlijt te arbeiden , om die gelukkigte boven te koomen. Wat heeft verzuimvan deezen pligt, aan huisgezinnen enmaatfchappijen , landen en fteden , al nadeeltoegebragt ! Daar wij onzen pligt kennen,past geen draalen.HOE fchadelijk is dit ook, aan onze eeuwigebelangen! Wij worden geroepen tot eenKoningrijk, niet van Juda, maar der hemelen.En hier wordt ons toegeroepen : Strijdt omintegaan. Meenig is hier meer of min overreedvan zijnen pligt , fpreekt er wel eensvan , en bidt er op 'zijne wijze om ; maarmet veclcn blijft het daar bij. 't Is waar,men zegt: Dit is boven alles noodig; maarwat is er niet aan vast ! een verdorvenYleesch


2 SAMUELS II. vs. i—jrivleesch — woelingen der zonde —> zich verheffendehoogmoed — een twistgierig ver.ftand — het verlokkende op aarde — dezorgvuldigheden deczes levens •— eene verleidende'of dreigende weereld —• kracht derdwaaling — en wat niet al ? — is hier in denweg. Dit is zoo ; maar wat wil dit alleszeggen ? moet dit, daar God ons roept totzijn eeuwig Koningrijk, ter yerontfchuldigingdienen van doemwaardigen onwil ? Neen,zegt men , maar ik ben onmagtig. Och! datgij , die dit zegt, dit recht befefte ! dan zouhet- u een' ernstig bidder maaken. En heeftGod ooit genade en hulp geweigerd , aan dengecnen die ze in waarheid bij Hem zocht?Daar God u roept, en gij u onttrekt, oordeeltgij uzelven des eeuwigen levens onwaardig.Och! of wij, daar men in de weereldom en 'in aardfche Koningrijken , metgevaar van lijf en leven, ftrijdt, lust hadden,en genade zochten , om op 's Heeren roepingden goeden ftrijd te ftrijden, en te gYijpennaar het eeuwig leven!T. LAAT ons, EINDELIJK, nog herinneren, zoo als wij gehoord hebben , „ Dat iat de lefi-Einetelijk.waardige„ ondermijners en beftrijders van het Godlijkiaad'en„ gezag der heilige Schriften , en belaagers ier bestt„ van Davids eer, 's mans lofwaardig gedrag netifcberiy>aak beeedigemd„ fchandclijk misduiden, en in een ongunstig,„ licht doen voorkoomen, om dus aanlei- :nisduid„ ding te kunnen neemen, zijn uitmuntend' oorden.„ ka-


XXXIV. L E E R R E D E ,karakter haatelijk , en zijnen eerwaardigeiï„ perfoon verachtelijk te maaken". Dit onsrecht te herinneren, kan ons van veel nutzijn. — Het moet ons niet verwonderen»wanneer flegte menfchen , en fnoode bedrijven, door leugenachtige tongen en valfchepennen als deugdlijk worden voorgefteld , enals lofwaardig uitgebazuind. Die zelf boosis, is een vriend van boozen en boosheid. —•Maar het' moet ons ook niet bevreemden >wanneer wij zien , dat men de beste menfchen, en de onfchuldigfte bedrijven, alsflegt en fchuldig doet voorkoomeh. Smertlfjk, ja , valt het eenen vroomen Job , zichals een' onoprechten van hart, als arglistigin zijn beleid , als een' onderdrukker in zijnbeftuur, als een' gierigaart in zijn gewin,als onbarmhartig omtrent den armen, als een'onrechtvaardig bejaager van eigen grootheid*als een' huichelaar in den Godsdienst, met'één woord , als een' der fnoodften onder demenfchen , te zien en te hooren affchilderen.En ja, fmertlijk , oprechten van harte , magdit u vallen; maar laat het u niet te zeer bedroeven,vooral, niet moedloos maaken. Denktaan — ziet op onzen David, en nog meerop zijn Tegenbeeld ; die dc fhoodfte misduidingen, en vuilften laster daar uit gebooren *heeft verdraagen. Denkt aan het lot der eenfteChristenen , die met den Apostel (f) zeiden;(O * Korintben IV: 11, '13.


2 SAMUELS II. VS. I—7. . 4-9den: Wij worden gefcholden, en wij zegenen;wij worden vervolgd, en wij verdraagen;wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijngeworden als uitvaagfels der weereld , en alleraffchrapfel tot nu toe. —• Zulke voorbeelden, o Christen, behoort gij met geduldnatevqlgen; wel verzekerd zijnde , dat deccnige Opperrechter — door geene misduidingente verkloeken — de gerechtigheid liefheeft, de leugenfpreekers zal verdoen, dewaarheid zal doen zeegepraalen, uw rechtaan het licht zal brengen , en voor Engelenen menfchen verklaaren: Gij hebt gedaan datreeht is in mijne oogen. Amen!Voormiddag in de Ooster Kerk,den 22 van Slagcmaand, 1772,


50 XXXV. L E E R R E D E ,XXXV. L E E R R E D E .2 SAMUEL-S III. vs, 1—39.I. Ende daef was een lange krijgh tusfchenden Imyfe Saulsfende tusfchen den huyfe Davids:"Doch David gingh ende wert fiercker,maer die van den hutfe Sauls gingen ende verdenfwacker.1. Ende Darid werden fonen geboren te Hebron: Sijn eerstgeboren nu was Amnon, vanAhinoami de Jizreëlitifche.* Ende fijn tweede was Cliiledbffan Abuga'il, Nabals , des Carmeliters , huysvrouwe:ende de derde, Abfalom, de fine van Maacha*de dochter van Thalmai, Koningh van Gefur:4. Ende de vierde , Adonia, de fone vanHaggith: ende de vijfde, Sephatja fde fone vanAbital:5. Ende de feste ffithream, Van Ëgla, Da*yids huysvrouwe : Defe zijn DavidHebron.geboren te6. Terwijlen die krijgh was tusfchen denhuyfe Sauls, ende tusfchen den huyfe Davids,fo gefchiedde 't, dat Abner fich fierekte inden huyfe Sauls.7. Saul nu hadde een bywijf gehadt, welckesnaem was Rizpa, dochter van Aja: ende [Isbofeth]feyde tot Abner; Waerom zijt gy inges-aentot mijns vaders bywijf?ö.8. JDos.


•2 SAMUË-LS Ut. VS. I—39. 5£%. Dos ontjlack Abner fecr over Isbofethswoorden, ende feyde; Ben ick dan een hontskop,ick die tegens Juda, aen den huyfe Sauls uwesvaders, aen fijne broederen, ende aen fijne vriendenheden weldadigheyt doe; ende u niet ovcrgeleverthebbe in Davids hant ? dat gy heden aenmy miderfoeckt de ongerechtigheyt eener vrouwe?9. Godt doe Abtier fos ; en doe hem foo daertoe, voorfeker-,-gelijck als de HEERE Davidg fvoren heeft j dat ick even alfoo aen hattfa! doau10. Overbrengende het Koninckrijcke Van denhuyfe Sauls , ende oprichtende den ftoel Davidsover Israël * ende over Juda , van Dan totBcrfeba toe!II; Ende hy en koude Abner vorder niet een'voort antwoorden; om dat hy hem vreesde.12. Doe fondt Abner boden voor fich tot David,feggende; Wiens is het lant? Jeggende [wij.ders] ; Maeckt uw verlont met my, ende fiet,viïjne hant fal met u zijn , om gantsch Israëltot u om te keeren.13. Ende hy feyde ; Wel, ick fal een verlontmet u maken '. doch een dingh begeer ickvan u , feggende; Gy fult mijn aengefichte ytietfien, ten zy dat gy Michal, Sauls do.chter, tevoren inbrengt, als gy komt om mijn acngefichtte jien.. 14. Oock fondt Éte&id boden tot Isbofeth i detkfone Sauls, feggende % Geeft [my] mijne Mtys.Vrouwe Michal, die iel, my met dondert; ygorhuy.den der Philis-tijnm .oridtrMvuwt hebbe,D &15. Xr*


52 XXXV. LEERREDE.15. Isbofeth dan fondt henen, ende namfe yartden man, van Paltiel, den fone van Laïs.16. Ende hacr man gingh met haër, al gaendeende weenende achter hacr tot Bahurim toe:Doe feyde Abner tot hem ; Gaet wech, keertweder; ende hy keerde weder.17. Abner nu hadde woorden met de Oudtftenvan Israël, feggende: Gy hebt David te'voren lange tot eenen Koningh over u begeert.18. 60 doet het nu: want de IIE EREheeft tot David gcfproken , feggende ; Door dehant Davids , mijns knechts, fal ick mijn volckIsraël verlosfen van de hant. der Philistijnen,ende van de hant aller harer vyanden.19. Ende Abner fprack oock voor de oorenBenjamins: voorts gingh Abner oock henen , omte Hebron voor Davids ooren te Jpreken alles,wat goet was in de oogen Israëls , ende in deoogen van het gantfche huys Benjamins.20. Ende Abner quam tot David te Hebron ,mde twintigh mannen met hem j ende Davidmaeckte Abner, ende den mannen > die met hemwaren, een maeltijt.21. Doe feyde Abner tot David; Ick fal myopmaken, ende henen gaen, ende vergaderengantsch Israël tot mijnen heere den Koningh,dat fy een verbont met u maken, ende gy rtgeeret,over alles, dat uwe ziele begeert;. Alfa.liet David Abner-gaen, ende hy gingh in vrede.22. Ende fiet , Davids knechten ende Jodbquamen van eene bende, ende brachten met heneenen grootm roof: Abner nu, die en was niet


2 SAMUELS III. VS. i—39. 53hy David te Hebron ;_ want hy hadde hem latengaen, ende hy was gegaen in vrede.23. Als nu Joab , ende het gantfche hcyr,dat met hem was, aenquamen, fo gaven fy joabte kennen, feggende ; Abner, de fone van Ner,is gekomen tot den Koningh , ende hy heeft hemlaten gaen, ende hy is gegaen in vrede.24. Doe gingh Joab tot den Koning in,ende feyde ; Wat hebt gy gedaen ? Jïet ,' Abneris tot u gekomen; waerom nu hebt gy hem latengaen, dat hy foo vry is wechgegaen?25. Gy kent Abner, den fone van Ner , dathy gekomen is om u ie overreden: ende om teweten uwen uytgangh, ende uwen ingangh, jaom te weten alles wat gy doet. " -26. Ende Joab gingh -uyt van David, endefondt Abner boden na, die hcm'wedcromhaehhnvan den bornput van Sira : muur David enwiste 't niet.27. Als nu Abner weder tot Hebron quav:,fo leydde hem Joab ter zijden af in 't midden,der poort e, om in der ftilte met hem te fpreken:ende hy Jloegh hem aldaer aen de vijfde ribbe; dathy Jlerf, om fijns broeders Afahels bloets wille.28. Als David dat daer na hoorde , fo fy dehy; Ick ben onfchuldigh, ende mijn Koninckrijck,by den HEERE, tot in eeuwigheyt, van denbloede Abners, des foons van Ner. •29- H°t blijve op den kop Joabs, ende cp hngantfche huys fijns vaders ; ende daer en worlvan den huyfe Joabs niet afgefnedm\die eevr.Vloet hebbe, ende melaetsch zy, ende fich aen denD3- fiock


f 4XXXV. L E E R R E D E .fiock houde, ende door het fwezrt vatte, endebroots gebreck hebbe. ;-o Jlfo hebben Joab , ende fijn broeder Abufat, den Abner dootgejlagen , om dat hy harenbroeder Afahel te Gibeon in den firijt gedoodthCldti David dan feyde tot Joab, ende tot alhet volck , dat by hem was; Scheurt uwe kleederen,ende gordet facken aen, ende weeklagetvoor Abner henen: ende de Koningh David ginghachter de bare.02 Als fy m Abner te Hebron begroeven*fo hief de Koningh fijne fiemme op , ende weendeby Abners graf; oock weende al het volck.o o Ende de Koningh maeckte eene klage overAbner,een dwaés fterft ?ende feyde; Is dan Abner gejlorven, als3


2 SAMUELS III. vs. 1—39.. 5j37. Ende al dat volck , ende gantsch Israël,meukten te dien /elven dage, dat het van -den-Koningh niet en was, dat men Abner, den fonevan Ner, gedoodt hadde.38. Voorts feyde de Koningh tot fijne knechten:Weett gy niet, dat te defen dage eenVorst, ja een Groote in Israël gevallen is?39. Moer ick ben heden teder, ende gfalftten Koningh ; ende defe mannen , de foncn vanZeruja, zijn harder dan ick: de HEERE falden boosdoender vergelden na fijne boosheyt.ATST hebben wij met U. A. gezien, DavidLADavid geplaatst op Judaas troon ; be d o o r ? u d *drijvig in het geen tot welzijn van den Staat Zglerdiende;en oplettend ook, op het reen in éc k " ozenandere ftammen omging. — Intusfchen'hadjf^'Abner, zoon van Ner, Sauls oom (a) , l s, m' a a k l ebofeth, Sauls zoon, met loos overleg, te ï$é


S6 XXXV. L E E R R E D E :David ten Koning begeerden (b). Hij wistzelfs, dat de Heer tot David gezegd hadde:Door de hand Davids , mijnes knechts , zal ikmijn volk Israël verlos/en van dc kind der Filistijnen, en van de hand aller hunner vijanden(c).Deeze ISBOSETH was dan Koning over Israël,rver0* k' en David over Juda. — Twee jaaren verlie,TorM- pen, tonder dat er, zoo het fchijnt, iet merknereenenwaarcJïgs voorviel. Maar met het einde van° S i de twee jaaren, vindt Abner goed, met krijgs re o r lvolk naar Benjamin optetrekken, en wel naarGibeon, dat met zijn grondgebied aan Judapaalde. Joab , Davjds veldheer, dit vemeemende,trekt ook derwaards. De een aandeeze , de ander aan geene zijde van eenenvijver gelegerd zijnde, daagt Abner Joab uit,om met een gelijk getal van manfchap, terbeproeving van bekwaamheid, een tweegevechtte houden. Twaalf van ijdercn kant,koomen te faamen, en brengen clkandcren'Ltorin moorddaadig om 't leven. Straks wordt deiij de ne- ftrijdalgemeen. Abners volk, gcflaagcn zijn-'dcrlsagc ) ef Degeeft zich op de vlugt. De vlugge' Afahel, Abner najaagendc , wordt door hem&imet het einde van de fpies geveld ; terwijlJoab en Abifai de vlugtcnde Benjaminijten'zoo lang vervolgden en floegcn, totdat Abnerftilftand van wapenen verzocht. Joab£b) Zie%'ers 17. (cj Vers 18,hier


2 SAMUELS III. vs. i—39. 57hier in bewilligd hebbende, trekken de beideveldheeren met hun volk af; hebbende Joab,behaiven zijnen broeder Afahel, negentien,en Abner driehonderd en zestig man, verlooren.Zoo droevig eene uitkoomst had Ab.ners vermeetelhcid.GEBEURDNIS, welke, wegens derzei ver ^ ö r ..leerzaamheid , eene nadere behandeling over-J*"^'//'waardig zoude zijn. Dan , daar ze niet zoo thandszeer tot Davids bedrijf behoort, gaan wij£ ww *thands over , ter befchouwing van haare gevolgen; in welken wij David zelf zullenwerkzaam vinden, en groote veranderingenzien ondergaan. Thands toch, moeten wijbefchouwen : — den vijfjaarigen krijg, tusfchenSauls en Davids huis ; — hoe het, intusfchcn, met zijne huislijke zaaken gelegenwas; — en welke gevolgen de gemelde krijgvoor de beide huizen had.A. DE ftoffe is ruim, doch veelal duidelijk.Laat ons, ter verklaaring,N. VOOR eerst, onze aandacht vestigen, Er ont -op den ruim • vijfjaarigen krijg , -tusfchen hcti° r"f g'# ehuis van Saul, en dat van David. — Opmer-w//>akelijkis het, dat wij leezen : Er was .krijg 'duttTniet tusfchen Juda en de overige ftammen,maar, tusfchen HET HUIS van Saul, en HETHUIS van David. Het geeft aanleiding om tedenken, dat deeze krijg voornaamlijk gevoerdD 5werd,


5« XXXV. L E E R R E D E ,werd, tusfchen Abner en zijne afhangelingen,aan den eenen — en Joab met de zijnen , endus met'Davids voorftanders , aan den anderenkant * terwijl de ftammen Israëls zelvenbuiten oorlog bleeven, — Weinig vinden wij- yan deezen oorlog aangeteekend, Het is niette denken, dat er veel aanmerkelijks in dientijd is voorgevallen, Immers, het is niet beflisfchendgeweest; David bleef Koning overJuda, en Isbofeth over de andere ftammen,.Alleenlijk leezen wij , dat het reeds gemeldefusfcben geval, 'dit ten gevolge had: Er was een langeSauls tn }, rijg. tusfchen het huis van Saul, en tusfchenffü?' heihuis van David, Bewoordingen, welkenaanduiden, dat geduurende het verloop vanvijf jaaren , af en aan , over en weder , vijandlijkhedenwerden gepleegd. Welken echter•„ van ongelijke uitkoomst waren ; want Davidwaar tn v»»»* ° • . . , i n i *David ging, ai ftrijdende, voord, en werd jttrker, maarvoorfpoe- ^y m


2'SAMUELS III. vs. 1—39,S9neigden de zaaken zich trapsgewijze tot ver*andering, David ten goede, en fcheenen fiegta•naar gelegenheid te wachten, tot eene geheeleomwendteling ; gelegenheid , welke, zoo als-wij ftraks zullen zien, ten einde van een'vijfjaarigen krijg, op het onverwachtfte kwam.1— Zoo werd David geoefend, in den ftrijd,en in het gebed ; in de wapenen , en in hetgeloof; in de kunst van regeeren over men.,fchen j en van onderwerping aan den Heere;in vertrouwen , en in verbeiden. Moeilijk,maar gezegend oefenfchpol}VA N Davids bedrijf te Hebron, geduurende Onderwijlden tijd van zeven jaaren en" zes maanden, wfiie^'vinden we weinig aangeteekend. Aangaande dtnzijne huislijke zaaken, leezen wij, dat hem dertn 'te Hebron gebooren werden — Amnon, zijnoudftc zoon, van Ahinoam, de Jizreè'lijtifche;•— de tweede , Chileab , elders genoemd Daniël(d), van Abigaïl, voorheen de huisvrouwvan Nabal den Karmelijter; — dederde, Abfalom, zoon van Maacha, de dochtervan Thalraai, Koning van Gefur; — devierde , Adonia , de zoon van Haggith; —de vijfde , Sefatja , de zoon van Abital; —en de zesde , Jithream , van Egla, Davidshuisvrouw. — Uitvoerig over deeze vrouwen, en haare zoonen, te handelen, zou onsniet(d) 1 Kronijken Uit jv


,.6o XXXV. L E E R R E D E .Ui ver- ,niet veel nuts doen. ' Laat mij flegts ditvróuwe», weinige aanmerken : I. Dat Davids veelwijverij, hoe gemeen ook bij de Oosterlingen,vooral bij Koningen, zondig was; zoo als wijvoorheen al beweezen hebben. II. Dat David,nadat hij Koning geworden was, bij zijne tweevrouwen , Ahinoam en Abigaïl, met welkenhij te Hebron kwam , nog vier vrouwen, aldaarzijnde , genoomen heeft. III. Dat vandeezen , buiten de enkele melding haarer naamen,niets aanmerkelijks geleezen wordt.Alleenlijk twee van dezelven , vorderen eenigeaanmerking. — De eene is Abfaloms moeder,Maacha, Dochter van Thalmai, Koningvan Gefur; ongetwijfeld van het Gefur, eeneftad in het Overjordaanfche , aan de noordlijkegrenzen van Israëls bezittingen aldaar.Het is niet onwaarfchijnelijk , dat David, nuKoning geworden , eene Koningsdochter hebbewillen trouwen , om en zijn aanzien tedoen rijzen, en, aan dien kant, eenen bondgenootte hebben. Daar zij eene Heidinnewas, moogen wij vastftellen, dat zij denwaaren Godsdienst zal hebben omhelsd. —•De andere, welke onze aanmerking vereischt,is de laatfte, Egla , omdat van haar gezegéwordt, dat zij Davids huisvroMw was. Tedenken, dat deeze dezelfde met Michal, Saulsdochter , zou geweest zijn , en dus genoemdworde , omdat de anderen flegts bijwijvenwaren; zou zonder grond, en tegen de waarheidzijn. Aannceme]ijker\ is het gevoelen,dat,


' 2. SAMUELs III. vs. 1—39.6r "•dat, volgends eene fpreekmanier in de Rede-'rijkkönst, deeze omfchrijving van huisvrouw,bij de laatfte gevoegd, tot alle de voorigenbetrekkelijk is (c).? 'AANGAANDE de opgenoemde kinderen vanDavid, vak aantcmerken: I. Dat hier alleenzoons, en geen dochters, worden gemeld.Dat hij ééne had , Tharnar genaamd, weetcnwij ; of hij er meer hadde, is onbekend.II. Dat de opgenoemde zooncn hem geboorenzijn te Hebron ; en dat hij dus, geduurendezijne ballingfchap, geen gewonnen heeft. IJLDat die zijner zoonen, aangaande welken deheilige Schrift bezonderheden meldt, dooroverflegt bedrijf zich zeer berucht hebbengemaakt ; daar Amnon zijne zuster gewelddaadigonteerde — Abfalóm een moordenaar,en een belaager van zijn' eigen vader werd— en Adonia zich onwettiglijk tot Koningopwierp. Wat kunnen kineiers zichzelvert,cn hunnen ouderen, al fmerten baaren!IV. Dat, daar Sauls. huis , bij zijnen dood,drie zoonen verjoor , en Isbofeth , . zoo 'tfchijnt, kinderloos was, dit huis zoo aanmerkelijkverzwakte j Davids huis , integendeel,door zulk een aantal van zoonen , van tijdtot tijd fterker werd.DAN wenden wij onze aandacht, van .Bavidshuislijke zaaken, tot die van het Rijk.•~" l^'>,'„• maakt* f kI. . ., Aks. •',.• v


fo XXXV. L E E R R E D É ;*cb M Abner, geduurende den krijg tusfchen Saul?tn groot,e nDavids hüis; fierkte zich in het huis vanaulS%t s Saul. En hoe deed hij dit? Buiten twijfel.heeft hij de belangen van zijnen Koning,met allen ernst, tegen David ter harte gc--noomen. Maar het is even zeker, dat hyzichzelven niet zal vergeeten hebben, 's Koningraadsman zijnde, en meester van deszelvengunst j deed hij die geenen best begunstigen* die rheest hem genegen waren;dit veroorzaakte sdat en begunstigden,- en zijdie op gunst hoopten , hem naar de oogen2iagen. Aan het hoofd der krijgsbenden zijnde, Was zijn gezag bij dezelveri groot. Ondervoorwendfel van den Koning te verhehten, zal hij zich zoozeer meester vari het beleid'van zaaken hebben gemaakt, dat de Koning,zelfvan hem afhangende, Zonder hemniets doen kon. Ware hij wettiglijk tot zulkeert bewind aangefteld, dan zou dcugdhjkcvlijt hoogst in hem te prijzen zijn geweest.Maar * gelijk eigenbelang hem had gedreeveriom Isbofeth op den troon te plaatfen, heeftook zijne verwaandheid, welke geen tegen^fpraak duldde, hem vervoerd, om zijnen Ko^ning fmaadlijk te bejegenen, en fnood tömishandelen-ZUb mis- ER gebeurt iets, gering, ja, in het voor^draagtn- komen, maar 't welk, door het hoog Opperbeftuur,ontzaglijke gevolgen had. Dit isS**b het geval. Abner had met zekere Rizpa,Vjaijf,wijl-


2 SAMUELS III. VS. I—39, o"£ ;wijleer bijwijf van Koning Saul, eene onge*oorloofde, eene oneerlijke verkeering; gewis,een zeer flegt bedrijf.Isbofeth zulks verneemende, nam dit euvel op. Of hij zulksdeed , alleen- wegens het onbetaamelijke vanzulk een' handel, of ook uit vermoeden, datAbner langs dien weg den troon zocht te bo»klimmen *-y gelijknaderhand Adonia poogdete doen (f) — is nietEchter is dit laatfteWel re bepaalen.zeef waariehijneliik* teven Memers,Koning Isbofeth wiens naam $6% tbb f*den faamenhang ingevoegd , of bij fommigenJS« rin het oorfpronglijkc geleezcn wordt —derhoudt Abner over dit ftuk, en vraagthem , op efnstigen toon: Waarom zijt gij tngegaanlot mijns vaders bijwijf ? Abner, zoogrooteen man in zijne eigen oogen, zuikeene berisping van eenen Koning , dien hijmeende dat hem behoorde te ontzien,nietverwachtende , ontftak 'zeer in toorn, overzulk eene beleediging.Met verontwaardigingvraagt hij: Ben ik dan een hondskop, of hond?/?«//*HfWien — wil hij er meê zeggen •— wien meent**gij dat gij voor hebt? een flegt, eeh onwaar-^dig fchepfel ? een mensch dien gij niet behoeftte ontzien ? Vergeet gij dat ik Abner ben,de man , aan wien gij alles wat gij zijt, verfchuldigdzijt? Vergeet gij, dat ik de man^; S Iy.ben, Me aan den huize Sauls uwes vaders, aa\n ne ."zijne broederen, en aan zijne vrienden, ook he-f^,^.MP(O 1 K$Hing4h U:'*


64 XXXV. L E E R R E D E .te verwij-d mzoo veel ohverpligte weldaadigheid doettingen, y e r g e e tgij^ dat het enkele goedheid is, datik u niet overgeleverd hebbe in Davids hand?Vergeet gij, wat gij aan mij verfchuldigd zijt?En waar over durft gij mij dus aanfpreeken?Over een beuzeling ! Wat verbeeldt gij uzelven? Wat denkt gij van mij, dat gij hedenaan mij, een' man gelijk ik ben , onderzoekt,thuis zoekt, ftraffen wilt, de ongerechtigheid,zoo gij het noemt, eener vrouw , die mij gelegenheidtot zulk eene verkeering gcgcevcnheeft? even of ik daar mede zou beoogd hebben,uwen troon te beklimmen.NOG hooger rijst toorn én toon. Van'verwijten, koomt de belcedigde man tot drektn harde g e n -Abner, dus fpreckt hij, opG o d d o e a a nbedrei- zijn krijgsmans, zoo, en doe hem zoo daar toe,gingen.r a mp bij ramp over mij brengende; voorzeker,gelijk als de HEER David gezwoonnheeft , dat ik even alzoo aan hem zal doen , endus toonen, met de daad, dat ik in mijn hartniet hadde , zelf Koning te willen worden!En wat zult gij doen, Abner? Overbrengende;zegt hij , 'het Ifyningrijk van den huize Sauls,.en oprechtende dm foei Davids , over Israël en.over Juda., van Dan tot Berfeba toe! Woorden,bij welken wij een' oogenblik moeten ftilftaan.— Zoo " verklaart Abner, dat hij tegen licht,en pligt,,om. eigen belang, Isbofeth op Israëls-.troon geholpen had, en dus fchuldig ftond aanal het bloed , dat in eenen ruim vijfjaarigen!oor-


a SAMUELS III. vs. i—39^ 05Oorlog vergootcn was. — Zoo verklaart hij,dat David geen overweldiger, maar wettig bezitter, van Judaas troon was , en aanfp;aakhadde op dien van gansch Israël. •— Zoo verraadtdecs groote held zijne laage zie]; daarhij, om vermeende beleediging, zijnen Koningden oorlog verklaart. — Zoo ontdekt hij, ineen vlaag van drift, met wat gepeinzen hijzwanger ging. Het is toch niet te denken,dat het plan van zulk eene omwendtclingthands eerstrriaal bij hem oprees. Hij wist,wat de Heer aan David gezwooren had. Hijzag , dat, wat hij ook deed , de zaaken vanSauls huis achterwaards , en die van Davidshuis voorwaards gingen. Hij voorzag, dathii bij het voordzetten van den krijg , al zijnperfooneel belang bederven, maar bij het on^derneemen van eene omwendtelingsbevoorderenzou. Het fchijnt, dat hij flegts op gelegenheidgewacht heeft, om tot befluit tekoomen , zich te verklaaren , en handen aan't werk te flaan. Onrustig dus , en geeme*lijk, ftond hem niets te verdraagen. En zie,Isbofeth vindt goed, hem te berispen! •— nüis, meent hij, de weg gebaand; en, dcör driftgedreeven , verklaart hij zich op zoo geduchteene wijze. — Zag men meermaalen , dat En zulksmenfchen, door de fnoodfte bcginfelen be- niet z o H 'zield, wanneer het hun te ftade koomt, God ^/„fj."en Godsdienst Op hunne Onheilige lippen nee- bifcmen ; Abner, fchoon uit eigenbelang, hoogmoed,en wraakzugt Werkende, vindt thandsIV. DEEL. E ©ok


66 XXXV. L E E R R Ë D Ê .ook goed , 's Heeren bezwooren beloften,aan David gedaan, bij Isbofeth tc vermelden.Hij wil hier mede een' fchijii geevc-n, alsmaakten die een' aarmerkelijkcn invloed opzijn hart; doch het is alleen, om zijne fiegtebeginfelen te vernisfen. Hij verklaart er tevensdoor , dat hij , meer dan zeven jaarenlang , tegen bcterweeten gezondigd hadde. —Wanneer godlooze menfchen den vroomcnman willen fpeelcn, verraaden zij hunne eigengodloosheid.Waarbij ' MAAR tfu eens aan Isbofeth gedacht. Hoehbofetb ] 10udt die Koning zich, op zulk een taal?fiaStT d K° n d i c V o r s t «ögt men vraagen —' ditVverduuwen ? Hij moest wei ! Maar waaromdeed hij Abner niet aanftonds vatten ? Degrootftc Vorsten zijn dikwijls onmagtig, hunnemagt tc gebruiken. Abner was 's Konings' \ dienaar; maar Abner had de magt van 't Rijk .in handen. Isbofeth zat op den tioon; maarde troon had gcenen ftcun , buiten Abner.%r bleef voor den ongelukkigen Vorst niets'overig, dan te zwijgen; en te denken: Haddeik gezweegen! Dan dit lag er toe. — Wat nu?A H N E R' ABNER, zoo gezegd zoo gedaan, zendtzendt boden aan David. De boodfchap welke hydeTm 0 ' liet doen , was fchrander en voorzichtig. ZijDavid. moesten vraagen : Wiens is het land ? Wien; toomt de koninglijke regeering over hetzelve' toe ? Voorzeker u, u alleen. Ziet daar l•d'Ab-


a SAMUELs III. vs. i—39. 6>Abner begint zijne onderhandeling , met'Da*vids wettig recht buiten verfchil en vast teHellen. Dit is fchrander tMaar, Abner,wat zal er nu van u Worden ? Hier handelthij voorzichtig. De boden moesten Davidvoorflaan , een verbond tusfchen hen beidenm e n^'te fluiten. Dus zouden zij te faamen ver-e


08 XXXV. L E E R R E D E .en dus met hem te 'verzoenen ; hij flaat hemêocb en- toe, zijn aangezicht te koomcn zien — dochder voor.o nd e rdeeze voorwaarde, dat hij vooraf moestMtbP zorgen, dat Michal, Sauls dochter, zijne ontbemMi r00fde huisvrouw , hem terug , en in zijntl'bZ- luns, gebragt wierd. — Dan om het volge.brengen van die voorwaarde gemaklijker voorAbner te maaken , vaardigt David een gezandfchapaf aan Koning Isbofeth, cn cischtdoor het zelve, zijne dcugdüjk verkreegen enwettige huisvrouw, onwettiglijk hem ontnoomcnsterftond terug ; met dit gevolg , datdooi- Abners beleid, Michal, fchoon van haaientegenwoordigen man Paltiël bitterlijk beweend,weder .tot hem gebragt werd. Gelijkdit in den Tekst omftandig wordt verhaald.teer ver- IN dit beleid van David, zien wij eenjtandig mcesterftuk van deugdlijke ftaatkunde. I. ZijnTeding. eisch was op zichzelven billijk ; Michal wasziinc wettige vrouw. II. Hij doet dien eischaan Abner; cn wel, als- eene voorwaarde,welke volbragt moest worden, eer hij zichverder met dien veldheer wilde inlaaten •—•heft dus beduidende, dat hij het Rijk vanIsraël in geenen deele als eene genadegunstuit zijne handen begeerde te ontvangen, maardat Abner het eene gunst moest rekenen,dat hij met hem wilde handelen — doendeAbner tevens begrijpen , dat hij met geenenIsbofeth , maar met hem , David , te doenhad III. David doet ook dien eisch aanKo-


a SAMUELs III. VS. I—39.6pKoning Isbofeth zclven. Het was zijn oogmerkniet, dat Abner zijne Michal heimlijkuit het huis van Paltiëi zou doen opügten,en naar Hebron voeren ; maar hij wilde Isbofethvcrpligten, om zulks, als Koning*zelf te doen. Wel weetende, dat dees zuiksthands niet zou kunnen of durven weigeren,wil hij hem noodzaaken , om voor ganschIsraël • een bewijs te gecveh van de zwakheidzijner regeering, en van zijne vrees voor David.IV. Tevens doet David een' geweldigenflag , en zulks zonder zwaard , ter verzwakkingvan Sauls huis , en verfterking van hetzijne. Elk ziet, dat dc koningli jke Prinfcs,Sauls dochter , door David wordt opgeëischt,door haaren broeder, den Koning, wordt overgeleverd, en nu te Hebron , als Davids Koningin,woont. David oefent hier een mees-.terftuk van deugdrijke ftaatkunde,INTUSSCHEN, wat voert Abner uit? Eersthandelt hij bij de Oudften van Israël, en daarop bij David, om het Koningrijk tot hem//!!overtebrengen. — Hoe behandelde hij zïm raêLftuk bij Israëls Oudften ? Aan den eenenkant , fchrandcr; aan den anderen kant, totzijne eigen fchande. Schrander behandelde, hij Metzijn ftuk bij Israëls Oudften. Hij vat hen op f sb r«nitrhun woord, cn op hunne verklaarde genegen- hektdiheid. Gij hebt, zegt hij, te voeren, eigenlijk,. ook gisteren en ook eergisteren, van tijd tottijd , dus reeds lange, David tot eenen KoningE 3ovef


7o XXXV. L E E R R E D E .pver u begeerd; zoo doet het nu, daar de zaakenthands gunstig voor zulk eene omwendtelingftaan, Thands kunt gij uwe begeerte vervuldkrijgen. — Abner gaat een' ftap verder;hij zal vroom, gemoedlijk, godsdienstigfpreeken. Want, zegt hij, de HEER heefttot David gefprooken , zeggende : Door de handDavids, mijnes knechts, zal ik mijn volk Israëlycrlosfen van de hand der Filistijnen, en vande hand aller hunner vijanden. Dit is de hoefd,inhoud van zijn gefprek met Israëls Oudften,Dus poogt Abner Israël tot zoo groot eeneomwertdteling overtehaalen 5 en zulks doordrangredenen , die klemmend en overreedendwaren. Zij hadden voor lang David ten Koningbegeerd; dat zij hunne begeerte methadden kunnen verkrijgen, was zijn bedrijfgeweest; nu koomt hij zelf hun de vervullinghunner begeerte aanbieden — dit klemt.Overreedend waren ook zijne drangredenen.Dat David Koning over gansch Israël zouzïïn was Gods verklaarde wil; en zou mendien' niet opvolgen ? Eigen belang ook , zegthij , moest hen beweegen ; want dus haddenzij verlosfing van alle hunne vijanden, en• daar door vrijheid , welvaren , en zegen , nuzoo lang gemist, eerlang te wachten, cn blijdete genieten. Zeker fterk overreedend ! —•doch tot Dan hoe fchrandcr dit beleid van Abner is,tigen .jjgr, ftrekt tot zijne eigen fchande. Want duslebande.. y^jfart hij openlijk, dat hij tegen betel-weetenen pligt, Israël onderdrukt, en David en


2 SAMUELs III. vs. 1—39. 7iJuda onrechtvaardig beoorloogd had. •— Zietdaar een' man, die, toen hij zag dat zijn onrechtvaardigbeleid van zaaken geen' duurlanger houden kon , de naatlij door febijnvan godsdienstigheid en eerlijkheid poogt intcneemen; zijn eigenbelang, onder voordoenvan zugt tot het gemeen belang , zoo loosals fnocd vei bergende.MAAR hoe zal Abner het met Benjamins 0fl * h a n -ftam maaken ? deeze was thands dc koning- ^et-üenlijkeftam , en het aanzien en dc voorrechten jwnin.welken dezelve daar bij had , ffcond hij , bijde voorgeflaagen omwendteling, te verliezen.Dit begrijpt Abner; en daarom fprak hij ookopzetlijk met Benjamin. Wat hij al fprak *-leezen wij niet. Zekerlijk alles, wat hij dachtgefchikt te weezen , om dien ftam intencemen,en tot zijne inzichten overtehaalcn.ABNER, vindende dat het volk genegep M ' aar »Pwas , om David ten Koning te verkiezen, OJMgaat , vergezeld van twintig mannen , naar kamt;Hebron; verkrijgt gehoor bij, en fprcekt metDavid ; geeft hem bericht van 's volks goedegezindheid te hemwaards, zelfs van Benjamin.Vriendlij k, nevens zijne manfehap, ten maaltijdonthaald wordende , maakt hij een ver- en een-bond met den Koning, zich verbindende, om^*"^gansch Israël, t. w., de Oudften, tot hem tegeflootebebbvergaderen , opelat die plegtig een verbond «"de,met hem fluiten, hem dc koninglijke regeering- E 4 .op-


72 XXXV. L E E R R E D E .opdraagen, cn wel op zulk eenen voet , da*hij in dier voege regeere , als hem tot vol-,komen genoegen zou zijn, — Dus is deezegroote zaak , naar Davids wensch , tot ftandgebragt. Jlzoo liet David Alner gaan, cmVa« fff- het geen beflooten was , uittevoeven 5 en hiji» o« ver j n vnfa /n umet David verzoend , en-' c i t ' verblijd , dat hij in het uitvoeren van zijneontwerpen zoo gelukkig had moogen flaagen.Maar MAAR wat gebeurt? Een geval, zoudenT > % ab w i ïSg cn s d c c h h c c w e l k 'm e n f c h e n zefe'rufge- wij op 's Heeren "hoog beftuur, ontzaglijk'nepen, .i e t t Cn wij op het werktuig dat hier bedrijvigis , godloos — en letten wij op Abner, wienhet trof, allerontzct-tendst, en hem doodlijkis! Laat mij de gebeurdnis, in den Tekst uitvoerigverhaald, kortlijk voordraagen. —Davids veldheer Joab, die heimlijk wraak te,,gen Abner in zijnen boezem voedde , omdatdccs zijnen broeder Afahel gedood had, wasafweezig , toen Abner met David te Hebronhandelde, Naauwlijks was Abner van Hebrongegaan , toen Joab met zijne manfehap,van eene onderneeming op den vijand , beteadenmet grooten buit, wederkeerende, aldaaraankwam. Zoo draa is hij niet binnendc poorten van Hebron , of hij verneemt,dat Abner aldaar, en ten gehoor bij den Koning, geweest, en in vrede en vriendfehapweder vertrokken is. Zoo ras Joab dithoort, ontbrandt het wraakvuur in zijnenboe.l c t t e n


w SAMUELS III. vs. 1—39. 73'boezem. Straks ftilift hij woedend bij KeningDavid in, en vraagt, op Houten toon: Wathebt gij gedaan ? en verwijt hem , met eenverbitterd gemoed en tong: Zie, Alner is totu gekoomen; waarom nu hebt gij hem laatcngaan , en wel zoo, dat hij zoo vrij is wechge- 'gaan?"welk een onzinnig ftuk, wil hij zeggen,'is dit! •— Verbaasd moet men ftaan, op hethooren van zulk eene taal, door eenen onderdaantegen zijnen Koning gevoerd. Dan Jcabzal dit zijn gedrag verdeëdigën , doof denKoning onder het oog te brengen, wie Abnerwas; zijn vijand •— zich beroepende op 's Kcninjseigen weetenfehap. Verder, door hemte beduiden , wat Abners oogmerk was , inzijne koomst te Hcb:on ;• 's Koning-s zaaken,beleid , en bedrijf tc befpieden , en vcrvolgendshem verraaderüjk te bedriegen. Woedend— na zulk een onbefuisd gefprek —•verlaat hij ijllings den Koning. Fluks zendthij Abner boden achter na, om hem, uit Davidsnaam , naar Hebron terug te noodigeu;zelf dus verraad pleegcnde, waar van hij Abnerpoogde verdacht te maaken. •— Zoo haast en verkoomtAbner niet te Hebron , of Joab leidt m "' J 'hem ter zijde van de poort, zich gelaatcnde,,als of hij in ftilte met hem fpreeken wilde.Intusfchen neemt hij zijn' flag waar, cn vermoordtverraaderüjk dien veldheer, Welkeen gruuwelijk fchelmftuk ! Ziet daar, waartoe de verbitterde wraakzugt een' menschvervoeren kan! vooral, wanneer daar bij% 5 koomt


74 XXXV. L E E R R E D E .koomt — dat ook hier plaats had — waarfchijnelijkereden tot vrees, dat het voorwerpvan wraak, eigen eer bezwalken, en bezetengrootheid vernederen zal.Bedrijf, DAVID, dit geval verneemende, is gewcldiggetroffen. Begrijpende , welk een' blaam"JpgrnoJ- de lasterzugt op hem ftond te werpen , vcrmen> klaart hij openlijk , dat zoo Ihood een ftukten .eenemaal buiten zijn weeten gepleegdzijnde , hij en zijn Rijk voor God , e,n de.sook bij menfchen, aan dien grauwelijkcnmoord onfchuldig waren. Tevens fpreekt hijden geduchtften vloek uit, over Joab, enzijns vaders ganfche huis, waarfchijnelijk doorraad of toeftemming mede fchuldig , cn overdeszelfs nagcflacht; en zulks in zoo ernstigeen fterke bewoordingen , dat ze zonder ontroeringniet te leezen zijn. — Wijders beveeltDavid aan Joab , en al het volk dat bjjhem was, hunne kleedcren — naar 's landsgebruik , in zwaaren rouw — te fcheuren,zich zakken aantcgorden , en , voor het vermoordelijk gaande, eene wecklagt optchcffen ;Abner dus, op de best moogelijke wijze, meteere ten gravc, brengende, en Joab froaadiijken hart- vernederende. David zelf weende , bij ;Abtijkbemv suitvaart, met zoo luide ftera, dat al hett r e u r t' volk , daar door bewcegd , met hem weende.Nog heftiger werd die aandoening, toen menDavid, onder een' vloed van traanen , eenklaaglied hoorde opheffen , waar in hij Abners


2 SAMUELS III. vs. i—39. 7.5-ners' krijgskundige bekwaamheid roemde , enzijnen verraaderlijken dood , met kracht vantaal, hartbreekend bejammerde.HET volk, met 's Konings leed begaan, Een blijkpoogde hem, daar het nog dag was, te öètt-^jjjjjreeden, om eenig voediël te gebruiken. Dan,onder de fterkfte betuigingen, verzekerdehij , vóór het ondergaan der zon , hoe afgematook , niets te zullen fmaaken, In welke-verklaaring het volk berustte. •— Dit gedragxvan David, overtuigde de ganfche naatfij',dat de Koning op geenerlei wijze deel hadin dit fchendig ftuk. Eene zaak, zeker, waar'bij hij een allergrootst belang had. —- Zoozeer ging de moord aan Abner gepleegd , denKoning ter harte , dat hij , er niet van kunnendezwijgen , tot zijne knechten, zijne hovelingen,vraagende zeide: Weet gij niet, datten deezen dage een Forst, een voornaam, eendoorluchtig perfoon , onder Koning Saul enIsbofeth alom vermaard , gevallen is ? ja eenman, bij uitftek groot, in bedrijven en roem,bij geheel de naatfij ? — Dan deeze hovc-' lingen-, en anderen , ook wij , konden vraagen, waarom David den fnooden Joab nietterftond met den dood ftrafte ? Dit, zegthij, zou ik doen, maar ik ben heden teder, enzwak in mijne regeering; wel gezalfd ten Ko~- ning , maar daar mede nog niet in het bezit'van het noodig gezag en vermogen. Endeeze mannen, de zoonen van Zeruja , inturfchen,


76 XXXV. L E E R R E D E .fchen , daar zij het krijgsvolk op hunne handhebben , en alles op hunne tanden nccmen,zijn geweldiger, fterker en harder , dan ik;wreekende, het geen ik Abner had vergeeven.Gebeurd- ZIET daar een omftandig verhaal,, dus kortvis,waar^g 9f cïietst. Bij bewoordingen, hier voor-ÏJÏ/'koomende, cn gedachten van Uitleggers overdezelven, hebben wij ons thands niet kunnenophouden. Doch bij de hier verhaalde ge.beurdnisfen , moeten wij nog eenige oogenblikkenftilftaan. — Hier zien wij een' fnoodenJoab , daar hij Abner verraaderüjk vermoordt, eene der grouwelijkfte misdaadenbegaan. Dan , op 's Heeren hoog Albeftuurziende , moeten wij Gods geduchte wraakaanbidden, over dien grooten man. Langhad hij den onfchuldigen David vervolgd;onrechtvaardig had hij hem , dien hij wistdat God ten, Koning over gansch Israël haddoen zalven , het Koningrijk betwist, enzonder noodzaak veel onnoozel bloed vcrgooten, en doen vergieten — en nu wordt,onder 's Heeren heilig beftuur, ook zijnbloed vergooten. — Hier zien wij, door's Heeren hand , Sauls huis zeer verzwakt,en laag vernederd. Isbofeth was Koning;meest echter , in naam , en zonder veel gezag.Abner gevallen zijnde , was het volkreeds tot David geneigd, en,, hem verloorenhebbende, zonder hoofd en • zonder beftuur.Sauls huis zonk in onmagt wech. —Wij


i SAMÜELS III. vs. 1—39. 77'Wij zien hier , Davids huis , door zijn lofwaardigbeftaan, onder 's Heeren zegen, eenegroote aanwinst van kracht en fterkte verkrijgen.Hoe veel goeds hij ook van Abnersgezindheid had moogen verwachten,deszelfs dood verhinderde dien , kwaad tedoen, en deed Israëls Rijk, als eene rijpevijg hem in den mond vallen. Dan David, geen deel aan, maar een afgrijzenhebbende van den moord, door Joab gepleegd, deed hoogst voorzichtig, dat hijzulks openlijk toonde, met doeming zelfsvan Joabs bedrijf, en vernedering van deszelfspcrfoon. Zulk een gedrag, gaf aanzijn belang een' fterken fteun. Israël zaghet voortreffelijk karakter van zijn' perfoon,de deugdiijkheid zijner handelingen, en zijneachting voor verdiensten •— zelfs in hun,die hem vijandlijk vervolgd hadden. Ditverbond de harten van allen in Israël , dieAbner hadden bemind, aan David. — Zoo.werd het huis van Saul al gaande zwakker,en dat van David fterker. — In eene volgendeLeerrede , moeten wij , zien , wat gevolgende nu behandelde gebeurdnisfen voor •David gehad hebben.•GAAN wij thands over, tot het opgeevenen beantwoorden van eenige bedenkin- w


7S XXXV. LEERREDE.vrucht, eerlijkheid , en oprechtheid, te kun-^D-wMinen bekladden. — Is het waarlijk wel der•P eis ' moeite waardig, dat men David verdcedige,fvanMi. in het wederom eisfchen van zijne huissbal.vrouw Michal? Bedenkingen, welken mengoedvindt hier op te maaken, verdienenveeleer verontwaardiging, dan beantwoording.Was zij niet zijne wettige egtgenoote? Kon geweldige ontrooving hem ontzettenvan het recht, dat hij op haar had?Verpligtte de liefde van een' onwettigenman hem , om zijne liefde tot haar tc verfmooren?Was het zijn belang niet, zijnehuisvrouw, eene Koningsdochter, zoo rashij kon , weder te naasten , en zijne verbind*tenis aan Sauls huis te vernieuwen ? Menmoet een bij uitftek boos hart hebben , omeen zoo onfchuldig , een zoo billijk bedrijf,de gedaante van misdaadig te kunnen en tewillen geeven.O* zijnen Is het, vraagt men verder, is het bilkrijgte-9dat David oorlog voerde tegen Isbot"rl b f e t n ? w a a r o m h i e l d hi J z i c h m e t z i j n J u d a' 'niet te vreden ? — Dan ik vraage wederom: Was er geduurende de twee eerftejaaren geen vrede ? Heeft niet Abner dienhet eerst geftoord ? Mogt David, toen ditgebeurde , zich niet verdeedigen ? En waaris blijk of fchijn , dat David Isbofeth aangevallen, of deszelfs bezittingen ontrust hebbe? — Maar, zegt men, het zij zoo , Isbo-


'a SAMUELS III. vs. r—39. 79bofeth hebbe, door Abner, Davjd eerstaangevallen ; was het betaamelijk , dat Daviddien oorlog meer dan vijf jaaren lang,cn met zulk eene woede, bleef voordzetten? — Maar wiens was de fchuld ? Ofmoest David zijn Rijk aan Isbofeth lafhartighebben afgeftaan ? En waar vinden deezelieden bericht van eenig gevecht, dan alleendat, welk na eene tweejaarige rust,door Abner werd begonnen ? Wat weetenzij dan van dc woede, met welke Davidden oorlog zou hebben 'voordgezet ? Of ziter woede tegen David , in deezer lieden harten hoofd?, MAAR. was Abner niet een flegt mensch, op zijneeen trouwloos verraader van zijnen Koning ? ^derhan^% het met de beginfelen der goede zeden- ti't^tkunde en der godvrucht overeentebrengen, Ker 'dat. David zich met zulk een' man inlaat,om Isbofeth van het Rijk der elf ftammen'te ontzetten , en het zelve tot zich te doenoverbrengen ? Zulk een' handel van Davidjjizg' men ftaatkundig noemen; maar kan mendien godvruchtig, kan men hem deugdlijknoemen ? — Abner was, gelijk wij gezienhebben, een flegt mensch. Of hij zijnenKoning trouwloos was, moet men beoordeelen,uit dc redenen, welken hij voor zijngedrag had , en ftraks moeten gehoord worden.Of hij een verraader van zijnen Koningwas, daar hij zijn voornemen denzei-


3o XXXV. L É E R R Ê D Ë.zeiven met ronde woorden verklaarde , kunnenzij beoordeelen, die zich een recht denkbeeldvormen van verraad. — David laatzich, ja , met Abner in ; maar of hij daarWel, dan kwaalijk in deed, hangt af, vande zaaken waar over, en de wijze op welke, hij met hem handelde. De zaak , over;welke hij met Abner handelde , was deszelfsvoorfjag , om de elf ftammen te Overreeden, Isbofeth te verlaaten , en hem voorhunnen Koning te verklaaren. Om te beoordeelen,of David hier over met Abnermogt handelen , moet men overweegen , watredenen daar voor, aan den kant van Abner,en welken aan den kant van David,waren, Abner had zekerlijk, van zijnenkant, verfcheiden redenen die laakbaar, dieflegt waren; daar hoogmoed en eigenbelang,zooveel inVloeds op zijn hart hadden. Dan,met dat alles , waren ook bij hem redenen,Welkeh eene onpartijdige overweeging verdienen.Hij zag geene moogelijkheid, omrust en vrede — de zaaken op den tegertwoordigenvoet blijvende — tusfchen Judaen de elf ftammen, en het welvaren vandeezen , te herftellen. Hij zag , dat de zaakenvan Davids huis, bij den dag voorwaards, en die van Sauls huis, achterwaardsgingen , en deeze laatften eindelijk , met dentijd'', onder meer of minder bloedftorting ehverwoesting, geheel zouden te niet loopen;4es docht hem best te zijn , nu het nog tijdwas,


2 SAMÜELS III. vs. i—39. 8rwas , bet Rijk van Israël, op eene vreedzaamewijze, tot David overtebrengen. Voeghier bij , dat hij de begeerte der naatfij, enhaare neiging tot David, kende; vooral, dathij zelf wist, dat dc Heer David ten Koningover gansch Israël gezalfd en verklaard had.Men befchouwe nu Abner, als een' man,die | ziende dat hij meer dan zeven jaarenlang, David zijn wettig Koningrijk betwisten onthouden had , tot zijnen pligt wederkeert, een' onwettigen Koning verlaat, zichtot zijnen Vorst wendt, cn hem zijnen dienstaanbiedt, om hem op eene vreedzaame wijzetot het wettig bezit van het zijne te doenger&aken. Waarom zou David ,; daar de zaakenwaarlijk dus gelegen waren, niet met Abnerhebben moogen handelen ? — Zoo niet;WAT moest David , naar het oordeel vandeeze berispers , als een godvruchtig man,dan gedaan hebben? moest hij Abners aanbodvan de band geweezen , - en hem aangezegdhebben , dat hij zelf, met het zwaard, in devuist, dc elf ftammen tot onderwerping dwingenzou ? Maar zouden deeze bedillers , op•het Zien van het ftroomend bloed ,. niet Lebbenuitgeroepen : Welk eene woeste wreedheid! — Of moest hij Isbofeth tegen Abner• gewaarfcliuuwd, of wel, dien krijgsoverftengevangen 'aan Israëls Koning overgeleverdhebben ) ten eirrde deezen in flaat te ftellen,zich in het bezit van zijn Rijk -te hand-IV. DEEL. F haa-


& XXXV. L E E R R E D E .-haaven ? Dit ware prijslijk geweest, indienIsbofeth wettig Koning over de elf ftammengeweest was. Dan dit was hij niet. En hadDavid dan gedaan het geen ik hier voorftelde,zouden dan zijne berispers niet uitroepen:Onnoozele vroomheid ! laat den zot fchaapen.hoeden 1 — Om de deugdiijkheid van Davidsgedrag te verdeedigen, hebben wij niet noodig, deeze uitfpraak van groote Rechtskundigenaanteneemen of te bewijzen : Dat hijniet misdoet , die den dienst van zijns vijandsonderdaan, wanneer die vrijwillig dien aanbiedt,tegen deszelven Vorst gebruikt (g). Op deezemeening zou misfehien , indien ze niet dooruitzonderingen bepaald wierd , door den een'of anderen bedenking kunnen gemaakt worden.— Stellen wij ons den aart der zaake,en heure waare gelegenheid, onderfcheidenlijkvoor § en deeze zal David ten vollen vrijfpreeken.— Hef Koningrijk over ganschIsraël, behoorde, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, aan David. Isbofeth was dienvolgendseen onwettig .bezitter van het Rijk derelf ftammen. — Abner was de man, die Isbofeth, tegen zijnen pligt, had opgeworpenen befchermd. Deeze, ziende dat de burgerenConf. GROTIUS, de Jure Belli & Pacis,Lib lil. Cap. 1. %. »I , 22. — PüFFENDORF,de Jure Nat. & Cent, Lib. VIII. Cap. VI. %. l8.pag. 447-


2 SAMÜELS III- vs. i—39. 83gerkrijg dus niet ten einde gebragt, noch IsbofethsRijk ftaande gehouden kon worden,ontflaat zich uit zijnen dienst, verklaart hemeen' onrechtvaardig bezitter , en David, naarGods eigen uitfpraak, den wettigen erfgenaamvan den troon. Na zulk eene verklaaringopenlijk aan Isbofeth gedaan te hebben , begeefthij zich tot David , erkent dien , voorhet geen hij was, wettig Koning over ganschIsraël, en biedt zich aan , om hem te die-• nen , in de' vredige verkrijging van het geen\ hem wettiglijk toekwam. — David doet daar1 op , het geen hij doen moest. Hij, die op's Heeren tijd gewacht, en op zijn beftuur; gelet hadde, neemt Abners onderwerpingI aan , en ontvangt hem in zijnen dienst. —I _ Het zij zoo , dat Abners beginfelen ten deeleflegt waren ; het geen hij thands deed ; had|. hij al bij Sauls dood moeten doen. En Da-; vid deed , het geen hij verpligt was te doen;i hij ontvangt, en neemt aan , het geen hetI zijne was.WAT valt hier, met fchijn van reden, in.Davids gedrag te berispen? Pleegt hij , indeezen ganfehen handel, eenig bedrog, cenigverraad, eeuig geweld, eeiiig onrecht? Watvalt hier te berispen ? — Er is , die zegt:• David heeft met Abner gehandeld , ten nadeelcvan eenen derden. Dit zij zoo ; maar-het was naar recht. — Maar David zelf,, zegt men, verklaart Isbofeth voor een' recht-F 2vaar-


84 XXXV. L E E R R E D E .. vaardig man (h). Dus was hij, ja, ten aanrzien van zijne moordenaaren , doch niet ten$ aanzien van zijnen troon. — Maar , zegtmen, David toonde in dit alles, te fterk eenzugt tot de regeering. Zugt tot de regeeringmogt hij hebben ; was die te- fterk , dit zouberispelijk geweest zijn. Maar zou men welonderneemen, die te fterke zugt te bewijzen,uit een lijdzaam verbeiden, geduurende zevenjaaren en zes maanden ? — Maar , zegtmen , hij heeft 's Heeren mond , in dit ganfchegeval, niet geraadpleegd. Hoe weetmen dit ? En het ware eens zoo ; dan is diteen berispelijk verzuim geweest,. maar hetbewijst nog niet, dat zijn handel zelf in ditftuk onwettig was.0 zi;, tM DAN zij, die gaarne Davids eer, als eenengtètag man naar Gods hart, bezwalken , vraagen:Is het met Davids pligt, en met zijne ge-' roemde godvrucht, overeentcbrengen, dat hij jJoab , wegens den verraaderlijken moord aanAbner gepleegd , niet geftraft heeft ? Dochik antwoordc". Wij zijn niet verpligt, nochbehoeven, om Davids karakter als dat, vaneen' zeer godvruchtig man te verdeedigen,alle zijne handelingen te verdeedigen; hij waseen godvruchtig man, maar geen volmaaktman. Hij zij hier te laf, te toegeevend geweest, aan zijnen bloedverwand, en te jvrees-M(h) a Samuels 1F: «H


2 SAMUELS III. VS. I—39. 85 ;vreesachtig voor de nadeelige gevolgen yoorzijn Rijk; dan heeft men meer niet, dan een .blijk, dat de vroomfte man zijne feilen heeft.— Ik zal des niet in .overweeging neemen,wat men tot verfchooning van Joabs- misbedrijf, en van Davids gedrag omtrent hetzelve , zou kunnen zeggen. Het zij zoo,Jóab was tegen Abner door wraak vervoerd,omdat dees zijnen broeder Afahel om 't levengebragt had , daar hij misfchien hem zoo hadkunnen treffen , dat hij belet ware geweest,hem verder natcjaagen, zonder hem te dooden;het zij zoo, dat Joab Abners onderhandelingmet David , waarlijk voor .verraaderlijkhebbe gehouden — zijn bedrijf blijft tochftrafbaar. Het zij zoo, dat David den zorgelijkentoefiand van het Rijk , en van zijne,zaaken —• den aanhang en invloed van joaben de zijnen, bij en op het volk •— de kommerlijkegevolgen van ftrafoefening, over zoogroot een' man , in zoo hagchelijk een tijdsgewricht, te zeer in aanmerking hebbe. ge-)noomen ; het blijft in hem eene berispelijkezwakheid. •— Ik merk flegts aan, dat DavidJoabs bedrijf openlijk en fterk gedoemd heeft;dat hij het nimmer hem vergeeven heeft;dat hij zijnen zoon Salomo de wraak welernstig aanbevoolen heeft (i) ; en eindelijk,dat David in zijn voorbeeld getoond heeft,dat een groot man, in gewigtige gevallen,:(i) 1 Koningen Hè 5, 6,F 3klein,


86 XXXV. L E E R R E D E .klein, dat een godvruchtig man , in verzoekingen,zwak kan weezen.mik* B. TIJD wordt het, om uit het behandelrenbier,feonderwijs, ons tot nut, optefaamelen.— Wij zien hier,Dat me» ti. VOOR EERST : „ David kwam nietriet, da»^t o thet vol genot van 't geen de Heerfrijd, tot" hem beloofd had , en hij verwachtte * danb*t genot i a ng Sden weg van kommerlijken ftrijd". •—llïtleb- Het geen hier bij David , tot verkrijging vante beu een aardsch, hem beloofd Koningrijk , plaatsgeraakt. ^ ,h e e f t b~h e n o o k p l a a t s (die bezittersworden van een heme,lsch en eeuwig Koningrijk.Hier wordt ons toegeroepen : Strijdtom integaan ; en die overwint, zal alles beërven.— Hoe dwaas dan , o zondaar , diemeent, dat gij , na mat 's Heeren vijanden,en die van uwe eigen ziel, in vrede en vermaaklijkgeleefd, zonden en wcereld gediend,en zorgeloos uwen leeftijd geflccten te hebben, ftervende , in het Koningrijk der heerlijkheidzult ingaan. — Hier zijn — en ditmoeten wij wol in acht necmen — twee volftrektftrijdige hccrfchappijcn; die van DavidsTegenbeeld , Davids Heer, cn die vanden helfchen Saul, Men moet hier keuzedoen. Want twee ftrijdige heeren te dienen,is onmoogelijk ; cn de wapenen tegen KoningJefus te blijven draagen , en met Hem inheerlijkheid te zcegepraalen, is zoo volftrekton-


2 SAMUELs III. vs. i—39. 87«nbeftaanbaar, als het licht met de duisternis, zoo onmoogelijk , als den zegen in denvloek, en het leven in den dood te vinden. -STAAN wij, W. H., hier bij ftil; wij allehebben er een eeuwig belang bij. Wien verkiezen, wien dienen , onder wien ftrijden,wiens zijn wij ? Behoort gij nog tot 's Satansrijk ? leeft gij nog onder de heerfchappij derzonden? hoe ongelukkig is dan uw ftaatfèoerampzalig uwe verwachting! Dus toch, leeftgij in de jammerlijkftc flaavernij , beftrijdt gijuw. eigen heil, verwaarloost gij een eeuwigKoningrijk, en ftort uzelvcn in eenen afgrondvan eindelooze rampzaligheid ! Och ! dat gijbeweegd wierdt, om waarlijk eene goede keuzete doen — het rijk van den heUehen Saulte verlaaten , Koning Jelus cn zijnen liefdedienst, met geheel uw hart te kiezen, enonder zijne baanicr tc ftrijden ! Zalig , dus,zoudt gij met Hem leeven.ZIJ die des Heeren zijn, leeven, 't iswaar, in ftrijd. Al wat het huis van denhelfchen Saul aanhangt, is hun tegen , zoowel binnen, als buiten hen. Meermaalen fteltde overfte Leidsman hen in kommerlijke posten, felle verzoekingen , en hevige aanvechtingen, welken hen doen uitroepen : Mij isbange ! en doen vraagen : Hoe lange ? Danweet, o Christen, tot ftrijd zijt gij geroepen;doch gij ftrijdt onder cn met den bestenF 4Heer,


88 XXXV. L E E R R E D E .Heer , den Godlijken David — en aan dewinnende zijde. Waak tegen listen , meestvan uw eigen hart. Staa in het geloof aan's Heeren woord en trouwe. Wees daar doorgemoedigd, en manlijk; zondige vrees enkleinmoedigheid verbannende , en tegen allenaanval fterk in den Heere. De overwinningzal u dus niet ontgaan.Dat het 3- LEEREN Wij hier, ten TWEEDEN:ongeluk- "i\ Ongelukkig is het, wanneer menfchen hunzijJn » belang en welftand , niet van God en god-«velfland „ vrucht , maar van menfchen gunst cnlfk"te*' " t r °u w •> afhangelijk maaken". — Groot wasmaaken de eer, en hoog de ftaat, van Isbofeth, daar•van men- j^j je en jonger zoon van Saul, ten troon* cbt *' verheven werd ; doch ongelukkig , daar nietGods gunst, of waare godvrucht, maar dcgunst en trouw van eenen eigen bejaagendenAbner, zijn fteun was. -*= Dvvaaze weereldling,die buiten God en godvrucht, voor,deel, voorfpoed, cn grootheid bejaagt; dieuw belang afhangelijk maakt, niet van God,maar van menfchen , van flegte menfchen,die God en hunnen pligt verzaaken -— zookunt gij , onder het Godlijk beftuur, met Isbofeth, door Abners beleid voorfpoedig zijnde,in uw vermeend geluk u gelukkig achten,en beroemen. Maar waar , en welk- is uwfteun ? Een rictftaf. Heden weet Abner, cnzijne werktuigen, elf ftammen van David aftetrekken, en Ifhofcth ten Koning over dezel-


2 SAMUELS III. vs. 1—39. - 89zeiven te verheffen ; en morgen zal hij dievan Isbofeth vervreemden, en aan David doentoevallen. Wat fteun heeft Isbofeth?LAAT ons toch op ons hart drukken , datde deugdlijke grond van ons welvaren , dewaare fteun van ons belang, moet zijn, Godsgunst, Godsdienst, vreeze Gods, naauwgezetteverbindtenis aan eed en pligt, en eengoed geweten voor God en menfchen. Hiervastigheid , veiligheid , cn verwachting op tegronden , zal het hart bewaaren van onbetaamelijkevrees, wegens der menfchen veranderlijkheid; voor angstige flingeringen, en bangeonrust, fomwijl gebooren uit een ongunstigopflag van het oog, uit het hooren van eentwijfelachtig woord, en opgevatte verbeelding.•—• Hangt men waarlijk werkzaam vanden Heere af; vertrouwt men , onder vlijtigbehartigen van zijn' pligt, zich en zijne belangenaan Hem toe, die alles draagt door hetwoord zijner kracht — dan zal men, zelfs bijhet bruisfehen der rivieren , ja al beweegdezich de aarde, een fteunpunt vinden, dat nimmerbegeeft. O ! hoe gelukkig hij , die nietafhangt van veranderlijke Abners, of van eenwispeltuurig volk, maar zeggen mag: O mijnGod, Gij zijt mijn rotsftcen, en mijne fterkte!*3. ZIEN wij hier, ten DERDEN, „ de 0*#, boe,, fnoode geaarthcid van een' hoogmoedig zon- •verkeerd„ daar, die de billijkfte berispingen, ook door£5/2;F 5„ be-


«)o XXXV. L E E R R E D E .hrispin- „ bevoegde perfoonen gedaan, voor beleedi-VtleedT » §^ n§ e n houdt, en als zoodaanig behandelt".ginzen te — Abner bedreef fchendelijkheid met Rizpa,houden, bijwijf van Saul , Koning Isbofeths vader.Dees beftraft hem daar over; en billijk.Maar hoe Abner dit opneemt, hebben wij gezien.Onftuimig vliegt hij op , en dreigt zijnenkoninglijken berisper , zoo beleedigendeenen hoon geducht te zullen wreeken. —Elk die dit leest, verfoeit zulk een beftaan engedrag ; en zeker met reden. Maar hoe noodig, dat wij hier aan onszelven denken, enons eigen beftaan naar waarheid beoordeelen.Kinderen, in jonge jaaren, jongelingen in toeneemendejaaren, menfchen van onderfcheidenouderdom, rang, en ftaat, begaan onvoorzichtigheden; dikwijls zonden , die , of doorverzuim , of door bedrijf, in nadruk God beleedigend, aan mcdemenfchen ergerlijk enfchaadend, en onszelven verderflijk zijn. Eenewaarheid, welke wij alle zullen willen, immersmoeten erkennen. — Welk een voorrecht,wanneer onze medemenfchen, zij vooral, die er boven anderen toe bevoegd zijn,op ons letten, en op betaamelijke wijze vraagen: Waarom hebt gij dit gedaan ? —• Het iszoo, door eigenliefde bezield , willen wij lievergepreezen dan gelaakt — door blinde eigenliefdevervoerd, willen wij liever gevleid,dan berispt worden. Maar wie , zoo hij anderswel denkt, moet niet erkennen, daar endaar in , heb ik gezondigd ? Daar de monddit


% SAMUELS III. vs. 1—39. QÏdit zwijgt, zal het geweten zulks in de binncnkamerenvan het hart verklaarcn.MAAR van waar dan, dat wij beftxaffing Dat uiten bcftraffer zoo dikwerf haaten ? Van waar,^",j r •• 1. 1 • ^ 1 . grtndendat mj , die hier aan God , aan roeping , aan meerpligt,en aan de liefde des naasten poost ge- maaleml , ! plaatstrouw te weezen , veelal een voorwerp vanwrevelige vijandfchap wordt ? Van waar -—«'t welk ook niet zelden gebeurt —• dat devoorzichtigfte, de zachtmoedigfte berispingen,de liefderijkfte vermaaningen, tot nut en verbeteringgedaan , zulke fchadelijke cn verdervendeuitwerkfelcn hebben ? Meermaalcn zagmen menfchen , die daar door op d'oogehblikin woede ontftooken , een voornemen opvatteden, en op ontzettenden toon verklaarden,dat zij nu , even daarom , omdat men henover hun gedrag had durven onderhouden , indat bedrijf zouden voordgaan, zelfs, ten fpijtvan den berispcr , het nog erger te zullenmaaken ; cn boven dien , zich op hem , waaren wanneer men kan , te zullen wrecken.God weet, wat ouders van hunne kinderen,huisgenootcn , vrienden , cn bekenden , hiervan ervaaren!VRAAGEN wij , van waar zulk een bt-Docbftaan ; zoo dwaas zeker , als fchadelijk ? H$/ v%$laas ! de bron is , verwaande hoogmoed. Zal/»yi.—• zegt het daar door vervoerde hart en tong— zal men mij, mij berispen! en dat daar, cndaar


9» XXXV. L E E R R E D E .daar over ! en zal die dit doen! Watmeent men ? dat ik een hondskop ben? Zulkeen beftaan ftaat mij niet' te dulden ! Zevenvouwdigzal ik zulk eene beleediging op zijnenkop vergelden! — Maar hoe fnood, biddeik, is zulk eene gefteldheid en gedrag ! Zoowordt men willends dwaas, ja onzinnig. Zooverhardt men ftoutlijk het hart. Zoo ftortmen zich in een' draaikolk van zonden. Zoowreekt men zich, door zichzelven ongelukkigte maaken. Zoo geeft men den Opperrechterrechtvaardige redenen , om ons aan de verftrikkingenvan vleiers en verleiders overtelaaten.Zoo haalt men dat geducht oordeelover zich, van 's Heeren wege hedreigd: Eenman die dikwijls bejtraft zijnde, den nek verhardt,zal fchielijk verbroohn worden, zoo, dater geen geneezen aan zij (k). —• Och! dat wijDavids gefteldheid biddend zochten te verkrijgen,en met hem zeiden: De rechtvaardige Jlaamij , en het zal weldaadigheid zijn (1) ! Danzouden wij billijke berispingen als Godlijkcgunsten befchouwen , en dezelven , ons tennutte, blijmoedig ter harte necmen.JEn da* T. LEEREN wij hier, ten VIERDEN: „ Demetdeben, trouw van menfchen, die voornaamliik hundoor et- " . . .ger.be- „ eigen belang bcjaagen , is nooit te betroulangbe-? jwen". — Abner, offchoon weetende dat het' . . r . Ko-Ck) Spreuken XXIX: i. .(1) Psalm CXLI: 5.


2 SAMUELS III. vs. i—39. 93Koningrijk David toekwam, bewerkt, ter bz-beerscht,voordering van zijn eigen belang,.dat elf ftam- niet i e b e '• L -n» J tl T . ~ . trouwenmen zich David onttrekken , en Isbofeth ten zijn.Koning verkiezen. Maar ziende, dat dit Rijkverzwakte , en zijne belangen op wankelbaarenvoet ftonden, neemt hij eene gunstige gelegenheidwaar, om zijnen Koning te verhaten, cn deszclfs Rijk in handen van David tebrengen. — Het is zoo, op betaamelijke wijzeeigen belang te behartigen , kan nimmer gewraaktworden. Het is zoo , er zijn perfoonen, en gevallen , bij welken het eigen belang, en het gemeen belang, zoo naauw verbondenzijn , dat de bevoordering van heteen , de bevoordering is van het ander. Zoowas de bevoordering van Israëls belang , debevoordering van Davids beiang , en de bevoorderingvan zijn belang, dc bevoorderingvan het belang der naatfij. — Maar hoe ongelukkig, wanneer menfchen niet God , maarzichzelven dienen; niet Gods, maar hunne ei-. gen eer behartigen ; niet het nut van bet gemeen,maar, tot fchade van het zelve, eigenvoordeel bejaagen; niet hunnen pligt,' maarhunne bevoordering in het oog houden! Deezenzullen , wanneer zij het teji eigenbaatdienstig vinden , de vertrouwelijkheid dervriendfehap , de verpligte dankbaarheid aanedelmoedige weldoeners , de trouw aan hungegeeven woord, de eerlijke behartiging vanaar.bevoolen.post, hunne eigen eer, ja hun geweten,en, met één woord, alles opofferen.; >EN


$4 XXXV. L E E R R E D E .EN wat fiaat is op zulk een mensch temaaken? Geen altoos. Hoe koomt men, ingevallen, met zulk eenen uit ? Gelijk Isbofethmet Abner. Weet men hun geene nieuwebevoordering van eer en voordeden te bezorgen;dan zijn ze niet te houden. Koomen zijin nieuwe verzoekingen; zij worden op nieuweerlooze verlaaters. Nijpt de verzoeking fel;dan offeren zij en Isbofeth , cn alles wat zijzelf gezegd, beloofd, en gedaan hebben, aanhun belang op. — Slegte menfchen ! trouwloozebedriegers ! pesten in de maatfehappij!— En hoe fchadclijk zijn zij in den Godsdienst! Koomen de belangen van waarheid,van godzaligheid, van de Kerk in het gemeen,of gemeenten in het bezondcr, in gevaar; dangaan zij met Demas heen, houden zich fehuil,geeven over 't geen zij moesten behouden,wijken daar zij moesten ftaan ; of wel , zijHerken hcimlijk dc handen der boozen.LAAT ons, W. H., toch waaken tegen zoofnood een beftaan en gedrag. Dat wij tochwel befeffen het laage , het eerlooze , hetfchandelijke, het fchadelijke, vooral het zondigedaar van. Daar men ligtlijk in verzoekingkart koomen , moet het onze ernstige enaanhoudende bede zijn : Laat, Heer , de oprechtheiden de vroomheid mij behoeden ! —•Maar tevens is noodig , voorzichtig te zijn,in het beproeven der geesten, opdat wij nietdoos fchija ingenoomen, en door misleidingb&.


2 SAMUELS III. vs. i—39. 95bedroogen worden. Vinden wij , dat menfchen, van wien wij zulks wisten noch dachten,door zugt tot eigenbelang beheerscht engedreeven worden; dat wij ons nimmer teveel, noch te verre , met hen inlaaten, ennimmer ons , in zaaken van belang, op henverlaaten. —• En zulks vooral, omdat —•n. EN dit zij onze VIJFDE leering — „ de Verdert„ flegtfte menfchen, zoo zij wat verftand'(at deHtfte„ hebben, ter bereiking van hunne oogmer-j nenfebeu,, ken , den Godsdienst weeten te baat te' Ukwi)ls'en Gods-„ neemen , en den gemoedlijken man te fpee-^ 'ienst te„ len". — Abner wist zeer wel, dat de HecH aat net'ten.David ten Koning over gansch Israël had'doen zalven ; doch fioeg , toen eigenbelanghemdreef, dit in den wind. Nu eigenbelanghem tot een tegengefteld gedrag drijft, neemthij 's Heeren woord , tot David gefprooken,te baat; de HEER, zegt hij, heeft tot Davidgefprooken, c. z. y. •—• Och! had dit ooknog geen plaats ! Wierd het bejag van onbetaamelijkeigenbelang , de fnoodheid van oogmerken,de boosheid van bedrijven, de voordzettingvan tastbaare onrechtvaardigheid , devolvoering van bitteren wrevel en woedendenwraaklust, niet meenigmaal onder voorwendfclvan pligt en geweten vermomd, eudaar toe 's Heeren woord, de Godsdienst, eneen fchijnbaare ijver voor denzelven, misbruikt! Dan waar toe zijn menfchen niet bekwaam, die. zonder godsdienst zijnde, ookZQfi*


96 XXXV. L E E R R E D E .zonder geweten zijn? Zij, die eer- heersen- enwinzugt zich ten God Hellen, kunnen , alnaar het belang zulks vordert, den naam van' God — en van den duivel, den hemel — ende hel, te baat nccmen, en de plegtigfte eedenbrecken , onder voordoen van die te houden.EEN allerfnoodst bedrijf, der Godlijkc majesteithoogst beleedigend , en zijne waarheiden dienst fchendig ontheiligend ! Een bedrijf,waar door zulke menfchen , onder 's Heerenaanbiddelijk beftuur, in hunne oogmerken kunnenflaagen; doch waar in zij den vloek overzichzelven brengen. — Laat ons, W. H.,tegen zulke bedriegers op onze hoede weezen.Toevallige vroomheid van godloozcn;naauwgezetheid van geweten, in één geval,terwijl men in andere gevallen een' kemeldoorzwelgt ; en godsdienstigheid bij dc ongodsdienstigen— is "nimmer te vertrouwen.— Maar vooral, dat wij zeiven ons wachtenvan zulk eene huichelaarij! God kent ons harten onzen weg ; Hij geeve, dat al ons werkin waarheid zij!Ook, dat j ;LEEREN wij hier, ten ZESDEN: „ Gods%%tdt- » Voorzienigheid kan, op zijnen tijd, de vijzdfden,£ anden van zijn volk gebruiken, om optediewerk-. |b o u w e n•n e tg e c n zjj zelven voorheen hadwarenden afgebróoken". Wij zien dit in Abner.zJ" k % a '— Dit was mcermaalen 's Heeren weg.gold* Egyptenaars, die niet minder bedoelden dangébruikt. ! dep


SL SAMUELS III. vs. i—39. 97é'den ondergang van^ansch Israël, moeten, op*s Heeren tijd , Israël voordhelpen , begunstigen, en met gefchenken overlaaden. — DeBabyloniers verwoesten Stad en Tempel vanjerufalem; dat zelfde volk, onder Cyrus heerfchappijgebragt, bevoordert den opbouw vanbeiden. — De Spaanfche Moogendheid verwoestteons Vaderland, door woedend geweld, en wreede vervolgingen ; die zelfdeMoogendheid gebruikt de Godlijke Voorzienigheid,in eene volgende eeuw, om ons Vaderlandte helpen redden uit de kaaken vaneen voleindigend verderf.ZULK een beftuur der hooge Voorzienig.1 heid, moet 's Heeren Kerk, elk Christen, en| liefhebber van het Vaderland , ten krachtigjftcn bemoedigen. De vijanden kunnen veel,1 kunnen magtig , kunnen woedend zijn. Diep; kan dit nederdrukken, en den moed geheeli doen zinken. Van waar toch, vraagt men,1 zal verademing , zal redding koomen ? Hetzij zoo , men weete het niet, zelfs niet tegisfen. Door wien werden Sadrach , Mefach,' en Abednego uit den brandenden oven gered?• Door dezelfde hand , die er hen had doen inwerpen(m). Als het den Heere behaagt,zal een Bileam , gehuurd om te vloeken , ze-I genen. Dezelfde Saulus , die 's Heeren gcimeentealom verwoest, zal eerlang dezelveOO Daniël III.IV. DEEL.Gal-


9S XXXV. L E E R R E D E .albmme bouwen. De pen , die vuil en vinnighet Evangelij beftrijdt, zal het ernstig engodvruchtig verdeedigen. En een Abner, dielanger dan zeven jaaren aan eikanderen, Davidswettig recht betwist, en elf ftammen tegenhem wapent, zal, als het 's Heeren tijdis , in weinig weeken , David het genot vanzijn wettig recht, in eigen perfoon koomenaanbieden, cn alle de ftammen bewcegen, omhem voor Koning te erkennen. — Leg, gedrukteChristen, in bange dagen, geloovig opuw hart: Den Heere is geen ding te wonderlijk.d o o r l i s t e ne l fFoor*, T. LAAT ons, ten ZEVENDEN, nog opdatde "merken: „Wanneer de zondaar, door bedrogTntTer „ en geweld, zijn oogmerk meent bereikt teoüwaant ^ hebben, zal God, zijn kwaaddoen den goezijnoog- 'd d eb eft u u r c nde , hem het loonmerk bc- 5 5 > -"- 11 U P„3reikt te „ zijner ongerechtigheid doen ervaaren. —Mwn's A B N E R P°°S' : 'ftam-e e w c l d '+ 'men onder Isbofeth te brengen. Het gelukt'Onder des befchikt dc Heer, door eenen laa-menloop van onvoorziene gebeurdnisfen , dczaaken ten goede van David ; en Abner ontvangt,door handen van den onrechtvaardigen'Joab, de rechtvaardige vergelding zijner ongerechtigheid.— Zoo zien wij , dat daar menfchenzich , cn eikanderen, wegens fnood bedrijfzegenen, de Heer op zijnen tijd die bedreiging vervult : Wee den gudloozen ! het zalhem kwaalijk gaan ; want de vergelding zijnerhmi'gefiriftwordt.


a SAMUELS III. vs. i—39. 99handen zal hem gefchieden (n). Met een aantalbewijzen en voorbeelden , uit gewijde enongewijde fchriften , ware dit, zoo 't andersnoodig was, te ftaaven.DAT werkers der ongerechtigheid hier hetoog op vestigden , en het ter harte namen !Daar zij hun onrecht met vlijt bejaagen cnvoordzetten, bejaagen zij 'sHeeren wraak, enhun eigen verderf. — Dat niemand , doorvleiend voorkomen van fchijnbaaren voorfpoed,zich met hun laate inwikkelen, opdat,wanneer het onrecht dé ziel zijnes meestersvangt (0) , men niet mede gevangen worde.— Dat wij toch nimmer zegen wachten vanonrechtvaardige onderneemingen, en vloekwaardigemiddelen. — Moet de gerechtigheidonder onrecht zngten ; dan is het beter, metDavid te lijden , dan met Isbofeth en Abnerte zcegepraalen. •— Langduurigheid van beproevingen,kan, bij den vroomen, geloof cnlijdzaamheid in gevaar brengen van te bezwij.-ken , en fterk drijven tot lcbielijk haasten.Maar hoe verkeerd ! Is 's Heeren tijd niet debeste tijd ? Gaat, godvruchtigen , met uwhart — Afaf hier in navolgende — in 's Heerenheiligdom ;. wacht op de uitkoomst vandes zondaars weg , en 's Heeren beftuur ; enhoudt u verzekerd, dat het heil der rechtvaardigenO) jfeftias III: 11. O} Spreuken 1: i§,G i


Jttoo XXXV. L E E R R E D E .•digcn van den Heere is, hunne fterkte tentijde van benaauwdheid. De Heer toch, zalhen helpen, Hij zal hen 'bevrijden van de godloozen, en zal hen behouden ; want zij betrouwenop Hem (p).Einde nik;' n. LAATmij, EINDELIJK, nog herinnew/;zun ^ wj: j njjj. g efchiedverhaal eene leetvtef'6CÏJ.' 'afbeeld- „ vendige afbeelding vinden, van den toeftandfel, van •e nk e t} ot v a nden tegcnbeeldigen D A V I D ,bet lot " .. ., ./Dvan Je/us-,, en van zijn Ruk, gelijk ook , van dat zij-Hijk, cn ^n e rvijanden. —• Was er tusfchen het huisSaJnt. 'van David en het huis van Saul een lange.krijg ; gedenk , o Christen , dat tusfchen het'Rijk van Koning Jefus , en dat des Satans —•tusfchen hen die Hem aanhangen, en de weereld—' tusfchen Godiijke waarheid , enmenschlijke verleiding — tusfchen waare god-'zaligheid, en zonde, krijg is. Weet dan, dat• gij tot ftrijd geroepen zijt, en 's vijands aanvalte wachten hebt. Daarom , neem tochaan dc gchcclc wapenrusting Gods. — Krijg is• er dus niet alleen ; maar wees , o Christen,' fteeds wel verzekerd, dat uw Koning en zijn' Rijk een' langen krijg heeft, welke , fchoon• met afwisfeling , duuren zal, totdat, met's weerelds einde, de laatfte vijand, de dood,zal worden te niet gedaan. En gij voor u-- zeiven — maak daar rekening op —• hebt• niet anders te wachten, dan dat gij alle uweda-(p) Psalm XXXFU: 39, 40.


i SAMUELS III. ys. i—39. 101dagen , nu meer dan minder , in ftrijd zultzijn. Wacht geen' vrede , dan in den zaligendood. — Maar — welk een troost! dehelfche Saul, en die van zijnen aanhang, zullenal gaande zwakker — doch de tegenbeeldigeDavid, en die van zijn huis , al gaandefterker worden. Hoe fel de krijg , tusfchenMichaël met de zijnen , aan den eenen , enden Draak met de zijnen, aan den anderenkant, ook mogt gevoerd worden; deezen zullennimmer tot volftrektc overmagt geraakenDavids Zoon en Heer heeft, wat Hem aangaat,reeds overwonnen, en zit op zijnenTroon (q). En zij , die onder en met Hemftrijden , zuilen overwinnen, door het bloeddes Lams (r) — zij alle , allen geftrecdenftrijd nadenkende , zullen eenmaal, van zuiverevreugd verrukt, uitroepen: In allen deezen, zijn wij meer dan overwinnaars , doorHem die ons liefgehad heeft (s) ! Amen.In de Groote Kerk,den 6 van Wintermaand,177.2.XXXVLfq) Openhaannge III: *t. fr) Openbaarde5XII: 11. O; Romeinen Vllh 37.G 3


io2 XXXVI. LEERREDE.^*^^*^* *^*^" < * > * < >XXXVI. L E E R R E D E .2 SAMUELS IV. vs. 8—12.8 Ende fy brachten het hoeft Isbofeths totDavid te Hebron, ende feyden tot den Koningh; -Siet, daer is het hooft Isbofths, des foonsSauls, uwes vyants, die uwe ziele fochte: aljoheeft de HEERE mijnen heere den Koninghte defen dage wraken gegeven , van Saul, endevan fijnen zade.o Mdêr David antwoordde Rechab ende fijnenbroeder Baena , den fonen Rimmons, des Beerothiters,ende feyde tot hen: [Soo waerachtighals] de HE ERE leeft, die mijne ziele uyt aUIer benaeuwtheyt verlost heeft:iö Dewijl ick dien, die my boodfehapte, Jegtxende;Sict, Saul is doot; daer hy in fijne oogenwas, als een, die goede boodfchap brachte; nochtansgegrepen , ende te Ziklag gedoodt hebbe:hoewel hy )[meynde] dat ick hem bedenloon Joudeg C Vii.' Hoe veel te meer, wanneer godtloofe mannen, eenen recht veer digen man in fijn huys opfim 'jlaepftede hebben gedoodt ? nu dan en foudeick fijn Moet van uwe handen niet eysfehen, endeu. van der aerden wechdoen ?12. Ende


2. SAMUELS IV. VS. 8T-I2.10312. Ende David geboodt fijne jongens, ende fydooddenfe, ende hieuwen hare handen ende harsvoeten af, ende hingenfe op by den vijver te He-'bron: maer het hooft Isbofeths namen fy, endebegroeven het in Abners graf te Hebron.DE gerechtigheid bewaart den oprechten van De «pwege;maar de godloosheid zal den zondaar r e c b t e 9omkecrcn. Dit is ook eene van Salomons" W C 3 'Spreuken (a). — De oprechte van weg, iseen mensch , die , uit een recht bcginfcl, alzijn bedrijf naar den regel van het recht, doorden opperften Wetgccvcr voorgefchreeven,poogt interichten. — Veele echter, kunnende verzoekingen zijn , om hem van den rechtenweg, en tot bijwegen, afteleiden ; en inwelk een gevaar kan hij dan koomen! Doch dc W /gerechtigheid, het voorfchrift van her Godhj£'x*recht, fterk tot hem en in zijn hart fpreeken- Ztf*'.de , en van hem bemind cn gaarne gehoord waard.wordende , bewaart hem , houdt hem bij deoprechtheid van weg en handel. — Hoe voortreffelijkis zulk een beftaan! hoe gclükki* deuitkoomst, daar op te wachten!MAAR ongelukkig is de zondaar. De gp£flWloosheid, welke zijn hart beheerscht, en ^godiootgedragbeftuurt, kan hem, ja, voor een' tijd/"*00 Spreuken XIII: 6.G 4Z 1 C i l


io4 XXXVI. L E E R R E D E .zich doen verheugen in dc verkeerdheden deskwaads, en hem veel goeds ichijncn te belooteenden ven; dit verblindt hem. Maar die zelfde godzeudaar] oosheid , zal bij dc uitkoomst den zondaarzoo verwarren, dat hij , van de eene zondein de andere vallende , eer hij het weet, opgladde plaatfe gezet wordt, en, van zonde inzonde Hortende, in het verderf ncderftort, endus wordt omgekeerd.Vo»ibeeid HOEVEEL duizende voorbeelden hier van,hnd V*' l e v e r e n Woord c n ondervinding niet op ! Defio/eT' ftoffe nu te behandelen, vertegenwoordigt onsftcrkfpreekcnde voorbeelden. — Hier zien wijeen' David, oprecht van weg, in groote verzoeking,om door het vleiend voorkomen vangodloozen , tot onrecht te worden verleid;doch door gerechtigheid, van hem gekend enbemind , aanmerkelijk bewaard. — Tevenszien wij hier godloozen, door godloosheid vande eene zonde tot de andere vervoerd ; maareven daar door , in hunne eigen ftrikken ver-Ward , in het verderf geftort, en dus omgekeerd.• WIJ hebben gezien, Saul geftorven in zijnezonden ; — David van zijnen dood verwittigd; — den troon opengevallen ; — dienVorst, volgends Gods bevel, naar Hebron getoogen,en aldaar over Juda ten Koning gezalfd.— Wij hebben gezien, Isbofeth, doorzijnen bloedvriend Abner op den troon vanïs-


2 SAMUELS IV. VS. 8—Ï2. J05Israël geplaatst; en daar door den grond vaneenen binnenlandfchen oorlog gelegd — oorlog, bij welken Sauls huis al gaande wegsverzwakte , cn dat van David , al gaandewegs , in magt en aanzien toenam.WIJ hebben gezien., hoe door 's Hemelshoog beftuur, een felle twist tusfchen Abneren Isbofeth ontftond. Twist, bij welken delaatfte zijnen fteun verloor, en de eerfte, aanleidingkreeg , om met David in onderhandelingte treeden , om het Rijk van Israël totdien Vorst overtebrengen; doch welke onderhandeling, door Joabs verraaderlijken moordaan Abner, tot Davids bitter zielsverdriet,verijdeld werd.HIER op verhaalt de heilige Schrijver eenegebcurdnis, welke wij ons kortlijk moetenvertegenwoordigen. —• In deeze omftandigheidvan tijd .en zaaken , fmeeden twee overftenvan benden een ontwerp, om hunnen Koningte vermoorden. Om dit uitte voeren , gaanzij, op den middag, wanneer de Koning, wegensde hitte, gewoon was eenigen tijd opzijne flaapftede te rusten, ten zijnen huize in,voorwendende tarw van daar te moeten haaien; zij dringen in 's Konings liaapkamer —verrasfen hem daar , op zijn bed — brengenhem om 't leven — houwen zijn hoofd af —en , dit met zich neemende , gmgen zij denganfehen volgenden nacht, den weg des vlak-G sken


K>6 XXXVI. L E E R R E D E .ken velds. — Een vloekwaardig bedrijf ! envoorDavid van aanmerkelijke gevolgen. DanDavid in deeze gebcurdnis zelve deel nochbeleid gehad hebbende, gaan wij over, ter befchouwing— van het geen David deswegensbejegende ; — van het geen hij in dit gevaldeed ; •—• en van de bedenkingen, welken opDavids gedrag in dit geval, gemaakt worden.Bij de behandeling dier zaaken , zal ons vanzeiven het een en ander , aangaande de gemeldegebeurdnis , in de hand koomen. Enwij zullen er treffende blijken in zien , vanGods aanbiddelijk beftuur ; van der menfchenboosheid, en zelf bedriegende arglistigheid; enyan Davids wijs en rechtvaardig gedrag —•alles voor ons tot veelerlei leering, en nuttigonderwijs.mi befcbouwcnbier,Wat Dcvid gebeurde.A. .W IJ befchouwen, voor eerst,, N. WAT David bejegende. — Abner gcfneuveldzijnde, geraakte alles in het Rijk vanIsraël, in de uiterfte verwarring. — Deels,omdat Abner, de voornaamfte fteun van Saulshuis , gevallen was; — deels, omdat Abner,vóór zijnen dood, de gronden tot eene omwendteling, bij Israëls grooten had gelegd —•gronden en beginfels , welken nu hunne werkingbegonden te doen; — deels, omdat Ko rning Isbofeth, daar door belemmerd , raadnoch middel wist, om zijn wankelend gezagte ftevigen, en de wanorden tot orde en regel-


% SAMUELS IV. VS. &—12. JO?gëlmaatigheid te brengen. - Iskofeths handen werdenJlap , en gansch Israël werd verfchrikt (b)— beroerd en verward, niet weetende wat tedoen, cn hoe de zaaken nu te beleggen.T. w., dttDIE oogen in 't hoofd hadden, zagen, datRe Kab,Israëls Rijk ten val neigde , en van korten en Bêëna,duur zou zijn. — Dan, gelijk het mecrmaalenging, dit fcheen fommigen veel te lang te zul:len verwijlen. Vervloekte eigenbaat , dreefhen tot het pleegen van een afgrijslijk fchelraftuk—• het vermoorden van Koning Isbofeth;•— De pleegers van deeze fchendige euveldaad, waren twee krijg;bevelhebbers ; hoofden , zoo fommigen mecnen , van benden .welken gewoon waren op ftrooperijen tegaan ; of misfehien , van 's Konings lijfwacht— Rcchab en Baëna, van Beëroth, eene ftactot Benjamin behoorende , maar thands, wegensoorlogsrampen, verlaaten.DE aanmoediging, welke deeze booswichtenzichzelven tot dit fnood opzet gaven,was, dat Jonathans zoon, de naaste erfgenaamvan den troon , nog maar een kind van vijfjaaren zijnde, bij het vlugten voor de Filistijnenvallende, kreupel aan beide zijne voeten,en dus onbekwaam tot de regeering , gewordenwas.Hier door vleiden zij zich, dat nicmand bij de hand , of in het vermogen was ,om hunnen Koningsmoord te wreeken.(10 2 Samuels IV'. i .DJEhhtfetbveiw ordhebbende,de. ze'fs•ho:ifd ietDavidbreng-n.


lot XXXVI. L E E R R E D E .D E wijze , op welke zij hun gruuwelftukvolvoerden, was, dat zij zich vermomden, alslieden die opzicht hadden over, of bedrijvigwaren aan de korenzolders, en onder dit voordoen, in 's Konings huis drongen ; alwaar zijhem , in zijnen middagilaap , wreedlijk om 'tleven bragten, en zijn hoofd afhieuwen; metwelk zij voords, vanMahanaim, over de Jordaan,door de vlakte aldaar, de vlugt namennaar Hebron.DAT hun oogmerk was, eene vloekwaardigebevoordering van heilloos eigenbelang,blijkt, uit de houding en het gedrag dier wanfchepfelsomtrent David. Zij bragten, naam-'lijk, met vleiende taal, het hoofd van Isbofethtot David te Hebron. — Een handel,waar in zij ontdekken , eene woeste wreedheid,vloekwaardige geveinsdheid, fnoode arglistigheid, en tastbaare dwaasheid. — Ik zegge, zij ontdekken hier in, eene woeste wreedheid.Zij brengen tot, zij vertoonen aan David,het afgehouwen hoofd van Koning Isbofeth— van hunnen eigen Koning — vanhunnen, door hen zeiven , vermoorden Koning— van hunnen , op zijn bed flaapcnd,vermoorden Koning ; — dit doen zijne eigendienaars ! Welk eene ijslijke vertooning ! •Zij ontdekken in deezen handel, eene vloekwaardigegeveinsdheid. Zij vertoonen zich aanDavid, als zijne trouwhartige vrienden. Zie,zeggen zij, daar is het hofdlsbofeths, deszoons


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 109zoons Sauls, uwes vijands ! Hebt gij, o David,wel zulke groote, zulke getrouwe vrienden, als wij zijn ? Zie daar, zeggen zij, hethoofd van den zoon uwes vijands , die uweziel, uw leven, zocht, en van welk hoofd gijtucfca uciui.ie vvueuten naar, aan net geen dithoofd nu wedervaaren is. Wat zegt gij , oKoning? zijn wij niet de verdeedigers, de behoudersvan uw dierbaar leven , de reddersvan het bedrukte vaderland uit alle zijne verwarringen? — Een handel ook , waar in zij•ontdekken , de fnoodfle arglistigheid. Zij zoekenDavids gemoed te verwarren, en bij ver-.rasfmg intenccmen. Zij wisten , wat Davidvan Saul gclecden had ; het was bekend, dathij , hoezeer getergd, zijne handen zorgvuldigvan zeirswraaic naa ontnoucien; net was overalverfpreid, dat David de wraak aan God be-• voolen had , en lijdzaam daar op wachttedeeze fnoodaarts tasten listiglijk David op dit^« zulkszijn deugdlijk beftaan. Zie daar, zeggen ^^de'taavroome man, zie daar de gunstige vervullinguwer uitzichten ! zie daar de beantwoording• van uwe lijdzaame verwachting ! Alzoo heeft,.de HEER mijnen Heere den Koning ten dee.zen dage wraak gegeeven van Saul en van zijnzaad! daar nu niemand van hem is overig gebleeven,dan een onbekwaame Mefibofeth.I DAN ik zeide , dat zij ook in deezen han-„del ontdekken, hunne tastbaar e dwaasheid. —-Het ware eens zoo , dat deeze wangedrogtenIDavid


In deezeverzee-HngtIIÓ XXXVI. L E E R R E D E .J )avid konden misleiden ; zullen zij God misleiden? Zij dachten bij David ftraf te ont­]man; maar zullen zij de wraak van God ontdaan? Dan de zondaar denkt flegts op deI:onden, en niet op haare gevolgen. Of denkt1 nj er aan , hij vleit er zich mede. Zoo deelendeezen. Zij dachten op niets anders, danp groote gefchcnkcn, van Davids hand ; ophooge eerambten , door Davids verhoogdemagt. Doch met zoo te denken , bedroogen1% "zichzelven , en maakten gansch verkeerderekening op Davids geaartheid , beftaan , enhandelwijze. Haast zullen zij ondervinden,dat de godloosheid den zondaar omkeert.tPij zien 3. LAAT ons zien, wat David in dit gevalook, vat deed. — Hij handelt hier met wijs beleid; —JDaviabier in hij doemt de fchenddaad met verontwaardiging;—< en ftraft ze met billijkheid. —• deed.Davkfhandelthier met wijs bdeid. Onverftanden vervoering , hadden hem hier kunnen verbijsteren, en ongelukkig doen denken en handelen.Hij had kunnen denken: Isbofeth wasdc onwettige bezitter van mijne heerfchappij;zoolang hij in leven bleef, kon er geen vredezijn ; cn wat al menfchenbloed ftond de krijgnog te ftorten ! Dit bedrijf heeft mij vanmijhen vijand •— het land van den oorlog —en duizenden, misfehien , van den dood verlost.— Hij had kunnen denken : In het bedrijfdcczer mannen, is, ja, naar het ftrengerecht>


\a SAMUELS IV. vs. 8—12, 'fï|recht, veel te wraaken ; maar de tijden zijnonrustig , de zaaken zijn verward, de gemoederenzijn vervoerd , en het grondbeginfelwaar uit deeze mannen te werk gingen , isgenegenheid tot mijn perfoon en dienst. Ookhebben zij, door.hun wanbedrijf, niet weinigtoegebragt, ter vervulling van Gods beloften,en mijne verwachting. -— Hij had kunnendenken : Deeze mannen hebben bedoeld, mijden grootften dienst te doen. Wreek ik Isbofethsdood ; ftraf ik hunne misdaad — watzal het uitwerken ? De domme onkunde .zalzeggen : Zie daar de fchreeuwendfte ondank,baarheid! De onbedachtzaamheid zal vraagen:Wie zal, wie durft iéts voor David en zijnebelangen onderncemen ? David zelf had kunnenvraagen: Zal ik, in dit tijdsgewricht, mijdoor geftrengheid vijanden maaken ? .— Ditalles had David kunnen vervoeren , om op'middelen bedacht te zijn, om voor eerst, hetonderzoek en de behandeling van dit ftuk uitteftcllen, cn er dan zulk eene befchikking opte maaken, dat en deeze mannen behouden, enzijne eigen eer bewaard, en zijne belangen bijde ftammen van Israëls Rijk bevoorderd wierden.Dit fcheen op meer dan ééne wijze tekunnen gefchieden ; onnoodig, dit hier te behandelen.DAN David handelt hier met een wijs beleid.Hij doemt de jchenddaad, en zulks met hij verhandelt(landig.verontwaardiging. — Veel onderzoek was hierniet


x* XXXVI. LEERREDE.niet noodig. Zij belijden het ftuk, ongevraagd.Zij doen zulks beide. Zij hebbenhet fpreekcnd bewijs , Isbofeths hoofd , inhunne handen. — Het grondbeginfel van hunbedrijf, de loosheid van hun voorftel , hetvergif der bekoorelijke vleierij, Ziet hij opd'oogenblik door. Hij veroordeelt deezer mannenfchenddaad met verontwaardiging. — Ikweet haast niet, hoe ik best Davids antwoordin kracht zal voorftellen. Zijne taal is deftig, vol majesteit en klem. De zaaken welkenhij uitdrukt, zijn gepast, en wigtig. Deredeneerkunde welke hij oefent, is juist, bondig, en overtuigend. De gemoedsgeftcidheidwelke hij ontdekt, is verheven, is manlijk, isgodvruchtig.BEST, dat ik eerst, op het een en ander,eenige verklaarende en ophelderende aanmerkingenmaake ; en dan , bij omfchrijving,Davids antwoord in zijn kracht pooge voortedraagen.jillererttstigstnadruklijken Eed : De HEER leeft! zooDAVID begint zijn antwoord, met een'doemt hijdie boos­waarachtiwichten , David, de buitengemeene geraaktheid van Zijnde Heer leeft! Hier mede toonten bunbedrijf. gemoed; zijne onverzettelijkheid, in het voornemendat hij reeds had vastgcfteld ; en hijfnijdt door deezen eed aanftonds af, alle poogingen, welken zijne hovelingen mogten willente werk Hellen,.om hem op dit ftuk zachter


t SAMUELS IV. VS. 8—12. jff|ter en infchikkelijker te doen denken. — Hijzweert bij den HEERE, die hem uit alle be+naauwdheid, welke zoo veel en groot geweestwas, had verlost. En daar mede verklaart hij,zijne dankbaarheid aan God, welke hij doofgeene moedwillige zonden bevlekken wil ;zijn vertrouwen op dien God , het welk hijniet fchenden wil, door hulp langs onrechtvaardigewegen. Daar God/wil hij zeggen,mijne ziel uit alle benaauwdheid gered heeft,zou ik nu mijne redding bij Belials kinderen^en door het wreedfte onrecht, zoeken! 'TER zaake koomende, maakt hij eene omderftellmg. Onderftelling , op welke hij deonwederfpreekelijke billijkheid, van het vonnisbouwt, dat hij voorneemends is uittebrengem' De onderftelling is , Dat hij billijk gehandeldheeft met dien Amalekijtifchen jongeling , diehem de boodfchap bragt van Sauls dood.Deezen had hij , op bekendtenis dat hij zijnehanden aan Sauls leven gêfiaagen had, terftonddoen fterven. Dit had hij gedaan, niettcgenftaandedie jongeling zich met eenegansch andere uitkoomst had gevleid. Hijtoch was in zijne oogen als een, die goede bood-Jchap bragt; die eene heuglijke blijmaare kwamoverbrengen , welker inhoud mij op hethoogst vergenoegen , met blijdfchap vervul,len, en in billijke vroolijkheid vervoeren zou.\ Waarom hij zich ook vleide met de verbeel-,].ding, elat ik hem voorzeker met bodenloon^IV. DEEL. H aaa


ii 4XXXVI. L E E R R E D E .aan zoo blijde een boodfchap pasfende , edelmoedigbefchenkcn zou. Dan, niettegenftaandedit, zegt David, heb ik hem te Ziklagmet den dood gcftiaft; en hij veronderftelt,gelijk wij voorheen beweezen hebben , naarrecht en billijkheid.O P deeze onderftelling befluit David , datdeeze twee gebroeders veel meer des doodsfchuldig waren. — Om dit te doen blijken,verklaart hij vooraf, wat menfchen het waren, die dit ftuk gepleegd hadden ; godloozemannen, die voorbedachtlijk, met rijpen raade,eene allcrgodloosftc fchenddaad hadden uitgevoerd.•— Daar op meldt hij , omtrent wienzij hun godloos ftuk gepleegd hadden; omtrenteenen rechtvaardigen man. — Zij, die ftaandewillen houden , dat Isbofeth de kroon en regeeringover Israëls ftammen , wettiglijk aanvaardcn bezeten hebbe , wenden voor , datDavid zulks zelf hier erkent, door Isbofetheen 1 rechtvaardigen man te noemen. Danhet tegendeel hebben wij voorheen getoond.En deeze woorden zijn verre , van zulks tczegden. David noemt met voordacht Isbofethgeen Koning, maar een man. Noemt hij dienman rechtvaardig; hij zegt daar mede niet,dat hij een wettig en rechtmaatig Vorst,maar dat hij , ten opzicht van deeze twee.moordenaars , een onfchuldig , een rechtvaardigman was. Hen had hij niet beleedigd,noch ongelijk gedaan. Dit verzwaarde hunwan-


2 SAMUELS IV. VS. 8—12. 115wanbedrijf, i — Nog neemt David in aanmerking, waar dit gruuwelftuk gepleegd wasNiet op het fiagveid ; niet in de hitte var teen gevecht ;— maar in 's mans huis; op zijnefiaapftede, daar hij geheel weerloos lag —en des verraaderüjk. — Op dien grond redenkavelende, vraagt David : Nu dan , zoude ü En veroordeelszijn bloed van uwe handen niet eisfchen , en uben tervan de aarde wechdoen ? Zeker ja ! — Dit dood. ifzijn vonnis, met de redenen tot billijking vanhet zelve.LAAT ons nu, bij omfchrijving, de krachtvari Davids antwoord hooren. — Hij zegt: Dheb den Amalekker met den dood geftraft.omdat hij zijne handen aan Sauls leven geflaagenhad ; en zou ik hen niet ftraffen, dieIsbofeth van 't leven hebben beroofd ? — Datdeed een vreemdling , aan een' vreemdenVorst ; dit doen lands- cn ftamgenooten. —Dat deed een Amalckijter, wiens naatfij doorSaul zwaar gedrukt was ; elit doen menfchen,nooit door Isbofeth beleedigd; dit doen krijgshoofdenvan zijn eigen volk. — Dat deed deAmalekker op het fiagveid ; dit doen deezenin "s mans huis. — Dat deed de Amalekker,zoo hij zeide , op Sauls eigen verzoek; ditdoen deezen verraaderüjk, aan den flaapendenIsbofeth. — Ik ftrafte den Amalekijter, fchoonhij mij flegts eene tijding, zoo hij meende mijaangenaam , bragt; en zou ik deezen nietftraffen , die hunne fchenddaad ftoutmoedigH 2 be*


H6". XXXVI. LEERREDE.belijden ? — Ik ftrafte dien Amalekker, toenik nog tc Ziklag , en geen Koning was ; enzou ik deezen niet ftraffen, nu ik tc Hebron,en aldaar Koning ben ? Gijlieden , zegt hij,zult den dood ftervcn..E E N handel van David, waar in wij zien,Eeh ''«»-del. vi.iai 'een wijs beleid, en prijzenswaardige billijkheid.— Een wijs beleid;. daar in blijkbaar,in Dwviibetoont,ten wijf dat hij op den oogenblik deeze fchenddaadbeleid,met verontwaardiging doemt, en al. het verzwaarendevan zoo Ihocd een ftuk, met zulkeen kracht van woorden ontvouwt. — Tevensen prijs- doet'hij er in zien., eene prijswaardige..billijkheid; daar in zich ontdekkende , dat hij hen•waardigebillijk" niet flegts verwijst tot ftervcn, maar hunneheld.ftraf, naar maate van de grootheid en affchuuwelijkheidhunner misdaad,, verzwaart —idoende hunne moorddaadige handen, en hunnevoeten , zoo fnel om bloed tc vergieten ,' afhouwen,en die,'of ook hunne lijken, bij denvijver tc Hebron, ten fchouwfpei, en elk'tenaffchrik, ophangen.'Ook ingijn geiirtta,oniretn bihoofd ViJsbofeitJ. Zoo wijs een beleid David hield, in de behandelingvan dit ftuk J zoo rechtvaardig en"i billijk hij deeze Vorstenmoorders ftrafte —'"zoo edelmoedig en prijswaardig is zijn gedrag," omtrent het hoofd van den vennoorden Isbofeth.De moordenaars dit tot David gebragthebbende, ftond het nu ter zijne befchikking.Wel verre van daar, dat hij dit hoofd , alszijner


2 SAMUELS IV. VS. 8—12. 117zijner zorge onwaardig , veronachtzaamde, -often voorwerp van.laage wraakzugt ëiflvaSfeöfpot Wilde ftellcn; gelijk een hcerschzurtige •ANTONIUS dat van den greoten CICPRO.deed — draagt hij zorge, dat het o\\. ëéWkoómstig den rang van den ongclukki ;;onVorst, behandeld worde. Hij doet iét tc ï'lcbronbegraaven, en wel in Abners graf.;: hetzelve dus zoo hoog vereerende, als hem moegelijkwas. — Zoo ligt het hoofd van denvermoorden Koning, bij het lijk van zijnenvermoorden veldheer. — Welk eene. ftoifevan gepeins voor David! daar hij, door 's Heerenbeftuur, in of bij zijne hoffTad ziet begraaven,het hoofd van den man, die onrechtvaardigzoo groot een deel van zijn Rijk hemhad onthouden; en het lijk'van den held, diehet werktuig was geweest van dat onrecht,en van veel bloedig geweld.DAN wij, dit beleid en gedrag van David Me% zeernadenkende, zien er in, een proeffiukzulk eene voorzichtigheid, en van zalfc eeneSX»"/»-rechtvaardigheid , welke der ganiche naatfij v l o e ' t eontzag en eerbied voor zijn' portoon moest "p"'^".inboezemen, en tevens hoopegaf, on ccne naa^''regeering , in welke waakzaame zorg p wiizcbefluiten, vaardige uitvoering, onderlinge vciligheid, en vreczenswaardige gerechtigheid,alom zou plaats vinden.H 3HET


n8 XXXVI. L E E R R E D E .H E T ongeloof, en de tegenfpraak tegenBedenkingen:Over Gods Woord , heeft en geeft hier zijne be-Davidssemoeis'gefleldjeid.zwaaren en bedenkingen. Laat ons die kortlijkbeantwoorden. — Men vraagt: „ Metwelk een gemoed ftraft David deeze fnoodemisdaadigers, daar hij zelf, door het onrechtvaardigbezit van een gedeelte , en door on-Techtvaardigen eisch van het ganfche Koningrijk, de waare en werkende oorzaak van ditwanbedrijf is ?" — Doch wij hebben voorheengetoond , dat die onderftelling ten eenemaalvalsch is; omdat niet David, maar Isbofeth, de onrechtvaardige bezitter van een gedeeltedes Rijks was. Wij hebben ook getoond, dat niet David Isbofeth , maar Isbofeth, door Abner , David in ftrijd gewikkeldheeft; als mede, dat David de aanbieding vanhet Rijk der Israëlijten , door Abner en deOudften gedaan, billijk heeft aangenoomen.Of bijnniet beiilijk deband indit bedr'ifgehadhebbe.MEN vraagt, wijders, of David niet door' heimlijk beftel, de oorzaak van deezen wreedenmoord , aan Isbofeth gepleegd , geweestZij ? Dan waar is fchijn of fchaduw, voor' zulk een haatelijk vermoeden ? Het ecnvouwdigverhaal van deeze gebcurdnis, en Davidstaal cn gedrag omtrent dezelve , mijden alleaanleiding tot zulk cene verdenking ten eenemaal af. — Het is zoo, Isbofeths dood werktefterk aan de bevoordering van Davids be rlang;'maar volgt daar uit: Dat men mag vermoeden, dat hij dc hand in dat fnoode ftukgehad


2 SAMUELS IV. VS. 8—12. 119gehad heeft ? Ging dit door ; dan zoudenmisfchien veelen onder hun, die zuike verdenkingenvoeden, moogen fchuldig gehoudenworden aan misdaadig beleid cn gedrag, waarvan zij geheel onkundig zijn.MAAR, zegt men, indien David nooit mar of bijhet Koningrijk had geftaan; indien hij, in ftce^,""van naar Hebron te trekken, en zich daar tot *»t deezenKoning te laaten zalven, naar Bethlehem wasTT, d- 0' nbegegaan, om dc fchaapen te weiden — nimmergegeeven.ware Isbofeth door die booswichten om 't levengebragt; hij hadde in zijns vaders Rijkgerust geleefd , en met roem kunnen fterven.— Doch , wat het laatfte betreft; hoe weetendeeze wijze lieden, dat Isbofeth, na Saulsdood, Koning zou geweest zijn, indien Davidgeen Koning geworden was ? Rekent menhier op een erfrecht; dan ware Mefibofeth denaaste geweest. Isbofeth was de kroon alleenaan Abners ftaatkunde verfchuldigd. •— Enwat het eerfle belangt « ik geef dit alles eenstoe : Indien David geen Koning was geworden, indien hij geen' eisch gemaakt hadde opIsraëls Rijk; Isbofeth ware niet zoo ongelukkigom 't leven gekoomen. Maar wat fchuldbrengt dit op David ? wat deel geeft hem ditin deeze euveldaad ? Kon dit ecnig recht gecvcn— ja gaf het eenige redelijke aanleiding,tot dat wanbedrijf?H 4MAAR,


De mootdenaarsheA benfiaat gemaaktopDavidsgoedkeu-taeXXXVI. .LEERREDE.MAAR, zegt men, die ontaarten hébhenzich op de verwachting van Davids dankbaarheidftout gemaakt. — Het zij zoo. Kan Da,vid helpen, dat flegte menfchen dwaaslijk vanhem denken , en 'op dien grond godloosheidloen ? Hij had hen beter les gegeeven , iniet ftraffen van den Amalekijt, dip Saul omt leven had gebragt.MAAR, zegt men verder, dat David deezeOf Davidsgedrag fchenddaad zoozeer verfoeit, dat hij zoo mee-van Isbofeth lpreekt , dat hij zoogeen lou­waarditereflaatkuncieftreng eene ftraf oefent , is enkel geveinsdheid, loutere ftaatkunde. — Dan hoe wcetendeeze veelweetcrs dit ? Hebben zij in Davidshart gezien ? Of mecten zij Davids beftaanaf, naar hun eigen ? Moest David die fnoodenmet gunst beloond, of immers ongeftraftgelaaten hebben? Had David dit gedaan, hoezouden deeze bedillers hem dan gefcholdenhebben ! — Ik ftaa toe, dat de dood van Isbofeth, aan éénen kant beichouwd, Davideene ftof van genoegen was. Nu was de bur-,gerkrijg geëindigd; nu ftond de weg open, omzonder twist of ramp , tot het vol bezit vanzijn Rijk te geraaken. Maar neemt dat wech,dat Davids godvruchtig hart, de wijze op.welke Isbofeth ftierf, oprechtlijk verfoeideen de plcegers dier fchenddaad, uit een begin--{Q\ van rechtvaardigheid, flrafte?HET


a SAMUELs IV. vs. 8—12. 121HET is onbegrijpelijk, dat menfchen van'een natuurlijk verfbmd , zoo los , zoo ongerijmd,en zoo boosaartig kunnen redenkavelen.— Geleerde mannen hebben dit geval opgehelderd,met dat van Alexander den Grooten.De Perfiaanen hadden de Grieken zeer bclcedigd.Alexander beoorloogt den Peruaan.Darius, hun Koning, krijgt de nederlaag.Besfus, een zijner veldheeren, om zijn hof bijAlexander te maaken , en eigen belangen tebevoorderen , vermoordt naderhand zijnenVorst Darius. Alexander verfoeit die euveldaad, fielt Besfus te recht, verwijt hemfcherp zijn fchelmftuk, cn doemt hem terkruisftraffe (c). — Het is zoo, ware Alexanderin Macedonien gebleeven , Besfus had zijnenVorst niet om 't leven gebragt; maar isdaarom Alexander de oorzaak van dien moord ?— Alexander veroordeelt en flraft Besfus; isdit huichelaarij en ftaatkunde, omdat hij daardoor zijnen vijand zag uit den weg geruimd ?•— Kan men niet, te gelijk, een geval datons voordeelig is , als zoodaanig befchouwen,ja over het voordeel verblijd zijn •— en tevens, de wijze op welke het gebeurd is, verfoeien, en deswegens waarlijk bedroefd zijn ?— Beklaagelijke vijandfehap ! doemwaardigepar-CO JUSTINI Lib. XII. Cap, V. — CURTIILib. VIL Cap. F. §. 36. &c. - ARRIAMI Lib.III. Cap. 30. p. m. 148.n$>


Wij zienbier,waargodhozemenfcben,door uitzicht»pvoordeel,toe kunnenvervoerdvnerdworden.122 XXXVI. L E E R R E D E .partijfchap ! die in den godvruchtigen Davidpoogt te doemen, het geen men in een' Alexanderwil geëerbiedigd hebben!B. HET wordt tijd, om uit het behandeldehet een en ander, tot ons nut, optefaamelen.K. WIJ zien hier , voor EERST , „ Tot,, welke fnoode uiterften , menfchen zonder„ vreeze Gods lecvende , kunnen vervoerd„ worden, wanneer uitzichten op de bevoor-„ dering van eigen belang-, hen in verzoeking„ brengen". — Twee overften , waarfchijnelijkvan Isbofeths lijfwacht, nu ziende , datwelvaart cn bevoordering niet meer bij hemte zoeken, maar van David te wachten was,verlaatcn niet alleen hunnen Koning, maarbrengen hem verraaderüjk om 't leven ; enzulks met oogmerk, om daar door hun hofbij David te maaken, cn aanwinst van eigenvoordeel te bejaagen. •— Even dit, fchoonzeldzaam met zulke uiterften gepaard, zagmen meermaal gebeuren.HET is zoo , geen verftandig mensch kanhet als misdaadig rekenen , dat iemand , zichmet wijsheid, naar het beloop van zaaken,en de tegenwoordige tijdsomftandigheden fchikkende,op eene eerlijke wijze zijn nut poogtte bevoorderen. Het Rijk van Isbofeth opwettige wijze tot David overgaande , mogtelk, die vrij was, zulks doen. —• Maar dit'is"hoogst


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. -zaahoogst te verfoeien , dat men , door zugt toteigenbelang beheerscht, wettige verbindtenisfenverbreekt, zijn' pligt dus vertreedt, 's HeerenWetten fchendt, cn zijn geweten aan zijneinzichten opoffert. — Dit is hoogst te ver.foeien, dat men, wanneer zich hoop op meerdereer , vrienden , en voordeel opdoet, zijnenvriend trouwloos verlaat, ondankbaarverfmaadt, of wel heimlijk verraadt, en, kanmen er eigenbelang door bevoorderen , zelfsverdrukt en verderft. Zulk een beftaan engedrag, ontdekt een zeer ondeugend hart, enfnoode dubbelhartigheid, waar door men, ongeftadigin alle zijne wegen , niemand vertrouwt,en van niemand kan vertrouwd worden.Zulk een heeft heden alles ten dienstevan den Koning over, maar is ook bekwaam,om hem morgen het hoofd aftehouwen. —Vcrachtingwaardige menfchen ! en ftrafbaarvoor God; die, zelf rechtvaardig, de gerechtighedenliefheeft.Is zulk een beftaan cn gedrag omtrent menfchen,zoo wraakbaar in de menschlijke maatfchappij; hoe doemwaardig is het dan in denGodsdienst! En zag men niet mcermaalcn,dat menfchen voor de eer van God , en denGodlijken Zaligmaakcr , voor zijn woord,waarheid, dienst, weg, cn Kerk, wanneer zijhun tijdlijk belang daar bij vonden , met veelernst ijverden, en daar door , bij de liefhebbersvan Jefus Koningrijk , hooge achting enveel


124 XXXVI. L E E R R E D E .veel vertrouwen zich verwierven ; maar.die,door bijeinden , en uitzichten op meerdervrienden , op hooger eer , op grooter voordeelen, op verdere bevoordelingen , of terontwijking van gevaar en fchade , verleid envervoerd, trouwloos dit alles verhaten, enzelfs eerloos verraaden ? Vlpekwaardig! Schadelijken bedroevend voor Gods Kerk, envoor bezondere gemeenten ! En beter , gewis, ware het zulken zelfs- en tijddienaaren,dat zij den weg der gerechtigheid niet gekendhadden , dan dat zij, dien gekend hebbende,weder af keeren van het heilig gebod dat hunovergegeeven was (d). Wat hebben zulketrouwloozen van den tegenbeeldigen David tewachten ?DAT wij, W. H., genade zoeken, om inhart, woorelen, en daaden oprecht, en in alleswat eerlijk en goed is, ftandvastig te weezen.— Bidden wij toch : Heer, leid ons nietin verzoeking l Maar worden wij er in gebragt;dat wij waaken. — Zoeken wij leevendigebefeffen tc hebben , van de ledigheid ,ijdelheid, en onbeftendigheid van alles , watoog en hart in de weereld zou kunnen bekooren.— Dat wij ons biddend wapenen, tegende verblindende zelfsvleierij, welke ons ligtlijkbelooft, druiven van doornen, en vijgen van'distelen te zullen leezen ; d. i., goede uit-kooms-(d) 2 Petrus II: 21.


2 SAMUELS IV. vs. 8—12.' ; 'm§.koomsten, van kwaade beginfelen en zondigebedrijven , te zullen genieten. •— Dat wijtoch aan roeping en pligt, aan den Heere enzijnen dienst, getrouw, en daar in ftandvastigzijn. — Hoe gelukkig hij , die afziende vanhet fchepfel, lof en loon niet van menfchen,maar van Hem wacht, die den geenen die.Hem in waarheid vreezen , toeroept : Ik benuw fchili, en loon zeer groot .(e)!3; LEERE N . wij hier, ten TWEEDEN, En hee•i lei ende,, Dat, en hoe , bedriegelijke redeneeringen , serbeellingen„uit vleiende verbeeldingen gebooren, hetjbet lokaas„ lokaas, der zonden, en faikken voor zon- Ier zonienzijn.„ daars zijn. — Rcchab en Baëna , door on-,betaamelijke zugt tot bevoordering van eigenbelang gedreeven,-dachten, dat het hun dienstigzou zijn , David aan zich te verpligtcn.Dit meenden zij best te zullen uitwerken,,door iets te doen, dat dien Koning zeer voordeelig,en hoogst aangenaam zou zijn. Beterwisten zij niet uittedenken , dan Isbofeth vankant te maaken. Doch om dit buiten gevaarvan hun eigen leven te doen, fcheen het hunbest te zijn, hem in den flaap verraaderüjk tevermoorden. Voords beflooten zij, zijn afgehouwenhoofd,, onder eene harttreffende aanfpraak,David aantebieden ; vast]ijk zich verbeeldende, dat die Koning hen met'open ar--men ontvangen, voor zoo groot een' eh'ensti ;/-,-•; rijk-I CO Cenefis 'ffi i.


126 XXXVI. L E E R R E D E .rïjklijk beloonen , en hunne perfoonen tenhoogften bevoorderen zou.ZIET daar een treffend afbeeldfel, van dedwaasheid van elk' zondaar, 't Is waar, niemandis er, of hij doemt het beleid en bedrijfvan deeze twee overften ; maar het is nietminder waarheid , dat elk zondaar, wat hetwezen der zaak belangt, even op dezelfdewijze te werk gaat. — Gij , die nog in dezonde leeft, wat bedoelt gij ? wat drijft u ?Ik zal het tot twee hoofden brengen : —overheerfchende zugt tot vermaak — en totvoordeel. — Waar peinst gij op ? Op middelen,om daar toe tc geraaken. — Welkemiddelen doen zich al aan uwen geest op, offlaat gij de een den anderen voor ? Laat denvan God en zijnen dienst af keerigen ; laatden verwaanden trotschaart; laat den onkuifchen; den hoereerder ; den overfpecler; dengierigaart; den onverzadelijk winzugtigen; denheerschzugtigen; den wraakzugtigen; den onrechtdrijvenden zondaar, dit zichzclven vraagen.Wilde hij dit doen; duizend ontwerpen,tegen God en menfchen , ja tegen zijn eigengeweten , zou hij ontdekken. •— Dan, nietzelden vindt gij , o zondaar, u door tegenbedenkingenen zwaarigheden belemmerd. ?\uis de vraag: Wanneer koomt gefchikte tijd engelegenheid ? dan : Hoe koom ik aan geld ?hoe aan medehelpers, en deelgenooten ? danwederom: Als het eens uitkwam, wat zoudentoch


i SAMUELS IV. vs. 8—12. 127toch dc menfchen zeggen ? dan wederom,koomen vcrbindtenisfen, gcdaane beloften, gegeevenwoord , gezwoorcn eeden , het geweten,aandenken aan God, aan dood, oordeel,en eeuwigheid, u ontrusten. Wat dan ? Vandit alles nu hart cn aandacht afgewend, enhet oog gevestigd op het vermaak en voordeel, dat de zonde ltaat aantcbrengen. Nuzich wijsgemaakt , dat men , denkende endoende dat zonde genoemd wordt, denkt endoet dat geen zonde is , immers , dat geoorloofdis. Nu zich gevleid , dat men bij deuitkoomst geen kwaad altoos te duchten zalhebben. Nu zich vrooiijk ingebeeld, dat menin dit leven, alles goeds te wachten , en bijden dood, geen kwaad te vreezen heeft.MAAR zondaar, is uw verftand dan zoojammerlijk verdwaasd, dat gij meent, dat Goddenkt, gelijk gij denkt? dat God oordeelt,gelijk gij oordeelt ? dat het tusfchen God enuwe ziel wel, cn vrede is , als gij te vredenzijt ? O ! rampzalig zelfsbedrog ! — Rechaben Baëna hooren David hun bedrijf in eengansch ander licht voorftellen , dan zij hetzich voorgefteld hadden ; een ander vonnisvellen, dan zij verwacht hadden; en een anderloon toewijzen, dan waar op zij gerekendhadden. En wat zal het met u zijn , wanneerde tegenbeeldige David de weereld , enook u, zal richten in rechtmaatigheid ?OCH*


iag XXXVI. LEERREDE.'OCH! of wij wijs waren! Neemen wijtoch ter' harte , in welk een gevaar wij zijn,daar ons hart door de zonde verpest is , endaar bij arglistig, meer dan cenig ding ; enwij boven dien, in eene weereld leevende diein het booze ligt , eiken oogenbhk blootftaan , om verleid te worden tot zonde , totde ichroomelijkfte zonden. Laat ons tochGods Woord, en zijne Wet ons daar in voorgefchreeven, ten eenigen regel van ons beftaan, denken , en doen ftellen, cn oog enhart afwenden van alles , wat de begeerlijkheiddes vlecsches en der oogen , en de zugttot grootsheid deezes levens, kan gaande maaken.Laat ons dit doen , onder ernstige gebeden, om verlichtende genade van den HeiligenGeest , opdat wij leeven onder eenrecht , een harttreffend inzien , in het betaamelijkevan 's Heeren wil , en onzen pligt;ernstig tevens biddende , om heerfchappijvoerendegenade in onze harten, opdat wij , tenallen dage in de vreeze des Heeren zijnde ,allen valfchen pad haaten. — En is iemand inoverleggingen, beraadflaagingen, onderneemingen,en bedrijven ingewikkeld , welken, hoelchoonfchijnende ook, zondig zijn? dat hij zichten fpoedigften daar uit redde, als een vogeluit den ftrik des vogelvangers!Ook, dat t ZIEN wij hier , ten DERDEN: „ Daaroprechten ^ f noodfte menfchen de grootfte huichekel'gevleikaars'kunnen zijn ., moeten de oprechten„ van


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 129„ van harte zich zorgvuldig voor hunne looze van buicbefaarn„ vleierij wachten, opdat zij niet ongelukkigte na achtenheb-„ verrast, cn fcbadelijk vervoerd worden".'—Hoe meesterlijk fpeelên dc godlooze Rcchab ben;en Baëna de rol vftn geveinsden! Bij het vermoordenvan Isbofeth , hadden zij geen oogmerkaltoos, om eigenbelang te bevoorderen,Verre van daar! Het was zuivere zugt alleenvoor Davids veiligheid. Zie daar, zeggen zij,het hoofd van Isbofeth , Sauls zoon ; ziedaar het hoofd van uwen vijand, die uwe zielzocht. Welk eene zorg voor Davids leven!Hoe deftig , hoe gemoediijk, hoe hartinneemendis de gelukwenfching deezer mannenaan David, met zulk eene heuglijke gebeurdnis! Alzoo heeft de HEER mijnen Heereden Koning ten deezen dage wraak gegeeven,van Saul en van zijn zaad ! — Moest zulkeene taal Davids hart niet inneemen ? Moesthij niet opgetoogen zijn , door de blijken vanzulkeene liefdezorg, hem ten goede ? —Dan het was — en David proefde het terftond— altemaal godvergeeten huichelaarij.HEEFT dit ook nog niet meenigwerf 4 ie nietplaats ? Gebeurt het niet, dat menfchen, ter 35 °ldentaatsbereiking van oogmerken , die zij zooveel^ eefttmoogclijk bedekken , fnoode ontwerpen fmeeden,fchrèet$wend onrecht en geweld pleegcn,hen , die hun gewaand belang niet bevoorderen,of in den weg ftaan, zooveel in hun ispoogen te verderven ; en dan hunne godioos-- IV. DEEL. I heden


l 3o XXXVI. LEERREDE.heden doen voorkoomen, als prijswaardige bedrijven, enkel ingericht , om het heil vanhuis, van vrienden, van Kerk, van Vaderlandte bevoorderen ? Onbefchaamd durven zij vanhun fnoodst bedrijf, en deszelfs uitwerkfelcn,zeggen : Zie daar, wat al goeds de Heer doorons heeft te weeg gebragt! Gefchiednisfenvan vroegere en laatere eeuwen , geevcn crons veelvuldige voorbeelden van op. Enwat er al van dergelijk een beftaan en handelvoor menfchen verborgen blijft, is Hem bekend, die harten cn nieren proeft. — Maarwelk een grouwel! ondeugd als deugd, bedrogals eerlijkheid, vloekwaardige oogmerken alsprijswaardig , te willen doen voorkoomen, enin zulk een bedrijf Gods heiligen Naam te ;misbruiken ! den voorfpoed der godloosheid,in welke de oneindige Wijsheid , tot gewigtfgeeinden, den zondaar voor eenen tijd laatbegaan , in zulk een licht tc willen plaatfen,als ware die eert gunstig beftel der hoogeVoorzienigheid, cn ftoffe tot dankzegging aanGod, en blijdfehap bij menfchen ! Welk eengodvergceten beftaan ! — Och ! dat elk zichvoor zulk een geaardheid en gedrag wachte, enwel toezie , dat hij door anderen niet wordeingewikkeld ! Wanneer menfchen van hunbeleid , oogmerken , en bedrijven op eenegodsdienstige , gemoedlijke , en godvruchtigewijze fpreeken, dan is noodig , zullen wij ereen toegenegen oor aan lecnen , dat wij diemenfchen in hun geheel beftaan genoegzaamken-


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 131rkennen. De Heiland, ons beveelende dat weons voor verleiders wachten, zegt: Aan hunnevruchten zult gij ze kennen; en vraagt: Leestpwh ook druiven van doornen ? of vijgen vün disteten(f) ? Wanneer menfchen, in wier wan?de! cn gedrag geen blijken van vrceze Godszijn , godvruchtig ovet menfchen en zaakenfpreeken, moet men op zijne hoede weezen.„ DIT, zeggen fommigen , is wel zeker Docbwaarheid; en daarom, zoo ras menfchen over' vaar bi;«en ziel»natuurlijke , huishoudelijke, en burgerlijke' >oor miszaakenin een' godsdienstigen fmaak beginnen' \uidinge'e tvacbenbebbe.tc fpreeken , is het bij mij terftond verdacht. \Met die gemaaktheid en geveinsdheid wil ikniet te doen hebben". — Maar ik bidde ! isdok dit niet een gansch verkeerd en zeerdwaas uiterfte ? Zou een mensch , die waarlijkGod in alle zijne wegen kent, en in erkendtenishoudt, niet over de gezegde dingenin eenen godsdienstigen fmaak cn taal fpreeken! Of moet de godsdienst binnen de wandender kerkgebouwen beflootcn blijven ? Is'sHeeren zorg en beftuur, in huislijke en burgerlijkezaaken niet werkzaam ? en zoo ja ;moet men die dan niet erkennen V en indienja; is het dan niet betaamelijk, dit in het befpreekendier dingen , te verklaaren ? Is hette wr-aaken , dat Jakob tot zijnen broeder-Efau zegt: Neem toch mijnen zegen, dewijl(O Matiheas Vlh 16.I 2


10* XXXVI. LEERREDE.het God mij genadiglijk verleend heeft (g) ? datJob, van ftormwind noch roovcrs melding maakende,zegt: De HEER heeft gegeeven, en deHEER heeft genoomen (h) ? dat een Koningzegt: Het is God, die mij met kracht omgordt;en Hij heeft mijnen weg volkomen gemaakt (i) ?Of behoort het tot de welleevendheid , datmen niet laat blijken , te gelooven en te erkennen, dat bij den Heere alle onze padenzijn ? Het is zoo, de eerloosfte, de onrechtvaardigftc, de bedriegeïijkfte , de gewelddaadigftezondaar, in zijn wanbedrijf voorfpoedigflaagcndc, kan zeggen: Geloofd zij God, die,mijn beleid zegent! Welk eene taal die booswichten, Rcchab cn Baëna , tot David fpraken,hebben wij gehoord. Maar zal men verbannen, het geen de boosheid en geveinsdheidmisbruikt ? dan moesten wij alle eerbiedigeen dankbaarc erkendtenis jegens God enmenfchen, uit onze gefprekken verbannen. —Dat vrceze Gods onze harten beziele , onzegedraagingen en gefprekken beftuure; en wij,zonder verkeerde bedoeling, waarlijk in hetfpreeken over, in het beoordeelen en behandelenvan zaaken, toonen , te gelooven enoptcmerken dat de Heer regeert lT. D A N wij zien hier ook, ten VIERDEN,J*°t God „ Dat God , door zijn heilig beftuur, defnood-(g) Gene fis XXXIII: li.(i) Psalm XFlll: 33.Ch) Job I: ai.


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 133„ fnoodfte raadflagen en bedrijven der flegtfte de fnoodftebedrijvender„ menfchen , meenigmaal doet ftrekken , tot„ heil van zijn Kerk en kinderen". — Het is boozen,ten goedezoo , de moorders van Isbofeth bedoeldenvan zijnniet , het onrecht , door Sauls huis David Kerk kanaangedaan , te wreeken ; en echter, ja, God 'loenIj rekken;heeft dat ook , in deeze gebeurdnis, gewraoken.In 't geheel was het deezen twee fnoodaartsniet te doen , Davids Rijk te bevestigen, uit aanmerking van David, en van zijnwettig recht; maar, om onder zulk een voorwendfel,door een vloekwaardig bedrijf, huneigen belang te bevoorderen. En echter, ja,God heeft hun wanbedrijf gebruikt, om hetRijk uit vecle rampen, en David uit vee)moeilijkheid tc redden , en zijnen troon ingansch Iraël te bevestigen. De Heer regeert;en onnafpoorelijk. zijn zijne wegen! — Leerenwij er uit , dat wij dc deugdiijkheid , dcgoedheid of kwaadheid , onzer handelingen,nooit moeten beoordeelcn naar de uitkoornstcn, in het Godlijk beftuur daar omtrent,maar- alleen naar het voorfchrift van GodsWoord , en onzen pligt.LAAT 'S Heeren volk gelooven, dat het dat denvroomenhoog beftuur der heilige Voorzienigheid , de moettrouwloosfte , de onrechtvaardigftc , de treurigftegebeurdnisfen , kan doen uitvallen tottroosten,-heil van Sion in 't gemeen , en van bedruktevroomen in het bezoneler. — Pleegt men onrechten geweld in de wcereld ; al was hetI 3 . zelfs


i 34 XXXVI. L E E R R E D E .zelfs tot onderdrukking van onzen vijand —nimmer mag dit, op zichzelven, ons ftof totblijdfchap zijn ; daar wij verpligt blijven, medelijdendvoor hem te bidden. Maar als Godwraake-neemt, en verlosfing daar door teweegbrengt ; al ware het door onrechtvaardigehand en bedrijf — dan heeft men ftoffe $ enverpligting, om aanbiddend uitteroepen: Uwe©ordeelen , Heer, zijn waarachtig en recht,vaardig ! — Maar , zegt men, wat moet hetworden , als het Godlijk beftuur dus niet alleenden boozen wechruimt, maar ook toelaatdat voorftanders van waarheid , vanrecht, van godzaligheid, door het onrecht gedrukt,vervolgd, ja om 't leven gebragt worden? Wanneer dit gebeurt , is. het zekereene zwaare beproeving , en ftoffe tot fmerthjkbeklag bij God en menfchen. Dan echter, hoort de Christen zich toeroepen ï Zijtgeduldig in de verdrukking. En is er iets , dataan de oefening van geduld vocdfel geeft enkracht ; het is de geloovige overweeging vandeeze waarheid : dat-ée Godlijke wijsheid ookzoo fmertend een' ramp kan doen medewerkenten goede. Dat Stcfanus gewelddaadig enonrechtvaardig ter dood wordt gebragt, bedroeften verftrooit 's Heeren disüpelen; maarook die verftrooijing , werd het gezegendmieldei, tot uitbreiding van Jcfus Koningrijk,onder allerlei omliggende landen en volken.F, LAAT


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 135f1. LAAT ons , ten VIJFDEN, opmerken: En dattvii over„ Wij moeten ons zorgvuldig wachten , vanpet jonnenperfoonen en daaden te .bcoordeclen en tc en zaakenniet moetenoor-„ behandelen, naar maate van het nut dat zij„ ons aanbrengen, zonder behoorelijk in aan-dee.'en,„ merking tc necmen , den waaren aart diernaar betnut dat„ daaden , en de grondbeginfelen en oogmer- zij ons„ ken der bedrijvers". — Rcchab en Baëna, aanbrengen;Isbofeth vermoordende, deeden iets, dat voorDavid , en gansch het Rijk, van een onwaardeerbaarnut was. Dan deeze Vorst beoordeeltdie mannen en hun bedrijf, niet naarhet nut dat zij aanbragten , maar hij beoordeelthun doen, naar dcszelfs aart, als eenenmoord , en hunne perfoonen, uit aanmerkingvan hunne grondbeginfelen cn oogmerken, alsgodloos ; en ftiaft hen met den dood. — Elkkeurt Davids vonnis en bedrijf lofwaardig; enniemand zal de deugdiijkheid van de aanmerking,daar uit afgeleid, ontkennen. Dan metdit al, is het noodig, dat wij ons die telkensherinneren.HOE dikwijls gebeurt het, dat ficgte men»datechfchen , door fnoode middelen , dingen doen,die in hunn' eigen aart ondeugend , verfocie. beurt.lijk , en ftrafwaardig zijn ; doch waar doormen meent, iet goeds, d. i., zoo men waant,iet nuttigs , en het welk aan behartigde belangenvoordeelig is, of fchijnt, tc zullen uitgewerktworden ! — En wat gebeurt ? . Zagmen nimmer, dat men, uit aanmerking vanI 4het


ijtf XXXVI. LEERREDE.het vermeende nut , die fnoode menfchenhoogst vereerde , en hun godloos bedrijf, ofniet als zoodaanig wilde befchouwd hebben,of zelfs wel poogde vrij te pleiten , ja alsdeugdzaam voorfprak, en ten hoogften prees?Wie , die der gefchiednisfcn niet onkundig is,weet niet veele , zeer veele droevige voorbeelden, van zulk een verfoeilijk beftaan enhandel? — Indien menfchen en daaden deugdzaamen lofwaardig waren , naar het zoogenoemdenut, door dezelvcn aangebragt; watftruikroover, die door rooverij zijn huisgezinonderhoudt — wat bedrieger, die door valfcheftreeken zijne verwarde zaaken hcrftelt•— wat meineedige , die, om voordeel en bevoorderingte bejaagen , de heiligfte verbindtenisfenfchendt — hoe mccnig logenaar cnlasteraar , die liegt en lastert, om aan hetgeen hij goed en nuttig acht , dienst te doen—r zou dan niet lof en erkendtenis waardigzijn ? Zou dc vijand van Vaderland cn Kerk,eenen Balthazar Gerards , daar hij den bestender Vorsten vermoordt, dan niet in den rangder roemwaardige helden, ja der heiligen,moogen plaatfen?NIEMAND, die flegts menschlijk denkt, iser, of hij verklaart zulk een beftaan en doenverfoeilijk cn doemwaardig. En echter, hoemeenigwerf maakt men ar zich aan fchuldig!Men heeft inzichten Cn belangen ; men iebatdie van grootc aangelegenheid Ce zijn; menneemt


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 137neemt middelen ter hand, om die te bevoorderen; men bidt zelfs den Heere , om zegenen voorfpoed. Maar wat gebeurt ? Zoo menzelf al geene onwettige middelen te werkftelt —• men ziet echter, en laat toe , datanderen zulks doen. In het eerst, prijst mendc goede oogmerken , maar veroordeelt deflegte middelen ; dan, in het vervolg ziende,welke uitwerkingen zij doen , en hoe zeermen die noodig heeft, begint men het ondeugendevan die middelen te verfchoonen —vervolgénds te prijzen , ja te bevoorderen —en een welgevallen te neemen in de geencn,die zulke dingen doen, welken Gods Wet, cneen welgefteld geweten , ftraf baar voor denOpperrechter verkkiaren.Dus kan men, ja, onder 's Heeren heilig Waar inbeftuur, zijne inzichten en belangen bevoorderen, en God op zijne wijze daar voor dan- zondigt.ken. — Maar dus pleegt men , om naar eigenmecning wat goeds tc doen, veel kwaads;men pleegt groote ongerechtigheid, en brengteenen vloek over zich , cn over zijn bedrijf.Wij moogen oordeclen naar de regelen van onsbelang; maar God zal oordeclen naar dc regelenvan het heilig recht. •— Dat wij toch,met David , wat dienst ook menfchen dooreen fnood beleid en bedrijf ons doen , zulkeen' handel doemen , en tooncn, met werkersder ongerechtigheid niet gediend te zijn,em der vreeze Gods wil. D;n boozen — dusI 5zegt


Maar zijnewer-i 38 XXXVI. L E E R R E D E .zegt hij elders •— zal ik niet kennen. Die zijlennaasten in 't heimlijke Achterklapt , dien zalIk verdelgen. Wie bedrog pleegt, zal binnenwijn huis niet blijven ; die leugenen /preekt, zalvoor mijne oogen niet bevestigd worden (i). Dwij allen valfchen pad haaten, opdat wij nietwaarlijk onszelven haaten.Dat uukde Opperrechtereen' ijderzal vergelden1. LAAT mij , ten ZESDEN, nog herinneren: Deeze twee gebroeders vleiden zich, bijzoofnood een bedrijf, met eer en voordeeldoor David te zullen beloond worden , dochondergingen bij dien Vorst, de rechtvaardigevergelding hunner ongerechtigheid.Deeze gebeurdnismoet ons doen gedenken aan diewaarheid, zoo zeker als geducht: „ Dat hoezeerdc zondaar zich ook vleit, de hooge •„ Opperrechter , ten zijnen tijd , eenen ijder,, zal vergelden naar zijne werken". •—• Hetis zoo, mecnig een , de fnoodfte ongerechtigheidplcegcncle, waant, dat hij en zijn bedrijfbij den aardfehen rechter niet zal achterhaaldworden.Doch hoe meenigmaal treft hem, inmeerder of minder roaatc , het lot van deezezich misrekenende gebroeders! —• Dan het zijzoo , dat men bij den aardfehen rechter ftrafloosblijve: het zij zoo, dat men den rechterweete te ontwijken, of tc verblinden; het warezoo, dat in de plaatfe des gerichts en der gerechtigheid, godloosheid haaren zetelhadde(0 Psalm Cl: 4-7.g«-


2 SAMUELS IV. vs. 8—12. 139genoomcn , dat duisternis aldaar licht, kwaadgoed , onrecht recht gehceten , en hoogstftrafbaar kwaad met lof en voordeel beloondwierd —• Hij nogthans , die hooger is dan dehoogen , neemt er acht op (k). — En hetware zelfs zoo , dat de hooge Opperrechter,in dit leven , den zondaar niet kenbaar ftrafte, maar denzelven , tot zijne hooge einden,langmoedig verfchoonde; de dag echter koomt,dat Hij een' ijders werk in het gerichte brengen, en naar rechtvaardigheid vergelden zal.Hier kan de mensch zijne inzichten verbergen; maar dan zal dc Heer die ontdekken.Hier kan men zichzelven en anderen poogentc verblinden, door zoogenoemde dcugdlijkeoogmerken ; maar dan zal de Heer oordeclennaar zijne Wet, en hen verdoemen, die zeggen: Laat ons het kwaadc doen , opdat hetgoede daar uit voordkoomc. Hier kan menpoogen — en fomtijds met vrucht — hetflegtfte beftaan, cn fnoodftc wanbedrijf, alslof- en erkendteniswaardig te doen voorkoomen; maar dan zullen alle bedekfelen derfchande worden wechgevaagd. Hier kan hetgebeuren , dat ongerechtigheid en godloosheidhoog geëerd, en rijklijk zelfs beloond wordt;maar in dien dag, wanneer God dc verborgendingen der mcnlchen zal oordeclen door JefusChristus , dan zal verdrukking en bcnaauwdheidzijn, over alle ziele des menfchen die het£k) Prediker F: 7.kwaade


14© XXXVI. L E E R R E D E .kwaade werkt (1). Och! of wij allen, en altoos, onder dien indruk leefden ! Zeker, onzeraller Rechter ftaat voor dc deur.T. LAAT mij , ten ZEVENDEN, nog aanmerken:David, fchoon hem door Isbofethsdood ruimte werd gemaakt uit de benaauwdheid,liet zich door dit voordeel, en door devleiende taal van Rechab en Baëna , niet inneemenof vervoeren, maar had tegrooterafgrijzen van hun heilloos wanbedrijf, —Eindeliik, „ omdat de Heer hem uit alle benaauwdheiddat de on­,, had verlost". — Trouwends, zou hij , diedervin­ding van zooveel ondervinding had van Godlijke red­, redding zoeken door , of ontvangen uitGods red­dindinguitnefdtn, dc hand der godloozen en der godloosheid ? —afkeer Godvruchtigen , gij bevondt u meenigwerf inmoet verwekkenbenaauwdheid, en hadt reden om uitteroepen:van vttkeerdeMij is bange ! Maar heeft de Heer u nietdikwijls uit benaauwdheden verlost ? aanmerkelijkverlost? — Gij zijt, of kunt opvttddele*nieuwkoomen , in benaauwdheden , in grootc benaauwdheden.Het kan gebeuren, dat men uin verzoeking brengt, om middelen tc zoeken, of te omhelzen, welken , ja , reddingfchijnentc belooven , doch die tegen GodsWet, uwen pligt, en een goed gewetenftrijden.Waakt toch tegen zulk eene verzoeking.Zegt, met David : Zou ik , daar Godmij uit zoo veele benaauwdheden gered heeft,(1) Romeinen III: o> 16.nu


2 SAMUELS IV. vs. .8—12. . 141nu mijne redding zoeken door middelen diemijnen God mishaagen , mijn gemoed bevlekken, en mij van vrede en zegen beroovenzouden ? dat laate de Heer verre van mijzijn ! — Het kan gebeuren , dat de verzoeking,bij toenecmende benaauwdheden, en uitftelvan redding , zeer hoog rijst, en het ongeloofvraagt: Waar is nu uw God ? en watzoudt gij verder op den Heere hoopen ? Maarzoudt gij, daar vaderlijke wijsheid u belieft tebeproeven, verdrietig worden, en bezwijken?Moet bevinding van reddingen, u geen hoopegeeven op verlosfing ? immers op onderftcuning? Is het niet een uitneemend voorrecht,aan den Heere getrouw te zijn , is het noodig, zelfs tot den dood ? daar uw getrouweVerbondsgod ti belooft de kroon des eeuwigenlevens (m). — Houdt, als rechtvaardigen,aan uwen weg vast. Haat toch alle valfchepaden. Wandelt, als leerlingen van deOpperfte Wijsheid, in 't midden van de padendes rechts. Gedenkt in uwe beproevingen ,dat er zijn , die u ten goede bidden : Heer ,doe den goeden wel, en den geenen die oprechtzijn in hunne harten. Gij weet immers,godvruchtigen , dat de Heer zal wech doengaan , met de werkers der ongerechtigheid,hen, die zich neigen tot hunne kromme wegen.Hoe het gaa; vrede zal zijn over Israël. Amen.is', las rWi's Avonds in de Zuider Kerk,den 10 van Louwmaand, 1773.(m) Openbaaringe II: 10.v fXXXVili


142 XXXVII. L E E R R E D E .XXXVII. L E E R R E D E .2 SAMUELS V. VS. i—5.1. Doe quanten alle ftammen Israëls tot Davidte Hebron: ende fy fpraken, feggende ; Siet wy ,uw gebeente, ende uw vleesch zijn wy.2. Daer toe oock te vooren, doe Saul Koning!/,over ons was, waert gy Israël uytvoerende, endeinbrengende: Oock heeft de HEERE tot u gcfeyt;Gy fult mijn volck Israël weyden, ende gyfu.lt tot eenen Voorganger zijn over Israël.3. Alfo quamen alle Oudften Israëls tot denKoningh te Hebron; ende de Koningh Davidmaeckte een verbont met hen te Hebron, voor hetaengejichte des HE EREN: ende fy falfdenDavid tot Koningh over Israël.4. Dertigh jaer was David oudt, als hy Koninghwert: veertigh jaer heeft hy geregeert.5. Te Hebron regeerde hy over Juda fevenjaren , ende fes maenden ; ende te Jerufalem regeerdehy drie en dertigh jaer , over gantsch Israëlende Juda.WENTEL uwen weg op den HEERE ien vertrouw op Hem , Hij zal het maaken; en zal uwe gerechtigheid doen voordkoomenmis het licht, en uw recht als den middag. Duszong


.2 SAMUELs V. vs, i—5. 143zong David , nu oud van dagen , en geleerd Deugd endoor veelvuldige ondervinding (a). — ^d^t'logendeugdiijkheid van iemands beftaan , en deen geweldrechtvaardigheid zijner zaak, kan door lasteren geweld zoo beneveld en onderdrukt worden,dat het vroomffce gedrag als godloosheid,en het billijkst recht als fnoode onrechtvaardigheid, voorkoomt en gehouden wordt. —Om dit te bewijzen, is niet noodig, eenen. Jakob, eenen Jofef, eenen Möfes tot getuigente roepen. Dc Psalm, in welken wij deezewoorden leezen , geeft ons hier van overduidelijkbericht, uit ondervinding opgemaakt enbevestigd. —- Maar tevens is het waarheid , wardtdat God, vroeg of laat, door middelen, ^VQ\.door God,ken geen menfchen verftand uitdenken, noch^//^menfchen hand daarfrellen kan , de waarheid re4 • e *doet zecgepraalen over de logen , de deugd Telt geoverden laster, en de gerechtigheid over het^'*^onderdrukkendgeweld; en zulks met zooveelklaarheid' en luister , als de zon , bij onbeneveldelucht, fchijnt op den middag. DezelfdeJakob , dezelfde Jofef, dezelfde Mofes , zijndaar van onwraakbaare getuigen ; en David,de Dichter van deezen Psalm, vooral.MEERMAALEN hebben wij gehoord, metwat al leugens hij bcloogen , met wat al lasterhij beklad, door wat al geweld en onrechthij vervolgd en. gedrukt, en daar door in hetCa) Psalm XXXF1I: 5, 6.akelte


144 XXXVII. L E E R R E D E .akelig donker gebragt werd. Doch tevenshebben wij gezien, hoe hem, bij Sauls dood,de dageraad is opgegaan ; en hoe , door zijnezalving tot Koning over Juda , de zon vanGelijk wij zijne eer en geluk hooger klom. •— Thandsin Davidm o e t e n wjj zi en , Davids deugd en deugdhjkZ,e"' recht alom erkend en geroemd ; de leugen enlaster verbannen; hem geplaatst op den troonvan het Koningrijk van gansch Israël ; dooidehand zijnes Gods hoog verheven en verheerlijkt; en zijn recht , door onrecht zoozwaar onderdrukt en lang verduisterd, tenvoorfchijn koomen, en fchijnen als de zon opden vollen middag. — Welk een aandrangvoor Gods Kerk en kinderen , om , in welkewegen zij ook koomen , onder welk een'ftroom van leugen en laster hunne eer bedolven, onder welk een overheerfchend geweldhun recht gedrukt en gefmoord wordt, hunnenweg op den Heere te wendtelen, vertrouwendedat Hij, op zijnen tijd , het maakenzal!NADER zullen wij dit zien , wanneer wijuit het heilig gefchiedverhaal overweegen: —Davids zalving, tot Koning over gansch Israël; — en den tijd van zijne regeering.A. LAAT ons, ter verklaaring van dit gedeelteder gewijde gefchiednis, onze aandachtvestigen,K. VOOR


2 SAMUELS V. VS. i—5. 14SK. VOOR EERST, op Davids zalving, tenkoning over gansch Israël. •— Hier valt onsaanftonds in het oog, het aanmerkelijk tijdftip, Toen — gelijk de onzen de koppelletter t 'ie ten ge-'cbiktenhier , gelijk ook elders , geeven —• toen door^ijd.de voorheen gemelde gebeurdnisfen , de toeftandvan zaaken zoo grootlijks was omge.-wendteld; — teen Abner de harten der naatfijtot David had geneigd; of liever, ten aanzienvan de meesten , gelegenheid had gegeevenom hunne geneigdheid te ontdekken; •—toen die veldheer gefneuveld, en daar doorhet krijgsvolk in Israël, zonder leidsman was 5;—• toen Isbofeths regeering krachtloos geworden, en hij zelf godlooslijk om 't leven gebragtwas; •— toen daar door, aan Davids tegenftandersalle fteun ontvallen was; — toenGod David, door zwaaren ftrijd, en felle beproevingen,langduurig geoefend had; •— toenDavid, door eene ruim zevenjaarige regeeringover Juda , in de zeer moeilijke regeeringskunstonderweezen en geoefend was; — toenhet 's Heeren eigen , en voor David de bestetijd was •— toen werd David tot Koning gezalfdover gansch Israël. — Aanmerkelijktijdftip ! Tijdftip , in welk de koninglijke regeeringop vasten voet gebragt — en IsraëlsSepter , naar Jakobs voorzegging , in Judaasfihand en ftam verzekerd werd; toen werd DaI vid ten Koning gezalfd.IV. DEEL. K WA A R


fyè XXXVII. L E E R R E D E .u He- WAAR werd David gezalfd ? te Hebron*bron,D a v i d w a s m e t, aan 't hoofd van een leger,in Israëls ftammen gevallen; hij was nietnaar Mahanaim getrokken , om den rijkszetelte overweldigen, en zich aldaar te doen kroonen.Hij bleef- te Hebron ; men zocht hemdaar op ; men bood hem daar de kroon aan— daar werd hij Koning gemaakt over ganschIsraël.iioraiit DOOR wien? Door alle de ftammen Israëls,i e'Lr welken tot dat einde te Hebron kwamen. —men,(taaiwv,i«.\.n «"•"»Seioome»,Êfk begrijpt, dat wij hier niet moeten denkenaan elk' bezonelcr Israëiijt, uit alle de ftammen.Dit ware onmoogelijk geweest. Maarmen denke aan eene meenigte , die- uit allede ftammen , of vrijwillig naar Hebron trokken, of eloor de ftammen derwaards gezondenen wel, werden. Best zullen wij hier uit het Eerftein zeer ,g oej, Kroïiij-ken onderrecht worden. DaaruT! g< * leczen wij (b), dat tot David te Hebron kwamen,om Sauls Koningrijk, naar 'sHEERENmond, tot hem tc wenden, uit JUDA, zesduizenden agthonderd; uit SIMEON, zevenduizenden éénhonderd; uit LEVI , vierduizenden zeshonderd; uit de AÜRONIJTEN,drieduizend cn zevenhonderd , waar bij nogworden gemeld , twee en twintig overften ;Uit BENJAMIN, drieduizend; uit EFRAIM,twintigduizend en agthonderd; uit half MA-NASSEJ(b) I Krontfken Xlh 23—38.


£ SAMÜELS V. vs, i


i 48 XXXVII. LEERREDE.Hond. Trouwends, er wordt gezegd, dat ernog veele waren, die het met Sauls huis hielden(f). Geen wonder! Saul en Isbofeth uitdien ftam zijnde, was dezelve, en waren veelegrooten uit denzelven, zeer bevoorrecht. Ende onkundigfte in dien ftam , kon ligtlijk begrijpen, dat de geheele regeering tot Judaovergebragt zijnde , hun verlies groot kondeZijn. En is het wel vreemd, dat eigenbelangzoo fterk een' invloed maakt, dat het meerof min de oogen fluit voor het algemeen be.lang ? Dit zal het eerfte geval niet geweestzijn , waar in dit plaats had; en zeker is 'thet laatfte niet geweest.ELK begrijpt, dat deeze meenigte te Hebronkwam , om voor zich en hunne ftamtotKa- genooten , te verklaaren , dat zij David tengZLT/lK° nin g verkoozen; — dat zij in zoo grootrail ver- een getal kwamen , om David hunne bereidvf'ordtweligheid en welmeenendheid te toonen. Vandaar zegt de Schrijver van het Boek der Kronijken, op de aangehaalde plaats : Zij kwamenmet een volkomen hart te Hebron , om DayidKoning te maaken over gansch Israël; en ook wasal het overige van Israël één hart, om Davidtot Koning te maaken (g). •— Verder, omzich , zulks vereischt wordende, ten zijnendienste aantebieden, om zijne belangen, tegenbinnenlandfche vijanden uit Sauls huis, of tegenCO Vers ap. Cg) Vers 38.


s SAMUELS V. vs. i—5. 140gen onderneemingen van buitenlanders, teverdeedigen. .— Vraagt. men : Hoe ftrookthet, dat men in het eerfte Vers leest, datdus alle ftammen, en in het derde Vers , datMe Oudften Israëls, tot David te Hebronkwamen ? Wanneer men met aandacht leest,wat aangaande elks bedrijf gezegd wordt, zalmen zien , dat het een met het ander zeerwel is overeentebrengen. Zoo groot een aantalvolks, kwam uit alle de ftammen , omzich voor David te verklaaren , en hem dekroon aantebieden ; maar de Oudften , de regeerdersder ftammen en fteden, kwamen, omin naam- van al het volk , met David plegtigte handelen , een verbond met hem te maaken,en ftaatiglijk hem te zalven.DIT zullen wij nader zien, wanneer wij En zulks,overweegen , op welk eene wijze men David mder nniruklljkeKoning maakte. •— De ftammen dceden hun \ betuigingen,voorftel aan David, op eene harttreffende 1wijze. EERST verklaaren zij, de betrekking,.


tirjK bunpebewustheidvnn zij-Te bekwiiambeid;I 5a XXXVH, L E E R R E,D E.ff, onze broeder. Tevcnfi, om de wettigheidvan hunne verkiezing te toonen,- God hadIsraël verbooden, eenen vreemden tot Koningover zich tc ftellen; maar, eenen Koning begeerende, moesten zij eenen uit hunne broerderen verkiezen (h). Schoon wij, zeggen zij,de kroon tot eenen anderen ftam, dan die zebezeten heeft, overbrengen, wij blijven echter, volgends Gods Wet, bij onze eigen naatfij;zie, uw gebeente en uw vieesch zijn wij.Zij deeden, het geen zij mogten doen. •— TenTWEEDEN, Zij gceven David eene reden,waarom zij hem, meer en liever dan een' ander, ten Koning verkoozen ; zeggende : Daartoe ook te yooren , toen Saul Koning over onswas, waart gij Israël uitvoerende , en,inbrengende.Dat is , uwe lofiijke hoedaanigheden,en groote bekwaamheden , zijn ons niet onbekend.Toen Saul 'Koning was, hebt gij, alsveldheer , de uitmuntendfte blijken van uwfchrander beleid , de heerlijkfte proeven vanuwe groote bekwaamheden en heldhaftigedapperheid , gegeeven. Wij gedenken , metwelk eene vaardigheid gij uw volk bijeen, enonder de wapenen bragt; met welk eene wijsheidgij het beftuurdet; met welk eene ftandvastigheidgij de orde en tucht bewaardet;met welk een' moed gij uwe benden wist tebezielen; met welk eene kloekmoedigheid envoorfpoed gij ftreedt; met welk eenen lof ge,(h) Deuteronemium XVII: 14, 15,heel


2 SAMUELS V. vs. i—y,v - MXheel de naatfij, tot ontfteeking zelfs van Sauls.nijd , inv perfoon, handel, cn wandel bekroonde.Zij zeggen er mede :' Het geen wijdoen, is billijk, het fteunt op reden; cn hetbelang van '£ Vaderland vordert onze keuze.— Ten DERDEN. Zij wettigen deeze hunne ?« vankeuze , door eene reden , welke zeer fterk 's Heerenverklaa*fpreekt en klemt: Ook heeft de HEER tot u ring.gezegd, Gij zult mijn volk Israël weiden, en gijzult tot eenen Voorganger zijn over Israël. —-'tls waar, wij leezen niet, dat Samuel, toenhij David zalfde , of op een' anderen tijd,deeze woorden tot hem gefbrooken hebbe,Echter kan het gefchied zijn ; en den zaaklijkeninhoud dier woorden , heeft de Hceïdoor Samuel duidelijk . verklaard. Voorheephebben wij gehoord, dat Abner met dergelijketaal Israëls ftammen overreedde , om Davidtot Koning te verkiezen (i). Zij zeggen crmede : Wij weeten, dat de Heer, door Sa :muel, u ten Koning heeft afgezonderd, clentroon u heeft toegezegd, cn den last heeftopgelegd, om gansch Israël, als een getrouwherder , te leiden en te weiden. Zij zeggcqer mede: Wij doen, het geen wij weetcn datGods wil en bevel, en des onze pligt is.MAAR, konde iemand vraagen, wist Israël, Zicbzrlvendusof althans wisten de hoofden der ftammenbefebaawende.alle(i) 2 Samuels UI: 18. Vergelijk Psalm LXXVIIh 711K 4


152 XXXVII. L E E R R E D E .alle deeze dingen niet reeds voor meer danzeven jaaren ? Ongetwijfeld ja. •— Waaromfpraken en deeden zij dan toen niet, gelijk zijheden fpreeken en doen ? Waarom Davidzoo lang in zijn recht verkort ? waarom hetVaderland zoo lang aan verdeeldheid, verwarring, en rampen blootgefteld ? Waaromhebben Israëls Oudften hunnen pligt zoo langverwaarloosd ? Spreeken deezen niet tegenzichzelven ? doemt niet hunne tegenwoordigetaal, hunnen voorigen handel? Voorzeker ja.Maar wat zal men zeggen ? Abner, om eigengrootheid te bejaagen , riep , bij Sauls dood,Isbofeth deszelfs zoon , fpoedig en bij verrasfmg,tot Koning uit. Vcelcn uit de oudftenen naatfij, waren door Sauls aanhang verleid;veelen waren door overmagt van Isbofeth, enzijnen veldheer Abner, onder bedwang cn totzwijgen gebragt; anderen , onverfchiliig zijnde,dachten, Waarom zouden wij, indien wijflegts onze akkers kunnen bouwen , en onzekudden weiden , ons over Koning of wettigkroonrecht bekommeren ? Terwijl de besten,omdat het een booze tijd was, zwijgen moesten, en wachten op 's Heeren tijd. Thandswaren tijd en zaaken veranderd. Nu konmen , zonder fchroom voor finaad of geweld,fpreeken , gelijk men dacht. De gemoederenook, waren thands vatbaar, en leidbaar ; ende Heer neigde de harten tot David. Israëlzag , en beleed , zelfs zonder fpreeken, zijnevoorige verkeerdheid en, dwaasheid. — Danwij


2 SAMUELS V. vs. i—5. 153-wlj leezen niet, dat David Israël thands overdit ftuk onderhield.ook fpreeken -er niet verder over.Wijslijk, voorwaar ! WijIsRAëLs ftammen dit voorftel aan David Waar opDavid eendoende , kwamen hunne Oudften tot hem, verbondom met hem te handelen, en plegtig hem te •net deludflenzalven. De Koning David, leezen wij, maakte', naait.een verbond met hen te Hebron , voor het aange*zicht des HEEREN. — Misfchien vraagtiemand: Hoe koomt hier een verbond te pas ?maaken zij David Koning, dan maaken zijhem Souverein;zijn' wil verkiezen zij dantot hunne wet, en verpligten zich tot volftrektegehoorzaamheid; hoe kan hier een verbondte pas koomen? — Dan, dacht iemanddus ; hij dacht zeker verkeerd.Geene ongelukkigerregeering , dan eene wilkeurige,daar bezitting, recht, eer, ftaat, vrijheid, enleven, aan dc verbijsterde begrippen, grilligeinvallen , vervoerde driften , dwaaze zinlijkheden, of booze lusten van éénen , of vanmeer menfchen , onderworpen zijn ! Watverfchilt zulk een ftaat, van de rampzaligfteflaavernij ?God heeft daarom ook gezorgd,dat Israëls Koningen , ten aanzien van hunneheerfchappij, onder zulke bepaalingen wierdengebragt, welken aan den Godsdienst, de burgerlijkerechten, vrijdommen, eigendommen,en de beftuuring van het recht, eene heiligezekerheid en vaste veiligheid gaven. De wetten, op het ftuk van den Godsdienst; deK 5fchik-


t$4 XXXVII. LEERREDE.Schikkingen op de erfvcrdeelingcn, op de VrijenJubcljaaren , op de rechten van vrijen cndienstbaaren , op den akkeibouw cn handel,op de Vrijfteden en priesterlijke Steden ; degrondregels op de behandeling van rcch:zaaken— waren altemaal dingen , welken deKoningen niet naar willekeur mogten maaken,maar die zij vonden ; over welken zij geenheerfchappij hadden, maar aan welken zij verbondenwaren; welken zij moesten onderhouden,naar welken zij Israël moesten regceren.— Het fchijnt zelfs , dat bezondcre fteden inIsraël , aanmerkelijke rechten hadden. Zienwij hier van niet een blijk, in het gedrag derinwooners van Abel Beth - Maacha ? De oproerigeSeba had zich in die ftad geworpen. Joab. belegerde hem in dezelve. Eene verftandigevrouw, verzoekt den Veldheer tot een mondgefprek.Dit toegedaan zijnde , vraagt zijhem, Waarom hij eene moedcfftad, 's Heerenerfdeel, zou willen verflindcn ? joab verzekerthaar , dat dit zijn oogmerk in het geheelniet was ; tevens verklaarende , dat hij,indien men Seba overleverde, terftond zou aftrekken.En zoo draa aan dien eisch voldaanwas, brak Joab het beleg op. — Wij zien erin, dat deeze ftad haare poorten floot voor's Konings leger; — dat Joab haar deswegensgeene verwijtingen deed; — dat hij met haarin onderhandeling trad; — dat hij, het bedingvolbragt zijnde , in vrede van haar aftrok. —•Weinig gelijkt dit, naar eene voHtrekt opper-mag-


.' 2 SAMUELS V. vs. 1—5. 155magtige koninglijke hcerfchappij (k). Ookblijkt het , dat dc Koningen , in zaaken vangewigt, de Overften cn Vorsten raadpleegden,en hunne gedachten innamen. Een voorbeeldhier van , vinden wij zelfs in Davids regee*ring , daar hij raad houdt met zijne Overftenen Vorsten , en hun goeddunken vraagt, omtrenthet wedcrhaalen der Arke, Waar op deganfche gemeente zcide , dat men alzoo doenzoude; omdat die zaak recht was in de oogendes ganfehen volks (1).LEEZEN wij dan , dat David een verbondmet Israëls Oudften , en in hun , met Israëlsvolk, maakte ; wij moogen denken , dat hijplegtig verklaarde , en zich verbond, om Israëlnaar de grondwetten van Godsdienst enburgerftaat te zullen regecren , en alles tedoen , wat hem , als Koning , ten beste vanKerk en Staat, betaamde te doen, Tevens,dat Israël zich verpligtte en verbond, omhem , op die voorwaarde , te gehoorzaamen,als Koning te eerbiedigen , te dienen, cngetrouw te weezen. — Of er ook anderezaaken bij dit verbond bedongen en bepaaldzijn , kan niet met zekerheid gezegd worden.Maar waarfchijnelijk is het , dat bijdit verbond zal zijn vastgefteld , vergcevingvan alles, wat voorheen tegen Davidon-(k) 2 Samuels XX: 15—22.XII/:" 1-4.CO I Kronijken


i 56 XXXVII. L E E R R E D E .onwetttiglijk ondernoomen , en misdaadig bedreevenwas. — Zeker is het, dat Samuel, bijSauls verkiezing , het recht des Koningrijksopenlijk voor het volk verklaarde , het zelvedaar op in een boek befchreef, en dat in denTabernakel, voor 'sHeeren aangezicht, wechleide(m). Kan men met eenigen grond twijfelen, of David zich verbonden hebbe , naardat voorfchrift te zullen regeeren? — Intusfchenis het zeer waarfchijnelijk, dat Davidgrootere voorrechten verkreeg, dan Saul ooitbezeten had. Deeze had geen recht, tot debenoeming van eenen opvolger op den troon.Thands had men gezien , welke jammerlijkeverdeeldheden, door Abner, ter fcheuring vanhet Rijk, waren veroorzaakt. En het is zeker, dat David, het zij bij deeze gelegenheid, of in volgende tijden , dat recht verkreegenheeft. Wij leezen , niet alleen dathij, voor zijnen dood, zijnen zoon Salomotot zijnen opvolger benoemde; maar ook, datde oogen van al het volk op hem waren, dathij zou te kennen geeven , wie na hem opzijnen troon zitten zou (n).INTUSSCHEN —• laat mij dit met eenwoord aanmerken — moet men zich niet verwonderen, dat men in de regeering , gelijkvan andere Jeodfche Koningen, zoo ook indie• (m) I Samuels X: 35. (rr) i Koningen I: IQ.


a SAMUELS V. vs. i—5.iftdie van David , verfchciden meer of min oppermagtigeen wilkeurige verrichtingen , beftellingen, en beflisfchingen vindt. Alle bedenkingen, welken bier uit kunnen geboorenworden , zal ik met deeze drie aanmerkingenbeantwoorden. Voor EERST; dat gebeurdnisfenwel bewijzen, wat heeft kunnen gedaanworden , maar niet, wat behoorde gedaan ofgelaaten te worden. Ten TWEEDEN ; datgeene oppermagtige regeering, zal ze gelukkigzijn, zoozeer in alles kan bepaald weezen, datniet verfcheiden zaaken , vooral in bezonderegevallen , ter vrijmagtige en fpoedige beflisfchinggelaaten worden. — Ten DERDEN;dat David , die Koning was , tevens een Profeetdes Heeren was, door wiens dienst, deHeer zelf verfcheiden befchikkingen , in denKerk- en Burgerftaat, maakte. Dit was ietszoo bezonder in David, dat andere Koningen,hem hier in zeer ongelijk, zijn doen in alleeniet wettiglijk konden navolgen. Het geenDavid, op 'sHeeren bevel, moest doen, mogtenanderen, zonder zulk een bevel, nietdoen. — Zij, derhalven, die in laateren tijd,omtrent het vermogen der burgerlijke Magt,in zaaken van den Godsdienst, zich op Davidsvoorbeeld beroepen, fchijnen niet zeer bondigte redenkavelen en te befluiten.DIT verbond tusfchen David en Israël, En wel»voor betwerd gemaakt voor het aangezicht des HEE­ aangezichtietREN. Wat zegt dit hier ? Niet, dat ditHeeren.zou


XXXVII. L E E R R E D E .zou gefchied zijn, voor de Arke des vef»honds; deeze was niet te Hebron, maarthands te Kiriath-Jearim (o). Het zegt, datdit verbond ftaatelijk, als in 's Heeren tegenwoordigheid, en onder plegtige aanroepingvan 'sHeeren Naam, gemaakt werd. In welkeen' zin gezegd wordt, dat David en Jonathaneen verbond maakten , voor het aangedichtdes Heeren (p). Het kan ook wel zijn,dat deeze plegtigheid gefchied is, in de tegenwoordigheidvan den Hoogenpriester, bekleedmet den Efod.Hier op • DIT verbond dus geflooten zijnde , zalfdenzalven zij zij David tot Koning over Israël. — Over deDavidplegtig tel zalving der Koningen; over derzelver oorfprongen oudheid; over de ftoffe waar medeKoning.— de perfoonen door wien — als ook overde wijze op welke, en het einde waar toe —ftaat ons thands niet te fpreeken. Laat mijdes dit weinige zeggen : — Dus werd Davidplegtig verklaard , Koning te zijn , en zijnperfoon heilig ; — Dus werd hem , van's Heeren wege , 's Heeren Geest, hulp , enbckwaammaakende genade, toegezegd; — Duswerd hij door Israëls Oudften , en al hetvolk , hoogftaatelijk gehuldigd en erkend.David is nu Koning over Israël. •— Dit wasde derdemaal, dat hij gezalfd werd. Eerstmaal(o) i Kron ijken XIII: 6. (p) i Samuels XXIII: i8*


4 SAMUELS V. vs. i—5. ijCfmaal gebeurde hem dit, door dienst van Sa*muel, in zijns vaders huis (q). Ten tweedenmaale, te Hebron , toen hij Koning werdover Juda (r). En thands, ten derdenmaale,nu hij Koning wordt over gansch Israël. —1Onze Godgeleerden hebben in David eenvoorbeeld gezien van Vorst Mesfias , DavidsTegenbeeld ; in Wien men ook eene drieërleizalving opmerkt. De eerfte , wanneer HijMensch wordende, de volheid der Godheid inHem kwam woonen (s). De tweede , wanneerbij zijnen Doop, de Heilige Geest, ondereen zichtbaar teeken, op Hem nederdaalde (t):De derde, bij zijne Verhooging, wanneer Hij,gezeten aan 's Vaders rechtehand , den fepterzou voeren , over Jooden niet alleen , maarook over Heidenen ; wanneer Hij gezalfd ismet vreugdenolij , boven zijne medegenooten(u).Zoo zien wij dan David ten Koning gezalfd, over gansch Israël, naar het woord des nis vanCebeurJ-veel ge-Heeren, door den dienst van Samuel (v).— •fcigt.Welk eene gewigtige gebeurdnis voor hem ,en voor gansch Israël! Gebeurdnis , welkeaan Gods belofte haare waarheid — aan Da»vids verwachting , op dezelve gebouwd, ver.vulling£q) 1 Samuels XVI: 13. (r) 1 Samuels II: q. tfs) Kolosfetrfen II: 9. ft) Mattbeus III: 16.(u ). Psalm II: 0: Hebreeuwen ƒ; 9. (w) 1 KrotijkenXI: 3.


léo XXXVII. LEERREDE.yul ing — aan de bede en wensch der welmeenenden,eene blijde beantwoording — aanden Staat, luister en fterkte — aan alle de,ftammen, eensgezindheid — aan het land, derust en vrede •— aan den Godsdienst, herftelen bloei — en aan de godvruehtigen , ftoffetot blijde dankzeggingen gaf. Gebeurdnis ,door het ganfche volkyten getale van meerdan driemaalhonderdduizend , plegtig te Hebrongevierd. Drie dagen werd deeze ganfchemeenigte blijmoedig aldaar onthaald ,met vroolijke vergenoeging eetende en drinkende(w).'T IS waar , het bedillend ongeloof zoukunnen vraagen : Is dit moogelijk ? Hebron,immers , en deszelfs omtrek , konde zulk eenmeenigte van menfchen geen' éénen dag, veelmin drie dagen, fpijzigen; of de fteenen had*den brooden moeten worden. — Dan al hadde heilige Schrijver ons hier geen bericht gegeeven, wij zouden echter de moogelijkheidder zaak , op meer dan ééne wijze kunnenverdeedigen. Doch het is niet noodig zulkste doen. In het Eerfte Boek der Kronijken,wordt ons bericht , dat hunne broeders hetvoor hun bereid hadden ; dat ook de naasten aanhen, tot aan Isfafchar, en Zebulon, enNaftali,bragten brood op ezelen , en op kemelen , en opmuilen, en op runderen, meelfpijze, Jlukken vijgen,' (w) i Jironijken XII: 39, 40,


2 SAMUELS V. vs. i—5. 161gen , en Jlukken rozijnen , en wijn, en o/zj , enrunderen, en klein vee in meenigte; want er wasblijdfchap in Israël (x).3. HEBBEN wij gezien, hoe David ten Ir. 't geheelheeftKoning over gansch Israël gezalfd werd ; laat bij XL.ons nu, in dc TWEEDE plaats, overweegen, laaren geregeerd;den tijd van zijne regeering. — Dertig jaar,zegt de Tekst, was David oud, als hij Koningwerd; veertig jaar heeft hij geregeerd. Te Hebronregeerde hij over Juda, zeven jaaren en zesmaanden; en te Jerufalem regeerde hij drie endertig jaar, over gansch Israël. •— Er zijn geweest, die verdeedigden , dat Isbofeth flegtsomtrent de twee jaaren over de elf ftammen,en dus ook David omtrent den zelfden tijd teHebron , over Juda , geregeerd hebbe 5 dochdat hij daar na, over alle de ftammen voorKoning erkend zijnde , nog vijf jaaren en zesmaanden den zetel zijner heerfchappij te Hebronhebbe gehouden. Deeze gedachten heeftmen daar op gegrond , dat wij in het tweedeHoofdjluk van dit Boek leezen: Isbofeth regeerdehet tweede jaar; alleenlijk die van den huizeJuda volgden David na. Het getal nu der dagen, die David Koning is geweest te Hebron zeven jaarenen zesover het huis Juda , is zeven jaaren en zesmaandenmaanden (z). — Dan bij de behandeling dee-teUebron,zer(x) 1 Kronijken XII: 39, 40. Qz~) a SaoimhII: 10, 11.IV. DEEL.L


m XXXVIÏ. L E E R R E D E .Zer woorden is reeds aangemerkt , dat dietwee jaaren , niet den geheélen tijd van Isbofethsregeering , maar dien van zijné meervredige regeering , aanwijzen. En dat Isbofethlanger , dan twee jaaren , te Mahanaimgeregeerd heeft, blijkt overduidelijk , uit hetderde Hoofdftuh En daar, zoowei als hier,Wordt gezegd , dat David te Hebron zevenjaaren over Juda heeft geregeerd. — Immers,onze Tekstwoorden wederfpreeken' de opgegecvengedachten uitdrukkelijk. Zij zeggen,niét alleen dat David zéven jaaren en zesmaanden tc Hebron over Juda regeerde, maarbcpaalcn den tijd van zijne regeering overen drie gansch Israël en Juda , te Jerufalem , op drieen dertigen dertig jaaren ; cn deezen maaken te faamenjaaren tc'Jet ufalem.de veertig jaaren , welken hij geregeerdheeft.IK zegge, de gemelde jaaren maaken te faamende veertig jaaren , welken David heeftgeregeerd. Maar hoe koomt dit uit ? Drieen dertig jaa-en •— en zeven jaaren en zesmaanden, maaken veertig jaaren cn zes maanden.— Doch men weete , dat de Hebreeuwengewoon waren , bij ronde en volle jaarente rekenen. De zes maanden van hét" éërfte Jaar , dat David te Jerufalem regeerde,voor een vol jaar rekenende , telden zij drieen dertig jaar ; laatende de zes maanden, bovende zeven jaaren te Hebron, in de tellingvallen. Vandaar zegt de Schrijver van het' Eèrfte


2 SAMUELS V. vs. i—5. 163Eerfte Boek der Koningen: De dagen die Davidgeregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaar ;zeven jaaren heeft hij geregeerd in Hebron , enin Jerufalem heeft hij drie en dertig jaaren ge*regeerd (a).MAAR waarom, kon men vraagen, worden miktde regeerings jaaren, gelijk van aiWere Koningenin Israël, zoo ook hier en elders van reden'.lartel-Ung metDavid , zoo uitdrukkelijk en bepaaldlijk opgegeevcn? — Onder anderen, omdat, onderwordt opgegeeven.de regeering der Koningen, de tijd, en de gebeurdnisfenin dcnzclven, naar de jaaren vande regeerings jaaren der Koningen berekend,en aangeteekend werden. Willen wij , b. v.,den tijd weeten , van de volbouwing desTempels ; wij leezen , dat die plaats had, in"het elfde jaar van Salomons regeering (b).Willen wij weeten , wanneer men begon dienTempel te bouwen; ons wordt gezegd, in hetvierde jaar van zijne regeering (c). Willenwij weeten , het hoeveelfte jaar na Davidskoomst te Jerufalem , dit werk begonnenwerd ; wij zien, zeven en dertig jaaren. Enom de gebeurdnisfen , in het verloop vanveele jaaren en eeuwen, te kunnen berekenen,wordt de tijd van de koomst der opvolgendeKoningen tot den troon, en van hunoverlijden, aangeteekend.LAATCa) 1 Koningen IJ: 11. (b~) 1 Koningen VI: 38.00 1 Koningen VI: I.L %


164 XXXVII. L E E R R E D E .Zijnde bij LAAT mij nog opmerken, dat het fommigcraandacht getrokken heeft, dat David, opdertigja •/ renoud, toen "zijn dertigfte jaar verhoogd wordende , hierhij Koning in gelijk was aan Jofef, die dertig jaaren oudwerd.was , toen hij , uit zijnen diepverncderdenftaat, in hoogen luister voor Farao ftond (d).Ook aan de Priestercn, die op hun dertigftejaar , in den heiligen dienst kwamen (e).Vooral, dat Davids Tegenbeeld, omtrent dertigjaaren oud zijnde , plegtig , door zijnenVader, tot zijn openbaar werk werd ingewijd.Dan of deeze dingen al, of niet, betrekkingtot eikanderen hadden, en zoo ja, welke, laa-'ten wij anderen ter onderzoeking en bepein-'zing over. — Dit kunnen wij met zekerheidzeggen , dat deeze leeftijd van David , nietongefchikt was , ter aanvaarding van zoo ge-'wigtig een' post. De bloei van zijn leven,.gaf hem kracht; de ondervinding zijner verloopenjaaren , gaf hem ervaarenhcid ; en hetuitzicht op verlenging zijner jaaren, gaf hem,en der naatfij, verwachting op veel goeds.Vect tigjaarenregeerende, regeertbijtang; doetitejaarezijn rasvervloeien.LAAT mij , eindelijk, nog dit aanmerken:David regeert veertig jaaren. Welk een langetijd ! tijd , welken weinig Koningen op dentroon Hij ten. Maar tevens korte tijd , en\ fnel vervloogen ! Het tijdsverloop , tusfchen. Davids koomst tot den troon, cn het ontruimen(d) Genefis XLI: 6. Ce) Nrnneri IF: 1—3.


* SAMUELS V. vs. i—5. 16$men van denzelven door den dood, van achterenbefchouwende , zien wij maar een flip.David, uw voorrecht is waarlijk groot! maarwas dit het grootftc, het zou gering wcezen!Wat geeft het toch , eenige jaaren op een'elpenbeenen troon te zitten, cn onbekeerdftervende , in een eeuwig verderf nedcrteftorten? Gelukkige David , die, zittende op'Israëls troon , ccn ootmoedig onderdaan zijtvan het zalig Godsrijk!B. DAN het zal van ons belang zijn , datwij vraagen , wat ons tot onderwijs en be-Ituuring, uit het behandelde tc lecren is.N. ,, VESTIGEN wij voor EERST, op Da- Het oog„ vid ziende, het oog op Davids Tegenbeeld, op DavidsTegenbeeldVCÏ-.„ den gezegenden Heiland". —• Aanfchouwenwij Hem, door zijnen Vader afgezonderd, cn jigefide,zien wijgezalfd, niet met olij, maar met den Heiligen Dien boogGeest, niet mee , maar zonder maatc. Ten verbeven.Koning verordend, ja, over Jakobs huis, doentevens ten Vorst en Gebieder der volken, tenOverften der Koningen der aarde ; cn zirksniet voor veertig jaaren, maar' tot in eeuwigheid.— Aanfchouwen wij Hem , gelijk , jameer dan David , ten declc aan bittere j-ver-,volgingen van den helfchen Saul, en van "deszelfsfnooden aanhang ; allerlaagst daar doorx • v \\vernederd, zelfs tot den dood des kruisfes. '—•Aanfchouwen wij Hem, verrijzende uit hetgraf; zeegevierend Overwinnaar van hel enL 3dood;


ï}è XXXVII. L E E R R E D E .ai )od | uitermaatc zeer verhoogd ; opgevoerdt()t den Troon der Majesteit in de hemelen,hlisterrijk daar de heerichappij aanvaardende,e3 eerbiedig gehuldigd van alle de Engelen,die Hem aanbidden. — Aanfchouwen wijI[em , ootmoedig en blijmoedig erkend vanzfin geestlijk Juda, uit het eigenlijk Juda enoodendom, als Vorst en Zaligmaaker, omJsracl te gceven bekeering ten leven ; erkend1n geëerbiedigd ook , van het geestlijk Israëleüt het Heidendom. — Aanfchouwen wijTlem , als Davids Tegenbeeld , door het on-];elöovig en ongehoorzaam Israël verworpen1:n beftreeden, ook door Heidenfche Filistijnen; doch die , door hartbuigende genade,(;vederhoorigen , uit Jooden cn Heidenen , bijzich heeft . doen wooncn — waar door alletinden der aarde het gedenken , en zich tot denHEERE bekceren, en alle gefuichien der Hei.denen Hem aanbidden. Want het Koningrijk isdes HEEREN; en het koomt Hem toe,onder de Hüdznen te heerfchen (f). Och! datwij den verheerlijkten Middelaar recht kenden, geloovig aanfehouwden, en onder zijneheerichappij zalig leefden!Wien wijons tenKoningmoetenverkleien.3. LAAT ons, ten TWEEDEN, aanmerken:„ dat daar toe volftrekt noodig is , dat wij„ den tegenbccldigen David ons ten Heer en„ Koning verkiezen". — Heuglijk was het,datCf) Psalm XXII: 28, 29.tDOOD J,


z SAMUELS V. vs. i—5. 167dat Israël zoo eenpaarig en blijmoedig Davidvoor Koning verklaarde , en hem als hunne nHeer huldigde. Hop gelukkig zouden wijZijn , indien wij zulks omtrent den tcgenbeeldigenDavid deeden ! Van natuur , zijn wijhuiten , zijn wij tegen zijne heerfchappij. —•Het is zoo , wij zijn .gebooren en opgevoedonder zijn gebied ; wij zijn, bij den heiligenDoop , aan* Hem opgedraagen ; wij zijn naarZijnen naam genoemd , en hebben , belijdenisdoende , gezegd : Wij zijn des Heeren ! wijhebben ons genoemd, cn bij des Heeren gemeentelaaten toenoemen , met den naam Israëls.In dit alles zijn wij , ja , grootlijksbevoorrecht. — Maar wat zal dit alles onsbaaten , indien wij Koning Jefus niet rechtkennen , geene heerlijkheid in Hem, geenezaligheid in zijnen dienst zien ? indien onshart van Hem vervreemd , omtrent Hem onverfchilligleeft, en wij geen belang in Hemfiellen? indien, onder des, onze erkendtcnis,onze. belijdenis , onze hulde aan Hem , flegtsuitwendig , flegts lippenwerk, flegts gedaanteis ? David, die geen harten kende, moest deuitwendige hulde, hem beweczen , aanr.eemen;maar laat .ons toch wel in ons hart leggen, dat de .tcgcnbeeldige David niet aanzietdat voor oogen is , maar harten en nierenproeft. En meencn wij , dat een huichelaaryoqr Hem beftaan zal ? Elk moet zeggen ,neen ! Och ! dat mondbelijdcrs dit ter hartenamen! — Maar wat moet van hun worden,L 4die


ï6S XXXVII. L E E R R E D E .die ftoutlijk de waardigheid en eer van derttegenbeeldigen David beleedigcn , de Godlijkheidvan zijn' Perfoon verloochenen, zijn gezagbeftrijden, zijn Evangelij verachten, zijnéheerfchappij verwerpen, de wapenen van ver-Hand en hand tegen zijn Koningrijk voeren,den Satan, de zonde , en eene zondige weereld,met alle vermogens van ziel en ligchaamlustig dienen , en met de daad , of zelfs welmet woorden, zeggen : Onze lippen zijn onze;wie is heer over ons ? —• Beklagenswaardigemenfchen! Zoo fnood uw beftaan, zoo vloekwaardiguw gedrag is , zoo rampzalig is hetlot, dat u, blijft gij dus , te wachten ftaat.Thands zijt gij ongelukkige flaavcn van denonzaligften heer , en flegtften dienst ; rustnoch vrede kunt gij hebben , dan in uw gemoeden geweten te verwoesten. Maar watzal bij den dood , en in de eeuwigheid , uweverwachting weezen ? Hij , Wien gij hierfmaadlijk verworpen hebt , zal uw Rechterzijn. En wie zal dan uw redder weezen?jFaar t»e Oen! of wij alle den verheerlijkten Midk^er' a' rdelaar, in het heden der genade , tot onzenredenen Heer en Koning verkoozen ! — Denken wijtoch eens wel in , wie Hij is. Geen zoonalleen van Ifai; maar het affchijnfel van GodsHeerlijkheid , het uitgedrukte beeld zijnerZelfftandighcid. — Waar toe Hij gefield is.Niet flegts ten Koning van Israël ; maar tenVorst en Gebieder der volken —> ook vanhen }


2 SAMUELS V. vs. i—5. 169hen, die wijleer verre waren; en wel, om alsZaligmaaker, vergeeving van zonden te fchenken,en bekeering ten leven. — Waar Hij utoe roept. Onder een beftuur , dat alleszinsbillijk , rechtmaatig, en goedertieren is ; totgehoorzaamheid aan wetten, die heilig, rechtvaardig, en goed zijn ; tot eenen dienst, diewaare vrijheid is en geeft; tot een bezit vanwezenlijken rijkdom , en eere die uit God is;tot de ervenis en bezitting van een hemelschKana'an; tot eenen gclukftaat, die ecuwig zaligis. Och! dat wij onze ooren neigden, enkwamen , en in waarheid verklaarden : VerheerlijkteMiddelaar ,• Gij zijt onze Koning!Nog reikt Hij ons zijnen fepter toe.:Is er, wiens ziel lust heeft, om zich onder-Zzoo zalig eene heerfchappij tc begeeven ? Wat ]ivaafmn r iet$ns mugzou u terug houden ? Uwe onwaardigheid ?, erugion ten.Maar moet het u niet bemoedigen, dat gij tot'deezen Koning zeggen moogt : Zie wij , uwgebeente en uw vleesch zijn wij ? — 's Vijandsmagt ? Maar Hij is de Almagtige. — Hetontembaare van uw eigen hart ? Maar Hij isniet flegts Beheerfcher der volken , maar ookder harten. —• Eene verleidende of dreigendeweereld , en aahhang van den hclfchen Saul ?Maar Hij roept ons toe : Ik heb de weereldoverwonnen. — Zoudt gij vreezen, dat deezeKoning, als met u niet gediend, u zal afwijzen?vooral, daar gij lang der zonde en weereldten dienst geftaan, en ftoutlijk de wape-L 5Inen


i7o XXXVII. L E E R R E D E .nen tegen Hem gedraagen hebt ? Maar weet,en geloof, dat zondaaren, ook de wederhoorigften,door onderwerping aan Zich, tot Godte brengen , zijn hoofdwerk is. Hij verklaartzich aldus aan u : Die tot mij koomt, zal ikgeenszins uitwerpen. Verklaar gij dan : Ziehier zijn wij, wij koomen tot U.Wtj moetendaar David maakte een verbond met Israël, cn desy DAN — en laat dit ons DERDE zijn —-toe methem in ook Israël met David. ,, Zullen wij denbet verbondkoo­„ Heer Jefus Christus ons in waarheid tenKoning verkiezen; wij moeten met Hem inmen.,, het verbond koomen". •— Dus verklaart Hijzich, in de aankondiging van het Evangelij:Ik zal een eeuwig verbond met u maaken (g).— Wat ftclt Koning Jefus ons voor ? watbiedt Hij ons aan ? Zijn verzoenend bloed,ter voldoening van onze fchuld; — zijne God.lijke magt, tot onze verlosfing; — zijn Woorden Geest, tot onze beftuuring: — zijne volheid, tot vervulling van ons gebrek; — zijnenzegen en vrede , tot onzen troost; —zijne hulp en kracht, tegen onvermogen enzwakheid ; •— zijn zorgend Alvermogen, tegengevaar ; — zijne onuitputtelijke Algcnoegzaamheid,ter aanvanglijke zaliging in dentijd, en. volkomen zaliging in de eeuwigheid.Een goed, dus, dat waarlijk goed en beftcndigis; een rijkdom, die dc fchatkameren derziel


2 SAMUELS V. vs. i—5. 17rziel voor eeuwig vervult. — Welk een voorftel!welk een aanbod ! — Maar wat vordertKoning Jefus ? Dat wij den dienst van denhelfchen Saul, van de God beleedigende zonde, van eene weereld die in het booze ligt,waarachtig verlaatcn, en het zondig zelf, oprechtlijkverzaaken ; — dat wij , gcloovendeaan zijn getuigenis, ons aan Hem onderwerpen, in gehoorzaamheid aan zijn bevel, en in•ftille gelaatenheid aan zijn beitel , in vrijmoedigvertrouwen op zijne trouwe zorg; — datwij met mond ,en wandel, met hart en daaden, zijnen naam belijden , voor zijn belangen Koningrijk ftrijden , en , getrouw tot dendood , de kroon der heerlijkheid blijmoedigverwachten. Welke billijke eiichen ! — Dkalles te weeten , is noodig ; doch het is nietgenoeg. Onze groote zaak is, dat wij daadüjkmet Koning Jefus m het vei bond koomen.• E N wie van ons heeft lust, om het voorftelvan Sions Koning intcwilligen; Hem voorzich te kiezen; vreemden heer en dienst vooreeuwig te verzaaken ; het hart aan Hem tcgecven; te zeggen niet flegts , maar als -tefchrijven: Ik ben des Heeren? Koomt,-o zielen, tot Hem ; treedt toe , verklaart u vogrHem, weereld en zonde ten fpijt. Nietsmoet, niets mag u terug houden. De feptë*,welken Hij u toereikt, is een genadefepter.Zijne heerfchappij is .uwe zaligheid. —• Enwas gansch Israël, het verbond met Davidmaa-


172 XXXVII. L E E R R E D E .Waar in maakende, verblijd; welk eene ftof van blijdfchaphebt gij , die met den tegcnbeeldigenftof totwaareblijdfebai i David in het verbond gekoomen zijnde , deligt. zijnen zijt, en telkens dat verbond vernieuwt!Het is zoo , gij hebt treurens ftof; en waarover niet al ? doch zeker nooit daar over,dat gij Jefus Christus ten Koning verkoozenhebt, en met Hem in het verbond zijt gekoomen.Hier ligt, ten midden van al uwedroefheids ftof, dc ftof van uwe blijdfchap.Dat Sions kinderen zich verheugen over hunnenKoning ! Immers , ziet gij terug , opuwen voorigen ftaat; gij waart de gevangenenvan eenen tijran , en dienstbaar in eeneflaavernij, zoo vuil en verachtelijk, als hard.Ziet gij , wat aan u gedaan is ; gij zijt verlost, en wel door het dierbaar bloed vanuwen Koning zeiven ! Ziet gij op den ftaat,waar in gij thands zijt; overgezet zijnde inhet Koningrijk van den Zoon van Gods liefde,zijt gij bekwaam gemaakt, om deel te hebbenin de erve der heiligen in het licht. Ziet gijop het geen gij te wachten hebt; genade inden tijd, en heerlijkheid in de eeuwigheid , isuw verzekerd deel. Laat de weereld zich ver-. blijden , of over een nietig ding , of over hetgeen waarlijk de billijke ftof van haar geweenmoest weezen in den tijd, en zulks zeker zalzijn in de eeuwigheid ; verblijdt en beroemtgij u, met het ganfche zaad van Israël, inuwen Koning, in den Jehovah.1'. LAAT


2 SAMUELS V. vs. i—5. 173% LAAT mij, ten VIERDEN, nog opmerken: „ David, die dertig jaaren oud was toen vids Te­Te meet,'daar Da­„ hij Koning werd , regeerde veertig jaar". genbeeldeen eeuwigKe­Zeker een vrij lange tijd; doch ras verloopen.•— Maar heffen wij oog en hart op tot Sions ning is.Koning. Eenmaal geftorven zijnde , om zichzijn Koningrijk te verwerven , leeft Hij in eeuwigheid.— Groot zijn veelal de veranderingen, welken bij den dood van een' aardschMonarch gebeuren. Meenigwerf zag men dengunstling des overleeden Konings, eenen verftootelingbij den opvolgenden Koning ; menzag ambtenaaren afgezet, en anderen aangefteld;en meenig Rijk , uit den gelukkigftenftaat, in den rampfpoedigften nedergeftort. •—>Maar uw Koning, o Christen, is Koning overJakobs huis, in eeuwigheid. Zijn troon — dusmoogt gij zingen — is eeuwiglijk en altoos (h).En daar door is uw ftaat veilig, en uwe verwachtingzeker. — Vijandlijkcn aanval, ja,hebt gij in en van de weereld te wachtenrampen kunnen u treffen , en met veel leedsu zwaar drukken —• maar nimmer zal dedood van uwen verheven Koning, u inrouwgewaad kieeden. — Sterven zult gij,met onzen David ; maar , om door en metden tegenbeeldigen David , eeuwig te leeven,zalig te leeven ! Moet u dit niet troosten ?(h) Psalm XLF: 7,Pt, LAAT


74 XXXVII. LEERREDE.fftj zien ,1. LAAT mij, ten VIJFDEN, nog herinnetierook, j •en , doch flegts met een woord; want reedstint Co lae zijnen voorheen heb ik dit opgemerkt. „ David1trapigei, werd niet dan bij trappen, uit zijne noowijzeredt' , den gered , en tot de heerichappij overen OcA :bijt. , gansch Israël verheven". — Moet dit, o\ >edrukte Christen , u niet tot bemoediging:ijn, wanneer de Heer u langduurig met rampI >p ramp doet worstelen , en gij niet op eennaaivolkomen , maar onder ftrijd, en bijil :rappen , uk nooden gered wordt ? Moet ditJ i tóiët opwekken tot lijdzaamheid 'der heiligen, tot een ftil uitzien naar den Heere , en^eloovig wachten op zijn heil ? Moet het uniet aanmoedigen , om onder beproevingen ,aan roeping cn pligt getrouw te blijven , ente volharden , om den Heere in zijnen 'weggemoedigd te volgen ? Moet het u het hartpiet onderfteunen , om onder aanleiding totmoedloosheid , op den Heere te vertrouwen,u verzekerd houdende, dat Hij op zijnen tijd,hoe Hij het ook maake, het wel maaken zal?Hij, die in weerwil van allen tegenftand, hetvoor David voleindigde , zal het, naar zijnewijsheid, ook voor u voleindigen. Vertrouwdan op Hem ten allen tijd, o gij volk!jKitmfcbentaoft deChristengetrouwzijn aanhet ge-1. „HEBT gij — laat mij dit ten ZESDENnog herinneren •— „ het verbond met DavidsHeer gemaakt; het is betaamelijk., en zeer„ van uw belang, dat gij, fchoon in ftrijd, u„ naar den aart van dat verbond gedraagt"- —Ge-


2 SAMUELS V. vs. 1—5. 175Gelooft, geloovig volk, dat uw Koning zijns' naakt'erèond,verbonds gedenkt, tot in eeuwigheid. Groote'én dierbaare beloften , heeft Hij genadiglijkaan zijn volk gedaan. Bewaaring heeft Hij utoegezegd , en beveiliging verzekerd ; en zoozeker, dat gij vastlijk moogt gelooven , datniemand u uit zijne hand rukken , of verdervenzal. — Het kan zijn , dat gij , of eeniggedeelte van Jefus Koningrijk, in zulke benaauwendeomftandigheden koomt, dat gij,door kommer neergedrukt, zeggen zoudt: DeHeer heeft onzer vergeeten; en reden meenente hebben , om ernstig te bidden : Aanfcliowwhet verbond, want de duistere plaat/en des landszijn vol wooningen van geyveld (i) ! Dan gij,bedaard op uwen Koning en zijn verbond lettende, moet, en zult erkennen, dat Hij, zelfsin eene vallei der fchaduwe des doods, bij erf'met u is; dat zijne rechtchand u, daar gij beswijkenzoudt, onderfteunt. En hoe meenigmaalhebt gij , bij de uitkoomst van de kommerlijkfteomftandigheden en hoopeloosfte benaauwingen,reden gevonden , om met blijdfchapte zeggen : De Heer is waarlijk, ooktoen ik zulks niet dacht, gedachtig geweestzijns heiligen verbonds! eeuwig zij zijn naamgeroemd, als waarachtig en getrouw!MAAR het is ook uw pligt, o Christen ,aan uwe verbindtenis in dit verbond, wel tege-CO Psalm LXIJF: ao.'


;edenken. Dagelijks hebt gij verzoekingen totimtrouw, tot afval te verwachten. Wat kantn een hart, door begeerlijkheden ontftooken,\ iloor duisterheid bedwelmd, door ongeloof/erward , niet al oprijzen ! En buiten u,< nnringt u eene weereld , die nu vleit, dan'I Ireigt, en looslijk u poogt te verrasfen, omi i tot trouwloosheid aan den Heere en zijnirerbond te vervoeren. Waak toch , o Chris-;en, over hart en wandel. Gedenk, waar gij1 toe verbonden hebt, eenmaal niet flegts,naar meenigemaalen , en plegtig bij elkeAvondmaal viering. Laat hen , wier harttimmer oprecht met en voor den Heere was,in verzoekende omftandigheden, zoo niet metwoorden , immers met daaden, zeggen : Wijhebben geen deel aan David, en wij hebben geeneerfenis aan den zoon van Ifai; een ijder naarzijne tenten , o Israël (k) ! Blijf gij met eenvoornemen des harten bij den Heere. Zeg,wat u ook ter verleidinge voorkoomt: Ik hebmij aan Koning Jefus verbonden, Hij heeftmijn woord en mijn hart ; en al gave mijiemand al het goed van zijn huis, ik zou, omdeeze liefdebanden, hem ten eenemaal verachten.•— Gedenk des verbonds!


2 SAMUELS V. vs. i—5. 1773, %bt Hem gezegd heeft: Gij zult mijn volk •'s aatiievooleti,„ Israël weiden , en Gij zult een Voorgangerujn hraët„ zijn over Israël". Het ganfche huis Israëls,, 'e weiuen ten wij met het zelve, moeten weeten, dat GodDavids grooten Zoon , den nu verhoogdenMiddelaar , tot eenen Heer en Christus gemaaktheeft (1). Tot, en aangaande Hem, heeft deHeer , door Hem te verhoogen, door de verkondigingvan het heerlijk Evangeiij , doorteekenen en wonderen , en door hartbeheerfchendAlvermogen , gezegd : Gij zult mijnvolk, mijn Israël naar den geest, weiden, enGij zult het tot een' Voorganger zijn. —Welk een grond , o Christen, voor uw geloof! welk een fteun voor uw vertrouwen !Uw Leidsman is onmiddellijk door den hoogenGod aangefteld en uitgeroepen. — Hij zalzijne Kerk , en elk waar lid derzeive , alszijne fchaapen weiden ; hen verzorgende , beftuurende,en beveiligende. De lammeren zalHij in zijne liefdearmen vergaderen, in zijnenfchoot draagen, en de zoogenden zal Hij, metontfermende tederheid , zachtlijk leiden. —•Strijd, ja, heeft elk Christen te wachten, enfomtijds feilen ftrijd; maar neem dit, o vreesachtig Christen , toch ter harte, de Heerheeft tot uwen Koning gezegd : Gij zult tot ei t-neen' Voorganger zijn over mijn volk Israël. ^, 'oorgat!*'r teDus hebt gij Hem gezien , in ftrijd tegen den * fit.aartsvijand, en al zijnen aanhang, bitter lijdenCO Handelingen II: 56.IV. DEEL.Monder-


]78 XXXVII. L E E R R E D E .I ondergaande , en in zvvaaren ftrijd (m).Noords , in het belijden van 's Vaders Naam ;m heiligheid van wandel, cn oefening vanwaare gerechtigheid, van zuivere oprechtheid,van weldaadige barmhartigheid , van werkdaadigeliefde, van bedaarde vrijmoedigheid, vanftillc gelaatenheid , van volkomen zelfs verloochening; en in onverwinnelijke ftandvastigheid, ziet gij Hem ccnen Voorganger, die Utoeroept: Zie naar mij, en doe alzoo.jVien men MAAR is het dan, o Christen, ook uwdes te vol­pliggen beeft.niet, Hem als uwen Herder en Voorgangerte erkennen , en te volgen ? — 1 Laatwccreldlingcn zich leidslieden verkiezen , elknaar zijnen fmaak, cn zich aan een verleidendgeleide overgeeven. Gij weet, deeze voorgangers,en volgelingen beiden, gaan ten verderve.•— Gij hebt deezen David , den eenigenHerder door den Heere verwekt, blijmoedigu verkoozen. Hoor dan ook zijne ftcm,cn volg Hem. Laat u weiden en leiden, daarHij u wijst door zijn Woord, en brengt door,zijn beftuur \ zondigen eigenzin- en wil, ge-,willig verzaakende , cn geloovig u aan zijnezorge toevertrouwende. Welk een troost-,rijke roem, te moogen zeggen: De HEER;is mijn Herder, mij zal niets ontbreekcnl —s,Heeft de Heer van deezen David gezegd : Gijzult een Voorganger zijn over Israël ; eerbiedig(va) Lukas XXII: 44.


1 SAMUELS V." vs. 1—5. J79dig Hem dan als uwen Vorst, gehoorzaam zi;nbevel, onderwerp u aan zijn bcftel, vertrouwu aan zijne zorge , volg Hem daar Hij voor^gaat \ ook fc den ftfijfö Strijd , weet gij ,heeft de Kerk , en elk lid derzeJvc, te wachten.Hoe digter gij u bij uwen Voorgangerhoudt, hoe beftendiger gij op den overftenLeidsman ziet, hoe naauwkcurigcr gij zijnevoetftappen drukt, en zijn voo:beeld volgt;hoe veiliger uw perfoon , hoe gemaklijker uwweg, hoe zekercr de overwinning is. — Volgdan het Lam, waar het ook hcenen gaat.h. LAAT mij, EINDELIJK, nog dit op^ Daar HijMSmerken: „ Israëls ftammen, tot David te Hc- geheei,te„ bron koomende, zeiden : Zie wij , uw ge- :H ons„ beente en uw vleesch zijn wij". Dit ook 'jJeescb is}moogen wij van den tcgcnbccldigcn David ,ten aanzien van zijne Menschlijke Natuur,zeggen; daar Hij, geworden uit eene vrouw,ons vleesch en bloed is deelachtig geworden.Welk eene Verborgenheid der godzaligheid !Welk eene genade van onzen Heere JefusChristus ! Welk een voorrecht , voor armezondaaren ! •— Maar dan ook , welk eenefnoode ondankbaarheid , welk eene godloosheid, wanneer men Hem , daar Hij tot zondaarenkoomt, en zegt: Ziet Ik, uw gebeenteen uw vleesch ben Ik — verwerpt ! dooronkunde, door ongeloof, door onverfchilhghcid, door liefde tot de zonde , verwerpt! Hoe zullen wij ontvlieden , indienM %Wg


moet dit MAAR wat heeft het voor u, die Jefus totden Christenop-uwen Koning verkiest, niet in zich , te kunnenzeggen : Zie wij, uw gebeente en uwwekken,om aan vleesch zijn wij ! Moet zulk eene bloedverwandfchapniet groot zijn in uwe oogen,zulk eenebetrek-enting te be­ftoffe weezen van heiligen roem ? Moet ookantwoor­den;tn zichniet dezelve,tetroosten.tgo XXXVII. L E E R R E D E .wij op zoo groot eene zaligheid geen achtgeeven 1dit uw hart niet in liefde tot Hem doen blaaken? Moet dit uwe genegenheid niet naauwaan Hem verbinden ? Moet dit u niet verpligten,om u volkomen aan Hem overtegeeven, zijn belang ftandvastig aantekleeven,voor zijne eer tc waakcn , in geloovige gemeenfchapmet Hem te leeven , en naar zijneonmiddellijke gemeenfchap tc verlangen ? —Maar moet dit u ook niet een bron weezenvan blijden troost ? Ook de tegenbeeldigeDavid zegt tot u : Zie , Ik , uw gebeente enuw vleesch ben Ik. Weet Hij dan niet, watmaakfel gij zijt ? is Hij dan niet gedachtig datgij ftof zijt? Zal Hij dan geen medelijdenhebben met uwe zwakheid ? Moet gij dan,in verzoekingen , niet geloovig denken : MijnKoning is in alle dingen verzocht geweest,gelijk wij, doch zonder zonde? Moet gij dan,in aile jammeren van dit leven , in het vooruitgezichtvan dood en graf, niet zeggen : Ikweet dat mijn Goël leeft, en Hij zal de laatfteover het ftof opftaan ; en als zij na mijnehuid dit doorknaagd zullen hebben , zal ik uitmijn


2 SAMUELS V. vs. i—5. igimijn vleesch God aanfchouwen, Denwelkenik voor mij aanfchouwen zal, en mijne oogenzien zullen. Dan zal mijn vernederd lig.chaam, aan het verheerlijkt ligchaam mijnesKonings gelijkvormig gemaakt worden ! —Dan zeker, zult gij tot zijnen Troon — nietin een aardsch Hebron, maar in den hemel— naderende , zeggen moogen : Zie wij, uwgebeente cn uw vleesch zijn wij! Amen.'s Avonds, in de Zuider Kerk,den 24 van Louwmaand,1773.M 3 XXXVIII,


182 XXXVIII. L E E R R E D E ,XXXVIIL L E E R R E D E,2 SAMUELS V. vs. 6—16.6. Ende de Koningh toogh met fijne mannennae Jcrufahm, tegen de Jthvfiten , die in datlam woonden : Ende fy fpraken tot David , feggende; Gy en fult hier niet inkomen , maer deblinde ende kreupele falen u afdrijven, dat is tefeggen ; David en fal hier niet inkomen.7. Maer David nam de burgt Zlon in, defelveis de Jladt Davids.8. Want David feyde ten felven dage; Al wiede Jebufiten Jlaet , ende geraeckt aen die water,gote, ende die kreupele, ende die blinde, die vanDavids ziele gehaat zijn , [die fal tot eenHooit, ende tot een Overfte zijn:] Dacromjfeyt men ; Een blinde ende kreupele en fal in 't'huys niet komen.9. Alfa woonde David in de burgt , endenoemde die,Davids Jladt: Ende David bouwderontom van Miïlo af, ende binnenwaert.10. David nu gingh geducriglick voort, ende


i SAMUELS V. vs. 6—16.12. Ende David merckte , dat de HEEREhem tot eenen Koningh over Israël bevestigthadde : ende éft hy fijn Koninckrijck verhevenhadde, om fijns volcks Israëls wille.13. Ende David nam meer by wijven , endewijven van Jerufalem , na dat hy van Hebrongekomen was : Ende David werden meer fonenende dochteren geboren.14. Ende dit zijn de namen der gener, diehem te Jerufalem geboren zijn : Sammua , endeSobab, ende Nathan, ende Salomo:15. Ende Ibchar, ende Elifchua, ende Nepheg>ende Japhia:16. Ende Elifchama, ende Eljada, ende Eli*phelet.SAUL,vanhoezeer hij ook zijn geweten ver­Gelijkkrachtte, en poogde, Samuels verklaaring, Saul zelfbad vi r-'s Heeren wege aan en aangaande David i/aatd,gedaan, leugenachtig te maaken , moest ecL lat Davidter, zijnes ondanks, belijden , en zulks aanDavid zei ven : En nu,zie , ik weet dat gijvoorzeker Koning worden zult, en dat IsraëlsKoningrijkin uwe hand bejlaan zal (a).Sauls herhaalde vervolgingen, en Davids veelvuldigerampfpoeden, gaven intusfehen weiniguitzicht, op de vervulling van zulk eene ver°klaaring.(a) 1 Samuels XXIT: ix.M 4Dan, daar JEHOVAH zelf dit gezegdbem zou>p volgen;


*?. DAiSAXXXVIII. L E E R R E D E .Zoo zien zegd had, kon de vervulling niet faalen. Wijwit bem ,zien bij de uitkoomst, Saul fneuvelt in deneerst opden troon ftrijd; en David ontkoomt ontelbaare gevaaren.De troon is ledig ; en David wordt ervan Juda,vervolgend*op op geplaatst — eerst op dien van Juda , endien van na ruim zeven jaaren, op dien van gansch Israël.David is nu , gelijk Saul gezegd haddegarseb Israël,geplaatst, dat gebeuren zou , Koning. — Thands moetenwij zien , dat, en hoe , het ander deelvan Sauls verklaaring aan vanglij k vervuldwordt ; t. w., dat het Koningrijk van Israëlin Davids hand beftaan zoude. Het voorgeleezengedeelte toch van het heilig Gefchied-tm bevestigdverhaal, geeft ons bericht, dat David , nuKoning over het ganfche Rijk geworden, Jerufalem, en den burg Sion , den Jcbufijtenontweldigt; — aldaar zijne wooning neemt,en zijne hofhouding plaatst; — dat hij, door's Heeren zegen, gelukkig voordgaat; — methulp van den Koning van Tyrus, zich aldaareen paleis bouwt; — en zelf bemerkt, datde Heer hem als Koning bevestigt, Israël tengoede. — Eindelijk moeten wij het oog flaan,op eenigen van zijne huislijke omftandigheden.^ Eene ftoffe, die, ja, krijgskundige, ftaatkundige, en huislijke zaaken behelst ; maareen beloop van zaaken ook, waar in wij nietweinig onderwijs, ons allen tot veelerlei nutsontdekken zullen.A, WIJ zien hier,


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 185De Jebu*K. DAVIDS eerfte onderneeming, na dat hijlijtentot Koning over het ganfche Rijk gezalfd was,ter bemagtiging van den burg Sion. Dees wasals nog in het bezit der Jebuiijten. — Het isnoodig, dat wij met een woord van dit volkfpreeken. Zij ftamden af van Kanaan , eenzoon van Cham (b). Kanaüns derde zoonwas Jebus ; naar wien dit volk 'Jebufijtenwordt genoemd (e). Zij waren derhalven afgodifcheKanaanijten. — Hunne woonplaats haddenzij op het gebergte van Juda (d). Hunnehoofdftad aldaar , was Jebus, Jerufalem; (deezeis) wijleer dus genoemd, naar hunnen ftam- voonende1n 'Jebus,vader Jebus (e). — Dit volk werd, fchoon vanGod verbannen, door de lafhartigheid der Benjaminijten,wien deeze ftad ten deele was gevallen, niet uit dezelve verdreeven; des deezen,nevens eenigen uit Juda, met de Jebufijtenaldaar te faarnen woonden — t. w., in dcbenedenftad (f) , want de bovenftad , gelijkwij ftraks zullen zien, was geheellijk in demagt der Jebufijten.DIT Jebus werd in Abrahams tijd Salem,« 'ii/eerutem,d. i., eene plaats van rust en vrede, genoemd; ^en laater , draagt het beftendig den naam Jerujalem, d. i., eene bezitting of erfenis, volgends(b) Gent fis X: 10, 16. (O Gene fis X: 16.Cd) Numeri XIII: 29. CO Jofua XVIII: 28;jLkbt«ren XIX: 10. CO Jofuu XV: 63; RichtedenI: aj.M 5


t86 XXXVIII. L E E R R E D E.gends anderen , een gezichte , des vredes. —•naderbandJe­Dat Jerufalem dezelfde plaats met Salem geweestis, wordt, fchoon fommigen anders gedachthebben, met reden geloofd (g). — Ofrufalemgenoemd,de naam Jerufalem reeds vóór Davids tijd ,dan eerst in zijnen tijd, of wel onder Salomo,na de volbouwing des Tempels , aan deezeplaats gegeeven • zij , ftaat ons thands niet teonderzoeken (h). Noodigcr is het, ons teherinneren , dat deeze ftad van groote aangelegenheidwas , zoo wegens haare ligging, alswegens haare fterkte. Haare ligging was in 'thart van het land , op de grenzen van Judaen Benjamin, wordende meer of min omringdvan alle dc andere ftammen ; veel gefchikterwas zij daar door tot eene hof- en hoofdftadvan het geheele Rijk , dan Hebron. Dat heteene fterke ftad was , blijkt daar uit, dat dekinderen van Juda haare inwooners , de Jebufijten,niet konden verdrijven (i). Het is zoo*al vroeg beoorloogde Juda deeze ftad, nam zein , floeg de ingezetenen , en frak dc ftad inbrand (k) ; dan het is blijkbaar, dat dit zietop de bencdenftad, terwijl de bovenftad ih demagt der Jebufijten , tot op deezen tijd, gebleevenwas. Het was vandaar , dat de benedenftaddoor Israëliërs uit Juda en Benjamin,(g) Vide J. PI. HsiDfcGGERi Hist. Patriarch.Tom. //. Exercit. 11. %. 20.(h) Vide RELANÜ, Palest. Illust. p. 834,.CO J°f ua 6 3- C k ; Richt eren /• êi


2 SAMUELS V. vs. 6*-—16.~ 187min, en Jebufijten beide, bewoond werd (]).. bands '— Zorgelijk, in tusfchen , was het bezit der;wg in &ut bezitbovenftad door dit zoo ftrijdbaar volk , voorIsraël, en voor Davids regeering. Des hij,nu Koning over het ganfche Rijk zijnde, metzijne mannen tegen de Jebufijten, die in datland woonden, optrekt, en wel, om den burgSion te veroveren.KORTLIJ.K moeten wij dien befchouwen. t ah den— Sion was een voornaam gebergte , zeer' urg Sion,vermaard in de heilige Schriften t Wegensdeszelfs droogheid cn dorheid — welke denaam ook aanduidt — was het ongefchikt totden akkerbouw , maar te bekwaamer van liggingvoor den vestingbouw; waarom dc Jebufijten, al van vroege tijden , aldaar eenenburg, of weerbaare fterkte, en om denzclvcneene ftad , gebouwd hadden. — Naar de ge.legenhcid en ligging van deezen berg, cn vande fterkte aldaar, ten opzichte van de ftadJerufalem, onderzoek tc doen, zal in 'het vervolgbeter , dan thands , te -ftadc koomen.Hier moeten wij flegts onder het oog houden, dat de vesting op dien berg aangelegd,zeer fterk zijnde, onwinbaar werd gcichat, cngefchikt, daar door , om de ganfche ftad tebefchermen,WA S dit Sion , en dc burg aldaar , ver-w< rdenjnaard ; van nu af werden beide hooe %e. att laaro va * Da-CO » * XV; 63.'r Ü C m d


188 XXXVIII. L E E R R E D E .vid beoor­roemdloogd. door Davids overwinning, en het gebruikdat hij van dezelve maakte. David,nu Koning over gansch Israël, onderneemt deverovering van deeze vesting. De aanleidingwelke hij daar toe had , was niet alleen , dereeds gemelde aangelegenheid van deeze plaats;•— het gevaar van zjjn Rijk, wegens zulk een'verfchansten vijand in 't hart van het land;— en de gefchiktheid der ftad cn vesting, omdaar den rijkszetel te plaatfen: maar ook, dath'rj thands, bij gelegenheid van zijne krooning,zulk een groot heir bij zich , en tot zijnendienst had (m). David was zoo dwaas niet,dat hij nu zijnen tijd verfleet, met deezehonderdduizenden te vergasten , en zich inzijne verkreegen grootheid te vermaaken. Hijneemt deeze gelegenheid waar , om ze tengoede van zijn vaderland te gebruiken, enhet begin van deeze zijne regeering voor zichroemruchtig, en voor de naatfij gelukkig tedoen zijn.Wien 8i DAN wat bejegent David bij de Jebufijten?fmaadlii * Tegenftand had hij zeker te wachten ; maarbejegemen; waarfchijnelijk dacht hij niet, dat men hemop zulk eene wijze befpotten en verguizenzou , als gebeurde.Zij , de Jebufijten , misfchienzelfs die in de benedenftad, immers diein de bovenftad en den burg woonden , fprakentot David, van den muur, zeggende; „ Gij„ zult(va) i Kronijken XII: 23—40.


i SAMUELS V. vs. '6—16".ï8oj, zult hier niet inkoomen , maar de blinden zeggendet en„ de kreupelen zullen u afdrijven". Dat is te De Mnlenenzeggen: David zal hier niet inkoomen. — Eene kreupelentaal, welke David noopte , om tot zijn volk iuUcn uifdrijtezeggen : „ Al me de Jebufijten Jlaat , en >en.„ geraakt aan die watergoote , en die kreupelen„ en die blinden , die van Davids ziel gehaat„ zijn, [die zal tot een Hoofd en m een Over-„Jle zijn".] ' Daarom zegt men: Een blinde enkreupele zal in het huis niet koomen. Veele,en zeer verfchillende, zijn de vertaalingen enverklaaringen deezer woorden, bij derzeJverUitleggers te vinden. Men vraagt: Welkenmoet men hier door de blinden en kreupelenverftaan , waar van de Jebufijten fpreeken ?Sommigen onder de Joodfche Schriftverklaar-- ders, hebben gemeend, dat het twee beeldenwaren, het een van den blinden Ifaak, hetander van den kreupelen Jakob, in , of opwelken, de woorden van den eed , door dieAartsvaders aan Abimelech gedaan , gefchreevenwaren. Beuzelaarij! — Onder de ChristenUitleggers zijn er, die meenen, dat de Jebufijtendaar door hunne afgoden verftaan ,en zeggen willen : „ Gij , David , met de'uwen , houdt en fmaadt onze goden , als warenzij kreupel en blind, en magtloos om ons; te befchermen; maar het tegendeel zult gij ervaaren,zij zullen u afdraven"., Men meent,dat deeze opvatting zeer wel ftrookt, met hetvertrouwen, dat de Heidenen, ook in belegerdefteden , op hunne afgodsn plagten te ftcklen


i 9o XXXVIII. L I E R R E D E .len ; als ook met alle de volgende gezegdenvan David. . Dan fehoon een aantal Uitleggersdeeze gedachten omhelzen , worden echter, met reden , zulke bedenkingen cn zwaarhedendaar tegen ingebragt, welken dezelvenmin aanneemelijk maaken (n). — Nogziiner , die mecnen , dat de Jebufijten , omDavid te doen begrijpen, hoe weinig zij voorziine ondernecming bevreesd waren , hem tenfpot,eenige blinde en kreupele , en ter verdeedigingonbekwaame perfoonen , op denmuur'ftelden , cn hem , ter verguizing , :toeriepen: Val, zoo gij lust hebt, op onze vestingaan, deeze blinden en kreupelen zullen uafdrijven cn verjaagen (o).Maar kan menzich verbeelden, dat de ftrijdbaare Jebufijten,-in zoo ernstig ccn zaak,zich tot zulk eene'laage fpotternij zouden vernederd hebben ? — •Zou het niet ccnvouwdiger, met alle de omftandigheden, cn met Davids volgende gezegdden meest voegende weezen , dat men deeze ^taal der jebufijten, als eene zinfpreuk, als een'fpreekwoord opvattcde? wanneer dc zin deezezou zijn : „ Wat onderwindt gij u, o David?., meent gij waarlijk deeze vesting, welke zoo'\ mecnig een' aanval van uwe landgcnootem„ heeft(n) L. F. WET SE', de Coecis et Claudh Jebu*-faeorum , in Thefarr. Novo. TH. HASAEI & CVKKNII, /'. 66t, 662.(o)/>, 370. iJosEPii. Antlq. Jud. Lib. Pil. Cap. UI.


2 SAMUELS V. vs. 6*—16. ÏÖT„ heeft verduurd , te zullen -bemagtigcn ?„ Weet, dat deeze burg, door zijne ligging„ en fterkte zoo onwinbaar is , dat wij noch„ noodig hebben uitvallen te doen ,. noch„ magt van volk behoeven , om de muuren„. te bezetten en te verdeedigen ; al waren er„ niet dan blinden en kreupelen , vermink-„ ten , afgeleefden , en onmagtigen op onze, ymuuren, zoudt gij toch genoodzaakt wor-„ den , om met fchande den aftogt te blaa-„ zen". Met één woord, zij zeggen er mede:David zal hier niet inkoomen. — Ziet daar detaal van verwaanden hoogmoed, van trotfchevcrmeetelheid!WA T nu , David ? Zal op zoo ftout eene Waar tptaal hem hart en moed ontzinken? Verre van David'aat uit*rdaar! Zijn ernst en ijver worden te fterker o?pen jontftooken. Hij doet in zijn heir , ter aanmoedigingvan zijn volk , uitroepen , dat al.wie het ook weezen mogt, die de JebufijtenJlaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelenen blinden, welken van Davids ziel gehaatzijn , [die zal tot een hoofd en tot een overftezijn.~] Deeze laatfte woorden, zien wij, zijnhier ingevoegd. Zonder dezelven, geeven devoorgaande geenen volzin. Mcermaalen vindtmen zulk eene afgebrooken manier van fpreeken, waar bij het geen natuurlijk volgenmoest, verzweegen wordt. Dus, b. v., leezenwij, dat Laban tot Jakob zegt: Zoo ik. nugenade gevonden heb in uwe oogen; ik hebbe•waar*


19a XXXVIÏÏ. L E E R R E D E .waargenoomen, dat de HEER mij om uwenwilgezegend heeft (p). Elk begrijpt, dat ophet eerfte lid van Labans woorden moest volgen: Zoo blijf bij mij, of iet diergelijks.Dus zegt Jabez tot den Heere: Indien Gij mijrijklijk zegenen , en mijne landpaale vermeerderenzult, en uwe hand met mij zijn zal, en methet kwaade [A/ZOO] maaken , dat het mij metfmerte (q) — Wat dan? Dit wordt verzweegen.Er moest volgen : Zoo zult Gij mij toteen God zijn ; of: Zoo zal ik U dienen. Dusook hier. — Maar wat moet hier worden ingevuld? Wij leezen dit in 1 Kronijken XI: 6.David zeide: Al die de Jebufijten ten eerften fiaat,zal tot een Hoofd, en tot een Overfie worden.MAAR wat zeggen die woorden: Al wie dedat alnoit de Jebufijten fiaat P Dit is klaar. De zin is :Jebvfijtet ' Wie het ook: zij, die, hunnen burg aanvallende, de eerfte is die hen overwint , cn ver­fiaat,jaagt. — Maar wat zegt David. met deezee» geraaktaa "en nog eenmaal op eene andere plaats (r),woorden: en geraakt aan die watergoote? Hier,die


2 SAMUELS V. \s.-6—i s e -weezen hebbe cp eene watergoot, tot welke mendoorgedrongen zijnde , gerekend kon worden denburg te hebben ingenoomen; en dat de Koning juisCdeeze plaats hebbe aangeweest), omdat die, in hecgezicht zijnde van het volk dat hij bij zich had, menzeker weeren kon, wie den prijs behaald hadde.« IV. DEEL. N


gen afkeer had; maar vooral, dat hij, gevocxlig getroffen door hunne vermeetele fchimptaal,hen als verwaande verfmaaders van Israëlsheir, en verguizers van zijne koninglijkewaardigheid en dapperheid , niet dulden kon,maar haatte ; waarom hij ook , hunne eigenwoorden gebruikende , hen die blinden enof die Bavidsziel woorden , ten aanzien van de Jebufijten inkreupelen noemt. Dan , vertaalt men deezebaaien,een' werkelijken, en ten aanzien van Davidin eenen lijdelijken zin, dus: die Davids ziel,zijn leven, zijn' perfoon, haaten; dan brengtDavid daar mede aan zijn volk onder hetoog , dat deeze Jebufijten hem , hunnen Koning, niet alleen ongezind waren , maar vijandlijkhaatten, uit haat hem verguisd en befpothadden , en hem , ware het hun moogelijk,verdelgen zouden. — Verklaaring en taallat eentl'iofd zou van David, zeer gefchikt, om den vuurigenzi. n. ijver , en onderneemende dapperheid , in deharten van zijn krijgsvolk fterk te doen ontbranden.En behalven dat , het was geenkleine zaak, een Hoofd en Overfte te worden.Geval,waar uiteen/preekwoordmtjlend.mXXXVIII. L E E R R E D E .WAT gevolg had dit? Onder anderen,dat men — dus leezen wij — daarom zegt:Een blinde en kreupele zal in het huis met koeftm.— Verfcheiden zijn de gedachten derUitleggeren over deeze woorden. Laat mijdit weinige flegts melden. Er is , die meent ,dat David, ter gedachtenis van dit merkwaardiggeval, bij eeno keure zou vastgefteld hebbe n>


2 SAMUELS V. vs. 6—IQ". 195ben , dat van den tijd , dat hij op Sion zijnverblijf genoomen had, geen blinde of kreupeledaar mogt inkoomen , waar van hij echternaderhand eene uitzondering, ten aanzienvan Mefibofeth , zou gemaakt hebben. Dan.wij vinden hier van nergens blijk ; en de bewoordingeischt zulk eene opvatting niet. —•Een ander meent, dat hier flegts te kennenwordt gegeeven, dat men deeze woorden, uitaanmerking van het belang der gebeurdnis ,toen en ver volgends dikwijls herhaald hebbe.Dan voldoet dit wel ? —• Waarom zou mendit gezegde niet moogen aanzien als eenfprcekwoord , waar van men zich bediende ,wanneer men iemand , die ligtvaardig overzaaken van gewigt — ftout over zorgelijkeonderneemingen — en hoogmoedig van eigendapperheid fprak , wilde befchaamen , en hemzijne verontwaardiging toonen , door hem ditgezeg toetevoegen : Een blinde en kreupele zalin het huis niet koomen; als wilde men zeggen:Ik ftoor mij aan uw grootfpreeken niet; hetzal u gaan , gelijk het den Jebufijten ging ,wien het ftoute zeggen tot David : Gij zulthier niet inkoomen, maar de blinden en kreupelenzullen u afdrijven, zoo deerlijk bekwam ?• INTUSSCHEN zien wij, in de belofte, Schranderbeleidwelke David den eerften overwinnaar van denvan David.burg Sion deed, een' fterken prikkel voor denmoed en de dapperheid van den naar bevoorderinghaakenden krijgsman gegeeven , en inLvü N 2 het


0 XXXVIII. L E E R R E D E .net doen van dec?e belofte , een' trek vanDavids fchrander beleid. — Maar hoe kon deKoning zulk eene belofte : die zal tut eenHeofd en Overfte zijn , toch doen ? Joab wasimmers zijn Krijgsoverftc , en hoofd dus vanhet krijgsvolk ? Of zou David zulk eene beloftegedaan hebben , op hoope dat hij zichvan Joab, wiens ftoutheid hem reeds verveelde, dus welvocgclijk zou kunnen ontflaan,door een' 'anderen hem boven 't hoofd te ftelle'ri? Indien David dit beoogde , dan heeftde uitkooinst aan zijn oogmerk niet beantwoord.'Maar zal het met de gelegenheid derzaaken niet beter inftemmen , dat wij er dusover denken: David belooft den overwinnaar,wie het ook wcezen mogt, verhooging totden rang van Overften; maar daar door, zoode overwinnaar reeds een Ovciftc was , ookverhooging van rang , en wel , dien van Opperveldheer? Joab was Krijgsoverftc vanDavid , Koning zijnde alleen over J udaThands was hij Konins os-er alle de twaalfftammen ; wie zal nu Hoofd en Krijgsovcrftevan geheel de naatfij zijnV Hier diende Davideene befchikking te maaken , welke algemeentot aenoeren kon ftrekken. Geen beter raad,dan dien rang te bclooven aan hem, diethands , voor aller oog , den roem van degrootfte krijgskunde en dappei heid zou behaalenDien behaalt Joab ; des werd deeze —gelijk de Schrijver van hè* Eerfte Boek derKronijken meldt * toen ?pi an IJoofd en


2 SAMUELS V. vs. 6—16". . 197Overften (v) ; te wecten, over al het. krijgsvolkvan de ganfche naatfij. — Ziet daarwederom een' trek van Davids fchrander envoorzichtig beleid.j0 A B— volgends het bericht van Atnjo^JeSchrijver der Kronijken — beklom allereerst e^ eb e. aden burg Sion. Dus nam David dien- in , cn kiimmenwoondevan toen af op dien burg ; waarom de >dezelve vervolgends de fiad Davids werd genoemd(w). — Wat does overwinnaar- metde bezetting en inwooners gedaan hebbe , leezenwij niet. Schoon het wel tc denken is ", reett dedat gehoond en getergd krijgsvolk , en aange- \\ h e^ nvoerd door den ftoutcn Joab, bij het vcrovc- bcduit.ren van den burg , zich met het zwaard zullengewrooken hebben , blijkt nogthans vanachteren, dat zij de jebufijten niet ten cencmaalhebben uitgeroeid. Men vindt, in hetvervolg van Davids leven , den JebufijterAravna nog woonen in Jerufalem (x). Enonder Salomons regeering, vindt men nog eenoverblijf fel van dat volk vermeld (z) ; ookzelfs nog , na de wederkeering uit Babel, bijEzra (a). Geleerde mannen willen , dat hunnaam nog bewaard is geblcevcn, in het eilandEbufus , thands genoemd Ivika (b) , gelegenin -(v} 1 Kronijken XI: 6. Cw) X Kronijken XI: 6. 7.(x) 2 Samuels XXIV: 16. (z) I koningen IX: 20.(a) Ezra IX: ï,Cb) B-OCIIART Pbaleg. Lib. IV. Cap. XXXVI.N 3' Col.r


ijg XXXVIII. L E E R R E D E .in de Middellandfche Zee , nabij de Spaanfchekust.Gebeurd- DEEZE gelukkige gebeurdnis was waarlijk"rootT v a n v e e l aangelegenheid , en tot een' grootenJangele- zegen. Ik ftaa niet ftil, bij dc bevoorderinggebeid,w c l k eJ 0ab bekwam. Ware hij beter mangeweest, hij en zijne verheffing zouden meeraanmerking verdienen. Nu merken wij flegtsaan , dat een ondeugend mensch groote begaafdhedenkan bezitten, cn door het beftuurder Voorzienigheid, tot hoogen rang gcraaken.Dus, ja, wordt hij grootcr; maar wordtveerhet hij daar door beter, cn gelukkiger? — Vanvader- groot belang was deeze gebeurdnis voor ganschW' het vaderland. Dit werd van eenen zorgelijkenvijand verlost, en deszelfs voornaam itefterkte , ten zetel van Israëls Rijk gemaakt.Het is opmerkelijk , dat de Heer , in het optellender volken , welker land Hij aan Abrahamszaad ten erfdeel zou geeven, de Jebufijtenin de laatfte plaats vermeldt (c). Thandsworden deezen, die langst zich in hunne bezittingverfchanst en verdeedigd hadden , ookte onder gebragt. Gods beloften krijgen , alis het na lang tijdverloop, toch haare vervulrling. •— Van groote aangelegenheid was deezeDaviJ. gebeurdnis ook voor David. Dus werd zijne•V ' X • i ' -eerfteCol. 504. — BUSCHUNG'S Nieuwe Geographie,11. Deel, I31z. 217. 00 Gene/if XV: ai, .


| SAMUELS V. vs. 6—16. 199«erfte onderneeming als Koning van ganschIsraël,'" luisterrijk bekroond ,zijn troon hierdoor bevestigd , zijne achting vermeerderd ,en hem grond gegeeven,om verder te hoopenop 's Heeren heil.2. WAT nu? David verplaatst zijne hof- Die nu {nhouding, van Hebron naar Jerufalem, op den ^'J^epburgSion. — Welk eene verandering voor ningDavid! Voorheen, niet veilig in zijn eigenP' aatsf *-huis, moest hij zich verfchuilen in woudenen fpelonken. Groot was het hem , datAchis, der Filistijnen Koning, hem eenefchuilplaats te Ziklag gaf. Onvergelijkelijkgrooter was het hem , dat hij Koning werdover Juda , en zijn verblijf te Hebron had.Maar thands, Koning over gafisch Israël, plaatst •hij zijnen rijkszetel, in den zetel van Israëls verouderdevijanden.In dezelfde plaats , waarde befpieders van Israëls Staat, de belaagersvandeszelfs veiligheid, hun verblijf hadden,plaatst hij de vergadering van Israëls Oudften,de ftoclen van het hoog gericht.En eerlangwordt de berg, daar den ftommen afgod oflelandenwerden toegebragt, ten berg gewijdvanMetIsraëls God , den Heere der heirfchaaren.reden noemde David deezen burg , DavidsStad. •— Dan , om voordaan veilig en en dienwelvoegelijk daar te woonen , bouwde hijrondom , van Millo af, en binnenwaarts.Wat bouwde David ? In het Eerfte Boekder Kronijken kezen wij , dat hij de JladN 4 bouw-veK> te,kt '.


200 XXXVIIT. L E E R R E D E .bouwde (d) ; t. w. , dat gedeelte van Jerufalem, dat Davids Stad genoemd ' werd. Deoude gebouwen-afbreekende cn verbouwende,ftichtte hij daar zijn paleis , en een aantal gefchiktewooningen ; waar door het binnenftevan dien burg een gansch ander aanzien kreeg.Van MUI» —• Dit deed hij rondom van Millo af. Wataf, enrondom was dit Millo ? Uit het geen wij er in debouwet.- heilige Schriften van leezen , blijkt, tlat mende.het niet moet zoeken — gelijk fommigen gewildhebben — beneden den berg Sion , aande noordzijde , in de vallei, welke aldaar denberg Sion van de bcned..nftad affcheidde. Dantoch kon er niet.' gezegd worden , dat Davidde ftad, naamlijk die eigenlijk genoemd wordtde Stad Davids, rondom bouwde van Mille af.Zeker is het, dat het op den berg Sion, binnenden burg, gelegen was. Maar wat washet dan ? Onze Overzetters hebben dit woord,als een' eigen naam , onvertaald gelaaten.De LXX., die voor Millo MeAÏo gebruikende,hét doorgaands ook als een' eigen naam behouden, verraaien het hier door


g SAMUELS V. vs. 6—i


en werdgrottt i102 XXXVIII. L E E R R E D E .nooden ; in het maaken van goede fchikkirigen,op het krijgswezen, op de bediening vanhet recht, cn dc verzekering van onderlingerust en vrede. •— Hij ging geduuriglijk voord,in het behartigen van den Godsdienst, en vande beoefening van 's Heeren Woord en Wet,door den dienst van Mofes en andere Godsmannen, aan Israël en hem gegeeven. — Hijging geduuriglijk voord , in het voeren van's Heeren oorlogen. Hij vcrfaamelde krijgsbenden, oefende die in de wapenen , bragt cnhield die in orde ; herwon Israëls vervreemdeHeden en landen , uit der vreemden magt;maakte vijandige nabuuren tot zijne overwonnelingen, cn anderen tot zijne begunstigdebondgenooten. —• Daar door werd Davidgroot. Groot in magt, die geducht werd ;groot in rijkdom, die verbaazcud aanwies ;groot in aanzien, dat geëerbiedigd werd; grootin roem , die alom vermaard werd ; groot inheerfchappij, die wijd uitgebreid werd.Om dat di VAN waar verkreeg David zulk eene grootheid? Door de fchranderheid van zijn ver-/Jeer methem was.ftand ? door de dapperheid van zijnen moed,door de vastheid van zijnen gecsc ? door dewerkzaamheid van zijnen aart? door de liefdezijner onderdaanen ? door de getrouwheid vanzijne ambtenaaren , van zijne krijgshoofden,cn legers? Ja; deeze dingen bragten elk, enalle te faamen, het hunne toe. — Maar zagmen niet mcenigemaalen , dat Vor-sjt en volk ?i '*met


2 SAMUELS V. vs. 6—16. i6§met dit alles , vernederd werden ? En wanneerdeeze dingen faamcnloopen ; van wienzijn ze V En wanneer zij hunne geregeldewerking ten goede doen ; van waar koomtzulks ? van het fortuin ? Wat is dat ? -—van een zoogenoemd noodlot? Waar huisvestdat ? — van eene uitkoomst, zonder eenewijs en magtig werkende oorzaak ? Welkeene dwaasheid ! Laat een blinde weereld,door ongeloof verhard, God niet erkennen ;wij gelooven, met den heiligen Schrijver, datde waarc oorzaak van Davids geluk , deezewas: De HEER, de God der hcirfchaaren,was met hem. De God der weetenfehappen,gaf hem wijsheid. Dc God der fterkte, gafhem dapperheid. De God der hcirfchaaren,gaf hem de harten van zijn volk, zijnen bendenmoed en trouw, cn zijnen vijanden fchriken vrcezc. Dc God der hcirfchaaren zegendezijnen uit- en ingang.*1. DAVID, zich nu in Sions burg gevestigdhebbende, cn dien bebouwende, bouwdeook voor zich aldaar een huis. Eene fchoonegelegenheid gaf hem daar toe , dat lliram ,Koning van Tyrus , boden tot hem zond ;ongetwijfeld , om hem met zijne koomst totde regecring over het ganfche Koningrijk vanIsraël, geluktcwcnlchcn, en hem zijne vriendfchapaantcbieden. — Van T v R V S ; van des-Koninzelfsfchoone ligging , fterke muuren , prach­vanTyrus.tige gebouwen, uitgebrciden koophandel, on-mec-Vvrvollendibouwt bijzicb eenbuif, doorhulp vunliti am,


204 XXXVIir. L E E R R E D E .meetelijke rijkdommen , groote kunstcnaaren,dartele weelde , ondraagelijken hoogmoed, cndwaazc afgoderij aldaar ; gelijk/ook, van deszelfsgeduchte lotgevallen — ftaat ons thandsniet te fpreeken. Wij zien in onzen Tekst,dat deeze vermaarde ftad geregeerd werd dooreenen Koning, die genoemd wordt HIRAM.— Wij leezen, dat Koning Hiram Salomo behulpzaamwas, tot het bouwen van den Tempel(i) , gelijk ook van zijn koningïijk paleis(k); als mede, dat deszeifs fchepen, metdie van Salomo, naar Tarfis voeren, cn handeldreeven (1). Men vraagt, of dc KoningHiram , welke hier met David handelde , endie , welke aan Salomo de gemelde dienstendeed, dezelfde perfoon geweest zij , dan eenander ? Er is, die meent, dat het een anderzij geweest. Maar heeft die gedachte genoegzaamengrond ? Men meent ja; naardien menanders den leeftijd van Hiram tot cencn buitengewoonenouderdom moet brengen. Maarheeft ook dit wel grond ? Omtrent drie cn.dertig jaaren heeft David over gansch Israëlgeregeerd. Laat ons ftellen, dat Hiram deezebezending aan David gedaan hebbe, in hettweede jaar van diens regcering ; dan heeftHiram gelijktijdig met David geregeerd , eenen dertig jaaren. Salonjo begon den Tempel(i) i Koningen V. VI. (k) i Koningen IX: x, 10.(1) i Koningen X: 22.te


i SAMUELS V. vs. 6—zó. 205'te bouwen, in het vierde jaar'zijner regeering(m). Twintig jaaren daar na, handeldenSalomo en Hiram met eikanderen , over degefchenken, welken de eerfte aan dén laatftendeed (n). Dit maakt te faamen een getalvan vijf en vijftig jaaren, welken wij kunnenweeten, dat Hiram geregeerd heeft. Stel nu,dat hij , nog jong zijnde , aan de regeeringkwam , en niet lang na de gezegde twintigjaaren geftorven zij ; koomt dan zijn leeftijdwel tot zulk een' hoogen ouderdom , welksgrond geevcn kan om te denken, dat Hiram,hier gemeld , een ander geweest zij , dan dieten tijde van Salomons regeering geleefd heeft ?HET is zoo, bij JOSEFUS vindt men, datHiram, zoon van Abibalus, vier en dertig jaarengeregeerd, en drie en vijftig geleefd zou hebben(o), en dat het vierde jaar van Salomonsregeering, in 't welk hij begon den Tempelte bouwen, het twaalfde jaar van. Hirams regceringzou zijn geweest; waar uit dan zouvolgen , dat Hiram , Salomons vriend , maarvier jaaren in Davids tijd konde geregeerdhebben, en des die Hiram een ander moet geweestzijn, dan deeze, die David deed begroeten.Dan geleerde mannen hebben aangemerkt, dat het bericht, welk Jofefus hiergeeft,Cm) 1 Koningen VI: r. C n ) 1 Koningen IX: 15—14.Co) Contra s/pion. Lib. I. Cap. XV211.


2e6 XXXVHI. L E E R R E D E .geeft, verre is van naauwkeurig te wee»zen (p). — Uitdrukkelijk wordt ons in hetheilig Bijbelwoord gezegd, dat Hiram Salomo,na Davids dood , deed begroeten , dewijl hijDavid altijd bemind hadde (q) ; en dat Salomotot Hiram den Koning van Tyrus zond, zeggende: Gelijk als gij met mijnen vader Davidgedaan hebt , en hebt hem cederen gezonden, omvoor hem een huis te bouwen , om daar in tewoonen, zoo doe ook met mij (r). Hiram, derhalven, die naderhand aan Salomo zooveeldienst cn hulp bewees, is dezelfde, die zulkshier aan David doet.Die Daviddeed hem vricndlijk te begroeten , en zijnen dienstD I E Vorst dan zond boden tot David, ombegroeten.hem aantebieden. — Vreemd zou ons die kunnenvoorkoomen , daar de Tyriers fnoode afgodendienaarswaren. Doch hoezeer hun zoogenoemdeGodsdienst tegen dien van Israëlftreed, het ftaatsbelang deed hen de vriendfchapvan Jsraëls Koningrijk cn Koning waardeeren.En zulks om twee redenen. VoorEERST ; Tyrus behoorde tot Kanaan, en lagfn Afers erfdeel, welke verzuimd had, dit gedeeltete bemagtigen (s). Hiram begreep, datzijn' (p) PRTAVII Doctr. Temp. Lib. IX. Cap. LXIX.Cq) t Koningen Vi x, (r) 2 Kronijken II: 3.(s3 Vergelijk Riebttren I: 31,


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 207zijn belang vorderde , dat hij David , nu Koningover gansch Israël, door vriendfchap aanzich verbond. Liever zag hij de voordbrengfelenvan zijn land naar David zenden , danDavid zijne overwinnende legers naar Tyrusbrengen. Ten TWEEDEN. Tyrus was rijkvan volk en fchatten , maar het land, daaraan onderhoorig , bragt geen koren genoegvoord ; des Tyrus uit het graanrijk land vanIsraël moest gefpijzigd worden (t). Hiramdes , handelt verftandig , met Davids vriendfchapte zoeken; maar dit doet ons ook zien,dat der Vorsten cn grooten vleiende vriendfchap, veelal meer op eigenbelang , dan opwaare hoogachting gegrond is.WAT Hiram door zijne boden nan David En htmbouw/lofdeed zeggen, leezen wij niet; maar wel, dattn 6euv*hij hem cederen hout , timmerlieden , en liedenmetsclaarcn zond. Dit zond hij zekerlijk niet tand;met zijne gemelde gezandten. Hunne koomst£ot David, zal hem gelegenheid hebben gegeeven, om over het bouwen van een huisof paleis te fpreeken ; en dit wederom aanHiram , om bouwftoffen cn bouwlieden aanDavid te zenden. — Maar had David dangeen van beiden in zijn eigen land ? Zekerlijkzulke bouwftoffen niet, als hij tot zijn oogmerknoodig had. Cederen hout, van denLi-' (0 Handelingen Xll: 9o; Ezecbiel XXFIf: 17.


2o8 XXXVm. L E E R R E D E .Libanon , om deszelfs duurzaamheid hoog gefchat,kon niemand, dan Hiram, hem bezorgen, alzoo dat gebergte, immers aan de westenzuidzijde , onder zijne heerfchappij ftond.Zoo hebben, door 'sHeeren wijs beftuur, ondcrfcheidenlanden onderfcheiden voordbrengfels,opdat dc een den anderen gerijvende, devriendlijke gemeenfehap onder menfchen zoubevoorderd worden. — Maar had David zelfgeen bouwlieden ? —• Vrijgeesten , om verfcheidenbijbclverhaalen van geloofwaardigheidte ontzetten, teekenen ons het Joodfche volk200 bijster dom en onbefchaafd , dat het onbekwaamwas, eenig werk van kunst of vernuftte vervaardigen. Zij poogen zulks , onderanderen , uit dit verhaal te bewijzen (u).— Maar, zou het wel doorgaan, dat het eenbewijs van domheid en onbefchaafdheid eenerhedendaagfche naatfij was, wanneer een Vorstkonstenaars , ter vervaardiging van eenig kostelijkbouwftuk, uit andere landen deed koomen? Welk eene dwaasheid ! —- Dan mengedenke hier , dat de Tyriers hun cederenhout beter dan anderen wisten te bewerken;dat Tyrus , in klein beftek, groote rijkdom?men bezittende, allerlei kunsten aldaar buitengemeenbloeiden ; dat Israëls oorlogen — gevoerd, niet door befoldigde benden, maardoorCu) Vojtaire , in de Joodfche Brieven, I Deel,blz. 49.


i SAMUELS V. vs..6—16. 209door de ingezetenen zeiven — gelijk ook derooverijen der Filistijnen, de oefening van, enden lust tot kunstwerken, te bijster geftremdhadden. Het oorlog toch, leert wel dc kunstom tc verwoesten, maar de zoete vrede, omwel te bouwen. Het oorlog fluit de fchoolcnder befchaafde weetenfchappen toe , en misvormthaare leerlingen in zwervende krijgsknechten;maar het is dc vrede, die fchoolenbouwt , leerlingen verfaamelt , en meestersmaakt.D E bouwlieden van Tvrus bouwden David e», , . t een butseen huis , een paleis , dat m ruimte en aanub o a.zien, aan Davids ftaat, cn den grooten omflag noen.van zijne hof houding, beantwoordde. — Wanneerdit gefchied zij , kan niet wel bepaaldworden. Sommigen hebben gedacht, in hetlaatst van Davids regeering ; doch dit is onwaarfchijnelijk.Zeker is het, dat de onderhandelingenmet Hiram , het aanvoeren derbouwftoffen, en het bouwen zelf, al vrij wattijd vereischt diebben. — Wanneer, en hoe , ': lVelk bi iDavid zijn.paleis betrokken hebbe, leezen wi}***/'hier niet. Maar het opfchrift van den XXX. woont.Psalm leert ons, dat David bij die gelegenheideen Zangftuk gemaakt heeft, ter inwijdinge•van zijn huis. Zangftuk, waar in hij 's Heerenverlosüngen, hem beweezen, dankzeggenderkent; Gods wegen, met hem gehouden, cnzijn beftaan in dezelvcn , tot verheffing van's Heeren goedheid, gedenkt; en met ootmoe-IV. DEEL. O digeh e mm


aio XXXVIII. L E E R R E D E .en zijn Ko­;Zoningrijk .hij, dat de Heer zijn Koningrijk verheven hadde;kenbaar gezegend had. — Ook bemerkteverbevend. i., groot, aanzienlijk, luisterrijk , en eerwaardiggemaakt had. Waar door ? Daarbad.door , dat God hem , Koning over Juda zijn-4e , het Koningrijk over alle de .ftammen haddigc bede. om 's Heeren genade fmeckt. Waardigeftof van blij gezang, bij zoo heuglijk eenegelegenheid!Onder desbemerkende,datde lieerhem ahKoningbe ucstigd,H. K E E R E N wij ons - nu nog voor een'oogenblik van Davids huis , tot zijne huisgenooten.— Wat zijn' eigen perfoon aangaat;David merkte, dat de HEER hem tot eenenKoning over Israël bevestigd hadde. Davidwist , dat God hem tot den troon geroepenrad , en dit gaf vhem , nu op denzei venrittende , grond van hoope , dat hij , en zijnSted na hem, dien zouden blijven bezitten.[Iet is zoo, fnoode verraaders ftonden hem tebehagen, cn vijanden geweldigiijk hem aantevaiien, de befeffen ook, van zijn eigen gebrek, zwakheid , en onwaardigheid, kondenhem dikwerf den moed benecmen — dochthands bemerkte hij , dat de Heer hem toteenen Koning over Israël bevestigd hadde. —Waar uit bemerkte David dit ? Daar uit,dat de Heer hem in zoo veele gevaaren behoed,uit zoo hooge nooden gered, dc hartender ganfche naatiij tot hem geneigd, Saulshuis zoo laag vernederd , en al zijn werkook zijne onderneeming tegen de Jebufijten ,ge-


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 211gegeeven; — daar door, dat de Heer hem Sionin bezit gcfchonken , en de Jebuiijten doorzijne hand vcrdreevcn had; — daar door, datonder anderen , de Koning van het rijke Tyrushem erkende, en zijne vriendfchap zocht.David zag, dat de Heer, en zijn Koningrijk,en zijne regeering over dat Rijk, hoog verhevenhad. Godvruchtige oplettendheid op's Heeren wegen , verfaamelt beftuurend envertroostend onderwijs. 1— 1Dan tevens be-c m zijnsmerkte David , dat de Heer dit gedaan, had, 1 olki wiLom zijns volks Israëls wil. Was dit volk danthands in zoo deugdzaam en beminnelijk een'ftaat, dat de Heer, om zulks te beantwoorden,David en zijn Koningrijk zoo hoog verhief? Verre van daar1 Maar God had, aangaandeIsraël, al van oude dagen, groote beloftengedaan. Deezen wilde de Heer vervullen;daar toe had God David verkoozen, daartoe zijnen troon bevestigd, en zijn Koningrijkverheven. —- David, met dit te zeggen, verklaart, zeer wel te befeffen , dat Israël nietwas de voetbank zijner verhooging — nochhet werktuig flegts van zijne grootheid —noch de flaavinne van zijne eerzugt en praal;maar, dat en hij , en de bevestiging van zijnentroon , en dc verheffing van zijn Koningrijk, waren om Israël, om 's Heeren volkswil -— om deszelfs Staat te beveiligen —••deszelfs voorrechten te befchermen — deszelfsvijanden te beoorloogen — deszelfs vredeen welvaart te be voorderen — den waarenO 2Gods.


iiz XXXVIII. L E E R R E D E .Godsdienst te bandhaaven — de kennis van,en vrceze voor God , aantekwecken, en daardoor de leer der beloften , aangaande Abrahamszegenend Zaad , en Israëls tcgenbeeldigenKoning , voordteplanten. — Al wat Davidgroot maakte en heerlijk, was ten beste,ten dienste van Israël.Voords \ W A T aangaat, Davids huis en huisgezin;nam Davidmeerwij leezen, dat David meer bijwijven en wijvenvrouwen. •nam , van Jerufalem, nadat hij van Hebron gezoomen.was. —: Over Davids veelwijverij ,hebben wij voorheen reeds gefprooken. Hoe• gemeen die in het Oosten , vooral bij Konin-• gen en Vorsten was, zij was toch zonde. Ditnader te bewijzen, is nu onze zaak niet. •—•Welk eene verblinding kan.de gewoonte, ook.bij de beste menfchen , vcroorzaaken ! Gewoonte, waarlclnjnclijk gevoed , door hetmeerder getal der vrouwen , boven dat eiermannen ; meerderheid , vooral veroorzaakt,door dc gewoonte in de oorlogen veelal ingebruik , om dc manlijke vijanden door hetzwaard omtebrengen , maar de dochters in 'tleven , cn in eigendom te houden. — Staatkundekan ook, aangaande dit ftuk, vrij watinvloed op David gehad hebben. Door zooveel huuwclijkcn, verbond hij zich aan veele-voornaame geflachten , en maakte de opvolgingop den troon , voor zijn huis te zekerder.—• Welke verfchooningen men voor deezegewoonte der Ouden, ook ten opzichte vanDavid 5


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 213David, mooge inbrengen; zij was zondig, eneen bron van veel kwaads en rampen. WordtDavids godvrucht in het heilig Bijbelwoordzeer gepreezen , het gefchiedt naar waarheid;maar nimmer wordt dit zijn gedrag gepreezen,noch hij als volmaakt geroemd.UIT ZOO veele vrouwen, werden David 1 'it wel-"« bijmeer zoonen en dochter en gebooren. Zij wordenlerfebeieiihinderdus genoemd, en opgeteld: Sammua; Sobab;


2i 4XXXVIII. L E E R R E D E .III. Schoon David ten minftcn agt vrouwenheeft gehad, heeft hij , bij deeze allen, nietmeer dan negentien zoonen , en, zooveel wijweeten, maar ééne dochter, gehad. Dus zietmen, dat bij hem, verkeerde middelen aan hetbedoelde einde niet beantwoord hebben. IV.God , wiens wegen onnafpoorelijk zijn, heeftDavids flegtfte huuwelijk, na zijne bekeering,allermeest begunstigd. Behalven het eerftekind , dat kort na de geboorte overleed, zijnhem uit Bathfcba vier zoonen gebooren (v).Zegt Salomo elders: Ik was mijns vaders zoon,teder , en een eenige voor liet aangezicht mijnermoeder (w); hij zegt er flegts mede, dat zijnemoeder hem met zulk eene onderfcheidendeoplettendheid cn zorge gadefioeg, als ware hijhaar eenige zoon geweest. Hier koomt bij,dat de Heer het koninglijk Stamhuis , in dekinderen uit dit huuwelijk gebooren , gevestigdheeft. Salomo werd erfgenaam van dentroon, en zijne af koomelingen na hem. Terwijlook de Mesfias, Davids Tegenbeeld, doorNathan , uit dit huuwelijk gebooren , is verwektgeworden. — Dus hebben wij gezien —hoe David aan den vermcetelen Jebufijter denburg Sion ontweldigde; — aldaar zijne woonplaatsnam — zijn paleis bouwde — en denzetel van'zijn Rijk plaatste; — onder begunstigingvan 's Heeren zegen — en vermeenigvuldigingvan zijn kroost. .B. VRAAGEN(O 1 Kronijken 111: 5. (w) Spreuken IV: 3.


2 SAMUELS V. vs. 6—ïó. 21$B. VRAAGEN wij nu, wat onderwijs ookdit gefchiedverhaal ons oplevert./ N. Z I E N wij David , nu Kening over Hierfluatgansch Israël geworden , niet — vergenoegdons teleeren,met zulk eene eer — zich overgceven aangemak cn vermaak, maar aanftonds, metvlijt, zijn Rijk ten goede, Sions burg belegeren, en bemagtigen ; wij moogen van hemleeren , voor EERST : „ Dat elk , die door„ 's Heeren Voorzienigheid in eenig ambt,,l> waardigheid, of post gefield is , met vlijt„ daar in werkzaam moet zijn , om aan het„ einde van zijne roeping tc beantwoorden".— Wij zijn meestal, elk in zijnen ftand, toteen of ander werk geroepen. Overheden inde regeering , tot welzijn van het gemeen ;Leeraars cn voorgangers in 's Heeren gemeente, tot nut van 's Heeren Kerk, cn heil vanonftervehjke zielen; ouders, in hun huisgezin,tot bevoordering van deszelfs waar belang;elk ambtenaar, in zijnen post; elk burger eningezeten, in zijn beroep •— wij alle worden,in onzen ftand, tot werkzaame vlijt geroepen.DAN vraagen wij onszelven : Hoe kwijtenwij ons van onzen post en pligt ? Befteedénwij onze vermogens, met lust cn naarstigheid? Ncemen wij dc gelegenheden, welkende Voorzienigheid ons doet voorkoomen, meternst waar ? Kunnen wij het gebruik vanonzen tijd , aan den Heere en ons gewetenO '4ver-Bat elkin zijnenvost metvlijt moetwerkzaamzijn.


aid XXXVIII. L E E R R E D E .verantwoorden ? Zouden er ook zijn, die deeer bejaagen, maar den last omwijken ? diehet voordeel behartigen, maar het werk ontvlugten? die niet vraagen , Wat kan ik inmijnen post ten goede doen? maar, Wat kanik al van mijnen hals fchuiven? — Zoudener ook zijn , die gaarne lang en veel fpreekenvan doen , maar fchroomen, handen aan 'twerk te flaan ? die wel tijd vinden tot zot geklap, ijdel fpel , veelvuldige cn langduurendemaaltijden, vermaaklijke tijd verdrijven, en nut-,loozc beezigheden ; maar reis op reis het werk,waar toe zij geroepen zijn , verfchuivën ? —Zouden er ook zijn, die, uit traagheid en achtloosheid, de fchoonfte gelegenheden om watgoeds te doen, laaten verlooren gaan, cn dante laat willende, niet kunnen , en de fchuiddan wrevelig op anderen fchuiven? — Zekerzullen er niet weinige» zijn , die op eene onverantwoordelijkewijze , hun tijdlijk en eeuwigwelzijn fchandclijk vcrwaarloozen. —•Och! of wij wel befefcen, dat wij alle, elk inzijnen post, aan den ©enigen Opperheer rekenfehapzullen moeten geeven, hoe wii ons,in het waarneemen van denzelven, al of nietgedraagen hebben ! Och ! of elk in zijne betrekking,zichzelvcn telkens vraagde, wat Vaderlanden Kerk, Stad, en Gemeente, ambt,en huis , van hem vordert! Het is Gods bevel:IVeest niet traag in het benaarstigen; weestvunrig van geest; dient den Heere (x).00 Romtinen XII: II,3. ZIEN


2 SAMUELS V. vs. 6—1


ai8 XXXVIII. L E E R R E D E .De ongodsdienstigheid. Daar de Godsdienstuit de harten en huizen wijkt , wordt menonverfchillig. Onverfchilhg zijnde , zet mende deur wijd open, voor alles wat ongerijmd,waarheidbelecdigend, zedenbedervend, en hartenwandel verwoestend is ; waar door men,. God verlaatcnde, van Hem verlaaten, en eenprooi van het verderf wordt.iMAAR zijn er geen andere vijanden, in 'thart van Land cn Kerk ? Zeker is hun getalveel. Maar hadden dc zoo even genoemdengeen gefterkt verblijf onder ons , de anderenzouden kleiner in getal , cn minder in vermogen,en daar door min fchadelijk zijn. Hetongeloof, de ongodsdienstigheid, en heerfchendczonden, zijn vijanden van Kerk en Staat;en wanneer deezen de fterkten en burgen bezetten en bezitten, zijn Staat en Kerk in gevaar.— Och ! of Nederland , och ! of wij ,onze vijanden recht kenden, beoordeelden, enbeftreeden ! Want denken en fpreeken , zalgeen' Jebufijter verdrijven. Met ijver henaantctasten , en met godvruchtigen ernst hente beftrijden , is toch de groote zaak. Overhedenmoesten, door hunne magt •— Voorgangersin den Godsdienst, door hunnen arbeid,onderwijs, en voorbeeld -— ouders, doorhun gezag •— en elk in zijne betrekking,door zijnen invloed , de handen in een flaan,om zuike verdervende vijanden te beftrijden.— Maar noodig is het vooral, dat wij metons-


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 219onszelven, met ons eigen hart en wandel ,beginnen. Onze harten zijn de burgen , daardoodvijanden wooncn , cn zich verfchanfen.Zijn die door liefde tot de zonden, door genegenheidtot eene zondige weereld , doorwoelende driften , en door af keerighcid vanGod en zijnen dienst, bezet, dan kan het nietanders , of het vijandlijk verderf vcriprcidtzich in onze huizen en huisgezinhen, cn handelen wandel, en van daar, door gansch hetLand en de Kerk. Och ! dat wij het kmkèelk in ons eigen hart eerst en meest poogdente beftrijden!- MAAR hoe best bier te flaagcn ? Zuilenwij met zoogenaamde gezonde Reden, metnatuurlijke Wijsgeerte, met eigen vermogens,en voornemens in eigen kracht, gelukkig denftrijd voeren ? Doch dit zijn , deels , veelalverfchanfingen , achter welken de vijandenzich verbergen, en deels, wapenen die krachtlooszijn. Hier moeten wij, onder het geleidevan den tegenbeeldigen David , en met zijnewapenen, ftrijden. Tot Hem moeten wij koomen;onder zijne baanier vergaderen; aan zijneheerfchappij ons onderwerpen ; zijn bevelopvolgen ; de wapenen , welken Hij ter handftelt , opneemen ; en in zijne moogendheidden ftrijd voeren. Och! dat onze harten hieroprecht waren —• wij onzen vijand als vijandkenden — en leerden, al biddende, en afhangendevan 's Heeren hulp, den ftrijd te voeren!3. ZIEN


%io XXXVIII. L E E R R E D E .}. ZIEN wij de Jebufijten, op den burgSion , daar zij zich zoo vast verïchanst, enzoolang tegen alien aanval verdeedigd hadden, eindelijk overwonnen , en verdreeven;Ook, dat wij leeren, ten DERDEN: „ Dat hoe vastmen, hoe „ men ook gezeten zij , en hoe lang een' tijdvoel envast gezeten. „ altijd onzeker zit, en in gevaar om ver-„ men zich hebbe weeten te verwceren, menbloot ftaatem verdreeienftuk, dat voor hun, die eenige kennis van de„ ftooten en verdreeven te worden". Eente voorden.gefchiednisfen hebben , geen bewijs behoeft.Ik zal mij ook daar mede niet ophouden. —Laat ons een' oogenblik denken, op het geenons in het bezonder raakt. Hoe meenig dwaasfterveling is er , die welvaarende in gezondheidleeft, in het genot van aardfche goederen,eer, en vermogen zich verblijdt; die vertrouwtop zijn goed , roemt op zijnen rijkdom, fteunt op aanhang en vrienden , zekerwoonende, zoo hij meent, en alle vrees voorkwaad verbannende; wiens binnenfte gedachteis , dat zijn huis in eeuwigheid zal zijn , enzijne wooning van geflachte tot geflachte ,terwijl hij de landen noemt naar zijnennaam (z). Dan wat gebeurt? Onvervvacht,vindt hij zijne gezondheid verzwakt,zijnegoederen verwoest , zijne eer veranderd infchande , zijn vermogen gekrenkt, zijnen rijkdomverfmolten , zijne vrienden uit zijneoogen verdweenen.Cz) Vergelijk Psalm XL1X: 7, 12.Waar is nu zijne veiligheid,


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 221heid , zijne zekerheid ? Haman gaat van hethof naar de galg. — Terwijl JBelfazar, zoogerust als wellustig, aan een' overprachtigenmaaltijd zit, fchrijft eene hand aan den wandzijn vonnis , en in dien zelfden nacht wordthij door zijne eigen vrienden vermoord. — Opden dag, zegent zich de rijke man, met zijnevolle fchuuren , en het vooruitzicht op eenlangduurig en gerust genot; en in den onmiddellijkvolgenden nacht, wordt zijne ziel vanhem afgeëischt. •— Op denzelfden ftoel, opwelken Herodes de Godbeleedigende vleierijmet genoegen ontvangt, fiaat 's Heeren handhem met eene doodlijke plaage. — De hoervan Babel mooge in haar hart zeggen : Ik zitals eene Koningin , en ben geen weduwe, enik zal gcenen rouw zien; de dood, de rouw,de honger, en het vuur, zullen op éénen daghaar overkoomen.ZORGELOOS zondaar, denk dit toch in.Gij leeft meer of min gerust; gij vleit u metzekerheid en vrede ; uwe uitzichten zijn totverre heen. Maar geloof, gij zit los , opeenen waggelenden zetel, en aan den randvan eene rampzalige eeuwigheid. Blijft gij diegij zijt; één flag ftoot u uit uwe vastigheid,en gij kunt niet anders verwachten, dan derechtvaardige vergelding van dien God, tegenWien gij u verzet, de wapenen gevoerd , enu verhard hebt. En wie heeft zich tegenHem verhard, en vrede gehad?yHOOR.


ït2 XXXVIII. L E E R R E D E .1. HOORDEN wij der Jebufijten hoogmoedigefchimptaal tegen David , en hoe bitterhun die bekwam; wij leeren hier, ten VIER­J\og , dat DEN : „ Dat fcrotschheid van hart, taal, enkwi^uoedigge­„ gedrag , de naaste weg is tot eene fchandedrag, den „ lijke en verdervende vernedering". — Hoogmoedis den mensch , nu oorfpronglijk bedor­wegbaant totverderf. ven , aangebooren. Vindt hij zich in het genotvan eenige bevoorrechtende omftandigheden, ras zwelt hem de moed, en verhefthij zich trotschlijk boven 't geen hij waantbeneden zich te zijn. Heeft hij verftand; anderenzijn in zijne oogen flegthoofden. Bezithij weetenfehap ; anderen zijn bij hem weetnieten.Is hij begaafd met vermogens, het zijvan fchatten , het zij van kracht of fterkte;niemand , meent hij, is hem gelijk. Onderrechtingenziet hij aan voor beieedigingen;waarfchuuwingen , voor haatelijke verwijtingen; bedreigingen, voor hoonende'tergingen.En durft een David tegen den burg van zulkeJebufijten iets onderneemen ; hij is het voorwerpvan hunne verguizing , daar zij op defterkte van hunne vesting , en op de dapperheidhunner handen, gerustlijk vertrouwen. —Een voorbeeld van' zulke verwaandheid, hebbenwij ook voorheen gezien, in den beruchtenGoliath ; en tevens , hoe hem die bekwam.Hier zien wij der Jebufijten fpotternijmet fchandc beloond , cn met een geheelverderf.ZIEN


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 223ZIEN wij een volk, zien wij menfchen,tot zulk eene uitzinnigheid vervoerd; wij zienveelal hunnen ondergang nabij. Trotschefpotternij, vooral tegen magtige Vorsten, endappere legerhoofden , verwekt verbittering,en tergt de wraak. Bij den hoogen God , iszulk een beftaan en handel gehaat en vervloekt; en de verwaande dwaas berokkentzich , bij de uitkoomst , verzwaaring vanramp , en fchandelijke vernedering. — Datwij, elk in onze omftandigheden, aan de vermaaningvan de godvruchtige Hanna wel gedenken: Maakt het niet teveel, dat gij hooge,hooge zoudt fpreeken , dat iet hards uit uwenmond zoude gaan (a). — Worden wij , Op deeene of andere wijze , benaauwd, en in bekommerlijkeongelegenheid gebragt; dan moetenwij, ja ,. alle betaamelijke middelen, opbehoorelijke wijze , ter zelfbefcherming in 'twerk ftcllen •— maar wij moeten zorgvuldigons wachten , daar op te vertrouwen, endoor vermeetel vertrouwen tot verwaandheidvervoerd te worden. Werkzaame zorg, enootmoedige gebeden , afzien van vleeschenarm , en toevlugt neemen tot den Heere daarin , moet onze fterkte zijn. — Hoe zalig is,godvruchtigen , uw toeftand , daar uw burggeen maakfel is van menfchen handen , ofoverwinbaar voor gefchaapen magt! De Jehovahtoch is uw Burg, en'de tegenbeeldigeCO 1 Samuels II: 3.1David


Faords,dal woeden vlijt.door voorftetvanbelsminttmoei wordenaatigefpocrc.224 XXXVIII. L E E R R E D E .David uw Befchermer. Gij moogt des vrijlijkzeggen: Geen vijand zal hier inkoomen.n. ZAGEN wij David den lust en moedvan zijne helden aanprikkelen , door belofte,dat hij die den burg veroverde, tot een Hoofdzou zijn ; wij leeren , ten VIJFDEN : „ Dat„ de wijsheid eischt , dat lust en vlijt doorvoorgefteldc bevoordering worden aange-„ vuura". — Het is zoo , befef van pligt,moest elk in zijnen post ijverig van geestmaaken. Maar het is God zelf, die,in onzen^eest een zugt heeft ingefchaapcn , naar hetgeen onzen gelukftaat bevoordert, en de beoefeningvan onzen pligt, met hoogfte wijsheidten middel Helt, tot die bevoorderingvan onzen gelukftaat. En dit beftuur vanflen hoogcn God, moeten wij menfchen, metvoorzichtig beleid, navolgen. Wijze beftuurdersvan volken cn fteden, hebben dit ookaltoos onder het oog gehouden ; nuttigekonst, arbeidzaame vlijt , en oefening vanvermogens en gaaven ten dienste van KerkenBurgerftaat, door beloften en vergunningvan eer en voordeel, krachtig aanmoedigende.Dit is ook van ouders , en hun wien deopvoeding der jeugd is aanbetrouwd, wel inacht te neemen. Onachtzaamheid en gierig,heid in dit ftuk, zou lustige vlijt, en oefeningvan edele vermogens , ftremmen , endoor moedloosheid verfmooren. — Eene welbeftuurdeedelmoedigheid , zal fterker prikkeltot


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 225>tot oefening geeven, dan gezag en vrees.Wijze ouders , de onderfcheiden geaartheidder kinderen wel gade flaande , zullen bestwecten , 'welke voorftellen den meesten invloedop bun hart maaken ; en SalomonsSpreuken zullen hier in overvloedig onderwijsgeeven.MAAR klimmen wij van David op , totDavids Tegenbeeld , Davids Heer. Deezeroept ons tot edeler , en te gelijk tot wigJjUger ftrijd. En is ook bij Hem geene aanmoedigendebelooning ? •— De godloosheid zegt jHet is te vergeefs, onder zijne baanier te dienen.De liefhebber der weereld zegt: Hier isniet dan fchade en fchande te behaalen. Hetongeloof kan den vroomen , in de hitte des.ftrijds, onbedachtzaam doen zeggen: Het loon.van ons ftrijden, zijn wonden cn traanen! —•Maar gaan wij, met Afaf, het heiligdom in$en wij zullen daar hooren en zien, dat in hethouden van 's Heeren geboden , al ging ditmet aardsch verlies vergezeld, groote loon is;'dat de Heer hun , die onder Hem dienende jin oprechtheid wandelen , genade geeft eneere, en het goede niet onthoudt. Daar zienwij eenen Mofes Egyptens rijkdom verfmaaden,het oog houdende op de vergelding dee^,2es loons ; dien van Farao oneindig overtref-, fende. — Het is zoo, zij die geen ander loon: kennen , dan dat het oog vermaakt , den'finaak ftrCelt , dc begeerlijkheden van hetIV. DEELJ • F . vleesch


126 XXXVIII. L E E R R E U E .En datenk godloozemen-Jcben geleeschvoldoet, en grootheid cn grootschheidc eezes levens geeft, vraagen , op fmaadlijkent oon: Wat vergelding is toch, het geen mert'i iet noch tast? wat aanmoediging kan beloftei eeven , van een genot, dat veeltijds in araoede— van eene eer, die in fmaad — van1( ene bevoordering en verhooging , welke in•\'ernedering gezwachteld is ? Gij, o Christen,\ peet, kent en proeft, wat het in zich heeft,i lat de oneindige Algenoegzaamheid zegt : Ik])en uw Schild , uw algenoegzaam goed ert( ieel ! Strijdt men in de weereld, om loon eni croon die verganglijk zijn, en zeker met denlood veriaaten en verlooren worden ; laat giji toch , in den ftrijd tegen een' helfchcn vijmd, dreigende en vleiende weereld, en ligtfjken listiglijk omringende zonde , aanmoedigen, door detze volzckere belofte van den:egenbeeldigen David: Die overwint, ZAL AL­LES BEËRVEN ; en Ik zal hem een' God zijn-,m hij zal Mij een zoon zijn (b)!1. ZIEN wij eenen Joab , eenen man, hoegroot ook in den krijg , zeer flegt nogthansin zijn zedelijk beftaan , en met bloedichuldbefmet, de overwinning en toegezegde bclooningwechdraagen; wij zien er uit — en laatdit onze ZESDE leering zijn — ,, Dat het ons„ niet moet bevreemden , w r annecr men ziet,,, dat godlooze menfchen, en de zulken zelfs,„ aangaande welken men fchijnt te moogen„ wach-(b) Openbaaringe XXI: 7.


i SAMUELS V. vs. 6—16.I27„ wachten dat de wraake Gods hen zal ver-'ukkigkunnen„ volgen , in hunne onderneemingen gelukkig langen ,„ flaagen, en zich den weg baanen tot groote tn daarioor bevoorderd„ en hooge bevoordering". •—• Dat dit meermaalenplaats had, leerde de ondervinding van worden.alle eeuwen. Het is geen Joab alleen , inwien wij dit zien. Wij behoeven , om hiervan overtuigd te zijn, geenen Sylla , geenenMarius, geenen Cinna , geenen Caefar,geenen Rufinus, geenen Stilicho, en anderen,van overoude tijden , ons te vertegenwoordigen; onze laatcre eeuwen , en leeftijd,leveren den gefchiedkundigen eene reeks vanvoorbeelden op. — Het is zoo , dit kanons kortzichtig oog verbijsteren. Dit kanhet voorbaarig hart vervoeren , cn aan denhoogen Opperbeftuurder doen vraagen , waaromHij fchijnfcl geeft over den raad, het beleid, en het werk der godloozen. Maar hoeongerijmd ! Dit in bezonderheden te toonen,duldt ons beftek niet. Laat mij alleenlijk aanmerken: Joabs voorfpoed , en zijne bevoor.dering daar door, was niet om of voor dienman zeiven , maar voor David , en voor hetRijk. Hij was flegts het middel, waar door deHeer aan beiden dit goede befchikte. En eeren voordeel, hem hier door geworden, zal deHeer, op zijnen tijd, Joabs fnoodheid terftraffe, in fchande en fchade doen veranderen.LAAT ons intusfehen , tot ons nut, hetvolgende opmerken, en wel ter harte nee-men :P %— God«


S28 XXXVIII. L E E R R E D E .T. ZAGEN wij , dat David, den burg Sionbemagtigd hebbende , dien bebouwde en ver»Herkte ; wij moeten er uit opmerken — enOok, dat Iaat dit onze ZEVENDE leering zijn -— Datwij invoorfpoed,op „ rechten zijnde , bedacht moeten weezen op„ wij , in het genot van voorfpoed en voorbeveili­„ veiligheid , tegen volgende tijden". — Ditging tuoetenbeduchtsijn.— Godlijke bedeeling met natuur- en ambt»gaavcn, is geen bewijs van Gods genade enzaligende gunst. Joab was een dapper held,maar een van God gehaat zondaar. — Godmaakt dikwijls godloozen voorfpoedig, tengoede van zijn volk. — Der boozen bevoordering, loopt in 't einde niet zelden uit, tothun eigen verderf. — Gebruikt God hen tengoede van zijne gunstgenooten , dan zijn deezenverpligt , den Heere te danken , en datgoede te genieten, en zich zeer te wachtenvoor nijd , over den voorfpoed der godloozen; zich verzekerd houdende, dat God allesfchoon maakt op zijnen tijd.is een onderwijs, dat elk goedkeurt, en echter,ten aanzien van tijdlijk, en godsdienstig,en eeuwig belang, te jammerlijk verwaarloosdwordt — God gaf, op de eene of anderewijze, aan menfchen eenig, fomtijds aanmerkelijk, bezit. Dan ,. in ftede van door nederigheid, maatigheid, edelmoedige fpaarzaamheid, trouw , cn vlijt, zich onder 's Hemelszegen in die voorrechten te vestigen, zagmen te meermaalen > dat zij, die dus beguns-• • - tigd


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 229tigd waren , leefden , als of het nu hun 1 tijdwas , om in weelde , in hoogmoed, in verkwisting,zorgeloos zich te baaden. En watwas het gevolg ? Een enkele aanval vanverlies en ramp, ontzettcde hen van alles. —Het gaat toch met het belang van bezonderemenfchen en huisgezinnen, gelijk het wel eensging in Koningrijken en Staatcn , daar men,met groote moeite en kosten, eenen burg —laat mij het zoo noemen —• bcmagtigd hebbende, verzuimde , dien behoorelijk te verilerken,en in weerbaarcn ftaat te houden;met dit gevolg , dat, bij verloop van tijd,het verval zoo groot werd, dat men fchroomdeaan het herftel te denken, waar door zulkeene aanwinst last en fchade werd. — Datwij toch wel gedenken, dat door wijsheid eenhuis gebouwd, cn door verftandigheid bevestigdwordt, en dc binnenkamcren, door weetenfehap,vervuld worden met alle kostlijk cnlieflijk goed (c).E N had dit verzuim ook geen plaats , tenaanzien van ons godsdienstig , cn ecuwig belang! •— Mcermaalen zag men , dat Godeenig gedeelte van zijne Kerk , of eene bezonderegemeente , in het genot ftelde vanaangenaame voorrechten , ter befcherming enverdeediging van waarheid , godzaligheid , ende belangen van zijn Sion. Maar zag menook


2 3o XXXVIII. L E E R R E D E .ook niet fomwijlen , dat men , in plaats vanzich godvruchtiglijk daar in tc bevestigen , enin ftaat te ftellen om vijaudlijken aanval tekunnen wederftaan, zich toegaf aan werkeloosgemak , vleeschlijk vermaak, ftille gerustheid,onbezorgde achtloosheid , of zelfs wel aanzondige en verzwakkende twisten ? — Och!of wij alle , zij bczonderlijk, wien de post isaanbevoolen , aan dat woord van Sions Koninggedachten: Het geen gij hebt, houdt dat,totdat ik zal koomen (d) ! —• En heeft elkwaar Christen niet noodig, dagelijks bedachtte zijn , om zich optebouwen op zijn allerheiligstgeloof, en zich te verfterken in degenade? Aanval immers, heeft hij dag bij dagte wachten, daar hij in 't midden van openbaareen bedekte vijanden leeft. Waak, oChristen, tegen verrasfmg; ftaa in het geloof,tegen alle verzoekingen; houd u manlijk, tegenalle aanvallen ; wees fterk, tegen den.ftrijdenden vijand. Verftcrk u in den Heere,opdat gij niet afgerukt wordt, en uitvalt uituwe vastigheid (e).n. HEBBEN wij gezien , dat David geduurigvoordging en groot werd , omdat deH E E R , de God der hcirfchaaren, met hemwas; laat ons in de AGTSTE plaats hier leeren: „ Toeneemende voorfpoed , en voord-,, gaan-(d) Openbaar in ge II: 25. Ce) 2 Petrus III: 17.


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 23r,. maande grootheid, hangt daar van af, dat^o»*»„ de Heer met ons JS". — Volken, en Vois- fpocdten , ook bezondere menfchen, haaken veelal da*r vannaar aanwas van grootheid. Hoeveel %&-fJf% t%keerdheid hier bij kan plaats hebben, is echter Heer metwaare grootheid met reden hoog tc fchatten, omen betaamelijke zugt tot dezelve , prijslijk.Gelukkig , vooral , wanneer een Staat enStaatsbeftuur in vermogen , in welvaart, mfterkte, in'geregelde orde, in inwendigen vrede, waaren godsdienst en deugd , voordgaaten groot wordt; in achting daar door rijst bijnabuuren, en zich alom ontzag verwerft.GOD — dit erkent de ganfche weereld —•heeft ons groot gemaakt. Maar zijn wij hetnog ? Wij kunnen niet ontkennen , dat Godgenadiglijk ons voor groote vernedering behoedt,en dat Hij ons bij aanmerkelijke grootheidbewaard heeft, 's Lands Hooge Magtengeeven daar getuigenis van , in de zoo aanmerkelijkeUitfchrijving van den jongst gehoudenBededag. God gceve , dat wij recht befcffen,waar in onze waare grootheid gelegenis , en hoe die te zoeken cn te bevoorderen!Dit is zeker , zal het ons welgaan , dc Heerder hcirfchaaren moet met ons zijn. En zullenwij dit kunnen verwachten , wij moetenmet den Heere zijn. Verlaaten wij denHeere , zijn Woord, zijnen dienst, en zijnevreeze ; Hij zal ons verlaaten. En van Godverlaaten wordende , zijn wij aan onszelvenP 4ge-


&32 XXXVIII. L E E R R E D E .•gelaaten. En aan onszelven gelaaten zijnde „-zal zedenloosheid ons verpesten , trotschheidons vernederen, nijd ons verteeren, twist onsverdeelen, bedrog ons bedriegen; en grootheiddoor fnoodheid bejaagende, zullen wij, voordgaande,jammerlijk vergaan,13. WIJ zagen , dat David zich een huisbouwde,naar zijnen ftaat, en het zelve godfWs,vruchtiglijk inwijdde. Wij hebben daar bijgefchikte aanleiding, om optemerken — en laat dit onvmningZe NEGENDE leering zijn — „ Dat het onemfé-"'"f tijdlijke zegeningen, geen van ded e a l I egen is. •>•> minften is , een huis naar zijne gelegenheid„ te bewoonen ; cn dat het tevens betaame-„ lijk is, het godvruchtig int•ewijden , ' , . — Elkmoet dit erkennen. Maar kan men zich ookhier niet zeer bezondigen ? — Doet men ditniet, wanneer men, gelijk Nebukadnezar, omhoogmocdiglijk zijne grootheid te toonen , en.gelegenheid tc hebben om te kunnen vraagen:Is dit niet het groote Babel dat ik gebouwdhebbe, door de fterkte mijner magt ? zijn huisboven maate prachtig cn kostbaar bouwt?.Doet men dit niet, wanneer men, bouwendeboven den ftaat, waar in men door de Voorzienigheidgefield is, en boven het vermogendat men bezit, zijne middelen uitput, zijnezaaken verwart, zijn welvaren bederft, zijnhuisgezin, cn kinderen ongelukkig maakt, enden koopman cn daglooner, om betaaling, totCjtod cn menfchen doet zugten ? —- Doet mendit


2 SAMUELS V. vs. 6—16. 23-y.dit niet , wanneer men , door huis en hofnaar zinlijkheid en fmaak te bouwen , zich inhet onvermogen brengt, om den nooddruftigente onderfteunen , den ellcndigen te hekpen, den kranken te verkwikken, cn die liefdete oefenen , welke de menschlijkhcid, .vooral het Christendom , vordert ? — Doetmen dit niet, wanneer men, door weerelds.gezindheid , zijn huis zich ten afgod , of,door verkeerde eigenliefde, zichzelvcn ten afgod, en zijn huis zich ten afgodstempelmaakt ; ten cenemaal de gedachten uit hethart verbannende, dat wij maar vreemdlingenen bijwooners zijn voor Gods aangezicht? —•Doet men dit niet, wanneer men zijn huisinwijdt, niet met eene dankbaare en Godver,heeriijkende vroolijkheid, maar met wulpfchcdartelheid, verkwistende overdaad, en gemoedverwoestendevermaaklijkhcdcn ? zijn huisdus , niet den Heere cn zijnen dienst, maarder zonde en haarcr fiaavernije, toewijdende?DAN welk cene dwaasheid ! de middelentot ons welzijn , te veranderen in middelentot ons verderf! — Welk eene ondankbaarheid! God te beleedigen met zijn eigen goed l•— Welk eene godloosheid ! ons eigen verblijfte verpesten , en onder 's Heeren vloek tebrengen ! En wat zullen de fteenen uit denmuur , de balken uit den wand ; wat zullende binnenkameren van veder huizen, niet getuigen! niet uitroepen! — Och! of wij zoöP 5bouw-.


234 XXXVIII. L E E R R E D E .bouwden , als die geloofden, dat wij waarlijk:maar gasten en vreemdlingen op aarde zijn!Dat wij zoo woonden, als die eene woonftedezochten bij God, in de hemelen!Eindelijk,dat wijop 's Heerenwegwet onsmoetenietten.\ LAAT ons, EINDELIJK, de aandachtnog daar op vestigen : „ dat David merkte,„ dat de HEER hem tot eenen Koning over„ Israël bevestigd hadde; en dat Hij zijn Ko-„ ningrijk verheven hadde , om Israël zijnes„ volks wil". Veel onderwijs ligt in deezewoorden opgellooten. Ik bepaal mij thandsbij dit weinige. — Merkte David, dat de Heerhem ten Koning over Israël bevestigd hadde.Watmerken wij , aangaande 's Heeren wegmet ons ? 's Heeren beftuur gaat over onsallen , en over alles wat ons bejegent. Watfpreekt dat tot ons ? — Tot den eenen, datGod hem door zegeningen begunstigt, en uitzichtgeeft op bevestiging. — Tot den anderen,dat-God, hem met tegenfpoedbezoekende, hem of beproeft, of tuchtigt; om duszijnen gelukftaat te bevoorderen.Of, dat deHeer op weg is, om zijne vastigheid lostcmaaken,en zijn huis en welvaren aftebreeken.— Maar wat merken wij hier op ? Wijmerken meer of min, ja, het geen ons wedervaart.Maar letten wij op 's Heeren hand ,en höog beftuur ? zijn niet veelen van ons,achtloos en blind? Wanneer God hun bedrijfzegent, hun huis bouwt, hunnen ftaat bevesrtigt; dan zijn zij verblijd, en veelal met eendier-


2 SAMUELS V. vs. 6—16. ' 23^dierlijk genoegen. Maar aanbidden , verheerlijken, danken zij een zegenend God ? Ditwordt vergeeten. sValt er wat te erkennen;men prijst eigen vlijt en beleid. Op zijnbest — en dan heet men dankbaar — erkentmen den dienst en de hulp van eenen weldaadigenvriend. Maar aan God wordt niet gedacht.OPENT God, door zijn voorzienig beftuur,penen weg tot voorfpoed ; hoe weinig wordtdit opgemerkt, als eene Godlijke aanwijzing!hoe zeldzaam zegt men: „ Merkt gij wel op,„ mijne ziel ? de Heer roept u toe : Al wat,; uwe hand hier vindt om te doen, doe dat„ met al uwe magt". •—• Hoe meenig, die dcjonge jaaren , frisfche krachten , kostciijkentijd , gunstige gelegenheden , en toegenegenheidvan menfchen , fchandelijk verwaarloost,verfpilt en verfpeelt, zonder navraag en zorge, of men dus ook 's Heeren aangcwcczcnzegen fmaadlijk verwerpt ; los cn achtloosdaar heenen leevendc. En handelen deezen dusomtrent hun tijdlijk belang ; hoe ongelukkighandelen zij omtrent hun eeuwig belang!Kunnen zij , die dus den Heere cn zijnen zegenverfmaaden, wel anders verwachten, dandat zij van den Heere zullen verfmaad worden? — Spreekt Gods Voorzienigheid totmenfchen harde taal; kondigt zij hen aan ,dat God op weg is , om hunne vastigheidlostemaaken, en hun huis aftebreeken — wat- - ziet3


236" XXXVIII. L E E R R E D E .ziet, wat merkt men op ? Gaan hunne omftandighedenhun meer of min ter harte ; zijmerken toch 's Heeren hand niet op , nochleeren , met waare vernedering, naar Godvraagen. — Och ! of wij God recht leerdenkennen , verftandiglijk op zijnen weg letteden, en vraagden : Wat zegt de Heer, dooideftem van zijn voorzienig beftuur, tot mij ?Vromen DAN merkt men, dat dc Heer ons zegent,vooral.e n i n v o o rfp 0 e ci bevestigt ; welk eene' ftoftot dankzegging ! voor u , godvruchtigen ,vooral. U zegent Hij , daar Hij anderenfmertlijk tuchtigt. U bouwt Hij, daar Hijanderen afbreekt. Uwen berg zet Hij doorzijne goedgunstigheid vast, daar Hij dien vananderen doet wankelen. Welk eene verpligting, om verftandiglijk daar op te letten ,dankbaar dit te erkennen, en ootmoediglijk tewandelen met uwen God ! — Doch gedenk,o vroome, en leef onder dien indruk, dat ditland de ruste niet is , en gij dus geene vastigheidhebt in deeze aarde , of in iets dataardsch is cn tijdlijk. Uwe waare vastigheidligt in- God, dien onveranderlijkcn Rotsftecn— in Jefus Christus , die eeuwig dezelfde is— in het Heilverbond, dat welbewaard is —in uwe gcloofsverwachting , welke u nimmerzal befchaamen — en in het Woord onzesGods , dat blijft tot in eeuwigheid.MERKTE


i SAMUELS V. vs. 6—i6. £37'MERKTE David, dat God zijn Koningrijk Tevens,iat ontvangenverheven had, om zijnes volks Israëls wil; —'wij moeten er uit leeren: „ Dat als God ons voorredt*„ bevoorrecht , Hij zulks doet , opdat wij 'en,iienst-„ dienstbaar zouden weezen aan zijne ein*i )aar moe*5, den , en nuttig aan onzen medemensen". •'en zijnlan'sHee*r•— Trouwends , kan eenig verftandig mensch' en einien.gelooven , dat God, wanneer Hij iemand begunstigt,zulks doe om dien mensch, zoo, datdeszei ven genoegens dc uiterfte bedoeling van?s Heeren gunstbewijzen zouden zijn ? Ditware ten hoogften ongerijmd. En echterfchijnt vceler beftaan aanteduiden, dat zij gelooven, dat God hen begunstigt, enkel opdat zij te ruimer, tc gemaklijker , te ver*maaklijker zouden kunnen leeven. — Godgeeft ons gezondheid en krachten ; maar geloovenwij, dat dit ons v er pligt, om met lusten ijver Hem in onzen post te dienen ? —God geeft aan fommigen een ruim deel vartaardfche goederen; maar erkent men wel, datdc Heer zulks doet, niet opdat men die gieriglijkin een duister hol ophoope , of hoogmoedigzich op dezclven verheffe, of wellustigdie verkwiste •—• maar, om die nuttig temaaken aan onze medemenfehen , aan de belangenvan zijn Koningrijk, cn tot onderfteuningvan ongelukkige armen? — God geeftfommigen uitmuntende verftands- en kunstgaaven; maar befeft men wel, dat die gefchenkenmoeten dienen , niet om die ineenen zweetdoek te begraaven , noch om ereigen


2 38 XXXVIII. L E E R R E D E .eigen hoogmoed mede te bewijrooken '—•maar om die ootmoediglijk tot 's Heerendienst, tot ftichting van 's Heeren Kerk , ennut van het gemeen en medemenièhen , aanteleggen? — God geeft fommigen rang, ambten, en waardigheden, in de weereld of in deKerk ; maar erkent men waarlijk , dat hetoogmerk van die onderfcheidende bedeelingis , niet opdat men de groote man zij, eenennaam maake, en eigenbelang bejaage —• maarom Israël, 's Heeren volk , ten dienste , ert-nuttig te weezen? — Laat ons elk onszelvenvraagen : Wat heeft God aan mij en mijnhuis gedaan ? •—• welke verpjigting is daardoor op mij gebragt? — hoe beantwoorde ikdaar aan? — hoe zal mijne verantwoording,aan den Heere te doen, uitkoomen ? •— Welkeene ftof tot befchaaming, tot vernedering!Welk eene reden tot bckcering ! Moet dêbeste hier niet uitroepen : O God ! wees mijgenadig ?GODVRUCHTIGEN, legt gij vooral ditop uw hart. —• Heeft God u genade , enook , in meer of minder maatc , gaaven dergenade gefchonken ? Heeft Hij u met zegeningenvan het goede begunstigd ; uw huisgebouwd en bevestigd — kinderen gegeeven,en die voorfpoedig gemaakt ? Heeft Hij u ineenig ambt of post geftcld ? Gedenkt toch,alles wat gij hebt en zijt , is van den Heere,en het moet zijn voor den Heere en zijnendienst,


2 SAMUELS V. vs. 6—16*. £39dienst, en tot zegen voor uwe medemenfehen,•— Maar is er dan niets voor uzelven overig ?Veel, en groot ! Hoe groot is het, vap denGod aller genade, in Christus Jefus begenadigd,en ten zijnen dienste veelszins bevoorrecht teweczen ! Welk eene eer, met verloocheningvan zondige eigen eer, door veel goeds tedoen , den Heere tot eer te zijn ! David —•of zegge ik liever Davids Heer, den tegenbeel-.digen David , door zijne genade navolgende ,zult gij ervaaren , dat de Heer eert die Hemeeren; en dat uw loon — fchoon niet bij deweereld, en maar ten deele in deeze weereld•— groot zal zijn in de hemelen. Amen!^In de Groote Kerk, voormiddag,den p van Bloeimaand, 1773.XXXIX,


s 4=> XXXIX. L E E R R E D E .XXXIX. L E E R R E D E .2 SAMUELS V. vs. 17—25.17. Als nu de Philistijnen hoorden, dat fyDavid ten Koningh over Israël gefalft hadden;fo togen alle Philistijnen op om David .te foecken: ende, David, dat hoor ende, toogh af nae deburgt.18. Ende de Philistijnen quamen ende verfpreyddenfich, in den dale Rcphaim.19. So vraegde David den HEERE , feg*gende; Sal ick optrecken tegen de Philistijnen Pfult gyfe in mijne hant geven? ende de HEEREfeyde tot David; Treckt op , want ick fal dePhilistijnen fekerlick in uwe hant geven.20. Doe quam David te Baal-Perazim; endeDavid fiocglfe aldaer, ende feyde; De HEEREheeft mijne yyanden voor mijn aengefichte ge*fcheurt , als een fcheure der wateren : daeromnoemde hy den name der felver plaetfe, Baal.Perazim.,21. Ende fy lieten hare afgoden aldaer: endeDavid ende fijne mannen, namenfe op.22. Daer na togen de Phili'stijhen weder op:ende fy verfpreiddcn fich, in den dale Rephaim.23. Ende David vraegde den HEERE, de-•ivelcke feyde; Gy en fult niet optrecken: [maer]treckt om tot achter hen , dat gy aen hen kornetvan tegen over de moerbejiënboomcn.24* Ends


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 24124. Ende hét gejchiede , als gy hoort het geruyschvan eenen gangh in de toppen der moerbefiënhoomen, dan rept u: want alsdan is deHEERE voor uw aengefichte uytgegaen , omhet heyrleger der Philistijnen te Jlaen.25. Ende David dede alfoo , gelijck als deHEERE hem geboden hadde: Ende hy Jloeghde Philistijnen van Geba af tot dat gy komt teGezcr. •,WAT de verblinde zondaar zichzelven • Os memcbs vanook verbeeldt, hoezeer hij zich mooge' tatuurevleien; hij is — Gods Woord zegt het, deondervinding bevestigt het — haatelijk, en de *'aa te lijk,een den anderen haatende (a). — Haatelijk ;een voorwerp dus van afkeer en weerzin , iselk zondaar , als zoodaanig, in het oog vanden heiligen God, cn van weldenkende medemenfchemElk van hun, is de een den ande- * n geeigd, cmren \ haatende'. Daar verkeerde zelfsliefde het *e e-. n denhart beheerscht , bemint men geen' mede--; xderenmensch, dan in zooverre die aan zondige ei-' : haaten.genliefde, fmaak, keuze, inzichten, belangen,en genoegens , meer of min voldoet ; waardoor de liefde , welke men den medemenschbewijst, wel bezien, in den grond, verkeerdeeigenliefde is. Heeft men bij den medemenschgeen belang , dan is men omtrent(a; Titus III: 3.IV. DEEL.Qhem


Het welkook plaatsbeeft bijen iusjchenge-'heele volken.242 XXXIX. L E E R R E D E .aem onvcrfchillig. Heeft men eenig belangbij hem , en is hij ons niet, of niet genoeggenegen ; ftrookt zijn gedrag niet met onzeinzichten ; ftrecft zijn voorfpoed den onzente boven — draa ontfteekt dit den nijd; deeze.baart afkeer ; en deeze werkt gezindheid, omhem of kwaad tc doen , of kwaad te wenfchen; immers , om zich in zijnen ramp opeene zondige wijs te verblijden.GELIJK dit rampzalig zondenkwaad , deszondaars hart bij voordgang bederft, en onrustigkwelt , zoo is het ook de bron vanonrust in de huisgezinnen; van verdeeldhedenonder bloedverwandten ; van verbitteringenin de maatfehappijen ; van veelerlei twist inGods Kerk ; en van allerlei boozen handel.En dit fnoode kwaad woont niet flegts inde harten , woelt niet flegts binnen de wandender huizen, binnen de muuren der fteden,binnen den omtrek der dorpen, en binnen degrenzen van bezondere landfehappen; maarhet breekt ook, als een voordloopend vuur enItroomende vloed, van volk tot volk door—en gereedst tot nabuuren , die eikanderenmeest, over en weder , uit liefde moestendienen en helpen. — Zoo draa neemt eenvolk in getal, in welvaart, in magt, in aanzienen luister, niet kenbaar toe ; of bij eenander, vooral bij een nabuurig volk, ontdektzich de nijd en haat, die de harten ontrust,en tot list en geweld aandrijft, om den welvaa-


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 243vaarenden nabuur, zoo niet te verderven, voor't minst te vernederen. Wat dreef Edom , Gelijkmen zietom het vermogen van Israël en Juda fteeds in Edom.te belaagen; daar het konde, hen te benadeclen; heimlijk met dcrzelver vijanden faamentefpannen; in hunne rampen zich tc verblijden, en openbaarc blijken daar van te gec'.ven ? wat dreef Edom tot zulk. een beftaanen bedrijf ? De ervelijke haat, welken hettegen Israël en Juda in den boezem koesterde(b).WAT dreef dc Filistijnen, om bij aanhoudendheidzoo vijandig tegen Israël te woelen ? in de Fi­En hier,listijnen.Hun haat, die opgewekt werd, door het verfchilvan Godsdienst , en van bezondcr belang.— Vooral zien wij dit, in de gebeurdnis, welke onze Tekst vermeldt. Thands waser geen krijg, tusfchen Israël en de Filistijnen.Dan deezen zien wij Israël vijandlijken geweldig aanvallen, en dien aanval Hout,doch tot hun eigen verderf, hervatten. —Wat beweegde dit volk, tot zulk eene fnoodeonderneeming ? Booze en ingekankerdehaat. — Waar door werd die haat opgewekt?heeft Israël hen gehoond, getergd, beleedigd?Wij vinden er geen blijk van. Wij zullenzien , dat Israëls vredige ftaat, gelukkigevoor-(b) Zie Jeremias XLIX: 7—11 ; en de Godfpiaakvan Obadja.q 2


244 XXXIX. L E E R R E D E .voorfpoed, cn aanwasfend vermogen, den nijd— en deeze den haat, in den boezem ontftakjen dolzinnig hen vervoerde, tot hun eigennadeel.THANDS, des, moeten wij befchouwen,de Filistijnen tegen David , toen zij vernoomenhadden dat hij Koning over gansch Israëlgeworden was , ten ftrijde trekken ; •— cnDavid hen, op 's Heeren bevel, flag leveren,cn overwinnen. — Wij moeten hen zien,hunne ondernceming hervatten; — cn Davidhen , onder zonderlinge blijken van 's Heerenzorg , andermaal Haan , en eene volkomenzeege op hen behaalen. •—• Eene ftoffe —zoudt gij, Waarde Hoorders, kunnen zeggen— welke ons noch veel aangenaams , nochveel nuttigs belooft ! — Het is zoo , voorvreedzaame ooren en harten , kan het geraasder wapenen •— voor een teder cn meêdoocendgemoed , kan het bloedftorten door hetkrijgszwaard , niet zeer bevallig zijn , nochgraage aandacht verwekken. Echter, wanneerwij op de Filistijnen , en hunnen toeleg —op David , en zijn Rijk •— op 's Heerengunstig beftuur, en het heil, daar door aanDavid en zijn Rijk toegebragt, wel letten,zal het ons aan geene gelegenheid ontbreeken,tot leerzaame opmerking, nuttige beftuuring,en bemoedigende vertroostingen.A. WIJ vinden hier,K. DER


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 245K. DER Filistijnen onderneeming tegen Da-Die David, en dèn uitflag, welken dezelve had. —vidsvoor-Ovcr de Filistijnen; hunnen naam; hunne af- netmenkoomst; hunne woonplaats ; hunne geaart-^»heid ; hunne vijandfchap tegen Israël ; hunnebedrijven en lotgevallen , hebben, wij voorheenreeds gefprooken (c) , en daarom zal ikmij thands met hen niet verder ophouden,dan bij dc behandeling onzer ftoffe noodig is.— Dat David tot Koning over gansdh Israëlgezalfd was , en zulks onder zoo groot een'toevloed van menfchen , uit alle de ftammenIsraëls; dat hij den onwinbaar gefchatten burgSions ingenoomen , en de Jebufijten van daarverdreeven had — dit kon den Filistijnen nietonbekend blijven. Spoedig hoorden zij het;en zekerlijk met ontzetting. Zoolang er tusfchenhet huis van Saul en dat van Davidkrijg was , befchouwden zij zulks met genoegen, en rekenden het hun belang, dien twistte voeden. Dat Israëls ftammen zich onderlingverzwakten, was hunne• fterkte , en liethen in de gelegenheid, om de fteden in Israëlsland, na den flag op Gilboa ingenoomen (d),te bcwoonen. Maar nu , verneemende , datde beroemde David Koning was over het•ganfche Rijk , en dat hij den burg Sion, zoofterk en gewigtig een' post, veroverd hadde,beklemde de angst hun hart. Ligtlijk kondenCO I Deel, Bladz. 304—310.Cd; 2 Samuels XXXI: 7.Q 3• - zij


2 46 XXXIX. L E E R R E D E .zij nu denken , dat het ook hunne beurt zoukunnen worden. Zij voorzagen , dat zij uitde ingenoomen rieden zouden verjaagd, misfchicnin hunne; eigen landpaaien , door zooberoemd eenen krijgsheld ftonden bezocht teworden. Wat nu?tegen bem TOEN trokken alle de Filistijnen opomoptrok-D a y i d t ezoeken. Zoo groot eene vaardigheidfcheen hun belang thands te vorderen. Zijtoonden dus , met verberging van hunne verflaagenhcid,een' grooten moed. — Uitftclook, zou hunnen vijand David, nu eerst aanhet bewind gekoomen , gelegenheid geeven,om in den verwarden ftaat van zaaken, alomgoede orde te ftellen > cn zich in ftaat vanEn zulks tegenweer te brengen. — Spoedige aanval gafzeer hun ook gunstig uitzicht. Hoe algemeen Isfcbiclijk.raëlg.y o l k t Q t D a v i dg e n cigd Was , had Saulshuis toch heimlijken aanhang ; het klein getalmanfehap uit Benjamins ftam , tot Davidskrooning opgekoomen, tcckende groote ongezindheidbij dien ftam. Schielijk David aanvallende, was het niet onmoogelijk , dat demisnoegde Israëliërs zich van die gelegenheidzouden bedienen, om David tc belemmeren;waar door hij verzwakt, en de Filistijnen geholpenzouden worden, — Ziet daar eene onderneeming,in.fchijn ftaat- en krijgskundig,doch indedaad onrechtvaardig en vermeetel.DAN


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 247DANDavid fliep hier ook niet op. Hij, Waar opdit hoonnde, der Filistijnen toebcreidfelen tot D a v , dden krijg , uit ingekoomén berichten vcrncemende, toog met zijn heir af naar den burg. naar denWelken burg? Verftaat men, met {oxnm\- bwguokigen, den burg Sion; dan zeggen deeze woorden, dat David aan en bij dien burg zijn legervergaderde , en met de manfehap die bij.hem was , derwaards trok. David , hebben het zijwij gehoord , woonde aldaar , en bouwde er S i o n 'een paleis ; maar dit gebeurde eerst na eenigtijdverloop. Deeze aanval der Filistijnen, hadkorten, tijd na het inneemen van dien burg,plaats. Waar David zich intusfehen onthield,leezen wij niet. Maar de Filistijnen nu tegenhem optrekkende, trekt hij af naar den burg,om dien, bij voorraad, tegen eenen verrasfendenaanval te dekken. — Denkt men aan of weieenen anderen burg, dan koomt de fpelonk 4*Wtam.Adullams zeer in aanmerking. Wij leezen inhet vervolg van dit Boek, dat drie van dedertig hoofden tot David kwamen, in die fpelonk, terwijl der Filistijnen hoop zich gelegerdhad in het dal Refaim (e). Deeze gedachteis, om redenen nu niet te melden, zeer aanneemelijk.— Wanneer is David derwaardsafgetoogen? Men kan denken, dat David,den burg Sion ingenoomen hebbende , daarterffond zijne wooning nam ; met de gelegenheidwelke hij daar vond, zich behelpende —(e) 2 Samuels XXIII: 13.d° C h


•a 48 XXXIX. L E E R R E D E .doch dat hij nu van daar is afgetrokken, naarde genoemde fpelonk. Niet, om zich daar,uit vreeze , te verbergen; maar om daar zijnheir bij een te bréngen, intusfehen , dienburg , voor verrasfmg van den vijand dekkende',om met • voorzichtigheid te overleggenwat hem te doen ftond.Terwijl de DE Filistijnenyonder des, kwamen, en ver-FihsOfr jp rsicu mzich i nh etdal Refaim. — Eenige' oogenblikken moeten wij beftecclcn , in hetbefchouwen van deeze plaats. Zij was geendal flegts , tusfchen 't gebergte gelegen, enklein van beftek , maar eerder , eene van hetgebergte afhcllende en zich uitbreidende vlakte; naar het bericht van JOSEFUS (f), weltwintig ftadien , dus bijna een uur gaans ,in bet dal groot. — Het heet het dal REFAIM, omdatRefUm, deezen, in vroeger' tijd, aldaar gewoond hebben.Schoon men aangaande de af koomst deezcrRefaim geen bericht heeft, vindt men henreeds in Abrahams tijd vermeld (g). De onzenvertaaien dit woord meer dart eens doorReuzen. Het kan zijn , dat de oude inwoonersvan Kanakn in 't gemeen groot van geftaltezijnde (h) , de bewooners van dit dalzulks boven anderen hunner landgenooten waren.— Dit elal lag-niet verre van Jerufalem,;• .. zuid-- rf) W. A. Ë AC ui ENE, Heilige Geographie,I D. BlS. 22 1.(g) Genept XIF: 5. (h) Numeri XIJI: 32, 33.


i SAMUELS V. vs. 17—25. 249zuidwestwaards aan, en ftrekte zich, volgendsJOSEFUS (i) , Loc nabij Bethlehem. Waai'uit wij zien , dat dc Filistijnen David in 'thart van het land kwamen beftooken, en oogmerkhadden , hem den burg Sion te ontweldigen.— Om zulks te doen , verspreidden zij zich verzichaldaar; geheel die vlakte elus aiom bezet-'e t d e nteride. — Ziet daar, David en zijn Rijk dooreenen erfvijand aangevallen , met een magtigleger, dat niet minder zocht, dan Israëls landte verwoesten , deszelfs bchecring onder zichte brengen , en Koning David van den troonte ftootcn. Welk een' fchrik verfprekkie ditover het ganfche land ! Welk eene beproevingwas dit, voor den naauwiijks tot rustgekoomeii Vorst! 's Heeren gunst, aan hembewcezen, de zeege, hem gefchonken, in dcverovering van Sions burg, fchcen hem grootenvoorfpoed en aangenaamen vrede te belooven; maar ziet, het hooge Albeftuur doethem en zijn Rijk , door het blinkend oorlogszwaard, in de hand van een' bitteren vijand,bedreigen en beroeren!WAT ftond David nu te doen? — Wi] David,zouden zeggen: Hij moest met fajffëmanfehèro ^'vaardig optrekken, en de Filistijnen ilaan. —Dan hij vraagt den Heere; ongetwijfeld, door vraagtdienst van den Hoogenpriester, met den Efod^" u "~.• bekleed. En wat ? Zal ik optrekken tegen de §» ' op.Filis- (rekken,(0 Antiq. Jud. Lib. FII. Cap. 1F.Q51


250 XXXIX. L E E R R E D E .Filistijnen ? •—< Maar wat bedenking kon hiertoch op vallen ? Sprak dit niet van zclven ?Men. zou zeggen , ja. Doch was het gevalniet zeer zorglijk ? Wat had David, nu maareven op den troon van gansch Israël geplaatst,bij eenen ongclukkigen uitflag niet tewachten ! De gelegenheid van zaaken ook ,kan het zeer bedenkelijk hebben gemaakt ,wat veiligst ware, tegen den vijand optetrekken,óf zijnen aanval aftewachtcn. Vreemd,des , kan het ons niet voorkoomen , dat deKoning, onder de Godsregeering ftaande , inzoo bedenkelijk een geval , 's Heeren mondtn of de raad vraagt. — Verder vraagt hij : Zult Gijde'ovc^ z e * n mi i M ^ a n d ë e c v e n M a a r? moest hetwinning David niet genoeg zijn , dat God hem bevelzoudegeegafo moptetrekken "? behoorde hij de uitkoomstniet aan den Heere te hebben overgelaaten? In veele gevallen , ja , is zulkshoogst betaamelijk. Maar hier was het Davidniet genoeg,' dat hij, een krijgsheld, vrijheidkreeg, of bevel zelfs, om te Haan. Hij hader belang bij , dat de Heer hem verzekeringgave , dat zijne onderneeming Deszelfs gunstigegoedkeuring zou wechdraagen ; en dpezezou hij hebben, wanneer de Heer hem verklaarde: Ik zal ze in uwe hand geeven.troostlijk 'sHeeren antwoord aan David. Trek.op, zegtn; eZEER bemoedigend, en vol van troost, istlant- ^ EH e e r s ft' l de Filistijnen zekerlijk inw m tzawordt, uwz hand geeven. -* De zoogenoemde God-• i fpraa-


i SAMUELS V. vs. 17—25. 251fpraakcn , bij de verblinde Heidenen, in bedenkelijkegevallen geraadpleegd , gaven , ja,ook antwoorden ; doch die waren meerendeelsverdicht. Maar die van den JEHOVAH, warenwaarheid. Die werden veelal gegeeven,in donkere plaatfen der aarde (k) ; maar's Heeren antwoorden , voor het oog cn oorvan menfchen. Die waren veeltijds flegtsfchrandere gisfingen; deezen, zekere voorzeggingencn beloften. Die waren zoo duister,zoo raadfelachtig, en zoo dubbelzinnig, datmen een orakel noodig had, om het orakel teverftaan (1) ; des Heeren antwoord — gelijkook dit, aan David , is duidelijk , bepaald ,verfcaanbaar : Ik zal de Filistijnen zekerlijk inuwe hand geeven.DAVID,dit Godlijk bevel en troostlijkc Waar optoezegging ontvangen hebbende , draalde nu hi l. dc ". . . . vnandmet, maar trok uit zijne legerplaats op , en aanvalt,kwam met zijn heir te Baal-Perazim.Zoowordt deeze plaats bij voorverhaal genoemd,om eene reden , welke wij ftraks hooren zullen.— Fluks tastte hij de Filistijnen aan ,en Jloeg ze aldaar. — Weinige woorden, maar en /laat.welken befchrijvenden bloedigen dood vanveele duizenden der vijanden ; de heuglijkezeegepraal van David; de aanvanglijke verlosfmg(k) Jefaias XLV: 19.CÓ fide EUSEBII Praeparat. Euang. Lib. IV.Cap. II. III, mm Bk. VOGELSANOII Exttcit.p. 638 feqq.


252 XXXIX. L E E R R E D E .fmg van het benard Israël ; dë fpreekendevervulling van 's Heeren beloften ; en eenentroostlijken grond van hoope , op verderenzegen en heil, van den Heere. •— Welk eeneftof van blijdfchap voör David ! En wat nu ?Schrijft hij •— :gelijk meenig Vorst cn Veldheer, die God niet in erkendtenis hield, deed,— zijne overwinning toe , aan een blind geluk? aan zijn wijs beleid ? aan zijnen heldenmoed? aan de dapperheid van zijn volk ?Neen.Waar°CoJdem e tHIJ geeft den Heere de eer; Die, zegt hijdankbaare erkendtenis , heeft het gedaan.eer geef— Maar heeft zijn, en zijns volks bedrijf,dan geen deel altoos aan de overwinning ?Voorzeker , veel en .groot ; dit ontkent Davidniet.Maar hij erkent, dat en hun beleiden dapperheid , en de gezegende uitwerkingvandezelve , en hunne overwinning ,.. en deivijandennederlaag , van den Heere waren.Trouwends , een Koning , hoe magtig ook ,wordt niet behouden door een groot heir , en eenheld, hoe dapper ook, wordt niet gered doorgroote kracht (m).Het is 'God, die den Koenzulks ningen overwinningen geeft (n). —Nadruklijkmet na- z^n de bewoordingen , welken David getw!of-edingen. < mij nbruikt: De HE ER heeft mijne vijanden voor;i' ;;V^.„ü *" ^aangezicht gefcheurd , als eene fchenr? der,ii ü^4vv^^


2 SAMUELS V. vs. 17—-25. 253wateren. Het Hebreeuwfche woord (o), doorfckeure vertaald, vertegenwoordigt ons hier,eene opening, gemaakt of veroorzaakt in dijk1of dam, door welke eene rivier, of anderevcrfaameling van water, met meer of mindergeweld doorbrcekende , alom zich verfprèidt,en o verft rooming veroorzaakt (p). Tweedingen , derhalven , fchijnt David met deezewoorden aanteduiden. Voor EERST; dat deHeer had befchikt, dat in 's vijands leger verwarringontftond , waar door de benden zichniet in orde en geflooten hielden , maar uiteen geraakten , en daar door aan David gelegenheidgaven , om met de zijnen in 't hartvan het leger intedringen , en hen verder uitelkander te drijven. Ten TWEEDEN; dat deHeer dit, onder zijn oog, en als voor zijnaangezicht, zoo fchielijk en geweldig had teweeggebragt, dat hij met zooveel gemak ,fpoed, en voordgang, het vijandlijk leger geflaagenen verftrooid had, als de wateren,door eene fcheur in dijk of dam doorbreekende, eene laage vlakte overftroomen. — Dathet beftuur der Godlijke Voorzienigheid hierzeer zonderling en fterkst fpreekende geweestzij, blijkt niet alleen uit de bewoordingen,welken David gebruikt , maar ook uit dennaam, welken hij, ter vereeuwiging deezergebeurdnis, aan dit dal Refaim gaf!DusCo) maCr) Vide SCHULTKNS, in Jobum, pag, 19, 2®.


254 XXXIX. L E E R R E D E .Om bet Dus leezen wij: Daarom noemde hij dengeheugenn a a mderzelve plaats: Baal - Perazim ; d. i. ,iuurf n Heer of plaats der fcheuringe. Dit dal dus teeznamhte kenende , als eene plaats , daar de Heer , op^Z-tlij aanmerkelijke wijze, eene fcheuring onderdendie 'plaats vijand had veroorzaakt. — De Ouden, weet? n S ! " P e ' men , waren gewoon , de plaatfen waar iet' aanmerkelijks gebeurde , of dc Heer hen zonderlingM mbegunstigde , met zulk eenen naam tebenoemen, welke het geheugen dier gebeurdnisbij de nakoomelingen bewaarde. De ProfeetJE SAIAS gedenkt in laateren tijd deezennaam , en de reden waarom die thands aandeeze plaats gegeeven werd. Dus fpreekt hij,'s Heeren oordeclen over het ongeloovig Joodendomaankondigende : Want de HEER zalzich opmaaken, gelijk op den berg Perazim, Hijzal beroerd zijn, gelijk in het dal Gibeons ; omzijn werk te doen , zijn werk zal vreemd zijn,en om zijne daad te doen, zijne daad zal vreemdZij n(q). Beide , de berg Perazim , en hetdal Gibeons, koomen voor, als plaatfen, waaideHeer een vreemd , een ontzettend werkwijlecr gedaan had. In het dal Gibeons, weetenwij , dat de Heer het leger der vijf Koningen, voor het aangezicht van Jofua , vcrfchrikte, en hen , in hunne vlugt, meerendcelsdoor groote hagelfteenen verpletterde(r). Er is, wien het waarfchijnelijk voorkoomt,Qti-Jefrias XXVlll: 21. CO Jofua X: 10, h.


2 SAMUELS V. vs. 17—25, 255koomt, dat de Heer door dergelijk eene plaagde Filistijnen hier, aan den berg Perazim, gelegenaan het dal Refaim , voor Davids aangezichtgeflaagen hebbe. Het is zoo , dat dcberg Perazim bij Gibeons dal gevoegd, en beideals voorbeelden van Gods geduchte oordeelenopgegeeven wordende, dit meer of min waarfchijnelijkwordt gemaakt. Doch wij leezener niets van. En daar David elders (s) zegt:God heeft mijne vijanden door mijne hand gefcheurd,als eene fcheure der wateren, fchijntmen hief niet zoozeer aan een' vernielendenhagel, als wel aan eene zeldzaame uitwerkingvan Davids zwaard, te moeten denken.Zou-DAT de verwarring in het leger der Filistijnen, en hunne nederlaag , ongemeen grootCreotwas dervijandenmoet geweest zijn , blijkt ook daar uit, dat nederlaag;zij hunne afgoden aldaar lieten. Deezen haddendaar zifzij in hun leger met zich gevoerd, vertrouwende, dat derzelver tegenwoordigheid hun %edenbunne afinden ftrijd van veel nut zou weezen. —Hoe kwamen zij op het denkbeeld, om hunneafgoden met zich in het leger te brengen ?Israël had, eenige jaaren geleeden , tegen deFilistijnen ftrijdende , de Ark des Verbonds ,buiten Godlij k bevel, en op bijgcloovige wijze,met zich in het leger gevoerd, en grootenfchrik daar door bij de Filistijnen verwekt (t).(s} 1 Kronijken XIF: 11. CO l Samuels /F: 4-9.


ytfi XXXIX; L E É R R E D E .Zouden de Filistijnen , de Israëliërs willendenavolgen, nLI hunne goden met zich in hetleger voeren ? Dat zulks bij afgodifche volkenin gebruik Was , zien wij , in volgendentijd, ook bij de Edomijten (u). — Bijstertp hetverward cn overhaastend moet der Filistijnenpas: veld vlugt zijn geweest, dat zij hunne goden opachterlaaten.het fiagveid , onder de verflaagenen , en inhet ftroomend bloed, moesten achtcrlaaten!Welk een fpijt, voor een volk dat zoo uitermaatebijgeloovig , en aan den dienst zijnergoden zoo zeer gehecht was! —• Wat deed Davidmet die afgoden ? Welken opHij en zijne mannenDavids namen -ze op. David gebood — dus leezen wijhevel verbrandin het Eerfte Boek der Kronijken (v) •— en•worden* zij werden met vuur verbrand. Dus gehoorzaamdehij 's Heeren bevel, door Mofcs. Degefneeden beelden van hunne goden zult gij metvuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeeren, noch voor u neemen; opdat gij daar door niet verjlrikt wordt :want dat is den HEERE uwen God een gr ouwel(w). Zoo befchaamt de Heer, door Davidsdienst, afgoden en afgodendienaars. Metreden merkt men aan, dat 's Heeren Ark, Israëltot ftraf, in der Filistijnen hand gegeeven,en door hun in Dagons tempel geplaatstzijnde , die afgod viel, en verbrooken werd;maarCu) 2 Kronijken XXV: 14. CO 1 KronijkenXIV: 12. (. w) Deuteronomium VU: 25.


2 SAMUELS V. vs. Ï?—zf.maar nu hunne goden in Israëls handen vallen, ziet men die door het vuur verteeren.— Ziet daar dc Filistijnen , in hunne eerfteonderneeming tegen Koning David, gcflaagcn,daar door verdwaasd , en te fchande gemaakt.Ziet daar, Israël verlost, David verheerlijkt,en den ftoel zijns Koningrijks bevestigd.MAAR wat nu ? Blijven dc Filistijnen Degefiaa*ren Filistijnenvoordaan binnen hunne grenzen ? Neen.'Aangezet door hunne reeds gemelde beginfelen,meenen zij door den ongelukkigen uitflaghervattenien eor-'og*hunner eerfte onderneeming verpligt te weezen, om eene tweede te doen. — Daar menzijn wettig eigendom verdeedigt, of poogt teherwinnen , kan herhaalde veldtogt niet gewraaktworden. Maar geweid te hervatten,om onrechtvaardig bezit te verdeedigen , ofte gewinnen , teckent booze hardnekkigheid.De Filistijnen , daar door beheerscht, brengenandermaal een leger te velde. Wanneer ?Sommigen meenen, in het volgend, anderen,nog m het zelfde jaar , • nadat zij geflaagenwaren. Wie zal dit met zekerheid bepaalen?Zoo veel tijd is buiten tegenfpraak verloopen, als noodig was , om hun geleeden verlieste hcrftcllen , en zich tot eenen tweedeninval gereed te maaken. — Zou het bedenkelijkkunnen voorkoomen , dat een volk , zooeng eene landftreek bewoonende, zoo dikwijlsin oorlog, cn nu korts zoo deerlijk geflaagen,zoo fpocdig weder een talrijk leger op deIV. DEEL. R been


2 55 XXXIX. L E E R R E D E .3een brengt ? Zou de ondermijner van het^odlijk gezag der heilige Schriften, hier eeniyQaanleiding vinden, tot voedfel van zijn ongeloof?Geenszins. Men weet dat dit volk,selfs van ouds af, talrijk , en daar bij zeer}orlQgzugtig was. JOSEFUS ook , die dergefchiednisfen zijns vaderlands kundig was, berichtons , dat zij uit Syrien , gansch Fenicien, en van andore volken, hulpbenden metzich hadden (x). Vreemd kan dit niet voorkoomen,daar men in volgende jaaren, waarfchijnciijkin Jofafats tijd , de Filistijnen, inbondgenootfchap vereenigd vindt met de Edomijtpn,Ismaëlijten , Moabijten , Hagareenen,Gebalijten , Ammonijten , en andere volken,faamenfpannende om Israël te verdelgen (z).Jn bet DE Filistijnen dan trokken, na hunne geleedennederlaag , wederom op , en verspreiddenzelfde daizich verfpreidende.zich, als te vooreil, in fat dal Refaim. —• EeneZwaare beproeving , zeker, voor David. Hijzag der vijanden hardnekkigheid, en de boosheidvan hun opzet.. Zichzelven bevond hijhier door in de belemmeringen van eenen nieuwenoorlog ; en zulks in eenen tijd, in welkenhij hoofd en handen vol werks had , omeen gefcheurd Rijk te vereenigen, en een verwardRijk in orde-te brengen. — David, indeeze omftandigheid niets willende doen >vraagt,(x) Antiq. Jud. Lib. VIL Cap. IV. §. i.(z) Psalm LX.XXUI. 6-9.


2 SAMUELS V. vs. 17—25, SL$^vraagt — zekerlijk om dezelfde redenen, en op Daviddezelfde wijze, als te vooren — den Heere wederomraad. Trouwends, zaaken en. bedrij­Jevenkonden gisteren geoorloofd , ja een pligt. Heere.vraagtwcdei om— en heden , zeer bedenkelijk , en ongeoorloofdzijn. — Wat vraagt, David ? Uit's Heeren antwoord blijkt, dat hij - verzochtte moogen wecten , of hij tegen de Filistijnenmoest optrekken. Maar fprak dit niet vanzeiven ? mogt hij den vijand wel dulden inhet Rijk ? moest hij niet, hoe eerder zoo liever, hem poogen te fjaan , cn uit het landte verjaagen ? gaf de voorige overwinninghem daar toe geene aanmoediging ? en waartoe dan den Heere gevraagd ? Maar weetenwij alle de omftandigheden, van tijd, van gereedzijnde manfehap , van ligging van 's vijandsleger ? Is het ook niét geheel wat anders, den vijand , vooral wanneer die vcrfchanstligt, aantcvallen — of, zijnen aanvalaftcwachten ? David vraagt den Fleere. •En wat antwoordt de Heer hem ? Gij zult Die hémniet optrekken , [maar] trek om tot achter hen. hevcelt,ichterGij zult niet optrekken; d. i., Gij zult op der •len vljwdom teFilistijnen leger, zoo als dat voor u ligt, niet''rekken ;regelrecht aanrukken , om het flag te leveren— maar trek om, tot achter hen; d. i., neem,op een' afftand , eenen omweg, tot achterhen heen , om hen van eenen kant te overvallen, daar zij u niet verwachten. Deezen, >pdat hijomweg moest David zoo neemen, dat hij aan' ot ben•.wam, telenoverhen kwam, van tegen over de moerhezienhoomen.'& °-Aan'


,260 XXXIX. L E E R R E D E .de moer­Aan het dal Refaim groeide een aantal deezerbeziën-èoomen.hoornen (&). Men bepaalt derzelver-plaats,ten zuiden van dit dal en van Jerufalem; deszij, die uit liet zuiden van Kanaan naar Sionoptrokken , dit dal der moerbezienboomendoorgingen (b). Het is waarfchijnclijk , datDavid door , of achter dit digt geboomte,zoodaanig met zijn leger moest heen trekken,dat de vijand zijne aannadering niet bemerken, en lu'j hen op het onverwachtst overvallenkon. Zoo wil de Heer, dat menfchen,fchoon zijns dc zegen is , voorzichtig beleid,in het gebruik der middelen , behartigen zullen.— In 1 Kronijken X.1V: 14 , leezen wij,dat de Heer op Daviels vraag dus antwoordde: Gij zult niet optrekken achter hen heenen;[maar] omjingel ze van hoven, en koom tot hen,tegen over de möerbezienboomcn. Dit fchijntïnerkclijk te verfchillcn, van 't geen wij hierleezen. Hier zegt de Heer : Gij zult niet optrekken, maar trek om achter hen; daar : Gijzult niet optrekken achter hen heenen , maar om.fingel ze van boven. Kenden wij de gelegenheidder plaatfen, dc ligging en beweegingender beide legers , en de gefchikte wegen,langs welken David den vijand gevoegelijkkonde naderen ; de overeenftemming deezerbeide plaatfen zou duidelijker te ontdekken zijn.HetCa) J. H. URSINI Jrboret. Diblic. Cap. XXXVI.Cbj Psalm LXXXIV: 7.


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 261Het kan zijn , dat de Filistijnen , toen Davic [met zijn leger ftond optetrckken , zijn opgebrooken , en, het zij om beteren grond tewinnen , of om David in eene hinderlaag tclokken, teruggetrokken zijn; wanneer David.wilde hij hen aantasten , achter hen heetmoest optrekken. Dit verbiedt de Heer :maar gebiedt, dat hij achter hun leger moestomtrekken, cn wel zoo, dat hij hen van boven, van het hangen des bergs , omfingelde.Zeker geleerd Man, vertaaalt de woorden vanonzen Tekst dus : Gij zult niet optrekken,omleidende tot hun achtérfte gedeelte, maargij zult tot hen koomen van tegen over dcmöerbezienboomcn (c). Dus, zeker, koomende beide plaatfen naast overeen.BIJ dit bevel voegt de Heer eene onderrechting,naar welke David zich te gedraagenMet bericht,Loazich , ophad. En het gefchiede, als gij hoort het geruisch hei ge-'uitebvan eenen gang in de toppen der moerbthiénbvomen, dan rep u; want alsdan is de HEER, ',ang iu de'jan eenenvoor uw aangezicht uitgegaan, om het heirlcger''oppen'er moerderFilistijnen te jlaan. •— Laat mij vraagen:! 'ezien-I. Wat is deeze gang in de toppen der moer-' '00men,e gebezienboomen? WaarfchijneJijk is het, dat \ 'raagen.de Heer, in de diepe flilte, en bij het flaapender winden, wonderdaadig in de opperfte takken(c) VENEMA, Bist. Eccl. F. Test. Tom. 1.pag. 478.R 3


%6% XXXIX. L E E R R E D E .ken van het daar ftaande moerbeziengeboomteeene beweeging zou veroorzaaken, welke eengeluid zou doen hooren, als van eenen gang,en aantogt van een heir. •— II. Waar toediende dit ? Het was zeer gefchikt, om denvijand te verbaazen , en in verwarring tebrengen ; even gelijk de Heer , in volgendentijd , de Syriers , ter verlosfmg van het benaauwdSamaria, een geluid deed hooren vanwagenen en paarden , en van eene grooteheirkracht (d). Tevens was het geruisch vanzulk eenen gang zeer gefchikt , om David enzijn volk , hier van verwittigd , tegen zulkeen' magtigen vijand heldenmoed en dapperheidinteboezemen. Uitzicht op overwinning,geeft vuur in het ftrijden. — III. Waarommoest David , op het hooren van dat geruisch, zich reppen ? Wij leezen de reden:Want alsdan is dc HEER voor uw aangezichtuitgegaan, om het hcirleger der Filistijnen tejlaan; waarfchijnelijk , door hen te verfchrikken— door fchrik te verwarren — hun denmoed tc beneemen , en buiten ftaat te ftcllenom te ftrijden en zich te verweeren. Dit tijdftipmoest David waarneemen. Trouwends,op den gefchikten tijd eenen vijand aanvallende, heeft men half gewonnen. — IV. Waartoe die befchikking ? waar toe het veroorzaakenvan dit geruisch ? en waar toe heeft deHeer Davids overwinning aan het befchreeven(d) 2 Koningen Vlh 6.tijd-


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 263tijdftip vastgemaakt ? Immers had de Heerzonder dit, Davids wapenen kunnen zegenen »en hem de overwinning geeven ? Indien wi ialle de omftandigheden van plaats en zaakeivolkomen kundig waren, zouden wij mee:hier van kunnen zeggen. Zekerlijk zijl'sHeeren oogmerken hier bij hoogwijs, en dibeleid voor David zeer nuttig , geweest. DiHeer had, zonder David , den vijand kunneiverdrijven. Maar waar toe was David Koning'en waar toe was hij met zulke groote krijgsgaaven begunstigd ? God wil , in zijnen gewoonen weg , dat de menfchen middelen gebruiken. De Heer had David thands, gelijk vecliandere reizen, de overwinning door zijne wapenen kunnen doen behaalen , zonder deezibezonderheden ; maar David en zijn vollkreegen nu gelegenheid , om overtuigend t


XXXIX. L E E R R E D E .van Ceba gadeflaan. David flocg dc Filistijnen, vanGeba af. Gcba, elders Geba Benjamins genoemd(c), omdat het in dien ftam lag, waseene priesterlijke ftad (f). Zij lag — hetwelk hier meer onze opmerking verdient —ten noorden van Jerufalem. Daar nu der Filistijnenlegerplaats in het dal Refaim , tenzuiden, westwaards, van Jerufalem was, zoovolgt, dat zij , op de eerfte verbijstering ,door het geruisch in de toppen der möerbezienboomcnveroorzaakt, verfcheiden uurennoord waards , verre zijn wechgevlugt, eertot bij David hen kon achtcrhaalcn. — David flocgGczer. de Filistijnen , van dit Geba af, tot daar gijkoomt te Gezer. Dccze ftad , ook Gazer genoemd(g) , cn onder de koninglijke ftedenvoorheen gerekend (h) , was wijlec-r door Israëlop dc Kanaanijtcn veroverd (i) , maarnaderhand door hen weder heroverd, immers,in zooverre zij met die van Efraims ftam aldaarfaamen woonden (k). Zij lag in dienftam , nabij dc noordcr grenzen van Benjamin, naar den kant van dc Middellandiche• Zee;' ccne landftreek, thands in het bezit derFilistijnen. Tot daar toe floeg' David hen.Dit wordt dus hier aangeteekend, om te doenzienCe) Rtchteren XX: 10; i Koningen XV: 22;(f) Jofua XXI: 17. CS) Jofua XF1: 3. R' cl3Hren £ a 9-1 0


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 265zien dc grootheid van Davids overwinning,Ihj flocg den vhigtenden vijand , in dc uitgeflrektheidvan eenige uuren gaans , tot aande grenzen van zijn land. Tevens , om onste doen opmerken, welke de reden was ,waarom dc overwinnende David den vijandniet verder vervolgde. Deeze onder zijne eigenvesting zich bergende , vond hij nietgoed, die plaats, en hen aldaar, aantetasten;wel weetende, dat eene overwinning te verrevoordgezet , de overwonnenen niet zeldenoverwinnaars maakte van hen , die de overwinningop hen behaald hadden.D1 T was eene gebeurdnis, voor David vangroote aangelegenheid ! God gaf daar dooreen fpreekend bewijs , van zijne zorge tengoede van dien Vorst, en wel op zulk eenewonderbaare wijze, en met zulk eene ontzettendeuitwerking , dat ze bij de nakoomelingfchapnog met verbaazing gedacht werd. Dusleezen wij bij jefaias, daar die Profeet Godszwaare oordeclen over het Joodfche Volk bedreigt: Want de HEER zal zich opmaaken,gelijk op den berg Perazim (i). — Groot ookwas de roem en achting , welken David alomdaar door verwierf. Alzoo — dus leezen wijin 1 Kronijken XIV: 17. — alzoo ging Davidsnaam , de roem van zijne dapperheid , voorfpoed,en overwinningen, uit, iji alle die landen,(0 ^faias XXVII/: 21.R5Cebejirdnis,voorDavidvin grooteaangelegenheid.En hemtot veelroem.


266 XXXIX. L E E R R E D E .den , welken om Kanacin gelegen waren ; ditbaarde hem eene achting , zoo algemeen alsgroot. En de HEER gaf daar door zijneverfchrikking over alle die Heidenen ; zoo datDavid hun ontzaglijk werd , cn zij fchroomden, hem tc beleedigen , Israël te ontrusten,of iet vijandlijks tegen Vorst of volk te onderneemen.— Welk eene verandering ! Voormaar weinig jaaren, was Israëls regeering zonderklem of kracht, hun Koning veracht, hetland den vijand ten roof, cn het beste gedeelteder ingezetenen , zij vooral die denHeere vreesden , de voorwerpen van vuilcnfpot, en hoonende verguizing. En nu zietmen dc regeering in leven en luister, denKoning geëerbiedigd en ontzien, het land verlosten beveiligd, de harten der naatfij in 'tgemeen , onderling vereenigd , en de godvruchtigenverblijd, 's Heeren Tabernakel,'sKonings hof, dc fteden cn dorpen, bergenen dalen, weergalmden van Godverheerlijkcndc, den Koning dankende , en eikanderen gclukwenfchendelofgezangen!ZULLEN beklagers van Davids eer, hem,bet ongelooftewegens deezen oorlog , teekenen , als een'man die , bloeddorstig , in menfehenmoordvergeefspoog! te vermaak fchiep ? Maar waarom doemt menbexKcüketi.in den vroomen David , het geen men in on-^eloovige en godlooze Vorsten als heldhaftigroemt ? Indien Saul zuike overwinningen behaaldhad , men zou zijnen lof helpen uitba-


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 267bazuinen. —• En wat heeft men op deezeveldilagen van David toch te zeggen? Warende Filistijnen geene erfvijanden van Israël ?hadden zij niet verfcheiden fteden van Israël,na den flag op Gilboa , in bezit genoomen ?Hebben zij deezen oorlog niet eerst begonnen? heeft David hen wel aangevallen , andersdan op 's Heeren uitdrukkelijk bevel, cnmet zichtbaare blijken zijner magtige hulp,en gunstige goedkeuring? •— David toont, opeene lofwaardige wijze, dat hij aan het eindezijner roeping beantwoordt. Aldus toch hadde Heer gefprooken : Door de hand van Davidmijnen knecht , zal ik mijn volk Israël verlos/enuit de hand der Filistijnen (m). Wie Daviddeswegens fmaadt , die toont het hart vaneenen Filistijn te hebben.B. Dus zagen wij de Filistijnen, David Uit deezeen zijn Rijk bij herhaaling bcoorloogende, en fl'flfe fiaatons te keten,dien Koning , op 's Heeren bevel , bij herhaalinghen luisterrijk overwinnende. — Watftaat ons hier te leeren?K. VOOR EERST: „ Dat de uitneemendftc Dat alle„ gelukftaat in de weereld , blootgcfteld blijft %etuk-(laat in de„ aan verontrustende moeilijkheden,. en ver-weereld ,„ derfdreigenden ftrijd". — David is nu Ko­aaning over het ganfche Rijk, en gerust bezit­blootge-moei'Ujkbeid ister van Sion; — de naatfij is vereenigd , en leld. -in(m) 2 Samuels III: 18.


Edomszonde,hebbe te•siacbien.268 XXXIX. L E E R L E D E .in het genot van vrede en voorfpoed. Welkeene eer ! welk een geluk ! Maar weldraawordt Vorst cn volk door vijandige Filistijnenaangevallen , en hun gelukftaat geftoord , enin gevaar gebragt. Zulks zag men meermaalen,en is voorheen reeds aangemerkt. .— UitEn hoezeermenzich tegei thct gedrag der Filistijnen moeten wij leeren,nijd, toch te waaken tegen boozen nijd , en deszelfsheillooze uitwerkfelen. Deeze dreef deFilistijnen , om het nu gelukkig Israël boosaartiglijkte beftooken. — Het is zoo, elkenaatfij heeft het recht, om haare welvaart ,op betaamclijke wijze, en door wettige middelen, te bcvoorderen. Maar, met Edom, Judaasmeerderen' welvaart en grootere magt tebenijden , en door nijd zich te laaten vervoeren, om of heimlijk , of openlijk, dczclven,ter bevoordering van eigen belang, te helpenondermijnen cn verwoesten , is eene zonde,waar door men Gods opperhoogheid belcedigt, en zijne uitdrukkelijke Wet fmaadlijkDaar achter den rug werpt. Of meent men , datGods ff-'e, ' die Wet , ja , wel werkt tusfchen burgerendie verbiedt; van eene en dezelfde maatfehappij, maar nietten aanzien van naatfijen en naatfijen ? Uitde handel wijzen die men mcenigmaal ziet, cnuit het verdeedigen dcrzelven , zou men bijkansbefluiten , dat zulke denkbeelden bij onderfcheidennaatfijen wederzijds gekoesterdwierden. Dan hoe dwaaslijk! Geeft God zijneLiefdewet alleenlijk aan leden eener maatfehappij, met verpligtingj om die ten aanzienvan


2 SAMUELS V. vs v17—25. 269van medeleden te oefenen ?. of geeft Hij zeaan menfchen, om die omtrent medemenfehenin acht te neemen ? Ja maar, zegt men, anderenaatfijen benijden ons. Dit zij zoo;maar veroordeelen wij dit niet, als onbetaamelijk?of meent men, dat het ons vrijftaat,het geen wij als kwaad in anderen afkeuren,zelf te doen? •— Het is zoo, men meent zijn en ze onseigen belang dus best, en even daarom billijk,te bc^oorderen. Maar leert de bevindingverderfli'jkis.niet, dat 's Heeren vloek , om deeze zondeaan Edom bedreigd en uitgevoerd , ook dienaatfijen , welken Edom in deeze zonde navolgen,door Gods rechtvaardig oordeel zichtbaartreft ? .Zag men niet dikwijls hen , dieuit nijd anderen zochten te verderven, zeiveneerst en meest verdorven worden ? Nijd, enverkeerd eigenbelang , dreeven den Filistijn ,om Israël tc beftooken ; en Gods billijkewraak deed hem, tot twecmaalcn toe, gevoeligen vernederend flaan.ELK mensch, elk huisgezin, elke ftad, elklandfehap, elke naatfij, is vcrpligt, door wettigemiddelen , en op betaamelijkc wijze , zijnenwelvaart cn voorfpoed te behartigen •maar nijd over eens anderen gelukftaat tevoeden, en uit dat beginfel te arbeiden omdien te ondermijnen, is niet menschlijk, maarduivclsch ; en de vrucht van zulk een fnoodbeftaan, is mecnigwerf, dat men, dus'rijkdombejaagendc , arm wordt — magtig willendewor-


27o XXXIX. L E E R R E D E .worden, in onmagt bezwijkt — naar hoogheidhijgende, ter helle nederdaalt. Och! datChristenen waarlijk Christenen waren! menzou dan meer cn beter gelooven , dat godzaligheideen groot gewin is , met vergenoeging; dan, voorzeker, zou men om een weiniggouds niet zooveel bloed vergieten , nochin het nijdig bejag van gewaande grootheid ,zijne kostelijke ziel in den afgrond des verderfsftorten.Gelijk DAN dit onderwijs leert ons ook , in demen ook, dingen van den tijd , zelfs de besten, niet tein voorfpoed, zoeken , noch van dezelven te wachten , hetgeen er niet in te vinden is. — Hoe gelukkigis David thands, en Israël met hem! Maarwat gebeurt ? Al ras dreigt een invallendevijand, een' ftroom van veel ongeluk en rampenalom uitteftorten. Hoe dwaas , in hettegenvleesebiijkegegenot van voorfpoed , ligtvaardig tc zeggen:Mijne ziel, neem nu ruste! Terwijl gij zachtrustbesd1te waaks, flaapt, fmcedt misfehien een Filistijn zijn wapen.Zonder God , is in wijsheid geen raadbeeft-.: in magt geen befcherming — in vredegeen gerustheid — in geluk geen geluk tevinden. •— Gods Kerk ook , cn kinderen ,fchoon in hunnen wezenlijken ftaat gelukkigcn veilig , moeten er wel op bedacht zijn,dat het genot van meer uitwendige rust envoorfpoed, hoe wel, naar uiterlijk aanzien,gevestigd , ftceds belaagd, en, eer men zulksdenkt, niet zelden beroerd cn geftoord wordt.'s Hec-'


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 271*s Heeren Israël , in druk en ftrijd zijnde,moet geloovig hoopen op 's Heeren heil; maarniet minder, in rust en voorfpoed leevende,zich in gereedheid houden, om ftrijd en drukgcmocdigd aftewachten. Te meer,D. EN dit is het TWEEDE dat wij hier Ook zienopmerken , „ dewijl de welvaart van Gods •mij, datde welvaartvanv v o J k 5 de terging is van deszelfs vijanden".Israëls welvaart, ontfteckt der Filistijnen haat Gods volk',de tergingin felle woede. Is het dan wel wonder —- ik 15 vanzal mij flegts bij dit ééne bepaalen — dat deszelfs >vijanden.ook den tcgenbceidigen David en zijn Rijkzulks wedervaart ? De aartsvijand zag nimmerde waarheid van het zalig Evangclij metzegen voordplanten, of hij verwekte een'drom van dwaalgeesten. Werd de eer vanGod en den Godlijken Middelaar, cn die vanden waaren Godsdienst, verdeedigd; voorftandersvan bijgeloof poogden al ras de Kerk teoverftroomen. Wandelde 'sHeeren gemeente,gefticht en getroost , in vrede ; eene bendetwistftookers arbeidde , om het vuur vantweedragt alom te verfpreidcn. Werd waaregodzaligheid geleerd , ernstig aangepreezen,en voorbeeldig beoefend ; ftraks verzettenzich godloozen en godloosheid, door boos gewelden vuilen laster. Hoe dikwijls werd hetKoningrijk van den Godlijken David , hier ofdaar kenbaar voorfpoedig zijnde , door gewapendebenden van den Antichrist overvallen,en bloeddorstig vervolgd ! Welk Koningrijk,welk


2-/2 XXXIX. L E E R R E D E .welk landfchap , daar die Filistijnen kondeninbreeken , of heerichappij voerden , is nietbezoedeld met het onfchuldig bloed van 'sHeilandswaare kerkleden ? bloed , dat met gehceleftroomen alom vergooten is ! — EnJaar het geweld der vervolgingen meer ofmin beteugeld wordt, zoekt dc ongelukkigeVrijgeest , vergramd tegen de heilige Waarheid, en niet beftand tegen haare kracht,door vuilen fpot haar te verftompen, de hartender menfchen tc verpesten , cn den bloeivan Jefus Koningrijk te belemmeren. Dewelvaart toch van 's Heeren volk, is de terginghunner vijanden.IVaar tegenmenGAAT het 's Heeren Kerk in het gemeen,of eenig gedeelte hier of daar, in het bezon-'zich te•wapenen der, wel; groot, zeker, is de ftof van dankzegging, en reden tot blij genoegen. Dochheeft.noodig is het, dat 's Heeren volk gedenke —-dat hunne vijanden, even daar door, vijandigerworden •— dat ze nimmer te vertrouwenzjj n.— dat waaken cn ïbidden des Christcnspligt is — cn men dan meest te zorgenheeft , wanneer men meent dat vrede cnwelvaart best beveiligd zijn.Ook leerenwij',y. LEEREN wij hier, ten DERDEN: „ WijB„ zijn verpligt, in alle onze onderneemingen,dat wij ialle en. „ vooral in zeer gewigtigc , naar 's Heerendsrneemingen„ wil te vraagen". •— Wij hebben gehoord,den Heei awat David deed. —- Voorheen is ons dit/ onder-


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 273tmderwijs reeds voorgekoomen, doch in eene noeten•aadandere gelegenheid. Hier is Davids vraag, vraagen jniet , of hij in Kehila blijven , of die ftadverlaaten zal; of, naar welke ftad van judahij zal optrekken : dit waren zekerlijk zaakenvan bedenkelijkheid. — Anders was thandshet geval. De Filistijnen vallen met een legerin het land ; en wat nu te doen ? Menzou zeggen : „ David moet, zonder bedenkenof draalen, tegen die vijanden optrekken; hierkoomt wel te pas , te bidden om zegen inden ftrijd, maar geenszins, te vraagen:.,, Zal,, ik optrekken?" — Thands daar hatende, 'jooral inhet geen David, in dien tijd, in het Godsrijk; 'ledenke-'ijke om-had in acht te neemen ; zal ik, ons tot on-., landig-bedemderwijs, aanmerken, dat er meenigvuldige gevallenzijn , in welken wij ligtlijk kunnenweeten , wat ten aanzien van dc hoofdzaakonze pligt is, doch in welken de tijd wanneer, de wijze op welke , en de middelenwaar door , zeer bedenkelijk , en van grootgewigt zijn; Voorbaarig , onbedachtzaam,- -enftout hier in te werk gaande, kan men zijnenpligt zeer onpligtmaatig uitvoeren ; maar ookeven daar door , meer kwaads dan goedsdoen , en aan de beste zaaken veel nadeel enfchade berokkenen. Met voorbeelden dit tebewijzen, is niet zeer nooelig.OCH! dat wij leevendig geloofden, dat bij' ! IFc lkeen' mensch zijn weg niet is , noch bij eenen 1 oogst beaame lijkinan die wandelt,. dat hij zijnen gang richte !«[., IV, DEEL. S — dat


274 XXXIX. L E E R R E D E .— dat wij omzichtig waren, om wel te Ieten",hoe Wij in alles den Heere welbehaagelijklmllen wandelen, en onder bedachtzaam achtjeevenop alles wat ons voorkoomt, ernstigI] eerden bidden , dat de Heer , door zijnen( jeest, hartbeftuurende genade, cn wegwijzen^< le Voorzienigheid , ons in zijnen weg lcide 1£n zien wij van achteren ,' dat wij op juisten;ijd en wijze iets ondernoomen , gezegd , engedaan hebben — zien wij dit met gewensch-;en uitflag bekroond; dat wij zulks niet aandgen fchranderheid , vaardigheid , en moed ,maar aan den Heere, en zijn gunstig beftuur,^oefchrijven, en zijner goedheid danken, voorle eer , dat wij een werktuig in zijne handrnogten zijn , om iets ten goede te doen.Uit Hem, door Hem , en tot Hem zijn alledingen \Ook , dat *T. LEEREN wij hier, ten VIERDEN:Ctd door „ Door middel van ftrijd , wil God zijn volkmiddelvan flfiid, „ veiligheid , vrede , en zegen befehikken".zijn volk — De Heer had der Filistijnen boosheid kunnenbreidelen; Hij had hen, eenmaal geflaagenaan veiligheidennegen zijnde , door fchrik en vreeze kunnen terugbclpt.houden , van eenen nieuwen aanval te ondernee-men.Maar zijne wijsheid vond goed,zulks door herhaalden ftrijd te doen. — 1Ditis nog 's Heeren weg. Vestigen wij onze aandachtthands op 's Heeren Kerk en kinderen.Vijanden , gelijk wij zoo even zagen, hebbenzij altijd , en alom. Strijd ftaat dagelijks hunte


i SAMUELS V. vs. xJN*2$. 275te wachten. En hoe dikwijls ondervonden zijde fmertende woede hunner vijanden ! Hetbnverftand zöü kunnen vraagen: Waarom iaatde Heer zulks toe ? Waarom beftuurt Hijzelf een beleid , zoo vijandig tegen de voorwerpenzijner liefde ? Waarom doet God zijnvolk niet beftendig in vrede wandelen j eh gerustwoonen, als in eene plaats des vredes ? —Veel was hier op te antwoorden ; doch ditééne zal ik thands maar aanmerken: Indien God Eti vulkizijne Kerk en kinderen veiligheid, vrede, en mijslijhzegen , zonder tusfchcnkoomst van ftrijd,deed genieten ; waar toe zou hun dan dienende ontvangen genade des geloofs j des gebeds,des vertrouwens ? Zou Abraham zijn geloofalzoo hebben kunnen oefenen, indien hij nietware beproefd geworden ? Zou Jakob alzoohebben kunnen worstelen in het gebed, indiengeen moordzugtige Efau gewapend tegenhem ware opgetrokken ? Zou een Mofes, met een zoo God verheerlijkend vertrouwenj hebben kunnen zeggen : Vreest niet;fiaat vast, en ziet het heil des HEEREN,dat Hij heden aan u doen zal; indien hij en Israëlde zee niet van vooren, de Egyptenaarsvan achteren, cn het gebergte ter zijden varizich gehad hadden (n) ? Hoe zou Gods volk,zonder ftrijd , en zonder vijandlijken aanvalte ondergaan , de duidelijke bewijzen vanla Heeren bewaarende" zorge, magtige befcher.(n) Exodus XIV: 1-14.$ 1


En dat p. MERKEN wij, ten VIJFDEN, op:Gods betufteder„ Gods beloften van redding uit nooden , enmenfchen „ dc zekerheid dier beloften , fluiten 's menvlijtniet „ fchen oplettendheid en vlijt niet uit". —'nafluit.David had • belofte , dat de Heer voor zijnaangezicht zou uitgaan, om het heirlegcr der


2 SAMUELS V. vs. 17—25. 277En hoe meenig, die in zaaken van Godsdienst heeft ;zoo aanen eeuwig belang , zichzclven niet kennende, dei: eenenvan eigen verftand de waare wijsheid, van kant,eigen krachten hunne deugd , van eigen werkenhunne gerechtigheid voor God, verwachten!. niet waarlijk erkennende , de noodzaaklijkheidvan 's Gecstes verlichtende en hartveranderendegenade , bij aanvang en voordgang;noch de noodzaaklijkheid van eene gerechtigheiddie uit God is , door het geloofin den Heere onze Gerechtigheid. Zulkemenfchen zijn waarlijk — och ! dat zij hetrecht befeften! —• verwerpers van den tegenbccldigenDavid, van zijne genade, en heilrijkEvangelij!AAN den anderen kant, vindt men menfchen, die zeggen, overtuigd te zijn van hun'. len ande-}/s aan\"/7 Tonvermogen , en van hunne af bangelijkheidvan den Heere , van zijne genade en zegen;maar die tevens, of door af keerigheid desharten, of uit traagheid, of onverfchillighcid,of verbijstering, door misleiding veroorzaakt,hunnen pligt veelszins verwaarloozen , achtloosdaar in te werk gaan ,. of wel, dien geheelverzuimen — en dan , bij ongelukkigeuitkoomst van zulk een beftaan en gedrag ,de befchuldigingen van hun geweten poogente beantwoorden met deeze taal: „ Als Godzijn' Geest, genade, cn zegen onttrekt, moe.ten wij, die onmagtig zijn, ons daar aan onderwerpen".Hoe verkeerd! hoe verderflijk! —S 3Wil.


Verder,dat hetgeen .•waar opmin huitenGodvertrouwt,iit noodbegeeft.lp XXXIX. L E E R R E D E .Willen wij het onderwijs van 'é Heeren Woordvolgen, en in weg én werk voorfpoedig zijn ,ian moeten wij , aan den eenen kant, onzevolftrekte af hangelijkheid van den Heere , enons eigen onvermogen, waarlijk erkennen, enzoo op den Heere zien, en van zijne genade,Geest, en zegen alzoo afhangen, dat wij metons gansch beftaan erkennen , dat en in hetgodsdienstige , en in het natuurlijke , nochonze zorge , noch onze arbeid , noch Godsgaaven , zonder zijnen zegen , ons ten goedekunnen of zullen gedijen. Dan moeten wij,aan den anderen kant, zoo oplettend, zooernstig, zoo vlijtig werkzaam zijn, in het behartigenvan den ons voorgefchrecven pligt,als d!e daar door het gewenscht en betaamelijkeinde moeten bereiken, Dit doet biddendwerken, en werkend bidden.-I HEBBEN wij gezien, dat de Filistijnen,geflaagen wordende , hunne afgoden op hetflagveïd lieten, en David die opnam, en deed.verbranden ; wij leeren cr uit — en dit zijonz" ZESDE aanmerking : „ Die dingen, opwelken menfchen zich buiten God verlaa.-" ten zullen in nood hen begeeven, en ten" roof worden". — Veelal, bezonder in tijdvan nood , wil elk iets hebben , waar op hijuitzicht vestigen, hoope gronden, en vertrouwenkan; en dit is niet te wraaken. Maarwie , en wat is het, dat men hier verkiest ?— De J Filistijnen voerden hunne afgodsbeelden


2 SAMUELS V. vs. JJ—25. 279den 'met zich in den ftrijd ; hulp van dezelvenverwachtende. Wij beiagchen hun onverftand.Maar doen veelen, die Christenen Dwaas isheeten, wel beter ? Wat bijgeloovige en afgodiichedwaasheid ziet men niet in de Roomwen;zulk eenver /roufcheKerk, daar men' grootere of kleinere gewijdebeelden , zoogenoemde overblijffels vanheiligen , als beveiligers tegen , of verlosfersuit nooden en gevaaren, met zich voert; ofde heiligen zeiven ter toevlugt, en ten voorwerpvan vertrouwen ftelt (o) ! — De wijzeCo) Onder duizende voorbeelden, is alleraanmerkelijksc,het volgende , en 't welk zonder droefheiden verontwaardiging niet kan nagedacht worden.LODEWIJK de XIIL (lelde, in den jaare1638. zijn' perlbon, zijnen Staat, zijne kroon, enonderdaanen, plegtig onder de befcherming der heiligeMaagd. Welligt verfchoont men dit, uit aanmerkingvan dien minverlichten tijd. Maar watmoet men denken, wanneer men LODEWIJK denXV. eene eeuw laacer , in 't jaar 1738. door zijnganfche Koningrijk, het Eeuwfeest van deeze gebeurdnisziet vieren ? en zulks met een' allerplegtigftenOmmegang — bij vernieuwing, de heiligeMaagd voor bezondere Patroonesfe van zijn Rijkerkennende! Wat moet men denken, wanneer menleest, dat de Abt DESCOKS, in eene openbaareleerrede, bij die gelegenheid te Straatsburg gedaan,goedvond te zeggen: dat LODEWIJK de XHI. enXIV. in die ftad de zeegepraalen hadden opgerechtvan • hun vertrouwen op het Middelaarfchap vanMaria ? — Wij erkennen Maria re zijn begenadigd,en gezegend onder de Trouwen; maar moeten•ns bedroeven over zulk eene afgoderij. — MenS 4ziein


iZö XXXIX, L E E R R E D E.in zijne eigen oogen , ftcunt, met den Vorstvan Tyrus, op zijn vorftand. •— De rijke ,zijne fchatten overziende , zegt, wat gevaarhemook mooge dreigen: Ik heb geld; en datverantwoordt alles. — De fnoodaart, gewoonhet bedrog te baat te nccmen , ftelt zich ,met de beheerfchers van Jerufalem, de leugenter toevlugt (p). — ;Die afvallen om eenenraadflag te maaken, maar niet uit den Heere,en om zich met eene bedekking te bedekken,maar niet uit 's Heeren Geest ; om' zonde dustot zonde te doen— neemen hunne toevlugtonder de fchaduwe van Egyptcn (q). — Hoemeenig kranke , ftcunt met Afa , den Heereniet zoekende , op den medicijnmeester (r)!\ De verblinde en zich vleiende zondaar,aan dood , oordeel, en eeuwigheid denkende,vertrouwt op Gods barmhartigheid, die hijniet kent; op zijne gewaande deugd, die, welbezien, ondeugend is, cn hoe ze ook zij,geenen fteungrond kan geeven; op zijn hart,dat bedriegclijk is ; op zijne godsdienstigheid,die zonder geest en leven is ; of ook, op in-,beeldingen en droomerijen, die ijdel zijn.e»ïchade-Dus heeft elk zijne befchermgoden , zijnetoevlugt, en grond van vertrouwen. Maarhoezie over het zoo even verhaalde , den Europifcbeo,Merkurius, JI f>eel. Blz. 96, 150-153-GO 55*M" XXVlll: 14, 15. (q) Jefaias XXX: :ij a (O 2Kronijken XVh icu.


i SAMUELS V. vs. 17—25.' 281hoe rampzalig ! ' Wat heil heeft men toch, innooden , van deezen te wachten ? Even hetzelfde , dat de Filistijnen hier ondervonden,ZulÊ eene hulp, geheel hulpeloos zijnde, verlaathen die op dezelve vertrouwen ; en deezen,zich verlaaten ziende, verlaaten de voorwerpenhunner toevlugt — doch meestal wan,neer het te laat is. En wat baat het, dit allesvoor dc mollen cn vledermuizcn tc werpen, "wanneer men zich , van wegenedenfchrik des Heeren , en van wegen de heerlijkheidzijner Majesteit, in de reeten der rotsen,en in de klooven der fteenrotsen moet verbergen(s) ? — Dan hoe rampzalig dit ook is Fooralin den tijd , cn met betrekking tot het geen voor de.eeuwig-,tijdlijk is ; van oneindig meer gewigt is het,beid,ten opzichte van onzen eeuwigen ftaat! Veelkan men in de weereld verliezen ; maar watheeft het in zich , zijne ziel voor eeuwig teverliezen ! Befchaamd , in het een of ander,bij menfchen uittekoomen , valt fmertlijk;maar wat heeft het in zich , befchaamd teworden voor de eeuwigheid, cn in de eeuwigeheid ! Waar is dan toevlugt, raad , troost,of hulp te vinden ? — Neemen wij, .WaardeHoorders, dit toch ter harte ! Verlaaten wij,het geen ons voorzeker verlaaten zal; en zoekenwij toch , in den aangeweczen weg , heil\en veiligheid bij Hem, in Wien alleen gerechrtigheden cn fterkte zijn!(s) Jefaias II: 19.. S 5 ,T. HEB--


282 XXXIX. L E E R R E D E ;Ook, dat T. HEBBEN wij gezien, dat wegens deezeblijkenvan Gods overwinning en verlosfing , Davids naam uitgingin alle landen, en de Heer zijne verfchrik-gunst ,beerli'kking gaf over alle Heidenen ; wij leeren erbeid opzijn volkleggen.fVairvan bptdi oeviggemiszeer tebeziigte,'is;uit — en dit is onze ZEVENDE aanmerking— „ Blijken van Gods gunst tot en over zijn„ volk , leggen heerlijkheid en luister op het„ zelve." — Het Koningrijk van den tegenbeeldigenDavid , is zoo wel , en nog meer ,het voorwerp van vijandfehap , en fmaadlijkebefpottingen en vervolgingen, als dat van denvoorbceidigen David. Geweldig kan dit zijneonderdaanen benaauwen, hen laag in de weereldvernederen , en droevig ontluisteren.Mecrmaalen hoorde men Gods Kerk wecnendezeggen: Wij zijn onzen nabuur en een fmaadheidgeworden, en een fpt en fchimp , den geenendie rondom ons zijn (t)! — In hoe verreJefus Koningrijk thands in dien toeftand verkeert, zullen zij kunnen beoordeelen, dieweeten, hoe de Evangelijwaarheden, de vas*tigheden van zijnen Troon , niet flegts heim-Hjk ondermijnd, maar fel beftreeden , enopenlijk verguisd worden. Hoezeer een levenen wandel, onwaardig aan Koning en Koningrijk,onder belijders van allerlei rang,aIommc.plaats heeft ; zondige twist cn tweedragt deharten verdeelt, cn de heilige bediening, hieren daar, ergerlijk ontluisterd wordt. En hoefchaars men blijken ziet, van wezenlijke(CO Psalm LXXIX: 4.vrucht


2 SAMUELS V, vs. 17—25. 283vrucht op de verkondiging van het Woorddes Koningrijks , tot bekeering van menfchen.Dit alles moet hen, die iets vanden toeftand der Kerk weeten, weenend doenzeggen : In veele opzichten, is de eere wechgevoerduit Israël}O c H 1 dat de Heer opftond ,fen over Sionzich ontfermde ; zijne knechten met heiligenijver en moed bezielde ; de wapenen zijnesKoningrijks zegende ; vijanden , tot hunneeeuwige behoudenis wilde overwinnen, of bedwingen; Jerufalems gerechtigheid deed vooixlkoomenals een glans , en haare gercchtigheklals een fakkel die brandt; en dat de naamvan onze gemeente in kracht mogt wcezen;Dc HEER is aldaar!INTUSSCHEN, daar eer en roem uit en maarbij menfchen, niet zelden bejaagd wordt door welks, geiotbillijkfchandelijke middelen, en toegezwaaid wordt,' boog moetof door onkundigen, of door laffe vleiers, of/ \efehatworden.door zoekers van eigen belang ; zal hij, dieden Heere vreest, en des waarlijk wijs is ,zulk eene eer en roem ontwijken; wel weetende, dat waare eer uit dien God is, dieeert de geenen die Hem eeren, — Geeft Godhem eer bij, en door middel van menfchen ;ootmoedig brengt hij die weder tot denHeere. Met zulk eene eer begunstigd, kapde godvruchtige Christen 's weerelds fmaad,der dwaazen fpot > en der boozen laster geduf


Eindelijk,dat Godfijkeveriosfi'ngendankbaartnoettngedachtworden.284 XXXIX. L E E R R E D E .duldig draagen , en blijmoedig zingen : Gij,HEER, zijt een fchild voor mij , mijne eere,en die mijn hoofd opaeft (u)!n, LAAT mij eindelijk dit nog aanmerken:Noemde David den naam der plaats , daar dcHeer den vijand voor zijn aangezicht gefcheurdhad, Baal - Perazim ; wij leeren eruit: „ Godlijke verlosfmgen en weldaaden ,„ moeten in dankbaare gedachtenis gehouden„ worden". — Onze vcrpligting vordert dit.Het lecvendig geheugen van ontvangen gunsten, geeft eene blijde vernieuwing van diezelfde gunsten, verwijdert het hart, geefttroost in druk, en in donkere dagen, die koomenkunnen , grond van hoope op 's Heerenheil. — En welke verlosfmgen heèft het Vaderland— welke uitreddingen Gods Kerk •—•welke gunstige uitkoomsten uit zwaarigheden,hebben wij elk, ten aanzien van onze huizen,van onszelven , en van de onzen , niet tegedenken! niet dankbaar te herdenken! — Engij, geloovig Christen, door Davids Heer zijtgij verlost, met eene eeuwige verlosfing; verlostuit de hand uwer bittere vijanden — vanvijanden, die niet minder dan uw eeuwigCu) Psalm III: 4.verderf zochten. Godlijke Almagt heeft , uten goede, eene fchcure gemaakt , waar dooideftrik is verbrooken , gij ontkoomen zijt,en den naam draagt van Verlosten des HEE­REN. Gedenkt, wat de Heer gedaan heeft;waar-


z SAMUELS V. vs. 17—25. 285waar toe de Heer u verpligt'heeft; waar inuw heil gelegen is. — Leeft gij nog inftrijd ; dreigt u de grimmigheid des benaauwers•— hoopt dan op den Heere uwen God;want bij den HEERE is goedertierenheid, enbij Hem is veel verlosfing (y). — Zing, oChristen , fchoon van vijanden omringd, vangoeder harte:God geeft zijn gunstvolk moed en krachten;Hij zal, in weerwil aller magten,Zijn' Rijks gezalfden ftadg behoeden.Red,Heer, uw Isrel uit al 't wveden:Geef zegen aan uw erve, en weidUw volk; verhef ze in eeuwigheid (w).Amen!Voormiddag , den 25 vanHooimaand, 1773. in deGroore Kerk,(v) Psalm CXXX: 7.Qw) Berijmde XXVIII Psalm, vs. 6,XL,


1&6 XL. L E E R R E D E .XL. L E E R R E D E ,a SAMUELS XXIII. vs. 13—17.13. Oock gingen af drie van de dertighHoofden, ende quamen in den oogst tot David,in 'de fpeloncke Adullam: Ende der Philistijnenhoop'hédde fich gelegert in den dale Re*phaim.14. Ende David was doe in eene vestinge:Ende d


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 28?DE voorgeleezen gebeurdnis is, gelijk wijD e e z e g é.hoorden , voorgevallen , toen David in heurdnitde fpclonk Aduliams was , cn de Filistijnen^^zich gelegerd hadden in het dal Refaim. Maar vatkn',in welk tijdvak van Davids leven moeten wijdezelve plaatfen ? — Er is , die meent , indat gedeelte van zijn leven , toen hij , alsballing, wegens Sauls vervolgingen, zwervenmoest; en wel in dat tijdperk van zijnéballingfchap, wanneer hij , uit Gath ont*koomen zijnde, eene fchuilplaats in zijnVaderland zocht. En het is zoo, toen,leezen wij , ontkwam hij , in de Jpehnk Aduliams(a). Toen kwamen aldaar tot hem *behalvcn zijns vaders huis , veel manfehap ,tot vierhonderd in getal ; en buiten twijfelwaren onder dezelven dappere helden. Hetkan niet vreemd voorkoomen , dat David ,zich aldaar , en dus niet verre van Bethlehem, bevindende , lust kreeg , om water tedrinken uit Bethlehems bornput. Vreemdkan het ook niet voorkoomen , dat eenigenvan die manfehap, Davids uitgeboczemdebegeerte verftaande, en hem blijken vanhunnen moed en dapperheid willende geeven ,het gemelde water, met levensgevaar, gehaald,en tot hem gebragt hebben.(3) 1 Sawaets XXII: j r


£S8 XL. L E E R R E D E .fikt, ten ECHTER fchijnt het ons, op het voet'jjilJ"" fpoor van JOSEFUS (b) , toe, dat deezeballing- gebeurdnis behoort geplaatst, te worden infi hap • dien tijd , toen David, over gansch Israëlwuartoen ' , ° .JA*;;/.vij Koning geworden , cn den burg Sion onderzijne magt gebragt zijnde , door [ dc Filistijffr*ë/w«pene v e rwerd beoorloogd; gebeurdnis, welke wijgewori/en.fa onze naastvoorgaande Leerrede behandeld,hebben. —• Immers , wanneer men het zooeven voorgelcczene wel nadenkt, ontmoetmen bezonderheden, waar van wij geen' voct-ÏÏap vinden in het cerstgemelde geval — jazulkcn , die daar mede niet fchijncn te ftrookcn.Hier vinden wij Filistijnen, gelegerd inhet dal Refaim , en Bethlehem door hun bezet; doch daar van wordt ons in Hoofd/tukXXII. van het Eerfte Bock, niets gemeld.'Is het ook wel Vermoedelijk, dat Davidtoen, uit der Filistijnen ftad Gath ontvlugt,de fpclonk Adullams , zoo nabij Refaim gelegen, ter Veilige fchuilplaats zou hebbenverkoozen; daar hij toen nog weerloos was,en de vijand zich zoo nabij die plaats onthield?'—"Vergelijken wij het geen hier verhaaldwordt, met het geen wij onlangs, uithet V. Hoofdftuk van dit Boek, behandeldhebben , dan vinden wij verfcheiden bezonderheden, welken aanmerkelijk overcenftemriien.tti beide verhaalcn , treffen wij Davidaan in eenen burg, of vesting. In beidevin--(b) Anüf. Jud. Lib. Vit Cap. XII. pag. 402,


2 SAMUELS XXÏII. VS. 15—ij. 289-vihden wij de Filistijnen , gelegerd in hetdal Refaim. Daar dit dal met deszelfs zuidflijk einde aan Bethlehem grensde, is het nietmoeilijk te begrijpen , dat de Filistijnen toendie ftad bezet hadden. — Het koomt ons deswaarfchijnelijkst voor , dat dc gebeurdnis , inonzen Tekst verhaald, is voorgevallen, toendc Filistijnen David , nu reeds Koning overgansch Israël — volgends Hoofdftuk V. — beoorloogden»MOOGELTJK vraagt iemand: „ Behoortdeeze gebeurdnis tot den gemclden oorlog;„ waarom is dezelve dan aldaar, in het„ V. Hoofdftuk, niet ingevlochten ? waaromh d i s 2 0 0 iaat vermeld ?" — Dan men gedenke, dat in Davids veldtogten , honderdenzeer aanmerkelijke gevallen gebeurd zijn,welken in zulk een kort verhaal niet befchreevcnworden. Dat deeze gebeurdnisechter wordt verhaaldtgefchiedt met zoozeer, om van Davids begeerte naar wateruit Bethlehems bron , en van zijn gedragdaar bij gehouden , bericht te geeven; aiswel, om zijne helden, en hunne heldendaaden,te vereeuwigen, Maar deeze ftoutgewaagde onderneeming dier helden, konniet verhaald worden, ten zij ook de gelegenheid, bij welke zij die te werk fielden ,duidelijk wierd befchrceven, — Met eenen'zien wij, waarom dit zoo laat in dit Boekverhaald wordt. Het bericht, aangaande Da*IV. DEEL. X yidjj


• 1]9o XL L E E R R E D E .dds helden, en hunne bedrijven, vs. 8—39-voorat hier in, als een Aanhangfel op Davidseven en lotgevallen.VOLGENDS het gezegde, moeten wij David,nu Koning over gansch Israël, befehouiven, belust naar water uit Bethlehems bornput-_ zijne helden, met levensgevaar, hemdit bezorgen ; — en hoe hij zich daar bij«edrocg. — Eene ftoffe , zeker, van zonderlingeninhoud, over welke verfcheiden enverichillcnde bedenkingen vallen ; en welkeroverweeging ons veelcrlei nuttig onderwijszal opleveren.KORT LIJK moeten wij de letter van hetgeïchiedvérhaal toelichten ; — en dan, naderonderzoek doen , op den aart der verhaaldegebeurdnis.. A. BESCHOUWEN wij,H DE letter van het gefchicdverhaal. —Jn betgefcbiedverbaal.fpelonke Adullams , cn aldaar , in de vestingOns wordt daar in gemeld , dat David in deen de Filistijnen , in het dal Refaim zijnde, drie krijgshoofden, in den oogsttijd, tothem kwamen ; — dat hij zijnen lust, naarwater uit Bethlehems bornput, te kennenceevende, die drie helden door het legerder Filistijnen heen braken , water van daarhaalden, en tot hem bragten; — doch dat hijtoen


2 SAMUELS XXIIL vs. 13—17. 291toen weigerde het te drinken, en, onder ernstigebetuiging, het uitgoot voor het aangezichtdes Heeren.VOLGENDS onze reeds gemelde onderftelling,is deeze gebeurdnis voorgevallen, toenDavid — naar Hoofd/luk V: 17—25. — doorde Filistijnen beoorloogd werd. Gebeurdnis,welke wij in onze naast voorige Leerredebehandeld hebben. — Toen onthield David "indenzich in de fpelonk Adullams. Voorheen over, vij Davidn en bijdeeze fpelonk gefprooken hebbende, behoe-' 'e fpehnkven wij er thands niets van te zeggen. —' Idul/aws;Deeze fpelonk, door de natuur, misfehienook nog door konst , verfterkt, ftrekte aanDavid tot eene fterke en beveiligende vesting;in welke hij voorraad tot leeftogt, en krijgsgereedfehappen, bijeen — en om welke hijzijn leger verfaamelen , en in orde brengenkon. — De Filistijnen waren , onder des , * 1 de Ftsiijnengelegerd in het dal Refaim, alwaar hun hoop/ 1of vereenigde manfehap , zich verfpreid had R < bet dalefaim.(c). Dit dal, ten zuidwesten van Jerufalemgelegen, breidde zich, gelijk voorheen reeds isaangemerkt, tot bij Bethlehem uit; des devijand , ter dekking van zijn leger , in dieftad eene bezetting van krijgsvolk gelegdhadde.Ce) a Samuels F: 18.TERWIJLT 2


2Q2XL. L E E R R E D E .TERWIJL David in en bij de fpelonk Aduïamszich onthield , alles in gereedheid bragt,Drie helden;n fchikking maakte tot den ftrijd, gingenkoo­drie van de dertig Hoofden af, en kwamen al­r-en tithem; daar tot David. Dus drie , en wel de voortreffelijkften,uit dertig beroemde helden;door moed en beleid zeer gefchikt, om ietgewigtigs en hagchelijks te ondemeemen. Daaldeftad Adullamin, en des ook deeze fpelonkaan , de laagte lag (d) , gingen deeze drie,waarfchijnelijk uit eene hoogere en meer bergachtigelandftreek koomendc , tot David af—- En zulks in den oogst. Denkelijk dat zijen wel, inden oogst. dus dc infaamcling van hun landgewas, meerof min , aan den dienst van volk en Vorstedelmoedig opofferden. Deeze tljdsbepaaling'doet ons ook zien, hoe ichadclijk en zorgelijkder Filistijnen inval thands was, alszeker met zich brengende, de verwoestingvan veele veldvruchten , inzonderheid mhet dal Refaim. Dc Profeet Jefaias , zeggendedat het met Jakob , ten dage van 'sHeeren gcrichtcn , zou zijn , gelijk wanneereen maaier het jlaande koren verfaamelt , en'zUn arm airen afmaait , en gelijk wanneeriemand airen leest in het dal Refaim (e) ;geeft ons daar door een denkbeeld, van deongemecne vruchtbaarheid van dit dal. Welkeene droevige verwoesting hebben dan de Filis-(d) Jofua Wt 33-35- y°f aias 5-


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 293listijnen, in den oogsttijd aldaar gelegerd zijnde,niet aangerecht!IN die omftandigheid van tijd en zaaken , In Beth'ontftond bij David de lust, een ftcrkc trek, lehemstcvrt ccnom water te drinken uit Bethlehems bornput, bornputdie in de poort was. — In of bij Bethlehems zijnde,poort, was dan een bornput, of bron. Rei.zigers, in laatcr' tijdideeze ftad bezoekende,vonden eenen waterbak , Davids Put aldaargeheeten , en welken men meent dezelfdemet deezen bornput te zijn (f). Dochdie waterbak is niet in de poort van Bethlehem, maar wel een vierde uurs van daar,te vinden. Ook is die waterbak, naar hetbericht der Reizigers , veeleer een regenbak,die van boven , door hemelwater , wordt gevuld,dan een bornput, of bronwel; en ditzoo zijnde , kan dan deszelfs water wel uitneemenderzijn geweest, dan het regenwaterdat elders verfaameld werd ? .— Vreemd kanhet niet voorkoomen, dat na zulke grooteverwoestingen , als ook deeze landftreek vantijd tot tijd heeft ondergaan, dc gemelde brongedempt, en ten eenemaale onkenbaar gewordenis.HET. CO J. KORTE, Reize naar Palestina, I. D. Blz.j%6. — R. POCOCKE, Befchrijving van het Oosten,II. D. 1 Stuk, Blz. 7t.T 3


mXL. L E E R R E D E ,krijgtD*. - HET water van deeze bron, moet zoo aan-Ast,g e n a a m v a nfmaak , immers aan David zooe m va,r welbevallig zijn geweest, dat bij het aandendrinken.w g r d^ ^.t e n aanhoorcn van zijn ïmjgs-W««> volk' vraagde: Wie zal mij water te drinkenverkla*m u i tBethlehems bornput, en wel uitdien,die in de poorte is? - Eene vraag , welke,aan den eenen kant, teekent, het fterk ver,langen van David , en aan den anderen kant,de moeilijkheid , welke hij zelf begreep , omdien lust te kunnen voldoen. Want de J?ilistijnen,gelijk reeds gezegd is , hadden zichtoen gelegerd in het dal Refaim , welk zichzuidwaards tot nabij Bethlehem uitftrekte: enin welke ftad zij, ter dekking van hun legei,eene bezetting gelegd hadden; zijnde daardoordie ftad en bornput voor zijn volk ongenaakbaar.némtndt DAN wat gebeurt? Die drie mannen, webarte helke n t o e ntot David afgekoomen waren , dittsuf verncemende , vatten het befluit op , om —waarfchijnelijk zonder aan iemand hun voornemente ontdekken — het kostte wat hetwilde, van dit water te haaien, cn tot Davidte brengen. Zekerlijk ftelden zij vast, dat zij,hier in gelukkig flaagende, dien Vorst behaa.gen, zijne gunst gewinnen, grooten roemvan dapperheid behaalen, en hun belang be-. „ ^ f i ^ voorderen zouden. Zij met hun drien, trekwaterte j- e ndan op — brceken , met voorzichtig bebtaltn.'Jleid


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 295leid cn heldenmoed , door het leger der Filistijnen>— en putten water uit dien bornput.,welke in Bethlehems poort was. Voorwaar eendapper , maar ook uitermaate ftout beftaan ;en waar in zij hun leven te ligtvaardig waagden.— Jooelfche Meesters zeggen ons , datdeeze drie helden hun ftuk dus uitvoerden:de een , zou de geenen die hen verhinderenwilde, verflaagen — de tweede, zou die verflaagenenuit den weg geruimd •— cn de derde,zich aan geen' dooden verontreinigd hebbende, zou het water , onbefmet, tot Davidhebben gebragt (g). Dan , mag men dit nietop de lijst hunner veelvuldige beuzelaarijenftellenVZEKER weetcn wij, dat deeze helden, ha&GelljtttSvoornemen gelukkig uitgevoerd hebbende, het deeaen, enzoo gevaarlijk verkreegen water tot David b Q alfjbragten. — Hoe verbaasd ftaat dees dappere bmgten.Koning , op het bericht en gezicht van eenezoo ftout gewaagde ondernecming! — En watzal hij zeggen ? Zal hij hun bedrijf laaken?Doch de voorzichtigheid icheen dit te verbieden.Zal hij het prijzen ? Maar het ftukwas van dien aart, dat zulks niet onbepaaldlijkgefchieden kon. — Wat doet, en wat/)/>zegt David ? Hij wilde dit water, wat aan- ff*drang(g) Vide C. IK EN 11 Dis Peru Pbilol. — Tbeel.Tom, I. p. 140, 141.T 4


2otf XL. L E E R R E D E.maar drang men ook te werk ftclde, niet drinken.Pm£lL Vreemd moest dit deezen heiden, en denuil gutst • , .omftandcrcn, voorkoomen. Maar niet mmder,toen zij zagen , dat hij het op de aarde uitgoot1 Treffen meest het hen , dat hij ditwater uitgoot voorden HEERE, voor 'sHeerenaangezicht. Er was, die dacht, dat thandshet Pinksterfeest werd gevierd, wanneer mengewoon zou geweest zijn , plegtig water tefcheppen, en uittegieten; en dat David deezeplegtigheid met dit water zou verricht hebben.Doch ten eenemaal zonder grond (h).— Om dit bedrijf van David te verftaan ,moet men gedenken , dat onder Israël meermaalcnin gebruik was , bij zekere gelegenheden, op eene plcgtige wijze water uitteftorten.—• Het is zoo , men merkt aan , datbuiten deeze gebeurdnis geen voorbeeld wordtgevonden , dan het geen wij leezen in i SamuelsVIL: 6. Doch dit geeft gronds genoeg,om tc denken , dat die plegtigheid meermaalenplaats had. Plegtigheid , welke verrichtwerd , openlijk , in dc tegenwoordigheid desvolks, onder vertegenwoordiging van denHeere, en met aanroeping van zijnen heiligenNaam ; en dus , als voor 's Heeren aangezicht.— Onder het uitgieten van dit water,(h) Conf C. I KENir Disfert. de Libatione a-quae, in Fefta Tabernaculorum, in Symbliter. Tem.1. pag. lóo. ft/rq.


2 SAMUELS XXïïï. VS. 13—17. 297ter , hooren wij David deeze betuiging doen: OnderHet zij verre van mij, 0 HEER, dat ik dit^'ff'doen zonde! verklaarende dus aan God, en voor gen.'* *"de menfchen , dat hij, dit water te drinken ,hoogst onbetaamelijk hield, cn wel zoo, dat hijer een afgrijzen van had.'M A A R wat reden, David, voor zulk een ... /bbeftaan en gedrag ? Zoude ik, zegt hij, [drin- om ;" !li ' keken] het bloed deezer mannen! —• Maar het'* "was immers water , uit Bethlehems bornput? Dat zij zoo; maar deeze mannen hebbenhet gehaald met perijkel van hun leven. Ommij met dit water aangenaam te verrasfen ,hebben zij zich in het grootst gevaar gefield ,om dóór- het zwaard der Filistijnen te fneuvelen;waar door, om een' dronk waters,hun bloed zou geftxoomd hebben. Hetis ook niet onwaarfchijnelijk, dat zij, offchoonhet leven behoudende, dit water ten kostevan wonden en bloed hadden gehaald. —Daar voords gezegd wordt : En hij wilde hetniet drinken, fchijnt men te moeten befluitendat, het water nu daar , en de moeite metzoo gelukkig een' uitflag gedaan zijnde, menden Koning door vriendlijken aandrang heeftzoeken te beweegen , om het te drinken ;doch te vergeefs. Hij wilde het niet dvinken.— Dit, zegt de heilige Schrijver,deeden die drie helden. Dan, daar wij nietbedoelen, van hun, maar van David teT Sfpree-


2-pg XL. L E E R R E D E .fpreeken, zeggen wij : Dit deed David ; envraagen :Sommigen 3, WAT moeten wii van den zin van Dawf vids woorden, en van zijn gedrag hier gehoumordenden, denken ? Moeten wij het naar de letter'neigenof m o c t c n wjj h c tzinbeeldig , en min of1meer geestlijk , verftaan ? — Dit laatfte deedenverfcheiden Uitleggers , al van vroegen ,en ook vceicn in laatcren tijd. Onder deJoodfche Meesters waren er, die dachten,dat David hier zijne zugt uitboezemde ,om door de Oudften van den Raad , die mBethlehems poort hunne vergadering hielden,onderrechting te moogen ontvangen , aangaandeeenige bedenkelijke ftukken van's HeerenWet; en wel , naar fommiger zeggen,aangaande dit vraagftuk : Of hij vrijheidhad, het koren, in en achter welk de Filistijnenzich verbergden, in brand tc ftccken , en hen daar door van die verfchuihngen beveiliging te ontzetten (i) ? Droomcrijen!David, weetende dat de Filistijnenbezetting in Bethlehem hadden , wist ook,dat in deszelfs poort wel vijandlijk krijgsvolk,maar geene vergadering van Wetgeleerdente vinden was. —tOnder de ChristenUitleggers is er , die meent, dat David,met(i) Vide S. ScHMinius ad b, l. p< l°47' ~~SANCTIUS ad b, l. Col, 9 C0 -


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 299met het uitbrengen van deeze woorden, zijnyverlangen te kennen geeft, niet zoozeer naar'water, maar naar de vrijheid van Bethlehem,opdat, den vijand van daar verdreeven zijnde,zijne bloedvcrwandten en medeburgers onbelemmerdaldaar mogten woonen. Tot ftaavinevan zulk eene gedachte, brengt men plaatfenbrj uit Latijnfche Dichters , in welken zij debezitting en bewooning van zekere plaatfenof landftrceken aanduiden , onder dc bewoording,van te drinken uit derzelver waterenof rivieren (k) ; wanneer de zin vanDavids woorden zou zijn : Och ' of menhet onbelemmerd gebruikv a nBethlehemsbornput hadde , cn ik mijne vaderlijke ftad invrijheid mogt zien ! — Maar was zulk eenemanier van fpreeken bij de Hebreeuwen, en i ndien tijd , wel gebruiklijk ? Kan men ookdenken , dat David , tot of onder zijn krij*s>volk fpreekende , zich in zulk een' dichterlijkenftijl zou hebben uitgedrukt ?DAN andere Uitleggers meenen, dat David, Enw e /met de uitboezeming van deeze woorden, zijn M* 2 '>hartlijkj verlangen te kennen gaf, naar de genadevan den Mesfias , die in Bethlehem ten^> «•'*"Zijnen tijd ftond gebooren te worden. Terwijlfommigen van gevoelen zijn , dat David ditalleen en onmiddellijk hier bedoelt; en andef. ...ten(k) C. SANCTIUS, Commsnt, ia b. lib. Col,901. fcqq.


3oo XL. L E E R R E D E .ren fchijnen te denken , dat hij wel, ja, ookhet eigenlijk water uit Bethlehems bron begeerde, doch als een afbeeldfel en onderpandvan de genade van den Mesfias , welke hijvoornaamlijk zoude bedoeld hebben (1). —Het is zoo , wanneer men Davids woorden,en zijne begeerte, door dezelven uitgedrukt,dus opvat, heeft men aanleiding tot eenezeer ftichteiijke en gemoedopwekkende verklaaring.Dus kan men zich den Mesfiasvoorftellen, als de Fontein des leevenden waters; zijne genadeweldaaden , als het waterdes levens ; en beide, als voordkoomcnde uiten door zijne Menschwording te Bethlehem.Davids dorst vertoont ons dan, zijn heilbeceerigverlangen naar deszelfs genot, met afzienvan alles , buiten den e enigen Heiland;en het hoorbaar uitboezemen van dit zijn verlangen, teekent ons dan zijne ernstige en geloovigefmeekingen , om het zielvertroostenden zaligend heil van den Mesfias. Deeze verklaaringgeeft ons een beftaan cn werkzaamheidop , niet vreemd van , maar eigen aanonzen David, en verfchaft aangenaame ftof,tot godvruchtige gepeinzen , en nuttige opwekkingenen beftuuringen. — Het koomt'erop aan , of men genocgzaamen grond voorzulk eene vcrklaaring heeft.MEN0) Apud MARCKIÜM, in Fascicul. Disfirt.Tim. 1. fi. 337- Aft'


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 301MEN meent , ja. — Men zegt : Gods Peer welkever­Woord , ook David zelf, in zijne Psalmen,klaaringfpreckt van den Mesfias, onder de benoemingvan eene fontein ; en van deszelfs ge-meentmen'rondennadegoedcren , onder die van water. — Het '•e hebben.zij zoo ; maar daar uit volgt niet: derhalvenhier ook. — Men zegt: Zulk een beftaan enbede waren zeer eigen aan David. — Dit iszoo ; maar het was hem , als mensch , ookeigen, natuurlijk te dorsten, en water te begeercn.— Men vraagt: Waarom begeerde hijwater uit den bornput die te Bethlehem was,alwaar de Mesfias ftond gebooren te worden?— Doch of David dit toen geweeten hebbe,kunnen wij niet weeten. Hij begeerde ditwater , omdat hij het de voorkeur gaf. —Maar waarom , vraagt men, wilde David hetwater, tot hem gebragt zijnde, niet drinken?verklaarde hij daar mede' niet, dat het dit eigenlijkwater niet was , dat hij begeerde ?Doch men kan wederom vraagen": Geeft deTekst niet zelf de reden op? en behoeft mendan wel naar eene andere te zoeken ?Waarom , vraagt men , indien David flegtseigenlijk water begeerd heeft, wordt deezegebeurdnis — zeke; van geen groot belang— dan zoo breed vvuig hier befchreeven ? —Omdat het oogmerk is, niet, een verhaal tegeeven, zoozeer, van het geen David begeerde, fprak , en deed ; als wel, van zijne dapperehelden , en het ftout bedrijf van deezedrie. — Maar, zegt men, David kon dusgeen


3c2 XL. L E E R R E D E .geen eigenlijk water uit Bethlehems bornputbegeeren , zonder zich aan berispelijke zwakheid, en laakbaare drift, fchuldig te maaken.— Dit zij eens zoo; wat zwaarighcid? Davidwas een mensch, en had zijne feilen. Gelukkig, indien deeze zijne eenigfte en grootfteware geweest! — Laat mij, omtrent dit alles,nog aanmerken: Eene gezindheid, om den gezegendenMiddelaar en zijne heilgoederen , ender geloovige Vaderen werkzaamheden omtrentdezelven, met vlijt natefpooren, is zoolofwaardig , als aangenaam voor den geheihgdenfmaak; maar noodig is het ook, dat wij,zulks doende, niet eerst vraagen, wat aangenaamis , en fticht — maar , wat de zin enmeening der woorden is ; cn hoedaamg diedan ook zij , zal dezelve den godvruchtigenoverdenker veelvuldig onderwijs, beftuur, entroost opleveren.Beter MET de meeste Uitleggers, verkiezen wij,houdt men ^d e l e t t e r v a nhet verhaal te blijven. —t h nteT Het koomt voor , in een bericht aangaandeterlijkenD a vids helden, en derzelver roemruchtige bedrijven.— In Davids begeerte, en zijne verklaaringvan dezelve, is geene aanleiding,om aan geestlijk water, of aan werkzaamhedendaar omtrent, te denken. — Hij boezemt zijnverlangen uit, niet, biddende tot den Heere,maar wenfehende flegts , aan zijn krijgsvolk.Zij die David hoorden , verftonden hemnaa/de letter; wij, die het leezen, desgelijks— David


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 303— David berispt, bij dc uitkoomst, zijnebelden niet, wegens hun misverftand , nochbeduidt hun , dat hij geheel wat anders, dandit water, bedoeld hadde ; en wij vertrouwen, dat-ook onze opvatting geene billijkeberisping te wachten heeft. — Laat ons denken, dat David , nu in dc hitte, welke inden oogsttijd fterk was, te velde liggende, endoor feilen dorst aémechtig , aan zijn Bethlehemdacht, het welk thands door den vijandbezet was; en dat hij, hij die aanleiding,deeze zugt Haakte : Och of ik mijnen dorstmogt lestenen , uit den bornput van het nubezette en benarde Bethlehem!MAAR, vraagt men, welke is de reden, JVelkedat David juist van 'dit water, uit Bethlehems Tmftanbornput,wenscht tc drinken ? — Er is, die dikhedenmeent, dat deeze begeerte, bij gelegenheidi e " ektvan zijnen dorst, in hem ontftaan zij, uit deherinnering van den fmaak en de verkwikking,waar mede hij , in vroeger jaaren, uitdie bron plag te drinken. — Er is ook , diemeent, dat het water uit die bron, van een'uitfteekend aangenaamen fmaak zijnde, Davidhet zelve , waar hij zich ook onthield , metzich voerde, en tot zijn' gewoonen drank ge.bruikte ; gelijk dus dc Koningen van Egyp.ten , water uit den Nijl, en die van Perfie,uit de rivier Choaspcs, gewoon waren tedrinken (m); cn gelijk nog hedendaags, eenf(m) C. IKENII Plsfirt: T. l p. 136, 137» FC'


, 3o4 XL. L E E R R E D E.oe Oosterfche Vorsten op dit ftuk zeer kiesch'zijn. Te aannccmelijker fchijnt deeze gedachte, omdat het water van Bethlehem , bovendat van andere omliggende plaatfen gefchatwerd. Immers , Salomo wordt gezegd , eene•fcostbaare waterleiding , uit de nabuurfchapvan Bethlehem , naar Jerufalem , te hebbenaangelegd (n)- — Maar is het wel te vermoeden, dat David , die opgevoed was alseen landman , en in zijne langduurende omzwervingenaan eene harde leevenswijze gewend,zoo teder van fmaak zou zijn geweest >dat hij , niet vergenoegd met het water datzijn ganfche heir gebruikte , ander water, enwel uit Bethlehems bron, gewoonlijk zou gedronkenhebben?WELI-E was dan de reden van Davidslust ? — Wie zal dit bepaaldlijk zeggen ?Het een en ander kan hier hebben faamgcloopen.'t Is moogelijk , dat hij, in de felle hitte, door grooten dorst aémechtig zijnde, debegeerte bij hem gaande werd , om zich meteenen dronk van het frisfche cn aangenaamewater uit de bron van Bethlehem , hem zoówel bekend, tc verkwikken. Het kan zijnen 't is niet onwaarfchijnelijk — dat David,peinzende op de bezetting der Filistijnen teBethlehem , en op het droevig lot, dat daardoor zijne vaderftad drukte , met de woor-. den:00 REL AND, Palest. IUustr. ffg. $co.


% SAMÜELS XXIII. vs. 13 —17. 305•dén: Wie zal mij water te drinken geeven uitBethlehems bornput' niet anders hebbe willenzeggen , dan dat hij fterk verlangde, enernstig wenschte , dat die ftad van den vijandVerlost, en weder onder zijne magt gefteldmogt worden , en hij met de zijnen , daardoor , het vrij gebruik van derzelver bronmogten hebben. Nader wordt deeze gedachteopgehelderd , door de overweeging, van hetgeen David met het water , hem- van daaraangebragt, gedaan heeft.MAAR, vraagt men, is zulk een lust, en S o aa rhet voeden van denzelven , in den vroomen'„JZdeTman niet zondig? •— aan een legerhoofd niet kingen,onbetaamelijk ? — en in zulk eenen held niet vanX ni tlaag en laf? Het zij eens zoo» David, hoe^''vroom ook, lag —• gelijk reeds gezegd is — koomen.bloot , voor berispelijke vervoeringen. —•Maar is deeze zijn lust en trek indedaad wel Zijndtzoo laakbaar ? Dit juist te beoordeelenhangt af van de kennis die wij hebben, niet»»/^«flegts van de woorden welken hij fprak, J/J> M >maar ook van de gemoedsgefteldheid, metwelke hij die fprak. En wie zal dit met zekerheidkunnen zeggen? — Hij had begeerte,om water uit Bethlehems bron te drinken.Maar dit ftond hem vrij ; indien die begeerteflegts geregeld was , en onderworpen aan''s Heeren wil. — Heeft hij, met het uitboezemendier begeerte , bedoeld, zijne fmert teverklaaren over het lot van Bethlehem , enIV. DKEL. V zijn


3oö XL. L E E R R E D E ,zijn verlangen naar deszelfs verlosfing uit's vijands magt; dan heeft hij niets gedaan,dan het geen eenen held en legerhoofd betaamde.Zijne wei- DOCH waarom , vraagt men, heeft Davidgering om „ evfeieerd , het water , tot hem gebragt zijnfeTXttedrinken? - David geeft er zelf deken, lofre c[ e n v a l l. Zou ik drinken, zegt hij., hebvaardig.h ] o e d d e v m a n n c n, die heenen gegaan zijn.met perijkel van hun leven ! — Dan menzou kunnen vraagen : Moest dit niet veeleereene reden zijn , welke hem had bchooren tebewecgen, om dit water, met zooveel gevaargehaald , immers te drinken ? ftrekte zijneweigering niet , tot befchaaming van denIjver, tot verfmaading van de dapperheid,den moed , cn het bloed zijner helden ? —Doch waar toe zulke vraagen V David wistbeter dan wij , wat hem te doen ftond. Enals wij wel acht geeven op zijne woorden en.eedraagingen, dan zien wij, dat beide voordkwamenuit hoogachting voor het bloed zijnerhelden. Door ftandvastig, tegen allenaandrang , het drinken van dit water te blijvenweigeren, toont hij, ziende wat men —waarfchünelijk buiten zijn weten — voorhem gedaan had , zoo laag van geest niet tegfft , dat hij het leven zijner helden wilde'gewaagd hebben, ter voldoening van een' enkelenlust. — En hier in handelde David zoowijslijk , als deugdzaam. Had hij dit water1ge- .


2. SAMUÈLS XXIII. vs. 13—17. 307gedronken, waarfchijnelijk zouden zijne vijamden op deezen toon gefprooken hebben s„ Wat man is David ? maakt hij het levenvan zijn krijgsvolk ten flagtoffer van zijnetong en fmaak ! Staan zijne gfootfte heldenbij hem op zoo laag eenen prijs! Dat zij hunleven voor het Vaderland en voor hunnenKoning waagen , is te prijzen j maar zulksVoor zoo laag en laf eenen lust te doen , isfchandelijk !" — Davids weigering fnijdt allezulke misduidingen af.MAAR zoo David niet verkiest dit water te £* derdrinken; waarom giet hij het op de aarde uit ? ff s ,!it -— Dan ik vraagc wederom : Wat moest H}Z7,7ciler mede gedaan hebben ? het laaten ftaan?"*»Doch dit ware voor deeze helden fmaadlijkgeweest. Moest hij het anderen te drinken igegeeven hebben? Maar zijne bijgevoegdeverklaaring liet zulks niet toe. — Daar hijhet, onder aanroeping van 's-Heeren Naam,en voor zijn aangezicht, uitftortte, wijdde hijhet den Heere toe 5 Hem dankende , voor dczonderlinge bewaaring deezer helden, en vooreen zoo fterkfpreekend bewijs van 's Heerenmagt en zorge, hem ten goede \ terwijl ditgeene geringe onderfteuning gaf aan zijn geloof, van tijd tot tijd in zoo veele beproevingengebragt.ZIET daar dit verhaal kortlijk toegelicht»f- Het is zoo, zulk een omftandig berichtv2 van


3oS XL, L E E R R E D E .van zulk eene gebeurdnis , fchijnt voor onsvan geen groot belang. Doch men behoortonder het oog te houden , dat deeze dingenvoornaamlijk, cn in dc eerfte plaats , tendienste van Israël gefchreeven zijn; van wierbelang het was , in de jaarboeken zulke bezonderhedente leezen, welken Davids karakteren lotgevallen , gelijk ook dc geaartheiden bedrijven van voomaame mannen , tentoon fpreidden : als waar uit, bij de nakoomclingfchap,veel te leeren was.mke- B. LAAT ons ook, uit dit behandelde, het,en bier,c c n e nander onderwijs, ons tot nut, opfaamelen.N. DAVID, hebben Wij gezien , een fterkentrek gevoelende, om water uit Bethlehemsbron te drinken , liet zich deeze woordenontglippen: Wie zal mij dit geeven ? Endrie zijner helden gaan , zonder bevel , cnzonder naar de meening zijner woorden tevraagen, op weg, om met het uiterfte gevaarvan hun leven, water uit Bethlehems bron tehaaien. Zeker zeer berispelijk! — Wij moeff-Z'Ltcner uit leeren : „ Dat het, vooral in zaav.tn0*n- , ?ken van gewigt en groot belang , noodigitYtgir „ is » dat men niet alleen woorden die gezegdwoorden,wworden , maar ook, en inzonderheid , de''Tetkirl 55 mecriing der woorden, en het oogmerk desnue'nil'g „ fpreckers, wel verftaa". Dit wel in achtmoe» te neemen , is van groote aangelegenheid, in


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 309het burgerlijke , en in het godsdienstige. —2n het burgerlijke. Dikwijls hecht men aan I» hetwoorden, als in het voorbijgaan gezegd, j^f f'"eenen zin, welke, ja, met de letter der woor- Jden ftrookt, doch veel verfchilt van dc meeningdes fpreckers. Hier door gebeurt het,dat men , doende naar den klank der woorden, groothjks kan misdoen, en veel kwaadsen droevige verwarringen veroorzaaken. Hier •door gebeurt het, dat men , bij het voordvernaaienvan het geen men hoorde , onwaarheidverfpreidt, anderen en zichzelven in ongelegenheidbrengt, twist zaait, verwarringdoet ontftaan, en oorzaak van veel zonden is.— Ware het niet beter , zichzelven te vraagen: „ Vcrffea ik , bij de woorden, ook der-„ zeiver zin , en het oogmerk van hem die„ ze fpreekt ?" — Ware het niet beter,naauwkeurig naar de meening des fpreekers tevraagen, dan luchtig wech tc zeggen: Ik hebdie terftond begreepen ? — En is het, daarelk de beste uitlegger van zijne eigen woordenis , niet beter , dat wij uit den fpreekcrverneemen , wat hij bedoelt, dan hem eenoogmerk toetefchrijven, waar aan hij nimmergedacht heeft? — 't Is waar, de verbeelding,van op d'oogenblik dat men hoort, den zinder woorden en de meening des fpreekersgrondig te verftaan , geeft een zelfvleienddenkbeeld van overgroote vlugheid ; maar deuitkoomst leert niet zelden , van welk eenbelang deeze Spreuk is : Bij dm beraadenen isV 3wijs-


3io XL, L E E R R E D E .wijsheid (o). Had men fomtijds vooraf meergevraagd , men zou achter na minder te ver.antwoorden hebben.V O O R A L is deeze aanmerking van grooten in het belang, in het godsdienstige; en zulks, omdatgo Udiemw}j} d o o r z o ndi g eblindheid , zoozeer voormisvattingen bloot liggen , en deezen zoohoogst nadeelig zijn. De voorbeelden hiervan , zijn zoo meenigvuldig, dat de geheeletijd, tot eene Leerrede gefchikt, te kort zouzijn, om die alle optegeeven. Laat mij flegtsdeeze twee of drie uwer aandacht herinneren.— De Heiland zegt '. Als gij admoesfen doet,zoo laat uwe linkelivtd niet weeten wat uwerechte doet (p). Maar heeft men nimmer, deletter van dit bevel in acht necmende, tegendeszelfs zin gezondigd ? Heeft men deezewoorden nimmer misbruikt, om uit gierigheidzich te onttrekken , wanneer men verzochtwerd, om door tuslchenkoomst van eene derdehand, eenen dcugdzaamen nooddruftigenhulp te bieden, voorwendende, dat een andergeen kennis van onze aalmoes fen hebbenmoet; van het geeven zich dus ontflaande ?— De Heiland, beveelt: I Wannce-r gij bidt, gaatin uwe binnenkamer, en uwe deur gejlooten hebbende, bidt uwen Vader die in het verborgen is (q).-, - . v Zou•9bi«ao".iti^utv ^jmo bfóad; I(o) Spreuken XIII: 10. (p) MatibeUs VI: 3.(


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 3irZou men niet bijster mistasten, wanneer menmeende, dat de Heer Jefus , door dit bevel,het gemeenfchaplijk bidden , met zijn huisgezin, of in onderlinge ffichtelijke gezelfchappen,afkeurde en verbood? — De Zaligmaakerzegt : Woest niet bezorgd voor uw leven,wat gij eeten , en wat gij drinken zult, nochvoor uw ligchaam , waar mede gij u kleedenzult (r). Maar zou het niet allerongerijmdstgehandeld zijn , wanneer een verwaarloozervan zijn post, van zijne zaaken, huisgezin, engoederen , zijne onchristelijke achtloosheid cnzorgeloosheid met de letter van dit bevel wildeverdeedigen ? daar het oogmerk van denHeiland is, tegen heidenfche aardsgezindheidte waarfchuuwen, en ons optewekken, omeerst cn meest het Koningrijk van God , enzijne gerechtigheid , te zoeken. Ik zal mijniet ophouden , om te toonen , welk eenfnood en droevig misbruik men in de RoomfcheKerk gemaakt heeft, van dat bekende:Dwingt ze om intekoomen (s). — Al genoeg,om ons tc doen begrijpen , dat het niet voldoet, den klank der woorden te verftaan, cner eenen zin aan te hechten , welke aan dezelven,in 't afgetrokken befchouwd, meer ofmin voegt ; maar dat wij de meening desfpreekers , vooral die van den fpreekendenGod , wel moeten verftaan. Te meer is ditnoo-(O Mattbeus VI: 25. Cs) Lttfcas XIV: 23.V 4:


3 » XL. L E E R R E D E .noodig omdat men, hier in mistastende, onderneemenen doen kan , het geen de Heerzoo min van onze handen eischt, als Davidhier het water putten uit Bethlehems bron,van zijne krijgslieden vergde.r«*r toe HOE noodig dan, naarstiglijk te beproeven,< l welke de goede , en welbehaagcnde , en vol-TJZlt maakte wü van God zij I Hoe noodig dan,wrdt. zorgvuldig tc waaken , tegen de ingcevingenonzer eigen neigingen , tegen de verblindingvan vleiende vooruitzichten , cn vervoeringvan driften , daar door veroorzaakt! Hoenoodi* , te waaken tegen hoogmoedige overhaastingvan het ligt misleide oordeel! Hetdenkbeeld , dat men op den oogenbnk datmen hoort en ziet, in ftaat is, voorkoomendezaaken grondig te verftaan en te doorzienis wel ftreclend voor de eigenliefde, maar altooszorgelijk voor onze waare — boven al,voor onze eeuwige belangen. Hebben wijeenig befef van dc bekrompenheid onzer vermogens, en van onze geestlijke blindheid enonbekwaamheid, om de dingen van Gods Koningrijkrecht te verftaan; dan zullen wij ookbidden , om verlichting door den Geest derwijsheid, en der openbaaring in de kennis van'sHeeren Woord, en tevens, om bedachtzaamheidder heiligen, in al ons denken, fpreeken,en doen. Dat 'sHeilands vraag: Hebt gij dit allesverftaan (t)? ons geduuriglijk voor oogen zij ïi CO Matthms XIII: 5U r3. DAAR


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17, 3133. DAAR deeze drie helden , zoo draa zijmeenen 's Konings begeerte verftaan te hebben,aanftonds gereed zijn , om zoo gewigtigen gevaarlijk eene zaak te onderncemen , teneinde hunnen Vorst te behaagen , en hun belangte bevoorderen; „ Wat moesten wij" —— en dit zij onze TWEEDE leering — „ niet„ dóen , daar wij de duidelijke verklaaring„ van de begeerte , en het uitdrukkelijk be-verneemenvan„ vel, van den Godlijken David hebben!" —'s HeerenWat doet men niet, voor geachte menfchen! wil, vol»vaardigHoe dingt en dringt men , om een deelgenoot moetente zijn van der Grooten gunst! Wat onderneemt,wat waagt men niet, om een' aardschVorst genoegen te geeven ! Een wenk vanzijne oogen, herfchept voeten in vleugelen.— Het is nu mijn zaak niet, te onderzoeken, in hoe verre dit prijslijk , en in hoeverre dit laakbaar is. «Onze aandacht zijthands gevestigd op Hem , die op zijn kleeden dije deezen naam gefchrecven heeft :Wii leerenbierlok, datwij op bet»tjn.KONING DER KONINGEN , EN HEER DER HEEREN. Het welkZijn wil en welbehagen is ons allen duidelijk bij veeien•wordtbekend gemaakt; dit kunnen wij niet loochenen.Maar wie vraagt er met waaren ernst zuimd iver­naar ? Koning Jefus verklaart ons zijne begeerte; maar wie biedt zich volvaardig aan ?Ons eigen belang in tijd en eeuwigheid ,roept ons; maar wie neemt het ter harte?De verbrokte zondaar weigert te hooren. Dewaanwijze zondaar , fcherpt zijn verftand tottwisten. De jUodiceer hoort, maar blijftV 5laauw


3i 4XL LEERRED Eilaauw cn onvcrfchillig. De vreesachtigezegt: Ik wil wel ; maar er is een leeuw ,cn daar door gevaar , op den weg. Deaardsgezinde keurt , op zijne wijze , veelvan 's Heeren welbehagen goed ; maar hijis , tot zijne fpijt, zegt hij , door veel noodigbedrijfs te droevig belemmerd. De zclfbedriegeripreckt gaarne , en zelfs op bevalh-,ge wijze , van het geen de Heer beveeltmaar het doen, laat hij aan anderen over.De bejaagcr van weereldsch cn enkel tijdhjkbelang , berekent met veel zorgen, of mdeeze en die gevallen, op 'sHeeren dienst ookfchade te vreczen zij. En och waren erniet onder hen, die wegens hun ambt enpost, op bczondere wijze verpligt zijn SionsKoning in den krijg te dienen , maar zich indehandeling des leeftogts , en in nogflegter , alzoo inwikkelen , dat zij den Heere, die hen tot den krijg aangenoomen had,mishaagen (u) , en den Filistijn in de handwérken"!ZEKER, wierden aardfche Vorsten nietmeer geliefd , niet beter gehoorzaamd , nietvlijtiger gediend , dan veelen, die den naam•van onderdaanen in het Godsrijk draagen ,Sions Koning-doen ; —-had niemand vooraardfche Koningen meerder over, dan vcclenCJVVOÖfcJ UJ-«•»«"••• '"ö 1 "'"303 biuihov niix J iiori^l f.^brtox oxijwnssw(u) Vergelijk % TimoiïwJl; 4-


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 315voor den Koning van hemel cn aarde overhebben.;hunne hoven gelcckcn ras kerkhoven, hunne talrijke heirlcgcrs verfmoltendraa tot ccn handvol volks , en eerlangzagen zij zich vcrpligt , zichzelven tedienen.EN van waar zulk een beftaan en gedrag? —- Geestlijkc blindheid is oorzaak ,dat men in en aan Koning Jefus, noch beminnelijkegedaante, noch-Godlijke heerlijkheidziet. — Liefde tot dc zonde , maakthet hart af keerig van eenen dienst, welkeheilig is, en heiligheid vordert. — Geestlijkehoogmoed , zelf naar de heerfchappfj•dingende, drijft het hart tot twistend ongeloof.— Aardsgezindhcid , verflaaft de verlaagdeziel aan het blinkend ftof, aan dierlijkegenoegens, en aan zorgend gewoel. Enhoe zou een mensch, nog gevangen in deftrikken des Satans , en met lust aan eenevijandige weereld dienstbaar, gewillig zijn ,om Koning Jefus te dienen ? Schoon zijnmond Hem belijdt, en zijne lippen veel bclooven;zijn hart is aan Jefus vijandenverpand. — Och dat gij , ongelukkig zondaar, bcfeftet, hoe grouwzaam gij den GodlijkenDavid bcleedigt! hoe dwaas uwe keusen handel is! hoe rampzalig een lot' cnloon, u bij zulk eenen dienst tc wachtenftaat! Kies u nog heden, wien gij dienenzult.MAAR


iocb van's Heerenvolk moetbehartigdv/orden.3i6 XL. L E E R R E D E.MAAR gij, die welberaaden , en met eenvolkomen hart, u aan Koning Jefus en zijnendienst hebt overgegeeven , en in waarheidHem lief hebt ; ziet in Davids helden ,welk eene gezindheid u , jegens uwen GodlijkenKoning , betaamt. U past het , gaarnete verneemen wat Hij begeert; volvaardigte zijn , tot zijnen dienst ; bereidwilligte zijn , om alles aan Hem en zijne belangenblijmoedig opteofferen , uw leven zelfs nietdierbaar achtende voor uzelven. Zal meenigfferveling, om eenen aardfehen Vorst tebehaagen , zijne goedkeuring wechtedraagen ,zijne gunst te winnen , en bevoordering inambt, in rang , of blooten tijtel, te verkrijgen, zoo volijverig zijn, en alles waagen? en zoudt gij in den dienst van denverheerlijkten en eeuwjgleeyenden Middelaarlaauw , omtrent zijne Godlijke gunst onverschillig, of aangaande de bevoordering vanuw tijdlijk en eeuwig heil, meer of minachtloos verkecren ? Dat zij verre ! — Maargedenkt tevens , dat het hoogst noodig is, inal uwen weg en bedrijf, 's Heeren wil enwelbehagen te kennen. Eigen neigingen, deinvloed van vervoerende drift, de heimüjkeverleidingen van het eigenbelang, de raaden voordaad van geachte vrienden , kunnen,bij eene vlugtige overrompeling , ligtlijk totvoornemens en bedrijven brengen, welkenmen meent, dat den Heere wclbehaagelijkzijn»


2 SAMUELS XXlIÏ. vs. 13 — 17. 317Zijn; doch aangaande welken Hij zeggenzou : Gij weet niet, van welk eenen geestgij gedreeven zijt!3. DAN — cn dit is het DERDE dat wij JVij zienhier leeren — „ Het geen menfchen onbe- hier tok,dat God„ zonnen doen , kan God , tot fterkte voor der menfchenon­„ het geloof van zijn volk , zegenen". —bezonnenHagchelijk, en uitermaate veel gewaagd, bedrijf,was de onderneeming van deeze drie helden. ten goedekan febikkenvoorWaren zij door het zwaard der Filistijnenomgekoomen , elk zou gezegd hebben : Men zijn volk.had niets anders te wachten. Dan God deeddie onderneeming, David ten zegen, gelukkiguitvallen. Dus zag hij, tot fterkte van zijngeloof, dat de Heer door kleine magt grootedingen doen , en onberaaden onderneemingenten goede fchikken kan. — In al onsoverleg en bedrijf-, vooral in zaaken vanaanbelang , • zijn wij verpligt, met godvruchtigebedachtzaamheid , met verftandig overleg, en , zooveel in ons is , met vooruitzichtop alle moogelijke toevallen en uitkoomsten ,werkzaam te zijn. Zonder dit, hebben wijgeen vrijmoedigheid, om biddend op gezegendeuitkoomst te hoopen. — Dan hoe dikwijlswordt hier gezondigd ! En in welke waar opDoeimen nietopzichten dit al plaats heeft, kunnen wij mag zon­;thands niet voorftellen. Dit alleen. Het ge­digebeurt, dat men , in godsdienstige of burgerlijkezaaken , ter bereiking van een einde,welk men meent goed te zijn, middelen tewerk


3i8 XL. L E E R R E D E .werk fielt , en een belekl houdt, waar inmen, door onverfcand,. het gevaar niet kent*of, door ohberaaden ftoutmoedighcid , nietfchroomt, of zelfs , door hoogmoed , tart.En wat is het gevolg? Slaagt men gelukkig; dan heet zulk eene onzinnigheid wijsheid,zulk eene ftouthcid dapperheid, en zulkeene ligtvaardigheid kloekmoedigheid. — Maarhoe , wanneer de uitflag ongelukkig is? wan-' neer Gods Kerk beroerd , en veel onheilendus berokkend worden ? wanneer het gemoeddoor fcherp verwijt ontrust , eigenhuis en welvaren verwoest worden , en menzich in veele jammercu geftort ziet ? kanmen zich dan verantwoorden , met te zeggen: Mijn oogmerk was goed ; die nietwaagt, kan niet winnen ; en wie kan allesvoorzien ? Hoe mcenig heeft den oogenblikvan zijn onbezonnen befluit, zijn' geheelêi leeftijdmoeten bczugten !tnaarvtr- DAN het gebeurt, dat cie Heer, om zijjhu-dis-nes volks , cn om zijnes Naams wil , aan'moet kt- zulk ccn beleid cn handel eene uitkoomst.ten, en


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 319den , of noemen , eene bekrooning te weezenvan zulk een flegt beleid. Maar metverwondering zal hij erkennen, dat Godzegen fchonk, daar men dien niet kondehoopen. Dit doet hem ootmoedig danken.Met blijdfchap zal hij opmerken , dat deHeerals 't Hem behaagt, in het grootftegevaar , magtig kan 'befchermen , en dooreene kleine hulp , groote verlosfmgen kanteweeg brengen. Dit fterkt, in beprocvin.gen, zijn geloof op 'sHeeren magt, welkegeen ding te wonderlijk is. Dit onderfteunt,in hulpeloosheid , het vertrouwen op 's Heerengoedertierenheid. Dit geeft hem vrijmoedigheid, om , wanneer zijn hart hem wegensonbedachtzaamheid veroordeelt, die zondevoor den Heere te belijden, en Hem te fmeeken,dat Hij die genadiglijk vergeeve, en aaneen onberaaden en bedorven werk eenen gunstigenuitflag veiieene.Verder,U. LEEREN wij , ten VIERDEN : „ Eendat men„ wijs en verftandig mensch, offert het ge- bit aangenaams„ oorloofde , en zelfs het begeerelijke , aanmoet opifferende billijke regelen der waare voorzichtigtanhet3, heid op". — David , dit begeerde watermeest nut»uit de bron van Bethlehem ontvangen hebbende, mogt het, de zaak op zichzelve aan­iige.gemerkt, drinken. Maar het ftuk in alle zijneomftandigheden befchouwende, begreephij, dat de voorfchriften van waare voorzichtigheideischten, zulks niet te doen , maardit


S2Ö XL. L E E R R E D E .dit water, hoe zeer hij er naar mogt ver--langd hebben , voor het oog van gansch hetvolk, en dankbaar voor 's Heeren aangezicht,uitteftortem Prijslijk gedrag, voorwaar! — Er zijn duizend voorwerpen ,naar welken onze genegenheden en begeertenop eene geregelde wijze moogen uitgaan. Erzijn veele dingen, welken, op zichzelvenaangemerkt, betaamelijk kunnen gedaan engelaaten worden. Doch Gods Woord en dereden gebieden ons , alle die dingen , en onszelven, in betrekking tot anderen , en totomftandigheden in welken wij ons bevinden,wel te befchouwen , en ons voorzichtig inen omtrent dezelven te gedraagen. Alles,wat een gemeen krijgsman welvoegelijk doet,voegt niet aan eenen bevelhebber. Alleswat eenen krijgsman, in dienst van een'aardfehen Vorst, vrijftaat , past niet aanden geestlijken krijgsknecht, in den diensten ftrijd van het Evangelij. Gedraagingen ,verkeeringen , en gefprekken , welken in denburger niet te misprijzen zijn , voegen nietaltijd aan eenen Overheidspcrfoon. Oudersmoeten veel, dat op zichzelven geoorloofdis, vermijden, voor het oog van hunnehuisgenooten. Een kundige moet, in tegenwoordigheidvan den onkundigen, niet fpreekenover zulke godsdienstige , of over zulkeburgerlijke zaaken, noch op zulk eene wijze,welke den minkundigen in verwarring brengen, of anderen , buiten reden , beroeren ,* ont-


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 321ontmoedigen, en bedroeven kan. — Het iszoo , menfchen, die of ftout van aart zijn,,of ligtlijk door drift vervoerd worden , vraagen: Waarom zou ik dit niet doen ? Om'wiens wil zou ik dit laaten ? kwaad immers ,ligt er niet in. Is een ander zoo dwaas, dathij het kwaalijk neemt, en er zich aan ffcoort;dat kan geen regel voor mijn gedrag weezen.— Maar verliest men, dus denkende en doende,niet uit het 'oog , dat wij leeven in betrekkingtot onze medemenfehen , en leevenmoeten tot bevoordering van hun nut enftichting ? Verliest men dus niet uit hetoog, dc leer en het voorbeeld van den HéérJefus en zijne Apostelen , en hunne ernstigewaarfchuuwingen , tegen het geeven van ergernisfen? Benadeelt men , door onvoorzichtigheid, eigenzinnigheid , en fiijfzinnigheid,niet mcenigmaalen zichzelven ; toebetrouwdetalenten en aanbevoolen postzich dus onnut , immers min nuttig , maakende?HET is zoo, naar aller menfchen begrippenen zinlijkheden te leeven en zich te gedraagen, is onmoogclijk. Maar laat dit tochnimmer een voorwendfel zijn , ter bedekkingvan onze onbetaamelijke eigenzinnigheid. Laatons onszelven vraagen : Bedenk ik wel genoeg, wat ergeren, en wat ftichten zou ?wat al, of niet, aanleiding tot misduiding zougeeven ? Denken wij wel genoeg na, welke ,IV. DEEL. X ge-)i>eleniet inicht nee*hen.


3c2 XL. L E E R R E D E .gevolgen ons doen of laatcn , ten goede often kwaade , hebben kan ? Vraagen wijwel genoeg : Waar door zal het wezenlijkheil van mijnen evenmensen, en'sHeeren eeren dienst, meest bevoorderd worden ? Laatons toch veel gedenken aan des Apostels verklaaring: Alle dingen , t. w., die hij hier bedoelt, zijn mij geoorloofd, maar alle dingenzijn niet oorbaar ; alle dingen zijn mij geoorloofdymaar alle dingen jlichten niet. Niemandzoeke dat zijnes zelfs is, maar een iegelijk zoekedat des anderen is (v).Baarde DAN het gebeurt, dat zelfs dc godvruchtvrooine tige, eene niet onbetaamelijke begeerte heeft,hier omtrentin naar het genot van zekere voorwerpen , als,•veel beproevingb. v., van wooning , van verkecring , vankan koomeny van kennis , geloof, en godzaligheid ; — hetvrienden, van middelen zelfs tot bevoorderingkan zijn , dat hij deeze zijne begeerte meermaalenden Heere biddend voordraagt, cnde vervulling derzelve befchouwt, als iets dathem eene ftof zou zijn van blijde dankzegging.En verder \ het gebeurt, dat die begeertefchijnt te zullen vervuld worden \zelfs, dat de Heer de begeerde zaak daarftelt.Maar wat nu ? Dc Heer zegt, doorfpreekende hertellingen zijner Voorzienigheid :•Uwe oogen zullen het wel zien , maar gijmoogt(v) I Korinthsn X: 23 , 24,


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 321moogt u in het genot niet verblijden. Ligfchaamszwakheid — verandering van huislijkezaaken — betrekking , waar in men geikoomen , posten , waar toe men geroepen is— fterfgevallen — en wat niet al ? verhinderenen beletten het gebruik, van begeerdeen nu verkreegen voorrechten. — Wathu te doen ? Zult gij , o Christen , u metgeweld tegen de verhinderingen verzetten, cndoor dezelven heen breeken ? niet opmerken, dat de Heer , in den weg zijner Voorzienigheid, dezelven befchikt heeft? Zultgij misnoegd en wrevelig morren tegen's Heeren beftuur $ en twistend vraagen:Waarom , Heer , doet Gij, het geen ik begeerde, ten voorfchijn koomen, maar te gelijkzulke omftandigheden, welken mij verhinderen, in het genot en gebruik daar vanmij te verblijden ? Zult gij doldriftig woedentegen menfchen en gebeurdnisfen, welkende middeloorzaaken en werktuigen zijnvan uwe belemmering ? Hoe verkeerd !HET kan, voorwaar, fmertlijk vallen, begeerdewateren te verkrijgen, en dan zich zich ver­moet hi]ftandig­lijk ge-verhinderd te zien , dezelven te drinken. —Maar kan zulk een beftuur der heilige Voorzienigheid, daar het u van 't begeerde genotdvaagemontzet, u niet wat beters geeven , en u nuttigerdan het geen gij begeerdet ? — Gijmoet van het begeerde voorwerp afzien;doch misfehien behoedt de Heer u vanX 2kruist


32 4XL. L E E R R E D E .O) Hooglied V: 7. , .kruis. •— Gij kunt de verlangde wüoningniet betrekken ; maar misfehien wordt gij ,bier door , behoed voor fchade. — Gij wordtverftooken van eene verkeering, naar welkeuw hart haakte ; misfehien wordt gij bewaardvoor twist, of verleiding. — Hetfmert u, dat gij van den hooggefchattcnvriend , nu hij binnen uw bereik is, geennuttig gebruik kunt maaken; misfehien wordtgij verfchoond van overheerfching, en vaningewikkeld te worden in zaaken, ; waar inhet u best is, geen deel te neemen. —Gij wordt verftooken van het gerot vaneen gewenscht middel , ter bevoordering vanuw geestlijk leven; misfehien dat de wachter,dien gij dacht dat u liefderijk zou ondenechten, de man zou geweest zijn , die u flaan,verwonden, en den fluier ontneemen zou (w).•— De Voorzienigheid befchikt u aangenaamhedenen verkwikkingen deezes levens, maarin tijd en omftandigheden , dat gij er geengebruik van maaken kunt; dus wordt gijweerhouden van zondig misbruik , en in degelegenheid gefield, om anderen to helpenen te troosten. — Met één woord, godvruchtigen; ook dan, wanneer dc Heer uroept, om aftezien van het genot van 'tgeen Hij u deed toekoomen , roept Hij u totverloochening van eigen zin , van eigen verkiezing, van eigen fmaak, van eigen ontwer»


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17, 325werpen. Smertlijk kan dit vallen voor vleeschen bloed ; maar gij weet, het moet u tengoede medewerken. —• Neem , o godvruchtigvolk , cn uwe begeerten , cn het geendc Heer ü fchenkt, cn het geen Hij over ubeitelt, en het geen u fmert — neem hetmet een ootmoedig buigend hart op, enftort het uit voor 's Heeren aangezicht; belijdende:Niets, ja niets en zijn wij waardig,Vriendfchap-, goed, vermaak, noch eer,Meenen-wij, 't is onrechtvaardig?Alle fchepfel hoort zijn" Heer.Leent Hij ons ooit eenig goed,'t Is uit goedheids overvloed;Dies wij Hem te -danken fchuldigZijn, en, neemt Hij 't ons weer af,; Niets te draagen ongeduldig;Want het gaat tot Hem die 'tgaf(x).IH. EINDELIJK zal ik U. A. nog herinneren, dat fchoon men geen' grond vindt, om vindenEindelijk,te denken, dat David hier verklaart zijne wij biereen beeUzielsbegeerte naar den Mesfias cn zijn heil; wij var, geestlijkedin­echter , op het voetfpoor van den Heiland,gen.in zoo veele gelijkenisfcn , hier eene aan ge-'naame gelegenheid ontmoeten , om onze harten, van Davids begeerte —• van Bethlehemsbom-(x) LODKNSTEYN, Gezangen, R!z, 85.x 3 '


FJh totaanmoe--4320 XL. L E E R R E D E .bornput — cn van het gedrag , door Davit!en deeze helden gehouden, hooger tc verheffen.— De Bron van ons heil is Hij , ja Hij alleen,die ten beftemden tijde uit Bethlehem is voordgekoomen.Hij is de put des leevenden waters,vol van genade en waarheid; uit wiens volheid— dus fprcekt het waare Christendom —• wijalle ontvangen genade voor genade. — Enwie , die zijn zielsgebrek waarlijk befeft, endeeze volheid in Jefus Christus erkent, zal nietheilbegeerig vraagen: Wie zal mij dit water tedrinken geeven ? — Dan hier wordt •—• dit ondervindtde heilbegeerige ziel — de toegangdoor vijanden bezet. Zonden , in het hartjeene weereld die in 't booze ligt; en het ongeloofvooral — liggen in den weg. Moedlooskan dit maaken , en hoopeloos doen vraagen:Is er wei uitzicht op zoo zalig een genot? Veelkan het dorstend hart worden aangebooden,dat., ja, op zichzelven niet te verachten is; ;doch waar van het zegt: Dit is het niet, datmijne ziel begeert en zoekt!INTUSSCHEN wordt in het heilrijk Evan-.gelij ons toegeroepen: O alle gij dorstigen xkoomt tot de wateren. Die dorst heeft, koome;en die wil, neeme het water des levens,om niet. — En niet alleen wordt ons toegeroe,pen : Koomt; maar dit heil wordt door hetEyangeirj tot ons gebragt, en ons aangebooden.— Wie onder ons, die zijn zielsgebrek, ledigheid,en hulpeloosheid hij zichzelven, kent?wie


2 SAMUELS XXIII. vs. 13—17. 327wie onder ons, die waarlijk verlangt naar vergeevingvan zonden, naar vrede met God, naarvertroosting des Heiligen Geestes , naar hulpen kracht, ter bekwaammaaking tot 'sHeerendienst, en tot den goeden ftrijd? dat hij tochhoore; dat hij geloove; dat hij zijne ziel uitbreideals een dorstig land; dat hij de genade, ende gaave der genade, aanneeme; dat hij drinke,en zich in. den Heer verblijde. — Dé Heerfchènke daar toe zijnen Heiligen Geest; en fter,ke zijn ftrijdend erfdeel, daar het moede en matgeworden is! Amen.Voormiddag in de Prinfe Kerk,den 8 van Oogscniaand ,1773.X 4XLI.


328 XLL LEERREDE.X L I. L E E R R E D E .2 SAMUELS VI. vs. i—10.ï, Daer na verfamelde David wederom alleuytgelefene in Israël, dertigh duyfent.2. Ende David maeckte fich op, ende ginghhenen met al het volck, dat hy hem was , vanBaalim Juda , om van daer op te brengen deArke Godes , by dewelcke de Naem wort aengeroepen, de naem des HEEREN der heyrfcharen, die daer op woont tusfchen de Cherubim.3. Ende fy voerden de Arke Godes op eenennieuwen wagen , ende haeldenfe , uyt den huyfeAbinadabs , dat op eenen heuvel is : Ende Uzaende Ahio , Abinadabs fonen , leydden den nieuivenwagen.4. Doe-.fy:hem nu uyt den huyfe Abinadabs,dat op den heuvel is , met de Arke Godes wechvoerden,~fogingh Ahio voor de Arke Henen;5. Ende David, ende het gantfche huys Israëlsf peelden voor het aengefichte des HEEREN,•met allerley [fnarcnfpcl] van dennenhoute : alsmet harpen, ènde met luyten, ende met trommelen,oock met fchellen, ende met cymbalen.6. Als fy nu quamen tot aen Nachons dorschvloer, fo Jlreckte Uza [fijne hant] uy' aen deArke Godes , ende hieldtfe, want de runderenftruyckelden.7. Dte


i SAMUELS VI. vs. i—10. 3297. Doe ontjlack de toorn des HEERENtegen Uza, ende Godt jloegh hem aldaer, om defsonbedaéhtfaemheyt : ende hy fterf aldaer by deArke Godes.8. Ende David ontjlack, om dat de HEEREeene fcheure gefcheurt hadde aen Uza : ende hynoemde de felve plaetfe Perez Uza, tot op defmdagh.9. Ende David vreesde den HEERE tenfelven dage: ende hy feyde; Hoe fal de Arke desHEEREN tot my komen?10. David dan en wilde de Arke des HEE­REN niet tot fich [laten] verbrengen in deJladt Davids : mier David deedfe afwijcken inhet huys Obed-Edoms, des Gethiters.Wrj hebben onlangs gezien : — David, David, deFilistijnen«ver­beoorloogd door de Filistijnen ; •—onder des verrast, door het ftout bedrijf van wonnendrie zijner helden ; — en zeegepraalend overwinnaarvan zijne hardnekkige vijanden. —hebbende,Zoo heeft dan cn David, en zijn Rijk, thandsvrede en rust. — Wat nu ? Zullen wydien Koning nu zien fiaapen in den fchootder weelde ? of druk beezig , in het bejaagenvan hooffche vermaaken ? Verre van daar!Wij zullen hem nu zien , bezorgd voor, cnijverig werkzaam in. het hcrftellen van denopenbaaren Godsdienst; in Sauls dagen te jammerlijkverwaarloosd.X 5DAN


33« XLI. L E E R R E D E .DAN vooraf moeten wij iets zeggen, overhet verband, en de tijdorde, in welke dit gefchiedverhaalvoorkoomt. •— In dit Boek,gelijk uitbet beloopvan zaakenblijkt, ven: I, Davids bemagtiging van Sions burg,naar Samuel genoemd, wordt ons opgegee-II. Hirams bezending aan David. III. Davidshuuwelijken en kinderen. IV. Zijne overwinningen, op de hem beoorloogende Filistijnen.V, Dc eerfte opvoering van 's HeerenArk. — Doch in het Eerfte Boek der Kronijken, worden ons de gebeurdnisfen voorgedraagenin deeze orde: I. De bemagtiging vanden burg Sion ; en het getal en de bedrijvenvan Davids helden ; Hoofdftuk XL XII. —II.' De opvoering der Ark ; Hoofdftuk XIIL•— III. Hirams bezending aan David; HoofdftukXIV: i. — IV. Davids huuwelijken en kinderen; aldaar, Vers 2-8, — V. Zijne over,winningen op de Filistijnen; Vers 9-17.HIER uit zien wij, dat in deeze beide verhaalcn , de tijdorde merkelijk verfchilt. —Weinig nut zou het doen , U. A. voortedraagen,hoe geleerde Uitleggers, uit deeze tweeverhaalen , de orde der gebeurdnisfen opmaa,ken. Laat mij flegts zeggen, wat ons aanneemelijkstvoorkoomt. I. Dat ontwijfelbaarde oorlog der Filistijnen tegen David, is voorgevallen, niet lang na hij den burg Sions veroverdhad (a). — II. Dat in 2 Samuels V.,de(i) 2 Samuels V: 17.


% SAMUELS VÏ. vs. i—-ie. 331ile bezending van Hiram aan David vermeldwordt, ten bewijze, dat David groot werd, ende HEER met hem was ; fchoon die bezendingniet terflond na het inneemen van Sionsburg gebeurd zij (b). — III. Dat ter gemeldeplaats , van Davids huuwelijken wordt geiprooke'n,bij gelegenheid , dat van zijnenkenbaaren voorfpoed melding was gemaakt ;terwijl in het Boek der Kronijken, van dezelvengewag gemaakt wordt , bij gelegenheidvan het bouwen van Davids huis ; wordendehuis en hui; gezin aldaar bij elkander gevoegd.— IV. Dat Hiram , terwijl David reeds beezigwas Sions burg te betimmeren , zijne gezandtcnafgevaardigd, cn zijn vricndlijk aanbodgedaan hebbe (c), — V. Dat David intusfehenondernoomen hebbe , 's Heeren Arkoptcvoeren naar Sion. — VI. Wat de redenis , om welke de overwinningen , door Davidop de hem beoorloogende Filistijnen behaald,in het Boek der Kronijken na de ondernoomenopvoering der Ark geplaatst zijn, daar zetoch vóór dezelve zijn gebeurd , weete ikpiet. Wij leezen daar, dat David merkte, dathemde HEER tot Koning bevestigd had over-Israël, alzoo zijn Koningrijk ten hoogjlen verhevenwerd (d). Het verhaal van zijne overwinningenop de Filistijnen , geeft daar blijken verzekering van. Het zou ook kunnenzijn.Cb) Vergelijk T Kronijken XlVi 1.(e) 2 Samuels IV; 11, (é.) 1 Kronijhen XIV a.


S 32 XLL L E E R R E D E .zijn, dat David, op Sion zijn verblijf genoo*men hebbende , al fpoedig zijne Overften ,aangaande dc opvoering der Ark, geraadpleegdhebbe (e), en dat de Schrijver van het Boekder Kronijken, dit meldende , tc gelijk de ondernoomenopvoering der Ark verhaalt;fchoon de overwinning der Filistijnen , tusfchenhet overleg om de Ark optehaalen, ende uitvoering van dit befluit, zij voorgevallen.— VII. Op de vraag: Van waar het onderfcheidin de rangfchikking der gebeurdnisfen, in deeze beide Boeken ? van waar, datfomtijds in beide , de zaaken met dezelfde,en fomtijds met andere bewoordingen — ook,in het eene korter , in het ander, breeder ; inhet eene meer volledig , in het ander flegtsten deele, worden opgegeeven ? behoort menzich tc wachten van zulke antwoorden , welkenuit losfe cn wilkeurige veronderftellingenworden afgeleid. Het kan zeer wel zijn, datde - Profeetcn de gebeurdnisfen van tijd tottijd , cn fomwijl uitvoerig , befchreeven heb-'ben; en dat ver volgends andere Godsmannen,onder het geleide van 's Heeren Geest , uitdie aanteekeningen der Profeeten , die dingenbij een hebben gebragt, welken ten diensteder Kerk meest noodig cn nuttig waren.Ondertusfchen is de aanleiding tot , en hetoogmerk van de bezondere fchikking enorde, in het verhaal gehouden, ons, in zulk(e} i Kronijken XIII: i.een'


i SAMUELS VI. vs. i—io. 333een' grootcn afftand van tijd, veelszins onbekend.THANDS. moeten wij befchouwen, — Davidsberaadflaaging over het opvoeren der Arknaar Sion; — dc daadlijke ondernecming vandie opvoering; — en de droevige ftremmingvan die ondernecming. — In het een en ander, zullen wij, in mcnschlijkc handelingen,eene mengeling zien , van veel dat prijswaardig,, cn van veel dat laakbaar is ; ook eenemengeling van 's Heeren goedheid , en wijzerechtvaardigheid. Dit alles.zal ons veel ftoftot nuttig onderwijs opleveren.A. LETTEN wij, ter korte verklaaring,N, OP Davids beraadflaaging, aangaande de beraadlaagtopvoering der Ark. — Dc Heer, aan Mofeszicb, epbeveelende , eenen Tabernakel toeteftellcn , de overbretiginggaf hem ook bevel, om eene Ark, of zekerefoort van kist, twee en een halve elle lang,reu /Jrit,één en een halve elle breed , cn één en eenhalve elle hoog, van Sittimhout te vervaardigen, en dezelve van binnen en van buitenmet goud te overtrekken (f). Aan haarevier hoeken, moest hij gouden ringen , tweeaan elke zijde ; en twee handboomen , ookvan Sittimhout, cn met goud overtrokken,maaken , welken , door de ringen geftooken,£0 Exodus XXV: 10, n,diep»


:j 34 XLL L E E R R E D E .dienden om er de Ark aan te draagen (g)iOp die Ark moest gemaakt , cn gelegdden , een dekfel van louter goud , uit welkseen en ander einde, gouden Cherubs, in diervoege , gemaakt waren , dat zij met hunnevleugelen dit dekfel overfchaduuwden (h) ;In deeze heilige Kiste, moest Aiofes de Tafelender getuigenisfe leggen (i) ; welken, cnook die alleen , m Salomons tijd , in dezelvegevonden werden (k). •— Het is zoo, deApostel Paulus zegt, dat in dezelven ook waren, de gouden Kruik, daar het Manna in was,en de ftaf Aar ons, die gebloeid hadde (1). Dan,dat hier het woordje in , in eenen ruimerenzin moet genoomen worden , en betcekent,aan of bij de Ark , is door de Uitleggers bewcezenen beweerd. — Veel ware van deezeArk te zeggen ; dan dit tc doen , is thandsonze zaak niet. Twee dingen moeten wijkortlijk voorftcilen , naamlijk — de aangelegenheiddeezer Ark, — en haare lotgevallen.hetze VAN groote — van zeer groote aangelcgenjirkwas ƒw a sdeeze Ark, in den ouden Godsdienst.te aar,ge- Zij was de heerlijke Troon, op welken de Jetegenbeid,n o v a n net zichtbaar teeken zijner tegenwoor-Hén Gods- digheid plaatste (m). Daar ontving Hij dedienst. hulde ,-(g) Exodus XXV: 12-15. (h) Exodus XXV.17—20. (J) Exodus XXV. 16. (10 l KoningenVf/I: 9. (I) Hebreeuwsn IX: 4. (rrf) PsalrtiLXXX: t.


2 SAMUËLS VI. vs. i—is. 335hulde, de gebeden (n), de dankzeggingen (o),en het offerbloed, van cn voor zijn volk (p).Van daar gaf de Heer ook plegtig zijne Godlijkeantwoorden en bevelen (q). — Bij dit alles,was deeze Ark een doorluchtig voorbeeld vanden Mesfias , van zijn' Perfoon, waardigheidten werk, tot heil van zijn geestlijk Israël. Zaaken,welken wij thands niet moeten behande^len. — Door dit alles , was deeze Ark hetvoornaamfte ftuk , "van den geheiligden fchatdes ouden Heiligdoms, en het middenpunt vanal den plegtigcn Godsdienst; hierom de eervan Israël genoemd (r), en door Jeremias geroemd,als een troon der heerlijkheid, eene hooghieldvan den eerjlen aan (s).BENEVENS de aangelegenheid deezer Ark,^ In beeftmoeten wij ons kortlijk vertegenwoordigen,]'erfebei-'en lotgeallenon*haare zeer aanmerkelijke lotgevallen. — Zij ?moest geplaatst worden in het Heilige der" 'ergaanéHeiiigen (t). — Geduurende Israëls reizendoor de woestijn , werd zij, bij de optogtenvan het leger, vooruit gedraagen ; Israël terwegwijzing en bemoediging, en den vijandentot fchrik (u). Het welk ook plaats had, bij,Israëls overgang door de Jordaan (v) , en hijCn) I Kronijken XIII: 6. (o) Psalm LXV: a.Cp) Levitikus XVI: 15. Cq) Exodus XXV: ais0\) i Samuels IV: 21. CO jeremias XVII: 13,CO Exodus XL: 3. Qaj Nu-vnert X: %i tCv) Jofua III.de


336" XLI. L E E R R E D E .de verovering van Jericho (w). Doch daarna, werd ze telkens weder op haare plaatsgebragt. — Ten tijde van Hoogenpricster Eli,werd deeze Ark , doch buiten Godlijken last,in een' bangen oorlog , uit het Heiligdom genoomen,cn in 't leger gevoerd. Dan Israël,door Gods rechtvaardig oordcel, de nederlaagbekoomende, werd de Ark door de Filistijnenveroverd, en in Dagons tempel geplaatst (x).Doch de Heer door fmcrtlijke gerichten dcFilistijnen dwingende, om de Ark weder naarIsraëls land te zenden , kwam ze te Beth - Semes.Doch de inwooners dier plaats , vcrfchriktdoor Gods gerichten , wegens de ontheiligingder Ark geoefend , verzochten aandie van Kiriath-Jcarim , om zc van daar totzich te haaien. — Dus zien wij de Ark tcKiriath-Jearim. Zoo ftraks hier van nader.THANDS moeten wij ons herinneren, datvan dien tijd af, tot de volbouwing van SalomonsTempel , de Ark niet in den Tabernakel, maar elk op onderfcheiden plaats , geweestis. Uit het vcivolg van het gefchiedverhaalblijkt, dat de Ark thands te Kiriath-Jearim was , vcrvolgends in het huis vanObed-Edom , cn eindelijk tc Jerufalem , geweestis; daar de Tabernakel, in dit tijdperk,geplaatst is geweest, eerst te Silo (z), naderhandCw) Jofua VI. rx) i Samuels IV.(zj) Jofua XV11J: I.


•a SAMUELS VI. VS. I-~10.33^hand te Nob (a) , en geduurende Davids re.geering, te Gibeon, nabij Jerufaiem (b). Helgevolg hier van was , dac de plegtige Godsdienst,niet zonder veel ongemak , deels inden Tabernakel, deels bij de Ark, werd venricht.MEN zou hier over het een en ander kunnenaanmerken ; doch daar dit niet zoozeertot onze ftoffe behoort, zal ik flegts aan uweaandacht brengen , dat wij uit het gezegdekunnen opmaaken, Wat reden de vroome Davidhad , om 's Heeren Ark naar Jerufalemootevoeren. — Hier toe pleegt hij raad , met Hier toéde Ovirften der duizenden en der honderden, en doet kifeen voormetalk Virsten ; in één woord , met alle de Qel aanhoofden des volks , van hooger' en laager' httiëls0«djlenrang. — Wat is zijn voorflcl ? Tot de ganfchegemeente Israëls, zooveelen van dezelvettegenwoordig waren, en verder door derzei verhoofden vertegenwoordigd werden, fpreekt hijaldus : Laat ons ons uitbreiden, of laat onsdoorbreeken; en zulks, door te zenden aan alle«nze overige broeders, in alle landen Israëls. Hijwil, van het geen hij voorheeft, eene algemecnezaak maaken — en, zegt hij , tot d&Früsters 'en Levijten , die met hen zijn, in de.Jleden, met haare voorjleden. Trouwends, deezenvooral , hadden bij die zaak een allergrootstbelang... En waar toe zulk eene uitge*Ca) 1 Samuels XXI: 1—6, C*0 * Kronijken I: 3*IV. DEEL..Y


3 38 XLT. L E E R R E D E .gebreide bezending ? Opdat ze, zegt bij, totm v 2rgad,rd worden; en — dit was de grootezaak — laai ons de Arke onzes Gods tot onswederhaalen. Werwaards ? Niet naar Hebron,gelijk fommigen gedacht hebben $ maar naarJerufalem , cn Sion. Dit zijn voorftel dringthij aan , met te zeggen : Want wij hebben zein de dagen Sauls niet gezocht (c).j WAT zegt David met deeze woorden?„Ir" * pit'; Wij Israëiijten, hebben onder Sauls rekracbn-g C e r i. 1 ( r }oo de * belangen van den GodsdienstSJran ST weinig° acht geflaagen; wij hebben de Ark,haare. plaatfmg, en behoorehjk gebruik, metbetaamelijk ter harte genoomen ; waar doordc Godsdienst van deszelfs orde en luister, enwij van veel nuts, zijn verftooken gebleeven.Dit befchouwt hij , als belcedigend voor denHeere, en fchadelijk zoowel als fchandelijk,voor Israël. Hij verklaart zijne gezindheid,om dat verzuim te herftellen; en dringt zijnvoorftel dus krachtig aan. — Maar ftraalt in.deeze drangreden niet wat partijdigheid tegenSaul door ? had dit verzuim ook niet plaatsgehad onder Samuels beftuur ? — Dan , hetkarakter van Samuel verpligt ons , gelijk ookde tijd en omftandigheden van zijn beftuur,om te gelooven , dat het hem aan magt engelegenheid ontbrooken hebbe. Saul had beide; b maar zijn ongodsdienstig hart , maaktehem onverfchillig en achtloos. — David,(c) Zie i Kronijken XIII: 1—3.waar-


i SAMUELS VI. vs. r—10, 339Waarlijk godvruchtig, zag dit met fmcrt. Hijbeoogt, den toeftand van Staat en Godsdienstte verbeteren ; cn ook daar toe , wil hij deArk, dat Voornaame heiligdom, naar Sion opvoeren.MAAR moet hier vooral onze aandacht Met wijs• eleid,biet trekken, de wijze, op wélke David zijn •raaitvoorftel doet ? Deeze is zonderling. ïniién bit bunroedvits*het , zegt hij , ulieden goed dunkt, en van d. nien opHEERE onzen God te zijn. — Indien bet, Ut ftuk;ulieden goed dunkt! Hoe dus ? Was Daviddan geen Koning ? had hij de magt niet, omop eigen gezag dit te doen ? Was het welvoorzichtig , eene • zaak , welke hij zelf billijkkeurde , aan het goedvinden van gansch degemeente te verblijven? — Dan het zij zoo,dat David , als Koning, magt had om te gebieden; wijslijk nogthans, pleegt hij de hoof.den des volks , en de vergaderde gemeente ,raad. Dit was deugdlijk [taatkundig. Hij waseerst onlangs Koning geworden over ganschIsraël, en 'toont, zijn koninglijk gezag niet'terftond in al deszelfs uitgeftrektbeid tewillen gebruiken. Weetende ook, dat achtingte bewijzen, achting baart, toont hij dus zijneachting voor hoofden en volk. — Davidwist, dat de zaak welke hij voorhad , zichzclvcaanprees; maar hij wist-ook, wat dienstigwas , om het laauwe Israël gaande temaaken. —• Hij wist, dat hij beveelen kon;maar ook , dat bcveeleii fomtijds aanleidingY %geeft


40 XLI. L E E R R E D E ' .;cc ft. tot veel tegenbedenkcns , tot heimliiktegenwerken?en het voordbrengen van zwaarigheden.— David koomt dit voor, en wikkeltde hoofden en het volk in ; verzekerdzijnde, dat zij in zijnen voorflag toeftemmen,tn hem daar door veel moeite fpaaren zoulen.— En dit was te meer noodig , omdathet opvoeren der Ark — welke nu, volgendsvoornaame Tijdrekcnaaren, omtrent zeven envijftig jaar te Kiriath-Jearim was geweest —-niet wel rustig kon gcfchieden, zonder onderlingetocfremming. — David dan begeerdehet goedvinden van dc hoofden en het volk,in een ftuk , dat den opehbaaren Godsdienstbetrof , cn waar bij geheel dc IsraclijtifchcKerk belang had. Trouwends, dc verfcandigeneemt den aart der zaaken —• den toeftandder ' tijden — de gefteldheid der gemoederen.—: en de moogelijke uitkoomstcn voor volgendedagen, zorgvuldig in acht.en vooral, NIET alleen zegt David : Indien het uliedengoed dunkt ; — maar ook : en van dendut vandeliILcre.HEERE onzen God te zijn. De Koningbegeert 'ook te weeten , of het grondbeginfelwaar uit hijj werkte , uit den Heere, en des,naar Gods wil, en Hem welbehaagelijk was.— Maar hoe dit voorftel te verftaan ? SteltDavid dit vraagftuk, Of zijne begeerte om's Heeren Ark optehaalen . van den Heere was,aan het oordeel en de uitfpraak van deezemeenigte ? Deeze , immers, was hier nochbe-


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 341bekwaam , noch bevoegd. Wist David , dieeen Profeet was, dit zelf niet ? En zoo neen;waarom vraagt hij zelf, als Koning, hier overden Heere niet, door den Hoogcnpriester ? —David was, ja, een Profeet; maar daar doorwist hij zonder Godlijke openbaaring niet,het geen hij thands begeerde te weeten. Endie openbaaringen waren , na de óprechtingvan Israëls Kerk- en Bu'-gerftaat, zoo gemeenniet, als meenig een denkt.IN 't geheel geeft David dit ftuk niet over,aan het oordeel der meenigte. De woordenliggen in het oorfpronglijke dus : Indien hetulieden goed [dunkt, of is,] en van den Heereonzen Gód [is]. Maar hoe zouden David enIsraël dit weeten ? Zekerlijk, door den Heerete vraagen, door den dienst van den Hoogenpriester,bekleed met de Urim en Thummim,'— Maar , zou men kunnen zeggen , wij leezenniet , dat David dit hier gedaan hebbe.Het zij zoo; doch volgt daar uit, dat hij hetniet gedaan heeft ? Daar hij, bij de grondleggingvan zijn Rijk, meermaalen den Heere dusraadpleegde (d) , zal hij zulks buiten twijfelook nu gedaan hebben , naardien de zaak denopenbaaren Godsdienst van gansch Israël betrof.Zeker weeten wij, uit Davids Psalmen,dat de Heer den berg Sion ten zetel van den00 2 Samuels II: 1 ; V: 19, 23.Y 3Pleg-IVien bijwildsraadj. leegea.


'KLÏ. L E E R R E D E ,•,leg:-in-en Godsdienst verkooren hadde (c).1( jewigtige redenen had cn David , en gansch] srajël, om hier 's Heeren mond raad tc vraagenJ want uitdrukkelijk had dc Heer doorVlofes verklaard , dat Hij, als Israël in Kr.,aaan zou gekoomen zijn, zelf eene plaats verkiezenzoude , uit alle dc ftammen , om ü rnen Naam aldaar te zetten , en te doen wodnen(f). Tot nog toe was Israël van ditvoorrecht verftooken geweest. Dan thandsfchecn het David toe , dat de omftandighedenhem een' wenk gaven, om te denken, of hetnu niet welligt de tijd ware , om te hoopen,dat de Heer deeze belofte zou vervullen. Hijfteit dit aan de hoofden des volks, cn aan degemeente voor , cn wel, om daar over desHeeren goedvinden te vraagen.J)it voorftelgoed paarig goedgekeurd. — Terftond daar op,D A V I D S voorftel wordt gereedlijk en een>gekeurdzijnde ,zendt hij boden door gansch het land, van hetzendt bij Mypt'ifeU Sichor af , tot daar men koomt tebo len af' Hamaih ; om de Arke Gods te brengen van Kiriath-Jearim(g). Beide deeze plaatfen wor­door hetganjebeland, den hier gemeld, om te doen zien, dat Davidnaar alle landen van Israël boden zond. —van betEgyptisel ' Het Egyptisch Sichor — dus omfchreeven ,Sicbor aj » omCe) Psalm LXXV1II: 68, 69; LXVllh I?. 'Cf) Deuteronr.wium XII: 5, lijCg) 1 Kronijken XIII: 5.


i SAMUELS VI. vs. i—10. 343om het van een ander Sichor, in Afers ftam gcicgcn,tc onderfcheiden (h) — was, naar het gevoelenvan voornaame Aardrijkskundigen, nietdc Nijl, of een arm van dcnzclven, gelijkfommigen gedacht hebben ; maar cene beek,uit het zuider gebergte, door de woestijn vanKades Barnea , loopende , en zich bij de ftadRhinocolura , volgends fommigen het oudeGerar der Filistijnen , in dc MiddellandfcheZee ontlastende. Dit was de grensfeheidingvan Israëls land, ten zuiden (i). — Hamath:, tot I'lanat/).1het zij men meer bepaaldlijk die vermaardeftad , of in een' ruimeren zin, het landfehap,waar van zij de hoofdftad was , verftaa ,' lagin de vlakte , tusfchen den Libanon en Antilibanon.,of in het laagc Syrië, des ten noordenvan Israëls land ; uit het welk een engedoortogt naar dit Hamath was. — De be-"woording , tot daar men koomt te Hamatli ,teekent ons de noorder grenzen van Israëlsland (k). David dan, vergaderde gansch Israël, van de zuider tot de noorder grenzen.•—i Trouwcnds, zijne onelerneeming was vangroot belang; zij raakte den openbaaren Godsdienstder ganfche Naatfij. Heuglijk ook waszij voor Israël; want zij baande den weg, tother-(h) Jofua XIX: 26.(i) R KL AND, Palest. Illuftr. pag. 285. feqq. —C. IKEN 11 Disfert. Tom. II. pag. 97. feqq.(k) BA cm ENE, Heilige üeographie , III. D.Bladz. 450 en volg.Y 4


344 XLL L E E R R E D E .rjerftel van den nu lang vervallen en verwar-Jen ftaat van dien openbaaren Godsdienst,Eene ondernecming , derhal ven , den godirruchtigentot blijdfchap, cn David tot ecre.Bedrijf,voa'tr in MAAR het zij zoo , dat ze David tot eerOivid was ; ftrckte ze echter wel zoozeer tot roemtnont,van zijne godvrucht, als van zijne ftaatkundc? Had hij, met den zetel van den Godsiienstin zijne hofftad te plaatfen , niet tenoogmerk , gansch Israël aan zich te verbinfeq» en te gemakiijker een' algemcencn invloedop het zelve te kunnen hebben en behouden?•— Over eens anders grondbeginfelen2n oogmerken tc oordeelcn , zal geen wijsmensch ügtvaardig , noch nadeelig , willendoen. Werd 's Heeren Ark naar Jerufalemavergebragt, het kon niet naiaaten, den Koningook nuttig te zijn in zijn rijksbeftuur;maar waarom mogt hij , bij het herftel vanden Godsdienst., ook dit niet beoogen ? Zooz'jn wijt fnood het is , den Godsdienst tot ftaatkundigeïeitid} inzichten te misbruiken , zoo prijslijk is het,den waaren Godsdienst godvruchtiglijk te bevoorderen,tot welzijn van huis , ftad , enland. Is godsdienstigiieid het hoofdbedpcldevan een' Gode bchaagenden Staat; zulk eenStaat vindt ook zijnen fteun in den Godsdienst— en de wijze Vorst poogt den Godsdiensten de Staatkunde nuttig te maaken aanelkandercn. — Dan, houden wij Davids karakteronder het oog, en letten wij op den aarttrant


2 SAMUELS VI. vs.,i—io. 345..van deeze zijne onderneeming; wij zullen hiede betaamelijkftc grondbeginfelen , en lofiijkiftc inzichten ontdekken. — Volgends desHeeren Wet, moest de'Ark in den Tabernakel, en wel in het Heilige der Heiligen, geplaatst, en de Heer aldaar plcgtig gediendworden. Sedert lang , waren Tabernakel epArk van elkander gèfeheiden ; dit baarde verwarring, immers veel ongelegenheid. Davidwil dit herftellen. Dan God had , bij uit-.drukkelijke verklaaring , beloofd, eene plaats •'igheid.te zullen verkiezen , om zijnen Naam aldaarte doen woonen (1). Dit had de Heer totnog toe niet gedaan. David, nu Jerufalemveroverd , 'en de ftad en burg Sion aanvanglijkin orde en luister gebragt hebbende,pleegt met Israëls Oudften raad , om denHeere omtrent dit ftuk te vraagen. En deHeer verklaarde , dat Hij Sion verkooren hadtot zijne wooning (m). Hier aan te voldoen, is Davids oogmerk. Daar toe maakthij een' aanvang, met de opvoering der Ark;terwijl hij in zijn hart had, den Heere eenhuis te bouwen, en dus de Ark in het Heiligeder Heiligen te plaatfen. Zoo zou's Heeren belofte vervuld, de Godsdienst inluister herfteld, alle de ftammen naauwer vereenigd,en de Koning hoogst vereerd worden.CO Deuteronomium XII: 10, 11.LXXVIU: 68; CXXX1I: 13, 14.2. DA-(m ) Psalm


346 XLI. L E E R R E D E .Om zijn 3. DAVID zijn 'ontwerp voorgefteld , devonrnetnenuit-Hoofden cn het volk het zelve goedgekeurd ,tevoeren , cn de Heer zijn welgevallen verklaard hebbende, fielt hij de middelen ter uitvoeringfpocdig te werk. — Na dc roemruchtige overwinning, op de Filistijnen behaald , was zijnbrengt bij leger uit een gefchcieicn. Maar nu. vtrfaameldehij wederom alle uitgekozenen in Israël,ttertigdyi'zen-' titanbij een, dertigduizend. — Doch hoe ftrookt dit, methet geen wij in het Boek der Kronijken vinden? Daar leezen wij , gelijk we zoo evenhoorden, dat hij gansch Israël vergaderde ,van het Egyptisch Sichor af, tot daar menkoomt te Hamath. Dertigduizend


2 SAMUELS VI., vs. i—10. 347een heir van dertigduizend uitgeleczcncn vcrfaamelde.Voords , daar volgends Vers 1—3.de opvoering der Ark eigenlijk gefchieddcdoor die dertigduizend, was echter, naarVers 5., het ganfche huis Israëls daar bij tegenwoordig.vALLES in gereedheid zijnde, maakte David ,n trekt,tan 'Jeraalem,zich op. Van waar V Zekerlijk ,' uit Jerufalem, cn deszelfs omtrek. — Werwaards ?Volgends het bericht in 1 Kronijken XIII: 6.,naar Baala ; hier genoemd, Baiilim Juda, datis, Kiriath-Jearim. Met een woord; denaam Baala, tcckent eene ftad, in welkerijke en veimoogcnde lieden woonden ; of,cene ftad , door de Kanaanijtcn den afgodtoegewijd. Dus werd zc al van ouds genoemd(n). Hier wordt zc , in het meer?vouwdige , benoemd Baiilim, en omfchreevcnBaiilim Juda, om daar door deeze ftad vaneene andere , welke den zelfden naam droeg,doch in Simeons ftam gelegen was , te onderfcheiden(o). Israël deeze ftad in bezitgekreegen hebbende , heeft billijk dien naamin onbruik gebragt, en haar genoemd, Kiriath- nanr Ki­Jearim , d. i. , ftad der wouden, of der bosfchenriath-Je; zekerlijk , omdat ze in of aan dezelriath-Jearim,'ven gelegen was. Deeze ftad lag op de zuidergrenzen van Benjamin , cn op de noord-00 Jofua XV: 9- 00 Jofua XIX: 3*lij-


348 XLI. L E E R R E D E .lijke van Juda, omtrent drie uuren gaans vanJerufalem (p).»m de ArkNAAR dit Kiriath-Jearim trok David, metIsraëls fchaarcn , om van daar optcbrengcnde Arke Gods , des HEEREN die tusfchen deCherubim woont, daar de imam wordt aangeroepen(q). — Van de Ark zelve ; van hetgeen boven en in dezelve was ; van het gebruik, dat ze in den ouden Godsdienst hadde; van haare aangelegenheid in denzclvcn ;en van haare lotgevallen , tot op deezen tijd— heb ik reeds met een woord gefprooken.Breeder dit tc doen, en daar toe de bewoordingenmet welken zij hier omfchreevenwordt, nader te ovcrweegen , duldt het oogmerkdeezer Leerrede niet. •—• Thands moetenwij onze aandacht vestigen op deezenItaatigen optogt, naar Kiriath-Jcarim. Wijzien alles in beweeging Dertigduizend man,met hunne overften; en David, door heiligenijver, vol leven en vuur. Eene talloozemeenigte Israëliërs , van Jerufalem af, totKiriath-Jearim toe ! In welk eene gemoedsgefteldheidde godvruchtigen , met cn nevensden Koning , toen waren, is ligtlijk te denken,en zullen wij flraks nader zien.IBE-(P)BACHISNE, H. Geographie , II. D. blz.462, en volg.{q) 1 Krtmjktn XIII: 6.


a SAMUELS VI. VS. r—IÖ. 349BESCHOUWEN wij — en dit is de hoofdzaak— de opvoering der Ark uit Kiriath- 'ptebaavandaar'en.Jearim , naar Sion. — Deeze wordt ons inden Tekst dus verhaald : En David maaktezich op, en ging heenen, met al het volk dathij hem was , van Baiilim Juda, om van daaroptehrengen de Arke Gods. — Men heeftzwaarigheid gemaakt, dit verhaal, met dat inhet Eerfte Boek der Kronijken (r), overeente brengen. Daar leest men : Toen toog Da.vid op met het ganfche Israël naar Baala, datis, naar Kiriath-Jearim. Hier leezen wij:En David ging heenen, met al het volk datbij hem was, van Baiilim Juda. — Dan,daar in de eerstgemèlde plaats, Davids optogtuit Jerufalem, naar Kiriath-Jearim, om deA"k„te haaien, en in de tweede, welke wijnu ovcrwcegen , zijn togt uit Kiriath-Jearimnaar Jerufalem — en dus op de eene plaatszijn uittogt, en op dc andere zijn terugtogt,wordt verhaald , blijft er geene ftrijdigheidover. Verkiest men , in onzen Tekst, dewoorden dus te vcrtaalen: David maaktezich op , en ging heenen , met al het volkdat bij hem was, naar Baiilim Juda; danwordt in beide plaatfen het zelfde gezegd.Uitlegger; die het dus begrijpen , merkenaan, dat het voorzetfel „ hier gebeezigd (s),CO 1 Kronijken XIII: 6. C s ) °»in.


350 XLI. L E E R R E D E .in verfcheiden plaatfen de beteekenis heeft vannaar (t).ZEKER is het, dat David , met gansch demeenigte , te Kiriath-Jearim gekoomen zijnde,*s Heeren Ark van daar haalden , cn ondernamen, om die plegtig naar Sion optevoeren-EP «tl, — Zij haalden ze uit den huize Abinadabs. '1 envit betzijnen huize was de Ark gebragt, toen debh is vanyibina inwooners van Kiriath-Jearim dezelve, opdab, verzoek van die van Beth-Semes, van daartot zich haalden (u). Decs man was ccnLevijt , en zijn zoon Eleazar was geheiligd ,dat op eenenheuvelwas.om de Ark te bewaaren. •— Van dit huiswordt gezegd , dat het op eenen heuvel was.Het Hebrceuwfche woord Gibea, is wel denaam vin meer dan ééne ftad; dan het zouverkeerd zijn , hier aan eene ftad , dus genoemd, tc denken. Het woord zegt, een'heuvel, co wijst ons naar eene hoogte , misfehienhet boven deel van Kiriath-Jearim ;zoo fommigen meenen , door David genoemdden berg van 's Heeren heiligheid (v). —Hooglijk was Abinadabs huis in Israël vereerd, met de inwooning van dit heerlijk Heilig.(O C L A ss 11 piïlol. Sac. L. tK Tract. I.p. 550.— No LIJ ii Concord. Part. Ebraico- Chald. p.469.(_u) I Samuels Vïh 1.(y) Psalm CXLUJ; 3.


2 SAMUELS VI. vs. i—io. 351Kgdóm. Doch thands wordt het van die eerontzet , en die heuvel van zijn waardigst fic.raad beroofd. Dan welk vroom Abinadab of,feit niét zijne bezonderc eer, en huislijk voorrecht,aan 'sHeeren eer, en het algemeen belang,blijmoedig op?O M de Ark overtebrengen , voerden zij dieop eenen nkuwen wagen. — Geene reden iser altoos , om hier, met fommigen , aan eengering voertuig tc denken; maar we] op zulkeen , ais aan deeze plegtigheid best beantwoordde(w). — Op eenen nieuwen wagen.Dit was een uitwerkfel van eerbied en hoogachtingvoor 's Heeren Ark ; als mede, vanzorg, om zeker te weezen dat dit voertuinrein was. — Dat de wagen getrokken werddoor runderen, blijkt uit het vervolg. Waar-''oor run*'erin gerokken.om niet door paarden ? Za^ men°antwoor"'den: Omdat bij veele Heidenen, paardenaan de Zon toegewijd wordende, dit eendenfchijn van afgoderij konde geeven? of ook-Omdat de paarden tot de onreine dieren.behoorden? Het kan zijn. Maar zekerweeten wij , dat in Davids tijd , het gebruikvan paarden zoo ongemeen, als dat van runderen algemeen was. — Doch waarom deArk dus op eenen wagen gevoerd ? Zij, diepoova;v K.D.?,r 6': DtEj ' oveit " L " M i'-Dit deeienzij,lp eenen'•ieuwenwagen ,


„35* XLI. L E E R R E D E .poogingen gedaan hebben — indedaad totonteering van Israëls waaren Godsdienst —om te bewijzen, dat gelijk andere deelen vanIsraëls godsdienstige plegtigheden en heiligedingen , zoo ook de Ark , uit der Heidenengebruiken ontleend zouden zijn , meenen ditwangevoelen ook daar door te kunnen flaaven, dat David hier de Ark op eenen wagenvoerde ; gelijk de Heidenen hunne vervoer*baare heiligdommen, en afgodsbeelden , gewoonwaren , plegtig ook op wagens om tevoeren (x). •— Dat Heidenen dus deeden ,en nog doen , is bekend (z); maar dat David's Heeren Ark op eenen wagen zou vervoerdhebben , om daar in de gewoonten en plegtighedender Heidenen natevolgen , zal niemandgelooven , die zich herinnert, 's Manswaare godvrucht, aankleeving aan den zuiverenGodsdienst, en hartlijken afkeer van alles,dat fchijn of fmaak van afgoderij had.—Deed David dit dan niet, in navolging vande Filistijnen, die de Ark uit hun land, naardat van Israël zonden, op eenen nieuwen wagen, door twee koeien getrokken (a) ? Maar.is


2 SAMUELS VL vs. i—IQ. 353is het te denken, dat David zooveel aandachtop dit bedrijf van deeze zijne doodvijandenzou gehad hebben ? Was die daad derFilistijnen ook wel zoozeer eene godsdienstigeplegtigheid, als eene procfnecming, omte ontdekken, of het kwaad dat hen getroffenhad, een oordeel van God, danflegts een toeval, was geweest (b) ? —•Maar waarom niet gedacht , dat David ditdeed , wegens den afftand van Kiriath - Jcarimvan Jcrmaiem ; om de overbrenging, andersmoeilijk , gemaklijk te maaken ; om de Ark ,onder den toevloed van zooveel volks, tc beterte beveiligen; cn dit ganfche bedrijf te plegtigeren ftaatciijker te maaken?INTUSSCHEN — L wat reden David ook Doeivoor dit zijn beleid mogt gehad hebben — hij firijdigtegenbeding een' grooten misfiag. Uitdrukkelijk 's Ileerenhad God gebooden , dat de Ark , van dc eene Wet.naar de andere plaats overgebragt wordende ,door dc Levijten , en wel door de zoonenvan Konach, moest gtdraagen worden (c).En het is om deeze reden , dat daar Mofesden Gerfonijten en Merarijten wagenen gaf,ter vervoering van den Tabernakel, hij dieniet gaf aan de zoonen van Kohath ; omdatde dienst der heilige dingen op hen was , diezij(W) 1 Samuels Vh 9.(c Nameri IV: 4, 6, 15.IV DEEL. Z


Die wagenwerdgeleid354 Xl-I. L E E R R E D E.zij op de fchouderen droegen (d). David zelfzag en beleed, achter na, deezen misftap (e).— Maar hoe kwam David , hoe kwamen déPriesters , tot zulk een wangedrag ? — Nimmerhad iemand van hun zulk eene plegtigheidbijgewoond; drukke beczigheden, grooteomflag, veel befchiks, vervoerende blijdichap,dceden hen meer letten op het geen mendeed, dan op de wijze hoe men het behoordete doen. —- De Ark we d dan uit het huisvan Abinadab wechgevoerd , op eenen nieuwenwa ben.TWEE van Abinadabs zoonen, Uza enAhio , leidden dien wagen ; cn wel zoo , datiioorAhit , Ahio voor de Ark heenen ging, om de runenvergt " deren te beftuuren , en Uza nevens dezelve ,zeld dooiUza.om toezicht te houden. •—• Maar waar blijftAbinadab zelf ? Misfehien was hij, doorouderdom of ziekte , buiten ftaat. Of hijwas , dat waarfchijnelijker is , reeds overlceden.—- Maar Eleazar , wien de toezicht opdc Ark , toen ze ten huize van zijnen vadergcbiagt werd , was toevertrouwd, waarblijft die ? Naardien men rekent , dat deArk te Kiriath-Jcaiim omtrent zevenenvijftig— of, volgends anderen , omtrent de zevenen zestig jaaren lang, verblijf gehadheeft,(d) Numeri VII: 6-9.Ce) x Kronijken XV: 11-13»


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 355heeft, zoo volgt, dat hij thands , indien hijnog in leven was , een oud man , en dus totrdit werk ongefchikt zal geweest zijn. — De: erzvijlArk dus uit Kiriath-Jearim gevoerd wordende, ging David met en voor dezelve, te dik ging fOavtdwor deVoet. Zoo fteide zich een luisterrijk Koningaan het hoofd van deezen optogt. Zoo toondehij aan gansch Israël, zijne hoogachtingvoor 's Heeren dienst, en zijnen eerbied voordeezen zetel der Godlijke tegenwoordigheid*Zoo boezemde hij al het volk ontzag in ,voor den Heere , cn dit godsdienstig werk.Zoo nam hij de gunstige gelegenheid waar,en de gefchiktc plaats, om te doen het geenhij voorhad.EN dit .was5deezen optogt te vergezellenmet Godverheerlijkend gezang. Dus lee­de Kcenig*en nevenste, .zen wij : En David , en het ganfche hunIsraëls, fpeelden voor het aangezicht des HEE­REN, met allerlei [fmarenfpel~] van. dennenhout; als met harpen , en met luiten, en mettrommelen, ook met fchellen > en met cymbaalen, en met trompetten (f). — Noch mijn. tijd, noch mijn oogmerk , laaten mij toe ,over de benaamingen , het maakfel, de hoedaanigheden,de bewerking , en gebruiken. deezer fpeeltuigen-, te fpreeken. Dit zier met Jpetiwij, dat gelijk de fpeellicden veele waren ,ei(.f) Vergelijk I Kionijken XIII: &Z z


356 X LI. L E E R R E D E .er ook een veeltal, en veelerlei foort, vanfpeeltuigcn waren. — 1Meer zou het aan 'toogmerk deezer Leerrede voldoen , dat wijDavids gedrag hier gehouden, onderzochten,cn de bedenkingen daar over, tot nadeel vandien Koning gemaakt, beantwoordden. Dandaar zijne huisvrouw Michal ons in het vervolgdaar toe gelegenheid zal geeven, zullen wij diebedenkingen thands noch voorftellen, noch beantwoorden.cn zang, . A L L E E N L I J K moet ik vraagen: VergezeldeDavid, en Israël met hem , deezen optogt, met dit fpeelcuig en fpel, om flegtsdoor een vcrvroolijkend geluid de ooren teftreelcn ; om de dierlijke aandoeningen vangenoegen cn blijdfehap optcwekken , en dusde meenigte , bij deezen optogt, te vermaakenV Verre van daar ! In het Bock der.Kronijken (g) wordt ons bericht, dat David,met gansch Israël , bij deeze gelegenheid liederenzongen. Welke liederen ? Zeker niet.van ijdele of nietsbeduidende ftof. Geeneliederen , welken, behalvcn de kunst daar in, te vinden , bijna niets dan fmaaklooze laffighedenbehelsden. Geene liederen , in welkenzijn eigen lof, cn bedreeven heldendaaden ,den Uee* • werden opgezongen. — Maar liederen , welverbeef-(ken gepast waren op deeze godsdienstige pleglijkien.Ug-" (g) i Kronijken XIII: 8.


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 357tigheid. Liederen, ftrekkende om Gods deugdente verheerlijken , zijne weldaaden te roemen, Hem om zijnen zegen te fmeeken,Israël tot waare godvrucht optewekken , cnde vroomen tot vertrouwen op, cn blijdlchapin den God hunnes hcils, ten krachtigftcn aantemoedigen.•— Welke liederen in het bczonderhier gezongen zijn , is met zekerheid niette bepaalen. Ongetwijfeld zijn zc gclijkfoortiggeweest met die, welken gezongen werdenbij de hervatte opvoering der Ark ; enwelken die waren , ftaat ons in het vervolgte onderzoeken en aantewijzen. •— Zoogaat David , cn al het volk , vervoerd doorblijdfehap, van Kiriath-Jearim, met 'sHeerenArk, den weg op, naar Sion. •— Op deezenweg , omtrent drie uuren lang, naderden zijtot Nachons dorschvloer. En wat gebeurdealdaar ?EEN geval, zoo ontzettend, als onverwacht! Een geval , dat terftond al het ge-j 'cèen ge-ïntuiteurteenluid van het lieflijk fpeeltuig deed zwijgen —\ wtzaglijkhet verruimde hart een' doodlijken fchrikaan-i ï val.joeg — en het Godverhecrlijkend gezang deedverwisfelen met geween cn jammerklagten !Een geval , dat David deed befluiten , omden optogt te ftaaken , en van zijn voornemenom 's Heeren Ark naar Sion overtebrengen, aftezien. — Het geval was dit. AanNachons dorschvloer gekoomen zijnde, ftruikcldende runderen, welken den wagen trok-Z 3 ken.


Bij dendvrseb'vloer•vanIVacbott,358 XLI. L E E R R E D E .ken. Uza, dit ziende, fbekte zijne hand uitaan 's Heeren Ark , en hield die, 's Heerentoorn ontfteekende tegen Uza, floeg Hij hem,om deeze onbedachtzaamheid, zoo dat,hij opd'oogenhlik den geest gaf, en dood bij denwagen nederviel. — Dit treurig geval moetenwij kortlijk over weegen. — Waar,'ge-,beurde het ? — Wat gebeurde ? — Welkeuitwerking had deeze gebeurdnis?WAAR gebeurde dit geval ? Bij eenen ».dorschvloer. Bij dc Oosterlingen zijn dedorschvlocren niet, gelijk meestal bij ons, opeene overdekte plaats, maar in 't open veld(h). Aan dit ftuk lands, ten dorschvloer ge,fchikt, gekoomen zijnde, gebeurde dit treuriggeval. — Wiens was deeze dorschvloer ?Nachons ; en volgends het Boek der Kronijken,Chidons (i). Wordt ons , door deezenaamen , eene plaats, of de eigenaar, aangeweczen? Sommigen hebben , met zeker beroemdman (k) , het eerfte gedacht. DaarNachon een' treffenden flag, en Cnidon ecu*grooten rampfpoed en verderf, beteekent,meent(h) PAUI.SEN , Berichten van den Akkerbouwder Oosterlingen, §. XL. blz. 195.— T. SHAW'SReizen door hec Oosten, I. D. blz. 214.(i) 1 Kronijken XIII: 9,(k) Boen ART, Hicroz, P. I. L. 11. C.XXXF1L


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 35$meent men , dat reeds vooraf deeze plaatsdus genoemd worde , van wegen het treuriggeval dat Itraks wordt verhaald. Dan, zoumen hier op niet kunnen aanmerken, dathet wat vreemd fchijnt, dat, daar David zelfdeeze plaats , wegens deeze droeve gebeurdnis, Perez - Uza noemde , die zelfde plaats ,wegens dezelfde gebeurdnis , met een' anderennaam , en zoo even te vooren , zou benoemdworden ? Dan het zij deeze naamende plaats waar , of den eigenaar — die dantwee naamen zal gehad hebben •— aanduiden;deeze aanwijzing was van groot belang,voor Israëls nakoomclingfchap. Elk, die aandeeze plaats kwam, had gelegenheid, om zichde gebeurdnis aldaar voorgevallen, tot nuttigonderwijs te herinneren.y. W A T gebeurde op deeze plaats? Bei h-uikel-'en derunderen, die den wagen trokken , Jlrui- \'underen.keiden. •— Zeer verfchillend zijn de vcrtaalingenen vcrklaaringen deezer woorden(1) , bij Uitleggers van vroeger' cn laaterentijd te vinden (m). Dan, het zij datdeeze runderen buiten den weg gingen; hetzij dat ze bezweeken ; het zij dat zij floegen;het zij dat ze in den wecken gronden(1) npnniDDty'D(m) B OCH ART. Hierot. P. I. L, II. C,XXXVII. Col. 27* fm-Z 4


36o XLI. L E E R R E D E .2ïi flijk bjeeven ftccken ; of dat ze uit hetgefpan los raakten ; of daadlijk fïruikelderi— zeker is het , dat door dezelven de wagenin zulk eene bewceging werd gebragt, dathet fclièen , dat de Ark in eenig gevaar zoukoomen, of dat die zelfs dreigde te vallen. —Niet reden werd Uza hier door getroffen. Hijzal dit meer befchouwd hebben als een toevalligongeluk, dan als een beftuur van GodsEn Uza heilige Voorzienigheid. Uza ftrekte , zekerlijkzijne hand, uit aan dc Arke Gods, enfiaat zijnehand aar.dc Ark. hield , of greep ze; het zij , met oogmerkom die met zijnen broeder tc draagen , opdatdc overvoering niet opgehouden cn vertraagdwiercl ; of liever, om zc te ondcrfcheppen, vasttehouden, cn voor ongeval tebehoeden. — Was dit gedrag van Uza nietgoed , en prijslijk ? Dus , zeker , dacht hij,en waarfchijnebjk anderen met hem. Immers, zoo toonde hij zijne hoogachting cnzorg voor 's Heeren Heiligdom ; zoo bevlijtigdehij zich in zijn' aanbevoolcn post; zoo\yas h'rj oplettend op het geen voorviel ; zoodekte hij zich , tegen ernstige beftraffingen,en bnaangenaame vcrwij tingen , van Daviden de ganfche naatfij, indien der Arke eenignacleci hadde getroffen , en hij zulks hadkunnen voorkoomen. Heeft hij , door zulkeene vlijt en vaardigheid, bij David nietgroeten dank behaald , cn gansch Israël aanzich verpligt ? Had hij, bij dit alles, Godshoo-


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 361hooge goedkeuring en zegen niet te wachten?D A N zie ! — ontzettend geval ! — Toen n° cb f e )ontjlak de toorn des HEEREN tegen Uza, hent^ ,i uten God ftocg hem aldaar; cn hij Ji'urf al-bijfafï.daar bij de Arke Gods. Elders leezen wij ,VOOr- het aangezicht e Gods (n). De man bleefaaiifronds , door een kenbaar oordcel Gods ,dood ! — Elk die dit leest, vraagt: WatAvas 's mans misdaad? Was het ongeloofen wantrouwen aan 's Heeren zorg , alsof God niet zelf, cn onmiddellijk, dentroon zijner heerlijkheid behoeden zou ?Dus dachten fommigen. Maar had de lieerooit beloofd , dat Hij de Ark, in wat gevaarze ook koomen mogt, door een wonderwerkzou bewaaren ? Heeft God nietzelf dit Heiligdom door wachthoudende Priesters, in dc woestijn , doen bewaaren en beveiligen? — Was het , omdat Uza geenLevijt, en dus tot dc behandeling der heiligedingen niet bevoegd was ? Dus hebbenanderen gedacht ; doch zonder grond. Datdeeze man een Levijt geweest zij , is reedsvoorheen opgemerkt. Hij toch was een broedervan Eleazar , die te Kiriath-Jearim geheiligdwas om de Ark te bewaaren, endes een Levijt. Het zij zoo, dat die ftadgeene priesterlijke ftad geweest zij; daar,:tVZ -wit(n) 1 Kronijken XIII: 10.% 5


36a XLI. L E E R R E D E .uit kan niet volgen , dat Uza niet totde Levijten behoord hebbe , want deezenwoonden cok in andere dan priesterlijkelieden (o).Er. zulks, W A T was dan de misdaad , om welke God°nb ***** ^ z a 2 0 0 o n t z a ghjk m e t den dood ftrafte ?•dacht- De Tekst zegt : om deeze onbedachtzaamheid,zaamheid. — Welke onbedachtzaamheid ? Dat hij zijnehand uitftrektc aan de Arke des Heeren,en dezelve hield. •— Dit , ja , leezen wij ;maar waar in is die onbedachtzaamheid, enwel zoo flraf baare, toch gelegen ? Daar in,dat hij deed , het geen hij volftrekt, in ditgeval , niet mogt doen. Geen Levijt mogtde Ark, den troon der Godheid onder Israël, eene heiligheid der heiligheden , zien ,veel min aanraaken. Uitdrukkelijk had Godbevoolen , dat bij het optrekken van Israëlsleger, Aiiron de Hoogcpricster, en zijne zoonen, moesten koómen , den voorhang afneemen, cn met denzelven de Ark 'bedekken ;dat zij , boven dien , daar over heen moes.ten leggen een dekfel van dasfenvellcn , cnnog over dit , een geheel kleed van hemelsblaauwuitfpreiden , en dan de handboomenaanleggen. Wanneer nu Aaron en zijnezoonen de Ark dus bedekt hadden, daneerst(cO VergelijkDeuteronomium XII: 12, 1$; XIV:27; XVI: '11.


2 SAMUELS VI. vs. i—i©. 363eerst moesten de Levijten , uit het huis vanKohath , koomen, om die gedekte Ark aande handboomen tc draagen. Bij dit bevel,voegt de Heer dit uitdrukkelijk verbod ;maar zij zullen dat heilige , t. w,, de Ark ,NIET AANROEREN, DAT ZIJ NIET STER­VEN. En vervoigends : zij zullen niet inkoomen, om te zien, als men het Heiligdomimvindt , DAT ZIJ NIET STERVEN (p).Ziet daar 's Heeren uitdrukkelijk verbod. Zietdaar de bedreiging des doods , op de overtreedingvan dit verbod (q). Het is thandsonze zaak niet, de redenen van dit verbod,en van deeze bedreiging, te onderzoeken ;maar wel, om optemerken, dat wij in Uzaasbedrijf de ©vertreeding van dit verbod zien, cnin 'sHeeren handelwijze, de uitvoering cicr bedreigdeftraf,UZAAS misbedrijf wordt —• en dit ver-En boagsediept onze opmerking — genoemd, onbedacht- 1 > ! ' / ' : J X 'zaam-(p) Zie Numeri 1F: 5, 6, 15, 20.(q) Er is, die meent, dat dit de reden geweestzij , waarom Salomo , daar hij zoo veeleanderegereedfehappen , ten dienste van den Tempel, op nieuw deed vervaardigen , geene nieuweArk deed maaken , maar die, welke Mofes haddoen maaken , behouden, en in zijnen Tempel geplaatstheeft. J. MEYER, Annotat. in Seder Oium,?*g< 745-


364 XLI. L E E R R E D E .zaamheid; eene dwaaling , door gebrek vanbehoorelijke opmerkzaamheid veroorzaakt.•— Maar , vraagt men , waarom heeft Godzulk eene onbedachtzaame vergrijping zoozwaar geftraft ? te meer vraagt men dit,omdat God zooveelc duizende moedwilligeovertreedingen zijner wetten, niet alzoo ftraft.Is zulk eene geftrengheid overcentcbrengen ,met het denkbeeld van 's Heeren goedheidcn langmoedigheid "? Mogt men —• kon mendie verwachten , in eene omftandigheid alsdeeze , cn in welke David cn geheel dc meenigte, met zulk eene blijde welmecncndheid,God plegtig dankten en verheerlijkten ? —•Laat mij, in 't gemeen , antwoorden : Wijmenfchen, zijn geen bevoegde rechters overGods gerichten. De Heer is dc heilige, Hijis dc aUeenwijze God ; cn wij zijn zondige,en zeer kleinweetende fchepfelen. Wanneerwij zien wat God doet, is het onze zaak,te gelooven, dat zijn doen majesteit enheerlijkheid is. —• Maar , zegt men , Godheeft ons een redelijk verftand gegeeven , omte kunnen oordeclen , en grondbeginfelen vanbillijkheid ingefchaapen, om naar dezelven temoeten oordeclen ; en de regelen van gerechtigheidcn billijkheid, kunnen bij Godzelf geene anderen zijn , dan bij de menfchen, want gerechtigheid en billijkheid zijnaltijd , en bij wien ook, onveranderlijk dezelfden.LAAT


2 SAMUELS VI. vs. i—ïö. 365• LAAT mij o Pdit alles antwoorden: — l%f 6e.I. Dit gezegde toegeftaan zijnde , is nogthansw e e z e ades Heeren handeling omtrent Uza, zeer: wordt.wel te billijken, uit het geen bij menfchenbillijk en rechtvaardig wordt gekeurd. Danis het wel noodig , de rechtvaardigheid vanGods handelingen uit zulk een' grond teverdeedigen? — II. God heeft, ja, onseen redelijk verftand gegeeven , om te kunnenoordeclen; maar dan ook , om te oordeclen, dat al Gods doen , het zij wij hetkunnen doorzien of niet, wijs is en heifüg. — UI. God heeft ons, ja, grondbeginfeleningedrukt van recht en billijkheid,om naar dezelven te oordeelen; maar dan ookdeezen grondregel, dat wij Gode moeten'geeven , dat Godes is. En dit beftaat , onderanderen , hier in , dat wij , kortzichtigeftervelingen , erkennen : Uwe gerechtigheid,is als de bergen Gods ! uwe oordeelen zijneen groote afgrond ! Ook, dat de toepasfmgder regelen van rechtvaardigheid en billijkheidop bezondere perfoonen en bedrijven, oneindigbeter aan de Oppermajesteit, dan aanellendige ftervelingen, is toetevertrouwen.—IV. Dc regel van gerechtigheid en billijkheid. voor menichen , is de heilige wil van God,hunnen Opperheer ; de regel van recht enbillijkheid bij God , is zijne eigen volmaaktheid, volmaakte wijsheid, en oneindige heerlijkheid,' en gaat het bereik van ons verftand


366 XLL LEER REDE,ftand veel verder te boven, dan de hemelenhoog zijn boven de aarde. — V»Meestal, is de rechtvaardigheid en billijkheidder Godlijke oordeelen genoegzaam kenbaar*Hier overtreedt Uza Gods uitdruk*kelijk verbod ; verbod, door Mofes bekendgemaakt, en op welks cvertreeding de d©odgedreigd was* — Maar, zegt men, hetwas door onbedachtzaamheid. Het zij zoo ;maar maakt achtloosheid , daar men oplettendmoest weczen — maakt zorgeloosheidj daar men waaken moest, een misbedrijfftraüoos en verfchoonelijk ? — Hetis zoo , duizend moedwillige overtrecdingenftraft God niet op de daad. Dan daar inheeft men immers ccn bewijs , dat dc Heerook langmoedig is. — Maar, kan menvraagen * is zulk eene geftrengheid overeente brengen , met het denkbeeld vanGods goedheid ? Dan ik vraag wederom jIs zoo veel goedheid , als God aan fnoodezondaaren bewijst, overeen te brengen methet denkbeeld van zijne rechtvaardigheid ?Laat ons erkennen , dat God de oefeningdier b^ide volmaaktheden , beftuurt dooroneindige wijsheid. — Maar, mogt menvraagen - kon men zulk eene . geftrengheidverwachten , bij zulk eene blijde enplegtige omftandighcid ? Dan , moet men ,deeze overweegende , die geftrengheid nietten hoogften billijken ? Zondigt Uza niette-


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 36?tegen een alleruitdrukkelijkst verbod ? Waser niet reeds misdaan, door 's Heeren Ark,in ftede van die aan de handboomen tedraagen , op eenen wagen te vervoeren ?Werd de misdaad , door de openbaare plegtigheidniet grootlijks verzwaard ? Werddus 's Heeren uitdrukkelijke Wet, in zoogewigtig eene zaak , niet voor het oog derganfche naatfij gefchonden ? en wel in eeneomftandigheid , in welke die met de meestezorgvuldigheid moest worden in acht genoomen? Zou het ftrafloos voorbij gaandeezer misdaad , hier geen voedfel hebben gegeevenaan verdere achtloosheid ? Is hetvreemd , dat de Heer , daar Hij openlijk onteerdwordt , zichzelven heiligt voor het oogvan al het volk ? •— Laat mij eindelijk nogopmerken, dat de Heer, in deeze ganfche gebeurdnis, uitneemende blijken van zijne verfchoonendebarmhartigheid heeft gegeeven.David , de Priesters, dc Levijten , engeheel het volk , waren hier alle , deeen meer, de ander minder, aan misbedrijffchuldig. Dan de Heer fiaat alleenlijkden cénen man, die zich allermeestvergreep; en zulks , ter handhaavingvan zijne wet, en van zijne eer,en ter waar fchuu win g voor volgende geflac.htemE'EN


3Ö3 XLI. L E E R R E D E .EEN weinig biecdcr heb ik dit ftuk behandeld, omdat vcimomde Vrijgeesten, onderden fchijn , van de eer der Godlijke goedheidtc verdeedigen, dc Godlijke rechtvaardigheidbeftrijden , en tot dat einde , dezelve in zulkeen licht poogen te ftelien, als ware dezelveonbegaanbaar met het gezond denkbeeld ccnerGodheid. — üp deezen grond ook , onderneemtmen , het Codlijk gezag der heiligeSchriften tc ondermijnen. Men redeneert aldus: „ Het oefenen van zulk eene geftreng-„ heid onbegaanbaar zijnde met het denk-„ beeld van Gods goedheid , kunnen zulke„ Schriften ,. in welken dezelve , als waarlijk„ door God geoefend , wordt opgc geeven ,„ onmoogelijk van Godlijken ooriprong zijn.„ Uza blijft fchielijk dood ; misfehien. door„ den ichrik , wegens het geweldig fchokken„ van den wagen. Het bijgeloof maakt„ 's mans onnoozel bedrijf misdaadig , en zijn„ ongeluk, eene Godlijke ftraf". — Doch uithet geen reeds is aangemerkt, blijkt , hoe.wilkeurig zulk eene verklaaring , cn hoe fjeielzulk eene reelcnkavering is.Heftigwordt fitviel biernoor aa>gedaan.D A N keeren wij weder tot het gefchicdverhaal.— Toen God dus Uza fioeg , en-David 's mans geduchten dood vernam , ontftakDavid. — Wat zegt dit ? Öntftak Davidin toom ? en wel tegen den Heere ? Tot zulkeen toppunt van godloosheid werd, ja, meermaal


-b. SAMUËL8 VI. vs. i—iö.só>Iftaal dé godlooze zondaar vervoerd (r). Maarbehoef ik wel te zeggen, dat zulk een vloekwaardigbeftaan en gedrag , bij David hiergeen plaats hadde ? Wij moeten hier denkenaan eene ontfteeking, gelijk aan die, in welkeSamuel , getroffen door het Godlijk vonnisover Saul, den ganfchen nacht tot den Heere•riep (s), David ontjlak , zegt hier, dat hijfchielijk getroffen — zeer ontroerd — heftigbeweegd — met verbaasdheid geflaagen —•en door een' overweldigenden ftroom van elkanderverdringende aandoeningen , vervoerdwerd, — En zulks , omdat de HE E R eenefcheure gefcheurd hadde aan Uza. God had Uzaplotslijk bij de Ark ter neder geveld; — op eenezoo ontzettende wijze, zijn heilig ongenoegengetoond; — aller harten met fchrik geflaagen ;.— den optogt, en de orde in denzelven, geftoord; — het blij gejuich doen zwijgen; —het gezang doen veranderen in geween ; —••en de overvoering der Ark , op dit maal, ge*ftremd. De fcheure aan Uza gefcheurd,maakte eene algemeene fcheuring.DOOR dit alles ontftak David, in medelijden,over den gevelden Uza — in droefheid ; daar deHeer zoo groot eene vreugd, verwisfelde in-zoo diep een' rouw — in verbaasdheid ; zoogaat de optogt in geregelde orde voord, enoogep-00 Jefaias Vllh ai. CO i Samuels XF; U,IV. DEEL.Aa


37» XLI. L E E R R E D E .oogenbliklijk is alles in verwarring! — infchrik ; zijn hart was verruimd, door befeffenvan 's Heeren goedheid , en plotslijk wordthet getroffen , door een zichtbaar blijk van's Heeren ftraffende rechtvaardigheid. Hij zietUza een lijk — en vraagt: Wie van ons zalüeevendig blijven ? — David ontftak, in onuitdrukkelijkefpijt. Daar hij bij deeze opvoeringde kenbaare blijken van 's.Heerengoedkeuring verwachtte , verklaart de Heer,voor het oog van gansch Israël: Ik heb geenwelgevallen aan dit werk. — Door dit alles,Haat David raadloos , en alle zijne zielberoerendehartstogten zijn ontftookcn.-En noemt WAS men al van ouds gewoon, plaatfendeeze naar gewigtige gebeurdnisfen , aldaar voorgeflaatl\ Afvallen, te benoemen, en had David zelf zulksvoorheen reeds gedaan; geen wonder, dat hijdeezen dorschvloer den naam gaf van Perez-.Uza, d. i., de fcheure van Uza. —• Zoo noemero/> de hij, zegt de Tekst , deeze plaats , tot opzen dag. d eezendag. Welken dag ? Dien dag, of dientijd , in welken dit gefchiedverhaal gefchree-•ven werd. Deeze fpreekwijs voorheen onsreeds voorgekoomen zijnde (t) , zegge ikthands alleenlijk: Naar alle waarfchijnelijkheid, in het laatst van Davids leven, of inhet begin van Salomons regeering. —• Doordeeze benoeming, werd het aandenken aandeezeO) -i Samuels XXVlh 6; XXX: 25.


2 SAMUELS VI. vs. i—ia. 371deeze gebeurdnis bewaard ; en zulks, toternstige waarfchuuwing , en nuttig onderwijs.DROEVE gebeurdnis intusfchen ! — Enwat gevolgen had dezelve ? Eene geheeleVerandering in Davids ontwerp. Hij is bevreesd; — hij fiaat verlegen; — hij ftaakt deovervoering der Ark naar Sion ; — en hijvoert dezelve af , naar het huis van Obed-Edom. —-Van elks met een woord. — David Davit/,vreesde den HEER ten zeiven dage-.- Maar^ looi- vrees


372 'ÏCï. L E É R I i E D E.Davids. Welk eene verandering!' Was daflzijne genegenheid veranderd ? Neen ; maarwel zijn befluit. Met fmcrt zag hij van zijnVoornemen af. — Was dit wel gedaan ? Hijhad immers deeze overvoering op 's Heerengoedkeuring ondernoomen. Was er in deWijze , op welke dit tot dus verre was gedaan,misgetast, cn gezondigd; dit had moetenverbeterd worden. Had God zulk eenegeduchte ftraf geoefend ; men had Hem omvergecving moeten bidden. Hoe het zij; isdit befluit van David wei lofwaardig ? •—• Ikftaa gaarn toe, Davids geloof geraakte thandsaan liet wankelen , zijn vertrouwen aan 'tbezwijken. Maar laat ons gedenken, dat hetgeheel wat anders is, met mond en pen treffendte teekenen, hoe anderen , zelfs in debckommerlijkftc omftandigheden , zich haddenbchooren te gedraagen —• en wat anders, zelfin die omftandigheden te verkeeren. Het iswat anders, in huis, en aan dc haardftede gezeten, menfchen , zaaken , en gedraagingenfcherp te beoordeelen , misflagen te ontdekken, en die ftreng te berispen •— en wat anders, zelf in het vuur der beproeving tezijn , en zich onberispelijk te gedraagen !David was een mensch. Het droevig geval" was verrasfend ; zijn hart was geweldig ontroerd;alles was in verwarring -— en in deezentoeftand , moest, hij een befluit neemen! De held , die den Filistijnen ontzaglijkis, bezwijkt voor den ontzaglijken God.Valt


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 373Valt hier wat te laaken ; er valt ook wat teprijzen.WAT nu gedaan ? David deed de Ark, van in lefleltcledrk renden weg langs welken dezelve werd opgevoerd, afwijken , en wel in het huis Obed- Obed-huize vanbédom.Edoms des Gethijters. — Dees man was eennaamgenoot van Davids grootvader (u) , ookObed gchecten; beteekenende, eenen die dient.Maar vernederende is het, dat hij Obed-Edom'genoemd wordt; aanduidende, eenen die Edomdient. Waarfchijnelijk droeg hij dien naam ,omdat hij gebooren was in een' tijd , dat Israëlonder het geweld van Edoms wapenenzugtte (v). •—• Gethijter wordt hij genoemd ;niet, omdat hij uit der Filistijnen ftad Gath,maar denkelijk , omdat hij van Gath-Rimmon,eene priesterlijke ftad in Manasfe, oorfpronglijkwas. — Dat hij een Levijt was,leezen wij in het,Boek der Kronijken (w). —Zijne woonplaats wordt niet gemeld. Waarfchijnelijkwas die in dc nabijheid van dendorschvloer van Nachon, bij welken het ontzaglijkgeval met Uza gebeurd was. — Tenhuize van deezen Levijt, deed David 's Hee­ren Ark brengen. Zoo beveiligt hij dit Hei-Heiligdom, en redt zichzelven , zoo goed hijkan , uit zijne ongelegenheid. — Maar welkeeneOf) Rutb IV: 17, at.(v) Vergelijk i Samuels XIV: 47.(w) 1 Kronijken XV: 18, 21, 24; XVl: 5.Aa 3


74 XLI. L E E R R E D E .( ene beproeving was dit voor Obcd-Edom!freesde David de Ark naar Sion optebren-;en ; welk eene aanleiding tot vrees had dee-:e , toen hij de Ark ten zijnen huize zag inmengen! Hoe 's mans gemoed gefield was,veeten wij niet; maar dit wel, dat hem, het:ij hij zulks al of niet befefte, eene zeerïooge eer gebeurde, en, met die eer, hem cnI len zijnen veel zegens flond te wachten. —•Wat verder van 's Heeren Ark geworden zij,;h wat David omtrent dezelve deed , moetenIjyij in eene volgende Leerrede overwecgen.B. Dus hebben wij gezien — Davids ontwerp,om 'sHeeren Ark, van Kiriath-Jearim,naar Sion overtebrengen ; goedgekeurd vanVorsten en volk, en dat meer is , van denHeere zelvcn; — en die opvoering met blijdfchapondernoomen , en plegtïg tc werk gefield; doch , door 's Heeren oordeel over denpribcdachtzaamen Uza , droevig gcfloord, cnH'ii leerenbier, vinden hier veelvuldig onderwijs. Dan, daardoor David bij voorraad geftaakt. — Wijdc tijd niet toelaat alles voortcdraagen , zullenwij ons tot het volgende bcpaalcn.N. ZIEN wij, voor EERST, David, in hetbezit van Sion , en overwinnaar vaii zijnevijanden zijnde , zoo ras moogelijk beezig,om den openbaaren en plegtigcn Godsdienstin bchoorelijkcn fland en vercischten luister tcbrengen; wij leeren cr uit, „ Welk een. belangwij


2 SAMUELS VI. vs. i—10, 375,, wij Hellen moeten in den openbaaren Gods- Welk eenbelang wij„ dienst, en de betaamelijke oefening vanin dendenzelven". •— Dat God moet gediend openbaarenGods­worden, leert ons het redenlicht, en getuigtdienstons geweten. Maar moet Hij dan ook niet mestenopenlijk en plegtig gediend worden ? Immers /lellen.ja. Want, is God te dienen onze pligt, enzelfs onze eer ; dan moeten wij zulks ook,met woorden en daaden , in 't openbaar betuigenen betoonen. — Dat wij , als menfchen, gefchaapen en gefchikt zijn om inmaatfchappij met onze medemenfchen tc leeven, weet elk ; maar moeten wij dan niet,als eene maatfchappij, onder God leeven, enopenbaar getuigenis daar van afleggen ? Hebbenwij geene gemeene nooden ? Immers ja.Maar is het dan niet betaamelijk , dat wij diegemeenfchaplijk biddend aan den Heere voordraagen.Hebben wij geene gemecne dankftoffen? Voorzeker hebben wij die. En ishet dan niet onze pligt, te faamen des Heerennaam plegtig te danken ? Heeft de verheerlijkteMiddelaar , 'als Koning van zijneKerk , zijnen plegtigen dienst ingefteld ; cnzouden wij niet vcrpligt weczen, Hem indenzelven, in onderlinge overeenftemming, tedienen ? Is die plegtige dienst van zoo uitgebreideenen invloed , van zoo veelvuldignut, en daar door van zoo groot eene aangelegenheid; en zouden wij denzelven niet,op alle moogelijke wijze, b e voorderen!A a 4DAN


S 7S XIX L E E R R E D E .DAN waar aan moet men toefchrijven >zoo groot eene achtloosheid , eene ZQO verregaande onverfchilligheid, omtrent, en zoofchandelijk een verzuim van den openbaarenGodsdienst, als onder zulk een groot aantalmenfchen plaats heeft ? Waar aan moet mentoefchrijven , dat de menfchen hunne vermogens,hunne middelen, humï tijd, liever opofferenaan, en befteeden in dingen, die ofvan geen , of flegts van weinig nut, of zelfsnaar ziel en Iigchaam fchadelijk, zijn? — Kanmen dit toefchrijven aan een verlicht , cnwaarlijk edel verftand ? aan een godvruchtigp-emoed ? aan liefde tot God ? aan rechte befeffenvan het gewigt onzer eeuwige belangen?aan betaamende zugt tot het waare welzijnonzer evenmenfehen ? Kan zulk eenmoedwillig verwaarloozer van 's Heeren plegtigendienst , verwachten , den zaligen Godeeuwig , in het genot van volkomen zalig,heden, te zullen dienen ? — David, zien wij,pleegt met de hoofden en gemeente van Israëlraad , ter bevoordering van den openbaarenGodsdienst. Maar zijn er niet, dieraadpleegen tegen, cn ter benadeeling vanden Godsdienst ? — En wanneer het gebeurt,dat men dient raadtcpleegen , gebeurt hetdan ook niet, dat die beraadflaaging jaar endag uitgcfteld, langduurig^erekt, en moeilijkgemaakt wordt , cn daar door de gelegenheidom wat goeds te doen , verboren gaat ?Trouwends, het is Sion maar! — En zijn ernog,


2 SAMUELS VI. vs. i—ie. 3?7nog, die zorg voor den Godsdienst draagen;Hellen zij wel — laat mij hier deeze fpreekwijsgebruiken — ftellen zij wel groot belangin 's Heeren Ark ? ik meen, het tegenbeeldder oude Bondark, den verzoenenden Middelaar.Een' Tabernakel willen veelen , ja , nog welbouwen; maar zij begeeren deeze Ark niet indenzelven geplaatst te zien — daar eene Hekdenlche Zedenleer, met Bijbelfche bewoordingenomkleed , hun beter gevalt, dan JefusChristus , zijn verzoenend Bloed , verworvengenade , Heilige Geest, en Evangelij der zaligheid.Tabernakel , van welken de waareChristen, met Mariaas woorden, zeggen moet:Zij hebben mijnen Heer wechgenoomen, en ikweet niet waar zij Hem gelegd hebben ! —iDavids voorftel , om den openbaarcn Godsdienstuit zijn' vervallen Haat opterechten,vond eene algemeene goedkeuring. Maar leertde ondervinding niet, dat. dergelijke voorftellen, veelal, fterke afkeuring en geweldigentegenftand ontmoeten ? Veele dingen warenhier omtrent voortedraagen ; doch laat mijflegts dit ééne melden. Is er iets, dat denplegtigen Godsdienst nadeelig , ja fchandelijk,cn zedenbedervend is , het is de openbaareen ftoute fchending van des Heeren Dag,Wat al voorftellingen zijn er niet gedaan !wat prijswaardige bevelen zijn des aangaande,door de hooge Overheid cn Regenten, gegeeven! Maar kan men, ten onzen opzichte ,met waarheid zeggen; Die zaak is recht inA a 5dc


378 XIX L E E R R E D E .de oogen des ganfchen volks, en het zegt datmen alzoo behoort te doen ? Men gaa, metJeremias , door de wijken onzer fteden , enzoeke in haare ftraaten; men befchouwe allerleirangen van menfchen ; en men vraagedan : Is dit een volk , dat de voorftellingenen bevelen , tot heiliging van 's Heeren dagen dienst, goedkeurt, en zegt dat men alzoodoen zoude ? Zou men niet veeleer deezeftoute taal hooren: Aangaande dit woord, datgij in 'S Heeren naam tot ons gefprookenhebt, wij zullen daar naar niet hooren ? —Och ! waren wij alle , waren de Hoofden desvolks, en dc ganfche gemeente , Davids cnIsraëls voorbeeld met blijdfchap hier volgende,godvruchtige beoefenaars, en ernstige bevoorderaarsvan 's Heeren plegtigen dienst!2. HEBBEN wij •— cn dit zij onze TWEEDEaanmerking — gezien, welk een' grooten misllagmen bij het opvoeren der Ark beging,door die niet van dc Kohathijten, bij de handboomente doen draagen , maar op eenenOok, da, • wagen te vervoeren; wij leeren er uit: „ Datgodvruch ' „ het ons niet vreemd moet voorkoomen ,itgen voowisfiage» ' „ noch vcrkecrdlijk ergeren , wanneer godbtootlig-„ vruchtige menfchen , zelfs voornaamc godgen;„ vruchtigen , in zaaken , ook van groot ge-„ wigt , groote misflagen begaan". — EenDavid zelfs , en in een zaak waar in hij metbeleid te werk gaat, is, met gansch hetvolk>onoplettend op een zoo duidelijkfpreer


2 SAMUELS VI. vs. i—10. g^j»fpreekend gebod ! •— Ook wij zien dit meermaaiengebeuren. En wat dan ? Zullen wijhet prijzen ? Dit ware fnoode vleierij. •—Zullen wij zeggen: Nu ziet men, wat van dewaare godvrucht , wat van zulk eenen tedenken is ! Maar zöu dit wijsheid weezen ?— Zal men hier haatelijk en verguizend berispen? Maar 'zien wij dan wel behoorelijkop onszelven ? — Zullen wij fpottcn ? Maarmaaken wij ons daar door, voor God enmenfchen , niet verachtelijk ? — Zullen wijonze eigen misdagen , door die van anderegodvruchtigen verfchoonen ? Maar ware ditniet onszelven bedriegen ? •— Laat de gebrekender godvruchtigen ons bedroeven , onsfmerten , ons bedachtzaam maaken , cn doentoezien hoe wij voorzichtiglijk wandelen. —Daar toe , voords, moeten wij, gelijk in alles, zoo bezonderlijk in zaaken van Godszien, omen elkmoet toedienst,wel achtgeeven, dat wij, het geen wij het geenmen doet,doen , cn ten goede doen, op de rechte wijze op dedoen. Dat David des Heeren Ark naar Sion rechtewijze teopvoerde , was goed en lofwaardig ; maar dedoen.wijze , op welke men dit deed , was zondig,en van treurige gevolgen. Het is toch nietgenoeg, dat het geen men doet, goed zij; hetkoomt daar op voornaamlijk aan , dat wij ditwel doen. — Laat Rome, op zijne wijze Goddienende, godsdienstige tijden , plaatfen, enplcgtigheden met gezag vermeenigvuldigen;de Heer verklaart, dat men Hem te vergeefsdus eert. — Laat den onverfchilligen enwaan-


38o XLT. L E E R 1 E D E ,waanwijzen zondaar , 's Heeren voorgefchreevenweg verlaatende , zeggen : De grootezaak is , dat ik ia het hemelsch Sion koome;maar hoe , dit is om 't even. — Laat denNaamchristen zich met Christus en zijne aangebragtegerechtigheid en heil vleien , terwijlhij noch waarlijk in Hem gelooft, noch inHem leeft; — laat den werkheiligen waancn,dat hij door zijne vermeende deugd aan Godbehaagt, en Dien aan zich verpligt; — laathem, die God uit fleur, naar eigen lust, keuze,en regel, cn tot verkeerde einden, poogtte dienen, zichzelven daar mede voldoen, endenken ; Wat heb ik wei gedaan ! •—• Iaathem , die 's Heeren naam , dienst, en waarheidflegts op de lippen , en in uiterlijke vertooning,draagt, of zelfs met hceten ernst daarvoor ijvert, om zondige drift ,te voldoen, ofeigen roem te bejaagen, op deeze wijs zichzelvendienen; — kan of zal zulks den Heere behaagen, en zijne goedkeuring en zegen wechdraagen? Voorzeker neen ! Dingen flegts tedoen, die der Wet of van het Evangelij zijn,kan noch den Heere behaagen, noch ons baaten.Wij moeten alzoo gelooven en belijden,gelijk de Heer ons leert. Wij moeten alzoozijn , alzoo werkzaam weczen, en alzoo handelen, gelijk de Heer ons voorfchrijft. Lettenwij hier toch op het HOE!3. LAAT ons, ten DERDEN, hier opmerkenj hoe 's Heeren Voorzienigheid befchikte,dat?


- 2 SAMUELS VI. vs. i—ió. 381dat, daar de Ark, tegen zijn bevel, op eenenwagen vervoerd werd , de runderen ftruikelden; waar door de reeds zondigende Uza inverzoeking koomt , om verder zich 1te vergrijpen.Wij leeren er uit: „ Dat de Heer, Ook, da;onder„ door zijn rechtvaardig beftuur, den onacht-'s Heeren„ zaamen overtreeder van zijnen geopenbaar- beftuur ,„ den wil , wel eens de gelegenheid doet zondendoor volgendezon*„ voorkoomen, in welke dezelve zijne over-„ treeding verzwaart, en zwaarder oordeel den verzwaard„ over zich brengt". Een onderwijs , zeker, worden.van groot belang! — Dikwijls hebben wij gelegenheidom optemerken, dat menfchen, onbedachtzaam,wilkeurig, en naar het ingevenvan hun eigen hart handelende, vooral in zaakenvan geweten, en van godsdienst — door's Heeren befteiling in zulke omftandigheden^geraaken, in welken zij, op de gezegde wijzevoordwerkende, ten zichtbaaren val koomen,en de Heer, rechtva ardiglijk , die vroegere,en deeze laatere zonden flraft. De onbedachtzaamheidvan gisteren , wikkelt heden in onoprechtighedenin , en brengt morgen tot hetbewilligen of doen van ongerechtigheden.Voorbaarig heeft men zich door vriendfehaplaaten verfblikken, waar tegen men had moetenbidden en waaken. Men heeft zich laatenvervoeren door vleierij; welke men hadmoeten verfoeien. Men heeft voorflagen enverzoeken ingewilligd, welken men met christelijkebefchcidenhcid had moeten afflaan,.Men heeft in behandeling van zaaken, vanzul-


38z XIX L E E R R E D E .zulken zelfs, waar In 's Heeren Heiligdom endienst een groot belang hebben, begonnen aftewijken,en de voorfchriften van GodsWoord , en de infpraaken van het geweten ,te veronachtzaamen. Ziet men er iets van,men denkt, het is een' kleinigheid, en hoopt,het zal zich wel fchikken. — Maar wat gebeurt? God brengt zulk een mensch in eenemeer beproevende verzoeking — verzoeking,welke men niet verwacht, daar men niet opgedacht had : — en zie ! men vervalt toteenen grooten misgreep, bezondigt zich zwaarlijk,en wordt zelfs anderen tot aanftoot energernis ! En meenigmaalen deed dc Heer,door zijne bezoekende hand, den zulkcn blijkbaarondervinden, hoe kwaad en bitter het is,Hem te verlaaten.LEEREN wij toch, tegen onszelven, enons ligtlijk verleid en verleidend hart — tegenden invloed van verkeerde voordaad , enonbetaamelijk goedvinden van anderen, al washet van eenen David , of van eenen Levijt,biddend waaken ! —• En is men door onbedachtzaamheidvervoerd; welk een voorrecht,wanneer men dit fpoedig inziet! Laat ons, inzulk een geval , ons misdrijf voor den Heerebelijden , terftond tot 's Heeren voorgefchreevenweg wederkceren, en rechte paden vooronzen voet maaken ; opdat het geen kreupelis, niet meer'en verder verdraaid, maar veeleergeneezen worde (x);(x) Hebreeuwen XII: 13.*T. ZIEN


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 3^3% ZIEN wij, ten VIERDEN , den vroomenDavid, de fchaar der Levijten , en deganfche meenigte van Israëls volk , de Arkmet Godverheerlijkcnde blijdfehap opvoeren ;daar onder des , bij die opvoering, 's Heerengebod overtreeden , cn zwaarlijk tegen denHeere gezondigd werd — wij leeren er uit:„ Dat de oefening van waare godvrucht, ja Verder,„ van godvruchtige blijdfehap, gepaard kan! lat w/uiegod-„ merkelijke zonden". — David is vroolijk in' \cpaard„ gaan met veel onopgemerkt gebrek, en aan-irticbi•an gaan,den Heere; en hij merkt niet op , hoezeer' net mopmenzich bezondigt tegen den Heere. — Dit' \emerksezondes,onderwijs doet ons zien , dat de vroome zijnevoordering in godzaligheid , niet altoos moetafmeeten , naar den trap van zijne gemoedigdheiden blijdfehap in den Heere. Een David, ingenoomen door het befef van 's Heerengoedheid en lofwaardigheid , verheerlijkten dankt zijnen God ; maar merkt niet, watreden hij tevens had, tot diepe vernedering.— Ook doet het ons zien, dat de vroome,wanneer hij naderhand ontdekt, welke verkeerdheden, in zijne aangenaamfte gemoedsgeflalten, bij hem hebben plaats gehad , nietverdenken moet, noch veroordeelen , de oprechtheidvan dat beftaan, van die werkzaamheden,en verrichtingen, welken hij nu ziet,dat met onopgemerkt gebrek verzeld waren.Altoos kleeft den vroomen veel gebrek aan.;en naar maate dit grooter is, en hij het dieperinziet, is de. reden van verootmoedigingen


Bg 4XLI. L E E R R E D E .en fchaamte grooter. Maar blijk van onopge*inerkt gebrek, is geen bewijs van onoprechtheid.— Nog doet het öris zien , welk eenevoorzichtigheid wij in acht te ncemen hebben, in het beoordeelen van, en in ons ge-•drag omtrent onzen medechristen. Wij Ziettdien met lust beezig in 's Heeren dienst, eüwerkzaam tot bevoordering van denzelven,Wij merken op , dat zijne taal en gedrag bewijzengeeven , dat zijn hart vervuld is met'dankbaare erkendtenis van 's Heeren genadigegoedheid; maar tevens merken wij, dat hij irtdien zelfden toeftand, in dat zelfde werk, eertaanmerkelijk deel van zijnen pligt veronachtzaamt, en groot gebrek hem aankleeft. Watdan? moeten Wij dan zeggen: Zie daar het bewijsvan zelfsbedrog , van geveinsdheid , vanlippcnwerk ? moeten Wij zeggen : Indien hethart van deezen mensch oprecht voor God,en zijn Werk waarheid was , hij zou zekerzien , wat er bij ontbreekt, en , in fteè vanblijde psalmen te zingen, zijne verkeerdheidbeWeenen ? Voorzeker neen. David zondigde, zonder dat hij het opmerkte; maar echterwas zijn hart oprecht, zijn oogmerk betaame^lijk, zijne werkzaamheid godvruchtig. Hetverkeerde , dat wij in onzen medechristenwaameemen , moet ons bedroeven ; en hetgoede dat wij in hem zien , moet ons verblijden.Tegen het eene moeten wij, daar wijkunnen , hem broederlijk waarfchuuwen ; enhet andere moeten we in hem trachten te bcvoor»


a SAMUELS VL VS. I—10. 385•voorderen. — :Allermeest is het onze pligt,fcherpst op onszelven te zien. En hoe dikwerfzal dc godvruchtige, in het geen hij héden, met een verwijderd hart, in 's Heerenweg cn dienst verrichtte , morgen het een ofander ontdekken, dat hem ftoffe geeft om tc"bidden: Heer, doe toch verzoening, over hétgeen niet was naar de reinheid des hciligdÓHis! — Wees , o vroome, meer bezorgd,hoe gij in alles den Heere welbehaagclijk, danhoe gij best blijmocdiglijk, zult wandelen.tt. HEBBEN wij gezien , hoe de Heer aan'•'David eh gansch Israël verblijdende Voorrechtenfchonk, en hem, tegelijk, in den perfoon'van Uza , zoo bedroevend 'kastijdde ; wij leeren, ten VIJFDEN : „ Dat 'zoozeer wij op Ook , datwij zio• 's Ilccrcn goedertierenheid letten , en die wel Godsrdankbaar erkennen moeten , wij ook op de aar, de,ih zegenendeoefening van zijne gerechtigheid, verfrandiglijkmoeten achtgccvcn , cn . voor dezelve band,? godvrucbtigh'jk vreczen." — Welke voor- netten•>p merk cmVechten fchonk God hier, aan David en IsraëliBillijk, dat zij zijne goedertierenheid, ook metblijd gezang, eerbiedig en plegtig dankten. —En wat deed , wat doet God aan ons , aanLand, aan Kerk, aan vcclcn onzer in het bezondcr? .Maar zien wij , erkennen wij dit |met Gódverhccrlijkende dankzeggingen ? — Inhet midden Vair veel dankli'of, oefcnde'de Heer|boK mecrmaalen ontzettende gerichten. MaarI neemen wij die ter harte ? Hebben wij nooitIV. DEEL. Bh * èp-


386 XLT. L E E R R E D t.opgemerkt, dat dc Heer menfchen , die wijmet reden voor godsdienstig, weimcenend, javoor godvruchtig mogten houden , in hunneperfoonen, de hunnen, of het hunne, kenbaarbezocht; daar zij zich tegen den Heere., zijnendienst , en de belangen van zijn Heiligdom, vergrecpen hadden ? — Zijn er geenvoorbeelden bekend , van menfchen , welkenGods hand , ten midden van hunne gemoedverpestende-cn verwoestende ijdelheden , ofheiligfehendende fpotternijen en godloosheden,met eenen onverwachten flag plotslijk nedervelde, cn in 't midden van hunne zonden ,naar eene rampzalige eeuwigheid wechrukte ?— 't Is waar , dc Heer , langmoedig zijnde ,brengt veelal niet haastlijk het oordeel overde booze daad (z) ; maar dc God der waarheid, die bedreigt, liegt niet, en het berouwtHem niet (a).LAAT ons, Waarde Hoorders, des Heerenwcldaadige goedheid , cn gocdertierene verfchooningen, dankbaar erkennen; maar tevens,hoe ook het bedriegend ongeloof vleit,zijne gerechtigheid vrcezen. Want voorzeker,wie zich laat befpotten — God laat zich nietbefpotten ! — En gij , die met David denHeere in waarheid vreest; leert ook, uit aanmerkingvan deeze gebeureinis , in heiligevreeze(z) Prediker F1II: u. (*} i Samuels XF: 2


2 SAMUËLS VI, vs. i—'io. 3S7vreeze en ootmoedig ontzag voor den Heerewandelen — wel gedenkende , dat Hij ,• wiengij als Vader aanroept , zonder aanneeminge desperfoons oordeelt (b). Én wcest toch teder opalles, wat 's Heeren dienst betreft. •— Zoudenzij, vooral, die gelijk Levis ftam, ten dienstevan 's Heeren Heiligdom zijn afgezonderd,Gods oordeel over Uza niet ter harte neemen? Hun ambt verkeert niet omtrent devoorbeeldige , maar omtrent de tcgenbeeldigeArk , den Godlijken Middelaar , zijn zaligEvangclij, en heerlijken Evangelijdienst. Zoudendeezen niet met heilige vreeze toezien,met welk eene gemoedsgezindheid , met welkeen oogmerk, zij de Ark des Heeren draa.,gen ? Zouden deezen niet bezorgd zijn , omin 's Heeren dienst niet naar regelen van gemak,noch van eigenbelang, noch van vriendenen vriendfehap, maar naar de wetten van"*s Heeren huis, te verkeeren ? Zouden deezenniet gedenken, dat Hij, die Uzaas gedraggadefloeg, en zijn wangedrag ftrafte, ook hungedrag en verkeering in zijnen dienst, gade-' fiaat; en dat Hij geheiligd wil worden in de.geenen die tot Hem naderen , of Zelf zichverheerlijken wil door gerichten ? Zoo zegt~de HEER : Reinigt u , gij die de vaten desHE EREN draagt (c).1. HEB-(b) l Petras li 1?,. (c) Jefaias Uit n*Bb %


En datvoorwerpenvanheiligeblijdfehap,door onzeverkeerdbeid, deftof kunnenwordenvandroefheid.jSS XLL L E E R R E D E .1. HEBBEN wij gehoord, hoe dc vroomsDavid , 's Heeren oordeel over Uza ziende,wegens zulk eene fcheure , door fchrik envrees zoo geweldig getroffen werd , dat hij's Heeren Ark niet durfde naar Sion voeren; ]wij leeren er uit — en dit zij onze ZESDE -|aanmerking: — „Voorwerpen van godvruch-„ tig verlangen en heilige blijdfehap , kun-" nen , door onze verkeerdheid , de ftoffe* worden van bittere droefheid cn angstige•• vreeze". — De godvruchtige Staatsman , ;de getrouwe Voorganger in Gods huis , dezorgende huisvader , dc liefderijke medechristen,heeft uitgezien naar gelegenheid om watgóeds te doen , dat hem toefchijnt , tot eervan God , en voor Land , Kerk , huis , enmedechristenen tot zegen, tc kunnen ftrekken.De gelegenheid koomt. Biddend fiaat hij handenaan 't werk. Gelukkige' bcginfelcn ver- jbigden zijn hart; cn bij dankt den Heere, diezijnen weg begunstigt. — Maar wat gebeurt? !Onverwacht befchikt 's Heeren hand zulkevoorvallen, welken den gelukkigen voordgang]van het goede werk op eenmaal ftremmcn.jEr ontftaat misverftand; cn zie daar, verwar-1-ring ! Een medewerker ten goede, doet door ]onbedachtzaamheid een' bijstcren misgreep; enzie daar, alles is terug gezet ! Dc man, vanlwien men den wijsften raad, cn dc beste hulptc wachten had , ontvalt ons, door den dood jzelfs door een' fchiclijken dood; en juist!op-liet tijdftip , dat do laatfte hand aan 'tlgoede I


2 SAMUELS VI. vs. i—IQ. 389goede werk ftond gelegd tc worden! — Watnu ? — Betaamelijk is het, daar God tegenkoomt,dat men het opmerkc; daar Hij-Haat,dat men christelijk bedroefd zij. — Noodig ishet vooral, dat men navraage cn onderzocke,waarom dc Heer met ons twist. Moogclijkheefc men, in het bevoorelercn van eene goedezaak, op verkeerde wijze tc werk gegaan;'s Heeren Wet door onachtzaamheid overtreedende.Doch clan wordt men wel geroepentot verootmoediging , en verbetering,maar niet, om den moed tc laatcn zinken;niet, om eene goede • zaak , vooral in 's Heerendienst, en waar 'toe Hij ons roept en verpligt,optegceven cn tc kuiten vaaren." TE meer moet men waaken tegen moedloosheid, omdat het door 's Heeren wijze beftcllingmcermaalen gebeurt, dat eene bedroevendefcheure, van achteren ten goede werkt.Dus toch leert men , met meer bedachtzaamheidoverleggen , met meer voorzichtigheiduitvoeren , en biddend in 's Heeren vreezewerkzaam zijn. Dus ondervond men dikwijls,dat dc Heer, nadat Hij geflaagen had, troostlijkverbond. — Heeft God, bij dc oprechting'van ons Gcmeenebcst, niet meer dan ééns,om wijze redenen, onze vaderen zijne flaandehand doen gevoelen , - en eene fcheure gemaakt, die onhcrftelbaar fcheen ? maar heeft;Hij ook dc ftoffe van geween niet verwisfek'met gejuich? — :Was er, bij dc planting vanBb 3GodsWarneer•nen vet'lïandiglijkhebbete handelen,en tegenmoedloosbeid tewaaken


39o- XLI, L E E R R E D E .Gods Kerk in ons Vaderland , niet meer danéén Uza , die onbedachtzaam dc hand aan's Heeren Ark floeg , en door 's Heeren handook kenbaar geflaagen werd ? maar heeft deHeer dit naderhand niet doen ten goede werken? — En hoe meenig godvruchtige heeft,in zijne bezondere gevallen, hier van verblijdendeondervinding gehad ! Gedenk, o Christen,uwes wegs. Gij hadt ook al eens voornemensopgevat , en ontwerpen gemaakt; deHeer fcheen de uitvoering te begunstigen; gijvondt ftof, om zijne weldaadigheid te danken; gij beloofde u veel goeds: — maar zie!onverwacht, floeg de Heer u met een fmertclijkonheil! — En wat toen? — Was dit nietuwe taal : Ik ben afgefneeden van voor uweoogen ! het is gedaan ! er is geene verwachting!•— Maar is er niet., die nu van achterenmoet zeggen : De Heer heeft mij doorzulk een' weg geleerd —- mij tot mijn harten mijn' pligt gebragt — en bij de uitkoomst „alles wel, ja boven bidden en denken, gemaakt?•— Slaaffchc vrees, beangstigend OH,geloof, kan, o Christen, nimmer den Heerewelgevallig zijn. Billijk is het , dat menvreeze voor een' met ons twistenden God;maar het zij eene vreeze , die ons naar denHeere drijft, bezield is met geloof, en onswerkzaam maakt tot heilige omzichtigheid.E» bier T- LAAT mij eindelijk, godvruchtigen, totmede «^pwen troost nog aanmerken ; David, zich op-.• gewekt


2 SAMUELS VI. vs. i—10. 391gewekt vindende, om, ter herftelling van den de Chriitenzichplegtigen Godsdienst, 'sHeeren Ark naar Sion[roesten:optevoeren, geeft er deeze reden van : Wantwij hebben ze in de dagen Sauls niet gezocht.Diep kan — dit zien wij kier — 's Heerendienst, bij een volk dat met denzelven begunstigdis , in verval geraaken. Welk eeneftof van droefheid voor den oprechten! Maar dat deHeer, inGod, zien wij , verwekt eenen vroomen David, om het geen onder een' flegtcn Koningverval,verwaarloosd en vervallen was , tc herflcllcn.— Koomt 's Heeren Kerk , en de plegtigeGodsdienst , door fhooden afval van deneenen , door boozen moedwil van anderen ,door koude onverfchilligheid van veelen , inbeklaagelijk verval ; ziet men eene merkelijkeverlaating van 'sHeeren Geest, en bij de besten,door eigen zonden, eene Laodiceeuwfchelaauwheid ; en bezwijking van lust en moed,bij hen die vuurig moesten zijn van geest;wordt 's Heeren dienst en Kerk, door zondigentwist, in verwarring gebragt, en dooreen' vloed van weereldsgezindheid overftroomd; — geraakt gij , godvruchtigen , inbczondcre nooden en hoopelooze zwaarigheden:— dit alles, ja, geeft treurens ftof, enbrengt u in gevaar , om moedloos te bezwijken.Dan , oprechten , fchept toch moed inden Heere. Die God, die David zijnen knecht middelenkan verwekkenverwekte , leeft. Hij kan werktuigen tengoede , en handen tot hcrftel fcheppen. Hij totberfleLkan moed geeven, lust ontftceken, geheiligdeB b 4poo-.


3 9s XLI. L E E R R E D E .poogingen zegenen — cn dus het vervalleneweder oprechten. Laat het, godvruchtigen,uwe ernstige bede zijn : Och dar. Israëls verlosfinguit Sion kwarne ! dat God haare gerechtigheiddoe voordkoomen als een glans ,en haar heil als een fakkel die brandt! Amen,Voormiddag in de Ooster Kerk,den 5 van Herfstmaand —cu voormiddag in de Prinie Kerk,den 14 van Slagtmaand,177 3.XL II.


393'XLII. L E E R R E D E ,2 SAMUELS VI. vs. n—23.Vergeleckcn1 KRONIJKEN XV.11. Ende de Arke des HEEREN bleef inliet huys Obed-Edoms, des Gcthiters, drie maenden:ende de HEERE fegende Obed-Edom endefyn gantfche huys.12. Doe boodfchapte men den Koningh David,feggende : De HEERE heeft het huys Obed - E -doms, ende al wat hy heeft, gefegent om der ArkeGodes wille: So gingh David henen, endeliaeldc deArke Godes uyt den huyfe Obed-Edoms opwaertsin ie Jladt Davids, met vreugde.13. Ende het gefchieddc, als fy, die de Arkedes HEEREN droegen , • fes treden voortgetredenwaren; dat hy osfen ende gemest [vee] offerde.'14. Ende David huppelde met alle macht voorlietaengefichte des HEEREN: Ende David was omgordetmet eenen Hymen lijfrock.15. Alfo brachten David, ende het gantfche huysIsraëls, de Arke des HEEREN op ; met gojuyeh,ende met gehiyt der bajuynen.16. Ende het gefchieddc, als de Arke des HEE­REN in de Jladt Davids quam, dat Michal, Saulsdochter, door de venster ' uytj'agh; Als fy nu den13 b 5 ' Ko-


394 XLIL L E E R R E D E.Koningh David faghfpringende ende huppelende voor.het aengcficlite des HEEREN, verachtede fy hemin hacr hcrte.17. Doe fy nu de Arke des HEEREN inbrachten, fielden fy die in hare plaztfe , in 'tmidden der tente , die David voor hacr gefpannenhadde: ende David offerde brand - offerenvoor des HEEREN aengefichte , ende danck -offeren.18. Als David ge-eyndigt hadde het brandofferende de danck.-offeren te offeren, fo fegende'hy het volck in den mme des HEERENder heyrfcharen.19. Ende hy deylde uyt aen den gantfehenvclcke , aen de gantfche menigte Israëls , van demannen tot de vrouwen toe, eenen yegeiickenééne brootkoecke, ende één fchoon ftuk [vlccschs] ,ende ééne flesfche [wijns] ; Doe gingh al datvolck henen , een yegelick nae fijn huys.20. Als nu David wederquam , om fijn huyste f genen, gingh Michal, Sauls dochter, uyt,David te gemoete , ende feyde ; Hoe is hedende Koningh van Israël vcrheerlickt, die fichheden voor de oogen van de dienstmaegden fijnerdienstknechten heeft ontbloott , gelijck ecuvan de ydele lieden fich onbefchaemdelick ontbloot?21. Maer David feyde tot Michal : Voorliet aengefichte des HEEREN, die my verkorenheeft voor uwen vader , ende voor fijn gantfchehuysamy inftellende tot eenen Voorganger


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 395ger over het volck des HEEREN, over Israël: Ja ick fal fpelen voor het aengefichte desHEEREN.22. Oock fal ick my nogh geringer houdendan alfootende fal nedrigh zijn in mijne oogen, ende met de dicnstmaegden , daer van gygefeyt hebt, met defelve fal ick verheerlicktworden.23. Michal nu, Sauls dochter, en hadde geenkint, tot den dagh har es doots toe, 'Y. > De godvtuebtiltERBLIJD u niet over mi] , 0 mijne vijandinne;wanneer ik gevallen ben, zal ik zwaarekan meterweder opfiaan. Zoo fprcekt dc Kerk , bij den ru tiipeizk 00 ui en ;Profeet Micha (a). — 's Heeren volk zugttereeds onder zwaare rampen, en zag nogzwaardere te gemoet; zoo zwaar, dat zij,door en onder dezelven , ftond te vallen —d, i., in zulk eenen toeftand te koomen, waaruit geen herftel te wachten fcheen. — Zoozeerdit der Kerke fmertlijk en bedroevendzou zijn, zou het haaren vijanden ftof totblijdfehap geeven. Juichend zouden deezenzeggen : „ Zij , die gevallen is, zal niet we.„ der opftaan !" —• Dan de Kerk , 's Heeren Doch gemoedigdtrouw , in het vervullen zijner beloften , en in denzijne groote barmhartigheid over zijn volk, heere,(a) Micba VII; 8.


, 96 XLII. L E E R R E D E .idoovig erkennende , houdt zich verzekerd ,ïat zij , offchoon gevallen , weder zou op-I[taan , en in bloeistaat herfteld worden. Volaïoeds , roept zij des haare vijandinne toe :Verblijd u niet. — Trouwt nds , der vroomenzonden , geeven den Heere reden , omdoor tucht hen te vernederen cn tc bedroeven.Vijanden , ja , verblijden zich , ihde rampen van 's Heeren volk ; maar dc.mag bij »predding uitkoomst leert, dat de Heer de zijnenbeopen. Haat, niet om hen tc verderven , maar tcverbeteren, en dan te geneczen — opdatzijne rechtvaardigheid verheerlijkt , cnzijne goedertierenheid met dankzegging geroemdworde.Dit zien DIT zien wij ook in dc ftoffe , welke wij1wij ook ii ten deele laatst behandeld hebben, en nuDavid,verder moeten behandelen. — Wij hebbendiegezien , — hoe David , met Israëls gemeente, 'sHeeren Ark , uit Abinadabs huis, naarSion , onder blij gezang opvoerde ; •— dochtevens , dat de Heer , wegens wangedrag datdaar bij plaats had, Uza met den dood, enzwaar g e- daar door David en gansch de meenigte,fiaagen, op eene treffende wijze ftrafte ; — metdat gevolg, dat zij alle , in rouwe gedompeld, dit plegtig ondernoomen werk Haakten.Gebeurdnis , welke den hcimlijken aan­heuglijkherjlelatmordl.hang'van Sauls huis , en de booze Filistijnen,vroolijk deed juichen. — Dan thands zullenwij zien , dat David, en de gemeentevan


2 SAMUELS VI. vs. u—23. 397van Israël, uit dien druk opftaande , hunheuglijk werk hervatten , cn volbrengen;den vijanden ter befchaamingc , hun zclvcntot blijdfehap , en den Heere tot eer. Wanttegenwoordig moeten wij overwecgen: —Het bericht dat David , aangaande den toe-Hand van Obed-Edoms huis, ontvangt; —-Dc opvoering van 's Heeren Ark , van daarnaar Sion ; Davids gedrag bij die plegfiihéid; — cn eindelijk , zijn wedervaren ,hem van Michal zijne huisvrouw bejegend, wegens zijn gedrag bij de opvoeringder Ark.A. DE veelheid van 'ftoffe vcrpligt ons, omter verkiaaring van elke deezer bezonderheden, flegts zoo veel tc zeggen, ais evennoodig is.*j. IN onze voorige Leerrede, zagen wij (Vont bij,berichtde Ark, door Davids bcftel , ten huize van krijgende,Obed-Edom gebiagt. Hier zien wij , dat zedaar bleef, den tijd van drie maanden. —Zekerlijk heeft dees Levijt, en Lcvis ftam,en dc ganfche gemeente van Israël, Davidinzonderheid , zorgvuldig acht gegeeven, ophet geen huis en menfchen aldaar met deArk wedervoer. Dc flag toch, door welkenUza geveld was , had aller harten getroffen, en met vrees vervuld. — Dan , welkeene ftof tot blijdfehap ! & HEER zegendeObed-Edom, en zijn ganfche huis. — Waarin


3p3 XLÏL L E E R R E D E .in bcfiond dit ? — Zou ik hier de beuzclaarijcnder joodfche Uitleggers verhaalen ?of dc gisfingen van Christenen opgeevcn "? —Het kan zijn , dat dces man, of iemandder zijnen , uit doodlijke krankheid, tegenverwachting, en zeer fpoedig, herfteld werd;of dat zijne bezitting zonderling vermeerderd, en zijne zaaken en belangen kenbaarvoorfnoedig gemaakt werden. —• Laat onsdus over dc zaak denken : Elk fchrikte voorde Ark, cn vreesde voor de blijken van'sHeeren ongenoegen. Dan zie ! bij navraage, verneemt men niets treurigs ; de manis welvaarende , zijn gezin is frisch en gezond, zijn bedrijf is voorfpoedig , vrede enwelvaart woonen in zijn huis; en zoo kenbaaris 's Heeren zegen over hem , dat hetijder in 't oog valt. Welk eene ftof totblijdfehap ! Zoo zag' men , dat de Ark nietmin de zetel was van Gods goedheid , danvan zijne geftrengheid ; tevens , dat niet devervoering der Ark, maar wel de wijze,op welke zulks ondernoomen was, den Ilecremishaagde. •— Zoo wilde God Davidaanmoedigen, om het werk te hervatten. Zcofchikt zich de hoogftc Wijsheid naar menschlijkenfchroom en zwakheid.dat dt ^ RAS boodfehapte men dit den Koning Dabuhvanffa •> zeggende : De HEER heeft het huisObed- yan Obed-Edom, cn al wat hij heeft, geze-£dom ze- j "föQ i— Vcrblijccnae,om* 3 ' , ,dend


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 399dend bericht. Bericht, dat 's Konings angst < ler ^ everdreef, zijne onrust ftildc , hem mocd w < 'inboezemde , en vrijmoedigheid gaf om de opvoeringder Ark te hervatten.2. DIT moeten wij thands nader befchoü- en e e n ewen. — David had, volgends Vs. 17. en si*n be.het bericht in het Boek der Kronijken, eeneplaats voor de Ark bereid , cn eene tent* 6 "^'voor dezelve gefpannen (b). — Waarom— zou men kunnen vraagen —• brengt Davidden Tabernakel, die thands te Gibeonwas , niet over naar Sion ? Waarom plaatsthij de Ark niet aldaar, in denzelven ? dit tochwas haare rechte wooning ? — ' Met zekerheidkan men deeze vraag niet beantwoorden.Waarfchijnelijk was er thands op Siongeene gelegenheid, om den Tabernakel, hetAltaar, en alles wat tot den plcgtigen Godsdienstbehoorde , aldaar overtcbrengen. Menmag ook denken , dat David reeds in zijnhart had, om den Heere eenen Tempel te"bouwen, en hij dus, het geen hij thandsdeed, flegts bij voorraad deed. David konmet te meerder gerustheid alzoo handelen, omdat dus lang , de Ark , en de Tabernakel, op onderfcheiden plaatfen warengeweest, zonder dat de Heer zijn-heilig ongenoegen dies wegens kennelijk hadgetoond.^00 1 Kronijken XF: 1.OM


po XLII. L E E R R E D E .ffiCpt O M dc Ark op bchoorclijkc wijze naar Gi^ng'anscè optcvocren, vergaderde David gansch Israël Ilirail tefaameti; (c) , cn in het 'bezondcr, de Priesters,Aarons zoonen , én dc Lcvijtcn (d). Van jachteren ingezien hebbende, de zondige onachtzaamheid, met welke dit werk voorheenondernoomen was, roept de Koning tot zich, jSadok , die den dienst, als Hoogcpricstcr, bijden Tabernakel te Gibeon waarnam ; en Ab- jjathar, die tc Jerufalem bij 's Heeren Ark dienenzoude; benevens de hoofden der Lcvijtcn;en beveelt cn vermaant hen , dat zij , gelijk ook hunnetien Pric.' broeders ,teren cnJ.evijten,zicb teheiligen.zich zouden heiligen , ten einde deArk op bchoorclijkc wijze overtcbrengen, ter 1plaatfe die hij voor haar bereid had. • Deezevermaaning dringt hij aan, door hun onderhet oog te brengen, dat hun verzuim indeezen , dc reden cn oorzaak was geweest,waarom dé Heer zulk eene fmcrtlijkc fcheureonder hen gemaakt had ; het was, zegthij , omdat wij Hem niet gezocht hebben tiaarhet recht. Zoo erkent de vroome Vorstbcdreevcn kwaad , en gemaakte fchuld ;zoo belijdt hij beide , cn poogt, het geenmisdrecven was , naar bet voorfchrift van ;'s Hccrcn Wet tc verbeteren. Dc Priestersook en Lcvijtcn, gereed om zich naar zoobillijk c-cne vermaaning tc gedraagen, heiligdenzich 3.(c) i Kronijken XV: 3. (cl) Vers 4--10.


i SAMUELS VI. vs. n—23. 49%zich, om de Ark des HEERENoptebrengen (e).des Gods IsraëlsALLES, naar het voorfchrift der GodlijkeWet, vaardig zijnde , namen dc kinde­draagen ,Die daarop de slrkren van Levi, en wel die uit het huis vanKahath, 'sHeeren Ark, en zettedcn die, nu aniet op eenen wagen , maar droegen ze , aande handboomen , op hunne fchouderen , tenhuize van Obed - Edom uit, en naar Sionheen. — Intusfchen had David gezorgd, en onderblij mu~dat dc andere Levijten , onder het opzicht zijk,en beftuur der Opperzangmcestcrs , den optogtvergezelden , met Godverheerlijkend gezang, en muzijk, op veelerlei inftrumenten (f) ; waar door de cenftemmigheid bevoorderd, de goede orde bewaard, en d(blijdfehap vermeerderd werd. — Over bezonderheden, hier voorkoomende, kunnen withands niet fpreeken. Laat mij dit weinigeflegts aanmerken. Indien men hier een' beurtzang heeft gehouden , waar in het eene chooivoorftelde, en het ander antwoordde ; dar 1zouden Hcman , Afaf, en Ethan , drie mannen, zoo geacht wegens hunne godvrucht;als beroemd van hunne kunst, den voorzangfchijncn gehad te hebben, met cymbaaien,vergezeld van Zecharja en de zijnen,(e) 1 Kronijken XV: 11—14.(fj 1 Kronijken XV: 16—24.IV. DEEL. CC


Acz XLII. L E E R R E D E .nen, met luiten op Alamoth (g). Mattithjamet de zijnen , fchijnen den tegenzangop de Scheminith gehad tc hebben. Duswerd de aandacht meer opgewekt , en dcaandoeningen van blijdfehap cn dankbaarheidverleevendigd. Dus gingen hier de zangersvoor, dc ipecllieden achter , en misfehienwaren daar in 't midden de trommelendemaagden (h) ; terwijl eenige Priesters, voor de Ark gaande , op trompettenbliezen (i). -— En opdat niemand , uit onbedachtzaamheid, zich aan of omtrent deArk mogt vergrijpen, waren er toeziendeen wachthoudende Poortiers befteld (k).—« Dus werd 's Heeren Ark hoogftaathjk ,en met Godverheerlijkend gezang , opgevoerd.en heilig MAAR welke Liederen en Psalmen werdenmaatge- ^jj ^ie gelegenheid gezongen ? Dit wordtvieren.' ons niet gemeld. Dat dc LXV11I. Psalmbij deeze gelegenheid door David gemaaktzij , lijdt bij fommige Uitleggers geen bedenking.Er is , die meent \ dat hij dit Zangftukvooraf gedicht hebbe , om bij deeze•opvoering der Ark , gezongen te worden ; cndat zulks in deezer voege zij uitgevoerd:dat. Cs) 1 Kronijken XFi 17—21,00 Psalm LXF1U: aó.(i) 1 Kronijken Xf: ."4.(.k) 1 Kronijaen XF'. 23, 24.


2 SAMUELS VI. vs. n—53. 403•dat de Levijten , bij het opneemen der Ark,gezongen hebben > Vers 2 - 7 ; —m et denaanvang der opvoering, Vers 8-15; — bijhet naderen , en onder het opklimmen, vanden berg Sion, Vers 16-18; — toen deArk op Sion in de tent geplaatst was,Vers 19-24; — en bij het einde van deezeplegtigheid, Vers 25-36 (1). — Dan,wanneer men achtgceft op den inhoud,de bewoordingen, en het beloop van ditZangftuk, fchijnt het — aan den eenenkant, overduidelijk , dat er verfcheiden maaienop deeze overvoering der Ark gezinfpeeldwordt ; doch — aan den anderenkant, dat het niet nu, bij deeze gelegenheid, maar in laateren tijd, door Davidgedicht zij. Een ftuk , dat wij thands nietnader kunnen behandelen. —< Doch als wijonder het oog houden , welk een groot aantalzangers en fpeellieden hier bedrijvig was;welk een aantal affchriften hier noodig wa!ren , indien David nieuwe zangftukken totdeeze plegtigheid had gemaakt; en welkeene moeite het geeven moest, die gezangen, wanneer ze van merkelijke uitgebreidheidwaren , zich eigen te maaken — dankan het niet onwaarfchijnclijk voorkoomen ,dat men zulke liederen gezongen hebbe,wel-0) S. CHANDI.BR, Leven van David, II. Deel,Blz. 73. en volg.Cc 2


4G4 XLII. L E E R R E D E ,welken en aan het godsdienstig Israël bekend, cn in deeze omftandigheid gepast waren.Echter is het zeer aannecmelijk , datDavid , bij het invoeren der Ark inSion,den XXIV. Psalm — zoo vol van zin ,als kort van opftel — zal uitgeboezemden gezongen hebben. —» Hoe het zij; zekeris het, dat de Ark werd opgevoerd metvroolijk gejuich , cn het geklank der bazuinen.Zes tredenHOEZEER intusfehen David , en ganschvoord-Israël,gegaanmet blijdfehap bezield waren ; allezijnde, vrees echter , fcheen , bij den aanvang vanhet werk , niet uit de harten verbannen teweczen. En indedaad , zou het wel teverwonderen zijn , dat dc Levijten, bij hetopneemen der Ark , door vrees wierden aangegrecpen? dat onder het draagen , hunneknien tegen elkander frieten ? Zou hetvreemd zijn , dat den Koning het hart inden boezem van kommer klopte ? en dathet volk, door angst benccpen , dacht rHoe zal dit werk afloopen ? — Dan ,. welk eene ftof van dankzegging ! de Levijten{laan dc hand aan de draagboomen,leggen die op hunne fchouders , en draagende Ark wech — zonder dat eenigblijk van 's Heeren ongenoegen hen , ofiemand , overkoomt ! — Wanneer de Levijtendus zes treden waren voordgetreeden,offerdemen eenr'dankoffi 'was David door dankbaarheid en blijdfehapzoo


2 SAMUELS VI. vs. u—23. 405zoo gevoelig getroffen , dat hij os/en en gemest[ vee ] offerde; en wel, volgends berichtin het Eerfte Boek der Kronijken , zevenvarren, en zeven rammen. •— Wie offerdehier ? En David, en de Levijten (m),door den dienst der Priesteren. — Waaromofferde men , toen de Lcvijtcn zes tredenverre de Ark gedraagen hadden ? Joodfche•Uitleggers zeggen : Omdat op dien afftand,Uza door 's Heeren hand geflaagen was.Het kan zijn ; maar waar is het bewijs ?— Waarom offerde men een zevental vanvarren en rammen? Doch, 'welk getal vantreden men in acht genoomen , en hoeveeldieren men geofferd hadde ,- altoos zoudenzulke vraagen kunnen gedaan worden. Ikzegge alleenlijk: Spoedig deeden zij deezeofferanden , om hunne dankbaarheid —- enin zoo groot een getal, om hunne blijdfehap, uittcdrukken. — Verder ; Waarofferde men ? Ongetwijfeld, in dit buitengewoongeval , op een aarden Altaar,daar ter plaatfe , waar men zich bevond,opgeworpen en toegefteld (n) ; iets , dat inbuitengewoone omftandigheden meermaalen.gebeurde.MAAR waarom doet David, met dcLevijten, deeze offeranden nu, en nietlie-(irO 1 Kronijken XV: aö. (n) Exodus XX: 34.Cc 3


4o6 XLI1. L E E R R E D E .liever na de geheele volbrenging van ditomdat de plegtig werk ? De reden was , door dien datheer de God de Levijten hielp, die de Arke des verhondsdes HEEREN droegen (o). — MaarLevittenbielp,was het draagen der Ark dan zoo zwaar eenarbeid , dat de Levijten daar toe 's Heerenbuitengewoone en kenbaare hulp noodig hadden? Neen, En al ware het zoo geweest,dan hadden de vermoeiden door anderen kunnenvervangen worden ; doch de korte gangvan maar zes treden , kon tot zulk eene vermoeidheidgeen aanleiding ~geeven. — Wat1dan ? Men moet zich hier letvendig vertegenwoordigen, wat aan Uza gebeurd was, enmet welk een' angst cn vrees de Levijtenhunne beevende handen aan de draagboomenfloegen ; hoe hun de knien, bij het opneemender Ark , van benaauwdheid wankelden ; enhoe elk , met David, bekommerd was, overden uitflag deezer onderneeming. Maar watdoor bente bemoe­gebeurdigen. zag duidelijk, dat de Heer hunnen geest be­? De Levijten ondervonden , en elkdaarde , hun hart vervrijmoedigde , en daardoor hun de kracht , het vermogen , en hetbeleid fchonk, om met bedaardheid, en ingoede orde , dit zoo zorgelijk werk te verrichten- ywaar in dc Heer dus een blijkbaar bewijsvan zijn welgevallen gaf. Dit vervuldealler harten met blijdfehap. Dit deed David,dit deed de Lcvijtcn , met Israëls Oudften,(0) 1 Kronijken XV: 26»bc-


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 407bcfhriten, om, eer men verder ging, dciiHeere door zulk een plegtig offer dank te bewijzen.Niettemin zal David, na het voleindigenvan dit werk, den Heere brand- en dankofferentoebrengen (p).DIT eerfte offer volbragt zijnde, wordt de Waar naie Arkopvoering der Ark met moed hervat, en met 1•jerderGodverheerlijkende blijdfehap voordgezet; totdatze eindelijk Sions poorten in gedraagen , '•« in Sionvoordt op'gevoerd,en in 't midden der tente, welke David voor «ep laatst.dezelve gelpannen hadde, gcfteld werd (q).—Dit werk dus gelukkig ten einde gebragt zijnde, offerde David, met het ganfche volk, dooi­•ffert,Davidden dienst der Priesteren , brandofferen , terverzoening, en dankofferen, ter betuiging vanhunne erkendtenis , voor 's Heeren goedertierenheid, ook nu den huize Israëls beweezen.En wat heeft David , en het verlicht Israël ,in deèzc gebeurdnis niet gezien ! De XXIV.Psalm, bij de invoering der Ark in Sionspoorten , door hem uitgeboczemd , en zijnetoefpeeling op dit ganfche werk, en het geendaar bij plaats had , in den LXVIIL Psalm,ftrekken ten bewijs, dat zij verder zagen, danhet ligchaamlijk ooge ziet.D1 T werk is dan volbragt. — Wat is t :egent hetiolk,er voor David nog te doen ? Hij zegendehet(p) Vers 17, 18. Cq) 1 Kronijken XVI: 1,Cc 4


en onthaaltbetzelve.AO8 XLIL L E E R R E D E .het volk , in Aen Naam des HEEREN derheirfchaaren. Hij wenschte hun dus geluk,met dit zoo heuglijk volbragte werk, enbad hun alle heil , naar ziel en ligchaam, vanden albeheerfchenden Alzegenaar toe. Eenwerk, den koninglijken Profeet alleszins pasfende.— Ten blijke ook van zijn genoegenen hartlijke blijdfehap ,' deelde hij uit,aan het ganfche volk , aan de ganfche meenigteyan Israël, van de mannen tot de vrouwentoe , een' ijder eenen broodkoek , en een fchoonftuk [vleesch,'] en eene flesfche [mjns]. Voorzeker, eene recht koninglijke milddaadigheid;meermaalen bij heuglijke plegtighedcn geoefend(r). —• Dus ging al dat volk, vergenoegden dankbaar, elk naar zijn huis. —Waar na David orde ftelde , op den plegtigenGodsdienst, voor 's Heeren Ark(s);en, als koninglijk Profeet, de ftoffe opgafvoor het heilig Gezang (t) ; envoords , eenige fchikking maakte , op deorden en het werk der Priesters en Levijten(u).WANNEERCO J. G. STUGKii, Antiq. Cofivival. Tom. I.lib. 1. Cap. XX.(s) i Kronijken XFI: 4—-6.CO 1 Kronijken XFI: 7—36,(u) 1 Kronijken XVI: 38—42.


2 SAMUELS VI. vs. 11 — 23. 4°9WANNEER men dit verhaal, van zooBn dit allesmet reaeiuplegtig eene opvoering der Ark naar Sion—. van de overgroote blijdfehap , welke daarbij plaats had •— en van Davids uitneemendevergenoeging, en ongemeene milddaadighcid, bij die gelegenheid betoond , overweegt; dan zou men kunnen vraagen : -—Van waar, dat David, en gansch Israël, zoogroot een belang ftellen in 's Heeren Ark \•— Van waar, dat men zoo groot een'toeftel maakte , tot dcrzclver opvoering 5— Van waar zoo groot eene blijdfehap ibij Koning en volk , over de gelukkigevolvoering van dit werk? •— „ Van waar„ dat David, en gansch Israël , zoo groo;„ een belang in 's Heeren- ' Ark ftellen ?'Deed men zulks , ter navolging van afgodifche Heidenen ? Maar zoo ooit iemani ldaar van afkcerig was , het was voorzeker David. Was het uit bijgeloof ? Daavoor lagen, ja , veelen uit de meenigtbloot ; gelijk uit voorige gevallen blijke] 1kan (v). Het belang, dat David , cn het IVantgodsdienstig Israël, in 's Heeren Ark ftcl . daar deden , en de hoogachting welke zij voor de Ark~ van, grootzelve betoonden , ontftond uit andere , ui t belangbetere bronnen. Reeds hebben wij hier vai ^•was,iets gezegd. Thands nog dit weinige : Go Izelf had bevoolen, die Ark te maaken>cn aangaande dezelve, aan Mofes beloofd(v) i Samuels IF.Cc 5Jl


4TO XLII. L E E R R E D E .Aldaar zal ik bij u koomen, en ik zal metu fpreeken van boven het Verzoendekfcl af-,van tusfchen de twee Cherubim ([die op de Arkeder getuigenis zijn zulknj alles wat ik ugebieden zal aan de kinderen Israëls (w).Daar ook werd 's Heeren Naam plegtig aangeroepen(x). Op en voor het Vcrzoendekfel,moest de Hoogcpriestcr, op den grootenVerzoendag, het offerbloed fprengen,en alzoo voor Israël verzoening doen (z).Uit dien hoofde , was deeze Ark de Troonder Godheid , onder Israël ; het middenpuntvan den ftaatelijken Godsdienst; eene Heiligheidder heiligheden ; de luister vanhet Heiligdom ; en Israëls Eere (a). Metredi n fteiden David , en het godsdienstigIsraël zoo groot een belang in 's HeerenArk.voegde MAAR „ van waar , en om wat reden ,bier l illl)kzu„ zoo groot een toeftel , ter vervoering vaneen teeftt l „ 'sHeeren Ark?" kon dit niet in ftilte, enin het bijzijn van maar weinige toezichthebbende perfoonen , gefchied zijn ? Wasdie luisterrijke toeftel geen nutlooze praalen pracht, door welke David, hoogmoediglijk,zijne eigen grootheid wilde ten(w N , Exodus XXF: 10—22.- toon(x) 2 Setvuels VI: 2.(z . Lévitikus XFI: 11 — 17.(a) JSumeri lf: i Samuels IF: Si.


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 411toon fpreiden ? Deeze plegtigheid , 't iswaar, was allcrluisterrijkst, en zoo groot,als nimmer onder Israël had plaats gehad.Dan, vreemd kan dit niemand voorkoomen, die op den aart der Israëlijtifche regeering, en op de omftandigheden van tijden zaaken, achtgeeft. Wie was Koning ?Voorzeker, David ; doch flegts Onderkoning, en Leenman van den Jehovah. Deeswas Israëls Koning, en woonde, in het Teekenzijner tegenwoordigheid, onder dit volk.De Ark was de Troon zijner heerlijkheid ,met reden werd die hoog gefchat. —• Sedertde Ark uit der Filistijnen land was wedergekeerd, en vooral in Sauls dagen, hadmen ze niet behoorclijk gezocht, maar, totontluistering van den Godsdienst, tc zeerverwaarloosd. David , 's Heeren dienaar, zalnu niet flegts Israëls burgerlijke regeering,maar ook den plegtigen Godsdienst , herftellen, en naar 's Heeren voorfchrift inorde brengen. Daar toe fpande hij op Sioneene tente , en bragt 's Heeren Ark derwaards; omdat dit nu dc aanzienlijkfteplaats, en het middenpunt des Rijks was ,werwaards, uit alle ftammen, eene meenigteIsraëliërs van allerlei rang, van dagtot dag faamen kwamen ; des kondc ganschIsraël aldaar plegtig erkennen en belijden:Jehovah is onze Rechter, onze Wetgcever,onze Koning. Daar nu , gelijk reeds is aangemerkt, geheel de Naatfij hier bij belanghad,


412 XLII. L E E R R E D E .had , roept David de gemeente Israëls ,Krijgsoverftcn , de Priesters cn Levijten, tervolvoering van dit werk , bij een, cn koomtzelf, als Koning, met zijnen Hofftoct,Raadsheercn en- Ambtenaars , eerst naar Kiriath-Jearim, cn nu naar het huis vanObed-Edom, af,en zoo ' BEHOEFT men nu nog te vraagen:groot renebli;djcoap.deom gefaamendlijk en hoogftaatelijk's Heeren Ark naar Sion overtebrengen.Het was eene naatfionaale zaak; en Daviddeeien.doet er dan ook dc ganfche Naatfij in„Van„ waar zoo groot eene blijdfehap, bij Koning„ en volk?" Dubbel was de aanleiding. Dcgebeurdnis zelve was zeldzaam ; nimmer wasiet diergelijks gezien. Zc was geivigtig; mendeed ccne algemcene en openbaarc hulde aanJehovah, als Koning van zijn Israël. Zewas ongemeen heuglijk; dus werd de grondgelegd, tot eene meer geregelde oefening van 1den openbaaren Godsdienst, cn verkreeg meneen onderpand van 's Heeren beveiligende zorge, ten goede van een volk , dat in 's Heerendienst en eer belang ftclde. — Dan, deezegebeurdnis was ook verzeld van zeer zonderlingeomftandigheden. Verzuim cn onbedachtzaamheid, hadden David en het volkvervoerd, tot overtreeding van 'sHeeren uitdrukkelijkewet. De Heer had , om wijzeredenen , Uza, wegens zijne vergrijping, metden dood geftraft. Pit had aller harten metfchrik


2 SAMUELS VI. vs. u—23. 413fchrik geflaagen; en dc herinnering daar van,Vervulde, bij deeze hervatte opvoering dei-Ark , ijders hart met angstvallige vrees enbekommering. Nu was dit werk gelukkiglijk,en onder blijken van 's Heeren hooge goedkeuring, afgeloopen. Welk eene ftoffe des,van uitneemende blijdfehap , voor Vorst envolk!3. DAN, is der vroomen aangenaamst zoet,- Dan bierp bejeentDa-in deeze weereld , veelal doormengd en ver-^gezeld met eenig , cn fomtijds met veel bit-1 iid eeneter; David ondervond zulks thands ook. Dit^ mertelij-•e onaanenaatn»zullen wij zien , wanneer wij overweegen ,tzijn wedervaren bij en van zijne huisvrouw 'leid.1Michal, wegens zijn nu gehouden gedrag. —Eerst moeten wij ons Davids gedrag , bij deopvoering der Ark gehouden, voorftellen. Hij Hij hup'huppelde , zegt het heilig gefchiedverhaal, met 'e/de, i bijieeze opwering,alle magt, voor het aangezicht des HE EREN.,•— Hij huppelde; d. i., hij ging in eene fprin-' wor dedrk;gende , opfpringende beweeging voord, gelijkeen lam gewoon is te doen. Dit deed hij metelle magt ; met lust des , met infpanning vankrachten, en aanhoudend. Hij deed dit, voor's Heeren aangezicht; d. i., onder het oog, inde tegenwoordigheid, en onder vertegenwoordigingvan den Heere , wiens Troon de Arkwas, en Wien hij met blijde psalmen verheerlijkte.—• Onder des , was David omgord met, 'mgordeenen linnen lijfrok, 'of Efod. Aan een kleed, ge-j net eeneninnenlijk dat van den Hoogenpriester, heeft men •—,ijfrok,dit


4*4 Xm L E E R R E D E .dit fpreekt van zeiven — hier niet te denken.Voorfchrift, aangaande de kleeding der Levijten, vinden wij niet (b). Dat zij, in hetHeiligdom , of in heiligen dienst , bedrijvigzijnde , een onderfcheidend gewaad droegen, is met reden te denken. Wij vindenhen , immers de Zangers uit hun, bij de invoeringder Ark' in den Tempel, gekleed infijn linnen (c). En bij deezè plegtigheid, warende Levijten die de Ark droegen , en deZangers , gekleed met eenen mantel van fijnlinnen (d). — De Efod , met welken Davidthands bekleed was , fchijnt een gewaad tezijn geweest, dat en den Priesteren , en denLevijten, gemeen, en van den Efod des Hoogenpricstersin ftof en fieraad geheel onderfcheiden, was , en ook , bij plegtige gelegenheden, door anderen , vooral door aanzienlijkeperfoonen, gedraagen werd. De ftoffewas linnen ; en het beftond uit twee aan elkandergevoegde ftukken , waar van een hetvoor- en het andere bet achterlijf dekte , terwijlhet op de fchouderen door banden faamengevoegd, en door' eenen gordel om hetligchaam gegord werd. Zonder mouwen washet, van boven open , cn ftrekte benedenwaards(b) LÜNDIOS, Joodfche Oudheden, I. D. IV. B.i Hoofdft. §. 27. Blz. 292.(c) a Kronijken V: 12.C,d) 1 Kronijken XV: 17.


2 SAMUELS VI. vs. 11-^-23.' 4.15waards tot even boven de knien (e). •— Inzulk een kleed, woonde David, zijn koninglijkoppergewaad afgelegd hebbende , deeze plegtigheidbij. — Nog wordt ons, in 1 Kronijken en man*XV: 27. bericht, dat David ook bekleed was leLmet eenen mantel van jijn linnen ; welke aldaarvan zijnen linnen lijfrok duidelijk onderfcheidenwordt. Dit was een kleed , dat nederwaardshong > tot op de voeten , gelijk debovenkleedcren der Oosterlingen doen (f),geheel het hgchaam dekte, en, behalven aanden hals , geheel digt was (g) ; hier in gelijk ,aan den mantel des Efods, welke een deel vandes Hoogenpriesters kleeding uitmaakte (h).MAAR waarom, waar toe., was KoningDavid thands op die wijze gekleed ? waaromvertoont hij zich niet in luisterrijke praal,omhangen met eenen koninglijken mantel, enmet de kroon op het hoofd ? Gemeenlijk Zich dutzegt men : dus wilde David zich vernederen. 'g£JHet is zoo. Straks zullen wij ook hooren,dat - •Ce") J. BRAUNIUS, de Vestitu Sacerd. Lih. II.Cap. VI. — J. CARPZOVII Apparat. antiq. S,Lib. I. Cap. V. p. 74.(f) DAS s o vu hnagin. Re rum Hebr. in Mifcell.Groning. Tom, IV. p. 428.(g) 13 R A u N. de Vestitu Hebreor. Lib. II. Cap. V,§. ia. p, m. 553.(jhj Exodus XXXIX: 22.


dat hij zelf dit verklaart. — Maar dan blijftnog de vraag : Waarom verkoos hij thands,bij deeze gelegenheid, zich dus te vernederen?Bij een weinig nadenkens, zullen wij de redenen zich ge-ontdekken.David moest zich hier niet gedraagendeahHeerenonderdaani416 XLÏÏ. L E E R R E D E .draagen als een luisterrijk Koning , maar alseerfte onderdaan in Israëls Staat. Jehovahwas Koning.Zijn Troon, het Teeken zijnertegenwoordigheid , werd thands hoogstplegtigopgevoerd. Geheel de Naatfij deed den Heere,haaren Koning, openlijk hulde. Dit deed ookDavid , met die Naatfij. Van hier , dat hijzich zoozeer met dezelve gelijk ftclde, endaar toe , zijn koninglijk gewaad voor Godzijnen Opperkoning afleggende , zulk eenekleeding droeg , welke bij onderdaanen, indien tijd , tc gelijk deftig en zedig geachtwerd. — Dus was Davids gedrag , dus zijngewaad, bij dc opvoering der Ark naar Sion.wordt M i D A N wat wedervoer David, bij deeze gc-•san zijn ;legenheid? — Dat zijne eigen huisvrouw Michal, Sauls dochter , hem eerst verachtte inhuisvrouwveracht haar hart , cn vervolgends , meer openlijk,hem verguisde en befpottcde. — Eerst verachttezij hem fmaadlijk in haar hart. — DcArk dus plegtig tc Sion ingevoerd wordende,begeeft zich al wat in 'sKonings huis gebleevcnwas, naar de vensters ; Koningin Michalvooral. Het fchijnt, dat het haar niet tedoen was, om 's Heeren Ark , en de godsdienstigeplegtigheid der opvoering, te aan-fchou-


% SAMUELS VI. vs. n—23. 41?fchouwen , maar om haare oogen en hartin eene grootfche en ftoutc vertooning te vermaaken.Zij verwachtte daar, haaren koninglijkenGemaal te zuilen zien, heerlijk gekleed,vorstlijk uitgedoscht , omftuuwd van IsraëlsGrooten , eene prachtige intrede doende inftad en burg. Zij verwachtte , door denweêrfchijn van dien glans beftraald , tot zichzelvete moogen zeggen : Wat ben ik eenegroote, eene doorluchtige Vorstinne! Zij verwachttede verrukkende toejuichingen vanhaare ftaatsvrouwen en hovelingen. — Maar— welk een flag in haar hoogmoedig hart! —•Zij ziet — en wat ziet zij ? — Niets , vanhet geen zij verwachtte ! Zij ziet den Koning,ontbloot van allen vorstlijken luister,eenvouwdig gekleed , met fpeeltuig , in ftedevan feptcr of zwaard , in de hand , zingendeen huppelende voor dc Ark ! Welk eenvreemd — welk een onverwacht gezicht! —De verontwaardiging, de gramfchap, de boosheid,rijzen te gelijk bij haar op.' Zij verachthem in haar hart. Zij denkt: Ik meende datmijn man een krijgsheld was ; en zie! hij gelijkteenen Levijt ! Ik dacht dat hij een' verhevengeest hadde ; en hij gelijkt eene laageziel! Ik verwachtte, den Koning te zien, onderfcheidenvan geheel' de Naatfij, in koninglijkenluister ; en ik zie hem , gelijk aan, gemeenzaammet het overige der Naatfij ! Watflegthoofd is mijn man! hoe onwaardig is zfjnIV. DEEL. Dd * gc-


4iS XLII. L E E R R E D E .gedrag ! Moet ik , eene Koningsdochter , erfzelve Koningin , voor het oog van gansch deweereld zulk eene fchandelijke vertooningaanfchouwen ! —• Michal veracht David inhaar hart.en bij zijnetbuis-openlijk te verachten en te fmaaden. —>W E L D R A A krijgt zij gelegenheid, om hemkoomit,David , den Godsdienst geëindigd , en op deverkwikking van het ganfche volk , dat hijeerst in 's Heeren naam plegtig gezegend had >orde gefield hebbende , keert, blij te moede,naar zijn paleis terug, om zijn huis , zijneganfche familij , met deeze heuglijke gebeurdnisdes Heeren zegen te wenfehen , en alleheil, naar ziel en ligchaam, van den God zijnergoedertierenheid toctebidden. -— De ontftookenMichal heeft geen' duur. Zij fheltferjlond,ten hove uit, en treedt gramftoorig den Korringte gemoet. Haar ziedend hart wachtgeen woord uit 's Konings mond ; zij koomthem voor, en — met eene houding, gelijkvormigaan haar hart, fpreekt zij , op fpijtigentoon, ten aanhooren van allen die er tc-• tgenwoordig waren , hem aldus aan : Hoe isfmsadlijdoor bat, r heden de Koning van Israël verheerlijkt ! •—bejegend' kan cr iets fchimpender — die zich heden voorde. oogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten•— kan er iets laagcr •—• ontbloot heeft,gelijk een van de- ij dele lieden zich onbefchaamdlijkontbloot! — kan er vuiler gezegd worden?— Nu


i SAMUELS VI. vs; n—23. 419.— Nu zouden wij Michals' bedrijf en taalnader in 't licht moeten zetten , en Davidsantwoord moeten hooren-.MAAR eerst möeten wij vraagen: Heeft Dan meiivraagt,David geene billijke reden tot dit fmaadlijk if Davidverwijt gegeeven ? heeft hij zich niet misdraagen? — Was het geen misdag van Da-' bad ge-'laar toereenredthvid, dat hij voor de Ark huppelde cn danste?, jeevetii— Was het geen misflag, dat hij dit in 'topenbaar deed? — Was het geen misflag, dathij zich zoo gemeenzaam gedroeg ? — ZouDavid zieh ook onbetaarrielijk ontbloot hebben? —• Zou David. zich billijk tot eenvoorwerp gefield hebben van Michals fmaadlijkverwijt? — Laat ons elke deezer vraagenbeantwoorden.„ WAS het geeii misdag van David, dat hij •hor zijnhuppelenvoor de Ark huppelde en danste ? — Datvoor deer zondige , ergerlijke, en fchandelijke danferijenzijn , zal geen redelijk mensch ontken­drk;nen; Tevens zal geen verftandig mensch loochenenj dat er geoorloofde danferijen zijn.Dit zal men ligtlijk begrijpen , wanneer menoverweegt , dat de gewaarwordingen onzerziel, haare uitwerkingen in het ligchaam hebben.De vrees, doet dc leden trillen en beeven,en geeft drift om te vlieden: De droefheid, doet de oogen nederflaan , de ledenwerkeloos hangen, cn den mensch treurig nc«derzittcn ,' of zelfs wel magtloos nederliggen,;D d 2.Dg


420 XLII. L E E R R E D E .De blijdfehap , geeft aan geheel het ligchaameene aangenaame aandoening ; en een zeerhooge trap van blijdfehap, verwekt een foortvan verrukking , brengt de leden in beweeging, ja maakt zelfs de voeten als der hinden, en doet van vreugde opfpringen (i).Geen verftandig mensch zal dit wraaken , ofzulk eene bewecging met de voeten , endaar door van het ganfche ligchaam , meerveroordeelen , dan die , b. v., met armen enhanden. Men weere van deeze beweeging,het verdartelende, het verleidende, het onbetaamelijke,voor hem die ze maakt, en voorhun die ze aanfchouwen, af, en het blijft opzichzelven een onfchuldig bedrijf. — Slaat nuhet oog op David ; befchouwt hem, dooreen' faamenloop van redenen, met heilige blijdfehapin den Heere zoozeer vervuld, dat zijnetong losbreekt, in Godeprijzend psalmgezang,zijne handen vaardig worden om de harp teflaan, en zijne voetcri, om vroolijk optefpringen.Wie , dan die door vooroordeelen ingenoomenis, zal dit wraaken ?en wi in J A maar , „ was het geen misflag van Da-U openyi d }^at zich dus gedroeg in 't openbM ?' ', baar, ten aanfchouwen van geheel de Naat-„ fij , en in zoo plegtig eene gelegenheid ?„ wat(i) Conf. J. G. STUCKII Antiquit. ConvivaLTom. 1. Lib. UI. Cap. XXI. pag. 608.


% SAMUELS VI. vs. n—23. 421„wat zou men denken en zeggen, indien een„ Vorst onder ons , zich zoo gedroeg ?" —Ik beken, het zou onvoegzaam, aanftootelijk,en dus zeer onvoorzichtig weezen. Maarnooit moet men de gebruiken en wijze vandoen der ouden, vooral der Oosterlingen, bcoordeelennaar die der laatere, vooral derwesterfche volken. Onze gebruiken zoudenvveelal hun, niet alleen vreemd, maar dikwijlsbelagchelijk zijn voorgekoomen. En indieniemand onder ons , zich wilde klceden, maaltijdhouden, groeten, plegtigheden vieren, enzich daar bij gedraagen , naar de wijze derOosterlingen , hij zou zichzelven verachtelijkmaaken, en anderen ten hoogften ergeren. —De betaamelijkheid of onbetaamelijkheid , dewelvocgelijkheid of onvoegelijkheid, in zulkfoort van dingen , moet beoordeeld wordenuit het gebruik en den fmaak van zulk eenvolk, waar bij — en den tijd, waar in zij gebeuren.— Davids gedrag ftrookte met hetgebruik in het Oosten , en van zijn volk entijd (k) ; cn het was zoo verre af, van aanIsraël aanftootelijk te moeten voorkoomen,dat uit Davids verantwoording blijkt, dat hetveeleer ï dienen moest, om het volk te ftichtenen optewekken.DIT(k) SHAW, Reizen, II. D. Blz. 175. — VergelijkExodus XV: 10 ; Richt er en XI: 34 ; XXI:19, 11; i Samuels XVIII: 6; Psalm CXLIX: 5.Dd 3


42Ï XLIL L E E R R E D E ,Ook door DIT zij dan zoo. „Maar was het geemai/»* ge- ^nr; sn, agin David, dat hij, doende het geenTaZ- " toen welvoegelijk en ftichtelijk was, zich •beid?z 0 0gemeenzaam en vernederend aanftelde?',' Alles wat in anderen welvoegelijk is, voegt„ geenen Vorst, geenen Koning". — Ik beken, dit is het, wat Miehal aan David zoofcherp en bitter verwijt. Dan men merkchier omtrent aan: — L Het zij zoo, datDavid zich hier wat te gemeenzaam gedraagenhadde ; dan ware het toch minder laakbaar, dan wanneer hij zich troschlijk haddegehouden. — H. Het is zoo, Michal oordeel,dc dat David kwaalijk had gedaan; maar kunnenwij eene gencegzaame maate van verbrand,bedaardheid, cn deugdzaamheid in haar onder,ftellen , om dit gefchil aan haare uittpraak teverblijven ? Michal oordeelt, dat haar mankwaalijk — David oordeelt, dat hij wel doet}wierts oordeel dient hier het zwaarst te weegen? _ m. De reden van Davids gedrag,hebben wij reeds opgemerkt. David was welKoning op Israëls troon; maar eigenlijk wasGod Koning. Heden werd de Jehovah , alszoodaanig, plegtig, van gansch de Naatfij, envan David zeiven, gehuldigd, Hierj,gedraagtDavid zich niet als Koning, maar (als eerfteonderdaan in het Godsrijk. Davids gemeen,zaamheid is, in dit geval, lofwaardig,V r r a, Nu koomen wij tot Michals zwaarfte bejSIVcbfchitldiging. „ Zou David zich ook onbetaa-„ melijk


2 SAMUELS VL vs. n—23. 423„ melijk ontbloot hebben ?" — Michal ver- te onuwijt het hem ; zij zegt, dat hij zich heden, b l M t t n *voor aller oog, ontbloot had , gelijk een vande ijdele lieden onbefchaamdlijk zich ontbloot.— Belaagers van Davids eer , en fpottcndeVrijgeesten , de zulken ook , die anders devuiligheden van fommige Heidenfche Wijsgec- 'ren poogen te verontfchuldigen, zijn hier dapperin de weer, om Davids gedrag en houdingin eert affchuuwelijk licht te plaatfen,en , het zelve als fchaamteloos , eerloos , enhoogst ergerlijk brandmerkende, Michals verwijtten fterkften te billijken.LAAT ons dit ftuk bedaard ovcrweegen ,en hooren , wat bewijs men voor deeze zoohaatclijke gedachten inbrengt, en de volftrektevalschheid derzelven betoogeh. •— Hoe weetmen , dat David zich zoo onbetaamelijk gedraagenhebbe? Men zegt: Zijne eigen vrouwzegt het hem in 't aangezicht; zij verwijthem, dat hij zich ontbloot had, gelijk een derijdele lieden zich onbefchaamdlijk ontbloot. —Het is zoo , dit leezen wij. Maar wat zegthet ? dat David niet betaamelijk gekleed was ?of dat hij zich onbetaamelijk ontbloot heeft ?Dit, zeker, leezen wij niet. Het Hebreeuwfchewoord zegt hier, ja , ontblooten; maarwordt er ook bijgevoegd, waar van, en hoe?'Immers neen. Wie of wat geeft dan vrij.beid , om dit in zulk eenen zin optevatten,welke iet onbetaamelijks, iets dat zedenloosDd4 i s >


424 XLII. L E E R R E D E .is , zou aanduiden ? •— David heeft zich ontbloot; dit is zeker. Maar waar van ? en hoe ?dit blijft de vraag. Hier wordt ons dc weggeweezen , door dien er uitdrukkelijk gezegdwordt, dat David bekleed was met eenen linnenlijfrok. Hij was dan gekleed. Het zelfde wordtvan den jongen Samuel gezegd (1); cn was dieniet behoorelijk gekleed? — Maar , zegt men,de linnen lijfrok , welken David aan hadde ,was een kort kleed. Het zij zoo; hij was dangekleed. Maar had hij geen meer kleederenaan ? In i Kronijken XV: 27. wordt uitdruk,kelijk gezegd , dat David , behalven met denEfod, ook bekleed was met eenen mantel vanfijn linnen. En reeds is aangemerkt, dat diemantel niet gemaakt was gelijk de onzen ;maar dat het een wijd bovenkleed was , 'twelk rondom het ligchaam, tot de voeten afhong, en wel gellooten , hebbende alleenlijkaan het boveneinde openingen, om de armendoor te fteeken. Doe er bij, dat David overdien mantel niet alleen den Efod had, maardat die , en dus alle zijne kleederen , meteenen gordel om het lijf gebonden waren;door welk alles , David —• de Hoogepriesterlijkefieraadjen uitgezonderd — gekleed wasgelijk de Priesters. Waar is dan fchijn vanberispelijke ontblooting ? Het is zoo, Michalzegt, dat David zich ontbloot had ; en zijzegt de waarheid. Maar waar van had hijCT) 1 Samuels II: 18.zich


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 425zich ontbloot ? Van zijn' koninglijken mantel, en vorstlijke fieraadjen ; zonder welkende Oosterfche Koningen niet gewoon waren in't openbaar te verfchijnen.J A maar, Michal zegt, dat de Koning zich En wc!,"eli k deontbloot heeft, gelijk een der ijdele lieden, onbefchaamdlijk, zich ontbloot ; en wanneer dee­lieden ;ijdelezen zulks doen , ontblooten zij zich niet vankoninglijk fieraad , maar op eene fchandclijkcwijze. — Dan laat mij vraagen : Wie zijnhier deeze ijdele lieden, bij Michal bedoeld ?Het zijn de gemeente der Israëliërs , en inzonderheiddc Levijten. Michal, bezield methaares vaders haat cn vijandfehap tegen's Heeren dienaaren , noemt hen ijdele lieden;menfchen , ledig en ontbloot van verftand,van eer, van rang, geene achting waardig, ente verre beneden den Koning , om zich meerof min aan hun gelijk te ftellen. — En hoehebben deezen zich ontbloot ? van hunnekleederen ? of op onbetaamelijke wijze ? Tebijster eene gedachte , om er op te antwoorden! — Of zou Michal zeggen willen , datDavid zich, tot ijders ergernis, ontbloot hadde, gelijk wel eens door het fnoodfte fchuimvan volk, eerloos gefchiedt ? Dan men heeftflegts aan David — aan de tegenwoordigeplegtigheid — aan de godsdienstigheid derPriesters , Levijten , en van dc ganfche gemeenteIsraëls, te denken, om van zulk eenvermoeden een' affchrik te hebben. — MaarD d $zegt


42Ö XLH. L E E R R E D E .fa onhefebaamd'onbefchaamdlijk had ontbloot ? Het ware zoozegt Michal niet uitdrukkelijk, dat David zich(ijk ?dat zij dit gezegd hadde ; zal men de onbefcheidcntaal, welke eene vrouw, in woedendedrift, vuilaartig uitfloot, voor waarheid aanneemen? Maar zegt ze dit wel ? Dus lig-' 'gen haare woorden : Ontblootende ontbloot.Deeze wijze van fpreeken , geeft hier , doorzichzelve , geen denkbeeld van onbefchaamd,heid , dan in zooverre de bedoelde ontblootingopenlijk gefchiedde. En dit is het, watMichal David verwijt, t. w., dat hij, de Koningvan Israël, tegen het gebruik, zich zoo,gekleed, en openlijk zich zoo gedraagen envertoond had , gelijk de bij haar bedoeldeijdele .lieden dceclen. Gij hebt, zegt ze , uniet gefchaamd, openlijk u aan dat volk gelijktc ftellen.He miz»duidingen lasteongegrond1mvalsebzijnde,BE HAL VEN al het gezegde, zal de valschheidder befchuldigingen, door heiliooze lastcrzugtop David hier geworpen , overtuigendblijken , wanneer men Davids toeftand , ge,aartheid , en de plegtigheid in welke hij ver,keerde , bedaardlijk overweegt, Hij was, ditleezen wij }gekleed gelijk de Levijten. •—•Hij was niet zot genoeg , om zich voor hetoog der ganfche Naatfij befpottelijk aante-Hellen, Hij was niet godloos genoeg,. ombij zoo heilig eene plegtigheid •—• ontzaglijktevens, door Gods oordeel over Uza — zich©nheilig en oneerbiedig te gedraagen. Hijver-


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 4a?.verkeerde hier , en was bedrijvig , zegt het;gefchiedverhaal, voor 's HE EREN aange*zicht. —7 Michals taal heeft — ook blijkendshet antwoord van David — deezen zin:5, Hoe heeft Israëls Troonmonarch , op dcc-„ zen dag , op welken hij al den luister der„ koninglijke Majesteit had moeten vertoo-„ nen , zich uitneemend verheerlijkt , daar„ hij, van al zijn vorstlijk gewaad en fieraad„ ontbloot, gekleed flegts gelijk een gemeen„ Levijt, als een, die tot het choor der zan-„ geren en fpeellieden behoort , aan gansch„ de Naatfij , aan de geringften onder dezcl-„ ve, zich ten toon gefield heefc ! Zoo hebt„ gij uwen perfoon, uwe waardigheid:, de eer„ van \iw huis , en van mij , eene Konings-„ dochter , op deezen plegtigen dag , ten„ uiterften verachtelijk en befpottelijk ge-„maakt !•"HIER uit is te beoordeelen , wat men van blijkt,Michals beftaan cn gedrag — wat men van wat vanMichalshen , die haare woorden ter belcediging van l'eflaan teDavid misbruiken, te denken hebbe. — Wat. •/enkentij.men, zegge ik, te denken hebbe van Michalsbeftaan en gedrag. Befchouwcn wij -— haaregemoedsgeftcldhcid ; —• wat zij zegt; — hoeZij het zegt; — waar zij het zegt; —j waartoe zij het zegt. — Haare gemoedsgefleldheid.Deeze is hoogmoedig , verbitterd, vergramd,en bijster onftuimig. —- Wat zij zegt. . Haaregezegden zijn kwaadaartige misduidingen vanDavids


428 XLIL L E E R R E D E .Davids gedrag, valfche befchuldigingen, tegenzijn waar karakter , lasteringen , tegen zijneeer. •—• Hoe zij het zegt. Met een hoogmoedighart , met bittere fcherpheid , en , datdieper treft, met verguizende fpotternijen ,met eene tergende houding. — Waar zij hetzegt. Niet in het geheim, niet in de binnenkamer; dit ware voor David draagelijk geweest.Maar in 't openbaar , ten aanhoorenvan Israëls Vorsten en hooge Ambtenaaren,door welken hij omringd was ; ten bijwezenvan geringeren , die het hoorden en zagen.Dit was kwetsend voor Davids' perfoon , alsEgtgcnoot, en als Koning. — Waar toe zijhet zegt. Niet, om haaren man en Koning,eenen, naar heure gedachten, begaanen misflagonder het oog te brengen, tot zijne waarfchuuwingen verbetering; maar om haare opgegaderdebitterheid hem fmaadlijk in het aangezichtte werpen, haaren hoogmoed op hemte wreeken, en hem in veeier tegenwoordigheidfchande aantedoen.Gelijk ook DAN wij zien hier uit ook , wat van hunvan hen, te denken, die Michals taal eh gedrag misbruiken, om Davids karakter te bclcedigen.die haaregezegdenmisbruiken.Zeker , niet veel goeds. Zal men iemand,vooral een achtbaar perfoon , van fnoodemisdraagingen verdenken ; de billijkheid vordert, dat men het niet doe , dan op toereikendecn dugtige bewijzen. Maar hier werktmen, met de woeste taal der ontzinde woede,met


2 SAMUELS VI. vs. n—23, 425met de onhebbelijke en ongefchikte uitvallenvan een onftuimig gemoed; en daar aan geeftmen nog eenen zin , welken zij in den mondvan deeze vrouw nooit gehad heeft , nooithebben kon. Handelde iemand dus omtrenteenen van de zoogenoemde Heidcnfchc heiligen, men riep gewis hemel en aarde te hulp,om zulk een ongelijk te wreeken. Maar onzaligeafkeer van Gods Woord en dienst,vervoert redelijke menfchen , om te denkenen te zeggen , het geen der redelijkheid totfchandc ftrekt, — Hoe onverantwoordelijk!LANG genoeg ons met Michal opgehouden. DavidfKeeren wij weder tot David. —• Wat zegt hij ?Wat doet hij ? — Hij had de taal en het gedragzijner huisvrouw , als alle antwoord onwaardig, ftilzwijgend kunnen verachten. Maar,en om zijne vrouw te befchaamen — en omzijn gezag en den Godsdienst te verdeedigen|— en om de omftanders te onderrechten —en zijn gemoedsbeftaan te verklaaren ; antwoordthij. — In zijn antwoord kunnen wijproeven, betaamelijken ernst, blaakende godvrucht, openhartige vrijmoedigheid ; en tevenszien wij daar in duidelijk , wat Michalhem ten laste gelegd had — niet het geenvrijgeestige menfchen hem toedichten, maarhet geen hij zelf beantwoordt. — Hooren wij zijnehuisvrouwzijne aanfpraak. Foor het aangezicht des HER­KEN, die mij verhoeren heeft voor uwen '.rnstig vaderen' voor zijn ganfche huis , mij inji•ellende'oefpree'iende,tot


XLII. L E E R R E D E .tot eenen Voorganger over het volk des HEE­REN, over Israël. — Merken wij op, hoeDavid hier Michals trotfehen hoogmoed vernedert.Gij zijt, zegt hij , ja , eene Koningsdochter; maar draag er uw hart niet te hoog©p. Gij Zijt de dochter van eenen Koning,die van God verworpen en verlaaten was, enwiens ganfche huis de Heer heeft uitgefloote n -Letten wij, hoe David zichzelven aanMichal vertegenwoordigt; naamlijk, als regeerendKoning. Ik ben , zegt hij , Voorgangerover het volk des Heeren , over Israël; enwel, in plaats van uwen verworpen vader,en zijn huis. Gedenk, wil hij zeggen, wie ikben, wien gij dus bejegent. — Dan ziet ook \hoe hij zich hier uitdrukt. Niet met de taalvan fnorkenden hoogmoed. Hij fchrijft hetbezit dier waardigheid niet toe , aan de dap^perheidzijner handen , aan de wijsheid vanzijn hart, aan de genegenheid der hem lievendeNaatfij; maar aan Gods onverdiende gunstaan 's Heeren verkiezing — de HEER hadhem verkoor en, — Aanfpraak , eenen Davidwaardig!HOOREN wij Davids verantwoording zelve.erkint, Zij behelst eene bekendtenis , en eene verklaadatbijtjffcL, ..— Bekendtenis ; waar van ? Niet vanntdig' het geen Michal, volgends het voorgeven vanva-ne- vrijgeestige lasteraars, aan David zou verweederdbad;t e nhebben; m a a r v a l lhet geen zij hemwaarlijk verweeten had. Dit waren twee dingen:


i SAMUELS VI. vs. n—23. 431gen: —• dat hij voor de Ark des Heeren opmuzijkinftruraenten gefpeeld — en , dat hijdit op eene vernederende wijze gedaan hadde.— Dat, zegt David, ja, heb ik gedaan. Enwat vindt gij daar in te berispen ? Ik weethet, uw ongodsdienstig hart, fchat dit vooreenen Koning te laag. Uw hoogmoedig hartzegt, dat ik mij dus te gemeenzaam maakte»met hen, die beneden mij zijn. Uw afkcerighart, in uwes vaders huis, met vooroordeelentegen den Godsdienst , en tegen de grootendeelsvermoorde Pricsterfchaar, vervuld, kanniet draagen , dat ik bij deeze godsdienstigeplegtigheid , mij met de gemeente, en met*s Heeren Pricsteren, en de Levijten , vereenige.Maar ik zegge u , ik heb dat gedaanmet rijp beraad , gedaan met blijdfehap vanmijn hart. — Dan David doet er eene verklaaringbij ; verklaaring , waar door hij niet voornee-«n dat bijmendsalleen verzekert, dat hij van zijn gedrag geen was, zulksberouw had , maar ook zijn voornemen te verder tedoen.kennen geeft, om daar in te volharden. Ja,ik zal fpeelen — niet , om u met dartelendans te vermaaken, maar — voor het aangezichtdes HEEREN, die op de Ark, tusfchende Cherubs woont. Ik zal , zegt hij,God den Heere , in den Godsdienst, openlijken plegtig , met heilig gezang en vroolijkfnaarcnfpel , verheerlijken. En in flede vanmij in den Godsdienst hoogmoediglijk aftezonderen, zal ik mij daar nog geringer houdendan alzoo. Ik zal mij voor God, en. bij menfchen,


4 32 XLIL . L E E R R E D E .fchen , in den Godsdienst , nog dieper vernederen, dan ik immer deed. — En wat uweverachtelijke verfmaading aangaat; weet, datik zeer wel zal otiderfcheiden , wanneer enwaar ik Koning , cn waar ik Israëlijt moetZÏ 1U_ Waar ik Vorst, waar ik Profeet moetzijn — waar ik krijgshoofd, en waar ik voorbeeldin den Godsdienst moet weezen —waar ik mijne hoogheid moet doen fchitteren,en waar ik mijne ootmoedigheid moet tentoon fpreiden. — Wees , o Michal, niet begaan, met den luister der koninglijke Majesteit; deezen hoop ik , daar het behoort, beteroptehouden , dan uw laffe vader deed.Maar weet ook , in den Godsdienst, en alseen waar Israëliër, is 't er zoo verre van af,dat ik mij mijns bedrijfs zou fchaamen, dat iku rondborstig verklaar, dat ik, wat den dienstvan God , dc. gemcenfehap der heiligen, dcvereeniging van mijn hart met hen die denHeer vreezen , en wat de bewijzen mijnerhoogfte achting aangaat — dat ik , zegge ik,met de geenen , die gij verachtelijk dienst*maagden noemt, zal verheerlijkt worden. Daviderkent, dat God, tusfchen den Troon enhet volk, een' grooten afftand had gefield;maar tevens zegt hij : Ben ik, die op dentroon zit, Koning ; ik ben ook een mensch,een Israëliër , een medegenoot der begenadigdeIsraëliërs ; en het is mijne eer , mijne'hoogfte eer, hen om des Heeren wil tc eeren,en in hunne waare eer, in tijd cn eeuwigheid,te


i SAMUÊLS VI. vs. IÏ—23. 433te deelen. —• Hier zwijgt David. Of Michalverder fprak , wceten wij niet. Zeker, hetwas niet noodig. Zij had ftof genoeg, omveel en wel te denken.WAT zij voords deed , en wat van haar Ten (lotwtrc/t ge*werd , wordt ons niet bericht. Alleenlijkzeg'/, datmeldt de heilige gefchiednis nog dit : Michal Michalnu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag kin-lerhosftierf.haares doods toe. Met een woord zal ik ietszeggen , over het geen hier wordt verhaald;en iets , aangaande de reden , om welke ditverhaald wordt. — Er wordt verhaald , datMichal , tot op den dag haares doods, d. i.,nimmer (m) , kinderen gehad heeft. Maarwordt niet in het vervolg van dit zelfdeBoek gezegd, dat Michal, Sauls dochter, vijfzoonen had, welken zij Adriël, den zoon vanBarzillai , gebaard hadde (n) ? Dan deezenadere omfchrijving zelve , geeft ons de beantwoordingaan de hand. Michal is nooitaan Adriël gchuuwd geweest, maar wel haarezuster Merab (o). De gemelde vijf zoonen,waren kinderen van Merab ; waarom het deonzen, gelijk ook andere Vertaalers, met aanvullinggeeven ; zoonen van Michals [zuster'].MenCm) Conf. GtiAssn Tbilol. Sac. Lib.HL Tract. KCarr. XII.Cn) 2 Samuels XXI: 3.(o) 1 Samuels XF1IL 17-19.Ee


mXLII. L E E R R E D E .Men vraagt , waarom dan daar ter plaatfeniet Merab , maar Michal genoemd wordt ?Doch dit hoopen wij te beantwoorden , wanneerwij die plaats behandelen moeten. —•Maar om welke reden, cn tot wat einde ,wordt dit verhaald ? Er is , die meent, omhaare onvruchtbaarheid als eene Godlijke bezoeking, wegens haar wangedrag , te teekenen.Ook is er, die denkt , dat David zichvan nu af, uit misnoegen, van haar gefcheidcnhebbe , en dat zulks door deeze woordenwordt aangeduid. Doch dit volgt uit zoodaanigeen gezegde niet. — Beter denkt men,dat dit, daar nu voor het laatst van haargewag gemaakt wordt, tot vernedering vande gedachtnis deezer trotsche vrouw wordtaangeteekend. Immers, door haare onvruchtbaarheid, is geen kroost, uit Sauls huis , bijDavid voordgeplant ; en eene hoogmoedigebits- en bitterheid , was haar , die weinig redenhad om het'hart zoo hoog te draagen,zoozeer tot fchande, als David tot fmart.B; HET wordt tijd , om uit dit behandeldeWij lecren bier , nuttig onderwijs optefaamelen.W ij hebben gezien , 's Heeren Ark inhet'huis van Obed-Edom, en dat huis gezegend, om der Arke wille ; moeten wij erdat'sllee . niet uit leeren , „ dat 's Heeren tegenwoorrentegen • digheid een bron van heil , en dat eer ennooordigbtideen" dienstaan zijnen Naam en Dienst bewee-,? zen,


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 435zen, Hem aangenaam is, en zegen baart" ? bron vantegen is.—• Dan ,• is 's Heeren Ark in onze huizen ?in onze harten ? Ik wil zeggen, Is enwoont, in onze huizen , de kennis van denHeere , van zijn Woord , van zijn zaligEvangelij ? Wordt God , in Jefus Christus,de tegenbeeldige Ark, aldaar gezocht en gediend? Woont de vreeze Gods aldaar? Zijnonze harten vervuld met heerfchende liefdetot Hem, zijn Koningrijk, en belangen ?Of woonen in onze harten cn huizen, de onweetendheid,de aardschgezindheid, de onverfchilligheid, en ongodsdienstigheid ? Heeftde zonde , de verwilderende ijdelheid, deweereldfche begeerlijkheid, de verblindendehoogmoed , de vloekbaarende onrechtvaardigheid, daar haaren zetel ? •— Wat zegen iser te wachten , daar huis en hart voor denGod des heils geflooten , de beste zegen verftooten, cn dat geene gehuisvest wordt, hetwelk den vloek met zich brengt ? — WilGod het huis van Obed - Edom zegenen,om der Arke wille ; welk eene zorg moetendan Overheden , in den burgerftaat •— Voorgangers, in den Kerkftaat -— Ouders, inden huislijken ftaat; welk eene zorg moestelk dan draagen, dat 's Heeren Woord,dienst, cn vreeze , in onze harten en huizenwoonden! Ontbreekt dit; men mistden waaren , den besten zegen. Heeft ditplaats; men mag, in het genot van dienEe 2ze-


a. 36 XLII. L E E R R E D E .zegen, op zegen over huis en bedrijf, biddendwachten.DAN men heeft hier deeze drie volgendezaaken wel in acht te nccmen. h Niemanddenke , dat hij dus den Heere eenen dienstdoe , of Hem onder eenige verpligting bren- |ge. O neen ! Zou een mensch Gode profijtlijkzijn? God te dienen, is 'smenfchenpligt, het is zijne eer. Zegent God ; Hijgeeft flegts een genadig bewijs, van zijn welgevallen.— II. Men honde in gedachten,dat fchoon 's Heeren Ark ergens woont,nogthans des Heeren tucht op zulk een huisof mensch kan rusten. Het .huis van hun,die God verlaaten, kan voor een' tijd gebouwdworden, terwijl dat der Afafs enHemans , door Gods hand bezocht wordt.Dan zulk een heeft te onderzoeken , ofnevens 's Heeren Ark, ook een meer ofmin onbekende Dagon geplaatst is. En zooneen; misfehien is die Godlijke bezoekingzelve een zegen voor u en uw huis. Immers, onder de ftoffe van geween, zal de. Heer u doen ervaaren, dat Hij goed is,den geenen die Hem verwachten , der zieledie Hem zoekt; dat het goed is, dat men:hoope , en ftille zij , op het heil desHeeren (p). — III. Zegent ons de Heer,om(p) Klaagliederen lil: 25, 26»


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 437om der Arke wille, met tijdlijken voorfpoed;nooit moet men in het genot van dien zegenvleeschlijk berusten. Dus zou men,met 's Heeren zegen, den zegen verlaaten.Neen ; dit bewijs van 's Heeren goedheid,moet ons ten krachtigften aanmoedigen, en ophet fterkst noopen , om met te blijmoedigerlust Hem te dienen, en anderen tot aanmoedigingte zijn.3. DIT was het gebruik , dat David maaktevan den zegen, welken hij in Obed - :s HeerenEn datiie totEdoms huis bemerkte; en 't is het TWEEDE •iienstmoet aandatwij hier moeten aanmerken. ,, David ,\elegd„ dus aangemoedigd, hervat het afgebroo- worden.,, ken werk, ten goede en welzijn van„ 's Heeren dienst ondernoomen". ï— Geheelanders , zeker , dan menfchen , die , zoo 'tfchijnt , met veel lust iets ten goede onderneemen, en aanleiding geeven om te zeggen: Wat zullen deezen daar niet vooroverhebben en doen ? Maar ! maar ! erkoomt iets voor ; men wordt verhinderd! Enwat nu ? — Hoe nuttig cn noodig de zaakook ware , het is gedaan ; de lust vergaat;de ijver is vervloogcn ; misfehien is men blijde,dat men er van af is ! — Wat is er, inveele opzichten , al ondernoomen ten goede ,het welk men , zonder het te hervatten, lafhartigliet fceeken ! —• Leeren wij toch vanDavid , een goed werk , wanneer Gods beiHuur ons de gelegenheid aanbiedt, met lustE e 3te


i.38 XLII. L E E R R E D E .A hervatten. Wat is er voor Nchcmiaas, in ,staat en Stad — voor Jojadaas , cn Jofuaas,in het Heiligdom — voor Jakobs , in huisgezinnenen huis — voor Christenen, in gezelfchappenen verkeering — wat is voor elk,in hart en wandel, niet veel — zeer veel tehervormen ! Ik zeg, tc hervormen. Hervormdenheetcn wij , omdat wij eenen Godsdienstbelijden, welke van Antichristisch bijgeloofen dwaalingen hervormd is ; maar wat kanons dit baatcn , zoo wij zeiven — zoo onzeharten — zoo onze huisgezinnen — zooonze verkeering — zoo de opvoeding vanonze jeugd, niet waarlijk gereformeerd wordt,.Dat wij allen toch wel gedenken , van waarwij uitgevallen zijn, ons bekeeren , traagehanden cn flappc knien weder oprechten ; jahet geen te vooren verzuimd, of verkeerd geweestis, verbeteren, en dus aan 's Heerentucht beantwoorden.Zoo ooky. Dus deed David; en dit is onze DERDEHeeren aanmerking. „ David, van den Heere ge.lucbt, ttt„ tuchtigd, verbetert zijn voorig verzuim ,verbetering.„ en bedreeven misflagen". — Aan hoeveelverzuim en misflagen ftaan wij fchuldig! —Ik fpreek nu niet van zulken , die de zondedienen , en daar in leeven ; deezen ftaanniet flegts fchuldig aan verzuim en misflagen•— zij verlaaten den Heer. Maar ik fpreekvan hun , die met David hun hart gerichthebben tot den Heere, om Hem in waarheidte


2 SAMUELS VI. vs. u—23. 439te dienen. Wat al verzuim , van 't geen zijmoesten doen ! wat al misflagen, in het geenzij doen ! Gij hebt lust, godvruchtigen, omvoor den Heere te leeven; maar hoe leeft gijden Heere ? teveel, zeker , naar eigenkeus. Gij dient den Heere ; tmaar teveel u-zelven , en eigen belang. Gij gelooft; maarfomtijds te veel uw hart, en te weinig Godswoord. Gij oefent verloochening; maar, ongelukkig, wel eens aan uwen pligt, en nietaan uwen lust. Gij zijt ijverig van geest;maar dikwijls , in den grond , meer voor eigenbelang , dan voor den Heere. Gij zugtover veel gebrek ; maar te weinig over uweigen. Gij handelt getrouw ; maar fomtijdsmeest omtrent uwen naasten -— en , zoo alomtrent uzelven , gij handelt te zacht metuwe Abfaloms. Gij hebt lief; maar te veeldie u liefhebben, te weinig die u haaten. Gijonttrekt u van verkwistende ijdelheid ; maarhecht uw hart te zeer aan 's weerelds goed.Gij doemt de gierigheid en zorgvuldigheid;maar vergeet, maatig te leeven, en flegts alsrentmeesters. Gij aanbidt de vrije genade ;maar ontbindt u wel eens van uwen pligt.Gij jaagt naar godzaligheid ; • maar rust nietin Hem , die onze vrede is. — Met éénwoord; wie kan zijne afdwaalingen verftaan?DAN, zoudt gij hier niet moeten letten Waar ópmen wel©p 's Heeren tucht ? God kat uw gemoed in te lettenE e 4het beeft.


40 XLIf. L E E R R E D E .het duister , drukt uw hart door zwaarigheid,hoort uw gebed niet ; de vijand kwek u; tegenfpoedenoverkoomen u ; fmertlijke gevallentreffen u. God beroert u. O! neemthet, met David , ter harte. Niet, dat gijhem navolgt in moedbeneemende vreesachtigheid; maar daar in, dat gij uw verzuimkent, voor den Heere belijdt , en u onbcpaaldlijkden Heere overgeeft, om Hem inalles welbehaaglijk te zijn, cn niet eigen zin, 'vlecschlijk gemak , en zondig eigenbelang,maar 's Heeren Woord in alles u ten regelftelt.Verderi 1. LAAT ons , ten VIERDEN, nog aanboemenm e r^ e n : }JWas David, met gansch Israël,"de"tegen- •>•> dus werkzaam omtrent de voorbeeldige Arkbeeldige ^ h 0e moesten wij verkeeren, omtrent de te-'kcLren' 3? genbeeldigc , de waare Ark , Jefus Chrismoct.,, tus ? " — Zagen wij des Heeren Ark, alsin zeegepraal, naar Sion voeren ; wij zienden Middelaar, nadat Hij de reinigmaakingonzer zonden door zichzelven had teweeg gebragt,door zijnes Vaders Alvermogenronderde blijde Godverheerlijkingen van Engelenen gezaligden , opgevoerd in de hoogte , ingevoerdin het.hemejsch Sion, gezeten in hetwaare Heiligdom , aap de rechtehand derMajesteit Gods zijnes Vaders , zijner Kerketen goede. — Zien wij deeze opvoering,zien wij Jefus nu met eer . en heerlijkheid gekroond;zie gij hier, verllaafd weereldling •—zie


2 SAMUELS VI. vs. n—23. 441zie gij hier , zorgeloos , zie hier , onbekeerdzondaar, eenen Verlosfer, een onfehatbaarheil en heerlijkheid , waar van gij vervreemdzijt, eene zaligheid , welke gij verwaarloost,of met welke gij , zonder grond , u vleit.Maar ziet ook eene Rechtvaardigheid , die udreigt. Want de dag koomt, dat Hij, die inzeegepraal opvoer , in de heerlijkheid zijnesVaders , met de veele duizenden der heiligeEngelen weer zal nedcrdaalen , en blinkendeuit het hemelsch Sion, die volkomenheid derfchoonheid , zal verfchijnen ; verfchijnen meteen vuur der wraake, dat verteeren zal, metontzaglijken ftorm rondom Hem , die verftrooienzal ; wanneer Hij , die nu roept:Wendt ü naar mij, en wordt behouden, roepenzal tot den hemel van boven, en de aardebeneden , om elk te richten (q). — Ochof gij bekendet, ook nog in deezen dag, wattot uwen vrede dient!MAAR zie hier, bekommerd, boetvaardig! lok Je>ekomnerde,zondaar , naar de waare Verbondsark. Zie in'Hem het bloed der verzoening , de eeuwigegerechtigheid , de genade van een vergeevendGod. Waar heen drijft u een benard geweten? Wend u herwaards. De weg is open;het voorhangfel is gefcheurd. Zoo zeker alsUza ftierf, omdat hij de Ark had aangeraakt,(q) Psalm L: 1—3.Ee 5zoo


en de geloovigeChristen.442 XLII. L E E R R E D E .zoo zeker zult gij,indien gij deeze Ark aangrijpt, eeuwig leeven. — En gij , die vrijmoedigheid, immers grond, hebt, om u onderhet waare Israël, ja het geestlijk Levi, terekenen ; ziet den verheerlijkten Middelaarmet blijdfehap na. Welk eene ftof, om vroolijkjuichend uitteroepen : God vaart op metgejuich, de Heer met geklank der bazuine! PsalmzingtGode; psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning;psalmzingt (r) !• — 't Is waar, gij hebtvaak treurens ftof, en zit wel eens , doorvrees gedrukt, moedloos neder. Maar, beklemtu zondenfchuld ; uw Verbondsgod vergeeftmeenigvuldiglijk. Heeft Gods hand udoor vaderlijke tucht geflaagen ; vernedert u— maar let ook op de bewijzen van zijnezegenende en geneezende hand. Zit gij ,moedloos , en door zwaarighcid gedrukt ,zonder lust neder; 's Heeren bcweezen gunstmoet u den lust ontvonken , en den ijveropwakkeren, om vuurig van geest den Heerete dienen. — En wat er ook van u , vanuwen weg , en van uwen tocfland zij ; devolzalige God, de verheerlijkte Middelaar, isen blijft het waardig voorwerp van uwe. zooblijde als eerbiedige aanbidding en dankzegging.Lees en bepeins , o Christen, denPsalm , welken David gaf om den Heer telooven, toen hij 's Heeren Ark in de tent opSion(O Psalm XLVU: 6, 7.


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 443Sion gebragt, en aldaar geplaatst bad (s), enlaat dezelve u tot opwekking zijn.(0 1 Kronijken KVlx 7—36.H. DAN , vestigen wij , ten VIJFDEN, Qok hebbenwijonze aandacht op Davids gedrag, bij de opvoeringder Ark. Wij zagen hem, in heilige wachten ,ons tevan Davidsge­blijdfehap , naar 's lands wijze , en de gewoontevan zijnen tijd , onder het flaan der drag temkbr uiken, totharp , en het zingen van Godverheerlijkendepsalmen, vroolijk huppelen en danfen. — verdeedigingvanWie, die de gelegenheid der zaaken, de godsdienstigheidvan deezen optogt, de gemoedsmeiijkeonbetaagefteldheidvan David, zijn heilig gezang, en danferijen.zijne godvruchtige verantwoording , overweegt, en begrijpt wat het Zegt, dat hijzulks deed voor het aangezicht des Heeren —wie, zegge ik, die dit alles bedaard overweegt, verftandig nadenkt, en billijk beoordeelt, zou dit bedrijf van David kunnen.willen, of durven gebruiken, ter verdeediginj;van zulke danferijen, welken aangelegd wordenuit zugt tot vleeschlijke dartelheid , geoefendworden met wellustige ligtvaardigheid;zedenloozc gedraagingen, onkuische gebaarden,fchaamtelooze ontblootingen, ergerlijkeropfchik, en ongeoorloofde vrijheden ,. welkertot gevolg hebben , een verwoest, een ver.ijdeld gemoed , verwilderde gedachten, en ergernisbij hun die binnen en buiten zijn sZeker, zoo iemand zulke danferijen met Davids


444 XLII. L E E R R E D E .vids voorbeeld wilde verdeedigen, die zoueveneens te werk gaan , als wanneer iemandhet zingen van zondige en onbetaamelijke liederendaar mee verdecdigde , dat David welPsalmen en liederen , ter eere van God , gezongenheeft.Moetende WAT voords deeze zaak over het geheel,de Christen,in en foortgelijken , belangt; geen Christen zalalles, tot ontkennen •— vcrloochcnaars van het Christendom, die naar hunne begeerlijkheden wan­eet vanGoa kevendelen,laaten wij daar •— geen Christen, zeggeik , zal ontkennen , dat wij verpligt zijn,alles wat wij doen , met woorden of met werken, te doen in den naam van onzen Heer JefusChristus , dankende God en den Vader doorHem (t). Des, al het geen wij doen, voorbedachtlijkdoen , en verdeedigen , moet vandien aart zijn , dat wij het kunnen doen inden naam van Jefus Christus , en met dankzeggingtot God, in Hem. Hier uit volgt,dat alles, wat wij dus niet kunnen doen, zondeis , en niet behoort tot het geen den heiligenbetaamt, maar tot de weereldfche begeerlijkheden,en onmaatigheden, welken de Christenmoet verzaaken. En hier uit volgt verder,dat wij alle onze bedrijven, zelfs onze uitfpanningen, aan deezen regel moeten beproeven.(f) Kolos f en f en Hl: 17.OCH!


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 445"OCH! of elk, bczonder onze jeugd, deezenregel geduuriglijk zich vertegenwoordigde , endiep in het hart drukte ! — Zegt men , dieregel is hard ? Dit kan wel zijn; maar hetEvangelij ligt niet anders ; en de Reden zelvezegt : Dit voorfchrift is billijk. Men fcherpezijn vernuft, om dien regel naar den fmaakder weereld te buigen, deszelfs gebruik, naareigen zinlijkheid, ten onbruik te maaken; ditzullen wij echter wel willen toeflaan, dat JefusChristus, wanneer Hij koomt om de weereldte oordeelen, ons niet zal vraagen, hoeHij dien regel opvatten en toepasfen moet.Hij zal de weereld oordeclen in gerechtigheid,en naar zijn Evangelij (u).1. ZAGEN wij — en dit zij onze ZESDE/ 'oordsaanmerking — Michal , Davids gedrag uit 1 '.eren -wij'ter, boehoogmoedige en ongodsdienstige beginfels mis-/ 'nood deduiden , hem verachten in haar hart, en ver- \'oogmoedr.volgends haatelijk en bitter befpotten; wat'hebben wij er uit te leeren ? Dit : „ hoe,, ongelukkig het is , door hoogmoed be-,', heerscht te zijn". — Behalven dat dehoogmoed eene zonde is, allerhaatelijkst in deoogenCu) Romeinen II: 16. — Veel is over deezeftoffe gefchreeven; alles, zeker, niet even bondig.Waardig te leezen , is het geen de geleerde J. P.MILLER, in het Vervolg op MOSIIKÏM'S Zedenkunde, in het VI. Deel van dat Werk, Blz.545—554. heeft aangeteekend.


446 XLII. L E E R R E D E .oogen van den hoogen God , zoo heeft ze inden Godsdienst'de allerfchadelijkfte uitwerkingen.— Is een hoogmoedig mensch, op zijnewijze , godsdienstig ; dan loopt hij groot gevaar, om een huichelaar te worden , die geachten gehouden wil zijn , het geen hij nietis, of boven het geen hij is. — Groot gevaarloopt hij , om een verderflijk twistftooker inde Kerk te worden. In woorden en daadenwil zijn hoogmoedig hart , in alle zaaken ,een Diotrefes zijn. Welk een bron van twistmoet dit openen ! — Hoogmoedig zijnde , ishij in den Godsdienst een onhandelbaarmensch. Leering ontvangen, kan hij niet; hijis elk te geleerd. Raad en beftuur ontvangen, koomt niet te pas , bij iemand , die elkte wijs is , en allen en alles weet te beftuuren.Hem tegenfpreeken , is in zijne oogenblindheid en onverftand. Hem berispen ofbeftraffen, is eene misdaad van gekwetstemajesteit. Een hoogmoedig mensch , is inden Godsdienst een onhandelbaar mensch. —Daar bij, een hoogmoedig mensch, is in denGodsdienst een dwaas mensch. Schoon hijmisfehien niet Heilig dus denkt, hij beftaat enhandelt echter , als of hij waarlijk dacht, opeene andere wijze ten hemel te zullen gaan,dan zijne medemenfehen. Hij waant heimelijk, bij God wat vooruit te hebben ; en konhij , hij bedong in den hemel een afzonderlijkverblijf, daar hij, bij en met zijne ranggenooten,kon zalig zijn. Gelijk te moeten ftaanmet


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 447met hun , die hij op zoo verbaazend een' afftandbeneden zich befchouwt, is hem eeneharde zaak. Ligt Lazarus in Abrahamsfchoot ; hij was er dan liefst een weinig vanaf geplaatst. — Een hoogmoedig mensch , isin den Godsdienst een dwaas mensch. —• O!laat ons God bidden, om een ootmoedig hart!Hoogmoed is ons allen aangebooren; maarwordt die door genade van den overtuigendencn verootmocdigenden Geest niet vernederd,wij zijn in tijd en eeuwigheid rampzalig!T. MERKEN wij, ten ZEVENDEN, op, En hoe o««gelukkig ,„ hoe ongelukkig het is, met ongodsdienstige door on­.„ beginfelen bezield te zijn". — Ongodsdienstigheidin 't hart , is veelal, zoo niet eengods­dienstigebeginfelendochter , immers een voedfterling, van den bezield tehoogmoed. Michal had , in het huis en zijn.aan het hof van eenen flegtcn vader, en inhet leeven met haaren voorigen onwettigenman , beginfels in haar hart doen wortelen,welken David , om zijne godsdienstigheid engodvrucht , verachtelijk maakten in haareoogen. — Het is nu de tijd niet, om aantetoonen, wat ongodsdienstigheid is ; dat haarwortel in onze natuurlijke verdorvenheid ligt;door welke wegen zij wordt voordgezet; watrampzalige vruchten zij draagt. Laat onsthands alleenlijk zien , hoe zij , door denhoogmoed, haaren onaffcheidelijken medgezel,aangezet wordende , werkzaam is. — Uit dit Waarbeginfel, misduidt Michal Davids godsdienstig door menbe.


448 XLIÏ. L E E R R E D E .vervoerd bedrijf. Dit is eigen aan een ongodsdienstigZYsd'ui- ' h a r t > a l w a t h e t v a n godsdienstigheid opdingen;merkt, is gemeenlijk het voorwerp vaiT 1 deszelfsmisduiding. Merkt de ongodsdienstige,dat iemand in zijne binnenkamer in ftilfebidt ; bet is in zijne oogen geveinsdheid.Oefent iemand zich in Gods Woord; hij houdtdit voor waanwijsheid. Zondert iemandzich van het verleidende deezer weereld af;hij noemt dit trotschheid. Is iemand gezetop het waarneemen van Gods inftellingen ;hij heet dit dweeperij en bijgeloof. Ziet hijiemand bekommerd over zijne zonden ; hijnoemt het zotte droefgeestigheid. Ziet dehoogmoedige ongodsdienstige eenen David,vroolijk in den Heere ; hij houdt hem vooreenen halven, zoo niet voor eenen volflaagendwaas. Let hij op iemand , die toeleg heeftom voor den Heere te leeven; hij denkt: ditis gewis een Farizeeuw. — Een ongodsdienstighart, is voor alles wat wecreldsch is eeninfchikkclijk hart, maar omtrent het geengodsdienstig is, een misduidend hart.en tot ver- VAN misduiding, ging Michal over tot vereehting;acbten. Zij verachtte David in haar hart. —Godsdienstigheid, onder den naam van godsdienstigheid, te verachten, zal niet ligt iemanddoen. Zou zelfs de Duivel dit wel doen ?Misduiding is de weg tot verachting. Totwelk eene hoogte is deeze zonde gefteegen \Laat iemand een voorwerp van uitgebreidehoog.


2 SAMUELS VI. vs. 11-^-23. 449hoogachting zijn; indien hij waarlijk godvruchtigwordt, den Heere dient en vreest; hij isopseenmaal al zijne achting-bij veelen kwijt,en wordt eene verachte fakkel; men zou zichfchaamen, eenige gemccnfchap met hem tehouden. En hoe nader iets tot den Godsdienstbehoort, hoe verachtelijker, in het oog'van een ongodsdienstig mensch. Het opzichtover de honden van eenen Vorst te hebben,zou hij zich eene eer — maar in godsdienstigeposten gefield te zijn, eene fchande rekenen.JLV DEEL. Ff Hei-VAN misduiding en verachting , kwam Mi­zelfchal tot befpotting van Davids godvrucht en nij.totCpoiier-godsdienstigheid. —• En hoe veelen vervallen,langs denzelfden weg, tot dit zelfde uiterfte!Verachters worden — welke wanfchepfels! —•fpotters , met het geen heilig en godlijk is.Hoe veel voedfel en aanmoediging geeven hieronze tegenwoordige tijden ! Tot welk eenehoogte is deeze grouwel in Nederland geklommen, daar zelfs de vrijheid tot heilloöze befpotting',haare befcherming en verdeedigingin openbaare fchriften vond ! — 't Is waar,men zegt: Wie zou fpotten met het geenwaarlijk godsdienstig of godvruchtig is ? hijdie fpot', beziet die dingen in een ander licht,'hij beziet ze als befpottelijk. Dit zij zoo.Maar deeden dus ook de verharde Israëliërs'niet, omtrent 'sHeeren Profeeten? de Joodenomtrent den Heer Jefus , toen Hij aan hetkruis hing ? cn de Pinkstervierders , die den


A50 XLir. L E E R R E D E .]Ieiligen Geest en zijne werkingen verguis-([ en f _ Och ! dat de menfchen nadachten,( lat fpotten met het geen godvruchtig, godslienstig,en Godlijk is, het toppunt van god-


2 SAMUELS VL VS. fr—23. 451toch in allés, en ten allen tijde, vooral in denGodsdienst, ootmoediglijk met uwen God. —•Maar een Christen moet zich ook met wijs-ook onderheid nederig gedraagen, met en nevens de ge-*!* m e n 'ringften van 's Heeren volk. Nederig moethij zich gedraagen. Zijt gij, o Christen, eenmensch ; een ander is u hier gelijk. Zijt gijbegenadigd ; uw medechristen ook. Zijt gijboven anderen begenadigd of begaafd ; het isniet uit u , het zijn Gods gaaven. Wees metootmoedigheid bekleed. — Dan ik zeide ook, doch weteen Christen moet met wijsheid, zich bij en wi i %beid>met de minften zijner medechristenen alzoogedraagen. Met wijsheid. Zoo gedroeg. Davidzich , in dit godsdienstig werk ; en dit is.zeer , in hem te prijzen. Maar zoo mogt hijniet doen , in zijn koninglijk ambt'; dit zouzeer laakbaar zijn geweest. David was eengodvruchtig Israëliër; en hij was Koning overIsraël. Als godvruchtig Israëliër, gedroeg hijzich, als die met godvruchtige dienstknechtenen dienstmaagden wenschte verheerlijkt teworden. Maar als Israëls Koning, zat hij op.den troon ; en alle de overigen der Naatfij',van den klcinften. tot den grootften , warenzijne onderdaanen. Hier was hij verpligt,zijne majesteit en hoogheid heiliglijk te bewaaren; gelijk zij, die zijne medgezellen warenin den Heere te vreezen, zich verpligtmoesten rekenen , hem te eerbiedigen en onderdaanigte zijn. Dit is eene aanmerkingvan belang. Zij , welken God in hoogheidF f 2bo>


452 XL1I. L E E R R E D E .boven anderen geplaatst heeft, en die waarlijkGod vreezen, moeten hunne waare eerdaar in ftellen, dat zij met de geringften onderde vroomen , bij God en menfchen verheerlijktworden. Maar tevens is het hunpligt, de waardigheid en hoogheid , in welkeGod hen gefield heeft, verftandiglijk te befchermen.Overheden , in den burgerftaat;ouders , onder hunne kinderen; heeren envrouwen, in hun huisgezin ; en elk in zijnenp 0 S t— moet de waardigheid, waar in Godhem ftelde, met een verftandig en beminnelijkbeleid , cn is het noodig , met ernst, verdeedigen.Is Fileemon, in 'Christus, een broedervan Onefimus ; in den huislijken ftand is hij,door Gods beftelling, zijn meester en heer. —-Zij , welken God onder anderen geplaatstheeft, moeten dit ook in 't oog houden.-Eenvouwdige godvruchtigen , kunnen in ditopzicht dwaalen ; denkende : „ Daar men tefaamen God vreest , moest dat onderfcheidworden wechgenoomen ; daar moest meer gemeenzaamheid,vrijheid, en vertrouwen zijn".Dan , meent gij, dat deeze dienstmaagden,van welken David hier fpreekt, dagelijks tenhove kwamen, en David zich met haar, overallerlei zaaken , in gefprek begaf ? Of zoudtgij denken, dat een godvreezend dienstknecht.moet weeten 't geen zijn heer weet ? medeiefchikking moet hebben in 't geen zijn heerbefchikt? en dat hij,.in godvruchtige verkeering, zijn moet daar zijn heer is ? Christusleert


2 SAMUELS VI. vs. u—23. 453leert ons anders. Het Christendom verwartden burgerlijken en huislijken ftaat niet, maarregelt en heiligt dien. En een waar Christenacht het zich eene eer , eer te geeven dien hijeere fchuldig is. Is de Vorst vroom; de vroomeingezeten omhelst ook dit gebod : VreestGod, en eert den Koning.OOK heeft de godvruchtige, ten tweeden, Jk meJe,hier optemerken, „ wat hem , zoo wel als f/M„David, bejegenen kan". — David werd / z * .dies wegens veracht en verguisd. Dit kan ook fP«' tit! 8uw lot weezen. — Dit bejegende David van^T,'/?.zijne eigen huisgenoote , ja egtgenoote. Ookdit kan u overkoomen. Smertlijk , ja , moet•dit treffen; maar het ftrekt ook, om de kracht• uwer godzaligheid te oefenen en te beproeven.— Denkt, godvruchtigen, eens bedaard•op Davids geval. Opgewekt , hoogst verblijd,en dankbaar aan den Heere, ftreeft hij,na volbragt werk , naar zijn huis. De woorden, waar meê hij zijne huisgenooten meentte zegenen , zijn reeds op zijne lippen — enzie ! — eer hij nog binnen treedt, wordt hijdoor zijne eigen huisvrouw als met een onwedervan bittere verwijtingen en fchamperefpotredenen overftort! Hoe geweldig moestdit David treffen! — Dan, iet diergelijks kanook u wedervaaren. En wat dan ? SchenktGod u aangenaamheden , weest met Davidverheugd en dankbaar; maar wapent u tegenbeproevende ontmoetingen. Het gebeurt meermaalen,dat wanneer een David gereed ftaatF f 3om


454 XLII. L E E R R E D E .om tc zegenen, eene Michal hem voorkoomt,en verrast met vloeken. Bejegent u zulks;dat dan blijke, dat gij gefchonken genade niette vergeefs ontvangen hebt.t» dat HET derde, dat de godvruchtige hier moet% Z otfte opmerken, .is: „ dat het zijn pligt is, wel tevoorrecht „ letten op de voorrechten die God hem infielten .fe weQ1-Q\d fchenkt, en dankbaar die te ertnoet,tn ,nhet geen 3? kennen ; maar tevens, zijn grootite voor-0Pjkf% 33 recht en hoogfte eer te ftellen , in het gezdliMd» n o t v a n die genade , in het bezit van die«• „ gemoedsgefteldheid, in de beoefening van„ dat werk , en de verwachting van dat heil„ voor tijd en eeuwigheid, welk hij alles met„ de geringde godvruchtigen onder de dienst-„ knechten en dienstmaagden gemeen heeft".•—• De Vorst bezie zijne hoogheid , de Staatsmanzijnen rang, de Raadsheer zijne waardigheid,dc Regent zijn aanzien, de Rechter zijneachtbaarheid , dc Geleerde zijne kundigheden, de Rijke zijn vermogen — elk beziede voorrechten met welken de Godlijke Voorzienigheidhem begunstigde, en maake dezelvendienstbaar aan het heil zijner medemenfchen, en aan 's Heeren eer. Maar kunnendie voorrechten ons waarlijk gelukkig maaken? kunnen ze ons zaligen ? Neen. EenApostel zelf mag zich daar over niet zeerverblijden , dat hem de geesten onderworpenzijn , maar wel hier in, dat zijn naam gefchreevenis in de hemelen. Die voorrechten,welken men ook in de hutten der armen, inde


2 SAMUELS VI. vs. 11—23. 455de kerkers der vervolgden om Jefus wil, enbij geringe dienstknechten en dienstmaagden,aantreft, zijn zaligend , cn geeven wezenlijkeftof tot waaren roem. De gekroonde Davidzegt : Met de dienstmaagden waar van gij gefprookenhebt, zal ik verheerlijkt worden. Toont,godvruchtigen , dat dit ook uwe keuze enbeftaan zij. Met dienstknechten en dienstmaagdender zonde, flaavcn en flaavinnen vanden vorst der duisternis, fchoon in purper enfcharlaken, met Babels hoer (v), gekleed, ingenegenheid en bedoeling vereenigd te zijn,en uit dien hoofde vereerd te worden , zouden Christen fchandelijk , cn Christus, dentegenbeeldigen David, fmaadlijk zijn. Leeft,godvruchtigen, met hun die den Heer vreezen, in zoeten vrede , en heilige liefde, eikanderenopwekkende tot 's Heeren lof. Zoo..gaat gij, de een den anderen ten voorbeeld cnfteun , offchoon van de ongelukkige Michalsveracht en befchimpt , naar het hemelschSion, in 'sKonings paleis, om als gezegendendes Vaders , eeuwige zegeningen te beërven.Amen !'s Avonds, den 28 vanSlagtmaand, 1773.in de Zuider Kerk.En voormiddag, den 5 vanWintermaand, 1773,in de Ooster Kerk.(r) Openbaaringe XVII: 3—6.F f 4'XLIIL


As6 XLIII. LEERREDE. « > « > « > « > iXLIII. L E E R R E D E .2 SAMUELS VII. vs. i—16.1. Eraie het gefchiedde, als de Koningh in fijnhuys fat , ende de HEERE hem ruste gegevenhadde van alle fijne vyanden rontomme:2. So feyde de Koningh tot den Propheet Nathan;Siet doch, ick woone in een cederen huys,ende de Arke Godes woont in 't midden der godijnen.3. Ende Nathan feyde tot den Koningh; Gaet' henen , doet al wat in uw herte is : want deHEERE is met u.4. Maer het gebeurde in de felve nacht, dathet woort des HEEREN tot Nathan gefchiedde,feggende:5. Gaet, ende fegt tot mijnen knecht, tot David;Soo feyt de HEERE: Soudt gy my een• huys bouwen , tot mijne wooninge ?6. Want ick en hebbe in geen huys gewoonvan dien dage af, dat ick de kinderen Israëlsuyt Egypten opvoerde, tot op defen dagh: maeick hebbe gewandelt in een Tente ende in 'eeTabernakel.7. Overal , waer ick met alle de kinderenIsraëls hebbe gewandelt, heb-ick wel een woor- gefpreken met eenen der ftammen Israëls , dieick bevolen hebbe mijn volck Israël te weyden


2 SAMUELS VII. vs. i—16 457feggende : Waerom en bouw et gy my niet eencederen huys?8. Nu dan, alfoo fult gy tot mijnen knecht,tot David, f eggen; Soo feyt de HEERE derheyrfcharen; Ick hebbe u genomen van de fchaepskoye, van achter de fchapenydat gy een Voorgangerfoudet zijn over mijn volck, over Israël.9. Ende ick ben met u geweest overal, wacrgy gegaen zijt, ende hebbe alle uwe vijandenvoor uw aengefichte uytgeroeyt : Ende ick heb ueenen grooten naem gemaeckt, als den naem derGrooten, die op der aerden zijn.10. Ende ick hebbe voor mijn volck, voor Israël,eene plaetfe beftelt, ende hem geplant, dathy aen fijne plaetfe woone , ende niet meer heen-ende weder gedreven en worde: ende de kinderender verkeertheyt en fullen hem niet meer ver--drucken, gclijck als in 't eerfte,11. Ende van dien dage af, dat ick gebodenhebbe Richters te wefen over mijn volck Israël;Doch u hebbe ick ruste gegeven van alle uwevyanden : Oock geeft u de HEERE te kennen,dat de HEERE u een huys maken fal.Zi. Wanneer uwe dagen fullen vervult zijn ,ende gy met uwe vaderen fult ontftapen zijn, fafal ick uw zaet na u doen opftaen, dat uytuwen lijve voortkomen fal , ende ick fal fijnKoninckrijck bevestigen.13. Die fal mijnen name een huys bouwen:ende ick fal den ftoel fijns Koninckrijcks bevestigentot in eeuwigheyt.Ff 514. Ick


£5$ XLIII. L E E R R E D E .14. Ick fal hem zijn tot eenen Vader , endehy fal my zijn tot eenen Sone: Dewelcke als hymisdoet, fo fal ick hem met eene menfchen roede,'tnde met plagen der menfchen kinderen Jlrajftn.15. Maer mijne goedertierenheyt en fal vanhem niet wij eken ; gelijck als ick [die] wechgenomenhebbe van Saul , dien ick van voor uwaengefichte hebbe wechgenomen.16. Doch uw huys fal befiendigh zijn , endeuw Koninckrijcke , tot in eeuwigheyt , voor uwaengefichte : uwe Jloel fal vast zijn tot in eeuwigheyt.Net zon- TT 11" E T is niet vreemd , dat men , weetgiederrede.. J£JJ_ rig, naar het beftaan en bedrijf van0 Jvr ringt712 •n naaf groote Vorsten • en aanzienlijke Staatsperfooieryonne nvraagt; en zulks, omdat hunne verrichdnjf.'tingen , voor het algemeen , van uitgeftrekten groot gevolg zijn. •— Wanneer zij , of-oorlog voeren ,. of merkwaardige werken aanleggen,en groote gebouwen ftichten, ziet enhoort men eenig deel van hunne beezigheid;men weet , en zegt : Dit doet de Vórst.Maar wanneer er noch oorlog gevoerd, noch'werken van belang aangelegd worden , en errust zoowel , als vrede heerscht , en niets'buitengewoons van 's Vorsten bedrijf onderhet oog valt; dan vraagt de weetlust : Waarmede is de Koning , de aanzienlijke Staatsman5thands beezig ? Want met reden onder-


2' SAMUELS VII. vs. i—16. 459derflelt men , dat groote lieden hunnen tijdniet ledig doorbrengen , of dien met geringebeuzelingen , of laag en nutloos fpel, verkwisten.Van hier, dat men , door veelèrléïgisfingen , ter geflooten kabinetten poogt intedringen; en welligt meent men ontdekkingente doen , van raadpleegingen , over zaaken, waar aan Vorst of Staatsman nimmerheeft gedacht. — Dan zulk eene nieuwsgierigheidmag men veilig overlaaten aan menfchen,'die met zulk eene ontrustende ziekte gekweldzijn. Beter is het, van het geen zich , als Doêb datzeker , bij de uitkoomst ontdekt, een nutti? m e n d i tgebruik te maaken. — De ftoffe , nu te behandelen,zal ons daar toe gelegenheid geeven.DAVID , Sions burg ingenoomen — den MUkt inhem beoorloogenden vijand bij herhaaling vei-- U a v i d -flaagcn — de zaaken des Rijks onder des inorde gebragt — zich een paleis gebouwd —eene tent voor 's Heeren Ark toebereid — endat Heiligdom aldaar overgebragt hebbende;kon de een en ander zeggen: Dit en dat heeftde Koning verricht. Maar wat nu ? er isvrede van buiten , rust van binnen ; wat gcwigtigsvoert David thands uit ? •—• In ditHoofdftuk zien wij 's Vorsten raadzaal ontflooten.Wij moeten hem thands befchouwen: —• vredig zijn paleis bewoonende ; —peinzende op, en raadpleegende over het bouwenvan eenen ftaatelijken Tempel, ter oefeningvan den plegtigen Godsdienst; — endes-


46° XLIII. L E E R R E D E .desaangaande , door den Heere met duidelijkbericht begunstigd.A. LAAT ons , ter verklaaring van dit gedeeltevan het heilig gefchiedverhaal, befchouwen,Die nuDAVID, vredig zijn paleis bewoonende.vredigzijn paleis — Welk eene verandering ! Jaaren lang, hadiewooni. dees groote Man , gejaagd als een vcldhoen (op de bergen, voor Sauls aangezicht, nu binnendan buitens lands, moeten vlugtcn. Sauldoor den dood wechgenoomen zijnde , werdhij in een' zcvenjaarigen oorlog met het huisvan dien ongelukkigen Vorst, ingewikkeld.Koning over gansch Israël geworden , vondhij Godsdienst en burgerftaat in diep verval,en in groote wanorde — hier had de werkzaameVorst en hart en hoofd vol zorgen,en de handen vol werks , om zoo uitgebreideen Rijk , cn zoo talrijk bevolkt, in orde cngeregelde beweeging te brengen. En onderalle die vermoeiende zorgen , werd hij , tot :tweemaalen toe , door de oorlogzugtige Filistijnenaangevallen. —. Maar thands zat deKoning — dit alles te boven geraakt , cn's Heeren Ark in Sion overgebragt hebbende•— vredig in zijn heerlijk paleis. Want deHeer had hem ruste gegeeven, van alle zijnevijanden, rondom. — Het is zoo, haast móetenwij David in veele en zwaare oorlogeningewikkeld zien ; doch hier wordt gefprooken,


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 46*ken, niet van het geen vervolgends, maarvan het geen thands- plaats had. De Filistijnen,zoo deerlijk geflaagen, hielden zich ftil;andere nabuuren , werden door vrees en ontzagvoor den vermaarden Vorst, beteugeld;en daar binnens lands , Sauls aanhang zichfchuil hield — 1heerschte er thands ftille vrede.Gelukkige tijd en omftandigheden, voor Vorsten volk!3. Nu heeft David de handen ruim. Wat, tn in fliUzal hij nu ontwerpen ? wat nu ter hand nee- > e rust,mwermen?Zal hij, als een SARDANAPALUS,j •enmaaktzich overgeeven aan vuige ledigheid , en wel- < >an grao-'t aange~lustige overdaad ? Zal hij laage vermaaken, \ 1 gen beid.tijdverkwistende fpelen, en fchattenverfpillendepracht en praal najaagen ? — Neen. Onderalle de gewigtige ontwerpen , welken zijn'werkzaamen geest onledig hielden, was ereen, van groote aangelegenheid. En welk ?Dit zullen wij uit zijn gefprek met NATHANverneemen.DAAR deeze Godsman hier de eerftemaal Waarvoorkoomt, moeten wij kortlijk iets van hem wer bijnet Nazeggen.—• Waarfchijnelijk was hij een leerlinguit de fchoolen der Profeeten, en wel,"banuit die van Samuel (a). JOSEFUS befchrijfthem, als een' man, aangenaam, voorzichtig ,• • - -.VA V .'. < •'•enCa) WITSII Mifcell. Tem. I. Lib. I.§« 14.Cap.XVUL


éó2 XLIIL L E E R R E D E .cn -van wijs beieid (b). Dat hij een medefchrijver-van Davids gefchiednisfen geweestm , wordt met reden geloofd (c). Teekentzijn naam hem als eenen gegeevenen ; hij was.zekerlijk van.den Heere aan David gegeeven,ten' getrouwen raadsman. David vereerdehun ook met zijne vriendfchap en vertrouwen, cn fchattede hem hoog; noemendezelfs, zoo men meent, een' zijner zoonen,uit Bathfeba, naar deezen Godsman, NAiavet - THAN (d). -^-r'Aah deezen waardigen Man*' den vertrouweling zijner ftille gepeinzen, ontdektde Vorst eene zaak van aangelegenheid,fpreeki;waar meele zijn geest zwanger ging. Zie toch,zegt hij — het ftuk als zeer gewigtig befchouwendc— zie toch , ik woon in een cederenhuis. Dit is zoo, David; en Nathan verblijdtcr zich in. De ftaat, in welken God u gefieldheeft , de luister der koninglijke majesteit,met welke gij bekleed zijt, vorderen dit.— Maar. wat nu verder ? — en :de Arke Godswoont in 't midden der gordijnen. Ook ditweet Nathan. — Wat zal hier op volgen ?— David zwijgt. Immers , wij leezen niet,dat hij nader zich verklaart. •— Dan Nathanproeft in die weinige woorden veel; en watal ? Davids dankbaar hart aan Gode, die hemzoo: (b) Antiq. Jud. Lib. VII. Cap. VIL §. 3.^.381.(c) Vergelijk 1 Kronijken XXIX: 29.£d) 1 Kronijken III: 5.


2 SAMUELS VIL vs. i — 16": 463zoo groötlijks begunstigd had. . Davids verlegenheid, uit befef, dat hij onwaardige , zulkeen heerlijk paleis bewoonde , daar 's Heerentem teTroon in eene tent geplaatst was. Davids^•amenbegeerte , vooral , om den Heere, als Israëls, revend***Koning , eenen ftaatelijken Tempel te bouwen.— Het is niet omyaarfchijnelijk, dat' '.enenlat bijlen Heerede Vorst, toen hij de gemelde tent op Sion, Jernpelvildeter plaatfmg van de Ark aldaar deed maa-'. wuweniken, aan Nathan had te kennen gegeeven, dathij gaarne eenen Tempel wilde bouwen, dochdewijl dit een werk van zoo veel beflag , envan zoo lang een' duur zoude zijn, hij 's HeerenArk , geduurende al dien tijd , ten huizevan Obed-Edom niet kon laaten blijven; alsook, dat zijne omftandigheden nog niet toelieten, zulk een groot werk te onderneemen.Dan nu, daar vrede en rust hem beter gelegenheidgaven , zijne gedachten bepaald hebbende,wil hij Nathan raadpleegen; die, zoodraade Koning op eene meer ingewikkeldewijze van dit ftuk begint te fpreeken, aan-Itonds zijne meening duidelijk verftaat. Davidverklaart — dit toch is de zin van zijn voor-Hel ••— „ Ik had reeds voorheen eene brandendebegeerte, om den Heere eenen Tempelte bouwen ; zou het thands , o Nathan , degepaste tijd niet zijn, om dit werk te onderneemen? Ik denk, ja".WAT moeten wij van deeze gedachten vanz>,v voor-David denken? Zijn ze ook zwak, bijgeloovig,


464 XLIII. L E E R R E D E .verre va cvig v en zoo groot eenen Vorst onwaardig?bijgeloo Dus kon een waanwijze Vrijgeest hier denvig,ïsa !k eop zietzelv'êri'b,'-pelen, met handen gemaakt; echter, het zicht­n_ ' tIs waar, God woont ra geen temtaamebaarteeken van zijne tegenwoordigheid onderlifit,Israël , vereischte eene wooning , zulk eenheerlijk onderpand van 's Heeren gunste waardig,'t Is waar, God moet gediend worden ingeest en in waarheid ; maar het is niet minderwaar, dat die dienst ook plegtig en open­»—.lijk moest geoefend worden. Het is zoo , debeste tempelen zijn geheiligde harten , oprechtlijkden Heere toegewijd; maar het isook waar , dat menfchen, die zich den Heereheiligen, een ftoflijk heiligdom noodig hebben,om in het openbaar , in onderlinge overeen,ilemming, zich den Heere toetewijden, zulkste vertoonen , en anderen daar toe optewekken.'t Is waar, de Heer had van Mofes tijden'af,tot heden, met het teeken zijner tegenwoordigheidin eene tent gewoond ; maarhet is ook waar , dat de bouwing , en hetdaar op volgend gebruik , van eenen draagbaarenTabernakel, noodig was , bij het reizendleven van Israël in de woestijn, cn hunonzeker verblijf, nu hier dan daar, inKanaan.— Thands waren de zaaken veranderd. IsraëlsStaat was nu op eenen vasten voet gebragt.De Ark had nu , in Sion, een zekeren beftendig verblijf. De tent, door Davidvoor dezelve gefpannen, was maar bij voor.raad daar toe.gefchikt. Men had, 't is waai-,den


ss SAMUELS VIT. vs. i—-io". 46*5IV. DEEL. Gg Ko-den Tabernakel van Mofes naar Jerufalemkunnen overbrengen ; doch de kleinheid vandeszelfs omtrek, was 'niet evenredig aan demeenigvuldige diensten , welken thands, vooreene zoozeer vermeenigvuldigde Naatfij, aldaarmoesten gedaan worden. Daar beneven;God, Israëls Koning, had zijnen knecht Davidhoog verheven ; dees woonde in een cederenpaleis. Ligtlijk vergaapte Israël zich aan dienluister, en vergat dat God zijn Koning was.David wil — dit ligt in zijn voorftel opgewonden— Jehovah, als Israëls en zijnen Koningen Heere , eenen Tempel bouwen , opdatde ganfche Naatfij aan Jehovah aldaar huldedeede. — Thands had David daar toe lusten hart. Dan waarom ftelt hij het niet te, tifüjkwerk ? hij is immers Koning , en heeft dus^ leegt bijlaar ovefmaar te gebieden ? Dan, in een zaak van dat, aad, metgewigt, en den Godsdienst betreffende, pleegt' Vatban.hij billijk raad , met een wijs en godvruchtigman, met eenen Profeet. — Maar David waszelf een Profeet; wist hij dan niet, wat hijdoen moest ? David , ja , was een Profeet;maar geen gewoon — hij was een buitengewoonProfeet. En deezen profeteerden niet,dan in buitengewoone gevallen; wanneer God,buitengewoon", hun openbaaringen deed. —De Koning ftelt zijn ontwerp aan Nathanvoor ; niet in uitdrukkelijke woorden , maarzoo , dat Nathan zijn oogmerk verftaat. Enwat antwoordt de Profeet ? Zegt hij: „ Heer


466 XLIII. L E E R R E D E *Koning , dc zaak is goed ; maar ze is nietnoodig. Israël heeft het zoo lang zonderTempel gedaan ; men zou het voords ookzonder Tempel kunnen ftellen. Het zou,ja, zijne nuttigheid hebben ; maar hoe onberekenbaarveel zal het kosten f 3— Neen; hijDie zijnvoornemengoeo, antwoordt : Gaa heen , doe al wat in uw hartkeurt. 'is; voer uw gemaakt ontwerp uit — want deHEER is met uj dit ziet gij, dit zien wij,Het werk is zekerlijk groot; maar dewijl deHeer met u is , zal het wel gelukken. —Maar hoe I is hij , die dit antwoord geeft,niet een Profeet ? en hoe koomt dit uit, methet volgend Godlijk verbod ? — Nathan was,ja , een Profeet; maar hij was een mensch,een godvruchtig mensch. Als zoodaanig fprakhij , en zeide hij zijn gevoelen , over veele •dingen, zonder dat hij eigenlijk fprak als Profeet.In' die hoedaanigheid fprak hij ook hierniet; dit kon hij niet doen , ten zij de Heerhem openbaaringen gaf. — Dus fprak Nathanhier , als een godvruchtig man ; echter nietals een voorzichtig man. Het is zoo , de'Heer was met David ; doch daar uit volgdeniet, dat hij den Heere eenen Tempel zoubouwen. De zaak was van zulk een' aarten gewigt, dat Nathan , in plaats van terftondte antwoorden?zich had behooren tebedenken. En beter had hij gedaan, indienhij David hadde opgewekt, om plegtig denHeere over dit ftuk raad te vraagen ; temeeri


t SAMUELS VII. vs. i—16. 46?meer, daar de Heer de keuze van de plaats ,ter oefening van den openbaaren Godsdienst,uitdrukkelijk aan zich behouden had (e). —Zoo kan een godvruchtig man, door een, opzichzelven lofwaardig, voorftel, vooral dooreen' beminnelijk Vorst gedaan , ingenoomenzijnde , zich laaten vervoeren, om tocteftemmen,daar hij zijn oordeel opfchorten — enaantcprijzen , daar hij naar 's Heeren welbehagenvraagen moest. Zoo ftemmen , intusfchen, Davids neiging , en Nathans raad, tefaamen. Zoo godvruchtig denkt David ; zooblijmoedig wordt hij gcfterkt door Nathan !Nu kan David zijne ontwerpen vormen,zijne zaaken in gereedheid brengen , handenaan 't werk flaan , en den Heere eenen Tempelbouwen.3. MAAR wat gebeurt? God fluit dit. voornemen.— Dit wordt ons in het volgendeDoch de(leeriexdlNaomflandig verhaald. Daar in vinden wij, het thttn totbericht, wegens deeze zaak, van 's HeerenDavid }wege aan David gedaan. — Hier ontmoetenwij eene ruime ftof, en aangenaame verfcheidenheidvan zaaken. Dan , wij houden onder't oog , dat wij Davids leven en lotgevallenbehandelen , en dus ook dit ftuk flegts gefchiedkundigmoeten befchouwen. Dus kezenwij: Maar het gebeurde in denzelfden nachtu(e) Deuteron. XFI: 16.' Gg 3. dat


468 XLIII. L E E R R E D E .< lat het woord des HEEREN tot Nathan ge*'chiedde, zeggende: Gaa heen, en zeg tot mijnenJnecht, tot David: Zoo zegt de HEER, Zoudtij mij een huis houwen , tot mijne wooninge ?2 — God verfchijnt, om dit ontwerp te ftremnen, dien zelfden nacht. Ziet daar , Godslaauwkeurige kennis ; de Heer wist het. —i Vlerkt hier ook Gods goedheid. Hij laat Davidnoch vruchtloos peinzen , noch te vergeefshet Werk onderneemen. Moet dit planonuitgevoerd blijven ; dan wil de Heer hetterfrond verhinderen. — God verfcheen nietaan David, maar aan Nathan. En waarom?Laat ons liever vraagen, Waar toe ? Dusleerde David, betaamelijk gebruik van 'sHeerendienaars maaken. Dus moest Nathan zijneeigen voorbaarighcid verbeteren. Zoo wildeGod en David , en Nathan , cn wel beide tevens,eeren. •— Het woord des HEERENom hem gefchiedde tot hem, zeggende — En wat? Dete zeggen, Heer laat David weeten , dat hij den Heeredat hijden Heen geenen Tempel bouwen zou ; Hij laat hemgeenen belooven , dat zijn zoon en Troonsopvolger,Tempelzou üOUwen.dat Hij , de Heer , David een huis maakenHem dien Tempel zou bouwen ; en tevens,zou. — De Heer doet David weeten, dat hijden God van Israël geenen Tempel zou bou- Iwen ; •— 1deeze boodfchap laat dc Heer doen;.— en met redenen beklcedcn. — De Heer laatDavid die boodfchap doen ; en wel , vraagsgewijze:Zoo zegt de HEER, Zoudt gij mijeen huis bouwen, tot mijne wooning ? De zindaar


2 SAMUELS VII. vs. i—* 16*. 469,daar van, wordt elders (f) , verklaarenderwijze , dus uitgedrukt: Gij zult mij geen huisbouwen, om in te woonen. Deeze woordenbehelzen dan een verbod ; maar een verbod,welk de Heer , op eene veraangcnaamcndewijze , vraagende voorftelt. Een voorftel,waar in de Heer, aan den eenen kant, Davidsgodvruchtig oogmerk prijst. Dat dit den Heerewelgevallig is geweest, verklaart Salomo, zeggende, dat de Heer tot David zijnen vadergezegd hadde : Gij hebt wel gedaan, dat het inuw hart 'geweest is (g). Maar, aan den anderenkant, een voorftel, waar in de Heer hemberispt, dat hij dit groot werk wilde onderneemen,zonder zijnen mond raad te vraagen,zonder de Godlijke goedkeuring aftewachten.— David mogt dan den Heere geen huis bouwen.— Boodfchap , zeker, welke David gevoeligmoest treffen. Liefde tot den Heereen zijnen dienst, had hem op dit ftuk doenpeinzen; begeerte om het uittevoeren , hadhem aangezet, om er met zijnen Nathan overte raadplcegen; door de goedkeuring van dienGodsman, was hij uitermaate verblijd, en zijnoverleg had hij nu veranderd in een valst befluit;reeds, mag men denken, vermaakte hijzdch , in het vooruitzicht van den gewigtigendienst, welken hij den Heere zijnen God, enIsraël zijn volk, door dit groote werk doen,(f) 1 Kronijken XVII: 4. GO iKtningen PUI: 18.Gg 3en


Alzoo dit MAAR waarom wilde de Heer niet, dat DavidHem een huis bouwde ? De Heer laat zijneene zaak


t SAMUELS VIL vs. i—-i6. 471«at- uit ruuwe ftoffe gemaakt, de gezegdeTente omving , bedekte , en befchermde. —•Dan federt Israël in Kanaan woonde, verreisdehet niet meer, en des ook de Ark niet;dus fchijnt de reden, zou men zeggen, waaromden Heere geen Tempel zoü gebouwdworden , reeds voorlang te hebben opgehouden.Dan de oorlogen , de onrustige en telkensgefolterde ftaat van Israël — veroorzaakende,dat 'sHeeren Tabernakel nu te Gilgal,dan te Silo , dan te Nob , en dan weder teGibeon was •— lieten niet toe, dat den Heereeen Tempel gebouwd wierd. — Daar, intusfchen,de Heer met zijne Ark, en het teekenzijner tegenwoordigheid, onder Israël woonde,en deszelfs betaamelijke Godsdienstoefening! Hem aangenaam was ; bleek het ten klaar-!ften, dat er geene volftrekte noodzaak wasom den Heere eenen Tempel te bouwen. —] Ook laat de Heer aan David vraagen: Overal,I waar ik met alle de kinderen Israëls hebbe gewandeld, heb ik wel een woord gefprooken met eeneni der ftammen, d. i., met eenen van de Hoofdeni en Voorgangers der ftammen, wien ik bevoolenhebbe mijn volk Israël te weiden , zeggende:i fflaarom bouwt gij mij niet een cederen huis ? —Moogclijk denkt een kundig hoorder: Dit zijzoo ; de Heer had nimmer aangaande deezezaak gefprooken , mogt daarom thands , daarIsraël in rust was , den Heere geen Tempelworden gebouwd ? —«Ja toch; doch niet, danI op 's Heeren bevel. — Wat wil dan deezeG g 4\rraag


472 XLIII. L E E R R E D E .vraag aan David zeggen? is ze eene berisping,wegens zijne gezindheid om den Heere eenhuis te bouwen ? Neen ; de Heer zelf prijsthem , omdat zulks in zijn hart geweestwas (i). — Is ze dan eene loffpraak van Davidsgezindheid ? heeft ze deezen zin : Uwegezindheid , o David , is te prijswaardiger ,omdat gij die hebt opgevat en gevoed , zonderdat ik daar toe ooit aanleiding heb gegeeven? Dit is wel niet ten eenemaal uittefluiten.Doch de vraag fchijnt eigenlijk deezen zin tehebben : „ David , daar uwe zugt, om mijeenen Tempel te bouwen , op zichzelve lofwaardigis, moest gij tot het befluit, en totde onderneeming van dit werk, niet koomen,in die meening, dat gij daar door een gebod,van mij gegeeven, zoudt gehoorzaamen. Nimmerheb ik er van gefprooken. Uw lust verdientlof; maar uw befluit is te voorbaarig.Gij hadt mijn bevel moeten afwachten", —DOCH van waar, dat de Heer, die dit aanDavids zoon gebood, dit bevel niet aan Davidgaf, die zoo gaarn den Heere eenen Tempelgebouwd hadde ? Dit meldt David elders.Dus hooren wij hem , op den laatften Rijksdagdoor hem gehouden, tot Israëls hoofdenfpreeken •— en dit is de TWEEDE reden —e» welke God heeft tot mij gezegd , Gij zult mijnen"wlniet naame geen huis bouwen , want gij zijt eenkrijgs-Q I Koningen Vllh 18.


2 SAMUELS VII. vs. i—16. . 473voegde, _krijgsman, en gij hebt veel Hoeds vergooien (k).—' laar bij,Zeker lasteraar fchroomt niet, te zeggen, om i/s eenïrijgsvan,veelDavids karakter te bezoedelen, dat de Heerhier , volgends Davids eigen getuigenis , verklaarten bevestigt, het geen Simei' hem na­bloedsvergootenbad,riep : dat hij een man des bloeds was (1)- Dochdit is even zoo valsch , als kwaadaartig.Simei zegt: Gij zijt een man des bloeds; d. ï.,een bloeddorstig man , een wreedaart, die erop uit zijt om bloed te vergieten. Maar deHeer zegt: Gij hebt veel bloeds vergooten.Hoe vergooten ? Als krijgsman. Of, gelijkde Heer elders zegt : Gij hebt bloed in meenigtevergooten , want gij hebt groote krijgen .gevoerd(m). — HENDRIK DE GROOTE heeftgroote oorlogen gevoerd , en veel bloeds vergooten; maar was hij daarom een bloeddorstigman ? Een man des bloeds — en een krijgsman,die in wettige oorlogen veel bloeds vergiet, vcrfchillen niet weinig.MAAR waarom, en hoe is dit de reden,dat David den Tempel niet mogt bouwen?Keurde God dan Davids oorlogen , dus verregevoerd, af? veroordeelde God zijne verrichtekrijgsbedrijven ?Neen. Wat zijne volgendeoorlogen betreft; dit is een ftuk, waar oveiwij nader zullen moeten handelen, wanneer wrDavids(k) i Kronijken XX VIII: 3. (1) » Samuels XVI: 13(nO 1 Krtnijken XXII: 8.Gg S


474 XLIII. L E E R R E D E »Davids oorlogen en overwinningen befchouwen.Thands merk ik alleen aan, dat de nadruklijke, heilrijke , en goedkeurende beloften, welken God in dit Hoofdftuk aan Daviddoet , tot bewijzen kunnen ftrekken , van's Heeren welgevallen in David. •—• Maar hoeis dit bloedvergieten dan een reden , waaromDavid geen' Tempel mogt bouwen ? God ,wien die Tempel zou gebouwd worden, wildeeen duidelijk blijk geeven , dat Hij den vredebemint, boven het oorlog. De Tempelbouwook, moest een voorbeeld en affchetsing zijn,van den bouw van Mesfias geestlijken Tempel.Die zou een Vredevorst zijn (n) ; desmoest de voorbeeldige Tempel door een vreedzaamVorst , in vrede , gebouwd worden.Hierom zegt David , in laater' tijd, tot zijneVorsten: De HE E R heeft u ruste gegeeven....zoo maakt u op , en houwt het Heiligdom Godsdes HEEREN (o).en verder EENE ANDERE reden wordt gemeld, inTenveT 1Koningen V: 3 ; alwaar Salomo tot Hiramgieten. • zegt: Gij weet, dat mijn vader David den naamdes HEEREN zijnes Gods niet konde een huisbouwen, van wegen de oorlogen, waar meê zijhem omjingelden. De Heer wist, dat Davidbij aanhoudendheid in zwaare oorlogen zou00 Jefaias IX: 5; Zacbarias VI: 12, 13.(o> 1 Kronijken XXII: 18, 19.wor-


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 47$worden ingewikkeld , en dus tot zoo grooteen werk, noch rust noch gelegenheid hebbenkondc. Zijn werk zou zijn , Israëls wettigerechten te doen gelden , deszelfs vijanden teverbreeken, deszelfs grenzen en magt te verzekeren, totdat alles in rust gebragt was. —-Maar mogt David dan in deezen niets doen?Voorzeker ja. Hij zou, door 'sHeeren Geestbeftuurd, heerlijke Zangftukken, ten gebruikevan den openbaaren Godsdienst, opftellen.Hij zou, naar Godlijk bevel , de orden endiensten van Priesters en Levijten regelen.Hij zou, tot den Tempelbouw, groote fchatenen kostelijke bouwftoffen vergaderen. DcHeer zou hem door zijnen Heiligen Geest eenontwerp geeven, en doen opftellen, van denganfehen Tempel , van alle deszelfs gebouwen, en van de gereedfehappen tot den Godsdienstvcreischt; zaaken , welken wij in hetvervolg moeten overweegen. —; Met éénwoord, David mogt en zoude alles doen, bchalvenhet bouwen van den Tempel zei ven,— Zoo blijven voorrechten in dit leven , altijdbepaald. Zoo blijft, in het grootfte genot,altijd ftoffe tot zelfverloochening.DE TWEEDE hoofdreden, om welke David'sHeeren Tempel niet zoude bouwen, is ontleendvan het einde en oogmerk zijner verhooging.En hier in wordt aan David redengegeeven, om dankbaar te zijn, wegens al hetgoede, dat God aan ën door hem gedaan'had,al-


476 XLIII. L E E R R E D E .alfchoon hij er de eer niet bij genoot, vanZijnde bij 's Heeren Tempel te bouwen. — De Heerverbeven herinnert David, uit welk eenen fiaat, en toten èegunS'tigd; welk eenen(fiaat, Hij hem verheven hadde(p). Ik heb u genoomenvan de fchaapskooi,van achter de fchaapen , dat gij een Voorgangerzoudt zijn over mijn volk, over Israël. DeHeer vraagt er mede : David , heb ik u nietbuitengemeen beweldaadigd , en tot hoogenftaat verheven? —• Voords herinnert hem deHeer, wat bewijzen van zijne gunst, Hij hemgelijk ook in dien ftaat gegeeven had Cq). De Heer wasIsraël. met hem geweest, in alle zijne gevaaren; Hijhad zijne vijanden , die zijn, verderf zochten,verdelgd; hem in roem en achting ten hoog-Iten trap doen klimmen , zoo dat hij voorgeenen van de Grooten der aarde behoefde tewijken. Ik hebbe, zegt de Heer, u eenen grootennaam gemaakt, als den naam der Grootendie op de aarde zijn. De zin is : Aanmerk enerken, o David, welke bewijzen van mijneonverdiende weldaadigheid ik u, in uwen verhevenfiaat, gegeeven heb. Hebt gij geenreden om te gelooven , dat gij op eene buitengemeenewijze mijn gunsteling zijt? — DeHeer, verder, herinnert David, welke voorrechtenHij aan Israël, onder zijne regeering,fchonk CO- E n *k hebbe voor mijn volk , voorIsraël, eene plaats bejleld, en hem geplant, dathij(p) Vers 8. (q) Vers 9, CO V e r s I0 > 1 1 3


2 SAMUELS VII.'VS. I—16. 4.77lij aan zijne plaatfe woone , en niet meer heenen weder gedreeven worde. En de kinderen derverkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken,gelijk als in het eerfte, en van dien dag af, datik gebooden hebbe Rechters te weezen over mijnvolk Israël; doch u heb ik ruste gegeeven vanalle uwe vijanden. God had al voorheen hetland Kanaan aan Israël ter woonplaats gegeeven, en dat volk daar geplant, opdat hetdaar, aan zijne plaats, in een eigen en afgezonderdland , woonen zoude. Dit had deHeer , door dienst van David , bij achtervolginggedaan. Dit zou Hij verder door hemdoen ; Israëls Rijk door zijne hand bevestigende.Hier door was de ftaat van dat volkgrootlijks bevoorrecht. Verre , van heen enweder gedreeven, geduuriglijk ontrust te worden,door overmagt van benijdende vijanden,woonde het nu onder zijnen wijnftok en vijgenboom.Nog grooter zou Israëls voorrechtzijn; de kinderen der verkeerdheid, d. i., naarden ftijl des Bijbels , menfchen van een' verkeerden, vijandigen, en bedriegelijken aart (s),zullen hem niet meer verdrukken — gelijk inhet eerfte; d. i., of, gelijk zij kort nadat Israëlin Kanaan kwam, ten tijde der Rechters,gedaan hebben; of ook, in het begin der kojiinglijkeregeering, onder Saul. — Maar hoedit te verftaan ? Zouden van nu af geenekinderen der verkeerdheid Israël meer ver-(V) 2. Samuels III: 34.druk-


4-/8 XLIII. L E E R R E D E .drukken ? De ondervinding heeft immers het-tegendeel getoond ? . Dan , deeze , en foortgelijkebeloften, liggen voorwaardelijk. Israëlhad nu ruste in het land zijner wooning , enzou die blijven genieten, zonder dat nijdige. vijanden hen , gelijk in vroeger' tijd ,, zoudenverdrukken; ten ware zij zeiven, als kinderen.der verkeerdheid, het tegen den Heere en eikanderenverdervende, hunne eigen ruste Hoorden, en zich aan verdrukkingen blootftelden.—• Maar wat zeggen die woorden : En vandien dag af, dat ik gebooden hebbe Rechterste weezen over mijn volk Israël; doch u hebik ruste gegeeven van alle uwe vijanden ?Sommigen verbinden die met het voorigc; aldus: De kinderen der verkeerdheid zullen.hem niet meer verdrukken, gelijk in het eerfte, en gelijk van dien dag af, dat ik geboodenheb Rechters te weezen over mijn volkIsraël. ïrouwends , van toen af, is Israëlvan tijd tot, tijd verdrukt geweest. —• Anderenverbinden het met het volgende ; in deezenzin: En van dien dag af, dat ik geboodenheb dat er Rechters over mijn volk Israëlzouden zijn, heb ik u, den eerften, ruste gegeevenvan alle uwe vijanden; d. i., u en denStaat in eene gevestigde zekerheid gefteld»Met David toch, heeft Israëls Rijk eerst zijn'vasten ftand , zijne geregelde orde , zijne inwendigerust, zijne verzekerde veiligheid vanbuiten, gekreegen.DIT


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 479DIT moest Nathan , uit 's Heeren naam, Dit moeseDavid onder het oog brengen ; alzoo zult gij j )avidtot mijnen .knecht, tot David , zeggen (t). aanzeg*Niet, om David een fcherp verwijt te doenjS*"*maar om hem tegen moedbeneemende droefheidte vertroosten. •— 1Dat hem ontzegdwerd, den Tempel te bouwen, was zekerlijkonaangenaam , en zeer bedroevend. Heeft,kon David vraagen, heeft de Heer dan geen'lust aan mij ? Dan de Heer noemt hem:'Mijn' knecht. Dit vereert hem, en moest hemvertroosten en bemoedigen ; want God wijsthem op het geen Hij aan hem gedaan en gefchonkenhad, en zegt daar mede: Zie niet tezeer op het geen gij er gaarne bij hadt endeedt. Dat ik u liefheb , en u in mijnendienst wil gebruiken , weet gij. Uw hart zijdan, onder mijn beitel, en onderworpen, engemoedigd.WAS het, intusfchen , bedroevend voor Bood-David , dat hij den Heere geenen Tempelmogt bouwen ; hij was ook overreed, dat hij droevend;met zelfverloochening onder Gods beitel behoordete buigen —• te meer, daar de redenvan dat beitel, hem geopenbaard was. De• Heer, die David liefheeft, zal hem bij deezegelegenheid zeer uitneemende beloften laaten^ ft• doen; beloften, bij welken Hij hem toezegt,|de geboorte van eenen zoon, die hem in het * 'Rijks.tv " " 4


4So XLIII. L E E R R E D E .-Rijksgebied zou opvolgen, den Tempel bouwen, een beftendig Rijk bezitten , en eenvoorwerp van Gods aüergunstigfte behandelingzoude zijn (u).. — Welk eene ruime engewigtige ftoffe ! Dan , daar de behandelingvan Davids gefchiednis onze hoofdzaak blijft,zullen wij flegts de bewoordingen hier en daareen weinig toelichten , en vervolgends derzelvermeening •kortlijk trachten natefpooren.dat de WAT de bewoordingen aangaat. — Eerst'\ h s m belooft de Heer, in 't gemeen, dat Hij Davidt k ce


2 SAMUELS VII. vs. i—16. 481Koning den troon te beërven, en de regeeringte aanvaarden. En wel een zaad, dat uit zijnenlijve voordkoomen %oiu Bewoording, welkeduidelijk zegt, dat geen der zoonen die Davidreeds gebooren waren, des ook Abfalotn noehAdonia, erfgenaamen van den Troon zoudenzijn; maar een zoon, die nog Hond geboorentc worden, eh welken wij van achteren zien,dat Salomo, immers in de eerfte plaats, is geweest.Heuglijke belofte! — Maar niet mindergroot, niet minder aangenaam, is het geen''ti bet KcungrijklevestideHeer verder aan David toezegt: Ik zal zijn \',en iKoningrijk bevestigen ; zoo dat het hem doorlist noch geweld zal ontvreemd, noch doorgebrek aan opvolgers, zal vernietigd worden.De Heer , 'des , zou het door zijne goedkeuringbekrachtigen, door zijne magt beveiligenen verzekeren, cn bij achtervolging duurzaammaaken. — En, zegt de Heer, die zal mijnent n heinaame, d. i., tot mijne eer, tot mijnen dienst, *.elve den'empcleen huis bouwen. De zaak, welke David zoo-s ou doenzeer begeerde , zou gebeuren. Had hij het ouwen*1voorrecht niet, zelf des Heeren huis tp bouwen; hij mogt het troostlijk genoegen hebben, zeker te weeten , dat zijn zoon zulkszoude doen. — Maar vóór hoe lang zou Israëlstroon door de afftammelingen van Davids huisbezeten worden ? En , zegt de Heer, ik zalden ftocl, den troon, zijnes Koningrijks, bevestigen,tot in eeuwigheid. Eene bewoording,gebruikt, en van eene lange doch eindigendeduuring, en van eene eindelooze duuring.IV. DEEL. Hh DAIÏ


482 XLIII. L E E R R E D E .Vnords, DAN onder wiens opzicht cn zorge zou ditdat Hijzoozeer begunstigd zaad zijn? dit kon bij Daviddit zaadzeer genadiglijkftof tot bekommering geeven. Doch de Heerlaat hem door Nathan aanzeggen : ïk zal hemZDU bebandelen, tot eenen Vader zijn. Voor z


2 SAMUELS VII. vs. i—ï6. 483flict het zelfde woord dat hier gebeezigdwordt: Wij hebben VERKEERDLIJK gedaan}wij hebben godloo slijk gehandeld (v). Etban dcEzrahijter , verklaart dit misdoen, door eenverlaaten van 's Heeren Wei, een niet wandelenin 's Heeren rechten , en ontheiligen van 's Heereninzettingen (w). Wanneer , of indien ditzaad dus misdoet, zal ik het ftraffen. Maarhoe ? met de roede eenes wreeden ? Neen ;met eene menfehenroede, en met plaagen der men*fchenkinderen. Dat is — want de faamenhangleidt ons tot deeze opvatting —• ik zal hemkastijden j gelijk een menschlijk vader zijnenzoon doet, die zich misdraagt; met medelijden,met maate, tot behoudenis, en niet totVerderf. — Bij deeze önderrechting, voegt deHeer deeze troosttaal: Maar mijne goedertierenheidzal van hem niet wijken, gelijk als ik \die~]Wechgenoomen hebbe van Saul, dien ik van vooruw aangezicht hebbe wechgenoomen. Davids zaad,kenbaar door den Heere getuchtigd wordende,kon denken: God heeft vergeeten genadigte zijn. Vijanden konden zeggen : Zie daar,God handelt met Davids huis, gelijk Hij metdat van Saul gedaan heeft. Heeft David gezien, dat dc Heer Saul verwierp, zoo datgeen zaad van hem den troon beërven mogt;nu zien wij Davids zaad van den troon verftooten, eii voor altoos daar van vervallen.DochCv) Psalm CVh 6. fw) Psalm LXXXIX: 31,32,Hh 2\


484 XLIII. L E E R R E D E .Doch dc Heer belooft: Ook dan, wanneer ik.tucht over uw zaad oefene, zal mijne goedertierenheid, mijne vaderlijke gunst , en verbondstrouw,niet van het zelve wijken.Tim zou iNtegendeel , 's Heeren goedertierenheidfui7en zou over Davids huis , wat het zelve ookRijk be- mogt bejegenen, geduuren tot in eeuwigheid;§J%* met dit gevolg, dat zijn huis, zijn nageflacht,in elu- freftendig zou zijn, zonder immer uittefferven;wigbeid.O Qj, zij n]f Qni ng rij]> }tot in eeuwigheid, zoo dathet nooit zou vernietigd, noch zijn zaad vande koninglijke waardigheid ontzet worden. —Maar wat willen deeze woorden : Foor uwaangezicht? Het is zoo, David zou voor zijn'dood de beginfelen zien van dc vprvulling deezergedaanc beloften; hij zou Salomo zien zittenop zijnen Troon, en de Naatfij deezenzijnen zoon trouwe hooren zweeren. Dan ,de beftendige duurzaamheid van deszelfs Rijk ,zou hij niet beleeven, veel min het beftendigbezit van dat Rijk bij zijn laater nageflacht..En behalven dit, dc hier beloofde voorrechten, worden in het voorige duidelijk gezegdyeerst plaats tc zullen hebben na Davidsdood (x). Wat zegt het dan: Tot in eeuwigheidvoor uw aangezicht ? 't Is zeker, dat diebewoording niet altijd betcekent: in uwe ligchaamlijketegenwoordigheid, en zoo, dat gij hemet uwe oogen ziei; maar mcermaalen aanduidt,(z) Vers 12.


2 SAMUELS VII. vs. i—16. 485duidt , dat iets alzoo plaats heeft, of gebeurt, dat men er kennis van draagt, en erdc uitwerkfelen van ondervindt. David, Godsbeloften inziende, en op dezelven, als onfaalbaarzeker, zich verlaatende, heeft, door hetgeloof, het ontwijfelbaar toekoomstige , alstegenwoordig , als onder zijn oog zijnde , gezienen befchouwd. — En fterft David; zijneziel leeft Gode. Hij verlaat dccze aarde,maar gaat over in de gewesten der gelukzaligheid; daar God hem , in den afgefcheidenftaat, die kennis, aangaande den toeftand vanzijn huis , genacht, Koningrijk , en troon,zou geeven, welke zijne gezaligde ziel in ftaatzou ftellen, om de vervulling van deeze be,lofte , voor den Godlijken Troon , met aanbiddendedankzegging te erkennen.Dus hebben we kortlijk iets gezegd, over Deeze iehettroostrijk bericht , dat God aan David l o \ t e n .gaf, en over de verre uitziende beloften , j eg erflewelken Hij aan hem deed. — Dan nu blijft/»'*'»* 1 '*/dc vraag: Op wien zien zij ? In wien, wan- S a l m a 'neer, eri hoe, zijn ze vervuld? in Salomo, ofook in de koninglij ke nakoomelingen van David? of in Meslias , Davids Tegenbeeld ? ofin beide ? — Eene uitvoerige beantwoordingvan deeze vraagen , zou met den aart en hetoogmerk deezer Leerrede weinig ftrooken.Kortlijk merken wij aan, dat het zaad, hieraan David beloofd, Salomo is; dees toch is deperfoon, die den Heere een huis zou bouwen.H h 3Dit


Vervol.486 XLffl, L E E R R E D E ,j_)it is buiten tegenfpraak. •—• Verder raaka»-,gh"t J kl° P deeze verklaaringen en beloften Davids Konjnglijkningrijk, en. koninglijke nazaaten, in volgendeTJd't gcflachten, Het geen hier , aangaande ditzaad, Koningrijk, Troon, en de beflendigheidvan dit alles tot in eeuwigheid , wordt gezegd, leidt ons tot eene reeks van eeuwen,na Salomo,. Hoe deeze beloften, aangaandedien Koning en zijne opvolgers gedaan, vervuilzijn , zal ik thands niet aantooncn, —Maar hebben deeze beloften geen verder uitzicht? Joodicne uitleggers oordeelen, meestal, neen.. Zoo dachten ook fommigen onderr)ocbbeh-r\c Christenen. Doch kan zulk een gevoelenY" lu overeengebragt worden , met dc bewoordin-'zicbi, gen, welken de Heer gebruikt.— met de be,loften , welken Hij doet — en met de uitkoomstvan zaaken ? Hier wordt aan Davids.zaad beloofd , dat deszelfs Troon zou bevestigdworden in eeuwigheid ; dat Davids huisen Koningrijk zijn zouden tot in eeuwigheid;dat zijn Troon vast zoude zijn , tot in eeuwigheid.En hoe wordt dit verklaard in denLXXXIX. Psalm ? Daar hooren wij denHeere zeggen: Ik zal zijne hand in de zee zetten, en zijne rechtehand in de rivieren- ;— Ookzal ik hem ten etrstgebooren zoon ftellen , tenhoogfien over de Koningen der aarde. — Ik zalzijn zaad in eeuwigheid zetten , en zijnen troonals de dagm- der hemelen.. — Zijn zaad zal ineeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor mij zijngelijk ,de zon. ffij zal eeuwiglijk bevestigd worden,


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 487den, gelijk de maan; en de getuige in den hemelis getrouw (z). Kan men met moogelijkheidde- vervulling van deeze beloften , en de bewoordingenin welken zij vervat zijn, in Davidsuitwendig Rijk, in zijnen zoon Salomo,en verdere nakoomelingen , of in de beheerfchingvan dat Rijk, vinden; daar het zelve,van deezen tijd af, flegts tusfchen de vier- cnvijfhonderd jaaren aanweezig geblecven is ? In op Jenniemand hebben deeze beloften haare volko-^^ 0 1 'men vervulling gehad, noch kunnen hebben,dan in den Mesfias ; wien alleen kan wordentoegezongen : V w troon, 0 God, is eeuwiglijken altoos (a). Zeker is het ook , dat Davideene uitdrukkelijke belofte, aangaande den Mesfiascn zijn Koningrijk , ontvangen heeft.Petrus, in zijne redevoering op dien doorluchtigenPinksterdag , herinnert den Jooden , alseene bekende zaak , dat God aan David meteede gezwooren hadde, dat Hij uit de vrucht zijnerlendenen , zooveel het vleesch aangaat , denChristus verwekken zou, om Hem cp zijnen troonte zetten (b). De Farizeeuwen bclecden, alseene bekende waarheid , dat de Mesfias DavidsZoon zou zijn (c). Meenigvuldig zijn deplaatfen , in welken de Profeeten van denMesfias, van zijn Koningrijk, van zijne regeeringO) Psalm LXXXIX: aó, 28, 30, 37, 38.(a) Psalm XLF: 7. (b) Handelingen II: 30.(c) Mattbeus XXII: 42.Hh 4


4S8 XLIII. L E E R R E D E .ring op Davids troon , cn van dc ecuwigduurendebeflendigheid zijner heerichappij, fpree.ken. Der grootheid deezer heerfchappije, en desvredes , zal geen einde zijn , op den troon Davids, en in zijn Koningrijk , zegt Jefaias (d).— Maar nergens vindt men zulk eene belofteaan David gedaan , dan hier ter plaatfe. Opgeene andere belofte dan op deeze, ziet enrust de uitbreidende verklaaring , in denLXXXIX. Psalm. De Apostel ook , haaltniet flegts bij tocfpeeling , maar als duidelijkop den Mesfias ziende , deeze woorden aan:Ik zal Hem tot eenen Vader zijn , en Hij zalmij tot eenen Zoon zijn (e). En waar toemeer bewijs bijgebragt ? David zelf, op zijnfier f bed liggende , verklaarde , op grond vandeeze belofte, door dienst van Nathan aanhem gedaan, den Mesfias te verwachten , als •eenen Heerfcher over de menfchen, eenen Heerfchin de vreeze Gods (f). Met één woord ; datin deeze beloften, aan David gedaan, de Mesfiasen zijn Koningrijk beloofd wordt, hebbenzelfs fommige Joodfche Uitleggers erkend.DAN, ZOO deeze beloften gedaan zijn, enmet opzicht tot Salomo, en'zijne opvolgersin het Rijksbefluur van Israël, en tevens,met opzicht tot den Mesfias, en zijn geestlijkRijki(d) Jefaias IX: 6. CO Hebreeuwen I: 5,(fji Samuels XXIII: 3.


2 SAMUELS VIL vs. r—16. 480'Rijk ; hoe moeten wij dan de bewoordingen ,-en derzelver zin , ten aanzien van den eenenen den anderen , verftaan ? Hier , zeker,moet groot onderfcheid gemaakt worden. —Om hier een' goeden grond van verklaaring teleggen, moeten wij ons herinneren ; I. Dattusfchen Davids Troon , cn dien van denMesfias , een zoo naauw verband is , dat de'Mesfias gezegd wordt op Davids Troon te zitten(g). II- Dat deeze Troon niet is , diekoninglij ke regeering , welke David en zijneopvolgers over Israël hadden en oefenden;maar die , wl&e door Davids regeering werdafgebeeld, en aan den Mesfias, als het tegenbeeldvan Davids regeering, beloofd is. Waarnit volgt, ten III. dat de beloften, aangaandehet Voorbeeld en Tegenbeeld gedaan, in een'flaauwer' zin ten aanzien van het Voorbeeld,maar in den volften zin ten aanzien van hetTegenbeeld , fpreeken. Ook , ten IV. Dat ,gelijk in het Voorbeeld altijd bezonderhedenplaats hebben, welken in het Tegenbeeld nochkunnen noch moogen onderfteld worden; zooook aangaande het Voorbeeld dingen kunnenworden gezegd, welken in het Tegenbeeld nietvallen kunnen. Dus leezen wij hier, ten aanzienvan het Voorbeeld : Als hij misdoet, zoozal ik hem met eene menfehenroede, en met plaagender menfehenkinderen, ftraffen. Dit raakt(g) Handelingen II: 30 Lukas I: 32;Hh 5zoo


49» XLIII. L E E R R E'D E.zoo min het Tegenbeeld , als Davids -zondenen ftraffen •— ofïchoon hij anders een heerlijkVoorbeeld van den Mesfias was •— zijn Tegenbeeldraaken (h).en wel in BESCHOUWEN wij dan Salomo, en Davidsden groet- fconinglijk huis , aïs het eerfte onderwerp vandntkf" deeze beloften , doch alleenlijk als een Voorbeeld; en den Mesfias , als zijn Tegenbeeld.Verklaaren wij de bewoordingen , ten aanzienvan dc eerften - in een' .fiaauwen zin , enovereenkoomstig "den aart der onderwerpen ;en , ten aanzien van den Mesfias, in vollennadruk , en overeenkoomstig den aart van ditheerlijk Onderwerp, En wij zullen zien —dat de koninglijke regeering aan Davids huiswordt vastgemaakt ; — dat dit huis beftendigzou zijn/ in die regeering , zoolang het zichdus gedroeg , dat het, misdoende, een voorwerpbleef van vaderlijke tucht; — maar dathet Zaad van David , bij uitnecmendheid dustc noemen, eeuwiglijk, in een eeuwigduurendKoningrijk , heerlijk zoude regecren. •— Debijbelkundige weet, dat de Heer meermaalender\ oude Kerk zulke voorzeggingen , verklaaringen, en beloften heeft gedaan , welkeneerstlijk , immers ten deele , naar de lettermoesten vervuld worden; maar welken , nevensOD Conf. MARCKII Fafckul, Disfert. Tom. J.Exercit. VU. §. VUL .


2 SAMUELS VII. vs. i—16. 491vens dc letterlijke vervulling, ook afbeeldingenen voorzeggingen van geestlijke zaakenin zich behelsden , en dienvolgends , invollen nadruk , in den Mesfias vervuld zijn ,of. nog vervuld ftaan te worden. Schriftverklaardershebben zulks , bij verfcheiden gelegenheden, overtuigend beweezen. — Dc tijdniet duldende , dit ftuk thands verder tc be-,handelen , moeten wij ons nog kortlijk. vertegenwoordigen.HOE groot, hoc.troostlijk, deeze beloften Beloften,aan David -waren, — Het mogt hem bedroe- ^-£OJyven, dat hij den Heere geen huis zoude bou-^.?-' 'wen; maar grootlijks moest hem verblijden, David.dat de Heer, als op verrasfende wijze, 'zegt:Jk zal 11 een huis- bouwen! — Het kon hemfmerten , dat Israël als nog verftooken bleefvan eenen Tempel; maar welk een roost,dat de Heer hem laat aanzeggen: Mij zal eenTempel gebouwd worden ; en dit zal uwzoon doen ! Heuglijk was het hem, verzekeringte ontvangen , dat zijn zoon hem in hetRijksbewind zou opvolgen; maar nog heuglijker,te yernecmen, dai het Koningrijk beftendigin zijn huis zou blijven! — Groot entroostrijk was hem dit alles ; maar nog grootcr, en 't geen alles te boven gaat — deHeer laat hem aankondigen , dat Hij uit devrucht zijner lendenen , zooveel het vleeschaangaat, den MESSIAS zou doen voordkcomen, en dus uit hem een eeuwig Koningrijk


492 XLIII. L E E R R E D E .rijk verwekken zou ! Heeft immer, na Abraham, eenig ftcrveling grooter en heerlijkerbeloften ontvangen ? —• Geen wonder, datDavid, ten hoogteen daar mede ingenoomen,deeze beloften zijnen zoon Salomo voorhoudt(i) ; dezelven, kort voor zijnen dood,op eenen algemeenen Rijksdag, aan Israëlse nOudften grootendeels plegtig verhaalt (k);in zijne laatfte woorden , als met ftervendelippen, zijnen God ter eere, cn der Kerke totonderwijs, blijmoedig roemt (1) !Wijkc- B. WELK eene veelheid van ftoffe, tot"* 'ntittig onderwijs , doet zich hier op ! Bepaalenwij onze aandacht flegts tot de volgendeleeringen.Dat een H. HEBBEN wij David, nu in 't genot vanv'enscb e^ r u s t e n v r ezijnde , werkzaam gezien , inznne rust overleg, tot het onderneemen van ontwerpen,bejleedt,z o onuttig als gewigtig; wij leeren er uit,W'CT".'*^ 55 D a t e c n wijs mensch, den tijd van rust fee-„ fteedt tot nuttig werken; en wel aan zaa-„ ken van groot belang". — Het is hier deplaats niet, om aantetoonen, hoe noodig hetis, dat beftuurders van Staaten en Maatfchappijen, dit fteeds onder het oog houden. Zijondervonden, in tijden van oorlog en onrust,;best,CO i Kronijken XXVI'II: g, io. (X) i Kronij*' hu XXVIII: i-7, CO a Samueh XXUl: 1-5. 1


2-SAMUELS VIL vs. i—16*. 493best, wat er ontbrak, wat er diende gedaan,,waar in al behoorde voorzien te worden,doch waar toe de omftandigheden noch tijdnoch vermogen overlieten; moetende zelfs deheilzaamfte ontwerpen , niet zelden dan geftaaktworden. Maar is het zwaard in defchede geftooken , en verfpreidt zich de ftillerust, als een aangenaame daauw ; ftraks beraamtde wijze man maatregelen , om watgoeds, wat groots zelfs, indien moogelijk, terhand te vatten. Droevig, zeker, zou hetzijn, en fchadelijk voor een volk, als verkrecgenvrede , en genot van rust, verwaarloosdwierd , of zelfs misbruikt, tot het najaagenvan zondig eigenbelang , dartele vermaaken,verkwistende fpelen, of zelfs wel tot het voedenvan bitteren nijd , cn voldoening vandoemwaardige wraakzugt. Hier door toch —dc gefchiednisfen der volken leeren het —•deed rust en vrede dikwerf meer nadeel, danhet oorlog. •— Dan dit zijn zaaken , overwelken wij thands niet moeten handelen. —-Dat een wijs mensch den tijd van rust bcfteedttot werken , en wel aan zaaken vangewigt, raakt ons allen; en ten aanzien vanons tijdlijk, en van ons eeuwig belang.DAN hoe gedraagen wij ons, ten aanzienn/twordtvan ons tijdlijk belang? — Is er niet, die IQW W«imoeilijke , in zorgelijke omftandigheden lee- Tolu^tênvende , gaarne , wat niet al ? ten goede van inzienzijn huis, van zijne kinderen, van zijne even-lljduj'k —men-


494 XLÏÏI. L E E R R E D E .menfchen , zou willen ontwerpen en behartigen? doch , zegt hij , de tegenwoordige gefteldheidvan zaaken belemmert mij — maarkoom ik eens tot rust, dan —.. En nu ,zijne omftandigheden veranderen; de belemmeringenworden opgeruimd ; hij , nu in meerruste leevende , heeft de handen , gelijk menzegt , thands ruim — wat wordt er nu vanalle zijne voornemens , en van zijn vütirigverlangen, om wat nuttigs ter hand te flaan ?Niets. Of lustloosheid bedwelmt hem ; ofvermaaken vervoeren hem ; of hoogmoed belemmerthem — immers, veele zwaarigheden,zoo hij voorgeeft , verhinderen hem. Duswordt dc gunstige gelegenheid om wat goedste doen, verwaarloosd, en hij die er opwacht, bedroogen! — Een beftaan en gedrag,zeer fchandclijk en fchadelijk ! Wanneer Godons rust cn vrede fchenkt, dan roept Hij onstot werk , aan zulke gezegende omftandighc.den voegende ; en hij die wijs van hart is ,neemt die gelegenheid vlijtig waar.e avooral EN hoe gedraagen wij ons, omtrent onsvan bun geestlijk en eeuwig belang? —• Hoe meenig per*be'ianï f° on > h o e m e ' e n i S h u i s § c z i n l e e f t Z O n d e' 'l* h e Cleezen van Gods Woord , bijna zonder bidden,zonder oefening van Huisgodsdienst, enin aanmerkelijke verwaarloozing van den open*baaren Godsdienst! en onder dit alles, zonderbehoorelijk aandenken aan ftaat en weg voorGod, aan dood en eeuwigheid! Wordt dit denzul-


i SAMUELS VII. vs. i—16. 495•Kuiken onder het oog gebragt, of doet huneigen geweten hun, over zulk een beftaan,ontrustende verwijtingen ; wat dan ? •— Dekranke zegt: Ais God mij herftelt , en dekrachten vernieuwt. — De zoogende en zorgendemoeder zegt: Als ik dit rustloos gewoel• te boven koome. —• De dienstbaare zegt:Wanneer ik in vrijen ftaat koomende, meestervan mijn' tijd ben. — Dc arme j geperstdoor drukkende behoeften, zegt: Als ik ineene ruimere broodwinning zal gefteld zijn. —De man van veel bedrijfs, zegt: Wanneer ik,eens wat minder te doen , te bezorgen, ennategaan hebbe. — Met één woord ; veelendenken, en zeggen : Wanneer God mij rustegeeft van rondom , en ik in vrede in mijnhuis zitte , dan zal ik met ernst bedacht zijnop de belangen van mijnen onftervelijkengeest. — Maar wat is dc uitkoomst ? —Doch laat mij, eer ik deeze vraag beantwoorde, herinneren , dat fchoon het waarheid is,dat het eene beroep, de eene omftandigheid ,cn kvensftand , tot meerder afleiding en verzoekingengelegenheid geeft, dan de andere ;het echter eene volftrekte onwaarheid is, dateenig eerlijk beroep , of dc getrouwe waarneemingvan het zelve, aan iemand het behartigenzijner eeuwige belangen zou ondoenlijkmaaken. — Maar, opdat ik de gemeldevraag hervatte. — Wat is de uitkoomst ? —Offert de herfteldc kranke niet dikwijls nieuwekrachten aan ouden zondedienst op ? —Geeft


49*5 XLIII. L E E R R E D E .Geeft de afgefloofde moeder , tot rust gekoo*men, zich niet toe, in zorgelooze ongevoelig-"heid ? — Werd niet meenig dienstbaare , uitmenfehendienst ontflaagen zijnde , een openbaareen kennelijke flaaf of flaavin der fnoodftezonden ? — Zag men den behoeftigen, in ruimereomftandigheden gebragt, niet meenigwerf,in plaats van God te zoeken, de weereld en degrootsheid deezes levens najaagen? — Geeft dcman, uit veel en zwaar bedrijf tot rust gekoomen, zich niet dikwijls over aan vleeschliikgenoegen; zijn heil daar in ftellende, dathij , gewoel cn gevaar ontworsteld, nu nogcenigen tijd vermaaklijk zal leeven ? — Hoedwaas , hoe ondankbaar , Waarde Hoorders!Uitwendige vrede en rust, is een onfehatbaarvoorrecht ; maar het gebruik dat wij er vanmaaken moeten , is groot en gewigtig. —Och ! of zij , welken de Heer daar mede begunstigt, in dien hunnen dag bekenden , wattot hunnen vrede dient!3. HET TWEEDE dat wij hier aanmerken*En dat is dit: „ Een godvruchtige, daar hij met dank-ren dienst tende, zegt: Zie, ik woon in een cederen huisT g M " b a a r § e n o e S e n e r k e n t ? d a t d e ^ e e r hem naargeTin „ en in zijne uitwendige omftandigheden zew' •• » g e n t 5 i s verre van daar in te berusten, eno rne'verT 1„ verlangt, om zijn vermogen aantewenden,mnzensJ}ter bevoordering van 's Heeren dienst enttPtHee-.s' e e r c "- ~~ David , in vrede in zijn huis zit-aanlegt.Z i e t d a a r z ij n gdankbaarheid! — Hij verklaartzijne


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 497zijne begeerte, om den Heere een huis te bouwen.Ziet daar zijne gezindheid, ter bevoorderingvan 's Heeren dienst en.eere. —• God, 0 ' 7 »eW. H. , heeft ons Vaderland op buitenge-rm\woone wijze gezegend. Och of wij meer en rustende,beter gedachten , hoedaanigen wij wijleer wa- ^nlunneren , wat wij nu zijn , en hoe wij dit gewor- vennotenzijn (m) ! — Heeft God niet veele fa- & c n s '. milien zeer grootlijks bevoorrecht, en redengegeeven , om met aanbidding en verwonderingte zeggen : Zie, wij woonen in cederenhuizen I — Heeft God ons Vaderland in 'tgemeen niet ruste gegeeven , van alle onzevijanden rondom ? Zaten wij niet vredig onderonzen wijnftok en vijgenboom, terwijl eldersvuur en zwaard alles verwoestte ? —Zijn er geene bezondere huisgezinnen en perfoonen, welken de Heer uit kommerlijke onrustgered, en in gezegende omftandigheden, zelfsboven verwachting , geftcld heeft ? Denkenwij elk eenige jaaren terugge, en wat ons wedervaaren is.jD A N hoe hebben wij ons voor God enmenfchen gedraagen? — Zouden er niet weezen,die, in ftede van met dankbaar genoegenin hun huis te zitten, onvergenoegd met hunhart buitens huis zweevcn, en zelfs dat vanhun-(m) Men leeze hief over, WITS, Twist desHeeren met zijnen Wijngaard, Hoofdfc. XII. Blz. 111,IV. DEEL.Ii


4 98 XLIII. L E E R R E D E .hunnen naasten inneemen ? — Zouden .er ookzün , die , reden hebbende om vergenoegd inhun huis te woonen , geene rust hebben ,maar geftadig woelen, om ook, zoowel als degrootftcn van ftad en land , in een cederenhuis tc woonen; huis en kinderen tot verarming,en onherftelbaar bederf? — Zoudener ook niet zijn, wien de Godlijke Voorzienigheidgelegenheid gaf , om' in ruste vanrondom, en in vrede te leeven, doch die doorhun onrustig hart, trotschen hoogmoed, bitterewraakzugt, en woelende driften, rustlooso-edreeven wordende, hun huis beroeren, hunnevrienden van zich verwijderen , zich alomvijanden verwekken , en fchijnen te woonenom te woelen , en te leeven om te twisten?— Welk eene ondankbaarheid tegen God 1Welk eene woede tegen zichzelven ! Welkeen verdriet voor medemenfehen ! Welk eenefchuld der zonden!Enande. DAS het zij zoo; men hebbe ruste vanren heficero n ciom , en woone vergenoegd, zelfs in eentZmogen cederen huis; verlangt men wel, om zijn verniettot mogen te koste te leggen , ter bevoorderingiST" van 's Heeren dienst en eer ? — Zouden erniet zijn , die , naar genoegen woonende, hetvette eetende en het zoete drinkende, zichmet geen ander werk bemoeien, dan hunnenbuik ten god , en hun huis ten afgodstempelte ftellen ? Welk eene laagheid ! welk eenedwaasheid! — Doch het zij zoo; men hebbege-


2 SAMUELS VII. vs. i—16. 499genegenheid, om van het geene men bezit, tendienste van anderen iets te befteeden. Wie ,en, wat zijn de begunstigde voorwerpen ? Ishet 's Heeren dienst ? 's Heeren, eer ? Zijn erniet, die, hier over hoorende fpreeken en beraadflaagen,zeggen: Waar toe dit verlies ? —Om hoogten der ijdelheid te bekostigen , isveeier hart en hand gereed; maar om eenenfteen aan 's Heeren Tempel bijtedraagen — ikwil zeggen , iets tc helpen toebrengen , totbevoordering van 's Heeren dienst, voordplantingvan waarheid en godvrucht, oprechting' van Gemeenten , christelijk onderwijs der| jeugd, hulp en troost van verdrukten en ver-I dreevenen om der bijeenkoomsten wille , enI O.pbouwing of onderhoud van eenen Tempel,• eene plaats, ter oefening van den openbaaren] Godsdienst — om hier toe , zegge ik ietsaantebrengen , zijn de overleggingen en gefprekkenveel, en verveelend langdraadig. EnI wat is eindelijk het befluit ? Daar aan doen« wij niet! — Maar kan dit een befluit en taalvan den vermoogenden Christen zijn? van denI Christen, die zulks niet enkel in naam, maarook in daad is? — Het is zoo; gebouwen ter1 -oefening van 's Heeren plegtigen dienst, bejhoeven geene koninglijke en kostbaare palei.1 zen te zijn; maar is het wel betaamelijk, datze door bouwvalligheid gevaarlijk worden, of: door morsfigheid en verwaarloozing, eer °e->t fchikt fchijnen tot berging van vee, dan tot©efening van 's Heeren plegtigen dienst ? Deli *waars**


5oo XLIII. L E E R R E D E .waare , en tevens vermoogende Christen , ineen cederen huis woonende , kan niet nalaaten,bezorgd te zijn over alles, wat 's Heerendienst en eer betreft, en dezelven kan be- 'voorderen. En, gedankt zij de Heer! er zijnnog in Nederland , die meer of min denken,fpreeken, en doen, als David.Ooi, dat a. LAAT onze DERDE aanmerking zijn:niet aiie,, ^lles. wat, op zichzelven aangemerkt goedzkl-ei- " en betaamelijk, in het hart van den godvengoedi vruchtigen opkoomt , en van verflandige't/üJr't 11 vroomen tevens wordt goedgekeurd, moet«fkoomt,wdaarom met gehouden worden, op eene be-""l""' £ zondere wijze van den Heere, en ons tengbandT- '„ regel te zijn''. — David, hoorden wij, hadling kan - n z» n n a r t ?d c nHeere een huis te bouwen.firekken.d i t g Q e d > £ n d e H e e r z e ] f p r ij ? t ;die gezindheid in David. En nogthans keurtdc IIccr de uitvoering van die gezindheid af--— Menfchen , op deeze waarheid niet behoorelijklettende, kunnen ligtlijk denken, en zeggen: „ De Heer kwam mij daar en daar medeyoor; gaf mij dat onderwijs; bepaalde daar bijmijn gemoed. Ik vinde mij des overreed, omdat ter hand te neemen , om dien weg inteflaan".Het kan zijn, dat ook anderen hierop zeggen: „ Gewislijk, dit is van den Heere.Gaa heen, doe wat in uw hart is ; want deHeer is met u". — Dan hoe lag hier de zaakmet David ? was zijn voornemen om denHeere eenen Tempel te bouwen, een onderrech-


2 SAMUEL'S VIL VS. I—16. 501rechtend en beveelend voorfchrift , door's Heeren Geest op 1 eene be^ondcre wijze hemingegeevcn ? Neen; het was de opgaave vaneen godvruchtig gemoed., aangezet en beftuurd, door het befef van betaamelijkheid,en beiangneeming in den Godsdienst. Lofwaardigop zichzelven ! / Maar het was geenszinseene verpligtende bepaaling van Davidshart, door 's Heeren Geest. Die Vorst, doorzoo prijslijk een zugt gedreeven,' had, eer hijbefloot om iets aangaande deeze zaak te doen,den Heere moeten raadvraagen ; en Nathanhad hem dit onder het oog moeten brengen.VOORZICHTIGHEID hebben godvruchti- Derhaigenhier noodig. Gemaatigde begeerte tot v e n h b i e rgeoorloofde zaaken , is niet te misprijzen.' fyhÏÏrSterke neiging tot iets, dat in zichzelven, cn !1 *> otii ë-uit aanmerking van de omftandigheden, waarlijkgoed is , is lofwaardig. Blijvende gezind:heid des gemoeds , en zulks in weerwil vanvoorziene zwaarigheden, verdient alle opmerking.— Echter is het hoog noodig , zeer tewaaken , tegen de gedachte , dat het een enander een bewijs zou opleveren, dat die gezindheidop eene zonderlinge wijze van denHeere5jen eene verpligtende roeping zij. Zeerheeft men te waaken, om toch niet, uit aanmerkingvan de gezegde gemoedsgefteldheid,te denken, dat men, als op een' onfaalbaaren.grond, de vervulling zijner begeerte moet ofmag verwachten, en vertrouwend te gemoetli 3zien.


5©2 XLIII. L E E R R E D E .zien. — Immers , dc godvruchtige David , isniet altijd de Profeet David. En het is watanders , of de vroome Nathan eene begeerte,welke op zichzelve goed is , als lofwaardigprijst; dan of hij , als Ziender , eene boodfchapbrengt van 's Heeren wege. — Onbedachtzaamhier te werk gaande, kan menzichzelven , bij de uitkoomst van zaaken , ingroote ongelegenheid , cn bedroevende verwarringenbrengen. Geloof en verwachting,moeten ook eenen beteren , eenen vasterengrond hebben, dan fterke en blijvende begeerten.En wat zou het zijn, wanneer twee ofmeer godvruchtigen , ten aanzien van dezelfdezaak , ftrijdige begeerten , ftrijdigen ernst,en ftrijdige verwachting hadden ? kunnen diebeide van den Heere zijn ?WAT dan ? — Het zij zoo ; de godvruchtigehebbe eene ernstige begeerte, om iets tezijn, te genieten, of te doen, dat op zichzelven, cn uit aanmerking van alle omftandigheden, waarlijk goed is — het zij zoo , dathij overreed is , dat zijne grondbeginfelen enoogmerken goed, en den Heere welbehaagelijkzijn —• het zij zoo , dat anderen , ook menfchenvan doorzicht, zulk eene begeerte goedkeuren; het blijft echter noodig, onder hetoog te houden, dat ons hart een diep ding is— dat wij blootliggen voor zelfvleierij enmisleiding — dat wij, met opzicht tot voorwerpenen zaaken buiten ons, flegts aanziendat


i SAMUELS VIL vs» i—16. 503dat voor oogen is — dat wij meer geneigdzijn, het oor te leenen aan eenen inftemmcndcnen aanmoedigenden Nathan , clan aaneenen afraadenden Mo fes (n). — Veiligsthandelt hier de godvruchtige, dat hij zijne begeertebiddend voor den Heere brenge , dochmet waare onderwerping aan 's Heeren wil;den Heiland navolgende, die bad: Vader! nietgelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt. — Voorzichtiggedraagt hij zich , wanneer hij, zijnebctaamelijke begeerte involgende , verftandiglijkachtgceft op het beftuur der GodlijkeVoorzienigheid, en zich wacht van onbetaamelijkte dringen , daar de Heer hem fchijnttegentekoomen. — Wijslijk gedraagt hij zich,wanneer hij , wel onderfcheidende , wat hijnaar Gods Woord en roeping meet, en wat hijzou moogen doen , het eerfte met vlijt behartigt, en, ten aanzien van het tweede , dieoverheerlijke les zorgvuldig in acht neemt:Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt (o). —•Laat het, o Christen, uw heerfchende toelegzijn, om , het zij inwoonende, het zij uitwoonende, den Heere in alles welbehaagelijkte weezen.rl. ZAGEN wij, dat de Heer, en David en Verder,n d eNathan , van hunne misvatting op zulk eeneH g e r..aangenaame wijze onderrechtte j wij leeren er volk va..jjjj. der lijk onderreebt.(n) Numeri XIV: 40—45. (0) Efeezen V: 15.~ • . - ü 4


504- XLIII. L E E R R E D E .uj t— en dit zij onze VIERDE aanmerking:„Dat de Heer zijn volk', wanneer zij uit„ een godvruchtig beginfel een voornemen„ opvatten , welks volvoering niet overcen-„ koomt met zijnen Raad , vaderlijk onder-„ recht ; zijnde zij dan ook verpligt, zich„ naar die onderrechting te gedraagen". —Uit een godvruchtig beginfel, kan de vroome,gelijk wij hoorden , opgewekte begeerte voeden, tot het verrichten of genieten van iets,dat op zichzelven goed is; en wat ontwerpenkan hij niet al maaken ! met welk een' ernstkan hij die ontwerpen ter hand neemen envoordzetten ! En wat zou , wierd men nietdoor 's Heeren beftel verhinderd , niet al ondernoomenworden ! Wij kortzichtige ftervelingen,denken ligtlijk, dat het genoeg is, dateene zaak welke wij begeeren, op zichzelvegoed zij ; maar de omftandigheden van tijd ofplaats — de betrekking van deeze zaak, totveele andere zaaken •— de gevolgen die dezelve, in zekere omftandigheden, hebben zou,cn de verwarringen welken daar uit zoudenontftaan ; zijn meestal buiten het bereik vanons gezicht. En de fchakel der dingen , metoneindige wijsheid in Gods Raad beraamd, isons volftrekt onbekend. Hier uit volgt," datals wij meenen wel te befchikken , wij dikwils,indien ons befchik tot ftand kwam, onsbijster zouden verwarren.DAS


i SA'SIUE-LS VIL vs. i—16. 505:DAN wat doet de Heer? Vaderlijk'geeftHij zijnen kinderen onderrechting. — En hoé? -Nu geeft Hij hun een klaar inzien in zijnWoord, en bepaalt hun gemoed bij eenige beftuurendconderwijzing, in het zelve te vinden.—-'Dart''befchikt de Heer, door zijne:Voorzienigheid, zulke gevallen,-en S zulk;een' -faamen'Ioop' Van' tijden en zaaken % wel-'ken verftaanbaar zeggen : Zié" af van uwe 'bc'--geerte , en-laat uw ontwerp' Vaaren. -r- Of,de Heer brengt hen fomtijds-'- onverwacht,-immers nadfuklijk, tot 1 nadenken;''bij welk indenken, men iets opmerkt, dat -bij Veelvuldig'beraad, de aandacht ten'eenemaaï ofitvlugt;was, doch nu• opgemerkt zijnde, hert' döetzeggen: Gedankt zij de Heer! ik ftaak, altha'nsvoorals nog , mijn 'voornemen.cOf de^Heer gebruikt ook Wel den dienst van eenenNathan ; het hart en den 1mond van eenen fLeeraar, die geheel onkundig is van het geen'in 't gemoed van den hoorder omgaat, zoobeftuurende , dat hij zulk een geval, zulkeoverleggingen, zulke ontwerpen, en hoe ziclidaar in te gedraagen , zoo duidelijk ,• zoo gepastvoorftelt, dat zulk een hoorder metdankzegging erkennen moet: Heer, Gij hebtmij raad gegeeven! — Ook gebéurt het, datin de godvruchtige oefening - van dc gemeenfchapder heiligen, zulk een gefprek gevoerd,zulk een geval verhaald , zulk eene onderrechtinggegeeven wordt, welken de flilleli 5hoor-


5o6 XLIII. L E E R R E D E .hoorder opmerkt,zijn nut gebruikt.ter harte neemt, en totWelkem- MAAR wanneer de Heer dus vaderlijk onmgmenderrecht , dan is de godvruchtige ook vertevolgen pligt, zich naar die onderrechting te gedraahu* H ' gen. Dit kan , ja , moeilijk vallen ; vooral,wanneer de begeerte diep geworteld , de gezetheidfterk , en de ontwerpen , zoo menmeent, wel bedacht zijn. — Het hart zegt:„ De zaak zelve is goed". Het zij zoo;maar zal ze u, thands, en in deeze omftandigheden, en na verloop van dagen en jaaren,goed zijn ? — „Ik heb thands middelen en„ vermogen". Het zij zoo ; doch het is watanders, te kunnen, wat anders, te moogen, watanders, te moeten. — „ Ik heb nu ruste van„ rondom, en dus goede gelegenheid". — Hetis zoo, noch vermogen, noch gelegenheid omwat goeds te doen , moogen immer verzuimdworden; maar kunnen beide niet ten nutte wordenaangelegd, dan alleen in het geen gij thandsbegeert ? Men trachte, en vermogen en gelegenheid, met verloochening van eigen zin,aan 's Heeren wil ootmoedig te onderwerpen.Ongelukkig , wanneer men , door eigenzinen eigenwijsheid vervoerd , in weerwil van's Heeren Raad , zijn opzet poogt doortedrijven,en zoo lang twist, totdat men , aanzichzelven gelaaten , in de verbeelding vanwat goeds te zullen doen , kwaad doet tegenGod,


2 SAMUELS VIL vs. r—16. 507God , tegen zichzelven , en zijne evenmenfchen!n. HEBBEN wij gezien, dat God, offchoon Nog, datde Heerzijnen knecht David met uitneemende voorrechtenbegunstigende , hem nogthans de eer zichtenaan de in-en het voorrecht weigerde, van zijnen Naam van zijnebegunstig*den Tempel te moogen bouwen ; laat ons — de kin derenwijs-en dit zij onze VIJFDE leering — er uit opmerken: „ Als God aan menfchen, bezonder ien fielt.lijk paa­„ aan zijne kinderen , groote voorrechten„ fchenkt, dan fielt Hij doorgaands aan hun-„ ne verdere uitzichten wijslijk perk en paa-„ len". — God begunstigt de menfchen in helgemeen, cn fommigen grootlijks; zijne kinderenbovenal, daar Hij hen zegent met geestrijkeen hemelfche zegeningen. Dan deezerkunnen, door aanleiding van die voorrechten,verregaande uitzichten maaken. Men is irdien fland; ja, en dit is een voorrecht; doel Idie moet, zegt het hart, flegts eene laddeizijn, om tot een' anderen opteklimmen , dienog verkiezelijker is. — Men heeft geliefde erlievende vrienden ; maar dees en die moetenook vertrouwde vrienden worden, en dit zoimeer tot eer en vergenoeging ftrekken. — !Men heeft eenigen invloed ten goede , opzulk een' perfoon, genootfehap, of lieden varbewind ; maar men moest dien grooter.Iterker, en algemeener hebben. — Men is wein de gelegenheid, om nuttig te weezen; maaite zeer beperkt, in te klein een' kring, en telaag[


5o8 XLIII. L E E R R E D E .laag een' rang. Met één woord , men kan,ja , eene tente fpannen ; maar , zal het' welzijn , men moet wat groots doen, men moeteenen Tempel bouwen. — In dit alles kanwat goeds , maar ook ligtlijk veel verkeerdszijn. Dan hoe dit zij ; wijslijk beperkt deHeer niet zelden die verre, die grootere inzichten.Onaangenaam kan ons dit vallen. Maarlaat ons toch vraagen: Zou de vervulling mijnerwenschen , zou dc verkrijging :van. hetgeen ik , het zij meer heimlijk, het zij meerkenbaar, bcjaagc, mij wel nuttig zijn ? ' Zouik, eenen Tempel willende Itichten , er ookeenen Toren van Babel bij willen bouwen?Zou rik , wat goeds willende bevoorderen,ook , en voornaamlijk, mijn eigen belang beoogen?Zijn de voorrechten, welken de Heermij fchonk, niet boven verdienste, en groot?Heb ik, in den kring, waar in de Voorzienigheidmij plaatste, geen werks genoeg ? — Geloof, o Christen , God is wijzer dan gij.God zegt : Dit zal David doen ; cn dat zalSalomo doen.En dat de 1. HEBBEN wij gezien, dat God, daar Da-Heer de ' y H E M een., huis wilde bouwen, dien Vorstliefde van * • . • J 1' •zijnveik belooft, hem ccn huis tc zullen bouwen; wij'woJdT;'— 55 Dat de Heer de liefde .van zijne kindc-„ ren genadiglijk beantwoordt ; ook wel daar„ mede , dat Hij hun huis bouwt". — Diewat goeds voor den Heere poogt tc doen,heeft


'2'SAMUELS VII. vs. ï—16. 50$heeft bij de weereld flcgten dank te wachten.Koningen zelfs, en Vorsten — Nehemia zijhier getuige — hebben dit ondervonden.Gebeurt u dit, o Christen ; gij weet, het iseen klein verlies. Het zou ook dwaasheidzijn , op 's weerelds erkendtenis rekening temaaken. — Weet dit , uw arbeid zal nietijdel zijn'in den Heere. En kunt gij niet bearbeidenof uitwerken, het geen gij, uit goedebeginfelen, en op eene godvruchtige wijze,gaarne hadt willen doen; de Heer !— weesdes verzekerd — neemt een welgevallen inïiwe goedwilligheid, en zal toonen , een beloonerte zijn der geenen die Hem zoeken.En groot is uw loon in de hemelen!IN de hemelen, ja! — maar ook niet zei- ook indenden op aarde. God beantwoordt meenigmaal *'i a 'de liefde van zijne kinderen, ook daar door,dat Hij hun huis bouwt. — Het is zoo, eris , die zegt: Ik gaa zonder kinderen * heen,en de bezorger van mijn huis , is deeze Damasceener, Eliczer. Het is zoo , er is, diezegt: De Heer had mijn huis gebouwd, dochheeft het weder afgebrooken, zeggende: Schrijfdeezen man kinderloos. — Maar gij weet,godvruchtigen, de Heer heeft meer dan éénenzegen. En zal Hij, die u zijnen Zoon gaf, uniet alles met Hem fchenken ? — Dan er zijnbewijzen , dat God hun , die lust hebbtn omaan zijnen Tempel te bouwen , een huisbouwt, het zelve zegent, en beftendig maakt.Dit


%5. t oXLIII. L E E R R E D E .Dit is ook optemerken , en te erkennen. Erwaren immers in ons Vaderland, die voor.heen , in benaauwdheid der tijden , 's Heerenhuis poogden te bouwen, alles wat zij in deweereld hadden daar bij opzettende ; en wiernakroost, in Kerk en Staat kenbaar gezegend,tot bewijzen ftrekt, dat God hunner vaderenhuis gebouwd heeft. En wie , die deeze nakoomelingenbefchouwt, gedenkt niet aan hunneeerwaardige Voorvaderen , God dankende,die den arbeid der liefde , zijnen Naame beweezen,nog in het laate nageflacht gedenkt,en vergeldt ? — Dan gij, ouders , wien deHeer een huis gebouwd heeft, waakt toch,dat gij nimmer , door raad of daad , de handleent aan het af breeken van 's Heeren Tempel.Gij zoudt eenen vloek op uw huis brengen.Mogt gij zeiven, met de uwen, als leevendefteenen aan 'sHeeren Tempel gebouwd,in uwen ftand deszelfs bouw helpen bevoorderen! zoo zoudt gij ten zegen zijn , en op's Heeren zegen moogen wachten.Eindeliik,?• WIJ hebben gezien, dat de Heer, Daviddat Jefus 0p het hoogfte willende verecren en verblij-SS.den, en daar toe hem een zaad, en beftendigzegen is. Koningrijk beloovende , vooral den Mesfias,en deszelfs eeuwigduurende Heerichappij toe-• zegt. Laat ons — en dit zij onze ZEVENDEleering — daar uit opmerken : „ Dat Jefus„ Christus het grootfte Gefchenk van God»,, en ons allerzaligst is". — Groote dingen bepJoofde


2 SAMUELS VIL vs. i—16. 511loofde God, en fchonk Hij aan David ; maarde verwekking van den Mesfias uit hem, gingalles te boven. — Veele voorrechten fchonkGod aan ons, aan Land en Kerk, aan fommigehuizen en perfoonen , zelfs op zeer kenbaarewijze. Er zijn ook zegeningen, welkenwij van den Alzegenaar , met onderwerping,biddend moogen begeeren. En er zijn , diegeene onwaarfchijnelijke verwachting hebben,op het geen hun billijke reden tot dankbaareblijdfehap ftaat te geeven. Het een en anderis groot, en verfchaft ftof om te vraagen:Wat zal ik den Heere vergelden ? — Dan,het grootfte dat God ons geeft, is zijn Zoon,en het Genaderijk , door Hem verworven enopgerecht, met al het heil daar door aangebragt.Deelen wij niet in veele voorrechten,welken God aan David beloofde , en fchonk;wij moogen deelen in zijn beste deel. Och!of wij de Gaave Gods kenden ! En Salomo,en een luisterrijk nakroost door hem , wasvoor David een zeer begeerelijk gefchenk.Maar hoe dierbaar moest Davids Zoon onsweezen , die Davids Heer is; die den vredemet God voor zondaaren verwierf, en fchenktaan hun , die in waarheid tot Hem koomen!Hoe begeerelijk moest ons het deelgenootfchapzijn , in een Koningrijk , dat hemelsch , volftrekteeuwigduurend, en eeuwig zaligend is!•— Wat is het toch, arm zondaar, dat gij hieromtrent onverfchillig , en ondanks des Heerenroeping, afkeerig blijft? Uwe aardsebgezind,heid.


0ÉB XLIII. 1 L E E R R E D E.heid' doet u meer begeerelijks zien in Davids/Kroon, dan in Davids grooten Zoon; meer inDavids Koningrijk, dan in Jefus hemelsch Koningrijk;meer in Davids goed, dan in Davids— Welk eene dwaasheid! . David, ftervcndc, moest alles wat aardsch was , verlaaten.Dit ftaat u, en misfehien eerlange ookte gebeuren. En wat zult gij behouden jwanneer gij alles, ook uwe kostelijke ziel,verliest ? Niets , .dan eeuwig naberouw , eneen eeuwig verderf! — Och! dat gij. uwedwaasheid zaagt! dat gij naar een' roependenChristus , ! naar eenen genade aanbiedendenKoning, hoordet, en den fepter, welken Hiju toereikt, wildet kusfen ! Zoo zoudt gij leevenin 's Konings gunst, en flervcndc , eeneeuwig Koningrijk beërven.En deeze ! DAN, godvruchtigen, is Jefus Christus dezegen g rootffe Gaave van God , cn u allerzaligst;vronen laat dan het deelgenootfchap aan dezelve , albemoedi-j e sjjjjuoverweegen. — Onthoudt God us e n' het een en ander, dat op zichzelven begeere-|te — ja, zegt misfehien iemand, al veel'.Het zij zoo. — Verliest gij hier, 't geen udierbaar was? Ook dat gebeurt. — Verkrijgtgij niet, het geen gij met grond meendet temoogen verwachten ? Dit kan fmertcn. —Geeft God u voorrechten ? groote zelfs, enboven verwachting ? Wccst ootmoedig dankbaar.— Maar, wat gij mist, of wat gij bezit; laat Jefus Christus , en zijn Eeuwig Koning-


5 I 4XLIV. L E E R R E D E .XLIV. L E E R R E D E ,2 SAMUELS V I L vs. if—29.• 17. Nae alle defe woorden , ende nae dit gantfche gefichte; alfoo fprack Nathan tot David.18. Doe gingh de Koningh David in, ende bleefvoor het aengefichte des HEEREN: ende hyfeyde; Wie ben ick, Heere HEERE, ende wat•is' mijn huys, dat gy my tot hiertoe gebracht hebt?19. Daer toe is dit in uwe oogen nogh kleyngeweest', Heere HEERE, maer gy hebt oockaver het huys uwes knechts gefproken tot vanverre henen : ende dit [nae] de wet der menfchen,Heere HEERE!20. Ende wat fal David nogh meer tot ufpreken ? want gy kent uwen knecht , HeenHEERE!11. Om uwes woorts wille, ende na^uw hertehebt gy alle defe groote dingen-gedaen ; om auwen knecht bekent te maken.22. Daerom zijt gy groot, HEERE Godt;want daer is niemant gelijck als gy , ende daeren is geen Godt dan alleen gy , nae alles, datwy met onfe ooren gehoort hebben.23. En wie is, gelijck uw volck , gelijck Israël, een eenigh volck op aer den: 't welck Godtis henen gegaen fich tot een volck te verlosfen,ende om fich eenen name te fetten, ende om vooUlieden


è SAMUELS VII. vs. 17—29. 515nlieden defe groote .ende verfchrickelicke dingen tedoen aen uw lanf , voor het aengefichte uwesvolcks, dat gy u uyt Egypten verlost hebt, d&Heydenen, ende hare goden [verdrijvende]?24. Ende gy hebt Uw volck Israël u bevestigt,u tot een volck , tot in eeuwigheyt: ende gy,HEERE, zijt hen tot eenen Godt geworden.- 25. Nu dan, HE ERE Godt , doet ditwoort, dat gy over uwen knecht, ende over fijnhuys- gefproken hebt, beftaen tot in 'eeuwigheyt:ende doet gelijck als gy gefproken hebt, -26. Ende uwe naem werde groot gemaeckt totin eeuwigheyt, dat men fegge ; De HEEREder. heyrfcharen is Godt over Israël: ende hethuys uwes knechts Davids fal befteüdigh zijnvoor uw aengefichte.27. Want gy HEERE der heyrfcharen,:gy Godt Israëls , gy hebt [voor] de oore uwesknechts tfeopenbaert , feggende ; Ick fal u een•huys bouwen : daerom heeft uw knecht in fijnherte gevonden, dit gebedt tot u te bidden.28. Éu dan, Heere HEERE, gy zijt dieGodt , ende uwe woorden fullen waerheyt .zijn :ende gy hebt dit goede tot uwen knecht gefproken.29. So believe 't u nu, ende fegent het huysuwes knechts , dat het in eeuwigheyt voor uw'.aengefichte %y: want gy Heere HEERE hebt. [het] gefproken $ ende met uwen fegen fal mmknechts huys gefegent worden in eeuwigheyt.Kk£HES;


5i6 XLIV. L E E R R E D E .Bewezen ITITET ontvangen van groote weldaaden,j e t da £ srJKL m o e t b i d e ni beweldaadigdcn grootedenmtT dankbaarheid uitwerken. Niemand ontkentr t d t ndit. — Ik zegge niet, dat zij dit uitwerken.dt7kend! rWant de ondervinding leerde , van alle eeuwen, dat de uitneemendfte weldaaden vaakmet fnoode ondankbaarheid werden beantwoord.Doch Gods Woord, en de reden, leerenook, dat dit een bewijs is, niet flegtsvan een door de zonde bedorven hart, maarvan een verftokt, van een verwoest hart. —Een beweldaadigde, die aan de infpraaken derreden gehoor geeft , en nog meer en beterzulk een, die door Gods Geest geheiligd, aan's Heeren Woord gehoor geeft , erkent nietflegts, dat dankbaarheid zijn pligt is, maar zeis zijn lust, zijn aangenaamst vermaak. Eengodvruchtig mensch, is een dankbaar mensch fen zulks , jegens weldoende menfchen —vooral jegens den weldoenden God. En evendit maakt hem bij God en menfchen beminnelijk.Celïjk tok I s er iets, waar in onze David uitmuntte;David j s e rj c t s ? w a a rdoor hij zich beminnelijk" ' maakc — het is zijne dankbaarheid. Dankbaarwas hij jegens menfchen. Hij was bezonderdoor Saul en Jonathan bewcldaadigd;maar dit erkende hij ook aan beiden. Deblij-


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 517blijken hebben wij voorheen gezien. — Beweldaadjgdwas hij, vooral, door den Heerezijnen God. Wat al voorrechten had de Heeraan deezen zijnen knecht gcfchonken ! Dieallen optenoemen , duldt thands de tijd niet.Wilt ge in eens alles zien? Slaat dan het oogop Bethlehems lustige velden. Ziet daar, vanverre , eenen Jongeling, met den herders flafde fchaapen weidende , cn met een fpeeltuig,in het open veld , zich al zingende in denHeere verlustigen. — Wendt u nu op eenmaalom , naar Sions burg, en ziet daar dienzelfden Jongeling, nu een man geworden, zittendeop Israëls troon , den koninglijken fepterzwaaien , en woonen in een cederen huis.Ziet hem, onder dat alles, van zijnen God geliefden begenadigd. Hoe grootlijks is Davidbevoorrecht! Maar gedenkt er bij, de uitneemendebeloften , welken hij , zoo als wijlaatst hoorden, door dienst van den ProfeetNathan ontving. Dit , zeker , gaat alleverbeelding te boven ! — Dan ziet ook —daar wij thands het oog op moeten vestigen— Davids dankbaarheid. Bijna zoo veel Psalmenals wij van hem leezen, zoo veele dankbetuigingenleezen wij; maar nergens boezemthij zijne dankbaarheid met zooveel nadrukuit, als in dat gedeelte der heilige Gcfchiednis,welk wij thands moeten behandelen. —Daar hooren wij , hoe Nathan aan David bericht,het geen de Heer hem in last gegeevenhadde. — Daar zien wij David , op hetKk 3ont-


5i8 XLIV. L E E R R E D E ,'ontvangen van dat bericht, diep getroffen,én ootmoedig den God zijner goedertierenheiddank betuigen.A. TER verklaaring deezer ftoffe,Door Na- $. HOOREN wij, voor EERST, Nathan* h üeren a a n D a v i d bënöhtd o e nïv a nhet geen dewege" 'Heer hem in last gegeeven had. Naar allericht ont. fc eze w00fd en, en naar dit'ganfche gezicht, all7bfelde,ofprak Nathan tot David. — Dees Godsmangaat tot David. Wanneer? Zekerlijk bijde eerfte gelegenheid. — Hoe legt hij zijngefprek aan ? Wat inleiding of aanfpraak gebruikthij ? Dit leezen wij niet. Wij willenbier ook niet gisfen. — Hoe was Nathan gc^ftcld? Eenigermaatc kunnen wij dit uit deninhoud van zijne boodfchap opmaaken. Hijmoest zijne eigen gedachten en woorden lijnrechttegenfprecken , zijne voorbaarighcid belijden, zijn' eerst gegeeven raad ontraaden,en zijne gedaane verklaaring herroepen. —Waanwijze hoogmoed möoge , het geen eenmaalgezegd of aa'ngeraaclen is , hardnekkigverdeedigen ; ootmoedige godvrucht wil gerecdüjkbelijden: Heer, ik fprak naar ik wist;nu zie ik, dat ik fprak het geen ik niet rechtwist! — Dit zien wij , Nathan deed zijneboodfchap getrouwlijk. Niets verzweeg .hij,uit menfehenvrecs ; niets voegde hij er, uitvleizugt, bij — naar alle'deeze woorden, ennaar dit ganfche gezicht, alzoo fprak Nathantot


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 519tot David. — Trouwlooze achterhouding isaltijd haatelijk ; maar in zaakqn van. Godsdienst,is die vooral ten hoogficn te doemen.•— Dus hoorden wij Nathan fpreeken.3. VESTIGEN wij nu het oog op David.Hij hoort; hij hoort met opgefcherptc aandacht.— Welke gemoedsaandoeningen leezenwij in zijn gelaat ? Wat zien wij in zijn gedrag? Was David wrevelig tegen Nathan?.Was hij door nijd ontftooken ? werd hij verdrietig, dat God hem de eer ontzeide, om,gelijk hij voorgenoomen had , den Heereeenen Tempel te bouwen ? was hij tc onvreden, dat God die eer aan zijnen zoon toe-"fchikte ? Neen! wij zien in Davids antwoord— de diepfte vernedering — dc ootmocdigfteonderwerping — dc hartlijkfte dankbaarheid '•— en een geloovig gebed tot God. — Stoffe,'waar in elk deel een voorwerp van gezetteoverwecging oplevert. — Dan^, gedenkende,dat wij dit ftuk voornaamlijk gefchiedkundigbehandelen, zullen wij kortlijk befchouwen:— Davids plegtige afzondering, om den Heereaantcbidden; — en Davids gebed zclven.'DAVID, 's Heeren woord uit Nathans ging bamond, zoo eerbiedig als aandachtig gehoord'"''**^hebbende, ftaat op. Laat ons hem met onzeltTbeiaandacht nawandelen. Werwaards gaat hij ?Toen, dus leezen wij, ging de Koning DavidtewTin. Waar in ? De volgende woorden: voorK k 4j m


5io XLIV. L E E R R E D E .let aangezicht des HEEREN, doen onsdenken aan de Tente , in welke hij de Ark,.den Troon van 's Heeren zichtbaare tegenwoordigheid, geplaatst had. — Maar waaromging David , als hij God wilde aanbidden ,niet in zijne binnenkamer ? De boodfchapaan David gedaan, was groot, gewigtig , envan verre uitzicht; eene boodfchap, waar bijzijn huis, zijn Rijk, gansch Israël, en de Kerkin alle eeuwen, ja in de eeuwigheid, belanghadden. David, dcrhalvcn , wil God ftaate.lijk , plegtig , en openlijk danken , en in hetbijzijn van anderen, getuigenis afleggen. Hijgaat naar 's Heeren Tente , en treedt er binnen.Maar rnet welk. eene gemoedsgefteldheid? Uit het volgende blijkt, dat hij op hetdiepst getroffen was , door befef van 's Heerenvrijmagtige goedheid, wijduitgebreide weldaadigheid,cn zijne eigen onwaardigheid.Mw.tar D A V I D is dan voor het aangezicht desbij bleef, ji Ceren. — Hoe gedraagt hij zich daar ? Hijbleef voor het aangezicht des Heeren. — Dewijlhet Hebrceuwfche woord (a) zitten beteekent,wordt het door verfcheiden dus vertaald: Hij zat voor het aangezicht des Heeren.Dit fchijnt vreemd , alzoo de Jooden,in den plegtigen Godsdienst, niet gewoon warente zitten , maar, of te flaan, of te knie,len, of met het ligchaam zich te buigen,zelfs


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. j


5*2 XLIV. L E E R R E D E .Aldaar zijnde, bleef, vertoefde hij er; om nietalleen den gewoonen Godsdienst te verrichten, maar ook , om plegtig en uitvoerig denHeere aantebidden. — Laat ons dien grootenbidder beluisteren.Om den W IJ hooren hem , den Heer zijnen God^aantehid- ootmoedig danken, voor beweczen weldaaden,den, en te en voor de heerlijke beloften aan hem gedanken,^ m. _—,t e v e n shooren wij hem ernstig engeloovig bidden, om de vervulling van die beloften.— Hooren wij , voor EERST , 's Koningsootmoedige dankzegging, voor het geende Heer •— 1aan hem en aan zijn huis gedaan— en beloofd had — gelijk Ook aangaandevoor bet gansch Israël (g). — David erkent, het geenVe'edVaan^0 ^ e e r a a n b e m c n a a n z *j n ^ c^ s r c sS c "hem ge- daan had. Wié, vraagt hij, ben ik ? En wiefchtnken;' David ? jr en mensch , gelijk andere men-VdeVlVie fchen; een zoon van Ifai; de jongfte zoon uitben ik? zijns vaders huis. 't Is waar, hij had, naarziel en ligchaam , uitneemende hoedaanigheden,, en groote vermogens, 't Is Waar , hijbezat nu,, als Koning, eene groote magt, eenuitgebreid gezag , luisterrijk aanzien , cn dceerbiedige liefde van eene talrijke naatfij. En,het geen dit-alles nog verre te boven ging,hij was , van zijne vroege jeugd af, begenadigd, en een voorwerp van Gods zaligendegunst! David was groot, een gelukkig man.Cg) Vers iS* 1 —21.— Met


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 523— Met dat alles echter , Wie ben ik ? Eengering mensch , een arm zondaar, in mijzcl-\ r en, een onwaardig voorwerp bij God, nietshebbende uit mijzei ven ,' dat mij onderfchcidt.En.Wit is mijn huis ? Zijn huis aangaande ^Xi?was David uit vorstlijken femme, uit Nahesfon,gefprooten (h). Thands was zijn huiskoninglijk. — Maar wat is mijn huis voor U ?Het heeft niets , dan het geen Gij gaaft; hetis met veel gebrek bezoedeld, naar recht'daardoor ftraffchuldig, Uwer gunste onwaardig. —Waare ootmoedigheid, is' de bron van waaredankbaarheid, Dc ftof van Davids dankbaarheidis , ontvangen gunst. Deeze erkent hij.'Dat Gij mij, zegt hij, tot hier toe gebragt hebt. dat GijWaar toe was David gebragt f Als mensch, "^J'toetot'deeze jaaren; als zondaar, 'tot genade; ^gebragtdaar bij, tot de waardigheid van Profeet; als h e b t ?Israëliër , tot den troon. Groot! zeldzaam!Werd ooit iemand verder gebragt ? •— Totzoo verre, zegt hij, had DE HEER hem gebragt.Het is zoo , vrienden hadden hem bijSaul aangeprcezen; dees had hem aan .zijn hofdoen koomen ; Jonathan had hem met zijnevriendfehap vereerd ; het volk had hem tenvoorwerp van liefde en achting gefield; zijnemanfehap had hem dienst en trouw bewcezen;de Naatfij had hem tot de kroon geroepen•— wie , cn' wat niet al! had David tothier toe gebragt ? Dit alles wil de dankbaareQi) 1 Kronijken II: 10—15.Vor^t,


$24. XLIV. L E E R R E D E .Vorst, tot en aangaande menfchen fpreekendc,blijmoedig erkennen, naar vermogen vergelden, en 's Heeren zegen voor en over zijnebegunstigers fmceken. — Dan de vroome Koningziet in der menfchen gunst, zijnes HEE­REN gunst, cn in der menfchen, en eigenbeleid , zijnes Heeren hoog beftuur j hij erkent, in veelen , de onmiddellijke bedeelingder Godlijke genade, en de fchenking dier gaaven,welken hij bezat; dus belijdende: Doorde genade Gods, ben ik dat ik ben. Hij verklaart: Gij , Heer, hebt mij van de lchaapskooi,en van achter de fchaapen, genoomen,en mij ten Voorganger over uw Israël gefield.Gij zijt met mij geweest, waar heen ik gegaanben ; alle mijne vijanden hebt Gij vanvoor mijn aangezicht uitgeroeid, en mij eenengrooten naam gemaakt, gelijk den naam derGrooten, die op de aarde zijn (i). — Dit erkenthij, door dit vraagen. En wel zeer nadruklijk; want hij ftelt tegen elkander , zichen zijn huis , gering en onwaardig — en hetgeen aan hem gebeurd was ; tot hier toe wasbij gebragt. En wie ? Ik en mijn huis. Doorwien? Door den ADONAI JEHOVAH. Doordit vraagsgewijs voorftel, erkent hij, veel nadruklijker, dan hij met moogehjkheid dooreene Heilige verklaaring doen konde, het hooggevoelen dat hij van gifte en Geever had.Ook drukt hij hier door uit, zijne verlegenheid,(0 a Samuels VU: 8, g.


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 525heid , niet weetende hoe zulks behoorelijk teerkennen, en daar voor recht te danken.Daar hij zich niet verklaaren kan, vraagt hij:Heer, wie ben ik ? e. z. v..ERKENT de godvruchtige Koning, met een Ook Janktverlegen gemoed , het geen de Heer reeds gedaanhadde; hij roemt ook, het geen de Heer J ebeloofd had nog verder te zullen doen. — Dit n u behofdbeziet hij zoo groot, dat hij erkennen moet,^'dat alles wat de Heer reeds aan hem gedaanhad, in 's Heeren oogen als klein , en weinigwas. En wat was dit ? Gij, Heer HEER,hebt over het huis uwes knechts gefprooken totvan verre heenen. God had hem beloften gedaan, van de grootheid cn beftendighcid van.zijn huis, tot verre heen, voor eeuwen lang,ja tot in de eindelooze eeuwigheid. God hadhem de geboorte van den Mesfias uit zijn nagedacht, en daar mede een' eeuwig Koning,en ecuwigduurend Koningrijk, toegezegd. —En dit, zegt hij, hebt gij, Heer HEER, ge-en welfprooken, [naar] de wet der menfchen (k). —^"tferVreemd is het niet, dat over den zin van menfchen.deeze korte woorden , de gedachten der Uitleggerenmeer of min verfchillen. Zeker ishet, dat David door dezelven hebbe willenuitdrukken , zijn befef van eigen onwaardigheid, en van de onmeetbaare grootheid derweldaaden, welken de Heer aan hem beloofde.(k) ÜIKII minDeez*


XLIV. L E E R R E D E .Deeze grootheid der weldaaden , kan hier gevondenworden, of in de uitneem cndhcid vanhet beloofde goed, of ook in de zonderlingewijze , op welke dc Heer dc beloften aan Daviddeed. Er zijn uitleggers , die hier deaandacht vestigen op dc_ uimetmendheid vanhet beloofde goed; en de woorden dus opvatten: „ En dit is de wijze van den menfehc ,van den Heere God"; d. i., van Hem, die tegelijk Mensch , cn waarachtig God , zal zijn ;wanneer men de woorden, Heer HEER,opvat, niet als eenen uitroep tot den Heere,maar als eene omfchrijving van den Mensch,den Mesfias , ten aanzien van zijne MenschlijkeNatuur. Of, gelijk anderen de woordenopvatten : „ En dit naar den toeftand der„ menfchen , der ellendige menfchen , Heerj, HEER". Wanneer David door deezewoorden zou zeggen, dat de Mesfias, hoewelonzondig , den menfchen zou gelijk wordem— Het is zoo, de gemelde hoedaanighedenmoeten den Mesfias worden toegekend ;> enDavid , die een Profeet was , wist, dat deHeer hem, in deeze belofte, den Mesfias, enzijn eeuwigduurend Koningrijk, had toegezegd.Echter fchijnt men te moeten zeggen , datdeeze vcrklaaringen eerder eenen zin aan dewoorden geeven, dan dat zij derzelver meereenvouwdigen zin ontvouwen. — Er is, diehet dus verklaart: „ Gij hebt aan mijn huisa, cn nageflacht een befiendig Koningrijk be-„ loofd, en zulks, niettegenftaan.de de orde,„ de


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 527) 5dc opvolgende orde der menfchen, welke„ aan zooveele wisfelvalligheden onderwor-„ pen is , geenen grond geeft om op een„ langduurend, voorfpoedig, en luisterrijk na-„ geflacht te kunnen hoópen". Men merktaan, dat het Hebreeuwfche woord (1) ,hier door wet vertaald , af koomt van eenwoord (m) , dat omgaan, omkeer en beteekent,cn des doet denken aan de wisfelvallige veranderingen, waar aan de opvolgende geflachtender menfchen onderworpen zijn.Davidzou dan zeggen : Heer, Gij hebt mij een bcftendighuis, en Koningrijk in het zelve, beloofd.Dit is groot; maar het wordt te grooter, wanneer ik overweeg, aan welke veranderingendc elkander afwisfelendegcflachtcn,in dc wendtelcndc eeuwen onderhevig zijn. trpAndere Uitleggers meenen , dat David doordeeze woorden bedoelt, met dankbaarheid teerkennen, de wijze, op welke God zijneheuglijke verklaaringcn aan hem had gelievente doen ; t. w., naar menschlijke wijze,menschlijk gebruik.naarHet is den menfchen eigen,voor hunne kinderen cn nagefiacht, zooveelmoogelijk, te zorgen; den Vorsten vooral.Meermaalen zag men, dat deezen , bij hunleven, de opvolging van hun huis en afftammelingenin hun Rijk en Staaten , op allemoogelijke wijzen , zoo binnen als buitenslands,(i) min (m) nn VENEMA, Ilist. Eccl.Tom. I. pag. 488.


$i8 XLIV. LEERREDE.bier van fpreekende , naar menschlijke wijzelands , poogden te verzekeren. Zulk eeneliefdezorg , zegt David, hebt Gij aan mij enaan mijn huis beweezen. Te grooter befchouwthij dit voorrecht, omdat de Heer,Opperkoning over Israël zijnde , vrijmagtigten Koning konde verkiezen, wien Hij wilde.Heer, zegt hij, Gij, die noch aan mij, nochaan mijn huis verpligt waart, hebt vrijmagtigomtrent beide gehandeld , gezorgd, en befchikt,gelijk menschlijke Vorsten, naar rechten billijkheid , omtrent hun nageflacht befchikken.Te meer nog treft de wijze , opwelke de Heer hier fpreekt, Davids hart.Zoo gemeenzaam , zegt hij, zoo uitgebreid,zoo duidelijk , zoo vertroostend, als of, nietde hooge God met een' geringen en onwaardigenftervelingimaar een man met zijnenVriend , fprak. Gij hebt mij, zegt hij elders,verzien met deeze verhooging , o HEERGod (n) ! — Deeze laatfte opvatting koomtons aanneemelijkst voor. — Denken wij Davidstaal met aandacht na. Wij zien er zijnhart in; een hart, vervuld met de leevendigftegevoelens van 's Heeren hoogheid , en eigengeringheid — van de grootheid der beloften, en eigen onwaardigheid —- van 's Heerenonbegrijpelijke goedheid, en eigen onbekwaamheidom die recht te erkennen. Hijroept, des, ten flot, uit: Heer HEERlCn) i Kronijktn XVlh 17.Ziet


a SAMUELS VIL vs. 17—?.g. 529Ziet daar de taal der dankbaarheid , der verwondering,der verlegenheid, der aanbidding!EN wat nu voords ? Veel, en met veel driegennadruk , heeft David , voor 's Heeren aangc- Vinjatzicht zijnde, gefprooken; maar 't geen wij wi verd *f^van hem hooren , gaat alles te boven : En^' ée ' nwat zal David nog meer tot U fpreeken? — Ikbeken, W. H., buiten ftaat te zi jn, om rechtte kunnen nadenken , of met woorden uittedrukken,wat David met deeze vraag al zegt.En kon hij zelf dit niet zeggen; hoeveel minderkunnen wij zulks doen ! Vertegenwoordigenwij ons eene ziel, die lecvendig befeft,wie God is , en wat een zondig mensch is;een gemoed , dat reeds vervuld is met diepegevoelens van dankbaarheid , wegens veeleontvangen weldaaden , en uit dat beginfelwenscht,. den Heere eenen Tempel te bouwen— maar nu verrast wordt, door de aankondigingvan voorrechten , welken bidden,ja denken , te boven gaan ! Vertegenwoordigenwij ons een godvruchtig mensch, diedoordrongen is van een gevoelig befef derGodlijke gunsten; gunsten, te veel, te groot,om met zijn verftand omvat, om in orde nagedachtte worden ; die , ja, begon te fpreeken, en er verder van fpreeken wil — maarniet weet, wat ? — die der woorden vol is —.en geen woorden meer kan uitbrengen; die zichhervatten wil — maar door aandoeningen inverwarring geraakt; die, als in onmagt neder-IV. DEEL.' LI zij-


530 XLIV. L E E R R E D E .zijgende — flegts deeze woorden uitbrengenkan: En wat zal David nog meer tot U fpreeken! — hij kan niet meer — Ja, nog éénen beroept woord : Want, of daar Gij uwen knecht kent,^Heeren H e c r H E E R ! D c C Z e k ° r t e w o o r d e n z e gg e nharten- onnadenkelijk veel! David zegt er mede: Heer,kenms. ^m o e s Êj,e n\\ wilde meer zeggen — maarik kan niet — en ik weet niet wat ik zeggenzal! - Dit fmert mij. Maar is 't wel noodig,dat ik verder trachte , de gevoelens van mijnhart door woorden uittedrukken ? daar uw alziendoog mijn hart doorgrondt , en Gij elkeen mijner gedachten kent ? Gij weet toch,ik ben uw knecht. Gij ziet mijne gemoed; ,gefteldheid; het geen mijn mond niet kan uitdrukken, vertoont cn verklaart U mijn gc-\'oelig hart! —> Ziet daar; godvruchtige dankbaarheidkan zichzelvc niet voldoen in denHeere te danken, maar vindt aangenaamentroost, in dc bewustheid van 'sHeeren alweetendheid.Den Heer WA T nu, David ? Na een weinig veradedankende,mj ng?hervat hij zich. Had hij, zoo goed hijkonde , 's Heeren weldaaden vermeld ; hij zalnu cene pooging doen, om zijn dankbaar hartvoor het aangezicht des Heeren te ontlasten.roemt bij —> Dus vangt hij aan : Om uwes woords wil,i'fj 001 ' m naar U)V' ' hari>a^cdeeze groote din-* gen gedaan, om aan uwen knecht bekend te maaken.•— GrGOt roemt hij alle deeze dingen ,welken God hem door Nathan had doen aankon-


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 531kondigen. Zoo waren ze ook, in hunnenaart, in hunne gevolgen, in hunne duuring;groot voor David, voor Israël , voor deKerk, en in veele opzichten voor de ganfcheweereld ; den Heere tot grooten roem , dooralle de eeuwen heenen , en tot in de eindcloozeeeuwigheid. — Deeze dingen, zegt hij, v jfZf e f*hebt Gij gedaan. God had die gedaan , reeds, ' €ad g e.door die te ontwerpen in zijnen Raad, te be-daan,looven aan de vaderen; en gedeeltelijk had Hijdie uitgevoerd aan hem, David, en zijn volkIsraël (o). — En het geen verder door denHeere zou gedaan worden, had Hij hem doenaankondigen. En deeze aankondiging zelve ,was eene groote zaak , welke de Heer hemgedaan hadde. — Dit alles, zegt hij, hebt Gijgedaan , om uwes woords wil. Wat is dat ïay,woord ? Sommigen denken hier , aan Godden Zoon. En het is zoo , dccs wordt in deSchriften des Nieuwen Testaments, inzonderheidin die van Joannes , meermaalen dus genoemd; ook , zoo als men met reden denkt,een- cn andermaal in die van het Oude Testament.Deeze benoeming wordt , ook elders(p) , naar fommiger gedachten , verwisfcld, met die van 's Heeren knecht. — Liefstechter , denken wij aan het woord der beloften,(0} Vergelijk Vers 7—ÏO.Cp) 1 Kronijken XVII: 19. HEER , om uwesknechts ivil.... hebt Gij alle deeze grootè dingengedaan.LI 2


532 XLIV. L E E . R R E D E .ten, den vaderen, cn ook aan David zeiyen,gedaan. Want fchoon God hier bezondcrheden, en zulks ondcrfcheidenlijk en klaar,aan David belooft; veel echter, aangaande dehoofdzaak, had God hem reeds voorheen toegezegd.Wordt elders dit gezegde dus opgegeeven:Om uwes knechts wil hebt Gij dit gedaan; uit vergelijking van de beide plaatfenblijkt, dat de zin is : Om het woord uwerbeloften, op het welk Gij uwen knecht hebtdoen hoopen , hebt Gij dit gedaan. En danzal.David er mede zeggen : HEER, Gij zijtde getrouwe God ! — Dit, zegt hij verder,en naar hebt Gij gedaan , naar uw hart. Dat is : nietzijnbart;m ? L Y mjj n ewaardigheid, maar naar uw vrijmagtig,wijs, cn gunstig welbehagen. Davidzegt er mede : HEER, Gij zijt de oppermag.tige God'. — Nog zegt hij: Gij, Heer, hebtdit gedaan , om die groote dingen aan uwenen om die knecht bekend te maaken. God had dit alles,"""eiTte W a t H i j ' °° r N a t h a n l i a d l a a t e n a a n k o n d i g c n •>dmaaien' kunnen uitvoeren, zonder aan David iets daarvan te ontdekken ; of zoo Hij dien Vorsthier van iets openbaarde , dit zoo te doen,dat het hem meer of min een raadfel bleef.Maar nu had dc Heer alle deeze dingen zoogedaan, dat Hij hem zijn gunstig welbehagenhad bekend gemaakt, en zulks zeer' duidelijk;en dat Hij , boven dien, hem zijnen verlichtendenGeest had gefchonken, waar door hij,den zin der beloften verftaande , wist, datGod uit de vrucht zijner lendenen, zooveel


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 533het vleesch aangaat, den Mesfias verwekkenzou (q). David zegt er mede: HEER, Gijzijt 'een goedertieren , en mij vertroostend God !DAAROM, zegt hij, zijt Gij groot, HEER f?*"»God ! — Groot , oneindig groot, is God in JJ S gy 0B)Zichzelven , en onbegrijpelijk , daar door , verbeervooralle gefchaapen verftand. — Groot ont-^'dekt God zich , in zijne werken. Die hiermaar een klein ftuksken der zaaken kent,moet• uitroepen : God is groot, en wij begrijpenhet niet! — Groote dingen had God aanDavid , aan zijn huis, aan Israël, gedaan, -cnnog grootere beloofd. Daar door had dcHeer zijne grootheid ten toon gefpreid, enzou deswegens , als groot, gekend, erkend ,en verheerlijkt worden. David deed dit reedspp deezen oogenblik. Hierom zegt hij , denHeer boven alles verheffende : Want daar isniemand gelijk als Gij. Trouwcnds, alles watbuiten God is , is flegts fchepfel. Roemt deverblinde Heiden zijne goden; daar is, zegtDavid , geen God, dan Gij alleen. Dit, zegt -wegenshij, blijkt, en weeten wij, naar alles, wat wij fj^"met onze ooren gehoord hebben, aangaande de gedaanwonderen, welken Gij aan en onder onze va-


534 XLIV. L E E R R E D E .geen weêrgae heeft op aarde; 't welk God, deElohim , is , of zijn heen gegaan zich tot eenvolk te verlos/en, en om zich eenen naam tezetten, om zich voor gansch de weereld, alsalleen God te openbaaren , te doen erkennenen roemen ; en om voor Ulieden, of om voorU, tot uwe eer, deeze groote en verfehrikkelijkedingen te doen aan uw land, dat Gij U uit alle'landen geëigend hebt, voor liet aangezicht uwesvolks , dat Gij U uit Egypten verlost hebt , deHeidenen en hunne goden [verdrijvende] (r); —of, voor het aangezicht uwes volks, dat GijU 'uit Egypten, van de Heidenen en hunnegoden, verlost hebt (s). — David, den Heeraanbiddende , erkent en roemt de grootheidzijnes Gods, kenbaar gemaakt, door het geenHij in vroeger' tijd aan Israël gedaan hadde.ook in ha- D i T doet hij ook, uit aanmerking van' hetm


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 535voorheen gefcheurd , te vereenigen ; doorooriogzugtige vijanden tc verdrijven; in Salemzijne hutte, en in Sion zijne wooning tc neemen(t); en thands ook, door het doen vanzoo heilrijke verklaaringen, en verre uitziendebeloften. Door het een cn ander toch , hadde Ilcer zich Israël bevestigd tot een volk ,in eeuwigheid. Weshalvcn David, met reden,dankend zegt: En Gij, HEER, zijt hun toteenen God geworden ! Welk een voorrecht!Zoo hoorden wij 's Konings aanbiddende Verderdankzeggingen, uitgeftort voor 's Heeren aan-^j^gezicht, met zulk eene fterkte van gemoedsaandoeningen, en met zulk eene kracht vantaal, welken onze bevatting niet omvattenkan, noch onze woorden vermoogend zijn be.hoorelijk uittedrukken. —• En wat nu V StaatDavid op , en gaat hij nu naar zijn huis ?Neen; hij blijft nog voor het aangezicht des1Heeren. En wat heeft hij daar verder tcdoen ? Hij zal zijn geloovig vertrouwen, opde waarheid cn zekerheid der aan hem gedaanebeloften, den Heere belijden, en Hem ernstigfmeeken om derzei ver vervulling (u). Droomde verbidthij: Nu dan HEER God, doe dit woord, d" e"'" )e\dat Gij over uwen knecht , en over zijn huishften*gefprooken hebt, beftaan tot in eeuwigheid, en doegelijk als Gij gefprooken hebt. Bede , cn taal,doorCt) Psalm LXXVh 3. 00 V e r s 25-29.L U


536* XLIV. L E E R R E D E .door welke David verklaart, hoezeer hij met'sHeeren beloften, en het beloofde goed, wasingenoomen ; met welk een verlangen hij devervulling der toezeggingen, aan hem gedaan,te gemoet zag ; hoe leevendig zijn geloofwas , op 's Heeren magt om tc kunnen , opzijne genegenheid om te willen , op zijnetrouw om te zullen doen, het geen Hij doorNathan had laaten aankondigen. — Maar gelooftcn verwacht David dit ; waar toe danzijn bidden ? Omdat hij erkende, dat het zijnpligt was, biddend bij den Heere de vervullingte zoeken , van het geen de Heer , ongebeeden, had willen belooven.En zuils N AD RU KL IJ ie dringt hij zijne bede aan,f-l'-ir uit overweedn? van 's Heeren eer. Door hetdrdng ; volbrengen der gedaane beloften toch , zou's HEEREN naam worden groot gemaakt, totin eeuwigheid i men zou daar door ftof en aanleidingkrijgen , om te zeggen : De HE E Rder heirfchaaren is God over Israël, Heidenenzelfs , zouden dit , ter verheffing van Israëlsgeluk, en den Heere tot roem, vermelden. —En het huis uwes knechts Davids, dus vervolgthij , zal dan voorzeker beftendig zijn voor uwaangezicht, en zulks ter eere van uwen grootennaam. — Tevens dringt hij zijne bedeaan , met eene drangreden , genoomen van's Heeren getrouwheid , waar door Hij nietfaalen zou , zekerlijk tc vervullen , het geenHij uitdrukkelijk had gelieven te belooven. —En


2 SAMUELS VIL vs. 17—ao. 537En het waren de beloofde zaaken, en zijn geloofaan Gods getrouwheid in het vervullender beloften , welken hem hadden opgewektcn aangemoedigd , om dit gebed voor 's Heerenaangezicht uitteftorten. Dus drukt hijzich uit: Daarom heeft uw knecht in zijn hartgevonden, dit gebed tot U te bidden. Met deezebewoordingen verklaart David, dat dit zijngebed hartenwerk was ; dat door het bekend*maaken van 's Heeren beloften, zijn hart getaakt,zijne gedachten vcrmccnigvuldigd, zijngemoed fterk aangedaan was , en hij zich gedrongenhad gevonden , om deeze zijne Godverheerlijkendedankzeggingen , ootmoedigeaanbiddingen, en ernstige fmeekingen, plegtigvoor 's Heeren aangezicht uitteboezemen. —Ook verklaart hij er mede , de volle overtuigingwelke hij had van , cn het vertrouwenwelk hij oefende op , de waarheid van Godsbeloften. Ik houde mij , zegt hij , daar vanzoo fterk verzekerd, dat ik geen' fchroom altooshebbe gehad , om dit gebed , en in hetzelve, deeze verklaaring, voor uw aangezichtte doen. — Op zulk eenen grond , doet hijeene allernadruklijkfte belijdenis, van zijn ge-J^'",y„loovig en God verheerlijkend vertrouwen. Nug^fsdan,zegt hij, Heer HEER, Gij zijt die c' 11 'G o^ _ Welke God ? De eenige waare God.— Uwe woorden zullen waarheid zijn. •—Trpuwends , zou Ged zeggen , en het nietdoen ? fpreeken , en het niet beftendig maa-K C NLI 5


538 XLIV. L E E R R E D E .ken (v) ? — En Gij hebt dit goede tot uwen,knecht gefprooken. — Dit hebben wij gehoord.Welk een grond dan , tot troostlijk vertrouwen,dat 'sHeeren beloovende woorden, doordaadlijkc vervulling ; waarheid zouden worden! —_ Met zulk een geloofsvertrouwen bezield, fluit onze David zijn plegtig gebed,alles te faamen trekkende , met deeze nadruklijkewoorden ; Zoo believe het U nu, en zegenhet huis uwes knechts , dat het in eeuwigheidvoor uw aangezicht zij; want Gij, HEER,hebt \liet] gefprooken. Alles verzegelt hij, metdeeze betuiging 'van zijne geloovige verwachting,en dankbaare erkendtenis; En met uwenzegen zal uwes'knechts huis gezegend worden,in eeuwigheid.'Mes met Dus hebben wij dit plegtig gebed van den°kelijken godvruchtigen David , een weinig uitgebreid ,nadruk. U. A. voorgedraagen. De bewoordingen meerendeelsklaar, en derzelver meening duidelijkzijnde, was eene verdere verkiaaring en breedereuitbreiding thands min noodig.. — Maarwie kan zich recht, vertegenwoordigen , metwelk eene gcmoedsgefleidheid David in 's HeerenTente ging , en zich voor het aangezichtzijnes Gods nederboog ? Wie kan naar eischbevatten, de verrukkende verwondering welkehem bezielde ; de diepe gevoelens van eigenoa-(v) Numeri' XXII/: 19.


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 539onwaardigheid , welken hem laag vernederden; de hooge befeffen van Gods Majesteit,.welken in hem zoo beminnelijk eene verootmoedigingteweeg bragten ; zijn inzien in degrootheid en veelheid van het goede, dat Godvrijmagtig aan hem fchonk ; de kracht des geloofs, waar mcê hij de beloften omhelsde; defterkte van zijn vertrouwen , met welk hi)zich op den Heere verliet ; den vuurigeriernst, en dc kinderlijke vrijmoedigheid, metwelken hij bad ? Wie kan recht bevatten ofgevoelen, de kracht zijner bewoordingen ; deuitgebreidheid van derzelver niecning ; de tc.derheid van zijn hart, en van zijne taal? Menmoest David zijn, en zich in Davids toeftandbevinden , om Davids taal wel te verftaan,B. VRAAGEN wij nu, wat tot ons onderwijshier tc leeren zij,Hier zienwijtX. LETTEN wij op Davids beftaan; zienwij op den toeftand en de werkzaamheden vanzijn hart; verftaan wij iets , van den zin ende kracht van zijne taal — met één woord,vertegenwoordigen wij ons leevendig zijn gedrag, hier befchreeven ; wij zien er , voor de uitveemendbeidEERST, in: „de uitneemeudheid van den van den„ waaren geopenbaarden Godsdienst, en des- geopenbaarden„ zelfs heuglijke uitwerkingen, in 's menfchenGodsdienst.4„ hart en daaden", — Hoog geeven fommigenop , van de uitwerkingen , welken eennatuurlijke Godsdienst bij Heidenen had. Danwaar


540 XLIV. L E E R R E D E .vaar is eenig ftuk bij hen tc vinden, waar innen zulk eene zelfverloochenende onderwerping,zulk een' diepen eerbied, zulk eene laa-]y ?e vernedering , zulk een geloovig vertrouwen, zulk eene kinderlijke en ootmoedigevrijmoedigheid voor God, zulk ccne heilige enverheerlijkende dankzegging aan God , als wijlier in David zien, kan ontdekken ? Het onierwijsder Godlijke Openbaaring alleen, leert3ns God op de rechte wijze dienen.En datGodli-kegunstbewijzen,ons lof Godmoetenbrengen.5. WIJ zien er in, ten TWEEDEN: „Her;„ genot van Godlijke gunstbewijzen , moet„ ons tot God en zijnen dienst brengen". —David , bericht van zooveel goeds , door Nathanontvangen hebbende, ging in, en bleef,voor het aangezicht des Heeren. •— Dan hoeveelen zijn er , van wien men zou moetenzeggen: Toen de Heer hen begunstigde, weldeed, en zegende , toen gingen zij heen, verlietenGod en Godsdienst, gingen in de tentender laage ijdelhcid, der dwaaze dartelheid,der vuile wellusten ; of immers , zij keerdenzich, van een' weldoenden God, tot eene verleidendeweereld! Even of men uit krankheidgezond gemaakt, uit armoede verrijkt, uit laagenftand verhoogd, uit benaauwende noodenin aangenaame ruimte gebragt. was — om te betergelegenheid te hebben, der zonde en weereldonbekommerd te kunnen dienen, en onbeteugeldnaar het vleesch te leeven. Maar zultgij, ongelukkig fterveling, dus den Heere vergeldenJ


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 541gelden ! Zeker zult gij, dus doende, uw oordeelzeer verzwaaren.HEEFT God ons beweldaadigd; u, vooral,godvruchtigen — waakt toch , tegen afwijkingvan achter den Heere , en vcrflaauwingin zijnen dienst. Want hoe grooter gij bevoorrechtzijt, zooveel'te meerder en grooterzijn de verzoekingen , die u omringen. Enwaren er nimmer kostelijke kinderen van Sion,die ,. in min gunstige omftandigheden lecvendc, met reden tegen fijn goud gefchat werden; maar die , door misbruik van Hoffelijkgoud , en tijdlijke voorrechten , den aardenflesfchen gelijk geworden zijn ! — Heeft Godu bevoorrecht; keert ü dan met hartlijkenernst tot, en blijft met te meerder gezetheidbij den Heere, aanhoudend verkeerende in zijneTente. Wat u ook in de weereld aangenaamzij ; uw hart zegge fteeds : Hoe lieflijk:zijn mij uwe wooningen, o Heer der hcirfchaaren! Blijft en wandelt voor 's Heerenaangezicht. En kunt gij naar waarheid zeggen: Het is mij goed nabij 'God te weezen;dan zult gij ook ervaaren , dat de Heer goedis, der ziele die Hem zoekt.L\. L E E R E N wij hier , ten DERDE»:, tok, datWaare ootmoedigheid, is de ziel van rechte 1 ootmoedigheidde„ godsdienstigheid, en de bron van godvruch-' 'iron is„ tige dankbaarheid". — Zien wij David blijvenvoor 's Heeren' aangezicht, en hartlij k baarheid.•jan waaredank­zijnen


542 XLIV. L E E R R E D E .zijnen Weldoener danken ; wij zien hem te»vens bezield met ootmoedigheid. Wie, zegthij, wie ben ik, Heer HE E R! en wat is mijnhuis , dat Gij mij tot hier toe gebragt hebt ? —Is dit ook ons beftaan en taal ? Waar toeheeft de Heer ons gebragt ? — Het is zoo,er zal zijn, die klaagend zegt: De Heer heeftmij in duisternis gebragt, daar ik licht nochuitkoomst kan ontdekken. Met betraandeobgen zie ik terug , op voorige dagen , toenGod mij voor onheil bewaarde, toen Hij zijnelamp deed fchijnen over mijn hoofd, cn zijneverborgenheid over mijne tente was. Maarnu, nu moet ik vraagen: Wie ben ik, Heer!en welke is de ongerechtigheid en Ichuld vanmijn huis, dat Gij mij tot het ondergaan vanzulke rampen, en in de diepte van zulk cenevernedering , gebragt hebt ? •— Is dit 's Heerenweg met u ? Hij heilige dien aan uweziel, fchenke genade tot onderwerping, enbrengc u, op zijnen tijd, in dien toeftand, enin zulke omftandigheden, dat gij zult kunnenzeggen en zingen : Geloofd zij de Heer , diemij' uit nooden gered , en uitgevoerd heeft inaangenaame ruimte!MAAR in het gemeen zal hier ftof totdanken zijn. — Welk eene gezondheid genietenwij i VVat leevens jaaren tellen wij ? Inwelk een' ftand en betrekking verkecren wij ?Welke zegeningen en voprrechten bezittenwij ? Uit hoeveele gevaaren cn nooden zijnwij


2 SAMUELS VII. vs. 17— -29. 543wij gered ? Neemt de fomme eens op ; hoemagtig groot is die! — Wie, onder ons, dienGod uit den afgrond des verderfs verlost , inJefus Christus begenadigd , cn ten voorwerpvan vaderlijke liefde, ten erfwachter van eeuwigezaligheid gefreld heeft; dat wij toch geenevan zijne weldaaden vcrgeetcn ! — Danlaat ons onszelven onderzoeken. Hoe verkeerenwij in deezen? — Wat tijdlijke voorrechtenbelangt. Hoe mecnig , die dezelven , ofklein acht, of misbruikt, of immers ondankbaaronder dezelven leeft 1 — En waar isonze waare verootmoediging voor God ? Inveeier harten woelen deeze gedachten cnoverleggingen: Zoo ben ik; zoö is mijn huis!en wat is toch de reden , dat God mij maartot hier toe brengt, en niet verder ? Ik dachtdat God mij tot daar, en daar toe gebragt zouhebben. -— Welk eene fnoodheid , door hoogmoedvervoerd te worden , om met den Heerte twisten ! — En wat geestlijke voorrechtenaangaat. Wat is de reden, dat 'sHccrcn volkzoo weinig in cenc blijde dankbaare geftalteverkeert ? Dit , dat zij te weinig , uit eenrecht inzien, vraagen: Wie ben ik? en wat is.mijn huis? Gij waart immers van natuure kinderender helle, en uw huis melaatsch. En waartoe heeft dc Heer u gebragt? Tot den ftaat vaneen' zoon cn dochter des Allcrhoogften ; tothet bezit van duurzaam goed , dat alle aardfcherijkdommen overtreft; tot eene eer, welkeu verheft boven den onbekeerden Monarch;tot


544 XLIV. L E E R R E D E .tot eene veiligheid , door welke gij bewaardwordt tot de zaligheid, en welke u gerustliikmag doen wachten op dcelgcnootfchap in eenhemelsch en eeuwig Koningrijk. Waar toeheeft dc Heer u gebragt ! Zien wij toch,wie wij voor God zijn; wat wij boven anderenzijn. Laag genoeg, kunnen wij hiervoorGod niet denken en fpreeken. Hier met ootmoedigheidbekleed te zijn, zal het hart dankbaarmaaken, Gods weldaaden verhoogen, envoor de ziel zalig zijn.Verder, % VESTIGDE David zijne aandacht, nietdat menalleen, op het geen God aan hem gedaan ,behoor elijk werk­maazaam had; wij moogen er, ten VIERDEN, uit lee­ook, op het geen Hij aan hem beloofdmoet zijnmet Gods ren : „ Dat, hoe groot ook de voorrechtenbeloften. ,, zijn, welken God hier in den tijd fchenkt,,, en hoe betaamende cn genoegelijk het denvroomen is, die te kennen en te erkennen;„ het nogthans hem ook betaamt, te zien op,„ en werkzaam te zijn met het geen God beloofdheeft te zullen doen, den geenen die„ op Hem wacht". — Godvruchtigen , deHeer heeft ook tot u gefprooken tot verreheen — tot in de eeuwigheid ! — en zulksnaar de wijze der menfchen. Veel is veeltijdsde ftoffe van uw gepeins ; maar moestdit niet meer het voorwerp van uwe godvruchtigecn verlustigende overdenkingenzijn ? Groote en dierbaare beloften zijn u gefchonken.Omhelst ze, door leevendig geloof.Alles'


2 SAMUELS VIL vs. 17—29. 545Alles overtreffend is het beloofde goed. Heftuwe oogen omhoog; wendt uwe aandacht af,van eene ijdele , en ligtlijk verblindende weereld.Ziet, en bepeinst, hoe groot het goedis, dat de Keer heeft wechgelegd voor dieHem vreezen ; het is een gansch zeer uitneemendeeuwig gewigt van heerlijkheid! — Ditrecht te gelooven , en ten voorwerp van geloovigewerkzaamheid te ftellen, zoude u eenrijk genot verfchaffen , in aardsch gemis , entroost in bitter verlies; zalig zoudt gij zijn inhoone , en vroolijk dankbaar in lijdzaam verwachten.n. HEBBEN wij gehoord, hoe David zich Ooi, datvei; Gsdsuitdrukt, daar hij 's Heeren gunst aan hemvrijmagtbeweezen , dankzeggende erkent; wij zien er cn grootbeidmoe*uit — en dit zij onze VIJFDE aanmerking —ten ver­„ Dat God, in het fchenken van weldaaden, heerlij­ken., ten toon fpreidt de vrijmagt van zijnen„ raad, en de grootheid zijner magt en goed-„ heid ; en wij verpligt zijn , met Godver.„ beerlijkende dankzeggingen die te erkennen"— Wij menfchen zijn geneigd, niet God.maar onszelven, tot het uiterfte en hoogfteeinde te ftellen. Aan het doelpunt van hetEigenzelf, willen wij onszelven, onze medemenfchen, hemel en aarde — ja God zei ven (dienstbaar maaken. Welk eene dwaasheid {welk eene beleediging der Godheid! welk eenevergrijping aan de hoogfte Majesteit! — Dalwij toch befeffen : doet God wat goeds aarIV. DEEL. Mm o»s1


H6 XLIV. L E E R R E D E .ons, wij moeten zijne onafhangelijke vrijmagtaanbidden. De Heer , immers , was , in hetgeen Hij aan ons fchonk, aan ons niet gehouden.Heer , zegt David , naar uw harthebt Gij dit gedaan. — Wij moeten er Godsgrootheid in erkennen. Daarom, voegt hij erbij, zijt Gij groot. Aanbidt de grootheid vanGods langmoedigheid, die dus draagt — degrootheid zijner goedheid, die onverdiend "zooveel fchenkt — de grootheid van zijne wijsheid, die zoo veele middelen deed faamenwerken— de grootheid van zijne almagt, diezoo veele hindernisfen wechruimde , en zijnegedachten ten goede daarftelde. Keeren wijdus met aanbidding weder tot den Heere.Brengen wij onszelven , en het geen de Heeraan ons doet, weder tot Hem. Moesten nietde liefhebbers van 's Heeren heil geduuriglijkzeggen : De Heer zij groot gemaakt ?En datwij ookbelangmoeten1ftellen ii?. HOORDEN wij David den Heer danken,niet alleen wegens het goede, aan hem enzijn huis beweezen , maar ook voor de zege-ningen , welken de Heer aan zijn volk, aanbet geei' Israël, gefchonken had ; wij leeren er uit —andereibetreft. en dit zij onze ZESDE aanmerking — „ Het„ is niet genoeg , dat wij de weldaaden, aan„ ons in het bezonder beweezen, erkennen;„ wij moeten ook belang ftellen in het geenanderen, in het geen Vaderland en Kerk,„ betreft". •— Wat heeft God aan ons Vaderland,en aan zijne Kerk in het zelve, gedaan?Mer*


2 SAMUELS VII. vs. 17—29. 547Merken wij dit op ? is het de ftof van onzeerkendtenis ? Zeker , de Heer heeft van tijdtot tijd zijne weldaadigheid aan ons groot gemaakt.En waar toe verpligt ons dit ? Immers, om zulks dankbaar te erkennen. Want,zijn wij vaderlanders , dan deelen wij in dezegeningen van het Vaderland. Zijn wij ledenvan 's Heeren Kerk ; wanneer dan êenig deelof lid van dezelve begunstigd wordt , deelteen waar Christen in de blijdfehap van 's Heerenvolk , en beroemt zich met zijn erfdeel.•— Maar moesten wij tevens niet arbeiden,om en zelf aan de einden te beantwoorden,waar toe God Land en Kerk beweldaadigde— en het onze toetebrengen, dat ook anderendit deeden ? — Dan welk eene fchuld ligthier op Nederland! En wat ftaat ons indeeze dagen van ijdelheid (w) te wachten ?Dat toch elk vraage: Is God heen gegaan omNederlands volk zich te verlosfen; en zoudenwij zeggen : Wij zijn verlost, om grouwelente doen ? Heeft God dit gedaan , om zicheenen naam te zetten ; en zullen wij zijnenNaam ontheiligen , en bij anderen doen lasteren? Heeft God zulke groote dingen aanLand en Kerk gedaan ; en zouden wij zoogroot een kwaad doen , en zondigen tegenGod ? Heeft God het Antichristendom , endeszelfs afgoderij , voor onze aangezichtenverdreeven ; en zullen wij deszelfs Bacchus-£w) Zijnde de Jaarmarkt aanftaande,M m 2fees-


54.8 XLIV. L E E R R E D E .feesten vieren ? Heeft God ons tót een Volkbevestigd ; en zulien wij de fteunfels van denStaat, en van onzen ftand , door overdaad ,door verkwisting , door losbandigheid , doorzedenloosheid , verwoesten ? Dat toch dedankbaarheid aan -God , dc liefde tot het welzijnvan onszelven , van de onzen , van Vaderlanden Kerk, en van onze medemenfchen,elk weêrhoude , van door fnoode ondankbaarheiden godloosheid , • 's Heeren vloek op onste brengen ! En gij , vooral, beminnelijkejeugd , gedenk , zoo ooit, nu bezonder, metdankbaarheid aan uwen Schepper.Ooi, dat T. ZAGEN wij David, daar God hem metge hof aan zooveel verzekering beloften deed, en hij diede Godlij'ke belof­vastlijten , moet vervulling van die beloften; wij leeren er uitgeloofde , God ernstig bidden om dedoen biddenom — en dit zij onze ZEVENDE aanmerking: •—het beloof­de goed.Geloof aan de waadieid der Godlijke belof-„ ten, moet ons opwekken, om de vervulling„ derzelven , door gebeden , bij God te. zoe-„ ken". — Wij hebben geene beloften , aangaandeonze en der onzen ftand en lotgevallenin de weereld ; geene beloften, raakendeden ftaat van Vaderland en Kerk — anders,dan deeze, Dat God hun, die Hem vreezen,en hunnen weg wel aanftellen , naar zijnewijsheid zijn heil zal doen zien. Maar metopzicht tot onzen geestlijken en eeuwigenftaat, heeft God ons gróote en dierbaare beloftengefchonken. Den zondaar verklaartHf],


i SAMUELS VII. vs. 17—29. 549Hij, dat. Hij hem, wanneer hij zijnen zondenwegverlaat, en zich tot Hem bekeert, eenGod zal zijn van veel vergeeving ; dat Hijhem , indien hij tot Christus koomt, niet zaluitwerpen, maar aanneemen, en hem ten Goden Vader zal zijn. En zijnen kinderen heeftHij veele en zaligende beloften gefchonken;beloften, waar bij de Heer hun toezegt, alleswat hun , in den tijd , tot het leven en degodzaligheid noodig is, en na dit leven, eeuwigeheerlijkheid. — Maar hoe moeten wijhier verkeeren ? die beloften niet in aanmerkingneemen ? onverfchillig omtrent dezelvenzijn? ongeloovig zeggen: Ze zijn aan zulken,als ik ben , niet gedaan ? of werkeloos afwachten, wat er van de vervuLing zal worden? — Neen; wij moeten Gods beloftengelooven, en dat geloof moer. ons biddendmaaken. — Ontdekt en boetvaardig zondaar;heeft de Heer zijnen Geest beloofd — gedenkaan 'sHeilands verzekering, dat de hemelfcheVader zijnen Heiligen Geest zal geeven, dengeenen die Hem daar om bidt, die er Hem inwaarheid om bidt. — Geioovig Christen; liggener zoo veele beloften, ook beloften vanbewaaring, van beftuuring , van hulp , vanvertroosting, ja van zaligheid — vind hetdan veel in uw hart, uwe gebeden voor hetaangezicht uwes Verbondsgods uitteftorten ;en zulks met heiligen ernst , en geloovigcnaandrang. Hoe wijslijk heeft God uw bidden,en de vervulling zijner beloften, veelal, teMm 3faa-


S$0 XLIV. L E E R R E D E .faamen verbonden ! Dus erkent gij de dierbaarheidder beloofde goederen — uwe eigenafhangelijkheid — cn uw geloof aan de waarheidder beloften. Dus oefent gij gemeenfchapmet God; en bereidt, onder verbeidenduitzien , uw hart, voor het verblijdend ontvangenvan het beloofde heil , en tot dankbaarheid,die God verheerlijkt, en uwe eigenziel ten zegen is. Bidden, o Christen, is uwpligt. Bidden is uw voorrecht. Bidden is deademtogt van uw leven. Waak in den gebede, uitziende naar den God uwes hcils. UwGod zal, op zijnen tijd, cn naar zijne wijsheid, hooren.En zulksmet vertrouwen.n. EINDELIJK — en dit zij onze AGTSTEaanmerking — „ David fluit zijn gebed, met„ betuiging van zijn geloovig vertrouwen, en„ van zijne blijde verwachting". Uwe woorden,Heer, zegt hij, zullen waarheid zijn; enmet uwen zegen zal uwes knechts huis gezegend•worden in eeuwigheid. — Hoe ongelukkig ishier dc ftaat van een onbekeerd mensch! Zondergrond, vleit hij zich met de verwachtingvan een heil, dat hem nooit beloofd is. Meteene zaligheid troost hij zich , welke hemontzegd is. En hoe meenig leeft daar door inftille gerustheid , doof voor Gods bedreigingen! en fterft, in eene verbeelding , welkehem bedriegen , en eeuwig berouwen zal!Mogt gij waarlijk gelooven , onbekeerd zondaar—- en verdonker u toch deeze waarheidniet


2 S AMUELS VIL VS. 17—29. $§Inie t— 'Gods woorden, gelijk David zegt,zullen waarheid zijn ; dat zullen ze zijn, ookten uwen opzichte. En die woorden zijn,onder anderen : De weg der godloozen zal vergaant Verftaa toch, o zondaar, het geenGod tot u fpreckt, en neem het ter harte.Gntvlugt toch, van onder Gods rechtvaardigebedreigingen. Vlugt onder het bereik der beloftenvan genade en zaligheid. God fchenkeu daar toe zijnen Geest! — Maar is, geloovigChristen,. hier uw voorrecht groot; welkeene verpligting, om er recht gebruik van temaaken ! Geloof, in het gemeen , dat alleGods goede woorden waarheid zullen zijn;maak daar ftaat op. Maar draag wel zorg,dat gij nimmer uwe gekoesterde begeerten,ten aanzien van bezonderheden, voor Godlijkebeloften houdt; en gedenk tevens, dat gij devervulling der Godlijke beloften niet met vertrouwenkunt verwachten, dan in des Heerenweg. Verzuim van pligt, verzwakt de verwachting.— Aangaande uw huis en zaad ,heeft God u geene uitdrukkelijke en bepaaldebeloften gedaan , gelijk Hij door Nathan aanDavid deed. Beter is het, op betaamelijkewijze te arbeiden en te bidden, dan vooruitte loopen , of met verbeeldingen zich tevleien, of met hutlooze zorgen zich te kwellen.Draag uw zaad, en de belangen van uwhuis, biddend op, aan uwes Vaders liefdezorg.Laat toch God regeeren. Paar bij uw gebed,uwen arbeid. Poog uwe kinderen, door onder-.


;.•-> XLIV. LEERREDE.denvijs en vermaaningen , optevoedeh in devreeze des Heeren. Vérre verwijderd van dew"derrHjke verleidingen , die in eene boozeweereld zijn , zoek de belangen van uw huis,door ijverige werkzaamheid, zorgvuldige oplettendheid, christelijke maatigheid , en. edelmoedigefpaarzaamheid , betaamelijk te bevoorderen.— Dan — en dit moet u onderalle 's wcerelds veranderingen troosten — water van .uw huis en zaad mogt worden;' hethuis van den tegenbeeldigen David, DavidsZoon en Heer , zal met 's Heeren zegen gezegendworden, in eeuwigheid. In dien zegenzult gij deelen , in den tijd, in den dood, enin het zalig eeuwig. Daar zal Jefus Koningrijkvolmaakt, en het aardfche met een hemelschHeiligdom verwisfeld worden. Daarzullen alle de zegeningen, aan 's Vaders gezegendenvan eeuwigheid toegelegd , in hetWoord beloofd, door Bondzegelen bevestigd,door het geloof verwacht, in voorfmaak hiergeproefd — eeuwig door u beërfd cn genootenworden. Amen!In de Groote' Kerk,voormiddag, den 28 vanOogstmaand, 1774.

More magazines by this user
Similar magazines