Overdag vliegende vleermuizen - Zoogdierwinkel

zoogdierwinkel.nl

Overdag vliegende vleermuizen - Zoogdierwinkel

ZOOGDIER 1995 6 (1)wallen van Sibculo tot het jachtterreinvan de betreffende kerkuil. Overigenswerd ook ten oosten van Vriezenveeneen schedeltje gevonden in een dalgrond-gebied.Schedeltjes van veldspitsmuizen werdengevonden in braakballen in de volgendekilometerhokken: 22-36-11,22-44­35, 22-45-33, 22-45-42, 22-45-52 (op 150meter van de latere vangst bij Bruchterveld),22-46-11 (één van de twee aanwezigeschedels in een minimaal driejaar oude braakbal), 22-46-12, 22-54-25en 28-25-33 (de meest zuidwestelijkevondst). Verder was van uurhok 22-25reeds bekend dat de veldspitsmuis erhuisde: Mostert heeft de soort vastgesteldin de kilometerhokken 22-25-35 en22-25-55. In kilometerhok 22-25-35 werdennu opnieuw veldspitsmuizengevonden: acht schedels. Nieuwe vondstenwerden gedaan in hok 22-25-41 (14schedels) en 22-25-33 (5 schedels). Hettotaal aantal atlasblokken 'rondHardenberg' met braakbalmateriaalvoor dit onderzoek bedroeg 15. In zevendaarvan is de presentie van de veldspitsmuisnu dus vastgesteld.BiotoopEen opmerkelijk voorval was de eerdervermelde vangst van een veldspitsmuisin Bruchterveld op 1 december 1994(kilometerhok: 22-45-53), op de grensvan de pleistocene zandgronden en deveenkoloniale gronden. Het diertjewerd gevangen in een al enkele maandenbraakliggend stukje weiland. In juli1994was er voor het laatst gemaaid. Hetgemaaide gras was niet verwijderd. Inhet najaar hadden zich allerlei kruidengevestigd tussen het gevormde hooi.Tussen de bodem en het hooi was eenruimte gevormd waar de aanwezigheidvan muizen duidelijk zichtbaar was. Deomgeving wordt gekenmerkt door kleinschaligheiden variatie in de inrichting.De direkte omgeving wordt hoofdzakelijkals weidegrond gebruikt. De vangplaatsligt aan de oost- en westkant ingeklemdtussen twee kleine natuurreservaten.In september 1993 werd er tijdens hetkamp van de veldwerkgroep van deVZZ in de omgeving van Gramsbergeneen veldspitsmuis gevangen in kilometerhok22-25-55. De vangplaats vertoontveel overeenkomsten met die inBruchterveld. Het ging hier om eenbraakliggend stukje grond naast eenschuur, dat gedeeltelijk was ingeplantmet boompjes (zie foto). Het geheelDe plek waar tijdens een VZZ-kamp in 1993 een veldspitsmuiswerd gevangen, bij Gramsbergen. Foto GerSnaakwerd zeer extensief bewerkt: tussen deingeplante boompjes vond helemaalgeen bewerking plaats, het deel tussende boompjes en de schuur werd welgemaaid maar het gras (hooi) werd nietafgevoerd. Er was veel variatie in hoogteen dichtheid van de vegetatie.Schoonebeek/EricaUit een literatuurstudie kreeg ik het vermoedendat de veldspitsmuis zou kunnenvoorkomen rond Emlichheim inDuitsland, een gebied op enige kilometersvan Schoonebeek. Peter Heegenleverde mij in november 1994 het nodigebraakbalmateriaal van kerkuilen rondSchoonebeek. Een eerste analyse van 34prooidieren leverde 3 veldspitsmuizen(8,9 %) op in kilometerhok 22-17-54. Eentweede partij, uit kilometerhok 22-18-41,bij het Westerse Bos, bestond uit materiaaldat blootgesteld was geweest aanhet 'loopgedrag' van jonge kerkuilen:geen braakbal was meer heel, schedelsen onderkaken waren geheel van elkaar


ZOOGDIER 1995 6 (1)gescheiden. Ook dit gebied wordtgekenmerkt door kleinschaligheid enextensieve landbouw. Het heeft de status'beschermd dorpsgezicht'. Bij de eerstedeterminaties door Kees Zoon enmij leverde dit materiaal 46 veldspitsmuizenop (12,9 % van alle prooien).Controle van een klein deel van de schedelsdoor Bauke Hoekstra en ChrisSmeenk leidde tot de determinatie vanacht veldspitsmuizen (dus voorlopigtenminste 2,2 %). Het resterend materiaalwordt nog nader onderzocht en wasderhalve op het moment van dit schrijvennog niet definitief.De eerste vondsten van de veldspitsmuisin de atlasblokken 22-17 en 22-18roepen allerlei vragen op. HerbergtSchoonebeek veldspitsmuizen die behorentot de in de literatuur vermelde'restpopulatie van Gramsbergen'?Vormen Gramsbergen en Schoonebeekde grenzen van een verspreidingsgebiedwaarvan de kern in Duitsland (rondEmlichheim) ligt? Zou de veldspitsmuiszich elders in Drenthe hebben gevestigd?Om dat laatste te weten te komen,nam ik kontakt op met de heer F.Kleinjan, de coördinator van de kerkuilenwerkgroepuit Erica. Hij leverde tweepartijen braakballen van kerkuilen uitOosterhesselen (kilometerhok 17-45-44)en Sleen (kilometerhok 17-47-41). Debraakballen uit Oosterhesselen bevatten29 prooidieren, waarvan uiteindelijk éénschedel werd aangeduid als vermoedelijkvan de veldspitsmuis. Veel discussieontstond er over een complete schedeluit kilometerhok 17-47-41 (Sleen); dedeskundigen werden het niet eens, dusde veldspitsmuis kon hier nog niet metzekerheid worden vastgesteld. Naderonderzoek van braakballen is op dezelokaties dus zeer gewenst.ExlooTen noorden van Emmen is de heerSanting te Exloo aktief binnen de kerkuilenwerkgroep.Hij leverde braakbalmateriaalvan kerkuilen waaruit in totaal720 prooidieren werden gedetermineerd,afkomstig uit vijf atlasblokken. Inde blokken 17-16, 17-17, 17-28, 17-37 en18-11 werden respectievelijk 165, 145,162, 145 en 103 prooidieren gedetermineerd.Alleen in een partij braakballenuit Klijndijk (blok 17-37) werd één schedelvan de veldspitsmuis gevonden (0,7%). Deze zat in een verse braakbal enwas dus recent gevangen. Waar het diertjeprecies 'geslagen' is, is natuurlijk nietbekend. Er was echter een broedsel aan-wezig in de kerkuilkast, dus de actieradiusvan de kerkuil is waarschijnlijkniet zo groot geweest. Dit doet vermoedendat de veldspitsmuis in de omgevingvan Klijndijk is gevangen. Dezevondst in atlasblok 17-37 is de meestzuidelijke in het onderzoeksgebiedExloo, maar tot op heden tevens demeest noordelijke vondst in Nederland.Gezien de biotoopeisen is het nietvreemd dat de veldspitsmuis vooralsnoglijkt te ontbreken in atlasblok 18-11,veenkoloniaal gebied. De braakballenafkomstig uit de blokken 17-17 en 17-28liggen op de grens van de Hondsrug ende laagveengebieden ten oosten daarvan.Wanneer de veldspitsmuis in hetDrentse landschap voor zou komen, zouatlasblok 17-16 hiervoor het meest inaanmerking komen. Tot nu is uit 165prooidieren de aanwezigheid van develdspitsmuis hier niet aangetoond.Intensivering van braakbalonderzoek enonderzoek met behulp van live-traps zalduidelijk moeten maken of Klijndijkinderdaad de noordgrens is van het verspreidingsgebiedvan de veldspitsrnnisin Drenthe.HoogeveenFreddy Mager uit Tiendeveen leverdebraakballen van kerkuilen rond Hoogeveen,waarmee de cirkel rond Gramsbergen/Schoonebeek,voor wat betrefthet Nederlandse deel, gesloten was. Uitde kilometerhokken 17-41-35, 17-42-35,17-43-44, 17-53-12 en 17-54-11 werden intotaal 203 prooidieren op naamgebracht. Eén exemplaar uit blok 17-54­11 werd aanvankelijk als veldspitsmuisaangemerkt. Nadere controle leiddeechter niet tot zekerheid.De verschillende gebieden overziend,nemen we een concentratie van veldspitsmuizenwaar in het grensgebiedmet Duitsland, waarbij de atlasblokken22-18 (Schoonebeek), 22-25 (Gramsbergen)en 22-46 (Bruchterveld) centralepunten vormen. De procentuelepresentie van alle gedetermineerdeveldspitsmuizen (totaal 59 exemplaren)bedroeg in deze uurhokken respectievelijk(tenminste) 2,2 %, 3,1 % en 5,3 %.Deze atlasblokken vormen hetzij hetnoordelijk en westelijk deel van hetgebied rondom Emlichheim enNeuenhaus in Duitsland, waar mogelijkhet middelpunt van de populatie ligt,hetzij de rand van een uitloper van eenverder naar het oosten liggend verspreidingsgebied.Incidentele vangsten van6


7ooveldspitsmuizen en vondsten van schedelrestenin Twente (zie kaartje) enrecentelijk rondom de plaatsenKlijndijk, Bruchterveld en Bergentheimbevestigen mogelijk de opvatting dat ­indien er sprake is van een geïsoleerdepopulatie - deze populatie een gebiedbestrijkt waarvan de Duitse plaatsenEmlichheim en Neuenhaus deel uitmaken. In 1995 zullen we door het verzamelenvan braakballen en het plaatsenvan live-traps proberen om meerinzicht te krijgen in de verspreiding vande veldspitsmuis in dit deel vanDuitsland. De eerste contacten metmensen uit Emlichheim zijn inmiddelsgelegd. In mei 1995 wordt de regioSchoonebeek twee weken onderzochtmet behulp van live-traps om de veldspitsmuisnader te lokaliseren in hetveld.Dit artikel is dus geen eindverslag,meer een begin van nader onderzoek.Hoewel de schedelresten van de veldspitsmuisten noorden van Twente intien uurhokken zijn aangetroffen, is totnu toe in slechts twee daarvan(Gramsbergen en Bruchterveld) hetonmiskenbare bewijs van de aanwezigheidvan de veldspitsmuis geleverd: eenvangst.De vondsten van de veldspitsmuis in noordoost-Twenteen zuidoost-Drenthe. Open figuren: braakbalvondsten.Dichte figuren: vangsten. Cirkels: de nieuw verzameldegegevens. Driehoeken: gegevens uit Hoekstra (1992)en de vangst tijdens het VZZ-kamp in 1993.Al het gevonden schedelmateriaal vande veldspitsmuis is opgenomen in deprivé-verzameling van de schrijver. Hetexemplaar dat in Bruchterveld is gevangenis opgenomen in de collectie vanBauke Hoekstra. ..,.,Met dank aan Kees Zoon, BaukeHoekstra en Chris SmeenkLiteratuurHoekstra, B., 1992. Veldspitsrnuis, Crociduralel/codon (Hermann, 1780). in: Broekhuizen,S. et al., Atlas van de Nederlandsezoogdieren, Stichting KNNV, p. 43-48.


ZOOGDIER 1995 6 (1)8.LBenVerboomVleermuizen hebben iets met lijnvormige begroeiingen,dat weten we al jaren. Dit is extra opvallend in hetNederlandse landschap, dat bol staat, maar vooral stond,van de bomenlanen, bomenrijen en houtwallen.Bovendien zijn er veel bosranden door de versnipperingvan het bos. Maar waarom vliegen vleermuizen langsdeze 'lijnen'? En wat kunnen we met dit gegeven doenom hun bescherming te verbeteren? In 1991 zijn wij eenonderzoek gestart naar het landschapsgebruik van vleermuizenmet betrekking tot lijnvormige begroeiingen. Hetonderzoek zal nog tot augustus 1996 duren. Hier alvastwat over de tot nu toe gevonden resultaten.Kleinschalig landschap met veel houtwallen, Twente.Foto Jaap Mulder


In 1981 deed Helmer (1983) een uitgebreidestudie naar het gebruik van vliegroutesdoor watervleermuizen Myotisdaubentonii. In een gebied rondNijmegen bleken zij vrijwel dagelijks hettraject tussen kolonieboom en jachtgebied- een afstand die varieerde tussen1,5 en 6 km - te overbruggen via vasteroutes langs bomenlanen en bosranden.Jaren eerder had onderzoek door ondermeerVoûte (1972) en Glas (1978) hetbestaan van vaste vliegroutes bij demeervleermuis Myotis dasycneme en delaatvlieger Eptesicus serotinus duidelijkgemaakt.De afgelopen tien jaar is over ditonderwerp veel geschreven. Vrijwel elkinventarisatieverslag wijdt wel een stukjetekst aan lijnvormige landschapselementen.Een overzicht van de verzameldekennis wordt gegeven door Limpenset al. (1989) en Limpens & Kapteyn(1991).Inmiddels is de vraag gerezen in hoeverreaantasting van het netwerk vanverbindende landschapselementen eenbeperking zou kunnen betekenen vande bewegingen van vleermuizen doorhet landschap. Tegen deze achtergrondbesloot het ministerie van LNV eenonderzoek te laten doen naar de relatietussen vleermuizen en lijnvormige landschapselementen.Hoe ziet een vleermuisvriendelijklandschap eruit? EenLangs een kanaal bij Tjerkwerd is de 'multiple-flash'apparatuur in gereedheid gebracht. Het wachten is nuop de meervleermuizen. Foto Ben Verboomantwoord op deze vraag kan ons helpenom vleermuizen effectiever te beschermen.Dwergvleermuis eu laatvliegerIn het eerste onderzoeksjaar (1992) hebbenHans Huitema en ik vooral gekekenin welke mate vleermuizen gebondenzijn aan lijnvormige begroeiingen. Wehebben ons gericht op twee soorten, degewone dwergvleermuis Pipistrelluspipistrellus, en de laatvlieger. We verwachttendat van deze twee de dwergvleermuisde sterkste binding aan lijnvormigebegroeiingen zou vertonen. Alsonderzoeksterrein kozen we voor hetkleinschalige houtwallenlandschap vanNoordoost-Twente, ongeveer in hetgebied tussen Almelo, Borne,Denekamp en Vasse. Hier telden welangs houtwallen, bomenlanen en bosranden,maar ook in het open terrein(weilanden, akkers) het aantal passerendevleermuizen. In totaal deden we datop 110 meetpunten, met vijf tellingenper punt, dus dat leverde 550 punttellingenop.De verwachte sterkere binding vandwergvleermuizen aan lijnvormigebegroeiingen kwam uit.


ZOOGDIER 1995 6 (1) 10Dwergvleermuizen werden gedurendehet onderzoek nauwelijks in het openterrein aangetroffen. De laatvliegerdaarentegen bleek even vaak boven weilandenen akkers (op afstanden tussen25 en 265 m van bomen en struiken verwijderd)als langs lijnvormige begroeiingente vliegen. Wel nam het aantal laatvliegersaf met de afstand tot hetlandschapselement en ook bij harderewind vlogen er minder laatvliegers inopen terrein.Tabel 1. Activiteit van dwergvleermuizen op variabele meetpuntenen willekeurig gekozen meetpunten. De getallen zijngemiddelde waarden per 5 minuten per punt. Een 'feedingbuzz' is het sonargeluid dat via de ultrasoon-ontvanger tehoren is als de vleermuis een insekt probeert te vangen.HoutwallenOp landschapsschaal bleek er een positiefeffect te bestaan van de dichtheidaan houtwallen en bomenlanen op hetvoorkomen van beide soorten. Hoemeer houtwallen per vierkante kilometer,hoe meer dwergvleermuizen je ertegenkomt. Dit is niet verwonderlijk,aangezien de dwergvleermuis deze landschapselementenook gebruikt als foerageerterrein.De beschikbare hoeveelheidlijnvormige elementen is in ditgeval bepalend voor het voorkomen vande dwergvleermuis in het landschap.De laatvlieger jaagt veelvuldig in eenmeer open omgeving. Toch bleek juistdeze soort op landschapsschaal meerdan evenredig toe te nemen met dedichtheid aan lijnvormige begroeiingen.Een verklaring voor deze voorkeur voorbeschutte landschappen is waarschijnlijkte vinden in het menu van de laatvlieger,dat voornamelijk uit veel grotereinsekten bestaat dan dat van de dwergvleermuis.In open terrein komen meergrote dan kleine insekten voor omdateerstgenoemde betere, sterkere vliegerszijn en zich dus gemakkelijker op eigenkracht aan de beschutting van bomen enstruiken kunnen onttrekken. In meerbeschutte landschappen, met meerbomen en struiken, gaan de beschutaantalpassagesverblijftijd (seconden)'feeding buzzes'variabelepunten (n=61)16.477.62.2willekeurigepunten (n=80)4.722.60.7tingszones elkaar in het tussenliggendeopen terrein overlappen, waardoor verhoudingsgewijsmeer geschikt biotoopvoor grote insekten beschikbaar komt.En hiervan profiteert de laatvlieger.Waarom?Wat hebben vleermuizen bij lijnvormigelandschapselementen te zoeken? Er zijndrie functies van lijnvormige begroeiingendenkbaar die als leidraad hebbengediend bij het verdere onderzoek. Deeerste is beschutting: lijnvormigebegroeiingen bieden de vleermuizenbeschutting. Door in de windluwte vanopgaande vegetatie te vliegen, kunnenvleermuizen hun energieverbruik beperken.Dit maakt lijnvormige begroeiingenvoor vleermuizen tot gunstige vliegroutesdoor het landschap. Daarnaastzouden zij dekking kunnen verschaffentegen predatoren. In een Brits onderzoekis gesuggereerd dat met name bosuilen,en in mindere mate kerkuilen,ransuilen en torenvalken, een niet teverwaarlozen invloed op vleermuispopulatieskunnen hebben. De pakkans kanverkleind worden door aan de van hetlicht (maan, lantaarn) afgekeerde zijdevan bomenlanen. houtwallen en bosrandente vliegen.De tweede functie is die van foerageerbiotoop.De insektenrijkdom rondlijnvormige begroeiingen is doorgaansgroter dan in het aangrenzende openterrein. Enerzijds vormen zij voor veelinsekten een geschikt voortplantingsbiotoop,anderzijds komen vooral kleineinsekten passief met de wind in debeschuttingszone aan de lijzijde van hetelement terecht.Tenslotte kan hulp bij de oriëntatieeen functie zijn. In de tot nu toe verschenenliteratuur over dit onderwerp isvooral nadruk gelegd op de betekenisvan lijnvormige begroeiingen als geleidendestructuur, waarop vleermuizenzich met hun sonar oriënteren (echooriëntatie).Het idee werd geopperd datde reikwijdte van de sonar bepalend isvoor de maximale afstand waarop vleermuizenzich verwijderen van de opgaandevegetatie. Limpens et al. (1989) noemenals moeilijk te overbruggen'gatgroottes': 40 meter voor de watervleermuis(sonarbereik ongeveer 5-10m), en 100 meter voor de laatvlieger(sonarbereik ongeveer 60 m). Met sonarbereikwordt hier bedoeld de maximaleafstand waarop je het sonar-geluidkunt horen met een ultrasoon-ontvanger.


ZOOGDIER 1995 6 (1)men, terwijl de meervleermuis soms vervan de oever boven grote wateren wordtaangetroffen. Toch steekt ook een soortals de dwergvleermuis af en toe een stukopen terrein over. Uit de Twentseonderzoeksgevens bleek dat meer dande helft van de meest geïsoleerde stukkenhoutwal af en toe werd bezochtdoor zowel laatvliegers als dwergvleermuizen.Deze geïsoleerde fragmentenlagen steeds op meer dan 100 meter vaneen ander stnk houtwal of bos, enbebouwing (waar ze overdag zoudenkunnen verblijven) was niet of nauwelijkslangs het fragment aanwezig. Devleermuizen moeten dus gaten vanmeer dan 100 meter hebben overgestoken.Toch werden er op de meetpuntenin het open terrein vrijwel geen dwergvleermuizenwaargenomen. Het is daaromaannemelijk dat het oversteken vangaten via vaste, nauw omschreven routesgebeurt, een idee dat ook al wasgeopperd door Kapteyn & Verheggen(1990).In het onderzoeksgebied in Walcherenwerden verschillende van zulkevaste dagelijkse vliegroutes over afstandenvan 100 tot 200 m door open gebiedontdekt. In één geval werd zelfs eenvierbaans snelweg, de A58 bij Oost­Souburg, overgestoken, waarna de dierennog eens 150 m akkerland doorkruisten.Een andere trekroute over eenopen akker vormde de kortste oversteektussen de kolonieplaats (een schooltje inRitthem) en het belangrijkste foerageergebiedin de wijde omgeving, het waterrijkebosgebied Rammekenshoek. Uittellingen bleek dat slechts een minderheidvan de dieren de oversteek waagde;het merendeel volgde een omweg viaeen houtsingel.Echo-oriëntatieWaarnemingen als hierboven wordenmeestal gedaan in de schemering, wanneerde vleermuizen van kolonie naarfoerageergebied of terug pendelen.Ofschoon zij ook onder deze omstandighedenvrijwel steeds hun sonar 'aan'hebben, is het goed mogelijk dat zijtevens hun gezichtsvermogen inzettenon1 zich te oriënteren. Maar hoe vindenzij in het donker hun weg boven openterrein zonder bomen of struiken?Mogelijk zien zij ook dán nog contourenvan bomen, of lichtbronnen zoals straatlantaarnsen huisverlichting.In de literatuur wordt ook meldinggemaakt van het verschijnsel 'ruimtelijkeherinnering': vleermuizen kennen12het landschap binnen hun aktiviteitsgebiedzo goed, dat oriëntatie niet nodigis. Zij hebben als het ware een gedetailleerdelandkaart in hun hersenen opgeslagen,waardoor zij op hun automatischepiloot kunnen vliegen. Gezien hetvaak opportunistische en grillige jachtgedragvan vleermuizen zouden zij'hun' landschap dan tot in groot detailmoeten kennen en zouden zij door tijdelijkeveranderingen, bijvoorbeeld eengeparkeerde auto, in verwarring gebrachtkunnen worden. Het is dan ookheel goed mogelijk dat vleermuizen nuthebben van landschapselementen alsoriëntatiebakens. Door af en toe echolokatie-pulsennaar structuren in deomgeving uit te zenden, zou een vleermuissnel weten waar hij is.MeervleermuisOm deze hypothese te toetsen, is in dezomer van 1994 onderzocht of de meervleermuisvia echolokatie contact houdtmet zijn omgeving. Het onderzoek werduitgevoerd door Arjan Boonman, in hetkader van zijn studie biologie aan deRijksuniversiteit Utrecht. Vanuit zijncaravan belietste hij de omgeving vanhet Friese dorpje Tjerkwerd, waar zichin de kerk een grote kraamkolonie(enkele honderden dieren) van de meervleermuisbevindt. Hiervandaan trekkende dieren via een stelsel van kanalennaar hun jachtgebieden, ondermeer ophet IJsselmeer. Gekeken werd naar desamenhang tussen de echolokatie en deafstand tussen de vleermuizen en dekanaaloever. De voorlopige resultatenwijzen op een toename van de pulslengte(de duur van elk apart uitgestotensonar-geluidje) met de afstand tussenvleermuis en kanaaloever. De tijd dieverliep tussen de pulsen (pulsinterval)veranderde echter niet, behalve bij hetbreedste kanaal, waar de gemiddeldeafstand van de dieren tot de oever ongeveer15 meter bedroeg. Hier werden deintervallen tussen pulsen langer. Uitberekeningen bleek dat de meeste pulsintervallenjuist lang genoeg waren omoverlap tussen een vanaf de oever teruggekaatsteecho en een volgende uit testoten geluidspuls te voorkomen. Hetlijkt er dan ook op clat de vleermuizengeluidspulsen naar de oever hebbengezonden, met andere woorden dat zijcontact met de oever hebben gehouden.Of en in hoeverre de oever voor devleermuizen van nut is geweest bij hunoriëntatie, blijftvraag.echter voorlopig een


'Multiple-flash'Met behulp van een speciale techniek,'multiple-flash', zijn de afgelopen zomeraanvullende gegevens verzameld overhet vlieggedrag van meervleermuizen.In Nederland was met deze technieknog geen ervaring opgedaan. Daaromkwamen twee Britse onderzoekers vande Universiteit van Bristol, GarethJones en Adam Britton, op uitnodigingeen week naar Friesland. De techniekhoudt in, dat er langs de oever van hetkanaal twee camera's opgesteld worden,111et een aantal flitsers en daaraangekoppelde geluidsopname-apparatuur.Tijdens elke opname wordt razendsnel,maximaal 60 maal per seconde, geflitst.Achteraf kan zo de vliegbaan van elkegefotografeerde vleermuis gereconstrueerdworden. Aan de opnames kan vanalles gemeten worden: de afstand vande vleermuis tot de oever, de vliegsnelheid,de snelheid van de vleugelslag, ende echolokatie. We hopen zo nog meerover de samenhang tussen al deze factorente weten te komen. De gegevensmoeten nog geanalyseerd worden.Compromis?De afgelopen zomer is een begingemaakt met een gedetailleerde studievan de verdeling van dwergvleermuizen,insekten en wind rond één enkele hout-Meervleermuizen vliegen vaak vlak boven het water, enhouden vermoedelijk 'sonar-kontakt met de oevers.Foto Zomer Bruijnsingel bij Ritthem in Walcheren. Demetingen werden verricht op de weg enop afstanden van respectievelijk 3, 6, 12en 24 meter tot beide zijden van dehoutsingel. Uit de metingen bleekondermeer:(I) Vleermuisactiviteit en insektendichtheidwaren beide maximaal aan de lijzijdeop 3 meter van het element. Maarook op grotere afstand bleven de insektendichthedenaan de lijzijde relatiefhoog. Op meer dan 6 meter werdendaarentegen nauwelijks nog vleermuizenwaargenomen.(2) De wind luwte was maximaal op 6meter van het element.Verdere analyse toonde aan dat de vleermuisactiviteitniet zozeer door voedselrijkdomof windbesehutting werdbepaald, maar eerder door de afstand tothet element. Dit is een aanwijzing dat ermeer aan de hand is. Het is denkbaardat ook echo-oriëntatie een rol speelt bijde keuze van de optimale afstand van devleermuis tot de houtsingel. Het spectrumvan echolokatiegeluiden dat eenvleermuissoort tot zijn beschikkingheeft, bepaalt waarschijnlijk op welkeafstanden ten opzichte van de houtsingelde vleermuis de beste echo's terug-


ZOOGDIER 1995 6 (1)14ontvangt. De optimale vliegzone wordtmogelijk bepaald door het beste compromistussen windluwte, insektendichtheiden echolokatie. De vleermuisis daarnaast flexibel genoeg om hiervanaf te wijken, bijvoorbeeld in het gevalvan insektenconcentraties. De komendezomer zullen de tellingen worden voortgezetdoor twee studenten, Bianca deVos en Eva Willems, beide van de lerarenopleidingin Tilburg.PolenDwergvleermuizen blijken vooralsnogsterk gebonden te zijn aan lijnvormigebegroeiingen. Maar zou dit ook zo zijnals de insektendichtheden in het openterrein hoger zijn dan in de intensiefbeheerde Nederlandse weilanden enakkers? Als echo-oriëntatie een belangrijkerol speelt, verwachten we geen verschil.Hetzelfde geldt voor beschutting.Maar als vleermuizen vooral aanbomenlanen, houtwallen en bosrandenzijn gebonden door een verhoogd voedselaanbod,dan mogen we verwachtendat vleermuizen meer in het open terreingaan foerageren als daar meervoedsel te vangen is.Een groot agrarisch gebied met insektenrijkeopen terreinen is in ons landniet te vinden. Daarom zullen we dekomende zomer tevens onderzoek doenin het noordoosten van Polen. De uitvalsbasisvormt Urwitalt, een onderzoeksstationvan de Universiteit vanWarschau in het merengebied Mazurië.Hier zullen twee studenten van deWageningse Landbouwuniversiteit, ErikGorter en Kamiel Spoelstra, twee maandenlang bivakkeren. Dat de graslandenhier inderdaad gonzen en zoemen vande insekten bleek al tijdens een bezoekaan het gebied in augustus 1994.nog zo'n kleine anderhalf jaar te gaanhopen we uiteindelijk de beschermingvan vleermuizen in agrarische landschappenmeer handen en voeten tegeven. ~LiteratuurGlas, G.H., 1978. Inleidend onderzoek naarde biologie van de laatvlieger, Eptesicusserotinus Schreber, 1774 (Mammalia,Chiroptera) met name in de zomerverblijfplaats.Doctoraalverslag Vrije Universiteit.Helmer, W., 1983. Boombewonende watervleermuizenMyotis daubentonii (Kuhl,1817) in het rijkvan Nijmegen. Lutra 26: l­Il.Kapteyn, K. & 1. Verheggen, 1990. Van hosjetot bosje: verband tussen vleermuizen(Chiroptera), begroeiing en landschaosstructuurin Zuid-Limburg. Rapport no.1081, Vakgroep Natuurheheer, LandhonwuniversiteitWageningen.Limpens, H.J.G.A. & K. Kapteyn, 1990. Bats,their behaviour and linear landscape elements.Myotis 29: 63-71.Limpens, H.J.G.A., A. van Winden & K.Mostert, 1989. Vleermuizen (Chiroptera)en lintvormige landschapselementen.Lutra 32(1): 1-20.Voûte, A.M., 1972. Bijdrage tot de oecologievan de meervleermuis, Myotis dasycneme(Boie, 1825). Dissertatie RijksuniversiteitUtrecht.VleermuisbeschermingWat hebben we nu eigenlijk aan deonderzoeksresultaten? Om bij de inrichtingen het beheer van landscbappen enlandschapselementen rekening te kunnenhouden met vleermuizen, is hetvoor natuur- en landschapsbeherendeorganisaties van groot belang te wetenin hoeverre 'gaten' in het netwerk vanlijnvormige elementen een barrière vormen.De vraag naar de functie van landschapselementenvoor de oriëntatieblijft dan ook een cruciale rol in hetonderzoek spelen. Daarnaast kan ookinformatie over de rol van insekten enbeschutting leiden tot een vleermuisvriendelijkerlandschapsbeheer. Met


ZOOGDIER 1995 6 (1) 15De laatste vijftien jaar hebben duinbeheerders zichsteeds meer ingespannen voor het ongestoord latenplaatsvinden van natuurlijke processen. Dat vereist datmen inzicht heeft in die natuurlijke processen.Fluctuaties in de konijnenstand spelen in het duin eenbelangrijke rol, denk maar aan veranderingen in de vegetatiestructuur.Veel duingebieden zijn de laatste jarensterk vergrast. Is dit te wijten aan eutrofiëring vanuit delucht of hangt één en ander samen met een verminderdekonijnengraasdruk? Het antwoord op het laatste kangeleverd worden wanneer men het konijn, als belangrijkegrazer, door de jaren heen heeft geteld.In de duinen hebben tal van 'grazers' rekenwerk verricht in het duingebiedeen duidelijke invloed op het ecosys- Meijendel. Hij bestudeerde onder andeteem.Van der Meijden (1992) heeft wat re aaltjes, luizen, rupsen, slakken, muizen,kevers, sprinkhanen en konijnen.Konijnen laten zich maar moeilijk tellen.Foto Jaap Mulder


15روّية الغد 08-09


ZOOGDIER 1995 6 (1) 18van de zomer hebben de konijnen eenlang reproduktief seizoen achter de rug.Natuurlijk is het niet uitgesloten dat hettoeval een rol speelt, ondanks acht keertellen, of dat er daadwerkelijk in hetvoorjaar op die plek meer konijnen aanwezigzijn. De kans om tijdens het tellenlinks en rechts van de route konijnenwaar te nemen hangt bijvoorbeeldaf van de hoogte van de bermvegetatie.In het dauwbraamlandschap van hetopen duin, waar lage kruiden en grassendomineren, is de zichtbaarheid in voorennajaar meestal uitstekend. In hetbeboste binnenduin kan de begroeiingsterk verschillen tussen voor- en najaar.Langs de bospaden verschijnt in de loopvan de zomer vaak een weelderigeondergroei van hoge kruiden en grassen,zoals brandnetel, adelaarsvaren enkoekoeksbloem. In het vroege voorjaardaarentegen is de bosbodem kaal en kanmen vanaf een bosweg veel verder linksen rechts de weghuppelende konijnentellen.Zo'n effect van begroeiing is nagegaandoor in vier telgebieden gedurendeFiguur 4. Gemiddeld aantal getelde konijnen per kilometerin Meijendel.Meijendel10~------,----------,BFiguur 3. Gemiddeld aantal konijnen per kilometer doorde jaren heen, in Schoorl en Bergen.Schoort10~-------,----------,B47 'teljaren' systematisch te turven of deaantallen in het najaar hoger waren danin het voorjaar, en wel apart voor trajectendoor open en door bebost duin. Deovergangszone, waarbij open duin enbebost duin gemengd voorkomen, ishierbij buiten beschouwing gelaten.Dan blijkt dat in het beboste duin devoorjaarstelling in meer dan de helft vande gevallen (25 van de 47) hoger uitpaktdan de najaarstelling. Voor het openduin is het precies andersom en volgensde verwachting; in 40 van de 47 teljarenpakt de najaarstelling hoger uit dan devoorjaarstelling. In de komende jarenzullen de verschillende onderzoekersproberen voor deze verschillen in zichtbaarheideen index te ontwikkelen,zodat de tellingen bij verschillendevegetatiehoogten beter vergelijkbaarworden.Bruikbaar?Aan deze methode zijn duidelijke voordelen,doch ook nadelen verbonden.Een voordeel is in elk geval de snelle engemakkelijke uitvoerbaarheid van detelling. Iedereen kan tellen en het is totnu toe geen probleem geweest om voldoendetellers te vinden voor dergelijkeavondlijke overuren. Voor het eerst krijgenwe inzicht in de aantalsschommelingenin de verschillende terreinen.Nadeel is, dat uit de telling geen absoluutaantal konijnen te destilleren is,dus geen aantal/ha op een bepaald tijdstip,Vergelijkingen tussen de verschillendegebieden zijn alleen in globale zinmogelijk. Men kan wel binnen ééngebied de aantallen van de verschillendejaren vergelijken. Een ander nadeel isdat de getelde aantallen, ondanks achttelavonden, door toevallige factorenkunnen worden bepaald. Een correlatiemet wind en neerslag was vooralsnogniet aan te tonen, maar een late storing,Bergen12~-----,------------,IlllvoorjBar I!?:InlljlllU1018I.. E -4D2o2o


ZOOGDlllR 1995 6 (1)bijvoorbeeld trimmers die na zonsondergangnog door het duin rennen ­strikt verboden, maar toch ... - , kan hettelresultaat zeer nadelig beïnvloeden.Het effect is ruim één uur later nogmerkbaar!Het tellen van konijnen voor en nahet reproduktieve seizoen kan op zichzelfeen leuk beeld geven van de trendsin de populatie, maar door Wallage­Drees (1986) is voor Nederland vastgestelddat juist in die twee perioden hetactiviteitspatroon van konijnen zeersterk verandert. Bij een proef met eenmaandelijkse 24-uurs-telling bleken deaantallen in de periode van maart tot enmet mei met een factor 3 toe te nemen.Deze toename kon uitsluitend wordenverklaard door het feit dat de konijnenmeer en meer boven de grond kwamen.In september en oktober stelde zij weereen duidelijke daling in activiteit vast.Dit betekent dat een beetje te vroeg ofeen beetje te laat tellen een enorm verschilkan maken in het eindresultaat.Eventuele missers in de telling wordenevenwel opgevangen door de acht telavondenover een relatief lange periodete spreiden.Heeft de beheerder nu voldoende antwoordop zijn vragen? De resultatengeven enig inzicht in wat er met de aantallengebeurt. Een relatie tussen konijnengraasdruken vegetatie-ontwikkelingis hiermee natuurlijk nog niet aangetoond.Daarom vindt naast deze tellingenook direct onderzoek plaats aan devegetatie-ontwikkeling. Ook wordtgekeken of deze telmethode kan wordenaangevuld met een andere, relatiefsimpele registratie van konijnen (holen,keutelplaatsen). In elk geval gaan debeheerders door op de ingeslagen wegen blijven ze het konijn monitoren. -1'fVroeger gaf het jaarlijks aantal geschoten konijnen eenindruk van de populatieschommelingen.Foto Jaap MulderLiteratuurDunnet, G.M., 1957. Notes on the ernergencebehavier ofthe rabbit, Oryctolagus cuniculus(1.) and its bearing on the validity ofsight counts for population estimates.CSIRO Witd!. Res. 2:85-89.Kivit, H., 1987. Over de methodiekvan konijnentellingenin de vastelandsduinen; eenevaluatie van de toegepaste telmethode.Rapport PWN.Meijden, E. van der, 1992. Kleine dieren,groot in aantal en effect. Duin 15:8~ 10.Wallage-Drees, l.M., 1986. Dag-en nachtactiviteitbij konijnen en de relevantie voor detehnethode. Lev. Nat. 87:40-45.


ZOOGDIER 1995 6 (1) 20Het zwartgeschilderde eindresultaat.Foto Fred NordheimVoor vrijwel alle zoogdierliefhebbers vormt de aanschafvan goede livetraps voor veldonderzoek een onoverkomelijkfinancieel probleem, Ook voor mij is dat het geval.Mijn werkomstandigheden, waarover dadelijk meer,brengen een hoog val-verlies-risico met zich mee. Ubegrijpt dat ik met veel genoegen het artikel van RudiVantorre las, in Zoogdier 5(1), over het aanpassen van degoedkope Triptrapvallen voor veldwerk. Maar het kannog wat sneller en goedkoper.Een aantal uren per week ben ik indienst van Bureau StadsecologieAmsterdam. Ik moet ten behoeve vande Ecologische Atlas van Amsterdamonder andere gegevens verzamelen overhet voorkomen van de kleine zoogdieren.Veel 'groene' gebieden in de stadzijn alleen maar verantwoord te inventariserenmet goedkope inloopvallen. Dereden hiervan is, dat er ook door anderengeopereerd wordt in de meest interessantebiologische niche, struikgewasmet veel ondergroei. Dat zijn de plekkenwaar je succesvol kleine zoogdierenkunt vangen. Maar het zijn ook de plekkenwaar junks hun drugs verbergen enwaar zwervers slapen. Die laatstengeven in het algemeen weinig problemen,behalve als ze groot, sterk endronken zijn en daarbij bovenop je valhun roes liggen uit te slapen. Dat heeftmij tot nu toe twee vallen gekost: verpletterd!Junks zijn lastiger. Wat doet een junkdie zijn drugs gaat verbergen of gebruikenvoordat hij het struikgewas inloopt?Hij kijkt eerst goed om zich heen of hijbeloerd wordt. En wat doet een grotekerel met een sporttas vol vallen, voordathij de bosjes inschiet? Precies! Deproblemen ontstaan als beide partijendezelfde plek hebben uitgekozen. In datsoort gevallen ben ik gegarandeerd mijnspullen kwijt. Het is de problematiekvan de grote-stad-zoogdier-inventariseerder.Om een juist verspreidingsbeeldvan de bosmuis in de stad te verkrijgen,is het herhaaldelijk verlies vaneen 75 gulden kostende Longworthvalonacceptabel,Halverwege de jaren tachtig begon ikmet Triptrapvallen Amsterdam enomgeving te inventariseren. In de kleineleefruimte van de vallen was de sterfteonder de gevangen muizen hoog. Meteen grotere leefruimte, voorzien vanveel nestmateriaal zoals hooi, en metvoldoende voedsel, moest dit euvel teverhelpen zijn. Koektrommels, dat wasin mijn ogen dé oplossing. Een verzamelaktieop mijn werk (ik ben vooralwerkzaam als fysiotherapeut in een verzorgingscentrum),tegen betaling vanf 1.- per blik, was een succes. Maar hetresultaat, 25 rechthoekige blikken, waseenmalig.Koninginnedag bood uitkomst. Nuhaal ik jaarlijks in één rondje over devrijmarkt in mijn buurt 30 blikken op


voor gemiddeld f 1.- per stuk. De kostenvan mijn vermaakte Triptrapvallenkomen daarmee op ongeveer f 7.50, endat is een te dragen verlies voor dewetenschap...Het vermaken van de rechthoekige(dat is gemakkelijk voor het transport)koektrommels is eenvoudig. Hier volgenpuntsgewijs de henodigde handelingen:- teken met de viltstift de maat van deachterkant (zonder leefruimte) van deTriptrapval af op de zijkant van hetblik;- sla met een priem twee gaten vlakonder elkaar in het midden van deafgetekende maat en maak hiertusseneen verbinding;- in de aldus ontstane ruimte past eenblikschaar, waarmee vervolgens eenopening wordt geknipt in de vorm vantwee naar buiten te buigen 'deurtjes';- knijp met een waterpomptang deomgekrulde randen plat en maak deingang 'pas' voor het Triptrap-vanggedeelte;- een ring van fietsbinnenhand over de'deurtjes' heen fixeert het vangmechanismeaan het blik (zie foto);- zelf spuit ik de hlikken daarna zwart,om ze minder op te laten vallen.De benodigdheden voor het aanpassen van de koektrommels.Foto Fred NordheimPer val duren deze handelingen ongeveervijf minuten. Door het plastic vangdeelvoorzichtig in het blik te schuivenwordt een kleinere en minder kwetsbaretransportstand verkregen.Tegenwoordig haal ik het groene stukjeplastic, waarmee het vangdeurtjeblokkeert, van de val af, zodat 'meervangsten'mogelijk worden. Hierdoorving ik al eens twee hosspitsmuizen, watresulteerde in één hele en één halvebosspitsmuis. Een bosmuis en een bosspitsmuisleverde de bosmuis als winnaarop. Drie bosmuizen had een bloedbadtot gevolg. De uitslag van tweebosmuizen en één wezel laat zich raden.Gelukkig komen zulke 'meervangsten'slechts sporadisch voor.Ik hoop dat mijn aanpassing van deTriptrapval de mogelijkheden voor 'zelfdoen'vergroten en daarmee ook demogelijkheid van onderzoek door particulieren.Succes!--rI


ZOOGDIER 1995 6 (1) 22In november 1993 werd een vooronderzoek gestart naarde haalbaarheid van zoogdiermonitoring in Nederland.Onder monitoring wordt hier verstaan het volgen in detijd van ontwikkelingen in aantallen en verspreiding vande verschillende soorten zoogdieren. De kennis hiervanis nodig Oln tijdig veranderingen waar te nemen, zowelvoor- als achteruitgang van soorten, en om de effectiviteitvan beschermingsmaatregelen te kunnen meten, Hetvooronderzoek werd in november 1994 afgesloten meteen eindrapport.Uit het vooronderzoek bleek dat vanverschillende soorten zoogdieren deontwikkelingen vrij goed gevolgd kunnenworden. Hiervoor zijn echter welverschillende methoden nodig. Demeeste komen er op neer dat de aantallenzoogdieren (of hun sporen) wordengevolgd in proefgebieden of transecten.Het gehele samenspel van methoden enproefgebieden wordt ook wel aangeduidals het Meetnet Zoogdieren (de Wijs1994).DeelprojectenBij sommige soorten zoogdieren vond almonitoring plaats. Denk hierbij aan delandelijke tellingen van overwinterendevleermuizen en de dassencensus, waarvooreens in de tien jaar gekeken wordthoeveel burchten er in Nederland doordassen bewoond worden. Op zeer kleineschaal vond bij vleermuizen ook monitoringplaats met transecttellingen. Eentranseettelling wil zeggen dat iemandregelmatig langs een vast traject loopt offietst en dan alles wat hij of zij ziet ofhoort noteert. Als dit gedurende eenaantal jaren wordt gedaan kan achterhaaldworden of langs dat traject hetaantal waarnemingen toeneemt,afneemt of stabiel blijft. Omdat elk jaarop dezelfde wijze geteld wordt betekenteen afname van het aantal waarnemingendat de soort minder voorkomt langsdat traject dan voorheen.In het kader van het vooronderzoekzijn ook enkele nieuwe deelprojectengestart. Zo is gestart met het tellen vanvleermuiskolonies en het tellen van nestenvan eekhoorns. Het afgelopen jaar isook begonnen met de monitoring vanzoogdieren die overdag actief zijn. Ditgebeurt samen met de SamenwerkendeOrganisaties voor Vogelonderzoek inNederland (SOVON). Ten behoeve vanmonitoring van vogels organiseertSOVON al jarenlang verschillende tellingendie gestandaardiseerd zijn.Tijdens de vogeltellingen worden ookzoogdieren waargenomen. In het kadervan het vooronderzoek is de deelnemersaan twee van de vogelprojecten (PTT enBMP) gevraagd om ook de zoogdierente noteren. Veel vogelaars hebben hieraanmeegewerkt en we zijn ze daarvoorzeer dankbaar.De resultatenVoor het tellen van eekhoornnestenhebben ruim 40 personen zich aangemeld.Het veldwerk is op het momentvan schrijven in volle gang, zodat noggeen indruk van de resultaten bestaat.De gegevens die door de vogelaars verzameldzijn in het kader van het BMP(Broedvogel Monitoring Project) wordenmomenteel door het CBS verwerkt,maar de resultaten van het PTT-project(Punt Transeet Tellingen) van het seizoen1993/94 zijn al beschikbaar(Verstrael & Ammerlaan 1994). Veelvogelaars hebben meegewerkt aan ditprojekt. In november werd langs 61 %van alle trajecten op zoogdieren gelet, infebruari was dit gestegen tot 71%. Intotaal werd langs 168tot 190 telroutes opzoogdieren gelet. Het aantal routes waarwel op zoogdieren is gelet, maar waarlangsgeen zoogdieren werden waargenomen,nam af van 33% in november


tot 23% in februari. De verdeling van deroutes over het land was redelijk gelijkmatig,ook in regio's waarin maar weinigtelroutes liggen werden de zoogdierenmeegeteld.In totaal werden 15 soorten zoogdierendoor de vogelaars gezien. Van viersoorten werden op meer dan tien routesexemplaren waargenomen: haas,konijn, ree en eekhoorn (zie bijgaandetabel). De haas Lepus europaeus was hettalrijkst, waarbij sprake was van een toenamenaarmate de winter vorderde.Deze toename was niet alleen duidelijkdoor grotere aantallen per route, maarde haas werd ook op meer routes waargenomen.Dat kan enerzijds te makenhebben met de sneeuw die in februari1994 aanwezig was (grotere zichtbaarheid),maar ook met het op dat momentEekhoorns monitoren kan door zowel de nesten te teIlen.als de waarnemingen van de eekhoorns zelf tenoteren. Foto Sim Broekhuizengestarte voortplantingsseizoen (grotereactiviteit, grotere zichtbaarheid). Hetkonijn Oryctolagus cuniculus werd juistin steeds kleinere aantallen waargenomennaarmate de winter vorderde. Datkan te maken hebben gehad met de toegenomenkoude (ze blijven dan meer inhun holen), maar het zou ook te makenkunnen hebben gehad met wintersterfte.De grootste aantallen werden opSchiermonnikoog gezien: 76 op éénroute in november!Het aantal reeën Capreo/us capreolusper route was het hoogst tijdens dedecembertelling en iets lager in februari.Meestal neemt de zichtbaarheid van


Tijdens de Punt Transekt Tellingen van vogels wordennu ook de hazen geteld. Foto Sim Broekhuizenreeën juist toe in het vroege voorjaar,maar mogelijk heeft de toegenomenkoude in 1994 een negatieve invloedgehad. Het aantal routes met eekhoornsSciurus vuigarts was niet erg groot(ongeveer tien), zodat hierover nog nietveel valt te zeggen. Het gemiddelde aantaleekhoorns per route was het hoogstin december.De transeettellingen van dagactievezoogdieren beloven de komende jarenleuke gegevens op te gaan leveren. ZeTabel 1. Zoogdieren tijdens Punt-Transect-tellingen vanSOVON en CBS. n = totaal aantal getelde routes in het PTTnovember december februarin=168 n=190 n=188aantal:Haas routes 65 87 104exemplaren 227 331 738ex./route 3.5 3.8 7.0Konijn routes 31 32 35exemplaren 204 174 79ex./route 6.6 5.4 2.3Ree routes 34 40 36exemplaren 134 264 214ex./route 3.9 6.6 5.9Eekhoorn routes 13 8 10exemplaren 15 15 16ex./route 1.2 1.9 1.6zijn ook niet moeilijk uit te voeren. Datbleek voor de tellingen van vleermuiskoloniesminder op te gaan. Vooral hetopsporen van de kolonies is moeilijk.Daarom willen we ons dit jaar veel meergaan richten op mensen die vleermuizenals medebewoners in huis hebben.Voor hen is het gemakkelijk om regelmatighet aantal aanwezige vleermuizente tellen. Bovendien is geen specialistischekennis nodig.PlannenNaar aanleiding van de positieve ervaringenvan het afgelopen jaar krijgt hetZoogdiermonitoringproject een vervolgin 1995. Uiteraard gaan we door met dedeelprojekten die vorig jaar gestart zijn,maar daarnaast willen we nog enkelenieuwe deelprojecten van de grond krijgen.Zo willen we ook een braakballenprojectstarten. Hierbij gaat het om hetverzamelen van braakballen van(kerk)uilen aan het eind van elk jaar.Aan de hand van het relatieve aantalschedeltjes in de braakballen kan waarschijnlijkiets gezegd worden over deaantalsontwikkelingen van kleine zoogdierenin een gebied. Ook willen wegaan onderzoeken of het mogelijk isaantalsontwikkelingen van zoogdierente bepalen door middel van het vangenvan kleine zoogdieren met livetraps, hettellen van prenten op geschikte plaatsenen het tellen van verkeersslachtofferslangs vaste routes, zoals die van woonwerkverkeer.


Reeën werden door de vogelaars vooral in decembergezien. Foto RoeI van Beek


ZOOGDIER 1995 6 (1)ZoogdierdatabankMet bovenstaande projekten wordtvooral inzicht verkregen in de aantalsontwikkelingenvan zoogdiersoorten. Inveel mindere mate wordt inzicht verkregenin veranderingen in de verspreidingvan zoogdieren. Vanuit natuurbeschermingsoogpuntis dit laatste ook vanbelang, omdat we niet alleen willenweten of een soort voor- of achteruitgaatin aantal, maar ook waar inNederland die voor- of achteruitgangplaatsvindt. Een goed voorbeeld is dedas, die, na een dal in de zestiger jaren,weer iets in aantal toeneemt. In de oorspronkelijkedassengebieden inLimburg en het Rivierenland krimptzijn areaal echter nog steeds, terwijl zijnareaal op de zandgronden van deVeluwe en Noord-Nederland zich uitbreidt.Om een goed beeld van dergelijkeveranderingen te kunnen krijgenzouden er eigenlijk eens in de zoveeljaar verspreidingskaarren gemaakt moetenworden. Om dit mogelijk te makenmoeten regelmatig waarnemingen wordenverzameld en doorgegeven. Na hetverschijnen van de Atlas van deNederlandse zoogdieren (Broekhuizenet al. 1992) is dit niet meer gebeurd. Omhier een nieuwe impuls aan te gevenhebben we nieuwe waarnerningsformulierengemaakt, die op verzoek kunnenworden toegezonden.MedewerkingHet waarnemen van zoogdieren is nietgemakkelijk. Toch zien we allemaal weleens een eekhoorn tijdens de wandelingdoor het bos, reeën langs de kant van deweg of mollen in de tuin. Sommigennoteren die waarnemingen in een boekjedat dan in de kast verdwijnt. Als u diewaarnemingen nu opstuurt naar onderstaandadres dan levert u daarmee eenbijdrage aan het behoud van de zoogdierfaunain Nederland. Zij die belangstellinghebben voor een of meerderevan de bovengenoemde monitoringprojektenkunnen contact opnemen metondergetekende. Misschien heeft u kennissenmet wie u gezamenlijk een vande projekten zou kunnen uitvoeren.Laat het ons dan even weten. -'f"(LiteratuurBroekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C.Smeenk & lB.M. Thissen, 1992. Atlas vande Nederlandse zoogdieren. KNNVUitgeverij, Utrecht.26Verstrael, T. & T. Ammerlaan, 1994.Waarnemingen van zoogdieren tijdens dePTT-tellingen 1993/'94. Intern rapportCBS, Voorburg.Wijs, W.J.R. de, 1994. Zoogdiermonitoring,een studie naar de haalbaarheid van eenMeetnet Zoogdieren. Vereniging voorZoogdierkunde en Zoogdierbescherming,Utrecht en de VleermuiswerkgroepNederland, Wageningen.Het projekt Zoogdiermonitoringkwam tot stand door subsidies vanhet Informatie- en KennisCentrumNatuurbeheer en het CentraalBureau voor de Statistiek. Aan hetprojekt doen de volgende organisatiesmee:- Vereniging voor Zoogdierkundeen Zoogdierbescherming (VZZ),Emmalaan 41, 3581 HP Utrecht.- Vleermuiswerkgroep Nederland(VLEN/svo), Postbus 190, 6700AD Wageningen.- Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland, p/a K. Mostert, Palamedesstraat74, 2612 XS Delft.- Noordhollandse Zoogdierstudiegroep(NOZOS), p/a J. Postma,Orteliusstraat 136 hs, 1057 BHAmsterdam.- Vleermuiswerkgroep Noord-Brabant, p/a P. Twisk, Comm. deQuaylaan 460, 5224 EB 's­Hertogenbosch.- Vleermuiswerkgroep Gelderland,p/a G. Glas, Beatrixstraat 2, 6824LR Arnhem.- Zoogdierenwerkgroep van hetNatuurhistorisch GenootschapLimburg, p/a L/ Backbier, VanGalenstraat 64, 6163 XW Geleen.- Zoogdierenwerkgroep Overijssel,p/a Natuur & Milieu Overijssel,Stationsweg 3, 8011 CZ Zwolle.


ZOOGDIER 1995 6 (1) 27Overdag vliegendevleermuizenIn de middag van 4 november1994 was ik aan het vogelen ophet landgoed De Horsten en inde Veenzijdse polder, bijWassenaar. Op drie verschillendeplekken kwam ik rondvliegendeen jagende vleermuizentegen. De eerste ontmoeting Deventer. Foto Ad van RoosendaalParende franjestaarten, tijdens de 'winterslaap' in het spoorwegviaduct te


ZOOGDIER 1995 6 (1)WAARNEMINGEN28vond plaats om 14.30 uur langsde rand van een vochtig elzenberkenbosen een veen weidegebied(km-hok 30-36-54). Devleermuis zwenkte voortdurendrond boven de bosrand,zo'n 8-12 meter boven de 6-7meter hoge bomen. Hij had hetformaat van een watersnip, wasegaal bruin van kleur en hadlange en vrij smalle vleugels.Met de verrekijker zag ik duidelijkuitstekende oren. Opgrond hiervan nam ik aan dathet om een rosse vleermuisNyctalus noctu/a ging.Ongeveer een uur later zag ikweer een vliegende vleermuislangs de bosrand jagen (kmhok30-46-31). Nog fraaier werdhet toen ik om 16.00 uur in denabije omgeving zelfs tweevleermuizen tegelijk zag rondvliegenaan de rand van eenessenhakhoutbosje in eenveenweidegebied (km-hok 30­46-32). Eén van deze vleermuizenwerd zelfs aangevallendoor een sperwer, die echtergeen grip kreeg op de zwenkendevleermuis.Zulke opmerkelijke waarnemingenvan overdag vliegenderosse vleermuizen werden hetafgelopen najaar méér gedaan(Boonman 1994). Soms leekhet daarbij om trekkende dierente gaan, die hoog vlogen,overwegend in zuidelijke richting.Maar ook waren er dierenbij die duidelijk aan het jagenwaren. Gesuggereerd wordt datde vleermuizen wellicht juist inde herfst overdag jagen, omdatvooral bij helder weer de nachttemperatuurdan al erg laag kanzijn.Adri Remeeuw. Smaragdhorst324, 2592 RX Den HaagLiteratuurBoonman, M., 1994. Overdag vliegenderosse vleermuizen.VLEN -Nieuwsbrief 6(3):9-10.Vlaamse Rode LijstHet waarnemen van zoogdierenis nooit makkelijk geweest,maar wordt tegenwoordigsteeds moeilijker, zoals blijktuit de Rode Lijst van de zoogdierenin Vlaanderen. Van de68 soorten zoogdieren die vroegeren nu in Vlaanderen in hetwild voorkwamen en -kornen,staan er 30 op de Rode Lijst. InVlaanderen gaat het met denatuur dus al net zo slecht alsin Nederland (zie Hollander &Van der Reest 1994).De Rode Lijst geeft niet alleeneen overzicht van de status vanalle zoogdiersoorten in Vlaanderen,maar ook welke maatregelengenomen moeten wordenom de bedreigde soortenvoor Vlaanderen te behouden.De Rode Lijst kwam mede totstand op initiatief van deNationale Campagne BeschermingRoofdieren.De Rode Lijst is (gratis) tebestellen bij AdministratieMilieu, Natuur en Landinrichting(ANIMAL), Belliardstraat14-18, 1040 Brussel,België. Het is ook verkrijgbaarvia de VZZ (tegen verzendkosten.Vleermuizen inviaductOp verschillende plaatsen inNederland worden winteronderkomensgebouwd voorvleermuizen. Als het even kanwordt zo'n onderkomen meegenomenin objecten die meteen ander doel gebouwd worden.Een voorbeeld hiervan iseen geluidswal langs de A28 terhoogte van Beilen, waarin eenwinteronderkomen voor vleermuizenis opgenomen (vanBerkel 1988). Helaas zijn hierin,sinds de bouw in 1984, geenvleermuizen aangetroffen. Menvermoedde dat het in hetonderkomen niet vochtiggenoeg was. Op de grond isdaarom een plastic zeil neergelegdwaarop de gemeenteBeilen één- à tweemaal per jaareen laag water spuit. Hierdooris het achterin het onderkomenvochtiger geworden (Colpa1990), maar het wordt nogsteeds niet gebruikt door vleermuizen(Colpa 1994).Vermoedelijk is het nog steedste droog, onder andere omdatregelmatig jongeren binnendringenen er vuurtje stoken.Grappig is dat in twee anderekunstwerken, die niet specifiekvoor vleermuizen gebouwdzijn, wel vleermuizen overwinteren.In beide gevallen gaathet om spoorbruggen. InDeventer bevindt zich een viaductmet aan weerszijden vande weg pijlers met ventilatieopeningen,die zijn voorzienvan metalen roosters. Bij éénvan de uitgangen ontbrekendeze roosters. Daarachterbegint een ventilatiekanaal vannog geen 50 cm in het vierkanten enkele meters lang, dat uitkomtin een ruimte van ongeveer2 bij 1 bij 1,8 meter. Hetviaduct bestaat uit een grootaantal van deze ruimten,onderling verbonden door eengangetje van 1 meter lang enhoog. Op de vloer staat zo'n 15cm water. Al met al is het viaductmet enige moeite toegankelijkvoor kinderen èn kleinuitgevallen volwassenen.De vleermuizen werdenenige tientallen jaren geledenal ontdekt door een klein jongetje,maar ook nu nog wordtde ruimte gebruikt door overwinterendevleermuizen. Johnvan Vliet bezocht de plek begin1994 en trof er vijf grootoor-


ZOOGDIER 1995 6 (1) WAARNEMINGEN 29vleermuizen Plecotus auritus!austriacus en twaalf franjestaartenMyotis nattercri. Bij het laatstebezoek, in december 1994,bevonden er zich twee grootoorvleermuizen,veertien franjestaartenen één watervleermuisMyotis daubentonii. Vande grootoorvleermuis en dewatervleermuis is bekend datzij zich in de zomermaanden inde naburige parken ophouden.De franjestaart wordt 's zomersalleen in het bosrijke buitengebiedvan Deventer gevonden.Om deze winterverblijfplaatsook voor de toekomst tebehouden is contact opgenomenmet de NederlandseSpoorwegen.In Haren (Groningen)bevindt zich eveneens eenspoorbrug die door vleermuizengebruikt wordt als winteronderkomen.Deze brugbestaat uit drie pijlers. De middelstepijler is waarschijnlijkongeschikt voor vleermuizen,omdat hij snel kan afkoelen.De twee eindpijlers daarentegenzijn qua bouw hetzelfde enHet spoorwegviaduct in Deventer.waarin vleermuizen blijken te overwinteren.Foto Ad van Roosendaalstaan beide in een talud vaneen aangrenzende dijk. Devochtigheid en de temperatuurvoldoen daardoor aan de eisendie vleermuizen stellen. In éénvan de eindpijlers zijn in 1993zes en in 1994 vier vleermuizenwaargenomen. Het ging omgrootoren, baardvleermuizenMyotis mystacinus en ruigedwergvleermuizen Pipistrellusnathusii. In de andere eindpijlerwas een vuurtje gestookt,wat mogelijk verklaart waaromer in 1993 geen en in 1994slechts één vleermuis werdaangetroffen (mond. med. Janvan Muijlwijk).Uit vorenstaande blijkt datbij het maken van een winteronderkomenvoor vleermuizengoed gelet moet worden op deklimatologische omstandighedenin het object en de (on­)toegankelijkheid voor kinderen.Aan vleermuistellerswillen we het volgende meegeven:kijk in plaats van naar, ookeens in een 'kunstwerk'!John van Vliet, VleermuiswerkgroepDeventer,Rielerweg 12, 7416 ZG Deventer& Henk Lubberts, Borgerspark 7,9642 LK VeendamLiteratuurBerkel, C.J.M. van, 1988. Vleermuisonderkomen(Chiroptera)in geluidswal bij Beilen. Huid &Haar 7(1).Colpa, r.o., 1990. Vleermuistellingen19891'90 in bunkers en keldersin Drenthe. VleermuiswerkgroepNederland, afdelingDrenthe.Colpa, J.G., 1994. Vleermuistellingen1993/'94 in bunkers enkelders in Drenthe. VleermuiswerkgroepNederland, afdelingDrenthe.Das in MuidenTijdens een nachtelijke fietsronde,in 1992, over het terreinvan de firma Muiden ChemieInternational (ten oosten vanAmsterdam) moest een bewakerplotseling remmen vooreen groot hondachtig beest dat


ZOOGDIER 1995 6 (1)WAARNEMINGEN30vlak voor hem het pad overstaken snel in de bosjes verdween.Er volgden meer ontmoetingentussen de bewaking en dit dier,dat onmiskenbaar een das(Me/es me/es) was. Bij verderenavraag bleek dat zeker sinds1991, maar mogelijk reeds vanaf1989 een das aanwezig was ophet fabrieksterrein. Het moerassigebosgebied van de munitiefabriekvoorheen 'DeKrijgsman' (sinds 1702) leentzich bepaald niet voor het gravenvan een dassenburcht. Hetterrein is niet toegankelijk engeheel omrasterd, maar bij eenbezoek onder begeleiding op 7maart 1992bleek dat zich onderde betonnen fundering van eenstomende en sissende opslagtankeen dassenburcht bevondmet een tweetal storthopen vanzand. Ook werd grassig nestmateriaalop en in de omgevingvan de storthopen aangetroffen.In 1994 is het dier door debewaking elf maal waargenomen,soms overdag! Ook in1995 houden de bewakersnauwgezet alle waarnemingen(datum, tijdstip en locatie) van'hun' das bij.Tijdens een bezoek aan denog steeds belopen burcht op18 februuari 1995, werd mettrots verteld dat het dier dit jaaral zesmaal was gesignaleerd ophet terrein. De waarnemingendoor de bewaking en de jachtgerechtigdein de periode 1989­1995 doen vermoeden dat hethier om een solitaire das gaat.Het voorkomen van de das opdeze lokatie kan bijzondergenoemd worden. Dit geïsoleerdgelegen bosgebied vanongeveer 80 hectare ligt in deonmiddellijke omgeving vaneen netwerk van intensiefberedenautowegen, diverse waterwegenen een spoorlijn. Dedichtstbijzijnde bewoonde dassenburchten,voorzover bekend,liggen op ongeveer 19kmafstand, ten zuiden vanHilversum. Omdat er de laatstejaren uit deze regio meer levendeof dode dassen gemeld zijn,zien dassen uit de populatie bijHilversum blijkbaar toch af entoe kans het gebied tussenAmsterdam en Naarden tebereiken. Een kort overzichtvan de waarnemingen:- 28/4-5/5 1982: permanentaanwezig in het Laegieskarnpaan de westrand van Bussum(meded. F. Rijnja)- 7-4-1988: verkeersslachtoffer(vrouwtje) op landbouwwegten westen van Naardermeer(Sectierapport RIN-Arnhem)- 1989: waarneming van eendas in de buurt van het tuincomplexLinnaeushof teDriemond (Melchers &Timmermans 1991). Dezelokatie ligt slechts enkelekilometers verwijderd van deKruitfabriek en de zuidelijkeringweg bij Amsterdam, zieonder- 2-4-1989: verkeersslachtoffer,volwassen vrouwtje, Ringweg-Zuidt.h.v. afslag RAl(Sectierapport RIN-Arnhem)- 2e helft jaren tachtig: dassenprentenin sneeuw, Nw-randvan Ankeveense Plassen(M.Melchers)- 1992: waarneming van daslangs westelijk deel van deRingweg, Amsterdam(meded. P.l.H. V.d. Linden)- 1993: waarneming van eendas bij Muiden. Het diertrachtte vanuit het nabijgelegenMuiderbos het taludvan de snelweg Al/E35 tebeklimmen (meded. W.Vogels, Das & Boom)- 1993: das waargenomen tenwesten van IBM-fabriek teUithoorn (meded. PJ.H. V.d.Linden)Over het voorkomen van dassenburchtenin Nederlandonder funderingen van gebouwenen installaties en in ofonder schuren is uit de literatuurslechts één geval bekend.Tijdens de Limburgse dassencensus,uitgevoerd in 1990,werd door de gebroederslansen een dassenburchtgevonden in een schuur tussenhalf ingegraven oude landbouwwerktuigen.Verder heefteen uitgezette das in de buurtvan Ommen maandenlang inen onder een schuurtjegewoond (meded. JaapMulder). Door de eerste auteuris op 15-11-1980 een belopenbijburcht aangetroffen ondereen schuur in een bosje bijOudemirdum (Gaasterland),die door de eigenaar gebruiktwerd voor het stallen van paarden.Op 28-1-1994 werd verderin de omgeving van Wenum(bij Apeldoorn) in een particulierbosgebied een bewoondehoofdburcht van de das ontdektonder een vervallenschuurtje, volgepropt met hooibalen.Twee gangen van dezeburcht verdwenen ook in hethooi. Tenslotte is bij de eersteauteur een bijburcht bekend ineen schuurtje met hooi, gelegenin het bosgebied van hetSBB-object Noorderheide.Buiten Nederland komenbelopen dassenburchten ondergebouwen wel meer voor, o.a.in Duitsland, Groot-Brittannie,Zweden en de voormaligeSovjet-Unie. W.F.Bock vond in1986 een bewoonde dassenburcht,gelegen onder eendanszaal in Beieren. Tijdenszijn telemetrische onderzoekaan dassen in het Duitse Voor­Alpengebied constateerde hijook dat dassen regelmatighooischuurtjes op de alpenweidenals tijdelijke burchtgebruikten (pers.meded.).In de periode 1992-1994 zijndiverse bezoeken gebracht aan'het bos van de Kruitfabriek' ende directe omgeving hiervan.Op grond van de aangetroffensporen constateerden we dat dedas het bos voornamelijk aande noordzijde verlaat, waar eendam de wetering overbrugt diehet bos geheel omsingelt. Hetdier moet dan wel naast dedam een stukje door ondiepwater lopen, om het ingegravenen deels over het water uitstekenderaster te passeren. Opweg van de burcht naar dezeuitgang blijkt de das ook regelmatiggebruik te maken vaneen omgevallen boom omdroogvoets een kanaal in hetbos over te steken. Dat lijkt opDassenburcht onder opslagtank.Foto Hans Vink


ZOOGDIER 1995 6 (1) WAARNEMINGEN 31


ZOOGDIER 1995 6 (1)WAARNEMINGEN32het gedrag van de dassen in hetUtrechts-Noordhollands laagveengebied,die soms honderdenmeters omlopen om viaeen plank of dam droogvoetsde diverse sloten te 'nemen'.Maar het is ook bekend datdassen helemaal niet vies vanwater zijn en overal dwarsdoorheen kunnen gaan.Hans Vink en Martin Me/eh ers,resp. Boterhoeve 5, 3992 NBHouten en Laptacestraat 65 hs,1098 HS AmsterdamLiteratuur:Melchers, M. & G. Timmermans,1991. HaringStadsdrukkerij,in het IJAmsterdam,243 pp.Boommarter in devalNog één dag en dan zouden depogingen om een boommarterMartes martes te vangen gestoptworden. En ja hoor, in denacht van 27 op 28 februari gaathet alarm af bij Gerard Müskens.De leden van de WerkgroepBoommarter Nederlandworden uit bed gebeld: "Er ziteen boommarter in de val".Iedereen rept zich naarRoosendaal.In Roosendaal is vorig jaarbegonnen met een onderzoeknaar het gebruik van rust- enslaapplaatsen door boommarters.Dit onderzoek wordt uitgevoerddoor de WerkgroepBoommarter Nederland van deVZZ en het Instituut voor BosenNatuuronderzoek (IBN).Het Fonds voor Onderzoek tenbehoeve van het Natuurbehoud(FONA) verzorgt definanciering.Over het terreingebruik doorboommarters is nog weinigbekend. Zo werd altijd beweerddat boommarters erg schuwzijn en alleen in oude bossenmet veel holle bomen leven(Baarspul 1995). De laatstejaren echter worden boommarterssteeds vaker waargenomenin de buurt van mensen en blijkenze zelfs hun jongen te werpenonder de daken van huizen(zie Zoogdier 4(3) en 5(3)).Aanleiding voor de WerkgroepBoommarter Nederland omeen onderzoek te starten. Voorhet onderzoek worden boommartersgevangen en krijgen zeeen zender om. Van de gezenderdeboommarters kan danbepaald worden hoe ze het terreingebruiken.Het klinkt heel simpel, maareen boommarter laat zich nietzomaar vangen. Verscheidenekeren was er al een boommarterin een val geweest om hetlokaas (een ei) op te eten, maariedere keer wist hij uit de val tekomen voordat het deurtjedichtviel. De leden van dewerkgroep en de mensen vanhet IBN hadden de hoop alopgegeven, maar op de laatstedag van het vangseizoen haddenze dan toch succes.Nu loopt er in Roosendaaleen volwassen boommartermannetjerond met een zender.Tijdens de eerste week bleekhij hoog in bomen op vogelnestenvan houtduif en gaai endergelijke te slapen, en eenmaalin een oude torenvalkkast.Deze slaapplekkenbesloegen al een gebied van zesvierkante kilometer!Dennis Wansink, Annastraat 3,6821 EK ArnhemLiteratuurBaarspul, T, 1995. Rust- en nestplaatskeuzebij boommarters;een literatuurstudie. VZZ,Utrecht.Oude waarneming inFrieslandOnlangs werd een steenmarterter revalidatie in 'DeFûgelhelling' te Ureterp (Friesland)opgenomen. Het was eenverkeersslachtoffer, op 9 februarigevonden tussen ülterterpen Ureterp. De berichtgevinghierover was voor mij aanleidingom de steenmarters, aanwezigin de collectie van hetFries Natuurmuseum teLeeuwarden, aan een naderebeschouwing te onderwerpen.Naast niet gedocumenteerdmateriaal bevindt zich in hetFries Natuurmuseum eensteenmarter uit 1955. Het dieris in 1961 aangekocht van eenjachtopziener (Klomp 1962) enis het eerste Friese gegeven vandeze eeuw. Over de vindplaatslijkt onzekerheid te bestaan(Broekhuizen & Müskens1986). Het voorkomen is danook omschreven als 'mogelijk'(Broekhuizen & Müskens1992).De gegevens op de collectiekaartleken echter harel genoegom nog eens navraag te doenbij de betreffende jachtopziener.Deze kon zich nog goedherinneren, waar hij de steenmarterin mei 1955 aantrof,namelijk bij Olterterp in hetzogenaam de 'Boven veld'(Amersf'-coörd. 202-565). Indit licht kan de de status vandeze steenmarterwaarnemingveranderen van 'mogelijk' in'zeker'.Johannes Fokkema, FriesNatuurmuseum. Schoenmakersperk2, 8911 EM LeeuwardenLiteratuurBroekhuizen,Müskens,S.1986.& G.J.D.M.Marters inFriesland: verleden, heden entoekomst. VanellLLs 39: 61-66.Broekhuizen, S. & GJ.D.M.Müskens, 1992. Steenmarter,Martes foina. In: Broekhuizen,S., B. Hoekstra, V. van Laar, C.Smeenk & J.B.M. Thissen (red),1992. Atlas van de Nederlandsezoogdieren. Stichting UitgeverijKNNV, Utrecht: 155-164.Klomp, A., 1962. Afdeling zoogdieren.Mededelingen Fries NatuurhistorischMuseum 18 : 2-3.


ZOOGDIER 1995 6 (1)Natuur op en rondhet erfBoerenerven kunnen voorplanten en dieren oases vormenin grote landbouwgebieden.Om dit te stimuleren heefthet CLM (Centrum voor LandbouwenMilieu) een fraai geïllustreerdboekje laten vervaardigen,dat in een oplage van117.000 exemplaren gratisonder de Nederlandse boerenis verspreid. In dit boekjewordt eerst schematisch aangegevenhoe een voor plant endier interessant erf eruit ziet.Men doet suggesties over deerfbeplanting, het inrichten vanoverhoekjes, het onderhoudvan een slootje en niet te vergetende bloementuin. Daarbijwordt aangegeven welke diersoortenmen kan verwachten.Op sommige zoogdieren wordtiets dieper ingegaan, zoals desteenmarter, de vieermuizen enzelfs de bunzing. Vanouds bijboeren geen geliefd beest.Wellicht is het boekje te veelbelovendover al het moois datmen op het boerenerf tevoorschijnkan toveren, maar in elkgeval is het een leuk initiatief,dat boeren en boerinnen aanzetiets terug te doen voor denatuur.Reinier AkkermansK. Klaver, A. van Paassen & H.Vulto, 1994. Natuur op en rond heterf. CLM, Utrecht. 40 pagina's,prijs f 10 (8 F 180). Bestellen bijCLM, Postbus 10015, 3505 AAUtrecht.NatuurvriendelijkeoeversVorig jaar verscheen een lijvigboek, het handboek 'Natuurvriendelijkeoevers'. Het werdin opdracht van de Dienst WegenWaterbouwkunde vanRijkswaterstaat samengestelddoor het CUR, het CivieltechnischCentrum UitvoeringResearch en Regelgeving inGouda. Het boek maakt eenzeer volledige en gebruikersvriendelijkeindruk. Per typeoever (oevers van kleine wateren,van meren, van rivieren,etcetera) wordt een beschrijvinggegeven van ontstaan enfunktie van het betreffendewatertype, van het referentiebeeld(de 'ideale' natuurlijkeoever), de randvoorwaardenwaaronder natuurvriendelijkeoevers mogelijk zijn en tenslottehoe je ze het beste kuntmaken en beheren en wat deervaringen tot nu toe zijn. Demeeste ruimte wordt ingenomendoor bijlagen, die onderandere gaan over oeverbeheersplannen,water- en bodemverontreiniging,ecologie,functies van de oevers en eisendie eraan gesteld moeten worden,constructieve aspekten,onderhoud, kosten en monitoring.Een apart deelrapportbehandelt alle materialen (methun milieuaspekten) die vooroeverbescherming kunnenworden gebruikt. Het geheeltelt 585 bladzijden, boordevolpraktische informatie en zonderuitgebreide zwamverhalen.Ons interesseert natuurlijkallereerst het belang van hetboek voor de bescherming vanzoogdieren. Is er aandacht voorhet scheppen van goede leefgebiedenvoor noordse woelmuizenlangs oevers; hoe kunnenoevers zodanig gekonstrueerdworden dat de muskusrat geenschade meer kan doen en dusniet meer bestreden hoeft teworden; wat is er allemaalmogelijk om te water geraakte33dieren eruit te helpen, enzovoort.Wat het laatste puntbetreft is duidelijk dat natuurvriendelijkeoevers over hetalgemeen geen barrières vormenvoor zoogdieren.Uiteraard wordt uit de doekengedaan hoe je 'fauna-uitstapplaatsen'kunt maken in kanalenwaar een steile oeververdedigingonvermijdelijk is.Geadviseerd wordt om zulkeuitstapplaatsen met een maximaleonderlinge afstand vantenminste honderd meter aante leggen, iets wat tot nu toe inde praktijk nog nergensgebeurd, voor zover ik weet.En toch is het nodig dat ze heeldicht bij elkaar liggen, omdattelkens weer blijkt dat reeën endassen voor een steile oeverheen en weer blijven zwemmentot ze door uitputting verdrinken.Ze gaan uiteraard tewater om over te steken, nietom een eindje te zwemmen inde lengte van het kanaal.Er is één paragraafje gewijdaan oevers en muskusratten.De tekst stelt een beetje teleur,omdat de teneur ervan is dat erweinig anders te doen valt dandoor te gaan met vangen:'Muskusratveilige oevers metwater- en oeverplanten bestaannauwelijks...'. Een wat uitgebreiderverhaal, met overwegingenwaar bestrijding wel enniet nodig is, met daarbij watpraktische en technische aanwijzingenom graafschade tebeperken, zou in zo'n typischNederlands boek toch niet hebbenmisstaan.Het hoofdstukje over zoogdierenin de Ecologiebijlagebegint met een flater: 'InNederland komen circa 45soorten zoogdieren voor.' Misschienzijn alle vleermuissoortenals één soort geteld.Overigens is de geboden informatievan goede kwaliteit.Opmerkelijk is dat er onder'inrichtingswensen ten behoeve


ZOOGDIER 1995 6 (1) BOEKBESPREKING 34van zoogdieren' vermeld wordtdat fuiken een rooster moetenhebben om te voorkomen datzoogdieren erin zwemmen,alsof fuiken deel uitmaken vande oever. Voor muskusratfuikenkan dat wel gelden, maardaar moeten de zoogdieren nujuist wel in terecht komen! Vanalle oevergebonden soortenworden de eisen die ze stellenaan oevers in tabelvorm opgesomd.Dit is de enige plaatswaar ik de noordse woelmuisvermeld kon vinden. Wat extraaandacht voor deze soort, waarvoormet brede natte oeversheel specifiek iets gedaan kanworden in de streken waar hij(nog) voorkomt, had er tochwel afgekund. Die extra aandachtvoor de (verdwenen)otter is er weLAls het aankomt op het vragenvan advies bij eventuelemonitoring van de fauna in deoevers, wordt de VZZ alsvraagbaak gelukkig niet vergeten.Jammer is dat de nieuweveldgids van Lange c.s. in ditboek nog niet genoemd konworden, omdat die nog net nietverschenen was; nu wordt verwezennaar zijn voorganger,met een referentie die volzitmet fouten, zelfs de titel kloptniet.Wanneer je dit boek, datzoveel verschillende aspektenzo uitgebreid behandelt, vanuitéén perspektief bekijkt, danvind je uiteraard kleine foutjesen omissies. Laat dat u nietafschrikken. Het is een uiterstbruikbaar en kompleet boek,dat elke waterbeherendeinstantie als zijn bijbel zoumoeten gaan zien. Misschien ishet dan binnenkort afgelopenmet het klakkeloos vernieuwenof aanbrengen van al die dodelijksteile (en saaiel) oeverbeschoeiingen,omdat dat nu eenmaalde gewoonte is. Maar ookalle adviesbureaus hebben hetnodig, om hun adviezen aaninrichters op te baseren, maarook om erop voort te borduren:de natuur terug langs onswater!Jaap MulderCUR, 1994. Natuurvriendelijkeoevers. CUR-rapport 168. ISBN90 376 00417. Te bestellen doorf 125,- (BF 2500) over te maken oppostbank 544328 ten name vanCUR, onder vermelding van 'CURrapport168'. Ook is een dia-serieverkrijgbaar, met voorbeelden vannatuurvriendelijke oplossingen.Inlichtingen: 01820-39600.168Natuurvriendelijke oeversOtters en PCB's, erblijven haken enogen.Als resultaat van een projectom kwaliteitsnormen voor deomgeving van otters te ontwikkelen,voor wat betreft PCB's,zijn twee rapporten verschenen.Ze zijn gemaakt door hetInstituut voor Milieuvraagstukkenin samenwerking methet Otterstation Nederland.Het eerste rapport geeft eennuttig overzicht van het experimentelewerk met deAmerikaanse nerts. Het is allanger duidelijk dat er groteverschillen in giftigheid bestaantussen de verschillende PCB's.Via een modelbenadering wordende verschillende mengselsteruggerekend naar een standaard.Er kan nu een relatiegelegd worden tussen degestandaardiseerde dosis in hetvoedsel en de daaruit volgendeconcentratie in het dier.Vervolgens worden dosiseffectrelatiesberekend. Deeffecten die worden bestudeerdzijn het aantal geboren jongenen de mate waarin de jongenoverleven. Als niveau waaropgeen effect van PCB's optreedtwordt een niveau berekend, datvijf keer hoger ligt dan dat wathet ministerie van Landbouw,Natuurbeheer en Visserij alsveilig had bepaald op grondvan onder meer onderzoek vanhet Rijksinstituut voor Natuurbeheer(RIN; nu Instituut voorBos- en Natuuronderzoek).Hier raken we een interessantpunt. De schrijvers beargumenterenhun berekende niveaumede op grond van haken enogen bij het RIN-experiment(bedoeld wordt waarschijnlijkde interpretatie door LNV vande resultaten ervan). Die resultatenwijzen in de richting vaneffecten op de fractie vrouwtjesdat jongen krijgt en niet op hetaantal jongen zelf. Zo'n effectwordt versluierd als het criteriumvan onderzoek het gemiddeldaantal jongen van allevrouwtjes is. Maar ook internzitten er wat haken en ogen aanhet rapport. Zo worden bij deevaluatie van het bioaccumulatiemodelverschillen gevondentot een factor twintig tussenvoorspelde en gemeten waarde.Als reden voor die afwijkingwordt de mogelijkheid van verminderdeopname van voedselgenoemd. Dit argument gaatvoor het genoemde RIN-experiment(met een verschilfactor16.5) in ieder geval niet opomdat op die mogelijkheid isgeanticipeerd.Het tweede rapport geeft eenoverzicht van de PCB-niveausdie werden gemeten in weefsel,uitwerpselen, voedsel vanotters en in sediment in zestienlanden in Europa en inAmerika. Terecht wijzen deauteurs in hun eerste conclusieop het feit dat de relatie tussenPCB's en de achteruitgang vande otters is gebaseerd op extrapolatiesen op correlaties enniet op het begrijpen van hetonderliggende mechanisme.De extrapolaties komen vanonderzoek aan de Amerikaansenerts, een soort die volgenssommige aanwijzingen gevoeli-


ZOOGDIER 1995 6 (1)BOEKBESPREKING35ger is dan de otter en volgensandere aanwijzingen mindergevoelig. Voor duidelijke conclusiesontbreekt het aan voldoendegegevens.Het zal duidelijk zijn dat dehier besproken rapporten eenuitermate nuttige bijdrage leverenaan de discussie en dat zijeen goed overzicht leveren vande aanwezige gegevens.Voorlopig blijven er echter nogde nodige haken en ogen aande interpretatie.Marlus den BoerPEG. Leonards, M.D. Srnit.A.W.W.J. de Jong & B. van Harturn.1994. Evaluation of dose-responserelationships for the effects ofPCBs on the reproduetion of mink(Mustela vison}. Rapport IVM R­94/6.M.D. Smit, PEG. Leonards, B. vanHattum & A.W.W.J. de Jong, 1994.PCBs in European otter (Lutra lutra)populations. Rapport IVM R-94/7.1!i.,~-:-'jj'::'~~fV.llllil.~ll,>l\ of d,[)~e-rup(ms@ rflall{)f1sfl'i>~ fe. ,fIt eûeosof PC~i on tho!: reprccucercn Qfml!l~ (MLlsl~j:l \ri~atI)hm U~. Lill~lUdi~.~R.e.,.O.Smd.A-:fJ~WJj_ d~,h:l~",11.e.......""M.lll...-r'lDe KerkuilTijdens het VZZ-onderzoeknaar het voorkomen van verschillendesoorten muizen enspitsmuizen in 1994 inFriesland, werden grote partijenbraakballen van kerkuilenverzameld en onderzocht. Dekerkuil leeft in hoofdzaak vankleine zoogdieren. Doordatspitsmuizen niet worden versmaaden de kerkuil zich, wat dekleine zoogdieren betreft,.~_gedraagt als een opportumist(wat het meest aanwezig iswordt het meest gegeten), geeftde samenstelling van zijn voedseleen aardige indruk van deverhoudingen waarin de verschillendesoorten muizen enspitsmuizen in zijn leefgebiedaanwezig zijn. Het is dus tebegrijpen dat de kerkuil voorveel zoogdierliefhebbers veelmeer betekent dan 'zo maareen vogel'.Veel braakbalpluizers zullendaarom verheugd zijn met hetverschijnen van het nieuweboek over de kerkuil van Johande Jong. Het eerste verscheenin 1983 in de serie KosmosVogelmonografieën, maar wasal lange tijd niet meer in deboekhandel te verkrijgen. Hetnieuwe boek is in feite een uitgebreideen geactualiseerdeeditie van het eerste. Op veelaspecten van de ecologie vande kerkuil wordt nu uitgebreideringegaan en sommige,zoals de geluiden, zijn toegevoegd.Ook de nieuwe gegevensover de aantalsentwikkelingenvan broedgevallen enterugmeldingen van geringdejongen zijn opgenomen. Aanhet slot worden ook de anderein Nederland voorkomende ofgesignaleerde uilesoortenbesproken.Het hoofdstuk over hetmenu van de kerkuil neemteen prominente plaats in, ruim10% van het boek. Dit is overigensminder dan in het eersteboek. Dat komt ondermeeromdat er sinds 1983 veel meergegevens over de voedselsamenstellingbekend zijn geworden,niet in het minst ook dooronderzoek van Johan de Jongzelf. Dat lijkt een tegenstrijdigheid,maar doordat er zoveelmeer gegevens beschikbaarzijn, is nu minder ingegaan opexemplarische situaties. De uitkomstenvan het braakbalonderzoekin de periode 1929­1977 zijn vergeleken met dievan de periode 1977-1994. Ditlevert een aantal opmerkelijkeveranderingen op. Het aandeelvan de huisspitsmuis is bijvoorbeeldsterk toegenomen en datvan de noordse woelmuisgedaald. Zulke veranderingenworden echter niet gerelateerdaan die in de plantengeografischedistricten, die zelf welbehandeld worden. Gezien deomvang van het gedetermineerdemateriaal, lijkt demogelijkheid daartoe wel aanwezig.Hier ligt dus nog eenuitdaging!Het boek bevat veel nieuweillustraties, waarvan een deel inkleur. Het is verzorgd uitgegevenbij de Friese Pers Boekerij.Daar deze uitgever voornamelijkbinnen Friesland opereert,zal het boek buiten Frieslandin weinig boekwinkels te vindenzijn. Dat is jammer. Hetkan echter bij de auteur besteldworden, door overmaking vanf1.32,50 (BF 650) (inclusief portokosten!)op de postbankrekening811 542 van de FrieslandBank, Leeuwarden, met vermelding:'t.b.v. rek.29.67.04.989 t.n.v. J. de Jong,voor: De Kerkuil'; of uiteraardrechtstreeks naar genoemdebankrekening.Sim BroekhuizenJohan de Jong, 1995. De Kerkuilen andere in Nederland voorkomendeuilen. Friese Pers Boekerij,Leeuwarden. Ingebonden, 136pagina's. prijs tI. 32,50 (BF 650).ISBN 90 330 10607.


ZOOGDIER 1995 6 (1)PieterburenOnlangs verscheen een 'bijnatwee-jaar'-verslagvan deZeehondencreche in Pieterburen.Het loopt van begin1993 tot 1 oktober 1994. In dieperiode werden 120 zeehondenopgevangen, en wel 75 gewonezeehonden, 44 grijze zeehondenen 1 ringelrob. Als opvallendepunten worden genoemdhet lage gewicht van de 'huilers'uit het Dollardgebied enhet hoge aantal zeehonden metlongwormproblemen. Verderwordt gemeld dat zes van deopgevangen zeehonden vaneen zender werden voorzien envervolgens werden losgelatenin de Oostersehelde. Resultatenvan het onderzoek worden echterniet vermeld. Er wordt verhaaldvan de zwerftochten vaneen gemerkte, in Duitslandopgevangen zeehond, die debinnenwateren van de provincieGroningen uitgebreid verkende.Meer ruimte krijgen de olierampbij Shetland (31 zeehondenopgevangen, 27 gezondweer uitgezet) en de zakjes gif(Apron Plus) die op de strandenaanspoelden. Eén jongegrijze zeehond, die opviel doorzijn slome gedrag en gezwollenrode huid, bleek resten van hetgif in zijn urine te hebben.Verder komen de financiëleoverzichten, de internationalekontakten en de wetenschappelijkeaktiviteiten aan de orde.Jaap MulderVleermuistentoonstellingDe belangstelling voor zoogdierenis groeiende. Steedsvaker zijn organisatoren vanthemadagen, symposia enexposities op zoek naar materiaalover zoogdieren. Binnen deVZZ wordt daar door een aantalmensen aan gewerkt. Voorhet leveren van complete expositieszal voorlopig nog eenberoep op anderen gedaanmoeten worden. Zo kunt u viaIrma Krommenhoek een expositieover vleermuizen huren.De expositie bestaat uit eenaantal panelen waarop doormiddel van tekst, illustraties enmaquettes het leven van vleermuizengetoond wordt. Binnenkortzal er ook een expositiebeschikbaar zijn over sporenvan zoogdieren. Beide expositieszijn gemakkelijk te vervoeren.Voor meer informatie kuntu contact opnemen met lr/naKrommenhoek. eekhuizenseweg49, 6881 AC Velp, 085-644085.WaarnemingendoodgeredenegelsDoodgereden egels zijn helaasgeen onbekend verschijnsellangs de Nederlandse wegen.Omdat het om relatief groteaantallen lijkt te gaan verrichtde Vereniging voor Zoogdierkundeen Zoogdierbescherming(VZZ), in opdrachtvan de Dienst Weg- enWaterbouwkunde (DWW) vanRijkswaterstaat, een onderzoeknaar de relaties tussen wegenen verkeer en egelpopulaties inNederland. Gegevens over deaanwezigheid, aantallen enlokaties van doodgereden egelskunnen bij dit onderzoek eenbelangrijke rol spelen. De gegevenszullen vooral gebruiktworden om relaties op te sporentussen de presentie vandoodgereden egels en de36samenstelling van het landschapdirect naast de weg.We willen daarom aan iedereenvragen om waarnemingenvan doodgereden egels door tegeven aan de VZZ. We hebbendaarbij de volgende gegevensnodig: datum en enkele lokatieaanduidingen: dichtstbijzijndeplaatsnaam, wegnummer,dichtstbijzijnde hectometerpaalen de rijrichting. Als de weggeen nummer heeft, of als ergeen hectometerpaaltjes staan,dan graag een zo nauwkeurigmogelijke omschrijving van delokatie, liefst met een kaartje.Het is uitdrukkelijk niet debedoeling dat u stopt om deegels van de weg te halen. Opveel plaatsen is dit verbodenen, door het drukke verkeer,ook niet verantwoord.Personen die met grote regelmaatgebruik maken van eenzelfdestuk weg (bijvoorbeeldwoon-werkverkeer) kunnenzich ook opgeven voor een'monitoring-route'. In zulkegevallen is het namelijk mogelijkom een beeld te krijgen vanhet aantal doodgereden egelsper kilometer weg per jaar, defrequentieverdeling over hetjaar, en de 'verdwijnsnelheid'van de kadavers. Bij opgaveontvangt u een beknopte handleidingen waarneemformulieren.De actie loopt tot 1 december1995. Uw waarnemingenmoeten uiterlijk 31 december1995 ontvangen zijn, maar ukunt ze natuurlijk ook eerderinsturen. Het adres luidt:Marcel Huijser; Vereniging voorZoogdierkunde en Zoogdierbescherming(VZZ), Emmalaan41, 3581 HP Utrecht. Voor meerinformatie kunt u ook bellen:030-544642 of 03200-32314.Marcel Huijset; onderzoeksmedewerkerege1project


ZOOGDIER 1995 6 (1) KORTAF 37In het spoor vande wolvenonderzoekerHet bos van Bialowieza is125.000 hectare groot. Eens dejachtvelden van de Poolse vorstenen Russische tsaren,behoort het gebied nu tot eenvan de rijkste natuurgebiedenvan Europa. Er staan bomendie eeuwen oud zijn. Het zeerdichte en voedselrijke woud iseen uniek bos-ecosysteem meteen zeer rijke flora en fauna.Hét ideale leefgebied voor dewolf. Hier bestaat nog demogelijkheid om wolven inhun natuurlijke leefomgevingte bestuderen.Het Museum voor Wildbeheerorganiseert in samenwerkingmet wolvenonderzoekerJoep van de Vlasakkernatuurstudie-excursies naarBialowieza in Polen. Zo'nexcursie biedt u de mogelijkheidom zelf actief deel tenemen aan een onderzoek naardeze boeiende dieren. In kleinegroepen wordt onder deskundigebegeleiding naar sporengezocht, worden met zendersuitgeruste wolven gevolgd,prooidiertellingen verricht enandere vormen van onderzoekuitgevoerd. Behalve onderzoeknaar de wolf kunt u meewerkenaan onderzoek naar de wisent,de lynx en de boommarter. Eenvogel-excursie naar de Biebrzamoerassenbehoort ook tot demogelijkheden. Tijdens deheen- en terugreis wordenbovendien interessante natuurgebiedenin Duitsland en Polenbezocht. Zo staan onder meereen bever- en een elandenexcursieop het programma.Door deelname steunt u hetwolvenonderzoek in Bialowiezaen draagt u bij aan debescherming van de wolven inPolen.De excursie vindt plaats van12 t/m 26 mei 1995. Voor meerinformatie kunt u contactPoolse wolf. Zou je die echt te zienkrijgen op zo'n excursie?Foto: Joep van de Vlasakkeropnemen met: Museum voorWi/dbeheei; 085-335375 (NL) ofJoep van de Vlasakker, 03434­56354 (NL).Geschiedenis vanAppelbergenDe Appelbergen is een natuurgebiedgelegen op zo'n tienkilometer ten zuidoosten vande stad Groningen in degemeente Haren. Het gebiedmaakt deel uit van de hogergelegen zandgronden, deHondsrug. In 1994 is het beheervan de Appelbergen overgegaanvan het Ministerie vanDefensie op Staatsbosbeheer.


ZOOGDIER 1995 6 (1)Staatsbosbeheer wil deAppelbergen zoveel mogelijkin haar oude staat terug brengen,maar weet niet precies hoehet er vroeger uitzag en welkedieren er leefden. Staatsbosbeheeris dan ook zeer geïnteresseerdin informatie overhet voorkomen van vogels,zoogdieren, amfibieën, vlin-KORTAFders, andere insekten en vegetatie.Daarnaast is Staatsbosbeheergeïnteresseerd inallerlei abiotische gegevens.Iedereen die zijn of haargegevens over de Appelbergenbeschikbaar wil stellen om zo'nhistorisch overzicht mogelijk temaken wordt aangemoedigdom snel te reageren. Mede-werkinggesteld.38wordt zeer op prijsVoor reactie en meer informatiekunt ti contact opnemenmet: Harold Steendam, StaatsbosbeheerGroningen, Postbus137, 9700 AC Groningen, 050­207235 (NL).*\995* * *~"I/'****


ZOOGDIER 1995 6 (1)NieuwemedewerkersEen nieuwe lente, een nieuwgeluid. Het is een cliché, maarhet gaat wel op voor de VZZ.Vanaf deze maand is de VZZtwee nieuwe medewerkers rijker,Marcel Huijser en AndréKaper.Marcel Huijser neemt hetwerk over van Luc Meuwissen,die vroegtijdig zijn activiteitenvoor het Egelprojekt moestafbreken, In het Egelprojekt ­een opdracht van Rijkswaterstaat,Dienst Weg- enWaterbouwkunde - wordt heteffect onderzocht van verkeerswegenop egelpopulaties. LucVERENIGINGSMeuwissen heeft tijdens hetveldwerk van de afgelopentwee jaar een goede schattingvan de populatiegrootte kunnenmaken. Een verslag vanzijn bevindingen zal binnenkortverschijnen in Lutra.André Kaper is aangetrokkenals coördinator van hetZoogdiermonitoringprojekt.39Dit projekt steunt in belangrijkemate op de medewerkingvan vrijwilligers die overal inNederland waarnemingen verzamelen.De taak van Andrézal zijn om dit netwerk vanwaarnemers van de grond tekrijgen en aan de gang te houden,samen met Rombout deWijs.Tijdens een zeer druk bezochte lezingendag over de zoogdieren van Friesland, op 25 februari in Leeuwarden,werd het rapport met de resultaten van het VZZ-onderzoek naar de verspreiding van de kleine zoogdieren vanmoerassen gepresenteerd. Sim Broekhuizen (rechts) bood het rapport aan aan de Friese gedeputeerde SickoHeldoorn [links, PvdA), die zich dankbaar toonde maar zich zo vlak voor de provinciale verkiezingen van 8 maartgeen toezegging voor een vervolgonderzoek kon veroorloven.Foto Jaap Schaaf


ZOOGDIER 1995 6 (1) VERENIGINGSNIElNVS 40Prof. Dr. A.T. Clasen, hoogleraar archeozeëlegieOp 28 februari j.l. aanvaardde Foto Gerrie Koertsdr. Anneke Clason het bijzonderhoogleraarschap in dearchsozoölogie aan deRijksuniversiteit Groningen.Een bijzondere gebeurtenis, heid en andere kreten diewaarvoor velen naar de aula geacht worden de voortgaandevan de Groningse universiteit bezuiniging te maskeren. Hetwaren gekomen, zo de veelzij- moet voor haar dan ook eendigheid aan contacten van de grote voldoening zijn dat denieuwe hoogleraar illustrerend. Stichting voor Archeologie enWie zich het interview met Natuurwetenschappen haarAnneke Clason in het laatste kennis en kunde van de archeonummervan jaargang 4 van zoölogie heeft beloond door deZoogdier herinnert, weet hoe- nieuwe leeropdracht door haarzeer zij haar vakgebied èn haar te laten vervullen. Waarmeevakgroep is toegewijd en hoe- overigens haar zorg over hetveel zorg ze heeft over het geringe perspectief voor stuvoortbestaandaarvan in de hui- denten die voor deze richtingdige periode van no-nonsense, kiezen niet zal zijn weggenofusie-efficiëntie,marktgericht- men.Dat de inaugurele rede detitel 'Tienduizend jaar veeteelt'kreeg, zal niemand die AnnekeClason's publicaties kent verrassen.De rol die de wildefauna vervulde voor de vroegeremens en het proces vandomesticatie van de landbouwhuisdieren,waardoor de verzamelendeen jagende mens alsveehouder een meer gevestigdelevenswijze kon ontwikkelen,hebben haar steeds gefascineerd.Dat ze nu secretaris vande Stichting Zeldzame Huisdierrassenis en eerder secretarisvan de VZZ was, is zekerniet toevallig. Afgelopen jaartrad ze nog op als gastvrouw bijde geslaagde VZZ-themadagover Holocene Zoogdieren.


ZOOGIllER 1995 6 (1)VERENIGINGSNIEUWS41We wensen de nieuwe hoogleraarveel succes toe in haarnieuwe functie!Sim BroekhuizenClason, A.T., 1995. Tienduizendjaar veeteelt: 1-16.Backhuys Publishers, Leiden.ISBN 90-73348-36-6.livetrapsVia de Veldwerkgroep van deVZZ zijn muizenvallen van hettype Longworth te huur. Deverhuurprijs bedraagt 10 centper val per nacht. Voor eigenonderzoek door VZZ-ledenworden de vallen kosteloos terbeschikking gesteld. Voor meerinformatie kunt u terecht bijFloor van der Vliet, tel: 020­6828216 (Nl.).De VZZ-WÎnkelRegelmatig verschijnen er rapportenen boekjes over zoogdierendie door de VZZ zijnuitgegeven of waaraan ledenvan de VZZ hun medewerkinghebben verleend. Deze publikatieszijn bij het secretariaatvan de VZZ te bestellen ofkunnen gekocht worden tijdensmanifestaties waarbij de VZZmet een stand aanwezig is. Ookoude nummers van Zoogdieren Lutra zijn nog beschikbaar.Een uitgebreide publikatielijstmet onder andere de inventarisatierapportenvan deVeldwerkgroep is te verkrijgenbij het secretariaat van de VZZ.Enkele prijzenAtlas van de Nederlandse zoogdieren,S. Broekhuizen et al.(red.), 3e druk, 1992, 336 pp.Prijs f 45,- (f 37,50) of BF 900(BF 750).Zoogdieren van West-Europa, R.Lange et al. (red.), 1994, 400 pp.Prijs f 52,50 (f 44,95) ofBF 1050(BF 899) voor leden, f 57,50 (f49,95) ofBF 1150 (BF 999) voorniet-leden.Basisrapport Rode Lijst van deNederlandse zoogdieren, H.Hollander & P. v.d. Reest, 1994,96 pp. Prijs f 5,- (f 10,-) of BF100 (BF 200).Zoogdieren langs de waterkant,symposiumverslag. D. Wansink& W. Lanting (red.), 1994, 72pp. Prijs f 10,- (f 15,-)ofBF 200(BF 300).De noordse woelmuis inWaterland en de Zaanstreek, F.v.d. Vliet, 1993, 30 pp. Prijs f10,- (f 7,-) of BF 200 (BF 140).Kleine marters in de polder, N.Jonker & J.L. Mulder, 1994, 25pp. Prijs f 7,50 (f 5,-) of BF 150(BF 100) voor leden, f 10,­(f7,50) ofBF 200 (BF 150)voorniet-leden.Vossen, J.L. Mulder, 1993, 22pp. Prijs f 5,- (f 3,-) of BF 100(BF 60).De das, bibliografie van literatuurt/m 1993, J. Vink, 1993, 62pp. Prijs f 15,- (f 10,-) ofBF 300(BF 200).Marterpassen IJl, Nieuwsbrief1994 van de WerkgroepBoommarter Nederland, 1995,74 pp. Prijs f 15,- (f 10,-) ofBF 300 (BF 200).Oude nummers Zoogdier f 5,­(f 2,50) of BF 100 (BF 50).Oude nummers Lutra f 7,50(f 5,-) of BF 100 (BF 40).T-shirt met opschrift VZZ, kleurenrood, groen en wit; maatXL. Prijs f 20,- (f 25,-) ofBF 400 (BF 500).De eerstgenoemde prijs geldtvoor toezending per post. Hetbedrag tussen haakjes is deprijs op stands en afgehaald ophet kantoor van de VZZ.Bestellen kan door overmakingvan het eerste bedrag op rekening203737 van de Postbank(Nederland) of op rekening000-1486269-35 van dePostchecks (België), onder vermeldingvan de titel.Giften, erfstellingenen legatenDe VZZ is een instelling diezich inzet voor het algemeenbelang. Dit heeft positievegevolgen voor het krijgen vangiften, erfstellingen en legaten.Onder bepaalde omstandighedenzijn giften in Nederland(niet in België) aftrekbaar vande belasting. Voor de VZZ zijngiften tot f 7272 (BF 145.000)vrij van schenkingsrecht; daarbovenwordt 11% belastinggeheven. Giften kunnen wordenovergemaakt op rekening203737 van de Postbank(Nederland) of op rekening000-1486269-35 van dePostchecks (België).De afgelopen maand heeft deVZZ een gift van f 100,- van defamilie Palet, Ruurlo ontvangen.literatuurlijstherzienEr is een herziene versie vanhet computerbestand beschikbaar.De periode die nu gedektwordt loopt van 1959 tot en met1991. De opbouw van hetbestand is ook enigszins bijgewerkt,waardoor de gegevensmakkelijker op te zoeken zijnen vollediger worden weergegeven.Het bestand is verkrijgbaarop floppy in Dbase en inCardbox.Kosten: f 15,- (bij toezending)of f 10,- (bij afhalen), respectivelijkBF 300 en BF 200.RectificatieOp bladzijde 20 van het vorigenummer van Zoogdier(Jaargang 5, nummer 4) staat ineen foto-onderschrift vermeld,dat de punt van de onderkaakvan een potvis te Koksijde isafgezaagd door souvenirjagers.Dit berust op een misverstand.Alle tanden en kaken van depotvissen zijn veilig in hetmuseum (KBIN) terechtgekomen.Wel was een deel van deonderkaak van een op hetstrand liggende potvis afgezaagd,maar dit was doormedewerkers van het museumgedaan. Overigens lijkt de potvisop de betreffende fotoongeschonden...


ZOOGDIER 1995 6 (1) 42


ZOOGDIER 1994 6 (1) 43Zoogdier, tijdschrift voor zoogdierbeschermingen zoogdierkunde• J.L. Mulder. De Holle Bilt 17,3732 HM De Bilt.030-203158 (NL),• D, CrieL Zottegemstraat 2, 9688 Schorisse.055-456610 (B),Nationale Campagne Bescherming Rootdieren(NCBR)• NCBR: Postbus 98, 2180 Ekeren 1, 03-6530655 of 03-7713827 (B),Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming(VZZ)• VZZ-Bureau en ledenadministratie Emmerlaan41, 3581 HP utrecht. 030-544642 (NL)• VZZ-België: H, Leirs. Mortselstraat 25, 2650Edegem, 03-4582088 (B),• Veldwerkgroep Nederland: e.M,e. Joosten.Graafseweg 16. 6512 eB Nijmegen, OSO­603367 (NL),• Veldwerkgroep België (tevens materiaaldepot):J, Vandewalle, Antwerpsesteenweg250, 2950 Kapellen, 02-2454300/03-6054900(B).• Materiaaldepot veldwerkgroep : F. van derVliet. Spaarndammerstraat 660, 1013 TJAmsterdam, 020-6828216 (NL) ,• Werkgroep Zeezoogdieren (WZZ): M.Addink. RMNH Postbus 9517, 2300 RA Leiden,071-143844 (NL),• Werkgroep Marterachtigen AH. Swaan,Torresstraat 33 III, 1056 RR Amsterdam. 020­6832420/6642453 (NL),• Werkgroep Boommarter Nederland VZZ:D,J,e. Klees, Zadelmakersstraat 58, 6921 JEDuiven, 08367-64335 (NL),• Redactie Lutra: e. Smeenk, RMNH, Postbus9517, 2300 RA Leiden, 071-143844 (NL) ,Vlaams zoogdierkundig Overleg (VZa)• J, Vandewalle, Antwerpsesteenweg 250,2950 Kapellen, 02-2454300/03-6054900 (B),Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN/svo)• W, Bongers, Postbus 190, 6700 AD WageningenOS370-10324 (NL).Zoogdierenwerkgroep Jeugdbond voorNatuurstudie en Milieubescherming (JNM­ZWG)• Kortrijksepoortstraat2234781 (B),140, 9000 Gent. 09­Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten• Alex Lefevre, Klissenhoek 85, 2290 Vorselaar.014-516201 (B)Vleermuizenwerkgroep van Natuur 2000• Bervoetsstraat 33, 2018 Antwerpen, 03-2312604 (B).Vlaamse Vereniging ter Bestudering van Zeezoogdieren(VVBZ)• Rob Asselberg, Hoogheide 64, 2659 Puurs052-301541 (B),Aanwijzingen voor auteurs• Zorg dat een artikel interessant is voor delezer. Maak er een pakkend inleidinkje bij,en denk ook aan een goede afsluiting, Vermijdvaktermen en vreemde woorden Dusbeter sterfte dan mortaliteit. Gebruik geenafkortingen, Stuur er ruim iIlustratie-materiaalbij.• Waarnemingen en korte mededelingen zijnerg welkom, Lever er als het even kan ookeen plaatje bij.• Bijdragen aanleveren op diskette en zomogelijk in WP 5,1 en anders als ASCIIbestand(DOS-bestand). Stuur een uitdraaimee. Maak de tekst niet op, dus plaats geenkades in de tekst.• Alleen hoofdletters gebruiken waar ditgrammaticaal verplicht is, dus Nederlandseplanten- en dierennamen met een kleineletter beginnen, Gebruik de naamgevingzoals gehanteerd in de Atlas van de NederlandseZoogdieren, Structureer de tekst metkorte tussenkopjes, Geef alineas aan meteen enkele tab.• Houd het aantal literatuurverwijzingen zoklein mogelijk Literatuurlijst op alfabetischevolgorde, elk item op een nieuwe regeL Nietopmaken, in laten springen of iets dergelijks,• Het copyright van foto's, illustraties en artikelenblijft bij de betrokken fotograaf, tekenaarof auteur, Overname alleen na verkregentoestemming,• De redactie behoudt zich het recht voor debinnengekomen bijdragen te redigeren enaan te passen aan het lezerspubliek vanZoogdier.


ZOOGDIER 19956(1)De gluurderMijn hele leven wordt beheerst door zoogdieren. Niet dat ik onder de plak zit. Het zit zo: eeninnerlijke drang drijft mij naar buiten om zoogdieren te kijken. Kijken en observeren, mooiewoorden, maar eigenlijk is het gewoon ordinair gluren naar andermans verrichtingen. Urenlanglig ik in de bosjes oftuur stiekem over blanke duintopjes. Zo gek is dat toch niet?Vooral in de avonduren ben ik op pad. Vaak is het afzien. Urenlang waarnemen en niets spectaculairszien, maar dan ineens is het raak. Ik krijg het dan warm en met moeite kan ik mijnkop erbij houden. Je magje niet verroeren, want dan is het afgelopen. Als een film wordt elkdetail op mijn netvlies gebrand. Het is zo mooi, net ofje televisie kijkt, maar dan kouder ennatter.Ik neem veel waar in het veld en noteer dat in mijn veldboekje. Waarnemen en vastleggen ismijn credo. Soms hoorje weleens van die lieden die gegevens in hun computer zetten. Dat vindik nou gek. Ik beleefde natuur stereo in het veld, toch niet digitaal op de computer? Nagenietendoe ik bladerend in mijn boekje met een lekker abdijbiertje.Het kan idioter, soms hoor ik van mensen die hun gegevens doorgeven aan instanties. Datvind ik zo iets raars. Laat die anderen zelfgaan kijken. Kom en die ambtenaren ook nog eensbuiten. Kunnen ze zelf zien wat hun plannen voor beschadigingen in de natuur aanrichten.Natuur moetje voelen en niet vanachter het bureau bekijken. Laat ze toch Zoogdier lezen, alsze niet zoogdier willen kijken.RAIeder voor zich en Zoogdier voor ons allenZoogdier is het meest informatieve zoogdierenblad in de Benelux en verschijnt vier keerper jaar. Je kunt je abonneren door de kaart in te vullen of door overmaking van BF 450op rekening 000-1486269-35 van de Postcheques of f 25 op rekening 203737 van de Postbank,ten name van Penningmeester VZZ te Utrecht.

More magazines by this user
Similar magazines