voortzetting behandeling en stemming - Eerste Kamer der Staten ...

denederlandsegrondwet.nl

voortzetting behandeling en stemming - Eerste Kamer der Staten ...

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:- het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet2008 en de Tabakswet ter implementatie van derichtlijn Audiovisuele mediadiensten (31876).De beraadslaging wordt hervat.©Minister Plasterk: Voorzitter. Dank dat de Kamer in degelegenheid is om dit wetsvoorstel nog dit jaar tebehandelen. Het gaat om het in een wet omzetten vaneen richtlijn van de Europese Unie, de richtlijn Audiovisuelemediadiensten. Aan het einde van dit jaar zijn ookde twee jaar verstreken waarin wij dit zouden kunnendoen. Anders zou actie moeten worden ondernomenvanuit Brussel, omdat wij ons in Nederland nietovereenkomstig deze richtlijn gedragen. Mocht uwKamer besluiten om het voorstel vandaag te aanvaarden,dan zal dat niet het geval zijn.Het wetsvoorstel gaat eigenlijk alleen over decommerciële omroep en niet over de publieke omroep.Alles wat de Europese richtlijn van ons vraagt, hebbenwij reeds eerder in de Mediawet 2008 vastgesteld. Ik zeg″wij″, maar strikt genomen moet ik natuurlijk ″u″ zeggen.De Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaalhebben dat voor de publieke omroep zowel lineair als opaanvraag reeds vastgesteld. Ik zal zo beginnen met eentweetal punten te bespreken die door de verschillendeleden van de Kamer in de eerste termijn aan de orde zijngesteld, namelijk de flitsregeling en, laat ik het met eenknipoog naar de heer Asscher samenvatten, de subsumptie.Daarnaast hebben onder anderen mevrouw Tan en deheer Slager punten naar voren gebracht die betrekkinghebben op de opvattingen ten principale van de regeringover de positie van de publieke omroep. Ik zal daar metalle plezier mijn licht op laten schijnen. De heer Slagerheeft een punt naar voren gebracht over de alcoholreclame.Strikt genomen is het regime voor alcoholreclame,namelijk het verbod tot 21.00 uur op alcoholreclameop de televisie zowel voor commerciële als voor publiekeomroepen, in 2008 door uw Kamer vastgesteld. Ik zal erniettemin naar aanleiding van de opmerkingen opterugkomen.Allereerst het interessante onderwerp van desubsumptie. Ik probeer mijn woordgebruik altijd aan tepassen aan de plaatsen waar ik spreek, zo ook hier. Deheer Asscher vroeg zich af waar het woord vandaankomt. Laat ik zeggen dat ik het heb van prof. dr. Dölle, lidvan uw Kamer, die het eerder heeft gebruikt. Het isoverigens niet alleen maar terug te vinden in dewiskunde, want met wat zoeken heb ik ook nog kunnenachterhalen dat prof. Hans Nieuwenhuis in het juridischstudentenblad Ars Aequi van 2007 het heeft beschrevenals: rechtsvinding is voornamelijk een kwestie vansubsumptie. Valt feit x onder wettelijke regel y of z? Dussubsumptie, in goed Nederlands zou je zeggen: moet eenkwestie worden ondergebracht onder deze regel of onderdie regel?Inderdaad is dat in dit geval geen theoretische kwestie,want het heeft betrekking op de vraag welk onderdeelvan de audiovisuele mediadiensten moet wordenondergebracht onder artikel 7, tweede lid, van deGrondwet en welk onderdeel onder artikel 7, derde lid.Men kent artikel 7, maar nog even in vogelvlucht. Heteerste lid zegt dat niemand voorafgaande toestemmingnodig heeft om zijn gedachten of gevoelens te openbaren.Het tweede lid stelt dat de wet regels stelt omtrentradio en televisie. Het derde lid stelt dat voor hetopenbaar maken van gedachten of gevoelens dooranderen dan de eerder genoemde middelen, niemandvooraf verlof nodig heeft behoudens ieders verantwoordelijkheidvolgens de wet. Uit de context valt op temaken dat dit is opgesteld in een tijd dat men zich nietheel veel andere vormen van openbaarmaking konvoorstellen dan de drukpers (eerste lid), radio en televisie(tweede lid) of wel voorstellingen. In het derde lid staatnamelijk ook: ″De wet kan het geven van vertoningentoegankelijk voor personen jonger dan zestien jaarregelen ter bescherming van de goede zeden.″ Kennelijknam men dat op dat moment samen. Als er eengrondwetsherziening zou plaatsvinden, is dat wel eenreden waarom ik mij zou kunnen voorstellen dat er nogeens gekeken wordt of hier sprake is van een volledigemoderne weergave van de verschillende vormen vanmeningsuiting. Ik wil wel benadrukken dat dit nietbetekent dat datgene wat de wet voorstelt, eropneerkomt dat wij de huidige Grondwet zouden willenoprekken, integendeel. Ik denk dat het zeer goedverdedigbaar is en ik wil dus ook verdedigen dat detelevisie in al haar uitingsvormen onderdeel is vanhetgeen er wordt bedoeld in artikel 7, lid 2, van deGrondwet. De televisie valt ten volle onder wat daarwordt gesteld over radio en televisie. Ik sta daarin nietalleen. Ik zal later nog inhoudelijk ingaan op dezeopvatting. Eerst geef ik echter de gezagsargumenten. DeEuropese richtlijn zelf stelt in overweging nummer 17 datvoor audiovisuele mediadiensten op aanvraag geldt datze met televisie te vergelijken zijn, bijvoorbeeld vanwegede aard en de wijze van toegang. Dat is de opvatting vanEuropa. Er bestaat ook een publicatie uit 1982 vanBrenninkmeijer: Van drukpersvrijheid tot informatievrijheid,in het boek Grondrechten, in de serie Staats- enbestuursrecht. Hij zegt hierin dat het begrip ″televisie″functioneel moet worden opgevat.Wat betekent dat nu? Ik heb even moeten zoekentotdat ik de begrippen weer helemaal helder voor ogenhad. Ik denk dat dit zo is en ik zal proberen om ze hierhelder uiteen te zetten. De audiovisuele diensten kunnenworden onderscheiden in ten eerste lineaire diensten. Jekunt ernaar kijken of niet. Als je er niet naar kijkt, kun jeiets opnemen en op een ander moment ernaar kijken.Met andere woorden: het gaat hier om televisie. Tentweede zijn er de niet-lineaire diensten die je opaanvraag kunt bekijken. De categorie van de niet-lineaireaudiovisuele diensten valt uiteen in twee categorieën. Detweede categorie bevat YouTube, Hyves, spelletjes op hetinternet, multimediale internetspelletjes en al dat soortactiviteiten. Deze categorie valt niet onder artikel 7, lid 2,van de Grondwet, want het gaat niet om televisieprogramma’s.Daarnaast zijn er televisiediensten die wel onder artikel7, lid 2, vallen. De criteria daarvoor leid ik af uit deEuropese richtlijn. Ze zijn als volgt: de dienst moet hetkarakter van een televisiedienst hebben, het hoofddoelmoet het leveren van programma’s zijn, er is sprake vanredactionele verantwoordelijkheid van een dienstaanbieder,het is een economische dienst in de zin van hetEG-verdrag en de dienst moet het karakter hebben vaneen massamedium. Alleen als aan die vijf criteria isEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-386


Plasterkvoldaan, is sprake van televisie. Ik ben het eens met deheer Asscher, die zegt dat de consument op dit momentheel goed weet of hij iets tot zich neemt via het internetof via de televisie. Ik wil er wel op wijzen dat sprake isvan convergentie in technische zin.Ik heb bijvoorbeeld thuis nu al een abonnement vanZiggo dat mij toestaat om interactieve televisie uit teoefenen. Dat betekent dat ik naar de televisie kijk, maardan Uitzending Gemist zie op mijn televisie. Omgekeerdkun je op de computer, dus via het signaal dat met hetinternet binnenkomt, naar Politiek 24 kijken en dat is echteen televisiekanaal. Het is op dit moment nog wel zo datdie twee kabeltjes misschien niet altijd op dezelfde plekhet huis in komen, maar je ziet nu duidelijk convergentieontstaan. Hoe het ook zij, ik denk dat het voor hetbeschermen van de rechten en van de grondrechten nietrelevant is of iets op het ene scherm of op het anderegeprojecteerd wordt, maar dat je naar de functie en deaard van de activiteit zou moeten kijken. Ik denk dat hetheel goed mogelijk en ook verstandig is om de nietlineaireaudiovisuele diensten op aanvraag, bijvoorbeeldUitzending Gemist, te beschouwen als vallende onder dereikwijdte van artikel 7, lid 2. Ik wil het hier op dit puntbij laten en zet mijn betoog voort.Een tweede punt dat door vele leden is aangesneden,is de zogenaamde flitsenregeling. De flitsenregeling heeftbijvoorbeeld betrekking op sportmomenten. Daaropzitten rechten, maar niettemin mag volgens de Europeserichtlijn een nieuwsprogramma als een flits het nieuwsvan een sportmoment laten zien. In de richtlijn is sprakevan 90 seconden. Aanvankelijk was dit ook het voorstelvan het kabinet in de Tweede Kamer. Ik heb dus namenshet kabinet voorgesteld om die flitsen te beperken tot 90seconden. Bij amendement is dat door de Tweede Kamervoor uitzonderlijke situaties uitgebreid naar het dubbeledaarvan: 180 seconden, dus 3 minuten. Ik heb daaroptoen een toelichting gegeven in een brief. Ik dank voorde gelegenheid om hier nog eens in te gaan op de vraagwaar het verschil zit, allereerst procedureel. Ik heb aanhet Commissariaat voor de Media gevraagd om goedzicht te houden op de correcte uitvoering van deflitsenregeling. Een flits kan dus niet langer zijn dan 90seconden en alleen bij uitzondering 180 seconden.De heer Dölle en anderen vroegen vervolgens wat eenuitzondering is. Ik denk dat het goed is om daarvoorterug te gaan naar de bedoeling van deze flitsenregeling.Bij een flits gaat het om nieuws, maar het risico isnatuurlijk dat je bij uitzending van een paar flitsen dieallemaal drie minuten duren, voordat je het weet eentelevisie-uitzending van tien minuten hebt die striktgenomen niet meer het karakter heeft van ″onderdeelvan het nieuws″. Je brengt dan – interessant en voor mijals sportliefhebber ook boeiend – amusement optelevisie zonder dat daar rechten voor hoeven te wordenbetaald, onder het motto van ″nieuws″. Dat kan debedoeling niet zijn. Je moet het criterium dus zo beperkthouden dat het werkelijk gaat om een nieuwsflits. Ik hebin de Tweede Kamer het volgende voorbeeld gegeven: ikzou me kunnen voorstellen dat bij de Olympische Spelenop één dag verschillende Nederlanders een goudenmedaille winnen. Als je dat nieuws wilt brengen, lukt datniet in anderhalve minuut. Dan heb je werkelijk ietslanger nodig. Dat zou dan maximaal het dubbele kunnenzijn. Ik zou me nog kunnen voorstellen dat er inuitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in de voetbalcompetitie,hooguit één keer per jaar aanleiding is om tezeggen: om het nieuws te kunnen brengen over wat erdie dag is gebeurd, heeft men werkelijk meer dan 90seconden nodig. Wat mij betreft, zou het echt daartoebeperkt moeten worden. Het NOS-journaal zal ditmisschien niet zo snel doen, maar deze regeling heeftnatuurlijk ook betrekking op alle commerciële aanbieders.Voordat je het weet, brengt een slimmerik in eennieuwsprogramma allemaal flitsen van drie minuten vanalle interessante momenten uit diverse sportuitzendingen.Dan hol je de bedoeling van de flitsenregeling echtuit. Het antwoord op de vraag van de heer Dölle is dusdat ik dit zeer restrictief wil uitleggen.Er is misschien ook een tweede restrictie. De heerDölle vroeg immers ook naar andere sporten. Het moetin de rede liggen dat je iets alleen dan zo’n groot nieuwsvindt dat je er meer dan de normale tijd van deflitsenregeling van 90 seconden voor nodig hebt als datook in andere media als zo’n groot nieuws wordtbeschouwd. Wat mij betreft, is het nadrukkelijk niet debedoeling dat je kunt zeggen dat er ook uitzonderlijkemomenten zijn geweest bij het basketbal, bij hetzwemmen en bij het schaatsen. Het moet gaan om hetsoort nieuws waarvan heel Nederland de volgendeochtend zegt: heb je gisteravond in het nieuws gezienwat er is gebeurd? Het gaat dus om zeer uitzonderlijkegevallen.Tot zover de twee punten die door verschillende ledenzijn aangesneden. Ik ga nu door met de afzonderlijkevragen, allereerst met de vraag van de heer Asscher naarde betekenis van het woord ″liberaal″ in ″het liberaaltoepassen van de richtlijn″. Het was natuurlijk bedoeldals compliment. Ik bedoelde ″liberaal″ in de zin van″ruimhartig″. Ik had het dus niet over een restrictievetoepassing, maar over een ruime toepassing. Daarmeewordt het compliment voor liberalen alleen maarvergroot. Ik stelde ″liberaal″ dus niet gelijk met enigepolitieke stroming. Ik zal proberen om die dubbelzinnigheidvoortaan te vermijden.De heer Asscher vroeg terecht om precisering van deinwerkingtreding van de wet en vroeg met name hoe diezich verhoudt tot het moment van productie. Ik ben heteens met de impliciete strekking van de vraag, namelijkdat het verbod moet gelden voor programma’s waarvoornog geen aanvang is gemaakt met de totstandkoming ophet moment waarop de wet in werking treedt. Hettoezicht daarop ligt, zoals altijd, bij het commissariaat.Dan de vragen van de heer Dölle. Ik ben reedsingegaan op de subsumptie en op de flitsenregeling. Deheer Dölle vroeg ook hoe het zit met de inventarisatievan de klachtenregeling in het buitenland. Ik hadtoegezegd voor het eind van dit jaar met die inventarisatiete komen. Ik heb het goed geverifieerd en dat zal nogsteeds lukken. Dat kan dus niet lang meer duren. Dezekomt eraan.De opmerking van de heer Dölle over het schaarstemotiefheb ik gezien in de context van de discussie overhet al dan niet onderbrengen van televisie in lid 2, danwel lid 3 van artikel 7 van de Grondwet. Daarop kom ikzo terug bij de beantwoording van de vragen vanmevrouw Tan en bij de behandeling van de rol tenprincipale van de omroepen en de publieke omroep.De heer Slager kenmerkte het door mij gevoerdebeleid als neoliberaal. Uit zijn mond was dat volgens mijniet als compliment bedoeld. Ik weerspreek dat ook. Alsdit werkelijk liberaal beleid zou zijn, dan zou het fijn zijnals hij de heer Asscher ook zou kunnen overtuigen datEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-387


Plasterkdit liberaal beleid is. Tot dusverre heeft de heer Asscherimmers tegen dat beleid gestemd bij gelegenheden. Er isin ieder geval in de Tweede Kamer door de VVD-fractieregelmatig tegen gestemd. Misschien is dit dus eenoproep van de heer Slager aan de heer Asscher om ditbeleid ook te ondersteunen of er is een verschil ininterpretatie van wat liberaal is.De heer Slager (SP): De heer Asscher wil natuurlijkgewoon het onderste uit de kan.Minister Plasterk: Ik wil niettemin in ernst ingaan optwee punten die u ter illustratie hebt aangeroerd om teonderbouwen dat mijn beleid neoliberaal zou zijn.Allereerst zei u: u hebt twee rechtse aspirant-omroepentoegelaten. Ik plaats hierbij een kanttekening. Dit kanwellicht voor WNL een terechte kwalificatie zijn. Zijhebben deze ook zelf zo gekozen. PowNed heb ik echtertot dusverre ervaren als een antiautoritaire organisatiedie niet op voorhand politiek te plaatsen valt. Ik ga nietin op de casuïstiek, maar bij diverse kwesties was menzeker niet altijd politiek plaatsbaar aan de rechterzijde.Het tweede punt dat de heer Slager aanbracht terillustratie van het neoliberale karakter van mijn beleidwas dat ik LLiNK niet zou hebben toegelaten als omroepen de TROS niet zou hebben weggestuurd als omroep. Ikwil hier toch de indruk wegnemen dat het mij vrijstaatom naar believen omroepen toe te laten dan wel weg testuren. De TROS was een omroep die zich niet aan deMediawet heeft gehouden, zodat zij een zeer hoge boeteheeft gekregen van het Commissariaat voor de Media. Ikheb de voorzitter van de TROS, de heer Nijpels, en dedirectie bij mij uitgenodigd om daarover een ernstiggesprek te voeren. Van hen heb ik zwart op wit deverzekering gekregen dat zij dit in een nieuwe periodeniet zouden laten gebeuren. Zij hebben ook eenfunctionaris aangesteld met de specifieke taak omdergelijke overtredingen van de Mediawet voortaan tevoorkomen. Op basis daarvan heb ik het advies van hetCommissariaat voor de Media gevolgd om de getrokkengele kaart weer in de broekzak te steken en de TROS, degrootste ledenomroep van het Nederlandse publiekebestel, een erkenning voor de volgende periode teverlenen. Ik heb het Commissariaat voor de Media welgevraagd om zeer precies te bekijken of de TROS zichvoortaan ook aan de Mediawet houdt.De heer Slager sprak daarnaast over LLiNK. Dat is mijeen politiek en idealistisch zeer sympathiek gezelschap.Ik heb de makers ontmoet en het bestuur en de directiegesproken. Het is werkelijk een zeer bewogen gezelschap,maar het is niet aan mij om op basis vansympathie te bepalen welke omroepen er toegelatenworden tot het stelsel. Men moet van drie instanties hetgroene licht krijgen. LLiNK had echter van drie instantieshet rode licht gekregen. Het was financieel niet op ordeen men had de zelfgestelde doelstellingen niet waargemaakt.Dat was de opvatting van de NederlandsePublieke Omroep, de Raad voor Cultuur en het Commissariaatvoor de Media. Ik had dus te maken met driestoplichten op rood en onze procedure staat niet toe omhet opnieuw te proberen. Een omroep heeft vijf jaar omhet te proberen en dan wordt er beoordeeld of deomroep aan de wettelijke criteria en aan de zelfgesteldedoelen heeft voldaan. Als dat niet zo is, dan valt hetdoek. Het is onmogelijk om een omroep voorwaardelijktot definitieve omroep te verheffen. Het enige alternatiefis voor het volle bedrag en voor de volle zendtijd voorvijf jaar een erkenning verlenen. Dat kon ik op basis vanalles werkelijk niet doen.De heer Slager (SP): Verschuilt u zich nu niet een kleinbeetje achter die adviesgroepen? Uiteindelijk moet u tochzelf beslissen? Vindt u nu zelf ook dat LLiNK geentoegevoegde waarde had?Minister Plasterk: Dat is niet gezegd. Het is geenkwestie van verschuilen, maar het is een kwestie vanrechtsstatelijkheid dat ik mij houd aan de procedurewaarbij mensen om advies wordt gevraagd. Dezeadviesgroepen constateerden – ik doe het even uit hethoofd, maar volgens mij weet ik het precies – dat meneen handelingsactiverende rol beoogde en dat menvoorop wilde lopen met internetactiviteiten, maar dat deinternetactiviteiten van LLiNK niet voor, maar zelfsachterliepen bij die van de meeste andere omroepen endat het handelingsactiveren op geen enkele manier uit deverf was gekomen. Dat zijn doelstellingen die menzichzelf stelt. Ons stelsel werkt zo dat een aspirantomroepde vrijheid heeft om zelf aan te geven wat menmeent toe te voegen aan het bestel. Dan wordt beoordeeldof dat ook werkelijk potentieel een toevoeging isen aan het eind van die vijf jaar wordt bekeken of mendat ook heeft waargemaakt.De heer Slager (SP): Ik bedoelde te vragen of u vond datLLiNK inhoudelijk een meerwaarde had en niet of LLiNKnu wel of niet vooropliep met internetactiviteiten. In uwbrief aan de Tweede Kamer heeft u het er zelf over datLLiNK onvoldoende toegevoegde waarde heeft. Als ik deprogramma’s zie, maar vooral hoor, dan vind ik ze weldegelijk onderscheidend. Dat is mijn mening, maar ikvroeg of u dat zelf ook vindt.Minister Plasterk: Ik wil zeker in deze Kamer heelprecies zijn over mijn rol. Mijn rol is niet om te bekijkenof ik dat programma’s vind met toegevoegde waarde,maar om te bekijken of datgene waarvan de aspirantomroepbij toetreding zelf heeft aangegeven dat men hetals hun toegevoegde waarde ziet, aan het eind van dievijf jaar ook is waargemaakt. Dat doe ik natuurlijk medegebaseerd op adviezen. Het gaat er dus niet om of ik ietseen mooi programma vind. Men had zichzelf de tweedoelstellingen gesteld die ik zojuist noemde, dietoegevoegde waarde hadden ten opzichte van debestaande omroepen: het vooroplopen met internetactiviteitenen het handelingsactiverend bezig zijn. Alleadviseurs zeggen hiervan dat zij dit niet terugzien inhetgeen in die vijf jaar is geproduceerd.De heer Dölle (CDA): Ik heb nog een vraag die niet gaatover de kwestie pro-LLiNK of contra-LLiNK. Ik grijp eventerug op een debat dat hier is gevoerd over de Mediawet.Toen is ook aan de orde geweest – ik vertaal het inde uitdrukkingen die net zijn gebruikt – of een minister,als er bijvoorbeeld sprake is van één, twee of drie rodestoplichten, een eigen afwegingsruimte heeft om, omredenen die bij hem op dat moment de doorslag geven,een besluit te nemen dat anders is dan de advisering? Ofhet wenselijk is, is overigens een heel andere vraag.Minister Plasterk: In strikte zin kun je natuurlijk altijdcontrair gaan. Het is overigens wel zo dat je natuurlijk bijEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-388


Plasterkde bestuursrechter gedaagd kunt worden omdat je jeopvatting als bestuurlijke instantie, in dit geval alsminister, moet onderbouwen. In het verleden is er weleens verdeeld geadviseerd door de drie instanties dieover toetredende omroepen moeten adviseren: de Raadvoor Cultuur, de Nederlandse Publieke Omroep en hetCommissariaat voor de Media. Dat biedt een bewindspersoonnatuurlijk veel meer ruimte om een knoop door tehakken. Als alle stoplichten op groen staan, is het echterzo goed als onmogelijk om zonder novum alsnog tebesluiten tot het niet-toelaten. Als alle stoplichten oprood staan, zijn er weinig mogelijkheden tot toelaten.De heer Dölle (CDA): Het gaat mij inderdaad om detheoretische vaststelling en ik ben blij dat het in die zingeen gebonden bevoegdheid is waarbij de ministeralleen een stempel kan zetten. Zijn macht neemt, net alsbij de Koningin, toe als de adviezen verdeeld zijn.Minister Plasterk: Ik dank u voor de vergelijking.De heer Slager heeft dit voorbeeld opgepakt om zijnstandpunt over de invloed van Europa in het algemeenhier aan de orde te stellen. Ik neem daarvan kennis. Hetheeft volgens mij niet zo veel zin om nu een debat overde reikwijdte van Europa te voeren. Ik kan mij uitdiscussies in een andere context herinneren dat een vande senatoren, als er iets speelde over het standpunt vande Eerste Kamer, zei: laten wij nu niet elk debat beginnenmet het ter discussie stellen van de legitimiteit daarvan,want dan zijn wij snel klaar. Dat zeg ik hierbij ook. Er iseen Europese grondwet waaraan ook Nederland zichheeft gebonden. De andere lidstaten hebben datoverigens ook gedaan. Het woord ″grondwet″ wordt aldoor lichaamstaal gecorrigeerd. Excuus, het gaat om eengrondwettelijk verdrag. Wij moeten niet bij elkegelegenheid de legitimiteit daarvan ter discussie stellen.De heer Slager (SP): Het ging mij om het land-vanoorsprongbeginsel.Ik heb van de regering een verhaalgehoord dat dit zijn nut heeft bewezen. Ik heb al in deschriftelijke vragen gesteld: welk nut heeft het land-vanoorsprongbeginseldan voor Nederland? U vertelt het nuweer niet, dus ik vraag het nog een keer.Minister Plasterk: In die context moet ik u het antwoordschuldig blijven. Ik zal dat straks opzoeken en er intweede termijn nog even op terugkomen.Wat het beginsel van het land van herkomst betreft,neem ik aan dat u doelt op RTL. Ik ben weleensondervraagd door een bekende journalist van het RTLJournaal die vond dat wij iets anders moesten doen.Toen zei ik tegen hem dat hij dan maar naar zijn eigenregering moest gaan. Dat moment van het interview ishelaas niet uitgezonden, maar de strekking is duidelijk.Wat doet u dan bij ons? Dit zeg ik overigens over eenomroep die veel bijdraagt aan ons bestel. Het Journaalvan RTL4 is vaak een van de eerste journaals die allerleipolitiek nieuws hebben. Complimenten daarvoor. Ikonderschrijf de uitspraak dat de illusie dat men eenLuxemburgse omroep is, een hoog gelegenheidsgehalteheeft. Als u dat bedoelt, onderschrijf ik dat.Dan de discussie over het verbod op snoepreclame.De SP is daar heel consistent in. Ik heb die discussie ookmet de collega van de heer Slager in de Tweede Kamer,de heer Jasper van Dijk, regelmatig mogen voeren. Ookdaar pleit de SP voor een verbod op reclame voor snoep.Ik maak daar inderdaad een andere keuze in. Ik wil dathier met alle plezier nogmaals onderbouwen, ook inalgemene zin. Ik vind pogingen om het menselijkegedrag te beïnvloeden door geboden of verboden op hetgebied van reclame in principe onwenselijk. Als wijvinden dat mensen geen grote auto’s zouden moetenkopen, vind ik dat geen reden om reclame voor groteauto’s te verbieden of te beperken. Dat geldt dus ookvoor snoep. We maken inderdaad een uitzondering vooralcohol voor kinderen en dat komt omdat alcohol bij elkedosis een vergif is voor kinderen. Ik vind dat je dat vansnoep redelijkerwijs niet kunt volhouden. Natuurlijk is teveel snoep slecht, maar één snoepje, daar is helemaalniets mis mee. Dan vind ik het toch aan de ouders enaan anderen om ervoor te zorgen dat kinderen niet teveel snoepen. Ik onderken volledig de problemen inverband met obesitas en het belang van het bestrijdenvan overgewicht, maar ik vind het te ver gaan omgebruik te maken van het recht dat de overheid heeft omgrenzen te stellen aan reclame, teneinde snoepreclame teverbieden. Daarmee begeef je je op een hellend vlak.Dadelijk zijn het grote auto’s, niet-geïsoleerde huizen enallerlei andere objecten die vrij verkoopbaar zijn in eenvrij land, maar waar je geen reclame meer voor zoumogen maken. Ik respecteer dat men daar anders meeomgaat en de SP is daar consistent in. Ik heb er vakerover gesproken met vertegenwoordigers van de SP. Dit isde opvatting die ik heb.De heer Slager vroeg naar alcoholreclame en of ik dieop het internet ook zou willen verbieden. Ik ben daar nietvoor, terwijl ik alcoholreclame op televisie wel wilverbieden. Die is ook daadwerkelijk verboden tot negenuur ’s avonds voor de commerciële en de publiekeomroep. Dat hoeft niet van Europa, maar daartoe hebbenwij vorig jaar besloten. Uw Kamer heeft daartoe ookbesloten. Een verbod op internet is niet handhaafbaar,zeker niet wanneer de enige instantie die op dehandhaving kan toezien, het Commissariaat voor deMedia is. Het verbod op kinderporno is een kwestie vanstrafrecht. Dan kan de politie zo’n verbod gewoonproberen te handhaven, wat overigens ook nog lastiggenoeg is. Hoe zouden wij in naam van wie dan ookervoor moeten zorgen dat er op internet nergens reclamewordt gemaakt voor Heineken bier? Ik denk niet dat wedat kunnen uitvoeren en het is nadrukkelijk niet de keuzedie wij gemaakt hebben.Ten slotte heeft mevrouw Tan een aantal vragengesteld, allereerst over de rol van de publieke omroep.Het is altijd een genoegen om mijn kijk daarop uiteen tezetten. Ik heb één jaar in een land gewoond waar er geenkrachtige publieke omroep was, namelijk de VerenigdeStaten. Ook daar heb je een vrije pers. Zo kan het ook. Ikzeg niet dat het tot onacceptabele toestanden zou leiden,maar het is wel een keuze. Daar heb je de grote zenders,CBS, ABC, Fox News. Wij hebben een sterke publiekeomroep die marktleider is in die zin dat de meestemensen ernaar kijken.De publieke omroep hanteert de bekende sandwichformule,waardoor mensen niet alleen maar datgenetegenkomen wat ze verwachten te zien, maar ook nogeens verrast worden en blijven hangen. Dan zien ze ietswat ze helemaal niet van plan waren te zien, maarwaarvan ze misschien wel zeggen: ″goh, eigenlijk is dittoch ook wel aardig″. Dit doet zich soms zelfs binnenprogramma’s voor. De Wereld Draait Door is een snelamusementsprogramma, maar als je goed oplet, komt erEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-389


Plasterktoch veel langs op het gebied van cultuur of actualiteit. Ikvind dat zeer waardevol.De publieke omroep heeft bovendien een verbindendeffect. Als je ’s avonds NOVA hebt gezien of Pauw &Witteman, dan mag je er toch wel van uitgaan dat er devolgende dag op je werk een gesprek daarover ontstaat,omdat veel andere mensen het ook gezien hebben. Depublieke omroep heeft dus ook enigszins het effect vaneen nationale huiskamer waar mensen elkaar treffen.Daar is een hoop op af te dingen, maar toch zijn meerdan 3 miljoen mensen lid van een publieke omroep.Daarmee is het een van de meest verankerde onderdelenvan onze samenleving. Ik weet wel dat niet ieder lid vaneen omroep heel bewust heeft gekozen voor diespecifieke omroep, maar al deed slechts de helft dat wel,dan is de publieke omroep toch nog behoorlijk verankerd.De regering is daarom voorstander van een sterkepublieke omroep. Een sterke publieke omroep vereist denodige middelen en daarom is er reclame op de publiekeomroep, die ongeveer voor een derde van de inkomstenvan de publieke omroep zorgt. Wij hebben die reclamegereguleerd en in zekere zin beperkt. Leidt dat tot eenongelijk speelveld? Ja. Iedere publieke voorziening leidtnatuurlijk tot een ongelijk speelveld. Het publiekbekostigde onderwijs bijvoorbeeld leidt tot een ongelijkspeelveld voor de Leidse Onderwijsinstellingen, de LOI.Dat is natuurlijk altijd zo. Het is een keuze. Je kunt hetallemaal aan de vrije markt overlaten, maar dat is niet dekeuze die ik zou wensen.Is de publieke omroep wel publiek genoeg? Dat vind ikzeker. Laat ik twee kengetallen noemen om dat punt teillustreren. Als je de publieke omroep vergelijkt met decommerciële omroep in Nederland op het punt vanzendtijd voor nieuws, actualiteiten en serieuze informatie,dan is dat bij de publieke omroep 21%, bij de commerciëleomroep 9%. Het is andersom als je gaat kijken naaruit het buitenland ingekochte fictie. Dan hebben we hetover soaps, buitenlandse krimi’s en zo. Dat percentage isbij de commerciële omroep 45, dus bijna de helft, en bijde publieke omroep is het 10. Je ziet dat er inderdaadeen heel ander profiel ontstaat van wat men uitzendt enik vind inderdaad dat de publieke omroep essentieelanders is dan de commerciële.Mevrouw Tan (PvdA): Voorzitter. Ik wil even terug naarde kwestie van de speelvelden. De minister zegt heelduidelijk dat er niet één speelveld is, maar dat erverschillende speelvelden zijn. Hoe moeten die speelveldenzich dan van elkaar onderscheiden? Onder wat voorcriteria moet dat gebeuren? Het erkennen van dieverschillende speelvelden is één ding, maar dan isvervolgens de vraag hoe zich dat tot elkaar moetverhouden en wie daarop toeziet.Minister Plasterk: Ik heb net geprobeerd te illustrerendat de commerciële omroep mag uitzenden wat menwenst, dus voor de helft buitenlandse soaps en anderebuitenlandse programma’s. Daar kan niemand enige eisaan stellen. Dat is de vrijheid die de commerciëleomroep heeft. Daar staat tegenover dat men dan ookgeen algemene middelen ontvangt om programma’s temaken en dat men het van de reclame-inkomsten moethebben. Met de publieke omroep daarentegen maken wijprestatieafspraken. Misschien kan ik uw vraag het bestebeantwoorden door daar iets over te zeggen. In dehuidige prestatieovereenkomst die ik sluit met depublieke omroep staan 109 afspraken. Die gaan over heelveel: het aantal uren documentaires, het budget,Nederlands drama, de registratie van culturele evenementen,het aandeel sport, het bereik bij diversedoelgroepen, bijvoorbeeld mensen met verschillendeculturele achtergronden.De publieke omroep rapporteert elk jaar over derealisatie van al die 109 prestatieafspraken in zijnprogrammatische terugblik. Die staat op het internet enis daar terug te zien. Dat is een mooi document dat opveel punten een goede onderbouwing is van het belangvan de publieke omroep. Ik hoop dat die terugblikmevrouw Tan overtuigt, anders zou het jammer zijn. Depublieke omroep heeft heel veel werk aan die rapportageover 109 onderdelen. Het Commissariaat voor de Mediadat erop moet toezien, heeft er eveneens ongelofelijkveel werk aan, dus ik hoop maar dat het de moeitewaard is. Anders zouden we het aantal onderwerpen inde prestatieafspraken iets moeten terugbrengen. Datwordt ook weleens geopperd. De visitatiecommissieheeft gepleit voor minder afspraken op een hogerabstractieniveau, maar wel meetbaar en scherp. Latenwe eerst maar eens bekijken hoe we het precies gaaninvullen bij de volgende prestatieovereenkomst. Ik hebde neiging om het inderdaad tot een iets kleiner aantal tebeperken of tot een aantal kernwaarden, zoals programmatischeverscheidenheid, journalistieke en cultureleimpact en het bereiken van diverse publieksgroepen. Diezou ik er graag in houden. De publieke omroep heeft hetvoortouw en komt in maart van het volgend jaar met eenconcessiebeleidsplan. Op basis daarvan sluit ik eennieuwe prestatieovereenkomst voor de periode 2011 toten met 2016. Die overeenkomst is de basis van hetverschil tussen wat het is om een publieke omroep tezijn en een commerciële omroep.Mevrouw Tan verwees naar een artikel van Tazelaar inde NRC. De strekking van dat artikel is dat samenwerkingtussen publieke omroepen en kranten principieelverkeerd zou zijn. Daar ben ik het niet mee eens.Gisterenavond heb ik in de Rode Hoed in Amsterdamuitgebreid gediscussieerd met de hoofdredacteur van deNRC, waarbij dit ook aan de orde kwam. Ik denk dat zo’nsamenwerking nuttig kan zijn, mits het de juiste kadersheeft. Daar ziet het commissariaat opnieuw op toe. Erworden met publieke middelen bijvoorbeeld bewegendebeelden gemaakt, zoals door het NOS Journaal. Krantenkunnen die gebruiken om ze in een embedded player ophun websites aan te bieden. Dat lijkt mij meerwaarde tehebben.Mevrouw Tan (PvdA): Ik heb gewezen op het commentaarin Sp!ts van Frank Volmer, directeur van TelegraafMedia Nederland. Zijn kritiek is dat de publieke omroepmet publieke middelen oneerlijke concurrentie bedrijft alshet gaat om al die producten onder het audiovisueleaanbod, zoals de websites, het digitale themakanaal ende mobiele applicaties. Hoe kijkt de minister aan tegendie kritiek op het beleid over samenwerking tussenpublieke omroep en andere media?Minister Plasterk: Ik ben het niet in alle opzichten altijdmet De Telegraaf eens, dat geldt hier ook. Ik wil er metalle plezier op ingaan, maar dit alles ligt buiten hetthema van de wet die hier voorligt. Ik wil graag ingaanop de criteria voor de samenwerking tussen kranten enEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-390


Plasterkde publieke omroep. Ik ben gevoelig voor het punt datdaar waar de publieke omroep op websites reclameaanbiedt, je je moet afvragen wat daarvan de maatvoeringis en hoe dit zich verhoudt tot de exploitatie vanwebsites door commerciële kranten. Kranten zijn, zoals uweet en dat wil ik graag zo houden, bedrijfsmatige encommerciële organisaties. Daar wil ik nog naar kijken enik kom erop terug.Ik vind het in zijn algemeenheid niet verstandig van deserieuze schrijvende pers om de controverse met depublieke omroep te zoeken. Die trend hebben wij delaatste tijd gehad. Ik denk dat men heel veel hetzelfdevoorstaat, de serieuze schrijvende pers en de serieuzeomroep. Het gaat niet alleen om de serieuze publiekeomroep, maar ook om de serieuze commerciële omroep.Er is sprake van een symbiose, omdat vaak ’s avonds opde televisie wordt teruggegrepen op artikelen die men ’sochtends in de krant heeft gelezen en op het journalistiekewerk uit de krantenwereld. Omgekeerd gaan dekranten die je leest, leven omdat mensen al diebewegende beelden op het netvlies hebben staan die zijop de televisie hebben gezien. Ik denk dat het veel beteris, zoals de commissie-Brinkman heeft voorgesteld, omdaar waar het kan de samenwerking te zoeken tussenkrant en omroep. Dat gebeurt ook al: de Volkskrant metde VPRO op het gebied van de film; De Telegraaf metteams van de NOS op het gebied van de Tour de France;de Volkskrant en de NCRV met het thema hart en ziel ende NRC samen met de Wereldomroep op een aantalEngelstalige sites. Er zijn dus veel goede voorbeelden tegeven. Het is beter om dat verder uit te zoeken dan omde controverse te zoeken tussen geschreven pers en depublieke omroep.Mevrouw Tan heeft een vraag gesteld over debescherming van minderjarigen tegen ernstig schadelijkbeeldmateriaal bij de mediadienst op aanvraag. Ookheeft zij gevraagd wie daarop toeziet. Ik acht hetonwenselijk dat minderjarigen bloot worden gesteld aanbeeldmateriaal dat voor hen ernstig schadelijk te achtenis. Het gaat er niet om of het een lineaire dienst is, dusklassieke televisie, of een dienst op aanvraag. Voor deverspreiding van ernstig schadelijk mediabeelden geldtin de huidige wetgeving voor zowel de publieke als decommerciële mediadiensten via de lineaire diensten eenverbod. Bij de klassieke televisie is het dus sowiesoverboden. Voor de publieke omroep gold dit ook al voorde diensten op aanvraag. Dat hebben wij in de Mediawet2008 geregeld. Wat nieuw is, is dat conform de Europeserichtlijn nu ook de commerciële mediadiensten opaanvraag die onder de Mediawet vallen, niet zomaarernstig schadelijk beeldmateriaal mogen verspreiden. Alszij dat toch doen, moeten zij dusdanige maatregelentreffen, dat het aanbod op zo’n manier beschikbaar wordtgesteld dat jongeren onder de zestien jaar dat normaliterniet te horen of te zien kunnen krijgen. Ik volg dus derichtlijn voor de publieke omroep en die is strenger,omdat ik vind dat wij dat ook van een publieke omroepkunnen vragen. Daarom is dat eerder in de Mediawetvastgelegd. Het Commissariaat voor de Media zietdaarop toe.Mevrouw Tan (PvdA): De minister zegt dus dat deregering bewust heeft gekozen voor een verschil inregimes voor de publieke omroep en de commerciëleomroep als het gaat over niet-lineaire diensten. Depublieke omroep is aan strengere regels gebonden dande commerciële.Minister Plasterk: Nu dus niet meer, maar wij haddendat al vooruitlopend op het consistent maken met deEuropese richtlijn voor de publieke omroep geregeld. Wijpraten hier alleen over de commerciële omroep.Mevrouw Tan (PvdA): Dat verschil is dus met dezenieuwe regeling vervallen. Het is nu gelijk.Minister Plasterk: Ja, en dan verwijs ik naar wat ikzojuist heb gezegd.©De heer Asscher (VVD): Voorzitter. Ik dank de ministervoor zijn korte en bondige antwoord op de vragen overdit wetsvoorstel. Die waren iets minder kort en bondigtoen wij de erkenningenwet en de Mediawet opnieuwgingen behandelen, maar dat ligt voor de hand.De heer Slager, met wie ik over dit wetsontwerp sterkvan mening verschil, complimenteerde de minister alseen neoliberaal. De minister wist niet helemaal of datjasje hem wel goed stond. Ik heb ook mijn twijfelsdaarover, want ik heb deze minister nooit in een liberaaldaglicht gezien.De heer Slager (SP): Ik wil dit iets nuanceren. Ik heballeen gezegd dat er een neoliberale wind door Nederlandwaait. Dat is iets anders dan dat ik zou hebbengezegd dat minister Plasterk neoliberaal zou zijn.De heer Asscher (VVD): Het zou heel mooi zijn als datwaar was, mijnheer Slager, maar met dit kabinet merk ikdaar heel weinig van.Een punt waarop ik de minister niet zo heel liberaalvind, is het vlammende betoog dat hij weet te houdenover de publieke omroep. Wij denken daar een stukgenuanceerder over. Hij is een groot verdediger van deverzuiling die wij nu kennen. De VVD is daar een stukgenuanceerder over. Ik hoor vertellen over 109 prestatieafspraken.Hij wil daar wat aan doen en gaf daar tweevoorbeelden van, maar hij zegt dat het voortouw bijdiezelfde publieke omroepen ligt. Ik betwijfel of wijdaarvan veel goeds moeten verwachten. Het zou in hetkader van vermindering van regelzucht mooi zijn als wijvan die 109 prestatieafspraken, er 100 zouden kunnenschrappen.Ik ga niet in op het gebruik van de subsumptie. Als destaatsrechtsgeleerde Dölle die ook al heeft gebruikt, moetik mij daar natuurlijk bij neerleggen, maar ik kan mij nietbij alles neerleggen wat de minister heeft gezegd. Metname niet bij het zeer belangrijke punt artikel 7, lid 2 en3, van de Grondwet. Hij heeft vijf criteria genoemd dieEuropa stelt, maar ik denk daar anders over. Ik ben hetmet de minister eens dat sprake is van convergentie,maar wanneer hij zegt dat het om de bescherming gaatvan de rechten en de grondrechten, dan komt bij ons denadruk te liggen op de bescherming van onze Grondwet.Ik blijf van mening dat die hier wordt opgerekt. Deminister meldde ook dat dit een mooi voorbeeld was vanjust-in-timemanagement, dat wij dit nog vlak voor hetreces in dit jaar kunnen behandelen. Natuurlijk geldt nietvoor alle wetgeving die wij vlak voor de kerst nog opwens van het kabinet behandelen dat het just-in-time is.Eerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-391


AsscherDie richtlijn was immers al eerder bekend, dus wijhadden dat ook al veel eerder kunnen doen.Ik wil de minister een groot compliment maken voorzijn antwoord op de vraag van de heer Slager. Ik schrokwel heel erg van de opmerking van de heer Slager overhoe vreselijk het is dat links LLiNK het bestel moetverlaten, dat de TROS mag blijven en dat er twee andereomroepen bij zullen komen. De minister gaf er de enigjuiste, en daarom misschien ook wel een beetje liberale,reactie op, namelijk dat hij zich aan de wet houdt. Datverwachten wij ook van de minister. Het zou tochverschrikkelijk zijn als sympathie op dit gebied een rolzou spelen? Dat zou betekenen dat wij overgeleverdzouden zijn aan de bewindsman. Dat zouden wij nietwillen. De bewindsman moet in deze de wet volgen. Ikben blij – daar complimenteer ik hem voor – dat hij datook doet.De heer Slager (SP): Vindt de heer Asscher dat de wetde minister geen andere mogelijkheden gaf?De heer Asscher (VVD): Dat is een beetje vragen naar debekende weg. Als er drie stoplichten op rood staan, doeje er bestuurlijk gezien verstandig aan om die adviezen tevolgen. Het was heel helder en duidelijk dat de adviezen– er moeten overigens wel heel veel adviezen gevraagd,namelijk drie – één kant op wezen. Het gaat mij erom datwij hier de erkenningenwet hebben behandeld enaangenomen, met alle plussen en minnen. Dat deminister zich daar strikt aan houdt, beschouw ik alsnormaal en ook een compliment waard.De conclusie van mijn fractie mag duidelijk zijn,namelijk dat wij dit wetsvoorstel niet zullen steunen. Ikmoet overigens zeggen dat de beantwoording van deminister op tal van vragen bevredigend is, op één na,namelijk die wat betreft de flitsen. Ik ben bang dat wijmet die flitsuitzendingen van 180 seconden vervallen incasuïstiek. Er worden aldoor voorbeelden gegeven, maarniet vijf of zes regels waaraan die flitsuitzendingen van180 seconden aan zouden moeten voldoen. Dat kan totveel verwarring in het veld leiden.©De heer Dölle (CDA): Voorzitter. Ik dank de regering voorde beantwoording. Ik heb nog een paar punten. Ik bennu, om in de terminologie te blijven, gelinkt aansubsumptie. Dat had ik ook niet gedacht. Wij bedoelendaar niets anders mee dan de vraag of op de materie,lineaire en niet-lineaire audiovisuele mediadiensten, nuartikel 7, lid 2, op ziet of artikel 7, lid 3, dus of je dieonder het ene of het andere lid subsumeert. Verderwordt daar niets mee bedoeld.Ik heb hier nog een vraag over. De minister zegt dat dematerie zo veel op televisie lijkt, dat deze onder lid 2 kanworden geschoven. Deze vertoont volgens hem allerleikenmerken die Europa ook al heeft opgesomd. Deminister is van mening dat deze niet onder artikel 7, lid3, hoeft te worden geschoven, waaronder popfestivals,cabaret, toneelvoorstellingen, straattoneel en anderedoor hem geliefde activiteiten vallen. Dat geeft al aan datbeide opvattingen verdedigbaar zijn. De ene opvatting isbijvoorbeeld door de huidige ombudsman verdedigd ende andere door Hins en andere lieden. Beide mogelijkhedenvallen binnen de kring van mogelijke betekenissen.Het gaat mij erom dat de minister duidelijk kiest voorartikel 7, lid 2, en dus voor de overheersing van wat opelkaar gelijkt. Hij zegt echter niet wat daarvan deachtergrond is. Ik begrijp uit de stukken dat dit eigenlijkis dat dit een massamedium betreft. Dat heeft een effectop de samenleving en om daar regulerend in te kunnenoptreden, hebben wij een wet nodig. Wij hebben geenwet op het cabaret, geen wet op het toneel en geen wetop allerlei andere manifestaties, maar wel een wet optelevisie en radio. Historisch was de reden daarvan datde ruimte schaars was, dat daarom regels moetenworden gesteld. Die reden geldt niet voor deze materie,die audiovisuele mediadiensten, dus moet er een anderereden zijn. Dat kan Europa ons niet voorschrijven, als ikhet goed begrijp, maar het moet een afweging zijn vanhet kabinet. Die is wat mij betreft zeer verdedigbaar,maar de minister moet deze wel noemen en dat doet hijniet.Een tweede punt betreft de flitsen. Daar komt ietsmeer trechtervorming in. De minister zegt dat het bijflitsen – althans zo vertaal ik het – eigenlijk moet gaanom massasporten, sporten waar men de volgende dagover praat. Dat is niet basketbal, maar bijvoorbeeld welvoetbal. Bij wielrennen en schaatsen wordt het dubieus.Een tweede beperking is, zo hoor ik hem zeggen, dat hettechnisch niet mogelijk moet zijn om die wedstrijdbepalendedimensie in 90 seconden bij de consument tebrengen. Heb ik dat goed begrepen, dat het ook gaat omhet criterium dat het technisch niet mogelijk is om deessentie van die bijzondere gebeurtenis – vier Nederlanderswinnen een onderdeel van de Olympische spelen –naar de huiskamer te brengen, al zou dat best in 90seconden kunnen? Waar zit hem dat in? Ik weet dat ditcasuïstiek is, mijnheer Asscher. Wij moeten echter wel,omdat wij er anders gedonder over krijgen. Dat isalthans vrij waarschijnlijk. De vraag betreft ook denieuwswaarde: rellen hebben nieuwswaarde, gemistestrafschoppen weer niet. Ik geloof dat de minister het zelfook zo aanvoelt, als ik zo vrij mag zijn. Daarom is devraag of het niet beter is – ik weet overigens niet of datmogelijk is – dat het commissariaat of de minister in eenbeleidsregel aangeeft wat zo’n beetje de grenzen zijn vandit in onze ogen gevaarlijke amendement uit de TweedeKamer.Het laatste punt is dat ik de minister ervoor dank dat ikvan hem mocht vernemen dat het onderzoek van deorganisatie van weerwoorden in ons omringende landenwellicht voor de kerst gereed is.©De heer Slager (SP): Voorzitter. Ik dank de minister voorzijn actieve manier van meedoen aan dit debat, ook al inhet begin. Ik was zelfs blij dat hij zat te schudden toen ikhet een en ander over LLiNK en de TROS riep. Dat is inelk geval veel beter dan sommige van zijn collega’s, dieaf en toe al twitterend naar leden van deze Kamer zittente luisteren.Ik wil nog even terug naar LLiNK. De minister heeft ergelijk in dat deze omroep zijn oorspronkelijke doelstellingenniet heeft waargemaakt. Daar kunnen wij nietonderuit. Er zijn intussen in dit land een heleboelomroepen die hun oorspronkelijke doelstellingen al langniet meer waarmaken. Ik hoef maar de KRO, de TROS, deNCRV enzovoorts te noemen. Die hebben anderedoelstellingen en die worden gehonoreerd door ditEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-392


Slagerkabinet. Zou het niet kunnen zijn dat LLiNK in deafgelopen jaren weliswaar de oorspronkelijke doelstellingenniet heeft gehaald, maar wel degelijk van toegevoegdewaarde is gebleken? Als dat het geval is, zou deminister ondanks die drie rode stoplichten misschien danover een parallelweg kunnen rijden om toch het doel tebereiken? Heeft hij dat ooit overwogen?Ik kom nu op de reclame. Ik vind de manier waarop deminister daarover praat erg liberaal. Het gaat niet lukken,het is niet uitvoerbaar en wij doen het liever niet wantwij moeten niet te bevoogdend zijn. Het gaat echter nietalleen om snoep. Het gaat om reclame rondomjeugdprogramma’s, rondom programma’s waar kinderennaar kijken die nog heel erg te beïnvloeden zijn. Daarworden zaken tentoongesteld die slecht zijn voor hungezondheid. In Scandinavië, in Denemarken en inEngeland – de minister heeft het zelf allemaal aangegevenin zijn schriftelijke antwoord – heeft men beslotenom daar wel iets aan te doen. In Nederland doet men erkennelijk helemaal niks aan en dat vind ik jammer.Althans, niks is overdreven, want ik heb gelezen dat hetCommissariaat voor de Media erop gaat toezien dat bijde audiovisuele diensten op aanvraag maatregelenworden genomen opdat de jeugd onder de zestien jaarproducten die hun ontwikkeling schaden niet te zienkrijgen. Daarbij staat dan in een schriftelijk antwoord: ″Tedenken valt daarbij aan pincodes of geavanceerdeidentificatiesystemen waarover de ouders het beheervoeren.″ Dat antwoord kregen wij en dat klinkt aardig,maar precies hetzelfde antwoord is op 7 mei aan deTweede Kamer gegeven. Mijn vraag aan de minister is ofdat denken al tot enig resultaat heeft geleid en, zo ja, ofik dan mag vernemen welk resultaat dat was.In de nota naar aanleiding van het verslag van deTweede Kamer stelt de minister: ″De regering is vanmening dat het toezicht op de Nederlandse reclamecodein het algemeen goed werkt.″ Wij hebben het nu over dewebsites waar ik het over heb gehad. Voor de code voorvoedingsmiddelen doet de regering dan een dringendberoep op de voedingsmiddelenindustrie om een codeaan te scherpen, zodat ook kinderen tot twaalf jaardaaronder gaan vallen. Het gaat dus om de beschermingtegen ongezond voedsel. Ook die mededeling is op 6 meivan dit jaar precies zo gedaan, dus is mijn vraagopnieuw: is er intussen al iets aan gedaan?Trouwens, het is natuurlijk mogelijk maar wel heelgemakkelijk dat men bij voorbaat moet zeggen dat wijmaar beter niet kunnen beginnen aan alcoholreclame opinternet, want die valt niet te controleren. Ik weet dat inFrankrijk bijvoorbeeld alle alcoholreclame alleen maarpure productinformatie mag zijn. Geen spelletjes, geenringtones, geen popmuziek, helemaal niks van dat alles.Zou het mogelijk zijn om daaraan in Nederland ook eenste denken? Dit geef ik de minister tot slot in overweging.©Mevrouw Tan (PvdA): Voorzitter. Dank aan de ministervoor zijn zorgvuldige beantwoording. Om misverstandenuit te sluiten, merk ik op dat de fractie van de PvdA grootbelang hecht aan de publieke omroep en aan de publiekefunctie. De minister begon zijn beantwoording aan onsmet het schetsen van de situatie in de Verenigde Staten.Dat is niet dat waar de PvdA-fractie naar streeft, laatstaan wat zij als ideaalbeeld heeft, integendeel. Onzeopmerkingen waren veeleer ingegeven doordat wij veelvan die publieke omroep verwachten, die publiekefunctie hoog in het vaandel hebben en daar misschienook strenge eisen aan stellen. Wij denken dat dat moetmogen, gezien de positie die de publieke omroep in hetNederlandse bestel heeft, met de bijbehorende financiëlemogelijkheden die de NPO krijgt.De minister heeft zijn visie geschetst op het huidigesysteem. Hij heeft inderdaad nog eens de 109 prestatieafsprakenvermeld. Desondanks blijft bij ons toch het beeldhangen dat dat onderscheid tussen de programmeringvan de publieke omroep versus dat van de commerciëleomroep toch niet zo helder is. Wij hebben vragen gesteldover de verhouding van bijvoorbeeld de aandacht voorallerlei sportevenementen versus de aandacht voorpublieke aangelegenheden en burgerschapszaken.Kennelijk ligt dat in die 109 prestatieafspraken allemaalvast. Voor onze fractie was dat niet zo helder wanneer jeals consument kennis neemt van de programmering vande publieke omroep. Daarom ook haalden wij dat eneartikeltje aan uit Het Parool waarin stond: ″niemand weettoch wie wat uitzendt″. Het gaat niet om dat ene artikel,maar het is zo illustratief, ook voor ons eigen beeld.Kennelijk herkennen grote delen van het Nederlandsepubliek toch niet zo goed wanneer zij nu naar depublieke omroep kijken en wanneer naar de commerciëleomroep, dus ondanks die 109 prestatieafspraken.Dat is de overstap naar het volgende. Heeft depublieke omroep niet ook een fundamentele taak enfunctie als het gaat om de rol en de positie van dejournalistiek in de samenleving? Daarom haalden wij ookhet artikel aan van Geert Mak in de NRC, waarin hij metde metafoor van de rattenvanger van Hamelen zegt datdie moordende concurrentie in medialand de commerciëlemedia ertoe drijft om heel erg in te spelen op dewensen van het publiek. Dat is dus ook onze vraag. Magvan de publieke omroep, die naast de STER-inkomstenvoor tweederde wordt gefinancierd uit publieke middelenen waar die tucht van de markt dus minder nijpend enminder groot is, niet juist worden verwacht dat zij diejournalistieke kwaliteiten hoog in het vaandel houdt?Vandaar ook de vraag, in het verlengde daarvan, hoehet komt dat het beeld ontstaat dat bijvoorbeeld eencommerciële omroep als SBS6 zich op dit moment veelmeer gelegen laat liggen aan het ontwikkelen van eenverantwoordingssysteem naar het publiek toe, terwijl depublieke omroep daar minder actief in is. De publiekeomroep heeft bijvoorbeeld ook een zelfreguleringsinstantieals Mediadebat te kennen gegeven dat zij niet langerfinanciële steun zal krijgen na volgend jaar, terwijl zo’nzelfreguleringsinstituut, voortkomend uit de sector, tochook door de publieke omroep zou worden gesteund. Datde overheid op een gegeven moment zegt ermee op tehouden, kunnen wij ons voorstellen, want zelfreguleringbetekent dat het van de sector is. Maar juist die sectorzal zich daarvoor dan toch verantwoordelijk moetenvoelen en dat ook moeten laten blijken in materieelopzicht?Verder hebben wij natuurlijk genoteerd dat de ministerheeft gezegd dat hij de websites met reclames van deNPO nog aan een nadere kritische beschouwing zalonderwerpen. Dat is een goede zaak.Wij hebben al in eerste termijn aangegeven dat wijvoor dit wetsvoorstel zullen stemmen.Eerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-393


©Minister Plasterk: Voorzitter. Dank voor de opmerkingen,gemaakt in tweede termijn.Ik wil allereerst het onderwerp van de flitsregelingaansnijden, want ik herken de zorg van de heer Dölle, deheer Asscher en anderen op het punt van die flitsregeling.Dat was voor mij overigens aanvankelijk ook dereden om in het wetsvoorstel überhaupt die flitsen tebeperken tot 90 seconden. Ik heb in eerste termijn algeprobeerd aan te geven dat het nadrukkelijk debedoeling is om het hier te laten gaan om nieuwsflitsenen om te voorkomen dat men op het glijdende vlak komtnaar het, onder het motto van nieuws, geleidelijkconstrueren van wat in feite een op sportamusementgerichte uitzending is. Laat ik hierover allereerst een paarinhoudelijke opmerkingen maken.Ik ben het met de heer Dölle eens dat het dus moetgaan om zaken die dusdanig nieuws zijn dat hetinderdaad in een 90-secondenflits en eventueel bijuitzondering een 180-secondenflits gaat om zo grootnieuws dat men er in het land de volgende dag overpraat. Dus dat beperkt het al tot een kleine categorie vansporten.De heer Dölle vroeg of het technisch onmogelijk moetzijn om dit in 90 seconden uit te zenden. Dat heb ik nietgezegd en ik denk ook niet dat dat hanteerbaar is, wantje kunt natuurlijk altijd heel korte momenten pakken,zoals het finishmoment of het moment dat de bal overde lijn gaat, waardoor het technisch wel zou kunnen. Ikdenk dat het verstandig is om het zeer uitzonderlijkekarakter daarvan te benadrukken. Ik denk dat het, ookgegeven de zorg die hier in de Kamer leeft, misschientoch verstandig is dat ik met het commissariaat bespreekof men denkt voldoende houvast te hebben om dierestrictie die u en ik wensen, dus om het werkelijk totuitzonderlijke gevallen te blijven beperken, ook in depraktijk te hanteren. Mocht het tot de conclusie komendat een en ander te vaag is om dat te kunnen doen, danmoet daar een nadere invulling aan worden gegeven.Dat zal ik dan doen in de vorm van een AMvB. Diemogelijkheid wordt ook geboden met artikel 5.4, lid 7. Opdie manier kunnen wij dat beperken.Ik ga terug naar de volgorde van de sprekers. De heerAsscher vond de 109 artikelen van de prestatieovereenkomstwel wat veel. Hij was het eens met wat ik implicietin mijn eerste termijn al zei, namelijk dat er in eenvolgende overeenkomst aanmerkelijk minder artikelenzouden moeten zijn. Dank voor die steun.Ik blijf weerspreken dat wat bij dit wetsvoorstelgebeurt, namelijk het beargumenteerd onder Grondwetsartikel7, lid 2, brengen van televisie ook op aanvraag,het oprekken van de Grondwet zou zijn. Dat is werkelijkniet het geval. Ik zou daar ook niet bij in de buurt willenkomen. De heer Asscher baseert zich op die stelling omhet wetsvoorstel niet te steunen, maar daarmeeonderbouwt hij niet heel erg dat hier sprake zou zijn vanhet oprekken van de Grondwet. Dat is geenszins beoogden ook geenszins het geval. Ik zal er zo meteen in mijnreactie op de inbreng van de heer Dölle nog nader opingaan, maar ik heb al aangegeven op basis van welkevijf criteria ik meen dat het totaal in de reden ligt omtelevisie, ook wanneer die op aanvraag wordt geconsumeerd,onder Grondwetsartikel 7, lid 2, te houden.Aangezien ik net over de flitsregeling nog verderopheldering heb verschaft, heb ik nog de stiekeme hoopdat wij de VVD-fractie er wellicht nog van kunnenovertuigen om hiervoor te stemmen. Eenieder moet zijneigen afweging maken – daar wil ik niet in treden – maarik zie niet in wat er niet liberaal zou zijn aan het conformde Europese richtlijn maken van de Nederlandse wet opdit punt. Ik heb nog een beetje hoop dat ik de VVD-fractieook tot een voorstem zou kunnen bewegen.De heer Dölle vroeg expliciet of de reden om televisieüberhaupt op deze manier te behandelen ligt in hetmassamediale karakter, aangezien schaarste geen rolmeer speelt. Dat wil ik bevestigen. Het gaat om hetmassamediale karakter in combinatie met de maatschappelijkeimpact die het heeft. Daarin verschilt hetfundamenteel van bijvoorbeeld straattheater. Er isnatuurlijk een gradueel verschil, want je kunt eenheleboel straattheater organiseren, maar wat op detelevisie komt, komt zomaar bij miljoenen huishoudensbinnen.De heer Slager roert een goed punt aan, namelijk devraag of er niet met twee maten wordt gemeten tussenLLiNK en de bestaande omroepen. Het korte antwoord isja. Er wordt op basis van de erkenningenwet met tweematen gemeten. Ik zal toelichten wat de gedachte van dewetgever – dat is de Kamer zelf – daarin kennelijk isgeweest. In die wet wordt ervan uitgegaan dat je eenredelijk bestendig systeem hebt waarin nieuwkomersslechts worden toegelaten wanneer ze iets toevoegenaan de bestaande omroepen, terwijl bestaande omroepenworden getoetst op een aantal criteria. Zo moeten zevoldoende leden hebben, zich aan de wet houden etcetera. Ze worden echter niet opnieuw getoetst aan devraag of ze toegevoegde waarde hebben. Wat de heerSlager signaleert, is dus terecht. De VPRO kan dan ookbesluiten om de puntjes na ″vrijzinnig″, ″protestant″,″radio″ en ″omroep″ te verwijderen en totaal niet meervrijzinnig protestant te zijn. De AVRO kan besluiten omeen profiel te kiezen van het verspreiden van cultuur, datde AVRO eerder niet had. Dat staat omroepen inderdaadvrij.Ik kan mij heel goed voorstellen dat je een anderstelsel creëert waarin je per vier jaar opnieuw zegt dat ersprake is van een totaal blanco situatie, zoals dat bij deverkiezingen voor de Kamers der Staten-Generaal geldt.Zo is het omroepstelsel volgens de huidige erkenningenwetechter niet ingericht. Daarmee wordt een ongelijkheidgecreëerd, maar die is wel bedoeld door dewetgever vanuit de gedachte dat een omroep niet voorvier jaar wordt gecreëerd maar voor een langere periodeen dat de spoeling alleen maar wordt verdund wanneerdaarmee werkelijk iets wordt toegevoegd aan debestaande omroepen. Op den duur zou dat echter geenstabiele situatie opleveren, omdat je zo steeds meeromroepen erbij zou kunnen krijgen. Dat is een van devele redenen waarom wij ons nu gaan oriënteren op detoekomst van de publieke omroep voor de volgendeerkenningsperiode. Dan kan dit opnieuw aan de ordekomen.De heer Slager had een vraag over de pincodes.Daarbij is er wel sprake van een resultaat. Die pincodeszijn er al en worden gebruikt door aanbieders om detoegang voor minderjarigen te beperken.De heer Slager (SP): Die functioneren ook?Minister Plasterk: Ja, die functioneren ook.Eerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-394


PlasterkDe heer Slager (SP): Dan gaat het alleen om audiovisuelemedia op aanvraag en niet om internet?Minister Plasterk: Nee, dat gaat over media opaanvraag.De heer Slager meldde dat het gesprek over de codeuit de sector zelf over andere producten, waarbij het gaatom ongezonde voeding, in mei in gang was gezet. Daarheb ik nu nog niets nieuws over te melden.Ik kom op het alcoholreclameverbod. De heer Slagervraagt naar het eventueel beperken van alle alcoholreclametot het verstrekken van sec informatie. Ik weet dater landen zijn die deze keuze maken. Die keuze makenwij hier niet. Bacardi kan dus reclame maken waarinwordt benadrukt hoe gezellig het wordt als je Bacardi totje neemt. Dat zou onder de criteria van de heer Slagerwaarschijnlijk verboden reclame zijn omdat daarmee nietalleen maar informatie wordt verschaft.De heer Slager (SP): De minister zegt: dat doen wij niet.Wat is echter de reden waarom wij een ander beleidvoeren dan Frankrijk? Is dat het neoliberale gedachtegoed?Minister Plasterk: Ik vind dat niet neoliberaal. AlsBacardi reclame maakt waarin wordt benadrukt dat jeleuke nachtfeesten kunt organiseren waarbij ook een slokBacardi wordt gedronken, of Heineken reclame maaktvoor bier waarin iets anders wordt benadrukt, dan moetdat kunnen, zolang dat niet gebeurt op momenten datredelijkerwijs kan worden verwacht dat kinderen televisiekijken. Dat is een keuze.De heer Slager (SP): Dat is nou net het punt. Verledenweek heb ik het volgende nog gedaan. Als ik bij Bacardi,Heineken of waar dan ook intoets dat ik 25 ben, wordtdat zonder meer geaccepteerd. Als ik even later intoetsdat ik 88 ben, wordt het ook geaccepteerd. Er is geenenkele controle. Elk kind van onder de 17 kan invoerenwat hij wil, dus worden zij geconfronteerd met al dieheisa. Als je de reclame beperkt tot sec informatie, gaankinderen daar helemaal niet meer naar toe en beschermje hen daartegen.Minister Plasterk: Voor kinderen die invoeren ouder tezijn dan 17, zijn op internet wel onwenselijkere dingen tevinden dan Bacardireclames. Zodra daarmee hetstrafrecht wordt overtreden, moet er tot vervolgingworden overgegaan. Dan zit je dus in de politionelesfeer. Het is echter niet de taak van het Commissariaatvoor de Media om toe te zien op het volledige internet. Ikheb ook geen ander instrument ter beschikking omdaarop toe te zien en ben ook niet van plan om dat tegaan doen.De heer Slager (SP): Daar gaat het dus om. De ministerbesluit dat het niet wettelijk wordt. Hij verzoekt om eengedragscode, maar dat die gedragscode vervolgens metvoeten wordt getreden; ja, soit. Dat noem ik neoliberaal.Minister Plasterk: Nou, ″soit″ is niet mijn toevoeging.Als er een gedragscode is, mag van serieuze bedrijven,in ieder geval de bedrijven waar wij invloed op hebbenof waar wij in Nederland mee in gesprek zijn, wordenverwacht dat ze zich aan een gedragscode zullen houden.Ik heb geen voornemen en ook niet het instrumentariumom vervolging te gaan instellen op internetsites. Ik zieook niet in hoe je dat redelijkerwijs voor bierreclames endergelijke zou kunnen of moeten doen. Als je alvervolging op internetsites zou gaan aanbrengen, wat ikniet voorheb en mijn rol ook niet is, dan zijn er nog welergere dingen te vinden om je druk over te maken danalcoholreclames.Over de gedragscode hebben ik gesprekken gevoerd.Medio september heb ik de Tweede Kamer daarovergeïnformeerd. De commerciële omroepen hebben degedragscode op hun website geplaatst. De commerciëleomroepen hebben mij laten weten hun gedragscode metregelmaat te evalueren. De eerste gelegenheid daarvooris eind volgend jaar. Onder de publieke omroep vallenverschillende omroepen. Ik heb de NPO gevraagd om tekomen met een gemeenschappelijk raamwerk, om tevoorkomen dat ik met iedere publieke omroep afzonderlijkdaarover codes zou moeten afspreken. Inmiddelsheeft het College van Omroepen gehoor gegeven aanmijn verzoek en is het gekomen met een raamwerk. Deomroepen nemen tot het einde van dit jaar – daar zijn webijna – de tijd om het raamwerk in te vullen en zullen injanuari 2010 hun gedragscode op hun websites plaatsen.Het ligt in de rede dat ook de publieke omroep daarvoorevaluatiemomenten inplant. Dit is een iets uitgebreidereversie van wat ik zojuist zei, namelijk dat ik striktgenomen nog geen nieuws heb. Het scheelt niet veelmeer, want in januari zal dit bekend zijn.Mevrouw Tan zei dat er – hoe zeg ik dat nu – geenhelder onderscheid is tussen de publieke en de commerciëleomroep, althans dat dit onderscheid niet altijdwaarneembaar is. Ik heb geprobeerd om met getallenonderbouwd aan te geven dat je in Nederland bij de eende helft van de tijd naar buitenlandse ingekochtedetectiveseries en soaps zit te kijken, en bij de andervoor maximaal 10% van de tijd. Bij de een zit je naarminstens twee keer zo veel nieuws, actualiteiten enserieuze informatie te kijken als bij de ander. Hetverbaast mij dat er in de ogen van mijn eigen partij geenverschil is tussen de publieke omroep en de commerciëleomroep. Ik hoop dat ik het niet zo hoef te begrijpen.Mevrouw Tan zegt dat de journalistieke kwaliteit hoog inhet vaandel moet worden gehouden. Natuurlijk moet diejournalistieke kwaliteit hoog in het vaandel wordengehouden! Ja, het RTL Nieuws is een uitstekend journaalmet hoge journalistieke kwaliteit, maar het grootste deelvan de informatie die ik tot mij neem wat betreftactualiteit en nieuws komt van EenVandaag, Netwerk,NOVA, Pauw & Witteman en De Wereld Draait Door. Erzit heel veel publieke omroep bij. Het verbaast me duswerkelijk dat dit niet zichtbaar zou zijn. We kunnen de lataltijd hoger leggen en de publieke omroep aanmoedigentot nog betere prestaties. Er is bij de publieke omroep ineigen kring natuurlijk ook altijd discussie over de vraagof het nog beter kan. Ik vind echter dat men het verschilmet commerciële omroepen zeer duidelijk aanbrengt. Endat moet ook, want zoals door mevrouw Tan wordtbenadrukt, heeft men om die reden ook publiekefinanciering. Het mag dus worden verwacht.Mevrouw Tan (PvdA): Vandaar ook mijn verwijzing naarhet artikeltje in Het Parool. Dat ging over een steekproefwaarin aan een aantal mensen is gevraagd in hoeverreze zich realiseerden waar ze naar keken. Het onderzoekjeis illustratief voor het feit dat het onderscheid tussen deprogrammering van NPO versus die van de commercië-Eerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-395


Plasterklen bij het publiek niet altijd even duidelijk is; laat ik hetzo maar stellen.Minister Plasterk: Ik vind het niet zo belangrijk of hetpubliek zich per programma realiseert of het van depublieke omroep of van de commerciële omroep komt.Als wij ons, wanneer we de tijd nemen om ernaar tekijken, maar realiseren dat het wel uitmaakt en dat dekwaliteit en de programmering van de publieke omroepniet hetzelfde zijn als die van menig commerciële zender.Nogmaals, dat mensen op straat niet van ieder programmauit het hoofd weten door welke zendgemachtigdehet wordt uitgezonden, dat geloof ik onmiddellijk.Ik hoop echter dat de PvdA-fractie het oordeel dat ergeen verschil zou zijn tussen de commerciële en depublieke omroep niet tot haar eigen oordeel maakt.wordt conform artikel 121 van het Reglement van Ordeaantekening verleend dat zij geacht willen worden zichniet met het wetsvoorstel te hebben kunnen verenigen.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.De voorzitter: Mevrouw Tan, een laatste interventie. Ikvraag de minister om vervolgens af te ronden.Mevrouw Tan (PvdA): Het ging mij er alleen om, deminister deelgenoot te maken van het gevoelen dat hetniet altijd even duidelijk is. Kennelijk heeft bij deminister, door de cijfers die hij tot zijn beschikking heeften de discussies over de prestatieafspraken, de indrukpostgevat dat het verschil tussen de programmering ende kwaliteit van de NPO versus de commerciëlen voorhet publiek heel duidelijk waarneembaar is. Bij onzefractie bestond de behoefte om het signaal te geven dathet niet voor iedereen even duidelijk is. Daar wil ik hetbij laten.Minister Plasterk: Ik dank mevrouw Tan voor dietoelichting. Ik had het artikel in Het Parool gelezen en ikrealiseer me dat niet iedereen op straat van elk programmaparaat heeft door wie het wordt uitgezonden. Iksta in ieder geval voor mijn eigen oordeel daarover,namelijk dat er duidelijk een verschil is. Ik heb dat nietalleen met getallen onderbouwd; het is ook gebaseerdop mijn eigen oordeel over de journalistieke productendie worden aangeboden.Zojuist sprak mevrouw Tan over de commerciëlemediadiensten. Zij vroeg of er enig verschil zou zijntussen de behandeling van de commerciële en depublieke omroep. Om misverstanden te voorkomen, wilik nog eens helder maken dat de publieke omroep opgeen enkele manier een ernstig schadelijke inhoud magverspreiden. Dat is niet waar wij de publieke omroepvoor hebben en publiek voor financieren. Dat is eerder alin de Mediawet vastgelegd. De commerciële omroepmag het bij diensten op aanvraag wel, onder voorwaardedat het technisch beschermd is. Als er bijvoorbeeld eendienst op aanvraag wordt aangeboden met pornografieis dat toegestaan, zolang het binnen de grenzen van hetstrafrecht blijft. Het moet echter wel technischbeschermd worden. Dit is iets wat wij van de publiekeomroep niet zouden accepteren. In die zin is er dus weleen verschil.Voorzitter, ik denk dat ik door mijn beantwoordingheen ben.De beraadslaging wordt gesloten.Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.De voorzitter: De aanwezige leden van de VVD en de SPEerste KamerAudiovisuele mediadiensten8 december 2009EK 12 12-396

More magazines by this user
Similar magazines