pdf-bestand - Kerk en Israël

kerkenisrael.nl
  • No tags were found...

pdf-bestand - Kerk en Israël

Lofzang op de Godvan het levenenkele overwegingenbij Psalm 16Diefstal of erfenis?Deze psalm is de eerste die na deuitstorting van de Heilige Geest in hetNieuweTestament wordt geciteerden rechtstreeks betrokken wordt opde opstanding van Christus. In zijneerste (pinkster)preek wijst Petrus hierop (Hand. 2:25-28,31); in zijn eerstesynagogenpreek verwijst Paulus hier ooknaar (Hand. 13:5,37).Beide apostelen passen onbekommerddezelfde exegese en toepassing toe.Het lijkt er daarmee op alsof deze oudepsalmwoorden als het ware wordenlosgemaakt van David en geactualiseerdmet het oog op Jezus. En sinds de kanttekeningenbij de Statenvertaling op 1Kor. 15:4 wordt ook naar deze psalm(vers 10) verwezen. Dezelfde kanttekeningenbij deze psalm zeggen meteen alaan het begin dat David deze woordenspreekt als (een voorbeeld van) Christus‘in den stand zijner vernedering’.Onmiskenbaar heeft deze psalm daardooreen christologische duiding eninvulling gekregen.Boeiend wordt daardoor de vraag ofDavid dit ook reeds zo gezien en bedoeldheeft of dat dit een latere apostolische engeïnspireerde herinterpretatie is binnende christelijke kerk.Het raakt in ieder geval wel het themawaarmee we ons als deputaten bezig houden,nl. het Oude Testament als ‘diefstalof als erfenis’. Met andere woorden:geven wij, los van Israël, een eigen christelijkeinterpretatie van het O.T. als zijndeeen getuigenis van Christus of proberenwe, mét Israël, de eerste betekenis van ditlied op het spoor te komen?Een echt kleinoodHoewel de afleiding en de betekenis vanhet woord miktam (vertaald als ‘kleinood’)onzeker zijn (dit opschrift vindenwe ook boven de Psalmen 56-60), maghet inderdaad een lied van een kostelijkgeloofsvertrouwen genoemd worden.Kort samengevat komt de inhoud hierop neer: ik ben er met mijn God buitengewoongoed aan toe. Niets gaat bovenHem, in heden en toekomst.Mijn deel is de HEREHet geheim en de kern daarvan vindenwe mijn inziens in de verzen 5 en 6: ‘ikben enorm tevreden en gelukkig met watmij ten deel is gevallen’.Hier wordt een uitdrukking gebruiktdie herinnert aan de verdeling van hetland bij de intocht van Israël daarin.In de wetgeving en in het boek Jozualezen we dat iedere stam en familie doorhet lot een eigen stukje grond kreegtoegewezen. Een uitzondering vormdede stam van Levi (zie Num. 18:20; Deut.18:1,2 en Joz. 8:7). Deze stam kreeg,geroepen en toegewijd aan de speciale5 O HERE, mijn erfdeel en mijn beker,Gij zelf bestendigt wat het lot mij toewees.6 De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven,ja, mijn erfdeel bekoort mij.H. BiesmaSchriftstudien.a.v.Psalm16:5 en 6H. Biesma


Open graf: Psalm16 als getuigenisvan de opstanding(tabernakel)dienst voor de Here, geeneigen grondbezit. Het erfdeel van Leviwas de HERE. Anders gezegd: de HEREzou Zelf, zij het door de dienst en degaven van de andere stammen, voorLevi en diens bestaansmogelijkheid enonderhoud zorgen.Van een ‘erfdeel’ geldt: je betaalt er nietvoor, je huurt het niet voor een bepaaldetijd, je kríjgt het en je mag er van genieten.Hoewel geen leviet past David dat vrijmoedigtoe op zichzelf: ‘wat heb ik hetbuitengewoon goed met U getroffen! Enik hoef helemaal niet bang te zijn dat ikdit kwijtraak: U houdt het Zelf in stand.’Dat erfdeel is, om zo te zeggen, de eeuwigegrond van Gods welbehagen waarinDavid een plaats heeft gekregen. Méérnog: dat erfdeel bevat niet allerlei zegeningenvan geestelijke of materiële aard,het is de HERE Zelf! HIJ is voor een gelovigmens, die bij Hem schuilt, het één enal, het ‘allerhoogst en eeuwig goed’, eten,drinken en leven. Dat maakt je ontzaglijkrijk en blij! Wat een voorrecht déze HEREte mogen toebehoren! Géén welzijnbuiten Hem! Dat is ook de rijkdom van denieuwtestamentische gelovigen (zie bijv.Rom. 8:17; 1 Kor. 3:21,22; Ef. 1:11, gelovigenals erfgenamen/’aandeelhouders’ vanGod….).Nou, dan ben je toch niet zo dwaasHem in te ruilen voor een afgod – hoedie ook heten mag. Wie dat wel waagt,doet zichzelf veel ellende aan! Van zoietsbanaals en nietigs neemt David dan ookhartgrondig afstand (vers 4c,d). Nee,geef mij de HERE maar! Met Hem benik er ongekend goed aan toe, in alleopzichten, nu en in de toekomst.Blijvend houvastMoeten we hieruit concluderen dat eengelovig mens altijd een idyllisch enonbekommerd bestaan heeft? De ervaringis vaak het tegendeel daarvan.Als David inzet met het gebed ombewaring en met de belijdenis van hetschuilen bij de HERE (vers 1) impliceertdat dat er concrete bedreigingen zijn:een regen van moeiten, van allerleiaard; of dat nou ziekte is of het belaagdworden door vijanden, of tenslotte hetaan het sterven prijsgegeven worden(zie ook Rom. 8:38,39). Onder allerleidingen kun je wankelen, want je hebtgeen houvast en kracht in jezelf.Maar wie zich de HERE, de God vanhet verbond, de Heiland die gisteren enheden en tot in eeuwigheid dezelfde is,voor ogen stelt, heeft houvast. Dan zie jezijn vaderlijke ontferming, zijn hemelhogetrouw. En met Hem voor ogenword je ook wat minder gauw verblinddoor allerlei aardse dingen en mensenen machten. In de vertrouwelijkheid vande dagelijkse omgang met Hem wordenzijn heerlijkheid en trouw groter en onzemoeiten wat minder zwaar. Want dan


ervaren we dat Hij ‘raad geeft’ (vers 7)die daarin bestaat dat Hij ‘het pad deslevens’ bekend maakt (vers 11a). Daaromis er vreugde en veiligheid (vers 9).Want, al zijn we dan midden in het levendoor de dood omvangen, laatstgenoemdeheeft níét het laatste woord.Behoed door de levende GodBelijdt David nu in vers 10 eeuwig doorlevenof geloof in de ‘wederopstandingdes vleses’ of profeteert hij hier vanChristus?Wanneer we deze woorden in huncontext lezen moeten we, zo dunkt mij,beseffen dat hier niet in de eerste plaatssprake is van ‘opstandingsgeloof’ (láter),maar van lévensgeloof (nú) : God wijstme de weg die ik gaan mag, dwars doordit gevaarlijke leven heen en midden indeze gebroken en bedreigende wereld, deweg van en naar hét leven. En geloven weniet terecht dat die weg ten diepste HIJ is,die dé ‘gunstgenoot’ was, die leefde methet oog op de Vader en die dwars door dedood is heengegaan? Daarom, zo hoor ikDavid zeggen, mag ik er op vertrouwendat ik nú niet vastloop of door een voortijdigedood omkom.Zo mag ik geloven dat ik niet aan onheilof leegte of duisternis en ondergangword prijsgegeven. Het pad dat ik maggaan, loopt niet dood, ja loopt, op wonderlijkewijze, door de dood heen; hetgaat, zo mogen we zeggen, ook bovende dood uit.Lezen tot op Jezus, dé LevendeDat laatste leer ik van Petrus en Paulus dieover heel ons aangevochten en gekneusdebestaan het licht van de opstanding vande Here Jezus laten vallen. Daarin is tenvolle duidelijk geworden dat de dood niethet laatste woord heeft.Weliswaar is David gestorven, zijn grafis te bezichtigen. Maar vanuit het geheelvan de Schriften mogen we weten datzijn ‘ziel’ (dat is: zijn eigenlijkheid,de kern van zijn bestaan) niet aan hetverderf is prijsgegeven.En bovendien, ja vooral: de eigenlijkeGunstgenoot, de Zoon van David, deZoon van God, is dé Levende!Leven tot in eeuwigheidOp de dag vóór zijn terechtstellingpreekte Dietrich Bonhoeffer voorzijn medegevangenen over Jes. 53:5en 1 Petr. 1:3. Amper is hij daarmeeklaar of er komt een bewaker binnen:‘gevangene Bonhoeffer – klaarmaken!Hij wordt meegenomen om z’n laatstenacht in de dodencel door te brengen.Als hij door het gangpad loopt, horende andere gevangenen zijn laatste woorden:‘dit is het einde – voor mij het begin vanhét leven’.Een beetje vrij vertaald zegt het slot vandeze psalm: ‘overvloedige vreugden inuw nabijheid, voor altijd een liefelijkeplek aan Uw zijde’…..Werkelijk: dit lied is een juweel!Hoe boeiend zou het kunnen zijn om alskerk deze lofzang op de God-van-hetlevenvolop zó te zingen en te belevendat Israël er ‘jaloers’ door wordt; en ookom déze erfenis van het oude Israël bijhet huidige Israël ter sprake te brengenen de gedachten daarover te delen!In Psalm 16is in de eersteplaatssprake vanlévensgeloof(nú)Het erfdeel vande stammen vanIsraël


Om de praktijk vanhet joodse leven 4Kleding en huisRien van der VegtEen mensmoet tegenoverGodzijn plaatskennenIn dit vierde artikel van deze serie willen we één terrein van de joodsetraditie nauwkeuriger bekijken. Veel geboden hebben met bijzonderesituaties te maken: met religieuze feesten of met de feesten, die eenmens in zijn leven viert, zoals geboorte en huwelijk. Hier gaat het juistom de heel normale regels met betrekking tot het dagelijks leven. Wekijken dan vooral naar de kleding en naar de woningen van de mensen.Daar zijn enkele geboden bij, waaraan velen direkt denken, bijvoorbeeldmezoeza en tefillien, de duidelijk opvallende tekenen van hetJodendom. Er komt echter veel meer bij kijken.Een veelheidvan kipa’sKipaWe beginnen eenvoudig, met de kipa (ofkeppeltje), misschien wel het bekendstejoodse kledingstuk. Het is een simpelrond stukje stof, kan uit verschillendmateriaal bestaan, en ook de grootteis niet vastgelegd. Er is eigenlijk nietsvastgelegd, niet eens, dat het gedragenmoet worden. Het dragen van een kipais geen bijbels gebod, maar een vrij ouden eerbiedwaardig gebruik, dat te makenheeft met eerbied en deemoed: een mensmoet tegenover God zijn plaats kennen.Zo betekent een kipa precies hetzelfde alshet ontbreken ervan in het Christendom:wij zetten als man uit eerbied juist hoedof pet af, wanneer we in de kerk zijn ofals we bidden. Men gaat met de kipa overigensheel verschillend om:vele Joden dragen er nooit een,de orthodoxen hebben hemde hele dag op, en daartussenliggen andere gewoontes. Traditioneelwordt de kipa doorde man gedragen, maar in hetmodernere Jodendom dragenvrouwen soms ook een hoofdbedekkingin de synagoge.TsietsietEen ander teken, datorthodoxe Joden aan hunkleding dragen, zijn detsietsiet. Het gaat daarbij omde draden aan de hoekenvan de gebedsmantel, diemet een hebreeuws woord Tsietsiet onder‘talliet’ wordt genoemd. De bovenkledingzaak wordt wat ingewikkeld,wanneer we weten, dat er twee soortentalliet zijn: het kleine en het grote. Hetgrote talliet is de gebedsmantel, die wordtgedragen tijdens het morgengebed. Eengrote witte doek met zwarte of blauwestrepen wordt omgeslagen over degewone kleding heen: om de schoudersen op bepaalde momenten ook over hethoofd. Het kleine talliet is minder opvallend.Het wordt onder de bovenkledinggedragen, maar een echt orthodoxe Jood


draagt het wel de hele dag. Soms zie jedat, aan de tsietsiet, die dan te zien zijn.Om die tsietsiet gaat het. Die wordengedragen vanwege een bijbels gebod,dat we het uitvoerigst vinden in Numeri15:38-39: ‘...dat zij zich gedenkkwastenmaken aan de hoeken van hun klederen,van geslacht tot geslacht, en dat zij inde gedenkkwasten aan de hoeken eenblauwpurperen draad verwerken. (...)als gij daarnaar ziet, dan zult gij al degeboden des Heren gedenken(...)’. Hoedie blauwpurperen draden gemaakt werden,weet men niet meer. Dat probleemwordt opgelost, doordat men gewonewitte draden neemt, één een beetjelanger dan de anderen. De vertaling‘kwasten’ doet iets meer vermoeden dantegenwoordig gedragen wordt, maar hetgebod wordt zo precies mogelijk opgevolgd.De draden worden vastgehouden,er wordt naar gekeken, en men denktaan de geboden....Over de kledingEr is over kleding veel meer te zeggen.Er zijn regels voor de kleding van mannenen van vrouwen. Bij de vrouw gaathet er vooral om, te voorkomen, dat zete vrij of te weinig gekleed zou zijn; bijmannen staan, met de genoemde tekenen,de geboden voorop. Zeer orthodoxeJoden zijn eigenlijk te herkennen aanálles: ze zijn gekleed in het zwart, hebbenbijzondere hoofddeksels, bepaaldesoorten schoenen. Vrouwen dragen vrijlange kleding, dragen iets op hun hoofden hebben nooit iets aan, dat als ‘mannenkleding’zou kunnen worden opgevat.Toch zijn dat niet allemaal geboden,die daaraan ten grondslag liggen. Veel isgewoonte – maar gewoontes zijn somsnet zo belangrijk voor de mensen (Jodenén Christenen) als de bijbelse geboden.Nog heel andere, misschien onverwachte,aspekten hebben met de kledingte maken. Zo is er een gebod op vermengingen.Het staat in de Bijbel, in Leviticus19:19: ‘Mijn inzettingen zult gij bewaren,gij zult van uw vee niet twee verschillendesoorten laten paren, uw akker zult gijniet met tweeërlei zaad bezaaien, en eenkleed, uit tweeërlei stof vervaardigd,zult gij niet dragen.’ Het is een kortgebod met een verreikende betekenis.Eigenlijk zijn het drie korte geboden,die van dezelfde grondregel uitgaan. Deeerste zin gaat over dieren en verbiedt hetfokken van bijvoorbeeld muilezels: diehebben als ouders een paard en een ezel,en dat mag niet. Dan komen de plantenaan de orde, waarbij bijvoorbeeld in eenwijngaard niet ook nog andere plantenmogen worden gekweekt. En de derdezin is voor ons thema van belang. Ookstoffen mogen niet vermengd worden,dus allerlei kledingstukken, die wijdragen, zijn voor Joden verboden. ‘70%katoen, 30% polyester’?? Dat gaat niet.In Deut. 22:9-10 gaat het weliswaaralleen over het vermengen van wol enlinnen, maar de rabbijnen hebben hetverbod breder opgevat, en verschillendegemengde weefsels zijn verboden.Een volgende vraag is dan natuurlijk,hoe het staat met allerlei andere stoffen,die wij gebruiken: lakens en dekens,stoelen, sofas – en ga zo maar door.En wanneer je niet weet, hoe een stofprecies is samengesteld? Je kunt naarde rabbijn gaan, zoals je dat met allerleivragen kunt doen. Maar omdat ook eenrabbijn niet alles weet, is er een afdelingvan het rabbinaat, die fabrieken controleerten een certificaat verstrekt, waarinstaat, dat de produkten van déze fabriekhelemaal in orde zijn.Dus: het is heel niet zo eenvoudig. Aanheel veel moet gedacht worden en eigenlijkben je voor je kleding afhankelijk vanjoodse kleermakers of joodse fabrieken,die de regels allemaal kennenen vanrabbijnen, die dat controleren.GebedsriemenOver de tefillien, gebedsriemen, hebbenwe het nog niet gehad. Het is de vraag,of een gebedsriem een kledingstukis, maar ‘gedragen’ worden ze wel,zij het alleen tijdens het gebed – netEen strengorthodoxe JoodBij de vrouwgaat het ervooral om,te voorkomen,datze te vrij ofte weiniggekleed zouzijn


Joodse manin gebedDe tekenenhelpen erbijde gebodente houdenen aan Godte denkenDe vormgeving vande mezoeza is vrijals de grote gebedsmantel. Er zijntwee gebedsriemen: de ene wordt omhet hoofd gedragen de andere om delinkerarm. In beide gevallen is preciesbeschreven hoe ze moeten wordenaangelegd en hoe ze eruit zien. De eersteriem wordt in de nek samengebondenen hangt dan langs de rug naarbeneden. Op het voorhoofd zit een kleinzwart doosje of ‘huisje’: het ziet er eenbeetje uit als plastik, maar is van leergemaakt. De andere riem heeft ook zo’ndoosje: het zit aan de binnenkant vande bovenarm, vlak bij het hart. De riemwordt om de arm gebonden, zeven keerom de onderarm en ook om de handgewikkeld en vastgehouden met devingers. Het gaat hier om deze doosjes,want daar zitten teksten in, preciesvastgelegd en geschreven op perkament.Belangrijk is Deuteronomium 6, metonder andere de woorden: ‘Gij zult het(nl. wat ik u heden gebied) ook tot eenteken op uw hand binden en het zal ueen voorhoofdsband tussen uw ogenzijn’. Duidelijk is, dat hier ook weer eenbijbels gebod vervuld wordt. Misschienvoor ons op een wat verrassende manier,maar hoe zul je de woorden anders aanje hand en tussen je ogen bevestigen?MezoezaEen teken draagt ook het joodse huis.Dat is het voornaamste, dat bij woningente bedenken is. Er zijn enkele andereregels, maar joodse huizen verschillenamper van christelijke. Een mezoeza is eenklein kokertje, dat aangebracht is aande deuren van een huis: aan de de linkerdeurpost van de buitendeur, maar ook bijde deuren naar de verschillende kamers.Het materiaal is niet belangrijk, kan heelverschillend zijn: hout, steen, glas ofmetaal. De mensen raken de mezoeza aanwanneer ze door de deur gaan, ze brengende hand naar hun mond, en denkenaan het gebod – en aan degene, die degeboden gegeven heeft.Ook hier is de inhoud het belangrijkste:zo’n kokertje koop je voor minder dan 10Euro, de inhoud kost óf een dubbeltje, ófzo’n veertig Euro. Het kan een fotokopietjezijn (maar daarmee zijn alleen toeristentevreden), of weer zo ‘n met de handgeschreven stukje perkament met de passendebijbelverzen. In Deuteronomium 6staat ook: ‘Wat ik u heden gebied, zal inuw hart zijn. (....) en gij zult ze schrijvenop de deurposten van uw huis en aanuw poorten.’ Precies dat wordt gedaan:de teksten worden aan de deurpostenaangebracht, en het kokertje is daarvoorhet hulpmiddel. Het zorgt ervoor, dat detekst is aangebracht, en toch, want hetis een heilige tekst, veilig is opgeborgen.Op het kokertje staat vaak een hebreeuwswoord van drie letters: ‘Shaddai’ – eennaam, die in de Bijbel enkele malen voorGod wordt gebruikt. Het kan vertaaldworden met ‘de Machtige’, maar je kunthet ook lezen als afkorting voor driewoorden, die betekenen ‘Bewaker van deDeuren van Israël’.En is een huis joods, wanneer het mezoezasaan de deuren heeft? Uiteindelijk gaat hetom de inhoud, bij huizen en mensen netals bij mezoeza en gebedsriemen. De tekenenaan de kleding en aan de huizen zijnbelangrijk, want ze helpen erbij de gebodente houden en aan God te denken.Maar het joodse leven vindt daarbinnenplaats, vult het huis en vult de mensen.


Bibliotheek vanEfeze, een stad diePaulus op zijnzendingsreizenbezochtDe NewPerspectivebeneemtons eens envoorgoedde mogelijkheidlaatdunkendtedoen overhet Jodendomde maatregelen tegen de Joden die uiteindelijkuitliepen op de gruwelijkhedenvan de Shoah. Dit vooroordeel heeft zichdiep bij ons genesteld. Ik schrik somsals ik luister naar wat er door christenengezegd wordt over Joden en de joodsegodsdienst. Wat heeft het ons te zeggendat wij het woord Farizeeër kunnengebruiken als scheldwoord voor eenhypocriet? De New Perspective beneemtons eens en voorgoed de mogelijkheidlaatdunkend te doen over het Jodendom.(2.) Wat mij bevreemdt, is dat men Paulusnagenoeg compleet losmaakt uit hetgeheel van de bijbelse canon. Men gaatveelal voorbij aan het feit dat ook Jezusnog wel eens iets te zeggen had overIsraëls omgang met de wet. Denk aanMarkus 7. Denk aan wat er gebeurt inJohannes 19. Daar klinken de gruwelijkewoorden: wíj hebben een wet en volgensdie wet moet Hij sterven. Daar is de wetlosgemaakt van de goede God die zijngebod gegeven heeft. Daar is de wet eenmiddel geworden in handen van mensenom elkaar mee te bestoken. Daar staanmensen parmantig met Gods gebodin de hand zich God zelf van het lijf tehouden. Men beroept zich op de wet– terwijl het hart vreemd is aan de Godvan de wet. Dat is een gevaar van alletijden. Dat gevaar bedreigt ook ons.(3.) Dat brengt me bij m’n belangrijkstepunt van kritiek. Heeft men werkelijk oogvoor de radicaliteit en de diepte van watde apostel zijn lezers voorhoudt? Voorhet bevrijdende van het evangelie van deReformatie? En haalt men niet teveel uithet gegeven dat de joodse bronnen uitPaulus’ tijd ons niets te zien geven van eenomgaan met de wet om daarmee het heilte verdienen? Zou het ook nog eens zokunnen zijn dat de apostel weet hoe eenmens in elkaar steekt en daarom doorstooten zaken aan de orde stelt die letterlijkweliswaar niemand zo gezegd heeft,maar die onuitgesproken toch zeker aande orde warenen zijn! Als Miskottein 1932 het wezen van de joodse religiebespreekt in zijn proefschrift, noemt hijhet uiteindelijk een titanisch humanisme– een titanenonderneming dus vanmensen die het gaan doen. Hij zegt dat alshij de joodse religie bespreekt. Maar wemoeten niet vergeten dat hij die besprekinggeeft om het liberale protestantismete treffen! Daarom moeten we ons deogen laten openen voor wie wij zijn.Luther zegt ergens: Adam wordt lieverdoor werken gebouwd (Adam potius peropera aedificatur). Dat is precies het puntwaar het om gaat. In Joh.6:28 vraagt menaan Jezus: wat moeten wij doen opdat wijde werken Gods werken? In het antwoordbrengt Jezus hen bij het enkelvoud: ditis het werk Gods, dat gij gelooft in Hemdie Hij gezonden heeft. Dat is de omkeervan het evangelie. Het treft ons waar wijop ons best denken te zijn. En wijst onsradicaal naar Christus.Literatuur:J. van Bruggen, Paulus. Pionier voor de Messias van Israël, Kampen 2001J.D.G. Dunn, The New Perspective on Paul, revised edition, Grand Rapids 2008S. Westerholm, Perspectives Old and New on Paul. The Lutheran Paul and his critics, Grand Rapids 2004K. Stendahl, Paul among Jews and Gentiles, Philadelphia 1976E.P. Sanders, Paul and palestinian Judaism, Philadelphia 1977http://www.thepaulpage.com/12


willen, dan wat God van het vraagt. Riskinis desondanks trots en wel op de aankomendegeneratie, die volgens hem bereidis offers te brengen om zich te verwerentegen terrorisme en tegelijkertijd te strevennaar het ware Jeruzalem. En Riskin istrots op de profeten, die de val van zelfvoldaneleiders voorzeggen en aankondigendat Jeruzalem de stad der gerechtigheidzal worden genoemd (Jesaja 1:26).BijbelkwisDe spanningen en de innerlijke verdeeldheidvan de samenleving werdenvoorafgaande aan Onafhankelijkheidsdagduidelijk zichtbaar. De internationalebijbelkwis haalde dagelijks hetnieuws. Een Messiasbelijdend meisje uitJeruzalem had de eindronde van dezeinternationale happening bereikt en datriep onder brede lagen van de religieuzebevolking commotie op. Kon het zo zijndat een afvallige, een missionaris, eenchristen zomaar meedeed aan een joodsekwis over het meest joodse boek dat erbestaat? De onrust werd nog groter, toende hoofdrabbijnen een officieel verzoekdeden aan de organiserende minister vanOnderwijs om het meisje van deelnamete weren. De kwis was slechts voorjoodse deelnemers bedoeld. De ministerzag geen aanleiding met de rabbijnenin discussie te gaan en besloot dat hetmeisje als Israëlische mee mocht doen.Vervolgens riepen de hoofdrabbijnen optot een algehele boycot van de kwis. Dekwis ging desondanks door en wij kekennieuwsgierig naar de televisieuitzendingom te zien of er een opmerking zou wordengemaakt over de affaire. Geen woordwerd eraan besteed. Het betreffendemeisje beantwoordde haar eerste vraaggoed, maar sneuvelde in de eerste ronde.De kwestie had een gevoelige snaar inhet joodse bewustzijn geraakt. Iemanddie Jezus navolgt is niet langer een vanons, zo zegt het religieuze deel van debevolking. Een groot deel van het seculiereIsraël wil zich daar niets van aantrekken.Daarnaast maakte het gebeurenook duidelijk hoe groot de afstand istussen het grotere publiek en de religieuzeleiders van het land. Achteraf werdbekend dat enkele andere Israëlischedeelnemers aan hun plaatselijke rabbijnenhadden gevraagd of ze mee kondendoen aan de kwis en allemaal kregen zedaarvoor het fiat.IdentiteitIsraël is een hogedrukketel waarin in alte korte tijd al te veel moest gebeuren.Veel is goed gegaan, met veel dingen isnog geen begin gemaakt. Terwijl ik ditschrijf geven de media, zoals steeds,zeer tegengestelde berichten door. Vredemet zowel de Palestijnen als met Syriëzou binnen handbereik liggen. Tegelijkwordt de kans op een oorlog met Iranmet de dag groter. Israël bevindt zichvoortdurend op een kruispunt vanwegen en zal de komende jaren belangrijkebeslissingen moeten nemen, nietalleen wat betreft de politiek.Achter alle andere vragen blijft steedsdie ene vraag klinken: wat is onzeidentiteit? Wie zijn we, wat is onzeafkomst, wat onze bestemming, watwillen we? Antwoorden op deze vragengaan ver uiteen en dat maakt de Israëlischesamenleving kwestbaar en vaakonmachtig. De vraag naar identiteitverbindt echter wel de individuele burgersvan het land, religieus en seculier,joods, christelijk en islamitisch. Dat trofmij, toen ik de verhalen las van Shadiahen Sara, die allebei over hun gevoelensbij 60 jaar Israël schreven voor het blad‘Contact’ van de Bond van ChristelijkeSteedsblijft dieene vraagklinken:wat is onzeidentiteit?Kees JanRodenburg15


VredesduivenMijn geloof(in Jezus)daagt mij uitverdraagzaamtezijn…Gereformeerde Vrouwenverenigingen .Shadiah, een Palestijnse die opgroeide inNazareth, vertelt hoe ze op alle mogelijkemanieren heeft geprobeerd als Israëlischete worden aanvaard, maar daarin nietslaagde. Daarna ontdekte ze haar Palestijnseachtergrond: ‘Ik realiseerde mij datik deel uitmaak van een volk, waarvanik weinig afwist. Mijn ouders werden inPalestina geboren en zij waren nog heeljong toen de staat Israël werd opgerichten zij burgers werden van de nieuwestaat. Zij hebben er niet om gevraagden ze hebben het ook niet geweigerd.Hun huis veranderde nooit. Men gaf henechter een nieuwe identiteit: IsraëlischeArabieren.’ Daarnaast werd steedsbelangrijker voor haar dat ze ook christenis en hoe dat haar leven beinvloedt: ‘Inons geloof daagt Jezus onze diepstegevoelens uit.(...) Mijn geloof daagt mijuit verdraagzaam te zijn naar de 18-jarigesoldaten, die zoveel macht hebbengekregen, dat je ze het niet kwalijk kuntnemen. Ik verontschuldig hiermee niethun daden, maar zij weten niet beter. Zijbevinden zich in een systeem dat scheidingmaakt. Wat mij betreft helpt het mete weten waar zij vandaan komen om hente zien als gelijkwaardige mensen.’Sara, een immigrante uit Zweden, legtuit waarom Israël voor haar als orthodoxjoodse vrouw zo belangrijk is: ‘Er is eenstaat nodig waar zaterdag de rustdagis, waar de kippen in de supermarkt perdefinitie kosjer zijn (...) en waar een vrouwelijkegetrouwde rechter, onderwijzeres,joga-docente of een taxichauffeur zelfkan kiezen of ze haar haar wil bedekkenof niet. Waar de joodse traditie zwaarweegt bij de afwegingen van alle nodenin de staat. Israël heeft dit en nog veelmeer bereikt in 60 jaar.’ Ook haar verhaaleindigt met een handreiking, omdat zewil dat de joodse staat minderheden alschristenen en moslims gelijkwaardigbehandelt. Ze gelooft in de mogelijkheidvan een joodse democratie en zet er zichmet hart en ziel voor in.HoopvolDiscussies over het karakter van de joodsestaat zijn niet nieuw. Zoals ook discussiesover onze christelijke verbondenheidmet die staat niet nieuw zijn. Dat is nietverontrustend. De intensiteit van de discussieslaat zien dat het ergens om gaat endat mensen er echt bij betrokken zijn.Rabbijn Lopes Cardozo wijst naar hetstotteren van Mozes, om uit te leggen datde toekomstige leider op dat moment nogniet wist wie hij was. Met een roeping wisthij zich dan ook geen raad. Je moet jezelfkennen voor je je ergens voor kunt inzetten.De verhalen van zowel Shadiah alsSara stemmen me hoopvol, omdat beidevrouwen hebben ontdekt wie zij zijn,maar ook ruimte maken voor de ander.Alle reden om Israël te feliciteren metzulke burgers!ColofonCommissie van redactiedrs. C.J. van den Boogertds. A. Bronsds. H.D. RietveldEindredacteurdrs. C.J. van den BoogertGraspieper 88081 ZR Elburgtel.: (0525) 69 02 22e-mail: booge269@planet.nlInternetpaginaAdministratieadresLandelijk kerkelijk bureauvan de Chr. Geref. KerkenGhandistraat 23902 KD VeenendaalPostbus 3343900 AH Veenendaaltel. (0318) 58 23 50fax (0318) 58 23 51e-mail: lkb@cgk.nlPenningmeesterH. van Braaktel.: (0318) 51 54 27e-mail:penningmeester@kerkenisrael.nlGironummer 365271,t.n.v. penningmeesterdeputaten Kerk & Israël CGK teVeenendaalVoor legaten en schenkingenkunt u contact opnemen met depenningmeester; hij geeft ook gaarneinformatie over diverse aan te bevelenprojecten.www. kerkenisrael.nlPrins Willem-Alexanderpark 1333905 CD Veenendaal

More magazines by this user
Similar magazines