tJjdschrift voor zoogdierbescherming en ... - Zoogdierwinkel

zoogdierwinkel.nl
  • No tags were found...

tJjdschrift voor zoogdierbescherming en ... - Zoogdierwinkel

tJjdschrift voor zoogdierbescherming en zoogdierkunde


ISSN 0925-1006Zoogdier verschijnt vier keerper jaar en is een gezamenlijkeuÎtgave van de Vereniging voorZoogdierkunde en Zoogdierbeschermingen de NationaleCampagne Bescherming RoofdierenRedactieRiemkeBitter. Dirk Criel. KeesKapteYl1, Maurice L.a Haye. JaapMqlder1 Stijn Vanacker, KoenVan Den Berge, Johan Vand('.!,­wallet :Dennis Wansink;Vorm gfaVÎ I1gWalter Lentje.sM:edewerk~rsReipier Akkerman~~ Oloy~osl


ZOOGDIER 1997 8 (I) 3ELMUISGE Di\CIIT1.Maurke J-ahta)'~De Nederlandse ondersoort van de noordse woelmuiskomt alleen in ons land voor. Daarom is een goedebescherming belangrijk. In de Atlas van de Nederlandsezoogdieren werd voorzichtig geconstateerd dat de noordsewoelmuis achteruitgegaan is. In 1994 volgde opnamein de Rode Lijst van de bedreigde zoogdieren. Het lijkt erop dat het soortbeschermingsplan nu niet meer lang opzich zal laten wachten. Betekent dit nu ook dat we wetenhoe de soort er tegenwoordig voorstaat en wat zijn problemenzijn?De grenzen van het Nederlandse verspreidingsgebiedzijn in de loop vandeze eeuw nauwelijks veranderd. Welwordt aangenomen dat de noordsewoelmuis plaatselijk achteruit gegaan is.Krijgt de noordse woelmuis een soortbeschermingsplanop maat? Foto Instituut voor 80s- enNatuuronderzoekIn de Atlas verdeelt Ligtvoet (1992) hetverspreidingsgebied van de noordsewoelmuis (Microtus oecol1omus arenicola)in vier deelgebieden (figuur 1). In hetnoordoosten konlt de noordse woelnluisvoor in Friesland en Noordwest­Overijssel, in het noordwesten op Texel,in het westen in het Noordhollandse enZuidhollands-Utrechtse laagveengebieden in het zuidwesten in het Deltagebied.Oorzaken van achteruitgangVoor de achteruitgang van de noordsewoelmuis worden drie oorzakengenoemd: versnippering~ concurrentieen verslechtering van de habitatkwaliteit.De noordse woelmuis is gevoeligvoor versnippering van zijn leefgebieden.Dit is in het Deltagebied aangetoonddoor Van Apeldoorn et al. (1992)en Bergers et al. (1994) en in deNoordhollandse poldergebieden doorBierhuizen & Bergers (1995). Alsbelangrijkste oorzaken voor de Ut:>"'C


I, '.... •e.••De achteruitgang van de habitatkwaliteitin de leefgebieden van de noordsewoelmuis wordt vooral toegeschrevenaan veranderingen in de waterstanden,maar over de rol van beheer in het algemeenis nauwelijks kennis aanwezig. Inde zestiger jaren kwam de soort nogvoor in allerlei natte leefgebieden: rietvegetaties,oevervegetaties en natteschrale graslanden. Tegenwoordig wordtde soort nog bijna uitsluitend gevangenin rietvegetaties. Is dit zijn optimalehabitat en zijn andere habitats ongeschiktgeraakt? Is de soort hierheen verdrongendoor zijn concurrenten? Of kijkenwe bijna uitsluitend inri etvegetati es?4Figuur 1. Uurhokken met vangsten of vondsten vande noordse woelmuis in de periode 1946-1969 (naar:Ligtvoet, 1992)beconcurreerde soort zo sterk teruggedrongenwordt dat zijn overblijvendepopulaties niet meer duurzaam zijn. Eris ons echter geen enkele studie bekenddie dit laat zien voor de noordse woelmuis.Rode LijstDe gegevens in de Atlas vornlen het uitgangspuntvoor de Rode Lijst van debedreigde zoogdieren in Nederland(Lina & Van On1merîng 1994). Op basisvan een vergelijking van de verspreidÎngsbeeldenvan de periode 1946-1969(figuur 1) met de periode 1970-1988wordt de noordse woelmuis ais eenkwetsbare soort aangel11erkt (Hollander& Van der Reest 1994). De redenenhiervoor zijn dat de noordse woelmuisin minder dan een kwart van deNederlandse uurhokken voorkomt, datde verspreiding tot 25% is achteruitgegaanen dat de aantallen waarschijnlijkn1et 25-50% afgenomen zijn.Tabel 1. Afname in verspreiding van de noordse woelmuis tussen 1946-1969 en 1989-1996 1per deelgebied (eerste kolom) en per regio (tweede kolom). Alleen uurhokken waarin inbeide perioden gevangen is, zijn in deze vergelijking opgenomen.Deelgebîed regÎo afname (%}TexelDeltagebied 14eilandjes 0Schouwen-Duiveland 0Goeree-Overflakkee 0Walcheren en Zuid-Beveland 0Biesbosch 17Noord-Beveland 25ten Noorden van Haringvliet 50Noordhollandse en Zuidhollands-Utrechtse laagveengebied 33Noordhollandse poldergebieden 22Noordhollandse laagveenmoerassen 29Zuid hollands-Utrechtse laagveenmoerassen 60Friesland en Noordwest-Overijssel 44Merengebied Friesland 14Laagveenmoerassen Friesland 33IJsselmeerkust Friesland 75Laagveenmoerassen Overijssel 100Heel Nederland 24o


ZOOGDIER1997 8 (I)Na de publicatie van de Rode Lijst isde noordse woelmuis een beschermdediersoort geworden, en heel recentheeft de Tweede Kanler besloten datmeer aandacht nodig is voor het soortenbeleid.Daarom is voorgesteld omook voor de noordse woelmuis eensoortbeschermingsplan te maken.De hele reeks van Atlas, via RodeLijst, naar soortbeschermingsplan waste voorzien. De Atlas maakte duidelijkdat de recente verspreiding van denoordse woelnlllÎs slecht bekend was.Vooruitlopend op het soortbeschermingsplanzijn toen veel inventarisatiesuitgevoerd (Martens 1993, 1995; Van derVliet 1993; Bergers et al. 1994;Bierhuizen & Bergers 1995; ProvÎncieNoord-Holland 1996 en vele anderen).De verspreiding in de periode 1989-1996is hierdoor wel goed bekend (figuur 2).De uurhokken die in de periode 1946-1969 en de periode 1989-1996 met vallenbemonsterd zijn, verschillen echter inaantal en ligging. Door alleen naar deuurhokken te kijken waar in beideperioden ge"inventariseerd wordt duidelijkof de soort zÎch gehandhaafdheeft of is achteruitgegaan (tabel 1). Opdeze manier kan nagegaan worden of deindeling in de Rode Lijst correct was enkrijgen we inzicht in de bedreigingenvoor de noordse woelnluis.- Bezeto Onbezet;~~~~~CI1*':)- 0_o r ~Figuur 2. Uurhokken waarin gepoogd is noordsewoelmuizen te vangen in de periode 1989-1996.De verbossing van grote moerasgebieden is zeernadelig voor de noordse woelmuis. Foto HarryBussinkHet onvolledige verspreidingsbeeld in de Atlas heeftveel mensen met een valletje het riet ingestuurd. Wehebben nu een goed beeld van de verspreiding vande noordse woelmuis. Foto Harry Bussink,


ZOOGDIER1997 8 (I)ZorgwekkendUit tabel 1 blijkt dat de inschatting in deRode Lijst van de achteruitgang in deverspreiding goed was. Deze achteruitgangis 24% over heel Nederland. Denoordse woelnluÎs lijkt zich te handhavenop Texel en in verschillende regio'svan het Deltagebied. In de andere tweedeelgebieden is echter in alle regio's eenachteruitgang geconstateerd. Toch is hethier geschetste beeld waarschUnlijk nogte positief.Inlmers, de regio's waar negatieve effectenvan versnippering zijn aangetoond (devoormalige eilanden in het Deltagebied ende Noordhollandse poldergebieden) ofwaar concurrentie zou kunnen plaatsvinden(Texel) vertonen relatief geen of weinigachteruitgang. Dit beeld zou dus snelsterk kunnen veranderen.Ronduit zorgwekkend is de relatiefgrote achteruitgang in de regio's metlaagveennloerassen. De oorzaak vandeze achteruitgang is onbekend en devooruitzichten in deze gebieden lijkenslecht te zijn. De meeste laagveenmoerassenliggen namelijk binnen deEcologische Hoofdstructuur. Het beleidis hier op meer natuurlijke processengericht. Dit zal leiden tot meer moerasbosen minder rietmoeras. Bergers &Van Apeldoorn (1995) geven aan dat ditnadelig voor de noordse woelmuis zalzijn. Dit beleid komt dus nog eensboven op de toch al grote achteruitgangdie nu geconstateerd is.Tot slotDe landelijke achteruitgang lijkt overeente komen Blet wat in de Rode Lijstis aangegeven. Maar wij denken dat desoort sterker bedreigd is dan tot nu toeaangenomen werd. In de regio's waar desoort zich lijkt te handhaven is versnippering,en mogelijk concurrentie, aangetoond.Maar vooral de achteruitgang inde laagveenn10erassen, die tegen de verwachtingin het grootste is, laat zien datde bedreigingen nog niet goed genoegbekend zijn om er concrete beschermingsmaatregelenop te baseren.Daarom moet per regio nagegaan wordenwat het relatieve belang is van ver~snippering, concurrentie, habitatkwaliteiten eventuele interacties hiertussen.Het is onze overtuiging dat een soortbeschermingsplan,waarin rekening gehoudenwordt met de verschillen tussen deregio's, de beste garantie geeft voor hetvoortbestaan van de noordse woelnluisin Nederland. De noordse woehnuisheeft het nodig.---rfMet dank aan Harry Bussink, Rob vanApeldoorn en Willeke van den HoekLiteratuurApeldoorn, R van, H. Hollander, W.Nieuwenhuizen & F. van der Vliet, 1992.De noordse woelmuis in het deltagebied.Is er een relatie tussen habitatfragmentatieen concurrentie op de schaal van het landschap?Landschap 9 (3): 189-202.Bergers, PJ.M. & RC. van Apeldoorn, 1995.Gebiedsgericht en soortgericht beleid inmoerassen; de noordse woelmuis als toets.IBN-rapport 172. Instituut voor Bos- enNatuuronderzoek (IBN), Wageningen.Bergers, P.J.M., R.e. van Apeldoorn & H.Bussink, 1994. Spatial dynamics of fragmentedroot vole (Microfus oecono111us)populations: preliminary results. Pol. EcoLStud. 20: 101-105.Bierhuizen, B.R & PJ.M. Bergers, 1995. Denoordse woelmuis in het herinrichtingsgebiedpolder Zeevang, Noord-Holland.IBN-rapport 196. IBN, Wageningen.Hollander, H. & P. van der Reest, 1994. RodeLijst van bedreigde zoogdieren inNederland (basisdocument). VZZ~mededeling15. VZZ, UtrechtLigtvoet, W., 1985. De noordse woelmuis inde knel! De Levende Natuur 86 (1): 2-7.Ligtvoet, W., 1992. Noordse woelmuis,Microfus oeconomus (Pallas, 1776). In:Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar,e. Smeenk & J.B.M. Thissen (red.). Atlasvan de Nederlandse Zoogdieren. StichtingUitgeverij KNNV, Utrecht: 273-280.Ligtvoet, W. & A. van Wijngaarden, 1994.The colonization of the island of Noord­BevelaJld (the Netherlands) by the commonvole Microlus GI'Valis, and its consequencesfor the root vole, Micro lusoeconol11Us. Lutra 37 (1): 1-28.Lina, P.H.C. & G. van Ommering, 1994.Rode Lijst van bedreigde en kwetsbarezoogdieren in Nederland. Rapport IKCnatuurbeheer 11f. 12, Wageningen.Martens, V., 1993. De noordse woelmuis,Microlus oeconomus, rond het Haringvlieten in de Biesboseh. Stichting Natuur- enVogelwacht Dordrecht.Martens, V, 1995. De noordse woelmuis,MicroflIs oeCOl1omus, de waterspitsmuis,Ne 0 mys fodiens, en de dwergmuîs,Micromys minulus, in moerasgebieden inFriesland. VZZ-mededeling 25. VZZ,Utrecht.Provincie Noord-Holland, 1996. Flora enfauna van Texel. De huidige situatie en deontwikkelingen sinds 1985 in de polders enop het oude land. Dienst Ruimte enGroen, Haarlem.Vliet, F. van der, 1993. De noordse woelmuisin Waterland en de Zaanstreek. Een inventarisatieten behoeve van beleid en beheer.VZZ-mededeling 10. VZZ, Utrecht.6


ZOOGDIER 1997 8 (I) 7JEen egel kOlnt bijna iedereen wel eens tegen, tijdens eenavondwandeling of een avondje in de tuin. Heel somskOln je dan ook een moeder-egel tegen met haar rondscharrelendejongen. Nesten met pasgeboren egels wordennog veel minder vaak ontdekt. Vorig jaar is aan egelopvangcentraen particulieren verzocht om dit soort n1inoflneer zeldzan1e waarnemingen aan de VZZ te melden.De gegevens van dit eerste jaar leveren al een aardigbeeld op van de voortplanting bij egels in Nederland.Als egels geboren worden hebben ze geen stekels,maar vlak onder de huid liggen al ongeveer 100 wittestekels die binnen een 24 uur naar buiten komen.Foto Niels /(ooymanOp 11100ie zomeravonden word je somsODI:;eSChI'lKt door een agressief klinkendgesnuif, geblaas en gesis uit de tuin.Deze geluiden horen bij de hofmalcerîjvan de Erinaceus europaeus, die kanplaatsvinden van mei tot september. Dedieren hebben geen territorium, vorlnengeen vaste paren en mannelijkeegels in de paartijd grote afstandenaf, enkele kilOIneters per nacht, opzoek naar vrouwtjes (Kristiansson 1984;Morris 1988; Reeve 1981, 1982, 1986).Nadat eeneen vruchtbaarvrouwtjeheeft benadert hijhaar, waarbij hij omcirkelende bewegingenmaakt. Het vrouwtje reageert daarmeestal op door weg te rennen, lnaar opeen gegeven mOlnent staat zij stil en111aakt korte blaasgeluiden naar hetmannetje. Ook kan ze de stekels op haarvoorhoofd oprichten en charges uitvoe-


ZOOGDIER1997 8 (I)8ren richting het mannetje. Deze luidruchtigetaferelen kunnen urenlangdoorgaan en hoeven lang niet altijd ineen daadwerkelijke paring te resulteren(Reeve 1994). Na een paring gaan dedieren ieder weer hun eigen weg: egelszijn immers solitair, ze leven alleen. Naeen draagtijd van ongeveer 35 dagenworden de jongen geboren.Vorig jaar is aan egelopvangcentra enparticulieren gevraagd om, na de ontdekkingvan een egel(nest) met jongen,het aantal jongen, de leeftijdscategorieen de vind datum en -plaats door tegeven aan de Vereniging voorZoogdierkunde en Zoogdierbescherlning(VZZ). Bij het verzamelen vandeze gegevens stond voorop dat de dierenna de ontdekking niet verder mochtenworden gestoord. Bij egelopvangcentraworden echter toch af en toevolledige nesten gebracht. Soms gaathet daarbij om een verstoord nest waarbijde moeder de jongen heeft verlaten.Ook komen situaties voor waarbij demoeder dood is. De jongen worden danvaak grootgebracht in het opvangcentrum,waarbij het mogelijk is Oln hetgeslacht te bepalen, voordat de dierenweer worden uitgezet.Drie groepenBij het onderzoek aan jonge wordendrie leeftijdscategorieën onderscheiden,die in het veld eenvoudig teherkennen zijn. In de categorie 'zeerjonge egels in het nest' zijn de jongennog blind, hebben een roze lichaam enwitte stekels. De dieren zijn dan minderdan twee weken oud. In de categorie'jonge egels in het nest' hebben de jon-Figuur 1. Het gemiddeld aantal jongen per nest perleeftijdscategorie (zie tekst). N = aantal nesten waaroverhet gemiddelde berekend is.5c: N=24Q)0}c:04[ïlc:3[ïlro"02Q)""0""0E 1CDCl0N=252 3Leeftijdscategoriegen de ogen open, het lichaam is donkergekleurd en bedekt nlet meest bruincrèmestekels. De dieren zijn dan tenminsteongeveer twee weken oud. Bij dederde groep tenslotte, de 'jonge egelsmet tnoeder buiten het nest', lopen dejongen samen met hun moeder buitenen verblijven ze niet meer voortdurendin het nest. Er is dus een gedeeltelijkeoverlap van categorie 2 en 3. Jonge egelskOlnen vanaf een leeftijd van drie totvier weken buiten het nest. Op een leeftijdvan ongeveer zes weken zijn ze zelfstandigen gaan ze hun eigen weg.AddertjesTot nu toe kwamen 56 waarnemingenbinnen waarbij de leeftijdscategorie enhet aantal jongen was vermeld. Delneeste waarnemingen vielen in categorie1 en 2. Er was weinig verschil tussende drie categorieën in gelniddeld aantaljongen per nest (figuur 1). Als er veelsterfte is onder de jongen zou je verwachtendat het gemiddeld aantal jongenafneemt naarmate ze ouder worden,dus van categorie 1 naar 3. Daar is nogniet veel van te merken bij deze waarnemingen,want het aantal waarnenlingenin categorie 3 is zo laag (7), dat hetgeen betrouwbaar gemiddelde oplevert.Toch is er veel overeenkomst met eenvergelijkbaar onderzoek in Groot­Brittannië (Morris 1977). Daar werdenin de categorieën 1, 2 en 3 achtereenvolgensgemiddeld 4.37, 3.71 en 3.72 jongeegels aangetroffen. De voorlopige conclusÎeis dus dat gemiddeld ongeveervier jongen krijgen (net als inGroot-Brittannië), en nlogelijk bedraagtde sterfte na de eerste twee nestfasenongeveer 10 % (in Groot-Brittannië 15%).Bij deze laatste berekening zitten echterwat addertjes onder het gras. Nestendie in hun geheel verloren gaan, wordenniet meegenonlen in categorie 3: hierdoorwordt het sterftepercentage te laaggeschat. Ook kan in de derde categorieeen deel van de jongen de rest van hetnest al verlaten hebben: hierdoor wordtde sterfte te hoog geschat.GeslachtsverhoudingBij ontmoetingen met in het veld,of bij egelvangsten, worden altijd veell11eer mannetjes dan vrouwtjes vastgesteld.Ook in egel opvangcentra zijn deegels die binnenkomen veel vaker vanhet mannelijk dan van het vrouwelijkgeslacht. Maar is het ook zo dat er echtnleer lnannelijke dan vrouwelijke indivi-


duen zijn? On1dat van de nesten die inegelopvangcentra terechtkwalnen ookvaak het geslacht van de jonge dierenbepaald werd, konden we de geslachtsverhoudingbij (of althans kort na) degeboorte berekenen. Het ging om 38volledige nesten ll1et een totaal van 159jonge egels. In deze steekproef waren er74 van het mannelijk en 85 van het vrouwelijkgeslacht, dus juist lneer vrouwtjes!In de hele populatie zal degeslachtsverhouding bij de geboortewaarschijnlijk ongeveer 1 : 1 bedragen.Hoe kan het dan dat je toch veel meermannelijke dan vrouwelijke egels tegenkon1t?Dat heeft hoogstwaarschijnlijk ten1aken met het dat mannetjes veelactiever zijn gedurende de ZOlnermaanden(paartijd) dan vrouwtjes (Reeve1994). Daardoor lopen de mannetjes een ~c(I)Jonge, zelfstandige egel, zeven weken oud. FotoMarcel HuijserFiguur 2. Geboortedatum vang~--------------------------~87UiQ) 6cQ)"tJ 5Q)E(!) 4Olgrotere kans een mens of een val tegen ~te kOlnen. « 23Z-rÎvÎerenZuid-LimburgZ-riviarenoverigN-rivierenin 61 nesten.Geboorte-tij dstipVan een deel van de nesten was bekendin welke week de egeljongen geborenwaren (figuur 2). De mediaan (het puntwaar de helft van de waarnemingen~~:o ~~~~~--~~/~. ~~~~~~21 22 n ~4 25 20 27 28 29 30 31 32 a3 :"4 35 311 37 38 39Weeknum mar geboorten


ZOOGDIER1997 8 (I)onder, en de andere helft boven ligt)valt in week 34, de tweede helft vanaugustus. Er is echter sprake van eengrote spreiding: de eerste jongen wordenal eind mei (week 21) geboren, terwijlook eind septen1ber (week 39) nognesten met jonge egels gevonden worden.Opvallend is de mogelijke aanwezigheidvan een geografische gradiënt:meldingen van 'vroege' nesten (week21-26, eind mei tot eind juni) kwamenalle van beneden de grote rivieren. Demeeste vondsten uit deze groep werdenin Zuid-Limburg gedaan. 'Late' nesten(week 29 en verder, vanaf half juli) kwamen,op een enkele uitzondering na,alle van boven de grote rivieren. Hoewelhet aantal waarnemingen nog beperktis, lijkt het bestaan van een noord-zuidgradiënt niet onaannemelijk: het voorjaarstart in Zuid-Limburg enkele wekeneerder dan in N oord-Nederland. Ditbetekent niet alleen dat egels in het zuideneerder uit hun winterslaap ontwaken,en dus lninder afvallen, maar ookdat ze eerder kunnen beginnen met hetaanvullen van hun energiereserves. Ookde paartijd zou daardoor eerder kunnenstarten. Het relatief kleine verschil inkliInaat zou dus verantwoordelijk kunnenzijn voor het feit dat egels in hetzuiden van Nederland duidelijk eerdergeboren lijken te worden dan in de restvan het land.Internationaal projectHet onderzoek naar (nesten van) jongeegels maakt deel uit van een lopendinternationaal project van de EuropeanHedgehog Research Group (EHRG).Binnen het verspreidingsgebied van dewestelijke egel, dat zich uitstrekt vanScandinavië tot Zuid-Spanje en vanIerland tot West-Rusland en deBalkanlanden (Reeve 1994), worden opeen gestandaardiseerde manier gegevensverzameld. De VZZ richt zich hierbijvooral op Nederland, België,Luxemburg en Frankrijk, nlaar waarnemingenuit andere landen zijn ook zeerwelkom. De verwachting is dat we relatieskunnen aantonen tussen het aantaljongen per nest, geboortedatunl en klinlaatvariabelen.Iedereen die toevalligeen nest nlet jonge egels ontdekt of eenlnoeder-egel In et jongen ziet, waar ookin Europa, kan aan het onderzoek lneedoen.De gegevens die moeten wordengenoteerd zijn: 1. aantal jongen; 2. leeftijdscategorie;3. vinddatunl; en 4. vindplaats.Hierbij staat voorop dat u de dierenna toevallige ontdekking niet verderverstoort, anders zou de moeder de jongenmoeten verhuizen, verlaten ofdoden. Ook als u slechts een deel van degevraagde gegevens heeft kunnen noterenkan uw waarneming bruikbaar zijn.Bij het kantoor van de VZZ (adres zieonder) kunt u een gratis lneldformulieraanvragen. Egelopvangcentra die volledigenesten met jonge egels binnenkrijgenwordt verzocht om de leeftijd vande dieren bij binnenkomst zo nauwkeurigmogelijk te schatten. Hiervoor is bijde VZZ een gratis tabel beschikbaar.Het geslacht van de dieren kan het bestebepaald worden als de dieren al enkeleweken oud zijn.-1'1DankZonder de bereidwillige medewerkingvan egelopvangcentra en particulieren isdit onderzoek niet mogelijk. DeVereniging voor Zoogdierkunde enZoogdierbescherming en de EuropeanHedgehog Research Group bedankende inzenders en hopen dat ook in detoekOlnst meldingen van (nesten van)jonge egels zullen worden doorgegeven.LiteratuurKristiansson, H. 1984. Ecology of a hedgehog(ErÎl1aceus europaeus) population in southernSweden. Thesis, Univ. Lund,Sweden.Morris, P. 1977. Pre-weaning mortality in thehedgehog (Erinaceus eu ropaeus). J. ZooLLondon 182:162-164.Morris, P.A. 1988. A study of home rangeand movements in the hedgehog(ErÎl1aceus europaeus). 1. Zool. London214:433-449.Reeve, N.J. 198L A field study of the hedgehog(Erjnaceus europaeus) with particularreference to 1110vements and behaviour.Thesis, Univ. London.Reeve, N.l. 1982. The home range ofthe hedgehogas revealed by a radio trackingstudy. Symp. ZooL Soc. Lond. 49: 207-230.Reeve, N.1. 1986. Mating strategy in the hedgehog(Erinaceus europaeus). 1. ZooLLondon 210: 613-614.N. 1994. Hedgehogs. Poyser, London.10


ZOOGDmR1997 8 (I)Drank en idealismeBegin 1993 werden de plannen getekend,een bouwvergunning aangevraagd,subsidies bij de StichtingLeefmilieu aangevraagd en verkregenen l11aterialen aangekocht. De belangrijkstebenodigdheden waren een grotehoeveelheid bakstenen, cement, eenberg aarde, wat drank om de dorstigente laven en vooral een flinke dosisidealisme. De uitvoerders van het werkwaren een tiental actieve leden van deplaatselijke natuurvereniging deGaspeldoorn. In de lokale pers genoothet unieke project grote belangstelling.Begin augustus 1993 werd met debouw begonnen. Het bouwwerk zoubestaan uit een overwelfde gang vanvier meter lang en daarop aansluitendeen ronde kanler met een doorsnedevan drie lneter. De moeilijkste klus zouongetwijfeld de bakstenen koepel en deoverwelving van de gang worden. Dekelder zou 2 tot 2,5 meter hoog worden.Na het gieten van de funderingen werdende eerste vijf baksteen lagen gelegddoor een professionele metselaar.Daarna hadden we gezien hoe hetmoest. De rest werd dan ook gebouwddoor mensen zonder enige metsel-ervaring,inclusief het moeilijke koepelwerk.ProbleemloosHet metselen van de koepel gebeurdeals volgt. Nadat de buitenomtrek van deijskelder tot op een hoogte van ongeveer1,20 meter was opgebouwd, werd deronde kamer volledig opgevuld metaarde. Deze aarde werd gehaald uit eenanlfibieënpoel die tegelijkertijd gegravenwerd. De aarde werd goed aangestampten kreeg de bolle vorm van dekoepel. Daarna werden de bakstenen ereen voor een op geplaatst en werd dekoepel gemetseld. Nadat het geheel eenpaar dagen gedroogd had, werd de aardeer probleemloos onderuit gehaald. Zijwerd later gebruikt voor de deklaagboven op de ijskelder.Om de overwelving van de gang temaken werd niet met aarde gewerkt,maar met een ondersteuning van plasticgolfplaten. Eind september 1993 was hetmetselwerk af. De constructie kon nudrogen. Enkele weken later werd albegonnen met het bedekken met aarde.Dit kon echter niet voltooid wordenvoor de winter. De definitieve afwerkinggebeurde pas in de zomer van 1994. Deijskelder werd bedekt nlet een halvemeter dikke laag aarde. Er werden eenbuiten- en een binnendeur geplaatst,beiden uiteraard voorzien van eenÎnvliegopening. Onderaan de deur werdook een kleine toegang voor amfibieëngemaakt. In de ijskelder werden velespleten en voegen uitgekapt Oln de toekomstigegasten voldoende schuilgelegenheidte geven.Vocht en rustTijdens de winter van 1994-95 kondenwe een eerste evaluatie maken. Tot onzevoldoening konden we vaststellen datde temperatuur er zeer goed was en devochtigheid hoog, er hingen waterdruppelsaan de muren. Ook de rust was perfect,want de eigenaar en bouwheer, deheer Bernard Verplancke, komt nooit inde kelder. Het vertrouwen was dan ookgroot dat binnen enkele jaren al de eerstevleermuizen hun weg naar de ijskelderzouden vinden.Tijdens de daaropvolgende winter(1995-96) deden we een routinecontrolevan de kelder. Groot was de verbazing(en de vreugde) toen we reeds tweeoverwinterende vleermuizen aantroffen.Het betrof twee exenlplaren van degewone grootoorvleernluis Plecotusauritus. Al na de tweede winter dat hetobject 'vleermuisklaar' was, hadden dediertjes de weg gevonden!In de winter van 1996-97 deden ze ernog een schepje bovenop: drie grootoorvleermuizenbrachten er veilig de winterdoor. We hebben dus kunnen vaststellendat grootoorvleermuizen de eerstepioniers van deze nieuwe plaats waren.Intussen blijven we hoopvol wachten opde komst van andere soorten. In deomgeving overwinteren in elk geval nogbaardvleermuis Myotis mysta cin us,Brandts vleermuis Myotis bl'andtii,watervleermuis Myotis daubenfonii enfranjestaart Myotis nattereri. Gezien degoede klimatologische omstandighedenin de ijskelder, de aanwezigheid vanveel spleten en de nabijheid van eengoed zomerbiotoop, rekenen we in detoekomst zeker op een tiental vleennuizendie hier hun intrek nemen. -1'f12


ZOOGDmR 8 (I) 13Een koude januaridag op de Oosterkwelder. Ik ben hetenige menselijke wezen in de wijde omtrek. Op mijnknieën kruip ik door het stijfbevroren gras met in mijngehandschoende rechterhand de eetlepel. In mijn eveneensgehandschoende linkerhand houd ik mijn boterhamzakjeen een touwtje van 89 centin1eter (hier is overnagedacht) lnet aan het uiteinde een lusje. Ik leg het lusjeom lnarkeringspaaltje nummer 68 en trek met het touwtjeeen cirkel Oln het paaltje. Elke keutel die ik binnendeze cirkel zie, wip ik lnet de eetlepel in n1ijn boterhalnzakje.Als ik de hele cirkel rond het paaltje leeggeraaptheb, schrijf ik het aantal in lnijn notitieboekje. Ik probeerte bedenken wat ik zou zeggen als ielnand n1ij zo zag enlnet lichte spot in de stem zou vragen waar ik mee bezigwas. Eén keer vroeg een eenzame wandelaar het n1e werkelijk.Tot mijn verbazing reageerde hij met een welge­Ineend "Wat leuk!".De grootste wilde herbivoren van Schiermonnikoogzijn brandganzen en hazen. Foto Uwe Krüger


ZOOGDmR1997 8 (I)Ik werk aan hazen op de kwelder vanSchiermonnikoog. Eerst nog als doctoraalstudent,maar inmiddels is het n1ijneerste 'klus' als bioloog. Vanuit deRijksuniversiteit Groningen wordt aljaren onderzoek verricht aan het geheelvan planten en dieren op de kwelder.Het lTIeeste onderzoek wordt gedaan opde Oosterkwelder, waar de invloed vande mens het laagst is. Het onderzoeksgebiedmeet 500 hectare en wordt in hetnoorden begrensd door een duinenrij ende Noordzee, in het zuiden door deWaddenzee. In het oosten groeit heteiland nog, wat terug te vinden is in deaard van de vegetatie. Zo zijn in het oostenplanten te vinden die typerend zijnvoor een jonge kwelder met weinig nutriëntenin de bodetTI en in het westenwordt de kwelder begroeid door vooralstrandkweek. Tussen het onderzoeksgebieden de bewoonde wereld in het westenbevindt zich vijf kilometer kwelder.De grootste grazers in het gebied zijn deganzen, konijnen en hazen. DeLandbouw Universiteit Wageningen isgeïnteresseerd in begrazing en sanlenmet de Groningse universiteit wordt nuonderzocht welke rol de hazen in hetkwelderecosysteem spelen.Haas en konijnHazen zijn van konijnen te onderscheidendoor hun veel grotere lichaamsbouwenhun grote brede oren die eenzwarte punt hebben met daaronder eenwitte vlek. Ook zie je, als ze wegrennen,de zwart-witte bovenkant van de staart.Bij konijnen zie je een witte staart, dat isde onderkant. Hazen hebben langereachterpoten dan konijnen. Ze leven nietin holen, maar gebruiken 'legers'; ditzijn rustplekken op de grond, waarbij zede vegetatie als windschenn gebruiken.Dit beschermt hen echter niet tegen deregen, Mannetjes- en vrouwtjeshazenzijn uiterlijk niet van elkaar te onderscheiden.Alleen in de voortplantingstijdis op basis van gedrag wel enigonderscheid mogelijk. Pas als je eenhaas in handen hebt en je drukt degeslachtsopening open, zie je een penisof clitoris te voorschijn komen.Moederhazen lijken hun jongen enigszinsaan hun lot over te laten. De jongenliggen ergens in de vegetatie verstopten de moeder komt ze alleen rondzonsondergang enkele minuten opzoekenOITI te zogen. Het kOlTIt dus nogaleens voor dat mensen een jong haasjevinden en denken dat het een weesje isen het dus lTIaaf mee naar huis nemen.Zolang het tegendeel niet bewezen is,kun je een dergelijk haasje beter maarmet rust laten.Einde van de jachtDe hazen die nu op Schiernlonnikoogleven, zijn afkomstig van zendingenDuitse dieren, waarvan de eerste in 1896op het eiland arriveerde. Ze werden aan*gevoerd omdat de Duitse eigenaar vanhet eiland wel iets méér wilde om op teschieten dan alleen konijnen. De hazenMbleken het goed te doen. Tot in de winter van 1994-1995 werd op het heleeiland op de dieren gejaagd. Zo werdener jaarlijks alleen al in het onderzoeksgebiedtot tweehonderd dieren geschoten.Nu wordt er niet meer gejaagd opdat deel van het eiland dat NationaalPark is en waaronder de Oosterkweldervalt. Najaar 1995 werden er tijdens een'drijftelling' driehonderd op deOosterkwelder geteld. Na één winterzonder jacht werden er in november1996 in hetzelfde gebied al zeshonderdgeteld.WintervoedselEén van de vragen is wat er zonder jachtmet de hazenpopulatie gebeurt en watdan bepaalt hoeveel hazen er leven.Hoeveel hazen zouden er eigenlijk kiInnenleven? In de winter groeien de plantenniet en gaan ze voor een groot deeldood, zodat dan het voedselaanbod hetlaagst is. Als je wilt weten hoeveel dierener maxinlaal kunnen leven, is deze'bottleneck' de beste periode om dat teonderzoeken.Samen met nledestudent RobertKeizer vestigde ik nle in de winter van1995-1996 op veldstation 'de Herdershut'. Er lag een flink pak sneeuw op heteiland, de Waddenzee was één grote ijsmassaen door de harde oostenwind wasde gevoelstemperatuur bijna dertig gradenonder nul. De waterleiding wascontinu bevroren en een groot deel vande tijd werd besteed aan overleven. 'Enpassant' probeerden we te zien hoe buitende hazen met hun overlevingsstrijdbezig waren. Onderweg naar onze hazenwerden we achterna gezeten door hordenhongerige fazanten die er met onzelunchpakketten vandoor gingen. Wekregen voor het eerst hazen van ergdichtbij te zien. SOlnlnigen verlietennamelijk pas hun leger als je er zo ongeveerbovenop stond. Het is nle in deloop van mijn tijd op Schiernlonnikoogoverigens opgevallen dat mannen daaropsteevast reageren met "Die kun je zo14


pakken!". Maar ik heb het hen nooitzien doen ......We begonnen nlet het bestuderen vanhazensporen in de verse sneeuw, zodatwe een idee kregen welke planten zeaten. Verse keutels nal1len we mee enonder de microscoop onderzochten wewelke planten resten er nog in te herkennenwaren. Zo konden we het gegetenvoedsel vrij nauwkeurig vaststeIJen (zietabel 1).EnergieUit tabel 1 valt af te leiden dat zoutmelde,biestarwegras en rood zwenkgrasfavoriet zijn in de winter. Rood zwenkgrasen biestarwegras bestonden toenechter voor minder dan 15 % uit levendmateriaal. De levende sprietjes warenook nog eens zodanig verweven in dedode nlassa, dat het voor een dier ergmoeilijk nl0est zijn deze er uit te eten.De samenstelling van de voedselplantenis geanalyseerd, zodat uitgerekend konworden hoeveel ze aan energie (kilo­Joules) per granl opleverden. Ervan uitgaandedat een haas ongeveer 1400kilojoules per dag nodig heeft, kan vervolgensper plant berekend worden hoeveeleen haas ervan nodig heeft (tabel2).Een moederhaas brengt slechts enkele minuten perdag met haar kroost door. Ten onrechte wordenjonge haasjes door de mens als wees beschouwd enmeegenomen. Foto Uwe KrügerHet is bekend dat een haas per daggenliddeld 200 gram droge stof eet (vanLaar 1995). Maximaal, dat wil zeggen alsze enkele dagen niet gegeten hebben,kunnen ze per dag 360 gram opnemen(Pehrson 1983). Het is echter nietbekend wat een dergelijke hoge voedselopnamevoor gevolgen heeft. Het zoubijvoorbeeld ten koste kunnen gaan vanander belangrijk gedrag, zoals hetTabel 1: Het voedsel van hazen op de kwelderin de winterSoortZoutmeldeBiestarwegrasRood zwenkgrasFioringrasStrandkweekKweldergrasOverige grassenOverigAandeel (in %)2022191282710


ZOOGDIER1997 8 (I)onderhoud van de vacht. In dat geval ishet ongunstig on1 gedurende lange tijdvoedsel van een dermate slechte kwaliteitte eten, dat er ruÎln 300 granl perdag van nodig is. Zo valt uit de gegevensvan tabel 2 af te leiden dat zoutmelde deenige plant is die niet alleen van voldoendekwaliteit is, nlaar die ook goedselecteerbaar is. Daarom werd er vanuitgegaan dat zoutmelde voor hazen inde winter de belangrijkste voedselplantis.Hoewel de voedselsituatie voor dehazen er 1110eilijk uitzag, vonden wenauwelijks dode dieren. Pas in het voorjaarleken ze 'bij bosjes' dood te gaan endan nog alleen langs de weg van de bootnaar het dorp: verkeersslachtoffers, vervan het onderzoeksgebied. De meestverse exemplaren werden overigens, naeen marinade, met smaak in het veldstationopgegeten.Gedrag in het vOOljaarIn de loop van het voorjaar zagen we datde hazen in steeds grotere groepenbegonnen te foerageren. We hebben totdertig hazen geteld op enkele hectarenweiland rondom het veldstation.Groepsfoerageren heeft als voordeel datelk dier minder tijd hoeft te bestedenaan opletten of er gevaar is. Er kan danmeer tijd worden besteed aan andergedrag. Het hoogtepunt van de voortplantingstijdwerd gekennlerkt door devele gevechten. Meestal bleef het bijschijngevechten, dat bij hazen 'boksen'heet. Eénmaal echter zagen we eengroep van vijftien tot twintig hazen, dieer stevig op los knokten. Van eenafstand zag het eruit alsof ze met eenkussengevecht bezig waren: de haren enook de staarten (die vonden we een daglater) vlogen in het rond. Het waaromvan een dergelijke veldslag is nog nietopgehelderd.Plot jesIn nlaart begonnen we met het systematischtellen van hazenkeutels op vasteplekken. We hadden de kweldervegetatieingedeeld in een aantal typen, wat indat seizoen en nlet onze plantenkennisniet bepaald meeviel. In elk type zettenwe een aantal markeringsbuisjes: ditwerden onze 'keutelplotjes'. Binnen eenstraal van 89 centimeter (de cirkel heeftdan een oppervlak van 2,5 m 2 ) zoudenwij hier de komende ll1aanden allehazenkeutels tellen. We konden danzien hoe de dieren in de loop van hetseizoen hun voorkeur voor de diversevegetatietypen zouden vaneren.Uitgaande van de wetenschap dat eenhaas het ongelofelijke aantal van 375keutels per dag produceert, konden weook berekenen hoeveel hazen er waren:650. De keutels werden meegenon1enen na bewerking met onze keukenblenderop alcohol bewaard en onder demicroscoop geanalyseerd. In de loopvan het voorjaar zagen we zo een heelscala aan voedselplanten de revue passeren:nluurpeper, strandkweek, roodzwenkgras, kweldergras, zilte rus enzeeweegbree. Wij begonnen de kweldersteeds Ineef te zien vanuit het perspectiefvan onze hazen en in mei-juniwaren we het met hen eens: de kwelderwas veranderd in één grote salade. Onzeplantenkennis breidde zich uit en wijtrokken het veld in onl de voedselplantente gaan plukken en in het laboratoriunlhun kwaliteit te bepaLen. Het leekerop dat er een soort basisvoedselpakketwas dat tijdelijk onderbroken werd onlde hazenbuik rond te eten aan de kwalitatiefhoogwaardige jonge topjes van de16Tabel 2: Energie-inhoud (metaboliseerbare energie), benodigde opname en selekteerbaarheidvan de belangrijkste voedselplantenSoort Energie-inhoud Benodigde opname Selekteerbaar?(in kj per gram) (in gram/dag}Zoutmelde 7.6 184 jaBiestarwegraslevend 7.6 184 needood 4.1 340 jaRood zwenkgraslevend 8.9 157 needood 4.4 317 ja


Om inzicht te krijgen in het terreingebruik en hetdieet van de haas werden op vaste plekken keutelsgeteld en meegenomen voor analyse. Foto Johanvan de KoppelHoeveel hazen er op Schiermonnikoog kunnenleven, is nog niet duidelijk. Maar het zijn er zeker'veel'. Foto Uwe Krüger


Hazen leven niet in holen. Het warmteverlies is hetlaagst als een dier zoveel mogelijk ineengedokenligt. Foto Uwe Krügerplantensoort die op dat nlOlnent uitbegon te lopen. De verschillende plantensoortendoen dat nalnelijk niet tegelijkertijd,maar na elkaar.2600 hazen??Om te weten hoevéél voedsel er aanwezigwas, gingen we met markeringsvlaggetjesen oplaadbare handgrasn1aaiertjesde kwelder op. We namen systematischn10nsters van de belangrijkste voedselplanten.Gelukkig waren er ook toenniet zoveel wandelaars die ons vroegenwaar we mee bezig waren, want naenkele honderden keren een stukjeSchiernlonnikoog van 10 bij 10 centimeterkaal genlaaid te hebben, wisten wijdat zelf ook nauwelijks meer. We hebbenvia allerlei omwegen het aantalkilojoules uitgerekend dat volgens onsop de kwelder stond. Dat waren er ergveel. Gedeeld door het aantal kilojoulesdat een haas nodig heeft~ kwanlen we op2600 hazen in de winterperiode. Zoveelzouden er dus kunnen leven op basisvan de hoeveelheid voedsel. Een ongelofelijkaantal voor een gebied van 500hectare en onze schatting nl0etbeschouwd worden als een orde vangrootte, en niet al te letterlijk genomenworden. Wat niet zeker is, is of dehazenpopulatie op Schiernlonnikoognog groeit of dat deze al aan de limietzit. Als in een gebied ongeveer één haasper hectare leeft, mag dit een geschikthazengebied genoenld worden. Datvoedsel niet de beperkende factor wasvoor de hazen op Schiernlonnikoog,was d us wel duidelijk.Beperkende factorWelke factor dan wèl het aantal hazenop Schiennonllikoog bepaalt, valt nloeilijkte zeggen. Zoals gezegd wordt erniet meer gejaagd. De aanwezige roofdierenzijn de velwilderde kat en roofvogelsals buizerd en kiekendief. Het isechter lnaar de vraag of een kat eengezonde volwassen haas kan doden enroofvogels kunnen dat al heleinaal niet.Eventueel zouden ze jonge dieren kunnenpakken, maar deze weten zichmeestal wel goed te verbergen.


ZOOGDIER1997 8 (I)19Waarschijnlijk komen de roofdieren nÎetin voldoende aantallen voor dat ze eenoverwegende invloed op de populatiehebben.Uniek aan het kweldergebied is dathet enkele lnalen per jaar helemaaloverstroomd wordt bij extreem hoogwater. Het leefgebied van de hazenwordt dan van enkele honderden hecta~ren verkleind tot enkele tientallen. Dehazen vluchten dan weliswaar naar deduinen, maar de jachtopzichter vond nadergelijke incidenten wel eens enkeletientallen verdronken hazen. In dezeven lnaanden dat we opSchiermonnikoog hebben gewerkt, hebbenwij iets dergelijks echter nooit waar~genomen. Wel zag ik één keer hoe bijopkomend water een haas zich in zijnleger bleef 'drukken', terwijl er al zo'nvijf centimeter water in stond. Het zieter naar uit dat ook verdrinking nietbepalend is voor de populatiegrootte.was inmiddels voorzien van een halsbandzender.Meer hierover is te lezen ineen volgende aflevering van Zoogdier.--rlLîteratuur:Laar, H, van (1995). De verteringsstrategievan konijnen (OJyctolagus cun;culus CL)) envan de Europese haas (Lepus europaeus(Pallas)). Doctoraalverslag vakroep TON,Landbouw Universiteit Wageningen,Pehrson, A. (1983). Maximal winter browseintake in captive l110untain hares. FinnishGame Resources 41: 45-55.Met dank aan Sîp van Wieren van de vakgroepTerrestrische Oecologie enNatuurbeheer van de LandbouwUniversiteit Wageningen~ Robert Keizeren fotograaf Uwe Krüger.ParasietenWat samenhangt met hoog water is dealgemene nattigheid van het leefgebied.Dit kan gunstig zijn voor parasietenzoals leverbot en het kan een haasgevoeliger maken voor infecties. Injanuari 1997 is sectie verricht op hazendie in de loop van 1996 dood gevondenwerden. We werden wegwijs gemaakt inhet inwendige van de haas door Dr. SimBroekhuizen van het Instituut voor BosenNatuuronderzoek. Bij de meestehazen vonden we een combinatie vaninfecties en parasieten, zoals longontsteking,leverbot, lintworm en anderewormen die in aantallen in dedunne darm voorkwan1en. Het was echtern10eilijk vast te stellen welke infectieof parasiet er het eerst was en wat nuuiteindelijk tot de dood heeft geleid.Het bleek dus niet mogelijk om één factoraan te wijzen die bepaalt hoeveelhazen er in het gebied kunnen leven, erzal sprake zijn van een combinatie vanfactoren.Alle dode hazen hebben we na afloopaangeboden aan een lokale buizerd, dieal geruime tijd een enthousiast afnemerwas van de dode dieren die wij verzalnelden.Zo leverden wij onze bijdrageaan de wintervoedering van de roofvogels.Na een 'zomerstop' is het onderzoekin novelnber 1996 voortgezet enheb ik me, san1en met een collega~bioloogen twee stagières, opnieuw aan hetvoedsel en het terreingebruik van dehaas gewijd. Deze keer gebeurde datwat geavanceerder: een aantal hazen


ZOOGDIER 1997 8 (I) 20ISC G,Perry CorneHss"en, DennisWansiink ~Theq Vuliok.In de Oostvaardersplassen vindt begrazing plaats In etrunderen en paarden, on1 bepaalde landschapstypen tecreëren en in stand te houden die als leefgebied dienenvoor verschillende vogelsoorten, waaronder n1uizenetenderoofvogels. Voor deze roofvogels is een structuurrijkegraslandvegetatie van belang. Door het Rijksinstituutvoor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling,Hoofdafdeling Inrichting en Herstel is begrazingsonderzoekuitgevoerd. In dit artikel zal wordeningegaan op de relatie tussen begrazing, vegetatiestructuur,muizen en muizenetende roofvogels.De Oostvaardersplassen (5500 ha) zijnin 1968 ontstaan na inpoldering vanZuidelijk Flevoland en bestaan uit een'natte' nloeraszone (circa 3500 ha) eneen 'droge' randzone (circa 2000 ha).Het is een voor Nederland unieknatuurgebied dat omschreven kan wordenals een jong moeras-systeem lueteen hoge nlate van spontaniteÎt engekennlerkt wordt door een zeer hogenatuurwaarde. De moeraszone bestaatmomenteel uit circa 1200 ha open wateren uit circa 1900 ha gesloten rietvegetatie(lans & Drost 1995). De overige 400ha wordt ingen0111en door wilgenbos enruigte*vegetatie bestaand uit harig wilgeroosje,grote brandnetel, haagwindeen wolfspoot. In de droge rand zone wisselengraslanden, ruigtes, rietlanden enstruweel elkaar af. De samenstelling vande graslanden varieert~ maar ze bestaanvoornamelijk uit Engels raaigras, timoteegras,kropaar en ruw beemdgras. Hetnatte grasland bestaat overwegend uitfioringras en geknikte vossestaart. Hetdroge en gesloten rietland bestaathoofdzakelijk uit riet, af en toe in combinatiemet akkerdistel en grote brandnetel.Op een aantal plaatsen komt eenkleinschalig nlozaïek landschap van rietland,ruigte en struweel voor.In de eerste en tweede ontwikkelings­VISIe van de Oostvaardersplassen(Beheerscomluissie 1987 en 1996) wordteen streefbeeld geschetst n1et de wenselijkgeachte landschapstypen. Binnendeze reeks van landschapstypen neemthet grootschalige droge grasland eensleutelpositie voor de 'droge' randzone.Voor luet nalne ganzen en muizenetenderoofvogels is dit type van vitaalbelang. In de randzone vormt) naastwaterhuishouding~ begrazing met groteherbivoren de afgelopen jaren hetbeheersinstrument waarmee de ontwikkelingengestuurd kunnen worden. Tot1996 was het beheer van deOostvaardersplassen in handen vanRijkswaterstaat Directie IJsselmeergebied.Op 1 januari 1996 is het beheerovergegaan naar Staatsbosbeheer.Weide~systemenHet doel van de begrazing in deOostvaardersplassen was het openhoudenvan grasland en het onderdrukkenvan bos- en struweelvorming. Bij destart van de begrazing in het begin vande tachtiger jaren werden verschillendevormen van begrazing met elkaar vergeleken,om na te gaan welke het meestgeschikt zou zijn voor dit doel. Deze


vonnen waren: intensieve seizoensbegrazinglnet landbouwhuisvee volgenshet standweide- en wisselweide-systeem,en jaarrondbegrazing metHeckrunderen en Konikpaarden. Bij hetstandweide-systeem werden de graslandenvanaf mei tot noveInber continudoor runderen enlof paarden begraasd.Bij het wisselweide-systeem werden degraslanden gemaaid in juni of juli, waarnabegrazing plaatsvond met runderentot november.In 1992 werden edelherten in deOostvaardersplassen geïntroduceerdmet als doel het moeras-ecosysteem tecompleteren en een bijdrage te leverenaan de landschapsvorming: de edelhertenzouden de bos- en struweelvonningmoeten onderdrukken (Cornelissen &Vulink 1996b). Hier komen alleen deeffecten van de begrazing met runderenen paarden aan de orde.Een van de centrale vraagsteHingenbij het begrazingsonderzoek was: kunnenlnet begrazing verschillende landschapstypengecreëerd en in standgehouden worden? Uit de onderzoeksresultatenbleek al vrij snel dat de runderenen paarden zowel bij seizoens- alsjaarrondbegrazing het hele jaar door eengrote voorkeur voor droog grasland hadden(Cornelissen & Vulink 1995 en1996a). In de zomer concentreerden derunderen en paarden zich voornalnelijkop de 'droge' graslandkavels. Bij jaar-Een voorbeeld van kortgrazig grasland, met eenHeekrund. Hier komen nauwelijks muizen voor. FotoNiels Kooijmanrondbegrazing hadden de dieren in dewinter nog steeds een voorkeur voordroog grasland, maar ze lnaakten daarbijmeer gebruik van de ruigtes en hetstruweel, die in de ZOlner niet werdenbezocht.Bij de seizoensbegrazing was degraasdruk in de zomer circa twee dierenper hectare droog grasland, in alle jaren.Bij de jaarrondbegrazing nam de graasdrukop de droge graslanden in dezomer in de loop van de jaren toe vancirca 0.5 dieren per hectare droog graslandin 1990 tot circa 1.0 dier per hectarein 1994, als gevolg van de toenamevan de populaties door natuurlijke aanwas.StructuurontwikkelingDe structuur van de graslanden werd invier klassen ingedeeld op basis van deriethoogte (tabel 1). De hoogte van rietis namelijk positief gecorreleerd met debedekking ervan: hoe hoger hoe meer.Bij toenemende hoogte van het rietwordt het grasland dan ook steeds 'ruiger'.Onldat er bij akkerdistel ook sprakeis van zo'n positieve relatie tussen dehoogte en de bedekking ervan in eengrasland, en er bovendien een sterke


ZOOGDIER1997 8 (I)22gem. bedekking (%)karakterisering hoogte (cm) riet akkerdistelkortgrazig grasland 0-50 0-10 0-10verruigd grasland 51-100 11-25 11-20begraasd rietland Iakkerdistel ruigte 101-150 26-40 21-30rietland Iriet-akkerdistel ru igte >150 >40 >30Tabel 1. Indeling in hoogteklassen en bijbehorendegemiddelde bedekking van riet en akkerdistel in debegraasde droge graslanden in de Oostvaardersplassen.Zie ook de foto's. Bron: CornelisseJ]..& Vulink, 1996a.1994o 200 400 600 800 1000 12001990alsland op transekt in mo 150 3QO 450 600 750 900 1050 1200afstand op transekt in mFiguur 1. Riethoogten langs een transeet op drooggrasland in het gebied dat jaarrond metHeekrunderen en Konikpaarden begraasd wordt.Bron: Cornelissen & Vulink, 1996a.In deze figuur is te zien dat tussen 1990 (A) en 1994(B) de delen met riethoogten tussen 51 en 100 centimeteren tussen 101 en 150 centimeter verdwijnen.Het deel met riethoogte >150 cm (gesloten rietland)ontstaat na enkele jaren en het gedeelte met riethoogtetussen 0 en 50 centimeter verplaatst zich,maar blijft wel bestaan. Uiteindelijk ontstaat eenvegetatietype met scherpe grenzen tussen kortgraziggrasland en gesloten rietland, omdat de overgangstypenverdwenen zijn.Figuur 3. Relatie tussen het gemiddeld aantal gevangenkleine zoogdieren per raai (y) en de hoogte vande akkerdistel op vijf verschillende onderzoekslokatiesin de Oostvaardersplassen in september 1996. Develdmuis komt bijvoorbeeld vooral voor În vegetatiesmet een gemiddelde hoogte. de dwergmuis vooral inde hoogste vegetaties.positieve correlatie bestaat tussen derie1- en akkerdistelhoogte in de graslanden,kan de indeling ook op basis van deakkerdistelhoogte worden gegeven(tabel 1; Cornelissen & Vulink 1996a).De structuurontwikkelingen van degraslanden werden elk jaar gevolgd doorhet verrichten van metingen langs vastetransecten over de graslandkavels. Bijde intensieve seizoensbegrazingsvorlnenontstonden van jaar op jaar uniforlnegraslanden die gekenmerkt kondenworden als grootschalig, kortgrazig grasland(Cornelissen & Vulink 1996a). Bijde jaarrondbegrazing vond er, bij eenjaarlijks toenemende graasdruk, eenstructuurontwikkeling plaats die liepvan een 1110zaïekpatroon van kortgrazig,verruigd grasland en rietland naar grootschaligkortgrazig grasland (figuur 1).Roofvogels en veldmuizenVan de zeven regelmatig in de Oostvaardersplassenvoorkomende roofvogelsoortenzijn er vijf waarvoor(veld)nlllÏzen een belangrijke voedselbronzijn. Daarvan zijn blauwe kiekendiefen torenvalk de nlees! algemeenvoorkomende soorten. Op graslandenwaar een intensieve seizoensbegrazingnlet runderen en paarden plaatsvondwerden lage aantallen jagende blauwekiekendieven en torenvalken aangetroffen.Dit waren grootschalige, kortgrazigegraslanden (riet- of akkerdistelhoogte0-50 cm). Op de graslanden in het extensiefjaarrondbegraasde gebied werden in1989-1990 hoge aantallen jagende blauwekiekendieven en torenvalken aangetroffen,die vervolgens in de loop van dejaren afnanlen tot aantallen die vergelijkbaarwaren met die op de intensiefbegraasde graslanden (Dijkstra et al.1995).Het aantal veldmuizen dat in dezelfdeperiode op dezelfde graslanden is waargenonlen,vertoonde een overeenkomstigeontwikkeling. Op de intensiefbegraasde graslanden werden zeer lageaantallen veldnluizen waargenonlen,terwijl op de jaarrondbegraasde graslandenin 1989 hoge aantallen veldlnuizenwerden vastgesteld; die hoge aantallennamen vervolgens af tot een niveau datvergelijkbaar was met die op de intensiefbegraasde graslanden (Dijkstra et al.1995).Deze waarnemingen leidden tot devraag in hoeverre het aantal veldnluizensamenhangt met de structuur van degraslanden. Immers, op kortgrazig graslandwerden nauwelijks of geen veld·


ZOOGDIER 1997 8 ([)muizen aangetroffen, terwijl de indrukbestond dat in verruigd grasland demeeste veldmuizen werden waargenomenen in gesloten rietland ook weernauwelijks of geen (Beenlster & Vulinksubm.).Deze vraag was voor de afdelingOnderzoek van de Hoofdafdeling Inrichtingen Herstel van het Rijksinstituutvoor Integraal Zoetwaterbeheeren Afvalwaterbehandeling(RIZA-IHO) aanleiding 0111 in 1996 eenintegraal onderzoek uit te voeren. Doormiddel van een eenmalige telling vanhet aantal n1uÎzen in enkele beheerseenhedenmet verschillende vegetatiestructurenÎs daarbij getracht inzicht tekrijgen in de relatie tussen vegetatiestructuuren n1uizendichtheden. In september1996 is hiervoor door de VZZhet veldwerk verricht.Zes raaien per graslandIn dit onderzoek werd gevangen I11etinloopvallen van het type Longworth.Muizen die hier inlopen blijven inleven, l11aar dan moeten de vallen welregelmatig gecontroleerd worden om degevangen 111uizen weer vrij te laten. Omeen schatting te kunnen maken van hetaantal muizen in een gebied werden devallen uitgezet in raaien (rijen) van tien.De gevangen muizen werden gemerktdoor een pluk haar af te knippen. Naongeveer een week werden bijna alleennog gen1erkte muizen gevangen, zodatbekend was hoeveel muizen er rond eenraai leefden.Het oppervlak grasland dat met zo'nraai bemonsterd werd was echter niet zogroot. Uit de waarnell1ingen van hetRIZA bleek dat er mogelijk ook binneneen grasland, met eenzelfde vegetatîestructuur,variatie was in muizendichtheden:nluizenholletjes werden vaak ingroepjes bijeen gevonden, n1et daartussenweinig of geen holletjes. Ombestaande verschillen in ll1uizendichthedentussen graslanden nlet verschillendevegetatiestructuur te kunnen aantonenwas het daarom nodig om niet één,nlaar enkele raaien per grasland uit tezetten. Het gemiddelde vangresultaatper raai in de diverse graslanden wordtdan met elkaar vergeleken om te zien ofer een relatie is tussen de aantallen ll1Ui~zen en de vegetatiestructuur. Aan dehand van ervaringen tijdens een voorgaandeinventarisatie in de Oostvaardersplassen(Lange & Margry 1992)werd berekend dat in elk grasland minimaalzes raaien van elk tien vallen uit-Roofvogels zijn gebaat bij een dynamisch graasbeheer,omdat dat de {veld-)muizenstand bevorderd.Foto Jaap Muldergezet moesten worden. In totaal zijn invijf graslanden vallen uitgezet, elk graslandvertegenwoordigde een vegetatiestructuur(tabel 2).Muizen en structuurIn alle graslanden tezamen werden tweesoorten woelmuizen, twee soorten warenluizen en één spitsn1uizesoort aangetroffen.Daarnaast is tot vijf keer toe eenwezel, éénmaal een gewone pad, tweekeer een bruine kikker, éénmaal eenaaskever en vier keer een naaktslakgevangen. De hoogste diversiteit aankleine zoogdieren werd aangetroffen inhet begraasde, verruigde grasland en inhet extensief begraasde rietland, namelijkvijf soorten. In de andere graslandenwerden maar drie soorten (spits)muizengevangen. Per nluizesoort waren er tussende graslanden duidelijke verschillenin het gemiddeld aantal gevangen individuen.Aardmuizen, bosmuizen endwergmuizen werden vooral aangetroffenin het extensief begraasde rietland,veldmuizen juist vooral in het begraasdeverruigde grasland (figuur 3). Deze ver-Tabel 2. De onderzoekslokaties (zie figuur 2). De hoogtesvan akkerdistel en riet zijn in augustus 1996 door hetRIZA-IH gemeten; de hoogte op lokatie D is geschat. naantal meetplekken. n.a. = niet aanwezig.gemiddelde hoogte (in cm)10k. korte beschrijving akkerdistel riet nA intensief begraasdgrasland 22 ± 5.4 28 ± 6.3 48 begraasd, verruigdgrasland 80 ± 36.1 92 ± 43.7 3C extensief begraasdrietland 153 ± 18.9 200 ± 8.2 4D Engels raai,gemaaid 10 n.a.E Engels raai,ongemaaid 70 ± 27.8 n.a. 6


ZOOGDIER 1997 8 (I) 2410,-------------------------~veldmuis86•4--_-...:.-../" .........2 /' • """-.A"0 / ~0 40 80 120 160Figuur 2. Kaart van de Oostvaardersplassen metva nglokati es A t/m E. 10 ,---------------------------,schillen waren statistisch significant.Bosspitsmuizen werden overal in ongeveergelijke aantallen aangetroffen.In de kort gehouden graslanden hetzijdoor begrazing, hetzij door maaien -leefden dus de laagste aantallen muizen.In het grasland met de hoogste vegetatie,namelijk riet van circa 1,5 meterhoogte, werden de hoogste aantallengevangen. Dit gold echter niet voor develdmuis: daarvan werden de hoogsteaantallen gevangen in de graslandenlnet een vegetatiehoogte tussen 70 en 80centimeter.Op grond van de resul taten van demuizeninventarisatie is het duidelijkwaaronl blauwe kiekendieven en torenvalkennauwelijks boven intensiefbegraasde graslanden foerageren: hier ishet gras kort en leven dus nlaar heelweinig muizen. In de graslanden methoge vegetaties, zoals de extensiefbegraasde rietlanden, is veel meer tehalen voor roofvogels. Toch worden zijook hier weinig jagend gezien. De redenis waarschijnlijk dat de muizen in dezehoge vegetatie voor de vogels moeilijkte vangen zijn.De beste cOlnbinatje van veel muizenen niet te veel belemmerende vegetatievinden de roofvogels in niet te intensiefbegraasde graslanden en in het nog nietgemaaide Engels raai-grasland. Als hetEngels raaigras gemaaid en afgevoerdbiedt dit grasland geen dekking lneer.De muizen verlaten dan het grasland(als ze niet voortijdig door roofvogelsgevangen worden; zie bijvoorbeeldKoks & Van 't Hoff 1993). Pas als devegetatie weer hoog is konlen ze terug.Dit is een verschil met de lage vegetatiein intensief begraasde graslanden. Dezeblijft namelijk laag, omdat die continuedoor vee wordt kort gehouden.864bosmuis-2 ._--•.//'/'..,..,... /"f..-..a--- •o 40 80 120 160OL-~~~----~------~----~10r-------------------------~864bosspitsmuis2--!I-. __ --..J.. ____ ......O'------'"'----'--------''---'--------'------.::......Jo 40 80 120 16010B642001086420 -0aardmuis40 80 120 160dwergmuis ,/- -- ......40 80/"/./120/I.akkerdistel hoogte in cm/160


Aard- of veldmuizenDe resultaten van dit onderzoek komenovereen met die van het onderzoek in1987 (Lange & Margry 1992). Ook toenwerden in het intensief begraasde graslandgeen veld- en aardnlllÎzen gevangen;er werden zelfs in geen enkel grasofrietland aardlTIuizen gevangen! Hetgrasland waar nu aardnluizen voorkwamenis ook in 1987 onderzocht. Tijdenseen inventarisatie in het Oostvaardersplassengebiedin oktober 1981werden nota bene meer aardmuizen danveldmuizen gevangen (Canters et al.1983). Dat bij het huidige onderzoekgeen sprake is van een verkeerde determinatiekon OIlOlTIstotelijk worden vastgestelddoordat twee individuen helaasdood werden aangetroffen in de vallen.Mogelijk heeft de afname in vangstenvan de aardn1uis te maken met het drogerworden van de Oostvaardersplassengebiedsinds 1981. Aardmuizenhebben een sterkere voorkeur voorvochtige terreinen dan veldlTIuizen.Lichte vrouwenVan alle gevangen n1uizen werd ook hetgeslacht en het gewicht bepaald. Ditleverde enkele vragen op waar we geenDe hoogste 'grasvegetaties' zijn de riet-akkerdîstelruigtes,met een vegetatiehoogte van meer dan 150cm. Konikpaarden verdwijnen hier bijna in. HoewelmUÎzenrijk, zijn ze toch nÎet zo interessant voor roofvogels.Foto J.C.Luijendijkpasklaar antwoord op hebben. Er werdenbij veld- en bosmuis nanlelijkbeduidend meer vrouwtjes dan mannetjesgevangen (sexratio respectievelijk7,7:1 en 2:1) en die vrouwtjes warenbovendien erg licht. Volwassen veldnluisvrouwtjeswegen circa 25 granl, dedoor ons gevangen vrouwtjes wogenslechts 19,3 gram~ volwassen bosmuisvrouwtjeswegen circa 20 gram, de doorons gevangen vrouwtjes waren gemiddeldslechts 16,5 gram. Dit zou betekenendat we vooral jonge vrouwtjesgevangen hebben. Nu is het wel zo datmuizen vooral in de nazomer wordengeboren, maar waarom er zoveel meerjonge vrouwtjes waren dan jonge n1annetjesÎs niet duidelijk. Meestal wordener evenveel mannetjes als vrouwtjesgeboren. Misschien lieten 111annetjeszich n1Înder gemakkelijk vangen, of isde sterfte onder jonge mannetjes groterdan onder jonge vrouwtjes. Bekend isdat, als gevolg van onderlinge concur-


ZOOGDIER1997 8 (I)rentie in een veldnluizenpopulatie tijdensde voortplantingstijd, veel mannetjeshet loodje leggen, waardoor in denazonler vaak twee keer zoveel vrouwalsmannetjes aanwezig(Niethammer & Krapp 1982). Bij dedoor ons gevangen veldmuizen was deverhouding echter extreem: bijna achtkeer zoveel vrouwtjes.Dynamiek en veldmuizenMet betrekking tot de vraag in hoeverrehet aantal veldl11uizen sanlenhangt metde structuur van de graslanden~ heefthet onderzoek aangetoond dat de veldmuizenvoornamelijk voorkomen in deruigere graslanden, met riet- of akkerdistelhoogtenvan 50 - 150 cm, en niet inkort grasland en rietland. De ruigeregraslanden ontstaan bij een extensiefbegrazingsbeheer, l11et circa 0,5 paardenen/of runderen per hectare. Het jaar opjaar handhaven van een extensief begrazingsbeheerzal leiden tot een vaste verdelingtussen kort en ruig grasland. Inde loop van de jaren zal echter het verruigdedeel verder verruigen, met alsgevolg dat het op een gegeven momentte ruig wordt voor veldnluizen. Dezebegrazingsvorm leidt dan uiteindelijktot twee structuurtypen die beide ongeschiktzijn voor veldmuizen: kort graslandnaast sterk verruigd grasland. Bijintensieve begrazing (in deOostvaardersplassen circa 1,5 dieren perhectare) ontstaan grootschalige kortegraslanden waar nauwelijks of geenveldmuizen voorkomen. Met jaarrondbegrazingmet zelfregulerende kuddeszal tijdens de van de kuddesde verruiging van de graslanden wordentegengegaan en worden de ruigere delenin de graslanden opgeruimd. Ook dezesituatie zal dus leiden tot een ongeschiktmilieu voor veldmuizen.Het Îs voor veldl11uizen belangrijk dater beginstadia van verruiging in hetgrasland aanwezig Oudere en sterkverruigde delen zijn immers ongeschikt.Dit betekent dat het beheer dynamischmoet zijn: delen van het grasland moetenafwisselend kunnen verruigen. --rlLiteratuurBeheerscommissie, 1987. OntwikkelingsvisieOostvaardersplassen / BeheerscommissieOostvaardersplassen. Flevobericht 282.Rjjksdienst IJsselmeerpolders, Lelystad.Beheerscommissie, 1996. De Oostvaardersplassennatuurlîjker. Advies overde verdere ontwikkeling en het beheer vanhet natuurgebied de Oostvaardersplassen.Beheersco m missie Oostvaardersp lassen.Lelystad.Beemster, N. & 1.T. Vulînk, subm. The longterm influence of grazing by large herbivoreson vole feeding raptors in man madetemperate wetlands. Aangeboden aanBiological Conservation.Canters, KJ. et al., 1983. De zoogdieren vanhet Oostvaardersplassengebied. Lutra 26:73-91.Cornelissen, P. & J.T. Vulink, 1995. Begrazingin jonge wetlands. Lauwersmeer:Zoutkamperplaat; Oostvaardersplassen:Het Stort; Grevelingen: Slikken vanFlakkee. Flevobericht nr. 367. RijkswaterstaatDirectie IJsselmeergebied (RWS­DIJ), Lelystad.Cornelissen, P. & IT. Vulink, 1996a. Groteherbivoren in wetlands: Evaluatie begrazingsbeheerOostvaardersplassen. Flevober.nr. 399. RWS-DIJ, Lelystad.Cornelissen, P. & J .T. Vu link, 1996b. Edelhertenen reeën in de Oostvaardersplassen:demografie, terreingebruik endieet. Flevober. nr. 397. RWS-DIJ, Lelystad.Dijkstra, C. N. Beemster, M. Zijls1ra, M. vanEerden & S. Daan, 1995. Roofvogels inNederlandse wetlands. Flevober. nr. 381.RWS-DlJ, Lelystad.lans, L. & H.l. Drost, 1995. De Oostvaardersplassen:25 jaar vegetatieonderzoek.Flevober. nr, 382. RWS-DIJ, Lelystad.Koks, B. & 1. van 't 1993. De grauwekiekendief Circus in Oost-Groningen: eenof meer dandat... RapportGroningen.Lange, R. & K. Margry, 1992. Tweede zoogdierinventarisatiein het Oostvaardersplassengebied.Utrecht.Niethammer, J. & F. KrappanJolis (Pallas, 1779)Handbuch der Säugetiere2/1. AkademischeWiesbaden. PP. 284-318.7. VZZ,


ZOOGDIER1997 8 (I)IAI op de kweekschool was 8auke met de natuur bezig; hierbekijkt hij een vossenschedel in het 'Natuurhistorisch kabinet'van de schooLEen ietwat muffe, maar toch prikkelende geur komt onstegemoet: kampfer. 'Hier woont een beroepsverzamelaar', schiet door mijn hoofd. We betreden eenwerkkaluer volgestouwd met boeken en met ladenkastenen dozen vol balgen van de meest uiteenlopendezoogdieren. Het privé-heiligdom van Bauke Hoekstra.Na een korte rondleiding bestook ik hem met vragen.Je werkkamer is nu volledig gewijd aan dezoogdieren, maar hoe is het allemaal begonnen?Ik ben groot geworden in de uiterwaardenbij Deventer. Als ik thuis kwam van schoolwipte ik even het dijkje over en liep zo deuiterwaarden in. Elke week maakte ik erwel een solo-trip, 0111 buiten te zijn hè?Later heeft dat excursieterrein zich uitgebreidtot de hele IJsselstreek, van Zutphen


ZOOGDIERI 997 8 (I)28tot Wijhe. Niet alleen om naar zoogdierente kijken, hoor. Ik keek ook naar vogels, ikheb er heel veel mollusken verzameld en ikhad een herbariuln aangelegd, ik deed aanlibellen en ik was ook ge'interesseerd ingeologie.Vlak langs de IJssel bij Deventer zatenallelnaai van die bomtrechters, dat warenprachtige kolkjes geworden. Het water wastoen nog niet zo vervuild. Na hoog waterstond daar schoon water in en ontstond ereen prachtige vegetatie. Zoals je in de libellen-atlaskunt zien zaten daar toen de zeldzaalnstesoorten libellen; ik ving er soortendie soms maar één keer in Nederlandgevonden zijn!Fossielen in Limburg, dat was ook eenvan n1ijn interesses. Ik ben jarenlang op defiets naar Litnburg gegaan. Mijn n10ederwilde altijd dat ik een tent meenam, maarik had een hekel aan kamperen. Ik had zo'noude shelter van het leger, loodzwaar, zekervijftien kilo, t11et houten stokken en van diegrote haringen. Dat was pure ballast, wantals je die tent lnee had kon je geen fossielenmeer vervoeren. Dus fietste ik eerstnaar Zutphen en liet de tent daar achter. Iksliep in de mergelgroeven of in de openlucht, dat ging altijd prima. Op de terugweghaalde ik mijn tent weer op en kwam danmet een vroom gezicht thuis.Haas in de potVoor zover ik me kan herinneren is het eerstezoogdier dat ik uit het veld heb meegenomen,een haas geweest. In 1943 waren deuiterwaarden bij Deventer 'Sperrgebief.Daar stond luchtafweergeschut, tegen deEngelse vliegtuigen. Nien1and mocht daarkomen, ll1aar rondscharrelende kleine jongetjeslieten ze lnet rust. De militairen zettennog wel eens strikken uit. Daarin vondik een keer een grote haas, dood natuurlijk.Onder mijn jasje heb ik hem l11ee kunnennemen. Toch zit hij niet in de collectie: weaten hem op met hongerige familie uitScheveningen die toevallig over was gekomen.Je had dus al heel jong een brede interesse Înde natUlJ1~ maar kun je ook vertellen waaromje uÎteindelük bent doorgegaan in de zoogdieren?Jazeker! Dat kan ik exact aangeven. In 1950heb ik mij heel gericht op de zoogdierengeworpen, want toen kwam de tweede drukuit van het boek van IJsseling enScheygrond, 'De zoogdieren vanNederland'. Op 5 decelnber 1950 kreeg ikhet van mijn ouders kado en dat heeft heelerg stimulerend op n1ij gewerkt. Want kijk(Bal/ke trekt het be},vlIste boek uit één van devele kasten), in dat boek staat een hoofdstukover wat je zoal aan zoogdieren studiein Nederland zou kunnen doen. Daar wordenheel duidelijk allerlei hiaten en mogelijkhedenaangegeven. Met name het braakbal-onderzoektrok n1e aan. Van hele grotegedeelten van Nederland was faunistischniets bekend. Dat is voor mij eigenlijk destimulans geweest. Mijn andere interessesheb ik toen wat terzijde geschoven O1n metde zoogdieren verder te gaan. Bovendienwaren er al zoveel nlensen die achter vogelsen vlinders aanzaten, maar er was vrijwelniell1and die aan zoogdierstudie deed.In 1952 bij ik ook bij de VZZ gekomen.Ik ben een van de eerste leden. De VZZwas toen een gezelschap van vooral dierentuinbiologenen jagers. Daar zat je als snotneusdan tussen.Heb je in je werk ook te maken gehad metzoogdieren?Jawel. Ik ben nu gepensioneerd directeurvan een basisschool, maar ik heb ook jarenlangaan een pabo en later aan een havobiologielessen verzorgd. Dan zette ik lnijnleerlingen wel eens aan het braakballenpluizen.Die werkten vaak heel secuur. Deleerlingen, die uit de verre omtrek op defiets naar school kwan1en, brachten ook weleens wat mee. Zo had ik het een keer overotters en toen vertelde een leerling mij datzijn opa vroeger ook eens een otter hadgevangen. Het bleek dat die opa visser was.In een dagboek had hij zijn visvangsten bijgehouden,en wat hij aan andere aardigedingen in het veld waarnam. Ik kreeg vanhem een heel enthousiast briefje, met totop de vierkante meter precies beschrevenwaar hij die otter had doodgeslagen. Ik wistwel dat er ooit, ergens in Twente, een ottergevonden was, maar waar precies en inwelk jaar, dat had ik nooit kunnen achterhalen.Maar van hem kreeg ik de exacte vindplaats,de datum, de maten en tot mijngrote vreugde ook de restanten. Het was delaatste otter in Twente. Hij had de huidmooi laten looien, lnaar die kon ik nietzomaar krijgen. Zijn vrouw had henl er weleens om gevraagd, ze wilde er een bontjevan maken, 111aar hij is pas voor zijn kleindochtersdoor de knieën gegaan. Die hebbenhet grootste gedeelte tussen kop enstaart weggeknipt en aan hun n10uwengenaaid. Ik kreeg de kop, de staart en deklauwen.Zand en geduldVerzamelen is een grote passie van je?Ja~ absoluut. Daar ben ik ook door dat boekvan IJsseling en Scheygrond mee begonnen.Kijk, andere mensen legden een herbariumaan, ik heb een muizariuJ11. Daarin


ewaar ik muizen en vleermuizen. (Bauketrekt aller/ei laadjes open, waarin massa'sgebalgde muizen en vleermuizen liggel1 1 veiligachter glas, met een etiketje aan de poot). Alsje verzamelt, nl0et je zorgen dat het lnateriaalgoed geconserveerd en gedocunlenteerdwordt. De belangrijkste voorwaarde die iknog altijd stel bÜ al het lnateriaal dat ik verzalnel,is goed etiketteren!. Het instituutHet is van groot belang om materiaal te bewaren engoed te etiketteren, zoals deze albino mollen. Dankan het later bestudeerd worden. Foto DennÎsWansinkaan wie je het later schenkt of die hetgebruikt, heeft dan niet alleen het object,maar ook de dOCU111entatie erbij. Zonderdie documentatie is het object minder interessantvoor de wetenschap.


De zolder van 8auke's huis Îs vooral gevuld metboeken en zoogdîerbalgjes en -schedels. FotoDennis WansinkOpzetten doe ik nooit, dan kun je hetlnateriaal wel meteen weggooien. Ik balgalles. Ik heb het mezelf geleerd, uit handleidingen.Je krijgt er geen vieze vingersvan, hoor. Ik durf er best een appeltje bijuit de hand te eten. Het ene beestje is frisserdan het andere, nlaar ik heb er geenproblemen mee. Je moet vooral veel geduldhebben. Om vleermuizen goed te balgennloet je bijvoorbeeld zand op de vleugelsstrooien tijdens het droogproces, onl tevoorkonlen dat de vlieghuid schrompelt;dan moet je een tijdje wachten voordat hetgepiept is.Ik gooi zelden wat weg~ ook half bedorvendieren balg ik nog. Als het echt nietanders kan bewaar ik alleen de schedels. Ikbewaar alles. Al lijkt het niet bijzonder, jekan er later altijd nog wat aan hebben. Alser geen materiaal is kun je het ook nietbestuderen. Zo heb ik vroeger nog al watschedels van marters verzalTIeld. In debonthandel was indertijd een boommartervelkostbaarder dan een steennlartervel.Maar het verschil is aan de vacht moeilijk tezien. Het aantal meldingen van boommartersin Twente rees de pan uit. De jagersnoemden alles bOOlTIlTIarter, want diebracht ll1eer op. Ik liep vroeger de huidenhandelaarsaf. Als ik dan een lTIarter zagwerd hij gepeld en kreeg ik de schedel ende gegevens over de herkomst. Toen laterde verspreiding van lnarters werd nageplozenvoor de Atlas van de Nederlandsezoogdieren, vond Sim Broekhuizen degegevens van de jagers en de huidenhandelniet betrouwbaar. Alleen doordat ik heelveel schedels had kon de verspreiding vanboom- en steemnarter in Twente toch metzekerheid worden vastgesteld.Het is ook verstandig om oud materiaalte bewaren om het te kunnen vergelijkenmet nieuw materiaal. Sonls ontdekt iemandnieuwe kenmerken om soorten op naanl tebrengen, die vroeger niet te onderscheidenwaren. Heb je het nlateriaal bewaard, dankun je het opnieuw determineren.Heb je nog wensen voorje collectie?Nou, nee, eigenlijk nÎet. Ik ben niet zoiemand die naar Limburg rijdt omdat daareen poema is gezien, of zo'n tandarts diezijn patiënten in de wachtkamer laat zittenomdat er ergens een zeldzaam beest isgeJneld. Elk dier op zichzelf is aardig.


ZOOGDffiR1997 8 (r)31Wat vindt je gezin van je zoogdieren-bezigheden?Mijn vrouw heeft er geen interesse in. Zegaat nooit mee het veld in. Ik heb het ookniet erg aan mijn kinderen nlee kunnengeven. Aan één van de drie dochters wel,die kan een behoorlijk balgje maken. Zeverzamelt ook nog wel eens materiaal voorlnijn collectie. En de kleinkinderen vindenhet ook reuze interessant, vooral om laatjesopen te trekken. Maar dat mag natuurlijkniet, ze nlogen ook alleen maar hier bovenkomen als ik er bij ben.Ik werk ook alleen hier boven, of buiten.Als ik wat lnoet uitkoken dan doe ik het alsik alleen thuis ben en zet ik de ramen tegenelkaar open, of ik doe het buiten. Het valtallemaal wel lllee. Mijn vrouw heeft eenscherpe neus, als ze beneden wat andersruikt dan de kamfer~ dan krijg ik het wel tehoren en doe ik er wat aan. De kamfer ruikenwe zelf niet eens meer.Wat is het meest büzondere zoogdier dat jeoOÎt verzameld hebt?Mijn vrouw. Zij is toch echt het llleest bijzondere'zoogdier' dat ik ooit ben tegengekomen.Nee, eigenlijk is elk 'object' voorn1ij bijzonder. Natuurlijk hebben sonlmigedingen een zonderlinge voorgeschiedenis.Zo was ik eens met mijn vrouwen eenbevriend echtpaar een dagje naar het strandgegaan. Terwijl we zo langs de zee liepen,zagen we ineens een aangespoelde bruinvisin de branding liggen. Hij was niet erg versIneer en het was ijzig koud, maar eenbruinvis had ik nog niet in nlijn collectie.En dus hebben die vriend en ik in onsblootje de bruinvis op het strand getrokkenen met onze zakmessen de kop van debruinvis er afgesneden. Die avond nloestenwe weer terug naar huis, nlet die walmendekop in een vuilniszak in de stampvolletrein. Natuurlijk wou niemand bij ons in dewagon zitten. De conducteur heeft ons toenmaar apart gezet in de bagageruimte. En zozijn we toch thuis gekomen.Nieuwe middelenIs het nou veel veranderd, dat veldwerk vroegerel1 het veldwerk nu?Je hebt tegenwoordig heel andere middelenom veldwerk te doen. Dan denk ik nletnalne aan de opkoinst van de live-traps, datis zo iets geweldigs. We zaten altijd lnaarwat te knoeien nlet die kleine muizenvalletjes.De eksters vlogen er nlee weg, en alleswat je ving was dood. Maar met de standvan de techniek nu is het nÎet meer nodigon1 in het veld dieren te verzainelen. Jehaalt ze uit de life-trap> determineert ze enlaat ze weer vrij. Als het iets bijzonders ismaak je een foto of een filmopname.Vroeger moest het dode beest dienen alsbewijs, tegenwoordig kun je een foto latenzien.Die optische middelen, dat is een enormevooruitgang. Daar droomde je vroegeralleen nlaar van. Ik heb sinds kort eennieuwe volautonlatische camera. Daar benik mee aan het experimenteren.De bat-detector is natuurlijk ook hetsunlmum van techniek. Ik heb er een paarjaar één in huis gehad, maar ik had moeitemet het nachtleven, dus heb ik henl weeringeleverd. Maar het is iets Inachtigs, hoor!Als je nu op een rijtje zet hoeveel méér wenu weten over vleerl11LlÎzen, alleillaal dankzijde bat-detector.Ik weet nog goed dat we eens, tijdens eenkalnp in Apeldoorn, een bosvleernluishoorden, notabene op nog geen 25 metervan de plek waar ik meer dan veertig jaardaarvoor een dode bosvleermuis had opgeraapt.Die kon toen, in de vijftiger jaren,nog niet als zodanig gedetermineerd worden,maar ja, ik bewaarde hem en zo konhij later wel goed op naam gebracht worden.En nu werd hij in de lucht gesignaleerd,op het gehoor!Dit klinkt allemaal of je al je vrüe tüd er aanbesteedt. Doe je ook nog andere dingen?Jazeker, ik heb een gezin en we gaan regelmatigop vakantie; deze zomer hopen weeen trektocht door British-Colulnbia temaken. Verder restaureer ik oude boekenen bind jaargangen van tijdschriften in. Ikmaak zelf de banden en maak er een boekvan. Ik heb hier ook van die ouderwetseloden letters (Bauke opent een andere ladenkast,die vol ligt met het hele alfabet in hOI1-derdvoud), waarmee ik de band bedruk. Erliggen nog tientallen dingen die ik wilinbinden. Daar Inoet ik nog op inlopen.Verder bezoek ik boekenveilingen, doewat aan sociaal maatschappelijk werk, ik zitin kerkenwerk en in het gevangeniswezen:begeleiding en opvang van gedetineerden.Verder werk ik nog een dag in de week inhet N atuurmuseUln in Enschede, voor deAfdeling Zoogdieren en Fossiele zoogdieren(zie ook Zoogdier 7(2):37).Heb je nog uitdagingen voor de toekomst?J a, de atlas van de zoogdieren vanOverijssel. Dat is nog een heel karwei. Ikheb ook nog veel zaken in concept liggen,die ik nog eens zou willen publiceren, maardie atlas drukt al het andere naar de achtergrond.Er moeten nog een hoop tekstenvoor geschreven worden. Maar zover zijnwe nog niet, de inventarisatie-fase is nogniet afgesloten...-'rl


ZOOGDIER1997 8 (I)OttersaverIn Nederland is de otter verdwenen,een teken dat het metde natuur en het milieu nietbest gesteld is. Op dit momentwordt er op vele frontengewerkt om de natuur- enmilieukwaliteiten te verbeteren,zodat de otter uiteindelijkterug kan keren. Verschillendeorganisaties zijn op diverselokaties bezig om de waterkwaliteitte verbeteren en de ecologischeverbindingszones te herstellen.Natuur en MilieuOverijssel verzorgt in het project'De otter terug inOverijssel' de voorlichting eneducatie. De campagne richtzich op een brede doelgroep,van (school)kinderen tot recreatiebedrijven.De aandacht en maatregelenblijken effect te hebben! Dewaterkwaliteit in een aantalnatuurgebieden, waaronder deWeerribben en de Wieden, isdusdanig verbeterd dat de otterhier terug zou kunnen keren.Maar voor het zover is, moetnog een aantal knelpuntenopgelost worden. Zo is eenaantal faunavoorzieningen nodig,zoals tunnels onder wegenen looprichels onder bruggen(zie voor een goede beschrijvingvan het gebruik van dezevoorzieningen door otters hetartikel van Aksel Bo Madsen inLutra 39(2): 76-90). Ook 1110etenbeschermende voorzieningenin palingfuiken wordenaangebracht, zodat otters hierinniet kunnen verdrinken.Om de can1pagne te ondersteunenkunt u een schermbeveiligervoor uw C0111puterkopen: de 'Ottersaver'. DeOttersaver werkt onder Windows3.11 en 95 en toont eenvoorbij huppelende en zwemll1endeotter, zodra u de computereen tijdje aan heeft staanzonder handelingen te verrichten.U kunt de Ottersaverbestellen door f (BF 100)over te maken op giro 3031152ten name van Otterfonds Overijsselte Zwolle, onder vermeldingvan 'Ottersaver'. U kuntde campagne ook steunen doorSchermbeveiligervoor de computerdonateur te worden. Ook daarvoorkunt u van bovengenoemdgironllllll11er gebruikmaken. Elk bedrag is welkom.Donateurs ontvangen eennieuwsbrief. Voor meer informatiebel 038-4217166 (NL).HolarctischezoogdierenDe ware zoogdierfreaks ondernemenin de Z0111er van 1998een bedevaarttocht naarSantiago de Compostela inSpanje. Van 20 tot 24 juli 1998vindt daar het Euro­Amerikaans Zoogdiercongresplaats. Behalve luisteren naaren praten over onderwerpen alsgedragsbiologie, biogeografie,morfologie, populatie-dynamica,evolutie, beheer en beschermingkunnen geïnteresseerdenook zelf een deel van het congresorganiseren. Voor meer32informatie en opgave moetcontact worden opgenomenmet Euro-Anlerican MmnlnalCongress~ Laboratorio deParasitologia, Facultad deFarmacia, U niversidad deSantiago de C0111postela, 15706Santiago de COlnpostela,Spanje, fax 00-34 81 593316 (E),e-mail galemys@pinarl.csic.es.De toekomst vanhet EuropeselandschapHet landschap, zeker hetNederlandse landschap, verandertcontinu. Zoogdieren profiterendaarvan of leiden daaronder. De WerkgemeenschapLandschapsecologischOnderzoek (WLO) heeft overdeze problenlatiek regelmatiggepubliceerd in haar tijdschrift'Landschap'. Dit jaar bestaat de


ZOOGDIER 1997 8 (I) KORTAFWLO 25 jaar en dat viert ze natuurwaarde van de Maas,met een sYluposium over de over recreatie en ecologischetoekomst van het Europese diversiteit, over duurzaamlandschap. Het syn1posium beheer van agrarische landbestaatuit vier workshops en schappen en over verstedelijvindtplaats van 6 tot 10 okto king.Mber 1997 in Anlsterdam. De Voor meer informatie kan menworkshops gaan over de zich wenden tot het secretariaatvan de WLO, Postbus 23, 6700AA Wageningen, Nederland,Mtelefoon 0317 477986, fax 0317-424988 (NL),e-mail wlo@ibn.dlo.nL.home pagehttp:\\www.ecnc.nl\wlo-25 html.De veremglng Natuurmonumentenorganiseert dit voorjaarVleermuis-ex(ursies -een flink aantal vleernluis- plaats datum tijçl inlieh tingenexcursies, onder leiding vanplaatselijke vleermuiskenners,meestal gerecruteerd uit deleden van de VZZ. Deelnamekost f 3,- voor leden vanNatuurmonumenten en f 5,­voor de overigen. Hierondereen lijstje nlet plaatsen (vannoord naar zuid), data, aanvangstijdenen telefooDnumnlers.Als je een vleermuisvinder,ultrafoon ofwel batdetectorhebt, lueenemen dan!Lynx of poema?Dwingelderveld 17 en 31 mei ?Heinp~Laag ZutJlellJ, 23 nlei 20:30Haa.rle, Sprengenberg 3p .ll1ei 20:30'5 Graveland 30 meien 6 juni 22:00OisterwijkBrunssum2.2 e~l 27 mei,3 e115 juni 20:0025 mei21;000522-472951035·6559955035-6559955035-6563080013-5219209045-5223131Toen ik de foto's van lynx-sporenzag in Zoogdier 7(3), oppagina 33, viel me lueteen ietsop. Ik had de rest van het bladtoen Dog niet gezien. De sporenvan lynxen zoals ik die totnu toe in Noorwegen gezienheb) zijn zoals die op de fotouit Slovenië: de teenkussentjeszijn relatief klein ten opzichtevan het middenvoetkussen, ende afstand van middenvoetkussentot teenkussentjes is relatiefgroot. Dit is niet het gevalmet de prent van nabij Epen.Reebok opRottumerplaatOp de Nederlandse Waddeneilandenwordt de reeCapreolus capreolus slechts incidenteelwaargenon1en. Alleenop Ameland is een populatieaanwezig. Hoewel deeerste bok hier waarschijnlijk iskomen overlopen vanaf hetvasteland, zijn daarna enkeledieren uitgezet.Sinds 1988 werken wij invoorjaar en zon1er voorHier zijn de teenkussentjesrelatief groot en lîggen ze dichttegen het lniddenvoetkussenaan.Achterin Zoogdier stond hetbericht van de waarneming vande loslopende poenla. Als jepoema-prenten vergelijkt metlynx-prenten, in een ameri-Staatsbosbeheer als bewaker/vogelwachter op RotttlluerMplaat. Van Rottun1eroog enRottumerplaat waren onsalleen waarnelningen vanreeën bekend van Rottunleroog:een bok op 19 mei 1988 enverse sporen op 26 nlei van hetzelfdejaar. Onze eerste eigenconfrontatie met een ree, opRottmuerplaat, was op 2 mei1989. Op deze da.tml1 werdenwij er door medewerkers vanRijkswaterstaat op geattendeerddat er op het strand eenkaans diersporenboekje, danvormen bovengenoemde kenmerkenjuist het verschil tussenpoema en lynx! Ik denk dus,dat de sporen die Sim vond inZuid-Limburg nlet grote waarschijnlijkniet van een lynx zijnmaar van een poema.Jeroen van der Kooy, e-mail:jeroenvk@j'agerborg.vgs.no.dode ree lag. Het bleek een bokte zijn, die al geruÎllle tijd doodwas (zie foto).Op 5 mei 1996, rond 10 uur 'smorgens, zagen we vanaf deuitkijktoren aan de oostzijdevan het eiland een reeboklopen (krtc. 228-617). Hij liephier rustig rond op de methelm begroeide zuid helling vande stuifdijk. Een aantal m.alenzagen we hem van de aanwezigeligusterstruiken eten.Tijdens een latere inspectievanaf de uitkijktoren werd om


ZOOGDIER1997 8 (I)WAARNEMINGEN3420:30 uur de ree weer opgelnerkt.Hij liep enkele kilometersten zuiden van het eilandover de drooggevallen zandplatenvan het wad, in zuidelijkerichting. Ook vanaf Rottumeroogwerd de terugtocht naarhet vasteland waargenomen,door onze collega's aldaar. Dezuidelijke koers werd ook aangehoudenna het overzwemnlenvan een brede geul vanhet Boswad. Door het snelopkomende water werd hij eeneind in westelijke richting meegesleurd.Na weer op een drogezandplaat te zijn aangekomen,liep hij zo ver terug richtingDode reebok op Rottumerplaat, 2mei 1989. Foto Giny KasÎmÎr &Date Lutteropoost, dat hij de oorspronkelijkgevolgde zuidwaartse richtingkon hervatten. Steeds vakerkwam hij nu geulen tegen dieovergestoken moesten worden.Zweluluend was hij, mede doorde invallende duisternis, nognauwelijks door ons te volgen.We vernloedden dat hij, toenwe om 21:45 uur de waarnemingstaakten, ongeveer halverwegehet vasteland was. Dekortste afstand tussen de zuidrandvan het eiland en deGroninger dijk bedraagt 12kilometer.Ons vermoeden dat de ree deoversteek niet zou halen werdwaarschijnlijk bevestigd op 21mei 1996. Aan de westrand vande Boschplaat, een grote zandplaataan de zuidkant van heteiland, vonden we op enkeletientallen In eters van een aangespoeldedode bruinvisPhocoena phocoena, ook in devloedlijn, een dode reebok.Date Lutterop & Giny Kasemi/~Lopsterweg 31, 9921 RN Stedum(NL)Rosse vleermuisin flatOp zaterdag 1 maart 1997 ontdekteik een grote vleermuisonderin het trappenhuis vaneen flat in Voorschoten, Zuid­Holland (krtc. 91.1/461.1). Hetdier zat horizontaal in denauwe ruimte tussen de trap ende muur, half weggekropen (ziefoto). Een nacht lang probeerdeik de deur een beetje opente laten, zodat hij kon wegvliegen,maar dat bleek luet zoveelpasserende mensen niet tedoen. Steeds weer was de deurdicht. Soms zat hij opende muur, blijkbaar sliep hij dusniet steeds. Onder de trap ziteen meterkast, nlisschien hadhij eerst daarin gezeten. Op 4luaart heb ik hem maar in eendoosje gedaan en naarWassenaar gebracht, waar hijdoor Jaap Mulder werd gedetenuineerdals rosse vleermuis(Nyctalus noctula). Kort nadatwe hem buiten hadden opgehangen,vloog hij weg.


ZOOGDIER 1997 8 ([) WAARNEMINGEN35Het komt niet zo heel vaak Rosse vleermuis, weggekropenvoor dat rosse vleermuizen, die tussen muur en trap. Fotoechte boombewoners zijn, in Annelies 't Hooftgebouwen worden aangetroffen.Bekend is de kraamkolonÎein een grote schoorsteen inNaarden. In de zojuist versche- ook dit dier niet de hele winternen 'Atlas van de Nederlandse in de flat gezeten, maar het zouvleennuizen' staat, dat in wel heel goed kunnen.Nederland nooit overwinteren- Normaal gesproken kan eende dieren in gebouwen geVOl1- vleermuis nergens naar binnen,den werden. Misschien heeft Jnaar afgelopen herfst werdende ramen van de flat, ook dievan de trappenhuizen, vervangendoor dubbel glas, waarbij's nachts wel eens een gat openbleef. Een andere mogelijkheidis, dat dit exemplaar met hetzachte weer in februari heeftrondgevlogen en op de een ofandere nlanÎer toch de flat binnengevlogenis. Wie zal hetzeggen?Annelies 't Hooft


ZOOGDIER1997 8 (I)BOEKBESPREKING37rosse vleermuizen in het landgoedHeukelum: met uitzonderingvan de duinen de meestwestelijke kolonie in N ederland.Van de kleine zoogdierenzijn tien soorten vastgesteld.Hieronder bevonden zich welwaterspitsmuizen, maar helaasgeen noordse woelmuizen.Gezien het grote aantal aardnluizendat langs de Zouweboezemwerd gevangen, is dekans vrijwel nihil dat de noordsewoelmuis hier voorkomt.N aast deze waarnemingen isin het verslag een kort overzichtopgenomen van historischegegevens aan de hand vaneen literatuurstudie. Vooralover de vleernluizen was voorheenweinig bekend.Dennis wGnsinkK. Mostert, 1997. Zoogdieren vanhet Lingegebied. Mededeling 20van de VZZ. VZZ, Utrecht 26 pagina's.Prijs f 8,00 (BF 160) inclusiefverzendkosten. Het rapport kanbesteld worden door dit bedragover te maken naar giro 2050298ten name van de VeldwerkgroepVZZ te Grootebroek, onder vermeldingvan de titel van het rapport.Zoogdieren in demargeMet het creëren van natuurreservatenin de EcologischeHoofdstructuur alleen is in eenagrarisch land als Nederland denatuurwaarde niet in stand tehouden. Het is dus niet meerdan logisch dat gezocht wordtnaar mogelijkheden om ook inde landbouwgebieden de natuurwaardein stand te houden,of te vergroten. De directieIJsselmeergebied van Rijkswaterstaatheeft met dit doeldrie jaar lang de effectenonderzocht van uit productiegenomen randstroken vanakkers. De maatregelen blekenduidelijke waarde voor denatuur te hebben.In een 250 hectare grootakkerbouwgebied bij Almerewerden vier meter brede strokenlangs sloten ingericht alsrandstrook, zijn kleine bosjesingeplant en zijn poelen gegraven.Aan de nieuwe bosjes enpoelen is daarna geen onderhoudmeer uitgevoerd, de slotenwerden wel onderhouden:het talud en de slootbodemwerden regehnatig gemaaid,evenals de aanliggende driemeter van de randstrook. Zoontstond een ruigtestrook eneen strook met kort gras. Dekosten hiervan (beheer enopbrengstverJies) bedroegen1,85 per strekkende meter (viermeter breed) per jaar.Voor ons zijn de resultatenover de zoogdieren natuurlijkhet interessants. Om te begin~nen even een kanttekening: hetonderzoek naar muizen is uitgevoerdmet klapvallen! Vooreen onderzoek gericht opnatuurwaarde is dit natuurlijkuit den boze. Tegenwoordigkan met inloopvallen, waarbijde muizen blijven leven~ ookgoed veldonderzoek gedaanworden.Wat betreft de veldmuisbleek de dichtheid in de randstrokenvele malen groter danin de gangbare akkerranden.Ook van dwerglTIuis en bosspitsl1lllÎswerden de grootsteaantallen in de randstrokengevangen. Voor deze soortenbleken ook de jonge bosjes eenaantrekkelijk biotoop te zijn.Verder werden egels, mollen,vier vleermuissoorten {langstrekkers),bruine ratten, konijnen,reeën, kleÎne marterachtigenen vossen in het gebiedaangetroffen. Eenmaal werdeen laatvlieger foeragerendboven een poel waargenOluen.De ruigtestroken waren duidelijkhet rijkst aan zoogdiersoorten.Hazen en reeën werdenvaker foeragerend in of langsde randstroken en bosjes waargenomendan in de gangbaarbeheerde randstroken. Bunzingen,wezels en hermelijnenverstigden zich in de loop vanhet onderzoek in de bosjes ende ruigtestroken.AI luet al bleek het mogeljjkmet beperkte ingrepen denatuurwaarde van akkerbouwgebiedente vergroten. Geziende kosten zullen de maatregelenwaarschijnlijk niet spontaanop landbouwbedrijven wordentoegepast. Het verdient daaron1aanbeveling dat overheden enlandbouworganisaties gezamenlijkde mogelijkheden nagaanhoe dit soort luaatregelenin de bedrijfsvoering opgenon1enkunnen worden.Dennis WansinkA.J. Remmeizwaai & B.Voslamber, 1996. In de Marge.Een onderzoek naar ruimte voornatuur op landbouwbedrijven.Flevobericht nr. 390. 136 pagina's.ISBN 90-369-1165-6. Verkrijgbaarbij Rijkswaterstaat, Dir. IJsselmeergebied,Lelystad, 0320-297201 (NL).Edelherten enreeën in deOostvaardersplassenDit rapport geeft de resultatenweer van vier jaar (1992-1996)onderzoek naar demografie,terreingebruik en voedsel vanedelherten en reeën in deOostvaardersplassen (OVP).Reeën vestigden zich spontaanin de OVP, edelherten werdener losgelaten in maart 1992. Ditvergde plaatsing van een rasterwaardoor het OVP-gebied inecologisch opzicht voorgenoemde hoefdiersoorten eeneiland werd. Naast reeën enedelherten lopen er in hetOVP-gebied nog (voor watbetreft hoefdieren) Heckrunderenen Konikpaardenrond.


ZOOGDIERI 997 8 (I)BOEKBESPREKING 38In de eerste jaren van hetonderzoek nam de reeënpopulatiein de randzone van hetgebied snel af) waarbij de plaatsingvan het raster waarschijnlijkeen rol heeft gespeeld.Thans lijkt de populatie stabiel.I-Iet edelhert is lnet een exponentiëlegroei van genliddeld38% per jaar een factor vanbelang in het OVP-gebied aanhet worden. De populatie steegvan 44 dieren in maart 1992naar 179 in januari 1996. Hetgegeven dat welhaast iedereadulte hinde een kalf grootbrengt,duidt op goede leefomstandighedenvoor deze soort.Het doel van de introductievan edelherten in 1992 wascompletering van het ecosysteenlen onderdrukking vanbos- en struweelvorming. Metnalne vanwege de nog relatiefkleine aantallen concluderenCornelissen en Vulink dat watbetreft dit laatste aspect de rolvan edelherten (vooralsnog)geringer is dan die van rund enpaard. Zowel ree als edelhertblijken bij voorkeur gebruik telnaken van gesloten rietlandruigtestruweelboven het vegetatietypegrasland. Vanzelfsprekendhangt dit samen metde voedselkeus, die niet ergverschilt tussen deze soorten,ofschoon ze op basis van hunspijsverteringsfysiologie intwee onderscheiden groepenworden geplaatst. Maar ookzou sprake kunnen zijn vaninteracties met rund en paard,die niet goed uit de doekenkOlnen.Het is jalnmer dat de hoefdier-hoefdierrelaties nergensworden gepresenteerd in terlnenvan overlap in terreinkeuzeen voedselkeuze. 's Wintersgeldt voor de vier hoefdiersoortenbijvoorbeeld een voorkeurvoor gras. De vraag is dan of diter wel voldoende is. Ook eenzeer grote overlap in de nazonler,de periode waarin de vetreservesvoor de winter wordenopgebouwd, zou tot competitiekunnen leiden. Op dit momentontbreken gegevens metbetrekking tot de verhoudingtussen behoefte en aanbod.!)jH:doraJ t-GenerilJII?ijksWJI ")51..1;] tDat de ene soort voordeel zoukunnen hebben bij de aanwezigheidvan de ander (facilitatie)kOlnt ook slechts marginaalaan de orde.Als het werk iets duidelijknlaakt dan is het de dynanliekin aantallen en in draagkracht.Dit staat haaks op het, ingetalsmatige zin, starre beheervan edelherten, reeën en wildezwijnen op de Veluwe. Dit istevens hei geval met de waarneembaarheidvan de edelherten:die is in het OVP-gebiedlnet name in de winter zeergroot. Dit is een belangrijkefactor om bij het toekomstigbeheer rekening lnee te houden,want we weten uit ervaringdat actief aantalsbeheerEdelherten en reeën inOostvaardersplassenkan resulteren in schuwe dieren.Tot slot, de auteurs wagenzich aan het jargon van hetoude land waar ze spreken oversmaldieren als twee jaar oudereeën. Bedoeld wordt smalreeën;een smaldier is een tweejaar oud vrouwelijk edelhert,waarvan akte!Geert Groot BruinderinkP. Cornelissen & J.T. Vulink, 1996.Edelherten en reeën in de Oostvaardersplassen.Demografie, terreingebruiken dieet. Flevoberichtnr. 397. 47 pagina's. ISBN 90-369-1174-5. Verkrijgbaar bij de Bibliotheekvan Rijkswaterstaat, Dir.IJsselmeergebied, Lelystad, telefoon0320-297201 (N L). Prijs f. 17,­(BF 340), inclusief verzendkosten.


ZOOGDIER1997 8 (I)39Spitsmuizen, woelmuizen,ware muizen, slaap muizen,vleennuîzen. Veel n1ensenweten niet hoe rijk de n1uizenfaunavan België en Nederlandis. U kunt daar wat aan doen.Bestel de serie ansichtkaartenmet bedreigde zoogdieren inNederland en België en verspreidze onder uw kennissen,familie en collega's. Het gaatom veertien soorten, voor elkesoort een kaart illustratie).VERENIGINGSBedreigde zoogdierenOp de achterkant van elke kaartstaat een korte beschrUving vande soort en een kaartje van deverspreiding in België enNederland. De hele set van 14kaarten is bij de VZZ te bestellendoor f 15,- (BF 300), inclusiefverzendkosten, over temaken naar rekeningnun1mer000-1486269-35 van de Postchecks(België) of naar reke-Op 4 oktober 1996 heeft hetsymposium over de boo111n1artersin Nederland plaats gevonden.De opkon1st was fantastisch(tegen de 200 deelnemers),de conclusies bedroevend:de aanwezigen kwamentot een schatting van 500 tot1200 boomlnarters in heelNederland. Het merendeelhiervan (ongeveer de helft)Eikelmuis. Foto Dick Kleesningnummer 203737 van dePostbank (Nederland), ondervermelding van ansichtkaarten.U kunt de ansichtkaartenook, net als alle andere artikelen,bij het Secretariaat van deVZZ in Utrecht ophalen.Hieronder volgt een prijslijst.De eerstgenoemde prijs geldtSymposiumboommartersleeft op de Veluwe. InLimburg, Noord-Brabant enhet oostelijke deel vanOverijssel en Gelderland is hijverdwenen. De komende jarenzal er flink aan getrokken moetenworden om de boommarterweer terug te krijgen in deNederlandse bossen. Hoe datvoor toezending per post. Hetbedrag tussen haakjes is deprijs op stands en afgehaald ophet kantoor van de VZZ.Bestellen kan door overmakingvan het eerste bedrag op rekening203737 van de Postbank(N ederland) of op rekening000-1486269-35 van de Postchecks(België), onder vermeldingvan de titel.kan kunt u lezen in het verslagover dit syn1posium.Het verslag is als eenWetenschappelijke Mededelingvan de KNNV uitgegeven. Ukunt het verslag bestellen bijhet secretariaat van de VZZ.De kosten bedragen f 25,- (BF500) voor leden en f 30,- (BF600) voor niet-leden, inclusiefverzending.


ZOOGDIER1997 8 (I)Zoals ook uit dit nummer vanZoogdier blijkt wordt er inNederland en België veelonderzoek gedaan aan zoogdieren.De resultaten van ditonderzoek worden meestalgepubliceerd in rapporten dieergens in kasten kOlnen testaan en veelal onbereikbaarvoor belangstellenden.Onder deze belangstellendenbevinden zich de secretariaatsmedewerkersvan de VZZ ende lnensen die aan het projectZoogdiermonitoring werken.Onl op de hoogte te blijven vande publicaties, onderzoeksver-Het afgelopen jaar was hetzevende jaar dat het populairwetenschappelijketijdschriftwaar U nu in zît te lezen, verschenenis. Het wordt geheelgemaakt door vrijwilligers. Ookvoor de artikelen is Zoogdierafhankelijk van het eigen initiatiefvan anlateurs en enkelezoogdier-professionals.Daardoor is er wel eens eentekort aan 'vulling lvoor hetblad, en verschîjnen we te laat,VERENIGINGSNIEUWSPublikatiesZoogdier groeit!zoals nu. Hoewel we veel positievereaktjes krijgen over dekwaliteit van Zoogdier (altijdleuk!) horen we ook wel eens:'kan Zoogdier niet in kleur?'.Bijgaand grafiekje geeft daaroverduidelijkheid.Zoogdier kent verschillendesoorten lezers. Leden van deVZZ (zwarte deel van dekolominen) ontvangen Zoogdiernaast het nleer wetenschappelijketijdschrift Lutra.40slagen etc. die verschijnen verzoekenwe u een exemplaarnaar het Secretariaat van deVZZ te zenden. De publicatiesworden dan besproken in derubriek 'Boekbesprekingen'van Zoogdier of Lutra en/ofopgenomen in de bibliotheekvan de VZZ. Ook boeken overzoogdieren, hun verspreiding,ecologie of beheer zijn vanharte welkom. Het nlogen ookoude exemplaren zijn.Daarnaast kunt u natuurlijkaltijd zelf een artikel, waarnemingof boekbespreking insturen.Verder wordt Zoogdier gelezendoor de leden van de NCBR endoor de rechtstreekse abonnees;samen vormen deze hetgrijze deel van de kolOInmen.We zien dat het aantal lezersgestaag groeit en de 1500nadert. Een berekening van deonvermijdbare kosten vanZoogdier (drukker, porto) heeftgeleerd, dat de inkomsten uitabonnementsgelden en eenenkele advertentie nu nog niet2100AANTAL LEZERS VAN ZOOGDIER1800 kleurkaftzwartwit15001200900600300o'90 '91 193 194 '95• VZZ-Ieden [11 abonnees


ZOOGDIER1997 8 (I)voldoende zijn O1n die kostengeheel te dragen. Pas bij ongeveer1600 lezers (zie dunne lijnjn de grafiek) wordt dit 'breakeven-poinCbereikt. De VZZhoudt ons nu dus nog financieelovereind.De eerste stap naar kleur iseen zwart-witte inhoud meteen kleurkaft erOlnheen, zoalshet speciale Rode lijst-nun1meruitgevoerd was. Zoiets is financieelpas mogelijk bij eenlezersaantal van ongeveer 1950lezers (dikke lijn in de grafiek).Of we nl0eten een goede sponsorvinden! We hebben nognlaar niet uitgerekend wat hetkost om geheel in kleur te verschijnen...Jaap MulderVERENIGINGSNIEUWS 41Giften, erfstellingen en legatenDe afgelopen maanden is deVZZ verblijd met een legaatvan de Vereniging Aerofit uitSlochteren. De VerenigingAerofit heeft f 2.800,- aan deWerkgroep BOOll1marter N ederland(WBN-VZZ) gedoneerdom het onderzoek van dezewerkgroep aan de bOOlnmarterpopulatiein het noorden vanNederland te ondersteunen.Het bestuur van de werkgroepen het bestuur van de VZZ wilde Vereniging Aerofit hartelijkdanken voor deze gulle gift.Daarnaast wil het bestuur devolgende nlensen danken voorhun gift.- S. Jansen, Posterholtf 100,-;- L. de Haan, 's-Gravenzandef 70,-;- D. Doekenleijer, Zwijndrechtf 100,-;- W.A. Hennans, Langbroekf 95,-.Wilt u het werk van de VZZook steunen, dan kan dat dooreen gift over te lnaken naarrekeningnumnler 203737 vande Postbank (Nederland) ofnaar rekeningnumnler 000-1486269-35 van de Postchecks(België).E-mail-adres!Sinds kort is de Verenigingvoor Zoogdierkunde enZoogdierbescherming, en daarmeeook het tijdschrift Zoogdier,elektronisch bereikbaar.Het adres is:zoogdier@worldacces.nl. Dusal uw opmerkingen, reakties,brieven, maar vooral natuurlijkuw bijdragen in de vorm vankorte mededelingen, waarnelningenen artikelen, kunt U nuvia uw computer en modem bijons kwijt. Zet er even bij dathet voor 'Zoogdier' is. De bijuw schrijfsels zo welkomedia's, foto's en andere afbeeldingenmoeten voorlopig nogeven via 'Tante Pos' naar hetredaktieadres.Enkele prijzenVleermuisatlas, H. Linlpens etal. (red.), 1997. 260 pp. Prijs f49,50 (f 44,50) of BF 990 (BF890) voor leden; f 54,50 (f49,50) of BF 1090 (BF 990)voor niet-leden. NieuwBibliografie over de das tlm1996, 1. Vink, 1997. 92 pp. Prijsf 15,- (f 10,-) of BF 300 (BF200). NieuwMarterpassen V, Nieuwsbrief1996, WBN-VZZ, 1997. 58 pp.Prijs f 15,- (f 10,-) ofBF 300 (BF200). NieuwOok de oudere nUlnlners vanMarterpassen (nununers I tlrnIV) zijn nog beschikbaar.


ZOOGDmRI 997 8 (I)Bevers in de Biesbosch: aan~talsontwikkeling en cadmiunlenloodbelasting, V. Dijkstra &S. Broekhuizen, 1997. 64 pp.Prijs f. 15,- (f 10,-) of BF 300(BF 200). NieuwRoofdieren in België enNederland, R. Akkermans & D.Criel, 1986, 64 pp. Prijs f 15,· (f10,-) of BF 300 (BF 200).Atlas van de Nederlandse zoogdieren,S. Broekhuizen et al.(red.), 1992, 336 pp. Prijs f 45,­(f 37,50) of BF 900 (BF 750).Egels en auto's; een literatuurstudie,J. Mulder, 1996, 80 pp.Prijs f 25,- (f 20,-) of BF 500(BF 400).Zoogdieren van West-Europa,R. Lange et al. (red.), 1994, 400pp. Prijs f 52,50 (f 44,95) of BF1050 (BF 899) voor leden, f57,50 (f 49,95) of BF 1150 (BF999) voor niet-leden.Basisrapport Rode Lijst van deNederlandse zoogdieren, H.Hollander & P. v.d. Reest, 1994,96 pp. Prijs f 10,- (f 5,-) of BF200 (BF 100).VERENIGINGSNIEUWSure trapsVia de Veldwerkgroep van deVZZ zijn muizenvallen van hettype Longworth te huur. Deverhuurprijs bedraagt 10 centper val per nacht. Voor VZZledenzijn de vallen gratis teleen. Voor meer informatiekunt u terecht bij Floor van derVliet, Spaarndamnlerstraat 660,1013 TJ Amsterdam, telefoon020-6828216 (NL).42Lutra's gevraagdHet Centrum voor Natuur- enMilieu-educatie 'LandgoedSchothorst' , Anlersfoort, vraagtof er lezers van Zoogdier zijndie beschikken over bepaaldenummers van Lutra die in debibliotheek van het Centrunlblijken te ontbreken, en of zedie dan willen afstaan om deserie te completeren. Het gaatom de volgende afleveringen:Vol. 1; 2; 3 afl. 3; 4; 5; 11; 13;14; 16 afl. 1; 20; 22.Hartelijk dank voor uw medewerking!Vincent van Laar,Schothorsterlaan 21, 3822 NAAmersfoort, 033-4803797 (NL)I


ZOOGDIER I 996 7 (4)43Zoogdier, tijdschrift voor zoogdierbeschermingen zoogdierkunde• Jaap Muldec De Holle Bilt 17, 3732 HM DeBilt. 030-2203158 (NL) ,• Dirk CrieL Zottegemstraat 2,9688 Schorisse,055-456610 (B).• e-mail: "zoogdier" Nationale CampagneBescherming Roofdieren (NCBR)• NCER: Postbus 98, 2180 Ekeren I, 03-6530655 of 03-7713827 (B).Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming(VZZ)• VZZ-Bureau en ledenadministratie: Emmalaan41, 3581 HP Utrecht. 030-2544642 (NL),• VZZ-België: Erik Van der Straeten, Kerkeveldstraat35, 2610 Wilrijk. 03-2180470 (B),• Veldwerkgroep Nederland: Kris Joosten,Doppierdomein 4-E, 6229 GN Maastricht,043-3612382 (NL),• Veldwerkgroep België (tevens materiaaldepot):Johan Vandewalle, Antwerpsesteenweg250, 2950 Kapellen, 02-2454300/03-6054900 (B),• Materiaaldepot veldwerkgroep: Floor vander Vliet, Spaarndammerstraat 660, 1013TJ Amsterdam, 020-6828216 (NL) ,• Vleennuiswerkgroep Nederland (VLEN­VZZ): Rudy van der Kuil, Lutherse Burgwal24, 2512 CB Den Haag, 070-3652811 (NL).• Werkgroep Zeezoogdieren (WZZ): MarjanAddink, RMNH, Postbus 9517, 2300 RA Leiden.071-5143844 (NL).• Werkgroep Marterachtigen: Arie Swaan,Torresstraat 33 IIL 1056 RR Amsterdam. 020-6832420/6642453 (NL) ,• Werkgroep Boommarter Nederland: DickKlees, Zadelmakersstraat 58, 6921 JE Duiven.0316-264335 (NL),• Werkgroep Zoogdierbescherming: JohanThissen, Mansberg 7, 6562 MA Groesbeek,024-3975852 (NL) ,• Werlcgroep Voorlichting: Nico Drtessen, p/aNatuur & Milieu OverijsseL Stationsweg 3,8011 CZ Zwolle, 038-4217166 (NL),• Redactie Lutra: Chris Smeenk, RMNH, Postbus9517, 2300 RA Leiden. 071-5162611(NL).Vlaams Zoogdierkundig Overleg (VZO)• Johan Vandewalle, .L:\.ntwerpsesteenweg250. 2950 Kapellen, 03-6054900/02-2454300 (B)Zoogdierenwerkgroep Jeugdbond voorNatuurstudie en Milieubehoud• Kortrijksepoortstraat 140, 9000 Gent. 09-2234781 CB).Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten• Alex Lefevre, Klissenhoek 85, 2290 Vorselaar.014-516201 (B).Vleermuizenwerkgroep van Natuur 2000• Bervoetsstraat 33, 2018 Antwerpen, 03-2312604 (B),Vlaamse Vereniging voor Bestudering vanZeezoogdieren• Rob van Asselberg, Hoogheide 64, 2659Puurs. 052-301541 (B),Aanwijzingen voor auteurs• Zorg dat het artikel interessant is voor delezer, Maak er een pakkend inleidinkje bijen denk ook aan een goede afsluiting. Vermijdvaktermen en vreemde woorden, Dusbeter sterfte dan mortaliteit. Gebruik geenafkortingen, Stuur er ruim illustratie-materi-_aal bij,• Waarnemingen en korte mededelingen zijnerg welkom. Lever er als het even kan eenplaatje bij.• Bijdragen aanleveren op DOS-diskette en zomogelijk in WP 5, 1 en anders als ASCIIbestand.Structureer de tekst met korte tussenkopjes.Geef alinea's aan met een enkeletab, Maak de tekst verder niet op, dusplaats geen codes in de tekst Stuur een uitdraaimee.• Alleen hoofdletters gebruiken waar ditgrammaticaal verplicht is, dus Nederlandseplanten- en dierennamen met een kleineletter beginnen, Gebruik de naamgevingzoals gehanteerd in het boek Zoogdierenvan West-Europa.• Houd het aantal literatuurverwijzingen zoklein mogelijk, Literatuurlijst op alfabetischevolgorde, elk item op een nieuweregel. Niet opmaken, in laten springen ofiets dergelijks.• De redactie behoudt zich het recht voor debinnengekomen artikelen te redigeren enaan te passen aan het lezerspubliek vanZoogdier.• Het copyright van foto's, illustraties en artikelenblijft bij de betrokken fotograaf, tekenaarof auteur, Overname alleen na verkregentoestemming,Slu.ttip.gsdataA.rtilce1ti:1J::i" bijzonge!€ waam~·IIl1I19'~nJ lcqIjePi9tipttt9l:l :k:urlneIlgestlJ'Ur4 wordennq.gr ll~t I~O:Ç7tieqQ,t$S (ziE! 1;ûerbçrVe:nJ. De slui 7tlngsèlqto:zli.:P;n~er3zo sn~l rpqgelijknUrp.p;ler 4 15 qJq0l!e.r 1997pUl1tffier 1 15 Jo:n\lçoJ, )99$TelefonerenVqn ;aelgiê na:gr l'teder1q:nd, OOr31 g~v.Ol~çl dpqr net kenge:tçdzpnd€!I' nul enÏ1et abQ!lIle


ZOOGDIER 1997 8 (I )ZoogdiervelMijn interesse voor zoogdieren richt zich op de huid. Van welhaast kale exemplarenmet mooi zongebronsd vel in bikini kan ik bijzonder genieten. Toch, het leukstevindt ik harige kleintjes, van die muisjes met kwispelstaart jes en geinige. tandige bekjes.Je gelooft me niet, maar ik bezit er duizenden. Allemaal dood. Leven doen ze nietmeer, het zou me bergen voer kosten (grapje). Bovendien waar moet je ze laten enze stinken zo.Eerlijkheidshalve moet ik bekennen dat mijn harige muisjes ook behoorlijk stinken.Wat wil je, ze vreten kampferballen.Op elke vakantie reis ik muizenvangend door Europa.De gevangen muizen worden gedood, waarna ik zevan hun huidje ontdoe. Dat bewaar ik, het vlees gooiik weg. Hoewel sommige van mijn vrienden etenhet om de reiskosten te drukken (grapje). Eénzomervakantie levert me een aanvulling vaneen paar honderd stuks. Toch ben ikgeen echte verzamelaar, zoals een postzegelverzamelaarof een suikerzakjesverzamelaar.Op elk suikerzakje staat tenminstede plaats van herkomstaangegeven. Ik moet daar zelf voor zorgen.Aan het rechterpootje van elkinhoudsloos muisje bevestig ik daaromeen etiketje met plaats en datum waarhet beest is gedood. Suikerzakjes verzamelenis dus gemakkelijker; dit is wetenschap.Ik noem het ook geen verzamelingmaar een collectie, een balgencollectie.En als ik dood ga schenk ik ze aan eenMuseum voor Natuurlijke Historie. Daarleef ik toch nog voort. Laat ik het zo zeggen:mijn verzameldrang leidt t ot doden omvoort te leven.Enkele jaren geleden ben ik naar een ruimerhuis verhuisd en sindsd ien bew aar ik ook groterezoogdiervellen~ zoals die van marters of wasbeertjes.Onlangs ben ik eens met een spiedendoog langs een kerkhof gelopen en moest watertandendkijken naar al het moois dat daar ligt.Maar nee~ dan vind ik ze levend mooier en daarlopen er genoeg van, die hoef ik niet te bewaren.RAZoogdier, "raar de vellen tellenZoogdiel~ is het meest informatieve zoogdierenbladin de Benelux en verschijnt vier keerper jaar. Je kunt je abonneren door de kaartin te vullen of door overmaking van BIF 450op rekeningn 000-1486269-35 of f 25 oppostbank 203737 ten name van PenningmeesterVZZ te Utrecht

More magazines by this user
Similar magazines