OCTOBER 1943 Een plan. - Vakbeweging in de oorlog

vakbewegingindeoorlog.nl
  • No tags were found...

OCTOBER 1943 Een plan. - Vakbeweging in de oorlog

RELIGIEUS EN POLITIEK ONAFHANKELIJK ORGAAN VOORDE NEDERLANDSCHE' KUNSTENAARSWAARIN OPGENOMEN „DE BRANDARI5BRIEF"OCTOBER 1943Een plan.Niemand onder degenen die enigszins ter zakekundig zijn, zal beweren dat de verhoudingen inde kunstwereld, zoals die vóór 1940 bestonden,ideaal waren. De kunstenaars zelve waren vrijwelhopeloos verdeeld, zowel naar algemene doelstellingals naar inzicht hoe zulk een doelstellinghet best bereikt zou kunnen worden. In bijna iederkunstberoep bestonden tal van organisaties, dieieder voor zich er naar streefden, dé organisatiete zijn. Hoewel meestentijds, vooral bij de beeldendekunstenaars, geboren uit een streven omaesthetjsch gelijkgezinden bijeen te brengen, leiddede ontwikkeling er toch toe, dat de meesten dierverenigingen er naar gingen streven in bepaaldemate een beroepsvereniging te zijn, d.w.z. een verenigingdie de aesthetische zowel als de economischebelangen van haar leden zou behartigen.Uitteraard kon ieder dïer verenigingen, juist door, haar grote aantal, slechts een beperkt aantal beroepsgenotenomvatten en een beperkt gebiedbestrijken. Behalve tot een grote versplintering deronder de kunstenaars levende organisatorischekrachten, waardoor een bepaalde moeheid en warsheidvan iedere organisatie in de hand werd gewerkt,leidde deze veelheid van organisatie maaral te veel tot onderlinge concurrentie, juist daarwaar eenheid van doelstelling en optreden zozeergeboden was. 'Men kan en zal ons ook tegenwerpen,dat er reeds voor de oorlog een streven merkbaarwas om tot een zekere samenvoeging of althanstot verbinding der verschillende organisaties in eenbepaald beroep te komen. Zo kan men erop wijzen,dat in de muziekwereld omstreeks 1920 de Federatievan Nederl. Toonk. Vereen, is opgericht,welke in 1940 nog bestond en waarin zo niet alle,dan toch de belangrijkste verenigingen van muziekbeoefenarensamenkwamen; men kan ook wijzenop de plaatselijke en landelijke fedetaties van beeldendekunstenaarsverenigingen. Men kan verdergaan en terecht zeggen, dat juist in 1940 e*en fusietot stand kwam van de drie bestaande verenigingenvan bouwkunst-beoefenaren, .die alle alsberoepsorganisatie optraden en dat verder in datzelfde jaar in de N.O.K. een overkoepelings-instantieverrees, waarbij zich alle kunstenaarsorganisatieskonden aansluiten en dat veelal ookdeden. Wij zullen dit alles zeker niet ontkennen^en zullen hier ook laten rusten het feit, dat zowel"de uit de fusie der architecten-verenigingen herborenBond van Nederlandse Architecten als de 'Nederlandse Kunstenaars Organisatie (N.O.K.) onmiskenbaarde tendênzen in zich droegen van detijd (na Mei 1940) waarin zij onstonden, d.w.z:misschien nolens volens — maar dat laten wij hierrusten! — sporen van de autoritaire opvattingendie toen reeds hun schaduw vooruit wierpen, bevatten.Maar ook al erkent men dit alles en wij hebbengeen enkele reden het te ontkennen, dan nog blijfthet feit bestaan, dat geen einde werd gemaaktaan de nodeloze veelheid van organisatie, de groteversplintering va'n krachten, de onderlinge concurrentie-zucht,de onklaarheid over wat wel enwat niet beroepsorganisatie was en over de vraag,wat nu de eigenlijke taak v"fen een werkelijke beroepsorganisatiebehoorde te zijn en van een overkoepelingsinstantiedier organisaties.Doch met het aanduiden van de gebreken derorganisatorische toestanden onder de kunstenaars,»doen we eigenlijk niet anders, dan het belichtenvan een der verschijningsvormen van ^en grootmaatschappelijk gebrek: de miskenning van desociale positie van den kunstenaar en van de betekenisvan zijn productie voor het geestelijk wel-"zijn van het volk, d.w.z. van de gemeenschap.Want hierin, in het onbegrepen blijven van deplaats en van de taak die de kunstenaar in eengezonde samenleving in te nemen en te vervullenheeft, in het niet deel- worden van het cultureelbezit van "gans het volk van de prestaties deskunstenaars, ligt de diepere, maar werkelijke oorzaakvan de verwarring, niet alleen van die ophet gebied van de kunstenaarsorganisaties, maarook van die in de betrekkingen tusschen de kunstenaarsen de consumenten van- zijn productie.Die consumenten bleven in het voorgaande tijd-


Zij laten overheidsdeelneming ook mogelijk bij watzij mede als een der belangrijkste taken van deRaad (te vervullen samen met door de beroepsorganisatieste benoemen commissies) zien, n.l. dewerkverdeling onder kunstenaars, en wel voorzover, deze werkverdeling overheidsopdrachten betreft.Bij deze taak zal trouwens ook de inschakelingvan particulieren en vertegenwoordigers vanopdrachtgevende coöperaties, die stellig, naar matede ordening voortschrijdt zullen toenemen en aaninvloed winnen, wel nodig blijken. Maar afgezienvan deze mogelijkheden en noodzakelijkheden,willen de ontwerpers gestreefd zien naar een zovolkomen mogelijke zelfstandigheid van de beroepsorganisatiesen hun/Raad van Kunstenaars, opdatdeze lichamen vrij blijven van politieke en religieusebeinvloeding. Wij achten dit streven naarzelfstandigheid een der beste eigenschappen vanhet plan, ook al omdat het aansluit op een dermeest op de voorgrond tredende eigenschappender Nederlanders: de zin voor onafhankelijkheiden op de behoefte naar baas in eigen kring. Bovendien'pasthet zich aan bij de oude, gewende organisatievormenen breekt aldus niet nodeloos afwat geen afbraak behoeft.Wij volstaan voor het ogenblik met deze korteschets van het voorgestelde stelsel van beroepsorganisaties.We stippen nog slechts aan, dat ookaan een goede spreiding der organisatie over hetland gedacht is.Wij stellen ons voor in een volgend artikeleen schets "te geven van de gedachte organisatievan het „kunstleven" en in dat verband wellichtook enige aandacht te wijden aan de over eenvijftal hoofdstukjes verdeelde eigenlijke inleidingtot het plan. Wat wij in het bovenstaande hebbenkunnen geven is uiteraard slechts een korte samenvatting.Meer zullen we ook in een nader artikelniet kunnen geven. In het geschrift zelve wordende gedachten, die aan de voorstellen ten grondslagliggen, weliswaar met de beknoptheid, dieeen altijd nog min of meer illegaal geschrift vereist,maar toch uitvoerig genoeg ontwikkeld. Webevelen het onze vrienden die het in handenmocht komen dan. ook een zorgvuldige lezing enoverweging aan. Laat men er echter voor wakendat het niet in de handen van den vijand geraakt.• Brandarisbrief.Dat de dagen van onze vijanden geteld zijn,beseft nu langzamerhand wel ieder die niet ziend^blind is. Daarom verwondert, ja hindert het onsbijna, dat w.ij genoodzaakt zijn onze brief ditmaalaan twee verschijnselen te moeten wijden, waar- 'van wij gehoopt hadden, dat onze landgenoten encollega's ze reeds geheel verdisconteerd hadden:Daar is dan, ten eerste, de wat verbijsterendevlaag van ter elfder ure opgewarmd pacifisme, dienu uit deze hoek, dan'weer uit die hoek aanwaaienkomt en die er ons feitelijk van wil overtuigen,dat lijdelijk toezie 1 !! bij de worsteling der grotevolken ons zou sieren en onze zaak zou dienen.En ten tweede zijn er de, eveneens ontijdig opgewarmde,stinkende kliekjesvanhetKultuurkamermaal,die hier en daar twijfel doen ontstaan 'of ditgerecht in April 1942, toen het pas klaar gemaaktwas en nog niet zo hinderlijk stonk voor wie geenfijne "neus hadden, maar niet opgegeten had moetenworden. Op deze twee verschijnselen zullenwij hier dus nader ingaan.Pacifisme. Afkeer van alle geweld. Schone woorden,die eens nog schonere begrippen dekten enhopenlijk binnen afzienbare tijd weer met fechtdekken zullen — de meesten van ons zagen in hen'hun geloof in het leven weerspiegeld. Maar erkwam een Mei 19-40, en voor wien toen al nietwas gaan inzien, dat wie zich niet weerbaar toondenog genadelozer onder de voet gelopen werd danwie zijn leven en vrijheid duur durfde te verkopen,werd toen wel duidelijk, dat allen die enigszinsweerbaar waren of worden konden, zich met allekracht en alle overleg zouden dienen te verzetten.Natuurlijk is niet ieder een held of een martelaarin de dop, maar ook wie terzijde staat kan tochbegrip tonen te bezitten voor wat er in het strijdperkdoor gelijkgezinden verricht wordt. Dit dachtenwij! Maar nu vernemen wij telkens stemmendie het even erg noemen, dat Duitsland gebombardeerdwordt als dat Rusland of Engeland aangevallenwordt door vijandelijke vliegtuigen. Ditis ontzettend, maar hoe komt er anders ooit eeneinde aan deze gruwelijke oorlog? Die er hun afkeerover uitspreken wanneer landgenoten hunleven wagen om op iedere wijze die taaar mogelijkblijkt de gemeenschappelijke vijand afbreuk tedoen. Sterven er landgenoten, dan wordt hun eenvaag-Christelijke afscheidsgroet toegezwaaid, metde toevoeging dat er anders niets voor hun tedoen is. JaweK zeggen wij — wij zouden het ^ndie verzandde oren snauwen willen -— er is wélwat te doen: de opengevallen plaatsen dienen ingenomente worden door anderen! En wie datniet kan of niet durft .— opzij! In-de-weg-loperskunnen wij nu minder dan ooit gebruiken. Laten


Moord ?Als een wereldje apart heeft zich gedurende deoorlogsjaren in ons vaderland een groep menschengevormd, die verbeten de strijd tegen de overmachtigevijand voert en volhoudt. Een groep die,ondanks de mokerslagen die er voortdurend opneerdalen, ondanks de zeer vele slachtoffers die eronder hen vallen, verbeten stand houdt, Menschendie, haast zeker wetend, dat vandaag of morgenhet uur komt, dat de Gestapoklauw hen vat, nietaan wijken denken, maar rustig voortgaan hunplicht te doen.Voor het overige hopen zij niets vuriger, danzou gauw mogelijk hun normale werk in een normalemaatschappij te mogen hervatten.Het stemt' ons daarom zeer bitter, plotseling inenkele illegale bladen groepen uit deze wereldnaar buiten — aan de rest van Nederland — voor-.gesteld te zien als een groep psychopatische moordenbrandmaniakken, ontspoorde lieden, die van degelegenheid gebruik maken, hun instincten uit televen, en in de toekomst wel niet meer in eenordelijke samenleving te gebruiken zullen zijn.Dit lijkt haast op verraad, verraad in een wereld-waarvan alle leden op elkanders volle moreele enmaterieele steun aangewezen zijn. Wij hebben hierspeciaal het oog op het hoofdartikel van VrijNederland van 28 Augustus, waarin als hoogtepuntvan schrijverij in bovenbedoelde geest vaneen bepaalde groep (de Raad van Verzet) gezegdwordt, dat hun gezag nergens anders op berustdan op het feit dat deze lieden een, revolver bijzich dragen en zich uit de voeten kunnen maken.(Het is of Seisz Inquart aan het woord is!) Wijhebben noch met Vrij Nederland, noch met deRaad van Verzet, of met het Nationaal Comité— dat verderop in hetzelfde nummer noodeloos,nutteloos en o.i. onverdiend belachelijk gemaaktwordt — nauwere banden. Wij geloven dus objectieftegenover het geheel te staan, en wij vertrouwdenonze oogen niet, toen wij deze laffeinsinuatie lazen.Laf en geraffineerd, want het is een poging omde brave burger van afschuw en minachting voordeze en soortgelijke groepen te vervullen, zonderdat naar het inzicht van den beschuldiger (daarvanzijn wij overtuigd!) werkelijk iets minderwaardigsvan hen gezegd kan worden. Men kon slechtsdoor een handig zinnetje suggereeren. dat het nietveel zaaks is. Want wat blijft er bij nadere be*schouwing van deze vet - gedrukte beschuldiging.over? Dat de heeren revolvers bij zich dragen...Weet V.N. dan niet, dat er al heel veel zedelijkemoed voor noodig is om met zoo'n ding op zak'te loopen, waar duizenden al rillen van angst alser toevallig een exemplaar van V.N. bij hen inde bus gestopt wordt? Dat de heeren zich sneluit de voeten weten te maken ; :. Dit is wel hetmisselijkste verwijt, dat men hen maken'kan. Metwaarachtig -evenveel recht zou men de heeren vanV.N. kwalijk kunnen nemen, dat ze anonieme artikelenschrijven. Bovendien schijnt dat zich sneluit de voeten maken niet altijd te lukken en in datgeval is het lot, dat de daders der aanslagen wacht,niet moeilijk te raden.;Tenslotte dat de heeren hun revolvers gebruiken...De brave burgers, wier eenig streven erin bestaat de oorlog zoo goed mogelijk langs zichheen af te laten glijden, de angstigen, die zelf nietmee durven doen en dus naarstig zoeken naarkleineering van hen, die wel actief zijn, de zwartehandelaars, die alleen maar wat wagen als er grofgeld valt te verdienen, zij allen zullen vol instemmingV.N. toeknikken.Nette menschen schieten immers niet, als hendat niet door een kapitein bevolen wordt en zedus de verantwoording zelf te dragen hebben. Danis het moord en de daders zijn moordenaars.Weliswaar is het grappig, als er weer zoo'n NSBerwordt opgeruimd; maar het blijft moord. Echtvuil werk, dat misschien gedaan moet worden,maar dat de daders bezoedeld. Tegen dit valschsentiment, op angst of op zijn best op wanbegripgebaseerde oordeel over menschen, die hun levenwagen en geven, teneinde hJn Vaderland en hunlandgenooten te dienen, kan niet scherp genoegworden opgetreden.Wij zijn niet voor het links en rechts neerschietenvan tegenstanders, wij keuren het doodenook njet goed, wanneer het een wraak- of strafoefeningbetreft, hoewel dit soms wel begrijpelijkIs. Ook leden van de Duitsche weermacht zijntaboe, zelfs Duitschers in het algemeen. Ten strengstedient echter opgetreden te worden tegen deNederlandsche verraders en spionnen, tegen deschurken die a raison van zooveel per hoofd debesten onder ons aan hu^n beulen uitleveren, tegende Jodenjagers, die de straten onveilig maken enmannen en vrouwen' tegen vast tarief aan de el-'lende, aan moordenaarskamijen en sterilisator prijsggven,tegen de pseude-onderduikers en valschepapieren leveranciers, die hun gastheeren en beschermelingenverkoopen en ten onder brengen,tegen de indringers in de organisaties, die metieder begrip van eer spotten om inniger contactmet hun aanstaande slachtoffers te verkrijgen.. Mag men tegen dit tuig slechts dreigend devinger opheffen en afkeurend het hoofd schudden?Mag men één schurkenleven sparen als, hierdoortientallen levens van onschuldigen en patriotten


verloren gaan? Pit ware toch waanzin, dit waretoch een misdadige oudewijven moraal? Een dollehond maakt men At, de wezens waar het hier omgaat zijn ferger, slechter en gevaarlijker. Weg methen!Wij begrijpen niet, wat V.N. bezielde, toen hetzijn boven besproken artikel publiceerde. }alpusiede métier? Hoogere politiek? Wij weten echterwel, dat het in breede lagen weldenkende Nederlanderseen zeer ongunstige indruk gemaakt heeft.Wij betreuren het zeer een blad aan te moetenvallen, dat ongetwijfeld groote verdiensten heeft,en onder moeilijke omstandigheden veel heeft bereikt.Wij meenen echter in dit geval niet anderste mogen handelen.Groot-Nederland onder piratenvlag.Sinds de Julimaand van dit jaar vaart het maandschriftGroot-Nederland onder de zwarte piratenvlagvan een nazi-redactie. Of eigenlijk is dit beeldniet juist: voor de schijn wappert de oude vlagnog aan de mast, maar de bemanning wordt gevormddoor dat sociale uitschot, dat het van bedrogmoet hebben, om het zachtzinnig uit te drukken.Men moet respect hebben voor de tactiscbevaardigheid, waarmee de tot nog toe bestaanderedactie kans heeft gezien, de hachelijke waterenvan het bezettingsgetij te bevaren. Links en rechtshebben de zeeschuimers, die ook op het gebiedder cultuur niet van eigen arbeid, maar van plunderingleven, op de loer gelegen, om ook ditlaatste anti-fascistische commando van de brug teschieten. Dit is nu gelukt, dank zij 'de latentemedewerking van een laksen uitgever, die al maandengeleden de eer aan zich had moeten Ifoudenen stopzetting bewerken van het blad, aan welksverleden «fcich de respectabele namen van Couperus,Cyriel Buysse, Frans Coenen en — recenterwijs— van Greshóff en Vestdijk met deugdelijkekfank en glans verbinden.Thans zijn de piraten, men hoeft niet te twijfelendank zij welke manoeuvres, meester op ditschip. De schijn, dat er alleen maar kapiteinswisselingplaats heeft gevonden en dat het schiphet schip is gebleven, zal niemand bedriegen. De•redactie (waarom eigenlijk,' Dietse heren, geen„opstelraad"?) gevormd door illustere persoonlijkhedenals N. Lindt, J. A", van der Made en S. B.Mötiderman (sit nomen omen) vormt een triestbewijs voor de' kwalitatieve veranderingen, die inhet blad hebben plaats gegrepen; medewerkers vanhet troebel en schunnig soort als Gerard Wijdeveld,Frans Hannema en Henrik Scholte verlevendigenonze vooropstelling, dat de zeeschuimerij op cultuuren bovenal op nationaal fatsoen thans hoogtijviert. Heeft men niet de moed, een eigen tijdschriftte stichten? Staat de Kulturkammer niet klaar metpapiertoewijzingen en honorarium-garanties? Neen,het is makkelijker, op naam en economie van anderente teren. Van een dergelijk soort Germaanseeer en trouw weet S.S.-man Van der Made ongetwijfeldmeer te vertellen: hij is aan het Oostfrontgeweest, om tegen de vijanden der avondlandsebeschaving te strijden, en treedt thans op in derol van „spookkapitein": niet alleen is hij zelf eertrevenant van het zieligste soort (mannen als hijhoorden gesneuveld te zijn), hij bezweert ook nogeens in een stuntelig stuk proza de schim vanUilenspiegel, .ongetwijfeld * in navolging ,van devalse geuzenromantiek, waarop ons zijn soortgenooten Kammer-collega Eekhout al eens heeft onthaaldEn wat te zeggen van den heer HendrikLindt, voormalig sociaal-democratisch redacteurvan( het "voormalig sociaal-democratische „Volk",die lang en breed orakelt over een nieuwe theaterenfilmkunst, welke in het Frankrijk van Pétaingevoerd heet te worden tegen de uitingen van„destructieve geest", welke vóór 1940 de oudeFranse film beheersten..".? Wij herinneren onsmet enige walging en verlegenheid de literairpathologischepornografie, waarmee de heer Lindtons placht te verrassen, voor de aéra der Europesebewustwording hem in Mei 1940 blijkbaar zodanigbezielde, dat hij nu historische romans schrijft, dienog slechter zijn dan zijn vóór-Germaanse producten.Over „destructieve geest" gesproken! Menkart dit menselijk bederf hoogstens signaleren: wiezich er langer dan enkele seconden mee ophoudt,verontreinigt zich nationaal en cultureel. Niet meerdan signaleren doen wij voor de rest ook hetartikel van den tweeden S.S.-man, wiens bijdragende nieuwe inhoud van Gr. N. opsieren, en welNico de Haas, het redactionele weerhaantje vanhet S.S.-blad „Storm". Hij ontleent blijkbaar meeraan de (tijdelijke) autoriteit van zijn partij-insignedan aan degelijke kunstcritische kennis de treurigemoed, ons een beeld op te hangen van de bezinningop levenseenheid des heren beeldhouwersJohan Polet, welke ook al „Grieks-Germaans" heette zijn en waarin, goddank, „de oerwaarden vande Afrikaanse en Mexicaanse plastiek" zijn overwonnen— (de twijfelende lezer vraagt zich af, ofdit soms geschiedt is op de dag, toen deze HerrKulturrat zijn karakterloos gecoquetteer met linksedenkbeelden liet schieten, om al zijn kaarten opHitler te zetten?)Maar ach, waarom zouden heren redacteuren,medewerkers en vrienden van het gestolen maandschriftbeoordelen volgens artistieke of literairemaatstaven, die onder mensen van smaak, van beschavingen creatieve talenten gelden, en waaraandeze nazi's — als steeds — niet reiken, al tilt men


ze van de grond op? Zij hebben zich reeds onmogelijkgemaakt volgens de eenvoudige norm, diein een oorlog als deze redelijk vooropstaat: dievan eergevoel, vaderland, loyaliteit aan eigen volk..Zij hebben zich door hun naasting van Groot-Nederland vergrepen aan geestelijke eigendom entradities, die zij met hun Kulturzwadder alleenkunnen onteren. Zij vormen voor de zoveelstemaal in deze oorlog het typisch voorbeeld van mislukkelingenen ziekelijk-eerzuchtigen, die er volgensde weg van eigen kracht niet kunnen komen enin wie het jakhalzenbloed zo sterk schreeuwt, datzij bij de keuze tussen eigen, oorspronkelijk initiatiefóf roof zonder schroom de laatste kiezen.-Tot wederziens, mijne heren... op de dag dergrote schoonmaak! C rit o.De Heeren onder elkaar.In „De Storm" van 11 Juni j.l. verscheen eenanonym stuk onder den titel „Parasiten van dévolkskultuur" waarin'de heer en mevrouw van derVen-ten Bensel op zijn stormsch aan den kaakgesteld werden naar aanleiding van hun kort tevoren verschenen boek „De volksdans in Nederland".— „Parasitair gebeunhaas", „schijnheilige,quasi-voHcsche, pseude-wetenschappelijke geesteshouding",zelfverheerlijking om aan de NieuweOrde even sappig te verdienen als aan de oude",„relaties met mantelorganisaties der vrijmetselarijen joodsche instellingen", „joods-maconnieke proselieten'1 , „bespotting van alle levende kuituurwaardenvan het Noordras'' •— ziedaar een keuzeuit het critisch arsenaal van den schrijver van ditfraais.Het schijnt enkelen broeders in de leer zelfswat te kras te zijn voorgekomen. Althans promptverscheen in Vova, veertien dagen later een stuk,getiteld „Om der wille van het fatsoen", waarinde, eveneens anonyme schrijver het ojlnam voorden „niet-nationaal-socialist" van der Ven, nietzoozeer omdat de Stormcritiek in elk opzicht onrechtvaardigzou zijn geweest, maar omdat stijlen inhoud deden vermoeden dat de anonymusniemand anders was dan Nico de Haas, redacteuro.a. van het maandblad „Hamer". Deze heer nuzou in zijn blad, schrijvende over folklore en volkskunst,bij herhaling op ergerlijke wijze plagiaatgepleegd hebben, door heele brokstukken tekstletterlijk of met geringe wijzigingen, maar steedszonder bronvermelding, uit de geschriften van denheer van der Ven over te kalken. . . . Hierop antwoorddede heer de Haas weer, dat hij de bewusteStorm-kritiek niet geschreven had, maar de beschuldigingvan plagiaat aan zijn nationaal-socialistischelaars lapte, want dat bronvermeldingburgerlijke koek is en het bij • hem om veel tegroote, want volksche, idealen gaat om zich daa,romte bekommeren.Het was een steekspelletje, dat een even vermakelijkals leerrijk licht wierp op de gezindheidder heeren onder elkaar en een gezellige les vooralle van der Vennen, die zich wel hoeden lid vande N.S.B, te worden, maar zich toch in zulkebochten pogen te wringen, dat ze tot de partijorganentoegelaten worden en op voorzichtige,kwasi niet-compromitteerende wijze mogen meedoen..De geschiedenis van een Piano-bundel.Niet lang voor den oorlog verscheen bij eenondernemendeh Nederlandschen muziekuitgevereen bundel piano-muziek met uitsluitend werkenvan jongere. Nederlandsche componisten. Er wastoen nog geen papiernood, geen cultuurkamer engeen censuur op nieuwe uitgaven. De heer PietKetting, die zich met de samenstelling van denbundel had belast, kon een keuze doen naar eeren geweten. En inderdaad, al was er uitteraardgeen volledigheid in het overzicht der modernepianomuziek in ons land bereikt (of betracht), debundel voorzag in een behoefte en smaakte naarmeer.Maar de oorlog kwam, op den voet gevolgddoor papiernood, cultuurkamer, muziekgilde, censuuróp nieuwe uitgaven. De meeste onzer componistenhielden zich buiten het gilde. Lid werdende baantjesgasten, de strebers die vreesden in vergetelheidte zullen raken wanneer ze tijdens deoorlogsjaren op de achtergrond bleven, de angstigen.die zich lieten intimideeren door het dreigementmet dwangmaatregelen.Intusschen leek de tijd rijp voor een tweedepianobundel, die den eerste zou kunnen vervolgenen completeeren. Maar nu zette het departementzijn voet dwars en verbood de uitgave, die nietgelijk de eerste door Piet Ketting verzorgd werd:Ie omdat negen van de twaalf componisten diein de bundel vertegenwoordigd zouden worden,niet als gildelid staan ingeschreven; 2e omdat bijde voor den bundel uitgezochte auteurs de namenvan Badings, Voormolen en Ketting ontbraken!Het doet er niets toe, of zij reeds in den eerstenbundel vertegenwoordigd waren. Evenmin of zijmisschien niet eens voor het doel geschikte pianostukkenhebben liggen. Het departement decreteert.De gildebroeders gaan voor. De nieuwe ordewordt gehandhaafd. Maar zij die gelooven, hebbengeen haast


Tooneel.Het tweede seizoen gedurende de cultuurkamerperiodeis begonnen. Blijft de bemoeiing weereven onmachtig? Het wachten is nu op den

More magazines by this user
Similar magazines