Zoogdieren van West-Europa - Zoogdierwinkel

zoogdierwinkel.nl
  • No tags were found...

Zoogdieren van West-Europa - Zoogdierwinkel

ISSN 0925-.1006Zoogdier verschijl1t vier keerper jaar en is een gezamenlijkeuitgave van de Vereniging voorZoogdierkunde enZoogdierbescherming en deNationale CampagneBescherming Roofdieren.RedactieRelnier Akkermans, Dirk eriel,Kees ~pteyn, Jaap Mulder, Pietvan der Reest, johanVandewalle,Dennis Wansink.VormgevingWalter tentjes.Mêdewel"kersDln)' Basoski, PieterEIbers,Johan de Meester, Rolien deVries.DrukHPC, Arnhem.RedactieadresRedactie Zoogdier, De HolleBilt 17,3732 HM De Bilt. JaapMulder: 030-203158 (NL).Dirk eriel: 055-456610 (S).Adreswijzigirlgen sturen naarde VZZ of de NeBR.VUVerenigingvoorZoogdierkunde enZoogdierbe$cherming,Emmalaan 41,3581 HPUtrecht. OsO-544642 (NLj.Lidmaatschap fSS 9f BF 1000per jaar. Voor Nederland postbank203737, voor België rekening000-1486269-35. Ledenontvangen de tijdschriften Lutraen Zoogdier gratis.NCBRNati9nale CampagneBescherming Roofdieren,!"ostbus 98, 2180Ekeren 1.Telefoon 03-6530655 (B) of03-7713827 (B).Minimumdonatie BF 450 of f25per jaar. Voor België rekening068-0776500-42, voorNederland Rabobank 133513866. Donateurs ontvangenhet tijdschrift Zoogdier gratis.Abonnement België enLuxemburgAbonneren door overmakingvan BF 450 op rekening 000-1486269-35 ten name van penningmeesterVZZ te Utrecht(Nederland) onder vermelding"Abonnement Zoogdier".Abonnement NederlandAbonneren door overmakingvan f25 op postbank 203737ten name van penningmeesterVZZ te Utrecht onder vermelding"Abonnement Zoogdier".Losse nummersLosse nummers, inclusief portoBF 160 of f 8,00. Bestellen viaeen van bovengenoemde rekeningen.ZOOGDIER 1994 5 (2)juni 1994InhoudMolmuis ondergraaft vegetatie-ontwikkeling 3Jeroen van der Kooij en Barend van Maanen. , ,Het landbewonende zusje van de woelrat komt In Nederlands ZUld­Limburg voor, en laat daar haar sporen achterVreemde walvissen op onze kusten, deel 2: de butskop 8Chris Smeenk, Marjan Addink en Manuel Garcia Hartmann. ,Mooie verhalen rond de zeldzame strandingen van de merkwaardigebutskop.Bunzing in de buitenmuurZomer Bruijn.Vreemde geluiden uit de spouwmuur trokken de aandacht. Watbleek? Een bunzing met jongen was medebewoner van eenbuitenwijk.Hondsdolheid bij vleermuizenNelfy van Brederode. , .Sommige vleermuizen zijn dragers van het hondsdolhelds~lrus.Beslist geen reden tot paniek, maar enige voorzichtigheid IS welgeboden, vooral bij laatvliegers en meervleermuIzen.Nuchtere nachtbraker promoveert op Biesbosch-bever 25jaap Mulder. ....Een interview met Bart Nolet, die deze herfst zIJn doctorstitel hooptte behalen met zijn onderzoek aan de uitgezette bevers in deBiesbosch. Wat is Bart eigenlijk voor iemand?RubriekenKortaf 30Aankondiging vleermuissymposium, zeeuwse zeehonden, hamsterinventarisatie,belgische zoogdierpublikaties gezocht nacht van hetzoogdierBoekbesprekingWaarnemingen ,Vleermuizen in braakballen, steenmarter over de ijsseL bosuil enboommarter, noordse woelmuis gevondenFotowedstrijdTwee 'winnende' foto's afgedrukt, nieuwe inzendingen welkomDe overheidVerenigingsnieuwsAgendaAdressenFoto omslag: Johan De MeesterInzetten omslag: Johan De MeesterJooP van OschManuel Garcia Hartman162033353838394143


ZOOGDIER 1994 5 (2) 3jeroen van der Kooij & Barend van MaanenGDat grote grazers de vegetatie kunnen beïnvloedenweten we inmiddels allemaal. Maar dat onze inheemsemuizen ook aardig wat in de melk te brokken hebben istot nu toe onderbelicht gebleven. In een natuurgebiedin-ontwikkelingin Zuid-Limburg stak vorig jaar de molmuisde kop op. Tijdens een doctoraal onderzoek vegetatiekundewaren we in de gelegenheid om haar invloedop de vegetatie te onderzoeken. In onze vrije uurtjeskwamen we bovendien nog meer te weten over ditonbekende stiefzusje van de waterrat.Wageningen volgt het project sinds debraaklegging op de voet. Jaarlijks wordtde vegetatie door studenten onder deloep genomen. Zij ontwikkelt zich vaneen vegetatie gedomineerd door akkeronkruidennaar een (schrale) graslandvegetatie.Veel plantesoorten, die dedans van (kunst)mest en bestrijdingsmiddelenin de bermen van de akkerskonden ontspringen, breiden inmiddelshun areaal naar het midden van de percelenuit (van der Kooij & van Maanen1994).Molmuis. Foto Jean-Marc WeberBij Craubeek in Zuid-Limburg werdenin 1987 enkele landbouwgronden uitproduktie genomen ten behoeve van dewaterwinning. Sindsdien wordt hetgebied twee keer per jaar gemaaid. Hetmaaisel wordt afgevoerd, zodat degrond geleidelijk aan steeds schralerwordt. De LandbouwuniversiteitInvloed op de vegetatieVorig jaar gebeurde er iets opmerkelijks.In één perceel van 3,5 hectarevond een terugslag in de ontwikkelingplaats. Het aandeel van de akkeronkruidennalll na een jarenlange afnall1eplots weer toe (figuur I). Reeds bij onseerste werkbezoek in april 1993 wasons opgevallen dat er veel "molshopen"op het betreffende perceel lagen. Dehopen varieerden méér in grootte enwaren ook vlakker dan de hopen vande mol. Hier was sprake van het werkvan de molmuis Arvico/a lerreslris sherman.Deze niet aan water gebondenvorm van de woelrat is in Nederlandbeperkt tot Midden en Zuid-Limburg(Pelzers 1992). Hadden deze hopensoms invloed op de vegetatie?In mei bleek dat er op de "molmuishopen"kiemplantjes van onder andereherik Sinapis arvensis, raket Sisymbriumofficinale, zwaluwtong Po/ygonum convo/vulusen tuinbingelkruid Mercurialis


4Molmuis-hoop met jonge herik-plantjes.Foto Jeroen van der Kooijannua waren opgekomen. Blijkbaarkonden deze akkeronkruiden in dedichte grasmat niet genoeg licht enruimte krijgen om tot ontwikkeling tekomen, maar op de kale aarde van dehopen konden ze dat wel.Om na te gaan of er inderdaad eenverband bestond tussen de molmuizenen de akkeronkruiden moesten we hetaantal molshopen op het perceel vergelijkenmet dat van vorig jaar. Gegevenshierover ontbraken echter. Gelukkigkonden we een vergelijking maken meteen naburig perceel, dat een overeenkomstigeontwikkeling heeft doorgemaakt,maar waar niet dezelfde plotselingetoename van akkeronkruidenplaatsgevonden heeft. Helaas werden demolshopen bij de eerste maaibeurt vereffendzodat we ze in geen van beidepercelen konden tellen. Daarom beslotenwe de gaten te tellen, waardoorheende molmuis de losgegraven aardeomhoog werkt (Reichstein 1982), plusde dieren die bij de eerste maaibeurtwaren omgekomen (zie verderop).Hierbij namen we aan, dat deze beidegegevens in direkt verband zoudenFiguur 1. Bedekking van akkeronkruiden in het molmuisperceel.sinds de braaklegging90,----------------------------------------,807060~ 50~ 40.cil 302010oL-~----~~------~----------~--~~~1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993staan met het aantal molmuishopen. Degaten en de dode molmuizen telden wena de eerste maaibeurt, door enkeleproefvlakken (samen 8000 m 2 ) af tespeuren. Dit leverde 1390 gaten en 46dode dieren per hectare op voor het'molmuisperceel' en 840 gaten en 9.3dode dieren per hectare voor het naburigeperceel.Deze gegevens steunden onze stelling,dat de toename van de akkeronkruidenveroorzaakt werd door een toenamevan de molmuizen, die door het blootleggenvan de aarde ideale groeiomstandighedenvoor akkeronkruiden schiepen.De molmuis vertraagde hiermeedus de beoogde ontwikkeling naar eensoortenrijk schraal grasland.Waarom was het aantal hopen in hetnaburig perceel nu veel lager? Dat ligtwaarschijnlijk aan het verschil inbodem. In het naburige perceel ligt eenlaag van slechts enkele decimeters lösswaarin zich losse stukken kalk bevindenop de ondergrond van kalksteen. In hetmolmuisperceel daarentegen ligt meerdan een meter pure löss op de kalklaag.De bovenlaag van het naburige perceelis dus steniger en droger (kalk is ergwaterdoorlatend!), wat voor een graverals de molmuis een belemmering kanvormen. Bekend is dat molmuizen eenvoorkeur voor vochtige gronden vertonen(Wieland 1973).RandeffectBij het afspeuren van de proefvlakkenkwamen we tot de ontdekking, dat hetaantal molmuisgaten naar het middenvan de percelen toe eerst een stijgenden vervolgens een willekeurig verloopvertoont (figuur 2). Dit bleek voor alledrie de onderzochte percelen het gevalte zijn. We vroegen ons af, wat hiervande oorzaak kon zijn. We kwamen totvolgende hypotheses:- de dieren worden in de randen verdrongen(of gegeten) door anderediersoorten, die in de aanliggendebermen leven- de bodem aan de rand van de akkeris voor graven minder geschikt- de voedselsituatie in de akkerrandenis minder geschikt.De vegetatie in de bermen is nogalheterogeen, zowel laag als hoog. Er zijnbeschaduwde en geëxponeerde bermen.In de verschillende bermen leven duswaarschijnlijk ook verschillende diersoortenin uiteenlopende aantallen. Ditmaakt het onwaarschijnlijk dat deinvloed van deze dieren op de molmui-


ZOOGDIER 1994 5 (2)zen in alle akkerranden uiteindelijk tothetzelfde resultaat leidt. Wat betreft detweede hypothese kunnen aan hethoofd van een akker draaiende landbouwvoertuigenvoor bodemverdichtingzorgen, wat het graven mogelijkbelemmert. Daar echter geen van deonderzochte randen aan het hoofd vande akker is gesitueerd lijkt ook dit alsoorzaak onwaarschijnlijk. Zou het danaan de voedselsituatie liggen?We vermeldden reeds dat planten vanschrale graslanden vanuit de bermen depercelen kolonialiseren. Hun aandeel inde vegetatie neemt dus van de randnaar het midden toe af (figuur 3). Hetaantal molmuisgaten neemt juist toevan de rand naar het midden.Plantesoorten van schrale graslandenspringen vaak heel zuinig om met hunenergie en zijn daardoor vaak klein envezelig en dus voor een 11101nluis nlin~der aantrekkelijk dan de forse, sappigeplanten van stikstofrijke bodems(Wieland 1973). Het zou dus goed kunnenzijn dat de molmuizen vooral deplanten van rijke bodems opzoeken,maar of dat echt de verklaring voor devreemde verspreiding van de gaten is,zal in de toekomst moeten blijken, wanneerde schrale graslandplanten zichverder uitbreiden. De molmuizen zoudenzich dan namelijk nog verder vande akkerrand terug moeten trekken.MaaislachtoffersTijdens ons onderzoek vonden we nahet lnaaien en afvoeren van de vegetatieveel dode molmuizen. Vermoedelijkzijn de dieren niet bij het maaien zelf,maar bij het hooien omgekomen.Onder de gemaaide grasmat waandenze zich waarschijnlijk veilig, tot de hooimachineshen met hun roterende pinnenverrasten. Niet alleen molmuizenwaren het slachtoffer. We vonden ookenkele mollen Talpa europaea en bosspitsilluizenSorex coronatus, een rossewoelmuis Clethrionomys glareolus, eenveldmuis Microtus a11ialis en een bosmuisApodemus sylvaticus in de proefvlakken.Omdat we pas enkele wekenna het hooien het aantal slachtoffers teldenkan het werkelijke aantal nog weleens hoger zijn. Een deel van de slachtofferskan namelijk al door roofdierenen aaseters afgevoerd geweest zijn.Bovendien nemen we aan dat ook eenaantal dieren met het maaisel is afgevoerd.Na het maaien zagen we veel minderlevende molmuizen en vonden we ookGravende molmuis.Gaten van de molmuis.minder sporen. Daardoor kregen we deindruk dat de invloed op de populatieniet onaanzienlijk is geweest. Het kanechter ook zijn dat de molmuizen meeronder de grond bleven, zodoende hunaktiviteiten aan het oog onttrekkend,ten gevolge van het ontbreken vanbeschutting en voedselaanbod na demaaibeurt. Of de maaibeurt blijvendegevolgen voor de populatie had is onzeker.Foto Jean-Marc WeberFoto Jeroen van der KooijFiguur 2. Verspreiding van de mOlmuisgaten vanaf deperceelrand40,----------------------------------------," 30 C- E0~~c. 20 -c~0>:§ 10 -C•0II2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16aantal meters van de berm


6...ClC" w"w.cMolmuisgaten tellen bij Craubeek, Zuid-Limburg.Foto Jeroen van der KooijOndergrondse leefwijze?Doordat de molmuis (vóór het maaien)zo'n hoge dichtheid bereikte kregen wede gelegenheid om eens wat nauwkeurigerop dit dier te letten.Tijdens het bestuderen van de vegetatiein mei en juni hoorden we regelmatigdieren piepen. Soms zagen we ook molmuizendoor het gras rennen. Verderbleek uit knaagsparen, paadjes en keuteltjesdat de dieren wel degelijk bovende grond komen om te foerageren, integenstelling tot wat vaak wordtbeweerd. Wel vonden we de foerageersporelialleen in hoog gras (met nameglanshaver) en onder overhangendegraspollen. Hier voelden de dieren zichblijkbaar veilig voor gevaar uit de lucht.PaardebloemmethodeEén keer konden we een molmuiswaarnemen die de stengel van een paardebloemTaraxacul11 officinale velde,naar een nabijgelegen hol sleepte enFiguur 3. Uitbreiding van de grote centaurie vanaf deperceelrand (bedekking volgens schaal van Tansley)40,----------------------------------------,30 -20100--2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16aantal meIers vanaf de bermhem daar in stukjes begon te knagen.Toen de stengel verdwenen was stakenwe nog een stengel in het gat, die gretiggeaccepteerd werd. Zo konden we hetdier regelrecht voeren. Vier stengelswist het dier zo achter elkaar in stukjeste knagen. Door de laatste stengel vastte houden ontstond er zelfs een touwtrekkentussen het dier en de waarnemer.Hierbij piepte de molmuis af entoe en waagde zich zelfs even boven degrond. We vroegen ons af of we opdeze manier de activiteit en aanwezigheidvan molmuizen konden inventariseren.Als proef op de som staken wepaardebloemstengels in een reeks gaten.Binnen enkele uren tot l11aximaal eendag waren ze allemaal verdwenen. Weherhaalden het experiment enkeledagen, met hetzelfde resultaat. Eén keervonden we een hol dat na het weghalenvan de stengel door de molmuis metaarde was afgesloten. In ons onderzoeksgebiedbleek deze 'paardebloemmethode'dus een geschikte manier omaan te tonen dat de molmuis gatenbewoond waren. Als je zou willenweten welke gaten vaak en welke mindervaak worden gebruikt, zou je deverdwijnsnelheid van de paardebloemenin elk hol kunnen vastleggen.VoedselplantenInventarisatie van aangeknaagde plantedelenleverde ons een lijstje van dertienverschillende voedselplanten op (tabel1). Van bijna al deze planten werdenstukjes stengel gevonden. Waaromwordt de stengel nu niet in zijn geheelopgegeten? Corbet & Harris (1991) vermelden,dat de dieren met name deknopen en de knoppen van de planteneten. Dit is zeker een deel van het antwoordop de vraag, maar het verklaartniet waarom paardebloemstengels instukjes worden geknaagd. Zijn kleinerestukjes misschien minder handelbaar?Directe observatie van foeragerendemolmuizen geeft mogelijk meer uitsluitselover dit fenomeen. Bij de grassenkan ook de afstand tussen de knopengemeten en vergeleken worden met delengte van de gevonden stukjes stengel.Als het de muis om de knopen te doenis dan zou je tussen beide metingen eensterk verband moeten vinden.Opmerkelijk vonden we dat de stengelsvan zachte dravik en groot streepzaadniet worden versmaad, hoewel zeerg harig zijn. Ook stelden we vast, datnaast de stengels ook de bloemetjes vangroot streep zaad, paardebloem, veld-


ZOOGDIER 1994 5 (2)beemdgras en zachte dravik waren aangeknaagd.Van de akkerdistel werden(niet onterecht!) alleen de wortels gegeten.Dit was goed waarneembaar doordatéén op de tien tot vijftien plantenslap hing, ogenschijnlijk zonder enigeoorzaak. Moeiteloos konden ze uit degrond worden getrokken. De penwortelwas praktisch tot aan de stengel (scheef)afgeknaagd. Slappe distels met een afgeknaagdepenwortel verraden dns ook deaanwezigheid van de molmuis.Waarschijnlijk doet de ondergrondsewoelmuis Microtus subterraneus dit netzo, maar deze maakt niet zulke grotegangen.Nadere studie?Met al deze observaties zIJn we ietsmeer over de molmuis te weten gekomen.Toch blijven veel vragen nogonbeantwoord. Mensen, die geïnteresseerdzijn in de molmuis en hier werkvan willen maken kunnen zich bij onsmelden. De eerste molmuishopen zijnalweer gesignaleerd. Het werk kanbeginnen..-rrSlap hangende akkerdistel: een molmuis heeft de wortelopgegeten.Foto Jeroen van der KooijLiteratuurCorbet, G. B. & S. Harris, 1991. TheHandbook of British MammaIs. 3rd edition.Mamma} Society.Kooij, 1. van der & B. van Maanen, 1994.Vegetatieontwikkeling op de verlaten landbouwgrondenin het drinkwaterwingebied"De Sevensprongh" (Craubeek, Limburg).Docteraalverslag LUW.Pelzers, E., 1992. Woelrat. In: AlIas van deNederlandse zoogdieren. Red.: S.Broekhuizen et al., Stichting UitgeverijKNNV, Utrecht.Reichstein, H., 1982. Arvicola terrestris(Linneaus, 1758) Schermaus. In:Handbuch der Säugetiere Europas. Band2/1. Rodentia Il. Akad. Verlagsgesellschaft,Wiesbaden.Wieland, H. van, 1973. Beiträge zur Biologieund Massenwechsel der GrossenWühlmaus (Arvicola lerrestris L.). Zool.lb. Syst. Bd. 100:351-428.Met dank aan onze begeleider K.V.Sakora en de vakgroep TerrestrischeOecologie en Natuurbeheer van deLandbouwuniversiteit Wageningen.SoortTabel 1. Gevonden voedselresten van de molmuisGrassen:Engels raaigras Lolium perenneKropaar Dactylis glomerataKweek Elymus repensVeld beemdgras Poa pratensisZachte dravik Bromus hordeaceusKruiden:Akkerdistel C/rsium arvenseEchte kamille Matricaria recut/taGewone hoornbloem Cerast/um fontanumGroot streepzaad Crepis biennisHerik S/nap/s arvens/sKruipende boterbloem Ranuncu/us repensPaardebloem Taraxacum officinaleRode klaver Trifolium pratenseJeroen van der Kooij en Barendvan Maanen, p/a Pluuthaven 12,3891 Be Zeewoldeplantdeelstengelstengelstengelstengel + aartjesstengel + aartjeswortelstengelstengel + bloemenstengel + bloemenstengelstengelstengel + bloemenstengel + bloemen


ZOOGDIER 1994 5 (2) 8vChris Smeenk, Marjan Addink & Manuel Garda HartmannStrandingen van grote walvisachtigen komen altijdonverwacht en meestal ongelegen. In een vorig nummervan Zoogdier vermeldden we al de stranding van eennog levende butskop bij Hargen in Noord-Holland, op25 augustus 1993. In hetzelfde jaar, op 10 november,werd er een dode butskop gevonden op het wad bijRotturneroog. Beide strandingen zorgden voor de nodigeorganisatorische problemen, maar ook voor spanning enafwisseling in ons werk. Hieronder wat meer over debutskop, één van onze merkwaardigste walvissen.Butskop, jong mannetje gestrand bij Waarde, Zuid-8eveland, november 1931" Het pijltje geeft de plaatsvan de ademhalingsopening aan.Tekening van M.A. Koekkoek.DehilleDe butskop Hyperoodon ampul/atus,vroeger ook hilIe. hillegonda of deugdelinggenoemd, behoort tot de familievan de spitssnuitdolfijnen of Ziphiidae.De soort is dus een verwant vanMesoplodon, de eigenlijke spitssnuitdolfijnen,waarover we in ons vorige artikelschreven (Smeenk et al. 1993). De butskopis één van de grootste soorten vandeze groep. De mannetjes bereiken eenlengte van bijna 10 meter, de wijfjesblijven kleiner, hoogstens 8,5 meter.Evenals de andere spitssnuitdolfijnenheeft de butskop een smalle snuit, eensterk gereduceerd gebit, twee keelgroevenen een staart zonder inkeping in hetmidden. Maar de kop ziet er heelanders uit dan die van Mesoplodon. Debutskop heeft een enorm bolle kop; debek steekt als een soort snavel onderhet bolle voorhoofd uit, vandaar deDuitse naam "Entenwal" en het Engelse"bottlenose whale", wat herinnert aaneen antieke, dikbuikige kruik of fles.De schedel van de butskop is heelvreemd gebouwd: de soort bezit éénvan de merkwaardigste kopstructurenonder de walvissen. Het snuitgedeelte isweliswaar niet zo extreem lang en smalals bij Mesoplodon (zie de afbeeldingenin het vorige artikel), maar de bovenkaakvertoont aan weerskanten eenenonne, rechtopstaande, ronde kaln,die hoger wordt met de leeftijd. Bij deoude n1annetjes groeien die kmTIlnen zover uit, dat ze elkaar in het midden bijnaraken. Het schedelgedeelte aanweerszijden van en achter deze kam­Inen is luin of meer schotelvormig verbreed.Verder is de voorhoofdskam, diebij alle spitssnuitdolfijnen voorkomt, bijde butskop buiten proporties ontwik-


keld en zeer asymmetrisch. Bij volwassendieren is het rechter gedeelte van deschedelkam helemaal naar vorengedraaid en bij de oude stieren raaktdeze bijna aan de kam op de rechterbovenkaak. De ademhalingsopeningenin de schedel zijn door deze groeiwijzezo asymmetrisch gevormd en zittenzodanig verborgen onder die uitgegroeideschedelkam, dat men zich in gemoedeafvraagt hoe de dieren bij zo'n bizarrekopvorm nog normaal kunnenademhalen. Het weke gedeelte van dekop bestaat uit een groot vetkussen, datingeklemd zit tussen de drie schedelkanl1uen.Dit vetkussen is enigszins vergelijkbaarmet het vetweefsel in de kopvan de potvis, maar is minder ingewikkeldvan structuur. Over de functie vanal die wonderlijke vormingen is nietsbekend. Hebben vetweefsel en schedelkammeniets te maken met de echolocatie,of dient vooral de enonn verzwaardekop van de mannetjes als eensoort stootwapen bij gevechten om desociale rangorde? We weten het niet.Kenmerkend voor alle spitssnuitdolfijnenis het sterk gereduceerde gebit.Evenals Mesoplodon, heeft de butskopin de regel slechts één tand in elkeonderkaakhelft. Deze tanden staan helemaalvooraan in de kaak. Bij de mannetjesbreken ze door, bij de wijfjes blijvenze verborgen in het tandvlees.Waarschijnlijk hebben ze alleen eensociale functie: zowel vrouwelijke alsmannelijke butskoppen hebben vaak littekensvan tandkrassen die door mannetjestoegebracht moeten zijn. Achterde voortanden zit soms een tweedetand in één of beide onderkaakhelften,Schedel van een butskop, gezien van opzij. Jong mannetje,gestrand bij Breskens, Zeeuwsch-Vlaanderen,september 1984; collectie RMNH, Leiden. De kammenop de bovenkaak, de gedraaide voorhoofdskam en deasymmetrisch gevormde neusgaten en omringendeschedelbeenderen zijn kenmerkend.Foto Rosamond W Puree/I.maar deze breekt nooit door. De butskopvan Hargen heeft zo'n derde tandjein haar linker onderkaak. Soms is erook een rij rudimentaire tandjes in debovenkaak.Levenswijze en gedragHet geslacht Hyperaodon heeft eenmerkwaardige verspreiding. In hetnoorden van de Atlantische Oceaanleeft H. ampullatus. In de gematigde enkoude wateren van het zuidelijk halfrond,rondom Antarctica, komt H. planifransvoor, die zeer veel op onze butskoplijkt. Mogelijk bestaat er nog eenderde soort, die in tropische waterenleeft; daarover straks iets meer.Butskoppen zijn dieren van de diepzee.Het zijn uitstekende duikers, dieeen aanzienlijke diepte bereiken enlneer dan een uur onder water kunnenblijven. Het stapelvoedsel bestaat uitinktvissen; daarnaast wordt vis gegeten.Over de butskop is meer bekend danover de meeste spitssnuitdolfijnen.Noorwegen heeft namelijk nog tot in dejaren zeventig jacht gemaakt op dezesoort (om de traan) en gegevens overde biologie zijn gepubliceerd doorBenjaminsen & Christensen (1979).Over het sociale gedrag weten we echternog weinig; zo is de structuur van


ZOOGDIER 1994 5 (2)fig. 7Ontwikkeling van de schedel van een butskopstier; hetjongste dier onder (fig. 9), het oudste links boven (fig.6). Uit Gray (1882).10butskopgroepen nog onduidelijk Demeeste veldwaarnemingen betreffen éénof twee dieren, maar er zijn tot 35 butskoppenbij elkaar gezien (Evans 1980).Gray (1882), kapitein van een walvisvaarder,vermeldt dat ze voorkwamenin groepen van zo'n vier tot tien dieren.Volgens recent onderzoek vanWhitehead (1990) bij Canada lijkt heterop, dat de volwassen vrouwtjes stabielefamiliegroepen vormen en dat demannetjes tussen deze groepen heen enweer trekken. Mogelijk varieert het aantaldieren per groep ook met het seizoen,en voegen kleine groepjes butskoppenzich samen op plaatsen waarveel voedsel zit Bij Spitsbergen, JanMayen, IJsland en Noorwegen komenin het vOOijaar of in de zomer de jongen("kalveren") ter wereld. Als zegeboren worden, zijn ze zo In 3,5 lneterlang; ze drinken waarschijnlijk minstenseen jaar lang bij hun moeder.Butskoppen zijn nieuwsgierig. Gray(1882) beschrijft dit en vertelt ook overde hechte band tussen de leden van eengroep. Walvisjagers als Gray gebruiktendit gegeven: als één dier aangeschotenwas, bleven de andere erbij en zo werduiteindelijk de hele groep gedood. Denieuwsgierigheid van de dieren steltWhitehead (1990) en zijn studenten instaat om op gemakkelijke wijze foto's temaken aan de hand waarvan de individuenherkend kunnen worden: ze leggenhun boot stil en na enige tijd zijn zeomringd door butskoppen. Volgens deRussische anteur Tomijin (1957) makenbutskoppen soms sprongen waarbij zegeheel boven water komen, net alsS0111111ige grotere walvissen.De Noorse jacht en de recente waarneulingen,vooral in Britse wateren,hebben een vrij goed beeld opgeleverdvan het migratiepatroon van deOostatlantische butskoppen. In denaZ0111er trekleen de dieren naar het zuiden,bij voorkeur door wateren vanmeer dan 1000 meter diep. Deze routevoert dicht langs de westkust vanShetland, Schotland en de buitensteHebriden. In elk geval worden daarvooral in augustus en september veelbutskoppen gezien, en de piek vanstrandingen ligt er eveneens in september(Evans 1991). Het overwinteringsgebiedvan deze populatie ligt vermoedelijkergens ten zuidwesten vanIerland. De noordelijke trek in hetvOOijaar verloopt waarschijnlijk verderuit de kust De door Whitehead bestudeerdegroep, bij Nova Scotia, lijkt


helemaal niet weg te trekken. De dierenzijn het hele jaar aanwezig bij "TheGully", een ongeveer 2000 meter diepetrog in de oceaan (Whitehead 1990).Nederland en BelgiëDe oudste vermelding van een butskopop de Nederlandse kust dateert vanaugustus 1584, toen er een ongeveer 8meter lang mannetje strandde bijZierikzee. In augustus 1757 verscheener een butskop in de Westerschelde: het"ondier van het Hellegat", dat vastliepin de buurt van Zaamslag. Ook dit waseen ll1annetje van zo'n 8 lueter. Enkelevissers probeerden het dier af te maken,wat niet lukte, vermoedelijk vanwege dezware schedel. Men sneed de stukkenspek toen maar uit het levende dier:van fijngevoeligheid tegenover dit soort"gedrochten" had men toen weinig last.Van deze twee butskoppen zijn tekeningenbewaard gebleven. De orginele pentekeninguit 1757 bevindt zich in hetwalvisarchief van het Rijksmuseum vanNatuurlijke Historie te Leiden (thansofficieel Nationaal NatuurhistorischMuseum geheten) en is zo curieus, datmen er nauwelijks een butskop in herkent.Gelukkig zijn er van dit dier nogskeletdelen; deze lagen vroeger in dekerk van Zaamslag, nu in hetSchelpenmuseum aldaar. Uit de 19deeeuw zijn minstens zes zekere butskopstrandingenin Nederland bekend, uitdeze eeuw tot nu toe twaalf. Verder iser nog een goed gedocumenteerdeDe butskop van Waarde, november 1931.Foto walvÎsarchief RMNH.waarneming van de Nederlandse kust:op 25 juli 1990 zwom een jonge butskopde Sloehaven bij Vlissingen binnen(Bekker 1990; Kastelein & Gerrits1991). Tenslotte is er door Nick vander· Ham op 15 november 1989 eenbutskop gezien bij de HondsbosscheZeewering (Sula 3: 157). Er zijn slechtsdrie gevallen uit België bekend: eenjong dier dat in november 1873 bijAntwerpen werd gevangen (eigenlijkdus een Nederlandse butskop, maarvooruit) en één in augustus 1922 enaugustus 1925, allebei te Wenduine (DeSmet 1974, 1981).Kijken we naar de verdeling van debutskoppen over het jaar, dan zien wehet volgende patroon. Van de 24 strandingenen waarnemingen in Nederlanden België die goed gedateerd zijn, vallener 21 in de periode juli-november: injuli twee, augustus negen, septemberdrie, oktober één en november zes.Mogelijk gaat het hier vooral omzomergasten die niet naar noordelijkewateren zijn doorgetrokken, enlof omdieren die op hun trek naar het zuidenverdwaald raakten in de zuidelijkeNoordzee. De piek in augustus valt ietsvroeger dan de strandingspiek op deBritse Eilanden. Ook aan de Franse zijdevan Het Kanaal valt het grootstedeel van de strandingen in de periode


ZOOGDIER 1994 5 (2)juli-december, met een duidelijke piekin augustus (Duguy 1983: vooral gegevensuit vorige eeuwen). Op misschienéén dubbele stranding na (een wijfje opTexel op 24, een jong mannetje opAmeland op 26 augustus 1956) warenalle dieren solitair. Evans (1980) vermeldtnogal wat strandingen en waal'nemingenvan twee dieren tegelijk. Alonze butskoppen zijn wijfjes of jongemannetjes. De oude stieren van zo'ntien meter lang met volledig uitgegroeideschedelkammen zijn hier nog nooitgevonden; die lijken verder op zee teblijven.Er is met die butskop strandingen nogiets vreemds aan de hand. Van de 23exemplaren die op de Nederlandse enBelgische kust zijn gevonden, zijn ertenminste elf levend gestrand, of kortvoor de stranding levend gezien. Eenaantal andere dieren was nog zo verstoen ze gevonden werden, dat die vermoedelijkook nog leefden, toen zevastliepen. Wat hiervan precies de oorzaakis, weten we nog niet. Wel is duidelijkdat de butskop een soort is dieniet thuishoort in de ondiepe, zuidelijkeNoordzee. Raken zulke dieren toch inonze wateren verzeild en k0111en ze nietop tijd weg, hetzij om de noord, hetzijdoor Het Kanaal, dan verzwakken ze ofraken ze in moeilijkheden in de ingewikkeldestelsels van zandbanken enstromingen, die zich vooral in hetWaddengebied en de Delta (Zeeland)voordoen. Van de 23 strandingen inNederland en België vonden er elfplaats in het Waddengebied (inclusiefde voormalige Zuiderzee) en zeven inde Delta. Andersom is het natuurlijkook denkbaar dat juist zieke dieren opzo'n fatale wijze gedesoriënteerd raken.Wat een butskop ertoe beweegt om eenrivier als de Schelde op te zwemmen, iseveneens een raadsel. Dat zo'n excursieook wel eens goed afloopt, bewijst debutskop in de Sloehaven in 1990, dieop eigen kracht weer naar open zee wistte ontkomen (Kastelein & Gerrits1991). Ook van Mesoplodon zijn er naarverhouding veel dieren levend op onzekusten gestrand.De butskop van HargenDe eerste butskop in 1993 werd op 25augustus om ongeveer elf uur 's ochtendsgezien bij de HondsbosscheZeewering, door lnensen die daar aanhet werk waren (Smeenk 1993). Hetdier zwom vlak langs de kust en kwamvast te liggen op het strand, even ten12zuiden van de dijk. Men waarschuwdeEcoMare op Texel en het dolfinariumte Harderwijk. Samen met enkele mensenvan de Schoor/se reddingsbrigadewerd geprobeerd de walvis weer in dieperwater te krijgen, wat mislukte. Debutskop stierf rond één uur. Men kanzich afvragen of al dit goed bedoeldeduwen en trekken het zieke dier nietnog extra pijn heeft bezorgd. Toen debutskop gestorven was, brachtEcoMare het museum in Leiden op dehoogte. Onze groep was op datmoment nogal verspreid: CS was thuis,MA zat op Texel en MGH op zijn postin Pieterburen. Maar 0111 vier uur wasiedereen ter plaatse, inclusief een goedgeoutilleerde ploeg preparateurs voorhet snijwerk, en enkele andere assistenten.De butskop was een volwassen wijfjevan 7,80 meter lang en ongeveer 3600kilo zwaar. Het is daarmee het grootsteexemplaar dat deze eeuw op onze kustis gestrand. De walvis werd op hetstrand ontleed: door de preparateursvan het museum werd het skelet verwijderd,terwijl onze belangstelling vooralnaar de inwendige organen uitging. Netals bij onze secties op de veel kleinerebruinvis, wilden we zo veel mogelijk teweten kOll1en: was ze ziek, waren ernog voedselresten in haar maag, had zeal jongen gehad? Erg interessant was deaanwezigheid van oude littekens op kopen vinnen, die alleen maar door de tandenvan een area Orcinus area veroorzaaktkonden zijn. Ook vertoonde dekop kleine tandkrassen, toegebrachtdoor een butskopmannetje. In de maagbevond zich een hoeveelheid inktvissnavels.De darm was 31 meter lang en dedarmwand vertoonde dezelfde netvormigestructuur die we ook bijMesoplodon aantroffen. Aan de ovariakonden we zien dat het om eengeslachtsrijp vrouwtje ging. Verderwees de grote hoeveelheid bloedvatenin de baarmoeder erop dat ze minstenseenmaal een kalf moet hebben gehad,omdat zulke bloedvaten pas tijdens deeerste zwangerschap worden aangelegd.Wat was er nu met de bntskop aande hand? Haar gedrag vóór de strandingwas ongecoördineerd, mogelijkeen aanwijzing dat het dier erge pijnleed, of in elk geval ziek was en verzwakt.De dikke speklaag wees erop datze waarschijnlijk nog niet lang ziek was:de vetreserves waren nog nauwelijksaangesproken. Gestrande walvissen, endan vooral de grotere en zwaardere die-


De butskop van Hargen, augustus 1993. Het rechteroog is er al uitgesneden.Foto F. TamÎs.ren, krijgen al snel ernstige problemenmet bloedsomloop en lichaamstemperatuur:buiten het water raken ze als hetware oververhit. Bovendien zakken zeletterlijk in elkaar onder hun eigengewicht. In dit geval moesten wij dusproberen tijdens de sectie onderscheidte maken tussen de invloed van destranding op de organen en de pathologischeveranderingen die de ziekte veroorzaakthad. Deze butskop had in hetverleden al eens een zware longontstekinggehad; ook nu waren de longenernstig aangetast. De milt vertoondeeen sterke reactie op een infectie en delever was er ook slecht aan toe, ll1aardat was gedeeltelijk een gevolg van hetstranden. De aanwezigheid van bepaaldebacteriën in hart en milt wees opsepsis: verspreiding van bacteriën dooralle organen zonder dat het lichaam dit,vlak voor de dood, nog kan tegenhouden.Mogelijk is de uiteindelijke doodsoorzaakechter toch de feitelijke strandinggeweest en niet de ziekte.Na de sectie waren de complete kop,het skelet, de maaginhoud en bakkenmet weefselmonsters dezelfde avond alin Leiden en het strand was schoon,dankzij de gemeente Schoorl, die al hetorganische materiaal direct liet afvoeren.De butskop van RottnmeroogDe stranding van de tweede butskopkwam evenmin op een handig moment:op 10 november, een dag voordatMGH en MA naar een congres overzeezoogdieren in Texas zouden vertrekken.MGH moest al zijn bezigheden inPieterburen laten liggen toen er eentelefoontje binnenkwam van de heerWesterhuis, een visser uit Tennunten,die vertelde dat er "iets walvisachtigs,groter dan een dolfijn" op een zandbanklag tussen Rottumeroog en hetSpalTegat. Na enige snelle voorbereidingengingen MGH en Linda Fusco,een vrijwilligster uit Pieterburen, aanboord van de P 56 van de Rijkspolitiete Water, die om half twee uit deEemshaven vertrok.Het bleek een vrouwelijke butskopvan 6,75 meter lang te zijn, enkele tonnenzwaar en al flink rot. De omstandighedenwaren moeilijk: het dier lagop een zandbank die bij opkomend tijweer onder zou lopen en naast Manuelwaren er alleen twee politienlensen meeop de zandplaat: Piet Piekstra en HarmDrost, respectievelijk schipper en stuurmanvan de P 56.Manuel vertelt: "Ik miste vooral het


ZOOGDIER 1994 5 (2)14Butskopmannetje, gestrand bij Zierikzee, Schouwen,augustus 1584. Kopvorm en keelgroeven zijn primitief,maar correct weergegeven. Aquarel van onbekendetekenaar.Foto walvisarchief RMNH.grote aantal mensen dat in Hargen meehielp(ongeveer tien), zowel qua ervaringals qua mankracht. De politiemannenwaren zeer behulpzaam, maar nietgekleed en uitgerust voor het assisterenbij een sectie. We werkten middenin deWaddenzee in de motregen van eendonkere herfstdag, bij windkracht 6 ofmeer, en de zandplaat zou twee uurlater weer onderlopen. Na een half uurzwaar snijden in de taaie walvis had iktwee zere armen en pas een heel kleineopening in het lichaam van de butskop.Waarom al die moeite? Doordat hetdier rot was, waren de organen natuurlijkniet goed meer, maar ondanks datkan inwendig onderzoek nog aanwijzingenopleveren over aard en oorzaak vanziekte(n). Bepaalde veranderingen, zoalsde grootte van lymfeklieren, bindweefselontstekingenen grote bloedingen,blijven zichtbaar. Maar het water kwamop en ik besloot om door bevoelen vande baarmoeder na te gaan of het dierdrachtig was. Via de kleine opening dieik had gemaakt, met praktisch mijn helearm in de buik1101te, voelde ik lever enmaag en uiteindelijk ook de baarmoeder:daar zat niets in. Ik waste mijn armin het snel stijgende water van deWaddenzee. Er was haast geen tijdlneer, en we moesten van verder onderzoekafzien. Ik kon nu alleen nog proberenhet belangrijkste "weefselmonster"mee te nemen: de kop. Met dekop zouden we spek en spierweefselhebben voor verder onderzoek, enschedel en tanden voor een leeftijdsschatting:geen ander orgaan bevat zoveel gegevens en is zo "lnakkelijk" teverzamelen. Hoewel, het doorsnijdenvan een "nek" van lneer dan een nleterdoorsnede valt toch tegen. Toen hetwater al zowat tot de rand van onzelaarzen stond, lukte het, dankzij eenslim idee van de twee politiemannen:terwijl ik sneed, trokken zij aan de kop,die met een touw aan hun speedbootvast zat. Met enorme krachtsinspanningkregen we de 800 kilo zware kop los,van de zandbank af en naar de groteboot, die twee kilometer verderop vooranker lag. Na uren zwaar lichamelijkwerk, na verschillende keren vastlopenen na een paar volgelopen laarzen kregenwe ons stinkende kleinood eindelijkaan boord. De rest ging vlot. Om drieuur 's nachts werd de kop door medewerkersvan de Zeehondencrèche bijhet museum in Leiden afgeleverd. Ikkon nog net pakken en mijn vliegtuighalen. Aan boord legden we de laatstehand aan de poster die we in Texaszouden geven.En de rest van het karkas? Dat isweggespoeld met de vloed waaraan wijnet ontkonlen waren, en niet lneerteruggevonden. Maar de schedel ligtveilig in de collectie van het RMNH."Een tropische butskopIn het vorige artikel hebben we geziendat er van Mesoplodon in deze eeuwnogal wat "nieuwe" soorten zijn ontdekt.Ook van Hyperoodon is het nogniet helemaal duidelijk hoeveel soortener bestaan. De laatste jaren zijn er butskoppengezien en gefotografeerd in detropische wateren van de Stille Zuidzee.Zijn dat zuidelijke butskoppen H planiji"ons,al of niet behorend tot een apartepopulatie, of is het een onbeschrevensoort? De foto's geven geen uitsluitsel.Leatherwood et al. (1982) laten devraag nog open; Balcomb echter, deontdekker van deze butskoppen,beschouwt ze in 1987 (dergelijke dierenwaren inmiddels ook bij Okinawa waargenomen,tussen Japan en Taiwan) alsH planifrons. En wat te denken van debutskoppen die één van ons (CS) injanuari 1985 zag in de Bandazee,Indonesië? Het waren dieren met eenforse rugvin; helaas waren ze snel weerondergedoken. Het wachten is op hetaanspoelen van zo'n tropische butskop,zodat uiterlijke kenmerken en skelet


ZOOGDIER 1994 5 (2)met de bekende soorten vergelekenkunnen worden. Zo zijn er nog veleraadsels op te lossen, wat het walvisonderzoekextra spannend maakt. --r(Naschrift: De inktvissnavels zijn doorR. Lick te Kiel gedetermineerd alsGonatus fabricii: een hoog-noordelijkesoort uit de Atlantische Oceaan. Ditbewijst dat de butskop van Hargeninderdaad op weg was naar het zuiden.LiteratuurBalcomb lIl, K.C., 1987. The whales ofHawaii. Marine Mammal Fund, SanFrancisco.Bekker, lP., 1990. Butskop op deWesterschelde. Zoogdier 1(3):11-13.Benjaminsen, T. & 1. Christensen, 1979. Thenatural history of the bottlenose whale,Hyperoodon ampul/atus (Forster): 143-164.In: H.E. Winn & B.L. Olla (eds.).Behavior of marine animals. Vol. 3:Cetaceans. Plenum Press, New York.Duguy, R., 1983. Les cétacés des cótes deFrance. Annales de la Société desSciences Naturelles de la Charente­Maritime, Supplément, mars 1983: 1-112.Evans, P.G.H., 1980. Cetaceans in Britishwaters. Mammal Review 10:1-52.Evans, r.G.H., 1991. Family Ziphiidae(beaked whales): 320-325. In: G.B. Corbet& S. Harris (eds.). The handbook ofBritish mammals. Third edition. BlackwellScientific Publications, Oxford.Gray, D., 1882. Notes on the characters andhabits of the bottlenose whale (Hyperoodonrostratus). Proceedings of the ZoologicalSociety of London for the year 1882:726-731.Kastelein, R.A. & N.M. Gerrits, 1991.Swimming, diving, and respiration patternsof a northern bottlenose whale(Hyperoodon ampul/a/us, Forster, 1770).Aquatic Mammal, 17:20-30.Leatherwood, S., R.R. Reeves, W.F. PelTin& W.E. Evans, 1982. Whales, dolphins,and porpoises of the eastern North Pacificand adjacent arctic waters. NOAATechnical Report NMFS Circular 444:i-v,1-245.Smeenk, c., 1993. Een butskop gestrand inNoord-Holland. Zoogdier 4(3):37-38.Smeenk, C., M. Addink & M. GardaHatimann, 1993. Vreemde walvissen oponze kusten. Deel 1: spitssnuitdolfijnen.Zoogdier 4(4):20-26.Smet, W.M.A. De, 1974. Inventaris van dewalvisachtigen (Cetacea) van de Vlaamsekust en de Schelde. Bulletin KoninklijkBelgisch Instituut voor Natuurwetenschappen,Biologie 50(1):1-156.Smet, W.M.A. De, 1981. Gegevens over dewalvisachtigen (Cetacea) van de Vlaamsekust en de Schelde uit de periode 1969-1975. Bulletin Koninklijk BelgischInstituut voor Natuurwetenschappen,Biologie 53(4):1-34.Tamilin, A.G., 1957. Mammals of theU.S.S.R. and adjacent countries. Vol. IX.Cetacea. Israe! Program for ScientificTranslations, Jerusalem, 1967.Whitehead, H., 1990. Day of the Ziphiids.Sonar 4: 10-11.De butskop van Rottumeroog, november 1993, met debemanning van de P 56. Het dier is niet vers meer;door ophoping van rottingsgassen wordt de tong naarbuiten gedruktFoto Manuel Garcfa Hartmann.Voor onderzoek aan gestrande walvisachtigenis het van belang dat elkdier zo spoedig mogelijk op onderstaandetelefoonnummers aan hetmuseum wordt doorgegeven. Ookmeldingen van rotte karkassen zijnwelkom: vaak is daaraan nog vanalles te zien. Het museum probeertsteeds zo veel mogelijk exemplaren tebergen en nader te onderzoeken. C.Smeenk of M.I. Addink, NationaalNatuurhistorisch Museum, tel. 071-143844; buiten werktijd ook: 071-175066.Chris Smeenk & MaJjan Addink,Manuel Garcia Hartmann, ZeehondencrèchePieterburen/ZooDuisburg, Nationaal NatuurhistorischMuseum, Postbus 9517,2300 RA Leiden.


ZOOGDIER 1994 5 (2) 16Zomer BruijnDEGoede bekenden uit Leusden vertelden me vorig jaar datzij 's nachts op hun bovenverdieping regelmatig stommelendeen krabbelende geluiden hoorden. Deze geluidenduurden meestal maar enkele ogenblikken en kwamenvanonder de dakpannen en vanuit de spouwmuur. Ookde afgelopen nachten waren ze weer gehoord en er hadbovendien een gekekker en gepiep vanuit de spouwgeklonken dat volgens de bewoonster niet van muizen ofratten kon zijn. Reden genoeg om eens een kijkje te gaannemen: er kon wel eens een marterachtige huizen.De bewuste woning aan de Wilgenlaan,aan de rand van Leusden, is een hoekwoningvan een huizenblok van vierwoningen. De directe omgeving van dewoning in een 27 jaar oude wijk is rijkaan groen: smalle dichtbegroeide groenstrokenverbinden veel achtertuinenmet elkaar en onttrekken over grotelengte een drukke asfaltweg aan hetgezicht. Op 40 meter afstand ligt eenmooie vaart met groene oevers en 300meter verder grenst de woonwijk aanhet kleinschalige weidelandschap van deGelderse Vallei, al is het daarvangescheiden door het Valleikanaal.Een luchtjeEen zoektocht rondom het huizenbloknaar uitwerpselen, prooiresten, klÎInsporenen looppaadjes van een marterachtige,leverde niets op. We vondenwellooppaadjes, maar die konden evengoedvan katten zijn. Ook inspectie vande kruipruimte onder de woning gafgeen aanknopingspunten. Een klauterpartijop het dak bracht wel wat licht inde zaak toen we van de topgevel enkeledakpannen weghaalden om zicht te krijgenop de spouwmuur. De spouw bleekgevuld te zijn met gele isolatiekorrels,die de vorm en grootte hadden van forserijstkorrels. Dwars door deze korrels,die een compact sponsachtig geheelvormden, waren enkele ronde tunnelsgegraven, met een diameter gelijk aande spouwbreedte, zo'n 7 centimeter. Uitdeze tunnels kwam een penetrante aaslucht,wat meteen verklaarde waaromer de laatste tijd in de zolderkamer vande dochter des huizes zo'n muffig luchtjehing.Het vermoeden dat we hier te makenhadden met de kraamlocatie van eenmarterachtige groeide flink, zeker nadatde bewoonster van het huis enige dagenlater bandopnamen kon laten horenmet kekkerende en piepende geluiden,die sterk deden denken aan een moederdiermet jongen. Ze vertelde datdeze geluiden regelmatig op steeds wisselendeplekken vanuit de spouwmuurte horen waren, altijd 's nachts. Somsklonken ze nog het duidelijkst vanuiteen stopcontact!


BuuzingZekerheid over wat er nu in de spouwmuurhuisde kregen we pas een weeklater. Toen hoorden we, vanuit de zolderkamer,rond 23.00 uur opeens eenhevig gestommel dat zich zonderonderbreking naar de nok van het dakverplaatste. Daar verstomde het snel.We gingen vlug naar beneden, om buitenmet een schijnwerper het dak tebeschijnen. Tot onze verrassing zagenwe in de dakgoot aan het andere eindevan het huizenblok twee fel reflecterendeogen in het lamplicht. De verrekijkeronthulde dat het om een bunzingMustela putorius ging, die voorzichtigover de rand glurend de omgeving verkendeen vooral ons in de gaten hield.Het dier bleef vele minuten in de dakgootzitten, verplaatste zich soms enkeledecimeters, maar durfde niet naar benedente gaan, kennelijk verontrust dooronze aanwezigheid. Tenslotte zagen wehoe de bunzing in de top van een conifeerverdween, die vlak naast het huizenblokstond. De reflecterende ogenverraadden dat het dier omzichtig naarbeneden klauterde en ondertussen kleineuitstapjes naar de buitenste takkenVanuit de dakgoot kijkt de bunzing of alles veilig is omte vertrekken.Foto Zomer Bruijnmaakte om naar alle kanten de omgevingte verkennen. Na een minuut ofanderhalf bereikte zij de grond en rendevia een betegeld gedeelte de veiligheidvan een dichtbegroeide groenstrook in.Kruip-door-sluip-doorNu de route die de bunzing gebruikteom haar nestruimte te verlaten bekendwas, konden we de volgende avond eenverscholen gelegen observatiepost jebetrekken, in de hoop nog meer waarnen1Îngente doen en lnisschien eenfoto te maken. Zo ontstond het volgendebeeld van de situatie. In de geïsoleerdespouwmuur van de westelijke kop gevelhuisde een vrouwtjesbunzing methaar jongen. Wanneer het 's avondsgeheel donker was geworden, kroop debunzing aan de bovenkant de spouw-De stippellijn geeft de route aan die de bunzinggebruikte van de spouwmuur rechts naar de conifeer enomgekeerd.Foto Zomer BruijnII~ ,


ZOOGDIJlR 1994 5 (2)muur uit en werkte zich luidruchtigdoor de smalle ruimte tussen de dakpannenen het dakbeschot heen naar denok van het dak. Onder de ruimerenokpannen door liep het dier bijnageluidloos en ongezien naar het oostelijkeind van het huizenblok. Daarkroop ze weer tussen de pannen en hetbeschot naar beneden, om in de dakgootpas te voorschijn te komen. Hierbleef ze dan enkele ogenblikken zittenom te controleren of de omgeving veiligwas. Daarna liep ze door de dakgootweer een paar meter terug, 0111 vervoI~gens in de top van de conifeer te verdwijnendie naast het gebouw stond enenkele decimeters boven de dakgootuitstak. Daarlangs klauterde ze naarbeneden, waarbij ze de takken dicht bijde stam als traptreden gebruikte.Beneden gekomen verdween ze onopvallendde woonwijk in, zoveel mogelijkgebruik makend van de dekking die debegroeiing bood. Ook voor de terugkeernaar de nestruÎ1nte lnaakte zegebruik van de conifeer. Dat de bunzingook voedsel naar haar jongen bracht,bleek uit twee lege eendeëieren. Het eneei lag aan de voet van de boom, hetandere hing halverwege in de dichtetakken.Weinig schuwDe bunzing leek zich nauwelijks ietsaan te trekken van het overige leven inde woonwijk. Zo stoorde het haar blijkbaarniet dat de conifeer op slechts 60centimeter van de gevel stond, preciesvoor een groot raarn waardoor hij ISavonds vanuit de huiskamer duidelijkwerd verlicht. Tijdens de waarnemingsnachtwas gezien dat het dier zichsteeds vrijer gedroeg naarmate de nachtvorderde: ze aarzelde minder lang,overbrugde afstanden sneller, maakteveel minder gebruik van de beschuttendebegroeiing en huppelde openlijk overde trottoirs en betegelde paden dewoonwijk in. Ongetwijfeld hebben hierontmoetingen plaatsgevonden met detalrijke katten uit de wijk; hoe zoudendie verlopen zijn? Dat het ondergedeeltevan de coniferenstam door kattenintensief als krabpaal werd gebruikt leekvoor de bunzing ook geen bezwaar tezIJn.VertrekHoewel deze locatie, afgaande op degeluiden, al zo'n negen lnaanden incidenteeldoor een bunzing werd bezocht,duurde de periode dat er continu in18werd gehuisd betrekkelijk kort: vanbegin april tot begin juni '93. In denacht van 2 juni werden ze voor hetlaatst gehoord. Er was toen zoveelrumoer op het dak, dat ook de verderopin het blok wonende buren er wakkervan werden. Waarschijnlijk heefthet vrouwtje de jongen toen meegenolnennaar een andere locatie.Jonge bunzingen beginnen op eenbepaalde leeftijd de nestruimte te verlaten,om buiten te spelen en de directeomgeving van het nest te verkennen.Kennissen uit Ermelo die vorig jaarnaast hun zomerhuisje een bunzingfamiliehadden wonen, vertelden dat zijpas op 4 juli voor het eerst hun jongebunzingen naar buiten zagen komen omte spelen. De Leusdense bunzingjongenwaren een lnaand eerder, op 2 juni,waarschijnlijk nog niet oud genoeg omal buiten te spelen en zeker niet om denestplaats definitief te verlaten. Het lijktdaarom aannemelijk dat de moederbunzingdie laatste nacht de jongen heeftlneegenomen naar een andere lokatieen dat ze de fase van het buiten spelendaar hebben doorgemaakt.Nog een gevalNavraag bij enkele marterkennersmaakte duidelijk dat er in Nederlandgeen andere gevallen bekend zijn waarbijbunzingen boven in gebouwen nestelen.Wel komt het vaak voor dat bunzingenzich onder vloeren en inschuurtjes en dergelijke bevinden. Wieschetst dus onze verbazing toen wehoorden dat er gelijktijdig met het nestin de Wilgenlaan hemelsbreed 1150meter verderop een tweede bunzingfamilieop een dalc bleek te huizen! Hierbetrof het een nestruimte op ruim driemeter hoogte, onder de dakpannen vaneen voormalige boerderij aan dePachter, die er al stond toen de nu elfjaar oude wijk er omheen gebouwdwerd. Nadat ze al ruim een maand opeen bepaalde plek in huis steeds onaangenameluchtjes had geroken, hoordede bewoonster op 25 juni een luidschreeuwend bunzingjong dat onbeholpenin een clematis hing die tegen deboerderij groeide. Het jong was nog ergklein, maar kon toch al een enormekeel opzetten. Even daarna viel hetdiertje op de grond, waar het enkeleminuten later in zijn nekvel werd gegrependoor de moederbunzing, die methet jong in haar bek vliegensvlug tegende gevelmuur oprende. Buiten gekomenzag de bewoonster de moederbunzing


Bunzingen komen nog al eens voor in de omgeving vande mens.Foto Johan de Meesternog vele minuten vanuit een openingtussen de dakpannen naar buiten kijken.Deze bunzinglocatie had met deandere gemeen dat hij zich dichtbij derand van een woonwijk bevond, nabijhet buitengebied. Steenmarters Marlesfoina komen in dit deel van Nederland(nog) niet voor; misschien leidt deafwezigheid van deze 'normale' gebruikersvan nestgelegenheid in huizenertoe dat de bunzing zich af en toe kangedragen als een steenmarter.Terugkeer?Na die tweede juni is het op het dakaan de Wilgenlaan enkele maanden rustiggeweest, maar op 6 november '93klonken er toch weer 'katachtige' geluidenvanuit de muur. Er leken toen verscheidenebunzingen in de spouw te zitten.Ook op 18 en 30 januari '94 klonker weer gestommel op het dak; het isdus goed mogelijk dat deze plekopmeuw als kraamlocatie zal wordengebruikt. Denkend aan de onaangenameluchtjes en de dikwijls gestoordenachtrust, zien de bewoners de toekomstdan ook met gemengde gevoelenstegemoet....,rMet dank aan Alice van Hunnik.Zomer Bruijn, Nieuwstraat 23,3811 JX Amersfoort


ZOOGDIER 1994 5 (2) 20Nelly van BrederodeTot enkele jaren geleden verrichtte slechts een kleinegroep vrijwilligers vleermuisonderzoek. Door de toegenomenbeschikbaarheid van goedkope ultrafoons en destart van een landelijk vleermuis inventarisatie project inNederland is deze groep inmiddels sterk gegroeid. Omdeze reden beoogt dit artikel de aandacht te vestigen ophet vóórkomen van hondsdolheid bij vleermuizen. Het iszeker niet de bedoeling om onrust te veroorzaken, maarwel om de risico's voor onderzoekers op een rijtje te zetten,zodat zij een keuze kunnen maken uit de verschillendepreventieve maatregelen die mogelijk zijn.In Europa werd in 1954 voor het eersthondsdolheid (rabies) bij een vleermuisvastgesteld. Overdracht van hondsdolheidvan vleermuis naar mens is inEuropa sinds 1977 bekend. In dat jaaroverleed een Rus aan hondsdolheid naeen vleermuisbeet. Op dezelfde wijzeoverleden in 1985 een Rus en een Fin,hoewel de doodsoorzaak van de laatstenog wat vraagtekens opwierp. In 1985werd in Denenlarken een vrouw gebetendoor een met hondsdolheid besmettevleermuis. Ze werd behandeld meteen serie injecties, de zogenaatnde postexpositievaccinatie, zodat een eventuelebesmetting niet tot ziekteverschijnselenleidde. Deze voorvallen waren zowel inDenemarken als in Duitsland aanleidingom een onderzoek op te zetten naar hetvoorkomen van hondsdolheid bij zieke,gewonde en doodgevonden vleermuizen.In 1985 en 1986 werden in beidelanden respectievelijk 115 en 18 metrabies besmette vleermuizen gevonden.Dit gaf aanleiding om ook in Nederlandte starten met eenzelfde onderzoek enll1et preventieve l11aatregelen, zoalsinenting van en voorlichting aan personendie regelmatig met vleermuizen inaanraking kunnen komen. Uit hetonderzoek bleek dat ook in Nederlandvleernluizen beS111et kunnen zijn, nalnelijklaatvliegers Eptesicus serotinus enmeervleermuizen Myotis dasycnel11e.Over geheel Europa gezien is bij nognegen andere soorten het rabiesvirussporadisch aangetroffen (pers. med.P. Lina).Rabies in NederlandTabel 1 laat het resultaat zien van hetonderzoek zoals dat sinds 1986 wordtuitgevoerd door het Instituut voorVeehouderij en Diergezondheid (10-DLO), voorheen het CentraalDiergeneeskundig Instituut (COl), teLelystad. Tot 1992 werden alle ingezondenvleennuizen onderzocht, daarnaalleen de contactgevallen tussen mensen(of dieren) en vleermuizen. Alle overigevleermuizen worden sindsdien voortaxol1Olnisch onderzoek verzonden naarhet Nationaal Natuurhistorisch Museum(NNM) te Leiden. Uit het onderzoekblijkt dat gemiddeld 22 procentvan de aangeboden laatvliegers engemiddeld 5 procent van de aangebodenmeervleernluizen besmet warenmet hondsdolheid. Bij de overigeonderzochte soorten werd geen hondsdolheidgeconstateerd. Het besmettingspercentageonder de totale populatie ligtwaarschijnlijk lager, omdat de onderzochtegroep vleermuizen met namezieke, gewonde of doodgevonden exemplarenbetreft. Aangezien de kans op


contact van de mens juist het grootst ismet zieke, gewonde of dode vleermuizen,is de kans op besmetting reëel aanwezig.Dit geldt met name bij contactmet laatvliegers, omdat immers één opde vier tot vijf laatvliegers bij onderzoekbesmet blijkt te zijn.OverdrachtVan het rabiesvirus zijn vier typenbekend. Het virus dat in Noordwest­Europa bij vleermuizen besmetting methondsdolheid veroorzaakt, behoort tothet zogenaamde type IV. Het hondsdolheidviruskan worden overgedragendoor een beet. Ook kan virushoudendspeeksel, urine of ontlasting (van zowellevende als dode vleermuizen) via kleinehuidwondjes of slijmvliezen (ogen!)bij de mens binnendringen. In Amerikais bij kolonies van vele tienduizendendieren besmetting van de mens via delucht opgetreden. In Nederland wordtmet deze besmettingskans echter geenrekening gehouden. Aangetoond is dathet hondsdolheidvirus bij temperaturenonder het vriespunt nog geruime tijdbesmettelijk blijft, zodat ook na hetbewaren van een vleermuis in de ijskastof diepvries kans op besmetting blijftbestaan.VerschijnselenNa besmetting van de mens kan hettwee weken tot een jaar duren voor deeerste ziekteverschijnselen optreden.Vanaf de infectieplaats verspreidt hetVleermuizen, zoals deze meervleermuizen, kunnen dragerszijn van hondsdolheidvirus. Kraamkolonie metlichtgekleurde moeders en donkere jongen.Foto Dick Kleesvirus zich via zenuwbanen naar de hersenenen tast deze aan. Na een griepachtigziektebeeld van enkele dagenontstaan achtereenvolgens pijn in deeerst-aangetaste zenuw, slikangst, pijnlijkekrampen in de slikspieren en verlammingen.Nadat deze ziekteverschijnselenzijn opgetreden, leidt besmettingin alle gevallen tot de dood.Voorkómen van besmettingOp basis van het Besluit BeschermdeInheemse Diersoorten behoren vleermuizentot de beschermde dieren. Voorhet hanteren van zowel dode als levendevleennuizen is daarOlTI een ontheffingvan de Natuurbeschermingswetvereist. Deze ontheffingen, zoals vooronderzoekers, worden in overleg metde Vleermuiswerkgroep Nederland(VLEN) verleend door het Ministerievan Landbouw, Natuurbeheer enVisserij. In iedere provincie zijn enkelepersonen van de VLEN in het bezit vanzo'n ontheffing. Deze personen, alsmedemedewerkers van de ConsulentschappenNatuur, Bos, Landschap enFauna (NBLF) zijn continu bereikbaarvoor bijstand bij de hantering van vleermuizen.Lijsten met telefoonnummerszijn aan het eind van dit artikel opgenolnen.


ZOOGDIER 1994 5 (2)22In de praktijk komen natuurlijk veelsituaties voor waarin contact met vleerlTIuizenzonder tussenkomst van dezepersonen plaatsvindt, ook al zou dit inprincipe niet voor mogen komen. Debeste preventieve maatregel in dat gevalis het voorkomen van direct contact metde vleermuis. Bij het hanteren vanlevende vleermuizen dienen stevigehandschoenen te worden gedragen diena gebruik moeten worden schoongemaaktmet een zeep-oplossing of 70%alcohol. Voor dode vleermuizen, diedus niet meer kunnen bijten, zijn dunneplastic handschoenen voldoende.Inenting achterafIndien er geen of onvoldoende beschermendemaatregelen zijn genomenbestaat nog de mogelijkheid van inentingachteraf, de post-expositie vaccinatie.Een volledige post-expositie vaccinatiebestaat uit een serie van drieinjecties, waarvan de eerste bij voorkeurbinnen 72 uur na contact met de vleermuismoet worden toegediend. Indiendirect contact heeft plaatsgevonden meteen vleermuis en deze niet beschikbaaris voor onderzoek door het ID-DLO,zal in de meeste gevallen worden beslotentot volledige post-expositie vaccinatie.Afwijkend gedrag bij de vleermuis,zoals een slecht vlieg- en oriëntatiever-111ogen, kan een aanwijzing zijn voorbesmetting met hondsdolheid. Dezeaanwijzingen zijn echter niet specifiekvoor hondsdolheid en kunnen ook ontbreken(pers.med. P.H.C. Lina).Indien de vleermuis wel door het ID­DLO wordt onderzocht, kan (voortzet-Telefoonnummers RegionaleVeterinaire InspectiesGroningen, Friesland, Drenthe enOverijssel: 050-207209. Gelderland,Utrecht en Flevoland: 085-528888.Noord-Holland, Zuid-Holland enZeeland: 010-4132210. Noord­Brabant en Limburg: 073-125321.Indien de Regionale VeterinaireInspectie niet bereikbaar is, kan contactgezocht worden met deVeterinaire Hoofd-Inspectie: 070-3407911 (tijdens kantooruren) en070-340-5340 (buiten kantooruren).Telefoonnummers NBLF-consulentschappen(tijdens kantooruren)Groningen 050-207207, Friesland058-955255, Drenthe 05920-27911,Overijssel 038-271999, Flevoland03200-90311, Gelderland 085-579111, Utrecht 030-858000, Noord­Holland 023-301234, Zuid-Holland070-3307200, Zeeland 01100-37911,Noord-Brabant 013-645511, Limburg04750-96777Telefoonnnmmers coördinatorenVleermuizenwerkgroep NederlandGroningen 05985-3156, Friesland05159-32162, Drenthe 05907-94273,Overijssel 05274-3001, Flevoland036-5346338, Gelderland 085-213210, Utrecht 033-622974, Noord­Holland 020-6881557, Zuid-Holland015-145073, Zeeland 015-145073,Noord-Brabant 073-218457, Limburg04951-34502ITabel 1. Percentage onderzochte vleermuizen met hondsdolheid in Nederland. Tussen haakjesstaat het aantal onderzochte exemplaren. Gegevens uit Nieuwenhuijs 8.8. 1992, Nieuwenhuijs1993, en mondelinge mededeling van Nieuwenhuijs (voor gegevens 1993), gekorrigeerd en aangevulddoor Peter Lina, die ook de soort-determinaties deed.jaar 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 totaalLaatvlieger 21 25 27 18 21 21 25 22.1EptesÎcus serotinus (387) (175) (82) (114) (56) (39) (36) (889)Meervleermuis 4 0 33 0 0 0 50 4.7Myotis dasycneme (73) (17) (3) (9) (2) (1) (2) (107)overige soorten 0 0 0 0 0 0 0 0.0(781) (349) (166) (206) (137) (96) (75) (1810)


ting van) post-expositie vaccinatieafuankèlijk worden gesteld van de uitslagvan het onderzoek. Als de vleermuisniet besmet blijkt, kan post-expositievaccinatie achterwege blijven ofworden stopgezet. Post-expositie vaccinatiewordt gestart door het NationaalVergiftigingen Informatie Centrum teUtrecht, na verwijzing door een huisarts(verwijskaart!). De kosten van dezebehandeling worden vergoed door deziektekostenverzekeraar.Bij verzending van een vleermuisnaar het ID-DLO dient gebruik te wordengemaakt van een speciale verpakkingmet begeleidingsformulier. Deze isbeschikbaar bij de politie, NBLF-consulentschappenof de Regionale VeterinaireInspecties van de Volksgezondheid.Inenting voorafVoor personen die beroepshalve of alsonderzoeker regelmatig 111 contactSlechts bij twee van de ongeveer twintig soorten vleermuizenis in ons land hondsdolheid aangetoond.Foto Johan de Meesterkomen met vleermuizen en waarbij duseen grotere kans bestaat op direct contact,bestaat de mogelijkheid van inentingvooraf. Zo'n pre-expositie vaccinatiebestaat eveneens uit een serie vandrie injecties en wordt onder andere uitgevoerddoor GGD's. Herhalingsinjectieszijn om de twee jaar nodig enook na een beet door een hondsdolle ofvan hondsdolheid verdachte vleermuis.De kosten hiervan bedragen ongeveer f130,- per injectie, en zijn meestal vooreigen rekening.


Tips voor de omgang me! vleennnizenVermijd elke direkte aamaking vanlaatvliegers en meervleermuizen, of,als niet zeker is om welke soort hetgaat, van vleermuizen in het algemeen.Dit geldt ook na bewaring inijskast of diepvries. Draag dus handschoenen,en bij levende vleermuizenzelfs stevige handschoenen.24Het hanteren van levende (en dode) vleermuizen metblote handen is in het algemeen niet verstandig. Hiereen ruige dwergvleermuis Pipistrel/us nathusii.Foto Theo RoersmaBesmetting met tetannsBij de beet van een vleermuis bestaatnaast gevaar voor besmetting methondsdolheid, ook nog gevaar voorbesmetting met de tetanusbacterie,Binnen enkele dagen tot een maand nabesmetting kunnen ziekteverschijnselenoptreden die lijken op die van hondsdolheid.Na griepachtige klachten ontstaatstijfheid in het gebied van de verwonding.Hierna kunnen stijfheid enkrampen in spieren over het helelichaam ontstaan. Kenmerkend is hetoptreden van kaakkramp. Ook tetanuskan een dodelijke afloop hebben. Detetanusbacterie komt voornamelijk voorin de bovenste grondlagen. Besmettingtreedt daarom meestal op door verwondingaan doornen, stekels etc. of doorinfectie van een wond na contact metgrond. Niet alleen voor vleermuisonderzoekers,maar voor alle veldwerkersgeldt daarom het advies om zich voldoendete laten inenten tegen tetanus.ConclnsieVoor de meeste mensen is de kansklein, dat zij ooit in aanraking komenmet een vleermuis. Men moet echterwel weten dat hondsdolheid bij vleermuizenvoorkomt, zodat lnen in voorkomendegevallen maatregelen kannemen. Hierbij heeft inschakelen vaneen deskundige de voorkeur (zie lijstenmet telefoonnummers).Voor onderzoekers die regelmatig inaanraking komen met vleermuizen is dekans op besmetting reëel, vooral bij hethanteren van laatvliegers en meervleermuizen.Gezien de ernstige gevolgenvan besmetting is het voor hen noodzakelijkom voldoende preventieve maatregelente nemen, en is pre-expositievaccinatie aan te raden.-rfSchakel bij de vondst van een vleermuisde provinciale coördinator vande Vleermuiswerkgroep in, of deRegionale Veterinaire Inspectie, of deNBLF-consulent. Telefoonnumers ziekaders.Indien toch direct contact heeftplaatsgevonden: Contactplaats ofbeetwond goed wassen. De vleermuis,zo mogelijk, voor onderzoekopsturen naar het ID-DLO (verpakkingsmatetîaalbij politie, Reg. Vet.Inspectie of NBLF-consulent). Via dehuisarts zorgen voor post-expositievaccinatie, liefst binnen 72 uur.Schakel een dierenarts in als eenhuisdier contsct heeft gehad met eenvleermuis.In alle gevallen geldt: zorg VOor voldoendeinenting tegen tetsnus.BronnenBekker, J.P., 1987. Vleermuizen en rabies.Lutra 30:9-17.Haagsma, 1., 1989. Rabies en vleermuizen:hoe te handelen? Ned. Tijdschr.Geneeskd.133(11):550-551.Nieuwenhuijs, 1., J. Haagsma & P. Lina.1992. Epidemiology and control of rabiesin bats in the Netherlands. Rev. sei. tech.Olf. int. Epiz. 11(4):1155-1161.Nieuwenhuijs, J., 1993. Abstract Fourthmeeting on Coordination of Rabies controlin Europe, 7 october 1993, Piestany,Slovakia.Visser, G., 1992. Draaiboek: Rabies bijvleermuizen. Ministerie van WVC,Veterinaire Hoofdinspectie van deVolksgezondheid, Rijswijk.Met dank aan lH.M. Nieuwenhuijs vande Veterinaire Hoofd-Inspectie, mevrouwW.L.M. Ruijs van de GGDRivierenland en Hans en Jos Roersma.N.B. van Brederode, Notarisappel30, 4007 ZA Tiel. Nellyvan Brederode is arts enmedisch-milieukundige bij deGGD Rivierenland te Tiel.


ZOOGDmR 1994 (5) 2 25Jaap MulderKomend najaar hoopt Bart Nolet aan de RijksuniversiteitGroningen te promoveren op zijn onderzoek aan bevers.De verschijning van zijn rapport heeft veel aandachtopgeleverd voor de uitgezette bevers en hun toekomst inNederland. Ook het uitzetten van de eerste bevers zelfen het onderzoek van Bart trokken al vaak de aandachtvan de pers. Maar hoe staat het eigenlijk met 'de mensachter dit zoogdier'? Op een zonnig plekje in de tuin vanhet Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Arnhempraten we met de toekomstige doctor, bij eenachtergrondkoor van merels, vinken, goudvinken enzwartkoppen.Bart Nolet bereidt zich momenteel voor op zijn promotie.Foto DennÎs WansÎnk


26Met een infraroodkijker laten nachtdieren als beverszich ongestoord observeren. Foto Joop van OschHoe is je belangstelling voor de natuurontstaan?Dat is gekomen doordat mijn vader zichvoor de natuur interesseerde, en lnijmeenam op zijn wandelingen. Ik was toennog maar zeven, acht jaar. We gingen vaakde Ooijpolder in, waar we samen naarvogels keken. Op de middelbare school ontmoetteik leden van de NederlandseJeugdbond voor Natuurstudie, die ook'vogelden'. Ik was er hardstikke trots op datik wel honderd vogelsoorten had gezien,maar zij zagen er wel honderd op één dag!Vanaf dat moment ging het snel: ik werdactief in de jeugdbond en leerde er heel veelbij.En zo rolde je automatisch in de studiebiologie, je maakte van je hobby je werk?Ja, dat wil zeggen, van één van mijnhobby's. Andere hobby's zoals muziek ensport raakten naar de achtergrond, omdatdit soort werk, biologisch onderzoek, ergveel tijd kost en je niet loslaat.Hoe kwam je in aanraking met zoogdieren?Tijdens een vogelinventarisatie van hetHatertse Broek bij Nijmegen kwam ik 'sochtends vroeg wel eens dassen tegen, èn dedassenbeschermer Jaap Dirkmaat en zijnactiegroep. Via het meehelpen aan een dassentelling- doordat ik de situatie goed kendewas ik de enige die daadwerkelijk eendas zag die avond - werd ik actief bij Das &


ZOOGDIER 1994 5 (2)Boom. Kort daarna ging ik in Groningenstuderen, waar ik me op otters ben gaanrichten. Daar kreeg ik het rapport van VanWijngaarden en van de Peppel over de otterin handen, een inventarisatie van de ottersituatiein Nederland in het begin van dejaren zestig. Zij schreven dat de otter weereen beetje in opmars was en her en der inFriesland en Groningen voorkwam. Meteen studentenclubje gingen we het veld inop zoek naar de otter. Pas na anderhalf jaarvonden we de eerste sporen. We konden inde sneeuw zeven kilometer lang het spoorvan een otter volgen, van het Leekstermeerlangs het Hoendiep richting Lauwersmeer.Dat was in 1981. Het moet de laatste ottervan Groningen zijn geweest. We hebbenhem zelfs nog uit zijn hol zien komen dieavond. Ik weet nog dat ik toen dacht: Vannu af aan wordt het steeds gemakkelijkerOlll otters te vinden, ik weet nu precies waarik op moet letten. Maar dat liep anders.Noodgedwongen moesten we onze activiteitennaar Friesland verleggen, waar we eenpaar jaar later rond het Sneekermeer nogvolop sporen en spraints (otteruitwerpselen)vonden. Maar ook daar ginghet om de laatste otters. Met DennisWansink en Han Derckx heb ik eenbeschermingsplan voor de otter geschreven(het eerste!), dat door het ministerie is opgepikten bewerkt tot het HerstelplanLeefgebieden Otter. De otter was toen echteral uitgestorven in Nederland.Later heb ik in het kader van mijn studieook nog onderzoek aan otters kunnen doen,maar dan wel in het buitenland, namelijk opShetland, bij Hans Kruuk.Belang van herintroductiesHoe kwamen de bevers in beeld?De stmi van het beverproject viel samenmet het begin van mijn vervangende dienst.Het Rijksinstituut voor Natuurbeheer(RIN), het huidige Instituut voor Bos- enNatuuronderzoek (IBN-DLO) kon op eengoedkope manier het begeleidendonderzoek doen door mij aan te stellen alserkend gewetensbezwaarde. Daarna heb ikeen aanstelling gekregen voor de duur vanhet project.In eerste instantie had ik wat reserves.Het was natuurlijk typisch een project waarmeehet Ministerie van Landbouw enVisserij op een gemakkelijke manier konscoren met betrekking tot het natuurbeheer.Maar in de loop van de tijd ben ik hetsteeds interessanter gaan vinden. Ik benervan overtuigd geraakt dat herintroductiesin de toekomst steeds belangrijker zullenworden in het natuurbeheer. Her en dersterven soorten uit, door allerlei oorzaken,ondermeer door de versnippering vannatuurgebieden. Een plek waar een soort isverdwenen wordt door de steeds verdervoortschrijdende versnippering niet meer opeen natuurlijke wijze opgevuld. Daar komtnog bij dat bij een eventuele klimaatsveranderingveel planten en dieren de benodigdeverplaatsing naar het noorden niet zelfzullen kunnen opbrengen. Het is een zwartgalligscenario, maar we zullen wellicht heleecosystenlen 1110eten gaan 'overplanten',Wat vind je van het huidige natuurbeheer inNederland?Wat ik jmnmer vind is dat er zo'n polarisatieis opgetreden tussen diegenen die strevennaar grootschalige natuurontwikkeling en demensen die voorstander zijn van dezogenaamde 'verweving' van cultuurland ennatuur. Per gebied moet de oplossingverschillend zijn. Wat de zoogdieren betrefthebben sommige soorten die verwevingnodig, zoals dassen, steemnarters en hazen,terwijl andere juist gebaat zijn bij degrootschalige natuur: bever, edelhert, latermisschien zelfs eland.Maar zou de bever niet juist goed verspreid inhet agrarische landschap kunnen leven, als ermaar voldoende hout langs de waterlopengroeit?Jawel, maar het interessante aspect van debever is zijn structurerende invloed op hetlandschap, en juist dat kan niet tot zijn rechtkomen in het agrarische gebied, waar dewaterhuishouding tot op de millimeter geregeldis.En de otter, waar plaats je die?De otter is het meest gebaat bij eentussenweg, een verbetering van deecologische infrastructuur. Een 'verweven rlandschap kan er heel mooi en geschikt uitzien,maar toch ongeschikt zijn voor deotter door een beroerde waterkwaliteit alsgevolg van de overbemesting. Hetzelfdegeldt voor grootschalige natuurgebiedenlangs de grote rivieren, die vaak veel PCB'sbevatten. In ieder geval moeten otters vaneen groot gebied gebruik kunnen maken.InleverenHet onderzoek aan bevers is vooral nachtwerk.Dat is vaak moeilijk te combineren met andereactiviteiten. Heb je er veel voor moeteninleveren, konje 'thuisfront' ertegen?Mijn vriendin (intussen mijn echtgenote)werkte destijds zeventig uur per week inonregelmatige diensten, en was dus weinigthuis. Wat dat betreft leken onzewerksituaties op elkaar. Met kleine kinderenzou zoln onderzoek onverenigbaar zijngeweest. Ik ben van mening dat je er veeldingen voor opzij moet zetten, àls je de(zeldzame) kans krijgt zulk spannend27


ZOOGDIER 1994 5 (2)28veldwerk te doen. Ik was wel blij dat ikvorig jaar weer eens in juni op vakantie kon,de mooiste tijd van het jaar.Wat vind je de leuke en de minder leuke aspectenvan het onderzoek?Het veel buiten zijn en het werken in teamverbandmet studenten en stagiaires is megoed bevallen. Ook het uitwerken van degegevens vind ik leuk: zonder dat gaat decharme van het veldwerk er na een tijdje af.Het wetenschappelijk publiceren vind ikspannend, maar de weg emaartoe vergtzóveel stappen, waarbij er steeds weer ietsgewijzigd moet worden, dat het wel eenseen lijdensweg wordt. Gelukkig vergoedt hetresultaat alle 'pijn'.De samenwerking met de terreinbeherendeinstantie, het Staatsbosbeheer, was in hetalgemeen heel goed. Ik heb het gevoel datwe samen hard gewerkt hebben om hetbeverproject tot een succes te maken. Desaamhorigheid leidde soms wel totonenigheid over wie er met de eer mochtstrijken tegenover de pers. Staatsbosbeheertrad geregeld naar buiten met: 'Wij hebbendit en dat vastgesteld', zonder het IBN tenoeillen.Heel positief heb ik de technische ondersteuningdoor het instituut ervaren. Je bentheel afhankelijk van allerlei apparatuur endie gaat af en toe kapot, waardoor je nietverder kunt. De technici hier zijn dan instaat de zaak weer razendsnel te repareren,zodat het onderzoek niet stagneert. Hetbelang voor veldonderzoek van zulke hoogwaardigetechnische ondersteuning binnenhet instituut kan niet genoeg wordenbenadrukt. Als je je kapotte apparatuur naareen commercieel bedrijf moet brengen voorreparatie, kost dat niet alleen veelmeer tijd,maar door dat tijdverlies ook veelmeergeld. Bezuinigen op technischeondersteuning is dus duur!Storingsgevoelig?Hebben de berers eigenlijk veel last van recreanten?Dat valt reuze mee, doordat ze alleen 'snachts actief zijn. Een naderende bootontwijken ze door stilletjes onder te duikenen pas weer boven te komen als hij voorbijis. Of ze kruipen op de kant tussen de vegetatie.Maar ze slaan toch met hun staart op hetwater, als ze worden opgeschnkt? Tenminste,dat las ik vroeger altijd in de Donaid Duck...Dat doen ze wel eens, maar meestal alleenals ze schrikken. Ze doen het niet uitsluitendom andere bevers te waarschuwen, ik hebhet vaak gezien als er geen andere bevers inde buurt waren. Door met hun staart op hetwater te slaan kunnen ze hun zwemrichtingradicaal veranderen, omdat ze dan een soortkoprol maken: ze duiken naar links onderll1aar ZWelTImen naar rechts weg, onderwater.AnekdotesTijdens zo' n onderzoek maak je vast allerleionverwachte dingen mee, is het niet?Ik herinner me een 11100i geval, toen we eenbever kwijt waren. De afspraak was dat debevers de Zuidwaard in de Biesbosch niet1110chten verlaten, dan llloesten ze wordenteruggevangen. De boeren waren namelijkdoodsbenauwd voor schade. Dat wasnatuurlijk een absurde afspraak, als die dierenweg willen houd je ze toch niet tegen.Terugbrengen heeft geen enkele zin, datbleek ook, ze verdwenen weer net zo snel.Maar goed. We waren er een kwijt enkonden zijn zendersignaal ook met eenvliegtuig nergens in de wijde omgevingoppikken. Tot er een waarneming van eenbever kwam uit de Alblasserwaard. Laterbleek uit vraatsporen dat hij dwars door eengebied gegaan was waarvan men hadgedacht dat daar nooit een dier doorheenzou komen, een sterk geïndustrialiseerdgebied langs de Merwede, met veel snelwegenen spoorlijnen. Wegingen er metontvangapparatuur op af, lokaliseerden hem,en belden aan bij het huis waar hij in deachtertuin moest zitten. Een mevrouw deedopen en zei onmiddellijk: 'Ik ben zó blij datU er bent, hij zit in de tuin hoor, de beer'!We hoefden niets te zeggen, ze had vantevoren niet gebeld of zo, ze dacht blijkbaardat het hier in Nederland zo goed geregeldwas dat de overheid meteen komt opdravenals er een raar beest in je tuin zit! Ze hadaan een beer gedacht, omdat de forsuitgevallen bever zich rechtopzittend zat tepoetsen.Maar het mooiste verhaal is van de beverdie plotseling opdook in Katwijk. Die is nogop het journaal geweest. Hij was waarschijnlijkuit het Natuurpark in Lelystad ontsnapt.Door toeval kwamen we erachter dat erdagelijks op en neer werd gereden tussenLelystad en Katwijk, door een bedrijf datwaspenen kweekte op een terrein naast hetNatuurpark. Bevers zijn dol op peen, enwaarschijnlijk hebben medewerkers van datbedrijf een grap uitgehaald door de bever ineen krat 11let peen te werken, lnee te llmnenen in Katwijk los te laten.Toen ik de bever ging bekijken bij de manvan de Dierenambulance, om te zien of debever in de Biesbosch uitgezet zou kunnenworden, bleek dat hij haar absoluut niet wildeafstaan aan mij. Hij haalde er een artikeluit de Haagsche Post bij waarin ik beweerdzou hebben dat de Biesbosch te vervuild


29Bart geeft een bever de vrijheid.Foto Joop van Oschwas, dus hoe kon ik he! in mijn hoofd halenom haar daar uit te willen zetten! Nee, hijmoest maar naar het Natuurpark. Dus diebever werd met veel bombarie, met deTelegraaf erbij, bij het Natuurparkafgeleverd, zij mocht nooit naar deBiesbosch! Maar het park zat vol, en de volgendedag heb ik haar in alle stilteopgehaald ...ToekomstHoe zie je de toekomst van de bever inNederland?Op dit moment kunnen we nog niet goedinschatten hoe de populatie in de Biesboschzich zal gaan ontwikkelen. Daarom is hetverstandig om nog een tweede populatie inNederland te vestigen. Inmiddels is diebeslissing ook genomen: in de GeldersePoort zullen ook bevers worden uitgezet.De afstand tussen de Gelderse Poort en deBiesbosch is voor bevers net overbrugbaar,vooral stroomafwaarts. Later kan de beverwaarschijnlijk vanuit deze twee gebiedenmeer plekken in het rivierengebied koloniseren,zoals langs de IJssel en in teontwikkelen natuurgebieden langs Maas,Rijn en Waal.En je eigen toekomst?Als het maar even mogelijk is wil ikonderzoek blijven doen, het liefst aan zoogdieren.Ik heb goede hoop op een post-doeplaats.Het liefst werk ik met zoogdieren dieeen bepaalde grootte overschrijden, laten wezeggen alles boven de tien kilo. Dat kleinegrut interesseert me minder. Het maakt meoverigens niet uit of het roofdieren ofplanteneters zijn. Ik heb allang gemerkt dathet werken met herbivoren minstens zospannend kan zijn als met carnivoren. Derelatie tussen dier en plant is er net zo goedéén van aanvallen en verdedigen. --fI


ZOOGDIER 1994 5 (2)EuropeesVleermuizensymposium•Het 7th European BatResearch Symposium zalplaats vinden van 12 tot enmet 16 augustus 1996 in hetvergadercentrum Koningshofbij Veldhoven. Het symposiumzal bestaan uit lezingen, posterpresentaties,workshops en discussieavonden.Suggesties voorandere aktiviteiten zijn welkom.De voertaal is Engels.Het vergadercentrum Koningshofbiedt veel faciliteiten,waaronder verblijfsakkomodatie.De deelnemers aan hetsymposium kunnen kiezen uitdrie minimaal vijfdaagse arrangementen,bestaande uitrespektievelijk dagverblijf inclusiefkoffie, thee en lunch,dagverblijf inklusief koffie,thee, lunch en diner, en volle-dig verblijf, waarin naast hetvorenstaande ook overnachtingen ontbijt zijn inbegrepen. Dekosten van inschrijving en verblijfzullen op een later tijdstipaan de inschrijvers bekendgemaakt worden. Aansluitend30aan het symposium zal in hetGroot-Hertogdom Luxemburgde 3rd European Bat DetectorWorkshop plaats vinden.Aanmeldingsformulierenvoor voorlopige inschrijvingkunnen schriftelijk wordenaangevraagd bij: Peter Lina, 7thEBRS, pla IKC-NBLF, Postbus30, 6700 AA Wageningen, fax:08370-27561 (NL). De aanmeldingsluit op 31 maart 1995.Degenen die zich hebben aangemeldontvangen in de zomervan 1995 een circulaire metgedetailleerde gegevens overhet symposium, alsmede eenformulier voor defil1itieveinschrijving.Zeehonden in deDeltaHet aantal zeehonden in hetDeltagebied is in 1993 toegenomen.In de Westerscheldebevindt zich een populatie vanvijf tot zes exemplaren. Hier istenminste één jonge zeehondgeboren. In de Oosterscheldeverblijven acht tot negen dieren.Op 28 oktober werdenhier zes dieren vrijgelaten,waarvan er drie nu nog aanwezigzijn. In de Voordelta en deGrevelingen verblijven naarschatting respectievelijk drie ofvier en twee of drie dieren.Daarmee komt het totaal voorhet Deltagebied op 18-22 dieren.Dat is drie meer dan in1992, maar als we dit cijfercorrigeren voor het aantal uitgezettedieren dan is de balansnegatief. Tenminste acht zeehondenverdwenen uit hetgebied. Daarvan vonden vierdieren de dood, werden er drieals huiler overgebracht naarPieterburen en verdween eréén naar de Waddenzee. Eenvervolgonderzoek van hetInstituut voor Bos- en Natuuronderzoeknaar herstelmogelijkhedenvan de zeehondenpopulatiein de Oosterscheldewordt binnenkort afgerond.Bron: NBLF ZeelandPiet van der ReestNogmaalspublikatiesZoals voor Nederland wordt erook voor België regelmatig eenlijst samengesteld met publikatiesover recente zoogdieren.De eerstkomende lijst bestrijktde periode 1991-1993. Voormij is het steeds weer moeilijkom publikaties terug te vindendie verschenen zijn in niet zowijd verspreide tijdschriften.Ook is het moeilijk om rappor-ten, jaarboeken en licentiaatsverhandelingenin handen tekrijgen. Dit wordt nu nogmoeilijker omdat men in dedierentuin van Antwerpen,waar men over veel van dezepublikaties beschikte, beslotenheeft het grootste gedeelte vande tijdschriften te liquideren.Ik zou het op prijs stellen alsiedereen die iets publiceertover recente zoogdieren mijhiervan op de hoogte stelt enzo mogelijk een copie of overdruktoestuurt. Evenals desamensteller van deNederlandse lijst ben ook ikgeïnteresseerd in aanvullingenen opmerkingen op reedsbestaande overzichten.Erik Van der Straeten, UniversiteitAntwerpen, DepartementBiologie, Groenenborgerlaan171,2020 Antwerpen.


ZOOGDIER 1994 5 (2) 31Hoe gaat het met de hamster?De hamster komt in Noordwest-Europavoor in een geïsoleerdverspreidingsgebied indelen van België, Nederland enDuitsland. Hij leeft in het agrarischecultuurlandschap van delöss- en leemrijke gebieden,globaal gelegen tussen Brussel,Roermond, Düsseldorf, Bonn,Aken, Luik en Namen.In het kader van de Habitatrichtlijnvan de Europese Uniegeniet de hamster de hoogstebeschermingsprioriteit. In Nederlandis de hamster beschermddoor de N atuurbeschermingsweten genoemdin het projekt Genetisch Kapitaalvan het Natuurbeleidsplan.De indruk bestaat dat dehamsterpopulatie achteruitgaaten wel zodanig dat voor hetverdwijnen van de soort inNederlands Limburg moetworden gevreesd. Op kortetermijn zullen daarom beschermendemaatregelen genomenmoeten worden. V ooruitlopenddaarop wordt van juli toten met september 1994 eensystematische inventarisatiegeorganiseerd. In 1995 moetdit resulteren in voorstellenvoor maatregelen ter beschermingvan de hamster. De nadrukzal liggen op planologischeveiligstelling van hethuidige verspreidingsgebied.Er is een projektgroep samengestelddie het hamsterprojektzal begeleiden. De uitvoeringvan dit plan wordtfinancieel en aktief gesteunddoor het Consulentschap Natuur,Bos, Landschap en Faunavan het lninisterie vanLandbouw, Natuurbeheer enVisserij, de provincie Limburgen het Natuurhistorisch Genootschapin Limburg. Een bijzonderheidis dat dit projektwordt gesponsord door deGulpener Bierbrouwerij viahaar zojuist op de markt verschenenwitbier 'Korenwolf',de bijnaam van de hamster inLimburg.Gegevens van derden kunnende resultaten van de inventarisatieaanvullen. Wij zijndaarom zeer geïnteresseerd inuw oude en recente gegevensover verspreiding en oecologischeaspekten van de hamster.Stuur ze naar: SecretariaatZWG/NHG, Van Galenstraat64, 6163 XW Geleen, telefoon:046-747938 (NL; na 18.00uur).In Vlaanderen is men eveneensgestart lnet een inventarisatienaar de verspreiding vande hamster. Gegevens over deBelgische hamsterpopulatiekunt u sturen naar: JNM­ZWG, Kortrijksepoortstraat 140,9000 Gent, telef' 09-2234781 offax: 09-2232805 (B).Dennis WansinkNatuurhistorisch Genootschap 111 Limburg /~~.Zo()gdierenwerkgroep


ZOOGDIER 1994 5 (2) 32Zoogdieren van West-EuropaHet is bijna zover. In hetnajaar zal het boek Zoogdierenvan West-Europa verschijnen.Een 'must' voor iedereen die inzoogdieren geïnteresseerd is.Alle zoogdieren van Ierland toten met Duitsland en vanDenemarken tot en metMidden-Frankrijk komen aanbod. In combinatie met eenkleurentekening wordt van elkzoogdier een uitgebreidebeschrijving gegeven van hetuiterlijk, biotoop, leefwijze,sporen, waarnelningsluetho-Open grenzen in Europa. Voorzoogdieren was dit allang een feit;voor de ambtenarij nog niet.Tekening: Peter Twiskden, etc. Dit maakt de gidsuitermate geschikt voor hetherkennen van zoogdieren inhet veld. Naast deze soortsbeschrijvingenbevat het boekhoofdstukken over bedreigingen bescherming, (her)introduc-tie en terreinbeheer, waarnemings-en onderzoeksmethoden,en het determineren vanschedels.Een boek dat u niet magmissen. U kunt nu al intekenen.De prijs is nog onbekend,maar zal niet boven de f 50,­uitkomen. Als u nu intekentkrijgt u 15 % korting. Neemcontact op met het secretariaatvan de VZZ, 030-544642(NL).Het klinkt misschien al bekendin de oren, 'De Nacht van 'tZoogdier', je kan het haast eentraditie noemen. En vennitstradities best in stand wordengehouden, organiseert deZoogdierenwerkgroep van deJeugdbond voor Natuurstudieen Milieubescherming inVlaanderen (de ZWG van deJNM dus) ook dit jaar zo eenpracht van een nacht, van 25op 26 september. We gaan danduidelijk maken dat je op veeluiteenlopende manieren vanhet nachtleven van de zoogdierenkunt genieten. Oudemythes, bijgeloof en onjuistegriezelverhalen, die nog altijdrond zoogdieren hangen, willenwe zoveel mogelijk uit dewereld bannen. Hoe kan menmeer te weten kOlnen overaspecten van het nachtlevenvan onze zoogdieren?In België komen tien soortenll1uizen en zeven soorten spitsll1uizenvoor; deze laatsten zijnbeschermd. Met lifetraps,waarvan de ZWG er een grootHet nachtlevenhoudt je wakkeraantal heeft, kan men dezekleine zoogdieren levend vangen,eventueel l11eten en merkenen terug vrij laten. Zo kan111en een gebied inventariseren,en ander wetenschappelijkonderzoek doen. Een anderemethode is het onderzoekenvan de inhoud van braakballenvan de plaatselijke uil; de schedelrestenvan muizen en spitsmuizendie zich daarin bevindenlaten zich goed op naambrengen, zodat een beeld ontstaatvan de 'nachtschotel' vande uil.Vleennuizen verdienen onzeaandacht en bescherming.Sommige soorten zijn erg zeldzaamgeworden doordat zegebonden zijn aan bepaaldebiotopen. Met een ultrafoon(bat-detector), een toestel datultrasone geluiden van vleermuizenhoorbaar maakt, kanmen vleermuizen ontdekkenterwijl ze in het donker rondvliegen.Het geluid dat devleermuis maakt wordt omgezetin een soort getik, aan dehand waarvan ll1en tuet enigeervaring de soort op naam kanbrengen. Men heeft nog steedsweinig zicht op de verspreidingvan een aantal soorten.Daarom stmite de JNM vorigjaar een inventarisatieprojektrond de watervleennuis, insamenwerking met deVleermuizenwerkgroep vanNatuurreservaten.In de nacht van 25 op 26september worden er over heelVlaanderen ruim 35 ekskursiesgeorganiseerd. Wilt u wetenwelke aktiviteit er voorzien isin uw streek, neelTI dan kontaktop met Veede Vansevenant03-4579751 (B) of methet sekretariaat van de JNM,Kortrijksepoortstraat 140, 9000Gent, telefoon 09-2234781 (E).Veerle Vansevenant


ZOOGDIER 1994 5 (2)De otter in ZuidlimburgAls onderdeel van he! projektEcologisch Herstel van deMaas verscheen eind 1993 eenrapport over het voorkomenvan de otter in Limburg en eenvoorstel voor een ecologischeinfrastructuur. Het rapport iser één van een hele serie otterbeschermingsplannendie delaatste jaren voor verschillendeprovincies zijn verschenen.Het rapport behandelt dehistorische en huidige verspreidingvan de otter in Limburg,maatregelen die genomen1110eten worden OITI deLilnburgse wateren weer voorotters leefbaar te maken en deinstnllnenten die de uitvoerdersdaartoe ter beschikkingstaan. Net als elders inNederland is in Limburg hetbelangrijkste probleem datopgelost moet worden deslechte waterkwaliteit. In Limburgis dit des te problematischer,omdat dit niet mogelijkis zonder de medewerking vanBelgië en Duitsland. Als ditprobleem opgelost kan wordendan zijn de potenties voorotters in Limburg groot. Debeste mogelijkheden voor deontwikkeling van een samenhangendstelsel van leefgebiedenen migratieroutes liggen inMidden- en Zuid-Limburg.Het gaat dan om het Maasdal,het stroomgebied van de Geul,de Gulp, de Roer, de Swalmen de benedenloop van deTungelroysche Beek.In een bijlage bij het rapportwordt ingegaan op het huidigevOOrk0111en van otters inLimburg. Tijdens inventarisatiesin 1991 en in 1993 werdenin totaal vier pootafdrukkengevonden langs de Geul en deGulp. Uitwerpselen zijn nooitgevonden. Een mager resultaat,te weinig om uitspraken tekunnen doen over het bestaanvan een otterpopulatie in Limburgof de aanwezigheid vanzwervers uit België of Duitsland.Voor de uitvoering vanhet plan is dit mijns inziensook niet relevant, want demaatregelen die genomenmoeten worden komen vooralde mensen in Limburg tengoede. Het verbod om kraanwaterte gebruiken of de confrontatiemet weer een modderstroomop de snelweg zouelke Limburger er toe moetenzetten om de adviezen uit hetProjekt Ecologisch Herstel vande Maas zo snel mogelijk terealiseren.Dennis WansinkWinter, L., 1993. De otter inLimburg; het voorkomen van deotter (Lutra lutra L.) in Limburg eneen voorstel voor een ecologischeinfrastructuur. NHG, Maastricht/SON,Leeuwarden/RWS-RIZA.Arnhem. 96 pagina's en 3 bijlagen.Prijs f 16,- (inclusief porto). Hetrapport kan verkregen worden viade Stichting NatuurpublicatieLimburg, Groenstraat 106, 6074EL Melick.Dassen en hetverkeerIn de jaren tachtig verzameldehet toenmalige Rijksinstituutvoor Natuurbeheer, nu Instituutvoor Bos- en N atuuronderzoek,in Nederland enke-33Ie honderden door het verkeerOlngekOlnen dassen. Deze werdenonder andere onderzochtop leeftijd en voortplanting. Deverzamelde gegevens zijn nuuitgewerkt en gepresenteerd inhet kader van het onderzoeksprogramma'Landschapsecologische werkingvan (rijks)wegen en mitigerende111aatregelen' vanRijkswaterstaat. Nadat in hetvorige rapport werd ingegaanop de afstand waarop de doodgeredendassen werden gevonden,gerekend vanaf de dichtstbijzijndeburcht (zie Zoogdier4(3):30), wordt in dit nieuwerapport de invloed van de verkeerssterfteop de voortplantingbij dassen beschreven.Ongeveer 20 procent van deNederlandse dassenpopulatievindt jaarlijks de dood door hetverkeer. Zo'n hoge sterfteroept de vraag op of er welgenoeg jonge dassen geborenworden om het verlies te compenseren.Van de verkeersslachtofferswerd de leeftijdbepaald aan de hand van deslijtage van de kiezen, en tendele gekontroleerd aan dehand van de groeilijnen in hetI~H>!-d "lIJ" ~:~::IIH,,:r)".l">Wj)' ~ctn1,::.:r_·)iW11,r~i:>Jdils-,..,


ZOOGDIER 1994 5 (2)34cement van de hoektanden. Ditmaakte het mogelijk de voortplantingsstatnsvan de vronwtjesin verband te brengen methun leeftijd. Interessant is datoude vrouwtjes bijna allemaaljongen hadden gekregen voordatze dood werden gereden,terwijl dit bij jongere vrouwtjesveel minder vaak het gevalwas. Deze vrouwtjes blekenmeestal wel bevrucht te zijngeweest, lnaar de zwangerschapwordt bij de jongerevrouwtjes blijkbaar vaak vroegtijdigafgebroken. In het rapportwordt gespeculeerd datwaar verscheidene geslachtsrijpevrouwtjes gezamenlijk eenburcht bewonen, de oudstemeestal dominant is en dezwangerschap volbrengt, terwijlde jongere als gevolg vansociale stress de zwangerschapafbreken. Dat zou inhoudendat met de dood van een oudvrouwtje de voortplanting vande gehele burcht dat jaar verlorengaat. Naast de 400 à 450verkeersslachtoffers zoudendan nog ongeveer 170 jongende dood vinden.De gemiddelde worpgroottewordt berekend op 3,3. Dit ishoog vergeleken met dassenpopulatiesin het buitenland,maar niet vergeleken met desituatie in Nederland aan hetbegin van deze eeuw toen erweinig auto's waren, lnaar erwel op dassen gejaagd werd. Inde landen waarmee de auteurshun gegevens vergelijkenwordt echter nog steeds opdassen gejaagd. De relatie jachten grote worpen is mij daaromniet duidelijk.De eerder gestelde vraag ofde sterfte door het verkeergecompenseerd wordt door degrote worpen kan helaas nieteenduidig beantwoord worden.Daartoe zijn er te weinig gegevensbeschikbaar over de situatieop de burcht: één of verscheidenevrouwtjes?Ook in dit rapport moetweer veel worden gespeculeerd,omdat veel gegevensontbreken. Dat is jammer. Ikvraag mij af wanneer er nu eindelijkeens een echt diepgaandonderzoek kan worden uitgevoerdnaar de effecten van deveranderingen die wij in hetlandschap aanbrengen op desociale structuur en daanneeop de voortplanting van dedassenpopulatie.Dennis WansinkBroekhuizen, S., G.J.D.M. Müskens& K. Sandifort, 1994. Invloed vansterfte door verkeer op de voortplantingbij dassen. ISN-rapport055, Wageningen, 39 pagina's.Het rapport is te bestellen doorovermaking van fl0,- (SF 200) opPostbank 948540 van IBN-DLO teWageningen onder vermelding vanhet rapportnummer.Zoogdieren van deAlkmaarse HoutDe Alkmaarse Hout is eenprachtig oud loofbos middenin de gelijknamige stad. Hetbos kent een rijk planten- endierenleven en is regelmatigonderwerp van studie doornatuurliefbebbers. Toch is debevolking nauwelijks op dehoogte van de natuurwaarden,en dat lTIOest ll1aar eens veranderen.Enkele kenners hebbende koppen bij elkaar gestokenen hun kennis gebundeld. Hetresultaat is een zeer lezenswaardigboekje, dat gaat overstinsepIanten, de geschiedenis,paddestoelen, broed-, trek en(vooral) overwinterende vogelsen nog veelIneer.Het aardige is dat de zoogdierenniet zijn vergeten. Devleermuizen zijn het best geïnventariseerd.In vergelijkingmet andere oude loofbossenzijn het er niet zoveel, eigenlijkalleen veel dwergvleermuizenen verder wat verdwaalde laatvliegers,watervleennuizen enruige dwergvleermuizen. Metde kleine zoogdieren is het alniet veel beter gesteld. Alleenlnaar bosmuizen. Dan zijn ernog wat waarnenlingen vanbunzing en egel. De eekhoornkwam vroeger voor, stierf uit,lnaar is recent weer gezien.Dus wie weet...De zoogdierarmoede van deAlkmaarse Hout komt door degeïsoleerde ligging van het bos,maar vooral door het rigoureuzeonderhoud: men zaagt ensnoeit wat af. Het boekje eindigtdan ook met aanbevelingenvoor het beheer en daarspelen vooral de zoogdiergegevenseen belangrijke rol. Opgrond van een relatief weinigtijdrovende zoogdierinventarisatievalt er opvallend veelover het beheer te zeggen, veelmeer dan bij bijvoorbeeldvogels. Het gaat om het latenstaan van oude bOlnen nletholten, het maken van takkenhopenen -rillen en het stimulerenvan lneer hoge ondergroeivan struiken en bodembedekkendekruiden.Nu maar hopen dat we overtien jaar opnieuw zo'n boekjekrijgen, maar dan met enthousiasteverhalen over bunzingen,rosse vleermuiskolonies, basenhuisspitslnuizen, watervleer-11luizen, een bloeiende eekhoornpopulatie,af en toe eenvos, rosse woehnuizen en oudebomen met roepende ruigedwergvleermuizen. De gemeenteweet nu hoe ze dat kanbereiken.Nico JonkerArgeloo, M. & H. Smit (redactie),1993. De Alkmaarse Houtnatuurlijke rijkdom van een viereeuwen oud stads bos. AlkmaarseCahiers 5, 50 paginaTs. UitgeverijZwaan & Terburg BV, Alkmaar.ISBN: 90-73598-05-02. Prijs112.50 (BF 250).


ZOOGDIIlR 1994 5 (2)35Bosuil valt boommarteraan.Op 25 april 1994 stond iktegen de avond samen metDick Klees bij een nestboomvan een booll11narter Martesmartes in het Nationaal ParkVeluwezoom. 's Middags hadik onder diezelfde boom eendood boommarterjong gevonden,van ongeveer twee wekenoud. Het jong was zeer waarschijnlijkuit het nest gevallen(van der Leer 1994). We wildennagaan of het vrouwtjenog bij de boom zou komen,om daaruit de aanwezigheidvan nog meer jongen af te leiden.De nestboom stond aanhet begin van een zes-dubbelerij beuken. In de verte hoordenwe een bosuil roepen. Om21.10 uur kwam de boommartervia de kruinen van een aangrenzendefijnsparrenopstandtevoorschijn. Het was een klein,slank vrouwÛe. Enkele minutenlang liep ze ogenschijnlijkdoelloos van tak naar tak doorde toppen van de rijen beukebomen.Uiteindelijk stapte zeover naar de beuk waarin zichde nestholte bevond. Via eendikke zijtak daalde ze af naarhet nest. Plotseling vloog ereen bosuil op haar af. Op hetmoment dat de uil zijn klauwenuitsloeg, zagen we hetboommarterwijfje ineen duikenen hoorden we dat ze haarklauwen stevig in de bast vande beuk sloeg. Meteen daarnaverdween ze in de nestholte.De bosuil ging een klein stukjeverderop zitten en gaf op luidruchtigewijze haar territoriumroepten gehore. Wat er nuprecies gebeurd is op het momentvan de aanval blijft voorons onduidelijk. We hebben nietkunnen vaststellen of de bosuilde boommarter daadwerkelijkmet haar klauwen geraakt heeft.Mogelijk heeft het vrouwtje deaanval nog op het laatstemoment weten te ontwijken.Van bosuilen is bekend datze hun territorium fel tegenindringers kunnen verdedigenen enkele individuen vallendaarbij zelfs mensen aan(Mooij 1982). Dat zou ook hierhet geval kunnen zijn geweest.In Engeland is een waarnemingbekend van een bosuildie een vos Vu/pes vu/pes aanviel(Paterson 1964). De vosstond bij een vijver te drinken,toen de bosuil zonder waarschuwingaanviel en uithaalde.Er was geen aanleiding voor deaanval waar te nelnen. Ditvoorval vond plaats in januari,en mogelijk had deze bosuiltoen al een nest; van bosuilenis bekend dat ze al in de winterjongen kunnen hebben.Het is duidelijk dat het voorde bosuilen van groot belang isom boomn1arters ver verwijderdte houden van hun nest.In Nederland zijn verscheidenegevallen bekend (o.a. in deomgeving van Beetsterzwaagen Bennekom) dat boommartersjonge bosuilen predeerdenen vervolgens de nestholte vande bosuil kraakten.Gevallen van predatie vanbosuilen op volwassen of juvenielebOOlnmarters zijn voorzover ik weet nog nooit waargenomenen een poging hiertoeacht ik ook in dit geval niet ergwaarschijnlijk.Peter A. van der Leer,Capella 10, 6922 LG DuivenLiteratuurMooij, lH. 1982. De bosuil.Kosmos Vogelmonografieën.Leer P.A. van der, 1994. Devondst van een dode, jongeboommarter Martes martes (invoorbereiding).Paterson, A. 1964. Tawny Ow1attacking Fox in winter. Brit.Birds. 57: 202-203Steenmarter steektijssel overOp 18 januari 1994 werd langsde provinciale weg vanArnhem naar Rheden, terhoogte van De Steeg, een dodesteenmarter Martes foina gevondendoor Jan van der Wal(wonende: Overbeeklaan 5 teVelp). Het betrof een volwassenvrouwtje filet eenlichaamslengte van 66,5 centimeteren een gewicht van 13 90gram. Het was een verkeersslachtoffer.Twee keer eerder werd aande westkant van de IJssel eensteenmarter gevonden (Broekhuizenet al. 1992). Opmerkelijkaan deze vondst was dathet vrouwtje in goede conditiewas en mogelijk zelfs drachtig.De andere exemplaren warenin een slechte conditie. Ditwijst erop dat het vrouwtjewaarschijnlijk al langere tijdaan de westkant van de IJsselverbleef. Blijkbaar was ze instaat om hier in haar levensbehoeftente voorzien. Of ze ookaan deze kant van de IJsseldoor een mannetje bevrucht isblijft een open vraag. Bij martersligt er een zeer langeperiode tussen de bevruchting(zomer) en het moment waarophet bevruchte eitje zich inde baarmoeder nestelt en zichverder ontwikkelt (winter).De toename van het aantalvondsten van steenmarters aande westkant van de IJssel - in1988 werd er zelfs één doodgeredenin Utrecht (Broekhuizenet al. 1992) - maakt vooral hetinventariseren van bOOllllnartersMartes martes steeds moeilijker.Boom- en steenmarterlijken uiterlijk erg veel opelkaar. Tot nu toe kon van elkemarter die ten westen van deIJssel werd waargenomen metenige zekerheid worden aangenomendat het een boommarterbetrof. Die zekerheid is nutanende. Daarbij komt nog datsteenmarters, net als boommarters,soms holle bomengebruiken als slaap- en nestplaats.Het omgekeerde komt


ZOOGDIER 1994 5 (2)36ook voor, namelijk dat boommarterssoms typische steenmarterplaatsengebruiken omhun jongen te werpen, zoalshuizen (zie Zoogdier 4(3): 35).Bij waarnemingen van lnartersop en rond de Veluwe zal dusvoorzichtiger omgegaan moetenworden met de naamgeving.Een foto van het dier ofhet observeren van het dierover een langere periode voorkomtfouten. Waarnemingenen dode dieren kunnen door-Steenmarters rukken nog steedsop naar het westen.Foto Jaap Muldergegeven worden aan SimBroekhuizen of GerardMüskens van het Instituut voorBos- en Natuuronderzoek teArnhem, telefoon: 085-452991.Dennis Wansink, Annastraat 3,ArnhemLiteratuurBroekhuizen, S., B. Hoekstra, V.van Laar, C. Smeenk, & J.B.M.Thissen, 1992. Atlas van deNederlandse zoogdieren.KNNV-Uitgeverij, Utrecht.


ZOOGDIER 1994 5 (2)37Bovenschedel van een vleermuis,in dit geval een laatvliegerEptesicus serotinus, uit braakballenvan een kerkuiL Foto Gerhard GlasVleermuizen inbraakballenIn Noord-Holland zijn ledenvan de NoordhollandseZoogdierstudiegroep(NOZOS) actief bezig met hetpluizen van braakballen vankerkuilen en ransuilen. Inanderhalf jaar tijd zijn vanmeer dan 15.000 prooidierenresten gevonden. De meesteprooidieren zijn, zoals gewoonlijk.veldmuizen Micro/us arvalis.Ook de huisspitsmuisCrocidura russuia wordt op veelplaatsen regelmatig aangetroffen.De meeste braakballen warenafkomstig uit de Wieringermeer.Deze polder wordtgedomineerd door grootschaligeakkerbouw. Het gebiedwordt doorsneden door velekanalen en sloten. In de noordoosthoekliggen het Robbenoordbosen het Dijkgatsbos. Inbraakballen van een kerkuil,geraapt op 1 maart 1994 in éénvan de boerderijen in dezedroogmakerij, ontdekte eenleerling van een basisschool inJulianadorp een vleermuisschedel.Onder het streng toeziendoog van Jan Boshamer werddeze gedetermineerd als eenruige dwergvleermuis Pipis/rellusna/husii. Deze soort is nieteerder in Nederland in braakballenaangetroffen (Bekker &Mostert 1991).Alsof de lol niet op kon, trofEd van der Veen nog geentwee weken later, op 31 maart,in braakballen van een ransuileen schedel van een grootoorvleernluisPleeotus auritus aan.Deze braakballen warenafkomstig uit het Dijkgatsbos,waar de soort niet eerder wasopgemerkt. Kort hierna, inapril, werd een levende grootooraangetroffen in een vleermuiskastin het Robbenoordbos,niet ver van hetDijkgatsbos. Opvallend is datde grootoor in de braakbalwaarschijnlijk in de wintermaandenis gepredeerd. Eerderdeze winter, op 30 december1993, waren namelijk allebraakballen van deze plekzorgvuldig wegge raapt. In dewinter houdt de grootoor eenwinterslaap. Deze grootoormoet dus tijdens een kortewakkerperiode gepakt zijn.De grootoorvleermuis is altwaalf maal eerder in N ederlandsebraakballen gevonden(Bekker & Mostert 1991). InNoord-Holland is dit de tweedevondst; eerder is in 1982een grootoor in braakballen uithet Heiloërbos bij Alkmaargevonden.Kees Kap/eijn, Bos enLommerweg 1-/11,Amsterdam1055 DKLiteratuurBekker, J.P. & K. Mostert, 1991.Predatie op vleermuizen inNederland. Lutra 34: 1-26.Noordse woelmuisgevonden!Deze zomer en herfst wordteen flink aantal moerasgebiedenin Friesland door de VZZmet lifetraps onderzocht op hetvOOrk0111en van noordse woeIlnuis,waterspitsmuis endwergmuis. Vooral de noordsewoelmuis krijgt daarbij aandacht,omdat van dit 'ijstijdrelikt'vermoed wordt dat hij inFriesland achteruit gaat.Voorafgaand aan het vangwerkis een braakbal-inzamelingsaktiegestart in de provincie, dieal veel materiaal heeft opgeleverd.Na het pluizen van ruim3500 schedeltjes werden deeerste resten van noordsewoehnuizen gevonden, en welin enkele braakballen uitEernewoude in het centrumvan de provincie. Ook inbraakballen uit deMakkumerwaard, buitendijksgebied ten zuiden van deafsluitdijk, kwam de soorttevoorschijn. Gelukkig zijn zeer dus nog. Nu is de vraag inhoeveel terreinen er nog populatieszijn, en hoe levensvatbaardie populaties zijn op de langetermijn.Nog steeds zijn braakballenuit Friesland welkom, vooraluit het merengebied en uit destrook langs het IJsselmeer. Zekunnen zonder postzegel, maarmet duidelijke vindplaatsgegevens,worden opgestuurd naar:Onderzoek VZZ, pla FriesNatuunTIUSeU111,Antwoordnummer 6907, 8900WC Leeuwarden.Jaap Mulder, De Holle Bilt 17,3732 HM De Bilt


ZOOGDIER 1994 5 (2)Drie paar handen om mij vast te houden! Geef mij dewinterslaap maar ... (Eikelmuis E/iomys quercinus.)Foto Jeroen van der Kooi}Zoogdier en mensvoor de lens38De winnende foto's in de eerste rondevan de fotowedstrijd zijn beide afkomstigvan Jeroen van der Kooij. Drie mensenhebben het aangedurfd te reageren oponze oproep om foto's in te sturen dieiets (grappigs) laten zien van de interaktietussen mens en zoogdier. Ga er zelfook even voor zitten en kijk je fotografischeherinneringen door. Of zet iets aardigsin scene en druk af. Met zo weinigkonkurrentie is jouw fantastische foto zógeplaatst, toch? Opsturen naar hetredaktieadres: De Holle Bilt 17, 3732HM De Bilt.Zit er wat in de val val val?Foto Jeroen van der Kooi}Fusie adviesradenPer april 1994 zijn 111Nederland de Jachtraad, deBosraad, de AdviescommissieWet BUD en de Natuurbeschermingsraadopgegaan ineen nieuwe IRaad voor hetNatuurbeheer'. De raad bestaat kan de raad adviezen uitbrenuit15 leden, die door de gen aan andere departementen,staatssecretaris zijn benoemd aan Eerste en Tweede Kamer,op grond van hun inhoudelijke en aan provincies, gemeentenen bestuurlijke deskundigheid. en waterschappen. VoorzitterDe raad adviseert de minister is H.J.L. Vonhoff. De nieuwevan Landbouw, Natuurbeheer raad kent 5 commissies, éénen Visserij gevraagd of onge- voor de inhoudelijke aspektenvraagd over aspekten natuur, van het beleid, één voor juribos,houtproduktie, landschap, disch-bestuurlijke aspekten,jacht en wildbeheer. Verder één voor randvoorwaardelijkeen produktie-aspekten, eenvoor educatieve en algeineenmaatschappelijke aspekten, enéén voor bedreigde uitheemseplanten en dieren. Het secretariaatvan de raad blijft gevestigdop Maliebaan 41, 3581CD Utrecht, tel.: 030-331441.Bron: Raad voor hetNatuurbeheerPiet van der Reest


ZOOGDIER 1994 5 (2)39AlgemeneLedenvergaderingOp 7 mei 1994 vond deAlgemene Ledenvergaderingvan de VZZ plaats in de Zoovan Antwerpen. 's Ochtendswerd het huishoudelijke deelafgehandeld, terwijl de middagwas ingeruimd voor lezingenen een forumdiscussie overgrensoverschrijdende zoogdierpopulaties.Tijdens het huishoudelijkedeel zijn enkelebelangrijke besluiten genomen.Het was daarom jammer datde opkomst niet zo groot was.Zo is besloten tot oprichtingvan een Stichting Publikatiefonds,in eerste instantie omhet vOOlibestaan van 'Lutra' teverzekeren. Het krijgt eenstartkapitaal van f 40.000.Chris Smeenk, Rob vanApeldoorn en Bauke Hoekstranemen zitting in het bestuurvan de stichting.Vrijwel unaniem was deAL V van mening dat het huidigecontributiestelsel moetveranderen. Er is gekozen vooreen geleidelijke verandering,zoals voorgesteld in het Jaarboek,bijlage 1-2 (variant b).Voorlopig is er één nieuwaspekt, een soort laagdrempelig(goedkoop) lidmaatschap in devorm van een donateurschap.Donateurs ontvangen niet detwee tijdschriften, maar hebbenkOliing op VZZ-aktiviteiten en-uitgaven, en ontvangen eenregiotijdschrift of thematischtijdschrift: een nieuwsbrief bijvoorbeeld.Over een jaar oftwee, drie zullen de landelijkeleden niet meer automatisch detwee tijdschriften 'Zoogdier' en'Lutra' te ontvangen, lnaarkunnen zij zelf hun 'pakket'samenstellen.Het bestuur zal voor de volgendeAL V met een concreetvoorstel en statuten komenvoor de oprichting van eenProjectbureau. In dat bureauzullen de (commerciële) onderzoeksprojektenvan de verenigingworden ondergebracht.Verder moet het bestuur strevennaar de oprichting van eenZoogdierbureau, samen metandere zoogdierclubs. Datbureau moet de verspreidingsgegevensvan zoogdieren gaanbeheren, bewerken en (tegenbetaling) voor opdrachtgeversinterpreteren. Ook het zoogdiermonitoring-projektwordthierin ondergebracht.Aan de AL V werd ook eenDeze dag werd mogelijk gemaaktdoor financiële bijdragen van deDirectie Natuur, Bos, Landschap enFauna van het ministerie vanLandbouw, Natuurbeheer enVisserij en de Dienst Natuurbehoudvan het ministerie van deVlaamse gemeenschap.Tekening: Lammert Joustra.actieplan van het bureau CommunicationConcept voorgelegd.Hierin staan een aantalprojekten waarmee de VZZ debekendheid van de zoogdierenonder het Nederlandse enVlaamse publiek kan vergroten.Het is de bedoeling dathiermee in het najaar van 1994een begin wordt gemaakt.'s Middags kwamen degrensoverschrijdende zoogdierenaan de orde. Een zeventalvleennuissoorten, de das, deotter, de hazel- en de eikelmuisen de hamster vallen onder hetbegrip 'grensoverschrijdendezoogdieren' waarvoor beschermendemaatregelen nodig zijn.Ze werden behandeld door


ZOOGDIER 1994 5 (2)Johan Thissen en Dirk Crie!.Van de meeste soorten ontbrekenechter nauwkeurige gegevensover dispersie en aantalsontwikkeling.De heer Tijsbenadrukte het belang van deRode Lijsten waaraan zowel inBelgië als in Nederlandgewerkt wordt. De RodeLijsten vormen een handvatvoor natuurbeschenningsorganisaties0111 111eer aandacht tevragen voor de in het wildlevende zoogdieren. Hier ligtThemadagZeezoogmerenOp zaterdag 19 novemberwordt in Leiden een VZZlezingendaggehouden met alsthema de zeezoogdieren.Plaats: Zoölogisch Laboratoriumvan de RijksuniversiteitLeiden, Kaiserstraat 63, Leiden.De Kaiserstraat is vanafhet NS-station te voet in eenkwartier te bereiken, viaStationstraat, Steenstraat, linksafbrug over en gelijk weerrechtsaf, en dan maar steedsrechtdoor.een duidelijke taak voor deVZZ.Tijdens de discussie werdduidelijk dat de decentralisatievan de overheid in België en inNederland zeer nadelige gevolgenkan hebben voor hetvoortbestaan van levensvatbarezoogdierpopulaties. Het wordtin de nieuwe situatie moeilijkerom de plannen van de beidelanden op elkaar af te stemlnen.Het voorlopige programmaomvat tenminste vijf, deels buitenlandse,sprekers, en mogelijkook een fihn. De onderwerpenen sprekers zijn:- Gedrag en foerageren vanbruinvissen bij Shetland.P.G.H.Evans,- Onderzoek aan orea's in deVS en Canada. A.vanGinniken,- Gedrag van tuimelaars,Zuid-Afrika, H,Richards,- Gezondheidstoestand vanNederlandse bruinvissen, M.Garcia Hartmann.- Het Leidse bruinvisonderzoek.M,Addink.VeldwerkkampFriesland40Om een bijdrage te leveren aanhet VZZ-onderzoek naar dekleine zoogdieren van moerasgebiedenin Friesland houdt deVeldwerkgroep komendeherfst een kamp ergens in hetzuiden van deze provincie. Indiverse natte terreinen zal wordengeprobeerd de aanwezigheidvan noordse woehnuis,waterspitsmuis en dwergmuisaan te tonen. Er is vooralbezorgdheid over de (schijnbare?)achteruitgang van denoordse woelmuis. In braakballenuit Friesland wordennog maar zelden resten van dit'ijstijdrelikt' gevonden.Het kamp vindt plaats vanvrijdag 30 september tot enmet zondag 2 oktober. De kostenbedragen ongeveer f 30.Opgave en inlichtingen bijFloor van der Vliet, Spaarndammerstraat660, 1013 TJAmsterdam, telefoon 020-6828216.VU-BanenpoolVan tijd tot tijd krijgt de VZZopdracht om voor andereinstanties onderzoek te doen.Voor de uitvoering daarvanschakelen wij het liefst mensenin die de juiste kennis vanzaken hebben en die op kortetermijn beschikbaar zijn. Ben jegeïnteresseerd in zulk tijdelijkwerk, meldt je dan bij de VZZ­Banenpool, door een brief metje kennis en ervaring, en l11atevan beschikbaarheid, te sturennaar de secretaris van de VZZ,Manfred Weisz, Emmalaan 41,3581 HP Utrecht.Them~ HoloceneZoogdierenOp zaterdag 8 oktober 1994wordt in Groningen een vzzlezingendaggehouden overholocene zoogdieren, zoogdierendus die hier na de laatsteijstijd leefden of leven. Zessprekers behandelen drie soorten,steeds in het licht van'toen' en in het licht van 'nu',Plaats: Biologisch-ArchaeologischInstituut, Poststraat 6,9712 ER Groningen, Het instituutbevindt zich op 10-15minuten lopen van het NS-station,maar is ook per busbereikbaar: lijn 1, 2, 3, 5 en 6,uitstappen Grote Markt. Perauto: parkeren in de parkeergaragePelsterstraat (duur: f 17p.d.)Programma:10:00-10:30ontvangst met koffie10:30-11:00De oeros in Nederland tennoorden van de grote rivieren.L.J.M. van Es11 :00-11 :30De teruggefokte oeros: hetHeek-rund. J.Th,VuIink11:30-12:00De eland in Nederland ten noordenvan de grote rivîeren.K.Walch12:00-14:00lunch, en mogelijkheid tot hetbekijken van de collecties vanhet Instituut14:00-14:30De eland in het NatuurparkLelystad. D.Dekker14:30-15:00De bever in de delta in hetNeolithicum. J.T.Zeîler15:00-15:30De bever in de Biesboseh.B.Nolet.


41Medewerker secretariaat VZZSinds enkele maanden is hetsecretariaat van de VZZ weereen vrijwilliger rijker. Iederevrijdag kunt u Albert Oldenhofaantreffen op het secretariaatin Utrecht. Albert verzorgt de'VZZ-winkel' en reist metmateriaal van de VZZ allegroene ll1anifestaties inNederland en België af. In hetweekend van 4 en 5 juni washij, sanlen met nog zes andereVZZ-Ieden, aanwezig op hetjubileumfeest van V ARA'sVroege Vogels in 's Graveland.De activiteiten van de VZZbreiden zich gestaag uit. Momenteelverzorgt Ida van Damde financiële administratie dievoortvloeit uit al die activiteiten.Zij kan daar echter enigehulp bij gebruiken. Het bestuuris daarom op zoek naar eenvrijwillig medewerker, die metCOlnputers kan o111gaan en eendag in de week wil bestedenaan het bijhouden van definanciële administratie. U kuntcontact opnemen tnet de secretaris(020-62014565) of depenningmeester (085-439346)of een briefje sturen naar hetsecretariaat.DeVZZ-winkelRegelmatig verschijnen er rapportenen boekjes over zoogdierendie door de VZZ zijnuitgegeven of waaraan ledenvan de VZZ hun medewerkinghebben verleend. Deze publikatieszijn bij het secretariaatvan de VZZ te bestellen ofkunnen gekocht worden tijdensmanifestaties waarbij de VZZmet een stand aanwezig is.Ook oude nummers vanZoogdier en Lutra zijn nogbeschikbaar. Een uitgebreidepublikatielijst met onder anderede inventarisatierapportenvan de Veldwerkgroep is teverkrijgen bij het secretariaatvan de VZZ.Een nieuw produkt is hetVZZ-T-shirt, ontworpen doorHerwin Walravens (zie afbeelding).Verkrijgbaar zijn dekleuren rood, groen en wit,voorlopig echter alleen in demaat XL. Prijs f 20,- (f 25,-) ofBF 400 (BF 500).Enkele prijzenAtlas van de Nederlandse zoogdieren,S. Broekhuizen et al.(red.), 3e druk, 1992, 336 pp.Prijs f 45,- (f 37,50) of BF 900(BF 750).Manifest 'Zoogdieren en wetlands',VZZ, 1992, 19 pp. Prijsf 5,- (f 3,-) of BF 100 (BF 60).Marterpassen IJ, Nieuwsbrief1993 van de WerkgroepBoommarter Nederland, 1994,74 pp. Prijs f 15,- (f 10,-) of BF300 (BF 200).Vossen, J.L. Mulder, 1993, 22pp. Prijs f 5,- (f 3,-) of BF 100(BF 60).De noordse woelmuis inWaterland en de Zaanstreek, F.v.d. Vliet, 1993, 30 pp. Prijs f10,- (f 7,-) of BF 200 (BF 140).Kleine marters in de polder,N.Jonker & J.L.Mulder, 1994,25 pp. Prijs f 7,50 (f 5,-) of BF150 (BF 100) voor leden, f 10,­(f 7,50) of BF 200 (BF 150)voor niet-leden.De das, bibliografie van literatuurt/m 1993, J. Vink, 1993,62 pp. Prijs f 15,- (f 12,50) ofBF 300 (BF 250).Oude nummers Zoogdier f 3,- (f1,-) of BF 60 (BF 20).Oude nummers Lutra f 5,- (f 2,-)of BF 100 (BF 40).De eerstgenoemde prijs geldtvoor toezending per post. Hetbedrag tussen haakjes is deprijs op stands en afgehaald ophet kantoor van de VZZ.Bestellen kan door overmakingvan het eerste bedrag op rekening203737 van de Postbank(Nederland) of op rekening000-1486269-35 van dePostchecks (België), onder vermeldingvan de titel.LiteratnurlijstDe VZZ beschikt sinds kortover een computerbestandwaarin de literatuurlijsten zijnopgenomen die regelmatig inLutra worden gepubliceerd.Het gaat om alle tussen 1973en 1990 verschenen publikatiesover nederlandse zoogdieren,zowel artikelen in vaktijdschriftenals zogenaamde 'grijze' literatuur.Het bestand is eenDbase-bestand. Het is verkrijgbaarop floppy voor f 15 (bijtoezending) of f 10 (bij afbalen).Tentoonstellingen _.l1li14 juli Vin 25 septemberSpeuren naar sporenPlaats: Boerderij Zorgvrij,Genieweg 50, Velsen,Open: ma-zo 9-17 uur,Vin 23 oktoberMarterachtigen inNederlandOrganisatie, Stichting WildbeheerVeluwe, in samenwerking metde Boommarterwerkgroep en deWerkgroep Marterachtigen vande VZZ.Plaats~ Bezoekerscentrum HeiAardhuis, Hoog Soeren,Open, di-zo 10-17 uur.Vm 11 november De woltEen tentoonstelling over de rolvan predatoren in de natuur.Aan bod komen, naast de woltook andere roofdieren.Plaats, Hel NederlandsJachtInuseurn, FQnteinallee 2,Doorvverth,Open, di-zo 13-17 uur.


ZOOGDIER 1994 5 (2)42Vm 28 januart 1995Reeën in NederlandPlaats: Natuurmuseum Enschede,MH. Tromplaan 19. Enschede.Open, di-za 10-17 uur. zo 13-17uur,Evenementen26 juli. Lezing'Jachttechniek vleermuizen'door Hans Huitema.Plaats; Hotel Dreijeroord, Graafvan Rechîerenweg 12,Oosierbeek.Aanvang, 20.00 uur26 juli. Vm 3 septemberZoogdieIinitiatiekampJNMDit kamp is bedoeld voor jongerendia nog niet zoveel wetenover zoogdieren. De nadruk ligtop alle manieren waarop zoogdierengeïnventariseerd kunnenworden: met vallen, braakbal­Ier", bat-detedors, enzovoort.Organisatie: Zoogdierv.rerkgroepJeugdbond voor Natuurstudie enMilieubescherming.Plaals, ergens in België.lnJonnalie, Filip Van DenWyngaert. 015-755990 (E).30 juli. Vm 7 augustusZomerkampVeldwerkgroep VZZDit jaar wordt hei zomerkarnpgehoUden in Altenstein(Duitsland). Voor de TechnischeAcademie van Altenstem zal depopulatie vleermuizen geïnventariseerdworden. Ook wordt enigeaandacht besteed aan qe~wone muizen,Organisalie, Veldwerkgroep V'lZ.Plaals, Allenstein (D).Deelname, t 250,- (EF 5000), maximaal25 personen,Informatie~ Kris Joasten, 085-820971 (NL)8 t/m 18 augustusWatemeemetskampTijdens dit weeleend wordt in dekreken tussen Eeklo en deNederlandse grens gezocht naarwatervleermuizen, Het gebied isgeschikt voor deze vleermuis,maar werd hier nog niet waargenomen,Vergeet je fiets nietlOrganisalie, ZoogdierwerkgroepJeugdbond voor Natuurstudie enMilieubescherming.Plaats: de sheek noord vanEeldo.Informalie, David De Vlaeminck,09-3773758 (E).30 augustus Lezing'Egels en verkeer, eenstekelig probleem'door Luc Meuvlissen.Plaats: Hotel Dreijeroord, Graaivan Rechterenweg 12, 005-terbeekAanvang, 20.00 uur17 september SnijdagKleine MarterachtigenOrganisatie: Werkgroep KleineMarterachtigen VZZ.Plaals, De Schothorst.Schofhorsterlaan 21, Amersfoort.lniormatie: Arie Swaan, 020-6832420 ol 020-6642453 (NL).16, 17 en 18 septemberVeldwerkkamp MuizenNoordwest~Overijssel wordt geïnventariseerdop muizen. Specialeaandacht zal gegeven wordenaan de noordse woelmuis en dewaterspitsmuis,Organisatie: ZoogdierwerkgroepOverijssel.Deelname, j 25,- (BF 500).Informatie: Nico Driessen. 038-217166 (NL, tijdens kantooruren).16, 17 en 18 septemberZoogdiercursus NOZOSIn de Vechtslreek (Naardermeere.o.) wordt een korte cursusgegeven over het onderzoekaan zoogdieren in hei veld.Aandacht wordt besteed aanhet vangen met inloopvallen, hetzoeken en herkennen van sporenen het herkennen van zoogdierenin het algemeen,Organisatie: NoordhollandseZoogdierstudiegroep (NOZOS),Plaals, Vechislreek.Informatie en opgave: JaapPostrna. 020-6838707 (Nl.),16, 17 en 18 septemberZoogdiercursus KNNV­JongerenDeze cursus is bedoeld voor jongerenvan 20 tot en met 30 jaarom, door eigen onderzoek enonder begeleiding van deskundîgen,de zoogdieren beter teleren kennen, Zowel de leek alsde meer ervaren jongere is welkom.Organisatie: Werkgroep Jongerenvan de Koninklijke NederlandseNatuurhistorische Vereniging.Haais: Nijmegen,Deelname, t 25,. (EF 500).Informatie, Veldwinkel KNNV,030-314797 ol 080-784953 (NL).30 september t/m 2 oktoberVeldwerkkampFriesland.Op zoek naar de noordse woelmuis,de waterspitsmuis en dedwergmuis in Friesland,OrgonJsalie, Veldwerl


ZOOGDIER 1994 5 (2)43Nationale Campagne BeschermingRoofdieren (NCBR)• NCBR Postbus 98, 2180 Ekeren 1, 03-6530655 of 03-7713827 (B).Vereniging voor Zoogdierkunde enZoogdierbescherrning (VZZ)• VZZ-Bureau en ledenadministratie:Emmalaan 41, 3581 HP utrecht. 030-544642(NL).• VZZ-België, H. Leirs, Oude TereIstraat 28,2650 Edegem. 03-4582088 (E).• Veldwerkgroep Nederland CMC Joosten,Kromwijkplaats 156, 6843 GV Arnhem, tel085-820971 (NL).• Veldwerkgroep België (tevens materiaaldepot),J. Vandewalle, Sluizenstraat 2, Bus 4,2900 Schoten. 02-2454300/03-6641726 (B).• Materiaaldepot veldwerkgroep, f. van derVliet, Spaarndammerstraat 660, 10 13 TJAmsterdam. 020-6828216 (NL).• Werkgroep Zee zoogdieren (WZZ) MAddink, RMNH, Postbus 9517, 2300 RALeiden. 071-143844 (NL).• Werkgroep Marterachtigen AH. Swaan,Torresstraat 33 111, 1056 RR Amsterdam. 020-6832420/6642453 (NL).• Werkgroep Boommarter Nederland VZZ,D.J.C Klees, Zadelmakersstraat 58, 6921 JEDuiven. 08367-64335 (NL).• Redactie Lutra, C Smeenk, RMNH Postbus9517,2300 RA Leiden. 071-143844 (NL).Vlaams Zoogdierkundig Overleg (VZO)• 1. Vandewalle, Sluizenstraat 2, Bus 4, 2900Schoten 02-2454300/03-6641726 (B).Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN/svo)• W. Bongers, Postbus 190, 6700 ADWageningen. 08370-10324 (NL).Zoogdier, tijdschrift voorzoogdierbescherming en zoogdierkunde• JL Mulder, De Holle Bilt 17, 3732 HM DeBilt. 030-203158 (NL).• D. Criel, Zottegemstraat 2, 9688 Schorisse.055-456610 (B).Aanwijzingen voor auteurs• Zorg dat het artikel interessant is voor delezer. Maak er een pakkend inleidinkje bij,en denk ook aan een goede afsluiting.Vermijd vaktermen en vreemde woorden.Dus beter sterfte dan mortaliteit Gebruikgeen afkortingen.• De tekst dient in de voorkeurspelling te zijngesteld. Alleen hoofdletters gebruiken waardit grammaticaal verplicht is. DusNederlandse planten- en dierennamen meteen kleine letter beginnen. Gebruik denaamgeving zoals gehanteerd in de Atlasvan de Nederlandse Zoogdieren.• Gebruik van chapeaus ('boventitels') toegestaan.Probeer de tekst met behulp van kortetussenkopjes te structureren. Plaats degevens van de auteur (adres, instelling),bedankjes en oproepen aan het eind vanhet artikeL Maak de tekst niet op (geenkades!): geef alleen alineas aan met eenenkele tab, en onderstreep de cursief tedrukken woorden (latijnse namen).• Houd het aantal literatuurverwijzingen zoklein mogelijk. Literatuurlijst op alfabetischevolgorde. Elk item op een nieuwe regelbeginnen. BijvoorbeeldAkl


ZOOGDIER 1994 5 (2)Wildhandel, gouden handelAls gewone wildhandelaar heb je het niet gemakkelijk. Van alles en nog wat wordtverboden. Vooral aan de Conventie van Washington (Cites) heb ik een gloeiendehekel. Vroeger zat er een mooie boterham in apen, tijgers en andere exotischezoogdieren. Tot voor kort had ik het echt beroerd. Enkel nog wat gekweekte beestenvoor huishoudelijk gebruik, zoals siberische grondeekhoorns en wasberen,mocht ik leveren. Ik durf het nu te bekennen: ik was bezig met een omscholingskursus.Mijn leven veranderde op slag toen ik eens met biologen praatte. Eerst dacht ikdat het slechts scherts bij een glas bier was. Wat die allemaal willen uitzetten, pardonherintroduceren, je gelooft je oren niet. Ik rook meten gouden handel. En eenmooie woorden dat die jongens bedenken om hun menagerie te camoufleren: ecologischesleufel[acforen of mooier nog opvullen van lege niches. Eerst de bevers in deBiesbosch, toen de edelherten in de Oostvaardersplassen en nu weer bevers in deOoijpolder. Het mooie is, dat het ook nog allemaal wildvang moet zijn. Anders zijnde dieren gedomesticeerd en kunnen de heren er niets mee. En, vergeet niet al diedassen die zonodig overal uitgezet moeten worden, die komenook ergens vandaan. Voor binnenkort heb ik nog een partijtjewilde otters achter de hand. Gezien alle otterplannenkan het niet lang meer duren of die soort isbooming business.Je kunt de heren biologenook leuke voorstellen doen,elanden of wisenten. Niets isze te dol. Wel moet ik eropletten dat over elke soorteen zweem van "uitgestorven"ligt. Soms mislukt eenopzetje wel eens. Onlangsis een handeltje lynxenvoor op de Veluwe afgeketst.Als wildhandelaarmoet je met de tijd meegaan. De nieuwste trendsonder de zoogdierkundigenlees ik in Zoogdier.Voor mij IS Zoogdiereen 0 baar vakbladZoori.iereenpu_areepZoogdier is het meestinformatieve zoogdierenbladm de Benelux. Het verschijnt vier keerper jaar. Je kunt je abonneren door de kaart in te vullen of door overmaking vanBF 450 op rekening 000-1486269-35 off25 op postbank 203737 ten name vanPenningmeester VZZ te Utrecht.

More magazines by this user
Similar magazines