6 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

nvml.nl

6 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

Ik maak me zorgen…“ Ik ben steeds vaker dingen kwijt.Soms vergeet ik zelfs de namen vanmijn kleinkinderen. En laatst wist ik deweg naar huis niet meer terug te vinden!Ik zal toch geen Alzheimer hebben?”Maakt u zich ook zorgen over Alzheimer? Blijf er nietmee rondlopen. Bestel de gratis brochure ‘Zorgen overAlzheimer’ op www.zorgenoveralzheimer.nlof bel 0800-6002.


Tabel 2 Bedrijfeconomische en andere afwegingen bij overheveling vanlabproductie.Opbrengsten• Minder of geen apart laboratoriumpersoneel meer in apartlab (max. ca. 15 fte).• Geen investeringen meer voor laboratoriumapparatuur oplocatie.• Minder kosten voor kwaliteitscontrolemateriaal, -deelnameen de organisatie daaromheen.• Geen aparte laboratoriumruimte, inrichting en onderhoud.• Geen kosten voor gas, water, elektra e.d.Kosten vanwege overheveling van regulier onderzoek (excl. cito) naarandere locatie• Activiteiten in te zetten t.b.v. versturen (mankracht).• Activiteiten in te zetten t.b.v. ontvangen (mankracht).• Vervoerkosten: niet-spoedbepalingen en spoedonderzoekdat niet met POCT kan.POCT-gerelateerde extra kosten• Opleiding/certificering en twee- tot driejaarlijkse herhaling:inspanning voor lab en verpleegkundigen.• Extra kosten van citotesten op POC-instrumenten en-testen ten opzichte van die op laboratoriumapparatuur(verbruiksgoederen).• Extra aanschafkosten van de POC-instrumenten ten opzichtevan die voor laboratoriumapparatuur.• Validatiekosten bij gebruik van POCT vergeleken metvalidatiekosten voor laboratoriumapparatuur.• Kosten kwaliteitscontrole voor POCT vergeleken met die voorde onderzoeken op het laboratorium.• Kosten voor uitval van personeel vanwege prik- enmorsaccidenten.Andere zaken te overwegen en op te lossen• Werkwijze met betrekking tot aanvragen die bestaan uit citoen niet-cito (dubbel afnemen, splitsen van monsters, vereistehandelingen, complicaties en logistieke consequenties).• Doorlooptijd van de niet-spoedonderzoeken bij opsturen; isverlenging daarvan acceptabel?• Toename van cito-aanvragen bij ‘gewone’ kliniek vanwegedokters die anticiperen op vertraging (logistieke cito’s)?• Toename in cito-omzet, doordat het POC-instrumentariumdicht bij de hand is?• Uitvoering van cito’s voor afdelingen die zelf geen POCinstrumentenof -testen hebben.• Voorzieningen voor cito-vragen op de huidigelaboratoriumpoli die afkomstig zijn van andere poliklinieken,het verpleegtehuis en de eerste lijn (logistieke cito’s).• Is massaal gebruik van open bloedafname bij toepassingvan vingerprikken voor POCT voldoende veilig?• Voorziening voor bloedafname voor de reguliere nietcitoproductie,thans uitgevoerd door het lab.denkbeeldig (figuur 1). Daarnaast komt het onverwacht eens opde zoveel keer voor dat bloed bij het maken van de vingerprikwegspuit, spattend op de handen, kleding of het gezicht van depatiënt of medewerker, het bed, de vloer etc. 2 Bij grootschaligetoepassing van POCT en daarmee van de vingerprik (ziekenhuisZevenaar: ca. 22.000 citoafnames per jaar 3 ) zou dat resulterenin enkele tientallen tot honderden spatincidenten per jaar. Hetis de vraag of dat volgens de huidige veiligheidsnormen enbij de maatschappelijke onrust over besmettelijke via bloedoverdraagbare ziekten als Mexicaanse griep, SARS en aidsacceptabel kan worden geacht, zelfs al ontbreken er in ditverband systematische studies.Uitvoering van bloedtransfusie en semenopwerkingApart dient aandacht te worden besteed aan het werk voor debloedtransfusie en de semenopwerking. POCT biedt hiervoorgeen oplossing.Voor de bloedtransfusie betreft de problematiek delaboratoriumservice bij spoedsituaties: op voorraad houden enuitgeven van bloedproducten, screening van het patiëntenserumop irregulaire antistoffen, het kruisen ervan met geselecteerdebloedproducten. Alhoewel in kleine klinieken waar zeldenbloedtransfusies worden gegeven het op voorraad hebben vanO-negatief bloed voor spoedsituaties verdedigbaar is, gaat datniet op voor een algemeen klein ziekenhuis waar bloedtransfusieveel vaker voorkomt (Zevenaar: uitgifte van ca. 2000 unitserytrocyten per jaar). Voor klinieken met dergelijke aantallenbloedtransfusies is het systematisch willen opvangen vanspoedsituaties met O-negatief bloed omstreden en, gegeven debeschikbaarheid van O-negatief bloed, onhaalbaar.Voor semenopwerking ten bate van de vruchtbaarheidsbehandeling,wordt door een in-vitrobewerkingstijd die(beduidend) langer is dan 1 uur de kwaliteit van het semenaangetast (10).Dit betekent dat voor de bloedtransfusie en semenopwerking ineen ziekenhuis als dat te Zevenaar een zekere laboratoriumfunctiebeschikbaar dient te blijven.Bedrijfseconomische overwegingenBij de vraag of een klein algemeen ziekenhuis zonder laboratoriumzou kunnen, waarbij het gewone laboratoriumonderzoek wordtverstuurd en het cito-onderzoek uitgevoerd met POCT, mageen financiële, bedrijfseconomische afweging niet ontbreken.De hoofdreden waarom verplaatsing en vervanging vanhet laboratoriumwerk als mogelijkheid worden geopperd istenslotte de verwachte besparing op laboratoriumpersoneel,-instrumentarium, -ruimte en -inrichting. Deze besparing dientop te wegen tegen de extra kosten die verplaatsing van productieen uitvoering van cito-onderzoek met POC-instrumenten en-testen met zich meebrengt. Wij sommen hier een aantal zakenop, vooralsnog zonder een gedetailleerde bedrijfseconomischebeschouwing te willen geven (tabel 2). Een dergelijke uitwerkingis uiteraard wel nodig indien met de plannen verder wordtgegaan.1 De verbruiksgoederen voor POCT zijn meestal (beduidend)duurder dan die voor de op laboratoria uitgevoerde bepalingen.De prijs per bepaling verschilt niet zeldeneen factor 5 tot wel 100. Ter illustratie de prijzenvan enkele verbruiksgoederen op een i-Stat (Abbott),Spotchem EZ (Menarini) en Reflotron(Roche),allemaal POC-apparaten die in onze inventarisatie voordiverse bepalingen nodig zouden zijn (1). Een glucosebepalingop i-Stat, Spotchem EZ en Reflotron kost respectievelijkcirca € 2,-, € 1,50 en € 1,50; op onze chemieapparatuur (ModularP800, Roche) kost die circa € 0,03. Een creatininebepaling opeen i-Stat, Spotchem EZ of Reflotron kost respectievelijkcirca € 7,-, € 2,- en € 3,-, die op onze chemieapparatuur(Modular, Roche) circa € 0,20. Een INR op de i-Stat kost circa2 Variërend van 1/100 tot per medewerker een paar maal per jaar, volgens ervaringen in het eigen laboratorium en rondvraag bij collega’s.3 In onze evaluatieperiode van drie maanden telden we ca. 30.000 aangevraagde citobloedonderzoeken, ofwel ca. 120.000 per jaar. Bij een geschat aantal van 4-8 onderzoekenper afname, betekent dit 15.000-30.000 afnames per jaar.166Analyse juli 2010


€ 5,- en op chemieapparatuur (STA Revolution, Roche) circa€ 0,20. Een bloedgasmeting ten slotte kost op de i-Stat circa€ 7,-, die op bloedgasapparatuur op ons lab (Cobas 221,Roche) circa € 0,02. Dergelijke verschillen maken bij een nietonaanzienlijke omzet van 120.000 cito-aanvragen per jaarveel uit. Bijvoorbeeld bij een voorzichtig genomenverschil in prijs tussen meting met POCT en meting oplaboratoriumapparatuur van € 2,- tot € 4,- zijn de kosten van deverbruiksgoederen bij toepassing van POCT 240.000 tot480.000 euro hoger dan bij meting op laboratoriumapparatuur.Van dergelijke bedragen kunnen zodiverse laboratoriummedewerkers op een laboratoriumbetaald worden.2 Bij overheveling van de citolaboratoriumproductie naar POCTin de kliniek zal een veelheid aan POC-instrumenten nodigzijn om (vaak) dezelfde stoffen op de verschillende afdelingente kunnen meten. Een ruwe schatting geeft aan dat bij de circa30 POCT-instrumenten die in ziekenhuis Zevenaar nodigzouden zijn (1), bij een geschatte prijs per POC-instrument van€ 5000,- een investering in POC-apparatuur van circa€ 150.000,- zou moeten plaatsvinden.3 Voordat er POCT op zorgafdelingen kan wordengeïntroduceerd, dient er een traject te worden gevolgdvan selectie en aanschaf, validatie van de instrumenten enafstemming van de verkregen meetresultaten met die op hetlaboratorium, en instructie en certificering van verpleegkundigpersoneel dat de bepalingen moet gaan uitvoeren. Er dientherleid te kunnen worden wie de POC-metingen verrichtte,en de meetresultaten dienen in het ziekenhuisinformatiesysteemte worden geregistreerd. Eenmaalgeïntroduceerd vergen de POC-instrumenten onderhoud endient de bekwaamheid van het metend personeelbijgehouden te worden. Volgens de tegenwoordige normenvalt de toepassing van POCT onder de verantwoordelijkheidvan het laboratorium. Dat zal dus een aanmerkelijke enterugkerende inspanning moeten leveren (4-7), niet in delaatste plaats omdat het om grote aantallen POC-instrumentenen groepen medewerkers op meerdere afdelingen gaat. Eendeel van het werk kan eventueel na de initiële training naar deafdelingen worden gedelegeerd. Het is verleidelijk en mogelijkniet te vermijden om voor deze inspanning extra personeelin te zetten. Dit staat echter haaks op het met de introductievan POCT beoogde doel: kostenbesparing.4 Het niet beschikbaar hebben van sommige onderzoeken alscito (1) resulteert niet alleen in een ongewenst of zelfsaanvechtbaar kwaliteitsverlies ten aanzien van de medischebehandeling. Het leidt ook tot logistieke problemen. Ineen recente evaluatie bleek 50% van de citoaanvragenin ons ziekenhuis medisch gemotiveerd te zijn en werd 38%aangevraagd om logistieke redenen (de overige 12% van decitoaanvragen bleek onterecht). Weliswaar leidt het ontbrekenvan om logistieke redenen vereiste cito-onderzoeken niet totmedisch onverantwoorde situaties, het is wel belemmerendvoor de voortgang van het zorgproces. Verschillendegeïnterviewde specialisten stelden dat er bij verplaatsingvan de reguliere productie naar elders rekening dientte worden gehouden met een toename van het aantalcitoaanvragen. De reden daarvoor, zeggen behandelaars,is dat ze daarmee te grote vertraging door uitvoering vanonderzoek op een andere locatie, voor hopen te zijn.5 Met het overbrengen van de reguliere niet-citoproductienaar een andere locatie zijn kosten gemoeid. Het gaat hier omte verwachten werkzaamheden in verband met hetverzenden, transporteren en ontvangen van monsters.6 Aandacht dient te worden gegeven aan de uitvoering vande reguliere klinische bloedafname, dit voor zover die doorlaboratoriummedewerkers plaatsvindt, wat in ziekenhuisZevenaar het geval is. Bloedafname is een handeling diede nodige handigheid vereist en relatief veel tijd kost.Beide zaken staan een probleemloze onderbrenging van dezetaak bij de verpleging in de weg. Merk op dat om de beoogdekostenbesparing op ziekenhuisniveau te bereiken, ook in ditverband overheveling van de laboratoriumtaak niet behoortte leiden tot formatieuitbreiding.Algehele conclusieAlles overziend wat aan de orde is gekomen in dit en het eerdereartikel (1) blijken er drie min of meer dwingende redenen voorhet hebben c.q. houden van de laboratoriumfaciliteit in eenrelatief klein algemeen ziekenhuis, zoals dat te Zevenaar.1 Om het vereiste citolaboratoriumonderzoek te kunnenverrichten, zouden er, bij afwezigheid van eenlaboratoriumfaciliteit, op diverse zorgafdelingen drie of meerPOC-instrumenten en -testen moeten worden geplaatst (1).Dit lijkt onwerkzaam en ongewenst, zowel voor degenen diede metingen zouden moeten uitvoeren (verpleegkundigen)als voor de betrouwbaarheid van de uitslagen.2 Zonder laboratorium op locatie zouden de resultaten vaneen aantal regelmatig cito gewenste onderzoeken die niet metPOCT kunnen worden uitgevoerd (1) slechts met aanmerkelijke vertraging kunnen worden verkregen.3 De activiteiten ten bate van de bloedtransfusie ensemenopwerking zouden zonder laboratorium ter plaatsegeconfronteerd worden met onverantwoord tijdverlies.Daarnaast zouden verschillende andere overwegingenmet betrekking tot kwaliteit, veiligheid, logistiek, kostenen inspanning te denken moeten geven. Het idee omsluiting van de laboratoriumfaciliteit te overwegen en hetcitolaboratoriumonderzoek te laten opvangen door uitvoeringvan POCT door verpleegkundig personeel in de kliniek, lijkt nietalleen aanvechtbaar en ten dele onverantwoord. De beoogdefinanciële besparing – het motief voor de hele exercitie – iswaarschijnlijk gering of geheel onhaalbaar, zoals onze voorlopige,summiere berekeningen suggereren.Onze conclusie betreffende de meest rigoureuze optie, het totaalsluiten van het laboratorium op locatie, roept de vraag op ofminder vergaande opties misschien verdedigbaar en voordeligzouden kunnen zijn. Te denken valt dan aan het in stand houdenvan een kleine laboratoriumfaciliteit op locatie ten bate van,primair, de werkzaamheden voor de bloedtransfusie en desemenopwerking.Een mogelijkheid daarbij zou kunnen zijn ook de uitvoeringvan de citotesten bij betreffende laboratoriumfaciliteit onderte brengen, en eventueel ook nog de bloedafname voor dekliniek en de monsterverzending. Bij de laatste opties worden debezwaren met betrekking tot uitvoering van cito-onderzoek metPOCT in de kliniek ondervangen. In feite is men daarmee echterook ‘terug bij af’: er is weer (of nog) een laboratoriumfaciliteitin het ziekenhuis, waarbij de metingen gewoon weer wordenverricht door laboratoriummedewerkers met normalelaboratoriumapparatuur, in plaats van met eenvoudig tebedienen POC-instrumenten en -testen. In die situatie kan echterde vraag gesteld worden wat het nog voor nut heeft groteaantallen niet met spoed aangevraagd regulier labonderzoek optransport te zetten voor meting elders.De vereiste meetfaciliteiten (apparatuur) ten bate van decitotesten is dan namelijk aanwezig op locatie, en tegen weinigvervolg op volgende pagina >Analyse juli 2010 167


extra kosten worden er wat grotere instrumenten geplaatst danstrikt nodig voor het relatief kleine aantal cito’s, zodat alles er inéén keer op kan worden verricht.Verdere opties die kunnen worden overwogen om toch tot enigebezuiniging op de laboratoriumfunctie in het kleine algemeneziekenhuis te komen, zijn sluiten van het laboratorium buitenkantooruren, of alleen gedurende de nachten. Eventueel kaner gewerkt worden met een oproepdienst ’s nachts in plaatsvan een permanent aanwezige analist. Dergelijke opties zijnhaalbaar, afhankelijk van wat de kliniek nodig heeft, buitenkantooruren of ’s nachts, met name qua bloedtransfusie encito-onderzoek. Mocht worden overwogen om het citoonderzoekbuiten kantooruren door de verpleging te latendoen, dan gelden ook daarvoor weer veel van de bezwarenzoals hierboven opgesomd. Voor alle genoemde opties zalduidelijk zijn dat er al snel de nodige (laboratorium)formatie bijvereist is, en dat de financiële besparing met tussenoplossingen– als die al haalbaar zijn – waarschijnlijk klein is of ontbreekt.De voor de laboratoriumfunctie bepalende factoren liggenfeitelijk niet binnen het laboratorium, maar daarbuiten.De aanwezigheid van citolaboratoriumonderzoek in aanzienlijkeaantallen en de noodzaak van bloedtransfusie ensemenopwerking hangen direct samen met de zorgactiviteitendie in het ziekenhuis worden gedaan, het zogenaamde profielvan het ziekenhuis. De meest prominente afdelingen in ditopzicht zijn de operatie- en verloskamers, de afdelingen IntensiveCare en Spoedeisende Hulp. Het profiel van het ziekenhuis komtvoort uit bewuste, al dan niet politieke keuzes van de raad vanbestuur en de medische staf. Wanneer er voor wordt gekozenalgemene basiszorg te kunnen verlenen op 24-uursbasis, is erfeitelijk een compleet basislaboratorium op locatie nodig. Ineen dergelijk algemeen ziekenhuis is anno nu het laboratoriumredelijkerwijs niet te vervangen door POCT en het opsturen vanmonsters, noch binnen kantooruren, noch daarbuiten.DankwoordGraag danken wij de leidinggevenden B. Kleinlugtenbeld, zorggroepmanager locatie Zevenaar algeheel, S.W.J. van Baal, zorgmanager Afsprakenbureau, Opname enPoliklinieken, A.J. Dieker, zorgmanager afdeling Short-stay, Snijdende afdelingen, Interne geneeskunde, Neurologie/Longgeneeskunde en Cardiologie, C.M. Koeweiden-Vennix, hoofd Kraamafdeling/Gynaecologie en afdeling Moeder en Kind, H.M. te Mebel, zorgmanager Operatiekamer, T. Poortinga, zorgmanager Intensive Care/CardiacCare, Spoedeisende Hulp, Kraamafdeling/Gynaecologie en afdeling Moeder en Kind, voor hun inbreng gegeven middels interviews ten bate van onze meningvorming. Deheer J. Verhaagen, manager werkeenheid KCHL, danken wij voor discussie en geleverd commentaar op het manuscript.CorrespondentieDr. P.M.W. Janssens, Klinisch Chemisch en Hematologisch Laboratorium, Ziekenhuis Rijnstate en ziekenhuis Zevenaar, Alysis zorggroep, Postbus 9555, 6800 TA Arnhem,e-mail: pjanssens@alysis.nlLiteratuur1 Janssens PMW, Schipper MH. Wat heeft ‘point of care testing’ te bieden in een klein algemeen ziekenhuis voor de vraag naar citolaboratoriumonderzoek? Ned TijdschrKlin Chem Labgeneesk 2010;35:34-40. Zie ook Analyse 2010;65(5):139-44.2 Price CP. Point of care testing. BMJ 2001;322:1285-8.3 Briggs C, Guthrie D, Hyde K, Mackie I, Parker N, Popek M, Porter N, Stephens C; British Committee for Standards in Haematology General Haematology Task Force.Guidelines for point-of-care testing: haematology. Br J Haematol 2008;142:904-15.4 Giuliano KK, Grant ME. Blood analysis at the point of care: issues in application for use in critically ill patients. AACN Clin Issues 2002;13:204-20.5 Sánchez-Margalet V, Rodriguez-Oliva M, Sánchez-Pozo C, Fernández-Gallardo MF, Goberna R. Educational intervention together with an on-line quality controlprogram achieve recommended analytical goals for bedside blood glucose monitoring in a 1200-bed university hospital. Clin Chem Lab Med 2005;43:876-9.6 Nichols JH. Point of care testing. Clin Lab Med 2007;27:893-908, viii.7 Martin CL. Quality control issues in point of care testing. Clin Biochem Rev 2008;29 Suppl 1:S79-82.8 Quale JM, Landman D, Wallace B, Atwood E, Ditore V, Fruchter G. Deja vu: nosocomial hepatitis B virus transmission and fingerstick monitoring. Am J Med1998;105:296-301.9 Schrijver K de, Maes I, Damme P van, Tersago J, Moës E, Ranst M van. An outbreak of nosocomial hepatitis B virus infection in a nursing home for the elderly in Antwerp(Belgium). Acta Clin Belg 2005;60:63-9.10 Janssens PMW, Blokzijl E. Semenbewerking in het laboratorium: tijd telt. Ned Tijdschr Klin Chem Labgeneeskd 2005;30:260-2.168Analyse juli 2010


Antibacteriële werking van honing ontrafeldDrs. P.H.S. Kwakman en dr. S.A.J. ZaatAfdeling Medisch Microbiologie, AMC, AmsterdamDit is een bewerking van de ‘general discussion’ van het proefschrift ‘Thrombocidins and honey: mechanisms of action and optimization ofantimicrobial activity’, dat vanaf 1 juli 2010 online is in te zien via: http://dare.uva.nl/cgi/b/bib/bib-idx?c=uvadis.Antibioticaresistentie is een ernstig probleem; de percentages ziekteverwekkende bacteriën dieresistent zijn tegen verschillende antibiotica nemen steeds verder toe, terwijl er nauwelijks nieuweantibiotica beschikbaar komen. De noodzaak voor nieuwe antimicrobiële strategieën wordt danook steeds urgenter.Honing wordt al sinds de tijd van de oude Egyptenaren gebruikt voor behandeling van wondenen de directe antibacteriële werking van honing werd reeds eind negentiende eeuw beschreven.De effectiviteit van honing tegen antibioticaresistente bacteriën heeft geleid tot een toename vaninteresse in dit oude antimicrobiële middel vanuit de moderne geneeskunde.Omdat honing van nature bacteriële sporen kan bevatten dieeen potentieel probleem zijn bij gebruik op wonden, wordenhoningen bestemd voor medische toepassing gesteriliseerdom de mogelijk aanwezige sporen te doden. Momenteel zijnRevamil® en verschillende honingen van de Manuka-plant(o.a. Medihoney® en Active Manuka®) goedgekeurd voortoepassing op wonden. Revamil wordt onder gecontroleerdeomstandigheden in kassen geproduceerd, waarbij het procesgericht is op een hoge H 2O 2-productiecapaciteit van de honing.Van Manuka afgeleide honingen staan juist bekend om hunsterke niet-peroxide antibacteriële activiteit, waarbij de hogeconcentraties methylglyoxaal (MGO) een belangrijke rol lijken tespelen. De onvolledige kennis van het werkingsmechanisme ende variatie in antibacteriële activiteit zijn echter een obstakel voorde toepasbaarheid van honing in de moderne geneeskunde.Antibacteriële activiteit van medical-grade honingOm de reproduceerbaarheid van de bactericide activiteit vanRevamil te bepalen, hebben we 11 verschillende batches vandeze honing getest tegen Bacillus subtilis, een bacterie meteen hoge gevoeligheid voor honing. De 11 geteste batchesbleken minder dan tweevoudige spreiding in bactericideconcentratie te vertonen, wat aangeeft dat deze honing goedereproduceerbare antibacteriële activiteit heeft. Daarnaastheeft deze honing potente activiteit tegen de belangrijkewondpathogenen methicillineresistente Staphylococcus aureus(de ziekenhuisbacterie MRSA) en ESBL (extended-spectrumbètalactamase) producerende Escherichia coli.Als model voor een mogelijke topicale klinische toepassinghebben we onderzocht in welke mate deze honing dehuidkolonisatie van gezonde vrijwilligers kon verminderen. Na48 uur applicatie van honing op de huid van de onderarm vangezonde vrijwilligers bleek de mate van microbiële kolonisatie100-voudig afgenomen ten opzichte van de controlegroepzonder honing (p


Ontrafeling van de antibacteriële werking van honingDe hoge suikerconcentratie en de productie van H 2O 2zijnde bekendste antimicrobiële componenten in honing. Meerrecentelijk is methylglyoxaal (MGO) beschreven als eenantimicrobiële component die in hoge concentraties voorkomtin Manuka-honing. MGO wordt tijdens de rijping van honinggevormd via een niet-enzymatisch proces uit dihydroxyaceton,een stof die in hoge concentraties aanwezig is in nectar van deManuka-plant.De mate waarin deze bovenstaande componenten en mogelijkeadditionele factoren bijdragen aan de bactericide activiteit vanhoning was echter nog grotendeels onbekend. Om de rol vanindividuele antibacteriële factoren te bepalen, wordt honingveelal gefractioneerd, waarna de activiteit van de fracties wordtgemeten. Bij gebruik van een dergelijke aanpak is echter nietduidelijk wat de bijdrage van de componenten in deze fractiesvoor de totale activiteit van intacte honing is. Daarnaast leidtfractionering tot verlies van mogelijke additieve of synergistischeactiviteit tussen verschillende antibacteriële factoren in honing.Om de rol van reeds bekende antibacteriële componentenvoor de activiteit van honing te bepalen en om aanwijzingen tevinden voor eventueel aanwezige additionele factoren hebbenwe een methode ontwikkeld waarin H 2O 2en MGO specifiekgeneutraliseerd konden worden in honing en het effect hiervanop de bactericide activiteit van honing gekwantificeerd kanworden.Na neutralisatie van H 2O 2door toevoeging van catalase behield‘Revamil Source’ (RS) honing, de niet-gamma gesteriliseerdebronhoning voor Revamil, beduidend meer activiteit dan eenoplossing die qua suikerconcentratie equivalent was aan honing.De sterke activiteit van honing tegen B. subtilis nam zelfs helemaalniet af na neutralisatie van H 2O 2. B. subtilis is vervolgens gebruiktals indicator voor identificatie van additionele componenten inRS honing. Om MGO in honing te neutraliseren hebben we eenmethode ontwikkeld waarbij deze component middels glyoxalaseI omgezet kan worden tot de niet-antibacteriële componentS-lactoylglutathione. Deze enzymatische neutralisatie van MGOleidde wel tot vermindering van de activiteit van RS honingtegen B. subtilis – wat aangeeft dat deze component betrokkenis bij de activiteit – maar zelfs na neutralisatie van MGO behieldRS honing sterke activiteit. Om componenten te identificeren diebijdragen aan de nog aanwezige activiteit werden verschillendefractioneringen uitgevoerd en is het kationische antimicrobiëlepeptide bee defensin-1 in RS honing aangetoond. Dit peptideis een bekend onderdeel van het immuunsysteem van bijen,maar was nooit eerder in honing aangetoond. Door specifiekeneutralisatie met behulp van een polyklonaal anti-bee defensinantilichaamhebben we aangetoond dat bee defensin-1 hetenige antimicrobiële peptide in RS honing is, en dat dit peptideeen zeer aanzienlijke bijdrage levert aan de resterende activiteitvan deze honing tegen B. subtilis. Neutralisatie van H 2O 2, MGO enbee defensin-1 gecombineerd met titratie van honing van pH 3,4naar pH 7 resulteerde in reductie van de activiteit tegen B. subtilistot het niveau van een honing-equivalente suikeroplossing.Hieruit kan worden geconcludeerd dat alle factoren betrokkenbij activiteit van RS honing tegen B. subtilis gekarakteriseerdzijn. De gekarakteriseerde componenten bleken tevens volledigverantwoordelijk te zijn voor de activiteit van de honing tegenalle andere geteste bacteriën.Verschillende combinaties van de antibacteriële factoren blekennoodzakelijk voor de activiteit van RS honing tegen afzonderlijkebacteriesoorten, terwijl de combinatie van alle factoren – de hogesuikerconcentratie, H 2O 2, MGO, bee defensin-1 en de lage pH –essentieel was voor de breed spectrum antibacteriële activiteitvan deze honing. Dit is de eerste keer dat de antibacteriëlewerking van een honing volledig is ontrafeld.Bijdrage van geïdentificeerde factoren voor activiteitvan Manuka-honingVervolgens hebben we onderzocht in welke mate degekarakteriseerde factoren bijdragen aan de activiteit van eenbatch Manuka-honing met sterke niet-peroxide activiteit. Deonderzochte batch Manuka-honing bevatte een ca. 40 keerhogere concentratie MGO dan RS honing, terwijl H 2O 2en beedefensin-1 niet gedetecteerd werden in deze honing. Neutralisatievan MGO leidde tot een aanzienlijke verlaging van de activiteitvan Manuka-honing tegen S. aureus and B. subtilis, waarmee voorhet eerst direct bewijs is geleverd voor de rol van MGO voor deactiviteit van Manuka-honing. Na neutralisatie van MGO behieldManuka-honing echter activiteit tegen alle geteste bacteriën.Neutralisatie van de pH leidde tot verdere verlaging van activiteit,maar na neutralisatie van alle beschreven componenten behieldManuka-honing activiteit tegen B. subtilis, E. coli en Pseudomonasaeruginosa. Deze activiteit werd slechts ten dele geneutraliseerddoor kationische componenten weg te vangen. Dit betekentdat meerdere typen – zowel kationische als niet-kationische– onbekende componenten bijdragen aan de antibacteriëleactiviteit van Manuka-honing.Kennis van de antibacteriële activiteit van verschillende medicalgradehoningen zou op termijn kunnen bijdragen in het makenvan rationele keuzes voor gebruik van bepaalde honing voorspecifieke klinische toepassingen. Daarnaast is het mogelijk ommet de beschreven aanpak van sequentiële neutralisatie vande bekende componenten andere honingen te identificerendie sterke antimicrobiële activiteit bezitten en aanwijzingen tevinden voor interessante nieuwe componenten in dergelijkehoningen.170Analyse juli 2010


Het laboratoriumonderwijs in Nederland:verleden, heden en toekomstJ.A. van der WillikHoe het begon (1900-1960)Aan het einde van de negentiende eeuw ontstaat er behoefteaan personeel voor de laboratoria bij universiteiten, ziekenhuizenen industriële ondernemingen. De eerste opleidingen ontstaandoor particuliere initiatieven van individuele personen, vanziekenhuizen of specifieke bedrijven. Enkele voorbeelden zijn:• de school voor de suikerindustrie, opgericht in 1894 teAmsterdam;• bedrijfsopleidingen van Shell en Unilever te Rotterdam;• Kanner’s Chemisch Instituut te Den Haag.Het waren vaak klinisch chemici, apothekers, artsen-microbiologen,docenten scheikunde, professoren aan universiteitenetc. die het initiatief namen om mensen op te leiden voor eenfunctie in het laboratorium. Geschat wordt dat er tussen 1900 en1950 in Nederland een kleine honderd dag- en avondopleidingenvoor chemisch en/of medisch laboratoriumpersoneel zijngeweest.Met de komst van deze nieuwe opleidingen en medewerkers,vaak aangeduid als ‘analysten’, ontstaat er ook een behoefte omexameneisen te formuleren. De instanties die zich hiermee gaanbezighouden en ook de examens gaan afnemen, bijvoorbeeldde Nederlandsche Chemische Vereeniging (NCV) en de StichtingAssisterend Laboratoriumpersoneel (SAL), zijn veelal niet zelf bijde opleidingen betrokken.Tussen circa 1918 en 1967 worden er een kleine 50.000getuigschriften uitgereikt. De belangrijkste daarvan zijn dediploma’s:• leerling analist, chemische richting (ca. 37.000)• leerling analist, medische richting (ca. 7600)• chemisch analist, diploma A (ca. 6900)• klinisch analist, diploma C (ca. 8500)• basisexamen laborant. (ca. 2400)Naarmate de maatschappelijke betekenis van de beroepsgroeptoeneemt, doet ook de overheid zich gelden. Vanaf het begin vande jaren zestig in de vorige eeuw worden de tot dan toe nog vooralparticuliere opleidingen overgenomen door en opgenomen ingesubsidieerde scholen voor chemisch en medisch analisten. Delaboratoriumscholen worden geboren (zie tabel 1).De laboratoriumscholen (1960-1985)Met de inwerkingtreding van de Mammoetwet in 1963 werdeen onderscheid gemaakt in lager, middelbaar en hogerberoepsonderwijs. De vraag was vervolgens hoe de veleverschillende (particuliere) laboratoriumopleidingen in ditsysteem ingepast moesten worden. Hierbij heeft de CALPA(Commissie Assisterend LaboratoriumPersoneel/Analisten)een zeer belangrijke rol gespeeld. Uiteindelijk hebben allelaboratoriumscholen de adviezen van deze commissie ophoofdlijnen overgenomen.Zodoende kende het laboratoriumonderwijs tot 1976 devolgende structuur:• een 2,5-jarige mbo-opleiding (laborant);• een 2-jarige hbo-A-opleiding (analist);• een 3,5-jarige hbo-B-opleiding (laboratoriumassistent).Al deze opleidingen kenden vervolgens een of meer afdelingen:chemisch, fysisch, medisch, botanisch, zoölogisch, etc.In de periode 1976-1986 wordt het laboratoriumonderwijs,overigens niet zonder slag of stoot, geherstructureerd enontstaan de volgende opleidingen:• een 2,5-jarig MLO-p (praktijk), later omgedoopt tot KMLO;• een 4-jarig MLO-t (theorie);• een 4-jarig HLO.Ook hier waren er weer verschillende studierichtingen: biologisch,botanisch, medisch, chemisch, etc.In tegenstelling tot andere onderwijssectoren (die voor deverschillende niveaus aparte scholen kenden zoals meao’s enheao’s, mts’en en hts’en, etc.) bleef het laboratoriumonderwijs totdan toe ongedeeld.Gescheiden wegen (1985-2000)In de jaren tachtig heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (OCW) de wet- en regelgeving gewijzigd. Het beleidrichtte zich op het realiseren van aparte, grote instellingen voorde verschillende niveaus in het beroepsonderwijs. Zo ontstondener vanaf 1986 hogescholen voor het hoger beroepsonderwijsTabel 1 Overzicht van laboratoriumscholen tussen 1953-1976 metgesubsidieerd dagonderwijs.1958 School voor Analisten te Eindhoven1963 Stichting Analistenschool te Venlo1964 Leids Opleidingsinstituut voor Analisten te Leiden(Laboratoriumschool Rijnland)1965 Analistenschool Oss1966 Delftse Analisten Cursus (Van Leeuwenhoek Instituut)1966 Brabantse Medische Analistenschool te Breda(Dr. Struycken-Instituut)1967 Analistenschool Groningen1967 Laboratoriumschool Deventer1967 Van ’t Hoff-instituut te Rotterdam1967 School voor Laboratoriumpersoneel te Breda1967 Stichting Zuid-Limburgse Laboratoriumscholen teSittard1968 Centrum Opleiding van Assisterend Laboratoriumpersoneelte Utrecht (COVALU)1968 Amsterdamse Vereeniging voor de opleiding vanScheikundig Hulppersoneel (AVSH)(Ir. W. van den Broek Instituut te Amsterdam)1968 Laboratoriumschool Friesland te Leeuwarden1968 Laboratoriumschool IJmond te Beverwijk(Bakhuijs Rooseboom Instituut)1968 School voor Laboratoriumpersoneel te Hengelo1968 Stichting Analistenschool Zeeland te Goes1970 Amersfoortse Laboratoriumschool1971 Opleiding voor LaboratoriumpersoneelArnhem/Nijmegen (OLAN)1972 Haagse Analistenschool1975 Stichting tot opleiding van Analisten (STOVA)te Wageningen1976 Laboratoriumschool Emmenvervolg op volgende pagina >Analyse juli 2010 171


(hbo) en vanaf 1996 regionale opleidingscentra (ROC’s) voor hetmiddelbaar beroepsonderwijs (mbo) en de volwasseneneducatie.Het gevolg was dat de laboratoriumscholen werden ‘ontkoppelden gesplitst’. Het personeel moest kiezen voor een aanstellingin óf het mbo óf het hbo en de (laboratorium)inventaris werdverdeeld. Zoals bij iedere scheiding krijg je natuurlijk maarde helft van de poet. Op veel plaatsen bleven het MLO en hetHLO nog wel (even) in hetzelfde gebouw gehuisvest, maar alras kreeg de ene na de andere hogeschool nieuwe huisvesting,inclusief nieuwe laboratoria. Het MLO bleef nogal eens in deoude locatie achter. De hbo-opleidingen gingen meestal verderals een afdeling HLO van een hogeschool. De mbo-opleidingenwerden afdelingen Laboratoriumtechniek binnen ROC’s. Menigkenner van het laboratoriumonderwijs heeft het splitsen en hetonderbrengen in twee scholen van verschillend niveau een slechtbesluit gevonden. Het aantal ‘laboratoriumscholen’ verdubbeldein een keer van 23 naar 46! De nieuwe afdelingen moestenbeide fors investeren om de voorzieningen op peil te houden.Het is eigenlijk vanaf het begin duidelijk geweest dat door dezesplitsing er op een aantal plaatsen afdelingen ontstonden meteen dusdanige omvang dat er van een gezonde (financiële)bedrijfsvoering geen sprake kon zijn.Daarnaast is tussen 1985 en 2000 het aantal studententeruggelopen. Met name de belangstelling voor dechemieopleidingen nam sterk af.Het aantal HLO-studenten is tussen 1985 en 2000 gedaald vancirca 5700 naar circa 4700 (-18%) en het aantal MLO-studentendaalde van circa 7700 naar circa 4900 (-36%).Het is dan ook niet verbazingwekkend dat als gevolg vande splitsing van de laboratoriumscholen en de daling vanhet aantal studenten het voortbestaan van de verschillendelaboratoriumafdelingen van ROC’s en hogescholen in gevaarkwam.Verlies aan opleidingsplaatsen en nieuwesamenwerking (2000-2010)Laboratoriumonderwijs is duur onderwijs. Er is sprake van eenkapitaalsintensieve infrastructuur (laboratoria met bijbehorendevoorzieningen). Verder zijn de kosten voor de inventaris vanlaboratoriumapparatuur aanzienlijk en zijn de verbruikskostenaan chemicaliën, gassen, disposabels, glaswerk, etc. hoog.De ervaring wijst uit dat een afdeling voor laboratoriumonderwijsminimaal 250 studenten moet tellen om zwarte cijfers te kunnenschrijven.Daarbij komt bij minder dan 250 studenten ook de expertise inhet docententeam onder druk te staan. Bij dat aantal studentenkun je ongeveer 10 docenten aanstellen. Die moeten een scalaaan expertises beheersen (klinische chemie, hematologie,organische chemie, analytische chemie, cytologie, histologie,microbiologie, parasitologie, moleculaire biologie, weefselkweek,Nederlands, Engels, wis- en natuurkunde, etc.). Dit is vaak alleenmaar te realiseren met deeltijdaanstellingen. Het wordt daardooreen hele legpuzzel!In 2000 hebben 9 afdelingen MLO minder dan 250 studenten.Tot begin 2010 hebben drie ROC’s besloten om hun afdelinglaboratoriumtechniek te sluiten: Amersfoort in 2003 (ROC deAmerlanden), Venlo in 2004 (ROC Gilde opleidingen) en Delft in2006 (ROC Mondriaan Onderwijsgroep).Hoewel de HLO-afdelingen gemiddeld groter zijn dan deMLO-afdelingen, zijn er ook hogescholen die stoppen met hetverzorgen van laboratoriumonderwijs. Fontys Hogescholenin Venlo heeft in 2000 geen HLO-studenten meer. Amsterdam‘verkoopt’ haar HLO-afdeling in 2000 aan Hogeschool Utrecht.En in 2004 besluit het college van bestuur (CvB) van deInternationale Agrarische Hogeschool Larenstein te Velp haaropleiding laboratoriumtechniek te sluiten. Een klein deel vanLaboratoriumonderwijs bij Hogeschool Leiden.172Analyse juli 2010


Tabel 2 Overzicht van de ingeschreven studenten MLO en HLO bij ROC’s en hogescholen per 1 oktober 2009.MLO’sHLO’sROC Leiden 370 Hogeschool Utrecht 936Rijn IJssel 347 Noordelijke Hogeschool Leeuwarden 769(samen met Hogeschool Van Hall Larenstein)ROC Zadkine 337 Hogeschool Leiden 756ROC Eindhoven 281 Avans Hogeschool 654ROC Midden Nederland 280 Saxion Hogescholen 634 (2 locaties)ROC de Leijgraaf 223 Hogeschool van Arnhem en Nijmegen 575ROC van Amsterdam 221 Hogeschool Rotterdam 509ROC van Twente 207 Fontys Hogescholen 437Noorderpoortcollege 207 Hanzehogeschool Groningen 370Leeuwenborgh opleidingen 204 Hogeschool INHolland 362ROC West Brabant 192 Hogeschool Zuyd 269Friesland College 187 Hogeschool Zeeland 92ROC Nova College 169 Stenden Hogeschool 61ROC Aventus 93ROC Zeeland 91Drenthe College 83(Mondriaan Onderwijsgroep 30)Totaal aantal MLO-studenten 3522 Totaal aantal HLO-studenten 6425het personeel en van de studenten gaat naar de Hogeschool vanArnhem en Nijmegen (HAN).Rond 2005 is de daling bij het HLO tot stand gekomen. De laatstejaren is er weer sprake van een duidelijke groei. Begin 2010 zijner 13 Hogescholen met laboratoriumonderwijs (in totaal 6425 1studenten) waarvan slechts twee met minder dan 250 studenten(zie tabel 2).Het aantal studenten bij de MLO’s daalt echter nog steeds. Deverwachting is dat deze daling zich nog zal voortzetten. Hetaantal leerlingen op het vmbo, de belangrijkste schoolsoort voorde instroom in het MLO, neemt af ten gunste van het havo en vwo.Daarnaast wordt scheikunde alleen als keuzevak aangebodenwanneer er voldoende leerlingen voor zijn.Er zijn nu nog 16 ROC’s met laboratoriumonderwijs (met in totaal3522 studenten 2 , waarvan circa 3000 op niveau 4), waarvan erslechts 5 meer dan 250 studenten hebben (zie tabel 2). Dat wilzeggen dat er 11 in hun voortbestaan worden bedreigd!Als gevolg van deze ontwikkelingen wordt op verschillendeplaatsen weer gezocht naar hernieuwde samenwerking.Kostenreductie door het gebruik van dezelfde (laboratorium)faciliteiten ligt dan direct voor de hand. Begin 2010 is op 8 plaatsenin Nederland het laboratoriumonderwijs van MLO en HLO weerop één locatie gehuisvest (zie tabel 3). Op drie plaatsen is ersprake van een éénhoofdige directie (Hogeschool van Arnhemen Nijmegen, Fontys Hogescholen en Hogeschool Leiden).Toekomstige situatie (2010-2025)12 laboratoriumscholenDe toekomst van het voortbestaan van met name hetmiddelbaar laboratoriumonderwijs loopt op dit moment gevaar.Door de CvB’s van de MLO’s wordt er te weinig geïnvesteerd innieuwe laboratoria en apparatuur. De docententeams wordensteeds kleiner, waardoor specialistische kennis afneemt. Erworden sporadisch nieuwe docenten aangenomen waardoorde gemiddelde leeftijd stijgt. Voor de instandhoudingvan onze gezondheidszorg blijft goed opgeleid medischlaboratoriumpersoneel op MLO- én HLO-niveau in de toekomstonontbeerlijk. Een mogelijke oplossing om de financiële situatievan de MLO’s op korte termijn te verbeteren, kan gezochtworden in een stevige hernieuwde verticale samenwerking. Wemoeten dit type onderwijs regionaal in stand zien te houden.Dat kan wanneer MLO’s en HLO’s de krachten bundelen. Geziende relatief geringe mobiliteit van (mbo-)afgestudeerden is eengoede spreiding van opleidingsplaatsen vereist.Teneinde zorg te dragen voor een optimale interne bedrijfsvoering,en een goede afstemming met het beroepenveld, dienter in de operationele organisatie sprake te zijn van één directie,één gezamenlijke onderwijsvisie, en wordt het onderwijs opéén locatie verzorgd met gebruik van dezelfde apparatuur enpraktijklokalen. Alleen dan kan er in Nederland regionaal weerplaats zijn voor een beperkt aantal, maar wel gezonde academiesvoor laboratoriumonderwijs.Het zou mooi zijn als het ministerie van OCW de noodzaak vandeze operatie zou inzien. Het is nu twaalf voor twaalf: 12miljoen voor 12 nieuwe laboratoriumscholen! De eerstepraktijkvoorbeelden zijn al gegeven!Omdat de MLO’s onder de Wet educatie en beroepsonderwijs(WEB) vallen en de HLO’s onder de Wet op het hoger onderwijsen wetenschappelijk onderzoek (WHW) is het wel noodzakelijkom voor deze nieuwe laboratoriumscholen een nieuw(experimenteer)kader vast te stellen.Samen opleidenTot nu toe hebben noch de (chemische en farmaceutische)bedrijven, noch de ziekenhuizen zich merkbaar druk gemaakt omde verminderde uitstroom aan (MLO-)laboratoriumpersoneel.Vacatures kunnen blijkbaar nog steeds in voldoende mateworden vervuld. Dit zou kunnen gelden voor de HLO-functies.1 Gegevens van de HBO-Raad / Centraal register inschrijvingen hoger onderwijs (CRIHO)2 Gegevens verkregen door opgave van ROC’svervolg op volgende pagina >Analyse juli 2010 173


Tabel 3Overzicht van samenwerkende Hogescholen en ROC’s op het terrein van laboratoriumonderwijs.Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en Rijn IJssel Nijmegen & Arnhemen ROC de LeijgraafNijmegen, Oss & BoxmeerFontys Hogescholen en ROC Eindhoven unilocatie EindhovenSaxion Hogescholen en ROC van Twente unilocatie EnschedeHanzehogeschool Groningen en Noorderpoortcollege unilocatie GroningenNoordelijke Hogeschool Leeuwarden en Friesland College unilocatie Leeuwardensamen met Hogeschool Van Hall LarensteinStenden Hogeschool en Drenthe College unilocatie EmmenHogeschool Leiden en ROC Leiden unilocatie LeidenHogeschool Zeeland en ROC Zeeland unilocatie VlissingenNog zelfstandige afdelingen binnen hogescholen en ROC’sHogescholenROC’sAvans Hogeschool, BredaROC West Brabant, BredaHogeschool Rotterdam, RotterdamROC Zadkine, RotterdamHogeschool Utrecht, UtrechtROC Midden Nederland, UtrechtHogeschool INHolland, AmsterdamROC van Amsterdam, AmsterdamHogeschool Zuyd, SittardLeeuwenborgh opleidingen SittardROC Aventus, DeventerROC Nova College, BeverwijkDaar neemt het aantal afgestudeerden ook weer toe. Maardegene die nú op zoek is naar een mbo-afgestudeerde vangtbot.In 2010 behalen ongeveer 600 MLO-studenten hun diploma.Daarvan gaat ongeveer 50% doorstuderen in het hbo. Erkomen in 2010 dus een kleine 300 analisten beschikbaar voorde arbeidsmarkt. Die moeten dan ook nog verdeeld wordenover de 5 uitstroomrichtingen: analist klinische chemie, analistpathologie, biotechnologisch analist, microbiologisch analisten chemisch-fysisch analist. Dat zijn er dus gemiddeld 60 peruitstroomrichting, te verdelen tussen bedrijven en ziekenhuizen!Harde cijfers over de landelijke vervangings- en uitbreidingsvraagop MLO-niveau zijn nauwelijks voorhanden, maar bovenstaandeuitstroom naar de arbeidsmarkt lijkt aan de vraag niet te kunnenvoldoen.Omdat er in het MLO de komende tien jaar waarschijnlijkniet meer studenten zullen worden opgeleid, is een tweedearbeidsstrategie noodzakelijk. We kennen in het mbo tweeopleidingenvarianten, de beroepsopleidende leerweg (BOL), eenvoltijdse opleiding en een beroepsbegeleidende leerweg (BBL),een leren-en-werkentraject. Deze opleidingen kunnen wordengegeven op niveau 2 (laborant), niveau 3 (allround laborant) enop niveau 4 (analist), met de vijf uitstroomrichtingen.De oplossing voor de arbeidsfrictie ligt voor de hand en is goedsamen met het laboratoriumonderwijs inhoud en vorm tegeven. Laboratoria gaan er toe over om nog niet gekwalificeerdepersonen in dienst te nemen die vier dagen in dat laboratoriumgaan werken én (praktijk)leren en die wat betreft de theoretischeachtergronden één dag per week naar school gaan.Mocht men dit traject nog een brug te ver vinden, dan kan erook gebruik worden gemaakt van een opleider/detacheerder.Zo’n bedrijf werft en selecteert kandidaten, neemt ze in diensten begeleidt ze tijdens het opleidingstraject. De kandidatenworden voor de duur van de opleiding in het laboratoriumgedetacheerd. Hierna heeft de werkgever de mogelijkheid dekandidaat zelf in dienst te nemen. In Leiden zijn er met SWA(www.weetvanwerken.nl) al zeer goede ervaringen opgedaan.De auteurJohn van der Willik (1951) studeerde biologie in Leiden. Na zijn studie werd hij docent en gaf les op verschillende scholen. Hij vervulde functies binnen het middelbaar enhoger laboratoriumonderwijs. Hij was tien jaar hoofd van het HLO van Hogeschool Leiden (HL). Momenteel is hij directeur Techniek van de HL en sinds 2004 ook directeurvan het middelbaar laboratoriumonderwijs van het ROC Leiden.Huidige nevenfuncties:• lid van het Sectoraal Advies College Hoger Technisch en Natuurwetenschappelijk Onderwijs van de HBO-Raad (2000);• lid van het bestuur van het Nederlands Instituut voor Biologie (NIBI) (2004),• lid van de Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (CVBO) (2004);• lid van de Adviesraad Stichting Imagine Life Science (2005);• lid van het Bioscience Forum (2005);• lid van het Recruitment Committee bij ViroClinics in Rotterdam (2008);• lid van de Landelijke Adviescommissie Laboratoriumtechniek van de PMLF (2008).Geraadpleegde bronA. van der Kooij, e.a., 2001. De labschool vereeuwigd. De geschiedenis van het laboratoriumonderwijs in de twintigste eeuw.174Analyse juli 2010


Afronding activiteiten HAMLOBij de afronding van de activiteiten van HAMLO (Hulp Aan Medische Laboratoria in Ontwikkelingslanden)hoort ook de besteding van de financiële middelen die HAMLO in de loop der jaren heeft opgebouwd. Ditvermogen is afkomstig van de vele donaties die HAMLO in de loop der jaren heeft mogen ontvangen. Dewerkgroep HAMLO was van mening dat dit geld moest worden besteed aan een klein aantal projecten,waarvan we zeker waren dat het goed benut zou worden en waarbij de donatie zou leiden tot hetneerzetten van iets substantieels. Na een grondige inventarisatie zijn we gekomen tot de selectie van deprojecten die op deze pagina’s worden beschreven.Morgenster hospital, Masvingo, ZimbabweMorgenster Missie Ziekenhuis is het districtsziekenhuis voor Masvingo district met 270.000 inwoners. Het ziekenhuis heeft 240 bedden,waarvan er normaal gesproken 120 bezet zijn. Afgelopen jaar werden er meer dan 2000 bevallingen begeleid in het ziekenhuis.Op de polikliniek werden in 2009 meer dan 60.000 mensen gezien. Het grootste gezondheidsprobleem in Zimbabwe is hiv met eenprevalentie van meer dan 15%. Hiervoor heeft het ziekenhuis een hiv-kliniek, waar inmiddels meer dan 1800 mensen op hiv-medicijnenzijn gestart.Het ziekenhuislaboratorium is in de polikliniek gevestigd en is in staat om enkele basale testen te doen.Sinds kort bezit het ziekenhuis ook een CD4-counter ter ondersteuning van het hiv-programma.Het laboratorium wordt geleid door een lab technician met een lagere kwalificatie en daarnaast iseen microscopist werkzaam. Het niveau van de opleiding is niet erg hoog, waardoor er slechts basaalonderzoek gedaan kan worden.Een groot probleem is de meting van hemoglobine. Momenteel wordt gebruikgemaakt van een BMShemoglobinometer, die regelmatig onbetrouwbare resultaten geeft. Hierdoor worden belangrijkeoperaties weleens uitgesteld en krijgen sommigen ten onrechte een bloedtransfusie.Verder zijn veel basale instrumenten en attributen voor het laboratorium niet verkrijgbaar of tegeneen zeer hoge prijs.HAMLO heeft dit ziekenhuis ondersteund met mogelijkheden tot aankoop van eenhemoglobinemeter en enkele basisbenodigdheden zoals labjassen, schoonmaakborstels,boxen voor slides en trechters.Ekwendeni Hospital, MalawiEkwendeni Hospital is een missieziekenhuis in het noorden van Malawi. Het ziekenhuisheeft een reikwijdte van 100.000 mensen. Omdat malaria en haakwormen erg veelvoorkomen en de hoeveelheid ingenomen ijzer meestal laag is, is de prevalentie van anemieerg hoog. Bij de meeste patiënten die dit ziekenhuis bezoeken, wordt een hematocriettest gedaan, om het hemoglobinegehalte tetesten. Als gevolg van ernstige anemie worden bloedtransfusies veelvuldig toegepast, met name bij kinderen met ernstige malariaen moeders met bloedingen rond de partustijd. Afgelopen maanden werden er ongeveer honderd bloedtransfusies uitgevoerd permaand.Voor het uitvoeren van een hematocriettest wordt bloed afgenomen in een capillaire buis en gecentrifugeerd. De huidige centrifuge isechter in slechte staat en aan vervanging toe. Om bloedtransfusies te kunnen uitvoeren is het nodig om bloed te kunnen crossmatchenbij lichaamstemperatuur, waarvoor een waterbad nodig is. Op dit moment worden er geen crossingen uitgevoerd, aangezien eenwaterbad ontbreekt.HAMLO heeft dit ziekenhuis voorzien van financiële mogelijkheden om zowel een centrifuge als een waterbad aan te schaffen enandere essentiële benodigdheden.Analyse juli 2010 175


Kalungi Primary School, Masaka, Uganda – project‘Helpt u hopen…?’Het belangrijkste doel van dit project is het geven van basisonderwijs aan hiv/aids-wezen om hen een betere toekomst te kunnengeven. Kinderen zijn de toekomst van het land.Nederlandse kinderen hebben voor ze naar school gaan gegeten, pakken de fiets en zijn binnen een paar minuten op school. In Ugandaechter moeten de kinderen erg vroeg opstaan, water halen uit de waterput die een eind verderop is en vervolgens zonder ontbijt naarschool, wat inhoudt dat ze een aantal kilometers moeten lopen. De lessen duren tot laat in de middag en dan lopen ze het hele stuknaar huis terug. Weer thuis wordt het schooluniform gewassen, de schoenen gepoetst, waarna nog allerlei huishoudelijke karweitjesgedaan moeten worden, zoals hout halen voor het avondeten. Na het eten moet er nog veel huiswerk worden gemaakt. Dan naar beden de volgende dag begint het van voren af aan. Tijd om te spelen is er nauwelijks.Het merendeel van de kinderen binnen dit project is aids-wees, waardoor velen van hen niet meer naar school gaan omdat er geengeld is.Het project ‘Helpt u hopen…?’ is opgezet door de diaconie van de kerk van Nigtevegt. Kinderen die door aids geen ouders meerhebben worden ondersteund via dit project door middel van schoolgeld, boeken, kleding en voedsel. Het project is zo succesvoldat het aantal leerlingen enorm is toegenomen waardoor de behoefte aan meer leerkrachten is ontstaan. Het probleem is dat debeschikbare leerkrachten ver van school wonen, ongeveer 14 kilometer. Ze haken af omdat ze tweemaal daags deze afstand moetenlopen. Er is geen vervoer naar de school toe. Op dit moment is er behoefte aan woningen voor vier leerkrachten. Het is de bedoelingom een gebouw neer te zetten waarin vier woningen voor de leerkrachten gerealiseerd kunnen worden. Aankomende juli zal er hardgewerkt worden aan dit project, mede dankzij de hulp van HAMLO.HAMLO heeft dit project financieel ondersteund, waardoorer mogelijk zelfs een medische post kan worden gerealiseerd.176Analyse juli 2010


Eén gezicht klinische chemieDe Vereniging Artsen Laboratoriumdiagnostiek (VAL) en Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemieen Laboratoriumgeneeskunde (NVKC) slaan de handen ineen. In april jl. vond in Veldhoven het eerstegezamenlijke voorjaarscongres van de verenigingen plaats.De verenigingen voor respectievelijk artsen klinische chemie en de veelal natuurwetenschappelijk geschoolde klinisch chemicitreden nu met één gezicht naar buiten. Dit mag met recht een mijlpaal genoemd worden, aldus het persbericht hierover. Gedurendelange tijd lag de nadruk vooral op de verschillen tussen beide beroepsgroepen, terwijl er grote inhoudelijke raakvlakken tussen deberoepsbeoefenaren zijn. Voor de aanvrager van laboratoriumdiagnostiek zijn de beide beroepsbeoefenaren al veel langer herkenbaarals ‘laboratoriumspecialist klinische chemie’ zonder dat hier sprake is van een inhoudelijk verschil.Op een groot aantal terreinen is samenwerking gezocht en geformaliseerd in een door beide algemene ledenvergaderingengoedgekeurde samenwerkingsovereenkomst. De NVKC zal voortaan als primair aanspreekpunt fungeren voor de vakinhoudelijke zakenbetreffende de klinische chemie in Nederland. Naar externen toe betekent dit een groot aantal (hernieuwde) kennismakingsgesprekken.De verenigingsbesturen willen vooral gezamenlijk laten zien wat de bereikte overeenkomst betekent. De eerste resultaten van desamenwerking zijn al zichtbaar. In veel NVKC-commissies zijn nu VAL-leden opgenomen. Daarbij blijkt dat de netwerken die eeniedermeeneemt elkaar goed aanvullen.‘Deze samenwerking zal er mede toe bij gaan dragen dat de ‘laboratoriumspecialist klinische chemie’ een steviger klinisch profiel krijgt,wat duidelijk voorziet in een behoefte’ aldus dr. Ruben Baumgarten, voorzitter van de VAL. Het aanscherpen van het profiel van deprofessional wordt bereikt door het benadrukken van de consultfunctie naar aanvragers van diagnostiek, alsook het vormgeven vanactief beleid in het aantrekken van basisartsen voor de opleiding tot laboratoriumspecialist klinische chemie. Dr. Hans Janssen, voorzittervan de NVKC, ziet hierin een belangrijke meerwaarde voor de opleiding klinische chemie. ‘Juist de instroom vanuit verschillendevooropleidingen, zoals biochemie, farmacie, biomedische wetenschappen en geneeskunde geeft een extra input aan de vernieuwdeopleiding tot laboratoriumspecialist klinische chemie.’Vaccins tegen bacteriële infectiesDe bestrijding van diergerelateerde infectieziekten, zoals de recente toename van Q-koorts en deantibioticaresistente ESBL-bacterie, vraagt om nieuwe wetenschappelijke inzichten en technologieën. Debescherming die traditionele antibiotica bieden, lijkt steeds sneller af te nemen, waardoor de aandachtvoor alternatieven als bacteriële vaccins toeneemt.Onlangs werd in Boxmeer een nieuwe, geavanceerde faciliteit van Intervet/Schering-Plough Animal Health geopend voor het opgrote schaal produceren van bacteriële vaccins. Ter gelegenheid van de opening vond het symposium ‘Research and technology inbacterial vaccine development: Opportunities for a One Health approach’ plaats, waarbij de nieuwe ontwikkelingen en mogelijkhedenvan vaccins tegen bacteriële infecties bij mens en dier werden gepresenteerd. Ook werd in een lezing ingegaan op het belang vantechnologische ontwikkeling in de sector en humaan-veterinaire samenwerkingsinitiatieven voor de bestrijding van infectieziekten.Immuno Valley brengt onderzoek, wetenschappers en bedrijfsleven bij elkaar vanuit het ‘One Health’- (ofwel ‘Gezamenlijk Gezond’-)concept: humane geneeskunde en diergeneeskunde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en door kennis uit de beide disciplineste bundelen, kunnen innovatieve oplossingen worden ontwikkeld, waarmee epidemieën van diergerelateerde infectieziekten wordenvoorkomen en bestreden.Immuno Valley is een samenwerkingsverband van veterinaire enhumaanmedische faculteiten van de Universiteit Utrecht, deUniversiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit, het CentrumInfectieziektebestrijding van het RIVM, het Nederlands Vaccin Instituut,het Centraal Veterinair Instituut, de Gezondheidsdienst voor Dieren enmarktpartijen als GSK, Pfizer, Intervet/Schering-Plough Animal Health,Lilly-ELANCO en een scala aan relevante MKB’s.De nieuwe productiefaciliteit voor veterinaire vaccins tegen bacteriëleinfecties van Intervet/Schering-Plough Animal Health wordt onderdeelvan het Biosciences Center Boxmeer. Dit centrum is een van ’s wereldsgrootste research and development- (R&D) en productiefaciliteiten ophet gebied van veterinaire geneesmiddelen en een belangrijke pijler vanhet bedrijf in het wereldwijde R&D- en productienetwerk voor vaccins.Biosciences Center Boxmeer (artist impression)186Analyse juli 2010


Minder risico op diabetes type 2 bij matigealcoholconsumptieMannen en vrouwen die matig drinken hebben minder kans op het ontwikkelen van diabetes type 2. Ditblijkt uit een grote overzichtsstudie op basis van de gegevens van bijna een half miljoen mensen.Bij consumptie van 2 tot 2,5 glazen alcoholhoudende drank per dag is het risico het laagst. In vergelijking met nooit-drinkers kan derisicoverlaging bij mannen oplopen tot 13% en bij vrouwen tot zelfs 40% minder risico op diabetes type 2. Te veel drinken doet hetpositieve effect teniet: meer dan 5 glazen per dag leidt tot een verhoging van het risico op diabetes type 2.De onderzoekers van de Universiteit van Toronto zetten de resultaten van alle relevante wetenschappelijke onderzoeken naar de relatietussen alcoholconsumptie en het risico op diabetes type 2 die tussen 1980 en 2008 zijn verschenen op een rij en analyseerden deze.Het ging hierbij om 20 prospectieve cohortonderzoeken die betrekking hebben op in totaal 477.200 mensen, van wie er 12.556 tijdensde looptijd van de onderzoeken diabetes type 2 kregen. Door de grote omvang van deze ‘meta-analyse’ konden de gegevens van demensen die diabetes ontwikkelden worden vergeleken met de gegevens van de groep levenslange geheelonthouders.Zowel bij mannen als bij vrouwen werd een U-vormige relatie tussen alcoholconsumptie en risico op diabetes type 2 gevonden.Hiermee werden de resultaten van eerdere overzichtstudies uit 2005 herbevestigd. Wel was de gevonden risicoverlaging bij vrouwenveel groter (-40% bij consumptie van 24 g alcohol/dag) dan bij mannen (13% bij consumptie van 22 g alcohol/dag). Eén standaardglasalcoholhoudende drank bevat 10 gram alcohol. Bij consumptie van 5 (vrouwen) of 6 (mannen) glazen per dag of meer was er sprake vaneen stijging van het risico op diabetes type 2 ten opzichte van geheelonthouders.Het onderliggende mechanisme is nog onderwerp van onderzoek. De toegenomen insulinegevoeligheid bij matige alcoholconsumptiespeelt hierbij waarschijnlijk een rol.Deze publicatie heeft toegevoegde waarde ten opzichte van eerdere meta-analyses over dit onderwerp, omdat de referentiegroepdaarin bestond uit zowel levenslange geheelonthouders als mensen die waren gestopt met drinken. Stoppen met drinken is vaakhet gevolg van gezondheidsproblemen (de zogenaamde sick quitters). Het meenemen van deze sick quitters in de referentiegroepkan een vertekening geven van de onderzoeksresultaten. Een beperking van deze meta-analyse is dat veel van de meegenomenonderzoeken gebaseerd zijn op slechts één alcoholconsumptiemeetpunt, terwijl gezondheidseffecten meestal het gevolg zijn van hetconsumptiepatroon op lange termijn. Ook het drinkpatroon (bijvoorbeeld drinken bij de maaltijd, gelijkmatige spreiding over de weekof piekdrinken in het weekend) is mogelijk van invloed op de gezondheidseffecten. De invloed van deze factoren kan het gevondenverschil tussen mannen en vrouwen mogelijk voor een deel verklaren en zou in de toekomst nader onderzocht moeten worden.(Dit artikel is afkomstig van de website Alcohol en gezondheid, een initiatief van de Stichting Alcohol Research (SAR), opgericht door debrancheverenigingen van producenten en importeurs van alcoholische dranken.)Baliunas DO, e.a. Alcohol as a risk factor for type 2 diabetes. A systematic review and meta-analysis. Diabetes Care. 2009;32(11):2123-32.Kinoomtechnologie voor celonderzoekKinoomtechnologie is een nieuwe techniek voor het doen van onderzoek naar processen die eenverandering van omstandigheden in een cel oproepen en die leiden tot het antwoord van de cel hierop.Kaushal Parikh onderzocht de mogelijkheden die deze nieuwe techniek biedt. In zijn proefschrift Kinomeprofiling - methods and applications gaat hij na in hoeverre deze techniek is toe te passen bij celonderzoekbij patiënten met de ziekte van Crohn.Hij concludeert dat integratie van data verkregen uit kinoomtechnologie richting kan geven aan meer klassieke vormen van onderzoek.Verder kunnen kinoomprofileringen soms leiden tot onverwachte resultaten die op andere manieren niet voorspeld haddenkunnen worden. Kaushal Parikh (India, 1981) studeerde biotechnology in Essex (United Kingdom) en deed zijn promotieonderzoekbij de vakgroep Celbiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Sinds 1 mei is hij postdoc-onderzoeker in het AMC inAmsterdam.vervolg op volgende pagina >Analyse juli 2010 187


Synergos wint Europese aanbestedingDe Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft de Europese aanbesteding van urinecontroles en reagentiagegund aan Stichting Synergos te Eindhoven.De aanbesteding betreft het uitvoeren van screenings-, herhalings- en bevestigingsonderzoeken op urinemonsters van gedetineerdendie de aanwezigheid van bepaalde ‘drugs of abuse’ (DOA) in urinemonsters kunnen aantonen voor alle onder de Dienst JustitiëleInrichtingen ressorterende inrichtingen en/of diensten. De raamovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van twee jaar met deoptie om tweemaal te verlengen, telkens met de duur van een jaar.Stichting Synergos levert sinds 1985 medische diagnostiek aan eerstelijnszorg en instellingen uitgevoerd door de Diagnostische Centrain Den Bosch, Eindhoven en Limburg. Daarnaast is Stichting Synergos al jarenlang actief binnen GGZ-instellingen, verslavingszorgen justitiële instellingen. Stichting Synergos beschikt over de expertise en een uiterst modern laboratorium voor de screening opdrugsgebruik in urinemonsters.NVML VOORDEEL NVML VOORDEEL NVML VOORDEEL NVML VOORDEEL NVML VOORDEEL NVML VOORDEEL€10,- korting opNatuurwetenschap & TechniekHet NVML-lidmaatschap biedt naast een aantal bekende ookminder bekende voordelen.Wist je bijvoorbeeld dat NVML-leden € 10,- kortingkrijgen op een abonnement op het tijdschriftNatuurwetenschap & Techniek?Wil je hiervan gebruikmaken, vraag dan het speciale inschrijfformulier aan bij het NVML-bureau.188Analyse juli 2010


Dierproeven 1De onlangs verschenen brochure Dierproeven. Zo doen ze dat!bevestigt dat objectieve en integere informatie over dierproeven hardnodig is. Dit zei Cees Smit (voorzitter van de SID, Stichting InformatieDierproeven) tijdens de presentatie van de brochure.‘Onjuiste feiten, cijfers, acties, demonstraties en een onzichtbare overheid in deze, latennog eens duidelijk zien dat voorlichting over dierproeven en proefdieren buitengewoonnoodzakelijk is’, aldus Smit. Zo laat een SID-onderzoek onder middelbare scholieren ziendat ruim de helft denkt dat we in Nederland dierproeven doen voor de ontwikkeling vancosmetica. Dit is echter al sinds 1997 verboden.Voor het schrijven van een brochure met objectieve en integere informatie heeft deSID een redactie gevormd met diverse partijen, die elk een eigen mening hebben overdierproeven. Het resultaat is een brochure die niet pro en niet contra is en geen halvewaarheden bevat. De brochure geeft objectieve informatie gebaseerd op Zodoende2008, het jaarverslag over dierproeven en proefdieren opgesteld door de Voedsel enWaren Autoriteit (VWA).De in 2004 opgerichte Stichting Informatie Dierproeven vindt dat de overheidonvoldoende publieksvoorlichting geeft over dit onderwerp, terwijl zij wel dierproevenverplicht stelt en biomedisch onderzoek financiert. Daarbij komt dat van alle instellingendie dierproeven verrichten, openheid hierover wordt verlangd.Dierproeven doe je niet zomaar.Er gelden strenge regels die hetwelzijn van proefdieren moetenbeschermen. Ondanks tal vanbezwaren, ook bij onderzoekers,doen we dierproeven.Want we willen:• weten hoe mensen en dieren in elkaar zitten• medicijnen ontwikkelen• ziektes zoals kanker de wereld uit helpen• in huis veilige producten gebruiken.En het moet vaak van de overheid.Lees hier alles over dierproeven en vorm je eigen meningDEZE BROCHURE IS DE PUBLIEKSVERSIE VAN ZODOENDE 2008, HET JAARVERSLAGOVER DIERPROEVEN EN PROEFDIEREN VAN DE VOEDSEL EN WAREN AUTORITEITEen uitneembare poster vormt de omslagvan de brochure. Hierop staan de grootstemisvattingen over dierproeven, een aantalfeiten, enkele belangrijke medische doorbrakenen ontdekkingen en een overzicht vanmedicijnontwikkeling. Daarnaast belicht deposter verschillende standpunten waardoorde lezer wordt opgeroepen zelf een meningte vormen.Dierproeven. Zo doen ze dat! is ontwikkeldmet een subsidie van het ministerie vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport. Debrochure is te downloaden van de websitewww.informatiedierproeven.nl.Dierproeven 2Prof. dr. Geny Groothuis, hoogleraar Geneesmiddelmetabolisme en-toxicologie aan de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen vanRijksuniversiteit Groningen, heeft onlangs de ‘Lef in het Lab’-prijs vande Dierenbescherming gekregen.Groothuis kreeg de prijs voor haar inspanningen om dierproeven terug te dringen.Directeur Frank Dales van de Dierenbescherming overhandigde de trofee tijdens eenuitzending van het VARA radio 1-programma Vroege Vogels.Om te kijken of nieuwe geneesmiddelen schadelijke effecten hebben, ontwikkeldeGroothuis een methode waarbij gebruikt wordt gemaakt van hele dunne plakjes menselijkweefsel. Die zijn afkomstig van organen die worden verwijderd tijdens een operatie. Deplakjes worden in het laboratorium kunstmatig in leven gehouden. Geny Groothuisstudeerde biochemie aan de Rijksuniversiteit Groningen en promoveerde bij de faculteitMedische Wetenschappen. Ze is voorzitter van de afdeling Farmacokinetiek, Toxicologieen Targeting en verricht onderzoek naar het metabolisme van geneesmiddelen. In 1998ontving ze de Hugo van Poelgeestprijs voor alternatieven voor dierproeven.NVMLWilhelminapark 52, 3581 NM Utrecht. Telefoon: 030-2523792.Telefonisch bereikbaar: maandag tot en met donderdagvan 9:00 tot 14:00. Fax: 030-2541814. E-mail: nvml@nvml.nl.Website: http://www.nvml.nlBereikbaarheid bureaumedewerkersRia Blom(organisatie nascholing): maandag, dinsdag endonderdag.Marja Pospiech(beroepsinhoudelijke belangenbehartiging enalgemene zaken): maandag tot en met donderdag.Alice Gosselt-Imming(organisatie nascholing): maandag, dinsdag endonderdag.Jenny Schoemaker(voorlichting en sociale belangenbehartiging):dinsdag t/m donderdag.LidmaatschapVoor informatie en ledenadministratie kunt u contactopnemen met het bureau van de NVML.ContributieLees het aanmeldingsformulier op de website: www.nvml.nl.OpzeggingSchriftelijk vóór 1 november van het lopende jaarper post, fax of e-mail. U ontvangt hiervan eenbevestiging binnen 10 werkdagen. Omdat niet alhet communicatieverkeer probleemloos verloopt,adviseren wij u bij het uitblijven van de bevestigingtelefonisch contact op te nemen met het bureau vande NVML.BestuurVoorzittermw. M.J. Egbers, afdeling Medische Microbiologie,Isala Klinieken ZwollePenningmeestermw. M.A.M. Verdaasdonk, afdeling Pathologie,UMC UtrechtSecretarisdhr. R. de Nooijer, Middelbaar Laboratorium Onderwijs,locatie Hogeschool LeidenLidmw. N. IJzerman, hoofd KAM-dienst, Medial,HoofddorpAdviseurs• mw. dr. S.M. van Ham, Amsterdam.Celluliar immunoloog• dr. J.A. Kaan, Utrecht.medisch microbioloog• dr. E.C.M. Ooms, Den Haag.patholoog• prof. dr. C.G.J. Sweep, Nijmegenklinisch chemicusNVML-Commissies en werkgroepenCommissie Internationale ContactenContactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.Commissie KwaliteitContactpersoon: Marianne Schoorl.Commissie NascholingContactpersoon: Alice Gosselt-Imming en Ria Blom,bureau NVML.Commissie OnderwijsContactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.RedactiecommissieContactpersoon: Bart Krekels,bartkrekels@hetnet.nlWerkgroep RegistratieContactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVMLCommissie Sociale BelangenContactpersonen: Marja Pospiech en Jenny Schoemaker,bureau NVML.Werkgroep Hoofdanalisten MedischeMicrobiologie (WHAMM)Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVMLAnalyse juli 2010 189


OpleidingenWil je bijblijven in je vakgebied? Kijk dan of een van de volgende opleidingen iets voor jou is.Hogeschool van Arnhem en NijmegenCursussen, post-hbo- en masteropleidingen Life SciencesTitel Master of Molecular Life Sciences (MMLS)Startdatum 6 september (PT) en 4 oktober (FT)Omvang Parttime 24 maanden, fulltime 12 maandenLocatie NijmegenKosten € 9990,-TitelDataTijdLocatieKostenMoleculair-biologische technieken,deel 1: DNA, (conventionele) PCR,restrictie-enzymanalyse21, 28 september, 5, 12 oktober16.00-21.00 uurNijmegen€ 895,- (onder voorbehoud)Titel Fermentatietechnologie basisData 20-24 septemberOmvang 5 dagenLocatie NijmegenKosten € 2700,-Titel BloedbankkundeStartdatum 5 oktober 2010Omvang 8 bijeenkomsten van 18.00-21.00 uurKosten op aanvraagLocatie Sanquin, AmsterdamTitelDataTijdKostenLocatieTitelStartdatumOmvangKostenLocatieStatistiek voor laboratoriummedewerkers(basis/toegepast)12 oktober en 2 november (basis),16, 30 november en 14 december (toegepast)13.30-20.30 uurop aanvraagSanquin, AmsterdamDown Stream Processing (DSP)2 november7 bijeenkomsten van 16.00-20.30 uurop aanvraagNijmegenTitel Workshop Hematomorfologie (WHEM)Datum 2 november (middag)Kosten € 189,-Locatie NijmegenTitel Workshop Morfologie van het urinesedimentDatum 4 november (gehele dag)Kosten € 343,-Locatie NijmegenTitel ImmunologieStartdatum 9 novemberOmvang 5 bijeenkomsten van 18.00-21.00 uurKosten € 499,-Locatie Sanquin, AmsterdamVoor aanmelding en aanvullende informatie over onze kunt u terecht op onze websitewww.hanlifesciences.nl of mailen naar info.lifesciences@han.nl.Fontys HogeschoolToegepaste Natuurwetenschappen EindhovenTitel HematologieDatum september 2010Omvang 12 lesavondenKosten € 895,-Titel ImmunologieDatum maart 2011Omvang 12 lesavondenKosten € 895,-Titel Chemische pathologieDatum maart 2011Omvang 12 lesavondenKosten € 895,-U kunt zich digitaal aanmelden via de website www.fontys.nl/extens. U kiest dan voor‘cursussen’, vervolgens ‘Techniek & Natuurwetenschappen’, dan ‘Biotechnologie & Microbiologie’en dan voor de cursus waarvoor u zich in wilt schrijven. Ga vervolgens naar ‘specifiekecursusinfo’ en kies voor ‘Inschrijven’.Borger & Burghouts, AmersfoortTitelDatumLocatieTitelDatumLocatieTitelDatumLocatieIndeling en etikettering van gevaarlijke(vloei)stoffen volgens EU-GHS9 septemberAmersfoortIndeling en etikettering van gevaarlijke(vloei)stoffen volgens EU-GHS28 septemberAmersfoortLEAN (efficiency management) in hetlaboratorium6 oktoberAmersfoortTitel Opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15,een updateDatum 7 oktoberLocatie AmersfoortTitelDatumLocatieTitelDatumLocatieTitelDatumLocatieVeilig werken met gevaarlijke stoffen en deEU-GHS12 oktoberAmersfoortVeilig werken met gevaarlijke stoffen en deEU-GHS8 decemberAmersfoortIndeling en etikettering van gevaarlijke(vloei)stoffen volgens EU-GHS9 decemberAmersfoortVoor meer informatie over al deze cursussen, zie www.mijnlab.nl onder ‘workshops.Of telefonisch: mw. D. Hanssen, tel. 033-434 13 20.Avans Hogeschool BredaHet lectoraat Analysetechnieken in de Life Science van Avans Hogeschoolontwikkelt en geeft cursussen op het gebied van biomedische laboratoriumtechniekenvoor bedrijven, universiteiten en instellingen. In 2010 worden de volgendeinternationale cursussen georganiseerd:Titel Medische immunologieData 17 september t/m 19 november 2010(10 dagen, code 2591)Cursusleider Dr. M.C.M. Verschuren, Avans HogeschoolLocatie UtrechtKosten € 1400,-Titel Flowcytometrie, van kalibratie tot applicatieData 9 t/m 26 november 2010 (3 dagen, code 2561)Cursusleider Dr. M.C.M. Verschuren, Avans HogeschoolLocatie UtrechtKosten € 700,-Aanvullende informatie: www.expertiseteam-separationsciences.nl/avans-training_biomedisch_nl.htm.Voor vragen, neem contact op met: Secretariaat Lectoraat Analysetechnieken,Avans Hogeschool, mw. Frances van Ineveld, tel.: 076-525 06 98 of 06-51743172; e-mail: fpm.vanineveld@avans.nl190Analyse juli 2010


Agenda 2010•••7 september Start NVML-cursus Stagebegeleiding. In: Utrecht.21 september Symposium Voortschrijdende inzichten in het gebruik van tumormarkers bij solide tumoren.Werkgroep Tumormarkers. Informatie: www.nvkc.nl. In: Amersfoort.23 september NVML-nascholing Foutenbronnen in laboratoriumdiagnostiek. In: Nijmegen.28 sept.-1 okt. Technologiebeurs HET Instrument. www.hetinstrument.nl. In: Amsterdam.30 september NVML-nascholing Foutenbronnen in laboratoriumdiagnostiek. In: Dordrecht.30 september Start NVML-cursus Meewerkend leiding geven. In: Utrecht.14 oktober NVML-congres Focus op nieren. In: Amersfoort.2 november Start NVML-cursus Stagebegeleiding B. In: Utrecht.4 november Start NVML-cursus Timemanagement. In: Utrecht.11 november NVML-cursus Bloedcelmorfologie in de dagelijkse praktijk van een routinelaboratorium. In: Utrecht.23 november NVML-congres Medische microbiologie in verandering. In: Amersfoort.25 november NVML-cursus Beenmergdiagnostiek in de dagelijkse praktijk. In: Utrecht.1 december Start NVML-cursus Meewerkend leidinggevende. In: Utrecht.9 december NVML-cursus Bloedcelmorfologie in de dagelijkse praktijk van een routinelaboratorium. In: Utrecht.16 december NVML-cursus Beenmergdiagnostiek in de dagelijkse praktijk. In: Utrecht.•De teksten met stip zijn evenementen die de NVML organiseert. Voor meer informatie over de NVML-nascholingen kunt u terecht bijhet bureau van de NVML, tel: 030-2523792; fax: 030-2541814; e-mail: nvml@nvml.nl.Nieuwe ledenDeursen, J. Deventer Ziekenhuis DeventerAlberts-Huigen, L.W. Onze Lieve Vrouwe Gasthuis AmsterdamBlij, C.S. van der LUMC LeidenGroenendijk, S.R. Meander Medisch Centrum AmersfoortHolband, H.L. UMC Groningen GroningenKraeima-Schatelaar, A.J. Isala Klinieken ZwolleLast, N. van der Deventer Ziekenhuizen DeventerMerton-de Ridder, M.M. Deventer Ziekenhuis DeventerMollema-Kooi UMC Groningen GroningenVlaskamp-Valkema, B. Izore LeeuwardenWielinga, L. Izore LeeuwardenRandom Access in Auto-immunityZenit-RADe nieuwe random accesschemo-luminescentie analyservan Menarini voor het autoimmuunlaboratoriumBezoek onze website www.menarinidiagnostics.nlKorte opstarttijdExcellente kwaliteit analytesHoge analysesnelheidEenvoudige bediening•GEAVANCEERDE TECHNOLOGIE EN ERGONOMIEA.Menarini Diagnostics ontwikkelt en levert producten op gebied van de humane en veterinaire diagnostiek. Naast eenpakket voor diabeteszorg heeft Menarini een zeer gevarieerd scala aan apparatuur. Sinds enkele jaren is Menarini actiefbinnen de auto-immuundiagnostiek en introduceren we nu een geheel nieuwe random access chemo-luminescentieanalyser.A.Menarini Diagnostics Benelux N.V. • De Haak 8, 5555 XK Valkenswaard • tel.: +31 (0)40 - 208 20 00 • e-mail: mail@menarinidiagnostics.nlAnalyse juli 2010 191


www.nvml.nlEUCASTgastro-enteritis moleculaircarbapenemasesISIShepatitis meldingen•werkbelevingMedische Microbiologiein verandering23 november 2010Congrescentrum’de Eenhoorn’Amersfoort

More magazines by this user
Similar magazines