Mei - Historische Kring Haaksbergen
Mei - Historische Kring Haaksbergen
Mei - Historische Kring Haaksbergen
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
276Nr. 88, 89 en 93 thans Hotel Centraal, Markt 23,Nr. 90 thans het sterk verkleinde pand van Bar de Blokhut, Spoorstraat l,Nr. 91 waarin tot voor kort Slagerij <strong>Mei</strong>er, Spoorstraat 3, gevestigd was,Nr. 92 hier stond later het postkantoor, dat voor enkele jaren afgebrokenis en tenslotte Nr. 94 thanstuin van de pastorie.De situatie van 1830 week dus nog niet zo heel veel af van de huidige, alwerden er sindsdien huizen bijgebouwd langs de Eibergsestraat en deHib-bertstraat en zijn alle genoemde panden wel verbouwd of herbouwd. In1600 was de toestand echter wel heel anders. Sinds 1580 waren deverschrikkingen van de tachtigjarige oorlog over het dorp <strong>Haaksbergen</strong> enhet omliggende platteland gekomen. De meeste bewoners waren gevlucht,door oorlog en ziekte was de bevolking belangrijk in aantal verminderd.Het dorp was maar klein, het bestond uit kerk en kerkhof met watwoningen daar omheen. Verder had men lintbebouwing langs deBlankenburgerstraat tot aan het "Endeke too" en langs de Oostenstraat. DeMolenstraat, genoemd naar de windmolen, die in 1601 in de Sondershoekgebouwd werd, was nog maar een pad of bestond misschien helemaal niet.Het verkeer met door paard of koe getrokken wagens vanaf Eibergen enNeede bereikte het centrum via de weg, die vóór woning nr, '60 rechtsafboog en tussen de woningen nrs. 53 en 54 op het kerkplein kwam. Hetverkeer van Enschede en Boekelo ging door de Blankenburgerstraat enbereikte samen met de wagens van Delden en Goor bij woning nr. 90 dekern van het dorp. De tegenwoordige Enschedesestraat in het dorptegenover de woningen nrs. 53 en 54 bestond namelijk nog niet. Dekerksteeg ten zuiden van de kerk was vermoedelijk alleen maar de wegnaar de pastorie en werd pas kerksteeg, toen de Molenstraat bewonerskreeg. Ook ten noorden van de kerk was een kerksteeg, die pas voor enkelejaren gedeeltelijk verdwenen en tot parkeerplaats gemaakt is. Vóór 1550was deze steeg vermoedelijk het kerk-pad voor het kasteel deBlankenborch. Een derde kerksteeg was nog aanwezig recht tegenover detoreningang tussen de woningen nrs. 87 en 88. Waarschijnlijk kwam DeBraak in die jaren tegenover deze steeg uit en waren zij voor de boeren vanHolthuizen en Brammelo de kortste verbinding met de kerk.Ten zuiden van deze laatste kerksteeg lag tussen Molenstraat enHibbertstraat een grote akker of kamp, die doorliep tot aan deEibergsestraat. Waarschijnlijk had deze akker samen met andere landerijenrondom het dorp oorspronkelijk tot de Hof van <strong>Haaksbergen</strong> en later tot deBlanken-Dorch behoord. Na de verkoop van de Blankenborch aan debisschop van Utrecht in 1449 waren ook deze landerijen eigendom van hetbisdom geworden. In 1528 verkocht het bisdom Utrecht zijn Overstichtsegoederen
277aan de koning van Spanje en heer der Nederlanden Karel V en toen in 1599de Staten van Overijssel het Spaanse gezag in Twente overnamen, werdzij eigenaar van de landerijen en huizen "tot den Blanckenborgh gehoererde", zoals ze in de rentmeesterrekeningen genoemd werden, Tot dezelanderijen behoorde in 1600 echter al niet meer het terrein tussen Molestraat, Eibergsestraat, Hibbertstraat en de kerksteeg tussen de woningnrs, 87 en 88, Een gedeelte van deze grond en mogelijk zelfs het geheleterrein was eigendom geworden van Johan Assinck, die in 1600 in het Verpondingsregistervermeld wordt als inwoner van het dorp <strong>Haaksbergen</strong>,Het is zo goed als zeker, dat hij woonde in het huis nr, 79, Van de ondergrond van de woningen nrs, 74 tot en met 87 en nr, 94 is aan te nemen ofzelfs te bewijzen, dat ze van Johan Assinck afkomstig is, Dit verhaal zalzich beperken tot dit terrein, dat in verkoopactes en testamenten vaak denaam Assinkkamp draagt, welke titel ook aan deze artikelenreeks gegevenis,Na deze lange inleiding eerst aandacht voor de persoon van Johan AssinckHoewel het niet waterdicht te bewijzen is, duiden bepaalde contacten tochop familiebanden met het bekende erve Assink in Langelo, Ook daar woonde volgens het Verpondingsregister van 1600 een Johan Assinck, die mo-gelijk een neef van de Haaksbergse Johan zou kunnen zijn, beidengenoemd naar dezelfde grootvader, Het is verleidelijk om aan te nemen,dat grootvader Johan Assinck dezelfde is, die in de rentmeesterrekeningvan 1548/1549 genoemd wordt, In dit jaar moet namelijk een JohanAssinck de grachten van kasteel Diepenheim "ijzen" of wel ijsvrij houden,Maar het is natuurlijk ook mogelijk, dat de verwantschap tussen deHaaksbergse Johan en de Langelose Johan minder nauw is, Aan het erveAssink is uitvoerig aandacht besteed in Aold Hoksebarge van november1970, Vóór 1430 was Otto van Bronckhorst en Borculo leenheer vanAssink. In 1430 wordt zijn zwager Mattheus van Schoneveld alias VanGravesdorp ermee beleend, in 1458 diens zoon Mattheus junior, in 1519diens schoonzoon Philips van Viermundt, dan Philips' zoon Ambrosiusvan Viermundt en ir 1581 Philips kleinzoon Dietrich van Viermundt totOdinck. In deze tijd werd Assink bewoond door Johan Assinck en zijnvrouw Hendrickjen Gor kinck. Deze Johan wordt in hetVerpondingsregister of belastingaanslag van Langelo genoemd.In het dorp woonde toen, zoals gezegd, Johan Assinck met zijn vrouwLigert, wier achternaam niet bekend is, Behalve in hetVerpondingsregister wordt Johan ook enkele malen genoemd in deHaaksbergse gerichtsprotocollen en wel in 1628, 1631 en in 1632, Op 20februari van laatstgenoemd jaar is hij zelfs keurnoot of bijzitter van hetHaaksbergse gericht, Voor het laatst wordt zijn naam vermeld op 3oktober 1636, vermoedelijk is hij
278niet zo lang daarna overleden. Verschillende van zijn nakomelingen uit derechte lijn of uit zijlijnen bewoonden na 1600 gedeelten van deAssinkkamp. Om straks bij het bespreken van deze een beter overzicht tekrijgen volgt hieronder een opstelling van Johan Assink's afstammelingen:I. Johan Assinck, overleden na 1636, gehuwd met Ludgert, stamvadervan de Haaksbergse Assink's.II. Kinderen uit huwelijk I:A. Arent Assinck, overleden voor 1649, gehuwd met HendrixkenChristiaans,B. Jenneken Assinck, gehuwd met Willem Bargerinck,C. Griete Assinck, gehuwd met Albert Hulsz van Losser.III. Kinderen uit huwelijk II A:A. Karst Assinck, die drie keer huwde: vóór 1649 met Geertjen Wissinck,in 1666 met Jenneken ter Weeme uit Neede en in 1668 metLutgert Lentelinck, die na de dood van Karst Assinck hertrouwde met Hendrik Ronneboom,B. Aerent Assinck, die ongehuwd overleed voor 1667,C. Hendriksken Assinck, voor 1667 gehuwd met Jan Kramer,D. Aelken Assinck, voor 1662 gehuwd met Jan Derkinck.IV. Kinderen uit huwelijken III A:Uit het eerste huwelijk:A. Jenneken AssinckB. Hendrickjen Assinck, in 1707 gehuwd met Gerrit Roerinck uit hetdorp <strong>Haaksbergen</strong>,C. Grietje Assinck, in 1697 gehuwd met Stoffer ter Becke uit Langeloen in 1715 hertrouwd met Berent ter Luchte uit Hengevelde.Uit het derde huwelijk:D. Jan Assinck, schoenmaker, in 1696 gehuwd met Janna ten Goorkate,dochter van schoenmaker Wijchert ten Goorkate alias Schoowiechertin de Blankenborg,E. Lutgert A s s inck.V. Kinderen uit huwelijk IV D:A. Hendrik Assinck, schoenmaker, vrijgezel,B. Geertruid Assinck, in 1718 gehuwd met kleermaker Jan tenAs-broek uit Beckum, stamvader van de Haaksbergse TenAsbroeken,C. Christiaan Assinck, in 1742 gehuwd met Anna Karsen, weduwe vanWerner Manten„ Ook deze was schoenmaker„ Hij woonde echterniet op de Assinkkamp, maar hoek Hibbertstraat/De Braak,
279D. Aaltjen Assink, in 1753 gehuwd met Engelbertus Brevink uitWessum.VI, Kinderen uit huwelijk V D:A. Jan Brevink, geboren in 1754, jonggestorven,B. Arnoldus Brevink, schoenmaker, geboren in 1755, gehuwd in Imet Jenneken Koonink uit Goor,C. Jan Brevink, geboren in 1757, in 1782 gehuwd met Janna Ottinkdie in 1791 na de dood van Jan Brevink hertrouwde met BerendLintelo in Brammelo,VII. Kinderen uit huwelijk VI B:A, Johannes Brevink, schoenmaker, geboren in 1796 en in ca, 183gehuwd met Johanna Temmink, B„ Egbertus Brevink, sinds 1832pastoor van Vriezenveen en daaroverleden in 1836,Na deze genealogische opsomming zal in het volgende nummer van AoldHoksebarge begonnen worden met de achtereenvolgende bewoners van dehuizen op de Assinkkamp te bespreken.W.E. ten AsbroekJ.B,A 0 Leusink J,OverbeekeDE WATERMOLEN VAN HAAKSBERGEN (3)In het vorige nummer van Aold Hoksebarge behandelden de heren W,E,ten Asbroek en J, Overbeeke uitvoerig de geschiedenis van deze molenen zijn voorgangers, Een kleine opmerking zou ik willen maken bij delaatste alinea van pagina 246 en de eerste van pagina 247, en wel t.a.v.de '"Heyentreckers", Gezien het feit, dat deze worden opgesomd bij eerreeks "andere extra-ordinaris werckluyden" is het niet aan te nemen,dater molenapparatuur mee bedoeld wordt, Het waren lieden, die de funderingspalenvoor het molengebouw in de grond heiden, Het zware heiblokhing aan een touw, dat over een in een stellage geplaatste katrol liep,Een aantal mannen trok aan dit touw het heiblok omhoog en liet hetdaarna op de te heien paal vallen,Wat de heien in de oliemolen betreft, moge het schetsje hierbij de werkingvan deze verduidelijken. Op de as is aan het uiteinde tegen de geveleen kamwiel gemonteerd, dat wordt aangedreven door een kamwiel op de
wateras. De nokken op de as tillende hei aan de daaraan bevestigdenok omhoog en laten die vervolgensmet een klap op de wiggen in hetzware persblok vallen, zoeenvoudig als maar kan. Een touwkomt hierbij dus niet te pas. Hettouw, dat op foto's van de vroegereinrichting van de Haaksberger molente zien is en dat bevestigd was aaneen hei, werd door de muldergebruikt, als de hei zijn werkgedaan had. Deze werd dan buitenwerkinggesteld, "geschort" zoalsdit heette, door hem aan dit touwomhoog te rekken. Het touw liepover een katrol en had aan hetandere eind en contragewicht, zwaargenoeg om de hei in zijn hoge standte houden. Het waterrad en de askonden ondertussen rustig rondblijven draaien.H. Hagens280
281HET KERKHOF AAN DE ENSCHEDESESTRAATTot in het begin van de vorige eeuw werd nog overal in Nederland rondomde kerk begraven. Alleen beter gesitueerden werden in de kerk ter aardebesteld. Bij decreet van 12 juni 1804, toen 23 Prairial 12 geheten, verboodNapoleon het begraven in kerken. Na de inlijving van Nederland bijFrankrijk werd in 1810 deze wet ook hier van kracht. Weliswaar werd hetbij de bevrijding in 1813 aan deftige burgers weer toegestaan om in dekerken begraven te worden, maar omdat in <strong>Haaksbergen</strong> op l januari 1810de Pancratiuskerk door de hervormden was overgedragen aan de katholieken,is er hier niet meer in de kerk begraven. Bij de overdracht werd nl.uitdrukkelijk vastgelegd, dat vanaf Louwmaand 1810 niemand meer in dekerk begraven mocht worden. De grafzerken mochten door de eigenarenworden weggehaald. Bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827 werd lietbegraven in kerken in geheel Nederland met ingang van l januari 1829verboden.Langzamerhand was de gewoonte van het begraven op het kerkhof om dekerk ook te <strong>Haaksbergen</strong> onhoudbaar geworden. Dit blijkt uit een schrijvenvan de schout aan de kerkvoogden van de hervormde gemeente van 28augustus 1824: "Het kerkhof alhier te klein zijnd om de overledenen tebevatten, eischt dat er middelen worden bedacht om daarin te voorzien.Onmiddellijk aan het kerkhof is geen grond te bekomen; daarvoor buitenhet dorp een kerkhof te vervaardigen geeft kosten van bewalling, brug terinvaart en poorten. En dat niet alleen, maar de opinie der buitenlieden isook zeer tegen de begraving buiten het dorp. Het eenige en beste middel indezen zal derhalven bestaan, om bij Uwlieder kerk, alwaar een gevoegelijkplein zich bevindt, voorzien van een goede muur en poorte, bij wijzevan vergunning te mogen begraven. En na dit plein vol lijken zal zijngeplaatst, na de ordinaire (gewone) kerkhof terug te keeren, als wanneermen stellig oordeeld aldaar alsdan wederom genoegzaam plaats te zullenvinden ter begraving der overledenen. Daar dit verzoek allerminste(tenminste) op billijkheid is gegrond, vertrouwt men, dat herenkerkvoogden niet aarzelen zullen, dit alzo te accorderen". Dit stelligonaantrekkelijk voorstel werd bij besluit van de vergadering vankerkvoogden op 7 september 1824 afgedaan met de mededeling, dat degrond niet hun eigendom was, maar van de hervormde diaconie. Uit nietsblijkt, dat de burgerlijke overheid zich daarop tot deze instantie heeftgewend. Wel richtte de schout op 30 september 1824 een schrijven aan degouverneur van de provincie met het verzoek te willen gelasten, dat hetplein voor de hervormde kerk als kerkhof gebruikt kan worden. Hetantwoord op dit verzoek is niet bekend, maar het was stellig afwijzend.
282Op zaterdag 29 september 1827 was de Haaksbergse gemeenteraad bijeenom de eventuele aanleg van een kerkhof buiten de bebouwde kom te besprekenovereenkomstig het besluit van provinciale staten van 28 augustus,Overwogen werd dat ten eerste buiten de bebouwde kom geen geschikteplaats aanwezig was, ten tweede in de kerken reeds sedert lange jaren nietmeer begraven werd en ten derde de aanleg van een kerkhof buiten de komgrote kosten met zich mee zou brengen. De kern van het dorp telde ca,1000 zielen, alv/aar men een open en geschikte begraafplaats had, waarhet begraven der lijken voor de gezondheid der ingezetenen niet nadeligwerd geacht, Voor het ongeschonden blijven der lijken werd behoorlijkgezorgd. Men verzocht daarom gedeputeerde staten, dat de bestaandebegraafplaats rondom de Pancratiuskerk voorlopig nog gebruikt mochtworden. Blijkbaar ging G.S. hier niet mee accoord, want op 7 december1827 was de raad weer bijeen om het besluit van G.S„ van 16 oktober tebespreken. Omdat de gemeente geen gronden bezat, zal men veldgrond vande marke <strong>Haaksbergen</strong> en Hones of van een ander ten oosten van het dorpmoeten aankopen, Sedert 1810 werd in de kerken niet meer begraven. Ophet open kerkhof in de kom van de gemeente wordt thans na mate vanoverlijden begraven, Eigendommelijke begraafplaatsen zijn hierop nietaanwezig. Zonder autorisatie (machtiging) van G, S. mag men echter niettot aankoop van grond overgaan. Men verzocht daarom hiervoor toestemmingen ook voor het successievelijk in de jaarlijkse begroting brengenvan de kosten hiervan, In mei 1828 drong de burgemeester bij het provincialebestuur aan om deze autorisatie te verlenen,Naar aanleiding van een afwijzend schrijven van G, S, van 4 juni 182 S werdin de raadsvergadering van 24 juni de aankoop van een terrein besproken,Ten noorden van het dorp kon men een stuk grond kopen, de Hooge Weidegenaamd, wat bijzonder geschikt is, groot, ca. 90 roeden en 90 ellen,voorzien van een poort en brug ter invaart en ter opdraging van lijken enaan weerszijden bezet met een doornen haag voor de prijs van ƒ 1250, -, tebetalen in twee of drie jaren zonder interest, naar rato als de inkomstenvan de gemeente zulks zullen gedogen en toelaten. Vanaf januari a,s, zoumet begraven begonnen kunnen worden, De raad vond dit plan gunstig,temeer omdat men geen huisje hoefde te bouwen, omdat men de doodbarenuit de toren kon halen als tot nu toe, Kwam het kerkhof verder van het dorpte liggen, dan zou men de lijken per kar moeten vervoeren, wat op denduur vele beletselen en kosten voor de schamele gemeente met zich meezou brengen. De raad, bestaande uit de loco-burgemeester C, Waanders,J.H, Jordaan, H, ter Haar, J, ter Hofstede, G. Teutelink, H, te Linteloen J. Dwars, besloot daarop eenstemmig om tot aankoop over te gaan.
283Daarna stelde men een reglement vast, dat uit 7 artikelen bestond:1. Er zal slechts één kerkhof in de gemeente <strong>Haaksbergen</strong> bestaan, watechter zal worden afgescheiden door een geregeld pad, waardoor iederlid van een kerkgenootschap bij zijn geloofsgenoten kan worden begraven (m. a.w. het kerkhof werd verdeeld in een hervormd en een katholiek gedeelte, een situatie, die ook nu nog bestaat),2. De lijken zullen naast elkaar worden bijgezet, zonder onderscheid vanrang, staat of geboorte, zullende er geen de minste preferentie mogenplaats grijpen,3. Het maken van graven, het effen houden van het kerkhof en het schoonhouden van het pad is en blijft zoals thans aan de doodgraver opgedragenalsook de zorg dat de doodbaren behoorlijk in de toren opgeslagen worden,4. De doodgraver, die thans van ieder lijk voor het maken van een graf 70cent krijgt, zal vanaf l januari 1829 op de staat van de begroting dergemeente gebracht worden. Ieder zal dan om niet worden bijgezet,5. De jaarwedde voor de doodgraver wordt bij dezen bepaald op ƒ 70, -zonder meer. Hij moet zelf het nodige gereedschap aanschaffen en onderhouden,6. Hij die één of meer eigen graven op het kerkhof zou willen bezitten,moet zich hierover met het gemeentebestuur verstaan en na sluitingvan de koop binnen een maand ten kantore van de gemeente-ontvangerde verschuldigde gelden storten, anders wordt de koop nietig verklaard,7. De ontvanger zal de gelden overnemen, quiteren en boeken als ;buitengewone ontvangst ten behoeve der gemeente.Op 27 december 1828 werden, om alle onenigheid weg te nemen, nog enkelebesluiten genomen:1. Het aangelegde kerkhof zal voor alle gezindten blijven en is eigendomvan de burgerlijke gemeente van <strong>Haaksbergen</strong>,2. Het kerkhof, noch het overschot der weide zal van heden af niet meermogen worden beweid. In het begin van het aanstaande jaar zal om ditte voorkomen aan voor- en achterkant een beplanting met bomen worden aangebracht,3. Uit het kerkhof zullen geen plaggen, aarde of iets hoegenaamds mogenworden weggehaald, met uitzondering van de mothopen, die er thans instaan, echter vóór januari a. s.4. De weg tussen het huis van Morssinkhof (thans dokter Wentink) en deJoodse kerk zal geschikt gemaakt worden tot het vervoer van lijkennaar het kerkhof, zodra hierover met Morssinkhof een schikking is gemaakt.Overigens blijft het ieder vrij van de Blankenburgerstraat enandere publieke wegen gebruik te blijven maken.5. De gemeente zal zorgen, dat nimmer enig nadeel door derden aan debedoelde grond van het kerkhof wordt toegebracht.
- • ï284Op woensdag 17 juni 1829 werd vergaderd over het omringen van het kerkhofmet een stenen muur, zoals blijkbaar door G.S, werd verlangd, Omdat erechter geen fondsen of goederen zijn, zou dit alleen te bekostigen zijn uiteen hoofdelijke omslag, Men verzocht daarom vrijstelling van dezebepaling, ook al, omdat het kerkhof omgeven was door een doornen haag terhoogte als bij artikel 3 van het Franse decreet van de 23e Prairial van hetjaar 12 was bepaald. Op 24 september werd het antwoord van G.S,voorgelezen, Zij waren accoord, mits de haag twee Nederlandse ellen hoogwas»Op 12 augustus 1829 deed burgemeester H. A, P. Schaepman, vader van debekende katholieke staatsman Dr, Schaepman, zijn intrede in de gemeente<strong>Haaksbergen</strong> na het overlijden op 3 februari 1829 van zijn voorganger WillemWaanders_Gzn., die op 22 november 1739 te <strong>Haaksbergen</strong> geboren u-as,Waanders was oorspronkelijk chirurgijn, maar werd in de Patriottentijd op10 juli 1795 richter van <strong>Haaksbergen</strong>, In de Franse tijd werd hij maïre en in1814 schout en secretaris en vervolgens burgemeester en secretaris van<strong>Haaksbergen</strong>, Zijn zoon was het latere gemeenteraadslid en deloco-burgemeester ChristiaanWaanders, die op 25 december 1781 uitWillem's huwelijk met £uphejnia 1 JIessel.s geboren werd, Reeds in 1816 werddeze Christiaan erfmarkerichter van de marke Holthuizen, Eppenzolder enStepelo en controleerde in deze functie samen met de gemeenteraad de rekeningvan de gemeente-ontvanger, Ook werd hij in 1821 door de gemeenteraadbenoemd als zetter van de direkte belastingen, die de aanslagenmoest opleggen, In 1824 werd hij substituut-schout, sinds 1825substituut-burgemeester (loco-burgemeester) geheten. Christiaan Waanderswas op 28 februari 1811 gehuwd met Johanna Henrica Jansson, die reeds opl januari 1819 overleed na hem vijf kinderen geschonken te hebben. Op 18mei 1820 hertrouwde hij met de Groenlose Theodora Catharina ElisabethTellegen, die acht kinderen kreeg, Wegens financiële moeilijkheden werd C.Waanders, die op 12 juni 1855 overleed, genoodzaakt zijn onroerende goederente verkopen.Tot deze goederen behoorde ook het terrein van het nieuwe kerkhof, maarpas in de raadsvergadering van 27 augustus 1829 werd C. Waanders alsverkoper van de kerkhofgrond genoemd. Omdat hij nog minderjarige voorkinderenhad, kon hij het terrein, dat reeds in de vergadering van 4 juni1828 door de raad was gekocht, niet aan de gemeente overdragen. Op 13 mei1830 werd door notaris Warnaars uit Almelo in een openbare veiling tenhuize van de logementhoudster de weduwe G, Mörssinkhof te <strong>Haaksbergen</strong>publiek ingezet de onroerende goederen in gemeenschap bezeten door C.Waanders en zijn eerste vrouw J,H, Jansson, Tot deze goederen behoordeals tiende perceel: een stuk grond de Steege of Hooge Weide ge-
285naamd, groot ongeveer zeventig roeden, gelegen onder <strong>Haaksbergen</strong> aande weg naar Enschede tussen de landen van de weduwe Wiedenbroek en vanDerk Jordaan, onverhuurd en dadelijk aanvaardbaar. Voorlopig werd ditperceel echter buiten de verkoping gehouden. In de raadsvergadering van26 mei 1830 deelde burgemeester Schaepman daarop mede, bericht gehadte hebben van notaris Warnaars, dat deze op bevel van de rechtbank teAlmelo het stuk land uit de boedel van C. Waanders moest verkopen.Omdat de gemeente reeds 150 lijken begraven had op dit land, werd beslotenhet kerkhof, dat al lang in gebruik was, aan te kopen voor ƒ 500, -.Op 27 mei 1830 volgde daarop de definitieve publieke toewijzing. Hethierboven bedoelde perceel werd gekocht onder de last "uit hoofde er lijkenin dit stuk land zijn begraven, om die graven behoorlijk in eenverwulft te brengen en nimmer te mogen openen, terwijl een uur beraadwordt gereserveerd, tenzij men mogt verkiezen hetzelve dadelijk te gunnen;Indien dit stuk land tot eene algemeene begraafplaats mogt wordengekocht, vervalt de last om de graven met overwulfsels te metselen".Daarop werd het terrein door burgemeester Schaepman ingezet op ƒ 500, -,en omdat niemand verhoogde werd hij eigenaar, waarbij hij verklaardedaartoe gemachtigd te zijn door de gemeenteraad van <strong>Haaksbergen</strong> en welom van het terrein een algemeen kerkhof te maken.Hiermee had <strong>Haaksbergen</strong> dan eindelijk zijn algemene begraafplaats, maarniet alle ingezetenen waren tevreden met deze vreemde gang van zaken envoerden een actie, die tot resultaat had, dat er een tweede begraafplaatsaan de Spoor straat tot stand kwam. In een volgend artikel zal hierop wordenteruggekomen.D. JordaanMET HOUT WERD VEEL GEDAANHet verhaal van de heer H. Kormelink in Aold Hoksebarge van november1971 over het "Kolenboek" van H. J. ten Raa is voor ondergetekende aanleidingnog eens de aandacht van de lezers te vragen voor hout. Vroegerwas dit materiaal nog belangrijker dan nu en voor de boerenbevolking eenbelangrijke bron van inkomsten. Hout werd voor vele doeleinden gebruikt.Het EIKENHOUT had door zijn grote duurzaamheid vooral waarde alstimmerhout. Bij de bouw van boerderijen, woonhuizen en schuren bestondhet zgn. vierkante werk of gebinten, dus de stijlen, balken en platen, bijnaaltijd uit eikenhout. Zelfs de gordingen en sparren en ook de topgevelswerden vaak van eikenhout gemaakt. Bij de bouw van water- en windmolenswerd veel zwaar eikenhout gebruikt. Ook de scheepsbouw vroeg eikenhout
286en voor het vervaardigen van spanten werd speciaal kromhout gevraagd,dat door handige houthandelaren voor een krats bij de boeren werd opgekochten weer duur verkocht aan scheepsbouwers langs de Zaan en andererivieren.Voor een geheel ander doel werd het eikenhout van de akkerwallen gebruikt.Deze wallen, die aan het Twentse landschap zijn specifieke bekoringgeven, waren vroeger en zijn ook nu nog wel begroeid meteikenhakhout. Als dit hout ongeveer twaalf jaar oud was, werd hetomstreeks het feest van Pancratius (12 mei) gehakt. De sapstroom was danzodanig, dat de bast gemakkelijk losliet. De stammetjes werden op lengtesvan zeven bandbreedtes en een oetkiek (uitkijk) gehakt. Deze lengte, die70 cm, bedroeg, werd met een touwtje afgemeten. Met een bot handbijltjewerd de bast er afgehaald, gedroogd en samengebonden met een wiere, dieook wel garde of twijg genoemd werd. Als eek werd het dan per mud van 70kg, verkocht aan leerlooierijen, waar het als looimiddel diende. Deovergebleven stammetjes werden tot een bos samengebonden, die eenomtrek had van eveneens zeven bandbreedtes en een oetkiek, Men kon dezedus meten met hetzelfde touwtje. Als brandhout werden de stammetjes,die schelkluppels genoemd werden, vaak verkocht op markten in de buurt,Menigmaal werd een schelkluppel ook gebruikt als er ruzie was.Het SPROKKELHOUT, ook wel sprenkel- of sprakelhout genoemd, was afkomstigvan de vuilboom of sporkeboom, Een sprenkel is volgens Koeneneen dichtspringende lus om hazen en konijnen te vangen en voor dit doelzullen de soepele twijgen van de sporkeboom wel vaak gebruikt zijn,Vuilbomen bloeien heel lang met kleine witte bloempjes en iemkers wistenal lang, dat het sprokkelhout een goede honingbron voor hun bijenbetekende, Ook voor het vervaardigen van lemen wanden was sprokkelhoutde meest gebruikte bouwstof, Grote betekenis had het hout echter alsgrondstof voor de polver- of kruitfabrieken, Tot ongeveer 1880 werd dithout tegen een goede prijs voor dit doel verkocht. Het nu zo onaanzienlijkesprokkelhout had in die jaren een grote waarde,Het ELZENHOUT, dat vooral voorkwam op de lagere gronden, werd inhoofdzaak gebruikt in de kolheupe of kolenhopen, waarin het hout tot houtskoolgebrand werd. Maar ook andere houtsoorten konden hiervoor wel gebruiktworden, zelfs stobben werden wel boven in de kolenhopen gepakt,mits ze goed van zand ontdaan waren. De stammen voor dehoutskool-meilers werden afgekort op een lengte van 1,25 m, watovereenkwam met de spoorbreedte van de wagen, waarmee het houtvervoerd werd, In het midden van de kolenhoop werd een bos droge takkenovereind gezet om het aansteken mogelijk te maken en rondom dezetakkenbos werden vertikaal de stammetjes opgesteld, steeds met het dikkeeind naar beneden, zodat
287er tenslotte een koepelvormig bouwsel ontstond. De hoop werd met plaggenafgedekt, waarover nog wat zand werd gestrooid om het geheel nagenoegluchtdicht af te sluiten. Nu kwam het vakwerk van de kolenbrander, die ooktijdens de bouw al aanwijzingen gegeven had. Het hout moest verkolen, maarniet totaal verbranden en dit betekende een precieze regeling van dehoeveelheid verbrandingslucht. De kolenbrander, die meestal twee tot vijfkolenhopen bij elkaar of dicht in de buurt tegelijk brandde, wist dit te bereikendoor een gatenstelsel in het plaggendek. Het vuur brandde van onderennaar boven en na ongeveer één week was de kolenhoop "gaar", zoalsmen dit noemde. Om verdere verbranding tegen te gaan werd de hoopdaarna met een enkele decimeters dikke zandlaag afgedekt. Een maand laterwas het vuur gedoofd en kon men overgaan tot het afleveren van deverkochte houtskool. Tijdens het branden woonde de kolenbrander al danniet met een hulp in een eenvoudige hut in de buurt van de kolenhopen, omonmiddellijk te kunnen ingrijpen, als er iets mis dreigde te gaan. Vooral alser storm opstak, moest met man en macht gewerkt worden om een dikkergronddek aan te brengen om zo de vergrote luchttoevoer af te remmen.Zover bekend was wijlen de heer B. Siemerink, Hengelosestraat 40, delaatste kolenbrander van <strong>Haaksbergen</strong>, Als men de laatste telefoongidsopenslaat ziet men nog achter het telefoonnummer 1328 de houtskoolindustrievan de firma B. J. Siemerink & Zn. vermeld. Het was echter in 1965, dataan de Voortweg te St. Isidorushoeve op een perceel grond van de Diaconiede laatste houtskool gebrand werd door de heer Siemerink.B. E. AsbreukDE TAAL VAN HAAKSBERGEN (XV)(Vervolg aantekeningen Prof. Herman Scholten)VERWEELDEREN Dit woord ken ik niet. In Twente zegt men verwelkenen ook wel verzaluwen.DISSELOnhandelbaar persoon: Een plompen dissel.SADDE, SEDDE Een seddeken is een klein mensch, koe, verken, etc.Een sadaas is een klein dog kwaadaardig mensch; een '.kat-aas, die gedurig keakelt en nog erger is dan eensad-aas.KREGEL Een kregel paard, dat niet lui is.KUIEREN Van de enden zegt men ook, dat ze aan de waek (woerd)kuieren als zij door zeker geluid te maken en rondomdenzelven te zwemmen te kennen geven, dat zij hetmet hem houden.
288WAGTEN Wachten en waeren, een term gebruikelijk in opdracntsbrieven,TUIGEN (Zich geldelijk veroorloven), Dat woord heeft in Imp.(verleden tijd) tuigde, getuigd, etuigd of etuugd; vantuuën voor tuugen zegt men toog, etoogen - trok, getrokken.LANGEN (Aangeven). Hand-langer.TWEELICHTEN, In den tweelichten, in de tweedonkeren, entre chien etTWEEDONKEREN, loup, (Tussen hond en wolf)TUNTELEN Iets doen dog niet beschikken; tuntelwerk: werk daarmen niet aan schikken (vorderen) kan; tunteler: die gewoonis te tuntelen,BOTBot-bijle, daar men botten mee hakt; ook van iemanddie veel werk doet; zich afbottelen, afarbeiden.BLêèKES In Twente zijn blekken mazelen; blekken is blaffen;Blaekes voor Blaedekes, kleine bladen ,,,, In Twenteverkort men de lange klinkers en verdubbelt men demedeklinker.KEEREN De kamer uitkaeren, Keeren is weerom keeren en ookweerom doen keren; geld uitkeeren; keeren wordt ookgebruikt van bier en water; het bier, het water keert,schift eer 't gekookt wordt, (Hier zal schrijver toch welmelk bedoeld hebben in plaats van water),REUPE ..,., waaruit de paarden 't hooi reupen, afreupen, uit -trekken om het te vreten; reupen wordt gebruikt voorgras met gehele handen vol aftrekken, afplukken,ROPPEN Plukken is alle veren schoon uitplukken; roppen: degrootste uitplukken, de kleinste laten zitten,SLAAGE Betekent in Twente niet een wagenspoor, dat noemtmen een spoor of spaar en wagenspaar, maar het wordtgebruikt van eenen voerweg (rijweg), die veel gebruikt isen een open spoor heeft. Als de voerlieden zien dat tweewegen, waar de eene naar een of ander huis loopt enweinig bevaren (bereden) is, en de andere naar eene stadloopt, althans sterk bevaren is en een open spoor heeft,zich scheiden, zeggen ze van den laatsten: hier gaat deslaage heen, deze is de weg, die het meest gebruikt eningeslagen wordt; helleslage, helleweg, heirbaanbetekenen de grote wegen,(wordt vervolgd)J, Vredenberg