Stikstofgebruik en -efficiëntie in de Vlaamse ... - Meetjesland.be

meetjesland.be

Stikstofgebruik en -efficiëntie in de Vlaamse ... - Meetjesland.be

Publicatie 6 - April 2004STIKSTOFGEBRUIK EN –EFFICIËNTIE IN DEVLAAMSE MELKVEEHOUDERIJIgnace Verbruggen, Frank Nevens, Dirk Reheul en Georges Hofman


Referaat:Verbruggen, I., Nevens, F., Reheul, D. en Hofman, G., 2003. Stikstofgebruik en –efficiëntie in de Vlaamse melkveehouderij. Steunpunt Duurzame Landbouw.Publicatie 6, 58 p.Deze publicatie kunt u bestellen bij het Steunpunt Duurzame Landbouw.© 2004 Steunpunt Duurzame Landbouw,Potaardestraat 20, B-9090 Gontrode,(tel.) 09/264.90.68, (fax.) 09/264.90.94, info@stedula.bewww.stedula.beNiets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt doormiddel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zondervoorafgaande schriftelijke toestemming van Steunpunt Duurzame Landbouw.Stedula wordt gefinancierd door de Vlaamse Gemeenschap in het kader van hetprogramma “Steunpunten voor Beleidsrelevant Onderzoek”. In deze mededelingwordt de mening van Stedula en niet van de Vlaamse Gemeenschap weergegeven.De Vlaamse Gemeenschap is niet aansprakelijk voor het gebruik dat kan wordengemaakt van de in deze mededeling opgenomen gegevens. V.U.: Frank Nevens


VoorwoordDeze studie kadert in het onderzoek naar bruikbare indicatoren voor ecologischduurzame landbouw. Stikstofgebruik, -verliezen en -efficiëntie zijn daarbij belangrijkethema’s. Stikstofbalansen en -overschotten zijn aangewezen meetinstrumenten.Deze studie geeft een beeld van de evolutie van het N-bedrijfsoverschot en het N-bodemoverschot op Vlaamse melkveebedrijven.Hierbij werd onder andere gebruik gemaakt van gegevens uit het CLEboekhoudnetwerk.Onze oprechte dank gaat dan ook uit naar Dirk Van Lierde,Ludwig Lauwers en Veerle Campens.De resultaten van dit onderzoek werden ook getoetst aan een klankbord, waaraan devolgende mensen deelnamen: Joost Salomez (Bodembeheer en Bodemhygiëne,Universiteit Gent), Joris Nuyts (ALT), Wim Govaerts (BLIVO), Ludwig Lauwers (CLE),Peterjan Carlier (CLE), Mieke Vervaet (CLE), Johan Mahieu (PROCLAM), StijnOverloop (VMM), An Schellekens (LCV), Eddy Decaestecker (POVLT), Daniël DeBrabander (DVV, CLO), Dirk Audenaert (Belgische Boerenbond), KoenDesimpelaere (VLM), Dirk Coomans (AKL, Dienst ontwikkeling), Patrick Verstegen(VLM), Ivan Rijckaert (AKL, Dienst ontwikkeling), Pieter Gabriels (ALT), VeerleFievez (Dierlijke Productie, Universiteit Gent), Tom Van Nespen (Dierlijke Productie,Universiteit Gent), Toon Dobbelaere (VLM), Elena Ramirez (doctoraatsstudente),Dirk Reheul (Plantaardige Productie, Universiteit Gent), Georges Hofman(Bodembeheer en Bodemhygiëne, Universiteit Gent), Michel Decuyper (HIK, Geel),Koen Willekens (DFE, CLO), Alex De Vliegher (DFE, CLO), Koen Dhoore (VAC).Ook de deelnemers aan dit klankbord willen wij graag bedanken; met debemerkingen van de klankbordvergadering hielden we zoveel mogelijk rekening indeze definitieve tekst.Gontrode, april 2004


Inhoudstafel1. INLEIDING ...........................................................................................................................12. MELKVEEHOUDERIJ IN VLAANDEREN ............................................................................33. DOELSTELLING ..................................................................................................................64. MATERIAAL EN METHODEN .............................................................................................74.1. Balansmethodiek ...........................................................................................................74.2. Gebruikte bedrijfsgegevens .........................................................................................104.3. Rekenregels.................................................................................................................105. RESULTATEN....................................................................................................................145.1. Bedrijfsbalans ..............................................................................................................145.2. Vergelijking van de bedrijfsbalansresultaten met literatuurgegevens..........................165.3. Bodembalans...............................................................................................................245.4. Verband tussen het gebruik van dierlijke mest per ha en N-bodemoverschot per ha. 275.5. Verband tussen bedrijfsoverschot en bodemoverschot...............................................285.6. Verband bedrijfsoverschot en inkomen .......................................................................296. ANALYSE VAN INDIVIDUELE VLAAMSE BEDRIJVEN MET LAGE OVERSCHOTTEN .306.1. Analyseparameters......................................................................................................306.2. Analyse bedrijven met laag N-overschot .....................................................................316.2. Algemene bemerkingen...............................................................................................457. BESLUIT ............................................................................................................................498. REFERENTIES ..................................................................................................................509. BIJLAGE : EXCRETIE MELKVEE......................................................................................55


1. Inleiding1. InleidingIn de ecologische visie op duurzame landbouw is gebruiksefficiëntie van nutriënten eenbelangrijk aspect. Maximaal sluiten van kringlopen en minimaliseren van verliezen zijn hierbijde belangrijkste aandachtspunten. In deze bijdrage maken we een diepere analyse van hetstikstofbeheer in de Vlaamse melkveehouderij.Na de 2 e wereldoorlog is het gebruik van minerale meststoffen in de landbouw flinktoegenomen dankzij een expanderende chemische industrie en tevens door de noodzaakaan hogere productieniveaus. Ook de mogelijkheid om krachtvoeder rendabel om te zettentot melk, heeft ertoe geleid dat de melkopbrengsten per ha verder zijn toegenomen.Stikstof is één van de belangrijkste inputs in de melkveehouderij, maar de omzetting vandeze stikstof in afgewerkte producten is relatief laag. Dit betekent dat er belangrijke verliezenoptreden naar het milieu: nitraat spoelt uit naar oppervlaktewater en dieper grondwater;ammoniak vervluchtigt en resulteert in verzuring en vermesting van andere ecosystemen;stikstofoxiden dragen bij tot de opwarming van de aarde en tasten de ozonlaag aan.De groeiende bezorgdheid voor het milieu heeft geresulteerd in een aantal Europeseregelgevingen om de waterkwaliteit te beschermen tegen aanrijking door nutriënten. DezeEuropese verordeningen hebben in Vlaanderen gestalte gekregen in het Vlaamsemestdecreet en daarbijhorende successieve Vlaamse mestactieplannen.Deze politieke maatregelen en de voorlichting over een beter gebruik van stikstof, hebbenertoe geleid dat er in Vlaanderen heel wat vooruitgang is geboekt naar een efficiëntergebruik van mineralen, in het bijzonder van stikstof. Dit neemt niet weg dat men moet blijvenwerken aan verdere efficiëntieverbetering en verlaging van het stikstofoverschot.We voegen hier meteen aan toe dat een hogere N-efficiëntie ook gunstige economischegevolgen kan ressorteren: iedere kg meststof- of krachtvoer-N die men extra nodig heeftvoor de productie van een liter melk, verhoogt de kostprijs.Een benadering van de problematiek vanuit N-balansen en N-overschotten is een goedewerkwijze omdat men de stikstofverliezen naar de lucht en het water tegelijkertijd aanpakt(Hanegraaf en Den Boer, 2003 en Schröder et al., 2004). Een laag overschot betekent in demeeste gevallen dat men en ammoniakvervluchtiging, en denitrificatie en uit- of afspoelingbeperkt. Wanneer de verliezen naar bodem en lucht tegelijkertijd beschouwd worden, staathet N-surplus het hoogst gerangschikt in de hiërarchische structuur van indicatoren (Figuur1.1.). Uit deze figuur blijkt dan ook dat het N-overschot ook een betere indicator is dan bv.‘N-input via organische mest’ zoals die door de Europese commissie is aanvaard en waarvande limiet op 170 kg N ha -1 is gesteld voor aangeduide kwetsbare gebieden (Anonymus,1991).1


1. InleidingFiguur 1.1. Hiërarchie van indicatoren voor het de impact van nutriëntenverliezen uitlandbouw op de kwaliteit van het drinkwater en van ecosystemen (Schröder et al., 2004)In volgende tekst tonen we gegevens van Vlaamse gespecialiseerde melkveebedrijven voorde periode van 1989 tot 2001. De prestaties van deze bedrijven vergelijken we metliteratuurgegevens over Europese melkveebedrijven en over bedrijven die voorlopers zijn watbetreft mineralenmanagement. Tevens analyseren we de betere bedrijven uit de Vlaamseset op maatregelen die mogelijk zijn om te komen tot een efficiënter stikstofbeheer.2


2. Melkveehouderij in Vlaanderen2. Melkveehouderij in VlaanderenIn 2001 werd ongeveer 47% van de totale oppervlakte van Vlaanderen gebruikt voorlandbouwactiviteiten. Ondanks een krimpend aandeel van landbouw (o.a. door omzettingvan landbouw naar andere landgebruikvormen als industrie, woningbouw, infrastructuren ennatuur) is dit dus nog steeds een aanzienlijk ruimtebeslag. Figuur 2.1. geeft de evolutie weervan de landbouwoppervlakte en landbouwteelten in Vlaanderen.14000001200000Oppervlakte(ha)1000000800000600000400000niet-landbouwandere gewassenserreindustriële gewassenaardappelgraangroenvoedersgrasland20000001977 1982 1988 1993 1998Figuur 2.1. Evolutie van het gebruik van de oppervlakte in Vlaanderen (1977-2002) (Bron:NIS, 1977-2001)Een groot deel van de Vlaamse landbouwoppervlakte bestaat uit ruwvoedergewassen (55%) geteeld voor het voederen van hoofdzakelijk rundvee. Deze ruwvoederoppervlaktebestaat grosso modo voor 2/3 uit grasland en 1/3 uit maïsland. Het aandeel maïs steegtussen 1977 en 1993 en schommelde vervolgens tussen 110.000 en 130.000 ha. Demaïsteelt heeft daarbij de voederbietenteelt en de teelt van rode klaver bijna volledigverdrongen.Vlaanderen telde in 2001 329.728 melkkoeien en 186.623 zoogkoeien. Ongeveer 65% vanhet aantal koeien is dus melkgericht en dus mogen we aannemen dat minstens 65% van degroenvoederoppervlakte bestemd is voor melkvee. Meer dan 1/3 van de Vlaamselandbouwoppervlakte en dus bijna 20 % van de Vlaamse bodem wordt aldus gebruikt ommelk te produceren, wat het belang van de melkveehouderij uit oogpunt van bodemgebruikduidelijk aantoont.In 2001 waren er in Vlaanderen nog 39.276 vol- en deeltijdse landbouwbedrijven; op 10.353daarvan werd melkvee gehouden. Ongeveer 50 % van deze melkveebedrijven zijngespecialiseerd (Van Hecke en Schrooten, 2003), wat wil zeggen dat hun bedrijf quasivolledig afhangt van de melkproductie (minstens 95 % van het inkomen is afkomstig uitmelkvee).3


2. Melkveehouderij in VlaanderenDe totale melkproductie in Vlaanderen bedroeg in 2001 ongeveer 2 miljard liter. Dezelfvoorzieningsgraad voor melk in België in 2001 was 121%. Een gemiddeld bedrijf inVlaanderen had in 2001 een melkquotum van 185.000 liter. Dit quotum werd volgemolkenmet gemiddeld 33,6 koeien en dus produceerde een gemiddelde koe 5500 liter melk per jaar(Van Hecke en Schrooten, 2003).De set gespecialiseerde melkveebedrijven die we verder in onze tekst analyseren (Tabel 2.1)hadden in 2001 beduidend meer melkkoeien (53,6) en een aanzienlijk groter melkquotum(312.000 l).Tabel 2.1. Bedrijfskarakteristieken van de sterk gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijvenuit het CLE-boekhoudnet * (1989 – 2001, enkel data van oneven jaren weergegeven)‘89 ‘91 ‘93 ‘95 ‘97 ‘99 ‘01Aantal bedrijven 169 159 123 115 98 92 69BedrijfsoppervlakteGraslandaandeelKrachtvoederBijproductenMinerale mest. grasMinerale mest. akkerMelkproductieMelkproductieVeebezetting**ha%kg koe -1kg DS koe -1kg N ha -1kg N ha -1liter koe -1liter ha -1GVE ha -1 27,670123646330998531996073,0227,768118050127782545896253,1027,7651171364266715621100603,1029,5631291462246625709100713,1832,3601201518273566182103283,0631,8621114357241535947100142,9932,463113236618640582796432,98* CLE, het Centrum voor Landbouweconomie beheert de bedrijfsboekhouding van een setrepresentatieve landbouwbedrijven in Vlaanderen** De veebezetting is hier uitgedrukt in GVE op de totale oppervlakte van het bedrijf.De meest intensieve gebieden (d.w.z. met de grootste veebezettingen) van melkveehouderijbevinden zich in het noorden van de provincies West- en Oost-Vlaanderen en in het noordenvan Antwerpen en Limburg. In sommige delen van het noorden van de provincie Antwerpenis de veebezetting zelfs hoger dan 5 dieren per ha (inclusief jongvee) (Figuur 2.2.). Dezeintensieve gebieden zijn ook voor het grootste deel gelegen in ‘ kwetsbare gebieden water’(Figuur 2.3), waardoor zij op basis van de mestwetgeving onderhevig zijn aan strengerebemestingsnormen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vooral in deze gebieden demelkveebedrijven belangrijke inspanningen moeten leveren om aan de milieuvoorwaarden tevoldoen en tegelijk de productie op peil te houden.4


2. Melkveehouderij in VlaanderenFiguur 2.2. Verdeling van het aantal runderen over Vlaanderen (aantal runderen per halandbouwgrond) Bron: GIS-Vlaanderen (1996 en 2001), NISFiguur 2.3 ‘Verscherpte gebieden water’ (= deze mét een opdruk verschillend vanlicht blauw) in Vlaanderen in 2003. (Bron: Mestbank, 2003)5


3. Doelstelling3. DoelstellingDoel van dit werk is:• het opstellen van N-balansen en N-efficiënties van Vlaamse melkveebedrijven en ditzowel op het niveau van het bedrijf als op het niveau van de bodem.• het opstellen van tijdreeksen van bovenstaande parameters om de evolutie in beeldte brengen. Er zijn immers sterke aanwijzingen dat de N-efficiëntie opmelkveebedrijven in het verleden hoger was. Volgens Van Bruchem et al. (1999)was de N-efficiëntie van Nederlandse melkveebedrijven in de jaren ‘50 hoger dan 40%, maar viel ze in de jaren ‘80 terug tot minder dan 20 %; vanaf dan zou er zichweer een lichte stijging gemanifesteerd hebben. Ook volgens Ketelaars en Van deVen (1992) en Boons-Prins et al. (1996) is de efficiëntie van de dierlijke productiesinds 1950 sterk gedaald (Tabel 3.1) om vanaf 1990 weer toe te nemen.• vergelijken van de Vlaamse cijfers met gegevens uit andere Europese landen• analyse van de meest efficiënte Vlaamse bedrijven, resulterend in een aantalmanagementadviezen voor een lager overschot op de N-balans en voor een hogereN-efficiëntie.Tabel 3.1. Stikstofbalans van de Nederlandse rundveehouderij in de periode 1950-1990(Ketelaars en Van de Ven, 1992; Boons-Prins et al., 1996)JaarInputminerale mestInputkrachtvoerOutputmelk/vleesStikstofefficiëntie(%) *(kg N ha -1 ) (kg N ha -1 ) (kg N ha -1 )1950 70 8 36 461960 138 25 45 281970 277 52 56 171980 356 117 77 161985 379 153 83 161989 303 138 80 18* Bij de efficiëntieberekening werd geen rekening gehouden met depositie en fixatie6


4. Materiaal en methoden4. Materiaal en methoden4.1. BalansmethodiekAan de basis van de balansmethode ligt de nutriëntenkringloop van een bedrijf. Voor eenmelkveebedrijf is deze weergegeven in onderstaande Figuur 4.1.AanvoerAfvoerVeeKrachtvoederRuwvoederStroVleesMelkMestGewasGewasMestDepositieMestKunstmestFixatieBodemOpslagenverliezenOpslagDenitrificatieUitspoelingFiguur 4.1. De N-kringloop op een melkveebedrijfVervluchtiging7


4. Materiaal en methodenDe N-balans van een melkveebedrijf berekenen we als N-aanvoer min N-afvoer. De balansis steeds positief en stelt een overschot voor. Hoe lager het overschot, hoe lager de kans opverliezen. De efficiëntie van het N-gebruik definiëren we als 100 x N-afvoer/N-aanvoer(Figuur 4.2).Aanvoer AfvoerVeeKrachtvoederRuwvoederStroVleesMelkMestGewasGewasMestDepositieMestKunstmestFixatieBodemN-balans = N-overschot = Aanvoer - AfvoerN-efficiëntie bedrijf: 100 x Afvoer / AanvoerFiguur 4.2. Elementen van de N-balans van een melkveebedrijfNaast de globale N-balans van een melkveebedrijf kunnen we ook deelbalansen opstellen.Twee belangrijke deelbalansen zijn (1) deze op niveau van de bodem (Figuur 4.3) en (2)deze op niveau van het dier (Figuur 4.4).8


4. Materiaal en methodenAanvoerAfvoerGewasGewasMestDepositieMestKunstmestFixatieBodemN-balans = N-overschot = Aanvoer - AfvoerN-efficiëntie bodem: 100 x Afvoer / AanvoerFiguur 4.3. Elementen van de N-balans op het niveau bodemAanvoer AfvoerVeeKrachtvoederRuwvoederStroVleesMelkGewasMestN-balans = N-overschot = Aanvoer - AfvoerN-efficiëntie dier: 100 x Afvoer / AanvoerFiguur 4.4. Elementen van de N-balans op het niveau dier9


4. Materiaal en methoden4.2. Gebruikte bedrijfsgegevensUit het boekhoudnetwerk van het CLE (Centrum voor Landbouweconomie) selecteerden wede gespecialiseerde melkveebedrijven (dus weinig of geen belangrijke neventakken op hetbedrijf aanwezig: arbeidsinkomen uit de melkveehouderijtak > 95 %) in de periode 1989 -2001. De belangrijkste bedrijfskenmerken zijn samengevat in Tabel 2.1.Voor een aantal berekeningen gebruikten we een IWONL-studie over mineralenbalansen op40 Vlaamse melkveebedrijven gedurende 5 jaar (Michiels et al., 1998) en resultaten uit het5b-project ‘Duurzame melkveehouderij’ op 25 melkveebedrijven gedurende 3 jaar(Verbruggen, 2001). Gegevens uit deze studies bleken bijzonder goede hulpmiddelen omsommige aan- of afvoerposten van nutriënten nauwkeurig te berekenen.4.3. RekenregelsBij de berekening van de N-balansen zijn volgende rekenregels gebruikt:Aanvoer minerale meststoffen: deze gegevens zijn beschikbaar in de CLE-boekhoudingen.Minerale meststoffen op grasland worden hierin apart weergegeven, de bemesting op hetakkerland kan berekend worden omdat het totale meststoffengebruik gekend is.Aanvoer krachtvoeder: de totale prijs van de aangekochte hoeveelheden is gekend, evenalshet krachtvoederverbruik (in kg) door de melkkoeien gedurende de zomer en de winter. Hetgebruik van krachtvoeder door het overige vee kan berekend worden.Voor de berekening van het eiwitgehalte zijn de gegevens van de mineralenbalansen van hetIWONL-project gebruikt, evenals deze van het 5b-project ‘Duurzame melkveehouderij’.Daaruit vonden we een gemiddeld ruw eiwitgehalte van het krachtvoeder(handelskrachtvoeder en bijproducten) van 21,5 % op droge stof (en dus 3,44 % N op drogestof).Aankoop voeders: de kost van voederaankoop was in de CLE-data gegeven. Op basis vangegevens van de mineralenbalansen van het IWONL-project en het 5b-project werdenhoeveelheden als volgt ingeschat: er worden eerst bijproducten aangekocht tot eenmaximum van 4 kg DS koe -1 , kostprijs € 0,124 kg -1 DS. Uit gegevens van IWONL- en 5bbedrijvenblijkt dat het gemiddelde eiwitgehalte (op droge stofbasis) van deze bijproductenovereenkomt met dat van een mengsel van 2/3 perspulp en 1/3 draf (de meest gebruiktebijproducten), namelijk 15,8%. We veronderstelden dat een gemiddeld gespecialiseerdmelkveebedrijf bijproducten aankoopt in hoeveelheden die overeenkomen met dezeverhoudingen. De rest van de aankoop van ruwvoeder wordt beschouwd als maïsaankoopaan € 0,074 per kg DS.Depositie: we gebruikten voor de totale N-depositie voor Vlaanderen de cijfers van deVlaamse Milieumaatschappij (VMM; Van Gijseghem en Overloop, 2002).Fixatie: in het Nederlandse MINAS (mineralen aangifte systeem) wordt 160 kg N ha -1gehanteerd als cijfer voor stikstoffixatie door luzerne. Lauwers en Overloop (2001) gebruiken250 kg N ha -1 . Andere publicaties vermelden stikstoffixaties door luzerne tussen 160 en 330kg N ha -1 (Whitehead, 1995). In de CLM-mineralenboekhouding (Van der Hoek, 1990) wordtmet 250 kg N ha -1 gerekend. Wij rekenen verder met 250 kg N ha -1 . Het gebruik van luzerneals voederteelt door de Vlaamse melkveebedrijven is beperkt.Kristensen et al. (1995) schatten de N-fixatie in de eerste 5 jaar na inzaai van een grasklaverperceel(klaverpercentage van 10 à 29 %) op 60 kg ha -1 . Ook Ennik (1983) schat de N-fixatie op 65 kg N ha -1 (kleigrond, grasklaverweide met een klavergehalte tussen 6 en 15 %op droog gewicht). In de CLM-mineralenboekhouding (Van der Hoek, 1990) wordt met een10


4. Materiaal en methodenstikstoffixatie van 100 kg N ha -1 gerekend als het klaverpercentage meer dan 30% is. Wijrekenen verder met 60 kg N-fixatie ha -1 , indien de bemesting op grasland lager is dan 100 kgN ha -1 . Dit cijfer is niet al te hoog maar kan worden gemotiveerd door de vaststelling dat nietin alle weiden waar aan minder dan 100 kg N ha -1 wordt bemest ook daadwerkelijk veelklaver (>30%) staat.Rekenend met 4 à 5 kg N-fixatie per ha per aanwezigheidspercentage klaver stemt 60 kg N-fixatie per ha overeen met een klaveraanwezigheid van 12 à 15 %, wat vrij realistisch lijktvoor de gemiddelde Vlaamse toestand.Voorraadverschillen: voorraadverschillen van ruwvoeders worden verrekend in de balans: isde voorraad gestegen met 10 kg N ha -1 dan wordt dit aangerekend als een afvoer van 10 kgN ha -1 . Is de voorraad gedaald met 10 kg N ha -1 dan rekenen we dit aan als een aanvoer van10 kg N ha -1 .Aan- of afvoer mest: alleen voor de jaren 1998 tot 2001 waren exacte gegevens van mestaan- of afvoer en was er een gemiddelde mestaanvoer van 25 kg N ha -1 . Dit cijfer hebbenwe vervolgens gebruikt voor de bestudeerde periode 1989 – 1997, waarvoor geen gegevensbeschikbaar waren.Afvoer via akkerbouwproducten: oppervlakte en opbrengsten van de verschillende gewassenvoor elk bedrijf waren gekend uit de boekhouding. De opbrengsten van hoofdproducten (bv.graan) en bijproducten (bv. stro) werden berekend. Door deze te vermenigvuldigen met derespectieve N-gehalten (CVB-Nederland, 2000) bekwamen we de N-exporten met deakkerbouwgewassen.Afvoer via melk: gegevens van melkhoeveelheid en melkeiwitgehalte zijn gekend, zodat menzeer nauwkeurig de afvoer van stikstof via melk kan berekenen.Afvoer via dieren: bij de afvoer van vlees worden de volgende gewichten gehanteerd (Tabel4.1):Tabel 4.1. Gewicht van veeklassen (Mineralenboekhouding melkveehouderij CLM, 1991)Klasse veeGewicht (kg)Nuchtere kalveren melkvee45Jongvee 1-2 jaar425Nuchtere kalveren vleesvee45Vleesvee 1-2 jaar425Melkkoeien650Zoogkoeien650Reformkoeien650We gebruiken een factor 0,0253 kg N/kg levend gewicht (Van der Hoek, 1990) om de N-export te berekenen. N-input door aanvoer van dieren werd verrekend als een negatievepost bij afvoer van dieren.Afvoer bodem via ruwvoeders: de ruwvoederopbrengsten zijn in de boekhoudingen niet alsdusdanig gekend en moeten worden geschat. In literatuur wordt de grasproductie meestalgeschat door modelberekeningen, veldexperimenten of door expertkennis (van Eerdt enFong, 1998). In onze studie gebeurde dit aan de hand van de gegevens van dekostprijsraming ruwvoeders (Werkgroep Kostprijsraming Ruwvoeders, 1992 - 2000) en opbasis van gegevens van de 5b-projectbedrijven ‘Duurzame Melkveehouderij’ waargraslandopbrengsten werden berekend. De ruwvoerproductie wordt berekend uit het stelselvan volgende 2 vergelijkingen:11


4. Materiaal en methodenNmest = 0,985 x ( nettoNruwvoeder + Nkrachtvoeder) – Nmelk - Nvlees (1)Nmest = uitscheidingscoëfficiënt MAP x 1,15 x aantal dieren per ha (2)Met:- Nmest = totale hoeveelheid N in mest per ha- Nkrachtvoeder, Nmelk, Nvlees = totale hoeveelheden N in krachtvoeder, melk envlees per hectare (gekend uit boekhoudingen),- nettoNruwvoeder = totale hoeveelheid N in ruwvoeder in de kribbe.- MAP = Vlaams MestactieplanIn (1) zijn de stofwisselingsverliezen aangerekend aan 1,5 % (Rougoor en Van der Schans,2001), vandaar de coëfficiënt 0,985. In dit stelsel vergelijkingen kan nettoN-ruwvoeder alsenige onbekende berekend worden.In (2) is de coëfficiënt 1,15 toegevoegd aan de MAP-uitscheidingscoëfficiënten (De Meester,2000), omdat uit de gegevens van de IWONL-bedrijven (Verbruggen et al., 1996) en 5bbedrijvenblijkt dat de N-productie in rundveemest met 15% onderschat is door het MAP (ziebijlage 1).Tevens is de uitscheiding in vergelijking (2) gecorrigeerd met + of -12,5 % per 1000 liter melkboven of onder een productie van 6000 l koe -1 (conform de regressievergelijking in het MAP).De N-afvoer uit de bodem door de voedergewassen wordt dan berekend als nettoNruwvoeder/0,9 (correctie voor 10 % bewaarverliezen).Een omrekening naar DS-opbrengsten per ha (op basis van N-gehalten voor ruwvoeders uitNederland en Vlaanderen) diende als controle voor de juistheid van de berekeningen. Debekomen resultaten in Tabel 4.2 geven behoorlijk realistische cijfers.Voor gras bemest met 200 kg N ha -1 wordt met een N-gehalte gerekend van 0,03 kg N kg -1DS. Een correctie van + of – 0,003 per 100 kg meer of minder N-bemesting werd toegepast(CVB-Nederland). Indien de bemesting lager is dan 100 kg N ha -1 werd toch 100 kg N ha -1 inrekening gebracht om het N-gehalte van het gras of gras-klaver te berekenen.De resulterende gewasopbrengsten zijn weergegeven in Tabel 4.2.Tabel 4.2. Berekende opbrengsten van de verschillende ruwvoedergewassen (kg DS ha -1 )Jaar Voederbiet Kuilmaïs It. Raaigras Graasweide Luzerne198919901991199219931994199519961997199819992000200113 50014 50014 50015 00015 00015 25016 00016 00016 00016 00016 00016 50016 50010 50011 25011 25012 25012 25012 50013 00013 00013 00013 50013 50014 00014 2509 50010 50011 00012 00012 00012 00012 00012 00012 00012 00012 00012 00012 0009 5009 0009 5009 50010 00010 00010 00010 00010 25010 25010 50010 50012 00011 00012 00012 00012 00012 00012 00012 00012 50012 50012 50012 50012 50012 50012


4. Materiaal en methodenMest-input op bodem: Van elke 100 kg N die een koe uitscheidt (weide- + stalseizoen), gaat7 kg N verloren onder de vorm van ammoniak in de stal. Dit werd berekend aan de hand vanhet model van Pollet (1996) en gebasseerd op Smits et al. (2002). Oenema et al. (2001)vinden analoge cijfers. We gaan er dus vanuit dat 93% van de totale N-uitscheiding op debodem terecht komt.Het aantal grootvee-eenheden berekenden we naar analogie met de IWONL-bedrijven en5b-bedrijven (Tabel 4.3).Tabel 4.3. Gebruikte grootvee-eenheden per diercategorieDiercategorieGrootvee-eenheden (GVE)Jongvee 0-1 jaar0,3Jongvee 1-2 jaar0,7Jongvee > 2 jaar1Melkkoe (4000 l) *1* per 1000 liter melk boven 4000 liter wordt 0,1 GVE bijgeteld: dus een koe van 6000 liter =1,2 GVE.13


5. Resultaten5. Resultaten5.1. BedrijfsbalansDe gemiddelde N-balansen van de gespecialiseerde melkveebedrijven uit het CLEboekhoudnetworden gegeven in Tabel 5.1. Figuur 5.1. geeft de evolutie weer van deoverschotten op deze balansen.Het gemiddelde bedrijfsoverschot daalde van 378 kg N ha -1 in 1989 naar 238 kg N ha -1 in2001. Dit is een verlaging met 140 kg N ha -1 of 37 %. De efficiëntie (100 * N-afvoer/Naanvoer)is gestegen van 15 % in 1989 tot 22 % in 2001.380263602434022N-overschot (kg ha -1 )32030028026020181614N-efficiëntie (%)240122201989 1991 1993 1995 1997 1999 2001OverschotEfficiëntieFiguur 5.1. Stikstofoverschot (kg N ha -1 ) en N-efficiëntie (%) van de gespecialiseerdeVlaamse melkveebedrijven uit het CLE-boekhoudnet (1989 tot 2001)1014


5. ResultatenTabel 5.1. Stikstofbalansen van gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijven van 1989 tot 2001 ( kg N ha -1 )1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001AANVOERMin. meststofKrachtvoederMestaanvoerStrooiselBijproductenMaïsaankoopDepositieN-fixatie2381042512425022259725225350120996252254481203912511914821939325218146217110125223342417499252233441171922522954511798325124251217285271172511164762811615421508530116148512876291161486AFVOERMelk47495050535253535353525249Dier19181919191818171818181816Akkergewassen2222222241242Totale aanvoer 446 428 410 390 380 371 371 370 367 356 341 336 305Totale afvoer 68 69 71 71 74 72 73 72 75 72 72 74 67Overschot 378 359 339 319 306 299 298 298 292 284 269 262 238Standaardafw. 111 103 102 93 88 102 106 98 92 81 96 87 74Efficiëntie (%) 15,1 16,1 17,3 18,1 19,4 19,4 19,6 19,4 20,5 20,2 21,0 22,0 22,015


5. ResultatenHet afnemen van het N-overschot was vooral een gevolg van een dalende aanvoer van N;de afvoer van N in vlees, melk en akkerbouwgewassen bleef nagenoeg constant (Figuur5.2). De aanvoer van minerale meststoffen daalde van 238 kg N ha -1 in 1989 naar 128 kg Nha -1 in 2001 (van 309 naar 186 kg N ha -1 op grasland; van 98 tot 40 kg N ha -1 op akkerland).Het aandeel van de minerale meststoffen in de totale N-aanvoer is hierdoor gedaald van 53% naar 42 %. Ook de afname van het krachtvoederverbruik droeg bij tot een krimpende N-aanvoer. De daling van het eiwitgehalte in het krachtvoeder was eerder gering. Het wasvooral de gebruikte hoeveelheid krachtvoeder die aanzienlijk daalde. Het relatieve aandeelvan krachtvoeder + bijproducten in de totale N-aanvoer is weinig veranderd gedurende debeschouwde tijdsperiode en bedraagt ongeveer 30 % gebleven. Het relatieve aandeel vande N-depositie, een factor waar de individuele melkveehouder geen invloed op heeft, namtoe van 11% naar 16 %.500450kg N ha -1400350300250200Overschot = Overschot =378 kg N ha -1 238 kg N ha -1AkkergewasDierMelkN-fixatieDepositieMaïsaankoopBijproductenStrooiselMestaanvoerKrachtvoederMin. meststoffen1501005001989 Aanvoer 2001 1989 Afvoer 2001Figuur 5.2. Gemiddelde samenstelling van N-aanvoer en N-afvoer van gespecialiseerdeVlaamse melkveebedrijven in 1989 en in 20015.2. Vergelijking van de bedrijfsbalansresultaten met literatuurgegevensIn Tabel 5.2. zijn literatuurcijfers weergegeven van Europese melkveebedrijven gerangschiktvolgens stijgende melkproductie per ha (totale bedrijfsoppervlakte in rekening gebracht).Hierbij is getracht om de meest recente gegevens weer te geven uit zoveel mogelijkverschillende Europese landen.16


5. ResultatenTabel 5.2. N-overschotten op Europese melkveebedrijven (literatuuroverzicht)Auteurs Land Jaar AantalbedrijvenMelkprod.l ha -1Depositie*kg N ha -1Overschot**kg N ha -1Le Gall,2003Frankrijk ‘00 316 3.300 (22) 106Pietrzak &Oenema,2003Vertes et al,2002Polen ’99-‘02 4 3.400 (5) 116Frankrijk ‘98 9 4.200 (22) 141Kristensenet al., 2003Denemarken ‘99‘997.7948104.5654.3751616172108Taube et al.,2003Le Gall,2000Sheringer,2002Swensson,2002Duitsland ‘99 >1500 5.120 30 163Frankrijk ’95-‘96 198 5.650 (22) 164Duitsland ’95-‘98 46 5.777 (18) 150Zweden ’98-‘99 138 6.801 (5) 177Jarvis, 1999 UK ‘99 110 8.264 40 257Snijders &Everts,2000NederlandBIOVEEM’98-‘99 9 8.380 (40) 113Soler-Roviraet al., 2001Humphreyset al., 2003Spanje ‘99 ? 8.443 5 167Ierland ‘01 32 8.690 (10) 253Mulier, 2001 België ‘00 10 9.720 (40) 261Verbruggenet al., 1996Mounsey etal., 1998België ’91-‘95 45 11.003 40 304Ierland ‘97 12 11.050 10 304Van derHem, 2003Anonymus,2003NederlandVel & VanlaNederlandDe Marke’02-‘03 48 11.449 30 185’02-‘03 1 12.000 49 11717


5. ResultatenTabel 5.2. (vervolg) N-overschotten op Europese melkveebedrijven (literatuuroverzicht)Overvest,2002NederlandMinderhoudhoeve‘01 1 13.360 (40) 173Verbruggen,2001Grignani etal., 2003Ondersteijnet al., 2002Hanegraaf& den Boer,2003België ’99-‘00 25 13.805 40 303Italië ’96 & ‘00 133 13.900 24 285Nederland ’97-‘99 194 14.425 (40) 353Nederland ‘97 28.353 - (40) 351Oenema, Nederland ‘01 17 15.200 *** 1962003; de Koeien enVries, 2003 kansen* Wanneer de depositie tussen haakjes staat, was deze niet opgenomen in hetoverschot. Op basis van literatuurgegevens (NUMALEC-studie, De Clercq et al., 2001)werd ze in onze studie ingecalculeerd aan de waarde tussen haakjes.** Depositie in rekening gebracht.*** Depositie niet bekend gemaakt maar wel verrekend in N-overschotUit de cijfers blijkt een grote variatie in N-overschotten per ha op bedrijfsniveau: van 106 kgN ha -1 tot 353 kg N ha -1 (Figuur 5.3). Tevens zijn er grote verschillen in melkproductie per hatussen de verschillende situaties: van 3.300 l ha -1 tot 15.200 l ha -1 . Algemeen blijkt dan eenlaag N-overschot overeen te komen met een lage melkproductie per ha.Uit Figuur 5.3 blijkt ook dat voor de Vlaamse melkveebedrijven gedurende de periode 1989 –2001 de intensiteit nagenoeg constant bleef (± 10 000 l ha -1 ) maar dat het gemiddeldoverschot daalde tot een niveau dat aansluit bij de algemene trendlijn.In Figuur 5.4. werden de gegevens van een aantal Nederlandse projectbedrijventoegevoegd: ‘De Marke’, ‘AP Minderhoudhoeve’, ‘Koeien en Kansen’, ‘Vel en Vanla’ en‘Bioveem’. Rechtstreeks vergelijken van deze bedrijven onderling is niet zonder meermogelijk: de Minderhoudhoeve is een gemengd bedrijf (melkvee + akkerbouw), ‘Koeien enKansen’-bedrijven voeren vrij veel ruwvoeder aan.18


5. Resultaten4003501989y = 0,02x + 52,20R 2 = 0,88300N-overschot (kg ha -1 )25020015020011005000 2000 4000 6000 8000 10000 12000 14000 16000Melkproductie (l ha -1 )Literatuur Bedrijven Vlaamse dataset Lineair (Literatuur)Figuur 5.3. Relatie tussen het N-overschot per ha en de melkproductie per ha (data uitliteratuur en verwerkte Vlaamse data)4003501989y = 0,02x + 52,20R 2 = 0,88300N-overschot (kg ha -1 )2502001502001Vel &Vanla'01-'02APMinderhoudhoeve2001Koeien & kansen200110050BIOVEEM'98-'99DeMarke'02-'0300 2000 4000 6000 8000 10000 12000 14000 16000Melkproductie (l ha -1 )Literatuur Bedrijven Vlaamse dataset projectbedrijven Nederland Proefbedrijven Nederland Lineair (Literatuur)Figuur 5.4. Relatie tussen het N-overschot per ha en de melkproductie per ha (data uitliteratuur, verwerkte data en Nederlandse projectbedrijven)19


5. ResultatenToch is zonder meer duidelijk dat een aanzienlijk verschil bestaat tussen deze voorlopers ende bedrijven uit Vlaanderen en de Europese praktijk-dataset. De voorloperbedrijven wijken afvan de trend: ze hebben aanzienlijk lagere N-overschotten, ook bij hogere melkproduktiesper ha. Dit toont aan dat, op zuiver technisch vlak, nog belangrijke stappen voorwaartskunnen gezet worden wat betreft de efficiëntie van het N-gebruik op (Vlaamse)praktijkbedrijven.In Figuur 5.5 positioneren we de betere bedrijven uit de Vlaamse dataset t.o.v. de voorloperbedrijvenen de literatuurdata. We zien dan dat de betere Vlaamse bedrijven er in slagen deresultaten van een proefbedrijf zoals ‘De Marke’ (speciaal opgezet tot het realiseren van eenminimaal mineralenoverschot) te evenaren. Wat betreft N-efficiëntie kunnen zij dan ook devoortrekkers van de Vlaamse melkveehouderij genoemd worden. Wij komen verder terug opde resultaten van deze bedrijven (Hoofdstuk 6).Uit Figuur 5.5 maken we ook op dat een N-overschot lager dan 100 kg N ha -1 niet realistischis: geen enkele auteur geeft resultaten weer onder deze grens en ook geen enkel bedrijf uitde Vlaamse dataset slaagt erin om een lager N-overschot te realiseren. Eenbedrijfsoverschot van ± 150 kg N ha -1 lijkt dan weer wel een haalbare doelstelling. Verder valtook op dat de betere intensieve bedrijven (hoge melkproductie per ha) N-overschottenhebben die vergelijkbaar zijn met deze van meer extensieve (lage melkproductie per ha)bedrijven.4003501989y = 0,02x + 52,20R 2 = 0,88300N-overschot (kg ha -1 )2502001502001Vel &VanlaKoeien & kansen2001APMinderhoudhoeve100BIOVEEM'98-'99DeMarke5000 2000 4000 6000 8000 10000 12000 14000 16000Melkproductie (l ha -1 )Literatuur Bedrijven Vlaamse dataset projectbedrijven NederlandBeste bedrijven Vlaamse dataset Proefbedrijven Nederland Lineair (Literatuur)Figuur 5.5. Relatie tussen het N-overschot per ha en de melkproductie per ha (data uitliteratuur, verwerkte Vlaamse data, Nederlandse projectbedrijven en Vlaamsetopmelkveebedrijven)Uit Tabel 5.3 blijkt dat het gebruik van N uit minerale meststoffen doorslaggevend is voorverschillen in N-overschotten. Op N uit minerale meststoffen kan sterk bespaard worden alsdierlijke mest beter wordt benut. Of dit moet gebeuren met technische middelen(emissiearme stallen, mestinjectie,…bv. systeem ‘De Marke’) of door verbetering van de20


5. Resultatenkwaliteit van de mest (hogere C/N-verhouding in mest, bv.systeem ‘AP Minderhoudhoeve’)laten we in het midden. Meerdere systemen blijken te functioneren en dus te resulteren ineen lager overschot.Tabel 5.3. Kengetallen van de bedrijven uit de Vlaamse dataset met verschillendeprojectbedrijvenDe Marke’02-‘03Koeien &Kansen ‘01Vel & Vanla’02-‘03BedrijvenVlaamsedataset ‘01Minderhoudhoeve‘99AANVOERVoeder 87 117 96 92 117Miner. Mest 35 95 126 128 68Organische0 9 2 29 -mestFixatie 27 - - 6 70Ruwvoeder 0 49 2 1 -Andere 5 1 - 0 -Depositie 49 - 30 48 40AFVOERMelk 64 82 59 49Vlees 8 14 12 16Ruwvoeder 0 6 0 0 -Organische0 15 0 0 -mestAndere 14 0 0 2 -Overschot 117 196 185 238 216Bronnen: van der Hem, 2003; Praktijkonderzoek veehouderij, 2003; Overvest, 2002 enwww.koeienenkansen.nl79Het valt op dat een intensiever bedrijf een hogere melkafvoer realiseert door extra voeder(krachtvoeder + ruwvoeder) aan te voeren: ‘AP Minderhoudhoeve’ en ‘Koeien & kansen’versus ‘De Marke’. Ook bij analyse van de Vlaamse dataset blijkt er een goed verband tebestaan tussen het totale krachtvoederverbruik en de melkproductie per ha (Figuur 5.9).Het N-overschot hangt vooral af van 2 belangrijke input-factoren namelijk mineralemeststoffen en krachtvoeder: in 1989 waren minerale meststoffen goed voor 53 % van detotale aanvoer en krachtvoeder+bijproducten voor 29 %; samen dus 82 % van de totaleaanvoer; in 2001 waren minerale meststoffen goed voor 42% van de totale aanvoer enkrachtvoeder+bijproducten voor 30%: samen dus 72 % van de totale aanvoer. Tussenaanvoer van minerale mest en het N-overschot bestaat er een significant verband (Figuur5.7).21


5. Resultaten800700N-overschot (kg ha -1 )6005004003002001000y = 1,06x + 70,3R 2 = 0,700 100 200 300 400 500 600Minerale meststoffen (kg N ha -1 )Figuur 5.6. Relatie tussen het minerale mestverbruik per ha en het N-overschot per ha vaneen set Vlaamse melkveebedrijven in de periode 1989-2001Het verband tussen krachtvoederverbruik en N-overschot is minder sterk (Figuur 5.7).Tevens zien we ook dat wanneer men het krachtvoederverbruik reduceert, de kans groot isdat de melkproductie per ha daalt met eventueel economisch minder goede resultaten(Figuur 5.9). De kans op daling van de melkproductie bij verlaging van het mineralemeststoffengebruik is kleiner (weinig of geen verband met de melkproductie: Figuur 5.8)900800N-overschot (kg N ha -1 )7006005004003002001000y = 1,18x + 181R 2 = 0,510 100 200 300 400 500Totaal krachtvoederverbruik (kg N ha -1 )Figuur 5.7. Relatie tussen het krachtvoederverbruik per ha en het N-overschot per ha vaneen set Vlaamse melkveebedrijven in de periode 1989-200122


5. Resultaten3000025000Melkproductie (l ha -1 )200001500010000500000 100 200 300 400 500 600Minerale meststoffen (kg N ha -1 )Figuur 5.8. Relatie tussen het minerale N-gebruik en de melkproductie per ha vooreen set Vlaamse melkveebedrijven in de periode 1989-200130000Melkproductie (l ha -1 )250002000015000100005000y = -0,0817x 2 + 63x + 3998R 2 = 0,5600 100 200 300 400 500Totaal krachtvoederverbruik (kg N ha -1 )Figuur 5.9. Relatie tussen het krachtvoederverbruik per ha en de melkproductie perha voor een set Vlaamse melkveebedrijven in de periode 1989-200123


5. ResultatenBesluit:Vermindering van het gebruik van minerale N is de aangewezen piste om het N-overschot opbedrijfsniveau (verder) te laten dalen want:• Het beste verband vinden we tussen het N-overschot en het N-gebruik uit mineralemeststoffen. Als men minder minerale meststoffen gebruikt, zal het N-overschot ookaanzienlijk dalen zonder dat de productie noodzakelijk hoeft te dalen.• Het verband tussen het N-overschot en het gebruik van krachtvoeder is minder goed.Bovendien leidt een daling van het krachtvoederverbruik veel sneller tot eenproductiedaling en dus economische gevolgen.Op bedrijfsniveau is een overschot van slechts 150 kg N ha -1 haalbaar.5.3. BodembalansZoals het bedrijfsoverschot, is ook het bodemoverschot van de bestudeerde Vlaamsemelkveebedrijven gedaald: van 340 N ha -1 in 1989 tot 199 kg N ha -1 in 2001 (Tabel 5.4 enFiguur 5.10).De N-efficiëntie op niveau van de bodem steeg van 41% in 1989 naar 57 % in 2001. OpNederlandse proefbedrijven ‘De Marke’, ‘De Ossekampenende APMinderhoudhoeve’ vondmen stikstofefficiënties (niveau bodem) van respectievelijk 64 %, 65 % en 71 % (vanBruchem et al., 1999). Jarvis en Aarts (2000) stellen 77% als technisch haalbare waarde.24


5. ResultatenTabel 5.4. Bodembalansen van gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijven van 1989 tot 2001 (kg N ha -1 )1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001238225209203193171174171179172164150128252525252525252525272830291221222211111505048484642444551515448482112241121256258267268259264273274273261259251252254AFVOERAkkergewassen2222333242252Voedergewassen232250253256264257260260264265268258265Totale aanvoer 574 570 553 538 532 517 520 517 519 511 500 486 466Totale afvoer 234 252 255 258 266 260 263 262 268 267 270 263 267Overschot 340 318 298 280 266 257 257 255 251 244 230 223 199Standaardafw. 103 96 93 86 81 93 96 88 84 75 90 80 68Efficiëntie (%) 40,8 44,1 46,0 48,2 50,0 50,3 50,6 50,7 51,7 52,3 54,0 54,1 57,425


5. ResultatenN-overschot (kg ha -1 )35033031029027025023021019017060585654525048464442N-efficiëntie (%)1501989 1991 1993 1995 1997 1999 2001overschotefficiëntieFiguur 5.10. N-overschot en N-efficiëntie op niveau bodem van gespecialiseerde Vlaamsemelkveebedrijven (1989 – 2001)Figuur 5.11. (met de resultaten van de Vlaamse bedrijvenset) geeft aan dat deze 77 %haalbaar is. Toch vonden we dat in 1998 slechts 1 % van de bestudeerde Vlaamse bedrijveneen N-efficiëntie (niveau bodem) had van meer dan 70 %. In 2000 was dit aandeel algestegen tot 9 %.90040Overschot (kg N ha -1 )800700600500400300200y = 2171e -0,0425xR 2 = 0,9110000 10 20 30 40 50 60 70 80 90N-efficiëntie (%)Figuur 5.11. Verband tussen de N-efficiëntie (niveau bodem) en het stikstofoverschot op debodembalans voor de set Vlaamse melkveebedrijven tijdens de periode 1989-2001De maximale efficiëntie stemt overeen met een stikstofoverschot van ± 80 kg N ha -1 opniveau van de bodem. Bij de marginale efficiëntiestijgingen (>70%) daalt hetbodemoverschot maar weinig meer en we beschouwen dan ook een arbitrair streefdoel van70 % voor de efficiëntie als haalbaar en optimaal. Daarbij hoort een bodemoverschot van ±26


5. Resultaten110 kg N ha -1 . Wetende dat het bedrijfsoverschot gemiddeld 40 kg N hoger ligt dan hetbodemoverschot (zie 5.5) komt uit deze redenering eens te meer een optimaal en haalbaarbedrijfsoverschot van 150 kg N ha -1 .5.4. Verband tussen het gebruik van dierlijke mest per ha en N-bodemoverschotper ha.Figuur 5.12. toont aan dat er een behoorlijk goed lineair verband bestaat tussen het dierlijkmestgebruik (inclusief mest tijdens begrazing) en het stikstofoverschot op niveau van debodem. Tegelijk stellen we bij Figuur 5.12 vast dat een bodemoverschot van 110 kg N ha -1gehaald kan worden zowel bij een dierlijk mestgebruik van 170 kg N ha -1 (± 2 GVE ha -1 ). alsbij 270 kg N ha -1 (± 3 GVE ha -1 ). De figuur geeft aan dat slechts weinig bedrijven deEuropese norm voor kwetsbare gebieden (170 kg N ha -1 ) noch de derogatienorm voorgrasland en maïs in combinatie met groenbemester (230 kg N ha -1 ) halen. Veel bedrijvenzullen in de toekomst dan ook op zijn minst mestaanvoer van andere bedrijven moetenachterwege laten.800Bodemoverschot (kg N ha -1 )7006005004003002001000y = 1,2075x - 99,68R 2 = 0,630 100 200 300 400 500 600 700Dierlijk mestgebruik (kg N ha -1 )Figuur 5.12. Verband tussen het gebruik van dierlijke mest en het stikstofoverschot opbodemniveau van de set Vlaamse melkveebedrijven tijdens de periode 1989-2001De maximale norm van 230 kg N ha -1 stemt volgens de regressierechte van Figuur 5.12overeen met een N-overschot op bodemniveau van 180 kg ha -1 (en dus met een N-efficiëntievan 60 %, Figuur 5.11).Uit de gegevens van Figuur 5.12 bleek dat over de hele periode 1989 – 2001 slechts 4,5 %van de gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijven aan de norm van dierlijk mestgebruikvan 230 kg N ha -1 voldeden, terwijl toch 15,6 % een bodemoverschot heeft dat lager is dan180 kg N ha -1 .In 2001 voldeden slechts 6 % van de gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijven aan denorm van dierlijk mestgebruik van 230 kg N ha -1 , terwijl 43 % van de bedrijven toch eenbodemoverschot had van minder dan 180 kg N ha -1 .27


5. ResultatenFiguur 5.13 geeft aan dat heel wat bedrijven in de goede richting gaan wat betreftbodemoverschot en dat het aandeel bedrijven met het hoogste overschot (> 325 kg N ha -1 )herleid is van bijna 54 % in 1989 tot minder dan 5 % in 2001. Het aandeel bedrijven in demeest optimale klasse (bodemoverschot < 125 kg N ha -1 ) is dan weer toegenomen tot ± 10%6050Aandeel bedrijven (%)403020100325Bodemoverschot (kg N ha -1 )1989 2001Figuur 5.13. Indeling van de bestudeerde bedrijven volgens hun N-bodemoverschot5.5. Verband tussen bedrijfsoverschot en bodemoverschotUit Tabel 5.1 en Tabel 5.4 leren we dat het bedrijfsoverschot gemiddeld 40 kg N ha -1 hoger isdan het bodemoverschot. Dit verschil is te wijten aan ammoniakverliezen uit stal en opslag,uit de ruwvoeropslag en als stofwisselingsverliezen bij de koe. Wanneer het streefdoel voorhet bodemoverschot 110 kg N ha -1 is, dan vertaalt zich dit in een gemiddeld bedrijfsoverschotvan 150 kg N ha -1 .Ten Berge en Oenema (2003) vonden dat op zandgrond de norm van 50 mg nitraat per literin het grondwater pas overschreden werd wanneer het bodemoverschot hoger was dan 110kg N ha -1 en het bedrijfsoverschot groter dan 150 kg N ha -1 . Deze resultaten bevestigen onzebevindingen inzake optimaal en haalbaar bedrijfs- en bodemoverschot en leggen bovendieneen goed verband met de heel concrete doelstelling van de nitraatrichtlijn.28


5. Resultaten5.6. Verband bedrijfsoverschot en inkomenFiguur 5.14 illustreert dat er geen goed verband bestaat tussen het N-bedrijfsoverschot perha en het netto-inkomen per ha zoals berekend door het CLE. Dit betekent dat het verlagenvan het N-overschot niet noodzakelijk hoeft te leiden tot een lager inkomen per ha. Bij eenoverschot van 150 kg N ha -1 is de spreiding groot en kan dus ook nog een goed inkomengerealiseerd worden. Of anders: bedrijven met een inkomen boven het gemiddelde zijn ookin staat zijn om een overschot van slechts 150 kg N ha -1 te realiseren. Dit wil niet zeggen dathet voor sommige bedrijven geen extra financiële inspanningen zal vergen om dit overschotte realiseren.Netto-inkomen (€ ha -1 )800070006000500040003000200010000-1000-2000150 kg N ha -10 100 200 300 400 500 600 700 800Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 )Figuur 5.14. Verband tussen bedrijfsoverschot en netto-inkomen van een set Vlaamsemelkveebedrijven in de periode 1989 -200129


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschotten6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschotten6.1. AnalyseparametersDe resultaten van 14 topbedrijven (uit de Vlaamse data-set) met lage N-bedrijfsoverschottenen/of hoge N-efficiënties worden hier geanalyseerd. De bedrijven zijn gerangschikt volgenshun bedrijfsoverschot: van laag naar hoog. Bedrijf 14 komt niet uit de dataset maar scoorteveneens goed op gebied van mineralenmanagement.We proberen een zo breed mogelijk gamma van verschillende typen vanmineralenmanagement weer te geven. De bedrijven zijn geografisch gespreid over deverschillende Vlaamse provincies en zijn gelegen in de Kempen, de zandstreek en dezandleemstreek.Van elk bedrijf is de mineralenkringloop weergegeven in het basisschema uit hoofdstuk 4(Figuur 4.2). De cijfers in de volgende figuren hebben telkens kg N ha -1 als eenheid. Achterelk cijfer van het specifieke bedrijf staat telkens tussen haakjes het betreffendejaargemiddelde van de volledige Vlaamse dataset. De bijhorende efficiënties zijn eveneensweergegeven:• dierefficiëntie: dit is de efficiëntie waarmee een dier voederstikstof (na kuilverliezen)omzet in stikstof in melk en vlees• bodemefficiëntie: dit is de efficiëntie waarmee de bodem stikstof uit mineralemeststoffen, organische mest, strooisel, fixatie en depositie omzet in stikstof ingewassen.• bedrijfsefficiëntie: dit is efficiëntie waarmee alle aangevoerde stikstof op een bedrijfwordt omgezet in stikstof in afgevoerde producten.Ter herinnering: de efficiëntie is telkens berekend als 100 * N-afvoer / N-aanvoer) en wordtdus uitgedrukt in %.Ook is telkens een tabel weergegeven met de voornaamste bedrijfskenmerken van hetbetreffende bedrijf en het jaargemiddelde van alle bedrijven uit de dataset (de gemiddeldenverschillen dus naargelang het beschouwde jaar).De netto-inkomens per ha die we hier weergeven omvatten mogelijk ook inkomsten uit bv.thuisverkoop. Bovendien zijn de leninglasten tussen de bedrijven erg verschillend. De cijfersmet betrekking tot inkomen moeten daarom met de nodige voorzichtigheid wordengeïnterpreteerd.De analyse van deze topbedrijven leert hoe ze een efficiënt mineralengebruik realiseren.Hieruit halen we dan een aantal aanbevelingen.30


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschotten6.2. Analyse bedrijven met laag N-overschotBedrijf 1 (1999)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 55% (21%) AfvoerEfficiëntie dier: 28% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees75 (91) 81 (70)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest71 (164) MestDepositie 0 (0)54Mest0 (28)FixatieBodem0 (5) Efficiëntie bodem: 74% (54%)MestBedrijf 1GemiddeldeLiggingAntwerpse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 35,2 31,8Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,1Melkproductie (l ha -1 ) 10725 10014Melkproductie (l koe -1 ) 5826 5947Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 681 1114Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 492 357Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 1278 2152Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 906 669Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 104 241Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 22 53Aandeel grasland (%) 60 62Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,31 2,99Aandeel koeien in de veestapel (%) 94 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1974 1197Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 119 269Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 85 230Bedrijf 1 heeft weinig jongvee (groot aandeel koeien in de veestapel). Dit resulteert in eenhoge dierefficiëntie. Wel dient de bedenking gemaakt dat een deel van de koeien vervangenwordt door aangekochte vaarzen en koeien. Dit bedrijf heeft een melkproductie (ha -1 ) dieboven het gemiddelde ligt en werkt dus niet extensief.31


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 2 (1998)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 49% (20%) AfvoerEfficiëntie dier: 26% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees96 (102) 74 (71)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest53 (172) MestDepositie 0 (0)51Mest0 (27)FixatieBodem0 (2) Efficiëntie bodem: 68% (52%)MestBedrijf 2GemiddeldeLiggingLimburgse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 83,1 32,6Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,1Melkproductie (l ha -1 ) 10078 10271Melkproductie (l koe -1 ) 5790 6126Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1549 1282Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 22 402Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2766 2420Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 38 744Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 135 256Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 5 62Aandeel grasland (%) 37 61Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,94 3,05Aandeel koeien in de veestapel (%) 70 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1651 1241Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 127 284Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 97 244Bedrijf 2 is een bedrijf met een gemiddelde melkproductie per ha. Het realiseert een laagoverschot door een sterk gereduceerde minerale N-bemesting op zijn akkerland en grasland.Opvallend is het lage graslandaandeel in het teeltplan. De dierlijke mest op het akkerlandwordt goed benut, zodat men het gebruik van minerale N-meststoffen sterk kan beperken.32


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 3 (1998)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 45% (20%) AfvoerEfficiëntie dier: 22% (21%)StroVee6 (1)KrachtvoederMelk en Vlees111 (102) 70 (71)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest102 (172) MestDepositie 65 (0)51Mest0 (27)FixatieBodem0 (2) Efficiëntie bodem: 71% (52%)MestBedrijf 3GemiddeldeLiggingAntwerpse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 21,1 32,6Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,1Melkproductie (l ha -1 ) 10721 10271Melkproductie (l koe -1 ) 5760 6126Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1336 1282Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 13 402Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 3195 2420Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 24 744Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 222 256Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 0 62Aandeel grasland (%) 46 61Veebezetting (GVE ha -1 ) 3,45 3,05Aandeel koeien in de veestapel (%) 63 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 2130 1241Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 134 284Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 99 244Bedrijf 3 realiseert een laag overschot door geen minerale N-meststoffen te gebruiken op zijnvoedergewassen (andere dan gras) maar vooral door hoge mestafvoer. Bedrijf 3 verplaatsteigenlijk voor een deel zijn N-overschot.33


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 4 (1990)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 38% (15%) AfvoerEfficiëntie dier: 19% (20%)StroVee9 (2)KrachtvoederMelk en Vlees55 (96) 48 (67)Ruwvoeder0 (3) Akkerbouwprod.5 (2)GewasKunstmest0 (225) MestDepositie 0 (0)50Mest25 (25)FixatieBodem50 (2) Efficiëntie bodem: 70% (41%)MestBedrijf 4GemiddeldeLiggingOost-VlaamsezandsteekTotale oppervlakte bedrijf (ha) 50,5 27,8Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 8,9 0,8Melkproductie (l ha -1 ) 6018 9567Melkproductie (l koe -1 ) 5285 5365Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 410 1169Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 917 480Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 558 2522Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 1044 968Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 0 287Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 0 94Aandeel grasland (%) 84 70Veebezetting (GVE ha -1 ) 1,89 3,08Aandeel koeien in de veestapel (%) 68 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1299 1556Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 137 359Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 103 318Bedrijf 4 is een biologisch bedrijf (gebruikt dus geen minerale mest). Het is veel extensieverdan een gemiddeld bedrijf en het heeft een hoog aandeel grasland en een laagkrachtvoedergebruik.De extensiviteit (lage melkproductie per ha) zorgt in dit geval wel voor een laag N-overschotmaar tegelijk voor een inkomen dat onder het gemiddelde ligt.34


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 5 (1996)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 53% (19%) AfvoerEfficiëntie dier: 25% (20%)StroVee2 (2)KrachtvoederMelk en Vlees85 (120) 67 (70)Ruwvoeder0 (3) Akkerbouwprod.40 (2)GewasKunstmest88 (225) MestDepositie 0 (0)45Mest25 (25)FixatieBodem0 (2) Efficiëntie bodem: 70% (51%)MestBedrijf 5GemiddeldeLiggingWest-VlaamsezandleemstreekTotale oppervlakte bedrijf (ha) 36,0 31,6Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 9,1 1,0Melkproductie (l ha -1 ) 9499 10090Melkproductie (l koe -1 ) 6406 5920Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1161 1244Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 371 621Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 1925 2458Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 550 1163Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 124 246Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 56 57Aandeel grasland (%) 47 61Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,71 3,13Aandeel koeien in de veestapel (%) 68 65Netto-inkomen (€ ha -1 ) 2125 1152Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 137 298Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 110 255Bedrijf 5 combineert export van akkerbouwproducten met een lage minerale N-bemesting.Hierdoor ligt de bodemefficiëntie hoog (en daardoor ook de bedrijfsefficiëntie) en hetbedrijfsoverschot laag.35


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 6 (1999)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 38% (21%) AfvoerEfficiëntie dier: 18% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees52 (91) 52 (70)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest85 (164) MestDepositie 0 (0)54Mest0 (28)FixatieBodem0 (5) Efficiëntie bodem: 71% (54%)MestBedrijf 6GemiddeldeLiggingAntwerpsezandstreekTotale oppervlakte bedrijf (ha) 40,0 31,8Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,1Melkproductie (l ha -1 ) 6851 10014Melkproductie (l koe -1 ) 4652 5947Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 946 1114Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 17 357Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 1485 2152Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 25 669Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 100 241Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 33 53Aandeel grasland (%) 71 62Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,47 2,99Aandeel koeien in de veestapel (%) 63 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 996 1197Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 138 269Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 104 230Bedrijf 6 is een extensief bedrijf (lage melkproductie per ha) met minder productieve koeienwat zijn weerslag vindt in een relatief lage dierlijke efficiëntie. De lage N-overschotten zijnvooral te danken aan een hoge bodemefficiëntie. Het minerale meststoffengebruik is zeerlaag. Het inkomen van dit bedrijf ligt wel onder het gemiddelde.36


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 7 (2000)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 38% (22%) AfvoerEfficiëntie dier: 20% (21%)StroVee1 (1)KrachtvoederMelk en Vlees82 (101) 56 (70)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.7 (4)GewasKunstmest97 (150) MestDepositie 24 (0)48Mest0 (30)FixatieBodem0 (5) Efficiëntie bodem: 66% (54%)MestBedrijf 7GemiddeldeLiggingOost-VlaamsezandstreekTotale oppervlakte bedrijf (ha) 53,5 32,1Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 8,0 1,7Melkproductie (l ha -1 ) 8231 10020Melkproductie (l koe -1 ) 5410 6023Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1042 1158Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 289 361Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2001 2235Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 440 656Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 191 213Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 22 57Aandeel grasland (%) 45 64Veebezetting (GVE ha -1 ) 3,44 3,04Aandeel koeien in de veestapel (%) 50 66Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1062 1204Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 144 262Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 112 223Bedrijf 7 heeft ondanks veel jongvee een laag N-overschot, door het afvoeren van mest eneen lage minerale N-bemesting op het akkerland. De melkproductie per ha ligt 20 % onderhet gemiddelde wat zich vertaalt in een inkomen dat ook quasi 20 % onder het gemiddeldeligt.37


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 8 (2001)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 36% (22%) AfvoerEfficiëntie dier: 19% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees80 (92) 60 (65)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.10 (2)GewasKunstmest78 (128) MestDepositie 0 (0)48Mest0 (29)FixatieBodem0 (6) Efficiëntie bodem: 70% (57%)MestBedrijf 8GemiddeldeLiggingLimburgse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 23,1 32,4Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 6,1 1,5Melkproductie (l ha -1 ) 7843 9643Melkproductie (l koe -1 ) 5828 5827Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1665 1132Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 103 366Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2415 2182Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 138 692Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 106 186Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 29 40Aandeel grasland (%) 64 63Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,61 2,98Aandeel koeien in de veestapel (%) 61 66Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1134 1249Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 145 238Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 109 199Bedrijf 8 is een extensief bedrijf dat een kleine hoeveelheid akkerbouwproducten afvoert.Door het lage minerale N-meststoffengebruik is de bodemefficiëntie hoog. De dierefficiëntieis hier minder goed door het relatief hoog krachtvoederverbruik per koe. De stikstofefficiëntiekan men hier verbeteren door op krachtvoeder te besparen en de behoefte aanvervangingsvee te verkleinen.38


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 9 (2001)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 44% (22%) AfvoerEfficiëntie dier: 26% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees76 (92) 70 (65)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.17 (2)GewasKunstmest37 (128) MestDepositie 0 (0)48Mest56 (29)FixatieBodem26 (6) Efficiëntie bodem: 65% (57%)MestBedrijf 9GemiddeldeLiggingLimburgse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 28,5 32,4Oppervl. Akkerbouwgewassen (%) 6,3 1,5Melkproductie (l ha -1 ) 9832 9643Melkproductie (l koe -1 ) 6072 5827Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1307 1132Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 0 366Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 1971 2182Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 505 692Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 85 186Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 0 40Aandeel grasland (%) 44 63Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,64 2,98Aandeel koeien in de veestapel (%) 74 66Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1503 1249Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 157 238Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 127 199Op bedrijf 9 gebruikt men weinig minerale N-meststoffen zowel op akkerland als op grasland.Bovendien heeft men relatief weinig jongvee en exporteert men akkerbouwproducten. Ditweerspiegelt zich in een laag overschot en een goed inkomen.39


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 10 (2001)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 36% (22%) AfvoerEfficiëntie dier: 21% (21%)StroVee3 (1)KrachtvoederMelk en Vlees83 (92) 63 (65)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest104 (128) MestDepositie 18 (0)48Mest0 (29)FixatieBodem0 (6) Efficiëntie bodem: 66% (57%)MestBedrijf 10GemiddeldeLiggingLimburgse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 46,9 32,4Oppervl. Akkerbouwgewassen (%) 0 1,5Melkproductie (l ha -1 ) 9842 9643Melkproductie (l koe -1 ) 5894 5827Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 924 1132Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 303 366Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 1971 2182Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 505 692Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 120 186Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 85 40Aandeel grasland (%) 54 63Veebezetting (GVE ha -1 ) 3,94 2,98Aandeel koeien in de veestapel (%) 50 66Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1152 1249Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 158 238Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 123 199Veel jongvee is kenmerkend voor bedrijf 10. Ondanks de hoge veebezetting slaagt het bedrijferin een laag N-overschot te halen, weliswaar met een kleine mestafvoer. Verder zijn eenlaag krachtvoederverbruik en een laag verbruik van bijproducten evenals een matig gebruikvan minerale N-meststoffen kenmerkend voor dit bedrijf.40


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 11 (1999)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 51% (21%) AfvoerEfficiëntie dier: 27% (21%)StroVee1 (1)KrachtvoederMelk en Vlees71 (91) 79 (70)Ruwvoeder0 (1) Akkerbouwprod.29 (2)GewasKunstmest114 (164) MestDepositie 0 (0)54Mest27 (28)FixatieBodem0 (5) Efficiëntie bodem: 69% (54%)MestBedrijf 11GemiddeldeLiggingLimburgse kempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 60,8 31,8Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 5,8 1,1Melkproductie (l ha -1 ) 11047 10014Melkproductie (l koe -1 ) 7168 5947Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1136 1114Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 0 357Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2054 2152Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 0 669Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 177 241Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 9 53Aandeel grasland (%) 62 62Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,81 2,99Aandeel koeien in de veestapel (%) 72 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1135 1197Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 158 269Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 125 230Bedrijf 11 gebruikt weinig minerale N op zijn akkerland en voert heel wat stikstof af viaakkerbouwproducten. De minerale N-bemesting op het akkerland is zeer laag. Het melkveeis productief (veel melk per koe) met een beperkte krachtvoedergift. Een goed fokkerijbeleidkan hiervan de oorzaak zijn. Gecombineerd met een laag jongveeaandeel leidt dit tot eenopmerkelijk hoge dierefficiëntie.41


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 12 (1997)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 47% (20%) AfvoerEfficiëntie dier: 28% (21%)StroVee1 (1)KrachtvoederMelk en Vlees104 (107) 97 (71)Ruwvoeder0 (2) Akkerbouwprod.0 (4)GewasKunstmest78 (179) MestDepositie 0 (0)51Mest25 (25)FixatieBodem0 (2) Efficiëntie bodem: 68% (52%)MestBedrijf 12GemiddeldeLiggingAntwerpse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 70,7 32,3Oppervl. Akkerbouwgewassen (%) 0 1,2Melkproductie (l ha -1 ) 12764 10328Melkproductie (l koe -1 ) 6224 6182Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1262 1201Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 168 518Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2668 2252Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 345 953Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 233 273Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 7 56Aandeel grasland (%) 31 60Veebezetting (GVE ha -1 ) 3,53 3,06Aandeel koeien in de veestapel (%) 71 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 3333 1403Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 161 292Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 123 251Bedrijf 12 heeft een laag aandeel grasland in zijn teeltplan. Het bedrijf valoriseert zijn dierlijkemest goed en daardoor is de minerale N-bemesting op akkerland uiterst laag. Demelkproductie per ha ligt boven het gemiddelde. Ondanks de intensiviteit van dit bedrijf is hetoverschot vrij laag en ligt het inkomen ruim boven het gemiddelde. Met een veebezetting van3,5 GVE ha -1 slaagt het bedrijf erin een bedrijfsoverschot van 161 kg N ha -1 en eenbodemoverschot van 123 kg N ha -1 te halen zonder mestafvoer.42


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 13 (1997)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 38% (20%) AfvoerEfficiëntie dier: 24% (21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees75 (107) 74 (71)Ruwvoeder0 (2) Akkerbouwprod.0 (4)GewasKunstmest91 (179) MestDepositie 0 (0)51Mest25 (25)FixatieBodem0 (2) Efficiëntie bodem: 66% (52%)MestBedrijf 13GemiddeldeLiggingAntwerpse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 11,5 32,3Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,2Melkproductie (l ha -1 ) 11560 10328Melkproductie (l koe -1 ) 6142 6182Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 1079 1201Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 0 518Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2174 2252Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 0 953Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 109 273Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 18 56Aandeel grasland (%) 80 60Veebezetting (GVE ha -1 ) 3,99 3,06Aandeel koeien in de veestapel (%) 57 67Netto-inkomen (€ ha -1 ) 2949 1403Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 168 292Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 133 251Bedrijf 13 heeft een relatief hoog aandeel grasland en is intensiever dan het gemiddeldebedrijf (hogere melkproductie per ha). Met een beperkte krachtvoedergift wordt een goedemelkproductie per koe behaald. De minerale N-bemesting op akkerland en grasland is sterkbeperkt. Dit alles resulteert in een laag bedrijfsoverschot. Er blijft hier ruimte om hetoverschot verder te verlagen door bijvoorbeeld minder jongvee aan te houden. Ondanks eenhoge veebezetting (4 GVE ha -1 ) heeft dit bedrijf een laag overschot door een efficiëntmestgebruik (lage minerale N-bemestingen).43


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenBedrijf 14 (2002)Aanvoer Efficiëntie bedrijf: 36% (22%) AfvoerEfficiëntie dier:(21%)StroVee0 (1)KrachtvoederMelk en Vlees44 (92) 76 (65)Ruwvoeder45 (1) Akkerbouwprod.0 (2)GewasKunstmest0 (128) MestDepositie 0 (0)48Mest43 (29)FixatieBodem26 (6) Efficiëntie bodem:(57%)Bedrijf 14GemiddeldeLiggingAntwerpse KempenTotale oppervlakte bedrijf (ha) 34,20 32,4Oppervl. akkerbouwgewassen (%) 0 1,5Melkproductie (l ha -1 ) 11395 9643Melkproductie (l koe -1 ) 8584 5827Krachtvoeder per koe (kg jaar -1 ) 689 1132Bijproducten per koe (kg DS jaar -1 ) 622 366Krachtvoeder per ha (kg jaar -1 ) 2182Bijproducten per ha (kg DS jaar -1 ) 692Min. bemesting grasland (kg N ha -1 ) 0 186Min. bemesting akkerland (kg N ha -1 ) 0 40Aandeel grasland (%) 55 63Veebezetting (GVE ha -1 ) 2,44 2,98Aandeel koeien in de veestapel (%) 82 66Netto-inkomen (€ ha -1 ) 1299/1469* 1249Bedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 137 238Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 199* links zonder premies voor biologische landbouw; rechts met premies voor biologischelandbouwBedrijf 14 is een biologisch bedrijf en behoort niet tot de bestudeerde dataset maar heeft ookde kenmerken van een topbedrijf inzake stikstofbeheer. Dit bedrijf heeft een laagkrachtvoederverbruik per dier en een hoge melkproductie per koe en per ha. Het bedrijf heeftdus een zeer hoge ruwvoedermelkproductie. Er wordt trouwens een aanzienlijke hoeveelheidruwvoer aangevoerd. Het aandeel jongvee in de veestapel is erg laag, waardoor demelkproductie per ha hoog is. Het inkomen zonder premies voor biologische landbouw isvergelijkbaar met dit van een gemiddeld bedrijf uit de dataset. Met premies voor debiologische landbouw is het inkomen zelfs hoger (1469 € per ha t.o.v. 1249 € per ha).Mest44


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschotten6.2. Algemene bemerkingen.Sommige van de topbedrijven halen lage N-overschotten door maatregelen als mestafvoer,aankoop van vaarzen, hoge export via akkerbouwvruchten, aanvoer van ruwvoeder of eenzeer extensieve bedrijfsvoering (lage melkproductie per ha). Bedrijven 2, 9, 12 en 13 tonenechter aan dat het mogelijk is om lage overschotten te halen zonder deze bijzonderemaatregelen. Het aandeel grasland is niet bepalend voor het N-overschot: zowel bedrijvenmet veel als met weinig grasland kunnen lage overschotten realiseren.In vergelijking met het gemiddeld Vlaams melkveebedrijf hebben de topbedrijven uit onzeset, aanzienlijk hogere gebruiksefficiënties op bedrijfs-, bodem- en/of dierniveau. Tabel 6.1vergelijkt de gemiddelde waarden voor Vlaanderen met de streefwaarden.Tabel 6.1. N-efficiënties (%) op melkveebedrijven: streefwaarden en gerealiseerde waardenop 14 Vlaamse topbedrijven en op het gemiddeld Vlaams melkveebedrijfNiveau 14 topbedrijven Gemiddeld Vlaams Steefwaardebedrijf (2001)Bedrijf 43 22 45Bodem 69 57 70Dier 23 20 25Vooral op bodemniveau kunnen Vlaamse (niet-top)bedrijven nog heel wat vooruitgangboeken. De hoge bodemefficiënties op de Nederlandse proefbedrijven ‘De Marke’,en de‘Minderhoudhoeve’ (± 70 %) zijn te danken aan een sterk verlaagde minerale N-bemesting:amper 35 kg N ha -1 . Onze 14 Vlaamse topbedrijven, die gemiddeld bijna diezelfdebodemefficiëntie van 70% halen, gebruiken gemiddeld 71 kg N ha -1 (122 kg N ha -1 opgrasland en 20 kg N ha -1 op akkerland). Op de vermelde Nederlandse onderzoeksbedrijvenzijn vlinderbloemigen markant aanwezig: ze brengen er ruim 40 kg N ha -1 per jaar in debodem. De som van minerale N en biologische N op de 2 Nederlandse proefbedrijven (± 80kg N ha -1 ) komt overeen met de minerale N-bemesting op de Vlaamse topbedrijven. Delagere N-bemesting op de Nederlandse proefbedrijven wordt dus gecompenseerd door N-fixatie uit witte klaver. Het behoud van een goede plantaardige productie bij zulke lageminerale N-bemesting is uiteraard alleen mogelijk mits een goede benutting van organischemest.Afvoeren van mest naar andere bedrijven die hem erg efficiënt kunnen benutten is eenandere mogelijkheid om op melkveebedrijven de bodemefficiëntie te verhogen. Dit kan dooreen samenwerking tussen een melkveebedrijf en een akkerbouwbedrijf (wat trouwens algebeurt). Diverse combinaties zijn denkbaar. Een akkerbouwbedrijf kan voedergewassenverbouwen voor een melkveebedrijf en voor deze gewassen mest aanwenden van datmelkveebedrijf; of het kan gewassen telen die niet bestemd zijn voor het melkveebedrijf metmest van het melkveebedrijf. Wellicht daalt de bodemefficiëntie dan bij de akkerbouwer,maar zolang de gezamenlijke efficiëntie verbetert is er milieuwinst.Het vergt een aparte studie om het precieze effect van dergelijke koppelactiviteiten op degebruiksefficiëntie van mineralen te begroten.Een aantal van de Vlaamse topbedrijven (bv. bedrijf 5 en 11) hebben zelf een akkerbouwtak.De voordelen zijn legio. Uiteraard is er vaak extra kennis, arbeid en uitrusting nodig om dit teverwezenlijken. Als toemaat is er de mogelijkheid om een ruime vruchtwisseling toe tepassen. En dat is niet onbelangrijk, want zowel ‘De Marke’ als de ‘AP Minderhoudhoeve’passen een systeem van wisselbouw toe om tot hoge bodem-efficiënties te komen.Ondersteijn et al. (2003) relativeren dan weer het effect van de bedrijfsstructuur op het N-overschot: zij stellen dat het belang van het bedrijfsmanagement veel groter is dan dat vande bedrijfsstructuur.45


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenOp dierniveau kan de efficiëntie van het gemiddeld Vlaams bedrijf nog beperkt meer stijgen.De dierefficiëntie laten toenemen, kan op twee manieren: door minder jongvee aan tehouden en door de melkproductie per koe te verhogen (zonder dat dit resulteert in denoodzaak om meer jongvee aan te houden tengevolge van de kortere levensduur van demelkkoeien). De verklaring is duidelijk: de gebruiksefficiëntie van N is groter bijmelkproductie dan bij vleesproductie.Een goede voedering (voldoende structuur en niet te eiwitrijk) kan ervoor zorgen dat koeienlanger meegaan zodat minder vervangingsvee noodzakelijk is. Het aandeel koeien (in GVEuitgedrukt) zou niet veel minder mogen zijn dan 80 %. Bij een gemiddeld Vel & Vanla-bedrijf(Nederland) bijvoorbeeld was dit in 2002/03 gemiddeld 79 %. Bij een gemiddeld Vlaams is ditslechts 66%. Minder jongvee aanhouden betekent natuurlijk dat meer kalveren elders terechtkomen (kalvermesterij of rundveemesterij) en dat iemand anders te maken krijgt met lagedierefficiënties.Hogere melkproducties per koe leiden vaak tot een korter leven wat de nood aanvervangingsvee vergroot, waardoor de winst weer deels verloren kan gaan. Dit verklaart ookwaarom er geen goed verband wordt gevonden tussen de melkproductie per koe en de N-overschotten (Figuur 6.1). Alleen melkkoeien die door selectie hoge producties kunnenleveren én lang meegaan, bieden echt perspectief voor een betere gebruiksefficiëntie van Nen dus lagere N-overschotten.800700N-overschot ha -160050040030020010004500 5500 6500 7500 8500 9500 10500Melkproductie (l koe -1 )Figuur 6.1. Verband tussen de melkproductie per koe (l koe -1 ) en het N-overschot per ha vande set Vlaamse melkveebedrijven in de periode 1989-2001Bedrijf 13 is een voorbeeld een bedrijf met een hoge ruwvoermelkproductie. Voor 6142 litermelk per koe is maar 1079 kg krachtvoeder nodig en geen bijproducten zoals perspulp ofdraf. Toch kan dit bedrijf nóg efficiënter worden en een nog lager N-overschot realiserendoor minder jongvee aan te houden, waardoor zijn dierefficiëntie nog kan verbeteren. Eenaangewezen piste om dit te realiseren is de maximalisatie van de ruwvoedermelkproductieper koe.46


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenEen maat voor ‘eco-efficiëntie’ (of correcter: ‘eco-effectiviteit’) van een melkveebedrijf ishoeveelheid melk die geproduceerd worden per kg N-overschot. Hoe groter dit getal, hoemeer eco-efficiënt een bedrijf is. Uit Figuur 6.2 valt op dat er grote spreiding bestaat in dezeeco-efficiëntie: van ± 5 tot ± 90 l melk per kg N-overschot. Een haalbare, maximale ecoefficiëntiesitueert zich in de buurt van 70 liter melk per kg N-overschot en dit bij eenbedrijfsefficiëntie van 40 à 50 %.Eco-efficiëntie (l melk per kg N-overschot)10090807060504030201000 10 20 30 40 50 60N-efficiëntie, bedrijfsniveau (%)Figuur 6.2. Relatie tussen N-efficiëntie en melkproductie per kg N-overschot (bedrijfsniveau)voor de set Vlaamse melkveebedrijven gedurende de periode 1989-2001.De gemiddelde eco-efficiëntie van de bestudeerde 14 Vlaamse topbedrijven is 65 l melk perkg N-overschot. Bij een melkproductie van 10.000 l per ha is het N-overschot opbedrijfsniveau dan gelijk aan ± 150 kg N per ha. Het gemiddelde bedrijf uit de Vlaamsedataset is minder eco-efficiënt met een melkproductie van 40 l per kg N-overschot. Er is duszeker nog ruimte voor verbetering. Bedrijven zoals ‘De Marke’ en de ‘AP Minderhoudhoeve’hebben nog een betere eco-efficiëntie (zie Tabel 6.2). Ter illustratie is ook een voorbeeld uitPolen weergegeven. Daar is de bedrijfsvoering veel extensiever maar dat resulteert niet ineen hoge eco-efficiëntie, in tegendeel zelfs. ‘Extensief’ mag men dus zeker niet per definitiegelijkstellen aan ‘eco-efficiënt’.47


6. Analyse van individuele Vlaamse bedrijven met lage overschottenTabel 6.2. Eco-efficiënties (l melk per kg N-overschot) van het gemiddelde bedrijf uit deVlaamse dataset, het gemiddelde van de 14 Vlaamse topbedrijven, Nederlandseproefbedrijven en Nederlandse voorloperbedrijvenEco-efficiciëntie(l melk per kg N-overschot)Gemiddeld bedrijf Vlaamse dataset 40Gemiddelde van de 14 Vlaamse topbedrijven 65‘De Marke’ (’02-‘03’) 102‘AP Minderhoudhoeve’ (’01) 77Koeien & Kansen 77Vel & Vanla 62Bioveem 74Polen (Pietrzak & Oenema, 2003) 2948


7. Besluit7. BesluitDe mineralenoverschotten op gespecialiseerde Vlaamse melkveebedrijven zijn het laatstedecennium sterk gedaald:• Op bedrijfsniveau van 378 kg N ha -1 in 1989 naar 238 kg N ha -1 in 2001.• Op bodemniveau van 340 kg N ha -1 in 1989 naar 199 kg N ha -1 in 2001.In Tabel 7.1 worden de gerealiseerde overschotten en efficiënties van de melkveebedrijvenuit de Vlaamse dataset in 2001 weergegeven t.o.v. haalbare waarden. Een bedrijfsoverschotvan 150 kg N ha -1 en een overeenstemmend bodemoverschot van 110 kg N ha -1 beoordelenwe als haalbaar. Bij realisatie van deze laatste overschotten wordt ook voldaan aan deEuropese nitraatrichtlijn van 50 mg nitraat per liter, zelfs al is het dierlijke mestgebruik hogerdan 170 kg N ha -1 (= ± 2 GVE ha -1 ). Er zijn immers bedrijven die met een veebezetting vanmeer dan 3 GVE ha -1 toch een bedrijfsoverschot realiseren dat 150 kg N ha -1 nietoverschrijdt.Tabel 7.1. Gerealiseerde N-overschotten en N-efficiënties van melkveebedrijven uit deVlaamse dataset in 2001 t.o.v. haalbare N-overschotten en N-efficiënties.Gerealiseerd HaalbaarBedrijfsoverschot (kg N ha -1 ) 238 150Bodemoverschot (kg N ha -1 ) 199 110Bedrijfsefficiëntie (%) 22 45Bodemefficiëntie (%) 57 70Dierefficiëntie (%) 21 25Eco-efficiëntie (l melk per kg N-overschot) 40 70T.o.v. een algemene Europese trend zijn de bedrijven uit de Vlaamse dataset geëvolueerdvan hoog naar een gemiddeld N-bedrijfsoverschot (rekening houdend met de intensiteit vanhet bedrijf nl. de melkproductie per ha). Er zijn natuurlijk landen met bijzonder lageoverschotten (bv. Polen) maar daar werkt men veel extensiever en dus aan productieniveausdie weinig realistisch zijn voor Vlaanderen. Bovendien is de eco-efficiëntie van bedrijven indergelijke extensieve omstandigheden lager dan deze van het gemiddelde bedrijf uit deVlaamse dataset.Bij een verlaging van het N-overschot dient men vooral aandacht te hebben voor hetverhogen van de bodemefficiëntie en vervolgens het verhogen van de dierefficiëntie.Het terugdringen van minerale bemesting, -eventueel gekoppeld aan de (her)introductie vanklaver- draagt voor de Vlaamse bedrijven als voor projectbedrijven uit de literatuur aanzienlijkbij tot de daling van de stikstofoverschotten. Uiteraard moet men dan ook de N-fixatie correctin rekening brengen bij het opstellen van N-balansen. Daarnaast bestaat de absolutenoodzaak om organische mest maximaal te benutten: hetzij door technische ingrepen(bv.toedieningswijze), hetzij door samenstelling (bv. beïnvloed door rantsoensamenstelling).Gezond voeren van melkvee, met als gevolg een verlaagd vervangingspercentage, resulteertin hogere dier-efficiënties en dus lagere overschotten. Het verhogen van de melkproductieper koe is alleen effectief voor het verhogen van dierefficiëntie wanneer dit niet gepaard gaatmet hogere vervangingspercentages.Samenwerken met akkerbouwbedrijven of de combinatie van akkerbouw en melkvee ophetzelfde bedrijf kunnen de gebruiksefficiëntie van N verhogen. Uit proefbedrijven weten wedat vruchtwisseling de gebruiksefficiëntie van N verbetert en de combinatie van akkerbouwen melkvee biedt daartoe natuurlijk meer kansen.49


8. Referenties8. ReferentiesAnonymous, 1991. Directive of the Council of December 12, 1991 concerning the protectionof waters against pollution caused by nitrates from agricultural sources (91/676/EEC).European Commission, Brussels, pp. 1-8.Anonymus, 2001. www.aeat.com/netcen/airqual/reports/ghg/ukghgi_90-99_append_5-6.pdfAnonymus, 2003. Resultaten proefbedrijf ‘De Marke’, www.koeienenkansen.nlAnonymus, 2003. Vlaams Milieubeleidsplan 2003-2007, 349 p.www.milieubeleidsplan.be/plan/_down/milieubeleidsplan.pdfBoons-Prins, E.R., van der Meer, H.G., Sanders, J., Tamminga, S., van Vught, F. & de Wit,J.G., 1996. Drastische verbetering van de efficiëntie van de nutriëntenbenutting in de dierlijkeproduktie. NRLO-rapport 94/3.Bossuyt, R., 2002. Jaarverslag 2001. Vereniging voor de melkkwaliteit, Lier, 57 p.CLM, 1991. Mineralenboekhouding melkveehouderij, CLM, DLV en IKC-veehouderij, Utrecht,37 p.CVB, 2000. Tabellenboek veevoeding 2000, Lelystad 110 p.De Clercq, P., Gertsis, A.C., Hofman, G., Jarvis, S.C., Neeteson, J.J. & Sinabell, F., 2001.Nutrient Management Legislation in European Countries (NUMALEC). Departement SoilManagement and Soil Care, Ghent University, Belgium, 347 p.Demeester, P., 2000. Mestgids, wegwijs in het Vlaamse mestbeleid. VLM-publicatie, Brussel,41 p.De Vries, C., 2003. Duurzaam pionieren. Presentatie ‘Koeien & Kansen’-workshop:‘Stikstofhuishouding & milieukwaliteit’, 22 april, Wageningen, 4 p.Ennik, G.C., 1983. Grasproductie zonder kunstmeststikstof. Bedrijfsontwikkeling 14: 959-960.GIS-Vlaanderen, 1996. Vectoriële versie van de Administratieve grenzen, NGI, OC-product1996.GIS-Vlaanderen, 2001. Vectoriële versie van de Landbouwgebruikspercelen, VLMmestbank,OC-product 2001.Grignani, C., Sacco, D., Bassanino, M., Mantovi, P., Bonazzi, G. & Cumino, P., 2003.Nutrient management on Farm scale : attaining policy objectives in regions with intensivedairy farming : the Italian case. In: Workshop proceedings: Nutrient management on farmscale, 23-25 June 2003, Quimper France, 18 p.Hanegraaf, M.C. & den Boer, D.J., 2003. Perspectives and limitations of the Dutch mineralsaccounting system (MINAS). European Journal of Agronomy, in progress, 7 p.Humphreys, J. Casey, I.A. and Carton, O.T., 2003. Meeting environmental objectives andpotential constraint on dairy production in Ireland. In: Workshop proceedings: Nutrientmanagement on farm scale, 23-25 June 2003, Quimper, France, 18 p.50


8. ReferentiesJarvis, S.C., 1999. Accounting for nutrients in grassland: challenges and needs. In: Corall,A.J., Accounting for Nutrients: A challenge for Grassland Farmers in the 21 st Century,Britisch Grassland Society Occasional Symposium No 33, BGS Conference, Great Malvern,UK, 22-23 November 1999, Britisch Grassland Society, Reading, UK, p 3-12.Jarvis, S.C. and Aarts, H.F.M., 2000. Nutrient management from a farming systemsperspective. In: Søegaard, K., Ohlsson, C., Sehested, J., Hutchings, N.J. en Kristensen, T.,Grassland farming: Balancing environmental and economic demands, Proceedings of the18 th General Meeting of the European Grassland Federation Aalborg, Denmark, 2000, pp.363-373.Ketelaars, J.J.M.H. & van de Ven, G.W.J., 1992. Stikstofbenutting en –verliezen inproduktiegrasland. In van der Meer, H.G. & Spiertz, J.H.J., Stikstofstromen in agroecosystemen.Agrobiologische Thema’s 6, CABO-DLO, Wageningen, 33-49.Kristensen, E.S., Hogh-Jensen, H. and Kristensen (1995), A simple model for estimation ofatmospherically-derived nitrogen in grass-clover systems. Biological Agriculture andHorticulture. 1995, 12: 263 – 276.Kristensen, I.B., Halberg, N., Højlund, A., Dalgaard, R. and Hutchings, N., 2003. Agriculturalnutrient management in Denmark. Paet 2. N turnover on Danish mixed dairy farms. In:workshop proceedings: Nutrient management on farm scale. 23-25 June 2003, Quimper,France, 21 p.Lauwers, L. en Overloop, S., 2001. Milieu- en Natuurrapport Vlaanderen, MIRAAchtergronddocument 2001, 1.4. Landbouw, Vlaamse Milieumaatschappij, www.vmm.be, 76p.Le Gall, A., 2000. Bilans des minéreaux dans les exploitations laitières bretonnes. Compterendu EDE-CA de Bretagne – Institut de l’Elevage.Le Gall, A., 2003. Impact des réglementations environnementales sur les systèmes laitiers.CR Institut de l’Elevage.Mestbank, 2003. Kwetsbare gebieden in Vlaanderen.http://www.vlm.be/mestbank/startpagina.htm.Michiels, J., Verbruggen, I. en Carlier, L., 1998. Mineralenbalansen en hun gebruik opmelkveebedrijven. In: Van Huylenbroeck, G. En Jacobs, G., Naar een duurzame graslandengroenvoederuitbating, Ministerie van Middenstand en Landbouw, Brussel, p 27-49.Mounsey, J. Sheehy, J., Carton, O.T. and O’Toole, P., 1998. Nutrient management planningon Irish dairy farms. End of project report, Johnstown Castle Research Centre, Wexford,Ireland, 22p.Mulier, A., Hofman, G., Baecke, E., Carlier, L., De Brabander, D., De Groote, G., De Wilde,R., Fiems, L., Janssens, G., Van Cleemput, O., Van Herck, A., Van Huylenbroeck, G. &Verbruggen, I., 2001. Emissiepreventie in de landbouw door middel van nutriëntenbalansen,Gent, 239 p.NIS, 15 mei statistieken 1977-2001, Nationaal Instituut van de statistiek, Ministerie vanEconomische Zaken, Brussel, http://www.statbel.fgov.be51


8. ReferentiesOenema, J., 2003. Stikstofhuishouding in ‘Koeien & Kansen’. Presentatie ‘Koeien & Kansen’-workshop: ‘Stikstofhuishouding & milieukwaliteit’, 22 april, Wageningen, 10 p.Oenema, O., Bannink, A., Sommer, S.G. and Velthof, G.L., 2001. Gaseous nitrogenemissions from livestock farming systems. In: Follett, R.F. en Hatfield, J.L., Nitrogen in theenvironment: Sources, Problems, and Management, Elsevier Science, Amsterdam, p. 255-291.Ondersteijn, C.J.M., Beldman, A.C.G., Daatselaar, C.H.G., Giesen, G.W.J. & Huirne,R.B.M., 2002. The Dutch Mineral Accounting System and the European Nitrate Directive:implications for N and P management and farm performance. Agriculture, Ecosystems andEnvironment 92, 283-296.Ondersteijn, C.J.M., Beldman, A.C.G., Daatselaar, C.H.G., Giesen, G.W.J. & Huirne, R.B.M.,2003. Farm structure or farm management: effective ways to reduce nutrient surpluses ondairy farms and their financial impacts. Livestock Production Science 84, 171-181.Oomen, G., Hendriks, K. en Lantinga, E., 1999. Nitraatrichtlijn: doel en middel kritischbekeken. Ekoland, 12, 1999, 22-23.Overvest, J., 2002. Voorstelling resultaten AP Minderhoudhoeve, PMOV-studiedag, 20 juni,Swifterbant, Nederland.Pietrzak, S. & Oenema. O., 2003. Nitrogen balances of dairy farms in Poland followingdrastic changes in agriculture. Abstracts for the 12 th N Workshop, 21-24 September 2003,Exeter, IGER, UK, 2 p.Pollet, I., 1996. Onderzoeks- en ontwikkelingsovereenkomst inzake de NH 3 -emissies door delandbouw, Rapport (174M3495), Faculteit Landbouwkundige en Toegepaste BiologischeWetenschappen, U.G., Gent.Praktijkonderzoek veehouderij, 2003. Bedrijfsgegevens ‘De Marke’. www.pv.wageningenur.nl/index.asp?praktijkcentra/melkvee/demarke/mineralen/index.aspRougoor, C.W. en van der Schans, F.C., 2001. Ammoniak in de melkveehouderij;Haalbaarheid van doelen. CLM-publicatie nr 497, Utrecht, 28 p.Schröder, J.J., Aarts, H.F.M., ten Berge, H.F.M., van Keulen, H. & Neeteson, J.J., 2003. Anevaluation of whole-farm nitrogen balances and related indices for efficient nitrogen use.European Journal of Agronomy , 20, 33-44.Schröder, J.J., Scholefield, D., Cabral, F. & Hofman, G., 2004. The effect of nutrient lossesfrom agriculture on ground and surface water quality: the position of science in developingindicators for regulation. Environmental Science & Policy 7, 15-23.Sheringer, J., 2002. Nitrogen on dairy farms: balances and efficiency. GöttingerAgrarwissenschaftliche Beiträge; Band 10, Universiteit van Göttingen, 110 p.Smits, M.C.J., Van Duinkerken, G. en Mounteny, G.J., 2002. Mogelijkheden vanammoniakemissie beperkende voer-maatregelen in de melkveehouderij. Instituut voor Milieuen Agritechniek (IMAG), Nota P 2002-36, 37 p.Snijders, P. en Everts, H., 2000. Mineralenbalans, stikstofbinding en waterkwaliteit.Biologische veehouderij en management (Bioveem). Publicatie 144, PraktijkonderzoekRundvee, Schapen en Paarden.52


8. ReferentiesSwensson, C., 2002. Ammonia release and nitrogen balances on south Swedish dairy farms1997-1999. Dotoral thesis Swedish University of Agricultural Sciences, 67 p.Soler-Rovira, J., Soler-Rovira, P. & Soler-Soler, J., 2001. Environmental pressures andnational environmental legislation with respect to nutrient management : Spanish case. In:Stedula (Steunpunt Duurzame Landbouw), Jaarverslag 2002 Steunpunt DuurzameLandbouw, 2003. Stedula publicatie 2, Gontrode, Belgium, 272 p.Ten Berge, H. & Oenema, J., 2003. Indicatoren voor waterkwaliteit in de melkveehouderij.De resultaten uit Koeien & Kansen 1999-2002 op een rij. Presentatie in ‘Koeien & Kansen’-workshop: ‘Stikstofhuishouding & milieukwaliteit’, 22 april 2003, Wageningen, Nederland,17 p.Taube, F., Gierus, M. & Kelm, M., 2003. Nutrient management on Farm scale : attainingpolicy objectives in regions with intensive dairy farming : the German case. In: Workshopproceedings: Nutrient management on farm scale, 23-25 June 2003, Quimper France, 33 p.Van Bruchem, J., Schiere, H. en van Keulen, H., 1999. Dairy farming in the Netherlands intransition towards more efficient nutrient use. Livestock Production Science 61, (1999),p.145-153Van der Hem, A., 2003. De cijfers achter Vel & Vanla, Natuurlijk in balans 4, 2 (2003), 7-9.Van der Hoek, K., 1990. Mineralenboekhouding melkveehouderij. CLM-, DLV- IKCveehouderij-uitgave,Utrecht, 37 p.Van Eerdt, M.M. & Fong, P.K.N., 1998. The monitoring of nitrogen surpluses fromagriculture. Environmental Pollution 102, S1, 227-233.Van Gijseghem, D. en Overloop, S., 2002. MIRA (2002) Milieu- en natuurrapport Vlaanderen,Achtergronddocument 2002, 2.12 Vermesting. Vlaamse Milieumaatschappij,http://www.milieurapport.be, 75 p.Van Staalduinen, L.C., van Zeijts, H., Hoogeveen, M.W., Leusink, H.H., van Leeuwen, T.C.,Prins, H. en Groenwold, J.G., 2001. Het landelijk mestoverschot 2003, methodiek enberekening. Reeks milieubeleidsplanbureau 15, LEI, Den Haag, 144 p.Van Hecke, E. & Schrooten, L., 2003. Land- en tuinbouw in Vlaanderen. Feiten en cijferseditie 2003. VILT, Brussel, www.vilt.be, 51 pp.Verbruggen, I., 2001. Milieutechnische en voedingstechnische aspecten. In: Carlier, L.,Duurzame melkveehouderij Meetjesland, DFE-Merelbeke, 47 p.Verbruggen, I., Michiels, J., Carlier, L. en Van Bockstaele, E., 1996. Verslagen over devoornaamste resultaten bekomen in de periode 1994-1996 van het NCGGO 1 e sectie, CLO-Gent, 53 p.Verbruggen, I., Nevens, F. en Reheul, D., 2003. Risico voor nitraatuitspoeling onder grasklaveren onder gras zonder klaver: een vergelijking. Stedula-publicatie nr3., 32p.Vertès, F., Alard, V. & Le Corre, L., 2002. Les exploitations étudiées. Résultatsenvironnementaux. In : Alard, V., Béranger, C. & Journet, M. (Eds), A la recherche d’uneagriculture durable. Etude de systèmes Herbagers économes en Bretagne. INRA Editions,115-144.53


8. ReferentiesWerkgroep “Kostprijsraming ruwvoeders”, Kostprijsraming ruwvoeders (1992 – 2000).Ministerie van Middenstand en Landbouw, Brussel.Whitehead, D.C., 1995. Grassland Nitrogen, CAB International, Wallingford, 397 p.www.koeienenkansen.nl54


9. Bijlage9. Bijlage: Excretie melkveeIn de Vlaamse wetgeving wordt een excretie van 97 kg N melkkoe -1 jaar -1 gebruikt. In anderelanden, met gelijkaardig melkvee, worden hogere excretie-coëfficiënten gebruikt: 129 kg Nkoe -1 jaar -1 in Nederland (Van Staalduinen et al, 2001), 113 kg koe -1 jaar -1 in het VerenigdKoninkrijk (Oenema, O. et al, 2001, Anonymus, 2001). We rekenen hier verder met 112 kg Njaar -1 , de MAP-excretie-coëfficiënt verhoogd met 15 %. De verantwoording voor dezeverhoging is weergegeven in onderstaand kader.KrachtvoederExcretie?RuwvoederMelkVleesFiguur: Inputs en outputs van rundveeZoals de Figuur weergeeft zijn een aantal parameters nodig om de N-excretie van rundvee teberekenen. Er zijn slechts weinig data-sets beschikbaar die al deze gegevens bevatten.Voorbeelden van zulke datasets zijn deze van het project “Duurzame melkveehouderij” in het5b-gebied (Verbruggen, 2001) en van het IWONL-project “Mineralenbalansen op Vlaamsemelkveebedrijven” (Michiels et al., 1998). De datasets bevatten cijfers van 25 bedrijvengedurende 4 jaar en van 40 bedrijven gedurende 5 jaar, respectievelijk. Om de excretie tekunnen berekenen moeten we weten wat de koe opneemt, alsook de productie aan vlees enmelk en het verschil tussen deze inputs en outputs is dan de excretie. Gegevens overkrachtvoeder, melk- en vleesproductie kunnen uit de mineralenbalansen van de bedrijvengehaald worden. De ruwvoedergegevens komen uit opbrengstberekeningen vangraslandkalendergegevens.55


9. BijlageVoorbeeld: Gegevens van de 25 melkbedrijven in het 5b-gebied boekjaar ’99-‘00Tabel 9.1. Berekening van de N-excretie uit de inputs en de outputs van 25melkveebedrijven in het 5b-gebied tijdens het boekjaar ’99-’00 (kg N ha -1 ).INPUT VEEKrachtvoeder 115,6Vochtig krachtvoeder 17,2Eigen ruwvoeder 258,8Aankoop ruwvoeder 10,4Totaal input 402,0OUTPUT VEEMelk 70,7Vlees 14,5Totaal output 85,2N-EXCRETIE 310,7Als we de excretie van de dieren op deze melkveebedrijven berekenen met de excretiecoëfficiëntenuit het MAP komen we tot een excretie van 242 kg N ha -1 . Dit is 28 % minderdan de berekende excretie: 311 kg N ha -1 . De melkkoeien op deze bedrijven hadden in hetboekjaar van ’99-’00 een melkproductie van 8107 liter, wat aanzienlijk hoger is dan hetVlaams gemiddelde. Het zou dan ook verkeerd zijn te besluiten dat de N-excretie inVlaanderen met 28 % onderschat is. In het MAP staat een formule die de relatie weergeefttussen melkproductie en N-excretie:N-excretie = 0,0075 x melkproductie + 52Vullen we hier 6000 liter in dan vinden we een uitscheiding van 97 kg N koe -1 jaar -1 , deforfaitaire excretienorm. Dit is trouwens ook bijna de gemiddelde melkproductie van eenVlaamse koe (Bron: CLE). Vullen we in deze zelfde formule een melkproductie in van 8107liter, dan vinden we een excretie van 113 kg N koe -1 jaar -1 . Met de MAP-formule onderschatmen de excretie dus met 12 %.Wanneer we dit doen voor alle boekjaren en zowel voor de melkveebedrijven van het 5bgebiedals deze van het IWONL-project, dan vinden we gemiddeld een onderschatting van15 % wanneer de MAP-cijfers worden gebruikt.Ter controle kan de N-excretie voor een gemiddelde Vlaamse koe ook berekend worden metde volgende formule (Oomen et al., 1999):N-excretie (g koe -1 dag -1 )= (38 x melk (liter koe -1 dag -1 ) x ureum (gram liter -1 ))/1000+170In 2000 was de gemiddelde melkproductie in Vlaanderen ongeveer 5800 liter (Bron: CLE).Dit is ongeveer 19 liter gemiddeld per dag (305-dagen productie). Het gemiddeldureumgehalte in de melk van 3 provincies (Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams Brabant)was in 2001 233 mg liter -1 (Bossuyt, R., 2002). Met bovenstaande formule vinden we daneen N-excretie van 338 g koe -1 dag -1 (305 dagen productie) of 113 kg koe -1 jaar -1 (inclusief10 kg N in droogstandperiode) wat 16 % meer is dan de forfaitaire uitscheidingsnorm van 97kg koe -1 jaar -1 . Dit stemt goed overeen met de berekende onderschatting van 15 % zoalsberekend op basis van mineralenbalans- en graslandgegevens en verrechtvaardigt dusnogmaals het gebruik van 112 kg N koe -1 jaar -1 .56

More magazines by this user
Similar magazines