tijdschrift voor zoogdierbescherming en ... - Zoogdierwinkel

zoogdierwinkel.nl
  • No tags were found...

tijdschrift voor zoogdierbescherming en ... - Zoogdierwinkel

ZtJtJtiDlEK I "7"7,-} I U (I)Noordwest-Overijssel4. De W~erribben. Foto René KrekelsNatuwrpaJan$


ZOOGDIER1999 10 (I)6soort afk. verkeer zicht vallen braakb.bosspitsmuis onbepaald bsp x xgewone bosspitsmuis bs x xtweekleurige bosspitsmuis tbxdwergspitsmuis ds x xwaterspitsmuis ws x xhUÎsspitsmuis hs x xmol mo x xhermelijn he xwezel we x xrosse woelmuis rw x x xliVoelrat wr x x x~ardmuÎs am x xJeldmuis vm x x xjwergmuis dm x xluismuis hm x x x)osmuis bm x x xJruine rat br x x x xTabel 1. Overzicht van de aangetroffen soorten pertype waarneming.Foto Rollin VerlindeHoewel de mol goed kan zwemmen komt hij nietpermanent overal voor În moerasgebieden. Hier eenkaartuitsnede bij de Beulakerwijde met in elke kilometeraangegeven of de mol is aangetroffen of niet.Sporen en zichtwaarnemingenDoor zichtwaarnemingen, het vindenvan pootafdrukken en keutels en de her~kenning van nesten of holingangennegen soorten vastgesteld. Voor groteresoorten zijn deze waarnemingen redelijkbetrouwbaar. Voor de kleine zoogdierenligt dat iets anders. Het herkennen vaneen n1uizensoort aan de keutels of prentenis niet eenvoudig en meestal zelfsonmogelijk. Datzelfde geldt voor de nestenof holingangen. Als je goed zou zoekenzou je dwergmuisnestjes kunnenvinden. De ontoegankelijkheid van hetgebîed maakt echter dat het niet simpelis deze methode te gebruiken.De mol leent zich goed voor inventarisatiesop sporen, de molshopen. Hetis een soort waarvan wordt beweerd dathij overal voorkomt. Dat wilden we nietklakkeloos aannemen, en dus is inNoordwest-Overijssel een uitgebreideinventarisatie uitgevoerd. De mol is inhet waterrijke deel niet in alle kilometerhokkengevonden. Zou de inventarisatieanaloog aan de landelijke atlas in blokkenvan 5x5 km zijn uitgevoerd, dankomt de mol echter wel in alle blokkenvoor.VallellonderzoekTijdens de onderzoeksperiode zijn drieonderzoeken uitgevoerd met inloopvallen:Zoogdierenwerkgroep Overijssel,1994; Haan, 1997; La Haye & Haan,1998. De resultaten van het onderzoekvan Maurice La Haye en AlexandraHaan komen elders in dit nummer uitgebreidaan de orde.In de drie onderzoeken zijn in totaal13 of 14 soorten gevangen. De onzekerheidontstaat doordat bij de bosspitsmuizenmeestal niet is nagegaan ofhet de gewone bosspitsmuis of de tweekleurigebosspitsmuis betrof.Bl'aakbalonderzoekIn 1994 en in 1997 zijn pluisdagengehouden. Deze dagen hadden vooraleen educatief karakter, maar leverdenook veel gegevens op. Dankzij de welwillendemedewerking van de kerkuilenwerkgroepin het gebied werden braakballenverzameld uit vrijwel alle kastendie door de groep worden gecontroleerd.Met name in 1998 gebeurde dit heel systematisch.Gezien de spreiding van kerk·uilkasten over de 4Kop van Overijssel'wordt zo een goed beeld van de verspreidingverkregen. Ook de verhoudingwaarin de gewone bosspitsmuis en detweekleurige bosspitsmuis voorkomen,


kon worden vastgesteld (figuur 1). In1998 werd op 36 broedplaatsen van dekerkuil braakbalmateriaal verzameld.Hierin werden gemiddeld per locatie 9,1soorten aangetroffen (spreiding 3-12)met gemiddeld 93,2 prooien per partij(spreiding 5-149).Door braakbalonderzoek konden 14soorten kleine zoogdieren worden aangetoondin Noordwest-Overijssel. Alleende hennelijn en de wezel zijn niet alsuîlenprooi gevonden.SoortenEr zijn in totaal 16 soorten kleine zoogdierenin het noordwesten van Overijsselwaargenomen (tabel 1). Het doenvan zichtwaarnemingen en het noterenvan verkeersslachtoffers zijn te weinigsystematisch uitgevoerd Oln een goedbeeld van de soortensamenstelling tekunnen krijgen. Het blijkt dat vooral hetbraakbalonderzoek en het vallenonderzoekgegevens over veel soorten opleveren.De beide methoden vullen elkaargoed aan, hoewel het regionale verspreidingsbeeldvan een soort niet verandertals een van deze twee methoden buitenbeschouwing wordt gelaten. Het aantalkilometerhokken waarin een soortwordt waargenomen neemt echter toeals beide methoden naast elkaar wordengebruikt. Deze 'verdichting' in waarne-111ingen geeft een realistischer beeld vanhet verspreidingspatroon.Daarnaast kunnen de gegevens vanbeide methoden gebruikt worden omeen idee van de algemeenheid en de talrijkheidvan de verschillende soorten tekrijgen. Daarom gaan we alleen metHuisspitsmuizen worden zelden met vallen gevangen,omdat die meestal in natuurterreÎnen gezetworden. Kerkuilen vangen huisspitsmuizen echtervrij vaak, in evenveel kilometerhokken als veldmuizen.Foto Rol/in VerfindeFiguur 1. De verhouding tussen gewone bosspîtsmuisen tweekleurige bosspitsmuis in kerkuilbraakballenin Noordwest-Overijssel, weergegeven per5x5 km hok. De stipgrootte geeft het percentagetweekleurige bosspitsmuis aan, bij opklimmendegrootte respectievelijk 0-5 %, 6-20 %, 21-75 % enmeer dan 75 %.•• • •• •


ZOOGDIER1999 10 (I)8100,(\90807060504030201003530252015105I__-,_ll J,tb hs bs ds ws bsp vm am rw hm dm bmFiguur 2: Algemeenheid (= percentage van de kmhokkenwaar de soort werd aangetroffen) van dekleine zoogdiersoorten op basis van braakbalgegevensuit 55 km-hokken en vangsten in 48 km-hokken.Voor verklaring van de afkortingen zie tabel 1.bal.valo ntb hs bs ds ws bsp vm am rw hm dm bmFiguur 3:Talrijkheid (= percentage van het totaal aantalwaarnemingen) van de kleine zoogdiersoorten opbasis van 5622 prooiresten in braakballen en 1509vangsten. Voor verklaring van de afkortingen zietabel 1.deze gegevens verder. Bij de besprekingper soort zijn de mol, wezel, woelrat enbruine rat buiten beschouwing gelatenonldat zij slechts in zeer beperkte matezijn aangetroffen.Uilen beterHet aantal kilOllleterhokken in hetonderzoeksgebied bedraagt 450. De drievallen onderzoeken vonden plaats in hetmoerasgedeelte van de Kop vanOverijssel. Van 1989-1998 zijn inNoordwest-Overijssel in 48 kilometerhokkenin totaal 1509 vangsten van kleinezoogdieren gedaan. Monsters braakballenwerden behalve in de moeras- enrietgebieden, ook in het hoge, drogeregedeelte van Noordwest-Overijssel verzameld.In de gehele periode werdenuit 55 kilonleterhokken monsters braakballenverzmneld. Hierin werden 5622resten van kleine zoogdieren gevonden.In figuur 2 wordt de algenleenheid vanelke soort aangegeven. Hoe groter hetaantal bezette kiJometerhokken is (uitgedruktin percentage van het aantalonderzochte kiloll1eterhokken), hoe algemenerde soort is in zijn verspreiding.Uilen vangen alle soorten vaker danonderzoekers. De met vallen gevangenbosspitsmuizen worden meestal niet totop soort gedetermineerd, in tegenstellingtot de resten van bosspitsmuizen inbraakballen. Laten we de bosspitsl11uizen(tb, bs en bsp) buiten beschouwing,dan blijkt dat vooral de huisspitsmuis,de dwergspitsmuis, de veldnluis en dehuismuis in tneer kilometerhokken wordenaangetoond in braakballen dan invangsten met vallen. Voor een deel is ditte verklaren door het feit dat vooral inmoerasgebieden gevangen is met vallen,terwijl de uilen waarschijnlijk in een veelbreder scala aan habitats foerageren.Een tweede reden voor het meermeen aantreffen van soorten in braakballenis dat de uilen vaak ook prooienvangen buiten het kilO1neterhok waar debraakballen verzameld zijn. Braakballenkunnen dus een overschatting van desoortensamenstelling van een kilonleterhoklaten zien. De soorten die metinloopvallen gevangen worden gevendaarentegen een minimum-beeld. Totslot zal een deel van de verschillen tussende twee 111ethoden veroorzaakt zijndoor prooivoorkeuren van uilen of verschillendegeschiktheid van de vangstmethodiekvoor de afzonderlijke kleinezoogdiersoorten. Het is dus niet eenduidigvast te stellen welke soorten algemeenvoorkoJnen. Wel is duidelijk datde huismuis niet algenleen is in denatuur en in het voedsel van de kerkuil.Vangen en pluizenIn figuur 3 wordt een indicatie gegevenvan de talrijkheid van elke soort, zoalsvastgesteld met elk van beide methoden.Hoe groter het aantal vangsten of prooienvan een soort is ten opzichte van hettotaal aantal vangsten of prooien, hoetalrijker de soort. Alle percentages perl11ethode opgeteld leveren dus 100% op.In de talrijkheid komt duidelijk heteffect van het vangen in moerassen naarvoren. Waterspitsmuis, aardmuis endwergmuis zijn veel talrijker in de vangstendan in de braakballen. Ook bosmuis


en rosse woelmuis worden veel vaker111et vallen gevangen dan in braakballenaangetroffen. Uilen jagen blijkbaar nietgraag in bossen en struwelen. De bosspitsmuizen,als groep, zijn even talrijkin de vangsten als in de braakballen.Vooral de huisspitsmuis en de veldmuiszijn erg belangrijk in het menu van deuilen.Uit deze bespreking blijkt dat hetmoeilijk is kwantitatieve uitspraken tedoen over de kleine zoogdierenfaunavan een regio. In de onlangs verschenenAtlas van de zoogdieren van Overijsselligt de nadruk dan ook bij de besprekingvan de verspreiding van de soorten.De Atlas'De Zoogdieren van Overijssel' is eindmaart 1999 verschenen. Voor de atlaszijn in opdracht van terreinbeheerdersniet alleen onderzoeken naar de verspreidingvan kleine zoogdieren uitgevoerd.Ook zijn enkele onderzoekengedaan naar het voorkOlnen en de verspreidingvan vleermuizen. De gegevensdie uit de onderzoeken voortkOlnen,zijn voor de provinciale atlas terbeschikking gesteld. Ook is in belangrijkenlate gebruik gemaakt van de gegevensdie reeds in het landelijke bestandaanwezig waren. De gegevens van deZoogdierwerkgroep Overijssel, die in devoorbije jaren zijn verzameld, wordenaan het landelijke bestand toegevoegd.De zoogdierwerkgroep heeft al doendeeen goed beeld kunnen schetsen vanNet als de huisspitsmuÎs wordt de huismuis vaker inbraakballen aangetroffen dan met vallen gevangen.Foto Rol/in Ver/indein de provincie aanwezige zoogdiersoorten,nlaar realiseert zich terdege, datvervolgonderzoek nodig zal zijn om dekennis van (nlet name de kleine) zoogdierennog verder uit te breiden. Metdeze uitgave staat het onderzoek in deprovincie Overijssel niet stil. -"riLiteratuurHaan, A., 1997. Bedreigde en karakteristiekezoogdieren in Overijssel: de Waterspitsmuis(Neomys fodiens) - Deventer, mei1997.La Haye, M. & A. Haan, 1998. Het voorkomenvan kleine zoogdieren in N oordwest­Overijssel en hun relaties met vegetatie enbeheer. VZZ-Mededeling 43.Zoogdierwerkgroep Overijssel, 1994. Verslagvan het muizenweekend van 16 Um 18 september1994DankwoordAnnelies van der Blij bedank ik voor het verzamelenen bewerken van de gegevens~ PietBergers voor zijn opbouwende commentaar.Inlic1:liingel1; ZoogdierwerkgroepOverijssel, t.a. v, Nico Driessenen Annelies van der Blij,Stationsweg 3, 8011 CZ Zwolle,038-4217166 (NL)


ZOOGDIER 1999 10 (I) 10Alexandra HaanIn 1997 heeft de VZZ een groot onderzoek uitgevoerdnaar het voorkomen van kleine zoogdieren in moerasgebiedenin Noordwest-Overijssel. In dit artikel kon1t deverspreiding aan de orde van de typische moerassoorten:waterspitsmuis Neomys fodiens, dwergmuis Micromysminutus en noordse woelmuis Microtus oeconon1US. Naastde twee grote laagveenmoerasgebieden, de Weerribbenen de Wieden, zijn ook de omliggende gebieden op deaanwezigheid van kleine zoogdieren bemonsterd. Hierbijwas de aandacht vooral gericht op het voorkomen van denoordse woelmuis. Deze soort is na 1971 niet meer vastgesteldin de regio. Door intensief te vangen in rietn10erassenlTIOest duidelijk worden of de noordse woeltnuisnog wel voorkomt in Noordwest-Overijssel.Woelratten laten zich niet zo gemakkelijk vangen metinloopvallen. Ook de kerkuil vangt ze niet zo vaak.Toch komen woelratten in Noordwest-Overijsselalgemeen voor. Foto Rol/in Ver/indeNaast de Weerribben en de Wieden,waar de vangstinspanning respectievelijk1908 en 2040 valnachten bedroeg, zijnook de volgende gebieden onderzocht:Olde Maten, Zwarte Water, ZwarteMeer~ Ketelmeer, Vogeleiland enVollenhovermeer (zie kaartje). Hier werdensteeds 120 valnachten 'gelnaakt',behalve langs de oevers van hetVollenhovermeer, waar de vangstînspannÎng200 valnachten bedroeg. In deWeerribben en de Wieden zijn allerleivegetatietypen bemonsterd, lTIaar in deF,I.ILHI.ILll.Il .. l zijn de vallen alleen in1.IF>L;H.L"'l''-'~ en ruigten geplaatst.OITI het veldwerk zo veelmogelijk vanglocaties te kunnen bemonsterenis gebruik gemaakt van deDwergmuizen zijn in de zomer moeilijkerte vangen dan in de andere seizoenen.Ze verblijven dan veel in de hogevegetatie en komen weinig op degrond. Foto Rollin Ver/inde


ZOOGDIER1999 10 (I)12Gebied valn. am bs rw bm dmWieden 2040 249 179 156 7 29Weerribben 1908 131 163 160 31 1Olde Maten 120 33 15 6 13 20Zwarte Water 120 18 23 1 20 5Zwarte Meer 120 31 15 0 12 10Vogeleiland 120 25 12 10 0 0Ketelmeer 120 0 B 0 10 12Vollenhovermeer 200 1 9 0 15 26Totaal 4748 488 424 333 108 103vm ws ds wr we hs49 26 17 3 1 07 27 15 2 2 02 4 1 0 1 00 3 0 0 0 01 0 0 0 0 011 1 0 0 0 024 0 0 0 0 10 0 0 0 0 094 61 33 5 4 1Tabel 1: Aantal vangsten per soort per gebied. valn:aantal val nachten, am; aardmuis, bs: bosspitsmuIs,rw: rosse woelmuis, bm: bosmuÎs, dm: dwergmuis,vm: veldmuis, ws: waterspitsmuis, ds: dwergspitsmuis,wr: woelrat, we: wezel, hs: huisspitsmuis.IBN-methode. In totaal werden metdeze methode 114 locaties onderzocht invijf weken tijd. Bij deze methode wordeninloopvallen twee aan twee in eenraai (vallenrij) van negentig meter lengtein het veld geplaatst. De vallenparenstaan op tien meter afstand van elkaar.Per vanglocatie controleert men deinloopvallen vier keer~ beginnend bijeen avondcontrole. Als aas is gebruikgelnaakt van appel, wortel en havernlOUt.Daarnaast worden alle vallen werdenvan droog hooi voorzien.Op de eerste vrijdag van het onderRzoek werden 120 inloopvallen in hetveld geplaatst. De lnaandag daaropvolgendwerden deze vallen op scherp gezeten de volgende 120 vallen voor een prebaitingperiodevan twee dagen in hetveld geplaatst. De op vrijdag uitgezettevallen werden woensdag voor het laatstgecontroleerd en weggehaald. De opmaandag uitgezette vallen werden opwoensdag op scherp gezet, ~s avondsvoor het eerst gecontroleerd en vrijdagweer uit het veld gehaald. De op woensdaguit het veld gehaalde inloopvallenwerden op vrijdag weer in het veldgeplaatst en maandag op scherp gezet envoor het eerst gecontroleerd. In totaalstonden er zo per week van vijf dagen240 vallen in het veld.De soortenIn totaal werden elf soorten kleine zoogdierengevangen: bosspitsmuîs SorexaraneLJs/coronatlls~ dwergspitsmuis Sorexminufus, waterspitsnluis, huisspitsmuisCrocidura russuIa, rosse woelmuis Clethriol1omysgIGJ'eolus, veldnluis MicrofusGJ1Ja/is, aardmuis Microfus agrestis, woelratAJ1Jicola terrestris, dwergmuis, bosmuisApodemus sylvaticus en wezelMustela niva/is.De Ineest algemene soorten in moerasgebiedenin Noordwest-Overijsselzijn de aardnluis, de bosspitsnluis en derosse woeilnuis (tabel 1). De bosspitsmuisis de enige soort die in alle achtonderzochte gebieden gevangen is. Deaardmuis werd het Ineest gevangen.Deze soort net als de bosmuis en dedwergmuis, in zeven gebieden gevangen.De rosse woeltnuis in vijf gebieden,net als de waterspitsmuis.Opvallend is dat de veldmuis in lneernloerasgebieden is aangetroffen dan dewaterspitsmuis. Woelrat en wezel zijnzeer weinig gevangen. De woelrat uitsluitenden de wezel voornalnelijk in deWieden en Weerribben. De huisspitsmuisis slechts eenmaal aangetroffen,aan de oevers van het Ketelmeer.Noordse woelmuisDe noordse woelmuis is de grote afwezigein het bovenstaande soortenlijstje.Ook de braakballen leverden geen aanwijzingenop voor het voorkomen vande noordse woelmuis (Bode lzie pagina5-9). De conclusie kan dan ook alleenll1aar zij n dat de noordse woelmuis inNoordwest-Overijssel is uitgestorven.WaterspitsmuisDe waterspitslnuis werd tijdens ditonderzoek vooral in de Weerribben enin de Wieden in redelijk hoge aantallengevangen. Met name zeer vochtigegebieden met een grote rijkdom aanplantensoorten lijken belangrijk te zijn,zoals de hoogwaterzone achter Giethoorn.In de Weerribben kent de waterspitsnluÎseen ruime verspreiding. Hij werdop 15 van de 46 vanglocaties aangetroffen.Opvallend was dat deRwaterspitsll1Uis in het noordoosten van deWeerribben vaak in behoorlijk hoge aantallenin de vallen aangetroffen werd.Ook in de Wieden konlt de waterspitsmuisin redelijk hoge aantallen voor. Desoort is er echter op wat minder locaties


ZOOGDIER1999 10 (I)aangetroffen dan in de Weerrib ben,namelijk op 9 van de 48 vangplekken. Inhet zuidwestelijke deel werd de waterspitsmuiszelfs helemaal niet gevangen.Buiten de Weerribben en de Wiedenlijkt de waterspitsnlllÎs ininder algeineen.Langs het Zwarte Meer, het Ketelmeeren het Vollenhovermeer werdde waterspitsilluis niet aangetroffen. Opde overige locaties waren de aantallenlaag.DwergmuisDe dwergmuis werd tijdens dit onderzoekslechts op een klein aantal locatiesgevangen. Het ging daarbij om (erg)lage aantallen. Waarschijnlijk vond hetveldwerk voor deze soort te vroeg in hetseizoen plaats. Dwergmuizen verblijvenhet grootste gedeelte van het jaar boveninde vegetatie, krijgen hun jongen invan gras gevlochten nestjes en kon1endan zelden of nooit op de grond. In hetnajaar, ongeveer vanaf eind septen1ber,verplaatsen de dieren zich naar deboden1, waar ze ook overwinteren. Zezijn dan ook vooral vanaf eind septen1-ber goed met inloopvallen te vangen.Dit werd gedeeltelijk bevestigd door dehogere aantallen op diverse locaties inde gebieden buiten de Weerribben ende Wieden, die nan1elijk in de laatsteweek (15 - 19 september) werden bemonsterd.Vijf locaties, waar in de eersteweek (15 - 19 augustus) geen dwergll1uizengevangen waren, werden in delaatste week nogmaals ben10nsterd. Opéén van deze locaties werden toeninderdaad alsnog dwergmuizen gevangen.De gebiedenDe Weerribben en de Wieden waren tijdensheL onderzoek met tien soortenhet meest soortenrijk, maar hier werdendan ook Ineer biotopen bemonsterd enveel meer valnachten gemaakt. Alleende huisspitsmuis is in beide gebiedenniet gevangen. Het Ineest algemeen inbeide laagveemnoerasgebieden zijn deaardmuis, de bosspitsl11uis en de rossewoelmuis. Ook de waterspitsn1uis kan inzowel de Weerribben als de Wiedenalgemeen genoe111d worden. De dwergspitsmuiswerd eveneens regelmatig inde vallen aangetroffen, net als de veldmuisen de dwergmuis. Minder regel­I11atig zijn de bosmuis, de woelrat en dewezel in de vallen gelopen.In de Olde Maten werden negen soortenin de inloopvallen aangetroffen.Gelet op de beperkte vangstinspanningDe bosmuis tref je bijna overal aan.Foto Rol/in Ver/indeis dit een zeer soortenrijk gebied.Algen1een in dit gebied zijn de aardmuis,de dwergmuis, de bosspitsmuis ende bosmuis. De dwergspitsmuis, dewaterspitsmuis, de rosse woelmuis, develdmuis en de wezel werden veel minderaangetroffen.De oeverlanden van het Zwarte Waterherbergen n1inimaal zes soorten kleinezoogdieren. Van deze zes soorten kunnende bosspitsn1uis, de bosmuis en deaardmuis algemeen genoemd worden.Slechts eenmaal werd een rosse woelmuisin de val aangetroffen. Ook dewaterspitslnuis en de dwergnlllÎs lijkenhier zeker niet algemeen te zijn.Langs heL Zwarte Meer, hetKetelmeer en op het Vogeleiland werdenvijf soorten gevangen. Langs hetZwarte Meer is de aardmuis de meestalgemene soort. Ook de bosspitsmuis,de bOSlnuis en de dwerglnuis werdenhier regeln1atig in de vallen aangetroffen.Langs het Keteln1eer zijn de veldmuis,de dwerglnuis en de bosmuisredelijk algemeen te noemen. De bos-


ZOOGDIER1999 10 (I)14Wieden en kleineSoort Weerribben gebiedenDwergspitsmuis 0,27 0,05Waterspitsmuis 0,30 0,15Rosse woelmuis 0,32 0,20Aardmuis 0,70 0,55Bosspits m u is 0,86 0,80Veldmuis 0,05 0,30Bosmuis 0,07 0,50Dwergmuis 0,09 0,70Tabel 2: Vangkans, dat is de kans om op één locatiemet 20 vallen de soort te vangen, van de verschîllendesoorten kleine zoogdieren in rietvegetaties.spitsmuis en lllet name de huisspitsmuiszijn hier veel zeldzamer. Op hetVogel eiland werd de waterspitsmuisslechts eenrllaal gevangen. De aardmuis,de bosspitsll1uis, de veldmuis en derosse woelmuis komen hier algemenervoor.In de oeverlanden van het Vollenhovermeer,tenslotte, werden slechtsvier kleine zoogdiersoorten in de vallenaangetroffen. De dwergll1uis is in ditgebied een algemene soort, net als debosmuÎs. De bosspitsmuis werd eveneensregelmatig in de vallen aangetroffen,maar niet zo vaak en ook niet inzulke hoge aantallen als bovenstaandetwee soorten. De aardmuis werd slechtseenmaal gevangen.Grote gebieden eu kleine gebiedenOp grond van deze resultaten kangeconcludeerd worden dat de Wiedenen de Weerribben een groter aantal kleinezoogdîerensoorten herbergen dan deandere, kleinere gebieden. Daarbij moetechter wel vermeld worden dat devangstinspanning in de Wieden en deWeerribben (vier weken) veel groter wasdan in de omliggende gebieden (éénweek).Als we de grote gebieden, Wieden enWeerribben enerzijds en de kleinereomliggende gebieden anderzijds, goedmet elkaar willen vergelijken, moetenwe ons in elk geval beperken tot de locatiesmet rietvegetaties (tabel 2). Danblijkt dat de dwergspitsnluis, en in lninderemate de waterspitsrlluis en de rossewoelmuis, veel vaker gevangen zijn inde grote gebieden. Dwergmuis, veldmuisen bosnlllÎs werden vaker in dekleine gebieden gevangen. Bij de dwergmuisheeft dit waarschijnlijk meer metde vangperiode dan met de werkelijkeaanwezigheid te maken. De bosmuis iseen soort die weinig eisen stelt aan zijnleefgebied. Hij kan daarom bijna overalaangetroffen worden. De grotere vangkansin de kleine gebieden heeft mogelijkte maken met de locatie van dezegebieden, die relatief geschikte plaatsenvormen in het verder monotone cultuurlandschap.Voor de veLdllluis geldt datdeze soort in de omgeving van de kleinegebieden meer (kwantitatief) en beter(kwalitatief) geschikt leefgebied vindtdan in de 'natte' Wieden en deWeerribben.MDe bosspitsmuis en de aardmuis hebben in de grote en de kleine gebiedenongeveer dezelfde vangkans. Het zijnsoorten die zich eenvoudig en snel in degebieden kunnen (her)vestigen~ omdatze n1Înder hoge eisen stellen aan hunhabitat. In zowel grote als kleine gebiedenvinden deze soorten voldoendevoedsel en goede leefomstandigheden.De Wieden en de Weerribben zijn groterin oppervlakte en beschikken overmeer geschikt habitat voor verschillendekleine zoogdîersoorten dan de anderegebieden. Veranderingen, in bijvoorbeeldbeheer kunnen hierdoor beteropgevangen worden. Immers, mochtende leefomstandigheden slechter worden,dan is er meer ruimte en geschikt habitatin de directe Olllgeving dan in de kleineregebieden. De kleinere gebiedenstaan in verhouding ook nog veel sterkeronder invloed van het omringende cultuurlandschapdan de grote Wieden enWeerribben.ConclusieDe moerasgebieden van Noordwest­Overijssel zijn rijk aan kleine zoogdieren.Helaas moet de noordse woelmuisvoor deze regio als verloren beschouwdworden. De waterspitslllUis en de dwergnluiszijn nog op veel plekken aangetroffen.Zij lijken nog geen gevaar te lopenom uit te sterven. De Weerribben en deWieden zijn de belangrijkste gebieden.Doordat deze gebieden zo groot zijn~zijn de soorten die er leven minderkwetsbaar voor uitsterven en komen erde ll1eeste soorten voor.-r'tLiteratuurLa Haye, M. & A. Haan, 1998. Het voorkomenvan kleine zoogdieren in Noordwest­Overijssel en hun relaties met vegetatie enbeheer. VZZ-Mededeling 43.Alexandra Haan, Scholierstraat 30,7415 SW Deventer, 0570~634394


ZOOGDIER 1999 10 (I) 15,Maurice La HayeBij de verspreiding van kleine zoogdieren spelen allerleifactoren een rol, zoals de oppervlakte, de bereikbaarheiden de 'kwaliteit' van gebieden. De kwaliteit van leefgebiedenwordt in belangrijke mate bepaald door hetgevoerde beheer. Onderzoek in De Wieden en deWeerribben toont aan dat de wijze van beheer groteinvloed kan hebben op het voorkomen en de aantallenvan (kritische) lnuizensoorten in natuurgebieden. Als wedie invloed kennen, kunnen we door beheersaanpassingengebieden meer of minder geschikt lnaken voorkleine zoogdieren.De aardmuis is het meest gebaat bij extensief vegetatiebeheer,zodat een ruige begroeiing ontstaat.Foto Ro//in Ver/indeBij de start van het onderzoek naar hetvoorkomen van kleine zoogdieren inNoordwest-Overijssel (La Haye & Haan,1998) was nog niet bekend op welken1anier de vegetatie van De Wieden ende Weerribben wordt beheerd. Tijdenseen bijeenkomst met de beheerders zijndan ook eerst de belangrijkste beheervormenÎn de terreinen op een rij gezet.Elf verschillende combinaties van beheerwerden onderscheiden. Vervolgensis de beheerders gevraagd voorstellen tedoen voor vangstlocaties. De voorwaardewas dat de locaties zo veel mogelijkverspreid moesten zijn over de moerasgebiedenen de daar voorkon1ende vegetaties.Uiteindelijk selecteerden wij 94locaties, waar vervolgens vallen werdengezet op de IBN-manier (zie Haan,1998). In tabel 1 staan de elf beheervorn1enopgesomd ll1et het aantal daarbijbehorendevanglocaties.Toegepast beheerMaaien en afvoeren van de vegetatiewordt als beheervorm het meest toegepast.Maaien en nabeweiden vindtslechts sporadisch plaats. In dat gevalwordt de vegetatie in het voorjaar


('geïnundeerd'). De waterstand wordt inde zon1er kunstmatig hoog gehouden,wat bevorderlijk is voor de groei van hetriet. In de winter wordt het waterpeillaag gehouden, zodat het riet gemakkelijkgemaaid kan worden. In het grootstedeel van De Wieden en de Weerribbenvindt echter geen bevloeiing plaats.Slechts op enkele plekken is er sprakevan jaarrond plas-drassituaties: trilvenen(in de Weerribben) en oeverzones.16In vegetaties die continu plas-dras zijn, zoals ditnatte rietland, komen water- en dwergspitsmuizenvoor. Foto Alexandra Haanaantalleheervorm frequentie bevloeiing locatiesnaaien 1 x per jaar altijd 8naaien 1x per 2 jaar altijd 6naaien 1 x per jaar zomer 8naaien 1 x per 2 jaar zomer 2naaien 2x per jaar geen 9naaien 1 x per jaar geen 19naaien 1x per 2 jaar geen 10naaien + nabeweiden 1x per jaar geen 5Jeweiden geen 7liets doen nooit zomer 61iets doen nooit geen 14Tabel 1. Overzicht van de verschillende combinatiesvan vegetatiebeheer in De Wieden en de Weerribben,en het daarbij behorende aantal vanglocatiesgemaaid, waarna schapen worden ingeschaarddie de vegetatie kort houden.Op enkele percelen vindt jaarrondbegrazing plaats, wat eveneens resulteertin een tamelijk korte vegetatie.Een beheer van nietsdoen betekent datgeen beheerwerkzaamheden worden uitgevoerd,waardoor de vegetatie verruigtof uit moerasbos bestaat. Deze beheers~vorm wordt algeineen toegepast.De intensiteit van het maaibeheerin beide moerasgebieden loopt uiteen.Sommige percelen werden nooit gemaaid,andere extensief (eenmaal pertwee jaar), intensief (eenmaal per jaar)of zeer intensief (tweemaal per jaar).Ten behoeve van de rietteelt worden,vooral in de Weerribben, sommigedelen van het moerasgebied bevloeidStatistiekHet uitwerken van de vangstresultatenbleek een complexe bezigheid. Somn1igebeheermogeIijkheden kwamen vaaksamen voor. Zo is de beheersvorm van'nietsdoen' uiteraard sterk gekoppeldaan een beheerfrequentie van 'nooit'.Hierom is de analyse uitgevoerd metenkelvoudige lineaire regressie van dedrie 'beheervariabelen' A, B en C.A nietsdoen, maaien, maaien plusnabeweiden en beweiden. B = nooit,extensief, intensief en zeer intensief.C = geen bevloeiing, zomerbevloeiing,altijd plas-dras. Voor elke beheervariabeieis bepaald of die een significant effecthad op het voorkomen (percentage vande locaties waar de soort aanwezig was)ent of het aantal vangsten van de soort.Alleen de acht meest algemene kleinezoogdiersoorten zijn in de analyses lneegenomen.VegetatiebeheerIn figuur 1 is het effect van het vegetatiebeheerop de aanwezigheid en de aantallenweergegeven van de soorten diesignificant beïnvloed worden door hetbeheer. Dat zijn bosspitsmuis Sorex araneus,waterspitsmuis Neomys fodiens,rosse woelnluis Clethrionomys glareolus,dwergmuîs Micromys minutus en bos~muis Apodemus sylvaticus. De anderesoorten, dwergspitslnuis Sorex minutus,aardmuis Microtus agrestis en veldn1uisMicrotus aJ1Ja lis , worden niet significantbeïnvloed door het beheer en zijn nÎetweergegeven in figuur 1 (zie: La Haye &Haan, 1998).Een beheer van 'niets doen' blijkt hetIneest gunstig voor de aanwezigheid vankleine zoogdieren. Opvallend is datde bosspitsmuis qua aanwezigheid welwordt beïnvloed door het beheer, maardat de gevangen aantallen niet beïnvloedworden. Voor de dwergmuis geldt hetOlngekeerde.Maaien zorgt voor een drastische afnamevan de aanwezigheid en aantallenvan kleine zoogdieren ten opzichte van


ZOOGDIER1999 10 (I)17aantal vangsten% locaties waar soort aanwezig12108642o\\\\ I\\rw\\'"bsws~'"bm ..... ., ........ :::- "::::::~L .........10080604020o"""- \\ ~... \,, , rw~WS' , \"\\\',\ ............."-'\~"bni,~ ""'-'-- ,2 4Beheervorm: 1 = nietsdoen; 2maaien; 3 = maaien en nabeweiden; 4 = beweiden10 -,-----,------,-----,-------, 1008\~\-~---+----+--~ 80rw\6 +-----~------~----~----~ 604 +------;~----+---~~------I 402 +---~~--4---+;~--~obm _.\. _ - "" ........:"-.: ",.. ~ ~ _.dm '-. _._'.20.....dITf' "-, ,~m04 4Intensiteit: 1 ::::: nooit; 2 == extensief; 3 0::: intensief; 4 = zeer intensief10 70 ~------~--------~--------86Ol.'\\60 -t----->,,----+--------l----------l50 -I----I\-~--+-----__+---__l42o\\ -...._ws- . f-.- ..::-."":" -'T"'=o-;:-• .. - dS·. -- '"30 +----~__\,.._._-____J~--______!20 +----~,___-Î-__J.._--______!10 +-----4-----__J..---______!2 2Bevloeien: 1 niet; 2 = 's zomers; 3 altijd plas-drasFiguur 1. Invloed van het vegetatiebeheer op het aantal gevangen kleine zoogdieren (linker-grafieken)en het percentage locatÎes waar de soort aanwezig was (rechter-grafieken).Van boven naar beneden: beheervorm, intensiteit en bevloeing. Alleen de soorten die significantwerden beïnvloed zijn weergegeven.


[8soorten zijn gebaat bij een lage intensiteitvan beheer, nlaar moerasbos (methet meest extensieve beheer) is duidelijksuboptimaaLDe dwergspitsmuis is het meest gebaat bij plasdrassituaties of een natuurlijk peilbeheer. FotoRollin Verlindenietsdoen. Bij maaien en nabeweidenkomt zelfs een aantal soorten niet lneervoor. Op plekken waar beweiding plaatsvindt,is het aantal gevangen soortenerg laag.IntensiteitEen lage frequentie van maaien isgunstig voor de rosse woelmuis en debOS111Uis, terwijl de aardinuis en debosspitsmuis meer zijn bij eenextensief beheer. De aanwezigheidvan de rosse woelmuis en de bosmuis,bij een lagevan lnaaien,hangt dÎrect samen lnet het vegetatîetypemoerasbos, waarin immers nooitgemaaid wordt. Dat verklaart ook depiek van de aardlnuÎs en de bosspitsmuisbij een extensief beheer. BeideDe beheersintensiteit neemt af van grasland, via rietruigtenaar moerasbos. Van de drie woelmuÎssortenheeft de veldmuis een voorkeur voor het grasland,de aardmuÎs voor de ruigte en de rosse woelmuisvoor het bos. Foto Alexandra HaanBevloeiingUit figuur 1 blijkt duidelijk dat zomerbevloeiingslecht is voor kleine zoogdieren.Zowel de waterspitsmuis, de dwergspitsmuisals de rosse woelmuis komen indat minder vaak voor dan bij 'geenbevloeiing' of 'altijd plas-dras', Zomerbevloeiingis compleet tegengesteld aande natuurlijke schommelingen in dewaterstand, waarbij het waterpeil 's winterstot aan het maaiveld staat en's zomers zakt tot onder het maaiveld.SamengevatVoor bijna alle soorten lnaakt het nietuit of je kijkt naar hun aanwezigheid ofnaar hun aantallen, als het gaat om hunreactie op het beheer. Een lagere aanwezigheidbij een bepaald type vanbeheer betekent büna altijd ook lagereaantallen.Een beheer van niets doen is gunstigvoor de kleine zoogdierenfauna. In lnoerasbosen komen veel soortenvoor. Begrazing is slecht voor kleinezoogdieren, onldat dekortwordt afgebeten en looppaadjes en holletjesworden dichtgetrapt.Extensief beheer leidt tot een structuurrijkevegetatie. Hoe extensÎever hetbeheer, hoe beter dat lijkt te zijn voor dekleine zoogdieren. Als er echter helemaainiets gedaan wordt, groeien grasenrietvegetaties dicht nlet bonlen enstruiken en veranderen ze in 1110erasbos.Dat is alleen gunstig voor de rosse woelmuisen de bosmuÎs.Het 's zomers bevloeien van terreindelenis ongunstig voor kleine zoogdieren.De kleine zoogdierenfauna vanmoerassen is het nleest gebaat bij plasdrassituatiesof bij een natuurlijk waterpeilbeheerCs zomers laag, 's wintershoog). ~LiteratuurHaan, A., 1998. De verspreiding van kleinezoogdieren in moerasgebieden inNoordwest Overijssel. Zoogdier 10(1):10-14.La Haye, M. & A. Haan, 1998. Het voorkomenvan kleine zoogdieren in Noorclwest­Overijssel en hun relaties met vegetatie enbeheer. VZZ-Mededeling 43.Maurice La Haye, VZZ, OudeKraan 8,6811 LJ Arnhem.E-mail: zoogdier@bigfoot.com


Het grote probleem bij een inventarisatieis altijd het niet vangen van soorten.Hierbij rijzen vragen op als: is een soorttijdens het vangen gemist doordat er tekort gevangen is, is in de verkeerdevegetatietypen gevangen of is de soortinderdaad niet aanwezig in een gebied?Inlmers, de kleine zoogdierenfaulla vaneen gebied kan jaarlijks sterk fluctueren,waardoor het erg onwaarschijnlijk is datbij een eenmalige inventarisatie een voloZOOGDIER 1999 10 (I) 19Maurice La Haye & Piet J.M. BergersHet vangen van muizen is meestal bedoeld OITI te wetente komen welke soorten in een gebied rondlopen. Slechtszelden betreft het populatieonderzoek waarbij men ooknaar aantallen of dichtheden kijkt. Muizenonderzoekkost veel tijd en inspanning en vergt de nodige fysiekeinspanning van de onderzoeker. Voor de muizen zelf ishet vangen ook niet zonder risico. Bij slechte weersomstandighedenkan de sterfte in de vallen flink oplopen.Het is daarom, zowel voor de onderzoeker als voor demuizen, van belang dat een inventarisatie zo kort mogelijkduurt. In Zoogdier werd al eens beschreven hoe hetvangen van muizen een stuk efficiënter kan (Bergers,1997a). Deze 'IBN-methode' is in 1997 met succes toegepasttijdens een VZZ-onderzoek in De Wieden en Weerribbenin Noordwest-Overijssel (La Haye & Haan, 1998).De veldmuis is moeilijk vast te stellen in moerasgebieden,daarvoor moeten veel vallen worden uitgezet.Foto Rol/in Verlindeledig beeld wordt verkregen (Bergers,1997b). In dit artikel wordt aangegevenhoe lnet een zo klein mogelijke inspanningtoch 95% zekerheid verkregen kanworden over de aan- of afwezigheid vaneen soort in een gebied.SoortensamenstellingHet VZZ-onderzoek În De Wieden enWeerribben was gericht op de verspreidingvan de noordse woelmuis, dewaterspitsmuis en de dwergmuis, alslne-


De waterspitsmuis komt niet overal voor waargeschikt habitat aanwezig is. Zo ontbreekt hij ingrote delen van de Weerribben. Foto Rollin Verlindede hun relaties met vegetatie en beheer.Daarvoor zijn op 94 locaties rijen (raaien)van 10 x 2 lifetraps geplaatst. VoorafFiguur 1. Relatieve vangstpercentages van de soortenper vegetatietype. De bosspitsmuis bijvoorbeeldmaakt in alle vegetatietypen een ongeveer evengroot deel uit van de totale populatie aan kleinezoogdieren.111bmgrasland droog rietland nal r,etland ruigte moerasbosdmdsvmwsrwambsis nagegaan welke vegetatie aanwezigwas en welk beheer werd gevoerd. Deligging van de raaien was zo gekozen datlocaties In et een overeenkonlstige vegetatieen beheer verspreid door de tweemoerasgebieden lagen.Gedurende vier weken zijn 7496 valcontrolesuitgevoerd, waarbij 1255 keereen klein zoogdier is gevangen. In totaalzijn 10 soorten gevangen. In volgordevan aflopend aantal waarnemingen (eenwaarneilling is de aanwezigheid van eensoort in een raai): bosspitsmuîs Sorexaraneus, aardn1uis Micro/us agres/is,rosse woelmuis Clethriol1omys glG/'eolus,waterspitsmuis Neomys fodiens, dwergspitsmuisSorex minutus, veldmuisMicroftls al1Jalis, bosmuis Apodemus sylvaficlls,dwergmuis Micromys minuflls,woelrat Arvicola terresfris en wezelMusfela nivalis. Aan de laatste tweesoorten wordt hier verder geen aandachtbesteed, omdat ze te weinig gevangenwerden.De kans om een soort in een raai opeen bepaalde plek te vangen is afhankelijkvan de soort en de vegetatie. Deprocentuele verdeling van de waarnemingenvan de verschillende soortenover de vegetatietypen (figuur 1) laat bij-


1 I'i1--;-- ; ':!:!ZOOGDIER1999 10 (I)21voorbeeld zien dat een relatief schaarsesoort als de veldmuis, het meest in graslandwordt gevangen. De algemenerosse woelmuis wordt het meest aangetroffenin moerasbos, terwijl men debosspitsmuis in alle vegetatîetypen ongeveereven vaak aantreft. Bijna iederesoort heeft in meer of mindere mate eenvoorkeur voor (of aflceer van) bepaaldevegetatietypen.9 -, -- ---Moerasbos8 i7 : , ; 1 I' ,"-" """'-rr: Htrf1 Lil4 -"'(I -T- !3 i 1-.-- : !i ! i !2 ' ' I 'I ' ,o _________ L~ __.:. ___ ;----,-----i9876-54-321--- - 0VangstinspallningPer vegetatîetype is een grafiek gemaaktvan de inspanning die nodig is om deaanwezige soorten vast te kunnen stellen(figuur 2). Dit is op drie manierengedaan. De gemiddelde lijn is het gemiddeldaantal soorten dat gevangen isbij een inspanning van minimaal ééntot maximaal dertig raaien. De gemiddeldenzijn de basis voor de verderebespreking. De minimum- en maximumlijnenworden gevonden als de raaien opde meest ongunstige of de meest gunstigewijze achtereenvolgens zouden zijnbemonsterd. Deze lijnen geven inzichtin de spreiding in de inspanning diegeleverd moet worden.Het aantal algemene soorten dal isaangetroffen varieert van zes in graslanden nat rietland, tot acht in droog rietland.De hoeveelheid raaien die nodig isom alle soorten in een vegetatietype aante tonen, varieert enonn. In nat rietland,moerasbos en ruigte zijn alle soortenaangetoond bij een inspanning van 7raaien, n1aar hierbij n10et worden aangetekenddat in ruigte niet meer dan7 raaien werden onderzocht; mogelijk ishet aantal aanwezige soorten daardooronderschat. In grasland lnoeten 19 raaienen in droog rietland zelfs 23 raaienbemonsterd worden voordat, gemiddeldgenomen, alle soorten vastgesteld zijn.Zekerheid?De inspanning waarmee het hele spectrumaan soorten kan worden aangetoond,verschilt per vegetatietype. Dit987! --6 -!--: Ilj-~j5 1'--: i)otÎ--' ,4 )~L! i3 i Ri '2Ruigte1 ' "o _L.~____ L _______ -987 ----max min -- D- gemi max-Nat rietland6 "' ..--,......-T.. rrl ..'..5 :1 I}·H1 i H-i ··1~ ! '1'1- -:----:--1--'--.1 12:-! :1,i I; i1 ; , ,I! 1':-: ,o - j I ,min -8- gem: max min .. gem---- 987-6-5-432- 1o987- - ----- - 6,5-4,3-1 2I: 19 Droog rietland - - -- --------- ----- ------- 98 . ! I l-l'T~--1 ; ~J ( , '-··--·:;r~T·'''·''f"')''T·,..-8: J--I ! ! ,77 - -1- l ! ~L. ~L!,rrrt4N ~ 1 1: i, I '!1'~ 1 jj I4 "-",,l:j,,"/· ,j ,I! ~! ; : I,I1I i: 1 1 11 (; 1 L; 13 : .. 1 1 I -; 1 J ,', 1 I:,0i 632 i!! I! I, I· I 'I i 2~ L __)_ I, 1 ___________ .__ !'_______ i , t, _l_~,_~_=] max I min --.,- gemFiguur 2. De benodigde inspanning (=het aantal raaien) om de aanwezigheidvan soorten vast te stellen in elk vegetatietype.De lijn met blokjes geeft hetgemiddeld aantal gevangen soortenweer, bij een van links naar rechtsopklimmend aantal raaien. De onderzijdevan de grijze blokken geeft het aantalsoorten dat gevangen wordt bij demeest ongunstige volgorde van onderzochteraaien, de bovenzijde van degrijze blokken het aantal bij de meestgunstige volgorde.987654321oGrasland98JTrlTTl--1~5T~0h~/'rrT~I~rl"I-'6:----1 max :---- ! min -. gem75,4'- 3-2'- 0


ZOOGDIER1999 10 (I)22soort vm dm bm rwmoerasbos 0,92 1,00 0,54 0,80ruigte 1,00 0,57 0,71 0,57nat rietland 1,00 0,93 1,00 0,64droog rietland 0,93 0,93 0,90 0,73grasland 0,70 0,90 1,00 0,97ws ds am bs0,62 0,69 0,54 0,000,14 0,86 0,43 0,140,57 0,57 0,43 0,290,73 0,03 0,27 0,071,00 0,90 0,73 0,67Tabel 1. Miskans per soort per raai per vegetatietypegeldt ook voor de inspanning waanneede afzonderlijke soorten met zekerheidkunnen worden gevangen (tabel 1).'Zekerheid' definiëren we daarbij als eenkans van maxÎ1naal 5 % onl een soort diewel aanwezig is, toch te missen. Om dieinspanning zichtbaar te maken is pervegetatietype de presentie berekend. Ditis het percentage van de raaien waarineen soort gevangen is. Zo heeft de veldmuiseen presentie van 30% in grasland.De kans dat de veldmuis in één grasland-raaigevangen wordt is dus 0,3. Dekans dat de veldmuis niet gevangenwordt (de miskans) is dan 0,7. Wanneertwee raaien in grasland bemonsterd wordenis de miskans 0,7 x 0,7 0,49.Hieruit volgt dat de veldmuis pas 'zeker'aangetoond wordt wanneer negen raaienin grasland bemonsterd worden. De111iskans is dan 0,7 9 0,04.Onl de dwergmuis en de dwergspitsmuishet snelst aan te tonen zijn zesraaien in ruigte, respectievelijk nat rietland,nodig. De bosmuis wordt 'zeker'aangetoond als vijf raaien in moerasbosbelnonsterd worden. Met drie raaien inruigte kan de aardmuis aangetoond wor-Als moerasgebieden (intensief) beweid worden,blijft er weinig ruimte over voor kleine zoogdieren;de vegetatie wordt te kort en de holletjes wordendichtgetrapt. Foto Alexandra Haanden. Voor de waterspitsmuis (ruigte) ende rosse woelmuis (lnoerasbos) zijnslechts twee raaien nodig. Het allersnelste,ten slotte, kan de bosspitslnuis aangetoondworden: één raai in moerasbosis al genoeg.Wat is nu de meest efficiënte manierom in een groot heterogeen gebied alsDe Wieden en Weerribben alle soortenmet zekerheid vast te stellen? Het blijktdat minÎlnaal 16 raaien bemonsterdmoeten worden Oln alle acht soortenmet 95% zekerheid vast te stellen. Dehelft van deze raaien moet in graslandgeplaatst worden. Vier raaien in ruigte,drie in moerasbos en één in nat rietland.Deze verdeling wordt VOOr11aIllelijk bepaalddoor de soorten die het moeilijkstte vangen zijn. Voor de veldmuis 1110etin grasland en nl0erasbos gevangen worden.De dwergnluis vindt men in ruigteen de dwergspitsmuis in nat rietland.Ruimtelijke aspectenHet minimum aantal raaien dat nodig ison1 alle soorten aan te treffen is nubekend. Maar kunnen die raaien bijelkaar neergezet worden of moeten zeover het gebied verspreid worden?Bergers (1997b) geeft inlmers aan dat werekenjng 1110eten houden met de ruimtelijkedynamiek van kleine zoogdieren.La Haye & Haan (1998) hebben DeWieden en Weerribben verdeeld in achteven grote deelgebieden. In ieder deelgebiedis ongeveer hetzelfde aantal raaienbenlonsterd, verdeeld over ongeveerdezelfde combinaties van vegetatietypen.Toch zijn niet alle soorten in alle deelgebiedengevangen. Met de kennis die wenu hebben kunnen we vaststellen of hetontbreken van een soort in een deelgebiedte wijten is aan een te kleine inspanningof dat de soort er echt nietaanwezig is. Daartoe is per deelgebieduitgerekend wat de miskans is van deverschillende soorten (tabel 2).Volgens onze definitie moet een aanwezigesoort gevangen worden als demiskans kleiner is dan 5%. Dat is inderdaadbijna altijd het geval (tabel 2).


0,02ZOOGDIER1999 10 (I)Alleen de waterspitsmuis en de dwergspitsmuisin repectievelijk deelgebied 7en 2 zijn niet gevangen, terwijl dat opbasis van de aantallen raaien in deverschillende vegetatietypen wel te verwachtenwas. Deze soorten zullen waarschijnlijkniet in deze deelgebiedenvoorkOlnen. Hieruit volgt dat het noodzakelijkis om de raaien niet bij elkaarte plaatsen, nlaar over een gebied teverspreiden.KanttekeningenDe in dit artikel gepresenteerde cijferszijn gebaseerd op de vangsten in eenspecifiek (Inoeras)gebied, in één jaarmet bepaalde dichtheden. De gevondenresultaten (nliskansen) zijn dan ookzeker niet van toepassing op alle Nederlandsekleine zoogdieren onder alleomstandigheden. In De Wieden enWeerribben komt bijvoorbeeld denoordse woelmuis Microtus oeCOl1omusniet voor. Dit is een typische bewonervan natte riethabitats. Door het ontbrekenvan de noordse woelmuis in DeWieden en Weerribben is het, in onsvoorbeeld, niet efficiënt onl (ook) innatte riethabitats raaien te plaatsen. Inandere (moeras)gebieden, waar denoordse woelmuis wel voorkon1t, zalhet juist wel efficiënt zijn onl raaien innat rietland te plaatsen.Naannate lneer gegevens beschikbaarkonlen over de nliskansen van soortenin verschillende vegetatietypen onderverschillende omstandigheden, kan nlensteeds beter inschatten hoeveel raaiennodig zijn om de aan- of afwezigheidvan een soort in een gebied nlet zekerheidvast te stellen. Zowel onderzoekersals muizen zijn daarbij gebaat!De hier gepresenteerde methode lijktAls het vegetatiebeheer in moerasgebieden bestaatuit 'nietsdoeni, ontstaat er vrij snel bos, via eentussenstadium van ruigte. Eerst gunstig voor deaardmuis, later voor de rosse woelmuÎs. FotoAlexandra Haanons een stap voorwaarts in het kleinezoogdierenonderzoek. IInnlers, op dezewijze wordt het beter nl0gelijk om aante geven welke soorten in een gebiedontbreken. Een eerste toets van demethode hebben we uitgevoerd lnet degegevens van Cornelissen et al. (1997),die onderzoek deden in het Oostvaardersplassengebied.Op basis van de doorhen geleverde inspanning van 12 raaienin grasland en 6 raaien in droog rietland,zouden ze in grasland aardnluis, veldmuisen bosspitsmuis moeten hebbenTabel 2. De miskans per soort in acht gevarieerdedeelgebieden. Voor het bepalen van de miskans ineen deelgebied is gebruik gemaakt van de vangkansenzoals die bepaald zijn in de andere zeven deelgebieden.wit vakje = soort is afwezig,grijs vakje == soort is aanwezigvm dm bmrwws ds ambs1 0,38 0,11 0,250,000,00 0,03 0,000,002 0,27 0,09 0,030,000,01I0)000,003 0,20 0,37 0,420,000,06 0,04 0,000,004 0,17 0,19 0,060,080,01 0,07 0,000,005 0,13 0,15 0,410,020,01 0,01 0,000,006 0,15 0,33 0,110,000,00 0,13 0,000,007 0,00 0,00 0,000,000,00 0,00 0,000,008 0,17 0,32 0,140,000,02 0,05 0,000)00


ZOOGDIER 1999 10 (I) 25FORUDennis WansinkDe inventarisaties van Maurice La Haye en Alexandra Haanen van de Zoogdierenwerkgroep Overijssel hebben duidelijkge/naakt dat de noordse woelmuis niet meer in Noordwest­Overijssel voorkolnt (La Haye & Haan, 1998; Bode e.a.,1999). Samen ]net de resultaten van de inventarisaties inFriesland (Ma rten s, 1995; Mulder & Dirks, 1995) levert diteen tamelijk negatief beeld op van de verspreiding van denoordse woebnuis ten oosten van het Ijsselmeer. In de negentigerjaren zijn alleen langs de Friese Ijsselmeer-kust, deFriese meren en in de Oude Venen noordse woelmuizen aangetroffen.Een achteruitgang van 44% ten opzichte van deperiode 1946-1969, terwijl de landelijke achteruitgang tussenbeide perioden 24% bedroeg (Bergers & La Haye, 1997).Als het zo doorgaat dan is er i/1 de volgendeeeuw geen sprake meer van eenduurzame populatie noordse woelmuizenten oosten van het Ijsselmeer. De populatiesop Texel, in het DeltagebÎed en inDe noordse woelmuis is helaas uitgestorven inNoordwest-Overijssel. Het lijkt uitgesloten dat hij uitzichzelf terug kan komen. Alleen herintroductie biedtuitkomst. Foto Rol/in Ver/indehef Noordho/landse en Zuidhollands­Utrechtse laagveengebied z{jn dan nog deenige bestaande populaties van MicrotusoeconOl11l1S arenicola in de wereld. OverÎgensis ook de situatie van de populatie inhet Zuidho/lands-Utrechtse laagveengebiedpenibel. Maatregelen op korte term{jnzUn dringend gewenst.TUdens hun veldwerk was La Haye enHaan opgevallen, dat er terreinen inNoordwest-OverUssel waren die ogensch{jn/Ukvoldeden aan de habitateisenvan de noordse woelmuis, maar WOOf desoort niet voorkwam. Het lvaren terreinendie regelmatig plas-dras stonden en waarde belangrUke concurrenten van de noordsellloe/muis (de aard- en de veldmuis)ontbraken. ZU vermoedden dat er in hetverleden een situatie is geweest waarin deleefomstandigheden voor de noordse woelmuistüdelUk ongunstig waren. Omdat depopulatie in Noordwest-Over{jssel waarsch{jnl(jknooit echt groot is geweest, konz(j deze ongunstige periode niet overbrug-


26Noordse woelmuis Foto Rol/in Verlindegen en stie/.luit. Door het ontbreken vanpopulaties in de directe omgeving (dedichtstbijzijnde le


ZOOGDIER 1999 10 (I) 27Addy de JonghOp 14 september 1998 werd herdacht dat precies tien jaargeleden de 'laatste' otter van Nederland overreden werdop de autosnelweg bij Langweer in Friesland. In die tienjaar is er heel wat gebeurd alTI de otter zijn rentree telaten maken in het Nederlandse zoetwatermilieu. Overéén of twee j aar lijkt het zover te zijn dat er weer sporenvan otters gevonden kunnen worden in Noordwest­Overijssel en Zuid-Friesland.De otter komt sÎnds 1988 niet meer in Nederlandvoor. Foto Niall BenvÎeDe otter Lutra lutra heeft het inNederland niet gemakkelijk gehad.Sinds mensenheugenis werd het diervervolgd vanwege de prachtige pels ende 'roverij' van vis. De grote jachtdruk,gecon1bineerd lnet de strenge wintersvan toen, werd de otterpopulatie gedurendede Tweede Wereldoorlog bijnafataal. Dankzij een ingesteld jachtverbodwist de otter ternauwernood aanuitsterven te ontsnappen. Tot aan dejaren zestig leek de populatie zich weerenigszins te herstellen, maar vervolgenskreeg ze opnieuw grote klappen te ver~duren als gevolg van de grootschaligeaantasting van de leefgebieden. Eensterke afname van het areaal nattenatuur, uitkleding en versnippering vanhet landschap, verarming van oeverstructuren~toename van het verkeer,verdrinking in fuiken en watervervuiling(onder andere met PCB's) resulteerdenuiteindelijk in 1988 in het uitsterven vande soort. In de andere geïndustrialiseerdelanden bespeurde men eenzelfdetendens. Rond 1988 trof men in West­Europa alleen nog in de randen florerendeotterpopulaties aan.Herstelplan001 deze tendens een halt toe te roepenen om te buigen in de richting vanll1ilieuherste1, behoud van de nogbestaande natte natuur, en ontwikkelingvan nieuwe natte natuurgebieden, werdin 1985 de Stichting OtterstationNederland (SON) opgericht. De otterwerd en wordt nog steeds als concreet


ZOOGDIER1999 10 (I)28uitgangspunt genomen voor de werkzaan1hedenvan de SON. In de loop derjaren heeft deze marterachtige hetpredikaat 'Anlbassadeur van het zoetwatermilieu'verworven. Het idee dat alsnatuurgebieden weer geschikt zijn voorde otter, dit ook ten komt aanveel andere organismen. De SON is erde afgelopen dertien jaar in geslaagdheel wat aandacht te verkrijgen voor deproblematiek van de otter.Na het uitsterven van de otter leek heter even op dat de ontwikkeling van eensoortbeschermingsplan voor deze diersoortstopte, n1aa1' na een stevige lobbyzag het plan met een andere benamingalsnog het levenslicht: 'HerstelplanLeefgebieden Otter'. Het Rijk daarll1eeaan er alles aan te zullen doen 0111de schande van het uitsterven weg tewissen en door een gerichte aanpak desoort weer terug te brengen in deNederlandse natuur. Daarna dook deotter op in diverse andere rijksnota's,zoals de Derde Nota Waterhuishouding.De terugkeer van de otter werd ook voorde rijksoverheid een belangrijk streefbeeld.In de tussentijd wist de SON hetOtterpark 'Aqualutra' te realiseren, vlakbijLeeuwarden. Een voormalig openluchtzwembadconlplexwerd on1getoverdin een prachtig natuur- en mîlieueducatiefpark met de otter in de hoofdrol.Men kan de otter zowel boven alsonder water bewonderen. Naast de otterzijn er vele andere dieren en planten uithet zoetwatermilieu te aanschouwen,zoals vlinders, ooievaars, bevers, Amerikaansenertsen, bunzingen, watervogels,alle inheemse amfibieën en deringslang. Er wordt nu gewerkt aanverblijven voor aalscholvers, Europesenertsen, reeën, oeverzwaluwen en vleer-In het Otterpark 'Aqualutra' worden otters gehoudenen gefokt. Foto A. Geurtsenmuizen. Tijdens de vele voedertijdenwordt er allerlei informatie verschaft aanhet publiek. Sinds de opening in 1994hebben meer dan 300.000 bezoekers hetpark bezocht.Op een afgelegen gedeelte van hetterrein heeft Aqua]utra een fokcentrumvoor otters gerealiseerd. Dit gedeelte isniet toegankelijk voor het publiek. Defokresultaten zijn goed. In 1996 werd deSON tijdens een congres in Frankrijkverkozen tot de nieuwe stamboekhoudervoor de otter.OtterwerkgroepenOfschoon het Otterpark een belangrijkeactiviteit van de SON is geworden, is hetslechts een middel. Belangrijker zijn allewerkzaamheden die zich richten op deverbetering van ons zoetwatermilieu.In de loop der jaren zijn in bijna alle provinciesdie beschikken over potentiëleotterleefgebîeden, regionale otterwerkgroepenopgericht. Deze werkgroepenbestaan veelal uit een samenwerkingsverbandvan particuliere organisatiesen overheidsinstanties. De werkgroepenhebben zich heel pragmatisch en effectiefgericht op het verrichten van onderzoek,het voorstellen van maatregelenen 50n18 ook op het verkrijgen van financiëlen1iddelen daarvoor. Hun werk leiddeop een aantal plaatsen veel snellerdan gedacht tot lnooie resultaten, zoalswaterkwalîteitsverbetering en veiligepassages.HerintroductieEnkele jaren geleden werd op initiatiefvan het Ministerie van Landbouw,Natuurbeheer en Visserij (LNV) deWerkgroep Herintroductie Otter opgericht.De werkgroep onderzoekt of er opkorte termijn kan worden overgegaan tothet uitzetten van otters in diverse provincies.In overleg met de provincialeotterwerkgroepen heeft men vastgesteldwelke provincies in aanmerking zoudenkomen voor herintroductie van otters.Op de korte termijn bleken er alleen1110gelijkheden te zijn in Midden-Friesland(Oude Venen, de Deelen,Terkaplester Poelen en Snekenneer)en in Zuid-Friesland plus Noordwest­Overijssel (Lindevallei, Rottige Meenthe,Wieden en Weerribben). De StichtingOtterstation Nederland kreeg vanLNV de opdracht Oln door een literatuur-en haalbaarheidsonderzoek na tegaan of, en zo ja welke van deze gebiedengeschikt zouden zijn voor herintroductie.


ZOOGDIER1999 10 (I)Uit onderzoek in samenwerking metde Landbouw Universiteit Wageningen,Vakgroep Ecotoxicologie, en de VrijeMUniversiteit~ Instituut voor Milieuvraagstukken~ bleek dat de waterkwaliteitin deze gebieden niet langer meereen belemmering vormde voor deterugkeer van de otter. Met enkele buitenlandseonderzoekers die ervaringhebben met herintroducties van otiersen andere zoogdieren, werd contactgelegd. Van grote betekenis was hetbezoek aan het Zweedse herintroductieproject.In Zweden is de onderzoekerThomas Sjöàsen er met succes ingeslaagd bijna vijftig otters uit te zettenin een groot merengebied ten zuidwestenvan Stockho]nl. Sjöasen heeft deIUCN-richtlijnen voor herintroductieals uitgangspunt genomen en zowelwildvang als gefokte otters uitgezet. Inhet begin van het project hadden degefokte dieren een beduidend lagereoverleving dan de in het wild gevangendieren, nlaar nadat de procedure vanscheiding van de jonge otters van hunmoeder was gewijzigd (ze werden nudirect na het spenen van haar gescheiden,zoals dat in de natuur ook gaat),vertoonden de gefokte otters een evenhoge overlevingskans als de wildvangotters.Levensvatbare populatieEen beslissende rol in het haalbaarheidsonderzoekspeelde de zogenaamdePopulatiol1 Viability Analysis. Dit is eenmodel-studie naar de populatie-dynamischefactoren die van belang zijn voorhet zelfstandig kunnen overleven vaneen populatie otters. Uit het onderzoekkwam naar voren dat er voor een levensvatbarepopulatie tenluinste 40 dierennodig zijn en ongeveer 6.250 ha nlÎn oflueer aaneengesloten leefgebied, bijvoorbeeldvoormalige verveningsgebiedenzoals de Weerribben en Wieden. Deverbindingen tussen deelgebieden heb~ben een belangrijke invloed op de overlevingvan de populatie. Een anderebelangrijke conclusie van het onderzoekwas dat het uitzetten van otters zinloosis als de 'natte' Ecologische HoofdStructuur (EHS) niet verder ingevuldwordt in noordelijke en zuidelijke richting,en zo zorgt voor goede ecologischeverbindingen tussen het uitzetgebied enandere potentiële leefgebieden. Deoprukkende bebouwing langs de asHeerenveen-Joure-Sneek baart in ditverband grote zorgen. Voor het voortbestaanvan de populatie op de langere ter-De auteur met het eerste nest jonge otters dat geborenwerd in Aqualutra, 4 oktober 1995. Foto RoeIHoevemijn moet er gestreefd worden naar aansluitingmet de populaties in Denemarkenen centraal-Europa. Deze populatieslijken zich overigens langzaam uitte breiden.Dit onderdeel van het haalbaarheidsonderzoekleidde er toe dat als uîtzetgebieduiteindelijk gekozen werd voorNoordwest-Overijssel en Zuid-Friesland,met gezamenlijk een luin of meeraaneengesloten potentieel otterleefgebiedvan maar liefst 12.000 ha. Midden­Friesland viel af door de grotere versnipperingvan de deelgebieden.Laatste knelpuntenOfschoon er in het uitzetgebied al heelwat faunavoorzieningen voor de ottergetroffen waren, bleken er ten tijde vande keuze van de uitzetlocatie toch nogeen aantal knelpunten te zijn, vooralgevaarlijke kruisingen van waterwegenmet autowegen. Daar is en wordt intussenaan gewerkt. Op voor de otter strategischeplaatsen worden tunnels onderde wegen aangelegd, voorzien van begeleidenderasters. Pas nadat de laatstevoorzieningen zijn aangelegd, kan men


\lO-PolderLindevallei (453 ";1//,~-jI30er otters uitzetten. Toch wordt er rekeninggehouden met verlies van individuendoor het verkeer. Na de aanleg van devele voorzieningen is het risico op verliesechter sterk verkleind.N aast de infrastructuur vormt ook debestrijding van muskusratten een gevaarvoor otters. In de laatste tien jaar is debestrijding van de muskusrat sterk geïntensiveerd.Sinds anderhalf jaar voerenwe een goede dialoog met de muskusrattenbestrijdersen zoeken we gezanlenlijknaar ottervriendelijke aanpassingenvan de 111uskusrattenvallen. Ervaringenvan buitenlandse bestrijders en biologenin Europese gebieden waar beide dierennaast elkaar voorkomen, vormen daarbijhet uitgangspunt.Zuid-Friesland en Noordwest-Overijssel hebbengezamenlijk zo'n 12.000 ha geschikt leefgebied(gearceerd) voor otters, en vormen daarmee hetmeest geschikte uitzetgebied.Het aanbrengen van zogenaamde 'stoproosters' inpalingfuiken verhindert dat otters naar binnenzwemmen en verdrinken. Aan stoproosters voorfuiken, die bedoeld zijn voor grotere witvis, wordtnog gewerkt.3 mm ._--=-1 ................................................ --...~--170 mm---r1I170 mmVissersEn dan is er nog de beroepsvisserij . Metangst en vrees keek de beroepsvisserijtegen de terugkeer van de otter aan. Deberoepsvissers vonden dat ze er met deaalscholver al een concurrent bijgekregenhadden, en nu zag lnen in de ottereen volgend probleem. De dialoog metdeze groep verliep in het begin stroef,maar gaandeweg ontstond er toch eenonderling vertrouwen. De beroepsvissersconstateerden dat de otter vanwegezijn grote leefgebied niet de grote concurrentis die zij in eerste instantie inhenl zagen, en dat er ook gemeenschappelijkebelangen bestaan. Als de otterzich weer kan handhaven, betekent ditvoor de vissers dat de vis die zij vangenniet langer meer sterk verontreinigd is.Deze vis zou voorzien kunnen wordenvan een 'otterschoon' handelslnerk.Voor beide partijen is het van belang dater een goede en evenwichtige visstandontstaat. Beide partijen hebben zich bijvoorbeeldingezet voor de realisatie vaneen zogenaamde aalgoot, een voorzieningwaardoor het voor de palinggemakkelijker wordt om als glasaal dezoete wateren in te trekken.De beroepsvissers hebben hun lnedewerkingtoegezegd aan de toepassingvan beschermende maatregelen, zolangdeze maar geen opbrengstderving nletzich meebrengen. In de mond van defuiken wordt een metalen rooster ge~plaatst, waardoor er geen otters (envîsetende watervogels!) meer in kunnenkomen en verdrinken. In Denemarkenbleek na een flink aantal jaren ervaringmet deze voorzieningen, dat met dergelijkevoorzieningen evenveel paling werdgevangen als zonder zulke voorzieningen.


Een apart probleeln vonnt de visserijmet grote fuiken op andere vissoorten,zoals deze ook plaatsvindt in deWieden. De vierkante mazen van hetrooster belemnleren de passage vangrote exenlplaren van brasenl, snoek ensnoekbaars. DaarOln start binnenkorteen onderzoek naar het effect van eenrooster in de vorm van een verticaal uitgerektehoningraat. De verwachting isdat de soorten nlet een afgeplatte vormdit rooster wel kunnen passeren en deotter niet. Aan Natuurmonunlenten isvoorgesteld om een eventuele vangstdervingte laten compenseren door devissers vergunning te geven voor elektrovisserij.Maatscbappelijk draagvlakVan groot belang voor het welslagen vande uitzetting is het creëren van eengroot maatschappelijk draagvlak. DeStichting Otterstation Nederland is daaral geruinle tijd mee bezig. Door eeneffectieve voorlichting is de otter nueen bekende en geliefde diersoort gewordenen weten de meeste N ederlandersdat het dier is uitgestorven doorde grootschalige aantasting van natuuren milieu. In sanlenwerking nIet destichting Natuur en Milieu in Overijsselis er in de afgelopen jaren gericht canlpagnegevoerd om de terugkeer van deotter in Overijssel voor te bereiden. Inde nabije toekomst worden de voorlichtingsinspanningennog verder uitgebreid.Voorlichting en educatie wordenHoewel er veel is gedaan en nog zal worden gedaanom otters veilig de wegen over te laten steken, wordter toch rekening gehouden met verkeersdodenonder de uitgezette dieren. Foto Niall Benvieook door de IU eN als essentiële elenIentengezien bij de herintroductie vandiersoorten. Tijdens het uitzettingsprojectza) dan ook regelmatig verslag wordengedaan van de vorderingen. Van tevoren wordt duidelijk aangegeven datook tegenslagen verwacht kunnen worden,en niet alle uitgezette otters zullenoverleven.Genetisch onderzoekUiteraard moeten de erfelijke eigenschappenvan de uit te zetten otters zodicht mogelijk liggen bij die van deotters die eens hier in Nederland rondliepen.Binnenkort start daarom eenonderzoek, met subsidie van het PrinsBernhard Fonds, naar de genetischevariatie in wilde populaties in Europa enbij de in gevangenschap levende dieren.HieruÎt zal blijken welke otters het bestgebruikt kunnen worden voor de herintroductie.Vooralsnog wordt uitgegaanvan een mix, net zoals in Zweden isgedaan, van otters uit gevangenschap enuit het wild.Ook zal men gebruik maken van genetischeonderzoek om individuele dierenna het uitzetten te kunnen volgen.Voordat de otters uitgezet worden,neemt men bloed af voor een DNAfingerprintdie wordt opgeslagen ineen databank. Ook uit uitwerpselen,


32ring, kan plaatsvinden. Niet alleen kunnende identiteit van een individu enverwantschap vastgesteld worden, maarook kan nagegaan worden of er bijvoorbeeldinteelt optreedt. Bij te veel inteeltkan men overwegen om aanvulling telaten plaatsvinden met een of meer nietverwante individuen. Uit spraints kantegenwoordig overigens ook het geslachtbepaald worden en zelfs of een vrouwtjedrachtig is, via de hormonen die erinvoorkomen.Het zal niet lang meer duren voor de sporen van deotter weer in Nederland gevonden kunnen worden.Foto Tjibbe de Jongspraints, kan n1en tegenwoordig DNAhalen, waarmee te achterhalen valtwelke bekende otters zich in een gebiedbevinden. Mocht het een profiel zijn datniet in de databank zit, dan gaat hetwaarschijnlijk om een jong dier. In datgeval 1110et men de DNA-fingerprintsvan demannetjes en vrouwtjesnauwkeurig vergelijken met die vande onbekende otter. Aangezien de helftvan het bandenpatroon van de fingerprintvan de moeder afkomstig is en deandere helft van de vader, kunnen deonderzoekers bepalen wie de ouders vanhetEen bandenpatroon datniet te herleiden is uit de databank, wijstop een otter lnet een andere herkomstGenetische monitoring heeft het grotevoordeel dat de ontwikkeling van depopulatie indirect, zonder enige versto-Zenders en monitoringHet is de bedoeling dat in samenwerkingmet het Instituut voor Bos- enNatuuronderzoek de eersteotters gevolgd gaan worden via zendertjes.Alle otters krijgen hiertoe een zendergeïmplanteerd in de buikholte, waarmeeze twee jaar lang in het veld gevolgdkunnen worden. Zo kan lnen nagaanwat ze na het uitzetten gaan doen, wathun dagelijks activiteit hoe gebruikmaken van structuren in het landschapen wat de grootte van hun uiteindelijkeleefgebied is. Zonder telemetrisch onderzoekkan het lot van deotters, en daarmee het succes van deproefuitzetting, niet beoordeeld worden.Het onderzoek zal ongeveer vier tot vijfjaar in nenlen.Daarna zal een evaluatie plaatsvindenvan de proefuitzetting. Een van de uitkomstenkan dat er nog aanvullendenlaatregelen nodig zijn voordat verdereuitzettingen kunnen volgen. Blijkt deuitkomst van de proefuitzetting meteenpositief uit te vallen, dan kan men sprekenvan een goede aanzet tot een definitieveherintroductie. Of de herintroductieuiteindelijk slaagt, valt pas op telnaken uit het succes van de nakomelingenvan de uitgezette otters: de tweedeen derde generatie. Het is dus van hetgrootste belang om het onderzoek nietdirect na de eerste evaluatie te stoppen.Het langdurig monitoren is een integraalonderdeel van het gehele herintroduc wtie-project. Wegens geldgebrek heeftnlen het onderzoek in Zweden vlak voordeze fase moeten beëindigen. Dat ll1agin Nederland absoluut niet gebeuren! -1'fAddy de J ongh, S 0 N I OtterparkAqualutra, G-roenester 2, 8926 XELeeuwarden, 0511-431214 (NL)


1999 10 (I)Riemke BitterTwee onderzoekende ogen kijken het nieuwe kantoorvan de VZZ rond. Speurend naar sporen? We hebbenhier afgesproken voor een interview met Annemarie vanDiepenbeek. Deze n1aand verschijnt van haar hand hetnieuwe sporenboek voor West-Europa. Veel sporen zijnhier echter nog niet gemaakt, want de VZZ zit pas in ditkantoor. Door de grote spiegelruiten is ze afgescherlndvoor onbescheiden blikken van buiten, maar niet voor denieuwsgierige vragen die binnen gesteld worden .Annemarie van Dîepenbeek. Foto Dennis Wansink. Annemarie, hoe kom je op het idee omeen sporenboek te schrijven?Er moest wat gebeuren, want de enigegoede gids op dit gebied, de oorspronkelijkDeense Elseviers diersporengids~was tien jaar geleden niet ll1eer te krijgen.Tijdens cursussen en lezingen dieik in het land gaf moest ik steeds mensenteleurstellen. De uitgever van dediersporengids wilde destijds geen herdrukoverwegen, dus uit arren moedeben ik zelf maar een sporengids gaanschrijven. Negen jaar geleden is er almet de KNNV overlegd over de uitgavevan een sporenboek, in zwart-wit.Daar zag ik het nut niet van in, wantsporen op de grond zijn Jneestal eencombinatie van de kleuren bruin~ groenen grijs. Als je dat in zwart-wit weermoet geven blijft er weinig van over.Met sporen werken is eigenlijkopnieuw leren kijken, sporen zijn heelvariabel, je moet vooral de zoekplaatjeskunnen herkennen. Trouwens, tweejaar geleden verscheen alsnog een herdrukvan de oude Elseviers dîersporengids.Mijn boek was toen al ver gevorderd,maar nog niet klaar, want ondertussenhad ik vier jaar lang meegeschrevenaan de nieuwe zoogdierengidsvan West-Europa. Daarnaast had ikook nog een baan.SneeuwsporenTlVaarin is jouw gids anders dan anderesporengidsen ?In veel sporengidsen worden de dingen


ZOOGDIER1999 10 (I)heel stellig gezegd: zo en zo ziet eenvossendrol er uit, punt. Terwijl erenorm veel variatie is! Natuurlijk, jemoet de mensen een houvast bieden,anders hoef je geen boek te schrijven.Toch heb ik geprobeerd om de enormevariatie binnen de sporen van een soortaan te geven. In andere gidsen is veelaandacht voor sneeuwsporen, maar inons land blijft sneeuw slechts zo zeldenMijn gids is gebaseerd op eennormalere situatie, zodat 'ie het helejaar bruikbaar is. Alleen omdat hetonmisbaar is voor het geheel staan ertoch ook wat mooie sneeuwsporen in.Wat ik ook een sterk punt in mijnboek vind zijn de illustraties. Ik hebvooral praktijkfoto's gebruikt, waarop jede sporen in hun context en tegen hunnatuurlijke achtergrond ziet. Op tekeningenruk je alles uit verband. Hetzoekbeeld, de achtergrond, is juistbelangrijk! Sporen zijn vaak klein,onbetekenend en onopvallend, maartoch moet je oog erop vallen als je erlangs komt. Met deze gids leer ik demensen niet alleen wat ze zien, maarook waar ze moeten kijken. Bovendienis de gids vollediger en uitgebreiderdan andere: de gids bestrijkt namelijkheel West-Europa. Ik heb daarbij ooksporen van reptielen en anlfibieën envan vogels opgenomen. Ook heb ik vaneen aantal soorten meer spoortypenkunnen beschrijven dan voorheen.Hoe ontdek je 'nieuwe' sporen?Betrap je de dader dan op heterdaad?J a, soms wel. Ik was bijvoorbeeld aleen paar keer een uitwerpsel tegengekomendat erg op dat van een egel leekmaar eigenlijk te klein daarvoor was.Ook andere l11ensen hadden lnij weleens zo'n keuteltje laten zien. Eenswilde ik een in de tuin ontdekte padfotograferen en had het beest even ineen terrariunl gezet. Terwijl ik mijnspullen klaarzette kwam nlijn zoonmelden dat het beest zijn behoefte hadgedaan. Toen bleek dat de mysterieuzekeutel van padden afkomstig was!Het gebeurt ook wel dat ik een ziekbeest een poosje thuis verzorg en daardan weer nieuwe sporen van te zienkrijg. Sporen blijven altijd boeien, wantje kunt niet alles op soort brengen. Ikkonl regelmatig sporen waarvanik zeg: ik weet het niet, of ik weet hetongeveer. Ik heb daar in mijn diacollectieeen aparte rubriek 'onopgelost' voor.Soms, door een eigen waarnenlÎng ofeen verhaal van een ander~ valt ineenshet kwartje: dat beest heeft dat spoorgemaakt.34Klein, zwart, glimmendHoe en wanneer ben je met sporen enzoogdieren in aanraking gekomen?Mijn belangstelling voor zoogdierenwas eigenlijk altijd al latent aanwezig,maar het duurde lang voor ik er echtiets mee ben gaan doen, ik was al overde dertig. Op school vond ik biologielesaltijd ontzettend leuk. Het was net alsgymnastiek, daar hoefde je niets voor tedoen. Ik snapte echt niet dat mensendat saai vonden. Uiteindelijk ben ik ineen heel andere richting terechtgekomen.Begin jaren tachtig kreeg ik,omdat ik altijd 111aar werkte, steedsmeer het idee dat ik niet leefde, maargeleefd werd. Ik had op dat momentkleine kinderen en een drukke kantoorbaan,en zocht heel bewust naar ietsom me in het weekend te ontspannen.Op aanraden van mijn jongste broerben ik een keer nleegegaan op excursiemet de KNNV. Het fenomeen 'excursie'kende ik niet: de een keek naarvogels, de ander naar planten, nog eenander keek naar paddestoelen. En ikkeek naar een uitwerpsel. Een klein,zwart, glimmend ding op een struikje.Ik bekeek dat uitwerpsel heel serieus,terwijl de hele groep er welwillendonlheen stond. Nlenland bleek echterenig idee te hebben van welk dier hetaf zou kunnen komen. Ik dacht dat hetvan een zoogdier moest zijn en natnhet uitwerpsel mee om op zoek te gaannaar iets over sporen die dieren achterlaten.In de bibliotheek ontdekte ik deElseviers diersporengids en er ging eenwereld voor me open. Ik vond het zoleuk, beesten laten van alles achter.Vooral met zoogdieren moet je hetdaarvan hebben, want ze leven vaak zoheimelijk. Toen bleek ook mijn interessevoor zoogdieren, want ik raakte doordat ene spoor zo geïnteresseerd dat ikben gaan lezen over het dier dat dathad veroorzaakt. Zo ben ik van het eenin het ander gerold.Hoe denk je over de plaats van sporenin het onderzoek naar de verspreidingvan zoogdieren?Ik vind dat sporen een volwaardigeplaats verdienen in het onderzoek.Interesse in zoogdieren en het zoekennaar sporen zijn onlosmakelijk metelkaar verbonden. Zoogdieren levenverborgen, zijn vaak nachtactief en


ZOOGDIER1999 10 (I)zeldzaanl. Als je er iets over te wetenwilt kOlnen, moet je op de sporen gaanletten. Dat is in elk geval de eerste staponl er achter te konlen of ergensbepaalde zoogdieren zitten. Ik hebvroeger met de sanlenstellers van dezoogdierenatlas wel discussies overacceptatie van spoorwaarnelningengevoerd. Op een gegeven momenthoorde ik dat ze weinig gegevens haddenover nlarterachtigen in een stukvan Noord-Oost-Brabant. Ik liep toenmijn dia-archief na en kwam zo'n 35dia's tegen van sporen van marterachtigenin dat gebied. Die waarnemingenwerden door de atlas niet geaccepteerd,terwijl ik in feite sterker bewijsmateriaalhad dan wanneer ik gezegd hadzo'n beest gezien te hebben! Dat vindik wel een beetje een misser.Natuurlijk kun je niet alle gevondensporen op naam brengen, maar eengroot deel wel. Sporen op naaln brengenis nog een relatief jongewetenschap, daar moeten nlensen ingroeien. Ik vind dat mensen die zichserieus lnet sporen bezighouden dekans lnoeten krijgen O1n die voorinventarisaties te gebruiken. En heb jetwijfels, zeg dat dan, want je lnoetoppassen dat de wens niet de vader vande gedachte wordt. Ik hoop dat nleernlensen aan sporen gaan doen en datcoördinatoren langzaaln lnaar zeker hetvertrouwen krijgen dat je sporen lnetredelijke zekerheid thuis kunt brengen.Ik zou het janlmer vinden als men sporendatasteeds blijft weigeren.Zoals wijje kennen ben je altijd alleenop stap. Wat vinden ze thuis eigenlijkvan je lzoogdierenverslaving?Ik ben steeds fanatiek met zoogdierenbezig geweest, maar dat is, denk ik,niet ten koste van nlîjn gezin gegaan.Hoewel ik erg veel tijd en energie inzoogdieren heb gestopt! Zeker toen ikniet meer werkte had ik er, naast dezorg voor het gezin, genoeg ruimtevoor, omdat ik een fulltime baan wasgewend. Ik ben ook zo gedrevengeworden on1 afleiding te zoeken vande zakelijke zorgen die het bedrijf vannlijn man me destijds gaven.Het heeft me altijd leuk geleken omdeze hobby met mijn gezin te ondernemen,maar jamnler genoeg hebbenmijn kinderen er de ware geest nogniet voor. Ik heb ze ooit eens meeweten te krijgen op een KNNV-katllp,maar daarmee hield het op. Ze stondener wel positief tegenover. Mijn man enVraatsporen of veegsporen7 Annemarie van Diepenbeeklegt het uit. Foto Dennis WansÎnkde kinderen vonden het erg leuk als ikweer enthousiast thuiskwam na eenkamp of een nachtexcursie~ met dingendie ik gevonden had en verhalen overvreemde voorvallen. Ook al wilden zeniet mee, ze hebben altijd gezegd: alsjij het leuk vindt, 1110et je het zekerdoenlVerslingerdJe hebt je werk al een paar keer genoemd,wat doe en deedje eigenlijk voor werk?Vroeger was ik secretaresse op eeningenieursbureau en ik deed veel technischevertalingen. Iets wat ik overigensnog steeds graag doe. Op een gegevenmoment heb ik dat afgebouwd, omdatik meer tijd aan nlijn kinderen wildebesteden. Al snel bleek dat die helemaalgeen behoefte hadden aan eenmoeder die met de theepot klaarzat.Daarna ben ik bij Das & Boom terechtgekomenwaar ik ontzettend veelgeleerd heb. In diezelfde periode benik ook bij de VZZ gekomen en ben ikmeegegaan met de zomerkampen enenkele weekenden. Daar leer jeverschrikkelijk veel van. Als je die l11Ui-


"Het sterke punt van mijn sporen boek zijn de illustraties:foto's die in het veld genomen zijn, van desporen in hun context/~ Foto Dennis Wansinkzen voor het eerst in handen hebt enziet hoe ze bewegen, reageren, en deplekken ziet waar ze gevangen worden,dat is toch schitterend! Ik vraag me afwelke mensen er dan niet aan zoogdierenverslingerd raken.Een jaar of vijf geleden ben ik weerbegonnen lnet een secretariaatsbaan,nu in de medische wereld. Dat heefthelemaal niets met zoogdieren temaken. Gelukkig hoef ik nooit werkmee naar huis te nemen, dus het weekenden de avonden zijn voor mij. Diekan ik aan aardige dingen besteden.Je onderzoekt, ruikt, betast ttitwelpselen,vangt muizen en gaat op vleermuizen afMensen vinden dat vaak vies, eng enram; helemaal voor een vrouw.Wat krijg jij voor reacties op je hobby?Over het algenleen levert het heleleuke en spontane reacties op. Mensenvinden het leuk, zijn geïnteresseerd enbehulpzaam. Ze hebben ooit ietszen, of ze hebben zelf een bijzonderspoor gevonden. Ik krijg sporen eninfornlatie uit het hele landopgestuurd. Dat is ontzettend leuk.Natuurlijk, zeker als secretaresse~ nlaarook als echtgenote en moeder zie erheel wat representatiever uit dan inveldkloffie. Het is voor sommÎge lnen~sen lnoeilijk om deze twee wereldenmet elkaar te rijmen.Wat ik niet prettig vind is die fixatievan sommige mensen op het feit datmet uitwerpselen bezig bent. Dan krijgje van die domme opn1erkingen als"heb je weer fijn naar poepjesgekeken?", alsof dat een soort van geestelijkeafwijking zou zijn. Zulke mensenprobeer ik ook duidelijk te maken dater veel meer sporen zîjn dan uitwerpselenalleen. Zulke uitspraken zeggenvaak meer over die mensen zelf danover mij, vind ik. Nee, weet je wat ikvies vind? Hondenpoep! Gisteren nog,ik zat voor een heel vers bosmuizenholom foto's te maken en tot mijn groteschrik nlerkte ik dat ik in een hondenboluszat. Bah, wat is dat vies. Nou benik best een hondenliefhebster - ik hebzelf ook twintig jaar honden gehad -maar ik vind wel dat zulke dingen deboel een beetje verzieken in de natuur.Ook menselijke hopen. Toen ik bij Das& BOOll1 zat heb ik eens n1eegeholpen


ZOOGDIER1999 10 (I)met het zoeken naar ottersporen langseen mooi riviertje ergens in Nederland.Maar het enige dat we tegenkwamenonder elke brug waren hopen met wittezakdoekjes ernaast. Op zo'n momentdenk je toch ook: waar zijn we eigenlijkmee bezig?KluwenWat voor sporen zou je nog graag eenkeer willenen?Ik heb laatst een verlanglijstje genlaaktmet sporen die ik nog nooit zelf gezienheb. Ik wil bijvoorbeeld graag een glijspoorin de sneeuw zien van een otteren een braakbal van een koekoek.Koekoeken eten harige rupsen dieandere vogels versmaden. Volgens deliteratuur braken ze die haren uit. Ikben al zó vaak naar een paaltje toegelopen~waarop ik een koekoek had zienzitten, in de hoop dat er een braakballetjeHelaas, het is n1e nooitgelukt. En ik wil graag een kluwenregenwormen zien, door een mol verwarden verlan1d. Men beschrijft dathet bestaat, maar ik heb het nog nooitgezien. Als ik mooie of voor mij nieuwesporen vind, krijg ik echt een kick)dan ben ik als een kind zo blij. Ik wildan een vreugdedansje maken. Zoietsmaakt mijn dag, mijn week, mijnmaand goed. Uit zulke dingen krijg ikenergie, laad ik mijn batterij weer op.Je boek Îs af, deze maand komt het uit.En nu? De laatste jaren heb je in je vrijetijd vooral boeken geschreven, ga je nuweer een boek schrijven, of heb je andereplannen?Vrienden suggereren wel eens dat ikeen boek over mijn privé leven moetschrijven. Dat was beslist niet saai,luaar ik denk voorlopig toch maar niet.Ik heb me altijd voorgenomen dat ikweer zou gaan schilderen. Ik wildevroeger naar de kunstacadetnie - iktekende en schilderde graag en ookniet onaardig - dat n10cht ik toen niet.De kansen om daar een baan in te vindenwaren vrijwel nihil. Daar haddenmijn ouders wel gelijk in. Toen dachtik altijd: dan ga ik het later doen. Deschildersezel staat er nog en ik heb nogeen paar prachtige blanco doeken eneen kist met olieverf staan. Misschienga ik dat wel weer doen. Ach, het isnatuurlijk wel weer dertig jaar geleden,misschien kan ik er wel niets Jneel' van.Het wordt waarsch ijn lijk iets non-figu~ratîefs. Ik wil vooral stemmingen inmijn schilderijen weergeven, veel"Veel mensen zijn geïnteresseerd in sporen. Ik krijgallerlei materiaal opgestuurd vanuÎt het hele land:!Foto DennÎs Wansinknatuurlijke kleuren gebruiken, daarhoud ik van.Maar vooral verheug me erop dat ikweer meer tijd aan mijn vrienden kanbesteden. Een boek schrijven vraagt opdat gebied wel een hoge prijs. De laatstejaren heb ik ze een beetje verwaarloosd,dat zit me dwars. Ik heb zin omweer dingen met ze te ondernemen,weekenden te gaan stappen, een nachtteblijven slapen bij een vriendin.Ook cultuur is er de laatste tien jaar bijin geschoten. Tentoonstellingen vanschilderijen bekijken, naar het theater,kleinkunst van Jasperina de Jong,Jenny Arean, of Hern1an Finkers. Enklassieke lnuziek, ik weet er niets van,maar kan er mateloos van genieten.Voorlopig Juister ik naar kleinereensembles, zodat ik alle instrun1entengoed kan leren onderscheiden. Tot mijneigen verbazing vind ik vooral vioolmuziekmooi, hoewel ik dat vroeger kattengejankvond. Misschien word ik weloud, maar dat vind ik niet erg als hetop zo'n prettige manier gebeurt. -1"f


ZOOGDIER1999 10 (I)38Doodgereden beverin Zuid-limburgin 1997In het voorjaar van 1998 kwamer via Rijkswaterstaat een nle]­ding binnen dat er in mei 1997in Zuid-Limburg een bever wasdoodgereden op de A2 bij Panheel.Waarschijnlijk gaat hethier OlTI dezelfde bever die inapril 1997 in de Maasplassen bijRoermond werd waargenOlTIen(van Buggenum & Backbier,1997). Deze plassen liggen vijftot tien kilometer ten noordoostenvan Panheel. Dit issinds 1993 de derde bever diein de omgeving van Roermondwerd doodgereden.In het aangehaalde werdterecht vermeld dat het hoogstwaarschijnlijkOln nakomelingengaat van bevers van een herintroductieprojectin de Eifel.In de periode 1982/1988 werdenin de Eifel echter geen zes,maar twaalf bevers uitgezet;negen zwarte en drie bruine.Acht bevers waren afkomstigvan een beverfokkerij in Polenen vier bevers werden in Polenin het wild gevangen (pers.Med. D. Fink, Forstamt HürtgenwaldEifel). In de beverfokkerijen de vrijlevende oostelijkePoolse beverpopulatie isongeveer 70% van de beverszwart. Van oorsprong gaat hetbij de 'Poolse bevers' om eennlenging van bevers afkOInstiguit Rusland en uit Wit -Ruslanden Litouwen. Ze wordenson1S aangeduid als de ondersoortCastor .fiber vis tu/a 11 liS(Zurowski, 1989). Door anderenworden de bevers uit dezegebieden als twee ondersoOI'­ten beschouwd: in Rusland Cfosteuropaeus en in Wit-Ruslanden Litouwen Cf be/arusieus.De bevers die langs de Midden-Elbeleven en waarvan eenkleine honderd in Nederlandwerden worden tot deondersooort C.f a/bieus gerekend(Heidecke, 1986). Dezeindeling is overigens gebaseerdop lTIorfometrische gegevensen niet op genetisch onderzoek.LiteratuurBuggenum, H.J.M. van & LA.M.Backbier, 1997. Weer een bevergezien in Midden-Limburg.Zoogdier 8(2):32-33.Heidecke, D., 1986. TaxonomischeAspekte des Arienschutzes amBeispiel der Biber Eurasiens.Hercynia 22: 146-161.Zurowski, W., 1989. Wiederaufbaudes Biberbestandes in Polen.Tweekleurige vleermuisook in DordrechtHet Natuur-WetenschappelijkCentrum van de Natuur- enVogelwacht Dordrecht (NWC)doet sinds 1987 onderzoek naarde vleermuisstand op hetEiland van Dordrecht. In deZOlner gebeurt dat n1et de batdetectoren 's-winters wordende winterslaapplaatsen bezocht.Ook worden meldingen vanparticulieren, die bij toeval inaanraking komen lnet vleermuizen,nagetrokken.Tot eind 1997 zijn zes soortenVorteiIe und Gefahren derZucht: 219-235. In: E. Schneider(red.). Die Illusion der ArcheNoach: Gefahren fUr die Artenerhaltungdurch Gefangenschaftszucht.Echo-Verlag, Göttingen.Vi/mar D(jkstra, D(jkstraat 68,6828 JS Arnhem, 026-4431826(NL)vleermuizen waargenomen. Viervan deze soorten, de gewonegrootoorvleennuis, de gewonedwergvleermuis, de ruige dwergvleenlluisen de laatvlieger, bewonenhet Eiland van Dordrechthet hele jaar door. Vande andere twee soorten, dewatervleenlluis en de meervleermuis,zijn slechts enkelewaarnemingen in het najaarbekend. In januari 1998 werdtijdens een bezoek aan eenwinterslaapplaats een nieuweDe tweekleurige van Dordrecht.Foto Henkjan Faber


ZOOGDIERI 999 I 0 (I)39soort ontdekt: de gewonebaardvleermuis (Haan, 1997).In november 1998 kwam bijhet NWC een vleermuis binnendie op een zolder wasgevonden in Dordrecht, in km105-422. Bij het oplneten bleekhet beestje aan één stuk doorzeer kenmerkende sociale geluidenuit te stoten. Al snel wasduidelijk dat het om een soortging die nog nooit eerder ophet Eiland van Dordrecht waargenomenwas, namelijk detweekleurige vleermuis JlespertUiom uril1 LIS. De vleermuis wasniet gewond en verkeerde ingoede conditie, zodat hij nadeterminatie dezelfde dag nogkon worden vrijgelaten.De tweekleurige vleermuis iseen bewoner van vooral sple-SikkenspoortjeIn het Noorderplantsoen in destad Groningen bevindt zichonder de voormalige stadswalhet restant van een zeventiendeeeuws poortje. Het betrefteen zogenaamde courtine, doorsoldaten gebruikt om vanuit destad naar het voorterrein tekomen. Nadien is het poortjegebruikt als opslagplaats, ondermeer door de verffabrikantSikkens rond 1800. Vandaar dathet in de volksmond de naam'Sikkenspoortje' heeft gekregen.In de vijftiger jaren is detoegang afgedekt met aarde enraakte het poortje in de vergetelheid.Momenteel krijgt hetplantsoen een grote opknapbeurt,waarbij ook de ecologievan het park de nodige aandachtkrijgt. In dat kader is hetpoortje vorig jaar vrij gelegd omte kijken in welke toestand hetverkeerde.Er kwam een boogvormiggemetselde gang tevoorschijnvan zo'n 18 meter lang, 2,6meter breed en 2 meter hoog.De gang verkeerde in goedestaat en de gemeente besloothet object in te richten vooroverwinterende vleermuizen.De Vleermuiswerkgroep Groningenleverde het ontwerpvoor het interieur en begeleidtde uitvoering van de werktenin gebouwen, zolders enrotsen. De woning waar dezesoort nu gevonden werd isongeveer vijftien jaar oud. Heteigenlijke woongedeelte isbovenop de garage gebouwd ende woning heeft een ruime zolder.In de wijk zijn veel ouderebomen, struiken en andergroen aanwezig. Ook is er in denabijheid een waterpartij metbeplanting eromheen. In dedirecte omgeving van de vindplaatsbevinden zich enkeletorenflats van 12-15 verdiepingenhoog.Tot voor kort werd aangenomendat de meldingen van tweekleurigevleermuizen alleenbetrekking hadden op migrerendedieren vanuit Denemarkenen Noord-Oost Europa.Het 'Sikkenspoortje' wordt nabijna vijftig jaar blootgelegd. FotoRob Koe/manzaamheden. De kosten wordenvoor het grootste deel gesubsidieerddoor de provincie. OokAKZO, waar Sikkens tegenwoordigdeel van uitmaakt,draagt bij in de kosten. In degang zijn een drietal dwarsmuurtjesgemetseld met daarinspleten waarin de vleermuizenweg kunnen kruipen. Er komtTweekleurige vleermuizen kunnenzeer grote afstanden afleggen.In 1998 werd echter deeerste zon1erkolonie voor Nederlandaangetroffen, in Maarsenbroek(lansen & van NOOIt,1998). In Zuid-Holland warenalleen meldingen (exclusief ditexemplaar) bekend van tweekleurigevleermuizen uit degemeenten Den Haag en Rotterdam.LiteratuurHaan, A., 1997. Baardvleermuizenontdekt În Dordrecht. Zoogdier8(4):29.Jansen, E. & B. van Noorl, ]998.Eerste kolonie tweekleurigevleermuis in Nederland ontdekt!Zoogdier 9(1):10-13.Alexandra Haan, Scholierstraat 30,7415 SJf' Deventel; 0570-634394een eikenhouten deur in deingang. Om het geheel bij hetplantsoen te betrekken komt ereen pleintje voor het poortjemet zitgelegenheid en in hetplaveisel het silhouet van eenvleermuis. Een informatiebordza] passanten wijzen op degeschiedenis van het poortje enhet huidige gebruik. In juni zalhet winterverblijf feestelijkworden geopend. Nu nogafwachten wanneer de eerstevleermuis zich laat zien,Rob Koe/manRectificatie EdelliertIn het bijschrift van het kaartjebij het artikel over edelhertenin het vorige nummer, is eenfout gemaakt. De situatie staater beter voor clan gesuggereerd.De zes zwarte stippen gevenonderdoorgangen aan die înprincipe geschikt zijn voor depassage van edelherten, detwee open rondjes zijn duikersonder de spoorlijn die moeilijkpasseerbaar zijn voor herten.


ZOOGDffiR1999 10 (I)De Zoogdierenvan Overijssel!Zeer vlot na het verzamelenvan de laatste verspreidingsgegevens,is begin dit jaar de'Atlas' van de zoogdieren vanOverijssel verschenen. De ZoogdierenwerkgroepOverijssel heeftdaarmee een prachtige prestatiegeleverd, want het is een uitermateverzorgd en lezenswaardigboekwerk geworden metzeer veel fraaie foto's, merendeelsin kleur. Inleidendehoofdstukken behandelen hetlandschap, de geschiedenis entoekomst van de zoogdierfauna,en de onderzoeksnlethoden.Na de opsomming van alle54 (!) soorten volgt nog eenhoofdstuk over de belangrijkezoogdiergebieden in de provinmetaanbevelingen voorbeheer en beleid.Van elke soort worden achtereenvolgensuiterlijk, gedragen biotoop, verspreiding tot enmet 1988 (de gegevens uit deperiode die gedekt wordt doorde Atlas van Nederlandse zoogdieren,1992), de huidige verspreiding(1989-1998), de veranderingenÎn verspreiding, hetvoorkomen in aangrenzendegebieden en de bedreigingenbehandeld.Hoe mooÎ ook de uitvoeringvan het boek is en hoe infor-111atief de teksten ook zijn, deverspreidingskaartjes stellenll1ij wat teleur. De ondergrondervan wordt gevormd dooreen kaart waarop in grijstintenminstens ook het stedelijk gebieden het "bos/natuurgebied'staan aangegeven. Soorten, waarvoorbepaalde landschappelijkeelementen (water, wegen) vanspeciaal belang zijn, hebbenzelfs een kaart waarop vijf ofzes verschillende zaken in grijstintenzijn afgebeeld, waarvansommige echt niet van elkaar teonderscheiden zijn! Zonder dater ook maar één waarnemingop staat, is de verspreidingskaartal vol met donker- enlichtgrijze stippen en vlekken.Vleermuiskolonies worden alsgrijs vierkantje weergegeven enzijn dus nauwelijks terug tevinden. Ook is het vaak zoekennaar de open cirkeltjes waarmeede waarnemingen vanvóór 1989 (de legenda nleldtoverigens abusievelijk steeds1988) worden aangeduid. Onldatde verspreiding van desoorten is weergegeven perkilometerhok, wat op zich eenmooi fijnlnazig beeld geeft, zijnde tekentjes op de kaarten relatiefklein. Was het niet betergeweest een lege ondergrond tegebruiken voor de verspreidingskaartenen bijvoorbeeldeen losse, transparante kaart bijhet boek te leveren met daaropdergelijke landschappelijk details?Tenslotte vind ik het jammerdat in de verspreidingskaartenvan de kleine zoogdieren geenonderscheid is gemaakt tussenbraakbalgegevens en vangstenof waarnemingen. Juist bij hetpubliceren van kaarten metgegevens op een zo kleineschaal als het kilometerhok, ishet van groot belang te wetenof een soort ook echt in datki10meterhok Îs vastgesteld ofdat het mogelijk per uil isvlogen'.Laat u echter door deze kritiekpuntjesniet ontmoedigenhet boek aan te schaffen.Gewoon de kaarten erg nauw­)ceurig bestuderen. Het boek isbij de VZZ te bestellen, zieonder.Jaap lV/ulderDe Zoogdieren van Overijssel.Voorkomen, verspreiding en ecologievan de in het wild levende40Beverratten. Eén van de fraaiefoto's uit JOe Zoogdieren vanOverijssel'. Foto Roei Hoevezoogdieren. Redactie A.D. Bode,A.J. Dijkstra, B. Hoekstra, R.Hoeve & R. Zollinger. WaandersUitgeverij, Zwolle, 1999. 176 pp.ISBN 90-400-9312-1.Te bestellen bij het VZZkantoor.Prijs f 50,~ voorVZZ-leden (f 40,- bijafhalen) en f 60,~ (f 50,-)voor niet-leden.'Braakballen pluizen'Een paar jaar geleden signaleerdenleden van de N oord­Hollandse Zoogdierstudiegroepde behoefte aan een tabel waarmeeook onervaren pluizerssimpel kunnen bepalen vanwelk beest zojuist ijverig dekaakjes en botjes uit een uilenbalhebben peuteren.Men toog aan de en na eenuitgebreide testronde in depraktijk resulteerde dat in hetboekje 'braakballen pluizen,een eenvoudige handleidingvoor het herkennen van zoogdierschedelsin braakballen vanuilen', Als we van het uiterlijkmogen uitgaan zit het wel goedmet deze uitgave, want hetgeheel ziet er keurig verzorgden zeer aantrekkelijk uit. Deteksten zijn rijk geIllustreerd,alle foto's zijn in kleur afgedrukten in de determinatietabellenwordt slim gebruikgemaakt van steunkleuren.


ZOOGDIER1999 I 0 (')BOEKBESPREKING41Het boekje begint met eenalgemeen, inleidend deel waarinin wervende taal een enander wordt uitgelegd over deachtergronden van het braakballenpluizen en over uilen enhun gewoontes. Soms tot ver~velens toe wordt de lezer ophet hart gedrukt om toch vooralwel aan onderzoek te doenen vooral niet te gaan 'wildpluizen',maar wie hier omheenweet te lezen doei een hoopinteressante en nuttige kennisop. De tweede helft is gereserveerdvoor de determinatiesleuteis.Om de gebruiksvriendelijkheidvan de tabel te testenkomt een zakje braakballen,beschikbaar gesteld via hetbraakbalInonitoringproject vande VZZ, mij goed van pas. Hetop soort brengen van de geplozenprooiresten gaat inderdaadzonder al te veel moeite. Hetdetermineren kan lneteenbeginnen, de lezer hoeft zichniet eerst door een uitleg overtandformules en wetenschappelijketennen voor tanden enbotten heen te worstelen. Alleprooiresten zijn verdeeld overtien verschillende korte tabellen,waarvan er geen langer isdan twee pagina's. De linkerhelftvan elke bladzijde bevatde tabel, de rechterhelft Blus-treert de kenlnerken. Heen enweer bladeren naar verklarendeillustraties of teksten op anderebladzijden is zo niet nodig. Deopsplitsing in tabellen persoort-groep en per kaakhelft isoverzichtelijk en vergemakkelijkthet snel vinden van dejuiste tabel. Ook een sterk puntzijn de illustraties. In andereuitgaven bekruipt de gebruikerson1S de neiging om behalve degeplozen kaakjes ook de priegeligeillustraties door de loep tebestuderen. In deze uitgavezijn de illustraties prettig grooten is te zien naar welk deiaileen pijl wijst. Alleen is hetsoms jamlner dat niet wordtpuntje: onder lanlp-licht of infelle zon weerspiegelt hetpapier nogal) waardoor je evende juiste houding moet zoekenom kaakje en tabel gelijktijdiggoed te kunnen zien.Hoewel deze braakballen tabelprimair ontwikkeld is voorgebruik in Noord-Holland zalmen er ook in de rest vanNederland goed mee uit devoeten kunnen, al moet lnendan wel opletten. De niet inNoord-Holland voorkomendesoorten worden namelijk welgenoemd en beschreven, maarniet in de sleutels opgenomen.'Braakballen pluizen' is eenmooie en praktische uitgave,zeer geschikt voor een biologielesop school en voor allebeginnende en incidentelepluizers. Het is daarnaast ookeen aanwinst voor pluis-fanatendie anderen willen overhalen'aan de bal' te gaan.Riemke Bitter'Braakballen pluizen' is een uitgavevan de Noord-HollandseZoogdierstudiegroep in samenwerkingmet de KNNV Uitgeverij.Formaat: iets kleiner dan A4, 36pagina's. Verkrijgbaar bij de VZZwinkelvoor f 12,50 (leden: f 9,50),bij toezending wordt f 4,00 portoin rekening gebracht. Mensen dieactief deelnemen aan braakbalmonitoringkrijgen de tabel gratistoegestuurd.Van de WerkgroepZoogdierbescherTJUÊBgDe Werkgroep Zoogclierbeschermingvan de VZZ inNederland houdt zich bezigmet de uitwerking van diverseakties die voortvloeien uit hetaktieplan 'Ruimte voor zoogdieren'(zie VZZ-jaarboek 1997).Dit aktieplan is vooral gebaseerdop de Rode Lijst Zoogdierenuit 1994. Vanaf dit nummervan Zoogdier willen weregelmatig laten horen waar wijals werkgroep mee bezig zijn.InSluaakproceduresDit jaar heeft de minister vanLNV bij de Europese Unie inBrussel 76 gebieden aangemeldvoor de Habitat-richtlijn en 57aangegeven hoeveel procentvan de ware grootte de illustratieszijn. Nog een klein minvoorde Vogelrichtlijn. Naastdeze nieuwe gebieden, die nuter visie liggen, waren eerder al30 Vogelrichtlijngebieden vastgestekl.In februari startte eeninspraakprocedure over debegrenzing en ligging van degebieden. In de volgendeZoogdier leest u meer over deovereenk0111sten en verschil1entussen de procedures voor deVogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.Beide richtlijnen zijnvolgens ons van groot belangvoor cle natuurbescherming inNederland.Gezien het belang hiervanhebben wij actief deelgenomenaan de inspraakprocedure. Inell(e regio van Nederland is eenVZZ-er naar de bijeenkomstengegaan of heeft een onderbouwdebrief gestuurd, waarinwerd aangeven welke gebiedenin die regio volgens ons aangewezendienen te worden onder


ZOOGDffiR[999 10 (I)de Habitatrichtlijn in verbandtnet het voorkOlnen van denoordse woeltnuis, meervleermuis,ingekorven vleermuis,zeehonden en bruinvis.ZoogdierwachtenHet rapport 'Belangrijke zoogdiergebiedenin Nederland',van Vilmar Dijkstra, verdienteen vervolg. Op de vorige jaarvergaderingvan de VZZ heeftNiels Schrieken verteld overonze plannen on1 een netwerkop te zetten van 'zoogdierwachten>,die positieve en negatieveontwikkelingen en plannenvoor de 'belangrijke zoogdiergebieden'in de gaten gaanhouden. We willen dit doenin nauwe samenwerking metVogelbescherming Nederland,die reeds een goedlopend netwerkvan vrijwilligers Cwetlandwachten')heeft opgebouwd,Doordat Niels het drukker heeftgekregen dan hij had voorzien(verhuizing en een nieuwebaan) zoeken we hiervoor eennieuwe coördinator.OproepIn het bovenstaande zijn enkeleaandachtspunten van deWerkgroep Zoogdierbescherminggenoemd. Andere aktieszijn gerichl op bescherming vano.a, noordse woelmuis envleermuizen. Er is echter nogmeer te doen, maar helaas ontbreekthei ons aan de daarvoorde benodigde menskracht. Opdit moment bestaat de werkgroepslechts uit vier aktieveleden. Met nalne voor hetcoördineren van de zoogdierwachtenzoeken we op ditmoment een vrijwilliger. Daarom,lezers van Zoogdier, mochtu ons willen helpen met deorgan isatie van een en ander:bel of schrijf even; u bent vanharte welkom bij de werkgroep.MarUke Drees (voorz;ttel), Brinklaan9, 9722 BA Groningen. tel +fax: 050-5274525; email:jmdrees@xs4all.nl.11ans Hol/ander (secretaris),Lopperslll11hof 26, 6835 MAArnhem, tel: 026-3270693; email:Hans.Hollander@hetnet.nl.VERENIGINGSNIEUWSNieuwe stemmen ophet VZZ-kantoorWie wel eens met het kantoorvan de VZZ belt zal het waarschijnlijkal opgevallen zijn.Sinds kort werkt Mieuw vanDiedenhoven enkele dagen perweek voor de VZZ. Mieuw vervangtAndré Kaper, die geveldis door een moderne ziekte:RSI, ook wel muisarm genoemd.André mag even nietsmet zijn arm doen en kan daaromde voortgang van Zoogdiermonitoringniet coördineren.De coördinatie van de tellingenvan de vleermuiskolonies injuni en juli is overgenomendoor Mieuw. Daarnaast heeftVilmar Dijkstra zich ontfermtover de tellingen van de eekhoornnestenen de winterte]­lingen van vleermuizen. Vîlmarverzorgt ook nog steeds de tellingenvan de bevers in deBiesbosch, die ook deze zomerweer plaats vinden (bel hem alsje deze zomer mee wilt helpen inde Biesboseh). Voor braakbalmonitoringen het aanleverenvan verspreidingsgegevens voorde landelijke Zoogdierdatabankis Maurice La Haye nog steedshet aanspreekpunt.De leden- en abonnementenadministratiewordt nog trouwdoor Ida van Dam gedaan.Daarnaast helpen Rob Vermeulenen Mer1ijn van Deventerbij allerlei administratievezaken en verzorgen ze voorlichtingover onze in het wildlevende zoogdieren. Hans Hollanderheeft de bibliotheek vande VZZ op orde gebracht enalle boeken en rapporten opgenomenin een digitaal zoeksysteem,zodat we nu weten watwe hebben en vooral wat wenog missen (overdrukken, rapporten,boeken die je over hebtzijn van harte welkom bU Hans).Wat we nog missen zijn eenbeheerder voor de winkel enmensen die wil1en helpen bijhet onderhouden van de landelijkeZoogdierdatabank.Belangstel/enden kunnen bellen,schr(jven qf' mailen naar hetVZZ-ka 11 toor.Surfen met de va42Het is zo ver. De VZZ is digitaal'on the air'. Dus trekwetsuit aan en surf naarwww.xs4all.nl/- zoogdier/.Door een gezanlenlijke inspanningvan André Kaper enMieuw van Diedenhoven enfinanciële steun van MarijkeDrees heeft de VZZ sindsenkele weken een website. Desite staat boordenvol met informatieover de VZZ en wildezoogdieren) maar hij kan nogvee] voller en beter, Jullie reacsuggesties,mededelingenen aankondigingen van kampen,studiedagen enzovoortzijn daarom van harte welkom.Met 1500 Zoogdierlezers moethet mogelijk zijn om een echteinteractieve en actuele websitete krijgen.31 juli tlnl 7 augustusZ0111erkampHet welbekende zomerkampvan de Veldwerkgroep vindtdit jaar helemaal in de SpaansePyreneeën plaats; wat jever zoekt is lekker. ..Organisatie: VeldwerkgroepVZZPlaats: 0111geving Huesca (E)Info: Kees Mostert,015-2145073 (NL)17-19 septelnberEikel111Uizen-kampDe verspreiding van de eikelmuisÎn Zuid-Limburg is nauwelijksbekend. Met het NatuurhistorischGenootschapgaat de veldwerkgroep ze opsporen.Met de juiste techniekenkan deze prachtige soortrelatief eenvoudig wordengeïnventariseerd, zegt men.Organisatie: VeldwerkgroepVZZ i.s.m. NatuurhistorischGenootschapPlaats: Zuid-LimburgInfo: Albin Hunia, 070-4278836 (NL).


ZOOGDIER 1999 I 0 (I )43Zoogdier I tijdschrift voor zoogdierbeschermingen zoogdierkunde• J?ap Mulder, De Holle Bilt 17, 3732 HM DeBilt. 030-2213471 (NL),• Dirk Criel, Zottegemstraat 2, 9688 Schorisse.055-456610 (B).• E-mail: zoogdier@bigfoot.comVereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming(VZZ)• VZZ-Bureau en ledenadministratie: OudeKraan 8, 6811 LJ Arnhem, tel. 026-3705318,fax 026-3704038 (NL), e-luailzoogdier@bigfoot.com.• VZZ-België: Erik Van der Straeten, Kerkeveldstraat35, 2610 Wilrijk:, 03-2180470 (B).ct Veldwerkgroep Nederland: Paul van Oostveen,Bilderdijkstraat 2513 CP DenHaag. 070-3606962 (NL),• Materiaaldepot Veldwerkgroep: Floor vander Vliet, Spaarndammerstraat 660, 1013TJ Amsterdam. 020-6828216 (NL).• Materiaaldepot VZZ-Vlaanderen: Chris Bomaars,Leuvensesteenweg 407, B-2800Mechelen. 015/430648 (B), E-mail:chris.boomaars@skynet.be• Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN­VZZ): Rudy van der Kuil, Lutherse Burgwal24,2512 CB Den Haag, 070-3652811 (NL).• Werkgroep Zeezoogdieren: Marjan AddinkNaturalis, Postbus 9517, 2300 RA Leide~(NL),.. Werkgroep Marterachtigen: Arie Swaan,Rozenstraat 13 1-C, 1016 NP, Amsterdam,0251-662225 (NL),• Werkgroep BOOlnmarter Nederland: HenriWijsman, Tony Offermansweg 6, 1251 JKLaren, 035-538903 (NL),• Beverwerkgroep: Teun Baarspul, W,A,Scholtenstraat 10, 9712 KW Groningen, 050-3180630 (NL),• Werkgroep Zoogdierbeschenning: HansHollander, Loppersumhof 26, 6835 MA Arnhem,026-3270693 (NL)• Werkgroep Voorlichting: Nico Driessen, p/aNatuur & Milieu OverijsseL Stationsweg 3,8011 CZ Zwolle. 038-4217166 (NL).• Werkgroep Internationaal: Marissa VisserBezelnbinder 31, 2401 HV Alphen aan de~Rijn, 0172-445916 (NL).• Redactie Lutra: VZZ-bureau (zie boven)Zoogdierenwerkgroep Jeugdbond voorNatuurstudie en Milieubehoud• Kortrijksepoortstraat 140, 9000 Gent.09-2234781 CB).SluitingsdataArtikelen, waarnemingen enkorte berichten zijn erg welleomop het redactie-adres, zieboven. Sluitingsdata zijn:nununer 2: 15 juli 1999nummer 3: 15 september 1999nlllnluer 4: 15 november 1999Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten• ~lex Natuurreservaten, KoninklijleeSInt Mariastraat 105, 1030 Brussel.02-2454300 (B).Vleermuizenwerkgroep van Natuur 2000• Bervoetsstraat 33, 2018 Antwerpen,03-2312604 (B).Vlaamse Vereniging voor Bestudering vanZeezoogdieren• Rob van Asselberg, Hoogheide 64, 2659Puurs, 052-301541 (B).Aanwijzingen voor auteurs• Zorg dat het artikel interessant is voor delezer. Maak er een pakkend inleidinkje bijen denk ook aan een goede afsluiting. Vermijdvaktermen en vreemde woorden. Dusbeter ,sterfte dan mortaliteit. Gebruik: geenaikortmgen. Stuur er ruim illustratie-materiaalbij,• Waarnemingen en korte mededelingenerg welkom, Lever er als het even kan eenplaatje bij,• Bijdragen aanleveren op DOS-diskette en zomogelijle in WP 5.1 en anders als ASCIIbestand(.txt). Structureer de tekst met kortetussenkopjes. Geef alinea's aan met eenenkele tab. Maak de tekst verder niet op,dus plaats geen codes in de tekst Stuur eenuitdraai mee.• Alleen hoofdletters gebruiken waar ditgrammaticaal verplicht is, dus Nederlandseplanten- en dierennalnen met een kleineletter beginnen. Gebruik de naamgevingzoals gehanteerd in het boek Zoogdierenvan West-Europa.• Ho,:!d het aantal literatuurverwijzingen zokleIn mogelijk. Literatuurlijst op alfabetischevolgorde, elk item een nieuweNiet in springen ofdergelijks,• De redactie behoudt zich het recht voor debinnengekomen artikelen te redigeren enaan te passen aan het lezerspubliek vanZoogdier,.. Het copyright van foto's, illustraties en artikelenblijft bij de betrokken fotograaf, tekenaarof auteur, Overname alleen na verkregen'rv·\c'l.".,""'....",...;...........TelefonerenVan België nam Nederland:00-31 gevolgd door het kengetalzonder 0 en het abonneenummer.Van Nederland naar00-32 gevolgd door hetgetal zonder 0 en het abonneenUHlffier.


ZOOGDIER 1999 1 0 ( I ),------en met legeWaar dient een otterstation voor? Het levert geld op. Wat moet er nooit gebeuren als ik een otterstationbezit? Dat het beest weer vrij in de natuur rondloopt. Hoe uitgestorvener een soort is. hoemeer geld hij oplevert. En stel dat mijn soort weer terug is, dan zal ik dit nooit toegeven. Kan ik uiteindelijker niet meer onderuit, heeft ontkennen geen zin meer, dan za] ik tenminste beweren dat hetnog vreselijk slecht met mijn doelsoort gaat Kan ik dit ook niet meer volhouden, dan moet ik noodgedwongeneen andere te beschermen troetelsoort zoeken.Verzin ik dit? Nee natuurlijk niet. Denkt u maar aan bomen, dassen en hamsters.De ecologie van belangenbeschermers is niet wezenlijk anders dan de ecologie van hun "prooisoorten".Je hebt generalisten en specialisten. Generalisten beschermen vrijwel alles, trekken veel donateurs,zijn weinig effectief en relatief nutteloos, maar storten niet direct in bij de eerste de beste aantalsverbeteringvan hun oogappeltjes. Nadeel is de grote conculTentie. Aan de andere zijde van hetecologisch spectrum staan de specialisten. Door hun keuze voor een beperkte niche (één soort) is deonderlinge concurrentie beperkt. Helaas is hun welbevinden omgekeerd evenredig met dat van hundoelsoort. Gaat het met de doelsoort goed, dan gaat het 111et de belangenvereniging slecht. Dus waarmoet je voor zorgen: bereik nooit je doel. Kweek vijvers vol plannen, richt tuinen vol otters op,n1aak mensen hamstergei} en laat ze hun beurzen legen, maar voorkom ...Ik weet nog een lege niche: de noordse woelmuis. Er is nog geen eigen-belangenc1ub rond de noordsewoelmuis. Te klein, te onzichtbaar? Ik zou zeggen hoe kleiner hoe beter. De noordse woelmuiswordt, 11lochten ze toch uitzichzelf kOlnen (hetgeen tegen hun en mijn belang in is), snel niet gezien.Ik kom dus niet gauw in de problemen. Er is al een malloot die roept, dat hij ze wil uitzetten.De kienl voor mijn Ï1nperiun1 is daannee reeds gelegd. Mijn schuur is alvast omgedoopt in: NordicMouse Center. Veel ruÎ1nte heb ik niet nodig, wel veel Îlnago. De lege fokbakken staan kJaar, debrochures zijn geschreven, de mensen worden rondgeleid in het niets en voorbereid op wat nooitkomen gaat. Mijn noorde woelmuis wordt de kampioen an1bassadeur in gebakken lucht.Mijn papieren zijn de mooiste. Ik win uw geld.RA-.'.., -Jt.._Zoogdier, uw kweekvijver vol zoogdiere .."-Zoogdier is het meest infonnatieve zoogdierenblad in de Benelux en verschijnt vier keer per jaar. Jekunt je abonneren door de kaart in te vullen of door overmaking van F 25,- (BF 450) op rekening000-1486269-35 (B) ofpostbank 203737 ten nalne van Penningmeester VZZ te Arnhem.2 OKTOBER: BOSDIERENDAG IN WAGENINGEN.fo: Henri Wijsman, Tony Offermansweg 6, NL-1251 KJ Laren, Email: wijsman@knoware.nl" -

More magazines by this user
Similar magazines