De stadsVOS Boommarters in Friesland ... - Zoogdierwinkel

zoogdierwinkel.nl
  • No tags were found...

De stadsVOS Boommarters in Friesland ... - Zoogdierwinkel

jaargang 1 nr. 4 december 1990De stadsVOSBoommarters in Frieslandl1eernmuiskastenDe tuimelaar van Brouwersdam


.925-1006verschijnt vier keereen ezamenliJkeVerEmll~ing voorZOOGomRInhoud(1) 90/4december 1990Relnier Akkermans, Dirk Criel,Kees Kapteyn, Piet vanReest, Mar{a Versteeg.'IloMedewerkersasoski, Pieter Eibers,Meester.DrukHPC, Arnhem.RedactieadresRedactie Zoogdier,Jansbuitensingel14, 6811Arnhem. Telefoon ReinierAkkermans: 04750-24281 (Nl).Dirk Cnel: 091-837352 (B).vu.Verenigingvoor Zoogdierkundeen Zoogdierbescherming,Jansbuitensingel 14, 6811Arnhem. 085-515069 (NL).Lidmaatschap f 37,50 of BF700per jaar. Voor Nederlandpostbank 203737, voor Belgiërekening 000-1486269-35.leden ontv e tijdschriftenlutra en Z gratis.NeBR.Nationale CampagneBescherming Roofdieren,Postbus 10, 9749 Gavere.Telefoon 091-837352 (B).Minimumdonatie BF450 off 2SVoor BelgiërekeningvoorNederland rabobank 133513866. Donateurs ontvangenhet tijdschrift Zoogdier gratis.AbonnementBelgië enLuxemburgAbonneren door overmakingvan BF 450 op rekening000-1486269-35 ten name vanpenningmeester VZZ te Arnhem,(Nederland) onder vermeldingAbodAbonneren door overmakivan f25 op pos:t1:>anl{ 2()37:ten name van penningmeesterVU te Arnhem ondervermelding 'AbonnementZoogdier'.losse nummerss, inclusief portoBestellen viaeBoommarters in Friesland, P. van der leer 3In Noord-Nederland huist een kleine geïsoleerde boommarterpopulatie.Hoe levensvatbaar is deze populatie?leptospirose ook bij hazen, S. Broekhuizen 9Nederlands onderzoek toont aan dat ook bij hazen leptospirosevoorkomt.Nieuw natuurbeleid in Nederland en Vlaanderen, 12P. van der reest & D. CrielZowel in Nederland als in Vlaanderen zijn onlangs natuurbeleidsplannengepresenteerd. Een vergelijking van beideplannen met een oog gericht op de zoogdierbescherming.Erfelijke kaakafwijkingen bij Noord-Hollandse vossen, 19j.i, MulderHet komt maar hoogst zelden voor dat onderzoekers de kanskrijgen in het veld de afstamming van een erfelijke eigenschap tevolgen.De tuimelaar van de Brouwersdam, 23M.j. Addink & C. SmeenkTuimelaars leven soms solitair en zoeken wel eens bewust demensen op. Velen hebben van de tuimelaar bij de Brouwersdamgenoten.Ervaringen met vleesmuiskasten, j.P. Bekker 26Het ophangen van vleermuiskasten kan succes hebben: Eenkraamkolonie is zelfs niet onmogelijk. Tips en trucs met eenbouwtekening om zelf aan de slag te kunnen.De stadsvos, B. Brochier 32Kwam de vos vroeger alleen op het platte land voor,tegenwoordig vestigt hij zich ook in de stad, bijvoorbeeld inBrussel. Wat zijn de gevolgen en is er gevaar voorhondsdolheid?Dassenbeschermer Daniël Ryelandt: Eenzaam 38voorvechter, j. DesmetEen interview met Daniël Ryelandt, de Belgischedassenbeschermer van het eerste uur. Zestien was hij, toen hijvol angst zijn eerste das zag, maar het vuur is nooit meergedoofd.RubriekenKort AfBoekbesprekingWaarnemingenRelmuizen in Nederlands LimburgVerenigingsnieuwsAgendaAdressen41444648SOS1Foto omslagMartijn de Jonge


ZOOGDIER (1) 90/43autoch...·f''1ut11l0ftDe boommarteris eenvan de zeldzaamste zoogdiersoortenin Nederland, waarschijnlijk zeldzamer dan de das.Toch wordt er weinig aandacht aan deze soort geschonken.Hierbij speelt ongetwijfeld zijn heimelijke levenswijzeeen rol. Eigenlijk weten we helemaal niet inhoeverre de boommarter onze aandacht nodig heeft. Ditartikel gaat speciaal in op de aanwezigheid van boommartersin het gebied van de Drents-Friese Wouden.Ook de boommarter verdient opgenomen te worden inde natuurbeschermingswet.Foto Annemarie Stegeman.


ZOOGDmR (1) 90/4Over de bedreigingen van de boommarterMartes martes is nog veel onbekend.Enerzijds beschermt zijn nachtelijke levenswijzehem, maar anderzijds magverwacht worden dat de toename vanverkeer en recreatie en het verdwijnenvan houtwallen nadelige invloed op destand hebben. Wat de verzuring vanonze bosgronden voor deze toppredatorbetekent, weten we al helemaal niet. Omte voorkomen dat dit schuwe roofdier,net als de otter, ineens en door bijnaniemand opgemerkt uit onze fauna kanverdwijnen, moeten we in eerste instantieeen beeld hebben van de verspreidingvan de soort en van de aantallenwaarin hij voorkomt.Friesland tot 1980De verspreiding van de boommarterwastot 1945 in hoofdzaak beperkt tot Gaasterlanden de bossen bij St. Nicolaasga,maar de soort werd ook af en toe in deWouden gesignaleerd (Müskens &Broekhuizen, 1986). Na 1945 zijn er geenwaarnemingen uit Gaasterland meer gemeld.Wel werd de boommarter nog in1954 en 1963 in de omgeving van St.Nicolaasga waargenomen (gemeentedossierRIVON / Müskens & Broekhuizen,1986), terwijl Willems(1967) nogenkele waarnemingen uit andere delenvan Friesland vermeldt: uit de omgevingvan Appelscha (1947), Haule (1954),Lauswolt bij Beetsterzwaag (1958), Bakkeveen(1962) en Oranjewoud (1962 en1963). Of al deze waarnemingen inder-Lokaties in het Drents-Friese Woudengebied met opgavenvan boommarters sinds 1980.11 'zekere' waarnemingeno waarschijnlijke waarnemingendaad boommarters betroffen, valt achterafniet meer te verifiëren enverwisseling met de steenmarter Martesfoina mag niet worden uitgesloten(Müskens, 1984). Tussen 1964 en 1980zijn uit Friesland geen waarnemingengemeld (Müskens & Broekhuizen.1986).Periode 1981-1986Sinds 1980 zijn door het Rijksinstituutvoor Natuurbeheer zoveel mogelijkmeldingen van boommarterwaarnemingenverzameld en nagetrokken. Tussen1981 en 1986 zijn in Friesland vier verkeersslachtoffersgevonden enonderzocht:1981, tussen Donkerbroek en Oosterwolde;1982, tussen Beetsterzwaag en Gorredijk;1983, tussen Donkerbroek en Oosterwolde;1986, tussen Deinum en Boksum (Jukema& Posthumus, 1986).Alle vier waren het mannetjes. Verderwerd nog een veldwaarneming van eenboommarter onder Lippenhuizen gemeld(Boommarterarchief RIN).Werkgroep Marterachtigen Noord­NederlandDe 'stille' periode tussen 1964 en 1981 ende meldingen uit de periode 1981-1986roepen een aantal vragen op. In eenartikel in 'Vanellus' over het voorkomenvan de boommarter in Friesland schrijvenBroekhuizen en Müskens (1986)over de Friese Wouden en de bossen opde grens van Drenthe en Friesland: 'Ofwe in dit gebied te maken hebben meteen kleine autochtone populatie diezichtot nu toe heeft weten staande te houden,of dat het hier gaat om zwerversvanuit het Drentse 'boommartergebied'tussen Veenhuizen en Roden, is niet tezeggen'. Voor de werkgroep 'MarterachtigenNoord-Nederland' was dit aanleidingeen onderzoek te starten naar hetvoorkomen van de boommarter inNoord-Nederland. Dit onderzoek is primairgericht op de vraag of er momenteelnog een gevestigde populatie in deDrents-Friese Wouden aanwezig is. Devondst van krabsporen op boomstammenwekte de indruk dat in de omgevingvan Beetsterzwaag, Bakkeveen, Appelschaen Diever de boommarter nog vrijalgemeen aanwezig zou kunnen zijn.Om vast te kunnen stellen of er inderdaadsprake is van een gevestigde popu-4


ZOOGDma (1) 90/4latie in de Drents-Friese Wouden, heeftde werkgroep in een aantal bossen intotaal 32 marternestkasten geplaatst.Hiervoor werd subsidie ontvangen vande stichting Fonds Onderzoek Natuurbeheer(FONA).Recente waarnemingenIn het najaar van 1988 werd bij Diever opéén van de opgehangen nestkasten martermestgevonden. De mest bestondvoornamelijk uit zaden en pitten en vooreen klein deel uit haren en kapotgevretenbotjes. Of het hier mest van eenboommarter of van een steenmarterbetrof, is niet te zeggen. Boommartermestruikt over het algemeen wat zoeteren aangenamer dan steenmartermest.Maar in een regenachtige periode spoeltde mest uit en verdwijnt de karakteristiekegeur. In 1989 werd, nadat er in1988 al een (boom)marter was gezien(Boommarterarchief RIN), in de omgevingvan Beetsterzwaag onder een beukeen grote hoeveelheid boommartermestgevonden. Op een tak, dichtbij tweeoude zwarte spechtengaten, lagen eveneenskeutels. Op de Veluwe zijn meerderemalen keutels gevonden op takkennabij een nestholte, die met zekerheidaan een boommarter konden wordentoegeschreven. Wat de betekenis vandeze latrines kan zijn, is nog niet duidelijk.Het is niet uitgesloten dat de dierendoor middel van deze keutels de nest- ofschuilplaats markeren. Ook werd in 1989tussen Olde- en Nijeberkoop in eennaaldhoutbosje een marter waargenomen,die op grond van de duidelijk gelekleur van de bef als boommarter werdgedetermineerd (Scheenstra, 1989).Verheugende vondstIn het voorjaar van 1990 deed de 'WerkgroepMarterachtigen Noord­Nederland' bij een controle van de marternestkastenin de omgeving van Dievereen verheugende vondst. Bij hetopenen van één van de kasten kwam eensterke martergeur naar buiten en in dekast lag een grote hoeveelheid mest.Weliswaar was de kast op het momentvan de controle niet bewoond, maar aande verschillen in dikte en lengte van dekeutels kon worden afgeleid dat er ookjonge boommarters in de kast warengeweest. De bodem van de binnenkastwas bedekt met een circadrie centimeterdikke laagmos. Het was niet duidelijk ofde marter het mos zelf in de kast hadgebracht, of dat het de resten van eenoud mezennest betrof. Onder de boomwaaraan de kast was bevestigd, lagenIn het Drents-Friese Woudengebied leeft een geïsoleerdeboommarterpopulatie. Foto Johan de Meester.5


Krabsporen van een boommarter op de stam van eeneik nabij Beesterzwaag.Foto RIN.Boommarterpoep op een beuketak gevonden bij Beesterzwaag.Foto RIN.In de buurt van Diever werd een door een boommarterin een boom opgehangen dood konijn gevonden.Foto Harm van de Veen, Ecovision.


ZOOGDIER (1) 90/4naast enkele keutels ook afgebetenveren van een bonte specht en eenzwarte specht. Op circa vijftig meter vande marternestkast staat een oude eik,waarvan een deel van de stam doorblikseminslag is afgebroken. Hierdoor isop ongeveer 3,5 meter hoogte een grote,open holte ontstaan, waarin afgebetenveren van een vlaamse gaai lagen. Op degrond en op een zware zijtak lagenenkele keutels. Op een andere zijtak lageen vers doodjong konijn. Hoewel doorhet uitbreiden van het areaal van desteenmarter tot in Friesland, bewoningvan de kast door deze andere martersoortniet geheel mag worden uitgesloten,wijzen de aard van de prooiresten ende plaats van de keutels sterk in derichting van boommarterbewoning ener zou hier dan sprake zijn van een zichvoortplantende populatie.deel uitmaken van het leefgebied van deboommarter.Wat de gevolgen zullen zijn van hetbereiken van het steenmarterfront vande Drents-Friese Wouden, is eveneensniet duidelijk. Het is echter niet uitgeslotendat daar waar beide soorten elkaarontmoeten, beiden zich zullen terugtrekkenin de voor hen optimale biotopen.Voor de boommarter zou ditterreinverlies kunnen betekenen, waardoorde populatieverder onder druk zoukomen te staan. De uitwisselingsmogelijkhedenmet andere populaties lijkenuiterst beperkt en het is daarom vanlevensbelang voor de boommarter inNoord-Nederland, dat bij het beheervan de bossen en de daartussen liggendehoutwallen en bosjes zoveel mogelijkmet de behoeften van deze soort rekeningwordt gehouden.8Twee trieste vondstenHelaas waren er in 1990 ook triesteberichten over boommarters. Tweeboommarters uit het Drents-FrieseWoudengebied vonden door het verkeerde dood. De eerste melding, in mei,betrof een mannelijk dier uit de omgevingvan Diever, dat niet ver van debewoonde marternestkast werd gevonden.Het is zelfs niet uit te sluiten dat hetde vader van de jongeboommarterswas.De tweede melding kwam uit de omgevingvan Jubbenga bij Gorredijk en betrofeveneens een mannelijk exemplaar(pers. med. S. Broekhuizen).ToekomstVoor een recente aanwezigheid van eenboommarterpopulatie in de omgevingvan Norg en Veenhuizen hebben wij totdusverre geen aanwijzing kunnen vinden.Dat geldt ook voor de rest vanNoordNederland, met uitzondering danvan de Friese Wouden en de omgevingvan Diever. Het is dan ook niet uitgeslotendat de boommarters daar praktischgeïsoleerd leven van andere boommarterpopulatiesin Nederland. Omdat aangenomenmag worden dat het hier omeen relatief gering aantal individuengaat, lijkt de vraag gerechtvaardigd ofdepopulatie in de Drents-Friese Woudenop termijn wel levensvatbaar zal zijn. Debossen in Friesland zijn relatiefklein enworden omsloten door cultuurgronden.Hoewel dit niet zeker is, is het nietonwaarschijnlijk dat houtwallen, kleinebosjes en andere landschapselementenin het aangrenzende cultuurland onder-LiteratuurBroekhuizen, S. & G.J.D.M. Müskens, 1986.Marters in Friesland: verleden, heden entoekomst. Vanellus 39:61-66.Jukema, J. &D. Postumus, 1986.Vondstvaneen boommarter Martes martes: een zeldzaamheidin Friesland. Vanellus 39:59-60.Müskens, G.J.D.M. & S. Broekhuizen, 1986.De verspreiding van de boommarterMartes martes in Nederland. Lutra29:81-98.Müskens, G.J.D.M., 1984. Uiterlijke kenmerkenvan boommarter Martes martes ensteenmarter Martes foina. Lutra27:274-286.Scheerstra, W.H., 1989.Boommarter in 01­deberkoop terug van weggeweest. DeNieuwe Ooststellingwerver, 14 juni 1989.Ik dank Sim Broekhuizen (RIN­Arnhem) voor zijn commentaar en aanvullingenop eerdere versies van hetmanuscript.


ZOOGDIER (1) 90/4e••IJ9In zijn artikel in Zoogdier 90/2 over het risico voor demens om besmette worden metleptospiren door contactmet knaagdieren, geeft Thijs Kuiken (1990) een overzichtvan wat thans bekend is over het voorkomen vaninfecties met de ziekteverwekkende soort Leptospirainterrogans bij insekteneters en knaagdieren. Daarnaastmerkt hij op dat er, behalve de bruine rat, weinig wildediersoorten in Nederland zijn onderzocht op hetvoorkomenvan infecties met leptospiren. Een diersoort, weliswaarniet behorend tot de knaagdieren, waarvan hetvoorkomen van besmetting met leptospiren wel is onderzocht,is de haas.Ook hazen zijn gevoelig voor infectie met leptospirose.Foto Sim Broekhuizen.Midden jaren zeventig vond in Nederlandeen grootschalig onderzoek plaatsnaar de aanwezigheid van leptospirosebij hazen (Hartman & Broekhuizen,1980). Van 508 hazen Lepus europaeusdie in de maanden november en decembervan de jaren 1972-1974 waren geschoten,werden bloedmonstersverzameld. Deze werden getest op antilichamentegen het serotype grippotyphosa,de veroorzaker van dezogenaamde modderkoorts. Van 427van deze hazen werd het serum ookgetest op antilichamen tegen de serotypencopenhageni, canicola,pomona, bratislavaen hyos, terwijl bloed van 173dieren ook nog werd getest op de serotypenicterohaemorrhagiae (de verwekkervan de ziekte van Weil), saxkoebing,bal/um en poi. De hazen waren afkomstiguit een veenweidegebied in Friesland,uit vijfjachtvelden in Drenthe, vierjachtvelden in de Achterhoek, tweejachtvelden aan de rand van deUtrechtse Heuvelrug, van Schiphol envan het eilandje Tiengemeten in hetHaringvliet.ModderkoortsUit het onderzoek kwam naar voren datverscheidene hazen antilichamen tegende veroorzaker van modderkoorts hadden,wat aangeeft dat hazen met deze


Haas rustend tussen molshopen. Foto SimBroekhuizen.ziekte besmet kunnen zijn. Het percentagehazen waarbij de antilichamen werdengevonden varieerde van plaats totplaats en van jaar tot jaar. Zo was van 60hazen uit de Achterhoek 39%positiefofverdacht en van 113 hazen afkomstigvande rand van de Utrechtse Heuvelrug35%, terwijl dat percentage bij 85 hazenuit Drenthe maar één bedroeg.Op het eerste gezicht lijkt dit verschilmoeilijk te verklaren, omdat de gebiedenlandschappelijk nogal wat overeenkomstenhebben. De bloedmonstersvan de hazen uit Drenthe werden echterin 1972 verzameld en die van de hazenuit de Achterhoek en langs de UtrechtseHeuvelrug in 1974. Volgens collegae vanhet Rijksinstituut voor Natuurbeheer(P. Fuchs en D. Jonkers, pers. med.) was1974 een heel goed veldmuizenjaar,waarin plaatselijk plaagniveaus werdenbereikt. Omdat, zoals ook Kuiken (1990)vermeldt, de veldmuis bij ons het natuurlijkereservoir voor modderkoorts-


ZOOGDIER (1) 90/411besmetting vormt, is het waarschijnlijkdat de jaarlijkse verschillen in besmettingbij de hazen mede het gevolg zijnvan verschillen in dichtheid van develdmuizenstand.In het Friese jachtveld werd in 1972een besmetting van 37% bij 16 dierengevonden, terwijl in 1973 géén van de 30onderzochte bloedmonsters positiefwerd bevonden. Dat jaar was daar eenuitgesproken slecht veldmuizenjaar.Natuurlijke gastherenBij het onderzoek werd geen verschil ininfectiegraad gevonden tussen mannetjesen vrouwtjes. Wel waren ouderehazen vaker besmet dan eerstejaars hazen.Dit kan zowel het gevolg zijn vanhet feit dat na een infectie hazen noglange tijd antilichamen in het bloedhouden, als van het feit dat hazen na eenbesmetting met het serotype grippotyphosalangdurig geïnfecteerd blijven. Indat laatste geval zou, zoals Kuiken aangeeft,ook de haas één van de natuurlijkegastheren van deze parasiet zijn. Datlaatste is echter lang niet zeker. Het iszelfs onbekend ofhazen welleptospirenuitscheiden. Waarschijnlijk lopen hazende besmetting op door het eten vangewas, dat door urine van geïnfecteerdemuizen is besmet.Opmerkelijk was, dat géén van de 40onderzochte hazen van het eilandjeTiengemeten positief was. Op diteilandje kwam de veldmuis niet voor,maar alleen de noordse woelmuis. Omdatde noordse woelmuis in Oost­Europa wel drager van het serotypegrippotyphosa is, was het ontbreken vande infectie wellicht niet het gevolg vande specifieke muizenfauna, maar eengevolg van de toenmalige geisoleerdeliggingvan Tiengemeten.Andere serotypenWat de besmetting met Leptospira interrogansserotype icterohaemorrhagiae betreft,werd slechts bij één haas een vagereactie gevonden. Bij de verspreidingvan de ziekte van Weil spelen hazen duswaarschijnlijk geen, of althans geen belangrijkerol.Bijhazen uit het jachtveld aan de randvan de Utrechtse Heuvelrug werden ookantistoffen gevonden tegen het serotypebratislava, waarvoor de egel het natuurlijkereservoir vormt (31% van de 113monsters positief of verdacht). Het isniet duidelijk waarom de infectie voornamelijktot dit gebied beperkt was. Hetgewicht van de besmette hazen was nietafwijkend, evenmin overigens als datvan de hazen met positieve reactie tenaanzien van grippotyphosa.Antilichamen tegen de verwante serotypenpoi en saxkoebing werdenslechts incidenteel bij hazen aangetroffen.Beide serotypen zijn uit het buitenland bekend van zowel egelsalsverschillendemuizesoorten, terwijlhet serotypepoi in Denemarken ook uit vossen isgeisoleerd. Ook hier is het waarschijnlijk,dat de hazen de infectie opdedendoor het eten van met uitwerpselen ofurine besmet voedsel. Ook deze typenzouden dan bij wilde diersoorten inNederland voorkomen. Antilichamentegen de serotypen copenhageni, canicola,pomona,ballum en hyoswerden bijde onderzochte hazen niet aangetroffen.BesmettingsgevaarOfschoon niet vaststaat dat hazen doorgeverszijn van leptospiren van de serotypenwaartegen antilichamen in hunbloed werden aangetroffen, en hazenten aanzien van de ziekte van Weil geenof slechts een onbeduidende rol lijken tespelen, kan enige voorzichtigheid bij hetomgaan met (dode) hazen geen kwaad.De kans op besmetting door hazen moetechter niet groot worden geacht. Het ismij niet bekend, dat ooit is vastgestelddat jagers en poeliers in Nederland meerbesmet zijn met Leptospira interrogansdan andere beroepsgroepen..LiteratuurHartman, E.G. & S. Broekhuizen, 1980.Antibodies to 1eptospira in EuropeanHares Lepus europaeus Pallas in the Netherlands.Zbl. Vet. Med. B 27:640-649.Kuiken, T., 1990. Leptospirose gevaar voorde mens. Zoogdier 1 (2):3-10.


ZOOGDIER (1) 90/4 12lnSf~nvoor zoog~eren•I•Hetafgelopenjaarverschenenbijna gelijktijdigin Nederlandhet Natuurbeleidsplan en in Vlaanderen het Natuurontwikkelingsplan.Deze nota's van respectievelijkhet Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserijen het Gemeenschapsministerie van Leefmilieu, Natuurbehouden Landinrichting vormen de basis van hetoverheidsbeleid inzake natuur en landschap. Beide beleidsplannenzijn omvangrijke documenten, waarin deministers hun visie en oplossingsrichtingen uiteenzetten.Reden genoeg om de plannen te bespreken, tevergelijken en vooral het beleid ten aanzien van dezoogdierfauna kritisch onder de loep te nemen.De kern van beide beleidsplannen wordtgevormd door de ecologische hoofdstructuur(in Vlaanderen groene hoofdstructuur).Dit is eenstelsel van kerngebiedenen natuurontwikkelingsgebieden, dat inde toekomst het raamwerk voor de natuurmoetvormen. Tot de kerngebiedenworden alle belangrijke natuurgebiedengerekend, zowel natuurreservaten alssommige landbouwgronden. Natuurontwikkelingsgebiedenzijn doorgaansgebieden in het cultuurlandschap metgeringe natuurwaarde, maar met gunstigeontwikkelingskansen.In kern- en ontwikkelingsgebiedenmoeten de natuurwaarden wordenveiliggesteld en vergroot. Bufferzoneszullen worden ingesteld om nadeligeinvloeden uit de omgeving te weren.Natuurlijke fysische processen, zoalsoverstroming, bezinking en kwel moetenzoveel mogelijk worden bevorderdom het natuurlijke karakter en de diversiteitvan de natuurgebieden te vergroten,aldus de beide beleidsplannen.Ecologische verbindingszones makeneveneens deel uit van de ecologischehoofdstructuur. Het zijn gebieden waarmaatregelen worden genomen ten gunstevan flora en fauna, zodat uitwisselingtussen geïsoleerde gebieden mogelijkwordt. Door het inrichten van verbindingsstroken,het aanleggen van beplantingen het beheren ofontwikkelen vankleine natuurgebiedjes wordt gepoogdhet isolement van veel grotere natuurgebiedente doorbreken. De ecologischehoofdstructuur is vereenvoudigd weergegevenin figuur 1.SoortenbeleidVoor een aantal dier- en plantesoortenwordt een specifiek soortenbeleid uitgewerkt.In Vlaanderen is nog geen lijstopgesteld van bij voorrang te beschermensoorten; in Nederland daarentegenwel. Daar zijn naast vissen (8 soorten),amfibieën en reptielen (6) en vogels (8)ook zoogdieren aangewezen, te wetenvleermuizen, das, otter, gewone zeehond,bruinvis en noordse woelmuis.De maatregelen behelzen het opstellen


ZOOGDma (1) 90/413Natuurbeleidsplan-1. --r~-jt-'-J.Niet even concreetIn Nederland zijn de hoofdlijnen van deecologische hoofdstructuur reeds ingevuld.Het Natuurbeleidsplan is er gepresenteerdals een regeringsbeslissing. Debeleidskaart verschaft inzicht in liggingen oppervlakte van de betreffende gebieden.Belangrijke keuzen bij de aanwendingvan beleidsinstrumenten zijndaarmee voor een groot deel reeds gemaakt.Het Nederlandse Natuurbeleidsplankan dan ook als zeer concreet enuitvoeringsgericht worden gekenschetst.Het natuurontwikkelingsplan voorVlaanderen bevat daarentegen voorlopigslechts een globale zogenaamdeoppervlakte-natuurkaart (verwerkt in afbeelding1),waarop een ruimtelijk beeldvan de ecologische hoofdstructuurwordt gegeven. Bovendien verkeert hetplan hier in het stadium van voorstel enis het nog onduidelijk welke richtlijnenuiteindelijk voor welke gebieden zullengelden.van soortbeschermingsplannen voornoordse woelmuis en otter, het nemenvan beheersmaatregelen voor vleermuizen,das en otter, en het uitvoeren vanonderzoek naar vleermuizen, das, otter,gewone zeehond en bruinvis.UitvoeringIn beide natuurbeleidsplannen wordenomvangrijke maatregelen in hetvooruitzichtgesteld. De Nederlandse overheidschenkt veel aandacht aan grondverwer-Tabel 1. Nederlands natuurbeleid in cijfers.Taakstelling 1990-1995 (Bron: Ministerie vanLandbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1990)doelreservaatvormingnatuurontwikkelingbeheersovereenkomstenmilieubeleidsoortenbeleidinrichting en beheeroverigebedragf. miljoen911373475187368ha13.0008.500•MINA PlAN 2000MI\.JEUBELEIDSPLAN ENNATUURONTWIKKELlNGSPLANVOOR VLAANDERENtotaal 496 21.500Tabel 2. Streefcijfers verwervingen, huur enbeheersovereenkomsten (ha) in Vlaanderen voorde periode 1990-1995 (Bron: Ministerie van deVlaamse Gemeenschap, 1990). (* = aanwijzing)natuurkerngebiedennatuurontwikkelingsgebiedennatuurverbindingsgebiedenbuffergebiedentotaal20.000ha40.000ha*9.000ha*2.300 ha*72.200haT.•• ••


Doorbreking van het isolement tussen populaties vergrootde overlevingskansen van diersoorten, zoals hetedelhert.Foto Jas Jaspers.ving, inrichting en beheer en gaat hiervoorde volgende middelen gebruiken:- aanwijzing van gebieden onder deNatuurbeschermingswet,- uitbreiding van de Relatienotagebiedenmet 100.000 hectare,- verwerving van gronden voor natuurontwikkelingen voltooiing van bestaandereservaten (90.000 hectare),- uitbreiding van de Bergboerenregelingen- uitbreiding van het aantal NationaleParken.Vlaanderen kan van een gelijksoortiginstrumentarium gebruik maken. In hetNatuurontwikkelingsplan worden alszodanig genoemd:- herdefinitie van natuurpark in regionaallandschap,- invoering van een stelsel vanbeheersovereenkomsten,- reservaatvorming- toepassing 'van het instrumentariumvan de Wet op het Natuurbehoud en- het vernieuwde beleid zal op kortetermijn vorm krijgen in een nieuwnatuurbehoudsdecreet.Wat betreft de looptijd wijken deplannen sterk van elkaar af. Het Vlaamseplan heeft een looptijd van slechts vijfjaar. Het Nederlandse plan is daarentegenopgesteld voor een planperiode van30jaar *). Dit verschil komt onder meertot uiting in de omvang van de voorgesteldemaatregelen.De Nederlandse overheid zal de komendedertig jaar diverse middelen inzetten.De planuitvoering zal plaatsvindenin de vorm van 42actiepunten en37projecten, gericht op de belangrijkstenatuurgebieden en op zeer uiteenlopendeonderwerpen, zoals watervogels,grensoverschrijdend natuur-, milieu- enwaterbeleid, multifunctioneel bos en tegengaanversnippering. Landinrichtingmoet een belangrijk instrument wordenwaarmee de grondverwerving en inrichtingvan de nieuwe natuurgebiedenwordt uitgevoerd. Voor de uitvoeringvan deze plannen zal in 1990f 41 miljoen(820 miljoen bfr) extra voor natuurwordt uitgetrokken, oplopend tot f 155miljoen (3000 miljoen bfr) in 1994.


ZOOGDIER (1) 90/4De Vlaamse gewestregering wil dekomende vijf jaar de reservaatvormingsterk bevorderen. Een groot deel van hetgeraamde bedrag van ongeveer 5 miljardbfr (f 28 miljoen) zal hiervoor gereserveerdmoeten worden.Niet gericht op zoogdierenDe plannen voor bescherming en ontwikkelingvan natuur binnen de ecologische(groene) hoofdstructuur zijn nietdirect gericht op zoogdieren. De nadrukligt op (half-)natuurlijke levensgemeenschappen,zoals bos, heide, water, veenen veenweide. Versterking van de natuurwaardevan deze terreinen, doorvergroting en verbetering van de terreincondities,zal zeker ook de positie van dezoogdierfauna ten goede komen. Metname soorten met grote territoria, zoalshoefdieren en grote marterachtigen, zijnhierbij gebaat. Versterking van het natuurlijkeregime van bodem en waterkan een gunstig effect hebben op zoogdiersoortenvan vochtige milieus, zoalsde noordse woelmuis en dewaterspitsmuis.Aan deze schaalvergroting klevenechter ook risico's. Kleinschalige cultuurlandschappendreigen te wordenopgeofferd aan natuurontwikkelingsprojecten.Hierdoor kunnen oorspronkelijkewaarden verloren gaan. Mendient zich goed te realiseren dat kleinschaligegraslandgebiedjes naast grotebos-, veen-, of heidecomplexen voorsommige diersoorten, zoals korhoen,das en ree, vaak zeer belangrijk zijn.Hiermee zal bij de uitvoering van natuurontwikkelingsprojectenen bij hetterreinbeheer terdege rekening moetenworden gehouden.Stapstenen voor zoogdierenEcologische verbindingszones makendeel uit van de ecologische hoofdstructuur.Het zijn gebieden waarin maatregelenworden genomen ten gunste vande fauna om uitwisseling tussen populatiesmogelijk te maken. Bij verbindingszonesgaat het vooral om de inrichtingvan smalle verbindingsstroken en hetversterken van kleine natuurgebieden,de zogenaamde stapstenen, waarlangsdieren zich ongehinderd kunnen verplaatsen.Zij doorbreken het isolementvan veel waardevolle natuurgebieden enversterken levenskansen binnen eenaanzienlijk groter gebied. Vooral voorzoogdieren, zoals otter, das, ree en edelhertis dit van essentieel belang. InFriesland en Zeeland gaat het om contactzonesvoor de otter. Langs de Maaszijn er tussen bossen en uiterwaardenverbindingszones bedacht voor de das.Niemand betwijfelt de noodzaak vanverbindingszones. Toch bestaat er veeltwijfel over de haalbaarheid van dergelijkeplannen. Uiteindelijk zal het welslagenafhangen van de uitvoering opdetailniveau. De ontwikkeling van stelselsvan heggen, houtwallen, rasters enfaunapassages zijn weliswaar gunstig alsfoerageer- en trekroute, maar dergelijkemaatregelen hebben geen zin wanneerondertussen de totale kwaliteit van hetleefgebied achteruit gaat.Tussen wal en schipDe gebieden buiten de ecologischeOppervlakte natuurkaart van Vlaanderen. Verklaring0-5% natuur .. 25-50% natuurI 5-12,5% natuur 11 50-100% natuur+ 12,5-50% natuur15..........................................................................................................................................." " '" ,••...... , .• ••• •• - ••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••• + ••• "'1••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••~ ••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••• ~ ••••••••••••••• I I . I.···· I I I I •••••••+•••••••••••••••••••••••••••••••o 0·····················································.···..•L '+18 ·III.I···111····.·••I•••....··· 81.·.····· ••••••••••••• ~ · ••••••• - .1----1 •••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••••• ••• 1+ I. I I • , DI ••• •••••• •••••• • •• • .... • ••••••............................................................... .. I 11+0•• + •••••••••••••••••••••••••••••••· .......••.•........•....•.••••.....••..............••.••."B I •• '81 + I I.. • + I. I I•••• • .••••••••••••••• 0 •••••••••••e+e· ••••••••••••••••••••••••••••• 1+1.1.... I ......................... I·••••••••• ••••• 10•• 1.1 •• 11+1 .• • • • • . • • . • .• • • •• • • • . • • • • • • • • . • • .. •• • • •• • •• • • • • • • • I I I 1.1 I. 1.1 I. I.. • II 1+ •••••••••• 1 III.:. I • ::::::'::~:II I ~+••••••••••••••••••• ,••••••• •••• ·····.1:::::::::::::"1 1 I1Ilil•••• I••••++.;+11 1+111::I=i't:':+:t.:lt::~:~11..1"I;.r:1.11 •• '••••••••++++11111 ••••++11 •••••• 1 ..••••...•..•...•..•••1••;11.,11+ .::::::::::::::• ••••••••••••••••• '. I I I' • • • • • I I I I 1.101 ,. .I • • • • • • • • • • • • • • • • • I I I + I + •:::::::::;.;.' IJII II 1.,1' IL:. .11::r~lj I I I ~lt,::t:::~=,. "'1::::J. I:::::t,:··.,;:::::........+ 1 11 1 I ..... ' 1+11 .118+ 11+1.+1.+ I. ++1.1.1 + •••••," .+•••1+1'•••••••• • •• • ••• I I I + •• I I I. ) I •• I + I I 1 I I I I... I I 1++ ++ I I , I. I •••• 1I. " 1.TI•• I I ••••••••+., 1 .'.11 .+1+ + 1+1111111 • I +11111 •• 1++1 ' ••+1 ..a•.. '••• I ,. 11'"••• I I I I 1 ..... I •• I I I + 1.0' .1... 1+ I I·' I. I I. .e. I e.e••••••B ••••••..... I 111+1+."+8111 .1++••81++11 1111... 1••••••••• +1•••••••• 11 •••:0+ 1 I Ij 1: 1 1+ 1 +.I~':' ::: I +:1 1:"1"·J.~+1 ~l 1111~i~:~::1' 1"::1:: 1:••t~:I:::'·I::::I 1I 10'" 0+1+1 •• 1 1+ 111+ 11++1 ..+1....... • ••••••+ .• 1)111 "11••• 11111 + ...... I +11++11 I 1111 •••••••"+1.,. .EI. • .. , ••••••• I 1•• 11. 1111 •• 1 I + 1111+1.'.1+••+ ••+. +1.1 •••+•••• , ••••••••••••• 1+. 111+'" t'+11 III 11 11111 +++•• 1 +1.1++ &1 ••••••••••••• 11 .'1 •.. ···.' & 1+111+11 111111 I 111.111+ + + 111.1 ••••••••,' .'''' 1+.1111 IIII 1111 +1+1+1+••1+••• 11 •• 1 1I 11+1.......... 1+ •• •••1+1."'11 • + I' 1I 1++.1111 ....... +•••+ I I 10. I +•• 1. + ••••••-+1 I I1I 1+++1 .. 1I +II +L •• I ••••• 1 11+1 II1 +.••••••'11 1"'1 eli I I , 1.8••0.1+1 111 I I ••••••••••••••••11+ I 111111 +1+'" •••• 11+ 1.+.1111 "1,1.11•• ,1 ••••••••f I .. 1,_.:...+ I.l. :r+"1 r ..~.l 1+1+11 1+++11 1,.11111.1.111 +111+11+.+ •••••••••I1 I'" 1 II 1+ Ir +1 I•• +1+.1 .+1+1 1'+11.+1 •••••••••I I 1 1 I I I I I • I I Ol + I... I I I , I.'" I I I 1 + I I I I + I •••••••••I.rll+ ID' 111 •••+.1 ••••• 1 • 111++11•••• ••• •... rr+ ti 1++1' + •••••'1 •••••• +1 1111. ..·1+•••••...1.~~*;;~:::1:~~ dl: I ! I I : .itT;II*rr~~'!::::::~ 11 11,,·· : ::~i~: :E................+ I I I " • ..1::::::::::::: ::1; .1;1! :~::::::::::::::::::::: -e.............. :~. .............. ..........................


In het natuurbeleidsplan wordt niet gerept over integratieen professionalisering van het faunabeheer. Er isgeen duidelijke visie over de particuliere jagerij.Foto Fred Hess.hoofdstructuur zijn witte vlekken op dekaart. De Nederlandse overheid stelt indeze gebieden de landbouwkundigefunctie primair en wil zich hier mindermet de natuur bezighouden. Nochtansbehoren tot dit witte gebied tal van waardevollecultuurlandschappen, zoalsveenweidegebieden en kleinschalige akker-en graslandcomplexen. Deze cultuurlandschappenzijn van groot belangvoor zoogdiersoorten, zoals vleermuizen,kleine marterachtigen, haas, das enhamster, die door het nieuwe beleidtussen wal en schip dreigen te vallen.In het Natuurbeleidsplan wordt metdeze cultuurlandschappen onvoldoenderekening gehouden. Wanneerde landbouw haar greep op deze gebiedenverder versterkt, moet voor eenverder verlies van de natuur in cultuurlandworden gevreesd. Het is te hopendat provincies en gemeenten zich vanhun belangrijke taak bewust zijn envoldoende (financiële-) en voldoendebeleidsruimte krijgen om hier de natuurovereind te houden. Te denken valtonder meer aan een versterking van hetsoortenbeleid en de ontwikkeling vaneen specifiek beleid voor kleinschaligecultuurlandschappen. Enkele aanzettenhiertoe worden al in het Natuurbeleidsplangenoemd.Soortenbeleid in ontwikkelingHet soortenbeleid vormt een speerpuntin de beide natuurbeleidsplannen. Watde financiële inspanning betreft wordtdit aspect echter stiefmoederlijk behandeld.De Vlaamse overheid heeft in haarbeleid nog geen post voor het soortenbeleidopgenomen. In Nederland wordtslechts 5 % van het totale budget voorhet soortenbeleid gereserveerd, watneerkomt op f2 miljoen (40miljoen bfr)per jaar. Het is duidelijk dat dit bedragniet volstaat om de noodzakelijke maat- .regelen, waaronder de uitvoering vansoortbeschermingsplannen, te treffen.Wanneer we voorts bedenken dat deNederlandse overheid zich voortaanvooral door middel van het soortenbeleidmet het witte gebied bezighoudt,blijkt opnieuw dat de maatregelen hiervoortekort schieten. De eerste soortbeschermingsplannen,voor otter endagvlinders, zijn inmiddels verschenenen worden nu reeds in praktijk gebracht.Deze geringe aandacht voor het wittegebied vormt tevens een zwakke basisvoor de verbindingszones voor deuitwisseling van dieren tussen natuurgebieden.


ZOOGDIER (1) 90/4Bijde keuze van de aandachtssoortendienen enkele opmerkingen te wordengemaakt. Het betreft tot nu toe vooral detypische reservaatsoorten, waarvoor hetcultuurlandschap weinig perspectiefbiedt. Daar het soortenbeleidjuist in hetwitte gebied een belangrijke rol kan vervullen,is het gewenst om juist aan soortenvan kleinschalige cultuurlandschappen,zoals kleine marterachtigen,das, haas en hamster, de nodigeaandacht te schenken.Het ziet er naar uit dat Vlaanderen indit opzicht niet zal achterblijven. Zo ismomenteel een soortbeschermingsplanuitgewerkt voor de das, dat zal wordengevolgd door meerdere detailplannenvoor de verschillende leefgebieden vandeze soort.Gelijkspel of overwinning?De natuurbeleidsplannen in Nederlanden Vlaanderen hebben veel met elkaargemeen. Het ecologische concept vaneen hoofdstructuur met verbindingszonesen buffergebieden vertoont quainhoud en qua terminologie opvallendveel overeenkomsten. Ook in hun aandachtvoor verwerving van reservaten,natuurontwikkeling, beheer en soortenbeleidsporen de beleidsplannen goed(zie tabellen 1 en 2). Dit opent perspectievenvoor samenwerking en onderlingeafstemming van projecten, zoalsbijvoorbeeld de vorming van grensoverschrijdendenatuurgebieden.Toch verschillen de beleidsplannenop een aantal punten sterk van elkaar.Het Nederlandse plan is vrij concreet englobaal regionaal ingevuld. Het Vlaamsedaarentegen mist een regionale invulling;ook het financiële plaatje ishier nogniet vastgesteld. Dit plan heeft daarommeer het karakter van een beleidsvoornemen,dat nog verder moet wordenuitgewerkt.Ook wat betreft het scala aan maatregelenis het Nederlandse Natuurbeleidsplanverder uitgewerkt. Duidelijk blijkthieruit de ervaring die de Nederlandersreeds op dit vlak hebben, onder anderedoor toepassing van de Relatienota. InVlaanderen moet met het afsluiten vanbeheersovereenkomsten nog een aanvangwordengenomen. De totale oppervlaktenatuurreservaat is er nog uiterstbeperkt (circa 10.000 hectare). Het isduidelijk dat Vlaanderen in dit opzichteen achterstand heeft goed te maken.Kleinschalige cultuurlandschappen dreigen te wordenopgeofferd aan natuurontwikkelingsplannen.Foto Johan de Meester.De cultuurgronden, 'de witte gebieden', vervullen eenbelangrijke rol voor cultuurvolgers als de wezel.Foto Johan de Meester.Uitdaging voor de toekomstMet het uitbrengen van de natuurbeleidsplannenwordt gebroken met eenlange traditie van vage nota's over natuuren landschap. De geschetste visieszijn duidelijk gestructureerd in de vormvan een ecologisch concept. Visies enmaatregelen worden op een logische enbegrijpelijke manier aan elkaar gekoppeld,waardoor de plannen solide overkomen.Het positieve karakter, deopname van enkele nieuwe beleidsmaatregelenen de verruiming van definanciële middelen zijn een belangrijkestap voorwaarts.Gelet op de doelstellingen en voorgesteldemaatregelen mogen de beideplannen ambitieus worden genoemd. Erwordt een duidelijk antwoord gegevenop de snelle verarming van onze natuur.Dit tekent de ernst waarmee in Nederlanden Vlaanderen een nieuwe koers


De zeehond is een van de soorten waar volgens hetNederlandse natuurbeleidsplan onderzoek aan verrichtmoet worden.Foto Fred Hess.wordt gevaren en waarmee naar wijhopen de maatregelen zullen wordengenomen.Toch blijven enkele belangrijke vragenonbeantwoord. Naast de geringeaandacht voor het witte gebied wordt nogniet duidelijk genoeg aangegeven hoe deverwerving van de vele duizenden hectarenbekostigd moet worden, waar hetgeld voor het beheer van deze gebiedenvandaan moet komen en hoe een op delandbouw ingesteld instituut als deLandinrichting tot natuurontwikkelaarkan worden omgevormd. Ook ontbreektin de plannen een duidelijke visieover de rol van de particuliere jacht inhet faunabeheer. Ten onrechte wordt erin het Natuurbeleidsplan hoog opgegevenover het functioneren vanwildbeheerseenheden, terwijl de hoognodigeprofessionalisering van het faunabeheerniet eens wordt genoemd.Aan de milieuproblematiek wordt inbeide plannen onvoldoende aandachtgeschonken. De maatregelen blijven beperkttot wat hydrologische bufferzones,milieu-effectrapportages enplannen voor onderzoek. Tevergeefsmoeten we in de natuurbeleidsplannenzoeken naar richtlijnen en maatregelenvan een ecologische normstelling voornatuurgebieden en basismilieukwaliteitin het witte gebied, zoals die in de milieuplannenvan Nederland en Vlaanderenglobaal zijn aangegeven. Het ontbrekenvan samenhang tussen het natuur- enmilieubeleid vormt een groot probleem.Zolang er geen doeltreffende maatregelengetroffen worden voor een goedemilieukwaliteit zijn alle plannen voornatuurbehoud en natuurontwikkelingimmers gedoemd te mislukken. Hier ligtde grote uitdaging voor het natuurbeleidvan de nabije toekomst.LiteratuurMinisterie van de Vlaamse Gemeenschap,1990.Milieubeleidsplan en Natuurontwikkelingsplanvoor Vlaanderen met bijlage.Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer enVisserij, 1990. Natuurbeleidsplan, regeringsbeslissing.SDU uitgeverij, Den Haag.Commentaar op dit artikel is geleverd door: Dr. M.den Boer (voorzitter VZZ), Dr. S. Broekhuizen enDr. C. Smeenk.*) Op aandrang van de Tweede Kamer heeft staatssecretarisGabor bij de behandeling op 26 november1990 toegezegd de plannen niet in 30maar in 20 jaar uit te zullen voeren.


ZOOGDIER (1) 90/419•Het gebeurt maar zelden dat verschijnselen, die samenhangenmet de erfelijke eigenschappen binnen populatiesvan zoogdieren, min of meer rechtstreekswaarneembaar zijn. Zo'n geval heeft zich voorgedaan inhet Noordhollands Duinreservaat, waar de leefwijze vande vos werd bestudeerd van 1980 tot 1985. In de loop vandat onderzoek werd duidelijk, dat een flink deel van devossen een merkwaardige afwijking vertoonde: de onderkaakwas opvallend kort. Nadere bestudering toondeaan dat hetom eenerfelijke eigenschap ging,die normaalgesproken onderdrukt wordt, maar hier een kans kreegals gevolg van de ontstaansgeschiedenis van dezepopulatie.De afwijking zit in de verkorting van het voorste deel vande onderkaak.Voor het onderzoek naar de leefwijzevan de vos (Vulpes vulpes)werden velejonge en volwassen exemplaren gevangen,om ze van een oormerk of eenzender te voorzien (Mulder, 1988).Daarbij viel het soms op dat een dier zijnbek op een wat afwijkende manier dichtdeed,omdat blijkbaar de boven- enondertanden niet goed op elkaar aansloten.Nu was het nogal moeilijk om bijeen levende, niet verdoofde vos te bestuderenwat er precies aan de hand was.Er kwam echter ook een aantal dodevossen in onze handen. Dit als eengelukkige bijkomstigheid van de vervelendeakties van stropers: er werden indie jaren nogal wat vossen vergiftigd inhet Noordhollandse duingebied. In totaalkonden 72 schedels bekeken engemeten worden. Twaalf daarvan haddeneen te korte onderkaak. Bovendienvertoonden minstens 6 levend gevangenvossen deze afwijking (Bouwmeester etal., 1989).


Schedel met een te korte kaak en een normale onderkaak.Foto's Jaap Mulder.Alles of nietsUit de metingen aan de schedels kon deconclusie getrokken worden dat het omeen alles-of-niets verschijnsel ging, datwil zeggen dat een te korte onderkaakaltijd evenveel korter was dan een normale.Het tekort bedroeg altijd 7 %. Erwas dus blijkbaargeen tussenweg mogelijk,de onderkaak was ofwel normaal,ofwel 7% te kort. De verklaring hiervoormoet wel zijn, dat het gaat om eenerfelijke eigenschap die op de werkingvan slechts één gen, de kleinste bouwsteenvan het erfelijk materiaal berust.Recessieve overervingOmdat we elk jaar probeerden alle jongenvan de gezenderde vossen te vangenkregen we ook gegevens over de familierelatiestussen vossen met en zonder deafwijking. Twee situaties waren daarbijinformatief. Drie jaar achter elkaar kreegeen 'normaal' wijfje een worp waarintenminste één jong een te korte onderkaakhad, terwijlze gedurende minstenstwee van de drie jaar gepaard was meteen normaal mannetje: uit normaleouders kunnen dus blijkbaar afwijkendejongen geboren worden. Andersom kanook: een wijfje met een te korte onderkaak,gepaard met een normaal mannetje,kreeg normale jongen. Datbetekent, dat het om een recessieveeigenschap gaat. Elk gen is in tweevoudaanwezig in het erfelijk materiaal, éénexemplaar afkomstig van de moeder enéén afkomstig van de vader; alleen alsbeide exemplaren van het afwijkendetype zijn, ontwikkelt het embryo een tekorte onderkaak. Als één van de genenechter van het normale type is, is ditdominant, en het embryo ontwikkelteen onderkaak met de normale lengte.De eigenschap voor zo'n te korte onderkaakis dus, in een verborgen vorm, inveel hogere mate in de vossenpopulatieaanwezig dan het lijkt. Zowel het mannetjeals het vrouwtje van het bovengenoemdevossenpaar, dat elk jaar eenkortkakig jong kreeg, moeten één normaalen één afwijkend gen gehad hebben,waardoor ze beide toch eennormale onderkaak hadden.HinderVoor wie zo'n abnormale schedel bekijkt,is het duidelijk dat een vos die eente korte onderkaak heeft, daar een zekerehinder van ondervindt. Het gebit isvoor een vos ongeveer het belangrijkstewat er is: hij pakt er zijn prooien mee enhij verdedigt zich ermee tegen soortgenoten.Stevige, rechtopstaande hoektandenheeft hij vooral nodig om degrotere prooien zoals konijnen goed tekunnen pakken. Bijeen normale schedelvallen de onderhoektanden precies vóórde bovenhoektanden, maar bij de kortkakigevossen zitten de boven- en onderhoektandenelkaar in de weg,waarbijde laatste vaak scheef gaan groeien. Bijenkele afwijkende schedels waren deonderhoektanden vrijwel nutteloos,omdat ze geheel naar buiten waren gebogen.Bij een paar andere waren zeafgebroken, maar dat komt bij normaalontwikkelde schedels ook vaakvoor. Bijvijf van de twaalf afwijkende schedelswas tenminste één onderhoektand naarbinnen gedrongen en in het verhemelteingegroeid. De vaak diepe putten die ditveroorzaakte, moeten voor de vossenpijnlijk zijn geweest. Het is dan ookaannemelijk, dat het merendeel van devossen met een te korte onderkaak minof meer in het nadeel is als het omcompetitie met soortgenoten gaat.Waarom zoveel?Van elke diersoort wordt wel eens eenafwijkend exemplaar gevonden, dat dansteevast in het museum belandt. Mu-


seumcollecties bevatten daardoor vaakeen onrealistisch hoog percentage abnormalevertegenwoordigers van elkesoort. Het percentage afwijkingen bij devossenschedels, die in het duingebiedvan Noord-Holland (ten noorden vanhet Noordzeekanaal) verzameld werden,slaat echter de percentages van alleandere collecties met stukken: 17 %. Inde rest van ons land, zelfs in heel West­Europa, zijn tot nu toe slechts een handvolvossen met deze ofeen soortgelijkeafwijkinggevonden.Voor de verklaring van de grote aantallenafwijkende gebitten is de ontstaansgeschiedenisvan de betreffendevossenpopulatie van belang. Vossenkwamen vroeger niet in het westen vanNederland voor, afgezien van een zeldzamezwerver. Vanaf ongeveer 1968werden er echter regelmatigvossen in deduinstreek gezien, zowel ten zuiden alsten noorden van het Noordzeekanaal.Het is zeer waarschijnlijk dat dit vossenbetrof, die door mensen waren uitgezet.Iemand heeft mij, na afloop van eenDetail van de bovenkaak van een vos met te korteonderkaak; duidelijk is het letsel te zien, aangerichtdoor de onder-hoektand. Foto Jaap Mulder.lezing die ik voor een jagersvereniginghield, in vertrouwen verteld dat er bijHeemskerk vier jonge vossen uit éénworp zijn losgelaten. Uit dit viertal vossenis de gehele huidige populatie, diezich nu ten noorden van het Noordzeekanaalbevindt, ontstaan. Daarbij is dussprake van een hoge graad van inteelt,zeker als het inderdaad begonnen is metbroertjes en zusjes. Eén van die eerstevossen moet een afwijkend gen gehadhebben, dat normaliter in een vossenpopulatiezo zeldzaam is, dat het slechtsuiterst zelden gebeurt dat er een jongevos geboren wordt met twee afwijkendegenen, en dus een te korte onderkaak.Door de inteelt in de nieuwe vossenpopulatie,waarbij broertjes en zusjes geenandere keus hadden dan met elkaar teparen, kon dit afwijkende gen zo algemeenworden dat het nu vaak gebeurtdat het in een vos dubbel aanwezig is.Het verschijnsel, dat in nieuw ontstanepopulaties bepaalde zeldzame


ZOOGDIER (1) 90/4 22aab~ - - - _ ., ,D Dao - Qo - cf'normale kaaknormale kaak• - Q111 - cf'______ relatie niet met zekerheid vastgesteldkorte kaakkorte kaak\J - QL. - cf'onbekendonbekendSchema van de familierelaties tussen vossen metnormale en korte kaken gevonden in het NoordhollandsDuinreservaatgedurende veldwerk van 1980 tot1990.eigenschappen opeens veel meer kanskrijgen, staat bekend als het 'foundereffect'.De min ofmeer toevallige combinatievan eigenschappen, die de eerstepioniers, de 'founders', in hun erfelijkmateriaal met zich mee brengen, bepaaltde mate waarin die eigenschappen laterin de hele populatie voorkomen. Menkent aan dit effekt een belangrijke rol toein het evolutieproces bij het ontstaanvan nieuwe soorten.ToekomstDe onderzochte schedels werden verzameldin eenperiode dat de populatie nogmaar juist zijn verzadigingspunt hadbereikt. Zolang er voldoende ruimte wasvoor uitbreiding, was er weinig competitie(om het bezit van een territoriumbijvoorbeeld) tussen de vossen. Daardoorwaren de overlevingskansen van deafwijkende vossen waarschijnlijk nietveel kleiner dan die van normale vossen.Nu de populatie echter alweer enigejaren op hetzelfde niveau lijkt te zitten, isde onderlinge competitie ongetwijfeldeen stuk sterker geworden. De verwachtingis dan ook, dat het percentage vossen,dat de afwijking vertoont, in detoekomst een stuk lager zal zijn. Helemaalverdwijnen kan het verschijnselnauwelijks, omdat het in zijn verborgenvorm niet nadelig is voor de vossen: danleidt het immers niet tot een verkorteonderkaak.Wellicht bestaat er over een paar decennianogmaals de gelegenheid om demate van voorkomenvan deze afwijkingin de populatie vast te stellen. Intussenheeft het een interessante illustratie opgeleverdvan één van de processen, dieeen rol kunnen spelen in de evolutie.LiteratuurBouwmeester, J., J.L.Mulder & P.J.H. vanBree, 1989. High incidence of malocclusioninan isolatedpopulationofthe redfoxVulpes vulpes in the Netherlands. Journalof Zoology, London, 219: 123-136.Mulder,lL., 1988. De vos in het NoordhollandsDuinreservaat.Deel 3:De vossenpopulatie.RIN-rapport88/43.


ZOOGDIER (1) 90/4 23Foto Martijn de Jonge.Sinds begin april 1990 (volgens sommigen al eerder)zwemt er in de Zeeuwse wateren een tuimelaar rond diemaandenlang veel belangstelling voor mensen aan dedag legde. Het is een fraai, volwassen vrouwtje, dat zichbijna een half jaar lang heeft opgehouden op enkelekleine, visrijke plekjes bij de Brouwersdam. Ze werd heteerst opgemerkt door Michel Beutin, de eigenaar vaneen patatkraam. Inmiddels is ze vanaf de dam bewonderddoor honderden mensen; ook zijn er nogal watduikers bij haar in de weer geweest.


ZOOGDIER (1) 90/4Solitaire dolfijnenTuimelaars Tursiops truncatus en anderedolfijnen leven gewoonlijk in hechtgroepsverband. Maar dit dier heeft zichkennelijk, helemaal alleen, in Zeelandgevestigd.Dolfijnen die solitair leven ende mens opzoeken, komen al voor inverhalen uit de Griekse oudheid. Ensinds in 1955 een jonge tuimelaar, 'Opo'genaamd, in Nieuw Zeeland de hartenvan talloze mensen stal door zelfs kinderenop haar rug te laten rijden, is hetverschijnsel van dolfijnen die vriendschapsluiten met mensen, veelvuldigbeschreven aan de hand van tientallengoed gedocumenteerde gevallen (zieLockyer, 1990). Het patroon is meestaldat er ergens een dolfijn (bijna altijd eentuimelaar) wordt ontdekt die zijn ofhaarkuddeverband is kwijtgeraakt of heeftverlaten (hoe of waarom is niet bekend).Deze dolfijnen blijken in de regel weinigschuwen gaan contact met mensen nietuit de weg. In veel gevallen lijken ze ditcontact zelfs uit eigen beweging te zoeken,vooral met mensen die op ofin hetwater werken, zoals vissers en duikers.Als het tenslotte bekend wordt, ontstaater vaak een hele toeristenindustrie rondzo'n dier, helaas nogal eens met nadeligegevolgenvoor de dolfijn in kwestie. Vaneen aantal 'tamme' tuimelaars is bekenddat ze van tijd tot tijd ook contacthadden met soortgenoten, waarna zetoch weer terugkwamen op hun oudeplekje, of niet ver daarvandaan. Verschillendedolfijnen hebben deze bandmet de mens jarenlang volgehouden.Geen onbekendeHoewel het verschijnsel van een'tamme' dolfijn nieuw is voor Nederlandof België, is de tuimelaar geen onbekendevoor onze kust. Uit strandingsgegevensweten we, dat de soort tot in dejaren zestig niet zeldzaam was in onzewateren (Bakker & Smeenk, 1987). Debioloog Jan Verwey heeft in de jarendertig een hele studie verricht van detuimelaars in het Marsdiep, die hij observeerdevanaf de dijk in Den Helder.Ze waren daar het talrijkst in de periodemaart-mei, wanneer de Zuiderzeeharingkuit schoot. Na de voltooiing van deAfsluitdijk in 1932 heeft deze haring nogeen aantal jaren in de Waddenzee gepaaid,maar de populatie hield geenstand. Hierdoor verdween de (vermoedelijk)voornaamste voedselbron voordeze tuimelaars. In 1939 waren dezedolfijnen in het Marsdiep vrijwel ver-24dwenen (Verwey, 1975). In de tweedehelft van de jaren zestig is de tuimelaarplotseling sterk achteruitgegaan langsonze hele kust. De soort is nu bepaaldzeldzaam in de Noordzee.GedragTerug naar de Zeeuwse tuimelaar. Tijdensonze bezoeken aan de Brouwersdamwas goed waar te nemen hoe hetdier zich beperkte tot een plekje vanenkele hectaren, waar vaak fuiken vanvissers stonden opgesteld. Het was kennelijkeen voedselrijk stekje en verschillendemensen hebben haar vis zienvangen. Van tijd tot tijd maakte ze eenserie schitterende sprongen, waarbij zezich plat op het water liet ploffen. Wekonden ons niet aan de indruk onttrekkendat ze dit echt voor haar plezierdeed. Ze had belangstelling voor duikersen plankzeilers. Vanafde dam was goedte zien hoe ze de duikers van achterenbenaderde, maar steeds een minimumafstand hield. Soms was ze langere tijdafwezig; ze wisselde tussen twee vasteplekjes en werd door vissers ook verderbuitengaats gesignaleerd.Een van ons (Marjan Addink) heeft inaugustus met haar gedoken. Op datmoment was ze geïnteresseerd maarterughoudend en ging ze duidelijk haareigen gang. Met ons vieren zwommenwe rustig naar haar toe en ze bleef eenhele poos bij ons in de buurt. Verschillendekeren begon ze aan een seriesprongen, op slechts 4 tot 5 meter vanons vandaan. Na een poosje liet ze onsachter en ging naar enkele vissers dieverderop bezig waren. We zijn toenopnieuw naar haar toegezwommen enwonnen haar aandacht weer. Ze was dieochtend ook bezig om met haar snuit enmet de zijkant van haar rug een vrijgrotekwal omhoog te gooien. Dit spelen metkwallen is ook waargenomen bij tweetuimelaars die zich op 17 oktober 1986enkele dagen bij de pieren van IJmuidenophielden en is ook van elders beschreven(zieDos Santos & Lacerda,1987). Dedieren bij IJmuiden drukten de kwallenmet hun borstvinnen tegen het lichaam.In het haventje van de Brouwersdamspeelde onze dolfijn soms met stukkenplastic die daar (helaas) in het waterdreven. Anderen hebben gezien hoe zezich zelfs nogal 'ruw' met een eidereendvermaakte; ook dit spelen met levendevogelsis beschreven door Dos Santos &Lacerda. Kort na onze zwempartij heeftze zich, als het verhaal klopt, laten aanra-


ken door enkele kinderen die bij haar inhet water waren.Niet lang daarna is ze van haar vastestekje aan de Brouwersdam verdwenen;het lijkt erop dat ze meer is gaan zwerven.De laatste maanden zwemt ze verderuit de kust, op plaatsen die mindergemakkelijk bereikbaar zijn voor mensen.Is de drukte haar toch te veelgeworden? Heeft ze betere visplekjesontdekt?Soms gaat het misIn het verleden is het met verschillende'tamme' tuimelaars uiteindelijk misgegaan.Het ging daarbij vooral om dierendie zich lieten aanraken door een kleinaantal mensen die ze vertrouwden. Alsdat dan bekend raakte, wilde bijna iedereenzo'n 'dolfijnervaring' meemaken.Met gevolg dat het dier dagelijks werdbelaagd door tientallen, zo niet honderdenmensen. Het gevolg was dat dedolfijn geheel over zijn toeren raakte,wild werd en tenslotte zelfs gevaarlijk.Men lijkt niet altijd te beseffen dat hetuiteindelijk niet gaat om een mens, maarom eenwilde diersoort, die in haar eigenelement duidelijk de baas is en niet altijdis gediend van wat wij leuk vinden.Enkele dolfijnen zijn tenslotte doodgeschotendoor vissers of criminelen. Ineen baai in Australië, waar een helegroep tuimelaars contact met mensenheeft gelegd, is het nodig gebleken bordente plaatsen die ervoor waarschuwende dieren niet te voeren (met zaken alschocolade en sinaasappels) en niets inde ademopening te stoppen.Bij de Brouwersdam zijn wij rond pinksterenbang geweest dat de drukte metonder meer speedboten en waterscootersuit de hand zou lopen: men viel dedolfijn voortdurend lastig. Gelukkigwerd de situatie goed in de gaten gehou-De 'tamme' dolfijn bij de Brouwersdam is een nieuwverschijnsel voor België en Nederland.Foto Marlijn de Jonge.den door Michel Beutin en onze collegaHenk Baptist. Ook de politie heeft enkelemalen flink opgetreden. Een poginghaar vaste stekje af te zetten met eendrijflijn is echter stukgelopen op ambtelijkecompetentiestrijd en bureaucratie.Misschien is het daarom wel goed datonze tuimelaar op het ogenblik buitenhet bereik van de meeste mensenzwemt. Maar het contact met deze dolfijnis voor velen wel een heel bijzondereervaring geweest.LiteratuurBakker, J. & C. Smeenk, 1987. Time-seriesanalysis of Tursiops truncatus, Delphinusdelphis, and Lagenorhynchus albirostrisstrandings on the Dutch coast. EuropeanCetacean Society Newsletter 1:14-19.Lockyer, Ch., 1990. Review of incidentsinvolving wild, sociable dolphins, worldwide:337-353. In: S. Leatherwood & R.R.Reeves (eds.). The bottlenose dolphin.Academie Press, San Diego.Santos, M. dos & M. Lacerda, 1987. Preliminaryobservations of the bottlenose dolphin(Tursiops truncatus) in the Sado estuary(Portugal). Aquatic Mammals 13:65-80.Verwey, J., 1975. The cetaceans Phocoenaphocoena and Tursiops truncatus in theMarsdiep area (Dutch Waddensea) in theyears 1931-1973. NIOZ Publikaties en Verslagen17a, b T:I-153.


ZOOGDIER (1) 90/4 26Nestkastenvoor holenbroedende vogels zijn bijiedereenbekend. Veel vleermuissoorten bewonen boomholten.Speciale vleermuiskasten zijn dus een voor de handliggend idee. Na aanvankelijke teleurstellingen en veelgeëxperimenteer met verschillende typen kasten, luktehet om de dieren de kasten te laten accepteren. Momenteelmaken in vier bosgebieden in Zeeland vier soortenmin ofmeer regelmatig gebruik van de kasten.Een door de grote bonte specht opengehakte vieermuiskast.Foto Jan Piet Bekker.Vleermuiskasten bestaan in soorten enmaten; in totaal zijn het er ongeveertwintig. Diverse modellen doen deronde, zoals die van Issel, Stratmann,Steckby en Richter (Jüdes, 1985). Ookzijn er inmiddels twee Nederlandse modellen:het type 'Ridder' (Ridder et al.,1981) en het type 'Bruijn' (Bruijn, 1987).Vleermuiskasten zijn meestal van houtgemaakt, maar er zijn ook enkele modellenop de markt van houtbeton (eenmengsel van zaagsel en beton).Toch waren mijn eerste ervaringen metvleermuiskasten niet al te positief. Ikhad er in 1986 drie gemaakt van hout enafgedekt met asfaltpapier. De aanvliegplankwas bespannen met horregaas omhet naar boven klauteren te vergemakkelijken.De kasten hingen rond het huisen na een jaar bleek er geen enkelevleermuis in terecht te zijn gekomen.Toen ik het jaar daarop zelfdrie gewonedwergvleermuizen Pipistrellus pipistrellusineen kast zette, hakte een grotebonte specht een gat in de achterwandmet als gevolg een kapotte kast en dedood voor de dwergvleermuizen.Eenvoudige kastenOndertussen had ik wel wat geleerd vandeze eerste ervaringen: de kasten warenveel te mooi en in ieder geval te arbeidsintensiefom te maken. In Engelandmaakte ik kennis met een door Stebbingsgemodificeerd model van de RichterII: de vorm van een vogelkast meteen tot vliegplank verlengde achter-


ZOOGDma (1) 90/4 27wand. Deze kasten waren wat simpelervan constructie en in de kortste kerenstonden er vijf klaar.Ik hing ze dit keer niet op rond het huis,want daar was genoeg plaats voor vleermuizente vinden. Ze kwamen te hangenin het Veerse bos, vlak in de buurt. Ditbos is aan het eind van de vijftiger jarenaangelegd rond het krekengebied bijVeere en bestaat uit populier, es, iep, eiken beuk. Het bosvak waar de kasten ineerste instantie werden opgehangenbestaat in hoofdzaak uit eik en beuk.Eerste vleermuizenIn het najaar van 1987 bleek een aantalvan de kasten bewoond te zijn doorgewone dwergvleermuizen en ruigedwergvleermuizen Pipistrellus nathusii.Door dit positieve resultaat maakte ik erbinnen korte tijd tien vleermuiskastenbij. De kasten hing ik op langs een padop een hoogte van ongeveer 4 meter,met een onderlinge tussenruimte vanongeveer 40 meter. Het pad kwam uit opeen vijver omgeven door bos; daarmeewas een rij kasten gesitueerd langs eenpad dat liep van een spreng naar eenvijver.Bij regelmatige controles van de kastenin 1988 bleek er, naast ruige dwergvleermuizenen dwergvleermuizen, ook eengrootoorvleermuis Plecotus auritus invoor te komen en aan het einde van datjaar werd er een aantal watervleermuizenMyotis daubentonii in gevonden.Opnieuw werd in die winter het aantalkasten uitge breid tot een totaal vantwintig. Hiermee werden twee rijenvleermuiskasten gerealiseerd.; ZAAGSNEDEI:III/II /I /: 1/ ....10/I /INVLIEG KIER 1,5cm~ 't' I(.Tl IOPHANGKRAMMESTGOOT-13-Bouwtekening van vleermuiskastmodel naar eigen ontwerp.Maten zijn in cm. Achterplank ruw hout, 2,2 cmdik. Ga uit van courante houtafmetingen. Zijplankjesbij voorkeur multiplex. Binnenzijdedak witverven.Kraamkoloniekast bij een vijver in het Veerse bos.Foto Jan Piet BekkerCoControlemethodenDe controle van het vergrote aantalkasten kostte wel meer tijd en bovendienbehoorde de controle van de bezettingzodanig te verlopen dat devleermuizen niet hoefden te wordenverstoord. Met een sterke lamp vanonderaf in de kast schijnend, was hetmogelijk de vleermuizen in de kast tezien hangen, als ze tenminste tegen devliegplank hingen. Dat hield in dat ik devleermuizen er toe moest 'dwingen' omtegen de vliegplank te hangen en niet opvoor mij onzichtbare plaatsen. Dat bereikteik door in de kast een gedeelteschuinweg met een stukje hardboarddoormidden te delen en de overige wandenglad te maken. Bovendien gafik deonderkant van het dekplankje een likwitte verf, zodat bij het beschijnen de


ZOOGDmR (1) 90/4Dwergvleermuizen maken regelmatig gebruik van dekasten.Foto Johan de Meester.Doodgevonden watervleermuizen in mestgoot vanvleermuiskasten bewoond door kraamkolonie; boven:gemummificeerde embryo, onder: gemummificeerdpas geboren jong.Foto Jan Piet Bekker.Jonge watervleermuis met zwarte kinstip.Foto Marja Lina.28vleermuizen goed afstaken.Controles met de lamp kunnen het bestuitgevoerd worden op bewolkte dagen;bij veel zonlicht is het namelijk nogallastig om in de donkere vleermuiskastvoldoende contrast te verkrijgen omvleermuissoorten te onderscheiden.Om daarnaast ook te weten te komen ofvleermuiskasten buiten de controleperiodebezet waren geweest, werd aan deonderkant van de aanvliegplank de helftvan een stuk afvoergoot bevestigd.Vleermuiskeutels werden op deze manieropgevangen in de mestgoot.Om de 14 dagen klom ik op een laddernaar de kasten. Met een spiegeltje en eenlampje werd elke vleermuiskast bekekenen de eventueel aanwezige dieren werdengedetermineerd. Tegelijkertijd konbekeken worden ofer sinds mijn laatstebezoek vleermuiskeutels in de mestgootterecht waren gekomen.Andere plaatsenDoor het succes in het Veerse bos aangemoedigdmaakte ik er nog 30 vleermuiskastenbij. Het model paste ikenigszins aan: het vierkante verblijfsboxjeveranderde ik in een driehoekigmodel. Ik koos drie betrekkelijk jongebosgebieden langs de kust; het eerstegebied had geen (kleine) waterpartijenin de buurt terwijl de andere twee oudekreken (dus brak water) omsloten. Deeerste serie van tien hing ik eind 1988 oplangs een pad parallel aan en vlak achterde Veerse dam op de Schotsman teNoord-Beveland en eind 1989 plaatste iker tien in Rammekenshoek bij Ritthemop Walcheren. Tenslotte kwamen erbegin 1990 nog tien te hangen op deSchelphoek op Schouwen-Duiveland.De kasten in deze gebieden werdenenkele malen met de lamp gecontroleerden een keer perjaar met de ladder.In de kasten op de Schotsman werdentot en met oktober 1990 geen vleermuizengevonden. In Rammekenshoekwerd in september 1990 de eerste dwergvleermuisin de kasten gesignaleerd enin de kasten op de Schelphoek werdenna het eerste seizoen al vier dwergvleermuizengezien. De aanwezigheid van dewaterpartijen speelt ongetwijfeld een rolin de aanwezigheid van de vleermuizen.Trends en fenologieLangzamerhand kreeg ik een redelijkbeeld van de aanwezige vleermuizen inhet Veerse bos en het gebruik van dekasten. In de eerste jaren kon ik de


ZOOGDIER (1) 90/4volgende trends waarnemen.De eerste dwergvleermuizen zijn eindmaart in de kasten aanwezig, en in deeerste weken van april neemt hun aantaltoe. Bijna elke keer gebruiken ze eenandere kast. De ruige dwergvleermuizenvestigen zich in de loop van de zomer eneind augustus komt een fors aantal(vrouwtjes?) de populatie versterken.Het lijkt zo te zijn dat de ruige dwergvleermuizende dwergvleermuizen verdringenuit de beschikbare kasten. In deloop van oktober verdwijnen de ruigedwergvleermuizen weer. Medio novemberduikt er nog wel eens een enkeledwergvleermuis in de kasten op.Watervleermuizen zijn ook eind maartal present; hun aantal stijgt tot in de.eerste weken van april. Ze blijven totomstreeks 20 november gebruik makenvan de kasten. De watervleermuizenbleken opvallend honkvast te zijn: keerop keer kon je een zelfde aantal indezelfde kast aantreffen en alleen in deherfst verhuisden ze wel eens. In oktobervoegde er zich een aantal vrouwtjesbij de groep waardoor in de kasten eenforse cluster ontstond die bij controlemet de lamp niet meer exact te tellenwas. Trouwens, ook bij de controles metde ladder was het niet eenvoudig om ervia het spiegeltje achter te komen hoeveelexemplaren er hingen.In het najaar van 1987 werd een aantalmalen een grootoorvleermuis in eenkast gesignaleerd en ook in het voorjaarvan 1988 werd nog een keer een exemplaargezien. Nadien zijn er geen grootoorvleermuizenmeer in de kastenaangetroffen..Niet onvermeld mag blijven dat in dezomer van 1989 een baardvleermuisMyotis mystacinus/brandtii in één van dekasten hing; deze soort is later nietmeerin de kasten gezien.Kraamkolonie in kastIn de loop van 1990 bleek het aantalwatervleermuizen in de kasten in hetVeerse bos veel groter te zijn dan dejaren daarvoor, het besloeg bijna hetdubbele. Om de verstoring te beperkenbesloot ik eens in de 14 dagen controleste doen met de lamp en eens per maandmet de ladder. Op 1juni 1990vond ik inde mestgoot van kast 4, waar steedswatervleermuizen verbleven, de ingedroogdemummie van een vleermuisembryodat kennelijk door vroeggeboorteverloren was. Na 14 dagen bleekde groep watervleermuizen te zijn ver-30huisd naar kast 18. Bij de controlerondesmet de lamp was het me alopgevallen dat bij die kast overdag piependegeluiden te horen waren. Op 30juni 1990 kreeg ik zekerheid dat er eenkraamkolonie in de kasten aanwezigwas: er bevonden zich enkele jongewatervleermuizen tussen de volgroeidedieren. Wel werd nog een dood, voldragenjong aangetroffen dat net boven demestgoot aan een spijker hing.Voorzover ik in de literatuur kon nagaanwas dit de eerste kraamkolonie van watervleermuizenin een kast in Nederlanden wellicht de eerste in Europa. Later inhetjaar werden in een paar kastenjongewatervleermuizen aangetroffen (herkenbaaraan de zwarte kinstip ).Andere kastbewonersVleermuizen zijn niet de enige gebruikersvan vleermuiskasten. De grotebonte specht Dendrocopus major en degroene specht Pieus viridis gebruiken debuitenzijde van de kasten in het voorjaarals resonantie-trommel. Daarbij moetvooral de aanvliegplank het ontgelden.Alleen in het in de inleiding vermeldegeval is via de achterzijde een gat gemaakt.Een enkele maal proberen spechtenook wel de toegangsspleet teverwijden en zichzelf toegang te verschaffen.Spechten is dit niet geluktmaar pimpelmezen Parus caeruleuskruipen doorde verwijde toegangsspleetnaar boven om op aanwezige insekten tefoerageren. Tot nu toe hebben pimpelmezentwee keer een nest gemaakt inmijn vleermuiskasten: vleermuizen makenin die gevallen geen gebruik van dekast.Min of meer vaste gasten in de kastenzijn oorwormen Dermaptera en spinnenArachnidae; roestjes Scoliopteryx libatrixzijn geregelde bezoekers. Oorwormenzitten doorgaans in de hoeken aan debovenzijde tegen de vliegplank, terwijlroestjes zich vaak vlakbij de toegangsspleetophouden. Het is opvallend hoesnel deze insekten de kasten weten tevinden: vaak al binnen enkele dagen.Een enkele maal zijn ook blinde bijenEristalis tenax in een vleermuiskast tevinden. In de vochtige seizoenen komener ook wel eens naaktslakken Arion ateren Limax maximus en een-enkele pissebedPorcellio scaberinvoor. Tot nu toe iser twee keer een nest van de gewonewesp Vespula vulgaris in gevonden. Hetverhindert vleermuizen er overigensniet van gebruik te maken van deze


31'onderverhuurde' kasten.Tot slotDe bouwtekening geeft weer hoe menzelf een vleermuiskast kan timmerenvan het hier door mij gebruikte type.Gebruik voor de aanvliegplank ongeschaàfdhout; dat vergemakkelijkt hetnaar boven klimmen. Een zaagsnede inde top van de aanvliegplank maakt hethangen op die plaats aantrekkelijk. Eenkwastjeverf aan de buitenzijde verhoogtde duurzaamheid. Met vier krammen opde zijkanten van de aanvliegplank is hetmogelijk de kasten op te hangen. Zelfgebruik ik daarvoor graag restanten éénaderigelectriciteitssnoer. Bij de jaarlijkseschoonmaakronde (in decemberof januari) dient zonodig het snoer omde boom te worden verwijd. Gebruikvoor het ophangen van de kasten in debomen in geen geval spijkers: deze gaanop den duur roesten. De boseigenaarheeft dat liever niet (lagere opbrengstvan het hout en gevaar bij het verwerken).Het is trouwens noodzakelijk omvoor het ophangen van de kasten toestemmingte vragen aan de boseigenaar.De beste plaats om vleermuiskasten opte hangen is in de nabijheid van vijversen andere waterpartijen. Waterrijke biotopenzijn uitstekende foerageerplaatsenvoor een groot aantalWatervleermuizen blijken de kasten zelfs als kraamkoloniete gebruiken.Foto Johan de Meester.Figuur 6.vleermuissoorten. Kies bijvoorkeur eenjong bos uit om de kasten op te hangen,want daar zijn doorgaans nog maar weinigspechtegaten of andere natuurlijkeboomholten of spleten. En tenslotte,hang een flink aantal kasten op: vleermuizenmoeten de mogelijkheid hebbenom geregeld van verblijfplaats tekunnen wisselen.LiteratuurBruijn, Z., 1987. Vleermuiskast. Gestencild(1-3). Uitgave in eigen beheer.Ridder, R.M., P.R.C. Lina & A.M. Voute,1981.Vleermuiskasten: 1-7.Ministerie vanCultuur, Recreatie en MaatschappelijkWerk, Rijswijk/Laboratorium voor ZoölogischeOecologie en Taxonomie, RijksuniversiteitUtrecht.Jüdes, U., 1985. Fledermäuse und ihrSchutz. Informationen undMaterialien fürdie regionale Naturschutzarbeit. 1-144.


ZOOGDIER (1) 90/4 32De vos blijkt niet gebonden te zijn aan één welbepaaldbiotoop. We komen hem in de meest verschillendeomgevingen tegen: duinen, bos, heide, bergen ofwoestijnen.Ook in ons land wordt de vos zowel in een open alsgesloten landschap gevonden, maar hij schijnt een voorkeurte hebben voor halfopen terreinen met bosjes,bosranden, kreupelhout, heggen en houtkanten. Hoewelde vos aanvankelijk vooral in landelijke gebiedenvoorkwam, is hij de laatste tientallenjaren niet meerwegte denken uit de stedelijke omgeving. Met name inBrussel rukt de vos op.Vossen weten sluikstorten snel te benutten als voedselbron.Foto Wildlif Pictures.Het duurde evenDe kolonisatie van de stad door de vosVulpes vulpes manifesteerde zich aanvankelijkuitsluitend in Groot­Brittannië (Harris, 1977), maar uit recentonderzoek is gebleken dat de vossenondertussen ook in andere steden hunintrek hebben genomen, zoals Parijs,Oslo, Kopenhagen, Stockholm, Madrid,New York of Toronto. (Debuf, 1987;Artois, 1988). In Groot-Brittannië is deuitbreiding van de vossenpopulatie naarde stad inmiddels zeer omvangrijk geworden.Uit een studie blijkt dat vossensedert 1930 in de Londense buitenwijkenvertoeven (Teagle, 1967). In 1965werden ze reeds tot op 10kilometer vanhet stadscentrum aangetroffen. Rondhet begin van de jaren 70 werden ookvossen gezien te Bristol, Edinburg enOxford (Harris, 1981; Kolb, 1984; Macdonald& Newdick, 1982). Deze kolonisatieis vrij recent en valt samen met eenhernieuwde stadsordening. Door de uitbreidingvan de stedelijke kernen tot inde buitenwijken ontstond er een andertype randstad, met veel residentiële wijken.De eigendommen in dit deel van destad zijn uitgestrekt en worden gekenmerktdoor grote en aaneengeslotentuinen. De hoeveelheid groene ruimte ishier aanzienlijk groter dan elders in destad en dient voor recreatie ofhet krijgteen bestemming als kerkhof, spoorwegberm,volkstuin of braakland. Ook vindenwe hier nog restanten van delandbouwzone. In dit 'nieuwe' milieu,met verspreide bebouwing vindt de vosvoldoende voedsel en dekking.Voldoende voedsel en ruimteHet leefgebied van de vos varieert inoppervlakte van 50 tot 1.600 hectare,


maar ligt in Europa gemiddeld rond de100 hectare. De grootte is rechtstreeksafhankelijk van het voedselaanbod: hoegeringer het voedselaanbod, hoe groterhet territorium is en omgekeerd. Devossenpopulatie volgt deze trend. Hetopportunisme van de vos inzake zijnvoedsel houdt rechtstreeks verband metzijn aanpassingsvermogen, hetgeen totuiting komt in de biotoopkeuze, zijnvoortplantingsvermogen, zijn sociale organisatieen het ruimtelijk gebruik. Deecologische elasticiteit van de vos heefthem tot een cultuurvolger verheven. Ineen halfstedelijk milieu dat rijk is aanvoedsel kan de dichtheid oplopen tot 1vos per 30 hectare; in de kale en uitgestrekteSchotse hooglanden daarentegenbeperkt de populatie zich tot éénkoppel per 4.000 hectare.In Wallonië varieert de populatiedichtheidal naargelang de regio die menbeschouwt, maar de vos komt er op veelplaatsen algemeen voor. In Vlaanderendaarentegen is de vos minder algemeen.Dit neemt niet weg dat het fenomeenvan de 'stadsvos' ook in België zijnintrede heeft gedaan, aangezien de soortregelmatig wordt gevonden in of rondIn Brussel leven tenminste 2,5 vossen per vierkantekilometer.Foto Johan de Meester.de steden Luik, Namen, Charleroi enBrussel (gemeenten Oudergem, Ukkelen Bosvoorde). De bevolking van deBrusselse randstad door de vos en degestage populatie-aangroei zijn van zeerrecente datum. Nauwelijks twintig jaargeleden was de vos hier beslist eenzeldzaamheid, waarvan de vondst grootopzien baarde. Tegenwoordig wordt deaanwezigheid van de vos in het verstedelijktmilieu nog steeds in de pers genoemd,maar de stadsvos is nuonderwerp van een felle discussie tussenvoor- en tegenstanders van deze ontwikkeling.De vossenstand kan plaatselijkhoog oplopen, waardoor de kans opschade aan pluimvee en jachtwild nietonbestaande is.Hondsdolheid: een gevaar?Het is een gekend feit dat de vos inBelgië een belangrijke overdrager is vanhondsdolheid. Dit virus blijft een probleemvoor de volksgezondheid, zelfsindien, zoals in alle Westeuropese landen,geen mensen hieraan sterven. We


ZOOGDIER (1) 90/4mogen niet vergeten dat in 1989 nietminder dan 1300 personen in Europategen hondsdolheid zijn behandeld, nadatze met een ziek dier in contact warengekomen. Verder mag men het effectervan op andere wilde dieren, vooralmarterachtigen, niet onderschatten, ookal is dit moeilijk te meten.Het front van de ziekte bereikte in1966 België en heeft zich voortgezet inwestelijke en zuidelijke richting tot aande vallei van Samber en Maas, die eennatuurlijke barrière blijkt te vormen.Ook in andere Europese landen stoptede uitbreiding en de ziekte stabiliseerdezich ter hoogte van het front, hetgeenwordt gekenmerkt door het permanentekarakter van de ziektehaarden en deregelmatige uitbraak van de ziekte in debesmette gebieden (Marchal, 1985).Intussen (sedert 1989) zijn enkele gevallenvan hondsdolheid boven de lijnvan Samber en Maas vastgesteld(Thomas et al., 1989). De twee eerstegevallen te Ittre (Brabant) en te Pont-à­Celles (Henegouwen) zijn hoogstwaarschijnlijkhet gevolg van opzettelijkeintroducties van besmette kadavers afkomstiguit hondsdolle zones. Men vermoedtkwade opzet, omdat sommigen,meestaljagers, het behoud van bepaaldewettelijke bestrijdingsmethoden zoalsafschot, vergassing en klemmen nastrevenin plaats van ruimte te geven aanalternatieve bestrijdingsmethoden,zoals orale vaccinatie. Zulke criminelehandelswijzen zijn uiterst gevaarlijk envolledig afte keuren. Anderzijds wijzende andere gevallen van hondsdolheidten noorden van de Samber- en Maasvallei,met name in de provincie Namen,op een uitbreiding van het ziektefront.Met de uitbraak van deze ziektehaard inde streek rond Namen is de natuurlijkegrens van Samber en Maas dus overschreden.Met deze wetenschap in hetachterhoofd is het ogenblik gekomenom de risico's van een eventuele uitbreidingvan hondsdolheid naar het westentoe in te schatten, vooral met het oog opdichtbevolkte streken zoals hetBrusselse.Vossen in BrusselTen zuidoosten van Brussel werd in vijfregio's (in de gemeenten Overijse, Terhulpen,St.-Genesius-Rode en Eigenbrakel)onderzoek verricht naar hetvoorkomen van vossen. Het landschapis hier over het algemeen halfopen enopgebouwd uit landgoederen en gebou-34wen met grote tuinen die worden doorspektmet bosjes, akkers, weilanden enparkgebieden. Deze zandleemstreek islichtjes heuvelachtig en wordt doorsnedendoor verschillende grote verkeerswegen.Gedurende een meerjarig veldonderzoek(in de lente van 1984, 1986, 1988 en1989) vonden we hier 22vosseburchten.Bij elke burcht werden nauwkeurig allesporen genoteerd. Door observatie ofvangst van de jonge vossen kon debewoning van de burcht worden bevestigd.Er bestaat een grote variatie in dekeuze van de nestplaats. Een aantalholen werden op merkwaardige plaatsenaangetroffen, onder andere in ongebruikteafvoerkanalen, in privétuinen(buiten medeweten van de eigenaar), inbermen van autosnelwegen en in zandgroeven.In Ukkel werd zelfs een nestgevonden in een afgedankt hondehok.Het gebruik van kunstmatige nestplaatsenis voor vossen niet ongewoon.Sommige burchten worden zowel doorvossen als konijnen Oryctolagus cuniculusbewoond. Ook dit samenwonen isreeds langer van vossen bekend. Opmerkelijkis dat de kraamburchten tamelijkdicht bij woningen, begraasde weilandenen drukke straten kunnen liggen.Te veel, te weinig?In 1989 kon over een oppervlakte van 7km2 een schatting worden gemaakt vanhet aantal kraamburchten. Door de tallozeprivédomeinen was een schattingelders moeilijk te realiseren. Rekeninghoudend met een aantal beperkingenvan onze teltechniek, verkregen we eengemiddelde van één kraamburcht perkm2. Door het ontbreken van gegevensover sociale organisatie en terreingebruikis het moeilijk een uitspraak tedoen over de dichtheid van de Brusselsepopulatie. Hiervoor is aanvullend onderzoeknodig, onder meer met behulpvan radiotelemetrie. Het tellen van devossenpopulatie blijft evenwel zeermoeilijk (Artois, 1981) en vraagt vooreersteen goede terreinkennis. Baserenwe ons op een gemiddelde van één rekel,één moer en eventueel één vrouwtje datvoedsel helpt aandragen, dan komen weop tenminste 2,5 volwassen dieren perkm2. Dit getal ligt hoger dan het Europeesgemiddelde van 1 vos per 100hectare,maar sluit sterk aan bij de waardendie voor de Londense vossenpopulatiezijn berekend (Page, 1981). Anderzijdsligt onze waarde ver beneden het getal


ZOOGDIER. (1) 90/4van 12 tot 15 dieren per km2, dat op depopulatie van Bristol van toepassing is(Harris & Smith, 1987).Populatie groeit niet zomaarEr is reeds op gewezen dat een halfstedelijkgebied opgebouwd uit residentiëlewijken de vos bevoordeelt. Deaanwezigheid van vossen in het Brusselsebevestigt dit. In de Gentse randstadconstateerden we dit eveneens. Indit biotooptype is het voedsel haastonuitputtelijk en de dekking ruim voldoende.Door de aanwezigheid van halfnatuurlijkelandschapselementen(bosjes, weilanden) vindt de vos er zijn'gebruikelijke' voedselplanten en -dieren.Bovendien kan hij er putten uitaanvullende voedselbronnen die hemdoor de mens ter beschikking wordengesteld. De talloze grasvelden (tuinen,parken, golfterreinen) tellen niet alleengrote aantallen regenwormen, maartrekken ook veel konijnen en kleinezoogdieren aan. Als aaseter vindt hij ookvoedsel langs de wegen waar verkeersslachtoffers(honden, katten, egels) geenzeldzaamheid zijn. Hoe tegenstrijdig hetmag klinken, de menselijke bevolkingsaanwasen het toenemend ruimtebeslagheeft een gunstig effect op de vossenpopulatie.De groeiende interesse van demens voor natuurlijke en ambachtelijkeprodukten vertaalt zich in een stijgendefruitteelt en pluimveehouderij rond hethuis. De vos kan deze bronnen als provisiekastgebruiken, indien ze niet wordenbeschermd. Zulke schadegevallen zijnweliswaar geen regel, maar kunnen metname problemen geven in de maandenmei en juni, wanneer de jongen wordengrootgebracht.Vuilnisbelten verschaffen niet alleenvoedsel aan dieren die de vos tot prooidienen, maar de vos vindt er eveneenseetbare afvalresten. Het teruglopen vande kleinwildstand in kwetsbare natuurterreinenzet er de jager toe aan fazantenen patrijzen te kweken en massaal uit tezetten, een methode die omstreden is.Deze dieren zijn nauwelijks aan hetwildleven aangepast en vormen een gemakkelijkeprooi voor de vos. Hoewelons onderzoek niet het voedsel van devos betrof, is het nuttig te signaleren datbij 80% van de burchten resten vanpluimvee of gevederd wild werden gevonden.De vos hanteert simpelweg dewet van de geringste inspanning.In Brussel huizen vossen tegenwoordig in de residentiëlewijken.Foto Wildlife Pictures.Geen concurrentieDe wilde kat Fe/is sy/vestris, de steenmarterMartes foina en de boommarterMartes martes komen niet voor in hetBrussels gewest. De das Me/es me/es wasvroeger geen zeldzaamheid, maar depopulatie is de laatste twintig jaar sterkteruggelopen, zo niet geheel verdwenen.Verscheidene boswachters en beambtenvan Groen, Waters en Bossen merktenop dat de vossen- endassen populaties zich in tegengestelderichting ontwikkelden en dat de vos deplaats van de das heeft ingenomen. Deaantallen van de kleine marterachtigenwezel Muste/a niva/is, hermelijn Mustelaerminea en bunzing Mustela putoriusschijnen eveneens te zijn gedaald. Hieruitleiden wij af dat gedomesticeerderoofdieren en kraaiachtigen de enigoverblijvende voedse1concurrenten zijnvan de vos in deze regio.Behalve de mens kent de vos geennatuurlijke vijanden, en zelfs wanneerdie er zouden zijn;dan was hun invloedvan geen belang bij de regulatie van devossenstand.Beperkende factorenIn het halfstedelijk gebied is het wegverkeerwaarschijnlijk de voornaamstedoodsoorzaak van vossen. Het zijn voor-


ZOOGoma (1) 90/4's Nachts buitengezette vuilnisbakken trekken de aandachtvan vossen.Foto Wild/ife Pictures.namelijk jonge en halfwas dieren opzoek naar een eigen territorium, dieonder de wielen van auto's en treinenterechtkomen. Ze zijn nog onervaren enop hun zoektocht moeten ze talrijkeverkeerswegen kruisen.Het stijgende aantal honden vormteen tweede beperkende factor voor devossenpopulatie. Vooral gedurende devoortplantingsperiode kunnen hondenvoor de vos fataal zijn, ofwel doordat dewelpen worden gepredeerd ofwel doordateen deel van de ruimte door henwordt ingenomen. Tijdens mijn onderzoekheb ik vastgesteld dat de kraamburchtenzich nooit in de omgeving vanwandelpaden bevinden die door mensenmet honden worden bezocht. Eentoename van de recreatie werkt uiteindelijknadelig op destadsvossenpopulatie.In de omgeving van Brussel wordtslechts sporadisch op vossen gejaagd.De jacht op de vos is er verboden. Jachtop vossen vindt slechts plaats in eenaantal jachtgebieden met kleinwild. Ondankshet belang van deze gebiedenschijnt de jacht de vossenstand nietnoemenswaardig te beinvloeden. Wanneereen vos wordt gedood, wordt devrijgekomen leefruimte al gauw dooreen rondzwervend dier ingenomen.Daarbij komt dat de welpen niet altijdgedoemd zijn te sterven wanneer hetmoederdier om het leven komt; meestalwordt de opvoeding overgenomen doorde andere vrouwtjes in het territorium.De nieuwe bouwmethoden tasten devrije ruimte aan en beperken het aantalkraamplaatsen, evenals de hoeveelheidschuilplaatsen waar de vos zich overdagkan terugtrekken.Kans op hondsdolheidGelet op de ongewoon hoge populatiedichtheidvan zowel vossen, huisdierenals mensen en de enge ruimte waarop zesamenleven in stadsgebieden, wordt dekans op besmetting verhoogd. De snelheidwaarmee de ziekte zich kan uitbreiden,zal verschillen van die in degekende besmette gebieden ten zuidenvan Samber en Maas, waar vooral hetvee aan besmetting blootstaat. In eenverstedelijkt gebied is de kans veel groterdat huisdieren, paarden en zelfs mensen(kinderen) met het virus in aanrakingkomen.Indien de hondsdolheid de stadsgebiedenbereikt, dan moet allereerst desystematische inenting van honden enkatten verplicht worden gesteld. Boven"dien moet het loslopen van honden aanbanden worden gelegd. De inenting vanandere huisdieren (paarden) en uiteraardook van mensen moet eveneensernstig worden overwogen.Het in de praktijk brengen van maatregelentegen hondsdolheid zal stuitenop allerhande praktische en administratievehindernissen. De bestrijdingsmethodenvan weleer (afschot, gif,klemmen) zijn gevaarlijken niet toepasbaarin dichtbevolkte gebieden, omdathuisdieren en mensen er het slachtoffervan kunnen worden. Maar ook de oralevaccinatie van vossen zou in dit gebiedheel moeilijk kunnen zijn, gezien deaanwezigheid van veel huisdieren diehet lokaas tot zich zullen nemen.Er zal voor moeten worden gewaakt,dat de hondsdolheid zich niet naar hetwesten toe kan uitbreiden. Daarnaastmoeten de stadsbewoners er op gewezenworden, dat het verboden is vossente vervoeren, dat ze verplicht zijn hunhond in te enten wanneer ze hem meenemennaar een met hondsdolheid besmetgebied en dat het gevaarlijk is eenvos of enig ander dier, dat een abnormaal(tam) gedrag vertoont of doodgevonden wordt, te benaderen ofaan teraken.


37LiteratuurArtois, M., 1981. Méthodes de dénombrementdes populations de renards roux.Bull. Mens. O.N.C., 47:23-22.Artios, M., 1989. Le renard rous Vulpesvulpes. Encyciopédie des carnivores deFrance no 3. Société Française pour l'etudeet la proteetion des mammiferes. Pohallard,Puceul, 44390 Nort si Erdre.Debuf, 1.M., 1987. Contribution à l'étude durenard urbain en région parisenne. TheseMéd. Vét., Créteil.Harris. S., 1977 Distribution, habitat utilizationand age structure of a suburbain foxVu/pes vu/pes population. Mammal Rev.,7:25-39.Harris, S. 1981.An estimation ofthe numberoffoxes Vu/pes vu/pes in the city ofBristol,and some possible factors affecting theirdistribution. J. Appl. Ecol., 18:455-465.Harris, S. & G.C. Smith, 1987. Demographyof two urbain fox Vu/pes vu/pes populations.1. Appl. Ecol., 24:75-86.Kolb, H.H., 1984. Factors affecting the rnovementsof dog foxes in Edinburgh. 1.Appl. Ecol., 21:161-173.Lloyd, H.G., B. Jensen, J.L. van Haaften,F.J.J. Niewold, A.1. Wandeler, K. Bogel &A.A. Arata, 1976. Annual turnover of foxpopulations in Europe. Zbl. Vet. Med.,23:580-589.MacDonald, D.W., & M.T. Newdick, 1982.The distribution and ecology of foxexVu/pes vu/pes in urban areas. In: R. Bornkamm,JA Lee & M.R.D:Seaward (eds).Zijn vossen in verstedelijkt gebied gevaarlijk in verbandmet besmetting van hondsdolheid?Foto Johan de Meester.Urban ecology, pp 123-135. BlackwellScientific Publications, Oxford.Marchal, A., 1985. Situation de la rage enBelgique en 1985. Ann Méd. Vét.,129:275-280.Page, RJ.C., 1981. Dispersal and populationdensity ofthefox Vu/pes vu/pes in an area ofLondon. 1. Zool., 194:485-491.Teagle, W.G., 1967. The fox in Londonsuburbs. London Nat., 46:44-68.Thomas, 1., B. Brochier, T. Leveau, B. Baudiun,F. Costy, D. Peharpre, L. Hallet &P.P. Pastoret, 1989. Quatrième campagnede vaccination antirabique du renard àl'aide de la souche atténuée SAD B19 duvirus rabique, réalisée en Belgique (1988).Ann Méd. Vét., 133:403-412.


ZOOGDmR (1) 90/4Dassenbes~helmt~r38jan DesmetDaniël Ryelandt was pas zestien toen hij voor het eerstoog in oog stond met een das. Sindsdien ging hij elkeavond dassen kijken. Althans, tot hij voor zijn werknaar het buitenland vertrok. Toen hij terugkeerde,ontdekte hij tot zijn grote schrik dat het met 'zijn'dassen slecht gesteld was. Maar dit was geen reden ombij de pakken neer te blijven zitten.Daniël Ryelandt, een aristocraat, is de eerste voorvechtervan de das in België. Foto George Charlier.Alsof het gisteren wasDaniël herinnert zich zijn eersteontmoeting met een das, alsof het gisterenwas. 'Het was vrij indrukwekkend. Hetgebeurde tijdens de Paasdagen van 1956 inde bossen van de Beneden-Semois te Oizy.Mijn ouders bezaten daar een buitengoedwaar wij altijd de vakantiedagendoorbrachten. Een boswachter had meverteld over een prachtige dassenburchtniet ver van ons buitenverblijf. Ik was eropgebeten de dieren te zien, maar was tochniet helemaal gerust. In eenjagersboekjevan A. Chaigneau had ik wilde verhalenover dassen gelezen en ik besloot dan ookvoor de veiligheid vaders jachtgeweer meete nemen. Uiteraard niet met de bedoelingeen das te schieten. Om het dier niet aanhet schrikken te brengen, zette ik me opeen twintigtal meters van de burcht.Opeens kwam een donkere gedaante uitéén van de holen tevoorschijn. Deze begoiwat rond te scharrelen en verdween heelmysterieus in het schemerduister van hetbos. Ik was flink onder de indruk van mijnwaarneming, zodanig zelfs dat ik degeweerriem op de terugweg vergat mee tenemen, hetgeen me een stevige uitbrandervan vader opleverde. De volgende avondkeerde ik terug, ditmaal zonder geweer enik durfde ook wat dichter bij de burcht tekomen. Zo bekwaamde ik me geleidelijkaan in het dassenkijken. Het werd eenavondritueel dat ik deelde met mijn nevenen nichten, want in het dorp viel niets tebeleven. We verdeelden ons in groepjes vatwee. Van die eerste observaties heb ik ineen schoolschrift nog aantekeningenbewaard. Gaandeweg heb ik dedassenpopulatie in dit deel van deSemoisvallei leren kennen. Op een gebiedvan 6.700 hectare bracht ik alle burchten inkaart. Later heb ik voor mijn werk veel inhet buitenland gewoond, onder andere inIvoorkust, Ghana, Columbia en Zàire.Daardoor heb ik de dassen een hele poosniet kunnen volgen'.TeleurstellingMaar toen hij naar België terugkeerde,wachtte hem een onaangename verrassing.


ZOOGDIER (l) 90/4'Toen ik de streek van Oizy opnieuwbezocht om er naar de dassen te kijken,stelde ik een enorme achteruitgang vast.Van de 80 dieren die ik ooit had geteld,vond ik er maar drie terug. Devergassingsacties die voor de bestrijdingvan de hondsdolheid plaatsvonden, haddenhun aantal sterk gedecimeerd. Bij detoenmalige Dienst van Waters en Bossenheb ik de oude telgegevens opgevraagd.Het was een enorm dossier. Ik heb vrij snelbereikt dat op dassenburchten niet langerzou worden vergast. Een verbod opklemmen daarentegen heeft me heel watmeer moeite gekost: betogingen, brieven,zes ministers voor en slechts eentje tegenklemmen... In 1987 kwam er uiteindelijkeen verbod op klemmen'.Soms één man tegenOp de vraag of het allemaal wat heeftuitgehaald, schudt hij ontkennend hethoofd. 'De das mag dan wel sedert 1973niet meer worden bejaagd, maar ik weet datdit verbod niet overal wordt gerespecteerd.Er wordt misschien minder verdelgd danvroeger, maar er worden nog altijd dassengedood en burchten vernield. Mijn indrukis, dat de Ardense jachtopzichters de dasdoorgaans met rust laten. De problemendoen zich overwegend voor opjachtterreinen waar op klein wild wordtgejaagd. In Brabant is 85% van dedassenpopulatie uitgemoord. Ik hebverschillende kadavers van dassengevonden, die waren gewurgd door eenstrik. Ik heb vosseburchten aangetroffendie totaal waren vernield, en waarvan ookde das het slachtoffer was. In zulke gevallenis er geen vergelijk tussen jagers ennatuurbeschermers mogelijk. Het is zeermoeilijk om de jachtopzichters tot andereinzichten te brengen. Op een burcht metnegen dassen heb ik lange tijdgedragsonderzoek verricht. Daarbij maakteik gebruik van een zelfgemaaktdetectiesysteem, waarbij het uur dat de daszijn hol verliet werd geregistreerd. Helaaswerd mijn werk verstoord door één enkeleman, een bosarbeider, die het verdelgenniet kon weerstaan. Telkens weer vond iknieuwe slachtoffers, tot er uiteindelijk nogmaar één das op de burcht overbleef. Ikben toen naar de man toegestapt en hebhem gevraagd deze laatste das te sparen.Maar het mocht niet baten. Heel vaak looptde dassenbescherming uit op een oorlogtussen verdelgers en beschermers. Beidegroepen zijn even passioneel, hoewel insommige gevallen toch vrij hartelijkecontacten kunnen ontstaan. Ik kenjachtterreinen waar de das niets in de wegwordt gelegd en waar hij met hand en tandwordt beschermd. Ik denk daarbij aan eenjachtwachter met twaalf dassen op zijndomein in de Ardennen, die elkeen die ereen vinger durft naar uit te steken bij wijzevan spreken naar het leven staat. Een anderheeft bij een burcht zelfs een observatiehutgebouwd'.Klachten zijn noodzaakMeer dan eens heeft Daniël een klachtingediend tegen het gebruik van klemmenen strikken op en rondom dassenburchten.'Zelfs tegen de burgemeester van eenBrabantse gemeente. Het was een graafenhij was zeer invloedrijk in de St­Hubertusclub (de grootste Belgischejagersvereniging). Maar omdat ik eveneensHeel vaak loopt de dassenbescherming uit op eenoorlog tussen verdelgers en beschermers.Foto Georges Charliertot de aristocratie behoor, heb ik doorgezet.De rijkswachters die proces-verbaalopmaakten zaten met de zaak zeerverveeld. Ze moesten hun eigenburgemeester bekeuren. Voor hun was ikeen onbekende en de wetgeving terzakewas net hetzelfde. Gelukkig voelden ze datik van de zaak op de hoogte was en kondenniet anders dan op mijn wens ingaan.Persoonlijk was het voor mij een delicate39


ZOOGDIER (1) 90/440aangelegenheid, temeer omdat mijn neefindienst was van de betrokken burgemeester.Gelukkig heeft mijn neefme dit nietkwalijk genomen, omdat hijzelf ecologischgeëngageerd is. Het jammere is, dat je alsaanklager je naam moet bekend maken.Dat kan nare gevolgen hebben. Daarbijkomt, dat je voor het onderzoek geregeldeen plaatsbezoek moet afleggen, hetgeenveel tijd en energie kost. Maar het is hetnoodzakelijk dat dergelijke zaken onder deaandacht van het publiek en de persworden gebracht; zo niet dan gaat deverdelging onverminderd voort'.Nodeloze strijd?Wanneer we zijn opsomming vanovertredingen en doelloos vechtenoverlopen, komt vanzelf de vraag ofal zijninspanningen niet voor niets zijn geweesten de das uiteindelijk toch tot uitstervengedoemd is. 'Toch niet' antwoord Daniëlspontaan. 'Althans niet in geheel België,maar wel in een aantal provincies, vooraldan in Brabant en Limburg. In deArdennen ligt het populatieniveau nogsteeds erg laag, maar ik hoop dat door dealternatieve aanpak van de hondsdolheid,waarbij vossen langs orale weg wordengevaccineerd, de das weer in aantal zaltoenemen. Ik schat de Belgische populatiemomenteel op 800 tot 1.000 dieren. Demeeste daarvan leven in Wallonië. Nogsteeds sterven dassen aan rabiës, maarvroeger sneuvelde 90% gegarandeerdtengevolge van de vergassingen'.van het dassentoneel teruggetrokken. Hemteisteren momenteel andere kopzorgen.Toch heeft hij de moed niet helemaalverloren. De das behoudt een ruime plaatsin zijn hart. En om alle zorgwekkendefeiten van zich afte zetten, vertelt hij eenkorte anekdote die hem al die tijd isbijgebleven. Hij zat in de Ardennen bij eenburcht samen met een bevriende graaf enzijn vriendin, een charmante prinses. 'Opeen bepaald ogenblik daalde een dassewijfjede burcht afen liep me rakelings voorbij. Ikkon niet aan de verleiding weerstaan omhet dier plagend aan de staart te trekken ente pakken. De das krijste verschrikkelijk. Bijeen poging het dier te bedaren door de jasover de kop te gooien, hoorde ik eentweede ijzingwekkende schreeuw. De dashad de graafin twee van de vingernagelsgebeten. Dit lesje volstond. Een das bijtharder toe dan een hond. Met veel gemakbijt hij een been in twee stukken. In deScandinavische landen wapent men zichtegen een mogelijke beet door houten latjesin de laarzen te stoppen. Dat een das hardkan toebijten is voor plaaggeestenmisschien goed om te weten'.Educatie is belangrijk'Voor mij krijgt een goede educatie ronddassen absolute prioriteit. Het publiekheeft nood aan informatie over dit dier endit niet alleen bij ons. Ik heb ook contactenmet Fransen. Ik speel die mensen mijnpersoonlijke ervaringen door en ik heb deindruk dat hun jagers veel 'gevoeliger' voorde das zijn dan die bij ons. Alleen dewetgeving volgt in Frankrijk minder vlug dezich wijzigende tijdgeest. Pas als jagers ennatuurbeschermers het daar over iets eenszijn, volgt de wetgever. Maar ook in Belgiëblijft er nog heel wat werk aan de winkel.Hier kun je nooit op beide oren slapen. Inhet zuiden van de provincie Henegouwen,nabij Roisin, leefden jarenlang een twaalftaldassen, die door de jachtwachter met rustwerden gelaten. Zodra het gebied in anderehanden overging, legden de dassen hetloodje'.Pijnlijke herinneringInmiddels heeft Daniël zich gedeeltelijk


ZOOGDIER (1) 90/441KORTAFDe zeehond herstelt zich weer in deWaddenzee.Foto Johan de Meester.De zeehonden in de Waddenzeena de virusepidemieDoor de uitbraak van de virus- mum aantal waargenomenepidemie in 1988 is de zeehon- levende jongen bedroeg 1085.denpopulatie in de gehele Vergelijking van deze cijfersWaddenzee sterk gereduceerd. met die uit 1989laat zien dat hetIn 1989 bedroeg het maximum totale aantal met circa 15% isaantal getelde gewone zeehon- toegenomen. Het aantaljongenden 4520stuks. Dit was slechts daarentegen met circa 70%. Uit40% van het aantal dat anders deze gegevens valt af te leidenbereikt zou zijn. In 1990zijn in dat de stijging van de populatietotaal 5200 dieren geteld, waar- grotendeels door de toenamevan 563 in de Nederlandse van het aantal geboorten wordtWaddenzee. Dit aantal is een veroorzaakt. Daarbij is betrokoptellingvan de maximaal ge- ken dat er geen aanwijzingentelde aantallen in de vier deel- zijn dat andere populatieparagebiedenDenemarken, meters significant anders zijnSleeswijk-Holstein, Nedersak- dan afgelopen jaar. Het toegesenen Nederland. Het maxi- nomen geboortecijfer kan wor-Draagkrachtmodelden verklaard door het feit dathet aantal geboorten vorig jaarzeer laag was, doordat de paartijden het beginstadium van dezwangerschap samenvielenmet de toen nog heersendeepidemie.Er is dus sprake van een zichherstellende populatie. De relatiefgunstige verhouding vanhet aantal jongen per totale populatiekan echter niet directworden vergeleken met voorgaandejaren. Het is onduidelijkof de leeftijdsopbouw van depopulatie dezelfde is als voor deepidemie. Het is niet onaannemelijkdat de sterfte onder dehalfwas dieren hoger is geweestdan onder de volwassenen endat bijna de gehele jaarklassevan 1988 is gestorven. Daardoorwordt zuiver rekenkundigeen gunstiger verhouding verkregen.De populatieontwikkelingin de komende jaren zalhierover meer duidelijkheidverschaffen.Peter ReijndersP.J.H. Reijnders, Rijksinstituut voor Natuurbeheer,Afdeling Estuariene Ecologie,Postbus 59, 1790 AB Den Burg,Texel.Door het studiebureau Taken kend, met behulp waarvan een opgezet dat het in principe voorLandschapsplanning te Roer- bepaling van de gemiddelde iedere diersoort, die vanuit eenmond werd een methode ont- draagkracht van het be- vast punt (nest, burcht, ganwikkeld,waarbij met behulp schouwde dassenactiviteits- genstelsel) opereert, kan worvande computer een effect- gebied plaatsvindt. Hoewel een den gebruikt, op voorwaardevoorspelling van de gevolgen verificatie nog niet heeft plaats- dat de benodigde parametersvan ingrepen in de home-range gevonden, lijkt het model een en invoervariabelen bekendvan een dassenfamilie mogelijk bruikbaar instrument waarmee zijn. Als zoogdieren komenwordt. Op basis van de actiera- op regionale en gemeentelijke naast de das bijvoorbeeld ookdius van de das, de kwaliteit en schaal de effecten van ingrepen de noordse woelmuis en dibereikbaarheidvan de foera- in het landschap op het aspect verse vleermuissoorten ingeergronden wordt de effectief 'das' kunnen worden beoor- aanmerking.te besteden foerageertijd bere- deeld. Het model is zodanig Dirk Criel


ZOOGDIER (1) 90/442De muskusrat blijkt verder uit tezwermen dan gedacht. Foto RIN.Muskusrat zwermt verder llitdan verwachtIn een artikel in het Landbouw- lange tijd is onderschat. VerkundigTijdschrift (1990 nr 9) kaik baseert haar bevindingenpubliceerde A. Verkaik (RIN) op resultaten van eigen onderenkelerecente bevindingen zoek in Flevoland. Daar woromtrentde exploratiedrangvan den enkele gezenderdede muskusrat. Hieruit blijkt, muskusratten continue in dedat de mobiliteit van dit dier gaten gehouden.Uitgraven van VOSSeblIrchtenVossen en dassen betrekkenvaak eenzelfde burcht of makenhier om beurten gebruikvan. Dit is de reden waaromnog altijd veel burchten doorjagers worden vernield. Deburchten worden door hen opgegravenin de hoop op dezewijze de jonge vosjes, die op deburcht worden grootgebracht,te verschalken. Dassenburchtenzijn evenwel zo uitgestrekten diep dat het vrijwel onmogelijkis dit werk met succes tebeëindigen, tenzij men hiervoorover een leger beschikt.Uitsluitend op een burcht diedoor een vos zelf is gegravenkan de graverij resultaat opleveren.De NCBR heeft met schrikvastgesteld dat er in het afgelopenjaar niet alleen verscheideneonbewoonde maar ookbewoonde dassenburchten tenbehoeve van de vossejacht zijnvernield. Dit gebeurde ondermeer op diverse jachtterreinenin Brabant en Limburg. Vooralin de streek rondom het Meerdaalwoudkreeg de das het hardte verduren. De situatie is erzodanig verslechterd, dat hetonder de gegeven omstandighedenuiterst moeilijk wordt dedassenpopulatie op een natuurlijkemanier te herstellen. DeTot voor kort werd aangenomendat het uitzwermen vanmuskusratten zich beperkte totvoor- en najaar. Het onderzoektoonde echter aan dat de dierenzich vrijwel het gehele jaar doorverplaatsen, met uitzonderingvan de maand mei, wanneer dejongen geboren worden. Tijdensde verplaatsingen wordengrote afstanden afgelegd. Eenop de drie dieren legt afstandenaf die groter dan vijf kilometerzijn.De uitkomsten werpen eennieuw licht op de verspreidingvan de muskusrat in Nederland.Naast het grote voortplantingsvermogendraagt vermoedelijkook de grote exploratiedrangbij tot de succesvolle opmarsvan de soort in ons land.Piet van der Reestfeiten zijn wraakbaar omdatverscheidene burchten die recentelijkop de schop werdengenomen, behoren tot hetjachtterrein van een lid van deVlaamse Hoge Jachtraad enomdat de graverij met zijn medewetenplaatsvond. Ook deenige dassenburcht die Oost­Vlaanderen rijk is, ontsnapteniet aan de jagersschop. Deburcht waarop eveneens eenvos met vier jongen aanwezigwas, werd grotendeels vernield.De vossen verhuisden naar eenander bos en ook de das zochtzijn heil elders.De NCBR stelt als oplossingvoor om met ingang van hetvolgend jachtseizoen het vergravenvan dassen- en vossenholenhet gehele jaar door teverbieden. Zij wijst hierbij ophet belang van oude dassenburchten,ook al zijn die nietbewoond. Deze verlatenburchten blijken immers voorde migratie en het herstel vande das een belangrijke plaats inte nemen.Dirk Criel...TROUWENS,JE' L1J/(T ME OUDEN WIJS GENOEG OMlOOGI>IE~ 1f lEZEN!


ZOOGDIER (1) 90/4 43Actie voor de das in Noord­BrabantIn een thema-nummer over dedas vraagt de Stichting HetNoordbrabants Landschapaandacht voor de das. Aan dehand van een aantal bijdragenvan onder andere Jaap Mulder,Hanneke Das-Horsmeier,Carlo Spee en medewerkersvan Das en Boom wordt eenbeeld geschetst van het wel enwee van de das in deze provincie.Heel aardig is een artikelNatuurbeschemlingsraad wilbescherming allewalvisachtigenDe Natuurbeschermingsraaddringt in haar advies aan staatssecretarisJ.D. Gabor aan opwettelijke bescherming van alledolfijnsoorten en andere walvisachtigenin het Nederlandsedeel van de Noordzee. Viersoorten staan reeds op de nominatieom op de lijst geplaatstte worden. Dit zijn gramper,griend, witflankdolfijn enwitsnuitdolfijn.De raad memoreert dat erthans in de Noordzee flinkeschommelingen voorkomen bijover archieven en toponiemenals hulpmiddel bij de bepalingvan de vroegere verspreidingvan de das. De auteur komt totde bevinding dat de das voor de1ge eeuw wijd verbreid was inde provincie. In Noord-Brabantzijn veel plaatsen geschikt voorhet uitzetten van dassen. Devereniging Das en Boom houdtin het artikel van Toine Cooijmanseen pleidooi voor het hetalvan andere walvisachtigenen dat soorten als gewone dolfijn,dwergvinvis en tuimelaarook regelmatig waargenomenworden. Door alle walvisachtigenonder de natuurbeschermingswette brengen kan eenaantal problemen op het gebiedvan herkenbaarheid (het zogenaamde'look alike-beginsel'),status en controle wordenvoorkomen.Overigens is de raad voorstandervan een sterkere uitbreidingvan de lijst vanFoto Johan de Meester.rintroduceren en bijzetten vandassen in geschikte natuurgebieden.Piet van der ReestDe Stichting Het Noordbrabants Landschapkoppelt aan dit themanummer eenaantal activiteiten, waaronder excursies.Het adres is: Kasteelboerderij van Nemelaer,Kasteellaan 4 in Haaren.Telefoon 04117-2775.beschermde soorten. Zij verwijsthierbij naar eerdere adviezen,waarin onder meer gepleitwordt voor opname vannoordse woelmuis, das, otter,boommarter, steenmarter, gewonezeehond en grijzezeehond.Piet van der ReestNatuurbeschermingsraad, 1990. Advieswijziging besluiten beschermde inheemseplante- en diersoorten. Nummer90773. Het advies ligt ter inzage inde bibliotheek van het Ministerie vanLandbouw, Natuurbeheer en Visserij enkan kosteloos besteld worden bij hetsecretariaat van de Natuurbeschermingsraad,Maliebaan 12, 3581 eNUtrecht (teleiefoon 030-331441).


ZOOGDIER (1) 90/4WalvissenDe serie British Natural Historyvan uitgeverij Whittet kenmerktzich door een populairgeschreven, lezenswaardigetekst en zwart-wit illustratiesvan een vaak wat oubollig karakter.'Whales' van de bekendeBritse walvisonderzoekerPeter Evans is hetnieuwste deel in deze reeks.Het boek legt de nadruk op degrote walvissen. Het beschrijfthun leven, de trek, de voortplanting,de indeling in familiesen de bedreigingen zoals dewalvisvaart of het verschijnselstrandingen. Peter Evans geefteen totaalbeeld van de walvisfamilie.Alsje het boek leest weetje iets van deze groep van zoogdieren.Voor de leek staat erveel in over veel soorten walvissen.Dit is tegelijk de beperkingvan het boek. Het blijft ergalgemeen. Wie specifiek iets wilweten over bijvoorbeeld debutskop zal misgrijpen.Daarom blijft het jammer, datwalvissen altijd tezamen in eenboek worden besproken en datze zelden individueel aandachtkrijgen. Toch staat er veel nuttigeinformatie in dit boek en is'Whales' is een aanrader, zekergezien de prijs.Reinier AkkermansPeter Evans,1990,Whales. WhittetBooks, 18 Anley Road, LondonW14 GBY. Hardback, 136 pp, prijs(6,95. In de boekhandel.Identlflcation of Bats inFlightIngemar Ahlén beschrijft van30 Europese vleermuis-soortenhet geluid en gedrag, zoals datin het veld kan worden waargenomen.Deze publicatie is geschrevenvoor de amateur-The humpbad, wh,.l" ferds by a variety of me[hod~. Wbl:l1feeding upon~~i.}~~~.~~li~~. b~~;;;:{,;k1[~i~g;~..';;:'~a':S~:~.i .~~;:u~~esurface wilh us tbwa,' flk,u. gft..!!)'disrended :md r!'" pw wl~e open. Onbre,.kinl:{h,:~urface irlmds cfren with a splash on lISbel!y,sltk;-orevenits back. l1us mClho


ZOOGDIER (l) 90/4nijnen). Tevens keken ze hoedeze schade werd beleefd en ofde eigenaren genegen warenmaatregelen ter voorkomingvan de schade te nemen. Hetonderzoek is uitgevoerd in deHollandse duinen (sinds kortvossen), op de Veluwe (reedslang vossen), in de duinen vanVoorne-Putten (geen vossen)en op de zandgronden vanWest-Noordbrabant (nog geenvossen). In gebieden met vossenblijkt iets meer schade teontstaan dan in gebieden zondervossen en ook in de Hollandseduinen blijkt meerschade te zijn dan op deVeluwe.Opvallend is, dat de bereidheidom maatregelen te nemengering is. Dit terwijl de mensenwel klagen over schade doorroofdieren. Met name eengoede huisvesting voorkomtveel schade. Belangrijk is daarbijdat de huisdieren aan hunbelagers kunnen ontsnappen.Opvallend was ook dat de mensenin de duinen, niet gewendaan deze voor hun nieuwesoort, harder over de vossenklaagden dan de mensen op deVeluwe, maar dat ze tegelijkertijdminder deden om deschade te voorkomen.In het boek 'Schade doorvossen en andere roofdierenaan huisdieren' (te lange ouderwetsetitel) zijn de resultaten opeen rij gezet. Veel staafdiagrammenen enquèteformulieren,maar de begeleidende tekstlaat helaas iets te wensen over.Je moet erg vaak denken: 'watstaat hier nu', omdat het zo taaiis geschreven. Dat is jammer,want nu zie je niet direct dat alhet gekrakeel van sierkiphoudersover schade nogal isopgeblazen.Reinier AkkermansT.J. Verstrael, G.J. de Bruijn &W. terKeurs, 1990. Schade door vossenen andere roofdieren aan huisdieren.Milieubiologie RijksuniversiteitLeiden. Boekje 43 pp + bijlagen. Tebestellen door storting van f 20,- oppostgiro 82181 van RijksuniversiteitLeiden/Biologie onder vermeldingvan 'vossenschaderapport'.Mollen'The male' van K. Mellanby uit1971 was, voorzover ik weet,het meest recente standaardwerkover mollen. Met het verschijnenvan 'The naturalhistory ofmoles' van M.L. Gormanen R.D. Stone is het gemisaan een overzichtelijk boekwerkover deze soort opgeheven.'Moles' is geen typischemonografie. In feite wordt dehele familie mollen besproken.Centraal staat de Europesemol, maar daarbij worden telkenszijsprongen gemaakt naarverwante soorten, zoals de Pyrenesedesman of de Amerikaansesterneusmol. Somswerkt dit verwarrend, maar hetplaatst de Europese mol wel in45een breder verband. Zo ongeveeralle aspecten met betrekkingtot de soort komen aan deorde, zoals biotoopvoorkeur,graafactiviteit, voedselkeuze,leven en dood, activiteitspatroon,sociale structuur en bestrijding.Het boek is goedverzorgd, gedegen en boordevolinformatie, maar het is geschrevenin een wat mindertoegankelijk Engels. Voor wiezich in de mol wil verdiepen isdit boek een verplichteaanschaf.Reinier AkkermansMartyn L.Gorman &R. David Stone,1990. Moles. Christopher Helm,London. Ingebonden, 138 pp, prijsf 14.95. In de boekhandel.Dassen, verzuring enregenwormenTot nu toe richtte het meesteonderzoek omtrent de das zichop zijn biotoop. Zijn stapelvoedsel,de regenworm, bleefvaak buiten schot. Vandaar datde Biologiewinkel van de RijksuniversiteitGroningen een literatuuronderzoekheeft verrichtnaar de effecten van verzuringop de regenworm in relatie totde das. Want als het met deregenworm slecht gaat, gaat hetook met de das bergafwaarts.Regenwormen blijken nogalgevoelig voor verzuring te zijn.Beneden pH 4 kunnen ze nietoverleven. Drijfmest (ammoniak)zal daarom het aantal regenwormenin een graslanddoen afnemen. Het onderzoekgaat ook in op de verschillendesoorten regenwormen die in degrond leven.'Dassen, verzuring en regenwormen'is een nuttige studie,die aanzet tot nadenken overbetere bescherming van de das.Reinier AkkerrriansMaureen Butter, 1990. Dassen,verzuringen regenwormen. BiologiewinkelRijksuniversiteit Groningen.Boekje, 43 pp. prijs f 7,50. Te bestellen:Biologie, Postbus 14,9750AA Haren. Betaling na ontvangst.


ZOOGDIER (1) 90/4 46Hamstervondst in Zuid·Limburg.De verspreiding van de hamsterCricetus cricetus beperkt zich inNederland tot de provincie Limburg.Recent zijn er in Zuid­Limburg in twee uurhokkenhamsters gevonden. In dezetwee uurhokken zijn in het verledenvaker hamsters aangetroffen(ZoogdierenwerkgroepLimburg 1986). Deze waarnemingmoet dan ook gezien wordenals een waardevollebevestiging.De eerste hamster werd op11 augustus 1990 omstreeks11.00 uur gevonden. Deze volwassenhamster is tijdens degraanoogst door een oogstmachinedoodgereden (mondelingemededeling A. v.d. Broek).Vlak na de oogst werden nogtwee dode halfwas hamsters gedeeltelijkonder het stro aangetroffen(mondelinge mededelingF. v.d. Broek). Later op de dagwerd op hetzelfde veld nog eendode volwassen hamster gevonden.Deze was in een beginnendstadium van ontbinding.Op 12 augustus bezochtenwe samen het stoppelveld. Doorhet veld systematisch af te lopenvonden we twee hamsterburchten.Ook werden de omringendepercelen bekeken op hetgrondgebruik. De gevondenhamsters zijn opgemeten meteen schuifmaat en gewogen meteen brievenweger (tabel 1). Weinventariseren al meerdere jarenin deze vier kilometerhokken degeschikte hamsterbiotopen.Doordat de meeste percelen vaneen boer zijn, is het grondgebruikper perceel elk jaar anders,Ook wordt elk jaar een van zijnpercelen ingezaaid met graan.Hierdoor is de hamster terplaatse verzekerd van een goedbiotoop.Tim van den Broek& Steven JansenLiteratuurZoogdierenwerkgroep, 1986.Zoogdieren in Limburg. Een voorlopigverslag. Uitgave Zoogdierenwerkgroepvan het NatuurhistorischGenootschap in Limburg,Maastricht.Speciale dank aan A. van den Broek en F.van den Broek, want zonder hun oplettendoog was dit artikel nooit geschreven.Tim van den Broek, Sparren hoven 18,6225 He Maastricht. Steven Jansen, Korhoenstraat12, 6075 BN Herkenbosch.Tabel 1. Gegevens van de vier dode hamstersEen dood hamster vrouwtje opgeoogst graanakker. (11-8-1990;km-hok 61-28-25).Foto Steven Jansen.leeftijd sexe lengte lengte achtervoet lengte gewichtlichaam staart met nagel oorvolwassen vrouw 23,2 cm 2,1 cm 3,5 cm 2,1 cm 190,0 grhalfwas man 14,3 cm 1,5 cm 3,0 cm 1,4 cm 88,0 grhalfwas man 15,6 cm 2,0 cm 3,0 cm 1,4cm 88,0 grvolwassen vrouw 22,5 cm 2,1 cm 3,5 cm lcm 1gr• vers doodgevonden hamster111 rottende hamstero hamsterburcht;;(;; stoppelveld wintergraanmim suikerbieten;;W grasland:':{:: malsRelmuiz.en in clublokaalVanafjuli1989 zagen de kantinebeheerderen verschillende spelersvan de voetbalclub in Oirlo(Nederlands Noord-Limburg)een vreemd soort diertjes wegvluchtenover de verwarmingsbuizenen luchtkanalen van hunclublokaal. De beestjes blekenoverdag te slapen in een houtenelektriciteitskast en van daaruit's nachts plundertochten te ondernemenrichting keuken. Naruim een jaar besloot men dathet wel genoeg was metde overlast.Zelfs de suikerzakjes warenniet meer veilig. Op 24 oktober1990 werd de hulp ingeroepenvan een plaatselijke jager om dedieren te vangen. Deze wist met


ZOOGDIER (1) 90/4 47De relmuizen uit Oirlo gevangen ineen clublokaal.Foto persbureau GLH.behulp van een kastval in tweedagen drie dieren te vangen. Menwist tot op dat moment nogsteeds niet wat voor soort dierenhet waren. NatuurfotograafP. Vermeulen uit Venray determineerdede dieren. Het blekenrelmuizen Glis glis te zijn, drievolgroeide mannetjes om precieste zijn.De noordgrens van het areaalvan de relmuis loopt door Zuid­België (Gaume). In Nederlandkomt hij van nature niet voor.Deze drie dieren zijn waarschijnlijkmet een vrachtwagenvan een nabijgelegen transportbedrijfmeegelift en vonden onderdakin het clublokaal. Waarze oorspronkelijk vandaan kwa-men was niet meer te achterhalen.De heer Vermeulen zochtcontact met het Rijksinstituutvoor Natuurbeheer. Dat wasmaar goed ook, want de Inspecteurvan de Dierenbeschermingadviseerde om de dieren maar afte maken. Via het RIN zijn enkelebiologen van het NatuurhistorischGenootschap in Limburgingeschakeld, die de dieren ineen geschikt biotoop in deGaume hebben losgelaten.Pieter Eibersnde Stichtingnderzoek(S'V Nederland eenlandelijk atlasprojed om deverspreiding van vleermuizenin kaart te Ditprojed zal lopen en met19 maar liefstvleermuizendeel uit vandoorgebrastaat erwaarinsamengewerkt en vanwaaruit de inventarisatiesworden gecoördineerd,Wie het avontuur van hetnachtelijk vleermuisonderzoektrekt kan meer inforvragenbij deotor,Contributie VZZOp de algemene ledenvergadering van de VZZ in1990 is besloten de contributie voor de Verenigingvoor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming metingang van 1-1-1991 te verhogen totf 37,50 ofBF 700.Voor dit geld krijgt u twee tijdschriften: Lutra enZoogdier. In verband met de financiering van dezetwee bladen verzoeken wij u echter een hoger bedrag(f 45 of BF 810) te willen overmaken.AbonnementsverhogingZoogdier'Om Zoogdier in 1991 kostendekkend te krijgen iseen lichte verhoging van de abonnementsprijs noodzakelijk.Voor 1991 bedraagt hetabonementsgeld f25of BF 450.VerhuizingReinier Akkermans is verhuisd. Zijn nieuwe adresluidt: Wilhelminalaan 47, 6042 EL Roermond. Telefoon04750-24281 (NL).


ZOOGDma (1) 90/4VERENIGINGBNIEUWSNCBR krijgt eerste dassenburcht in beheerNa onderhandelingen die meerdan twee jaar duurden is deNCBR er onlangs in geslaagddrie dassenburchten (één bijentwee hoofdburchten) van deNationale Maatschappij derBuurtspoorwegen (NMBS) inbeheer te krijgen. De burchtenzijn allen gelegen in de hogeberm van de spoorweg die Voerendoorsnijdt en enkele speleneen zeer belangrijke rol bij deinstandhouding van de lokaledassenpopulatie. Naast het terreinwaarin de burcht gelegenis, heeft de NCBR eveneenseen strook van 100 meter langsbeide zijden van de burcht alsbuffer in beheer genomen. Eenvierde (bij)burcht die eveneensin de onmiddellijke omgevingvan de spoorlijn ligt, valt jammergenoeg net buiten heteigendom van de NMBS, maarer werd afgesproken het gedeeltevan de spoorwegbermdat aan deze burcht grenstMuizenweekend in de ZaanstreekIn zowel juni als oktober is erdoor de veldwerkgroep van deVZZ een zoogdierweekendgeorganiseerd in de Zaanstreek.De weekeinden haddentot doel zoogdieren te inventariserenin enkele bedreigde gebiedenten westen vanZaandam, namelijk het Guisveld,de Reef en het Westerzijderveld.In juni stonden devleermuizen centraal, van welkonderzoek de resultaten beknoptin Zoogdier 1990/2 zijnverschenen, terwijl in het weekendvan 5 tot 7 oktober dekleine zoogdieren de meesteaandacht kregen. Vooral hetvaststellen van kwetsbare soorten,zoals de noordse woelmuisDe NCBR stelt voor in Vlaanderen,net als in Nederland, een premie tegeven aan de grondeigenaar voorhet gedogen van dassenburchten.Foto Pieter EIbers.eveneens als reservaatszone teerkennen.Het beheer bestaat vooreerstuit het kappen van het hakhoutop en rond de burcht. Tot nogtoe werd dit werk aan een onderhoudsbedrijfovergelaten.Omdat de werklieden geen rekeninghielden met de aanwezigheidvan de das, werd deburcht telkenmale aanzienlijkbeschadigd en verstoord enDe meest gevangen soort in hetGuisveld was de dwergmuis.Foto Pieter EIbers.48en waterspitsmuis was vanbelang.Er was ruime belangstellingvoor het weekend: ruim 25kampdeelnemers hebben, ondankshet slechte weer met resteedsvolledig kaalgekapt.Door zelf het beheer van demeer dan 1 kilometer langespoorwegstrook in handen tenemen, hoopt de NCBR voortaande verstoring tot een minimumte beperken.Tegelijk zal een systeem wordenuitgedokterd om het aantaldassen dat door treinen wordtaangereden terug te dringen.Daarbij wordt onder meer gedachtaan een dassenkerendraster, waarmee vermedenwordt dat jonge dassen op derails spelen en daarbij verrastworden door een voorbij razendetrein. De liggingen vande burchten lenen zicht hieruitstekend toe. Dit voorstelstuit voorlopig nog op tegenstandomwille van de financiëleconsequenties van zo'n project.Voorlopig ligt er geen andereduurzame oplossing in hetverschiet.Dirk CrielDe noordse woelmuis kreeg veelbelanstelling. Foto Pieter EIbers.gen en zuidwesterstorm,meegeholpen de 200 vallen uitte zetten en op gezette tijden tecontroleren. In het Guisveldwerden 100 vallen uitgezet, inhet Westzijderveld en de ReefI


ZOOGDffiR (l) 90/4ieder 50. In totaal werden devallen vijf maal gecontroleerden werden 400 valnachtengemaakt.In totaal werden 57vangstengedaan, verdeeld over vijf soorten:bosspitsmuis Sorex araneus,waterspitsmuis Neomysfodiens, noordse woelmuis Microtusoeconomus, dwergmuisMycromys minutus en wezelMustela nivalis. Het vangstpercentageberekend over de controlesbedraagt slechts 5,7%, datechter voor moerassige gebiedenmeer regel is danuitzondering.Van de noordse woelmuiswerden meteen de eerste avondal enkele exemplaren gevangenen gedurende het weekend inplastic bakken verzorgd en bewonderd.De soort is zowel opverschillende plaatsen in hetGuisveld als in het Westzijderveldgevangen. De noordsewoelmuis komt hier gelukkignog op veel plaatsen voor. Ookde waterspitsmuis werd meteende eerste avond al gevangenlangs een rand van eenvochtig rietveld en een grasland.Het exemplaar is meegenomenen enkele dagen op hetkamp gevoerd met regenwormen.Na de laatste valcontroleis het exemplaar weer op dezelfdeplaats losgelaten. Demeest gevangen muizesoortgedurendehet weekend was dedwergmuis met een totaal van22 exemplaren. Hoewel hetvangen van een wezel in eenmuizeval meestal een toevalligheidis, werden dit weekendmaar liefst drie verschillendeexemplaren gevangen en nogwel in alle drie de gebieden.Buiten de inventarisatiegebieden,langs een wegberm nabijde kampboerderij is ook nogéén veldmuis gevangen.Minstens zo merkwaardig alsdeze vele leuke vangsten washet volledig ontbreken van debosmuis. Al met al kunnen weterugkijken op een zeer geslaagdweekend, dat ondankshet slechte weer succesvol isverlopen.Kees MostertVariadag VZZDe Vereniging voor Zoogdierkundeen Zoogdierbeschermingorganiseert op zaterdag 23februari 1991 een lezingendagover diverse soorten zoogdierenin het Museum voor Geologieen Mineralogie, HooglandseKerkgracht 17te Leiden.Toegang vrij.Het museum is lopend vanafhet station Leiden in een kwartiertjete bereiken, via de Stationsweg(vanuit het stationrechtdoor), aan het eind linksde brug over, rechtdoor deHaarlemmerstraat in, rechtsafbij de Gordijn Discount deHooglandse Kerkstraat in,bruggetje over, na 75 meter aande rechterhand.Voor de leden bestaat de mogelijkheidom meegebrachte materialenachterin de vergaderruimteuit te stallen. Ook kunnen'posters' worden opgehangen,bijvoorbeeld met resultatenvan een zelfverricht onderzoekje,of oproepen tot medewerking.Vlak voor de middagpauzeis er gelegenheid voor deleden om korte mededelingenofoproepen te doen. Graag vantevoren even contact opnemenmet Jaap Mulder, die ook enigepraktische hulp kan bieden bijhet maken van posters.Programma:- 10.00 uur ontvangst; koffieverkrijgbaar.- 10.20 uur opening dagvoorzitter;mededelingen van hetbestuur.- 10.30 uur Kees Mostert: Denoordse woelmuis, zeldzaam ofkwetsbaar?De noordse woelmuis is bestempeldtot een zogenaamde'prioritaire soort' in het Natuurbeleidsplan.Wat is zijnhuidige status, en wat moet ergebeuren om de soort tebeschermen?49- 11.15 uur Luc Wauters: Deecologie van de eekhoorn indiverse biotopen.De spreker heeft in Belgiëjarenlang onderzoek gedaannaar het leven van de eekhoorn.- 12.00 uur Korte mededelingenvan leden.- 12.30 uur middagpauze; in dezaal is alleen koffie verkrijgbaar,de stad biedt echter diversemogelijkheden.13.30 uur Nicoline Elsink:Zoogdieren in de aanbieding.Nicoline is bij de VZZ belastmet het zoogdierpromotieproject.Ze zal in dit praatjeaangeven hoe men zoogdierenhet beste in grotere kring populairkan maken.- 13.50 uur J.Poutsma: Reeën,aangepast aan het Nederlandselandschap.De wilde hoefdieren blijven inde VZZ relatief onderbelicht;de VZZ prijst zich daarom gelukkigde reeën-kennerPoutsma bereid gevonden tehebben een en ander over denogal verborgen leefwijze vandeze soort te vertellen.- 14.30 uur theepauze.- 14.50 uur Simon Capt (Zwitserland):The ecology of thereintroduced Lynx inSwitzerland.De spreker is reeds jaren betrokkenbij het onderzoekwaarbij vele lynxen met zenderswerden gevolgd, en kanzijn verhaal met prachtige dia'sillustreren. De belangrijksteprooisoorten van de lynx zijngems en ree.Inlichtingen: Jaap Mulder, tel.071-277473 of 02510-32210(NL).


ZOOGDIER (1) 90/4 51Nationale Campagne BeschermingRoofdieren (NCBR).. NCBR, Postbus 10,9890 Gavere. 091-837352(B),Vereniging Voor Zoogdierkunde enZoogdierbescherming (VZZ).. VZZ-Bureau en ledenadministratie, Jansbuitensingel14, 6811 AB Arnhem. 085-515069(NL)... VZZ-België: V. van Cakenberghe, Blancefloerloon34 b 37, 2050 Antwerpen03-2195186 (B),.. Veldwerkgroep Nederland, R Lange, Vespucdstraat116 hs. 1056 ST Amsterdam.020-121292 (NL)... Veldwerkgroep België: W. Allaerts, Bierbeekstraat58, 3030 Heverlee, 016-221257 (B)... Materiaaldepot veldwerkgroep: F. van derVliet Spaamdammerstraat 660, 1013 TJ Amsterdam.020-828216 (NL) ... Werkgroep Zeezoogdieren (NZZ): J, Bakker,Raam 25, 3111 PL Schiedam. 010-4703245(NL)... Werkgroep Kleine Marterachtigen: RM, deRidder, Plantenbaan 48, 3951 MK Maarn.03532-2770 (NL).. Redadie Lutro C. Smeenk, RMNH, Postbus9517,2300 RA Leiden, 071-143844 (NL) ,Vlaams Zoogdierlrundig Overleg (VZO).. W. Alloerts. Bierbeekstraat 58,3030 Heverlee,016-221257 (B).Zoogdier, tijdschIitl: voorzoogdierbescherrning en zoogdierkunde.. RW. Akkermens. Wilhelminalaan 47,6042 ELRoermond. 04750-24281 (NL) ,D, CrieL Gansstraat 1, 9750 Huise-Zingem.091-837352 (B),Aanwijzingen voor auteurs- De tekst dient in de voorkeurspelling te zijngesteld, Alleen hoofdletters gebruiken waardit grammaticaal verplicht is, Dus Nederlandseplanten- en dierennamen met eenkleine letter beginnen,- Gebruik van chapeaus toegestaan, Probeerde tekst metbehulp vankorte tussenkopjes testructureren, Gegevens auteur (adres, instelling)en oproepen aan het eind van hetartikel plaatsen,- Bij artikelen hoort een beknopte literatuurlijst.Literatuurverwijzingen op alfabetische volgorde,Elk item op een nieuwe regel beginnen.Bijvoorbeeld:Akkermens. RW. &D. CrieL 1986. Roofdierenin België en Nederland. SKF, 's Graveland INCBR. Gavere,Wijs, w.J.R. de, 1989, De rosse woelmuisClethrionomysglareolus op Terschelling, [utra32,53-60.Indetekst wordtdit (Akkermans & CrieL 1989)of (De Wijs, 1989).- Aanleveren van kopij zoveel mogelijk opdiskette (geen 1.2 Mb) leesbaar op eenMSDOS machine en liefst in Wordperfed (4.2of 5.0). Meezenden van een printuitdraaigewenst.- Voor de opmaak zie gelijksoortige artikelenin Zoogdier. Hoofdkop en tussenkopjes vet.Latijnse namen en andere woorden, die cursiefgedrukt moeten worden, onderstrepen.Nieuwe alinea's inspringen met één tab,- Zorg dat het artikelinteressant is voorde lezer.Vermijd vaktermen en onnodige vreemdewoorden, Dus beter sterfte dan mortaliteit.Gebruik geen afkortingen,- De redadie behoudt zich het recht voor debinnengekomen artikelen te redigeren enaan te passen aan het lezerspubliek vanZoogdier.- Het copyright van foto's, illustraties en artikelenblijft bij de betrokken fotograaf. tekenaarof auteur. Overname alleen na verkregentoestemming,Mededelingen voor deAgendavan.ZOogdier 1991nummer 1 voor 1 februari1991 naar de redactiesturen.Telefoneren-Telefoneren van Belgiënaar Nederland: 00-31 gevolgddoor het kengetalzonder nul en hetabonneenumm.er.Volgend nummerHet volgende nummer vonZ 'er Verschijnt inmaart199 . Kopij graag voor 15januari naar de red.actiesturen."er KUST HEB (fCN1rJ OAAA ~tJ&R.~'T'T',. /4(Nf\)€r.JvalAS$EN.!. '--


HAD IK DAlMAAR EERDEf\GEWETEN! HEB JIJ Dt HrLE~~:Ef\m JAAR&A~G?•Van baby naar puberZoogdier groeit!Het aantal abonnees van Zoogdier stijgt gestaag. Dat isverheugend. Maar een snellere stijging nû is erg belangrijk,want Zoogdier 'dient kostendekkend te zijn. Het blad kanalleen bestaan dankzij leden, donateurs en abonnees.U, als abonnee, kunt ons helpen. Maak alle natuurliefhebbersin uw omgeving abonnee van Zoogdier. Probeer ook eens deplaatselijke bibliotheek voor een abonnement te interesseren.Zoogdier is een Vlaams-Nederlands natuurtijdschrift,boordevol boeiende artikelen en interessante weetjes overonze inheemse zoogdieren. Ook in 1991 kunt u weer op onsrekenen. Mogen wij ook op û rekenen? Steun zoogdier en dusde bescherming van de zoogdieren.ZOOGDmR~•..1, ,,,.Reinier Akkermans- (Eindredacteur)

More magazines by this user
Similar magazines