Rapportage - Pagina niet gevonden

docs.szw.nl

Rapportage - Pagina niet gevonden

InhoudsopgaveInleiding………………………………………………………………………………….1Hoofdstuk 1 Resultaten ………………………………………………….……………….21.1 Inleiding ………………………………………………………………………….21.2 Ontwikkelingen en resultaten binnen lopende trajecten ………………….………..21.3 Resultaten afgeronde trajecten ………………………………………………....81.4 CAO onderzoek ………………………………………………………....……....111.5 Ontwikkeling verzuim en WAO-instroom …………………………………………131.5.1 Verzuim ……………………………………………………………………..131.5.2 WAO-instroom ……………………………………………………………151.6 Inverdieneffecten …………………………………………………………………16Hoofdstuk 2 Beleid en implementatie ……………………………………………172.1 Trajecten ………………………………………………………………….....172.1.1 Looptijd ……………………………………………………………………...192.1.2 Deelname tweedefase ……………………………………………………….212.1.3 Financiën ……………………………………………………………………..222.2 Onderwerpen ……………………………………………………………………..232.3 Bereik onder werknemers …………………………………………………….27Bijlage 1 Overzicht van getekende convenanten …………………………………iBijlage 2 Overzicht van getekende intentieverklaringen ………………………….ivBijlage 3 Overzicht van afgeronde trajecten ………………………………………..vBijlage 4 Overzicht SZW-subsidies arboconvenanten, per 31 december 2004…………viBijlage 5 Resultaten van afgeronde trajecten ………………………………………viiiBijlage 6 Overzicht koppeling arboconvenanten en CAO’s ………………………xxv


InleidingAanleidingIn mei 2004 is de nota ‘Jaarrapportage arboconvenanten 2003’ aan de Tweede Kamerverzonden om de leden te informeren over wat er tot en met december 2003 met deconvenantenaanpak op het terrein van arbeidsomstandigheden is bereikt 1 (Kamerstuk 2003-2004, 25883, nr. 25). In 2003 lag de nadruk onder meer op de beleidsvorming rondom detweedefaseconvenanten (de zogenaamde arboplusconvenanten), waarin de thema’s verzuimen reïntegratie centraal staan. In 2004 is dit beleid verder tot uitvoering gebracht. Deze enandere ontwikkelingen in 2004 vormen de basis voor onderhavige vervolgrapportage, de‘Jaarrapportage arboconvenanten 2004’.Ontwikkelingen in 2004Een terugblik op het kalenderjaar 2004 laat een aantal belangrijke gebeurtenissen en mijlpalenzien, te beginnen met de ondertekening van het laatste eerstefaseconvenant. Het totaal aantaleerstefaseconvenanten komt daarmee uit op 50, een aantal dat de verwachtingen bij de startvan de aanpak in 1999 veruit heeft overtroffen. Het tijdperk van het afsluiten vaneerstefaseconvenanten bereikt daarmee het einde en de aandacht verschuift volledig naar hetproces van implementatie en in een aantal trajecten zelfs al naar de afronding. In totaalhebben in 2004 10 trajecten het einde van de looptijd bereikt. Dat betekent dat vanaf 2004 decontouren zichtbaar beginnen te worden van de structurele veranderingen die ingezet zijndoor de arboconvenanten.Tegelijkertijd staat het jaar 2004 in het teken van het afsluiten van convenanten in het kadervan de tweedefase. Er zijn in 2004 11 intentieverklaringen en 9 tweedefaseconvenantenondertekend 2 . Het totaal aantal sectoren dat gaat deelnemen aan de tweedefase komt uit op 18.Een deel van deze sectoren heeft de kans gegrepen de tweedefaseconvenanten zodanig tebenutten, dat zij fungeren als flankerend WAO-beleid: in 6 trajecten zijn intentionele ofconcrete, kwantitatieve afspraken gemaakt over de reïntegratie van WAO-ers.LeeswijzerHet vervolg van deze jaarrapportage bestaat uit twee hoofdstukken. Hoofdstuk 1 is gewijd aande belangrijkste resultaten en uitkomsten die er over 2004 zijn te melden: de activiteiten in delopende trajecten, de uitkomsten van de evaluatie-onderzoeken in de afgeronde trajecten, dedoorwerking van convenantafspraken naar CAO-niveau, de ontwikkeling in het verzuim en deWAO-instroom in convenantsectoren enerzijds en niet-convenantsectoren anderzijds en eenherberekening van de inverdieneffecten. In hoofdstuk 2 bevat voornamelijk feiten en cijfers:het beschrijft de stand van zaken per ultimo 2004 voor wat betreft de convenanttrajecten enbiedt eveneens informatie over de looptijden – en dan met name de wijzigingen daarin -, overfinanciën, over de onderwerpen waarop de convenantafspraken zich richten en over het bereikvan de afspraken.12De Tweede Kamer is al eerder via nota’s geïnformeerd over de voortgang binnen de convenantenaanpak:• Arboconvenanten Nieuwe Stijl: een rapportage over de periode 1999-2002 (Kamerstuk 2002-2003, 25883, nr.12)• Jaarrapportage arboconvenanten 2000 (Besluitenlijst d.d. 13 juni 2001 van de Vaste Commissie voor Sociale Zakenen Werkgelegenheid)Een deel van de sectoren heeft in 2004 zowel een intentieverklaring als een convenant getekend. Voor meerinformatie, zie hoofdstuk 2.1


HOOFDSTUK 1 RESULTATEN1.1 InleidingAlle convenanttrajecten zullen op of voor 1 juli 2007 zijn beëindigd. Hierna volgt nog eenhalf jaar voor de financiële afwikkeling en de finale eindevaluatie van de convenantenaanpak.Dit betekent dat de uiteindelijke resultaten pas eind 2007 zichtbaar zullen zijn. Dat laatonverlet dat er tussentijds ook al uitkomsten te melden zijn.De beschrijving daarvan begint met een paragraaf over ontwikkelingen en resultaten binnenlopende trajecten (paragraaf 1.2); immers ook binnen nog niet afgeronde trajecten zijn aluitkomsten te melden. Overigens is voor wat betreft dit onderdeel de keuze gemaakt om nietálle lopende trajecten op te nemen in de rapportage: het betreft een selectie. Dezebeschrijvingen zijn afgewisseld met een weergave van (lopende) trajectoverstijgendeactiviteiten.Er zijn diverse trajecten, die in 2004 het einde van de looptijd hebben bereikt. Elk van dezetrajecten is afgerond met een evaluatie-onderzoek. Dit onderzoek beschrijft onder meer deinspanningen die convenantpartijen hebben verricht om van het convenant een succes temaken en de resultaten die dit heeft opgeleverd. Paragraaf 1.3 is gebaseerd op de uitkomstenvan de beschikbare evaluatie-onderzoeken over de afgeronde trajecten met de academischeziekenhuizen, de rijksoverheid, de horeca, de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ), dedakdekkers, de gemeenten, de kinderopvang, de thuiszorg en de gehandicaptenzorg; eenuitgebreide beschrijving van de resultaten per traject is te vinden in bijlage 5.Maar ook op trajectoverstijgend niveau zijn er tussentijds analyses verricht om te bezien of deconvenantenaanpak vruchten afwerpt. Er is in de eerste plaats bekeken in welke mateconvenantafspraken doorwerken naar het CAO-niveau (paragraaf 1.4). In de tweede plaats isde ontwikkeling van het verzuim en de WAO-instroom in convenantsectoren geanalyseerd envergeleken met die in niet-convenantsectoren (paragraaf 1.5). En in de derde plaats is eenraming gemaakt van de potentiële inverdieneffecten van arboconvenanten (paragraaf 1.6).1.2 Ontwikkelingen en resultaten binnen lopende trajectenDoor ergocoaches minder verzuim in de zorgZorginstellingen met ergocoaches hebben gemiddeld een lager verzuim door rugklachten daninstellingen zónder ergocoaches. Dat blijkt uit onderzoek dat in 2004 is uitgevoerd op grondvan de gegevens van 90 instellingen uit 5 verschillende zorgbranches. De resultaten lateneveneens zien dat ergocoaches een sleutelrol spelen bij het daadwerkelijk realiseren vanpositieve veranderingen in werkgewoontes op de werkvloer.Het fenomeen ergocoach is de afgelopen jaren vanuit de arboconvenanten in de zorgontwikkeld en gepromoot. Een ergocoach is een teamlid met extra verantwoordelijkheid omde blootstelling aan fysieke belasting bij medewerkers te voorkomen en te verminderen: decoach denkt mee over het arbobeleid, over de aanschaf van nieuwe hulpmiddelen en begeleidtmedewerkers in de praktijk. Er zijn in totaal 8.000 ergocoaches actief binnen de zorg- enwelzijnssector.Steeds meer peuterspeelzalen voeren ergonomische normen inIn 2004 zijn de resultaten verschenen van een tussenmeting in de peuterspeelzalen, ondermeer om in kaart te brengen hoe het staat met de voortgang van de invoering van2


ergonomische normen. De belangrijkste conclusie van deze tussenmeting is dat de invoeringvan de normen duidelijk gevorderd is. Dat de implementatie volop in gang is, blijkt ondermeer uit de toenemende mate waarin peuterspeelzalen hun werkruimten hebben aangepast. Zozijn volgens 62% van de werknemers trapjes of opstapjes aanwezig bij de aankleedtafel (35%in de nulmeting). En 54% geeft aan dat meubilair zodanig is dat de leiding op volwassenhoogte kan werken (15% in de nulmeting).Er is niet alleen aandacht voor de aanschaf van meubilair, maar ook voor ergonomischbewustzijn, zo laten de resultaten van de tussenmeting zien. Op dat terrein is overigens nogwel winst te boeken; de werkplekverkenningen hebben uitgewezen dat veel leidsters deergonomische normen wél kennen, maar dat zij het in de praktijk wel eens moeilijk vindenom deze na te leven.Onderwijssector doet ervaring op met mediationIn 2002 is in het kader van het arboconvenant het pilotproject ‘Introductie van Mediation inde onderwijssector’ (IMO) gestart. Doel van dit project is nagaan of mediation een effectiefinstrument is om uitval vanwege arbeidsconflicten te reduceren of te voorkomen. In 2004heeft een evaluatie van het IMO-project plaatsgevonden. Daarbij zijn het proces vanimplementatie van mediation, het mediation proces zélf en de effecten van mediation onder deloep genomen. Het rapport met de resultaten van de evaluatie laat zien dat er in totaal 49mediations volledig zijn afgerond in de pilotperiode. De bekendheid met het instrumentmediation is enigszins toegenomen en ook het verzuimverlagend effect ervan is aangetoond.Het is echter nog niet mogelijk gebleken een daadwerkelijke kosten-batenanalyse te maken.Innovatie van werkprocessen en technologie in de zorgIn de meeste zorgbranches, met uitzondering van de academische ziekenhuizen, is het niet gelukt omtot tweedefaseconvenanten te komen. Om te stimuleren dat er ook ná afloop van de convenantenaandacht blijft voor de ingezette veranderingen, is in 2004 een alternatief uitgewerkt voortweedefaseconvenanten, en wel in de vorm van een concreet projectvoorstel gericht op de thema’sfysieke belasting en agressie. In het project ligt het accent op de innovatie van werkprocessen entechnologie en in het bijzonder op de implementatie daarvan. Vanuit de eerstefaseconvenanten zijnnamelijk al verschillende inspanningen geleverd om te komen tot nieuwe hulpmiddelen, techniekenen/of werkmethoden. Bekend is echter dat instellingen in de zorg deze innovaties (nog) niet op groteschaal toepassen. Hier sluit het projectvoorstel op aan. De activiteiten binnen het project kunnenonderverdeeld worden in drie clusters: (1) onderzoek, (2) communicatie en (3) training en scholing.Het onderzoek is bedoeld om de effectiviteit van bepaalde innovaties aan te tonen, via eencommunicatieplan kunnen deze vervolgens een brede bekendheid krijgen in de sector en middelstrainings- en scholingsinstituten krijgt de verspreiding vorm.De staatssecretaris van SZW heeft inmiddels ingestemd met het projectvoorstel. Het voorstel zal in deloop van 2005 nader uitgewerkt worden. Voor de uitvoering van het project stelt SZW €2 miljoenbeschikbaar, afkomstig uit de vrijgekomen convenantmiddelen.Steeds meer stille funderingstechniekenBinnen de funderingsbranche is in 2004 een tussenmeting uitgevoerd om vast te kunnenstellen hoe het staat met de realisatie van de doelstellingen op het gebied van schadelijkgeluid.Hoewel het technisch nog niet mogelijk is om het schadelijk geluid volledig uit te bannen inde branche, is er wél een duidelijke toename geconstateerd van de toepassing van stillefunderingstechnieken. Tweederde van de bedrijven binnen de sector heeft de laatste vijf jaargeïnvesteerd in geluidsbeperkende voorzieningen, de helft heeft dat de afgelopen twee jaarnog gedaan. Alles bij elkaar hebben de gedane investeringen ertoe geleid dat in 48% van de3


edrijven het geluidsniveau de laatste twee jaar licht is gedaald (tussen nul en vijf decibel), endat in 42% van de bedrijven sprake is van een substantiële daling (meer dan vijf decibel)gedurende dezelfde periode. De convenantafspraken spelen daarbij overigens eenondergeschikte rol; de belangrijkste stimulans voor bedrijven om het geluid terug te dringen isdat plaatselijke overheden steeds vaker eisen stellen aan het geluid dat mag wordengeproduceerd, vooral bij bouwprojecten in de nabijheid van reeds bestaande woningen.Een punt van aandacht is nog wel het gebruik van gehoorbescherming door het personeel.Hoewel het bewustzijn onder werknemers van de risico’s van schadelijk geluid evident istoegenomen, ligt het percentage werknemers dat consequent gebruik maakt van persoonlijkebeschermingsmiddelen met 55% nog ver af van de convenantdoelstelling van 90%. Een extravoorlichtings-offensief om bedrijven én werknemers te wijzen op hun verantwoordelijkheid isdaarom in voorbereiding. Daarbij werkt de branche samen met de Arbeidsinspectie, die in meieen inspectieproject gaat uitvoeren in de funderingsbranche.Deelnemers pilotprojecten in de bouw enthousiastIn de bouw zijn in 2004 twee pilotprojecten afgerond. Het eerste pilotproject richt zichspecifiek op het thema werkdruk. Tijdens een werkconferentie voor alle deelnemers, blijkt datde bedrijven enthousiast zijn over de gekozen aanpak. Net als in de horeca geldt ook hier dateen eenduidige, geïsoleerde aanpak van het thema werkdruk niet aanspreekt en dat eenbenadering waarin de bedrijfsvoering centraal staat wél succesvol is.Het andere project is erop gericht om fysieke belasting te verminderen door het gebruik vanhulpmiddelen. Aan deze pilot hebben in totaal 11 bouwbedrijven meegewerkt. De resultatenvan het pilotproject laten onder meer zien dat bij een meerderheid van de deelnemendebedrijven de belangstelling voor het thema ‘gebruik van hulpmiddelen’ is toegenomen, datbedrijven die hun organisatiestructuur hebben ingericht op het gebruik van hulpmiddelen debeste resultaten hebben gehaald en dat het verbeteren van de inzet en het gebruik vanhulpmiddelen alleen slaagt bij een tweeledige aanpak, namelijk via een aanpak die zowelgericht is op de organisatorische aspecten als op het individuele gedrag van de werknemer. Depilot heeft een aantal praktische scenario’s opgeleverd, welke bruikbaar zijn voor anderebedrijven. Verbreding van deze aanpak zal plaatsvinden via het vervolgproject ‘Hulpmiddelenhelpen’.Arbo-innovatieprijsvraag in de agrarische sectorenOok in 2004 organiseerde de agrarische sector weer de arbo-innovatieprijsvraag, een initiatiefvanuit het convenant. Met deze prijsvraag worden agrariërs met goede ideeën om het werkgezonder te maken, beloond. Bij de beoordeling van de inzendingen let de jury voornamelijkop de gezondheidseffecten – in het bijzonder op een vermindering van de belasting aan de rugen ledematen en van psychische belasting -, op de praktische toepasbaarheid en oporiginaliteit. De innovatieprijs van 2004 is gegaan naar de champignon-pluklift, eenuitvinding die werkt op een luchtcilinder. Daardoor blijven de te vullen bakken steeds op dejuiste hoogte en hoeft de champignonplukker minder belastend te bukken en niet meer temanoeuvreren met volle en lege bakken. Eveneens wordt zo de kans op vallen verkleind.Behalve de champignon-pluklift zijn ook de gewasverzorgingsfiets en de multi-purposewielenwisselaar in de prijzen gevallen.In 2002 en 2003 is de innovatieprijs eveneens uitgereikt. Diverse inzendingen zijn inmiddelsin gebruik genomen in de sector. Bovendien is een aantal uitvindingen opgenomen op deFARBO-lijst 3 .3 De FARBO-lijst is een door SZW samengestelde lijst met arbovriendelijke arbeidsmiddelen. Ondernemers ennon-profitorganisaties kunnen voor de aanschaf van een op de lijst vermeld arbeidsmiddel subsidie aanvragen bijhet Agentschap SZW.4


Brancheoverstijgende activiteiten van CNV en FNVSZW verleent vanaf 2002 subsidie voor activiteiten van het FNV expertisecentrum arboconvenanten.De activiteiten van het centrum richten zich op voorlichting en advisering aanwerknemersvertegenwoordigers en werknemers in verschillende bedrijfstakken. Betrokkenheid enkennis van werknemers op het gebied van arbo- en verzuimbeleid is een bela ngrijke succesfactor voorde implementatie van convenantafspraken. Vanuit het expertisecentrum wordt o.a. de FNV-websitearboconvenanten onderhouden en wordt extra aandacht besteed aan de begeleiding van voorlopers ophet terrein van arbeidsomstandigheden. De subsidie loopt per 1 juli 2005 ten einde.Ook levert SZW een financiële bijdrage aan het project ‘veilig en gezond werken’van het CNV, eenproject dat eind 2003 is gestart. Het project loopt tot november 2006 en is eveneens gericht op hetvergroten van kennis, bewustwording en betrokkenheid bij werknemers op het terrein vanarbeidsomstandigheden. Men hoopt deze doelstelling te bereiken door het organiseren van regionale(thema)bijeenkomsten, de opbouw van een kenniscentrum (website en telefoonlijn) en de vorming vaneen intersectoraal regionaal netwerk.Nieuw preventiemiddel gereed voor orkesten: de ‘Geluidwijzer’Het geluidsniveau dat een symfonieorkest produceert bij het spelen van bepaalde luidepassages uit muziekstukken, kan gehoorschade tot gevolg hebben bij de musici. Daarom isvanuit het convenant met de orkesten in 2004 de ‘Geluidwijzer’ ontwikkeld, waarbijgeluidsdeskundigen honderden (symfonische) muziekwerken hebben beoordeeld op hungeluidsdosis. De stukken zijn verdeeld in vier klassen, in sterkte aflopend van rood naaroranje, geel en groen. Met behulp hiervan wil de sector het bewustzijn onder musici van dersisico’s die zij lopen, vergroten. Dit moet hen aanzetten tot het verlenen van medewerking bijhet doorvoeren van geluidsbeperkende maatregelen, zoals het kiezen van een andereopstelling bij repetities.Tegelijkertijd is het voor de artistieke leiding van een orkest mogelijk om bij de samenstellingvan het repertoire tijdens een concertseizoen rekening te houden met de geluidsbelasting diedeze tot gevolg heeft. Tot voor kort was dit vrijwel onbespreekbaar, maar er is duidelijk eenkentering gaande. Verschillende ontwikkelingen zijn daarop van invloed, zoals de toekenningvorig jaar van een forse schadevergoeding aan een musicus van het Gelders Orkest, en deontwikkeling van een specifiek op musici toegesneden gehoortestmethode. Verder zullen inde loop van 2005 ‘arbo-ambassadeurs’ worden aangesteld: mensen die binnen de sector gezaggenieten, en die doordrongen zijn van het belang van arbozorg. Deze ambassadeurs krijgeneen belangrijke rol bij de borging van de resultaten van dit convenant, dat eind 2005 afloopt.Fase van instrumentontwikkeling in de sociale werkvoorziening afgerondIn de sociale werkvoorziening zijn in 2004 verschillende instrumenten vanuit hetarboconvenant beschikbaar gekomen, welke gepresenteerd zijn op het congres ‘SW werkt aanarbo!’. Een voorbeeld daarvan is de ‘basiSWerkplekwijzer’, een internetapplicatie dierichtlijnen geeft voor het ergonomisch inrichten van de werkplek. Het programma gaat uit vande werkzaamheden die op een werkplek uitgevoerd worden. De werkzaamheden bepalenwelke werkhouding de medewerker ergonomisch gezien het best kan aannemen. Vervolgenskan de werkplek zo ingericht worden dat de medewerker in de geadviseerde werkhouding kanwerken. De andere instrumenten die de branche heeft ontwikkeld, zijn het handboekpsychosociale belasting, de arbothermometer – bedoeld om de belastbaarheid van eenmedewerker in kaart te brengen – en een branche risico-inventarisatie en –evaluatie (ri&e).Ondanks alle inspanningen vanuit het convenant blijft het ziekteverzuim binnen de socialewerkvoorziening hoog: het gemiddelde verzuimpercentage over 2003 is 14,22% en daarmee5


vrijwel gelijk gebleven met dat van 2000. Om hierin verandering aan te brengen, gaan deconvenantpartijen in 2005 het draagvlak verder vergroten via een communicatie- enimplementatieplan.Convenantsectoren werken samen aan oplosmiddelen; project valt in de prijzenEind 2004 is de Solvent Stewardship Award toegekend aan het project “Omgaan met oplosmiddelen”.Dit project is gericht op vermindering van de blootstelling aan oplosmiddelen tijdensschoonmaakwerkzaamheden in de flexografie en verpakkingsdiepdruk. Het gaat hier om eengezamenlijk project van de papier- en kartonindustrie en de grafimediabranche, dat wordt uitgevoerdin het kader van de arboconvenanten voor deze twee sectoren.Op basis van eerder onderzoek is een checklist opgesteld, met daaraan gekoppeld een praktischeleeswijzer die achtergrondinformatie bevat. Deze hulpmiddelen zijn nader toegelicht in tweeworkshops, waar bijna alle betreffende bedrijven acte de présence gaven. Tijdens de workshop werdgedemonstreerd welke vermindering in blootstelling kan worden bereikt door het nemen van bepaaldemaatregelen, zodat duidelijk werd welke maatregelen wel en welke niet werken in de praktijk.De Solvent Stewardship Award wordt toegekend door ESIG, de Europese branchevereniging vanproducenten van oplosmiddelen. De onafhankelijke jury (met onder meer vertegenwoordigers van deEuropese Commissie, vakbladen en een andere sector die oplosmiddelen gebruikt) waardeerde metname de praktische insteek en het adequaat bedienen van de doelgroep, alsmede de bredetoepasbaarheid van de gekozen methodiek.Voorlichters aan de slag in de bakkerij, maalindustrie en bakkerijgrondstoffenindustrieIn het arboconvenant met de bakkerijen, toeleveranciers van bakkerijgrondstoffen en demaalindustrie zijn afspraken gemaakt over de preventie van grondstofallergie.Grondstofallergie kan ontstaan door het werken met meel en enzymen en kan klachten gevenals eczeem, kortademigheid en chronisch hoesten. In het convenant is afgesproken dat elkebakkerij een stofbeheersingsplan moet hebben. Tot medio 2005 krijgen alle ambachtelijkebakkerijen bezoek van een voorlichter die hen helpt bij het opstellen van eenstofbeheersingsplan en hen adviseert over preventiemaatregelen voor meelstofallergie. Hetvoorlichtingsproject verloopt heel redelijk. De bakkerijvoorlichters hebben eind 2004 1.483bezoeken gebracht aan ambachtelijke bakkerijen. Er zijn 1.170 stofbeheersingsplannengereed. Het aantal aangeschreven bakkers dat uiteindelijk een bezoek weigert is ongeveer 5%van het totaal aantal geplande bezoeken.In het stofbeheersingsplan worden systematisch alle kritische plekken in kaart gebracht zodatpassende maatregelen genomen kunnen worden (technische hulpmiddelen, anderegrondstoffen, gedisciplineerder werken). De voorlichter loopt mee door het bedrijf en vultsamen met de ondernemers het stofbeheersingsplan in. De voorlichter geeft tips en adviezenover de maatregelen die genomen kunnen worden en verstrekt een praktijkhandboek waarinalle mogelijke maatregelen overzichtelijk zijn beschreven.Coachend leidinggeven in de schoonmaak- en glazenwassersbrancheIn het convenant is afgesproken dat alle 16.000 direct leidinggevenden in de branche eentweedaagse training coachend leidinggeven moeten volgen. Voor de drie niveaus van directleidinggevenden (voorlieden, objectleiding en rayonleiding) is apart lesmateriaal ontwikkeld.De deelnemers aan de cursus leren hoe zij medewerkers kunnen ondersteunen bij het gezonden veilig werken, welke rol zij kunnen spelen bij het voorkomen dat mensen ziek worden enhoe zij zieke medewerkers kunnen helpen bij het herstel. In 2004 hebben in totaal 3000leidinggevenden deze training gevolgd.6


RSI-adviseurs in de vleesindustrieBedrijven in de vleesindustrie krijgen gratis voorlichting en advies van RSI-adviseurs. Viabezoeken aan bedrijven geven de adviseurs uitleg over de convenantafspraken. Ook bieden zijondersteuning bij de toepassing van het RSI-meetinstrument, de werkcheck en bij het makenvan een plan van aanpak om klachten aan het bewegingsapparaat te bestrijden. De RSIadviseurslopen door het hele bedrijf en reiken praktische oplossingen aan.Praktijkvoorbeelden worden door de RSI-adviseurs verzameld en als handige praktijktips opde website van het convenant van de vleesindustrie geplaatst.Bedrijfsarts en arboconvenantenBedrijfsartsen zijn niet systematisch betrokken geweest bij de convenanttrajecten, terwijl hunwerkterrein toch direct raakt aan de tripartiete afspraken. Immers: arboconvenanten kunnen eenkrachtige ondersteuning vormen van de adviezen van de bedrijfsarts, mits deze bekend is met deconvenantafspraken. Reden genoeg voor de NVAB, de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- enBedrijfsgeneeskunde, om – met subsidie van SZW - een project op te zetten dat de convenantkennisbij bedrijfsartsen vergroot. Het project ‘Bedrijfsarts en arboconvenanten’ is in 2004 van start gegaanen bestaat uit verschillende activiteiten, die concrete producten als resultaat (zullen) hebben. In deeerste plaats is dat de WebWegWijzer Arboconvenanten, die onderdeel is gaan vormen van de NVABsite.Via deze wegwijzer kunnen bedrijfsartsen de weg naar alle relevante informatiebronnen rondomde arboconvenanten vinden. In de tweede plaats gaat het om de Handwijzers bij de richtlijnen, dieinformatie bevatten over branchespecifieke belastende factoren, die relevant zijn voor bepaaldeaandoeningen in de richtlijnen en voor strategieën voor preventie en interventie. En in de derde plaatswordt er een eendaagse scholingsmodule ontwikkeld voor bedrijfsartsen over arboconvenanten.Praktische hulpmiddelen voor bedrijven in de meubelindustrieIn de meubelindustrie wordt bij de productie en afwerking van meubels en interieurs veelgewerkt met oplosmiddelen, of wel vluchtige organische stoffen (VOS). Veelvuldig contactmet deze stoffen kan leiden tot hoofdpijn, eczeem, luchtwegaandoeningen of in het ernstigstegeval hersenschade. Om de blootstelling aan deze stoffen te verminderen worden bij 400bedrijven gratis VOS-scans uitgevoerd, waardoor duidelijk wordt welke maatregelenbedrijven moeten nemen om de risico’s op blootstelling aan oplosmiddelen te verminderen.De bedrijven worden doorgelicht op het gebruik van oplosmiddelen en krijgen een advies opmaat over de vervanging van VOS-houdende producten door minder schadelijke producten.Ook over de vermindering van fysieke belasting zijn convenantafspraken gemaakt. In hetkader hiervan is een softwareprogramma ontwikkeld waarmee de fysieke belasting op dewerkvloer kan worden gemeten; de zogenaamde Fysimeubel. Het resultaat is een beknoptrapport met bijbehorende oplossingen dat ook in de ri&e kan worden opgenomen. Hetsoftwareprogramma kan op een makkelijke wijze via de website van de sector wordengeïnstalleerd.Arbo-meetkoffer in de timmerindustrie en de houthandelIn mei ontvingen alle bedrijven in de timmerindustrie de Arbo-meetkoffer 2004, en eind 2004kwam dit instrument ook beschikbaar voor de houthandel. Met de instrumenten op deze cdromkunnen bedrijven nu aan de slag met een grondige analyse en aanpak van de lichamelijkebelasting in het bedrijf. Voor 2005 en 2006 zullen houtstof en geluid in de meetkoffer wordenopgenomen. Met de meetkoffer kunnen de bedrijven zelf, zonder inschakeling vandeskundigen, een kwalitatieve inschatting maken van de risico's op het gebied van fysiekebelasting, houtstof en geluid, en prioriteiten bepalen in de aanpak van deze risico's. De cd-rompresenteert meteen concrete oplossingen in de vorm van technische beschrijvingen met een7


ijbehorende kostenindicatie. Ook randvoorwaarden voor de invoering van de concreteoplossingen en informatie over leveranciers worden beschreven. Bedrijven krijgen zo op eenpraktische en snelle manier inzicht in de knelpunten m.b.t. de betreffende risico’s zonderblootstellingsmetingen uit te hoeven voeren. Middels vragenlijsten worden werksituatiesbeoordeeld waarbij wordt gekeken naar de machines, de toegepaste werkmethoden daarbij ende werkomgeving (zoals de akoestiek van de ruimte en de afzuiginstallatie). In de koffer zittevens de wettelijk verplichte RI&E. De meetkoffer is zodanig gestructureerd dat deinventarisatie leidt tot een overzicht van knelpunten en mogelijke oplossingen. Ook anderesectoren hebben inmiddels belangstelling getoond voor dit instrument.Voorlichtingscampagne van start in de koek en snoepBegin oktober is de voorlichtingscampagne met als titel ‘Dat werkt wel zo lekker!’gestart. Devoorlichtingscampagne duurt ruim een jaar en zal een belangrijke bijdrage leveren aan deuitvoering van de convenantafspraken. In het convenant is afgesproken om het ziekteverzuimmet 15% en de WAO-instroom met 25% te verminderen en om de blootstelling aan fysiekebelasting / RSI en werkdruk beide met 20% te verlagen. Tilly is het gezicht van de campagneen presenteert zich als één van de werknemers uit de sector. Een onderdeel van devoorlichtingscampagne is een website waarop Tilly tips geeft over gezond werken(www.datwerktwelzolekker.nl). Zij is ook degene die de branche op de hoogte gaat brengenen houden van de thema’s en maatregelen in het arboconvenant. Verder zijn zowelwerkgevers als werknemers door haar uitgenodigd om ideeën te verzinnen waardoorwerknemers gezonder kunnen gaan werken. Op de website worden tevens hulpmiddelenaangeboden die gebruikt kunnen worden om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.Voorbeelden van aangeboden hulpmiddelen zijn een werkwijzer en oplossingenboek voorRSI en lichamelijke belasting, een quick scan werkdruk en een digitale ri&e. Verder zijn erarbo-adviseurs actief die zelf contact opnemen met koek- en snoepbedrijven, worden ercursussen gegeven aan leidinggevenden over hun rol als arbovraagbaak en arbocoach enworden er RSI-consulenten opgeleid.1.3 Resultaten afgeronde trajectenZoals reeds eerder vermeld, zijn van een groot deel van de afgeronde trajecten de resultatenbeschikbaar in de vorm van evaluatie-onderzoeken 4 . Deze resultaten zijn uitgebreidbeschreven in bijlage 5 van deze rapportage. In deze paragraaf, wordt een aantal conclusiesgetrokken op basis van de uitkomsten van de evaluatie-onderzoeken. Daarbij is een tweetalkanttekeningen op zijn plaats:• de conclusies zijn gebaseerd op de resultaten van slechts 9 trajecten; methodologischgezien is dat aantal eigenlijk te beperkt om daaruit algemene lijnen te destilleren;• bovendien gaat het om trajecten die dateren uit de beginfase van het convenantenproject,een fase waarin diverse aspecten, bijvoorbeeld monitoring, beleidsmatig nog vormmoesten krijgen en waarin nog geen gebruik kon worden gemaakt van de ervaringen uitandere trajecten.Van representativiteit is daarom geen enkele sprake, hetgeen impliceert dat de conclusies nietzonder meer zijn te vertalen naar de gehele convenantenaanpak. Met andere woorden: denodige voorzichtigheid is geboden bij de interpretatie van de inhoud van deze paragraaf en hetis niet uitgesloten dat het beeld in de toekomst – wanneer er méér trajecten zijn beëindigd –bijgesteld zal worden.4Zie ook bijlage 3: het overzicht van afgeronde trajecten. Hierin staat eveneens voor welke trajecten het evaluatieonderzoekreeds verschenen is.8


Realisatie doelstellingenVoor wat betreft de realisatie van de doelstellingen is er een onderscheid te maken tussen deonderwerpen verzuim en WAO-instroom enerzijds en de arbeidsrisico’s anderzijds. Als hetgaat om verzuim en/of WAO-instroom, dan weten partijen de doelstellingen geheel of vrijwelvolledig te bereiken. Van de totale, potentiële besparingen is als gevolg al €265 miljoengerealiseerd in de afgeronde trajecten, uitgaande van een identieke berekeningssystematiek(zie paragraaf 1.6). Het lijkt erop dat het aanpakken van deze thema’s relatief snel leidt totaantoonbare resultaten. Overigens is het aannemelijk dat een aantal externe factoren, zoals deconjunctuur of de Wet Verbetering Poortwachter, er mede in hebben bijdragen, dat dedoelstellingen ten aanzien van verzuim en WAO-instroom over het algemeen zijn gehaald.Als het gaat om de arbeidsrisico’s daarentegen, is het beeld wat diffuser. In een aantaltrajecten is het niet te beoordelen of de reductiedoelstellingen op dit gebied zijn gehaald,omdat de vereiste gegevens om dat vast te kunnen stellen, niet beschikbaar zijn. In detrajecten waar wél cijfers voor handen zijn, is het niet mogelijk om één algemene, dalendetendens in de blootstelling vast te stellen. Evenmin is het mogelijk om per risico stelligeuitspraken te doen, mede vanwege het feit dat niet elk traject over alle arbeidsrisico’safspraken bevat en dat de aantallen daardoor te gering zijn om daarin tendensen teonderscheiden. De arbeidsrisico’s die het meest voorkomen in de 9 trajecten, waarop dezeparagraaf is gebaseerd, zijn fysieke belasting en werkdruk. Het thema fysieke belasting isbijvoorbeeld met succes aangepakt in de kinderopvang, de thuiszorg en degehandicaptenzorg: in deze trajecten is men erin geslaagd de gestelde (kwantitatieve)doelstellingen grotendeels te realiseren. Het arbeidsrisico werkdruk hebben partijen in dehoreca en in de gemeenten weten terug te dringen, in de rijksoverheid echter is dit risico nogsteeds een probleem. Tóch zijn er wel een aantal behoedzame conclusies te trekken als hetgaat over de doelstellingen ten aanzien van de arbeidsrisico’s:• Er zijn veel inspanningen gepleegd om de arbeidsrisico’s aan te pakken en dedoelstellingen te realiseren.• Niet álle inspanningen vertalen zich onmiddellijk in een reductie van de blootstelling. Hetis mogelijk dat er sprake is van een vertraagd effect; in dat geval zullen de resultaten paszichtbaar worden in de periode ná afloop van het convenant 5 .• Het feit dat bepaalde doelstellingen (nog) niet gerealiseerd zijn, betekent níet, dat partijenniets hebben bereikt 6 . In verschillende convenanttrajecten hebben zij op andere wijzesuccessen geboekt bij de vormgeving van het bronbeleid, bijvoorbeeld via:o het bespreekbaar maken en het agenderen van belangrijke problematiek in debranche;o het aanzetten tot actie daartoe door individuele werkgevers en werknemers viahet stimuleren van andere werkwijzen dan wel van het gebruik van middelen /instrumenten;o het tot stand laten komen van nieuwe normering, onder meer in de vorm vanbeleidsregels.• In een beperkt aantal trajecten is het niet of onvoldoende gelukt om een bepaaldarbeidsrisico aan te pakken. Het gaat dan om convenanten die afspraken over een grootaantal onderwerpen bevatten. Het lijkt erop dat bij een breed scala aan onderwerpen56Niet alle doelstellingen in deze eerste convenanten richten zich overigens op de primaire ingang risico-blootstelling. Bijhet afsluiten van deze trajecten bestond er nog geen vaste gang van zaken voor wat betreft het bedenken en formulerenvan praktische, kwantitatieve doelstellingen.Nog los daarvan staat de opvatting dat doelstellingen realistisch en haalbaar moeten zijn. Dat is op voorhand niet altijdeenvoudig te beoordelen.9


partijen - bewust of onbewust – prioriteiten gaan stellen, waardoor niet alle onderwerpenvan het convenant evenveel aandacht krijgen (zie ook succesfactoren en leerpunten).Inzet instrumentenOm de doelstellingen te realiseren, organiseren de convenantpartijen uiteenlopendeactiviteiten en maken zij gebruik van verschillende instrumenten. Maatwerk voert hierbij deboventoon. De diversiteit maakt het echter lastig een rubricering aan te brengen. Tóch is erwel een globale onderverdeling te maken in ingezette instrumenten. In de eerste plaats zijn ermeetinstrumenten, bedoeld om de stand van zaken in kaart te kunnen brengen en daarmeeondersteunend van karakter, zoals een werkdrukmeter, een ziekteverzuimregistratiesysteemen een WAO-monitor. Ook een branche- ri&e kan tot deze groep gerekend worden. In detweede plaats gaat het om middelen en instrumenten, gericht op informatievoorziening overhet anders inrichten van de werkzaamheden of over een gedragsverandering, zoalshandboeken of werkboeken, workshops en trainingen. En in de derde plaats betreft hetarbeidsmiddelen of instrumenten, bedoeld voor het gebruik tijdens de regulierewerkzaamheden, bijvoorbeeld een tilhulplift.Voor een deel van de ingezette instrumenten geldt dat er indicatoren beschikbaar zijn over demate dan wel de frequentie van het gebruik door medewerkers of over de waarderinghiervoor, maar daadwerkelijk inzicht in welke middelen en instrumenten nu echt effectief zijngebleken, is er nog niet. Het blijkt lastig vast te stellen of de inzet van een specifiekinstrument feitelijk bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen en daarom gebeurt datwaarschijnlijk (nog) niet op grote schaal. Een voorbeeld van een instrument waar wél eenindicatie van de effectiviteit is gemaakt, is het programma integraal verzuimmanagement inde GGZ.Succesfactoren en leerpuntenDe partijen betrokken bij de eerste, afgeronde trajecten hebben in feite gefungeerd als eensoort van pioniers: zij verdienen de waardering voor de eerste stappen die zijn gezet, zijdienen in sommige opzichten als een voorbeeld en in andere opzichten laten zij juist zien hoezaken beter kunnen.Op grond van de ervaringen van de ‘pioniers’ is er een aantal factoren te benoemen die hetproces van implementatie bevorderen, hier aangeduid als succesfactoren:• draagvlak: het bij aanvang van het traject investeren in het creëren van draagvlak opbedrijfsniveau is erg zinvol gebleken;• focus: een smal convenant met een beperkt aantal onderwerpen is beter uitvoerbaar.Een te brede insteek maakt een gerichte en samenhangende aanpak lastig; een veelheidaan deelprojecten kan er vervolgens toe leiden dat niet elk project evenveel prioriteitkrijgt en kan het realiseren van de doelstellingen in de weg staan;• persoonlijke benadering: het verdient aanbeveling te overwegen om in te zetten op eenpersoonlijke benadering van werkgevers en werknemers. Dit is succesvol gebleken bijde horeca, de dakdekkers en in de zorg. Op die wijze wordt de doorwerking van deconvenantafspraken naar de werkvloer bevorderd.• stok achter de deur: een laatste factor die een stimulans blijkt te zijn voor het procesvan implementatie, is de wetenschap dat de normering vanuit het convenant ook náafloop van het convenant van kracht blijft en dat de Arbeidsinspectie dat alsuitgangspunt kan nemen voor de handhaving.De afgeronde trajecten leveren ook een aantal leerpunten op voor de nog lopende trajecten:10


• reserveer voldoende tijd voor het proces van implementatie;• richt bij aanvang van het traject het proces van monitoring goed in, zodat aan het eindevan de looptijd de resultaten goed zichtbaar gemaakt kunnen worden 7 ;• draag zorg voor commitment bij het management;• versterk de rol van de medezeggenschapsraden;• denk goed na over de verbreding van activiteiten vanuit pilots en experimenten, indienzij succesvol zijn gebleken;• besteed gedurende het traject ook energie aan het inzichtelijk maken van deeffectiviteit van alle activiteiten en instrumenten.BorgingHet is van belang dat de sociale partners de afspraken ná afloop van het arboconvenantstructureel verankeren, om te waarborgen dat van alle inspanningen die gedurende de looptijdvan een convenant zijn verricht, een duurzame werking uitgaat. In de convenanttrajecten dienu afgelopen zijn, gebeurt dat op verschillende manieren:• continuering van eerste fase afspraken in een tweedefaseconvenant;• voortzetting van activiteiten vanuit het convenant of vasthouden aan gewijzigdeprocedures en werkwijzen, voortvloeiend uit het convenant;• handhaving van normen en kaders door de Arbeidsinspectie;• vastleggen van afspraken in een beleidsregel;• verankeren van afspraken in een CAO-bepaling.1.4 CAO-onderzoekHet is wenselijk dat afspraken uit convenanten ook hun weg vinden naar het CAO-niveau,aangezien het CAO-instrument een aantal voordelen kent boven dat van het convenant 8 .Immers:- de CAO wordt voortdurend vernieuwd, terwijl de convenantenaanpak uiterlijk in 2007eindigt; de CAO is daarom een geschikt instrument om afspraken te verankeren 9 ;- de CAO kent minder afwijkingsmogelijkheden als het gaat om de juridischeafdwingbaarheid van afspraken richting individuele werkgevers en werknemers;- de werkingssfeer van de CAO kan worden vergroot via een verzoek tot algemeenverbindend verklaren (AVV), waardoor de bepalingen niet meer alleen gelden voor decontracterende partijen, maar voor de gehele branche.Tegen deze achtergrond is zowel in 2002 als in 2003 geïnventariseerd in welke mateconvenantafspraken of gedeelten daarvan daadwerkelijk doorwerken op CAO-niveau.Inmiddels is deze inventarisatie opnieuw geactualiseerd 10 .Uitgangspunt voor de analyse vormden 51 sectoren waar per ultimo oktober 2004 eenarboconvenant is getekend 11 / 12 . Voor deze convenanttrajecten zijn de bijbehorende CAO’s78910Dit is een punt dat in de nog lopende trajecten al goed opgepakt is: partijen zijn al geruime tijd doordrongen van hetbelang van monitoring.Ook sociale partners vinden het wenselijk dat er een omzetting van convenantenafspraken naar CAO’s plaatsvindt.Hierover hebben zij zich uitgesproken in het najaarsakkoord van 2004 (Stichting van de Arbeid, ‘Verklaring van de inde Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers’, 5 november2004).Niet alle convenantafspraken lenen zich voor opname in de CAO. Het ministerie van SZW heeft een brochureuitgebracht over dit onderwerp: zie ook voetnoot 12.‘Terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in CAO’s (2004)’, ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid, januari 2005 (hoofdstuk 6).11


onderzocht. Aan sommige trajecten kunnen meerdere collectieve arbeidsovereenkomstenworden gekoppeld. Andersom hebben enkele CAO’s betrekking op meerdereconvenanttrajecten. Met andere woorden: tussen CAO’s en arboconvenanten is niet altijd eenéén-op-één koppeling mogelijk. In totaal zijn daarom 71 CAO’s / principe-akkoordenonderzocht (zie bijlage 6).Het CAO-onderzoek wijst uit dat 35 CAO’s een of meerdere verwijzingen bevatten naar hetarboconvenant. Gezamenlijk hebben deze 35 CAO’s betrekking op 29 convenantsectoren. Ditbetekent concreet dat bij méér dan de helft van de getekende convenanten sprake is van eendoorwerking in een of meerdere CAO’s (57%). Een vergelijking met de resultaten uit devoorgaande CAO-onderzoeken is opgenomen in onderstaande tabel.Tabel 1 Ontwikkeling in de doorwerking van convenantafspraken naar het CAO-niveauConvenanttrajecten met een doorwerking in de CAO2002 (N = 33) 2003 (N = 44) 2004 (N = 51)In absolute aantallen 17 22 29In percentage 52% 50% 57%In absolute aantallen blijkt er sinds 2002 al een toenemend aantal convenanttrajecten te zijn,waarin sociale partners in de bijbehorende CAO(‘s) een of meerdere bepalingen wijden aan deconvenantafspraken. In procentuele zin doet een stijging zich pas een jaar later voor: in 2004stijgt het percentage convenanttrajecten waarbij sprake is van een doorwerking naar de CAOmet 7%-punten ten opzichte van 2003.Niet alleen op kwantitatief vlak is er sprake van een positieve ontwikkeling; ook inkwalitatieve zin lijkt er sprake te zijn van een vooruitgang: in méér CAO’s dan in devoorgaande meting, gaat het om bepalingen die concreet van aard zijn. Meestal gaat het danom verplichtingen of het nemen van specifieke maatregelen. Of er sprake is van een feitelijketrendbreuk, kan echter op basis van een enkele vervolgmeting niet geconcludeerd worden.Voorbeelden van concrete bepalingenUit de CAO voor het welzijnswerk‘De werkgever voert een arbeidsomstandighedenbeleid dat de volgende onderwerpen bevat: werkdruk enwerkstress, agressie en onveiligheid, fysieke belasting en verzuim en reïntegratie. Dit beleid wordtuitgevoerd met behulp van de maatregelen en instrumenten uit het arboconvenant…’Uit de CAO voor de jeugdhulpverlening‘Met ingang van 2003 zal jaarlijks via een brede enquête de werkdruk worden gemeten… In het kadervan het arboconvenant zullen instrumenten worden ontwikkeld en aan de sector worden aangebodengebaseerd op de uitkomsten van de enquête… Iedere werkgever is verplicht om in overleg met deondernemingsraad een plan van aanpak te ontwikkelen gericht op het oplossen van de knelpunten die uitde enquêteresultaten naar voren komen.’Uit de CAO van Fortis Bank‘De werkgever voert een beleid gericht op het verminderen van werkdruk en RSI en het verbeteren vanhet verzuim- en reïntegratiebeleid. Hierbij worden minimaal de afspraken van het arboconvenant voorhet bankbedrijf in acht genomen. De werkgever bespreekt dit beleid, het plan van aanpak en deuitkomsten hiervan periodiek met de deelnemers van een tripartiet overleg (werkgever, vakbonden enondernemingsraad).’1112Níet meegeteld hierin zijn de tweedefasetrajecten van sectoren die eveneens een eerstefaseconvenant hebben.De CAO’s behorende bij de (per ultimo oktober 2004) nog niet getekende convenantsectoren zijn eveneens buitenbeschouwing gebleven in de analyse. Bekend is echter wel dat bij een aantal trajecten, in elk geval de contractcateringen de verblijfsrecreatie, in de huidige CAO al geanticipeerd wordt op het op handen zijnde arboconvenant.12


In 3 CAO’s, te weten die voor de verf- en drukinktindustrie, het kappersbedrijf en de socialewerkvoorziening, is een aantal artikelen uit het convenant integraal in de CAO opgenomen.Bijzonder is ook de CAO ‘Arbeid en gezondheid’ in de sector linnenverhuur,wasserijbedrijven en textielreinigingsbedrijven. In deze CAO zijn de convenantafsprakenzodanig geherformuleerd, dat ze voldoen aan de voorwaarden voor algemeen verbindendverklaring, hetgeen ook gebeurd is in de loop van 2004. Zo bevat de collectieve overeenkomstonder meer algemene randvoorwaarden ten aanzien van arbo- en verzuimbeleid opbedrijfsniveau en specifieke maatregelen voor werkgevers ten aanzien van fysieke belasting,werkdruk, geluid, klimaat en biologische agentia. Op deze wijze zijn de convenantafsprakenstevig verankerd binnen de branche.Bekend is dat de partijen die betrokken zijn bij de CAO’s voor de suikerverwerkendeindustrie en voor de suikerwerk- en chocoladeverwerkende industrie eveneens het voornemenhebben om de convenantafspraken in een afzonderlijke CAO vast te leggen, namelijk in deCAO Arboconvenant koek-snoep.Om het proces van verankering van convenantafspraken in CAO’s te stimuleren, heeft hetministerie van SZW overigens medio 2004 een vernieuwde brochure over dit onderwerpuitgebracht 13 .1.5 Ontwikkeling verzuim en WAO-instroomIn 2003 heeft het ministerie van SZW een extern onderzoeksbureau opdracht gegeven deontwikkeling van het verzuim en de WAO-instroom in convenantsectoren te vergelijken metdie in de niet-convenantsectoren. Toen bleek dat het verzuim in de convenantsectoren relatiefveel sterker daalde in 2002 ten opzichte van 2001 dan in de niet-convenantsectoren. Eveneenswas er binnen de convenantsectoren een sterkere daling in WAO-toekenningen te constaterendan in niet-convenantsectoren. SZW heeft besloten dit onderzoek in 2004 te herhalen.1.5.1 VerzuimVoor de analyse met betrekking tot de ontwikkeling van het verzuim is gebruik gemaakt vanenerzijds een groep convenantsectoren, bestaande uit sectoren die in 1999, 2000 of 2001 eenconvenant hebben getekend en waarvan verzuimcijfers beschikbaar zijn over de periode 1999– 2003, en anderzijds een referentiegroep, bestaande uit alle sectoren waar géén convenantvan kracht is 14/15 .De ontwikkeling in het verzuim in beide groepen is zichtbaar gemaakt in de volgende figuur.131415Ministerie van SZW, ‘Arboconvenanten, CAO’s en algemeen verbindend verklaren (AVV); een handreiking voorconvenant- en/of CAO-partijen’, juli 2004, nr. 522. De tekst van de brochure is eveneens integraal te downloaden viawww.arboconvenanten.szw.nl.Dit betekent dus dat sectoren die in 2002, 2003 of 2004 een convenant hebben getekend, buiten de analyse blijven.Hiervoor is zowel een pragmatische reden - namelijk dat van deze sectoren veelal nog geen reeks van verzuimcijfersbeschikbaar is – als een theoretische onderbouwing – het is immers aannemelijk te veronderstellen dat bij latergetekende convenanten nog geen effect van de inspanningen op het verzuimcijfer valt waar te nemen.Ten opzichte van de voorgaande meting is ten behoeve van de analyse in 2004 een aantal correcties doorgevoerd inde samenstelling van de referentiegroep.13


Figuur 1Ontwikkeling van het gemiddelde verzuimpercentagein convenantsectoren en niet-convenantsectoren8%7,50%Gemiddelde ziekteverzuimpercentage7%6%5%7,20%5,50%5,70%7,30%5,60%6,60%5,50%5,80%4,90%Convenant-sectorenNiet-convenantsectoren4%1999 2000 2001 2002 2003JaartalDe figuur laat zien dat het niveau van het ziekteverzuimpercentage in de convenantsectorenweliswaar in 2003 nog steeds hoger is dan in de niet-convenantsectoren, maar dat het verschildaartussen steeds kleiner is geworden de afgelopen jaren. Ook in de periode 2002 – 2003 ishet verzuim in de convenantsectoren harder gedaald dan in de niet-convenantsectoren; depositieve ontwikkeling blijft zich met andere woorden voortzetten. Een nuancering daarbij isdat zich nu, in tegenstelling tot voorgaand jaar, ook in de niet-convenantsectoren eensubstantiële daling in het verzuim voordoet. De cijfers in figuur 2 illustreren dit.14


Figuur 2Procentuele verandering in het verzuimpercentaget.o.v. voorgaande jaar8%6%4%Procentuele verandering2%0%-2%-4%-6%-8%2000 2001 2002 2003ConvenantsectorenNiet-convenantsectoren-10%-12%-14%JaartalZoals in figuur 2 al wordt weergegeven, is het verzuim in de convenantsectoren in 2003gedaald met 12,3% ten opzichte van 2002; in de niet-convenantsectoren bedraagt ditpercentage -10,3. In 2002 bedroegen deze percentages nog respectievelijk -8,9 en -1,4.1.5.2 WAO-instroomOm de ontwikkeling op het gebied van de WAO in kaart te brengen, is een analyse verricht opbasis van WAO-toekenningspercentages in convenantsectoren en niet-convenantsectoren inde periode 2002 - 2003. De resultaten laten zich in de hierna volgende tabel kort samenvatten.Tabel 2 WAO-toekenningspercentages in convenant-sectoren en niet-convenantsectorenConvenantsectoren Niet-convenantsectoren1 e kwartaal 2002 0,38 0,362 e kwartaal 2002 0,33 0,293 e kwartaal 2002 0,31 0,294 e kwartaal 2002 0,33 0,29Jaartotaal 2002 1,36 1,231 e kwartaal 2003 0,30 0,262 e kwartaal 2003 0,23 0,193 e kwartaal 2003 0,22 0,224 e kwartaal 2003 0,25 0,24Jaartotaal 2003 1,00 0,90Procentuele verandering in2003 t.o.v. 2002-26,5% -26,8%De cijfers in tabel 2 leiden tot de conclusie dat het WAO-toekenningspercentage in deconvenantsectoren tussen 2002 en 2003 is afgenomen met 26,5%, maar dat een vrijwelvergelijkbare ontwikkeling zich heeft voorgedaan in de niet-convenantsectoren. Er is, metandere woorden, geen evident verschil waar te nemen tussen convenantsectoren en nietconvenantsectoren.15


Deze resultaten lijken in contrast te staan met de uitkomsten in paragraaf 1.5.1. Echter, er zijndiverse (methodologische) redenen waarom de resultaten omtrent het ziekteverzuim enerzijdsen de WAO-instroom anderzijds niet rechtstreeks vergelijkbaar zijn:- in de verzuimanalyse vormen de convenantbranches de onderzoekseenheid, terwijl inde WAO-analyse de OSV-sectoren 16 als eenheid zijn genomen;- de verzuimanalyse is gebaseerd op branches die in de periode 1999-2001 zijngetekend, terwijl in de WAO-analyse álle convenantbranches zijn meegenomen;- in de verzuimanalyse moest een beperkt aantal sectoren buiten beschouwing blijvenbij gebrek aan cijferreeksen, in de WAO-analyse enkele andere sectoren;- de verzuimanalyse beslaat een langer tijdsbestek.1.6 InverdieneffectenOp grond van een rekenmodel is een eenvoudige raming te maken van de potentiële jaarlijksebesparingen voor werkgevers, wanneer alle convenantdoelstellingen op het gebied vanverzuim en WAO-instroom gerealiseerd worden aan het einde van de looptijd. Deopbrengsten bestaan in dit model namelijk uit een reductie van verzuim- en WAO-kosten alsgevolg van een daling in het aantal zieke werknemers en WAO-ers.Een kanttekening bij dit model is dat de relatie tussen de investeringen vanuit het convenanten de opbrengsten buiten beschouwing blijft; met andere woorden, het model maakt nietduidelijk in hoeverre de gerealiseerde doelstellingen op het gebied van verzuim en WAOinstroomzijn toe te schrijven aan de activiteiten en inspanningen die vanuit het convenant zijnondernomen. Er moet rekening mee worden gehouden dat ook andere factoren, zoals deconjunctuur of ander overheidsbeleid, mogelijk een rol van betekenis hebben gespeeld.In de jaarrapportage arboconvenanten 2003 is een vergelijkbare exercitie uitgevoerd voor alletot dan getekende convenanten. De potentiële besparing voor de per ultimo 2003 getekendeconvenanten bedroeg volgens dit rapport €650 miljoen per jaar.In 2004 zijn 11 convenanten getekend. Op basis daarvan kan een nieuwe raming gemaaktworden. In deze nieuwe berekening zijn eveneens de nog in 2005 te tekenen convenantenverdisconteerd. De potentiële opbrengsten hebben dus betrekking op 68 trajecten.De potentiële besparingen voor werkgevers komen in de nieuwe berekening dan uit op ruim€900 miljoen per jaar. Dat is fors méér dan de investeringen in de convenantenaanpak doorSZW en de sociale partners. In totaal hebben zij tot nog toe zo’n €299 miljoengeïnvesteerd 17/18 . Bij de investering gaat het om een eenmalig bedrag.161718OSV is een branche-afbakening die het UWV hanteert.Dit is exclusief de investeringen van de nog te tekenen convenanten; daarvan is het budget van sociale partners nogniet bekend.Dit is eveneens exclusief de investeringen van de individuele werkgevers.16


HOOFDSTUK 2 BELEID EN IMPLEMENTATIE2.1 TrajectenIn 2004 zijn er in totaal 11 arboconvenanten afgesloten. Het gaat om 2 eerstefaseconvenantenen 9 tweedefaseconvenanten. In de eerste helft van 2004 zijn 11 intentieverklaringengetekend. Vier van deze intentieverklaringen hebben inmiddels geleid tot ondertekening vaneen convenant en in 3 andere sectoren is overeenstemming over convenantafspraken, maar zalde daadwerkelijke ondertekening in het eerste kwartaal van 2005 plaatsvinden. Op 31december 2004 is alleen in de sector kinderopvang de intentieverklaring niet omgezet in eentweedefaseconvenant (zie paragraaf 2.1.1). Afgesproken is dat in de nog resterende 3sectoren, te weten de dienst justitiële inrichtingen, de ambulante handel en detailhandel inaardappelen, groenten en fruit (AGF), bloemen en vis en de contractcatering uiterlijk 1 april2005 een arboconvenant ondertekend moet zijn.Voorbeelden van afspraken in tweedefaseconvenantenPolitie (08-07-2004 tot 01-07-2007)Onderwerpen: reductie ziekteverzuim en reïntegratie WAO-ersHet convenant is van toepassing op ongeveer 59.000 mensen en is een aanvulling op heteerstefaseconvenant dat loopt tot 1 juli 2005. In het tweedefaseconvenant is o.a. afgesproken om hetziekteverzuim te reduceren met 20 procent. Ook willen convenantpartijen dat het aantal mensen met eenWAO-uitkering afneemt met 10 procent (240 mensen). De totale kosten van het tweedefaseconvenantbedragen 3 miljoen euro, waarvan SZW 1 miljoen euro financiert. Met een divers pakket van maatregelenwordt gewerkt aan de realisatie van de doelstellingen. Zo wordt er in aansluiting op de branchespecifiekeri&e een branchespecifiek periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek (PAGO) ontwikkeld. Hetstrategisch management zal worden aangesproken op haar verantwoordelijkheden voor het inbedden vanarbo- verzuim- en reïntegratiebeleid in het organisatiebeleid en medewerkers zullen worden aangespoordom verantwoordelijkheid te nemen voor de eigen lichamelijke en geestelijke conditie. In de vorm van pilotsworden good practices voor de reïntegratie van langdurig zieken ontwikkeld en met de korpsen wordt eenregistratie- en analysemodel ontwikkeld met betrekking tot arbeidsongevallen. De aanpak van dereïntegratie van WAO’ers zal worden vormgegeven mede op basis van de inmiddels opgebouwde expertisein ander sectoren zoals de landbouw en de grafimedia.Beroepsonderwijs en volwasseneducatie (23-12-2004 tot 01-07-2007)Onderwerpen: reductie ziekteverzuim en reductie WAO-instroomIn het convenant is afgesproken om zowel het ziekteverzuim- als het WAO-instroompercentage met 20% tereduceren. Voor het convenant is in totaal ruim 2,5 miljoen euro beschikbaar. Hiervan betalen socialepartners en SZW ieder de helft. In de sector werken in totaal ruim 50.000 mensen. Onderdeel van hetconvenant is de inzet van deskundigen bij instellingen die te maken hebben met veel en langdurendziekteverzuim. Deze deskundigen helpen onderwijsinstituten met het opstellen van een plan van aanpak datis toegesneden op hun situatie. Ook kunnen zij begeleiding geven bij de inhuur van Arbodiensten omspecifieke knelpunten op te lossen. Daarnaast komt er een model waarmee instellingen de kosten en batenvan verschillende maatregelen om ziekteverzuim te verminderen tegen elkaar kunnen afwegen. Een redenvan ziekteverzuim is agressie en geweld waarmee docenten en onderwijsondersteunend personeelgeconfronteerd worden. Binnen de sector wordt geïnventariseerd welke maatregelen tegen geweld wordengenomen en welke instellingen daaraan behoefte hebben. Vervolgens komt er een plan van aanpak omagressie en geweld verder terug te dringen. Onderdeel hiervan is een meldpunt voor incidenten met agressieen geweld.17


Onderstaande tabel biedt een overzicht.Tabel 3 Overzicht van convenanten en intentieverklaringen in de periode januari tot en metdecember 2004Sectoren die in 2004 een convenantSectoren die in 2004 een intentieverklaringhebben getekendhebben getekend1 e fase 2 e fase1. Installatie- en isolatiebranche 1. Beveiligingsbranche2. Ambulancezorg 2. Papier- en kartonindustrie3. Onderwijs PO/VO2 e fase 4. Dienst Justitiële Inrichtingen3. Academische ziekenhuizen 5. Kinderopvang4. Agrarische sectoren 6. Onderwijs BVE5. Rijksoverheid 7. Uitgeverijbedrijf6. Politie 8. Uitzendbranche7 Onderwijs PO/VO 9. Ambulante handel en detailhandel in AGF,bloemen en vis8 Recreatie 10. Taxibranche9 Uitgeverijbedrijf 11. Contractcatering10 Papier en Karton11 Onderwijs BVEStand van zakenHet totaal aantal convenanten per 31 december 2004 komt daarmee op 62, waarvan 50eerstefaseconvenanten en12 tweedefaseconvenanten. Een compleet overzicht is te vinden inbijlage 1.Wanneer de arboconvenanten onderverdeeld worden op basis van het jaartal vanondertekening, ontstaat het volgende beeld.Figuur 3Convenanten onderverdeeld naar jaartal van ondertekening per 31december 2004Frequentie18161412108642016141311621999 2000 2001 2002 2003 2004Jaartal van ondertekening18


Naar verwachting zullen er voor 1 april 2005 nog 6 tweedefaseconvenanten wordenondertekend, wat betekent dat er uiteindelijk 68 arboconvenanten zullen zijn.Figuur 4Ontwikkeling in het aantal convenantenFrequentie807060504030201006862513822821999 2000 2001 2002 2003 2004 2005Stand van zaken aan het einde van het kalenderjaar2.1.1 LooptijdVerlengingen en einde looptijdVan de 62 convenanten is bij 12 trajecten de looptijd verstreken. Een overzicht van dezesectoren is te vinden in bijlage 3. Daarnaast zijn er diverse sectoren die een verzoek totverlenging van de looptijd hebben ingediend. Een compleet overzicht van alle sectorenwaarbij de looptijd van het convenant is verlengd, is te vinden in de volgende tabel.Tabel 4 Overzicht van alle convenantsectoren waarbij de oorspronkelijke looptijd isverlengdSector Oorspronkelijke einddatum Nieuwe einddatum1. GGZ 31.12.2003 31.10.20042. Gehandicaptenzorg 01.07.2004 31.10.20043. Horeca 31.05.2003 01.12.20044. Bitumineuze dakdekkers 01.09.2004 31.12.20045. Rijksoverheid 01.07.2004 31.12.20046. Gemeenten 09.07.2004 31.12.20047. Onderwijs BVE 01.12.2004 31.12.20048. Thuiszorg 03.03.2004 31.12.20049. Kinderopvang en peuterspeelzalen 01.01.2004 31.12.200410. Ziekenhuizen 01.07.2004 01.04.200511. Arbovoorlichters in de bouw 01.09.2004 31.05.200512. Banken 31.12.2004 01.06.200513. Woningcorporaties 01.07.2004 01.07.200514. Politie 01.07.2004 01.07.200515. Defensie 24.04.2005 01.07.200516. Onderwijs HOO 01.12.2004 01.12.200517. Architecten 11.04.2005 11.04.200619


Een eerstefaseconvenant kan verlengd worden als een sector de doelstellingen, zoalsafgesproken in het convenant, alsnog wil bereiken. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn vanvertraging in de uitvoering van maatregelen door een gebrekkige procesmatige aansturing vanhet convenant of door bepaalde ontwikkelingen in de sector. De verlenging moet in iedergeval plaatsvinden binnen het budget en mag – inclusief de evaluatie en afwikkeling van hetconvenant - niet langer dan één jaar duren.De meerderheid van de sectoren die de looptijd van het convenant verlengen, heeft daarvooreen andere reden dan bovengenoemde. De achtergrond is in dat geval dat bínnen deoorspronkelijke looptijd geen ruimte is gecreëerd voor het afrondende evaluatie-onderzoek,terwijl deze activiteit wél binnen de formele looptijd van het convenant moet geschieden.Daarom is in 2003 het begrip expiratiefase geïntroduceerd, een fase waarin weliswaar allerleiactiviteiten plaatsvinden, zoals de administratieve en financiële afhandeling, maar vooralbedoeld voor het laten uitvoeren van evaluatie-onderzoek. Aangezien dit bij een groot deelvan de eerstefaseconvenanten niet is ingecalculeerd ten tijde van de ondertekening 19 , valt hette verwachten dat er nog meer verlengingsverzoeken zullen worden ingediend. De verlengingkan in dat geval maximaal 6 maanden bedragen.Figuur 5 biedt een compleet overzicht van het totaal aantal convenanten onderverdeeld naarhet jaartal waarin de looptijd eindigt; de (verwachte) verlengingen zijn hierin verdisconteerd.Figuur 5Aantal convenanten onderverdeeld naar het jaartal waarin delooptijd eindigt, inclusief (verwachte) verlengingen302521620Frequentie151010 722501102001 2002 2003 2004 2005 2006 2007JaartalDe meeste convenanten zullen in 2006 en 2007 gaan aflopen: 21 respectievelijk 28 trajecten.Er zullen nog verschuivingen gaan optreden in het beeld, zoals figuur 5 dat schetst, aangezieneen deel van de toekomstige verlengingen is gebaseerd op een inschatting.19Tweedefaseconvenanten kunnen om die reden niet verlengd worden, omdat daarvoor op voorhand isafgesproken dat de afronding binnen de formele looptijd geschiedt.20


Opgezegde trajectenIn 2004 zijn in 3 trajecten de voorbereidingen voor een convenant beëindigd, omdat er geenuitzicht meer was op de totstandkoming van een convenant. Het gaat hier om de trajecten metde leer- en lederwarenindustrie, de verpleeg- en verzorgingshuizen, en het openbaar vervoer.• Het traject met de leer- en lederwarenindustrie is formeel beëindigd in april 2004. Deintentieverklaring, welke dateert van 14 februari 2003, is per brief opgezegd doorSZW. De werkgeversorganisaties besloten te stoppen met het overleg over eenarboconvenant. De verschillen tussen de subsectoren (leerlooierijen,lederwarenfabrikanten, (orthopedische) schoenindustrie en schoenmakers) maakte hetonmogelijk om branchebrede afspraken te maken in het convenant. Verder vonden debrancheorganisaties de kosten die met de uitvoering van een convenant zijn gemoeidniet opwegen tegen de besparingen die op de gebieden van ziekteverzuim en WAOinstroomwaren te realiseren.• De intentieverklaring met de verpleeg- en verzorgingshuizen is al getekend in juni2000. Een convenant bleef weliswaar steeds uit, maar de sector heeft in de tussentijdwél een aparte CAO arbeid en gezondheid afgesloten, waarin verschillende elementenvan het beoogde convenant zijn opgenomen. In 2004 is het traject formeel beëindigd.Oriënterend overleg over deelname aan een tweedefaseconvenant heeft evenmin totresultaat geleid.• Een vergelijkbare situatie heeft zich voorgedaan in de sector openbaar vervoer. Deintentieverklaring dateert van januari 2002. De hevige concurrentiestrijd tussen eenbeperkt aantal aanbieders van het streekbusvervoer en de daaruit voortvloeiendeinstabiele marktverdeling lijken er de oorzaak van te zijn dat er sinds de ondertekeningvan de intentieverklaring weinig beweging meer richting een arboconvenant iswaargenomen. Verkennende gesprekken met twee andere onderdelen van hetopenbaar vervoer in het kader van deelname aan de tweedefase, te weten hetstadsvervoer en de spoorwegen, zijn ook niet uitgemond in een convenanttraject.In 2003 zijn 3 trajecten in de voorbereidende fase beëindigd, te weten in de scheeps- enjachtbouw, de ICT-branche en de metaalsector 20 . Het totaal aantal opgezegde trajecten komtdaarmee uit op 6.2.1.2 Deelname tweedefaseIn de nota tweedefase convenanten 21 staan alle sectoren die voldeden aan de selectiecriteriavoor de tweedefase 22 , opgesomd. In totaal betrof het hier 42 sectoren, waarvan 31 sectorenwaarmee al een eerstefasetraject was gestart en 11 zogenaamde ‘nieuwe’ sectoren. Naintensieve onderhandelingen met vertegenwoordigers uit deze 42 sectoren, is het resultaat dathiervan uiteindelijk 19 sectoren de onderhandelingen voor een tweedefaseconvenant zijngestart. Een deel daarvan (12 sectoren) participeert eveneens in de eerstefase; de overige 6sectoren zijn nieuw, als het gaat om de convenantenaanpak.202122In de Jaarrapportage arboconvenanten 2003 is hier uitgebreid over gerapporteerd.Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Nota ‘Tweede fase convenanten’, 2003(AVB/SBA/03 48238).De selectiecriteria hebben betrekking op de omvang van de WAO-problematiek (WAOinstroompercentage= 1,5% óf aantal WAO-uitkeringen > 10.000) én de omvang van de sector (aantalwerknemers > 20.000).21


De onderhandelingen hebben zich afgespeeld tegen de achtergrond van de economischelaagconjunctuur. Tegelijkertijd waren daar ook de voorstellen van overheidszijde om deWAO en het prépensioen te wijzigen, hetgeen de verhoudingen met sociale partners heeftbeïnvloed. Tóch zijn deze ontwikkelingen maar weinig gebruikt als argument voor sectorenom níet deel te nemen aan de tweedefase. In de besprekingen met sectoren die geenbelangstelling hebben om mee te doen aan de tweedefase, zijn de volgende redenen genoemd:• de reductiedoelstellingen van 20% ten aanzien van ziekteverzuim en/of WAOinstroomzijn al in de eerstefase behaald en nóg een keer een dergelijkereductiedoelstelling wordt te ambitieus geacht;• de uitvoering van de afspraken in de eerstefase vraagt alle energie en aandacht;• er is geen financiering voor de tweedefase beschikbaar; met name in de zorgsectorheeft dit argument een doorslaggevende rol gespeeld na de bezuinigingen bij desectorfondsen Zorg en Welzijn.Dit alles in beschouwing nemend, kan geconcludeerd worden dat het aantal van 12tweedefaseconvenanten dat inmiddels is ondertekend en het aantal van 6tweedefaseconvenanten dat begin 2005 nog zal worden ondertekend, een goed resultaat isgelet op het aantal van 19 sectoren waarmee de onderhandelingen zijn gestart.2.1.3 FinanciënVerleende subsidies aan convenantactiviteitenHet totale subsidiebedrag dat is verleend ten behoeve van de uitvoering vanconvenantactiviteiten tot en met 2004 van € 59 miljoen is lager dan oorspronkelijk in debegroting is gereserveerd. Deze onderbesteding is onder meer veroorzaakt door vertragingenin de uitvoering van de geplande activiteiten en het niet of later afsluiten van enkeletweedefaseconvenanten. Het opschorten van het overleg tussen het kabinet en de socialepartners eind 2004 is hierbij ook van invloed geweest.Een aantal aflopende en reeds afgeronde convenanten zullen niet het gehele budget uitputten.Een voorbeeld is de Horeca die met een onderbesteding van 45% aan subsidiegelden van €0,8 miljoen de doelstelling bereikt heeft. Ook defensie heeft een onderuitputting van € 0,5miljoen door vertraging in de implementatie. Dit convenant loopt af op 1 juli 2005 en deverwachting is dat ook dit convenantbudget niet geheel besteed hoeft te worden om dedoelstelling te bereiken. Het gemiddelde percentage van de gerealiseerde subsidie-uitgavenvan de afgeronde convenanten is 92,5%.In bijlage 4 is per convenanttraject vermeld wat de SZW-uitgaven zijn geweest in deconvenantfase in de periode tot en met 31 december 2004. In de laatste kolom is aangegevenhoeveel procent van de subsidies daadwerkelijk is verleend.Reserveringen per arboconvenantHet totaal gereserveerde budget voor de per 31 december 2004 afgesloten convenantenbedraagt € 299 miljoen. Hiervan wordt 30% bijgedragen door SZW en 70% door de socialepartners. De gemiddelde reservering voor de eerstefaseconvenanten bedraagt € 1,6 miljoenper traject. Voor de tweedefaseconvenanten wordt vooralsnog gemiddeld € 1,1 miljoen pertraject gereserveerd.22


2.2 OnderwerpenEen totaalbeeldEen inventarisatie onder de convenanten levert op dat de afspraken voornamelijk betrekkinghebben op de prioritaire arbeidsrisico’s werkdruk, fysieke belasting, RSI, oplosmiddelen,allergenen en geluid, aangevuld met de thema’s vroegtijdige reïntegratie en agressie engeweld. Een rechte telling van de meest voorkomende onderwerpen in convenanten isopgenomen in tabel 5.Tabel 5 Overzicht van de meest voorkomende onderwerpen in convenanten (stand vanzaken eind december 2004)Onderwerp Frequentie in eerste-Frequentie in tweede-faseconvenanten (N = 50) faseconvenanten (N = 12)(Vroegtijdige) reïntegratie 37 11 48Werkdruk / PSA 23 35 3 38Fysieke belasting / tillen 27 3 30RSI 13 1 14Oplosmiddelen 8 1 9Agressie en geweld 9 2 11Allergenen 7 2 9Geluid 8 1 9Cytostatica 2 1 3Reïntegratie vanuit de - 4 4WAOBiologische agentia 1 1 2Houtstof 2 - 2Klimaat 2 1 3Kwarts 2 - 2Frequentie totaal(N = 62)Verzuim- en reïntegratiebeleidDe tabel laat zien dat 48 convenanten afspraken over (vroegtijdige) reïntegratie bevatten.Onder het begrip vroegtijdige reïntegratie zijn diverse soorten afspraken geschaard. Meestalgaat het om kwantitatieve afspraken over de reductie van het ziekteverzuim. Ongeveer dehelft van alle eerstefaseconvenanten bevat onder de noemer vroegtijdige reïntegratie ookafspraken over de reductie van de WAO-instroom.Als het gaat om onderwerpen kent de tweede fase een aantal nieuwe elementen ten opzichtevan de eerste fase. Zo dienen tweedefaseconvenanten uitdrukkelijker aandacht te besteden aanverzuim- en reïntegratiebeleid en daarom ambitieuze reductiedoelstellingen te bevatten tenaanzien van het ziekteverzuim en de WAO-instroom 24 .2324PSA = psychosciale arbeidsbelastingDeze aangescherpte voorwaarden impliceert overigens niet dat er geen ruimte meer is voor afspraken overpreventieonderwerpen.23


Tabel 6 Overzicht van afspraken over verzuim, WAO en reïntegratie intweedefaseconvenantenSectorAfspraken1. Schoonmaak- en glazenwassersbranche - Reductie van het verzuimpercentage met 20%- Reductie van het WAO-instroompercentage met 20%2. Academische ziekenhuizen - Reductie van het verzuimpercentage met 20%- 0,5% van het aantal formatieplaatsen voldoet aan de criteriavoor werkplekken beschikbaar voor reïntegratie3. Rijksoverheid - Reductie van de verzuimduur met 20%- Reductie van het verzuim > 1 jaar met 25%4. Politie - Reductie van het verzuimpercentage met 20%- Reductie van de omvang van het WAO-bestand met 10%.5. Onderwijs PO/VO - Reductie van het verzuimpercentage met 10%- Reductie van het percentage langdurig zieken (langer dan52 weken ziek) met 20 %- Reductie van het verzuimpercentage met 1 procentpunt bijinstellingen die werken met het veiligheidsplan, dat wordtondersteund door de interventiecoach agressie en geweld6. Recreatie - Reductie van het verzuimpercentage met 20%7. Uitgeverijbedrijf - Verbetering verhouding verzuimpercentage sector totlandelijk gemiddelde met 20%- Verbetering verhouding WAO-instroom sector tot landelijkgemiddelde met 20%- Verbetering verhouding WAO-instroom tot de zakelijkedienstverlening 3 met 20%- Herplaatsing van 20 WAO-gerechtigden in de vorm van eentweetal pilots8. Papier en Karton - Reductie van het verzuimpercentage tot 15% onder hetlandelijk gemiddelde van de industrie- Reductie van het WAO-instroompercentage tot 20% onderhet gemiddelde van de overige industrie9. Onderwijs BVE - Reductie van het verzuimpercentage met 20%- Reductie van het aantal instellingen in het ‘verzuimvenster’met hoog frequent en veel langdurend verzuim met 30%- Reductie van de gemiddelde verzuimfrequentie bij 80% vande instellingen naar 1,0- Reductie van het WAO-instroompercentage met 20%10. Gemeenten Pilot op het gebied van regionale samenwerking bijvroegtijdige reïntegratie11. Grafimedia Pilot ter bevordering van WAO-uitstroom en herplaatsingen inverband met privaat opdrachtgeverschap12. Agraris che sectoren Pilot ter bevordering van uitstroom uit de WAO / WAZReïntegratie vanuit de WAOTabel 6 laat zien dat in 4 tweedefaseconvenanten reïntegratie vanuit de WAO als afzonderlijkonderwerp is opgenomen, te weten in de tweedefaseconvenanten met de politie en met deuitgeverijbedrijven en (in de pilots met) de agrarische sectoren en de grafimedia. Ook in denog in 2005 te ondertekenen convenanten met de taxibranche en de uitzendbranche isovereenstemming bereikt over dergelijke afspraken.Een korte beschrijving van de pilots:- Grafimedia: afgesproken is om (1) ten minste 660 inactieve arbeidsongeschikten uit hetzittend WAO-bestand te motiveren tot het starten van een reïntegratietraject en (2) deplaatsingsquote 25 van circa 35% te verhogen tot minstens 50%.25De plaatsingsquote is het aantal trajecten dat eindigt in een duurzame plaatsing bij een nieuwe werkgever.24


Verder hebben partijen binnen het convenant zich tot doel gesteld vooral kleinereondernemingen te ondersteunen bij het snel realiseren van externe herplaatsingen(reïntegratie 2 e spoor).Bijzonder aan de pilot is dat het UWV eveneens een belangrijke rol speelt: om dedoelstellingen op het gebied van reïntegratie te realiseren, is het UWV-reïntegratietrajectaangepast. Via de pilot Grafici Weer aan het Werk (GWW) kunnen WAO-ers uit de sectorhet reïntegratietraject in. In 2004 toonden ruim 300 WAO-ers belangstelling voor een vande projecten binnen GWW. 150 van deze 300 WAO-ers volgen inmiddels een traject, datvarieert van een oriënterende voorfase, scholing tot reïntegratie. Vanuit verschillendeprojecten zijn via het Servicepunt Grafimedia al 50 grafici aan een baan geholpen.Opvallend is dat de meeste banen buiten de grafimedia worden gevonden.- Agrarische sectoren: ook de sociale partners in de agrarische sector verrichten – samenmet SZW en UWV – inspanningen om langdurig arbeidsongeschikten weer aan het werkte krijgen. In 2004 startte een proefproject met als doel minimaal 1.500bemiddelingstrajecten voor ondernemers en werknemers te organiseren. De verwachtingis met deze aanpak 35% van deze ondernemers en 45% van deze werknemers weer aaneen nieuwe baan te helpen.Om deze doelstelling te realiseren, nodigen vijf landelijke reïntegratieconsulentenwerknemers en ondernemers die langer dan één jaar ziek zijn, uit voor een gesprek. Inzo’n gesprek worden de belangstelling voor en mogelijkheden van nieuw werk besproken.De benadering is niet medisch: de focus ligt op de mogelijkheden die er nog zijn in plaatsvan de beperkingen. Met de sector bekende reïntegratiebedrijven helpen hen vervolgensaan een nieuwe werkkring.Verder ter illustratie van afspraken op het terrein van reïntegratie van WAO-ers hierna hetvoorbeeld van de uitzendbranche; een tweedefaseconvenant waarover overeenstemming isbereikt en dat begin 2005 formeel zal worden ondertekend.Reïntegratie van WAO-ers in de uitzendbrancheIn het eerstefaseconvenant uitzendbranche zijn al afspraken gemaakt over de vermindering van hetziekteverzuim en de WAO-instroom van uitzendkrachten. Het tweedefaseconvenant biedt een aanvulling opde afspraken uit het eerstefaseconvenant door afspraken te maken over de reïntegratie van WAO-ers in deuitzendbranche.Uit vooronderzoek blijkt dat het aantal WAO-ers afkomstig uit de uitzendbranche aanzienlijk is, nl. ruim40.000 personen. De maatregelen uit het tweedefaseconvenant moeten een aanvulling vormen op dereïntegratietrajecten die het UWV aanbiedt aan WAO-ers die zijn afgeschat na herbeoordeling. In hettweedefaseconvenant wordt gestreefd naar maatwerk voor WAO-ers afkomstig uit de uitzendbranche in deaanbodversterking door reïntegratiebedrijven die worden ingezet door het UWV. Daarnaast zal bemiddelingdoor uitzendondernemingen plaatsvinden in een aantal pilots. Begin 2005 wordt een tender georganiseerdvoor grootschalige pilots gericht op bemiddeling van afgeschatte WAO-ers afkomstig uit de uitzendbranchedoor uitzendorganisaties. Naar verwachting zal door de maatregelen uit het tweedefaseconvenant een aantalvan 1000 WAO-ers uit de uitzendbranche geplaatst worden naar werk. Als de maatregelen uit hettweedefaseconvenant succesvol blijken te zijn voor de reïntegratie van uitzend-WAO-ers, kan deopgebouwde expertise ook worden ingezet voor WAO-ers buiten de uitzendbranche. De ervaringen in deuitzendbranche kunnen in dat geval een belangrijke bijdrage leveren aan de werkhervatting van WAO-ersuit andere sectoren.Specifieke onderwerpen in tweedefaseconvenantenAan de Tweede Kamer is toegezegd dat tweedefaseconvenanten eveneens benut kunnenworden als middel om over specifieke activiteiten en instrumenten op het terrein van25


verzuimreductie en reïntegratie afspraken te maken met sectoren. Zo is toegezegd dat SZWzich zal inzetten om afspraken te maken over het stimuleren van het PAGO-instrument inbranches. In de kabinetsreactie op het advies van de Raad voor MaatschappelijkeOntwikkeling ‘werken aan balans’, waarin ook de afstemming werk-privé is meegenomen,worden de arboconvenanten expliciet aangehaald als middel om voort te borduren opgeslaagde experimenten van het project dagindeling. Tot slot is – op het terrein vanreïntegratie - aan de Tweede Kamer toegezegd dat SZW zich via de tweedefaseconvenantenzal inzetten voor de kwaliteit van reïntegratie middels het bevorderen van het gebruik van hetBorea Keurmerk Reïntegratie bij de reïntegratie van zieke werknemers.Een inventarisatie van de tweedefaseconvenanten wijst uit dat afspraken over deze bijzondereonderwerpen in een aantal convenanten voorkomen. Tabel 7 biedt daarvan een overzicht.Tabel 7Schoonmaak- englazenwassersbrancheGemeentenGrafimediaAcademischeziekenhuizenAgrarische sectorenRijksoverheidPolitieOnderwijs PO/VORecreatieUitgeverijbedrijfPapier en KartonOnderwijs BVEOverzicht van bijzondere afspraken in tweedefaseconvenantenAfsprakenwerk-privéXXXXcombinatieBOREAReïntegratieXXKeurmerkPAGOIn de nog te ondertekenen tweedefaseconvenanten met de beveiligingsbranche en detaxibranche en in het verwachte convenant met de contractcatering zal aandacht wordenbesteed aan de balans tussen werk en privé en de invloed daarvan op het ziekteverzuim.XXXXAfspraken over combinatie werk-privé in de sector papier en karton en in de sector recreatieIn het tweedefaseconvenant in de papier en karton worden werkgevers en werknemers gestimuleerd omde balans privé en werk op de agenda te zetten en bespreekbaar te maken (in functioneringsgesprekken).In de communicatiecampagne ‘Grip op Verzuim’ gericht op de aan het convenant deelnemende bedrijvenwordt apart aandacht besteed aan dit onderwerp.In de deelbranche verblijfsrecreatie hebben vrouwelijke werknemers een relatief hoge instroom in deWAO. Convenantpartijen hebben afgesproken om op basis van kennis in de branche en op basis van bestpractices pilots te starten, om zo een nadere inventarisatie te maken van de mogelijke oorzaken vanziekteverzuim en WAO-instroom. Hierbij wordt gebruik gemaakt van best practices in de branche op hetterrein van balans werk-privé (moedercontracten/ maatwerkcontracten). Deze best practices leverenwaardevolle informatie over het voorkomen en verminderen van instroom van vrouwen in de WAO enlangdurend verzuim.26


2.3 Bereik onder werknemersAlle tot en met eind december 2004 getekende convenanten zijn gezamenlijk van toepassingop 3,5 miljoen werknemers. Dat is 50% van de werkzame beroepsbevolking 26 . Ofwel: met deconvenantenaanpak wordt inmiddels de helft van werkend Nederland bereikt.De 6 tweedefaseconvenanten – die naar verwachting begin 2005 zullen worden ondertekend –hebben samen betrekking op 0,2 miljoen werknemers. Het bereik van de convenantenaanpakeind 2004 zal dus waarschijnlijk nog met 0,2 miljoen toenemen tot 3,7 miljoen werknemers.Dat komt neer op 52% van de werkzame beroepsbevolking.Figuur 6Ontwikkeling in het bereik van de convenantenaanpak(uitgedrukt als % van de werkzame beroepsbevolking)Bereik onder werkzameberoepsbevolking60%50%40%30%20%10%0%50%52%46%35%28%9%2%1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005JaartalVoor de getekende convenanten (N = 62) is eveneens nagegaan hoe het zit met het bereik vande afspraken onder werknemers met een uitsplitsing naar onderwerp. Tabel 8 laat dit zien.Tabel 8Overzicht van het bereik van convenantafspraken onder werknemers met eenonderscheid naar onderwerpOnderwerpBereik(in aantallen werknemers) 27Bereik (als percentage van dewerkzame beroepsbevolking)Werkdruk 3,01 miljoen 43%Vroegtijdige reïntegratie 2,72 miljoen 39%Fysieke belasting 2,14 miljoen 30%RSI 1,07 miljoen 15%Agressie en geweld 1,05 miljoen 15%Allergenen 0,69 miljoen 10%Oplosmiddelen 0,67 miljoen 9%Geluid 0,21 miljoen 3%2627Bron: Statline. Volgens het CBS bedraagt de gemiddelde werkzame beroepsbevolking in 2004: 7,035 miljoen.Er kunnen zich kleine wijzigingen voordoen ten opzichte van de cijfers in de jaarrapportage, medevanwege een aanpassing van cijfers over het aantal werknemers bij een beperkt aantal trajecten.27


Op basis van deze cijfers kan geconcludeerd worden dat het onderwerp werkdruk op demeeste werknemers van toepassing is, namelijk op 43% van de werkzame beroepsbevolking,gevolgd door de onderwerpen vroegtijdige reïntegratie (39%) en fysieke belasting (30%).28


Bijlage 1Overzicht van convenantenBranche Looptijd OnderwerpenAfgesloten in 19991 e fase Thuiszorg 03.03.1999 – 31.12.2004 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieKinderopvang enpeuterspeelzalen20.12.1999 – 31.12.2004 Fysieke belastingAfgesloten in 20001 e fase Arbovoorlichters in de 28.03.2000 – 31.05.2005 VoorlichtingbouwOnderwijs pilot22.05.2000 – 01.03.2001 Vroegtijdige reïntegratiepoortwachterHoreca 31.05.2000 – 01.12.2004 WerkdrukOnderwijs POVO 28.11.2000 – 01.12.2004 Werkdruk en vroegtijdige reïntegratieOnderwijs HOO 28.11.2000 – 01.12.2005 Werkdruk en vroegtijdige reïntegratieOnderwijs BVE 28.11.2000 – 31.12.2004 Werkdruk en vroegtijdige reïntegratieAfgesloten in 20011 e fase Academischeziekenhuizen16.01.2001 – 31.12.2003 Fysieke belasting, werkdruk, RSI,allergenen, narcosegassen, cytostatica,agressie en geweld en vroegtijdigereïntegratieGGZ 18.01.2001 – 31.10.2004 Fysieke belasting, werkdruk,allergenen, agressie en geweld envroegtijdige reïntegratieDakdekkers 20.01.2001 – 31.12.2004 Fysieke belasting, arbeidsveiligheid envoorlichtingRijksoverheid 04.04.2000 – 31.12.2004 Werkdruk, RSI en vroegtijdigereïntegratieWoningcorporaties 06.06.2001 – 01.07.2005 Werkdruk, RSI en vroegtijdigereïntegratieGehandicaptenzorg 04.07.2001 – 31.10.2004 Fysieke belasting, werkdruk,allergenen, agressie en geweld envroegtijdige reïntegratieGemeenten 09.07.2001 – 31.12.2004 Fysieke belasting, RSI, werkdruk,agressie en geweld en vroegtijd igereïntegratiePolitie 16.08.2001 – 01.07.2005 Werkdruk en vroegtijdige reïntegratieBouw 02.10.2001 – 02.10.2005 Fysieke belasting, werkdruk, kwarts enoplosmiddelenGrafimedia 09.10.2001 – 09.10.2005 RSI, werkdruk, oplosmiddelen envroegtijdige reïntegratiePapier- en kartonindustrie 01.11.2001 – 31.10.2006 Werkdruk, oplosmiddelen, geluid,klimaat, machineveiligheid envroegtijdige reïntegratieBanken 22.11.2001 – 01.06.2005 RSI, werkdruk en vroegtijdigereïntegratieKappers 17.12.2001 – 17.12.2005 Fysieke belasting, allergenen envroegtijdige reïntegratieZiekenhuizen 19.12.2001 – 01.04.2005 Fysieke belasting, werkdruk, RSI,allergenen, agressie en geweld envroegtijdige reïntegratievervolg tabel zie volgende paginai


Afgesloten in 20021 e fase Sociale werkvoorziening 02.04.2002 – 02.04.2006 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieFunderingsbranche 04.04.2002 – 04.04.2006 Begaanbaarheid bouwterreinen engeluidArchitecten 11.04.2002 – 11.04.2006 RSI, werkdruk en vroegtijdigereïntegratieDefensie 24.04.2002 – 01.07.2005 Fysieke belastingPodiumkunsten 15.05.2002 – 15.05.2006 Fysieke belasting, werkdruk, geluid envroegtijdige reïntegratieVleesindustrie 05.06.2002 – 05.06.2006 RSI en vroegtijdige reïntegratieAgrarische sectoren 02.07.2002 – 31.12.2006 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieVerf- en drukinktindustrie 27.08.2002 – 01.05.2005 OplosmiddelenIndustriële reiniging enscheepsonderhoud11.09.2002 – 11.09.2005 Fysieke belasting, oplosmiddelen,allergenen, legionella en vroegtijdigereïntegratieMeubelindustrie 09.10.2002 – 31.12.2006 Fysieke belasting, oplosmiddelen envroegtijdige reïntegratieOpenbare bibliotheken 10.10.2002 – 10.10.2005 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieOrkesten 07.11.2002 – 31.12.2005 GeluidWasserijen entextielreinigingsbedrijven22.11.2002 – 01.07.2006 Fysieke belasting, werkdruk, geluid,klimaat, biologische agentia,cytostatica en arbo-infrastructuurWonenbranche 04.12.2002 – 30.09.2006 Fysieke belasting, werkdruk,oplosmiddelen en vroegtijdigereïntegratieTimmerindustrie 11.12.2002 – 31.12.2006 Fysieke belasting, werkdruk, geluid enhoutstofUitgeverijbedrijf 17.12.2002 – 31.12.2006 Werkdruk, RSI en vroegtijdigereïntegratieAfgesloten in 20031 e fase Afbouw en onderhoud 18.02.2003 – 31.12.2006 Fysieke belasting, kwarts, afgeschermdbuitenschilderwerk en vroegtijdigereïntegratieProvincies 27.02.2003 – 30.06.2006 Werkdruk, RSI, verzuimbeleid envroegtijdige reïntegratieHouthandel 28.05.2003 – 01.07.2006 Fysieke belasting, werkdruk, schadelijkgeluid, houtstof en reïntegratieMaalindustrie en bakkerijgrondstoffenindustrie04.06.2003 – 31.12.2006 GrondstofallergieUitzendbranche 20.08.2003 – 01.07.2006 Arbopreventie, ziekteverzuim envroegtijdige reïntegratieKoek en snoep 05.12.2003 – 01.07.2006 RSI, werkdruk en vroegtijdigereïntegratieZorgverzekeraars 09.12.2003 – 31.12.2006 RSI, werkdruk en vroegtijdigereïntegratieWelzijn 10.12.2003 – 31.12.2006 Werkdruk, agressie en onveiligheid envroegtijdige reïntegratieJeugdhulpverlening 10.12.2003 – 31.12.2006 Werkdruk, agressie en onveiligheid,fysieke belasting en vroegtijdigereïntegratieMobiliteitsbranche 19.12.2003 – 01.07.2006 Werkdruk, fysieke belasting, schadelijkgeluid en oplosmiddelenvervolg tabel zie volgendepaginaii


2 e faseSchoonmaak- englazenwassersbranche09.04.2003 – 01.07.2006 Fysieke belasting, werkdruk,oplosmiddelen en allergenen,biologische agentia, cytostatica enarbobeleid, verzuimbegeleiding envroegtijdige reïntegratieGemeenten 25.09.2003 – 31.12.2005 Reïntegratie 2 e spoorGrafimedia 09.12.2003 – 09.12.2006 Reïntegratie vanuit de WAOAfgesloten in 20041 e fase Installatie- enisolatiebranche02.04.2004 – 31.12.2006 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieAmbulancezorg 08.04.2004 – 30.06.2007 Fysieke belasting, werkdruk, agressieen geweld en vroegtijdige reïntegratie2 e fase Academischeziekenhuizen09.01.2004 – 01.07.2007 Fysieke belasting, werkdruk envroegtijdige reïntegratieAgrarische sectoren 22.01.2004 – 01.03.2007 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratievanuit de WAO (/ WAZ)Rijksoverheid 22.06.2004 – 30.06.2007 Reductie langdurig verzuimPolitie 08.07.2004 – 01.07.2007 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratievanuit de WAOOnderwijs PO/VO 08.11.2004 – 01.07.2007 Vroegtijdige reïntegratie, agressie engeweldRecreatie 09.12.2004 – 01.07.2007 Vroegtijdige reïntegratie, fysiekebelasting, agressie en geweld, klimaat,geluid en stoffenUitgeverijbedrijf 14.12.2004 – 30.06.2007 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratievanuit de WAOPapier en Karton 15.12.2004 – 30.06.2007 Vroegtijdige reïntegratieOnderwijs BVE 23.12.2004 – 01.07.2007 Vroegtijdige reïntegratie enpsychosociale belastingiii


Bijlage 2Overzicht van intentieverklaringenBrancheDatum vanondertekeningOnderwerpen in intentieverklaringGetekend in 20042 e fase Beveiligingsbranche 26.03.2004 Verzuimbeleid en reïntegratie langdurigzieken, werkdru k en agressie en geweldPapier- en kartonindustrie 01.04.2004 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratielangdurig ziekenOnderwijs POVO 20.04.2004 Ziekteverzuim, reïntegratie en agressie engeweldDienst Justitiële Inrichtingen 26.04.2004 Verzuimbele id (vroegtijdige reïntegratieen reïntegratie langdurig zieken),integrale personele veiligheid enloopbaanstrategie executief personeelKinderopvang 19.05.2004 Vroegtijdige reïntegratie, reïntegratielangdurig zieken en werkdrukOnderwijs BVE 11.06.2004 Verzuim en reïntegratiebeleid, in hetbijzonder reïntegratie langdurig zieken,en psychosociale arbeidsbelastingUitgeverijbedrijf 24.06.2004 Verzuim- en reïntegratiebeleid envermindering WAO-instroomUitzendbranche 30.06.2004 Reïntegratie vanuit de WAOAmbulante handel en detailhandelin AGF, bloemen en vis01.07.2004 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratielangdurig zieken, fysieke belasting enagressie en geweldTaxibranche 02.07.2004 Reïntegratie langdurig zieken,reïntegratie vanuit de WAO, fysiekebelasting en agressie en geweldContractcatering 05.07.2004 Vroegtijdige reïntegratie en reïntegratielangdurig zieken, intercollegialeomgangsvormen en werkdruk.iv


Bijlage 3Overzicht van afgeronde convenantenBrancheDatum vanafrondingTitel en datum evaluatierapportAfgerond in 20011 e fase Onderwijs pilot poortwachter 01.03.2001 Evaluatie pilot poortwachter onderwijs(mei 2002)Afgerond in 20031 e fase Academische ziekenhuizen 31.12.2003 Eindrapportage arboconvenantacademis che ziekenhuizen (juni 2004)Afgerond in 20041 e fase GGZ 01.11.2004 Evaluatie arboconvenant GGZ;eindrapport (september 2004)Gehandicaptenzorg 01.11.2004 Evaluatie-onderzoek nog nietbeschikbaar; eindmeting is wél alafgerondHoreca 01.12.2004 Eindverslag arboconvenant werkdrukhoreca (augustus 2004)Onderwijs POVO 01.12.2004 Nog niet beschikbaarRijksoverheid 31.12.2004 Overkoepelend rapport eindevaluatiearboconvenant Rijk (juni 2004)Gemeenten 31.12.2004 Kernrapportage eindevaluatiearboconvenant gemeenten (oktober 2004)Dakdekkers 31.12.2004 Evaluatie en eindmeting arboconvenantbitimineuze en kunststofdakbedekkingsbranche (oktober 2004)Thuiszorg 31-12-2004 Evaluatie arboconvenant thuiszorg (2005)Onderwijs BVE 31.12.2004 Nog niet beschikbaarKinderopvang en peuterspeelzalen 31.12.2004 Alleen eindmeting kinderopvangbeschikbaarv


Bijlage 4 Overzicht SZW-subsidies arboconvenanten, per 31 december 20041e fase1 Thuiszorg-tillenwerkdruk2 Kinderopvang+peuterspeelzalen3 Bouw-Arbovoorlichters4 Onderwijs -PoortwachterBegindatumEinddatuminclverlengingVerstrekenlooptijdin %Reservering(hele looptijdproject)Uitgaven(t/m 2004)Gerealiseerdeuitgavenin %3-3-1999 31-12-2004 100,00% 4.537.802 4.537.802 100,00%20-12-1999 31-12-2004 100,00% 1.179.829 1.179.351 99,96%28-3-2000 31-5-2005 96,77% 3.630.242 3.478.149 95,81%22-5-2000 1-3-2001 100,00% 1.315.963 1.315.963 100,00%5 Horeca 31-5-2000 1-12-2004 100,00% 1.815.121 998.423 55,01%6 Onderwijs -PO/VO 22-5-2000 1-12-2004 100,00% 5.558.807 5.447.049 97,99%7 Onderwijs -HOO 28-11-2000 1-12-2005 80,00% 2.329.376 1.507.295 64,71%8 Onderwijs -BVE 28-11-2000 31-12-2004 100,00% 2.268.901 1.757.760 77,47%9 Ziekenhuizen(academische)16-1-2001 31-12-2003 100,00% 1.302.349 1.293.722 99,34%10 GGZ 18-1-2001 31-10-2004 100,00% 2.631.925 2.489.487 94,59%11 Dakdekkers 24-1-2001 31-12-2004 100,00% 680.670 680.670 100,00%12 Rijksoverheid 4-4-2001 31-12-2004 100,00% 1.588.231 1.417.042 89,22%13 Woningcorporaties 6-6-2001 1-7-2005 87,76% 1.157.140 957.230 82,72%14 Gehandicaptenzorg 4-7-2001 31-10-2004 100,00% 2.949.571 2.853.608 96,75%15 Gemeenten 9-7-2001 31-12-2004 100,00% 2.611.501 2.611.500 100,00%16 Politie 16-8-2001 1-7-2005 87,23% 1.361.341 1.155.182 84,86%17 Bouw 2-10-2001 2-10-2005 77,08% 3.630.242 2.770.064 76,31%18 Grafimedia 9-10-2001 9-10-2005 77,08% 2.205.939 1.249.925 56,66%19 Papier en karton 1-11-2001 31-10-2006 83,33% 999.269 587.387 58,78%20 Banken 22-11-2001 1-6-2005 83,72% 2.268.901 2.072.989 91,37%21 Kappers 17-12-2001 17-12-2005 76,04% 2.268.901 1.035.963 45,66%22 Ziekenhuizen 19-12-2001 1-4-2005 80,30% 3.176.462 2.355.322 74,15%23 SocialeWerkvoorziening2-4-2002 2-4-2006 68,75% 1.469.573 1.200.107 81,66%24 Funderingsbranche 4-4-2002 3-4-2006 68,75% 125.446 87.828 70,01%25 Architecten 11-4-2002 11-4-2006 66,00% 850.000 707.758 83,27%26 Defensie 24-4-2002 01-7-2005 91,67% 1.270.590 595.078 46,83%27 Podiumkunsten 15-5-2002 15-5-2006 65,63% 612.200 259.200 42,34%28 Vleesverwerkendeindustrie5-6-2002 5-6-2006 64,58% 845.000 533.454 63,13%29 Agrarische sectoren 2-7-2002 31-12-2006 55,56% 2.500.000 1.224.018 48,96%30 Verfindustrie 27-8-2002 1-5-2005 87,50% 241.000 87.213 36,19%31 Industriële reinigingOrsima11-9-2002 11-9-2005 83,33% 450.000 371.424 82,54%32 Meubelindustrie 9-10-2002 31-12-2006 52,00% 952.000 575.518 60,45%33 Openbare10-10-2002 10-10-2005 75,00% 269.059 231.978 86,22%bibliotheken34 Orkesten 7-11-2002 31-12-2005 68,42% 188.500 128.945 68,41%35 Wasserij- en 21-11-2002 1-7-2006 55,00% 850.000 505.387 59,46%textielreiniging36 Wonenbranche 4-12-2002 30-9-2006 58,70% 874.000 291.255 33,32%37 Timmerindustrie 11-12-2002 31-12-2006 50,00% 760.262 512.883 67,46%38 Uitgeverijbedrijven 17-12-2002 31-12-2006 49,48% 771.000 530.874 68,86%Vervolgtabel zie volgende paginavi


1e faseBegindatumEinddatuminclverlengingVerstrekenlooptijdin %Reservering(hele looptijdproject)Uitgaven(t/m 2004)Gerealiseerdeuitgavenin %39 Afbouw en18-2-2003 31-12-2006 52,17% 1.134.456 337.259 29,73%onderhoud40 Provincies 27-2-2003 30-6-2006 55,00% 950.000 130.224 13,71%41 Houthandel 28-5-2003 1-7-2006 51,35% 721.500 450.585 62,45%42 Meelverwerking 4-6-2003 31-12-2006 44,19% 1.381.150 933.827 67,61%43 Uitzendbranche 20-8-2003 1-7-2006 47,06% 2.727.900 496.750 18,21%44 Koek en snoep 5-12-2003 1-7-2006 41,94% 1.020.000 572.407 56,12%45 Zorgverzekeraars 9-12-2003 31-12-2006 35,14% 730.995 278.714 38,13%46 Welzijn 10-12-2003 31-12-2006 35,14% 1.333.333 361.129 27,08%47 Jeugdhulpverlening 10-12-2003 31-12-2006 35,14% 666.667 180.565 27,08%48 Mobiliteitsbranches 19-12-2003 1-7-2006 40,98% 779.000 574.220 73,71%49 Installatie- Isolatieb 2-4-2004 31-12-2006 27,27% 975.000 211.489 21,69%50 Ambulancezorg 8-4-2004 30-6-2007 22,50% 774.000 211.049 27,27%Totaal 1e fase 77.691.114 56.333.021 72,51%2 e fase Begindatum EinddatuminclverlengingVerstrekenlooptijdin %Reservering(hele looptijdproject)Uitgaven(t/m 2004)Gerealiseerdeuitgavenin %1 Schoonmaak 9-4-2003 1-7-2006 53,85% 4.000.000 1.375.837 34,40%2 Gemeenten 25-9-2003 31-12-2006 38,46% 692.500 399.985 57,76%3 Grafimedia 9-12-2003 9-12-2006 36,11% 367.556 167.145 45,47%4 Univ. Med. Centr 9-1-2004 1-7-2007 28,57% 1.075.000 0 0,00%5 Agrarische sectoren 22-1-2004 1-3-2007 29,73% 1.172.500 337.580 28,79%6 Rijksoverheid 22-6-2004 30-6-2007 16,67% 1.000.000 33.981 3,40%7 Politie 8-7-2004 1-7-2007 16,67% 1.000.000 77.980 7,80%8 Onderwijs PO/VO 8-11-2004 1-7-2007 6,25% 2.000.000 0 0,00%9 Recreatie 9-12-2004 1-7-2007 3,23% 625.000 0 0,00%10 Uitgeverijbedrijf 14-12-2004 30-6-2007 1,64% 261.652 0 0,00%11 Papier en Karton 15-12-2004 30-6-2007 1,64% 238.511 0 0,00%12 Onderwijs BVE 23-12-2004 1-07-07 1,64% 1.275.000 0 0,00%Totaal 2e fase 13.707.719 2.392.508 16,69%Totaal 1e en 2e fase 91.398.833 58.725.529 63,82%vii


Bijlage 5Resultaten van afgeronde trajecten1. Academische ziekenhuizen 28DoelstellingenHet convenant is getekend in januari 2001 met als doel om het verzuim en de WAO-instroombinnen de sector terug te dringen en best-practices te ontwikkelen ter ondersteuning van hetarbobeleid. Voor wat betreft preventie zetten de convenantpartijen in het bijzonder in op hetaanpakken van de risico’s fysieke belasting, RSI, psychische belasting, allergenen encytostatica.Reductie verzuim en WAO-instroomVoor wat betreft de reductiedoelstellingen op het gebied van verzuim en WAO-instroom laathet evaluatie-onderzoek positieve resultaten zien:- Het verzuim is gedaald van 6,8% in 2000 naar 5,2% in 2003. Dit komt er op neer datdagelijks in de 8 Universitair Medische Centra in totaal 900 medewerkers méér aanhet werk zijn.- De WAO-instroom is afgenomen van 1,15% in 2000 tot 0,64% in 2003.Preventieprogramma’sOm uitvoering te geven aan de afspraken op het gebied van de arbeidsrisico’s hebben deacademische ziekenhuizen preventieprogramma’s laten ontwikkelen, welke de komende jareneen garantie bieden dat medewerkers en leidinggevenden structureel werken aan hetvoorkómen van klachten en verzuim:- Preventieprogramma fysieke belasting: het programma voorziet onder meer invoorlichting en training met betrekking tot de reductie van fysieke belasting, deverhoging van de fysieke belastbaarheid en het gebruik van tilhulpmiddelen, evenalsin het opstellen en implementeren van een beleid fysieke belasting aan de hand van depraktijkrichtlijn voor het verplaatsen van personen en de praktijkregels voor het tillenen verplaatsen van lasten.- Preventieprogramma psychische belasting: dit programma is ontwikkeld terondersteuning van leidinggevenden bij het signaleren en oplossen van knelpunten ophet gebied van psychische belasting, variërend van werkdruk en emotionele belasting,tot seksuele intimidatie en agressie en geweld.- Preventieprogramma RSI: het programma besteedt aandacht aan de risicofactoren dieRSI tot gevolg kunnen hebben, zowel op het gebied van de ergonomie, het werkprocesals op psychosociaal vlak. De kern van het programma bestaat uit het organiseren vanworkshops en het in gebruik nemen van pauzesoftware.- Preventieprogramma gevaarlijke stoffen: het voorkómen van werken met gevaarlijkestoffen is onmogelijk in de academische ziekenhuizen. Daarom is hetpreventieprogramma erop gericht medewerkers meer bewust te maken van de gevarenvan het werken met gevaarlijke stoffen en ze te leren hoe zij zorgvuldig om kunnengaan met deze stoffen.- Preventieprogramma handeczeem: dit programma is opgezet als een zorgsysteemvoor gestructureerde arbodienstverlening. De kern van het programma bestaat uit eenvragenlijst, een verdiepende module ri&e handeczeem, een PAGO en eenpreventieprotocol.28Bron: ‘Eindrapportatge arboconvenant academische ziekenhuizen’, juni 2004.viii


In totaal hebben 18.000 medewerkers en leidinggevenden aan de preventieprogramma’smeegedaan.BeleidsregelsDe implementatie van de beleidsregels cytostatica en inhalatieanesthetica vormde eveneensonderdeel van de activiteiten in het kader van het arboconvenant.De beleidsregel ten aanzien van cytostatica bleek bij grondige bestudering op praktischeproblemen te stuiten voor wat betreft de toepassing. De opvatting was dat de beleidsregel tegedetailleerd was en op een aantal punten onvoldoende consistent en consequent. Debranchebegeleidingscommissie (BBC) heeft vervolgens financiële middelen ter beschikkinggesteld om gezamenlijk te komen tot een praktische vertaling van de beleidsregel in de vormvan toetsingscriteria. Dit heeft ondermeer geleid tot praktijkrichtlijnen vanuit convenantpartijenen een vaak gebruikt E-learning programma.De invoering van de beleidsregel inhalatieanesthetica verliep aanzienlijk minderproblematisch; alleen bleek het in de praktijk niet goed mogelijk te zijn om te voldoen aanalle vereisten ten aanzien van ventilatie.ProjectorganisatieAlle producten en diensten van dit convenant zijn ontwikkeld door mensen vanuit de sectorzelf. In totaal hebben ruim 500 medewerkers meegedraaid in project en werkgroepen van hetconvenant. Hoewel deze werkwijze een enkele keer tot vertraging in de totstandkoming vanconvenantproducten leidde, heeft deze werkwijze ervoor gezorgd dat de producten endiensten aansloten bij de wensen op de werkvloer en een zeer praktisch karakter hadden. Ditleverde bij de implementie hiervan vele voordelen op.InstrumentontwikkelingBelangrijke instrumenten die gedurende de looptijd van het convenant zijn ontwikkeld, zijnhet ziekteverzuimregistratiesysteem en de branchegerichte ri&e.Al bij de start van het arboconvenant was duidelijk dat de academische ziekenhuizenverzuimcijfers niet op eenduidige wijze registreerden. Gedurende de looptijd van hetconvenant is daarom overeenstemming bereikt over de te hanteren definities enberekeningsmethodieken en over de in te voeren softwaresystemen. Het resultaat is datverzuimcijfers inmiddels onderling vergelijkbaar zijn.Het project ten aanzien van de ri&e stuitte op onvoorziene problemen in de toepassing en isom die reden nog niet geheel afgerond. Momenteel ligt er een kwaliteitsdocument, eenfunctioneel ontwerp en de vragenlijsten voor verdiepende modules. In het arboplusconvenant(zie ook vervolg) zal aan de digitalisering van de ri&e in een andere opzet verder gewerktworden.Betrokkenheid medezeggenschapsorganenIn de beginfase van het convenant was er nog te weinig aandacht voor de daadwerkelijkebetrokkenheid van medezeggenschapsorganen in de academische ziekenhuizen. Later heeftdaarin een accentverschuiving plaatsgevonden en als gevolg is de rol van ondernemingsradenen medezeggenschapsorganen toegenomen. Zo kregen zij bijvoorbeeld de periodiekevoortgangsrapportage over het convenant voor advies voorgelegd. In het algemeen geldt datde ondernemingsraden tevreden zijn over het resultaat en noemen zij de extra aandacht voorarbo verheugend.ix


Het voornemen is om de ondernemingsraden en hun VGWM-commissies bij hetarboplusconvenant méér mogelijkheden te bieden voor het bewaken van de uitvoering van deconvenantafspraken.KostenbesparingDe reducties in het ziekteverzuimpercentage en de WAO-instroom leveren een besparing opvanwege een afname in de verzuim- en WAO-kosten. De omvang van deze besparing kanglobaal berekend worden aan de hand van een eenvoudige methode (zie ook paragraaf 1.6).De totale besparing komt volgens deze methode neer op een bedrag van ongeveer €17 miljoenper jaar, waarvan €13 miljoen vanwege minder ziekteverzuim en €4 miljoen door een lagereWAO-instroom. Uiteraard is niet alleen het arboconvenant verantwoordelijk voor dezebesparingen, maar bijvoorbeeld ook de Wet Verbetering Poortwachter.VervolgDe sector heeft inmiddels een arboplusconvenant afgesloten. Dit convenant richt zich op deelementen preventie, verzuim en reïntegratie:- preventie ? reductie van de risicopopulatie inzake fysieke en psychische belastingdoor continuering van de uitvoering van preventieprogramma’s; beoogd is om nog30.000 medewerkers deel te laten nemen aan de programma’s;- verzuim ? reductie van het ziekteverzuimpercentage in elke instelling met minimaal20% ten opzichte van 2001 uiterlijk op 31 december 2006, in het bijzonder doorterugdringen van het langdurig verzuim in de categorie 13 weken tot 1 jaar;- reïntegratie ? overwegende dat niet altijd op de eigen werkplek gereïntegreerd kanworden en met het oog op succesvolle reïntegratietrajecten en/of reïntegraties zaluiterlijk op 31 december 2006 in ieder Universitair Medisch Centrum/ AcademischeZiekenhuis 0,5 % van het totaal aantal formatieplaatsen zijn aangemerkt en ingerichtals reïntegratiewerkplekken.In het eerstefaseconvenant is geconstateerd dat er sprake was van een gebrek aan monitoringten aanzien van blootstelling. Dit aspect zal in het tweedefaseconvenant daarom beteringericht worden.2. Rijksoverheid 29DoelstellingenHet arboconvenant voor de rijksoverheid is in april 2001 in werking getreden. Het convenantis bedoeld om de arbozorg te intensiveren. Hiertoe zijn onder meer de volgende afsprakengemaakt:- een reductie van het ziekteverzuim met 1%-punt van 7,7% in 2000 naar 6,7% eind2003;- een stabilisering van het WAO-instroompercentage op 1,11% en indien mogelijk eenreductie daarvan;- het bespreekbaar en beheersbaar maken en - indien mogelijk – het terugdringen vanhet arbeidsrisico werkdruk;- een toename van het aantal arbeidsgehandicapten in het personeelsbestand metminstens 10% of 300 personen.Daarnaast zijn in het plan van aanpak financiële middelen gereserveerd voor de aanpak vanRSI.29Bron: KPMG BEA, ‘Overkoepelend rapport eindevaluatie arboconvenant Rijk’, juni 2004.x


Realisatie van de doelstellingenDe verzuimdoelstelling voor het rijk als geheel is gehaald: het ziekteverzuimpercentagebedraagt ultimo 2003 6,6%.Ook de doelstelling ten aanzien van de reductie in de WAO-instroom is gerealiseerd: hetWAO-instroompercentage is gedaald van 1,11% in 2000 naar 0,60% in 2003.Voor wat betreft de afspraken op het gebied van werkdruk, zijn de uitkomsten watgenuanceerder: het onderwerp werkdruk is weliswaar beter bespreekbaar geworden, eveneensis er een verbetering in de beheersing ervan, maar werkdruk blijft nog altijd een belangrijkarbeidsrisico binnen de rijksoverheid.De doelstelling op het gebied van arbeidsgehandicapten richtte zich aanvankelijk op hetaantrekken van arbeidsgehandicapten van buiten het betreffende rijksonderdeel; gedurende delooptijd is hierin eveneens meegenomen de toename van het aantal arbeidsgehandicaptenbinnen de organisatie. Het aantal arbeidsgehandicapten binnen de rijksonderdelen blijkt dangedurende de convenantperiode toegenomen te zijn met 1181, ruimschoots meer dan debeoogde 300. Dit is overigens één van de redenen om in het arboplusconvenant géénafspraken meer te maken over dit onderwerp 30 .ActiviteitenOm de doelstellingen te bereiken, zijn diverse maatregelen genomen, activiteiten gestart enfaciliteiten geboden. Een greep daaruit:- Pilots en experimenten: rijksonderdelen hebben zélf pilots en experimenten ingediend,die moesten voldoen aan een aantal voorwaarden. Op die manier kon elkrijksonderdeel projecten starten op maat - afgestemd op de aard en de ernst van deeigen problematiek – en bestond er tevens een groot draagvlak voor de uitvoering.Voorbeelden van projecten zijn een medewerkerstevredenheidsonderzoek bij Justitie,de ontwikkeling van een cliëntvolgsyteem bij EZ, de training ‘houding en beweging’bij SZW en het toepassen van specifieke behandelmethoden bij RSI-klachten bij BZK.Een nadeel van dit zogenaamde verleidingsmodel is overigens dat er geen sprake isvan een gerichte en samenhangende aanpak.- Pauzesoftware: door beeldschermwerkplekken standaard te voorzien van eensoftwareprogramma dat bijdraagt aan het tijdige onderbreken van te langdurig ofintensief beeldschermwerk, wordt de kans op RSI gereduceerd. Vanuit hetarboconvenant is daarom subsidie beschikbaar gesteld aan de rijksonderdelen terstimulering van het installeren van dergelijke software. In totaal is voor €200.025 aansubsidie aangevraagd door de sector rijk, hetgeen overeenkomt met ruim 88.000licenties.- Verbetering stuurinformatie: gedurende de convenantperiode is gewerkt aan eeneenduidige registratie van en rapportage over ziekteverzuim, reïntegratie enarbeidsongeschiktheid. Als gevolg vindt de verzuimregistratie nu bij allerijksonderdelen op uniforme wijze plaats. Tevens is een start gemaakt met de WAOmonitor,waarin per departement gegevens te zien zijn over o.a. de WAO-instroom enhet aandeel arbeidsgehandicapten per departement.- Activiteiten op het gebied van communicatie en voorlichting: in juni 2002 is een grootsymposium georganiseerd voor alle ondernemingsraden van de sector rijk. Ruim 700personen namen deel aan de bijeenkomst. Verder is kennisdeling eveneens bevorderdvia het onderbrengen van een kennisplatform op het RYX-intranet en via deorganisatie van kwartaalbijeenkomsten over onderwerpen uit het convenant.30Over dit onderwerp zijn kamervragen gesteld in 2004 (Kamerstukken 2003-2004, 29461, nr. 5).xi


- Werkdrukmeter: een deel van de rijksonderdelen heeft jaarlijks een vragenlijstontvangen over het thema werkdruk. Deze lijst is ingevuld door de bestuurder en deondernemingsraad. Op die manier is het oordeel van medewerkers over de beheersingvan werkdruk in kaart gebracht.Good practicesEén van de eerder genoemde kwartaalbijeenkomsten is gewijd aan het onderdeel ‘goodpractices’. Gedurende deze bijeenkomst was er aandacht voor tien succesvolle pilots uit hetarboconvenant rijk. Om de kennisdeling te optimaliseren zijn diverse goede praktijkengebundeld in de uitgave ‘Succesvolle pilots arboconvenant sector rijk; de smaakmakers vooreen gezonder organisatie’ (april 2004).VervolgPartijen kiezen voor een vervolg, zowel via het voortzetten en uitbouwen van activiteiten ophet niveau van de afzonderlijke departementen, als via het afsluiten van eentweedefaseconvenant.Voor de uitvoering van het tweedefaseconvenant is in de eindevaluatie van heteerstefaseconvenant een aantal aanbevelingen opgenomen. Daartoe behoren onder meer devolgende aandachtspunten:- inventariseer op voorhand of er draagvlak is voor centraal gecoördineerde initiatieven;- maak vooraf afspraken over de verbreding van succesvolle projecten;- verbeter het zicht op kosten/baten en effecten van projecten;- richt de monitoring goed in, om vast te kunnen stellen of alle doelstellingen zijnbehaald;- ontwikkel een gezamenlijke communicatiestrategie voor centraal gecoördineerdeactiviteiten.De sector rijk heeft het tweedefaseconvenant inmiddels getekend. De afspraken uit ditconvenant zijn erop gericht het langdurig verzuim terug te dringen; partijen stellen zich tendoel de gemiddelde verzuimduur met 20% te reduceren van 17,3 dagen in 2002 naar 13,8dagen in 2006 en het verzuim langer dan één jaar te verminderen met 25% van 1,2% in 2002naar 0,9% in 2006.3. Gemeenten 31DoelstellingenHet convenant is van kracht geworden in juli 2001. Voornaamste doelstelling van hetconvenant is om het verzuim met 1%-punt te reduceren ten opzichte van 2000 (8,3%).Daarnaast willen partijen de arbeidsrisico’s werkdruk, agressie en geweld, fysieke belastingen RSI aanpakken gedurende de looptijd van het convenant. Hiertoe hebben zij doelstellingengeformuleerd in een aanvullend plan van aanpak.Realisatie doelstellingenDe reductiedoelstelling op het gebied van verzuim is gerealiseerd: eind 2003 bedraagt hetverzuimpercentage 7,2%, hetgeen neerkomt op een daling van 1,1%-punt. Het verzuim isvooral gedaald binnen gemeenten die een gericht verzuimbeleid voeren, een plan van aanpak31Bronnen: Capgemini, ‘Kernrapportage eindevaluatie arboconvenant gemeenten’, oktober 2004 / Capgemini,‘Onderzoeksrapportage eindevaluatie arobconvenant’, oktober 2004 / Orbis, ‘Eindmeting arboconvenant sectorgemeenten’, oktober 2004.xii


hebben gemaakt én gebruik hebben gemaakt van de stimuleringsregeling vanuit hetarboconvenant.Tegelijkertijd is een trendbreuk in de WAO-instroom te constateren, een streven dat isvastgelegd in het arbeidsvoorwaardenakkoord voor de gemeenten 2002/2003. Het WAOinstroompercentageis in de periode 2001 – 2003 gedaald van 1,62% naar 0,76%.Voor wat betreft de realisatie van de doelstellingen ten aanzien van de arbeidsrisico’s is hetbeeld meer diffuus. De gemeente-medewerkers staan in 2004, in vergelijking met 2002,minder bloot aan werkdruk en werkstress (van 14.8% naar 12.9%) en agressie (van 17.2%naar (14.8%). Daarentegen is het aantal werknemers dat regelmatig meer dan 25 kilogram tilt,nauwelijks veranderd (van 6.2% naar 6.1%). Ook de groep medewerkers met RSI-klachten isvrijwel gelijk gebleven (van 28.8% naar 28.7%). De omvang van de risicogroep voor watbetreft repeterende bewegingen is in dezelfde periode toegenomen (van 53.5% naar 59.3%).Daaraan ligt een fors toegenomen PC-gebruik aan ten grondslag. Dat de algemene klachtenaan het bewegingsapparaat tegelijkertijd zijn afgenomen, lijkt het resultaat te zijn vanvoorlichting en genomen maatregelen.InstrumentontwikkelingTer ondersteuning van de aanpak van de arbeidsrisico’s zijn onder andere werkboekensamengesteld. Hiervan is door gemeenten veel gebruik gemaakt. De bekendheid onder deprofessionals is met 85 à 90 procent hoog te noemen. Dat geldt ook voor de waardering: hetgemiddelde rapportcijfer komt uit op een 7,5.Eveneens zijn er workshops opgezet over RSI en fysieke belasting, werkdruk en agressie engeweld. In totaal hebben 435 deelnemers deze workshops bijgewoond, hoofdzakelijk P&Ofunctionarissen.Een evaluatie onder de deelnemers wijst uit dat zij de toegevoegde waardevan de workshops hoog inschatten: zij geven gemiddeld een 7 als rapportcijfer.KostenbesparingDe verzuimreductie van 1,1%-punt levert de gemeentelijke instellingen een kostenbesparingop. Deze heeft de sector berekend op grond van de verzuimcalculator van het A+O-fonds. Ditrekeninstrument neemt de volgende kostenposten in beschouwing: vervanging,productieverlies, verzuimbegeleiding en de dienstverlening door de arbodienst. Bij eenverzuimpercentage van 8,3% komen de totale kosten uit op €644 miljoen; bij een percentagevan 7,2% dalen deze kosten naar €563 miljoen. Dit komt neer op een kostenbesparing vanongeveer €81 miljoen per jaar.Een vergelijkbare exercitie is uit te voeren voor de WAO-instroom. In dat geval komt demaatschappelijke kostenreductie overeen met een jaarlijks bedrag van ongeveer €6,8 miljoen.Onbekend is in hoeverre de inspanningen vanuit het convenant hebben bijgedragen aan degerealiseerde dalingen in het verzuim en de WAO-instroom, maar zelfs indien het volledigescala van activiteiten slechts voor 10% van de reducties verantwoordelijk is, zijn deinvesteringen in het convenant al binnen een kalenderjaar terugverdiend. Niet meegerekenddaarbij zijn de duurzame effecten, zoals de toegenomen bewustwording en het verhoogdekennisniveau. Evenmin zijn meegenomen de immateriële baten, zoals een verbetering van het‘verzuimklimaat’, een betere werksfeer en meer werkplezier.Voorwaarden voor een goede borgingAls gevolg van het convenant is de aandacht voor arbeidsomstandigheden en verzuimtoegenomen, maar om deze thema’s ook ná afloop van het convenant een structurele plaats opde agenda te geven, zijn – volgens het bureau dat de evaluatie heeft uitgevoerd - de volgendepunten van belang:xiii


• Gedurende het convenant is de aanpak eerder curatief dan preventief geweest, vooralgericht op een daling van het ziekteverzuim. Meer aandacht voor preventie iswenselijk, terwijl tegelijkertijd meer inzicht zou moeten komen in de effectiviteit vanspecifieke maatregelen in relatie tot de vermindering van risico’s en klachten.• De effectiviteit van de aanpak van arbeidsrisico’s en verzuim is bovendien gebaat bijeen inbedding in de bedrijfsvoeringscyclus en bij een resultaatgerichte sturing.• Eén van de succesfactoren voor een duurzame aanpak lijkt te zijn het commitment ende sturing door het (hoger) management. Het verdient aanbeveling om in de toekomstde aandacht méér op deze groep te richten en de communicatie daarop aan te passen.• Op andere beleidsterreinen binnen de gemeentelijke instellingen blijkt datkaderstellende regelgeving leidt tot aanpassing van de uitvoering. Het pleidooi is omdaarom ook ten aanzien van arbeidsrisico’s en verzuim een normatief standpunt teformuleren en dit in regelgeving te verankeren, zolang het sturen op verzuim nog geenvanzelfsprekendheid is voor alle gemeenten.Om de borging vorm te geven gaat het A+O-fonds gemeenten in opdracht van de socialepartners een programma ‘arbo, verzuim en reïntegratie 2005 – 2006’ ontwikkelen. Voor deuitvoering van dit programma heeft de sector €300.000,- gereserveerd.4. Dakdekkers 32DoelstellingenHet convenant met de dakdekkers is getekend in januari 2001. De afspraken in het convenanthebben betrekking op informatieoverdracht, fysieke belasting en veiligheid. De doelen enbijbehorende prestatie-indicatoren zijn als volgt te omschrijven:• minimaal 75% van de bedrijven krijgt gedurende de looptijd van het convenant bezoekvan een arbovoorlichter;• aan het einde van de looptijd is minstens 75% van de bedrijven bekend met de inhoudvan het A-blad ‘Platte daken; het aanbrengen van bitumineuze en kunststof daken’, denaleving van de aanbevelingen uit het A-blad is dan toegenomen met 30% tenopzichte van de nulmeting en het A-blad wordt omgezet in een beleidsregel waarop deAI kan handhaven;• de klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat nemen af met minimaal 10%;• het aantal bedrijfsongevallen met verzuim tot gevolg wordt gereduceerd met 10% enhet aantal ongevallen door vallen van hoogte daalt met minimaal 25%.Realisatie doelstellingenDe convenantpartijen zijn erin geslaagd te realiseren dat ongeveer driekwart van de bedrijven(73%) één of meerdere werkplekbezoeken heeft gekregen van een arbovoorlichter. Meer dande helft van de werkgevers die door de arbovoorlichter is bezocht (61%), vindt dat er door hetwerplekbezoek meer aandacht is besteed aan de richtlijnen uit het A-blad. Van de werknemersgeeft 35% aan wel eens contact te hebben gehad met een arbovoorlichter. Binnen deze groepis 70% van mening dat het bezoek een positieve invloed heeft gehad op het werken volgensde richtlijnen, 24% heeft door het bezoek méér geleerd over fysieke belasting en 31% heeftméér kennis opgedaan over het voorkómen van valgevaar.32Bron: Regioplan, ‘Eindevaluatie arboconvenant bitumineuze en kunststofdakbedekkingsbranche’,november 2004.xiv


Als het gaat om de doelstellingen ten aanzien van het A-blad, dan geldt dat deze deelsgerealiseerd zijn. 71% van de werkgevers blijkt bekend te zijn met het A-blad. Dat percentageligt nog hoger als gekeken wordt naar de afzonderlijke richtlijnen die onderdeel uitmaken vanhet A-blad: dat bedraagt bij de minst bekende richtlijn 85%. Bij de werknemers bedragen dezepercentages respectievelijk 52% en 72%.Voor wat betreft de naleving van de richtlijnen uit het A-blad geldt dat de beoogde toenamevan 30% niet is verwezenlijkt; het niveau van naleving van de richtlijnen is in 2004 vrijwelgelijk aan dat in 2001.De totstandkoming van een beleidsregel is gedurende de looptijd niet noodzakelijk gebleven,aangezien de bestaande regelgeving voldoende aanknopingspunten biedt voor handhaving.De fysieke belasting blijkt aan het einde van het convenant nog steeds hoog te zijn. 73% vande werknemers tilt dagelijks meer dan 5 keer handmatig een dakrol (78% in 2004). 59% vande werknemers geeft aan dat zij regelmatig handmatig lasten tillen van 25 kilogram of meer(67% in 2001). In vergelijking met de nulmeting blijkt de blootstelling aan fysieke belastingniet duidelijk verminderd. De fysieke klachten onder werknemers zijn evenmin verminderd:in vergelijking met de nulmeting is een aantal klachten, waaronder rugklachten, zelfstoegenomen.Ten slotte de doelstellingen op het gebied van veiligheid. Het aantal valongevallen is delaatste jaren niet gedaald. Helaas moet worden vastgesteld dat de uitgevoerde maatregelenhier nog niet het gewenste effect hebben gehad. Anders ligt dit bij de bedrijfsongevallen metverzuim tot gevolg. Zowel werkgevers als werknemers melden een daling van het aantalongevallen die leiden tot verzuim; in 2001 krijgt 9% van de werknemers te maken met eenbedrijfsongeval, in 2004 is dit percentage gedaald tot 7%. Deze ontwikkeling gaat gepaardmet een daling in de verzuimduur. Een belangrijk deel van de doelstelling op het gebied vanveiligheid is daarmee gerealiseerd.Leereffect voor andere branchesDoor het relatief kleinschalige karakter van het convenant zijn de afspraken uitvoerbaargebleven en is te spreken van een succes. Het convenant met de dakdekkers heeft een aantalleerpunten opgeleverd, die eventueel goed bruikbaar zijn in andere sectoren. Het gaat dan inhet bijzonder om sectoren waar sprake is van fysieke belasting en waar werknemers vooralleren aan de hand van praktijkvoorbeelden in plaats van in theorie. In de eerste plaats is dat dedirecte en pragmatische benadering van de arbovoorlichters. Voor werknemers is dat eenaansprekende manier om kennis te vergaren, voor werkgevers leidt het praktische advies totaanpassingen die veilig en commercieel haalbaar en uitvoerbaar zijn. In de tweede plaats isdat de effectiviteit van de inzet van derden. Werkgevers geven aan dat zij veel aandacht aanveilig werken kunnen besteden, maar dat ‘vreemde ogen dwingen’. Om die reden bereiken devoorlichters méér effect. In de derde plaats gaat het om het realiseren van eengedragsverandering door niet het resultaat, maar de handelingen centraal te stellen. Dit kan inde praktijk door allerlei veiligheidsprocessen in te bouwen in de werkprocessen. Eenvoorbeeld daarvan is het ‘werkopstartformulier’, op grond waarvan de werknemer kancontroleren of hij alle benodigde beschermingsmiddelen en materialen bij zich heeft, voordathij naar de werkplaats gaat.BorgingOm te waarborgen dat van alle inspanningen die gedurende de looptijd van het convenant zijnverricht, een duurzame werking uitgaat, zijn de sociale partners in elk geval overeengekomenom het arbovoorlichtersproject op eigen kracht en voor eigen rekening voort te gaan zetten. Inxv


eerste instantie zullen de voorlichters zich opnieuw richten op veiligheid en fysieke belasting.Daarbij zal – in vergelijking met voorheen – méér aandacht komen voor de vormgeving vanhet arbobeleid in bedrijven.Daarnaast zijn er nieuwe richtlijnen ter voorkoming van valgevaar ontwikkeld. Met name denormen voor kortdurende werkzaamheden zijn hierin aangescherpt. Deze zullen als basis gaandienen voor de handhaving door de Arbeidsinspectie.Tot slot willen de sociale partners ook het CAO-instrument benutten om convenantafsprakente verankeren.5. Horeca 33DoelstellingHet convenant in de horeca is gesloten in mei 2000. Het thema werkdruk staat centraal in ditconvenant. Partijen zijn overeengekomen om de risicopopulatie met betrekking tot werkdrukte reduceren met minimaal 10%.Realisatie doelstellingenDe werkdruk blijkt gedaald te zijn van 34,2% in 2000 naar 29,7% in 2004. Dit komt neer opeen reductie van 13,2%, waarmee de in het convenant geformuleerde doelstelling van eendaling van 10% ruimschoots is gehaald. Bij dit resultaat zijn een aantal kanttekeningen temaken. In de eerste plaats dat de afname níet voor alle functiegroepen geldt; onderreceptiemedewerkers is de gemeten werkdruk toegenomen gedurende de looptijd van hetconvenant. En in de tweede plaats dat een percentage van 29,7% impliceert dat nog steedsbijna één op de drie medewerkers last heeft van een te hoge werkdruk, hetgeen betekent dat ernog veel te doen en te winnen is.KoerswijzigingDe maatregelen zijn aanvankelijk conform het plan van aanpak uitgevoerd. Gedurende delooptijd van het convenant blijkt dat er een koerswijziging noodzakelijk is. Dit heeft ondermeer geleid tot de campagne ‘Happy horeca’; de geïsoleerde focus op het probleem werkdrukmaakt daarmee plaats voor een koppeling tussen arbeidsomstandigheden en rendement. Ditconcept blijkt goed aan te sluiten bij de sector.InstrumentontwikkelingVanuit het convenant zijn diverse instrumenten en middelen ontwikkeld en in gebruikgenomen. Specifiek als onderdeel van de campagne ‘Happy horeca’ gaat het onder meer omverschillende werkboeken over de thema’s ‘werkdruk’, ‘bedrijfsvoering’, ‘personeel’ en‘werksituatie’ en om de website www.happyhoreca.nl.Eveneens zijn er trainingen ‘Omgaan met agressie’ gegeven. Deze trainingen moetenwerknemers helpen om doeltreffend om te gaan met agressieve gasten. Daarnaast krijgen dedeelnemers inzicht in de invloed van alcohol en drugs op het gedrag van mensen.Een belangrijk meetinstrument dat een product is van het convenant, is de zogenaamde QuickScan Werkdruk Horeca, afgekort tot QSWH. De QSWH is een interactief computerprogrammavoor ondernemingen vanaf 5 werknemers. Met dit instrument kan een werkgeverde werkdrukbeleving binnen zijn bedrijf in kaart brengen.33Bronnen: KPMG BEA, ‘Eindverslag arboconvenant werkdruk horeca’, augustus 2004 / TNO Arbeid, ‘Eindmetingarboconvenant werkdruk horeca’, augustus 2004 / TNO Arbeid, KPMG BEA en de BBC, ‘Van werkdruk naarhappy horeca; eindrapportage van het arboconvenant werkdruk horeca’, augustus 2004.xvi


Tot slot is gedurende de looptijd van het convenant een branche ri&e ontwikkeld, evenals eenmodelcontract voor de arbodienst.Bereik van het convenantHet bereik van het arboconvenant is aanzienlijk geweest. Een aantal kengetallen illustrerendit: de QSWH is in totaal 4633 keer afgenomen, 864 deelnemers volgden de training‘Omgaan met agressie’, er is 81.143 keer gebruik gemaakt van de branche ri&e, hetmodelcontract is 4897 maal opgevraagd, er zijn 364.908 exemplaren verspreid van de Happyhoreca-krant en de website telde 54.755 bezoekers.Succes- en faalfactorenDe koppeling van arbeidsomstandigheden aan rendement (‘Beter functioneren is beterrenderen’) blijkt een succesfactor te zijn in dit convenant. Op die manier is de problematiekherkenbaar geworden voor de branche. Een andere factor die heeft bijgedragen aan hetwelslagen van het convenant, is de persoonlijke benadering van een groot aantal werkgeversen werknemers.Een minpunt is dat de tijd voor de daadwerkelijke implementatie van maatregelen in feite tekort is geweest om structurele veranderingen te realiseren in de sector. Een groot deel van delooptijd is besteed aan het ontwikkelen en testen van instrumenten en aan het zoeken naar eengeschikte strategie om werkgevers en werknemers te bereiken. Vervolgens resteerde slechtsanderhalf jaar om de instrumenten en maatregelen in te voeren. En een tweede aandachtspuntis dat er bij de uitvoering van maatregelen te weinig is gedifferentieerd naar de grootte van debedrijven.InvesteringenVoor wat betreft de investeringen in het horeca-convenant is het beeld nog niet volledig. Dewerkelijke kosten kunnen pas enkele maanden ná afloop van het convenant vastgesteldworden, in verband met de afhandeling van lopende aanvragen. Vooralsnog wordt uitgegaanvan een bedrag van €1.87 miljoen aan investeringen door SZW en de sociale partners.Ongeveer 1 / 3 deel van dit budget (€625.353) is besteed aan maatregelen op ondernemingsniveau.28% van het budget (€527.774) is gegaan naar communicatie.Het vervolgDe convenantspartijen hebben ervoor gekozen geen tweedefaseconvenant af te sluiten. Wélwillen sociale partners een vervolg geven aan het arboconvenant door gerichte activiteiten.Voorbeelden hiervan zijn de verankering van instrumenten en maatregelen in hethorecaonderwijs en voortzetting van een structurele voorziening kennisontwikkeling,innovatie en voorlichting. Deze voorziening zal ondergebracht worden bij het Horeca BrancheInstituut (HBI). Een nadere invulling hiervan moet nog plaatsvinden.6. GGZ 34DoelstellingenHet convenant met de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) is getekend in januari 2001. In ditarboconvenant zijn de volgende kwantitatieve doelstellingen geformuleerd:• het reduceren van het verschil tussen het verzuim in de GGZ en het vergelijkbaarlandelijk gemiddelde met tenminste 50%;34Bron: Research voor Beleid, ‘Evaluatie arboconvenant GGZ; eindrapport’, september 2004.xvii


• het reduceren van de instroom in de WAO met tenminste 10%;• het reduceren van de blootstelling aan te hoge psychische belasting, aan te hogewerkdruk en aan agressie en onveiligheid met tenminste 10%;• het reduceren van de mate van blootstelling aan fysieke belasting met tenminste 30%.Realisatie doelstellingenHet verzuimpercentage in de GGZ is tussen 2000 en 2003 gedaald van 7,1% naar 5,3%. Hetverschil tussen het gemiddelde ziekteverzuimpercentage in de GGZ en het vergelijkbarelandelijk gemiddelde is in deze periode daarmee gereduceerd met 69%: ruimschoots meer dande beoogde 50%. De reductie is met name het gevolg van een daling in de verzuimduur van16,0 dagen in 2000 naar 12,9 dagen in 2003. Overigens is ook de verzuimfrequentieafgenomen: van 1,77 naar 1,69.De meting aan het einde van het convenanttraject wijst uit dat vrijwel alle GGZ-instellingende verzuimaanpak verbeterd hebben de afgelopen jaar. De prioritaire maatregelen zijn door demeeste instellingen toegepast. Ruim 1 / 3 van de instellingen heeft zich bij het verbeteren van deverzuimaanpak laten ondersteunen door Falke & Verbaan. Deze instellingen hebbengemiddeld een sterkere verzuimdaling dan instellingen die geen gebruik hebben gemaakt vanhet traject van Falke en Verbaan.In absolute aantallen bedraagt de WAO-instroom 1114 personen in 2000. In 2003 is dit cijfergedaald naar 691 personen. Dit komt neer op een reductie van 38%. Ook procentueel gezien iser een sterke daling te constateren in de WAO-instroom (1,61% in 2001 en 0,92% in 2003 35 ).De conclusie luidt dat ook op dit terrein de doelstelling in ruime mate is gerealiseerd.Voor wat betreft de ontwikkeling in de blootstelling aan psychische belasting geldt dat debeschikbare gegevens beperkt zijn en niet leiden tot een eenduidig beeld. Over het behalenvan de doelstelling kan daarom geen uitspraak worden gedaan. Wel is duidelijk dat dit hetthema is dat – samen met verzuim – verreweg het meeste aandacht heeft gekregen in deafzonderlijke instellingen. Aan de hand van begeleidingstrajecten, pilots en trainingen zijn talvan goede praktijken ontwikkeld en zijn werkwijzen op de werkvloer aangepast.Als het gaat om agressie en geweld, dan blijkt dat de blootstelling in 2004 vrijwelongewijzigd is ten opzichte van 2003. Dat geldt eveneens voor de gevolgen van agressie engeweld die medewerkers ervaren. Er zijn geen gegevens beschikbaar over de blootstelling aanagressie bij aanvang van het convenant, waardoor geen conclusies kunnen worden getrokkenover het bereiken van de doelstelling. Wel blijkt uit de eindmeting van het convenant datvrijwel alle instellingen in de laatste periode van het convenant veel actiever zijn gewordenmet het nemen van maatregelen rond agressie en geweldTen aanzien van fysieke belasting bestaat de indruk dat het thema ondanks alle inspanningenniet overal landt op de werkvloer. Dit wordt afgeleid uit onder meer de beperkte interessevanuit de branche voor advies en begeleiding bij het invoeren van het werkpakket fysiekebelasting. Positief is wél de toename in het percentage instellingen dat met depraktijkrichtlijnen werkt. Eveneens lijkt de blootstelling aan fysieke overbelasting te zijnverminderd. Het is echter op basis van het beschikbare materiaal niet mogelijk een uitspraakte doen in hoeverre de reductiedoelstelling van 30% is gerealiseerd.Uitvoering maatregelen35Voor het jaar 2000 is geen volledig vergelijkbaar instroompercentage beschikbaar.xviii


Om de verzuimdoelstellingen te realiseren zijn een aantal maatregelen geformuleerd. Deeerste prioritaire maatregel is dat instellingen een eigen verzuimdoelstelling hanteren. Ditblijkt in 2004 77% van de instellingen daadwerkelijk te doen.De tweede prioritaire maatregel is dat instellingen voor alle werknemers die 6 weken oflanger ziek zijn een reïntegratieplan opstellen en dat plan bespreken met de betreffendemedewerker 36 . In 2004 geeft 85% van alle instellingen aan dat deze maatregel is ingevoerd.En de derde prioritaire maatregel is dat instellingen afspraken maken over de rolverdeling ende geldende procedures met betrekking tot reïntegratie. Dergelijke afspraken worden in 2004in 99% van de instellingen gemaakt.Naast de prioritaire maatregelen, zijn er ook nog aanbevolen en ondersteunende maatregelengenomen, bijvoorbeeld het voeren van een Sociaal Medisch Teamoverleg (vindt plaats in 91%van de instellingen), het aanstellen van een reïntegratiecoördinator (is gebeurd in 20% van deinstellingen), het volgen van een training verzuimbeleid voor leidinggevenden en P&Ofunctionarissen(mogelijkheid bestaat in ongeveer 80% van de instellingen) en deelnemen aanhet programma integraal verzuimmanagement bij Falke en Verbaan (heeft 37% van deinstellingen gedaan).Tot de prioritaire maatregelen om psychische belasting aan te pakken, behoort een screeningmet behulp van de monitor psychische belasting. Dit meetinstrument is door 41% van deinstellingen ingezet.Prioritaire maatregelen in het kader van agressie en onveiligheid zijn onder meer hetsystematisch registreren en bespreken van agressie-incidenten (gebeurt in 73% van deinstellingen), het ontwikkelen van gedragscodes (heeft 63% van de instellingen gedaan) en hetverbeteren van de opvang na agressie-incidenten (heeft 80% van de instellingen opgepakt).Om de aanpak van fysieke belasting te ondersteunen, zijn praktijkrichtlijnen opgesteld, is eenwerkpakket en een ‘tilkoffer’ ontwikkeld en is met subsidie gerichte ondersteuning gegeven.In totaal blijkt in 2004 dat 20% van de instellingen volgens de praktijkrichtlijnen werkt (7% in2001).Succes- en faalfactorenEen sterk punt bij de uitvoering van de maatregelen is in de eerste plaats de integratie vanactiviteiten vanuit het convenant met de activiteiten van GGZ Nederland. In de tweede plaatsis dat het voor aanvang van het convenant testen van de belangrijkste ondersteuningstrajectendoor middel van pilots. En in de derde plaats gaat het om de inschakeling van externebureaus, hetgeen geleid heeft tot deskundige ondersteuning van GGZ-instellingen en tot eeneffectieve communicatie over het arboconvenant.Een belemmerende factor voor de uitvoering van maatregelen is de brede insteek gebleken,waarbij veel verschillende onderwerpen gelijktijdig zijn aangepakt. In de verschillendeinstellingen hebben daardoor niet alle onderwerpen evenveel aandacht gekregen.DoeltreffendheidHet behalen van de doelstellingen ter reductie van ziekteverzuim en WAO-instroom in deGGZ lijkt met name het gevolg te zijn van veranderingen in verzuimbegeleiding en algemeenarbobeleid en van omgevingsfactoren, zoals de economische recessie, en niet zozeer van eenreductie van de blootstelling aan arbeidsrisico’s. De afzonderlijke invloed van deverschillende factoren is niet vast te stellen, maar er zijn diverse bevindingen die de impactvan het arboconvenant duidelijk maken:36Sinds april 2002 is dat overigens een wettelijke verplichting vanuit de WVP.xix


• de verzuimdaling is al in 2001 ingezet, ná start van het convenant en vóór de stijgingvan de werkloosheid en de invoering van de Wet Verbetering Poortwachter;• de daling in het ziekteverzuim in de GGZ is sterker dan de landelijke daling;• er is een relatief sterke verzuimdaling bij instellingen die hebben deelgenomen aan hetprogramma integraal verzuimmanagement vanuit het convenant;• er is een reductie in de verzuimfrequentie, hetgeen duidt op een cultuurverandering.Kosten en batenSociale partners en SZW hebben gezamenlijk €5,3 miljoen geïnvesteerd in het convenant.Naast het convenant waren er vanuit sociale partners ook nog een aantal ondersteunendesubsidiestromen ten behoeve van de instellingenAls gevolg van de afgenomen verzuim- en WAO-instroompercentages is een eenvoudigeberekening van de kostenbesparing te maken. Jaarlijks levert dit een besparing op van €32miljoen aan verzuimkosten en €13 miljoen aan WAO-kosten, in totaal €45 miljoen.BorgingVoor zover veranderingen binnen instellingen beleidsmatig van karakter zijn, bijvoorbeeldveranderde werkwijzen en procedures, mag verondersteld worden dat zij een structureel vanaard zijn, dus ook ná afloop van het convenant. Om alle instellingen ook na afloop van hetconvenant te stimuleren door te gaan met de convenantthema’s, is in 2004 een grootinspectieproject van de Arbeidsinspectie gestart.7. Kinderopvang 37DoelstellingenHet convenant met de kinderopvang dateert van december 1999 en is later uitgebreid naar depeuterspeelzalen 38 . De focus ligt op het arbeidsrisico fysieke belasting. De doelstellingenluiden als volgt:• De organisaties voeren een gericht beleid met betrekking tot fysieke belasting vanwerknemers. De organisaties bevorderen daartoe dat de kinderdagverblijven denormen in hun arbeidsomstandighedenbeleid hanteren.• De organisaties bevorderen dat de kinderdagverblijven binnen een jaar na aanvang vanhet convenant een plan van aanpak opstellen voor het invoeren van de normen.Realisatie doelstellingenBij de normen, waarop de doelstellingen betrekking hebben, gaat het enerzijds omergonomische richtlijnen voor de inrichting van werkruimten en anderzijds om dewerkhouding van leidsters. Vanaf 1 januari 2004 moeten alle kinderdagverblijven aan dezenormen voldoen. De uitgevoerde eindmeting wijst uit dat 80% van alle instellingen geheel ofgrotendeels aan alle ergonomische normen voldoet. Als het gaat om de naleving van eenaantal specifieke normen ten aanzien van de inrichting van de werkplek, dan blijkt in 92% vande instellingen het meubilair zodanig te zijn, dat de leiding op volwassenenhoogte kanwerken; in eveneens 92% van de kinderdagverblijven zijn bij de aankleedtafel trapjes ofopstapjes aanwezig; en in 91% van de instellingen is het gangpad tussen enkele bedjesminimaal 60 centimeter breed.3738Bron: Research voor Beleid, ‘Monitor invoering ergonomische normen in de kinderopvang’, augustus 2004.De rapportage over de eindmeting in de peuterspeelzalen is nog niet definitief vastgesteld. Om die reden beperkt dezeparagraaf zich tot de resultaten binnen de kinderopvang.xx


Als het gaat om het maken van een plan van aanpak om de normen in te voeren, zoalsvastgelegd in het convenant, blijkt dat de helft van alle instellingen hiertoe actie heeftondernomen. Blijkbaar is een deel van de instellingen de invoering gestart zonder plan vanaanpak.Bereik werkvloerOm een indicatie te krijgen van het bereik van de werkvloer is in de eindmeting zowel bijwerkgevers als bij werknemers gevraagd naar de bekendheid van informatiebronnen,gerelateerd aan het arboconvenant, en naar de bekendheid van de normen.Tot de informatiebronnen worden gerekend de brochure ‘Ergonomie in de kinderopvang’ de‘Koopwijzer voor meubilair in de kinderopvang’, de brochure ‘De meest gestelde vragen overhoogzitten’ en de website www.arbo-kinderopvang.nl. Over het algemeen geldt datwerkgevers beter bekend zijn met de informatiebronnen dan werknemers. De meestebekendheid geniet de brochure ‘Ergonomie in de kinderopvang’ (88% bij de werkgevers, 57%bij de werknemers. De website is het minst bekend als informatiebron (69% bij dewerkgevers, 22% bij de werknemers).Als het gaat om de bekendheid van de ergonomische normen, dan zijn de normen voor hettillen en dragen van kinderen en voor het werken op volwassen hoogte het meest bekend: 97%respectievelijk 95% bij de werkgevers en 86% respectievelijk 88% bij werknemers. Denormen voor het voeren van bewust beleid rond het tillen en dragen door zwangeremedewerksters zijn aanzienlijk minder bekend, met name bij werknemers (29%). Dit iseveneens terug te zien in de naleving (20% volgens werknemers).Een ander middel om de werkvloer te bereiken, is het geven van voorlichting. 57% van dewerknemers geeft in de eindmeting aan dat zij in de organisatie voorlichting of instructiekrijgen over een goede werkhouding en het voorkomen van een te hoge lichamelijkebelasting. Deze voorlichting vindt volgens werknemers meestal plaats in de vorm van(til-)cursussen (82%). Het percentage werkgevers en werknemers dat de voorlichting effectiefvindt, ligt rond de 50%.SuccesfactorenEen aantal factoren hebben geleid tot het welslagen van het convenant:• Draagvlak: binnen de sector is vanaf de start van het convenant veel draagvlak geweestvoor de ontwikkeling en de invoering van de normen. De metingen gedurende de looptijdvan het convenant illustreren dit; de eindmeting laat zien dat vrijwel alle werknemers(94%) en een ruime meerderheid van de werkgevers (65%) de vastgestelde ergonomischenormen noodzakelijk vinden. De sociale partners hebben een actieve rol gespeeld om datdraagvlak te creëren.• Subsidieregeling: onvoldoende financiële middelen bleken één van de belemmeringen tezijn bij de invoering van de ergonomische normen. Om die reden is er eensubsidieregeling ingesteld voor de aanschaf van meubilair en voor trainingen van leidstersen leidinggevenden. Deze regeling is een goede stimulans gebleken; vanwege de grotebelangstelling is de regeling tot twee keer toe verlengd.• Smal convenant: het convenant heeft zich beperkt tot het onderwerp fysieke belasting. Eensmalle focus bevordert de implementatie van afspraken.• Beleidsregel fysieke belasting: de beleidsregel fysieke belasting, die aan het einde van delooptijd van kracht is geworden, heeft gefungeerd als een ‘stok achter de deur’. Mededaardoor is de aanpak succesvol geweest.xxi


Beleidsregel fysieke belastingEen deel van de ergonomische normen, ontwikkeld vanuit het convenant, is vertaald inbeleidsregel 5.2-2. De grondslag voor deze beleidsregel ligt in artikel 5.2 van het Arbobesluit.De beleidsregel bevat normen voor het werken op volwassenenhoogte en schrijft de matenvoor die gehanteerd moeten worden voor de werkhoogte bij een aankleedtafel, voor de hoogtevan de bovenkant van een bedmatras van een hoog bed, voor de hoogte van een bodem vaneen hoge box, voor de vrije werkruimte en voor de plint bij een aankleedtafel. Een tilnormmaakt eveneens onderdeel uit van de beleidsregel: kinderen die méér wegen dan 23 kg mogenniet getild worden. En ten slotte stelt de beleidsregel grenzen aan het tijdsbestek waarinmedewerkers in een bepaalde houding mogen werken, zoals werken met een gebogen rug,zitten op de vloer en hurken en knielen.De beleidsregel is op 23 juli 2000 in werking getreden voor nieuwe kinderdagverblijven ofnieuwe ruimten van bestaande kinderdagverblijven die na die datum ingericht worden. Vooralle andere dagverblijven is een overgangsregeling ingesteld en is de beleidsregel per 1januari 2004 van kracht geworden.BorgingVia de totstandkoming van de beleidsregel, is een deel van de afspraken vanuit het convenantstevig verankerd, ook ná afloop van het convenant. De beleidsregel vormt de basis voorhandhaving door de Arbeidsinspectie (AI). De AI bereidt een inspectieproject in de sectorvoor; de bezoeken zullen in de loop van 2005 plaatsvinden.8. Thuiszorg 39DoelstellingenHet convenant in de thuiszorg is het eerste arboconvenant nieuwe stijl en dateert van maart1999. De belangrijkste doelstelling van dit arboconvenant is de volledige implementatie vande groene praktijkregels in de sector, regels die aangeven hoe medewerkersgezondheidsschade als gevolg van fysieke belasting zoveel mogelijk kunnen voorkomen danwel beperken. Gedurende het traject zijn nog een aantal kwantitatieve doelstellingentoegevoegd aan het convenant:• het terugdringen van het verzuim: een halvering van het verschil tussen het ziekteverzuimin de thuiszorg en het ziekteverzuim in het bedrijfsleven;• het bevorderen van de reïntegratie van arbeidsgehandicapten met een streefniveau van 500te reïntegreren personen in de thuiszorg;• het terugdringen van de instroom in de WAO: een halvering van het verschil tussen deinstroom in de WAO in de thuiszorg en de WAO-instroom in het bedrijfsleven.Eveneens hebben de convenantpartijen het voornemen om het thema werkdruk aan te pakken;ten aanzien van dit onderwerp zijn echter geen concrete doelstellingen geformuleerd.Realisatie doelstellingenEen schriftelijke enquête onder thuiszorginstellingen wijst uit dat 90% van de instellingen aande slag is gegaan met de praktijkregels 40 . De doelstelling op dit gebied is daarmee vrijwelgerealiseerd. Van de hulpmiddelen, die via de praktijkregels voorgeschreven worden, blijkeninstellingen het meest gebruik te maken van de hoog-laagbedden, de steunkousenaantrekkersen de tilliften.3940Bron: Regioplan, ‘Evaluatie arboconvenant thuiszorg’, januari 2005.Bron: Locomotion, ‘Eindrapportage monitoring invoering groene praktijkregels’, 2004.xxii


Het ziekteverzuim is in de thuiszorg gedaald van 9,8% in 1999 naar 7,6% in 2003. Daarmee ishet verzuim in de thuiszorg sneller afgenomen dan in het bedrijfsleven, dat in diezelfdeperiode een reductie heeft gerealiseerd van 6,9% naar 5,9%. De ten doel gestelde halveringvan het verschil in verzuim tussen de thuiszorg en het bedrijfsleven is echter niet gerealiseerd;het verschil is gereduceerd tot 41%.Het begrip reïntegratie is in het convenant geoperationaliseerd als het (her-)plaatsen vanWAO-ers bij de eigen of een andere werkgever. De reïntegratiedoelstelling blijkt in 2001 al tezijn gerealiseerd: het aantal reïntegraties is tussen 1999 en 2001 toegenomen met 678, inplaats van de voorgenomen 500.De WAO-instroomkans is in de thuiszorg tussen 2000 en 2003 gedaald met 45%; voor hetbedrijfsleven bedraagt de reductie in dezelfde periode 33%. De WAO-instroom is in dethuiszorg dus harder gedaald dan in het bedrijfsleven; de gewenste halvering van het verschilis echter niet gerealiseerd.Alhoewel er geen concrete doelstellingen zijn geformuleerd ten aanzien van het themawerkdruk, is via een medewerkersraadpleging wél de ervaren werkdruk onder medewerkers inkaart gebracht. In 1999 geeft nog 47% van de medewerkers aan vaak of altijd werkdruk teervaren, in 2002 is dit cijfer gedaald naar 32%.Bereik van de werkvloerDe bekendheid van het convenant in de thuiszorginstellingen is hoog: 99% van de instellingenis ervan op de hoogte en 91% heeft een strategie- of actieplan opgesteld voor de uitvoeringvan de maatregelen uit het convenant. Het onderwerp fysieke belasting heeft daarbij mééraandacht gekregen dan het thema werkdruk. Dat blijkt ook uit de cijfers over de bekendheiden het gebruik van instrumenten en produkten vanuit het convenant. 69% van allewerknemers blijkt voorlichting te hebben gehad over het omgaan met fysieke belasting, 40%is bekend met de tilprotocollen, 35% kent de brochure ‘Stilstaan bij bewegen’ en eveneens35% is op de hoogte van de groene praktijkregels. Het werkpakket in het kader van dewerkdrukbeheersing is slechts bij 11% van de medewerkers bekend; voor de brochures overwerkdruk ligt dit cijfer rond de 9%.Succesfactoren en leerpuntenVolgens sleutelpersonen in de branche is het grote draagvlak binnen de sector voor deconvenantafspraken een belangrijke succesfactor geweest bij de implementatie van demaatregelen.Het evaluatie-onderzoek wijst eveneens uit dat er bij de invulling van het convenant te veelhooi op de vork is genomen: het convenant kent een veelheid aan deelprojecten. Onderwerpenmet een minder hoge prioriteit dreigen dan uit het zicht te raken. Een leerpunt is dat het beteris om te focussen op een beperkt aantal onderwerpen.BorgingEr zijn nog geen structurele voorzieningen getroffen voor een duurzame doorwerking van deconvenantafspraken in de thuiszorg. Sociale partners achten dat wel wenselijk en voerendaarover nog overleg, maar zijn tegelijkertijd sceptisch over de resultaten daarvan.De sector streeft ernaar om de groene praktijkregels te vertalen naar een beleidsregel, echtergezien het huidige politieke klimaat is het nog niet duidelijk of deze beleidsregeldaadwerkelijk tot stand zal komen. Wél staat vast dat de groene praktijkregels beschouwdxxiii


zullen worden als de stand van de wetenschap. De Arbeidsinspectie neemt dit alsuitgangspunt voor een inspectieproject, dat in de loop van 2005 uitgevoerd zal worden.Verder is er een aantal ontwikkelingen in de thuiszorg, die de aandacht voor het themaarbeidsomstandigheden wellicht in gevaar brengen, een reële zorg van de convenantpartijen.In de eerste plaats zijn dat de recente bezuinigingen; door de beperking van de financiëlemiddelen zal de aandacht van directies verschuiven naar de financiële positie van deinstellingen. In de tweede plaats is dat de invoering van de WMO. Dit wetsvoorstel voorzietin een uitbreiding van de rol van de gemeenten; de vraag is of zij evenveel prioriteittoekennen aan het arbeidsomstandighedenbeleid. En in de derde plaats is dat het wegvallenvan het sectorfonds Zorg & Welzijn, dat als uitvoerder verantwoordelijk is geweest voor hetveiligstellen van kennis en instrumenten vanuit het convenant. Het risico bestaat datinformatie niet langer centraal bewaard wordt en dus versnipperd raakt.9. Gehandicaptenzorg 41/42DoelstellingenHet convenant met de gehandicaptenzorg is getekend in juli 2001. De kwantitatievedoelstellingen luiden als volgt:• een halvering van het verschil tussen het gemiddeld ziekteverzuim in degehandicaptenzorg en het vergelijkbare gemiddelde in het bedrijfsleven;• een reductie van de blootstelling aan fysieke belasting met minimaal 30%;• een reductie van de blootstelling aan een te hoge psychische belasting en werkdrukmet minimaal 10%;• een reductie van de klachten als gevolg van agressie en onveiligheid met ten minste10%.Realisatie doelstellingenHet ziekteverzuim in de gehandicaptenzorg is tussen 2000 en (het 2 e kwartaal van) 2004gedaald van 8,7% naar 5,9%; de conclusie is dat het verzuim in deze branche harder gedaaldis dan in het bedrijfsleven. De beoogde doelstelling van een halvering van het verschil inziekteverzuim tussen de gehandicaptenzorg en het bedrijfsleven, blijkt gerealiseerd te zijn.In het plan van aanpak is eveneens een reductiedoelstelling van 10% opgenomen voor deWAO-instroom. Ook deze doelstelling is gehaald: de WAO-instroom in de gehandicaptenzorgis teruggelopen van 1,67% in 20001 naar 0,89% in 2003.De blootstelling aan fysieke belasting is gedurende de looptijd van het convenant afgenomenmet 20%; de doelstelling is daarmee niet helemaal gerealiseerd. Geconstateerd is wél, datinstellingen veel geïnvesteerd hebben om de blootstelling aan fysiek belastendewerkzaamheden terug te dringen; met name in het laatste jaar van het convenant zijn opinstellingsniveau grote vorderingen gemaakt met het implementeren van een gestructureerdbeleid en specifieke maatregelen. De verwachting is dat hiervan een vertraagd effect uitgaat.Op het terrein van agressie en geweld hebben instellingen eveneens veel ondernomen. Eenaantal voorbeelden die dit illustreren: 86% van alle instellingen spoort werknemers aan omagressie-incidenten te melden, in 77% van de instellingen hebben werknemers de training‘omgaan met agressie’ gevolgd, 73% van de instellingen bespreekt agressie-incidenten in het4142Bron: Bureau Bartels, ‘Monitor Arboconvenant gehandicaptenzorg; eindmeting’, oktober 2004.Het evaluatie-onderzoek in de gehandicaptenzorg is nog niet opgeleverd; om die reden blijft de beschrijving van deresultaten beperkt.xxiv


werkoverleg en 65% heeft richtlijnen voor de opvang van medewerkers ná een agressieincident.De instellingen hebben de maatregelen echter recent ingevoerd, met name in hetlaatste jaar van de looptijd is er aandacht gekomen voor het thema agressie en geweld.Verondersteld wordt dat daarom nog geen effect zichtbaar is op het aantal agressieincidenten;evenmin is er een reductie waar te nemen in de klachten als gevolg vanincidenten. De doelstelling is vooralsnog dus niet gerealiseerd. De toegenomen aandacht voorhet risico bij instellingen biedt echter een goede basis voor de toekomst.Er heeft geen nulmeting plaatsgevonden voor wat betreft het onderwerp werkdruk enpsychische belasting. Het laatste jaar van het convenant is er in de metingen wél aandachtgeweest voor dit onderwerp. Op basis daarvan is er geen overtuigende, positieve ontwikkelingwaar te nemen, noch onder instellingen, noch onder medewerkers. De conclusie luidt dan ookde doelstelling op dit gebied niet is gerealiseerd.Bereik van de werkvloerNagenoeg alle instellingen zijn bereikt: de eindmeting laat zien dat 98% van de instellingenbekend is met de inhoud van het arboconvenant. Om de maatregelen vanuit het convenant tevertalen naar beleid op instellingenniveau, heeft 80% van alle instellingen een strategie- ofactieplan opgesteld. In deze plannen blijken instellingen zich met name te concentreren op dearbeidsrisico’s fysieke belasting en agressie en geweld.Het aandeel werknemers dat het arboconvenant kent, is bij de eindmeting uitgekomen op67%.xxv


Bijlage 6Overzicht koppeling arboconvenanten – CAO’s1 e fase1 e fase1 e fase1 e faseConvenanttraject Onderzochte CAO (‘s) Afspraakin CAOConvenant getekend in 1999Thuiszorg Thuiszorg XKinderopvang en peuterspeelzalenKinderopvangConvenant getekend in 2000Arbovoorlichters in de bouw n.v.t.Onderwijs pilot poortwachter n.v.t.HorecaHoreca en aanverwant bedrijfOnderwijs POVOPrimair onderwijsVoortgezet onderwijsOnderwijs HOOHoger beroepsonderwijsXNederlandse universiteiten(deel 1 en deel 2)Onderwijs BVEBeroepsonderwijs envolwasseneneducatieConvenant getekend in 2001Academische ziekenhuizen Academische ziekenhuizenGGZGeestelijke gezondheidszorg X(GGZ)DakdekkersBitumineuze en kunststofdakbedekkingsbedrijfRijksoverheid Rijkspersoneel XWoningcorporatiesWoondienstenGehandicaptenzorg Gehandicaptenzorg XGemeentenGemeente-ambtenarenPolitie Politie XBouwBouwbedrijfXBouwbedrijf UTA-personeelGrafimediaPapier- en kartonindustrieBankenGrafimediaKartonnage en flexibeleverpakkingsbedrijfPapierindustrieABN-AMROFortis -bankING-bankRabobankSNS ReaalgroepAlgemene Bank-CAOKappers Kappersbedrijf XZiekenhuizen Ziekenhuizen XConvenant getekend in 2002Sociale werkvoorziening Sociale werkvoorziening XFunderingsbrancheGeen eigen CAO; onderdeelvan de bouwArchitecten Architectenbureaus XDefensiePodiumkunstenVervolg tabel: zie volgende paginaDefensie-personeelGeen eigen CAO.Afzonderlijke CAO’s dieoverlap vertonen met depodiumkunsten:DansNederlandse orkestenNederlands theaterXXXXXXXxxvi


1 e fase1 e faseVervolgVleesindustrieAgrarische sectorenVerf- en drukinktindustrieVleessectorVleeswarenindustrieSlagersbedrijfOpen teeltenGlastuinbouwDierhouderijHoveniersbedrijfLandbouwwerktuigenexpoiterende ondernemingenBereide verf- endrukinktindustrieOrsimaIndustriële reiniging enXscheepsonderhoudMeubelindustrieMeubelindustrie enXmeubileringsbedrijvenOpenbare bibliothekenOpenbare bibliothekenOrkestenGeen eigen CAO. Onderdeelvan de podiumkunsten.Wasserijen enLinnenverhuur, wasserij en Xtextielreinigingsbedrijven textielreinigingWonenbranche Wonen XTimmerindustrieTimmerfabriekenUitgeverijbedrijfBoeken- enXtijdschriftenuitgeverijbedrijfConvenant getekend in 2003Afbouw en onderhoudProvinciesHouthandelAfbouwLoodgieters-, fitters- en CVbedrijvenProvinciepersoneelHouthandelHoutverwerkende industrieBakkersbedrijfMaalindustrie en bakkerijgrondstoffenindustrieUitzendbranche Uitzendkrachten ABU XKoek en snoepSuikerverwerkende industrie XSuikerwerk- enXchocoladeverwerkendeindustrieZorgverzekeraars Zorgverzekeraars XWelzijn Welzijnswerk XJeugdhulpverlening Jeugdhulpverlening XMobiliteitsbrancheMotorvoertuigen entweewielerbedrijvenBandenbrancheCarosseriebedrijfElektrotechnisch bedrijf2 e fase Schoonmaak- englazenwassersbrancheSchoonmaak- englazenwassersbedrijfGemeenten*Zie 1 e faseGrafimedia*Zie 1 e faseConvenant getekend in 20041 e fase Installatie- en isolatiebranche IsolatiebedrijfAmbulancezorgAmbulancezorg2 e fase Academische ziekenhuizen* Zie 1 e faseAgrarische sectoren*Zie 1 e fase* Niet meegeteld als aparte trajecten in het kader van het CAO-onderzoek.XXXXXXxxvii

More magazines by this user
Similar magazines