Propaan - Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

content.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

Propaan - Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19PropaanHet gebruik van propaan op bouwterreinenMinisterie van VROM >staat voor ruimte, wonen,milieu en rijksgebouwen.Beleid maken, uitvoerenen handhaven.Nederland is klein.Denk groot.


Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19PropaanHet gebruik van propaan op bouwterreinen


VoorwoordMet ingang van 1 juni 2004 is de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) benoemd door het Kabinet.Tevens is de Commissie van Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) opgeheven.De CPR bracht publicaties uit, de CPR-richtlijnen, die veelvuldig worden gebruikt bij vergunningverleningop grond van de Wet milieubeheer en binnen de werkterreinen van de arbeidsveiligheid,transportveiligheid en de brandveiligheid.De CPR-richtlijnen zijn omgezet naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen. Het doel van dezepublicaties is in hoofdlijnen dezelfde als van de CPR-richtlijnen. Alle CPR-richtlijnen zijn beoordeeldvanuit de volgende vragen:1. is er nog een bestaansreden voor de richtlijn of kan de richtlijn vervallen;2. kan de richtlijn ongewijzigd worden overgenomen of is actualisatie nodig.Het voorliggende advies PGS 19 is ongewijzigd ten opzichte van de voormalige CPR-richtlijn 11-1.Door het van kracht worden van het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer en hetWarenwetbesluit drukapparatuur zijn de voorgestelde voorschriften in dit advies deels achterhaalddoor wettelijke bepalingen. Bij de komende actualisatie zal de publicatie hierop worden aangepast.De Adviesraad Gevaarlijke Stoffen is voornemens eind 2005 een advies uit te brengen over deherziening van de publicaties over LPG en propaan (PGS 16 tot en met PGS 24).Mede namens mijn collega’s van de ministeries van Verkeer en Waterstaat, Sociale Zaken enWerkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties,De staatssecretaris van Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,Drs. P.L.B.A. van GeelDen Haag, juli 2005Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 3/67


Ten geleideDeze richtlijn, die onder auspiciën van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffenis tot stand gebracht, wordt gepubliceerd in opdracht van:– de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid– de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer– de Minister van Binnenlandse Zaken– de Minister van Verkeer en Waterstaat.De regionale Inspecteurs van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de hyiëne van hetmilieu, zullen deze richtlijn hanteren bij hun advisering in het kader van de Hinderwet bij vergunningaanvragenvoor het gebruik van propaan op bouwterreinen.Voorts zal deze richtlijn gebruikt worden bij het opstellen van standaardvoorschriften op grond vanartikel 2a van de Hinderwet.Door de Arbeidsinspectie zal deze richtlijn op dezelfde wijze worden gehanteerd als de door dezedienst uitgegeven publikatiebladen.De uitgave en distributie van deze richtlijn wordt verzorgd door het Directoraat-Generaal van deArbeid,Voorburg, januari 1984DE DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE ARBEIDw.g. Ir. A.J, de RoosPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 4/67


Inhoudsopgave1. Inleiding 92. Doel en functie van richtlijnen van de CPR 113. Definities 134. Productinformatie 154.1 Eigenschappen van propaan 15Tabel 4-I Enkele gegevens van chemisch zuiver propaan 16Afbeelding 4-I Dampspanning van propaan 17Afbeelding 4-II Dichtheid van vloeibaar propaan (onder dampspanning) 18Afbeelding 4-III Dampdichtheid van propaan (bij verzadigingsdruk) 19Afbeelding 4-IV Dampdichtheid van propaan (bij atmosferische druk) 20Afbeelding 4-V Verdampingswarmte van propaan 214.2 Gebruik van propaan 224.2.1 Versnelde betonverharding door middel van verwarming 224.2.2 Andere toepassingen 225. E.H.B.O. 235.1 Bij zuurstoftekort 235.2 Na contact van vloeibaar propaan met de ogen 235.3 Na contact van vloeibaar propaan met de huid 235.4 Bij verbranding 246. Noodplan 257. Bevoegde overheidsinstanties 268. Constructie van stationaire reservoirs, reservoirs op een verrijdbaar onderstelen hun toebehoren 278.1 De constructie van reservoirs 278.1.1 Algemeen 278.1.2 Toelaatbare inhoud en vullingsgraad 278.1.3 Druk 278.1.4 Temperatuur 288.1.5 Materiaalkeuze 288.1.6 Lasverbindingen 288.1.7 Aantal en plaats van de aansluitingen 288.1.8 Mangat, ontluchtings- en inspectie-opening 288.1.9 Flenzen 29Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 5/67


8.1.10 Flenspakking 298.1.11 Schroefdraadverbindingen 298.1.12 Stempelplaat 298.1.13 Ondersteuningen 298.1.14 Hijsplaten 308.1.15 Afwerking 308.1.16 Eerste keuring van het reservoir 308.1.17 Herkeuring van het reservoir 308.2 Toebehoren van reservoirs 308.2.1 Algemeen 308.2.2 Druk 308.2.3 Temperatuur 308.2.4 Materiaalkeuze 308.2.5 Verbindingen 308.2.6 Veiligheidskleppen 318.2.7 Bewaking van de vullingsgraad, vloeistofstandaanwijzer 318.2.8 Meters 318.2.9 Vulaansluiting 318.2.10 Dampafname-aansluiting 328.2.11 Aftapinrichting 328.3 De installatie en de leidingen 328.3.1 Algemeen 328.3.2 Druk 328.3.3 Temperatuur 328.3.4 Materiaalkeuze 328.3.5 Verbindingen 338.3.6 Flenzen en flenspakking 338.3.7 Ondergrondse leidingen 338.3.8 Bovengrondse leidingen 338.3.9 Hogedrukleidingnet 338.3.10 Middeldrukleidingnet 338.3.11 Lagedrukleidingnet 348.3.12 Eerste keuring van de installatie en de leidingen 348.3.13 Periodieke keuring van de installatie en de leidingen 348.4 Constructie van een verrijdbaar onderstel 348.4.1 Algemeen 348.4.2 Raamwerk 348.4.3 Wielbasis 358.4.4 Spoorbreedte 358.4.5 Wielen 35Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 6/67


8.4.6 Zwaartepunt 358.4.7 Assen 358.4.8 Bevestiging van het reservoir 358.4.9 Hekwerk 358.4.10 Dakconstructie 358.4.11 Principeschets van een verrijdbaar onderstel 35Afbeelding 8-I Principeschets wagen met beschermkooi 36Tabel 8-I Enkele toelaatbare materialen en verbindingen voor vaste leidingen 37Tabel 8-II Enkele toelaatbare materialen en verbindingen voor buigbare leidingen 38Tabel 8-III Toelaatbare pakkingmaterialen 399. Veiligheidsmaatregelen 409.1 Veiligheidsmaatregelen bij stationaire reservoirs 409.1.1 Situering van het reservoir 409.1.2 Opstelling van het reservoir 409.1.3 Hekwerk 409.1.4 Blusmiddelen 409.1.5 Elektrische installatie en gevarenzone-indeling 409.1.6 Het koppelen van reservoirs 419.1.7 Plaatsen of verplaatsen van reservoirs 419.1.8 De opstelplaats van de tankwagen 419.1.9 Afstanden tot objecten 419.1.9.1 Algemeen 419.1.9.2 Grenswaarden 429.1.9.3 Afstanden tot opslag van brandbare vloeistoffen 429.1.9.4 Afstanden tot gebouwen en brandbare opslagen 429.1.9.5 Algemene minimum afstanden 439.2 Veiligheidsmaatregelen bij het gebruik van reservoirs op verrijdbare onderstellen 439.2.1 Situering van het reservoir 439.2.2 Opstelling van het reservoir 449.2,3 Toegankelijkheid 449.2.4 Het koppelen van reservoirs 449.2.5 Plaatsen en verplaatsen van reservoirs 449.2.6 Opstelling tijdens vullen en ledigen van het reservoir 449.2.7 Afstanden tot objecten 44Afbeelding 9-I Afstanden tot opslag van brandbare vloeistoffen 45Afbeelding 9-II Afstand van reservoirs tot gebouwen en brandgevaarlijke opslagen 46Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 7/67


10. Bedrijfsvoering 4710.1 Algemeen 4710.2 Taken en verantwoordelijkheden 4710.2.1 Taken en verantwoordelijkheden van de gebruiker 4710.2.2 Taken en verantwoordelijkheden van de installateur 4810.2.3 Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het gas 4810.2.4 Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het reservoir 4810.3 Organisatie en procedures 4810.4 Installatieboek 49BIJLAGE I Model installatieboek 50BIJLAGE II “Checklist” 60BIJLAGE III Controlelijst 63BIJLAGE IV Bevoegde overheidsinstanties en wetgeving 64BIJLAGE V Procedure voor het ledigen van reservoirs met een inhoud van ten hoogste 3 m 3en die niet zijn voorzien van een af tapinrichting in de vloeistoffase 67Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 8/67


1. InleidingOp bouwterreinen wordt gebruik gemaakt van propaan voor een versnelde verharding van beton doormiddel van verwarming, voor ruimteverwarming van bouwketen en werkruimten, voor het droogstokenvan woningen en voor verwarmingsdoeleinden om doorwerken in de winter mogelijk te maken. Hierbijworden stationaire en verrijdbare propaanreservoirs toegepast waarin vloeibaar propaan onder druken bij omgevingstemperatuur wordt bewaard. Op grond van artikel 1, lid IIa van het Hinderbesluit ishiervoor een Hinderwetvergunning vereist.Gezien de korte tijd, die gelegen is tussen de gunning van bouwwerken en de aanvang van de bouw,de zich voortdurend wijzigende situatie op de bouwplaatsen en gezien het feit dat reeds snel naaanvang van de bouw over propaan moet kunnen worden beschikt, is het volgen van de normaleprocedure voor het verkrijgen van een Hinderwetvergunning te tijdrovend. Het is daarom te voorziendat gemeenteraden bij de uitvoering van bouwwerken gebruik zullen gaan maken van de verordenendebevoegdheid die zij op grond van artikel 3 van de Hinderwet hebben. Deze verordeningen kunnenalgemene voorschriften bevatten tot het tegengaan van buiten de inrichting van deze te vrezengevaar, schade of hinder.Als leidraad bij het geven van technische en technisch-organisatorische voorschriften in het kader vande verlening van Hinderwetvergunningen en bovengenoemde Gemeenteverordeningen geeft deCommissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR) de voorliggende richtlijn. Eeneerste concept-rapport werd opgesteld door een werkgroep (de werkgroep “kleine bulk”) bestaande uit:Ing. P. van der Sijde, voorzitter Vereniging van de Nederlandse Aardolie-industrie (V.N.A.)H.L.J.M. AertsAlgemeen Verbond Bouwbedrijf (A.V.B.B.)Ir. J. de BeerDirectoraat-Generaal van de MilieuhygiëneIng. H.J. BerendrechtDirectoraat-Generaal voor de ArbeidIr. C. van den BrinkDienst voor het StoomwezenIr. W.J.M. van DijkInspectie voor het BrandweerwezenM. Dumas Algemeen Bureau voor Ongevallenpreventie en Materieelzaken inhet Aannemingsbedrijf (A.B.O.M.A.)Ir. A.M.G. van Hamburg Algemeen Verbond Bouwbedrijf (A.V.B.B.)Ing. G. van ’t HofDienst voor het StoomwezenIr. J. de KoningDirectoraat-Generaal voor de MilieuhygiëneIng. J.W. von Kriegenbergh Dienst voor het StoomwezenIng. H.J.G. LaumenVereniging Technische Commissie Vloeibaar Gas (V.T.C.V.G.)Ing. H.P.J. MeederVereniging Technische Commissie Vloeibaar Gas (V.T.C.V.G.)A.H. SchramVereniging van Nederlandse Gemeenten (V.N.G.)Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 9/67


2. Doel en functie van richtlijnen van decommissie preventie van rampen doorgevaarlijke stoffenIn onze steeds gecompliceerder wordende samenleving wordt een toenemend gebruik gemaakt vanstoffen, die in het geval van ongewenste gebeurtenissen gevaar kunnen opleveren voor de mens ofhet milieu. Het gevaar van dergelijke stoffen wordt bepaald door de fyschisch/chemische eigenschappenvan de stoffen en de hoeveelheid daarvan, alsmede door de wijze waarop deze stoffen wordengetransporteerd, overgeslagen, opgeslagen of verwerkt en de situering van deze handelingen.Een kritische en intensieve begeleiding onder meer van de zijde van de overheid is bij het gebruikvan gevaarlijke stoffen, met name in dit dicht bevolkte land, onontbeerlijk.Binnen de overheid heeft de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (CPR) op ditgebied een coördinerende en stimulerende taak. De opdracht is de betrokken ministers (SocialeZaken en Werkgelegenheid, Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, BinnenlandseZaken en Verkeer en Waterstaat) van advies te dienen met betrekking tot de technische en technischorganisatorischemaatregelen ter voorkoming en beperking van de gevaren verbonden aan hetgebruik van gevaarlijke stoffen. De CPR geeft hieraan gestalte door op het terrein van het omgaanmet gevaarlijke stoffen richtlijnen op te stellen, veelal na overleg met deskundigen van het betrokkenbedrijfsleven. Na aanvaarding door de betrokken ministers worden deze richtlijnen gepubliceerd.Hoewel bij toepassing van de richtlijnen de veiligheid bij het omgaan met gevaarlijke stoffen zo goedmogelijk gewaarborgd is, kan nagenoeg nooit worden gesproken van een absoluut veilige situatie inde strikte zin van het woord. Er blijft een zekere restrisico, waarvan de omvang in het bijzonderafhangt van de eigenschappen van de stof, de daarvan aanwezige hoeveelheid, de wijze van transport,overslag, opslag en verwerking en de kwetsbaarheid van de omgeving alsmede de eventueleinvloeden uit de omgeving. Bij de voorbereiding van nieuwe activiteiten met gevaarlijke stoffen dientdaarom het streven er allereerst op gericht te zijn na te gaan of de toepassing van de betrokkengevaarlijke stoffen) wel noodzakelijk is en of er geen veiliger alternatieven voorhanden zijn die hettoepassen of gebruik van deze gevaarlijke stoffen) kunnen voorkomen of beperken.Blijkt dit na zorgvuldige overweging niet mogelijk, dan moet het streven vervolgens zijn het restrisicosteeds zoveel mogelijk te beperken onder meer door de toepassing van zo klein mogelijke hoeveelhedenvan de betreffende stoffen en het treffen van technische en technisch-organisatorischebeheersmaatregelen. Hierbij moet men zich wel realiseren dat beperking van de hoeveelheid stofmeestal een hogere aanvoerfrequentie met zich meebrengt en daarom weer een grotere kans op,overigens qua omvang kleinere, ongewenste gebeurtenissen. Vervolgens zal men in elk afzonderlijkgeval zorgvuldig moeten afwegen of het restrisico kan worden getolereerd in het licht van het maatschappelijkbelang van de betreffende activiteit. Bij het opstellen van de richtlijnen gaat de commissieer vanuit dat blijvende schade aan mens, dier en omgeving met zo groot mogelijke zekerheid moetworden voorkomen. Voor veel voorkomende, nagenoeg gelijksoortige activiteiten en voor zover daarbijin beginsel sprake is van een beperkt risico kunnen algemeen geldende richtlijnen worden opgesteld,Voor weinig voorkomende gevallen en situaties waarbij potentieel grote risico’s een rol spelen, kunnenPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 11/67


aanvullende en meer individueel geldende aanbevelingen worden overwogen. Richtlijnen zijn in hetalgemeen gebaseerd op de best uitvoerbare technieken (best practicable means) 1) of in specifiekesituaties waarin sprake is van grote risico’s, op de beste bestaande technieken (best technicalmeans) 2) .Teneinde tot een goede afweging en verantwoorde besluitvorming te kunnen komen moetende bevoegde overheidsinstanties een goed inzicht krijgen in de gevaarsaspecten van de activiteit metname wat betreft het restrisico bij volledige toepassing van de richtlijnen in een concrete situatie. Deverantwoordelijkheid voor de gevolgen van de toepassing van gevaarlijke stoffen blijft, ook al wordtvoldaan aan de betreffende richtlijnen, bij de gebruiker berusten.Het voldoen aan de richtlijnen is geen waarborg, dat de bevoegde overheidsinstanties akkoord zullengaan met de voorgestelde activiteit. Wel mag worden verwacht, dat eventuele verdergaande eisendanwel afwijkingen duidelijk worden gemotiveerd.In de regel zullen ook de instanties die het tot vergunningverlening bevoegde gezag adviseren, danwelbetrokken zijn bij de bescherming van werknemers, zoals onder meer de regionale Inspecteur van deVolksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu, het Districtshoofd van deArbeidsinspectie en in bepaalde gevallen de Inspectie voor het Brandweerwezen zich bij hun adviesof de uitoefening van hun taak door de betreffende richtlijnen laten leiden, overigens met behoud vanhun eigen verantwoordelijkheden.1) Beste uitvoerbare technieken (best practicable means) die technieken waarmee, rekeninghoudend met economische aspecten, d.w.z. uitkostenoogpunt aanvaardbaar te achten voor een normaal renderend bedrijf, de grootste reductie van het risico wordt verkregen.2) Beste bestaande technieken (best technical means): die technieken waarmee tegen hogere kosten, een nog grotere reductie van het risicowordt verkregen en die ten minste één keer in de praktijk zijn toegepast.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 12/67


3. DefinitiesBeoordelingsdrukDe beoordelingsdruk is de door de aanvrager opgegeven effectieve druk in het hoogste punt van hettoestel of gedeelte van het toestel waarop de constructie door de Dienst voor het Stoomwezen wordtbeoordeeld.DoorstroombegrenzerEen afsluitorgaan, dat een nagenoeg volledige afsluiting geeft in die gevallen waarbij de doorstroomhoeveelheideen bepaalde grenswaarde overschrijdt, bijvoorbeeld ten gevolge van leidingbreuk. Devrijkomende hoeveelheid product wordt hierbij tot een minimum beperkt.DrukWaar een druk in kPa (bar) wordt gegeven, is de absolute druk bedoeld, tenzij uit de tekst anderszinsblijkt. Onder effectieve druk wordt verstaan de druk, die gelijk is aan de absolute druk verminderd metde omgevingsdruk.DrukregelaarEen automatisch werkend toestel, dat de aanvoerdruk van het product vermindert tot de gewensteafvoerdruk.GebruikerDe aannemer, die gebruik maakt van een propaaninstallatie op een bouwterrein.InhoudIndien niet anders vermeld, wordt met de inhoud van een reservoir het totale inwendige volumebedoeld.InstallateurDe gasleverancier of degene, die namens de gasleverancier de propaaninstallatie aanlegt.Leidingen, te onderscheiden in:HogedrukleidingenLeidingen bestemd voor het transport van vloeibaar propaan en van propaandamp onder een druk,die gelijk is aan of hoger dan de dampspanning van het in het reservoir opgeslagen vloeibaarpropaan.MiddeldrukleidingenLeidingen bestemd voor het transport van propaandamp onder een nominale effectieve druk diehoger is dan 5 kPa (50 mbar), doch lager dan de dampspanning van het in het reservoir opgeslagenvloeibaar propaan.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 13/67


LagedrukleidingenLeidingen bestemd voor het transport van propaandamp onder een nominale effectieve druk van tenhoogste 5 kPa (50 mbar).Leverancier van het gasDe fabrikant of handelaar, die per tankwagen propaan levert op het bouwterrein.Leverancier van het reservoirHet bedrijf, dat met een speciaal voor dit doel ingericht voertuig het reservoir aanlevert of verplaatstdanwel verwijdert van het bouwterrein.PropaanOnder propaan wordt in deze richtlijn verstaan een product, hoofdzakelijk bestaande uit propaan enpropeen met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, waarvan de dampspanning bij343 K (70°C) ten hoogste 3100 kPa (31 bar) bedraagt (Handelspropaan).“Regels”Onder “Regels” wordt in deze richtlijn verstaan:• de Regels voor toestellen onder druk;• de Grondslagen waarop de beoordeling van de constructie en het materiaal van stoomtoestellen,damptoestellen en drukhouders berust;• Aanvullende Beoordelings Grondslagen (ABG);• Aanvullende Keurings Voorschriften (AKV);• Voorlopige Beoordelings Richtlijnen (VBR);• Voorlopige Keurings Richtlijnen (VKR);Bovengenoemde Regels voor toestellen onder druk, Grondslagen, Aanvullende en Voorlopige bladenzijn opgesteld door de Dienst voor het Stoomwezen en worden uitgegeven door de Staatsuitgeverij te’s-Gravenhage.De “Regels voor toestellen onder druk” zijn de voortzetting van de uitgave die bekend staat onder“Grondslagen” met de bijbehorende “Aanvullende en Voorlopige bladen”.Spui-inrichtingEen spui-inrichting is een voorziening waarmee vloeistof onbelemmerd kan worden verwijderd vanuithet laagste deel van het reservoir.TerugslagklepEen afsluitorgaan, dat het terugstromen van product verhindert.VeiligheidsklepEen veerbelaste klep, die bij overschrijding van de ingestelde druk product afblaast.VergrendelenHet automatisch afsluiten van de producttoevoer, die slechts door een opzettelijke handeling kanworden hersteld.VulinhoudHet volume propaan in vloeistoffase, waarmee het reservoir ten hoogste gevuld mag zijn direct na devulhandeling.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 14/67


4. Productinformatie4.1 Eigenschappen van propaanPropaan wordt onder andere verkregen bij destillatie van ruwe aardolie en uit aardgas. Het handelspropaandat op bouwterreinen wordt toegepast, bestaat hoofdzakelijk uit propaan en propeen, metgeringe hoeveelheden ethaan, butaan en butenen.De fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van zuiver propaan zijn gegeven in tabel 4-Ien in de afbeeldingen 4-I, II, III, IV en V.In bovengenoemde afbeeldingen zijn eveneens gegevens van handelspropaan opgenomen.Opmerkingen bij Tabel 4-Ia. Temperatuur en drukPropaan kan vloeibaar worden gemaakt door samendrukking en/of afkoeling. Propaan wordt aande afnemer gewoonlijk geleverd in vloeibare vorm, bij omgevingstemperatuur en onder druk.Omdat door het aftappen van vloeibaar propaan uit een reservoir de temperatuur in dat reservoirpraktisch niet verandert, blijft de druk gedurende het aftappen constant.Het onttrekken in de gasvorm brengt echter een verdamping van vloeibaar propaan met zich mee.Dit heeft een temperatuurverlaging tot gevolg, waardoor de druk in het reservoir tijdens hetonttrekken zal verminderen.b. DampdichtheidPropaan in gasvormige toestand is ongeveer 1,5 maal zo zwaar als lucht. Bij vrijkomen zal propaanzich daarom bij een rustige atmosfeer op bodemhoogte verspreiden en zich verzamelen in laaggelegen ruimten (kelders, kuilen, etc.).c. Brandbaarheid en explosiviteitVrijkomend vloeibaar propaan gaat zeer snel over in de gasvorm. Door dispersie van het gaskunnen zich grote hoeveelheden koude nevels en explosieve propaan/luchtmengsels vormen. Dezekunnen zich over een grote afstand verspreiden. De volumevergroting van 1 liter vloeistof naardamp bij 100 kPa (1 bar) en 273 K (0°C) is ca. 260-voudig. Omdat het gas zwaarder is dan lucht,zal het zich op bodemhoogte verspreiden (zie opmerking b.).Het explosieve mengsel kan daarom op afstand ontstoken worden, bijvoorbeeld door hete oppervlakken,vonken of open vuur.Ook ten gevolge van elektrostatische ontladingen kan het explosieve mengsel ontstoken worden.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 15/67


Tabel 4-I Enkele gegevens van chemisch zuiver propaan.Chemische benaming:PropaanChemische formule C 3H 8Uiterlijkkleurloos gasGeurlicht onaangenaamReukgrens in ml/m 3 5000Molaire massa 44,1Dichtheid in kg/m 3zie afbeelding 4-II en IIIDampdichtheid (lucht = 1) 1,522Volume vloeibaar propaan bij 288 K (15°C)ca. 2,0 liter/kgVolume gasvormig propaan bij 288 K (15°C), 1 bar =ca. 520 liter/kgVolumevergroting bij overgang van vloeibare naar gasvormigetoestand bij 288 K (15°C)ca. 260-voudigKubieke uitzettingscoëfficiënt van vloeistof per 1 K (°C) ca. 0,003Soortelijke warmte in vloeibare toestand bij 288 K (15°C) in kJ/kg.K ca. 1,6Verdampingswarmte bij 288 K (15°C) in kJ/kg350 (zie afbeelding 4-V)Dampspanning zie afbeelding 4-IKookpunt bij 1 bar231 K (-42°C)Vlampuntlager dan 169 K (-104°C)Explosiegrenzen, volume % in lucht 2,1 - 9,5Ontstekingsenergieca. 0,1 mJZelfontbrandingstemperatuur743 K (470°C)Kritische temperatuur369,7 K (96,7°C)Kritische druk, bar 42,5Oplosbaarheidslecht oplosbaar in waterGiftigheidweinig giftig, verstikkingsgevaardoor verdringen van luchtPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 16/67


Afbeelding 4-I Dampspanning van propaan2400220020001800handelspropaanAbsolute druk in kPa (100 kPa = 1 bar)1600140012001000800600400200propaan0233 253 273 293 313 333 K-40 -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50 60 °CTemperatuurPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 17/67


Afbeelding 4-II Dichtheid van vloeibaar propaan (onder dampspanning)650600Dichtheid in kg/m 3550500handelspropaanpropaan450400233 253 273 293 313 333 K-40 -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50 60 °CTemperatuurPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 18/67


Afbeelding 4-III Dampdichtheid van propaan (bij verzadigingsdruk)6050Dichtheid in kg/m 340302010233 253 273 293 313 333 K-40 -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50 60 °CTemperatuurPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 19/67


Afbeelding 4-IV Dampdichtheid van propaan (bij atmosferische druk)3,23,02,82,6Dichtheid in kg/m 32,42,22,01,81,61,41,21,0handelspropaan233 253 273 293 313 333 K-40 -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50 60 °CTemperatuurPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 20/67


Afbeelding 4-V Verdampingswarmte van propaan400Verdampingswarmte kJ/kg350handelspropaan300233 253 273 293 313 333 K-40 -30 -20 -10 0 10 20 30 40 50 60 °CTemperatuurPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 21/67


4.2 Gebruik van propaanVoor toepassingen in de bouw mag alleen propaan gebruikt worden. Bij gebruik van butaan of vanmengsels van butaan en propaan kan onder bepaalde omstandigheden condensatie optreden in deverbruiksleidingen. Als vloeistof in de verbruikstoestellen komt, kan dat ernstige ongevallen veroorzaken.Met name LPG mag voor de in deze richtlijn beschreven toepassingen, waarbij gas in dedampfase afgenomen wordt, niet gebruikt worden.4.2.1 Versnelde betonverharding door middel van verwarmingBij het bouwproces, zowel bij hoog- als bij laagbouw, wordt gebruik gemaakt van stalen mallen(tunnels) waarmee het betonskelet (de dragende structuur van het gebouw) wordt gemaakt.Na het storten van het beton kan de stalen mal pas verwijderd worden als het beton voldoendeverhard is.Het natuurlijke verhardingsproces van beton vraagt bij normale overspanningen ongeveer 4 dagen(afhankelijk van de weersomstandigheden). Teneinde het verhardingsproces te versnellen endaardoor een efficiënte inzet van de stalen mallen te bewerkstelligen worden de mallen verwarmddoor middel van in tunnels opgestelde verwarmingstoestellen. Voor de verwarming van deze tunnelswordt veelal gebruik gemaakt van propaan.Globaal bestaat de installatie in dat geval uit een reservoir dat, hetzij vast danwel op een verrijdbaaronderstel, is opgesteld. Op dit reservoir is door middel van een leiding een hoofdverdeelstuk aangesloten.Vanaf dit hoofdverdeelstuk gaan leidingen naar de verdeelstukken van de diverse tunnels envandaar naar de verwarmingstoestellen.In het geval dat slechts één tunnel wordt verwarmd kan het verdeelstuk rechtstreeks op het reservoirzijn aangesloten. Bij hoogbouwprojecten wordt veelal een installatie gebruikt met een stationairopgesteld reservoir, bij laagbouwprojecten wordt vaker een reservoir op een verrijdbaar onderstelgebruikt.4.2.2 Andere toepassingenVoor andere toepassingen zoals ruimteverwarming van directie- en schaftketen, alsmede voor hetdroogstoken van de woningen en het doorwerken in de winter kan eventueel propaan als brandstofworden gebruikt.Daarbij moet waar mogelijk een installatie worden gebruikt met een stationair opgesteld reservoir.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 22/67


5. EHBOPropaan is weinig giftig. Ten gevolge van de snelle verdamping van vloeibaar propaan komt een grotehoeveelheid gas vrij, die de lucht verdringt. Hierdoor daalt de concentratie van de zuurstof in de lucht,waardoor verstikkingsgevaar kan ontstaan.Bij contact van het vloeibare propaan met de huid treden bevriezingsverschijnselen op, ook welaangeduid als verbrandingsverschijnselen. In aanvulling op de algemene EHBO-maatregelen wordende bij ongevallen met propaan te treffen specifieke maatregelen aangegeven.In de inrichting moet een instructiekaart zijn opgehangen, waarop de maatregelen staan vermeld, diein noodgevallen moeten worden getroffen.5.1 Bij zuurstoftekortBij inademen van een hoge concentratie propaan waarbij een zuurstoftekort (verstikkingsgevaar)ontstaat moet men het slachtoffer:• direct uit de gevaarlijke ruimte halen en zo snel mogelijk in de frisse lucht brengen; zorg daarbijeerst voor zelfbescherming (denk daarbij ook aan ontploffingsgevaar);• gemakkelijk neerleggen en beklemmende kledingstukken losmaken, volstrekte rust laten houden,niet spreken, niet lopen (ook niet naar de verbandkamer);• een arts waarschuwen of het slachtoffer naar een ziekenhuis vervoeren. Bij bewusteloosheid moethet slachtoffer in de stabiele zijligging worden gelegd;• zuurstof toedienen of kunstmatige ademhaling toepassen bij kortademigheid of ademstilstand;zuurstoftoediening alleen door arts of iemand die daartoe instructie heeft ontvangen.5.2 Na contact van vloeibaar propaan met de ogenNa contact van propaan met de ogen moet(en) onmiddellijk:• een scheut water over de ogen worden gegoten;• de oogleden voorzichtig van elkaar worden gehaald;• de ogen worden gespoeld met veel stromend water (ca. 15 minuten).Het slachtoffer moet daarna naar een oogarts worden vervoerd. Er is kans op beschadiging van hethoornvlies.5.3 Na contact van vloeibaar propaan met de huid (bevriezingsverschijnselen)Na contact van vloeibaar propaan met de huid moeten) onmiddellijk:• de huid worden afgespoeld met veel water;• alle verontreinigde kleding, schoeisel en dergelijke worden uitgetrokken;• de getroffen huidgedeelten worden afgespoeld met veel stromend water (ca. 15 minuten).Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 23/67


Bevroren lichaamsdelen niet wrijven maar met een sterielverband afdekken.5.4 Bij verbrandingBij verbranding is het goed om direct na de verbranding de wonden te koelen met koud leidingwater(ca. 15 minuten).Indien geen leidingwater bij de hand is, geldt dat slootwater altijd nog beter is dan niets! Niets op dewond smeren!Bij blaarvorming dokter consulteren. Bij uitgebreide verbranding de patiënt direct naar een ziekenhuisbrengen.Juist als een brandwond geen pijn doet, is de verbranding dikwijls zeer diep. Controle door een arts isdan dringend geboden.Als noodverband alleen steriele compressen aanbrengen, die met een zwachtel op hun plaats wordengehouden. Er zijn verpakte steriele compressen verkrijgbaar, die zodanig behandeld zijn, dat ze nietaan de wond kunnen blijven plakken. Bij uitgebreide verbranding van het lichaam de patiënt in eenschoon laken wikkelen. Geen kleding verwijderen!Bij in brand vliegen nooit in paniek gaan rennen, want daardoor wordt het vuur aangewakkerd.Vlammen dus doven met water! Indien dit niet aanwezig is, kunnen de vlammen bedekt worden meteen deken, jas of iets dergelijks.Zijn die er ook niet, dan over de grond rollen.Als iemand in brand staat, onmiddellijk neerleggen. Door de vlammen en de gassen die het gezichtbereiken, kunnen levensgevaarlijke verbrandingen van de ademhalingswegen ontstaan.Nadere informatie wordt verstrekt door de Nederlandse Brandwonden Stichting, Postbus 1015,1940 EA Beverwijk (tel. 0251-275555).Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 24/67


6. NoodplanBij iedere toepassing van reservoirs met een inhoud van meer dan 0,5 m 3 propaan in de bouw moetin overleg met de plaatselijke overheidsinstanties een noodplan worden uitgewerkt. Een voorbeeldvan een noodplan is gegeven in bijlage VI.Een exemplaar van het noodplan moet op de bouwplaats bij de uitvoerder aanwezig zijn op eengemakkelijk bereikbare plaats.Het noodplan moet gericht zijn op het zo snel mogelijk onder controle brengen van propaanlekkagesen het waarschuwen van hulpverlenende diensten.In het noodplan moet rekening gehouden zijn met de mogelijke noodzakelijkheid om (delen vang debouwplaats te ontruimen en omwonenden te waarschuwen.Het personeel dat de propaaninstallatie bedient, moet vertrouwd zijn met het gebruik van de beschikbarehulpmiddelen, zodat het in staat is de gevolgen van een incident met propaan zo effectiefmogelijk te bestrijden.Bij de telefoon van de verantwoordelijke uitvoerder op de bouwplaats moet zich een lijst bevinden metde telefoonnummers van alle instanties die bij een incident gewaarschuwd moeten worden.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 25/67


7. Bevoegde overheidsinstantiesVoor de toepassing van een propaaninstallatie is een vergunning vereist in het kader van deHinderwet.De eventueel van toepassing zijnde wetgeving en de “bevoegde overheidsinstanties” die invloeduitoefenen op de veiligheid bij het gebruik van propaan op bouwterreinen zijn nader aangegeven inbijlage IV. Deze invloed kan bestaan uit het verlenen van vergunningen, het geven van voorschriften,het geven van ambtelijke adviezen, het uitvoeren van inspecties en keuringen en het houden vantoezicht.Ook de instantie bij wie beroep kan worden aangetekend of bezwaar kan worden gemaakt tegen eenongewenst verloop van de vergunningaanvraag, is in dit overzicht opgenomen.Het verdient aanbeveling reeds in een vroeg stadium overleg te plegen met de bevoegde overheidsinstantiesom te voorkomen dat een voor één dezer instanties niet aanvaardbare toepassing vanpropaan op het bouwterrein wordt voorzien en dat later ten koste van veel moeite en vertraging eenandere bouwwijze moet worden gekozen.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 26/67


De dampspanning van propaan bij deze temperaturen bedraagt respectievelijk 1660 kPa (16,6 bar)en 1480 kPa (14,8 bar).De persdruk moet zijn bepaald overeenkomstig de eisen gesteld in de “Regels”.8.1.4 TemperatuurVoor de laagste in rekening te brengen metaaltemperatuur moet maximaal 253 K (-20°C) zijn aangehouden.8.1.5 Materiaalkeuze• Het reservoir moet zijn vervaardigd van koolstofstaal of van gelegeerd staal.• Uitgaande van de laagste in rekening te brengen metaaltemperatuur moeten de aan het materiaalte stellen eisen met behulp van de “Regels” zijn bepaald.8.1.6 LasverbindingenUitvoering en keuring van lasverbindingen moeten voldoen aan het gestelde in de “Regels”.8.1.7 Aantal en plaats van de aansluitingen• Het aantal aansluitingen moet zoveel mogelijk zijn beperkt.• Het reservoir moet van doelmatig afsluitbare openingen zijn voorzien die het mogelijk maken omalle delen van het reservoir inwendig te inspecteren. Reservoirs met een middellijn groter dan1 meter moeten zijn voorzien van een rond mangat. Indien de lengte van een dergelijk reservoirmeer dan 6 meter bedraagt moeten in het reservoir zo ver mogelijk van elkaar verwijderd, tweeronde mangaten aanwezig zijn danwel één rond mangat en één ontluchtingsopening.Reservoirs mogen geen andere openingen hebben dan de hiervoor genoemde.• Het reservoir moet zijn voorzien van de volgende aansluitingen:a. aansluitingen voor één of meer veerbelaste veiligheidsklep(pen);b. een aansluiting voor een vaste binnenpijp met een doorlaat van ten hoogste 2 mm 2 ter controlevan de maximum toelaatbare vulling;c. een aansluiting voor een vloeistofstandaanwijzer;d. een aansluiting voor een manometer. Deze aansluiting moet bij voorkeur gecombineerd wordenmet de onder b. genoemde aansluiting;e. een aansluiting voor het vullen van het reservoir met vloeibaar propaan;f. een aansluiting voor het onttrekken van damp;g. een aansluiting voor het ledigen van het reservoir, voor zover dit niet kan geschieden door middelvan de reeds genoemde aansluitingen.• Behoudens de aansluittubelures bedoeld in b., c., d. en g. moeten de tubelures van de aansluitingenzijn aangebracht in de dampfase aan de bovenzijde van het reservoir en indien een mangataanwezig is op het mangatdeksels danwel op de eventueel aanwezige afdichtflens van de ontluchtigingsopening.De aansluittubelures voor een vaste binnenpijp en voor een vloeistofstandaanwijzermogen zijn aangebracht in een front van het reservoir.De tubelures van reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 moeten zijn voorzien van voorlasflenzen.Dampleidingen mogen niet in de bewaarde vloeistof steken.• De minimale diameter van de tubelures van reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 moet, uitoogpunt van robuustheid, DN 50 (2") bedragen. Tubelures die geen grotere doorlaat hebben dan2mm 2 mogen echter minimaal DN 15 (1/2") zijn.• Het reservoir mag niet zijn voorzien van een spui-inrichting.8.1.8 Mangat, ontluchtings- en inspectie-opening• Het mangat en de ontluchtingsopening moeten zijn aangebracht in de dampruimte aan de bovenzijdevan het reservoir.• De inwendige diameter van het mangat moet voldoen aan het gestelde in de “Regels”. De inwendigediameter van de ontluchtingsopening moet ten minste 150 mm bedragen.• De inspectie-opening(en) moet(en) zijn aangebracht overeenkomstig de “Regels”. De inwendigediameter van de inspectie-opening moet voldoen aan het gestelde in de “Regels”.• De afdichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat de pakking is opgesloten (bijvoorbeeld kamer/voorsprong of groef/rand) teneinde de kans op het uitblazen van de pakking minimaal te doen zijn.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 28/67


• Het mangatdeksel en de afdichtflens van de ontluchtingsopening of inspectie-opening moeten metbehulp van deugdelijke bouten en moeren zijn bevestigd aan de flens van het mangat, respectievelijkde ontluchtingsopening of inspectie-opening. De flenzen moeten van het type voorlasflens zijn.• Bij montage moet ervoor worden gezorgd dat de bevestigingsbouten niet door inwateren aancorrosie worden blootgesteld. Dit kan bijvoorbeeld geschieden door doelmatig invetten van debouten en door afdichting van de ruimten tussen de flenzen.8.1.9 FlenzenDe tubelures van aansluitingen aan reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 moeten voorzien zijnvan voorlasflenzen.De afdichting moet zodanig zijn uitgevoerd dat de pakking is opgesloten (bijvoorbeeld kamer/voorsprong of groef/rand) teneinde de kans op het uitblazen van de pakking minimaal te doen zijn.Flensverbindingen moeten met behulp van deugdelijke bouten en moeren tot stand worden gebracht.Bij montage moet ervoor worden gezorgd dat de bevestigingsbouten niet door inwateren aan corrosieworden blootgesteld. Dit kan bijvoorbeeld geschieden door doelmatig invetten van de bouten en doorafdichting van de ruimten tussen de flenzen.8.1.10 FlenspakkingDe toe te passen pakkingen moeten zijn vervaardigd van propaanbestendig materiaal. Zie tabel 8-III.8.1.11 SchroefdraadverbindingenDe aansluitingen aan reservoirs met een inhoud van ten hoogste 5 m 3 mogen met conische schroefdraadvan het type American National Pipe Taper (NPT) zijn uitgevoerd indien de diameter van dezeaansluitingen niet groter is dan DN 50 (2").De maatvoering van de schroefdraad moet overeenkomstig de norm zijn en moet door de fabrikantworden gecontroleerd.8.1.12 StempelplaatHet reservoir moet zijn voorzien van een stempelplaat van doelmatig en corrosiebestendig materiaal,waarop de volgende gegevens zijn ingeslagen.• Het (Stoomwezen) registernummer;• de naam van het product;• de inhoud in m 3 ;• de toelaatbare vulinhoud in m 3 ;• het toelaatbare vulpercentage;• de effectieve beoordelingsdruk (werkdruk) in bar;• de effectieve persdruk in bar;• de minimum en maximum toelaatbare temperatuur in °C;• de datum van de laatste keuring en het goedkeuringsmerk van de keuringsinstantie.De stempelplaat moet wat afmetingen en indeling betreft voldoen aan het model dat is aangegevenonder “kentekenen voor drukvaten” in de “Regels”. De stempelplaat moet onverbrekelijk en metallischverbonden zijn met het reservoir.De stempelplaat moet zichtbaar zijn.8.1.13 Ondersteuningen• Het reservoir moet zijn voorzien van een blijvend aan het reservoir bevestigde stalen ondersteuningsconstructie.Deze stalen ondersteuningsconstructie moet voldoen aan de “Regels” en tevens aande volgende voorwaarden:– de ondersteuningsconstructie moet geschikt zijn om het reservoir gevuld met water, te dragen;– de ondersteuningsconstructie moet zodanig zijn uitgevoerd dat hierdoor geen te hoge plaatselijkebelastingen op de wand van het reservoir kunnen optreden. Indien hiervoor dubbelingsplatenworden toegepast moeten deze, ter voorkoming van corrosie, over de gehele omtrek aan hetreservoir zijn gelast;– de afstand van de onderkant van het reservoir tot de onderkant van de ondersteuning mag tenhoogste 0,6 meter bedragen.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 29/67


8.1.14 Hijsplaten• Het reservoir moet aan de bovenkant van het cilindrisch deel zijn voorzien van 2 deugdelijk geconstrueerdehijsplaten of -ogen, symmetrisch aangebracht ten opzichte van het midden van hetreservoir. Deze hijsplaten of -ogen moeten uit sterkte-overwegingen berekend zijn op het gewichtvan het reservoir gevuld met water.8.1.15 Afwerking• Het reservoir moet, nadat de walshuid zorgvuldig is verwijderd, uitwendig zijn voorzien van een dewarmtestraling reflecterende, corrosiewerende verf.• Reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 moeten zijn voorzien van een aansluitpunt voor eenaardleiding.• Omdat propaan in de dampfase moet worden onttrokken, is een isolerende bekleding van hetreservoir niet gewenst.8.1.16 Eerste keuring van het reservoirHet reservoir moet door de Dienst voor het Stoomwezen, of een door de vergunningverlener in overlegmet deze Dienst aangewezen andere instantie, zijn gekeurd en beproefd overeenkomstig hetgestelde in de “Regels”. Als teken van goedkeuring moet de datum van de keuring op de stempelplaatvan het reservoir zijn ingeslagen en moet deze zijn gemerkt met het kenmerk van de keuringsinstantie.8.1.17 Herkeuring van het reservoirZo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoals bijvoorbeeld bij wijziging en/of reparaties,doch uiterlijk zes jaar nadat de laatste keuring heeft plaatsgevonden moet het reservoir zijn herkeurddoor de Dienst voor het Stoomwezen of een door de vergunningverlener in overleg met deze Dienstaangewezen andere instantie. Als teken van goedkeuring moet op de stempelplaat van het reservoirde datum van herkeuring zijn ingeslagen en moet deze zijn gemerkt met het kenmerk van de keuringsinstantie.8.2 Toebehoren van reservoirs8.2.1 AlgemeenHet toebehoren van reservoirs moet geschikt zijn voor propaan en moet van voldoende sterkte zijnom de grootste te verwachten spanningen ten gevolge van inwendige en/of uitwendige belastingenzoals druk en temperatuur te weerstaan.Het toebehoren moet voldoen aan de eisen gesteld in de “Regels” en indien de “Regels” hierin nietvoorzien, moet dit voldoen aan een norm of specificatie, die afgestemd moet zijn met de Dienst voorhet Stoomwezen.8.2.2 DrukVoor het bepalen van de beoordelingsdruk van het toebehoren moet rekening zijn gehouden met decondities die gelden voor het betreffende reservoir.8.2.3 TemperatuurVoor het bepalen van de beoordelingstemperatuur en de laagste in rekening te brengen metaaltemperatuurvan het toebehoren moet rekening zijn gehouden met de condities die gelden voorhet betreffende reservoir.8.2.4 Materiaalkeuze• Uitgaande van de laagste in rekening te brengen metaaltemperatuur moeten de aan het materiaalte stellen eisen met behulp van de “Regels” zijn bepaald.• De toegepaste materialen moeten in overeenstemming zijn met de “Regels”. Indien van de “Regels”wordt afgeweken, moet hiervoor toestemming zijn verleend door de Dienst voor het Stoomwezen.8.2.5 Verbindingen• Verbindingen moeten zijn uitgevoerd overeenkomstig tabel 8-I en 8-II terwijl het pakkingmateriaalovereenkomstig tabel 8-III moet zijn uitgevoerd.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 30/67


8.2.6 VeiligheidskleppenHet reservoir moet zijn voorzien van één of meer veerbelaste veiligheidskleppen die verzegeld engestempeld zijn door de Dienst voor het Stoomwezen.Deze veiligheidskleppen moeten geschikt zijn voor propaan, direct zijn aangesloten op de dampruimteen zijn afgesteld op de beoordelingsdruk van het reservoir.De gezamenlijke capaciteit van de in bedrijf zijnde veiligheidskleppen moet, bepaald met lucht bij eendruk die 20% boven de beoordelingsdruk ligt, ten minste gelijk zijn aanQ = 10,66 x A 0,82Q = de capaciteit in m 3 lucht per min. (lucht van 288 K en van 100 kPa)A = het uitwendige oppervlak van het reservoir in m 2Zowel voor als na de veiligheidskleppen mogen geen afsluiters, terugslagkleppen, doorstroombegrenzersen dergelijke zijn aangebracht.Wanneer boven het vereiste aantal veiligheidskleppen extra veiligheidskleppen zijn geïnstalleerd,mogen de veiligheidskleppen van afsluiters zijn voorzien, mits zij zodanig zijn gekoppeld dat steedshet vereiste aantal veiligheidskleppen onbelemmerd in werking is. Bij reservoirs die voorzien zijn vaneen mangat, moeten de veiligheidskleppen zich op het deksel van het mangat of op de afdichtflensvan de ontluchtingsopening bevinden.De veiligheidskleppen van reservoirs groter dan 5 m 3 moeten voorzien zijn van verticale afvoerpijpendie 1 meter boven het reservoir uitsteken. Bij belasting van de afvoerpijp tot bezwijken moet de veiligheidsklepblijven functioneren.In de afvoerpijpen van de veiligheidskleppen mag zich geen regenwater kunnen verzamelen.8.2.7 Bewaking van de vullingsgraad, vloeistofstandaanwijzer• Het reservoir moet voorzien zijn van een vaste binnenpijp met een doorlaat van ten hoogste 2 mm 2voor het controleren van de maximum toelaatbare vulling, De pijp moet bestaan uit een binnen- enbuitenliggend gedeelte (doorgestoken pijp).Het binnenliggende deel moet reiken tot aan het hoogst toelaatbare vloeistofniveau bij vulling, alsaangegeven op de kentekenplaat. Het buitenliggende deel moet zijn voorzien van een afsluiter.• Het reservoir moet zijn voorzien van een vloeistofstandaanwijzer van doelmatige constructie. Bijvoorkeur moet een direct afleesbare niveaumeter worden toegepast. Indien een niveaumeting wordttoegepast, waarbij propaan naar buiten kan worden geblazen, moet de uitvoering zodanig zijn datdaardoor niet meer propaan kan ontwijken dan door een gaatje met een doorlaat van 2 mm 2 .Het toepassen van peilglazen is verboden.8.2.8 Meters• Reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 moeten voorzien zijn van een doelmatige manometer,die direct met de dampruimte in verbinding staat en boven het vloeistofniveau is aangebracht.Tussen het reservoir en de manometer moet een afsluiter zijn geplaatst, Deze manometer moet bijvoorkeur gecombineerd zijn met de aansluiting ter controle van de maximaal toelaatbare vulling(zie voorwaarde 8.2.7). De nauwkeurigheidsklasse van de manometer moet minimaal 2,5 bedragen(max. afwijking 2,5% van de schaal-eindwaarde).• Indien een reservoir is voorzien van een thermometer moet deze zodanig zijn aangebracht, dat detemperatuur van de vloeistof wordt gemeten zonder dat enig onderdeel van de meter zelf contactmaakt met de vloeistof.8.2.9 VulaansluitingHet reservoir moet zijn voorzien van een vulaansluiting met een afsluiter, Indien het reservoir isuitgevoerd met een mangat moet deze aansluiting op het mangatdeksel zijn aangebracht met aande binnenzijde van het reservoir een terugslagklep.Indien geen mangat aanwezig is, moet de vulaansluiting aan de bovenzijde van het reservoir zijnaangebracht en mag zijn voorzien van een vulklep, die bestaat uit twee onafhankelijk van elkaarwerkende terugslagkleppen, maar bij voorkeur een combinatie van afsluiter en terugslagklep.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 31/67


8.2.10 Dampafname-aansluitingHet reservoir moet voorzien zijn van een dampafname-aansluiting, die direct in verbinding staat metde dampruimte en voorzien moet zijn van een afsluiter. Indien het reservoir is uitgevoerd met eenmangat moet deze aansluiting op het mangatdeksel zijn aangebracht en aan de binnenzijde van hetreservoir zijn voorzien van een doorstroombegrenzer. In alle andere gevallen moet de dampafnameaansluitingaan de bovenzijde van het reservoir zijn aangebracht, waarbij de doorstroombegrenzeraan de binnenzijde van het reservoir is aangebracht. Direct op de dampafname-afsluiter moet eendrukregelaar zijn aangebracht waarmee de druk in het leidingnet zodanig wordt verlaagd dat bij deheersende omgevingstemperatuur geen condensatie van het product in de leiding kan optreden.8.2.11 AftapinrichtingUitsluitend om het reservoir ledig te kunnen vervoeren, moet het reservoir voorzien zijn van eendoelmatige inrichting voor het aftappen van vloeibare propaan.Deze aftapmogelijkheid is niet bedoeld als spui-inrichting en moet zijn uitgerust met een terugslagklepof doorstroombegrenzer met een maximum capaciteit van 100 l/min.Toelichting: Aan het bovenstaande is voldaan indien aan de vulaansluiting een binnenpijp is gelast.De vulklep kan dan met behulp van een hulpstuk (z.g. “adapter”) als vloeistofaftap worden gebruikt.Voor reservoirs met een inhoud van ten hoogste 3 m 3 mag de aangelaste binnenpijp achterwegeworden gelaten indien het leegmaken van het reservoir geschiedt volgens de procedure vermeld inbijlage V.8.3 De installatie en de leidingen8.3.1 Algemeen• De installatie en de leidingen moeten geschikt zijn voor propaan en van voldoende sterkte zijn omde te verwachten grootste spanning ten gevolge van inwendige en/of uitwendige belastingen, zoalsdruk, temperatuur, trillingen en verzakkingen, te weerstaan. Onder leidingen wordt verstaan hetgehele leidingnet vanaf het reservoir totaan de verbruikstoestellen.De leidingen worden onderscheiden in hoge-, middel- en lagedrukleidingen.• Leidingen en toebehoren moeten, voor wat betreft het hogedruk gedeelte, voldoen aan de “Regels”en voor wat betreft het middeldruk- en lagedrukgedeelte aan een norm of specificatie, die afgestemdmoet zijn met de Dienst voor het Stoomwezen.• Drukregelaars, afsluiters, snelkoppelingen, slangen en verbruikstoestellen mogen na 1 juli 1984alleen toegepast worden als deze zijn voorzien van een goedkeuring, afgegeven door de Dienstvoor het Stoomwezen of een andere door de overheid erkende keuringsinstantie, bijvoorbeeld hetVEG-Gasinstituut of het KIWA.• Het leidingnet moet uit een zo gering mogelijk aantal losneembare delen bestaan.8.3.2 DrukVoor het bepalen van de beoordelingsdruk moet rekening zijn gehouden met de mogelijk optredendedrukken.Voor de hogedrukleidingen en -toebehoren moet tevens rekening zijn gehouden met de condities diegelden voor het betreffende reservoir.8.3.3 TemperatuurVoor het bepalen van de beoordelingstemperatuur en de laagst in rekening te brengen metaaltemperatuurmoet rekening zijn gehouden met de mogelijk optredende temperatuur.Voor de hogedrukleidingen en -toebehoren moet tevens rekening zijn gehouden met de condities diegelden voor het betreffende reservoir.8.3.4 Materiaalkeuze• De toegepaste materialen voor het hogedrukgedeelte moeten in overeenstemming zijn met de“Regels”. Indien hiervan wordt afgeweken, moet daarvoor toestemming zijn verleend door de Dienstvoor het Stoomwezen.• De toegepaste materialen van leidingen voor het middel- en lagedrukgedeelte moeten voorzien zijnvan het GIVEG- en/of KIWA keurmerk. Indien hiervan wordt afgeweken moet daarvoor toestemmingPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 32/67


zijn verleend door het VEG-gasinstituut en/of het KIWA.• Leidingen moeten zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal, dat voor de beoogde toepassing inalle opzichten geschikt is. In aanmerking komen onder andere de materialen genoemd in tabel 8-Ien 8-II.8.3.5 Verbindingen• Verbindingen van leidingen moeten zodanig uitgevoerd worden, dat ze geen noemenswaardigevermindering van de sterkte van de leiding tot gevolg hebben, niet gevoelig zijn voor corrosie,breuk, of voor scheurvorming door trilling en geen aanleiding geven tot lekken. De in de tabellen8-I en 8-II opgenomen materialen moeten op de daarbij vermelde wijze zijn verbonden.• Voor het hogedrukgedeelte geldt tevens:– het gehele hogedrukgedeelte, inclusief toebehoren, moet waar mogelijk met gelaste verbindingenen waar noodzakelijk met flensverbindingen zijn uitgevoerd;– de lasverbindingen moeten voldoen aan de “Regels”;– leidingen en toebehoren met een diameter van maximaal DN 50 (2") mogen zijn verbonden metconische schroefdraad van het type American National Pipe Taper (NPT) doch moeten bij voorkeurzijn gelast of met flensverbindingen zijn uitgevoerd. De maatvoering van de schroefdraadmoet overeenkomstig de norm zijn en moet met kalibers zijn gecontroleerd.8.3.6 Flenzen en flenspakkingIn de hogedrukleidingen mogen alleen voorlasflenzen zijn toegepast. Naast de uitvoering waarbij depakking is opgesloten zijn ook flenzen met een verhoogd dichtvlak toegestaan. De toe te passenpakkingen moeten vervaardigd zijn van propaanbestendig materiaal en moeten voldoen aan tabel 8-III.8.3.7 Ondergrondse leidingen• Slangen en hogedrukleidingen zijn onder de grond niet toegestaan.• Ondergrondse leidingen mogen niet zijn voorzien van flens- of schroefdraadverbindingen.• Ondergrondse leidingen mogen uitsluitend zijn toegepast bij stationair opgestelde reservoirs.• Ondergrondse leidingen moeten doelmatig tegen aantasting zijn beschermd. Indien beschermendebekleding wordt toegepast moet deze bekleding voldoen aan de door het KIWA gestelde eisen.• De gronddekking boven de leidingen moet minimaal 0,6 m zijn.• Boven de leidingen moeten doelmatige voorzieningen zijn aangebracht, waaruit de loop van deleidingen valt af te leiden.8.3.8 Bovengrondse leidingen• Het leidingnet moet zo kort mogelijk zijn gehouden en uit een zo gering mogelijk aantal losneembaredelen bestaan.• Voor de benodigde horizontale leidingen vanaf een reservoir op een verrijdbaar onderstel naar hethoofdverdeelstuk moet uitsluitend gebruik gemaakt zijn van slangen die niet onnodig lang mogenzijn.• Stijgleidingen moeten zijn vervaardigd van tegen corrosie beschermd staal. In plaats van stalen leidingenmogen ook slangen zijn toegepast, mits voorzien van trekontlastingen voor elke verdieping.8.3.9 Hogedrukleidingnet• Hogedruk vloeistof leidingen mogen uitsluitend zijn toegepast voor het vullen van het reservoir indie gevallen dat het vullen via de vulaansluiting (8.2.9) niet mogelijk is.• Het onttrekken van vloeibaar propaan, anders dan voor het ledigen van het reservoir, is niet toegestaan,Verdampers mogen derhalve niet zijn toegepast.8.3.10 Middeldrukleidingnet• De drukregelaar, die direct op de afsluiter van het reservoir gemonteerd is, moet de druk zodanigverlagen, dat bij de heersende omgevingstemperatuur geen product in de leiding kan condenseren.• Indien meerdere reservoirs zijn toegepast mogen uitsluitend de dampafnameleidingen na dedrukregelaars zijn gekoppeld,• Op of nabij deze drukregelaar moet een doelmatige manometer zijn aangebracht, die de druk inhet middeldrukleidingnet aangeeft.• Het leidingnetgedeelte na de drukregelaar moet tegen te hoge druk zijn beveiligd door middel vanPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 33/67


een veerbelaste veiligheidsklep, die moet zijn ingesteld op een effectieve druk, die ten minste 20%hoger is dan de nominale effectieve druk, en ten hoogste 400 kPa (4 bar) bedraagt. De veiligheidsklepmoet het product in de buitenlucht afblazen.• Een verdeelstuk moet aan de gasinstroomzijde zijn voorzien van een snel te sluiten afsluiter,bijvoorbeeld een kogelkraan.• Indien vóór een verdeelstuk een drukregelaar is gemonteerd dan moet deze zijn geplaatst na desnelafsluitkraan (gezien in de stroomrichting).• Elke afvoeraansluiting van het verdeelstuk moet zijn voorzien van een afsluiter.Een dergelijke afsluiter behoeft niet te zijn aangebracht wanneer de aansluiting bestaat uit eenzelfsluitende snelkoppelinghelft.• Indien een door een tijdklok bediende afsluiter in het leidingnet is aangebracht moet deze zodanigworden geplaatst dat bij gesloten afsluiter een zo groot mogelijk deel van het leidingnet drukloos is.• Het middeldrukleidingnet eindigt aan middeldrukverbruikstoestellen of aan de uittreezijde van dedrukregelaar waarmee de druk gereduceerd wordt tot de druk in het lagedrukleidingnet (tenhoogste 5 kPa).• Elk verbruikstoestel moet zijn voorzien van een vlambeveiliging, die de gastoevoer afsluit envergrendelt bij uitgaan van de vlam.8.3.11 Lagedrukleidingnet• Het leidingnetgedeelte na de (lage drukregelaar moet zijn beveiligd tegen te hoge druk door middelvan een veerbelaste veiligheidsklep, die moet zijn ingesteld op een effectieve druk die ten minste20% hoger is dan de nominale effectieve druk, en ten hoogste 20 kPa (0,2 bar) bedraagt. Dezeveerbelaste veiligheidsklep mag zijn ingebouwd in de (lage drukregelaar en moet het product in debuitenlucht afblazen.• Een verdeelstuk moet aan de gasinstroomzijde zijn voorzien van een snel te sluiten afsluiter, bijvoorbeeld een kogelkraan.• Elke afvoeraansluiting van het verdeelstuk moet zijn voorzien van een afsluiter.Een dergelijke afsluiter behoeft niet te zijn aangebracht indien de aansluiting bestaat uit eenzelfsluitende snelkoppeling.• Elk verbruikstoestel moet zijn voorzien van een vlambeveiliging die de gastoevoer afsluit envergrendelt bij uitgaan van de vlam.8.3.12 Eerste keuring van de installatie en de leidingenHet systeem vanaf de drukregelaar op het reservoir tot en met de branders/kachels moet voor deingebruikname door de installateur geïnspecteerd zijn aan de hand van de standaard “checklist”(zie Bijlage II).De ingevulde “checklist” moet zijn opgeborgen in het installatieboek (zie 10.4).Een afschrift van deze “checklist” moet aan de Dienst voor het Stoomwezen worden toegezonden.8.3.13 Periodieke keuring van de installatie en de leidingenHet systeem vanaf de drukregelaar op het reservoir tot en met de branders/kachels moet éénmaalper vier maanden door de installateur geïnspecteerd zijn, aan de hand van de standaard “checklist”(Zie bijlage II). De ingevulde “checklist” moet zijn opgeborgen in het installatieboek (zie 10.4).Een afschrift van deze “checklist” moet aan de Dienst voor het Stoomwezen worden toegezonden.8.4 Constructie van een verrijdbaar onderstel8.4.1 AlgemeenEen verrijdbaar onderstel mag uitsluitend zijn toegepast voor reservoirs met een inhoud van tenhoogste 5 m 3 .De constructie van dit onderstel moet voldoende stevig zijn, om het gewicht van een met water gevuldreservoir te dragen en moet van staal zijn vervaardigd.8.4.2 RaamwerkDe lengte en breedte van het raamwerk moeten ten minste 1 meter groter zijn dan de grootste lengterespectievelijk breedte van het reservoir.De bodem moet zijn afgesloten door plaatstaal met een dikte van ten minste 1,5 mm.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 34/67


8.4.3 WielbasisDe wielbasis moet de lengte van het raamwerk zoveel mogelijk benaderen, maar in elk geval groterzijn dan 0,7 x de lengte van het raamwerk.8.4.4 SpoorbreedteDe spoorbreedte moet ten minste 1,8 meter zijn, waarbij de totale breedte van het onderstel nietgroter mag zijn dan 2,5 meter.8.4.5 WielenDe wielen moeten een breedte hebben van ten minste 0,13 meter en een diameter van ten minste0,4 meter.8.4.6 ZwaartepuntHet zwaartepunt van het onderstel met een gevuld reservoir moet zo laag mogelijk zijn gelegen.De harthoogte van het reservoir boven de grond moet kleiner zijn dan de spoorbreedte.8.4.7 AssenDe assen van het onderstel moeten ten minste 0,2 m vrij blijven van de vlakke ondergrond.De vooras moet als draaistel zijn uitgevoerd; de hoekuitslag naar beide zijden mag niet meer dan45° bedragen.8.4.8 Bevestiging van het reservoirHet reservoir moet met ten minste 4 moerbouten (minimale schroefdraad diameter M16) direct ophet raamwerk zijn bevestigd. Deze bouten moeten zijn gestoken door gaten in de voeten van deondersteuningsconstructie van het reservoir en door gaten in een profiel van het raamwerk.8.4.9 HekwerkHet reservoir moet zijn omgeven door een hekwerk, voorzien van metaaldraadvlechtwerk met eenmaaswijdte van ten hoogste 50 mm en een draaddikte van ten minste 2 mm.In de constructie moeten één of meerdere afsluitbare, naar buiten draaiende delen zijn aangebracht.De gehele constructie moet zodanig zijn uitgevoerd dat een goede toegankelijkheid tot alle toebehorengewaarborgd is.8.4.10 DakconstructieHet reservoir moet aan de bovenzijde zijn voorzien van stevig metaaldraadvlechtwerk met een maaswijdtevan maximaal 50 mm en een draaddikte van minimaal 2 mm. De constructie moet zodanig zijnuitgevoerd dat het reservoir niet ongecontroleerd toegankelijk is voor onbevoegden.In de dakconstructie mogen één of meerdere naar buiten draaiende en afsluitbare delen zijn aangebracht.De tophoek moet ten minste 90° bedragen. De nok van de dakconstructie moet bestaan uiteen stalen buis DN 50 en met een wanddikte van ten minste 4 mm of uit een profiel met ten minstegelijkwaardig weerstands- en traagheidsmoment. Het toebehoren van het reservoir moet in voldoendemate en op deugdelijke wijze zijn beschermd tegen vallende voorwerpen.8.4.11 Principeschets van een verrijdbaar onderstelEen principeschets van een verrijdbaar onderstel met beschermkooi is weergegeven in afbeelding 8-I.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 35/67


Afbeelding 8-I Principeschets wagen met beschermkooikooi opgebouwd uit dikwandige buis Ø 48 x 4 ofprofielen van minimaal gelijk weerstands- entraagheidsmoment in alle richtingenafmetingenb (breedte) > d + 1 m < 2,5 md (reservoirdiameter)h (harthoogte) < sl (framelengte) > r + 1 mr (reservoirlengte)s (spoorbreedte) > 1,8 mt (wielbreedte) > 0,13 mw(wielbasis) > 0,7 lPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 36/67


Tabel 8-I (bijlage bij 8.3.4 en 8.3.5)Enkele toelaatbare materialen en verbindingen voor vaste leidingenToelaatbaar buismateriaal Toelaatbare buisverbindingen Opmerkingen1. Gladde stalen buizen, Bij nominale binnenmiddellijnennaadloos of met naad van 15 mm en groter verbindingvolgens de “Regels”door lassen volgens de “Regels”.Flensverbindingen van hettype voorlasflens.Schroefdraadverbindingen met Voor nominale middellijnen vannaadloze stalen buisfitting. hoogste DN 50.Buiseinden en fittings metNPT schroefdraad.2. Stalen draadbuizen middel Bij nominale binnenmiddellijnenof zwaar volgens NEN 3257 van 15 mm en grotermet KIWA/Giveg keurmerk verbindingen door lassenvolgens de “Regels”.Flensverbindingen van het typevoorlasflens.Schroefdraadverbindingen met: Voor nominale middellijnen vana. naadloze stalen buisfittings hoogste DN 50.1. buiseinden en fittings metNPT schroefdraad2. buiseinden en fittings metafdichtende pijpschroefdraadvolgens NEN 3258,b. smeedbaar gietijzerenbuisfittings volgens NEN3038, buiseinden metafdichtende pijpschroefdraadvolgens NEN 3258.3. Naadloze stalen precisie 1. Klemkoppelingen met:buizena. stalen (dubbel-) conischeringen;b. stalen snijringen.2. Koppelingen met vlakkeafdichtingen.3. Lasverbindingen volgensde “Regels”.4. Koperen buizen met 1. Voor de kwaliteit half-hard: Soldeer ten minste S 50 volgensKIWA-keurmerk capillaire soldering. NEN 1322. Voor middel- en hoge-Kwaliteit half-hard volgens 2. Koppeling met capillaire drukleidingen uitsluitend hardsol-NEN 2200 (in rechte lengten) soldering voorzien van deersoorten toepassen volgensof zacht volgens NEN 2263 KIWA keurmerk en met: NEN 1131.(op rollen)a. vlakke afdichting;b. (bol-)conische afdichting.3. Klemkoppelingen voorzien Uitsluitend voor leidingen met eenvan KIWA/Giveg keurmerk nominale effectieve druk vana. (dubbel) conische ringen 400 kPa (4 bar).b. snijringen.5. Buis van een mengsel van 1. Lijmverbindingen met: Uitsluitend voor ondergrondse enongepastificeerd polyvinyl- a. geprefabriceerde fittings, vorstvrij gelegde lagedrukchloride en gechloreerd waarin geen schroefdraad leidingen.polyetheen (slagvast PVC, of lassen mogen voorkomen;PVC/CPE) voorzien van b. spie-eind en tromp.Givegmerk. 2. Verbindingen door middel Ten minste 0,5 m vóór de opstallenvan een O-ring vanmoet de buis overgaan op eenpropaanbestendig rubber. metalen leiding.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 37/67


Tabel 8-I (vervolg)Toelaatbaar buismateriaal Toelaatbare buisverbindingen Opmerkingen6. Buis van hogedichtheid 1. Koppeling met metalen Uitsluitend voor ondergrondse(hard)-polyetheen (PE) binnenconus en een kunst- en vorstvrij gelegde leidingenreeks B en C, voorzien stoffen dichtingshuls, met een nominale effectievevan Giveg-merk. 2. Verbinding door middel van druk van ten hoogste 400 kPaO-ring van propaanbestendig (4 bar).rubber en voorzien van een Ten minste 1 m vóór de opstallenbinnenconus.moet de buis overgaan op een3. Lasverbindingen met: metalen leiding.a. geprefabriceerde fittingswaarin een verwarmingselementis opgenomen.b. geprefabriceerde fittingswaarbij de warmte voor destuiklasverbinding vanbuitenaf wordt toegevoegd.Tabel 8-II (bijlage bij 8.2.5, 8.3.4 en 8.3.5)Enkele toelaatbare materialen en verbindingen voor buigbare leidingentoelaatbaar buismateriaal toelaatbare buisverbindingen Opmerkingen1. Uitgegloeide (zachte) koperen 1. Koppelingen voor capillaire Soldeer ten minste S 50 volgensbuizen volgens NEN 2263 soldering voorzien van NEN 1322.met KIWA-keurmerk. KIWA-keurmerk met: Voor middel- en hoge drukleidingena. vlakke afdichting; uitsluitend hardsoldeer toepassenb. (bol-)conische afdichting. volgens NEN 1131.2. Klemkoppelingen voorzien van Uitsluitend voor leidingen met eenKIWA/Giveg-keurmerk met: nomienale effectieve druk vana. (dubbel-)conische ringen; 400 kPa (4 bar).b. snijringen.2. Roestvrij stalen slang. 1. Lasverbindingen2. Flensverbindingen metvoorlasflenzen.3. Conische schroefdraad- Voor nominale middellijnen vanverbindingen met NPT draad ten hoogste DN 50.of afdichtende pijpschroefdraadvolgens NEN 3258.4. Koppelingen (al dan niet Uitsluitend voor leidingen met eenverwisselbaar) met:nominale effectieve druk vana. vlakke afdichting 400 kPa (4 bar).b. (bol-)conische afdichting.3. Synthetisch rubberen slang Klemmende verbinding opmet één of meer staaldraad- bijpassende slangtuit meten/of textielinlagen volgens gebruikmaking van doelmatigede “Regels”.slangklemming.4. Synthetisch rubberen gas- Klemmende verbinding op Uitsluitend voor leidingen metslang met één of meer bijpassende slangpunt-stuk een nominale effectieve druk vaninlagen volgens NEN 5654. type H volgens NEN 2381 met 400 kPa (4 bar)..gebruikmaking van doelmatigeslangklemmen.5. Synthetisch rubberen Klemmende verbinding op Uitsluitend voor lagegasslang zonder inlagen bijpassende slangpuntstuk drukleidingen.volgens NEN 5658. volgens NEN 2381.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 38/67


TABEL 8-III (bijlage bij 8.1.5, 8.2.5 en 8.3.6) Toelaatbare pakkingmaterialenType verbinding Toelaatbaar pakkingmateriaal OpmerkingenFlensverbindingen Pakkingring van propaan- Dikte pakkingring ten hoogstestendig materiaal, kwaliteit 3 mm.It 400 of It C, volgens DIN 3754 Nooit meer dan één pakkingring.of een gelijkwaardig materiaal.Schroefdraadverbindingen Een niet verhardend pakking- Alleen op buitendraden. Dradenmateriaal dat bestand is tegen vooraf vetvrij maken. Gebruik vande inwerking van propaan. hennep of ander vezelmateriaalis niet toegestaan.Koppelingen met vlakke Pakkingring van fiber of een Nooit meer dan één pakkingring.afdichtinggelijkwaardig propaanbestendigmateriaal.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 39/67


9. Veiligheidsmaatregelen9.1 Veiligheidsmaatregelen bij stationaire reservoirs9.1.1 Situering van het reservoirHet reservoir moet zijn opgesteld buiten het bereik van vallende voorwerpen, bouwverkeer enbouwkranen.Indien desondanks de kans op aanrijding of op vallende voorwerpen niet uit te sluiten is, moet hetreservoir zijn beschermd met een aanrijdingsbeveiliging respectievelijk een dakconstructie. Eenaanrijdingsbeveiliging moet óf bestaan uit een doelmatige vangrailconstructie volgens de richtlijnenvan de Rijkswaterstaat óf bestaan uit met beton gevulde stalen buizen met een middellijn vantenminste 0,1 m en een hoogte van ten minste 0,6 m boven het maaiveld. De afstand tussen debuizen mag niet meer bedragen dan 1 m. Een dakconstructie moet voldoen aan 8.4.10.9.1.2 Opstelling van het reservoirHet reservoir moet zijn opgesteld op grondniveau op een vlakke en harde ondergrond.De afstand van de onderkant van en reservoir tot de ondergrond moet minimaal 0,1 m en maximaal0,6 m zijn.Het reservoir moet aan ten minste twee zijden tot op een afstand van 7,5 m zijn vrijgehouden vanobstakels.9.1.3 HekwerkOp een afstand van ten minste 1 m van het reservoir moet een gesloten hekwerk zijn aangebrachtmet een hoogte van ten minste 2 m. Het hekwerk moet bestaan uit een omrastering van stevigmetaal-draadvlechtwerk met een maaswijdte van maximaal 50 mm en een draaddikte van minimaal2 mm. In het hekwerk moet een naar buiten draaiende afsluitbare deur zijn aangebracht, die alleen inaanwezigheid van de daartoe aangewezen bedieningsman geopend mag zijn. Op het hekwerk moetmet ten minste 50 mm hoge letters, overeenkomstig NEN 3011 (“Veiligheidskleuren en tekens”) zijnaangegeven: “ROKEN EN VUUR VERBODEN”. Dit opschrift mag worden vervangen door hetovereenkomstige veiligheidssymbool (volgens uitvoeringsvorm 9-2).9.1.4 BlusmiddelenOp een goed bereikbare en zichtbare plaats in de onmiddellijke nabijheid van het reservoir, moet eendraagbaar poeder blustoestel met een vulling van 7 kg blusstof aanwezig zijn.9.1.5 Elektrische installatie en gevarenzone-indelingOvereenkomstig de nLeidraad voor gevarenzone-indeling met betrekking tot gasontploffingsgevaaren elektrische installaties en materieels (rapport R nr. 2 van het Directoraat-Generaal van de Arbeid,Balen van Andelplein 2, Voorburg) worden 4 gebieden onderscheiden:zone 0: een gebied waarbinnen een ontplofbaar gasmengsel voortdurend of gedurende langeperioden aanwezig is;Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 40/67


zone 1: een gebied waarbinnen de kans op de aanwezigheid van een ontplofbaar gasmengsel ondernormaal bedrijf groot is;zone 2: een gebied waarbinnen de kans op de aanwezigheid van een ontplofbaar gasmengsel geringis en waarbinnen een dergelijk mengsel, als het aanwezig is, slechts korte tijd zal bestaan;niet-gevaarlijk gebied: een gebied waarbinnen ontplofbare gasmengsels niet verwacht worden voorte komen in zodanige hoeveelheden, dat speciale voorzieningen vereist zijn voor de constructieen de toepassing van elektrisch materieel.Tot een afstand van 5 m vanaf het reservoir wordt gerekend met een zone 2 classificatie, waarbinnenovereenkomstig rapport R nr. 2 veilig geconstrueerd elektrisch materieel moet zijn toegepast, datvoldoet aan NEN bundel 9 (waarin o.a. NEN 3125 en NENEN 50.014 t/m 50.020).In de gevarenzones is het gebruik van verplaatsbare elektrische leidingen en verplaatsbare elektrischetoestellen niet toegestaan, met uitzondering van handlampen met eigen stroombron die door deArbeidsinspectie zijn toegelaten. Ook mag in deze gebieden niet worden gerookt, zomin als er openvuur, verhitte voorwerpen met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 573 K (300°C) of gemotoriseerdevoertuigen aanwezig mogen zijn. Een elektrische installatie binnen het explosiegevaarlijkegebied moet door middel van één of meer schakelaars, die in een nietgevaarlijk gebied zijn geplaatstin alle polen en fasen kunnen worden uitgeschakeld.• Toepassing van natriumverlichting in of nabij een explosiegevaarlijk gebied is verboden.• Het elektrische deel van de propaaninstallatie moet overeenkomstig NEN 1010 zijn geïnstalleerd enmoet weerbestendig zijn uitgevoerd.Aan het reservoir moet een aansluitmogelijkheid aanwezig zijn, waarop door het aanleggen van een“aardings”-klem een elektrische vereffening tot stand gebracht kan worden tussen het reservoir en dedaarin lossende tankwagen.9.1.6 Het koppelen van reservoirsHet koppelen van reservoirs is in het hogedrukgedeelte niet toegestaan.9.1.7 Plaatsen of verplaatsen van reservoirsHet plaatsen of verplaatsen van reservoirs moet uitsluitend in lege toestand geschieden en moetworden uitgevoerd door de leverancier van het reservoir.9.1.8 De opstelplaats van de tankwagenTijdens laden/lossen moet de tankwagen op een afstand van minimaal 7,5 m en maximaal 15 mvan het reservoir zijn geplaatst. Bij het inrichten van het bouwterrein moet hiermee reeds rekeninggehouden zijn.9.1.9 Afstanden tot objecten9.1.9.1 AlgemeenBij de bepaling van de minimaal aan te houden afstanden tusen het propaanreservoir en andereobjecten moet op het bouwterrein rekening gehouden zijn met het beschermen van deze objectentegen in brand geraakte propaanlekkage uit het reservoir en ook met het beschermen van hetreservoir tegen warmtestraling van een brandend object.De bescherming van het reservoir tegen te hoge warmtestralingsintensiteiten is besproken in 9.1.9.3en 9.1.9.4.Bij het in brand geraken van propaan, dat onder druk ontwijkt ontstaat een fakkelbrand doordat debrandstof tijdens de verbranding in een bepaalde richting wordt gestuwd. De bescherming tegen ditgevaarsaspect is aangegeven in 9.1.9.5.Bij opslag van propaan onder druk kan door bezwijken van het reservoir veroorzaakt door de sterktoenemende dampspanning bij verhoging van de temperatuur en/of door mechanische en kinetischebelastingen of sterke, plaatselijke verhitting van de stalen reservoirwand een grote hoeveelheidvloeistof in korte tijd verdampen. Hierbij komt zeer veel expansie-energie vrij terwijl met lucht eenexplosief gasmengsel gevormd wordt dat bij aanwezigheid van een ontstekingsbron explosief zalverbranden of deflagreren. Een dergelijke BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion) kanPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 41/67


ontstaan na een zekere opwarmtijd, die o.a. afhankelijk is van de afblaascapaciteit van de veiligheidskleppen,van de vullingsgraad van het reservoir en van de door het reservoir opgenomen warmte. Deopwarmtijd zal in de orde van 15 minuten kunnen zijn. Door een veilige situering van het reservoir iseen BLEVE door mechanische belasting goeddeels voorkomen. Om deze reden wordt geen minimaalin acht te nemen afstand als bescherming tegen een BLEVE van het propaanreservoir aangegeven.9.1.9.2 GrenswaardenMet betrekking tot de warmtestralingsintensiteit worden o.a. de volgende grenswaarden gehanteerd: 1)• pijngrens, langdurige blootstelling 1 kW/m 2• pijngrens, vluchtend 3 kW/m 2• pijngrens, 5 seconden blootstelling 10 kW/m 2• apparatuur, inclusief reservoirs 10 kW/m 2Uitgaande van de invloeden van een propaanbrand op andere objecten kunnen met behulp van degegeven grenswaarden de volgende normen voor objecten op het terrein van de inrichting wordenopgesteld:• erfscheiding, werkplaatsen, kantoren etc. 3 kW/m 2• installaties, zoals opslagtanks 10 kW/m 2Uitgaande van de invloed van een brandbaar object, bijvoorbeeld een opslagtank met een brandbarevloeistof of een brandgevaarlijk gebouw, op het propaanreservoir bedraagt de maximaal toelaatbarestralingsintensiteit op het propaanreservoir 10 kW/m 2 .9.1.9.3 Afstanden tot opslag van brandbare vloeistoffenWanneer het propaan-reservoir geplaatst wordt in de omgeving van opslag van brandbare vloeistoffenbijvoorbeeld (K1, K2 en K3 producten), dan moet het reservoir beschermd zijn tegen de stralingswarmtevan een eventuele plasbrand, Van belang zijn hierbij de afstand van het reservoir tot deplasbrand en het oppervlak van de plasbrand. Met behulp van het rapport “Methoden voor hetberekenen van de fysische effecten van het incidenteel vrijkomen van gevaarlijke stoffen (vloeistoffenen gassen)” 2) kan de afstand worden berekend tot waar een warmtestraling van 10 kW/m 2 (maximaaltoelaatbaar) kan worden verwacht.Afbeelding 9-I geeft het verband aan tussen de benodigde minimumafstand van het reservoir tot derand van een mogelijke plasbrand.9.1.9.4 Afstanden tot gebouwen en brandbare opslagenWanneer het propaanreservoir geplaatst wordt op een terrein in de omgeving van brandbare gebouwen,gebouwen met een brandbare inhoud of brandbare opslagen, dan moet het reservoir beschermd zijntegen de stralingswarmte ten gevolge van een eventueel in brand geraken van deze objecten.Van belang hierbij zijn de afstand van het reservoir tot het brandend object en de grootte van hetwarmte-uitstralende oppervlak van het brandende object, dat zichtbaar is vanaf het reservoir.Het warmte-uitstralend oppervlak wordt gevormd bijvoorbeeld door het oppervlak van ramen, deuren,houten schotten en houten wanden, dat bij brand (potentiële) openingen in de gevel gaat vormen endat vanaf het reservoir zichtbaar is.Het niet uitstralende oppervlak van de gevel wordt gevormd door het gedeelte van het geveloppervlakdat niet meebrandt en dat een brandwerendheid van ten minste 30 minuten heeft (volgens NEN 3884of NEN 3885) en vanaf het reservoir zichtbaar is.In afbeelding 9-II is voor de situatie bij een brand met een temperatuur-tijdverloop volgens destandaard brandkromme beschreven in NEN 3883 in een gebouw of object, aangegeven, welkeminimale afstanden moeten worden aangehouden.1) “Model voor Risico-evaluatie van Opslag van Gevaarlijke Stoffen - vloeistoffen en gassen”. Rapport CPR no. 2 van de Commissie Preventievan Rampen door Gevaarlijke Stoffen, Uitgave van het Directoraat-Generaal van de Arbeid, Balen van Andelplein 2, 2273 KH Voorburg.2) Rapport OP no. 15 van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen.Uitgeven door het Directoraat-Generaal van de Arbeid, Balen van Andelplein 2, 2273 KH Voorburg.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 42/67


Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde vuurbelasting van 60 kg vurehout per m 2 vloeroppervlakberekend volgens de bijlage van NEN 3891. Voorts is als maximaal toelaatbare warmte-instraling voorhet reservoir een waarde van 10 kW/m 2 aangehouden. De minimale afstanden zijn voor verschillendepercentages openingen gegeven. Indien sprake is van een brand met een ander temperatuurtijdverloopen/of een sterk afwijkende vuurbelasting is afbeelding 9-II niet zonder meer bruikbaar. Indeze gevallen kan met een correctiefactor voor het percentage openingen, welke onder meer wordtbepaald door de te verwachten vlamhoogte en de warmte-uitstraling van de brand, afbeelding 9-IItoch worden gebruikt om tot een ruime schatting te komen van de minimaal aan te houden afstand.Een “hetere” brand en een grotere vuurbelasting worden dan grofweg vertaald naar een relatief groterpercentage openingen in de gevel dan er in werkelijkheid is. Bij een typische hete brand, b.v. eenkoolwaterstofbrand met een steiler temperatuur-tijdverloop en een grotere vuurbelasting (groter dan120 kg vurehout per m 2 vloeroppervlak) kan dit percentage openingen maximaal met een factor 2worden vermenigvuldigd. Bij een minder hete brand, b.v. een typische smeulbrand en een lagerevuurbelasting (kleiner dan 20 kg vurehout per m 2 vloeroppervlak) kan dit percentage openingeneventueel zelfs tot de helft worden gereduceerd.Bij 0% openingen in een gevel met een brandwerendheid van 60 minuten volgens NEN 3884 of NEN3885 mag een afstand tussen reservoir en een gevel worden aangehouden van minimaal 3 m.Bij 0-10% openingen in een gevel met een brandwerendheid van 30 minuten volgens NEN 3884 ofNEN 3885 mag een afstand tussen reservoir en gevel worden aangehouden van minimaal 7,5 m.Toelichting• “0% opening” wordt alleen bereikt als de gevel geen openingen heeft en ook het dak dezelfdebrandwerendheid heeft als de gevel.• “100% opening” komt overeen met een brandbare gevel (en dak) en eveneens is sprake van “100%opening” bij een brandbare opslag in de open lucht.• voor afstanden van minder dan 7,5 m kan geen gebruik worden gemaakt van afbeelding 9-II, omdatde uitkomst van de toegepaste warmtestralingsberekening dan onvoldoende nauwkeurig is.• bij belangrijke afwijkingen van de omschreven situatie, bijvoorbeeld bij een zeer onregelmatigeverdeling van de openingen over het geveloppervlak of bij een sterk afwijkend verbrandingsproces,is afbeelding 9-II niet bruikbaar. In deze gevallen kan eventueel de warmtestralingsintensiteit wordenberekend met behulp van het rapport van de Commissie Preventie van Rampen doorGevaarlijke Stoffen: “Methoden voor het berekenen van de fysische effecten van het incidenteelvrijkomen van gevaarlijke stoffen (vloeistoffen en gassen”).9.1.9.5 Algemene minimum afstandenDe volgende minimale afstanden moeten ten opzichte van de opstelplaats van het reservoir in achtgenomen zijn (ook indien met behulp van 9.1.9.3 en 9.1.9.4 geringere afstanden worden bepaald):• tot houten bouwsels, brandbaar materiaal, open vuur 7,5 m• tot kelderopeningen, bouwputten, kruipruimten, straatkolken en aanzuigopeningenvan ventilatiesystemen15 m• tot erfscheiding, openbare wegen of paden en parkeerterreinen 15 m• tot laad- of losplaatsen van tankwagens of spoorketelwagens (voor brandbarevloeistoffen en gassen)15 m• tot objecten in de omgeving, die tegen directe aanstraling door een fakkelbrandbeschermd moeten zijn15 m9.2 Veiligheidsmaatregelen bij het gebruik van reservoirs op verrijdbare onderstellen9.2.1 Situering van het reservoir• Het reservoir moet zijn opgesteld buiten het bereik van bouwkranen en normaal bouwverkeer en opeen plaats waar géén kans bestaat op vallende voorwerpen (“veilige parkeerplaats”).• Indien echter het reservoir tijdens het onttrekken van propaan moet worden opgesteld op eenplaats die binnen het bereik van bouwkranen of bouwverkeer is gelegen, of waar de kans opvallende voorwerpen aanwezig is, moet, zolang het reservoir zich op deze plaats bevindt, deoverige bouwactiviteit rond het reservoir zijn gestaakt. Het terreingedeelte waar propaan wordtPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 43/67


gebruikt, moet op duidelijk zichtbare wijze zijn afgesloten voor bouwverkeer en bouwkranen mogenniet in bedrijf zijn op dusdanig korte afstand van het reservoir, dat dit reservoir binnen hetzwenkbereik van de kraan komt. Na beëindiging van de propaanafname moet het reservoir directnaar de “veilige parkeerplaats” worden gereden.• Tot een afstand van 5 m vanaf het reservoir mag niet worden gerookt, zomin als er open vuur ofverhitte voorwerpen met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 573 K (300°C) of gemotoriseerdevoertuigen aanwezig mogen zijn.9.2.2 Opstelling van het reservoirHet verrijdbaar onderstel moet zijn opgesteld op grondniveau op een vlakke, harde en zoveel mogelijkhorizontale ondergrond. Het verrijdbaar onderstel moet met wielblokken of anderszins afdoende zijngeborgd tegen onvoorziene verplaatsing.9.2.3 ToegankelijkheidGedurende de tijd dat geen propaan wordt onttrokken, moet het hekwerk rond het reservoir zijngesloten.Rond het reservoir moet het terrein tot een afstand van 7,5 m worden vrijgehouden van brandbaarmateriaal en obstakels.9.2.4 Het koppelen van reservoirsHet koppelen van reservoirs in het hogedrukgedeelte is niet toegestaan.9.2.5 Plaatsen en verplaatsen van reservoirsHet plaatsen van het reservoir op het verrijdbaar onderstel moet uitsluitend in lege toestand geschiedenen moet worden uitgevoerd door de leverancier van het reservoir.In gevulde toestand mag het reservoir uitsluitend op het onderstel, rijdend over stabiel terreinverplaatst worden. Verticale verplaatsing is absoluut verboden.9.2.6 Opstelling tijdens vullen en ledigen van het reservoirHet vullen/ledigen van het reservoir moet geschieden op een verhard terreingedeelte dat veiliggelegen is (zie 9.2.1 “veilige parkeerplaats”).Bij het vullen/ledigen van het reservoir moet de tankwagen zich bevinden op een opstelplaats dietevoren, bij de inrichting van het bouwterrein zodanig is gekozen, dat de tankwagen zich bevindtop een afstand van minimaal 7,5 m en maximaal 15 m van het reservoir.9.2.7 Afstanden tot objectenHet gestelde in 9.1.9 voor afstanden tot stationaire reservoirs moet in acht zijn genomen.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 44/67


Afbeelding 9-I Afstand tot opslag van brandbare vloeistoffen1000500400300200100Afstand in m50403020103 kW/m 210 kW/m 2543211 2 3 5 10 20 30 50 100 200 300 500 1000 2000 3000 5000Oppervlakte in m 2 waarover de brandbare vloeistof zich kan verspreidenPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 45/67


Afbeelding 9-II Afstand van reservoirs tot gebouwen en brandgevaarlijke opslagen(De maximale warmtestralingsintensiteit op de wand van het reservoir bedraag10 kW/mW 2 )1000Afstand in m5004003002001005040302010Gevelopeningenin %1007050302054320-10% openingen: brandwerendheid 30 minuten0% openingen: brandwerendheid 60 minuten11 2 3 5 10 20 30 50 100 200 300 500 1000 2000 3000 5000Geveloppervlakte in m 2Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 46/67


10. Bedrijfsvoering10.1 AlgemeenTen behoeve van een juist gebruik van de installatie, moet alle informatie die daarvoor van belang is,zijn samengevat in een installatieboek (zie 10.4), dat door de installateur moet zijn samengesteld endoor de verantwoordelijke uitvoerder beheerd moet worden, Het gebruik van de installatie op hetbouwterrein moet goed georganiseerd zijn door juiste procedures. Het vullen en ledigen van hetreservoir moet onder veilige omstandigheden plaatsvinden.10.2 Taken en verantwoordelijkheden10.2.1 Taken en verantwoordelijkheden van de gebruikerDe directeur van de bouwonderneming of de verantwoordelijke uitvoerder moet het installatieboek(zie 10.4) beheren. Hij moet éénmaal per vier maanden opdracht geven aan de installateur tot hetuitvoeren van een controle van de installatie aan de hand van de “checklist” (zie bijlage II) en de doorde installateur afgegeven “checklist” opbergen in het installatieboek.Hij mag het aansluiten van de slangen, de bediening en het beheer van de gasinstallatie opdragenaan een daartoe geïnstrueerde medewerker.Deze persoon moet:• Volledig op de hoogte zijn van de werking van de installatie, de ligging van de leidingen en deopstelling van verdeelstukken, tijdklokken en reservoir(s), alsmede van de werking van deblusmiddelen;• Toegang hebben tot het installatieboek;• Zorgen voor het aankoppelen en loskoppelen van niet-stationaire installaties (reservoirs op eenverrijdbaar onderstel);• Vóór het ontkoppelen, de afsluiter op het reservoir sluiten, het leidingnet drukloos maken enaanvoerslangen oprollen;• Zorgen dat de omgeving van een reservoir vrij is van brandbare materialen en andere obstakels;• Toestemming geven tot en aanwezig zijn bij het vullen van een reservoir door de leverancier vanhet gas.Na het vullen moet hij het hekwerk rondom het reservoir door middel van een slot afsluiten.• De dagelijkse en maandelijkse controles uitvoeren volgens onderstaand controle-overzicht.Bij mankementen die door hem niet zelf opgelost kunnen worden, moet hij onmiddellijk de installateurhiervan in kennis stellen en maatregelen nemen waardoor het defecte deel van de installatie niet ingebruik genomen kan worden.Alle veiligheidsmaatregelen moeten gehandhaafd blijven, totdat het reservoir door de leverancierhiervan is leeggemaakt en afgevoerd. Dit geldt ook gedurende de periode waarin de propaaninstallatieniet (meer) in gebruik is.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 47/67


Controles die moeten worden uitgevoerd door de aangewezen bedieningsman.a. Dagelijks moet worden nagegaan of:• Het hekwerk in goede staat verkeert en is afgesloten door een slot;• De voorgeschreven blusmiddelen ter bestemder plaatse aanwezig zijn;• Leidingen, appendages, slangen en koppelstukken geen zichtbare lekkage en/of beschadigingenvertonen;• Branders, inclusief de vlambeveiliging, goed functioneren;• De tijdklok, zowel vóór als na de stookcyclus, goed functioneert.b. Maandelijks moet een controle worden uitgevoerd aan de hand van de controlelijst (zie bijlage III).De controlelijsten moeten door de installateur beschikbaar worden gesteld.Per maand moet een controlelijst worden ingevuld en ondertekend door de aangewezen bedieningsman.Deze controlelijst moet worden overhandigd aan en besproken met de uitvoerder. De uitvoerdermoet zorgen dat deze lijst wordt opgeborgen in het installatieboek.10.2.2 Taken en verantwoordelijkheden van de installateurDe installateur moet zorgen voor de oplevering en inregeling van een veilige installatie, ten bewijzewaarvan hij bij oplevering een “checklist” moet invullen en ondertekenen.Deze “checklist” moet zijn opgenomen in het installatieboek. Tevens moet hij zorgen voor een goedemondelinge en praktijkinstructie aan de gebruiker, inclusief de handelwijze ingeval van storingen. Hijmoet de gebruiker de benodigde controlelijsten, ten behoeve van de maandelijkse controle door degebruiker, verstrekken. Op verzoek van de gebruiker moet de installateur elke vier maanden degehele installatie controleren, waarbij hij de “checklist” moet invullen en ondertekenen. Deze“checklist” moet worden afgegeven aan de verantwoordelijke uitvoerder en een kopie hiervan moetworden opgestuurd naar de Dienst voor het Stoomwezen.10.2.3 Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het gasDe leverancier van het gas mag uitsluitend afleveren conform de C.P.R.-richtlijn voor tankwagens(in voorbereiding).Het vullen van het reservoir mag slechts geschieden door en onder verantwoordelijkheid van de tankwagenchauffeur,na verkregen toestemming en in aanwezigheid van de aangewezen bedieningsman.De vulslang mag niet langer dan 15 m zijn uitgerold en mag nooit via gebouwen, bouwsels, keten ofandere besloten ruimten naar het vulpunt zijn gelegd.De chauffeur moet er in het bijzonder op letten dat het maximum toelaatbare vulniveau van hetbetreffende reservoir niet wordt overschreden.10.2.4 Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het reservoirDe leverancier moet zorgen voor het aanvoeren van een ledig reservoir, dat goedgekeurd is door deDienst voor het Stoomwezen en waarvan de laatste keuring niet meer dan zes jaar geleden heeftplaatsgevonden.De leverancier moet het reservoir plaatsen overeenkomstig de aanwijzingen van de uitvoerder.De leverancier moet het reservoir goed onderhouden.Na beëindiging van het bouwwerk moet de leverancier het reservoir, ter plekke van de opstelling, opeen veilige manier leegmaken en daarna van de bouwplaats verwijderen.Het veilig leegmaken van het reservoir moet geschieden met de aftapinrichting genoemd in 8.2.11 ofdoor het op een veilige wijze draaien van het reservoir waarbij de vulklep als vloeistofaftapinrichtinggebruikt kan worden.Deze laatste methode van ledigen van het reservoir – die alleen mag worden toegepast bij reservoirsmet een inhoud van ten hoogste 3 m 3 – moet geschieden volgens de procedure in bijlage V.10.3 Organisatie en procedures• Bij de telefoon van de uitvoerder op de bouwplaats moet zich een lijst bevinden met de telefoonnummersvan alle instanties die bij een incident gewaarschuwd moeten worden.• De uitvoerder mag aan 1 persoon (bedieningsman) de opdracht geven om zich gedurende hettotale bouwproces bezig te houden met het controleren van het reservoir, de leidingen en overigeapparatuur, het aansluiten van de slangen en het ontsteken van de branders.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 48/67


Deze bedieningsman moet tevens toestemming geven tot en aanwezig zijn bij het vullen van hetreservoir.• De uitvoerder en de bedieningsman moeten goed op de hoogte zijn van hoe te handelen tijdenshet vullen van het reservoir.• De plaats van het reservoir en de opstellingsplaats van de tankwagen moeten zijn gelegen buitenhet bereik van bouwkranen en op plaatsen waar geen kans bestaat op vallende voorwerpen. Dezeopstellingsplaatsen moeten zijn aangegeven op de tekeningen die bij de aanvraag van eer hinderwetvergunningmoeten worden ingediend.• De plaats van het reservoir en de opstellingsplaats van de tankwagen moeten zodanig zijn, dat devulslang voor het vullen van het reservoir niet meer dan 15 meter uitgerold moet worden en nooitvia gebouwen, bouwsels, keten of andere omsloten ruimten uitgelegd moet worden.10.4 InstallatieboekHet installatieboek moet zijn samengesteld door de installateur en moet door de uitvoerder wordenbeheerd.Het installatieboek moet de volgende hoofdstukken bevatten:1. Productinformatie;2. Situatieschets;3. Tekening reservoir met toebehoren;4. Schema leidingwerk met toebehoren;5. Beschrijving van de installatie;6. Taken en verantwoordelijkheden van de gebruiker;7. Taken en verantwoordelijkheden van de installateur;8. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het gas;9. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het reservoir;10. “Checklisten”;11. Controlelijsten.Een model van het installatieboek is als bijlage I aan de richtlijn toegevoegd.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 49/67


BIJLAGE I Model InstallatieboekVoor werk : ................................................................. te ...........................................................Uitvoerder : ..................................................................................................................................Bedieningsman : ..................................................................................................................................Inhoud1. Productinformatie2. Situatieschets bouwterrein met reservoir opstelling3. Tekening reservoir met toebehoren4. Schema leidingwerk met toebehoren5. Beschrijving van de installatie6. Taken en verantwoordelijkheden van de gebruiker7. Taken en verantwoordelijkheden van de installateur8. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het gas9. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het reservoir10. Checklijsten11. Controlelijsten12. DiversenBelangrijke telefoonnummersBrandweer : ................................................Politie : ................................................Arts : ................................................Ambulance : ................................................Arbeidsinspectie : ................................................Bouw en Woningtoezicht : ................................................Regionale inspectie milieuhygiëne : ................................................Dienst voor het Stoomwezen : ................................................Directie eigen bedrijf : ................................................Installateur propaaninstallatie : ................................................Propaanleverancier : ................................................Leverancier reservoir : ................................................Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 50/67


1. ProductinformatiePropaan is een petroleumgas, verkregen uit de verwerking van ruwe aardolie, dauwel direct gewonnenuit de aardoliebronnen.Propaan wordt in vloeibare toestand opgeslagen in reservoirs en gasflessen. Het voordeel van dezevloeibare opslag is dat het benodigde opslagvolume aanmerkelijk kleiner is dan het benodigdeopslagvolume in gastoestand (ca. 1/250 deel).Propaangas heeft enkele eigenschappen die bijzondere aandacht vragen bij het bewaren, en wel:a. gasvormig propaan is zwaarder dan lucht, zodat het zich bij lekkage gemakkelijk verzamelt in laaggelegen ruimten, riolen en putten;b. een weinig propaandamp in lucht kan reeds een explosie veroorzaken (ca. 2-10 volume %);c. de druk van propaan neemt sterk toe bij hogere omgevingstemperaturen, daarom moeten belangrijketemperatuurstijgingen van het reservoir met inhoud worden voorkomen.Het in Nederland toegepaste propaan (ook wel “Handelspropaan” genoemd), bestaat naast propaanook uit propeen met geringe hoeveelheden ethaan, butanen en butenen, waarvan de dampspanningbij 343 K (70°C) ten hoogste 3100 kPa (31 bar) bedraagt.Bij het bouwproces mag uit het reservoir geen vloeibare propaan afgetapt worden, maar uitsluitenddamp die zich boven in het reservoir bevindt.In verband met het uitzetten van vloeibaar propaan bij temperatuurstijging mogen propaanreservoirsnimmer volledig met vloeistof gevuld worden.Het hoogst toelaatbare vulniveau is:• 85% voor reservoirs tot 5 m 3 inhoud• 90% voor reservoirs met een inhoud groter dan 5 m 3 .Damspanningsgrafiek van handelspropaan (Afbeelding 4-I uit deze publicatie)Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 51/67


2. Situatieschets bouwterrein met opstellling reservoirPrincipe opstelling stationair reservoirKRAANBAANKRAANBEREIK= Vaste opstelling (buiten kraanbereik) met omheiningPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 52/67


Principe opstelling van een reservoir op een verrijdbaar onderstelVP= bouwwegen= bouwweg en aanvoerweg materiaal= plaatsen waar het reservoir mag staanVP= “veilige parkeerplaats”Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 53/67


3. Tekening reservoir met toebehoren1. Inspectie-opening2. Stempelplaat3. Veiligheid. Merk ................... Type ................4. Gasafnamekraan + ullage 85%.Merk ................ Type ........................5. Vulklep. Merk ....................... Type ................6. Inhoudsmeter. Merk .............. Type ................PROPAANRESERVOIR 1600 LITERWerkdruk : 15,6 barPersdruk : 21,8 barSchaal 1 : 20 Get.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 54/67


4. Schema leidingwerk met toebehorenTunnelbekistingPRINCIPE OPSTELLING INFRAROODSTRALERS(Aan te passen aan de betreffende installatie)Propaanslang 19 mmPropaanslang 13 mmPropaanslang 9 mmInfraroodstraler merk ................... type ........................Snelkoppeling merk ................... type ........................Propaanslang 9 mmSnelafsluiter merk ................... afm. ........................Tijdklok merk ................... type ........................Snelafsluiter merk ................... afm. ........................Instelbare drukregelaarMerk .....................Type .....................Insteldruk (regelaar) ..................... barInsteldruk (afblaasventiel) ............ barSnelkoppelingMerk .....................Type .....................Snelkoppeling merk ................... type ........................PropaanreservoirafsluiterMerk .....................Type .....................drukregelaar met afblaasveiligheidMerk .....................Type .....................Insteldruk regelaar ....................... barInsteldruk afblaasv ....................... barPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 55/67


Bij A. komt het propaan binnen, met de hand wordt de pen van de magneetklep (B) omhooggedruk en de gasklep wordt geopend. Het uitstromendepropaangas wordt bij D. met lucht gemengd en komt door een pijp in de geëmailleerde bak (E). Door de keramische plaat komt het propaanluchtmengselnaar buiten en de straler kan worden aangestoken. De pen van de magneetklep moet ongeveer 20 seconden vastgehouden worden. In die tijd wordt hetthermokoppel verwarmd, bekrachtigt het magneetje en houdt het gasklepje geopend.Wanneer door een of andere oorzaak de straler uitvalt, dan koelt het thermokoppel af en sluit de klep.De straler geeft 60% van zijn capaciteit aan straling (golflengte: 2.4 mu) en 40% aan convectie.B DEIACF G HINFRAROODSTRALERA = slangpilaar - ingang propaanB = magneetklepC = thermokoppelD = menging lucht-propaanE = geëmailleerde bakF = keramische plaat met gaatjes van 0,1 mmG = gaasH = reflectorI = ophangbeugelPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 56/67


5. Beschrijving van de installatieHet benodigde propaan verdampt in het reservoir. Via de op een effectieve druk van circa 200 kPa(2 bar) ingestelde drukregelaar op het reservoir gaat het propaan naar het hoofdverdeelstuk, waaroptevens de tijd klok en een drukregelaar gemonteerd zijn. Deze drukregelaar is ingesteld op debedrijfsdruk van de branders, die lager is dan de gereduceerde reservoirdruk. De tijdklok dient bijiedere gebruikscyclus ingesteld te worden op de verlangde stooktijd en zal na afloop van dezestooktijd automatisch de gastoevoer naar de branders afsluiten.Op het hoofdverdeelstuk zijn de slangen naar de verschillende tunnels aangesloten via snelkoppelingenmet afsluitinrichting.In iedere tunnel wordt het gas via een verdeelstuk en slangen naar stalen leidingen gevoerd.Deze stalen leidingen zijn met een draagconstructie aan het plafond van de tunnelbekisting bevestigd.Op de stalen leiding zijn de benodigde infrarood stralers gemonteerd en via een slangverbinding enafsluiter aangesloten op deze gasleiding. Iedere straler is voorzien van een thermo-elektrische vlambeveiliging.6. Taken en verantwoordelijkheden van de gebruikerNaam uitvoerder : ...................................................................................................................................Naam bedieningsman : ...........................................................................................................................De directeur van de bouwonderneming of de verantwoordelijke uitvoerder moet het installatieboekbeheren. Hij moet éénmaal per vier maanden opdracht geven aan de installateur tot het uitvoeren vaneen controle van de installatie aan de hand van de “checklist” en de door de installateur afgegeven“checklist” opbergen in het installatieboek. Hij mag het aansluiten van de slangen, de bediening enhet beheer van de gasinstallatie opdragen aan een daartoe geïnstrueerde medewerker. Deze persoonmoet:• Volledig op de hoogte zijn van de werking van de installatie, de ligging van de leidingen en deopstelling van verdeelstukken, tijdklokken en reservoir(s), alsmede van de werking van deblusmiddelen.• Toegang hebben tot het installatieboek.• Zorgen voor het aankoppelen en loskoppelen van niet-stationaire installaties (reservoirs op eenverrijdbaar onderstel);• Bij het ontkoppelen, de afsluiter op het reservoir sluiten, het leidingnet drukloos maken en aanvoerslangenoprollen.• Zorgen dat de omgeving van een reservoir vrij is van brandbare materialen en andere obstakels.• Toestemming geven tot, en aanwezig zijn bij het vullen van een reservoir door de leverancier vanhet gas.Na het vullen moet hij het hekwerk rondom het reservoir door middel van een slot afsluiten.• De dagelijkse en maandelijkse controles uitvoeren volgens onderstaand controle-overzicht.Bij mankementen die door hem niet zelf opgelost kunnen worden, moet hij onmiddellijk de installateurhiervan in kennis stellen en maatregelen nemen waardoor het defecte deel van de installatieniet in gebruik genomen kan worden.Alle veiligheidsmaatregelen moeten gehandhaafd blijven, totdat het reservoir door de leverancierhiervan is leeggemaakt en afgevoerd. Dit geldt ook gedurende de periode waarin de propaaninstallatieniet (meer) in gebruik is.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 57/67


Controles die moeten worden uitgevoerd door de aangewezen bedieningsmana. Dagelijks moet worden nagegaan of:• Het hekwerk in goede staat verkeert en is afgesloten door een slot.• De voorgeschreven blusmiddelen te bestemder plaatse aanwezig zijn.• Leidingen, appendages, slangen en koppelstukken geen zichtbare lekkage en/of beschadigingenvertonen.• Branders, inclusief de vlambeveiliging, goed functioneren.• De tijdklok, zowel vóór als na de stookcyclus, goed functioneert.• Het reservoir op een verrijdbaar onderstel op de juiste wijze wordt verplaatst en opgesteld buitenhet bereik van bouwkranen, bouwverkeer en vallende voorwerpen.b. Maandelijks moet een controle worden uitgevoerd aan de hand van de controlelijst. De controlelijstenmoeten door de installateur beschikbaar worden gesteld. Per maand moet een controlelijst wordeningevuld en ondertekend door de aangewezen bedieningsman.Deze controlelijst moet worden overhandigd aan en besproken met de uitvoerder. De uitvoerder moetzorgen dat deze lijst wordt opgeborgen in het installatieboek.7. Taken en verantwoordelijkheden van de installateurInstallateur: Naam : ..............................................................................................................:Adres : ...............................................................................................................Woonplaats : ...............................................................................................................Telefoon : ...............................................................................................................De installateur moet zorgen voor de oplevering en inregeling van een veilige installatie, ten bewijzewaarvan hij bij oplevering een “checklist” moet invullen en ondertekenen.De “checklist” moet zijn opgenomen in het installatieboek. Tevens moet hij zorgen voor een goedemondelinge en praktijkinstructie aan de gebruiker, inclusief de handelwijze ingeval van storingen. Hijmoet de gebruiker de benodigde controlelijsten, ten behoeve van de maandelijkse controle door degebruiker, verstrekken. Op verzoek van de gebruiker moet de installateur elke vier maanden degehele installatie controleren, waarbij hij de “checklist” moet invullen en ondertekenen. Deze“checklist” moet worden afgegeven aan de verantwoordelijke uitvoerder en een kopie hiervan moetworden opgestuurd naar de Dienst voor het Stoomwezen.8. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het gasLeverancier van het gas: Naam : ............................................................................................Adres : ............................................................................................Woonplaats : ............................................................................................Telefoon : ............................................................................................De leverancier van het gas mag uitsluitend afleveren conform PGS 17 (CPR 8-2) voor tankwagens.Het vullen van het reservoir mag slechts geschieden door en onder verantwoordelijkheid van detankwagenchauffeur, na verkregen toestemming en in aanwezigheid van de aangewezen bedieningsman.De vulslang mag niet meer dan 15 m zijn uitgerold en mag nooit via gebouwen, bouwsels, ketenof andere besloten ruimten naar het vulpunt zijn gelegd.De chauffeur moet er in het bijzonder op letten dat het maximum toelaatbare vulniveau van hetbetreffende reservoir niet wordt overschreden.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 58/67


9. Taken en verantwoordelijkheden van de leverancier van het reservoirNaam : ..........................................................................................................................................Adres : ..........................................................................................................................................Woonplaats : ..........................................................................................................................................Telefoon : ..........................................................................................................................................De leverancier moet zorgen voor het aanvoeren van een ledig reservoir, dat goedgekeurd is door deDienst voor het Stoomwezen en waarvan de laatste keuring niet meer dan zes jaar geleden heeftplaatsgevonden.De leverancier moet het reservoir plaatsen overeenkomstig de aanwijzingen van de uitvoerder.De leverancier moet het reservoir goed onderhouden.Na beëindiging van het bouwwerk moet de leverancier het reservoir, ter plekke van de opstelling, opeen veilige manier leegmaken en daarna van de bouwplaats verwijderen.10. Checklist(en) (In te vullen door de installateur)(Voor een model van de checklist zie Bijlage II)11. Controlelijsten (In te vullen door de gebruiker)(Voor een model van de controlelijst zie Bijlage III)Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 59/67


BIJLAGE II “Checklist”Ten behoeve van de installateur voor de inspectie van Propaaninstallaties op BouwterreinenPlaats van opstelling:Leverancier reservoir:Adres:Naam installateur:Adres:Naam leverancier van het gas:Adres:Naam gebruiker:Adres:Tel.nr.:Tel.nr.:Tel.nr.:Tel.nr.:1. Gegevens betreffende het reservoir (vermeld op de stempelplaat)Registernr. Dienst voor het Stoomwezen:Inhoud : m 3Gassoort:Laatste keurdatum:Heeft de laatste keuring binnen de laatste 6 jaar plaatsgevonden?In de keurdatum ingesloten door 2 “Stoomwezenleeuwen”?ja/neenja/neen2. Gebruiksdoela. Keetverwarming? ja/neenb. Verwarming t.b.v. gietbouw? ja/neenc. Verwarming t.b.v. doorwerken in de winter? ja/neen3. Wijze van opstellen van het reservoir3.1 Stationair? ja/neen3.2 Op een verrijdbaar onderstel? ja/neenInstallatie voldoet aan de voorschriftenPlaats:Datum:Handtekening van degene die deinspectie heeft verrichtja/neenNaam in blokletters:3.1 Stationair opgesteld reservoir (maximum inhoud 8 m 3 )• Is een hekwerk aanwezig op een afstand van ten minste 1 meter van het reservoir? ja/neen• Is de hoogte van het hekwerk ten minste 2 meter? ja/neen• Is het hekwerk voorzien van een naar buiten draaiende afsluitbare deur? ja/neen• Is de afstand van het reservoir tot de dichtstbijzijnde houten keet ten minste 7,5 meter? ja/neen• Is de afstand van het reservoir tot brandbaar materiaal ten minste 7,5 meter? ja/neen• Is het reservoir aan ten minste twee zijden over een afstand van 7,5 m vrijgehoudenvan obstakels?ja/neen• Is de afstand van het reservoir, bij het vullen, tot de tankwagen minimaal 7,5 enmaximaal 15 meter?ja/neenPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 60/67


• Is het reservoir opgesteld buiten het bereik van een hijskraan en normaal bouwverkeeren op een plaats waar geen kans is op vallende voorwerpen?ja/neen• Is de afstand van het reservoir tot de erfscheiding, openbare wegen, paden enparkeerterreinen minimaal 15 meter?ja/neen• Is het reservoir opgesteld op een vlakke, harde, en zoveel mogelijk horizontale ondergrond? ja/neen• Is de opstelling van het reservoir, met het oog op de kans dat eventueel van lekkageafkomstig gas naar kuilen of besloten ruimten kan stromen, goed gekozen?(minimaal 15 meter tot kelderopeningen enz.)ja/neen• Zijn op de omrastering van het reservoir duidelijk aangegeven de waarschuwingen“Roken en Open Vuur Verboden”?ja/neen• Is in de nabijheid van het reservoir een poederblusser aanwezig met een vulling van 7 kg? ja/neen3.2 Reservoir op een verrijdbaar onderstel (maximum inhoud 5 m 3 )Voldoet de constructie van het onderstel aan de volgende eisen:• Is de spoorbreedte tussen 1,80 meter en 2,50 meter? ja/neen• Is de wielbasis ten minste 0,7 x de lengte van het raamwerk? ja/neen• Kan het onderstel het gewicht van een met water gevuld reservoir dragen? ja/neen• Is het onderstel van staal vervaardigd? ja/neen• Is de laadvloer afgesloten door een staalplaat van ten minste 1,5 mm? ja/neen• Is de hoekuitslag van het draaistel maximaal 45°? ja/neen• Is de harthoogte van het reservoir boven de grond ten hoogste gelijk aan de spoorbreedte? ja/neen• Is de breedte van de wielen ten minste 0,13 meter en de middellijn ten minste 0,4 meter? ja/neen• Is het reservoir met ten minste 4 bouten (minimaal 16 mm diameter) aan hetonderstel bevestigd?ja/neen• Is het reservoir aan de bovenzijde beschermd door een doelmatige dakconstructie vanmetaaldraadvlechtwerk?ja/neen• Is het dak uitgevoerd als puntdak met een tophoek kleiner dan 90°? ja/neen• Is de daknok uitgevoerd uit stalen buis ND 50, wanddikte 4 mm of gelijkwaardig profiel? ja/neen• Is het reservoir omgeven door een hekwerk? ja/neen• Is het hekwerk voorzien van een naar buiten draaiende afsluitbare deur? ja/neen• Zijn op het hekwerk duidelijk aangegeven de waarschuwingen “Roken en OpenVuur Verboden”?ja/neen• Is buiten aan het hekwerk een poederblusser opgehangen met een vulling van tenminste 7 kg?ja/neen• Is een veilige plaats aanwezig, buiten bereik van kranen, normaal bouwverkeer enwaar geen kans is op vallende voorwerpen, waar het reservoir tijdens debouwactiviteiten wordt opgesteld?ja/neen4.1 Middeldruk leidingnet• Is het leidingnet beveiligd tegen het te hoog oplopen van de druk? ja/neen• Zijn ondergrondse leidingen aanwezig? ja/neen• Zijn dit tegen aantasting beschermde leidingen? ja/neen• Zijn dit polyethyleen leidingen? ja/neen• Zijn de ondergrondse leidingen ten minste 0,60 meter ingegraven? ja/neen• Is de leidingloop gemarkeerd? ja/neen• Zijn er stijgleidingen aanwezig? ja/neen• Zijn dit slangen, voorzien van een trekontlasting? ja/neen• Zijn dit tegen corrosie beschermde stalen stijgleidingen? ja/neen• Zijn er slangen aanwezig? ja/neen• Hebben de slangen en toebehoren een (type) goedkeuring van de Dienst voor hetStoomwezen of VEG-Gasinstituut?ja/neen• Zijn alle verbruikstoestellen uitgevoerd met vlambeveiligingen? ja/neen• Zijn de vlambeveiligingen in orde? ja/neenPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 61/67


Type en merk• Slang :• Drukregelaar :• Afsluiter :• Brander :• Kachel :• Snelkoppeling :• Is het leidingnet met lucht of inert-gas op dichtheid gecontroleerd met een drukvan tweemaal de maximale effectieve bedrijfsdruk?Beproevingsdruk echter niet lager dan 50 kPa (0,5 bar)ja/neen4.2 Lagedruk leidingnet• Zijn er slangen aanwezig? ja/neen• Hebben de slangen en toebehoren een (type) goedkeuring van de Dienst voor hetStoomwezen of VEG-Gasinstituut?ja/neen• Zijn alle verbruikstoestellen uitgevoerd met vlambeveiligingen? ja/neen• Zijn de vlambeveiligingen in orde? ja/neenType en merk• Slang :• Drukregelaar :• Afsluiter :• Brander :• Kachel :• Snelkoppeling :• Is het leidingnet met lucht of inertgas op dichtheid gecontroleerd met een drukvan vijf maal de nominale effectieve bedrijfsdruk?Beproevingsdruk echter niet lager dan 15 kPa (0,15 bar)ja/neenPlaats:Datum:Handtekening van degene die deinspectie heeft verricht,Naam in bloklettersPublicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 62/67


BIJLAGE III Controlelijstten behoeve van de maandelijkse controle van propaaninstallaties op bouwterreinenBedrijf : Gecontroleerd door :Werk : Datum :Plaats : Handtekening :1. Propaanreservoir opstelling JA NEENOpgesteld buiten bereik van de bouwkraan, bouwverkeer en vallende voorwerpen? .. ..Opgesteld op vlakke, harde en horizontale ondergrond? .. ..Hekwerk nog intact? .. ..Binnen het hekwerk geen andere materialen opgeslagen? .. ..Bordje “Roken en Open Vuur Verboden” op hekwerk aanwezig? .. ..Brandblusser aan buitenzijde van het hekwerk aanwezig? .. ..2. LeidingnetAlle verbindingen in het bovengronds leidingnet vanaf hoofdafsluiter op het reservoir totaan de branders door middel van bijvoorbeeld zeepsop gecontroleerd op lekkage? .. ..Is het leidingnet gasdicht? .. ..Zijn geconstateerde lekkages verholpen? .. ..Slangen visueel gecontroleerd op beschadigingen? .. ..Zijn de slangen in orde? .. ..Zijn beschadigde slangen vervangen? .. ..Noot:Geef deze controlelijst aan uw uitvoerder en bespreek met hem uw bevindingen.Na zijn goedkeuring zal hij deze controlelijst in het installatieboek opbergen.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 63/67


BIJLAGE IV Bevoegde overheidsinstanties en wetgeving1. Bevoegde overheidsinstantiesHet voorkomen van ongevallen bij de arbeid, die onder ongunstige omstandigheden hun invloed totver buiten de grenzen van de inrichting kunnen uitbreiden, vereist in vele gevallen voorzieningen, diereeds bij de opzet van het bouwwerk getroffen dienen te worden.Het toezicht op de uitvoering van de bepalingen op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en opdeze wet betrekking hebbende besluiten, berust bij het Districtshoofd van de Arbeidsinspectie inwiens district het betreffende bouwwerk wordt opgericht.Het toezicht op de uitvoering en de naleving van de milieuwetgeving berust primair bij het vergunningverlenendgezag.Adviezen met betrekking tot maatregelen die strekken tot het voorkomen, beperken en bestrijdenvan brand, het beperken van brandgevaar, het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand enal hetgeen daarmee verband houdt, het beperken en bestrijden van gevaar voor mensen en dierenbij ongevallen en rampen anders dan bij brand worden gegeven door de Inspectie voor hetBrandweerwezen en door de gemeentelijke of regionale brandweerkorpsen.Door de vergunningverlenende instanties wordt de Dienst voor hete Stoomwezen veelvuldig ingeschakeldvoor het keuren of beoordelen van materialen, reservoirs, leidingen en toebehoren,waarvan de keuring op grond van de Stoomwet niet dwingend is voorgeschreven.De vergunningverlenende instantie kan middels voorwaarden aan een eventueel te verlenen vergunninghet hoofd of de bestuurder van de inrichting de verplichting opleggen toezicht aan te vragen bij deHoofdingenieur-Districtshoofd van de Dienst voor het Stoomwezen in wiens district de betreffendeinrichting is gelegen.2. WetgevingMet de hier volgende opsomming is niet beoogd een volledig overzicht van alle van toepassing zijndevoorschriften te geven.2.1 De HinderwetInrichtingen bestemd tot bewaring van propaan hebben een hinderwetvergunning nodig.Ook als de opslag niet de bestemming is van de inrichting, maar onvermijdelijk is voor de uitvoeringvan het bedrijf, is bij gebruik van propaan op bouwterreinen deze opslag hinderwetplichtig.Vergunningverleners: 1. Het gemeentebestuur, behoudens de gevallen genoemd onder 2 en 3.2. Het provinciaal bestuur indien:a. de inrichting in meer dan één gemeente, doch in één provincie isgelegen of zal worden opgericht;b. door een gemeente vergunning wordt verzocht voor een inrichting,welke geheel of gedeeltelijk binnen deze gemeente is gelegen of zalworden opgericht;c. de inrichting behoort tot een krachtens artikel 19, eerste lid, van deWet inzake de luchtverontreiniging aangewezen categorie;d. indien bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat hetprovinciaal bestuur tevens bevoegd is de vergunning te verlenenindien de inrichting behoort tot een bij die maatregel aangegevencategorie van inrichtingen die in belangrijke mate daarbuiten gevaar,schade of hinder kunnen veroorzaken.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 64/67


3. De Kroon indien:a. de inrichting in meer dan één provincie is gelegen of zal wordenopgericht;b. door een provinciaal bestuur vergunning wordt verzocht voor eeninrichting, welke in meer dan één gemeente, doch in één provincie isgelegen of zal worden opgericht;c. het verzoek om vergunning een inrichting betreft, waarvan deoprichting, het in werking hebben, de uitbreiding of de wijziging in hetalgemeen belang is geboden.Adviseurs: • De Inspecteur van de Volksgezondheid belast met de toezicht op dehygiëne van het milieu.• Het Districtshoofd van de Arbeidsinspectie.Toezichthoudende • Door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening eninstanties:Milieuhygiëne, de provincies en de gemeenten aangewezen ambtenaren.• De Inspecteur van de Volksgezondheid, belast met het toezicht op dehygiëne van het milieu.Beroepsinstantie: • de Kroon.N.B.Kroonjurisprudentie zegt dat “een tankwagen of schip deel uit maakt van de inrichting, wanneer dezedoor middel van slangen met een inrichting is verbonden, zoals in verband met het verpompen vanvloeistoffen” (KB van 18 januari 1978, nr. 49). Dit is van belang in verband met het vullen en ledigenvan propaan reservoirs door tankwagens.2.2 De WoningwetDe woningwet is van belang in verband met de bouwvergunning.De bouwvergunning wordt getoetst aan de gemeentelijke bouwverordening.Beroepsinstantie: De afdeling Rechtspraak van de Raad van State (de zogenaamde AROBprocedure).2.3 De Wet Gevaarlijke StoffenOpslag van propaan is ook mogelijk buiten de inrichting namelijk tijdens het vervoer, bijvoorbeeld hetstallen of parkeren van een tankwagen. In dat geval is het Reglement Gevaarlijke Stoffen (RGS) vantoepassing.Van het “nederleggen” zoals de WGS deze opslag noemt wordt onverwijld kennis gegeven wordenaan het Hoofd van de plaatselijke politie. De plaatselijke politie geeft aanwijzingen met betrekking totdit “nederleggen”.Wanneer het laden en lossen niet in verband staat met een inrichting maar gebeurt ten behoeve vanhet vervoer van propaan, zijn de voorschriften van het Reglement Gevaarlijke Stoffen (RGS) en debepalingen betreffende het vervoer over land (VLG) van toepassing. De keuring van vervoermiddelenvoor transport van gevaarlijke goederen over de weg geschiedt door de Rijksdienst voor hetWegverkeer.Toezichthoudende instantie: de commandant en de controleurs van het Korps Controleurs vanGevaarlijke Stoffen (KCGS).2.4 Arbeidsomstandighedenwet (Arbo-wet)Met ingang van 1 januari 1983 is de Arbowet gefaseerd in werking getreden. De Arbowet vervangt deVeiligheidswet 1934, de Silicosewet en de Wet op werken onder overdruk. Het veiligheidsbesluit vande Stuwadoorswet is eveneens aan de Arbowet gekoppeld.Toezichthoudende instanties: De Arbeidsinspectie, andere aangewezen ambtenaren ook van andereministeries dan van Sociale Zaken en WerkgelegenheidBeroepsinstantie: De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 65/67


2.5 De Gemeentewet, de Brandweerwet en de Wet op de Rampenplannen (t.z.t. Rampenwet).Op grond van deze wetten worden eisen gesteld met het oog op het voorkomen en het bestrijden vanbrand.Op grond van de Gemeentewet en/of de Brandweerwet en/of de Wet op de Rampenplannen(t.z.t. Rampenwet) kunnen maatregelen geëist worden met betrekking tot het voorkomen, beperkenen bestrijden van brand, ongevallen bij brand en gevaar voor mensen en dieren bij ongevallenrampen anders dan bij brand.Adviezen over deze maatregelen worden gegeven door:• de gemeentelijk of regionale brandweer;• de Inspectie voor het Brandweerwezen.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 66/67


BIJLAGE V Procedure voor het ledigen van reservoirs met een inhoud van tenhoogste 3 m 3 en die niet zijn voorzien van een aftapinrichting in devloeistoffase1. AlgemeenAlvorens met het ledigen van het reservoir wordt aangevangen moet degene die het reservoir gaatledigen het volgende aanvoeren en ter plaatse voor gebruik gereed opstellen:• een transportreservoir met voldoende inhoud om de vulinhoud van het stationaire reservoir tekunnen bevatten;• een propaanbestendige vloeistofpomp voorzien van geschikte zuig- en persslang, afsluiters enkoppelingen;• een verplaatsbare ondersteuningsconstructie met voldoende contactvlak met de bodem, waarophet stationaire reservoir veilig gedraaid kan worden. Deze constructie moet, om het draaien mogelijkte maken, zijn voorzien van rollers of rails, waarbij tevens voorzieningen zijn aangebracht, dievoorkomen dat het reservoir van de constructie afrolt;• een hijsinrichting, die geschikt is om het reservoir met vulinhoud te hijsen;• geschikt hijsgereedschap bestaande uit onder andere een evenaar van een doelmatige lengte enten minste twee hijsbanden;• twee draagbare poederblustoestellen met een vulling van 7 kg.2. Werkwijze• Alvorens met het ledigen aan te vangen moet de vergunningverlenende instantie hiervan tijdig opde hoogte worden gesteld.• De monteur die belast is met het ledigen van het reservoir moet zich melden bij de gebruiker.• In het bijzijn van de gebruiker moet de monteur vaststellen hoeveel vloeibaar propaan in hetreservoir aanwezig is. Hij verzekert zich ervan, dat het transportreservoir deze hoeveelheid kanbevatten.• De beide draagbare poederblussers moeten bedrijfsklaar op de plaats van de werkzaamheden zijnopgesteld.• De leiding waarmee damp aan het reservoir wordt onttrokken moet bij gesloten afsluiter van hetreservoir worden afgekoppeld.• Met behulp van de hijsinrichting en het hijsgereedschap moet het te ledigen reservoir niet hogerworden gehesen, dan nodig is om de verplaatsbare ondersteuningsconstructie onder het reservoirte plaatsen.• Nadat de ondersteuningsconstructie onder het reservoir is aangebracht moet het reservoir hieropworden geplaatst.• De persslang van de pomp moet op het transportreservoir worden aangesloten.• De zuigslang van de pomp moet met een speciaal hulpstuk (adapter] op de vulklep van het teledigen reservoir worden aangesloten.• Het te ledigen reservoir moet nu met de hand worden omgerold tot het 180° gedraaid is. Hetvloeibaar propaan moet worden overgepompt in het transportreservoir.• Na het ledigen van het reservoir moet dit weer met de hand worden teruggedraaid voordat de zuigende persslang worden afgekoppeld van het stationaire en het transportreservoir.• Met de hijsinrichting moet het lege reservoir worden geladen op het transportmiddel waarmee hetmoet worden afgevoerd.Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 Propaan Pagina 67/67

More magazines by this user
Similar magazines