Naar pdf - Historici.nl

historici.nl

Naar pdf - Historici.nl

MINISTERIEVAN BUITENLANDSE ZAKEN'S-G RAVE N HAG EV E R Z O E K E BIJB E A N T W O O R D I N G , K E N M E R K , O N D E R W E R P , D A T U M E N N U M M E R T E V E R M E L D E NKenmerk-directie Westelijke Samenwerking 3 December 1953.onderwerp: Bureau Integratie EuropaNummer.Ministersconferentie te Den Haag Foto—er- ^fvi^ 9 6 7 5 G * S 'betreffende de Europese Gemeenschap.GEHEIMDatum:Ter kennisneming.*' 'Hiernevens moge U het verslag worden aangeboden van deConferentie van Ministers van Buitenlandse Zaken, welkevan 26 tot en met 28 November j.1. te Den Haag werd gehoudenmet betrekking tot de vorming ener Europese Gemeenschap.Afschrift van deze brief en van bijbehorend verslagwerd spoedshalve inmiddels reeds rechtstreeks aan onzeAmbtgenoten toegezonden.DE MINISTER ZONDERPORTEFEUILLE,DE MINISTER VAN BUITENLANDSEZAKEN,AANZijne Excellentiede Heer Minister-Presidentte'a-GRAYENHAGE.NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


MINISTERIE VAN BUITENLANDSEZAKE86331 aConferentie van Ministers van Buitenlandse Zakengehouden te Den Haag, van 26 t/m 2b 1 November 1953'Van 26 t/m 28 November werd te Den Haag de Conferentiegehouden van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de zeslanden, die deel uitmaken van de Europese Gemeenschap voorKolen en Staal, ter verdere bespreking van de instellingvan een Europese Gemeenschap. De Franse Minister Bidault kon,in verband met de debatten in het Franse parlement, eerst opZaterdag 28 November aan deze besprekingen deelnemen en werdtijdens de eerste twee dagen der Conferentie vertegenwoordigddoor de Secretaris-Generaai van het Franse Ministerie vanBuitenlandse Zaken, de Ambassadeur Parodi, die de verzekeringkon geven, dat hem de nodige instructies waren verstrekt omhet Franse standpunt te kunnen uiteenzetten en aan de discussiesdeel te nemen, zodat de afwezigheid van MinisterBi dault niet tot vertraging bij het verloop der werkzaamhedenaanleiding zou behoeven te geven. Gezien de politieke situatiein Frankrijk kan inderdaad worden aangenomen, dat de afwezigheidvan Minister Bidault op het verloop der Conferentiepractisch geen invloed heeft gehad. De Heer Parodi heeft aanhet overleg deelgenomen op een wijze, welke onder de gegevenmoeilijke omstandigheden alle waardering verdient.In tegenstelling met de gang van zaken in vorige Conferentiesheeft ditmaal Bondskanselier Adenauer persoonlijk inzeer beperkte mate aan de debatten deelgenomen en is in hoofdzaakaan de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, ProfessorHallstein, overgelaten om namens de Duitse delegatie hetwoord te voeren. In de meer technische besprekingen trad deStaatssecretaris van Buitenlandse Zaken, Benvenuti, namensMinister Pella op. \.De Voorzitter, de Luxemburgse Minister van BuifenlandseZaken Bech. stelde als eerste punt aan de orde de goedkeuringvan de ontwerp-agenda, welke zonder discussie werd aanvaarden als bijlage I hiernevens gaat. Vervolgens werd zonder verderebespreking het proces-verbaal van de Conferentie vanBaden-Baden van 7 en 8 Augustus j l . goedgekeurd.NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


gamenwerking met andere organisaties en toelating van waarnemers.a) Assemblee ad hoeDe Groupe de Travail van de Assemblee ad hoe had in haarjongste vergadering te Parijs besloten geen verzoek in te dienenom door de Ministers te worden gehoord. Anderzijds waswel de wens uitgesproken, dat de Voorzitter van de ConstitutioneleCommissie, de Duitse Bondsdagafgevaardigde Von Brentano.met de Haagse Conferentie contact zou opnemen. Op voorstel vanBondskanselier Adenauer, die mededeelde, dat de Heer Von Brentanozich reeds in Den Haag bevond, werd besloten om de HeerVon Brentano in de vergadering te ontvangen.De Heer Von Brentano verklaarde, dat hij door de Groupede Travail was gemachtigd om in deze vergadering het woordte voeren en sprak de hoop uit, dat de Ministers op korte termijnzouden kunnen overgaan tot het opstallen van een Statuut. Vande zijde van de Assemblee ad hoe was men te allen tijde bereidalle nodige hulp en bijstand te verlenen, doch men achtte hetniet noodzakelijk dat de leden van de Assemblee ad hoe ook inde Regeringsdelegaties zouden worden opgenomen. Dit leek ookhierom onjuist, aangezien de Assemblee ad hoe haar taak, als neesgelegd in de Resolutie van Luxemburg, had volbracht door deopstelling van het Statuut van 10 Maart 1953. Hij herhaaldeechter, dat de leden van de Assemblee ad hoe gaarne bereidwaren de Regeringsdelegaties op elk niveau bij te staan enhoopte, dat een nauwe samenwerking tot stand zou kunnen wordengebracht•b) Raadgevende Vergadering van de Raad van Suropa.In verband met een ontvangen schrijven van de zijde van deVoorzitter van de Assemblee van de Raad van Europa, werd beslotenook de Heer de Menthon ter Vergadering uit te nodigen.Aangezien deze verhinderd bleek te zijn, werd hij vervangendoor Lord Layton, Vice—President van de Assemblee, die vergezeldwas van de Heer Bohy, rapporteur van de Commissie voorAlgemene Zaken. Lord Layton constateerde, dat dit de eerstemaal was, dat officieel contact werd gelegd tussen de Assemblee- van de Raad -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


van db Raad van Europa en deze Conferentie. Hij pleitte nadrukkelijkvoor het tot stand brengen van zo nauw mogelijke bandentussen de nieuw te creëren Europese Gemeenschap en deRaadvan Europa, waarbij hij speciaal wees op de grote waarde, diein de kringen van de Raad van Europa wordt gehecht aan de bandtussen beide organisaties door middel van de door deAssembleead hoe ontworpen constructie van de Senaat. Deze immers zouuit dezelfde leden zijn samengesteld als de nationale vertegenwoordigingenin de Assemblee van de Raad, van Europa, waardoorde beste waarborg zou wordengeschapen voor een zo nauw mogelijkesamenwerking. Ook verwees Lord Layton naar art. 116 vanhet Statuut van de Assemblee ad hoe, waarin ondermeer is bepaalddat de Gemeenschap open zal staan voor toetreding door de andereStaten-iedenvan cfe Raad van Europa» Tenslotte hield sprekereen pleidooi voor een directe aanwezigheid van vertegenwoordigersvan de Assemblee van de Raad van Europa bijde werkzaamhedender Regeringsconferentie, opdat men tijdens de onderhandelingenvan de zijde van de Raad van Europa onmiddellijk zijnstandpunt zou kunnen kenbaar maken.-c) Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.hetBesloten werd, dat de Heer Marchal, gelijk ook in Romegeval is geweest, wederom als symbolische vertegenwoordigervan de Raad van Suropa dezittingen van de Conferentie zou kunnenbijwonen.d) Verstrekken van inlichtingen aan de Raad van Europa.Overeengekomen werd, dat Minister van Zeeland, die momenteelVoorzitter is van het Comité van Ministers van de Raad van Europaen van het zg. Comité mixte, aan deze beide lichamen verslagzalHaag»uitbrengen over de gang van zaken op de Conferentie te Dene) Europese Beweging en Europese Jeugd•De Vergadering besloot, dat de deputaties v?n deze beideorganisaties door de zes Ministers gezamenlijk buiten de Vergaderingin gehoor zouden worden ontvangen.Algemene beschouwingen.Bi3 de aanvang der besprekingen werd door Minister Beyeneen korte verklaring afgelegd, waarin werd gesteld, dat bij het- aangeven van -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


aangeven van het Nederlandse standpunt ten aanzien vanverschillende problemen in deze Conferentie uitdrukkelijk hetvoorbehoudmoest worden gemaakt, dat een definitieve beslissinguiteindelijk slechts omtrent het geheeldeder problemen, zowelbetreffende de organisatie als de bevoegdheden der Gemeenschap,in onderling verband mogelijk is.Nadat mede op aandringen van Minister Pella was besloteneerst algemene discussies te houden alvorens op de details vanhet rapport vande Conferentie v^n Rome in te gaan, werden deberaadslagingen geopend met een uiteenzetting van MinisterBeyen. Deze betoogde, dat zich op het ogenblik zeer sterk tweetendenzen manifesterentèn aanzien van de vorming ener EuropeseGemeenschap, t.w. een gevoel van ongeduld en tevens een zekereangst. Beidelaten zich verklaren. Het ongeduld wordt in hetbijzonder tot uitdrukking gebrachtdoor de Europese Beweging,de angst is een element,dat begrijpelijk is in eenwelke een aantal landen,ontwikkeling,die zo vele jaren onafhankelijk vanelkander habben geleefd, tot zo ingrijpende beslissingen voertals thans worden overwogen. Doch door deze factoren maghandelen niet worden bepaald. Wij zullen rustig voort moetengaan op de uitgestippelde weg,onsdie wellicht nog wel lang zalmoeten zijn. In dit licht moet ook de Conferentie vsp. Rome wordengezien, die op zichzelf uiteraard nog geen beslissingen konnemen, doch die het grote voordeel heeft gehad, dat wij thansover een duidelijke catalogus beschikkenvan de bestaandeproblemen en de bij de Regeringen dienaangaande bestaande inzichten.Hetogenblik om de cardinale beslissingen te nemenis nog niet aangebroken en eerst zal nog veel studiewerk moetenworden verricht, waarna de eigenlijke onderhandelingen nogzullenmoeten volgen. Dit alles leidt tot de conclusie, dat hetwenselijk zou zijn een studiecommissie in het leven te roepen,die zonder gebonden te zijn aan een bepaalde termijn de begonnenwerkzaamheden verder zal moeten voeren, waarna in de lente vanhet volgendjaar de Ministers de vorderingen van deze studiesin ogenschouw zullen kunnen nemen.Anders ligt de kwestie echter t.a.v. de EDG, waarvan detotstandkoming dringend is. Het zou gevaarlijk zijn een al te- nauwe band -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


nauwe band te leggen tussen de EDGen de te vormen EuropeseGemeenschap, ofschoon er wel een zekere verbinding bestaat, dieis neergelegd in art. 38 van het EDG-Verdrag. Dedaarin weergegevengedachtengangwerd evenwel op de Conferentie van Luxemburgin September 1952verlaten, toen besloten werd om de zg.democratische controle niet slechts binnen de enge ruimte vande EDGte laten functioneren, doch daarvoor eerst een ruimereGemeenschap tot stand te brengen. Zulk een ruimere Gemeenschapvereist echter een "fusion des intéréts", hetgeen "door Nederlandsteeds is onderstreept. Dit laatste is niet op zeer korte termijnverwezenlijkbaar. Nu gaat het niet aan, indien men werkelijkzou menen grote haast te nebben, een zgn. politieke gemeenschapte scheppen* die geen werkelijke "fusion des interets"tot stand zou brengen. Zp is bijvoorbeeld de oplossing om eenpolitieke gemeenschap op te richten, die niets anders zou doendan de KSG en de EDG overkoepelen niet aanvaardbaar. Als mendan zo'n haast heeft is er maar één andere weg,nl. dié; aangewezenin art. 38 van het EDG-Verdrag, een weg, die men dan zoukunnen overwegen metgrotere spoed te bewandelen. Men kan dandaarnaast de vraag van de schepping ener werkelijkeGemeenschap rustig - zij het metpolitiekevoortvarendheid - verder behandelen»Nederland blijft van mening, dat een Europese Gemeenschap,gebaseerd op de resolutie van Luxemburg, tot stand moet ïwordengebracht, waarbij dus in aanmerking moet worden genomen,' dateen zodanige Gemeenschap, indien deze geen nieuwe taken zou verkrijgen,niet aanvaardbaar is.Minister Pella vestigde er de aandacht op, dat dê Italiaansepositie nog steeds is gebaseerd op de Resolutie vato Lusem-.,burg en dat hij het onwenselijk achtte zich thans te beperkentot de uitvoering van art. 38. Het resultaat van Luxemburg\wasjuist geweest een stap verder te gaan dan art. 38 endaaraaö,zou zeer bepaald moeten worden vast gehouden. Overigens achtteVhijhet noodzakelijk, dat de Europese Gemeenschap nieuwe taken'zou hebben op economisch gebied en dat zij niet uitsluitendals een soort superstructuur alleen voor de KSff en EDG aou fun- \geren.De Heer Parodi achtte het niet gewenst de democratischecontrole, waarover door Minister Beyen wasgesproken, te tbeper-- ken tot de EDG -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


¿tus sen:en tot de EDG, doch wilde daarbij ook de KSG betrekldenieuwe Gemeenschap tevens/tie "beide gespecialiseerde Gemeenschappensou kunnen coördineren en arbitraren. Hij achttehet ook logisch, dat men niet voor de SDG en de KSG afzonderlijkedemocratische controle-systemen zou gaan creëren, dochdat deze taak door eenzelfdeorganisatie zou worden verricht»Hij verklaarde niet te kunnen inzien-, waarom het noodzakelijkzou zijn de nieuwe Gemeenschap reeds van het begin af aan ookop andere gebieden dan de reeds genoemde, nieuwe taken toe tekennen. De nieuwe organisatie zou op zichzelf reeds als een"organe moteur" werkzaam zijn en verdere studies moeten vervaardigen,die te zijner tijd zouden kunnen leiden tot de toekenningvan nieuwe taken en bevoegdheden. De Gemeenschap zou -zichechter op dit ogenblik in haar reële bevoegdheden moetenbeperken tot de sectoren van Kolen en Staal alsmede Defensie.Wat betreft het voorstel van Minister 3eyen om de toekomstigediscussies te doen plaatsvinden in eente vormen commissie,verklaarde de Heer Parodi hiermede volledig te kunnen instemmen.Minister van Zeeland achtte voor een heroverweging vande uitgangspunten van het overleg geen aanleiding aanwezig. Hijverklaarde zeer ónder de indruk te zijn van de grote mate vanovereenstemming, welke blijkens het rapport van de Conferentievan Rome reeds tussen de Regeringen is bereikt. Thans zoudendeze punten van overeenstemming door de Ministers dienen teworden bekrachtigd, waarna zp spoedig mogelijk de resterendeproblemen á fond zouden dienen te worden bestudeerd. Op dezewijze zou opnieuw een stap voorwaarts worden gedaan. Ter uitvoeringvan zijn voorstel stelde hij voor, dat een lijst vanpunten van overeenstemming zou worden opgesteld, waaroverde vergadering zich dan zou kunnen uitspreken. Overigens verklaardehij zich aceoord met de algemene reserve van MinisterBeyen nopens de interdependentie tussen de institutioneleproblemen en die betreffende de attributies der Gemeenschap.Bondskanselier Adenauer, zich bij het voorstel van Ministervan Zeeland aansluitend, verklaarde,dat de Duitse delegatiereeds een lijst van punten van overeenstemming had voorbereid.Minister Bech kon eveneens zijn instemming betuigen met- het algemene —NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


et algemene voorbehoud van Minister Beyen en verklaarde voorts,dat ook naar zijn mening aan de Europese Gemeenschap nieuwetaken zouden moeten worden toegekend, die zouden moeten liggenop het terrein van de economie, dan wel op andere terreinen.Ten aanzien van de institutionele zijde merkte hij- op, dathet gehele apparaat der.Europese Gemeenschap zou moeten werkenonder controle van de Raad van Nationale Ministers, die terzakemetgewone meerderheid en in zeer belangrijke gevallen zelfs metunanimiteit zou moeten beslissen. Hij waarschuwde voor overhaastingen wees er op, dat voor de verwezenlijking van dezegeheel nieuwe ideeën zeer veel tijd nodig is. Zelfs een bescheidenopzet zou vérstrekkende consequenties hebben, welke onmogelijkzijn te voorzien. Daarbij werd gewezen op de grote invloed,-welke zou-kunnen uitgaan van een rechtstreeks gekozen -Parlement» Luxemburg staat derhalve volstrekt afwijzend tegenoveriedere vorm van auto-extension. Hieraan werd echter toegevoegd,dat wellicht een soort revisie-systeem zou kunnen wordenontworpen, waardoor het niet nodig zou zijn telkenmale denationale parlementen te raadplegen en steeds de klassiekever dra g's vorm te bezigen. (De bezorgde trek, welke bij het horenvan deze toevoeging op de gezichten van de leden van de Luxemburgsedelegatie verscheen, deed vermoeden, dat Minister Bechimproviseerde bij het opperen van een denkbeeld, dat bedenkelijkdicht naderde tot de krachtig verworpen auto-extension.)Tenslotte kwam men overeen, dat door het Secretariaat eendocument zou worden voorbereid, waarin een overzicht zou wordengegeven van de punten, waarover in Rome reeds overeenstemmingwas bereikt, aan de hand waarvan dan nadere discussies zoudenverdere kunnen worden gevoerde In het/verloop werd het echter duidelijk,dat het zeer moeilijk zou zijn aan de hand van dit documentovereenstemming te bereiken over de punten, waarover men het nuwel of niet eens was, zodat uiteindelijk werd besloten de discussiesover dit document te staken en de verschillende problemente behandelen aan de hand van vergelijkende tabellen,welke door het Secretariaat waren opgesteld en die als bijlage .¡¡¡1 II hiernevens gaan. Het verloop van de verdere besprekingenwordt aan de hand van deze tabellen hieronder bij punt 5 weergegeven.NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


e instelling van een StudiecommissieBij de algemene beschouwingen was het duidelijk geworden,dat algemeen de oprichting van een commissie, die de verderebestudering der nog hangende problemen ter hand zou moetennemen, wenselijk werd geacht. De vraag deed zich nu voor, hoedeze commissie zou moeten worden samengesteld. In dit verbandstelde Minister Beyen voor, dat de commissie zou worden samengestelduit experts en niet uit plaatsvervangers der Ministers.De hoedanigheid van plaatsvervangers van de Ministers zou'aande chefs der delegaties in de te houden beraadslagingen mindervrijheid geven, aangezien zij te zeer geacht zouden wordennamens de Regeringen te spreken. Het verdient de voorkeur, datde gedelegeerden minder sterk gebonden zijn aan hun Regeringenom bij het zoeken naar compromissen ad referendum een oordeeluit te. kunnen spreken, zij het dat steeds desnodig ruggespraakzal zijn te houden» Deze zienswijze werd door alle andere- delegatiesgedeeld.Ten aanzien van de plaats waar de commissie zou vergaderen,werd op voorstel van Bondskanselier Adenauer Parijs aangewezen»Over de duur van de werkzaamheden vond een uitvoerige discussieplaats, waarbij Mini ster Beyen erop wees, dat men zich moesthoeden voor het noemen van een bepaalde einddatum der werkzaamheden,aangezien dit gemakkelijk tot misverstanden aanleidingzou kunnen geven. De publieke opinie is namelijk reeds spoediggeneigd aan te nemen, dat op die datum dan een verdragstekstter tekening gereed zou moeten zijn, hetgeen tot onnodigedesillusies zou kunnen leiden, die zo veel mogelijk moetenworden vermeden.- Tenslotte -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


Tenslotte werd besloten het einde van de werkzaamhedender commissie te koppelen aan het houden van een nieuwebijeenkomst der Ministers, zulks met een tussenruimte vanveertien dagen om de Ministers de gelegenheid te gevenhet rapport van de commissie te kunnen bestuderen.Overeengekomen werd, dat de commissie op 15 Maart 1954haar rapport zal moeten voltooien, waarna op 30 Maart d.a.v.een nieuwe Ministersconferentie zal worden gehouden, dieop voorstel van Minister van Zeeland in Brussel zal bijeenkomen.Ten aanzien van het vraagstuk van de samenwerking vande commissie met de Assemblee ad hoe en met de Raad vanEuropa werd in het bijzonder op voorstel van StaatssecretarisHallstein besloten, dat de commissie grotendeels zelf zalmoeten uitmaken in hoeverre zij het nodig acht om op demedewerking van deze organisaties een beroep te doen. Baarbijwerd overwogen, dat de vertegenwoordigers van bedoeldeorganisaties wellicht het beste zouden kunnen worden betrokkenbij de werkzaamheden van een eventueel op te richten"steering committee", waarbij de practijk van de InterimCommissie der. EDG als voorbeeld zou kunnen dienen. Voortswerd in aanmerking genomen, dat er uiteraard verschil bestaattussen de Assemblee ad hoe, die het ontwerpstatuut heeftopgesteld, en de Raad van Europa, hetgeen ertoe zal moetenleiden, dat de vertegenwoordigers van de Assemblee ad hoeop een breder terrein bij de werkzaamheden worden betrokkendan die van de Raad van Europa, welke meer in het bijzonder -geïnteresseerd zijn bij kwesties als de band met deze organisatieen de eventuele toelating van andere leden van deRaad van Europa tot de Gemeenschap.Bespreking resultaten van de Conferentie te Rome.Onder handhaving van de hierboven besproken algemenereserve ten aanzien van de wederkerige afhankelijkheid vande institutionele vraagstukken enerzijds en het vraagstukvan de bevoegdheden en verantwoordelijkheden anderzijdsheeft men vervolgens de resultaten van de conferentie teRome besproken. Se besprekingen werden gevoerd aan de hand— van —NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


van het "Tableau oomparatif des positionsprises a laconférence des suppléants" (CIR 16), hetwelk als bijlage IIbijdit verslag is gevoegd en waarin het Secretariaat opoverzichtelijke wijze de verschillende standpunten heeftsamengevat•Deze procedure heeft de Ministers de gelegenheid gebodende opvattingen van hun Regeringen kenbaar te maken ten aanzienvan de door hun plaatsvervangers te Rome ingenomen standpunten*Het grootste gedeelte van deze standpunten werd bevestigd? doch op enkele punten werden wijzigingen aangebracht,terwijl tenslotte de gedachtenwisseling ertoe heeft geleid,dat de Ministersdit nietpositie hebben gekozen in gevallen, waarindoor httn plaatsvervangers te Rome was geschied* Hetaldus gewijzigde en aangevuldeoverzicht, hetwelk alsnogdoor het Secretariaat zal worden gedistribueerd, zal duseen getrouw beeld geven van de Regeringsstandpunten en eengoed uitgangspwit bieden voor de a.s. besprekingen te Parijs.Over de resultaten van de Conferentie moge het navolgendeworden medegedeeld, waarbij de volgorde van hetdocument (CIR 16) wordt aangehouden.Parlement (pag.. 1 en 2)secretariaat*De Conferentie verklaarde zich accoord met de formuleringvan de gemeenschappelijke standpunten ten aanzien van denoodzaak tot instelling van een Parlement, bestaande uit tweeorganen en betreffende de politieke controle, welke ondernader vast te stellen voorwaarden door dit Parlement op deExecutieve moet worden uitgeoefend. Naar aanleiding van hetItaliaanse standpunt betreffende de bevoegdheden (t*w« wetgevendebevoegdheid, politieke controle over de Executieve,recht van interpellatie en recht van vragen te stellen)werd door Minister Beoh opgemerkt, dat hij zich daarmede konverenigen, mits de legislatieve bevoegdheid geen autoextensionvan de Gemeenschap zou betekenen - welke voorwaardegeen tegenspraak ontmoette — en mits de uitoefening van dezebevoegdheid zou worden onderworpen aan de instemming van deRaad van Ministers. Aangezien nog geen overeenstemming isbereikt over de positie van de Raad en bovendien het probleemvan de wetgevende bevoegdheid in het algemeen nog onvoldoendeNA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


estudeerd, werd besloten het gehele vraagstuk vbevoegdheden van het Parlement naar de studiecommissie teverwijzen#Parlement - Assemblee Elue (pag. 3 en 4)a) Verki ezingen•De overeenstemming over het principe van directe algemeneverkiezingen werd bevestigd, inister Beyen heeft vervolgensmedegedeeld, dat Nederland bereid is zich aan te sluitenbij het standpunt van de overige vijf landen, dat dezeverkiezingen terstond na de inwerkingtreding van het Verdragzullen worden gehouden. Hieraan werd echter de voorwaardeverbonden dat, zolang het nog niet mogelijk is om de verkiezingenvolgens één gemeenschappelijke kieswet te doenplaats vindon» althans de nationale kieswetten, worden gebaseerdop vóór de inwerkingtreding van het Verdrag overeente komen gemeenschappelijke beginselen. Zo het al niet mogelijkzou zijn om in het Verdrag een soort gemeenschappelijkekieswet op te nemen, dan zouden althans de algemene beginselendaarin moeten worden vastgelegd. Zou het ook nietmogelijk blieken om hierover overeenstemming te bereiken,dan moet de Nederlandse Regering op dit punt haar beslissingenvoorbehouden.De overige Ministers namen nota van deze geclausuleerdeintrekking der oorspronkelijke reserve en verklaarden zichbereid het probleem van de modaliteiten der verkiezing instudie te doen nemen. Zij spraken voorts hun voldoening uit.over de tegemoetkomende houding aan Nederlandse zijdebetoondob) Répartition des siègesAangezien Minister Pella niet bereid bleek het Italiaansestandpunt, dat uitgaat van het bevolkingsaantal, in overeenstemmingte brengen met dat der vijf andere delegaties,die zich baseren op de zetelverdeling volgens de KSG— enEDG—verdragen, werd dit punt naar de studiecommissie verwezen.arlement - Deuxième Ghambre (pag. 5 en 6)De Italiaanse reserve ten aanzien van de door de- overige -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


overige delegaties aanvaarde interpretatie van artikel 38,t.w. dat dit artikelvanzich er niet tegen verzet, dat de rolde Senaat wordt vervuld door een Raad van Ministers,werd gehandhaafd. De reeds in Rome bereikte overeenstemmingover het feit,dat een Senaat geen inbreuk zal mogen maken opde bevoegdheden van de Raden van Ministers, gelijk die zijnvoorzien in het KSG- en EDG~Verdrag, werd bevestigd.Professor Hallstein wees erop, dat verscheidene beslissingen,zoals b.v. inzake de benoeming van de Executieve, vaninvloed zouden kunnenzijn op de standpunten nopens hetkarakter van de Senaat en dat deze kwestie daarom opnieuw zoumoeten worden nagegaan.Besloten werd derhalve het geheleprobleem van de Senaat*, alsook het vraagstuk van een RaadvanteMinisters, die fungeert als Senaat, naar de studiecommissieQrganisation Exécutive ( pag. 7 en 8)verwijzen.-De Ministers bevestigden de reeds in Rome bereikte overeenstemmingten aanzien van het karakter van de Executieveorganisatie, welke gekenmerkt zal moeten worden door hetbehoud van het evenwicht tussen het nationale en supranationaleelement. Minister Beyen verklaarde daarop, dat hijzich kon aansluiten bij het reeds in Rome tot uitdrukkinggebrachte Duitse en Italiaanse standpunt, hetwelk inhoudt,dat de Raad van Ministers een orgaan "sui generis" zal moetenzijn. Hij vroeg zich overigens af of er veel verschil wasmet de Frans-Belgisch-Luxemburgse zienswijze, die de Raad van.Ministers wil zien als één van de twee branches van de executieveorganisatie en meende dat het verschil wellicht meerin het staatkundig-theoretische vlak lag.Minister van Zeelan l achtte het verschil meer dantheoretisch en legde er de nadruk op, dat hij er zeer veelwaarde aan hechtte, dat conflicten tussen de Staten en deGemeenschap zouden worden vermeden, waartoe hij een executieveorganisatie "a doublé branche" de aangewezen constructieachtte. Minister Beyen wees er nog op, dat in iedergeval moest worden getracht verwarring te voorkomen en nietde indruk te wekken, dat de Raad van Ministers op enigerleiwijze verantwoordelijk zou zijn aan het Parlement. Besloten- werd -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


werd het probleem naar de studiecommissie te verwiOrganisation exécutive - Élément national (pag. 9 en 10)Over deze benaming, waarmede een Raad van nationaleMinisters wordt bedoeld, bestaat, gezien het voorgaande,geen overeenstemming.a) Pouvoirs. .De Ministers bevestigden de te Rome ingenomen standpunten,met dien verstande, dat in de formulering van het Nederlandsestandpunt de woorden "en tant qu 1 élément de1 1 organisation exécutive" werden geschrapt. Daarmede werdbeoogd tot uitdrukking te brengen, dat de NederlandseRegering zich niet uitspreekt over de vraag, of de Raadvan Ministers al dan niet een deel uitmaakt van de Executieve,Minister Beyen verduidelijkte bovendien, dat debevoegdheid van de Raad om directieven te geven aan deExecutieve naar Nederlandse opvatting beperkt zal dienente zijn tot bepaalde, nauwkeurig te omschrijven gevallen,voor zover daartoe bij de verdere bestudering van hetontwerp-verdrag aanleiding blijkt te bestaan. De bevoegdhedenvan de Raad zullen verder door de studiecommissieworden bestudeerdeb) Composition.Tijdens de discussie over deze kwestie bleek enerzijds dewens te bestaan om ter bevordering van de ontwikkeling vaneen goede samenwerking in de Raad zo veel mogelijk steedsdezelfde Ministers (van Buitenlandse Zaken) af te vaardigen,terwijl anderzijds werd gewezen op de noodzaak omvoor de behandeling van meer technische problemen dieMinisters in te schakelen, die terzake het meest gespecialiseerdzijn. De formule, die tenslotte is gevonden,bepaalt, dat de Raad zal zijn samengesteld uit de Hoofdender Regeringen, de Ministers van Buitenlandse Zaken danwel andere Ministers, voorzover de aard van de te behandelenonderwerpen daartoe aanleiding geeft. Deze regelingkomt practisch overeen met de bestaande regeling ten aanzienvan de samenstelling van de Noord-Atlantische Raad.NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


Organisation executive - Elément supranational (Pag.11 ,t/* 18)De Ministers gingen ace oord met het te Rome ingenomen gemeenschappelijkestandpunt, dat er een nieuw supra-nationaalorgaan dient te worden ingesteld»a) CaractèreoDe behandeling van dit punt werd uitgesteld, totdat menaan het hoofdstuk "Pouvoirs" zou toekomen»b) Attributions en ce qui concerne la Haute Autorité etle Commissariat»Het te Rome bereikte gemeenschappelijke standpunt, datde Exécutieven der KSG en EDG gehandhaafd dienen te blijven,werd bevestigd. Naar aanleiding van de in het document opgenomenformulering van de Nederlandse opvatting dat denieuwe Executieve de Hoge Autoriteit en het Commissariaatniet moet overkoepelen ("coiffer"), merkte Minister Beyenop, dat deze formulering ten onrechte de indruk wekt, alszou Nederland tegen de incorporatie van de KSG en de EDGin de nieuwe Gemeenschap gekant zijn. Dit is echter niethet geval; de Nederlandse Regering deelt de mening van deandere landen, dat de KSG en de EDG op den duur in deEuropese Gemeenschap moeten worden opgenomen, doch acht hetniet wenselijk, dat zulks reedè onmiddellijk geschiedt.Het vraagstuk, op welke wijze de geleidelijke incorporatievan deze doelgemeen schappen zal dienen te geschieden, zouvolgens Minister Beyen aan de studiecommissie moeten wordenvoorgelegd. Besloten werd daarop het gehele probleem derincorporatie naar de studiecommissie te verwijzen»c) .Modalités de l'Intégration. Zie onder b.d) Composition.Minister Bech sloot zich aan bij Duitsland, België, Frankrijken Italië, die zich op het standpunt stellen, dat vertegenwoordigersvan de Hoge Autoriteit en van het Commissariaatin de Executieve dienen te worden opgenomen.Minister Beyen verklaarde, dat het Nederlandse standpuntis ingegeven door de vrees, dat daardoor het collegialekarakter van de executieve organen der doelgemeensehappenverloren zal kunnen gaan. Algemeen bleek de mening teNA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495- bestaan -


e)>estaan, dat dit vraagstuk nadere bestudering verdiende,en derhalve naar de studiecommissie verwezen moest worden.Désignation.Professor Hallstein deed hier een belangrijke concessie,toen hij verklaarde, dat Duitsland zich kon aansluitenbij de Franse zienswijze op dit punt, welke bepaalt, datzovel de Président alsook de leden van de Executieve sullenmoeten worden benoemd door de Raad van Ministers.Staatssecretaris Benvenuti stond hier niet geheel afwijzendtegenover op grond van de overweging, dat ook uit het voorstelvan de Assemblee ad hoe om de benoeming van de Presidentin handen te leggen van de Senaat en niet in die vande Kamer der .Volkeren kon worden afgeleid, dat ook deAssemblee de wenselijkheid van invloed der Regeringengevoelde. Ofschoon spreker daarom de benoeming van dePresident óp deze wijze wel acceptabel achtte, wilde hijvooralsnog een voorbehoud maken ten aanzien van de benoemingvan de overige leden van de Executieve. Hij verklaarde zichevenwel bereid de gehele aangelegenheid nogmaals in overwegingte nemen.f) Responsabilité.Minister Bech sloot zich aan bij het Nederlandse standpunt,terwijl Minister Pella verklaarde de Belgische en Nederlandsezienswijze te kunnen volgen, t.a.v. het collegialekarakter van het optreden der Executieve en bovendien deNederlandse bezwaren tegen een investituur-procedure tedelen. De Heer Parodi deelde mede, dat de reden, waaromFrankrijk nog geen standpunt had kenbaar gemaakt, moestworden gezocht in het nauwe verband dat bestaat tussen deverantwoordelijkheid en de samenstelling en taak van hetexecutieve orgaan en dat een definitieve uitspraak eerst zoukunnen worden gedaan, zodra de taken van de Gemeenschapbekend zouden zijn. Het vraagstuk werd daarop naar destudiecommissie verwezen.g) Pouvoirs.De Nederlandse en Luxemburgse Ministers namen de formuleringvan het Belgische standpunt over, hetwelk bepaalt, dat deGemeenschap reële bevoegdheden zal dienen te bezitten opeconomisch gebied en dat tevens aan de Gemeenschap-Mg - beslissende -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


eslissende bevoegdheden zullen moeten worden toegekendt.a.v. de coördinatie en de controle van de Hoge Autoriteiten van het Commissariaat. Op voorstel .van MinisterBeven werd overigens ook dit vraagstuk naar de studiecommissieverwezen.Cour (pag. 19 en 20)De Conferentie besloot in te stemmen met het gemeenschappelijkstandpunt, dat op de Conferentie van Rome wasuitgewerkt ten aanzien van het Hof en waarbij was overeengekomen,dat er slechts één Europees Hof zou worden opgerichten dat te gelegener tijd een commissie van juristenhet gehele probleem Van de rechtspleging aan een onderzoekzou onderwerpen op basis van het ontwerp der Assembleead hoe.Bevoegdheden van de GemeenschapMinister Bech verzocht aan de vergadering te willenkenbaar maken, of men nog wilde overgaan tot een behandelingvan de bevoegdheden der Gemeenschap.Minister van Zeeland stelde voor om althans de punten vanovereenstemming vast te leggen, doch al spoedig bleek datde Heer Parodi volstrekt wilde vasthouden aan de formuleringenvan het rapport van Rome en zich niet op een resuméwilde vastleggen. Het werd toen duidelijk, dat de geheleaangelegenheid beter naar de studiecommissie kon worden verwezen,maar op^uitdrukkelijk verzoek van Minister van Zeeland,die nogmaals zijn wens herhaalde om de punten waaroverovereenstemming was bereikt te bekrachtigen, werd besloten,dat de Ministers alle standpunten die over deze aangelegenheiddoor de plaatsvervangers te Rome naar voren warengebracht, zouden bevestigen, waardoor de bereikte punten vanovereenstemming impliciet werden bekrachtigd.Politieke beschouwingen.Op verzoek van Bondskanselier Adenauer gaf Minister Peileen uiteenzetting over de kwestie Triest en over de zienswijzevan de Italiaanse Regering t.a.v. dit vraagstuk.Uit deze verklaring, die voor een groot deel uit een- historisch -NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


historisch overzicht bestond, zijn geen nieuwe gezichtspuntennaar voren gekomen. De woordelijke tekst van deuiteenzetting van Minister Pella zal zo spoedig mogelijkdoor het Secretariaat worden gedistribueerd.Kosten van de Assemblee ad hoeHet vraagstuk van de kosten van de Assemblee ad hoe,v/aaronder begrepen de kosten gemaakt na 10 Maart 1953 endie, welke ook momenteel nog worden gemaakt door de z.g.werkgroep van de Constitutionele Commissie, is op voorstelvan de Voorzitter verwezen naar een speciale commissie,waarin door elk der delegaties een vertegenwoordiger zalworden aangewezen en die zo spoedig mogelijk zal bijeenkomen.Opstelling'vaneen perscommuniquéDoor een kleine commissie is tijdens de sl o t ver ga der ineen ontwerp voor een perseommuniqué opgesteld, hetwelk metenige kleine modificaties door de Conferentie is aanvaard,en waarvan de tekst als bijlage III hiernevens gaat.NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495


LA?


La question de l'organisation executive qui avait déjàété abordée par les suppléants, à Rome, a donné lieu, d'autrepart, à d'utiles discussions. Les Ministres ont, en particulierrapproché leurs points de vue en ce qui concerne d'une part,la désignation du Président et des membres de l'organe exécutifsupranational nouveau, d'autre part, la composition du Conseilde Ministres,Le principe de la création d'une Cour Européenne uniquea été approuvé et une commission de juristes examinera, sur labase du Projet de l'Assemblée."ad hoc", 1 * ensemble du problèmeque pose la création de cette institution.La .Communauté englobera, selon des modalités qui restenta déterminer,' la Communauté Européenne du Charbon et de l'Acierrainsi que. la Communauté .Européenne de Défense.f. •«Lès Ministres ont décidé de charger une Commission de poursuivre, à la.lumière de leurs débats, les travaux relatifs àla création d'une Communauté Européenne et de commencer l'éla-.boratio» du texte du Traité» ' *.' >La Commission qui siégera à Paris » fera rapport pour le15 mars, aux Ministres, qui se réuniront à Bruxelles le 3o marsLes Ministres ont, en" traitant de questions'politiques géruentendu un exposé du Président du. Conseil italien sur la questiide Trieste, et sur le point de vue du Gouvernement de Rome..NA, 2.02.05.02 (Arch. MR) (Nationaal Archief, Den Haag) inv.nr. 495

More magazines by this user
Similar magazines