De Gids (1941) nr. 4 - Vakbeweging in de oorlog

vakbewegingindeoorlog.nl

De Gids (1941) nr. 4 - Vakbeweging in de oorlog

D£ GW SCHRISTELIJK NATIONAALVAKVERBOND IN NEDERLAND13 MAART 1941 32e JAARGANG No. 4ORGAAN VAN HETVERSCHIJNT DONDERDAGS OM DE 14 DAGENADRES VOOR REDACTIE EN ADMINISTRATIE: STADHOUDERSLAAN 43-45 UTRECHT TELEFOON 12443 GIRO 17982VERANTWOORDELIJK REDACTEUR: F. P. FUYKSCHOT ABONNEMENTSPRIJS:F 2.— PER J. VOOR LEDEN: F 1.50 PER lTERUG NAAR HET WOORDIn het artikel „De eeuw van het individualisme"hebben wij een aanhaling gedaanuit ,,Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap"van mr. G. Groen van Prinsterer.Dat deze reeds 100 jaar geleden de mislukkingvan het individualisme met al zijnvoorgeschilderde heerlijke toekomstdroomenconstateerde, bewijst dat deze ziener de verderfelijkebeginselen van het individualismeonderkende. En van de vrijheid van meeningsuitingin die dagen, maakte hij gebruikdaaraan uiting te geven.Het opheffen van de gilden en de corporatiën(d.i. de vereenigingen) betreurde hij- althans zocht hij naar een middel om diete doen herleven. Dat de vrije christelijkevakorganisatie ongeveer 50 jaar later werdopgericht op grond van dezelfde argumenten,kon Groen toen nog niet weten, maar wasin den grond van de zaak een antwoord opzijn oproep.De gang van zaken in maatschappij enstaat heeft sedert dien wel zeer duidelijk deverderfelijkheid van het individualisme aangetoond.Dat dit individualisme op sociaal-economischterrein zooveel invloed heeft kunnenwinnen is ten deele aan de economische enpolitieke ontwikkeling te wijten.Na het Mercantilisme van de 17e eeuw, datopkwam en bloeide in een tijd, waarin destaat de volstrekte leiding nam op elk gebied,ook op het gebied van het bedrijfsleven, enalles aan staatsbanden vastlegde, moest ereen reactie komen, waarbij weer meer de vrijheidop den voorgrond trad. De Physiocratischeschool was reeds zulk een reactie. Inplaats van staatsdwang en opoffering vanden landbouw aan de zich ontwikkelendemanufactuur (handwerk-industrie) voerdedeze economische school het pleit voor vrijheiden terugkeer naar de natuur.. Hierinwerkte ook de geest der Fransche revolutie,dat is de geest, die alle banden van zichwierp, die de volstrekte vrijheid verkondigdeen de banden van kerk, gezin en familie loswrikte.„Ni Dieu ni maïtre" (geen God engeen meester) werd de leuze. Naar invloedrijkeschrijvers hebben geschreven, was dePhysiocratische school een vleugel van hetindividualisme van de Fransche revolutie.In dezelfde lijn ging de liberale school.Uitgaande van de vrijheidsbeginselen derFransche revolutie wilde zij het economischleven hervormen op den grondslag van devrijheid: vrijheid voor den werkgever, vrijheidvoor den arbeider, vrije prijsvorming, vrijruilverkeer. Langs dien weg was welvaartvoor allen weggelegd.Hier werkten dus ook beginselen.Dat deze beginselen zulk een invloed wistente verwerven, was ongetwijfeld daaraante danken, dat schier alle weerstand van dezijde van kerk en christendom ontbrak. Mendoorzag niet de verderfelijkheid van de beginselender Fransche revolutie, die met Goden Zijn "Woord niet rekenden. Zeer duidelijkblijkt dit uit het feit, dat slechts één man inons land, mr. Willem Bilderdijk, de denkeren de dichter, het gevaar wél doorzag en ermet al de heftigheid en de felheid van zijnstrijdersgeest tegen inging. Zijn strijd tegende Aufklarung (de Verlichting), door dewijsgeeren van dien tijd gepredikt, bezorgdehem ook hoon en smaad.Hoort hem tegen den revolutiegeest, tegende leer der volkssouvereiniteit uitvaren:„Lafaarts, die van vrijheid schreeuwen,maar geboren voor het juk;Van verdragen, maar vermoordend wievoor hun geweld niet bukk'!Van elk aangeboren rechten, maarschoffeerende alle recht.Wat is het recht des volks? Gerust temogen levenIn schuts van Vorst en Wet naar 'tvoorschrift van Gods Woord,Aan huis en standsberoep vereischte zorgte geven,In vlijt en vlijtgenot door geene machtgestoord.Niet van een woesten hoop van schreeuwersaf te hangen,Geslingerd naar den wind van opgeworpenwaan,Die d'eindloos zwaarder juk op hals enschouders prangen,Dan Vorsten-willekeur ooit noodzaakt' teondergaan.Maar een man, die zoo den revolutiegeestdoorzag als geen ander, behoorde tot denachtschool. De vooraanstaanden in denlande, geleerden en predikanten, weigerdenhem de hand te geven en gingen in gezelschapzoo vér mogelijk van hem verwijderdzitten. Zelfs was er een blaadje in die dagen,dat het durfde bestaan Bilderdijk lager testellen dan een hond; een hond kon men eentrap geven, maar zulk een trap was Bilderdijkniet eens waard.Fel was de strijd in die dagen, ook nadatBilderdijk van 1794—1804 in ballingschapheeft doorgebracht. Geen enkele medestanderheeft hij, dan onder ,,de kleine luyden".Alleen voert hij den strijd.Hij is de profeet, die het volk uit zijn dommelwakker schudt, omdat hij het groote gevaaronderkent.In andere landen was het zeker niet beterdan in ons land. Men geloofde, dat de,,nieuwe geest" vrijheid en welvaart zoubrengen. In de kerken van ons land werdgedankt voor ,,het wonder Gods", dat devorst het water van de Maas deed bevriezen,waardoor de Fransche troepen ons land kondenbinnentrekken.Deze verblinding is zeker wel een dervoornaamste oorzaken geweest, dat de beginselender Fransche revolutie zulk eenallesbeheerschenden invloed verwierven.Op economisch terrein kwam daarbij, datde opkomende machine-nijverheid tot massaproductieleidde. In de middeleeuwen was erde productie voor de stad en het daar omheenliggende platteland. Door tal van maatregelenen voorschriften werd voorkomen,dat ook het platteland het handwerk zougaan beoefenen en daardoor het afzetgeb'edvoor de stedelijke nijverheid zou inkrimpen.Geheel in de lijn van deze voorschriften laghet, dat in den nieuwen tijd (na de middeleeuwen)de Mercantilistische practijk gerichtwas op versteviging van de binnenlandschenijverheid, met behoud en uitbreiding van deafzetgebieden.Toen de liberale school opkwam, warende afzetgebieden niet slechts binnen, maarver buiten de landsgrenzen te vinden. Metname in de Indien en Amerika was er doorde koloniale politiek van Engeland, Nederland,Spanje en Portugal een groeiend afzetgebiedontstaan. De massa-productie van hetmachinale tijdperk had zulke afzetgebiedennoodig. De vrijheidsleuze kwam het bedrijfslevente stade. Alleen door in volstrekte vrij-29


heid de productie te kunnen uitzetten, doorin volstrekte vrijheid goedkoope arbeidskrachtenen kapitalen tot zich te kunnen trekkenen door den vrijen handel de afzetgebiedente veroveren, scheen het mogelijk ongekendewinsten te behalen. De welvaart, invrijheid gekweekt, scheen onmetelijk. Iederzou daarin kunnen deelen. De kapitalist zouzijn kapitaal daar inzetten, waar het geringsterisico en de hoogste opbrengst zeker scheen.De arbeider, door eigenbelang gedreven, zouzijn arbeidskracht zoo duur mogelijk verkoopen.Een gouden tijdperk kondigde zich aan,mits de vrijheid en de losmaking van allestaatsbanden de grondslag was.Wij kennen thans de uitkomst van ditstreven. En wij weten ook, hoe het kwam,dat een mislukking niet kon uitblijven.De vrijheid, die zich losmaakt van de banden,die Gods Woord aanlegt, voert totbandeloosheid en anarchie. De historie heeftdeze opvatting bevestigd. In het midden enin de tweede helft der vorige eeuw is dezeanarchie in het maatschappelijk leven onmiskenbaar.Waar nog een betrekkelijke welvaartheerschte onder de bevolkingen vanEuropa, daar was dit alleen mogelijk door deweerhoudende genade Gods, die velen nogbond aan de zedewet Gods. Meer algemeenewelvaart, bestrijding van misstanden in hetbedrijfsleven, ontstond eerst, toen de overheidaan de anarchie een einde maakte door zichweer met het sociaal-economisch leven in telaten.Vrijheid immers is slechts mogelijk als individuen gemeenschap zich aan hoogerenormen van gerechtigheid en zedelijkheid gebondenweten. Absolute vrijheid kan alleenbestaan in een zondelooze gemeenschap, waarGod alles is en in allen, dat is in de volmaakterechtsstaat, die niet van deze aardeis. Daarom gelooven wij, dat God de overheidheeft ingesteld als Zijn dienaresse totstraf van dengene, die kwaad doet en totlof van hem, die het goede doet. Of metandere woorden, waar het leven van land envolk, van individu en gemeenschap, niet beantwoordtaan de eischen der Goddelijkezedewet, daar is de overheid gegeven, omde onderdanen tot deze wet terug te voeren.Daarmede is aan de overheid een positievetaak gegeven. Echter niet zoo, dat de vrijheidvan 't volk wordt opgeheven om plaatste maken voor overheersching door den staat,maar zóó, dat de vrijheid van allen wordtgewaarborgd door een overheid, die degenenstraft en op het goede spoor brengt, die devriihe'd misbruiken.Deze taak heeft de overheid van ons landverstaan, toen zij begon met de sociale wetgeving.Zij had ook kunnen beginnen metopheffing van de bedrij f svrijheid, met vaststellingvan alle arbeidsvoorwaarden vanstaatswege en dergelijke ingrijpende maatregelen.Of liever, zij kon daarmede nietbeginnen, omdat dit in dien tijd de chaos zouhebben gebracht.Zij begon met de misbruiken te bestrijden,namelijk met de Kinderwetten, met het inperkenvan den arbeidsduur, dus daar waarhet ergst tegen de Goddelijke zedewet werdgezondigd.Wij schrijven nu niet over de vraag, ofhet tempo van de sociale wetgeving en vanhet overheidsingrijpen in het bedrijfslevensnel genoeg is geweest, maar het beginsel,dat hieraan ten grondslag lag was goed,namelijk dat de overheid met inachtneming30van de grootst-mogelijke vrijheid voor allen,de vrijheid aan banden legt, waar deze vooranderen onvrijheid en, onderdrukking beteekende.Het behoorde tot het tijdperk, waarin desociale wetgeving en de vakvereeniging opkwam,dat men nog in het individualisme vande liberale school, in de vrijheid van handelen verkeer, in vrije prijsvorming geloofde alsmiddel tot het verkrijgen van welvaart. Hetzou in dien tijd onmogelijk zijn geweest hetcorporatisme in te voeren, dat zich grondt opde gemeenschapsgedachte en dat organischebindingen nastreeft. Zeker, er waren sommigen,reeds in de tweede helft der vorigeeeuw, die voor een organische ontwikkelinghet pleit voerden. Wij noemden reeds Groenvan Prinsterer, die aanvankelijk terugkeer totde corporatiën, zij het in anderen vorm dandie van de middeleeuwen, bepleitte.Dr. Kuyper kon iets verder gaan toen hij,reeds in 1891, het begrip van een corporatieveordening samenvatte in het woord vanzijn tijd ,,het socialisme", waaronder naar hijverklaarde te begrijpen was, niet de sociaaldemocratie,maar de ware gemeenschap, dieopkomt uit de liefde tot God en den naaste.Ook anderen hebben in later tijd blijk gegeven,dat zij het individualisme principieelverwierpen en dat zij niet slechts correctiesdaarop, maar een omvorming van de maatschappelijkeorganisatie beoogden, op dengrondslag van organisatie-vorming.Tot die ,,anderen" behoorden ook de vakorganisaties.De sociaaldemocratische vakbewegingzwenkte naar het andere uiterste, namelijknaar opheffing van den privaten eigendomen staats-socialisme, waardoor de staateen allesbeheerschende positie zou verwerven.De roomsch-katholieke en christelijke vakbewegingrichtten echter hun actie op herstelvan de natuurlijke bindingen in bedrijfsenberoepsleven, waarbij wel de staat eenDe viering en heiliging van den Zondagwas in de middeleeuwen zeer op den achtergrondgedrongen, niettegenstaande talrijkewetten werden ingesteld om den Zondag ineere te houden.Ondanks de zoo duidelijke opvattingen derapostelen en van de eerste christengemeenteomtrent den Zondag, was toch meer de gedachtedoorgedrongen, dat de Zondag deplaats moest innemen van den Joodschensabbat.Daaraan is het zeker voor een voornaamdeel toe te schrijven, dat in het FrankischeRijk (pi.m. 800) niet minder dan 25 Zondagswettenzijn uitgevaardigd, waarin vrijnauwkeurig werd omschreven, wat op denZondag niet en wat wél geoorloofd was. Metstraffen werd zelfs bedreigd wie deze Zondagswettenovertrad. Toch schijnt tegen dezeJoodsche opvatting van den Zondag ook welbezwaar te zijn gemaakt.En de groote roomsch-katholieke geleerde,Thomas Aquinas, die nu nog als de grootsteroomsche moralist (= iemand die de zedewettenverklaart en toelicht) wordt geëerd,maakte de onderscheiding tusschen slaafschenarbeid en anderen arbeid. Slaafsche arbeidmocht niet worden verricht, andere arbeidwel. Ook thans is deze onderscheiding intaak zou toegewezen krijgen, maar een secundairetaak — de primaire taak op sociaaleconomischterrein moet naar christelijk-socialeopvatting aan de uit het maatschappelijkleven opkomende organen toevallen. Dat isgezond corporatisme. De neutrale vakbewegingalleen stelde zich geen partij en koosdaardoor practisch voor het individualisme,voor zoover zij althans niet, nu eens naardeze, dan weer naar gene zijde overhelde.Niet het minst onder den invloed van detot steeds meer klaarheid komende denkbeeldenin christelijk-socialen kring ging tenslotte de overheid in ons land in de richtingvan een gezond corporatisme. Wij groeiden,zooals wij reeds in ons vorige artikel schreven,die richting uit.De algemeene oorzaken daarvan samenvattende,kunnen we dus zeggen, dat teneerste de economische ontwikkeling drong tothet loslaten van het liberale individualistischesysteem, ten tweede dat in ons land reedsvroeg werd teruggegrepen op de organischeopbouw uit de middeleeuwen, zij het met inachtnemingvan de eischen van den modernentijd. Mede dank zij het ontwakend christelijksociaalbesef in ons land, in beginsel doorBilderdijk en zijn discipel Groen van Prinsterer,later meer uitgewerkt en concreterdoor mannen als Kuyper, De Visser, Talmaen door mannen uit den r.k. kring uitgedragen,mocht ons land, meer en beter danelders, het individualisme onderkennen eneen gezond gemeenschapsbesef aankweeken.„Terug naar het Woord", was het leidendbeginsel in den strijd tegen het individualismeder Fransche revolutie en moet ook voor nuen in de toekomst in den strijd tegen elk „ongoddelijkijdel roepen" worden aangeheven.Mits wij ook den moed hebben onszelf totdat Woord terug te roepen in dagelijkschebekeering en gehoorzaamheid.DE HERVORMERS EN DE ZONDAGr.k. kring maatgevend. Men strijdt dan b.v.over de vraag of arbeid van een winkelierslaafsche arbeid is of niet. Dat hiermede tochweer de Joodsche sabbatsopvatting op denvoorgrond treedt, behoeft geen betoog.Naast den Zondag had men in de Middeleeuwennog een groot aantal feest- en heiligendagen.In 1346 werden behalve de Zondagen,niet minder dan 94 vrije dagen gegeven.Dit waren feestdatge[n, waarop dearbeid stillag, maar die veelal in vroolijkheid,om niet te spreken van brooddronkenheid,werden doorgebracht, zoodat daaraan laterweer paal en perk werd gesteld. Dat ertusschen den Zondag en deze feestdagendoor het volk geen of althans heel weinigonderscheid werd gevoeld, valt te verstaan.Het is dan ook geen wonder, dat de Hervormers,optredend in naam van het Evangelie,tegen de in de kerk en de levenspractijkeningeslopen dwalingen, er toekwamen opnieuw de beteekenis van denZondag op den voorgrond te stellen.Toch deden zij dit geenszins met eenberoep op den Joodschen sabbat. Integendeel.De Augsburgsche belijdenis zegt zeer positief:„Want die het daarvoor houden, dat de instellingvan den Zondag in plaats van densabbat (op gezag der kerk) als noodzakelijk


ingevoerd zij, die dwalen zeer, want deheilige Schrift heeft den sabbat afgedaan."En de Heidelbergsche Catechismus antwoordtop de vraag: „Wat gebiedt God inhet vierde gebod?": „Eerstelijk, dat de kerkedienstof het predikambt en de scholen onderhoudenworden, en dat ik, inzonderheid opden sabbat, dat is op den rustdag, tot degemeente Gods naarstiglijk kome om Gods\Voord te hooren, de sacramenten te gebruiken,God, den Heere, openlijk aan te roepenen den armen christelijke handreiking te doen,ten andere, dat ik al de dagen mijns levensvan mijn booze werken viere, den Heere doorZijn Geest in mij werken late, en alzoo deneeuwigen sabbat in dit leven aanvange."Ook de Helvetische belijdenis van 1566spreekt in dezen geest, namelijk zegt niet watmag en wat niet mag op den Zondag, wijstniet heen naar den Joodschen sabbat, maartreedt geheel in de lijn van de apostelen, dieden Zondag zagen als een gave van Godom den in den arbeid opgaanden of zelfsschier ondergaanden mensch, daarboven uitte heffen, door een dag te stellen, waaropzeer in 't bijzonder de kerk des Heeren kanworden bijeenvergaderd en met hart en zielopgeheven tot haar Heer.De Zondag, aldus de Hervormers, wijstheen naar de eeuwige sabbatsrust, die hierbeneden, zij het in onvolkomenheid, reedsaanvangt voor den geloovige, en die de geloovigedagelijks, maar inzonderheid op denrustdag, mag smaken.Waarom namen de Hervormers dit standpuntin?In de eerste plaats op denzelfden grond aisde apostelen. Verzetten dezen zich tegen denJoodschen zuurdeesem, genen tegen denroomschen zuurdeesem.Terwijl de Joden door punctueele handhavingvan de wetten, die op den sabbat betrekkinghadden, meenden gerechtvaardigd teworden, zuiverden de apostelen en met hende christengemeenten uit de eerste eeuwendezen zuurdeesem uit door den Zondag nietals wetsvervulling, maar als uit dankbaarheidvoor de verlossing in Jezus Christus, te onderhoudenen te vieren.En terwijl de roomsch-katholieken allengsdoor gebod op gebod, met dwingende toepassingvan overheidswege, den Zondag alseen wettische instelling waren gaan zien enwaren gaan onderhouden, traden de Hervormersop met het betoog, dat de Zondaggeen Goddelijke, maar een menschelijke, eenkerkelijke instelling is. Noch Luther nochCalvijn waren van meening, dat de rustdageen Goddelijk gebod was.Calvijn ging hierin zelfs zoover, dat hij inzijn „Institutie" schrijft: „Evenwel leg ik ophet getal van zeven niet zulk een gewicht,dat ik de Kerk zou binden aan het onderhoudendaarvan." Luther, die wel oog hadvoor het natuurgebod van één rustdag in 7dagen, schreef in zijn grooten Catechismus:„Daarom gaat dit gebod zoo oppervlakkigbeschouwd ons christenen niets aan, daar heteen geheel uiterlijk ding is, en gelijk andereinstellingen van het Oude Testament, aaneen bepaalde wijze, persoon, tijd of plaats isgebonden; wat nu door Christus alles vrij gelatenwordt."Dit standpunt moet vermoedelijk verklaardworden als reactie tegen de ingeslopen wettischeopvatting van den Zondag.In de tweede plaats was het klaarblijkelijkde bedoeling van de Hervormers, te waarschuwentegen de steeds meer optredendeonderschatting van den beroepsarbeid. Hettoegenomen aantal vrije dagen, voornamelijkde heiligendagen, leidden tot losbandigheiden dronkenschap. Arbeid werd allengs eenzaak, die men op den koop toenam. Bedelarij,(denk aan de bedelmonniken) leven in armoedezonder te werken, kwam in den reukvan heiligheid te staan. Het ging niet om eenvolk, dat door den arbeid werd neergedrukten als 't ware hijgde naar den rustdag. Danzouden de Hervormers allicht voor de socialebeteekenis van den zevenden dag als rustdagmeer oog hebben gekregen. Maar hetging om een volk, dat van het eene feestin het andere viel, dat ontaardde door onthoudingvan den arbeid. En daartegen gingnu het protest van de Hervormers. Zij zagenzeer terecht den arbeid als een zegen, daarentegende vele rust- en feestdagen als eenkwaad. ,Luther stelde dan ook voor, alle feestdagenaf te schaffen en alleen, den Zondag te behouden.„Want als we dien misbruiken door zuipen,spel en lediggang en allerlei zonde, danvertoornen wij God op de heilige dagen meerdan op de andere "Zoo moeten wij het standpunt van de Hervormersdus zien in de lijst van hun tijd.Dankbaar mogen we intusschen zijn, dathun onmiskenbare opvatting was, dat deZondag, zij mogen dien dag dan niet alseen Goddelijke instelling hebben gezien, alsmiddel om het predikambt te onderhouden,om naar de gemeente Gods „naarstiglijk"te komen, moest worden behouden.Hadden zij onzen modernen tijd gekend,waarin de gemeente door harden, dagelijkschenarbeid, in eigen onderhoud moet voorzienen deswege op de andere dagen vangemeentelijk leven, van stichting ,,in het middender gemeente", geen sprake meer kanzijn, zij zouden ongetwijfeld gedreven zijn totnadere beschouwing van de beteekenis vanden Zondag, ook als Goddelijke instelling.Gelijk blijkt uit het boekje van den Lutherschentheoloog Nathusius „Christendomen Maatschappijleer", en ook door Smeenkin „Christelijk-Sociale beginselen" nader isuiteengezet, drong de diepere opvatting vanhet sabbatsgebod langzamerhand verder door.Het is hier niet de plaats, om den strijd vande theologen der 17e en 18e eeuw ten aanzienvan den Zondag nader te bespreken.Men vindt daarover het een en ander in dereeds genoemde werken.Alleen wijzen we nog op de uit Engelandafkomstige Puriteinsche opvatting van denZondag, die de Joodsche sabbatsopvattingbedenkelijk dicht naderde. Predikanten, metname in Zeeland, waren van deze puriteinscheopvattingde verdedigers. Men vindt haarmet name in Zeeland, onder de Oud-Gereformeerdenof de z.g. „Kerstenianen" terug.Men vindt deze opvatting ook duidelijk weergegevenin den grooten Catechismus vanWestminster (1648) waar we lezen: „Desabbat of dag des Heeren moet geheiligdworden doordien nien den geheelen dag inheilige rust zich onthoudt (wij cursiveeren)niet alleen van die werken, die anders verbodenzijn, maar ook van die bezigheden enontspanningen, die op andere dagen geoorloofdzijn; en wel op zulk een wijze, dat mendezen geheelen tijd (voor zoover de nood-Bij de jubilea van den Ned. Bondvan Chr. Fabrieks- en Transportarbeiders,Chr. Bond van Houtbewerkers,Ned. Centralen Bond vanChr, Arbeiders in de Bedrijven vanVoedings- en Genotmiddelen enChr. Textielarb.bond „Unitas"'.O blijk van Gods treffende goedheid[en zegen:Gij viervoudig, rijk jubilé!Weerklinke nu 't lovende lied[allerwegen,En rijze de dankbare bêe.Hoe? Danken en loven....? Doorpriemt[niet een felle,Een knagende pijn onze ziel?Wie neemt nu zijn harp van de[treurende wilgen,Na 't geen in 't voorbije geviel....?'t Is God, die door voorspoed en[tegenhêen leidde,'t Is God, die tot hier heeft gebracht,En die ons als christ'lijk-sociale[bewegingZijn licht schonk, voortdurende[kracht.'t Is God, die tot heden de geest'lijke[basis,Waar 't christ'lijke bondswerk op[staat,Ons onverzwakt liet en die óók in de[toekomstWeer sterkt, die op Hém zich verlaat.Door God is dit dankbaar, viervoudig[gedenken,Hij kroonde 't voortdurende pleitVan jaren, gevoerd voor tienduizenden[werkers.Moet Hém dan ons lied niet gewijd?Zoo rijze uw lofzang in stilheid ten[hemel,En leg, wat dan wendt ook of keert,Voorts, blind voor de toekomst, uw lot[maar in handenVan Hem, die 't alles regeert.(Nadruk verboden.) JAN WILNA.zakelijkheid of de barmhartigheid dit niet beletten)bestede in godvruchtige oefeningen,hetzij in het openbaar, hetzij privatelijk."Hier wordt vooral de onthouding op denZondag op den voorgrond geplaatst en daarmedeeen gedachte ingevoerd, die tot Joodschewerkheiligheid heeft geleid.In Engeland heeft intusschen de doorwerkingvan deze Puriteinsche opvattingen totde gelukkige practijk geleid, dat misschiennergens zoozeer als daar de Zondag een dagvan absolute rust is geworden, die weldadigaandoet bij de openbare ontheiliging en hetopenbare misbruik van den Zondag op hetEuropeesche vasteland. Maar of dit ook be-3!


teekent, dat de diepere, geestelijke beteekenisvan den Zondag, dat de waarachtige Zondagsheiliging,in Engeland daarom ook beterwordt verstaan dan op het vasteland is tochwel aan twijfel onderhevig.Er is een uitwendige Zondagsrust in hetpublieke leven mogelijk, die den christen degelegenheid biedt, dien dag te heiligen. Maardeze Zondagsrust is dan niet anders dan eenuiterlijk middel. Zonder de waarachtige Zondagsheiligingheeft deze Zondagsrust alleensociale waarde, geen godsdienstige beteekenis.G. EKKEL, 25 JAAR GESALARIEERD BESTUURDER2 April 1916. Oprichting NederlandscheCentrale Bond van Christelijke Arbeiders(sters) in de Bedrijven van Voedings- er\Genotmiddelen (waarin zich oplosten: ChristelijkeBond van Bakkersgezellen, opgericht18 Juli 1906; Nederlandsche Bond van Chris.telijk-Protestantsche Werklieden in KunstmatigBereide Dranken, opgericht 1908;Nederlandsche Christelijke Slagersgezellenbond,opgericht l December 1912.)Op 15 Maart a.s. zal het 25 jaar geledenzijn, dat vriend G. Ekkel als gesalarieerdbestuurder in dienst trad van onzen Textielarbeidersbond.Wij lazen in het verslag van „Unitas" overhet jaar 1916 omtrent deze benoeming: „Doorde vergadering van het Centraal Bestuur van„Unitas", gehouden 12 Februari 1916 teAlmelo, werd als gesalarieerd bestuurder benoemdvr. G. Ekke] van Nijverdal, die dezebenoeming aanvaardde en nu sedert 15 Maartjl. als secretaris-penningmeester van „Unitas"opgetreden is."Van 15 Maart 1916 tot 15 Maart 1941 isEkkel derhalve in gesalarieerden dienst geweestvan ,,Unitas".Eerst van 1916 tot 1921 als secretarispenningmeester,daarna — na Vervelds pensionneering- - als voorzitter dezer organisatie.Daarnaast was hem, eerst in samenwerkingmet Verveld, en na diens heengaan,alleen, het redacteurschap van Het Textielarbeidersbladopgedragen.In het algemeen bestuur van ons verbondvertegenwoordigt hij van af de instelling vandit college zijn organisatie. Ekkel heeft dusin de christelijke vakbeweging een eervollenstaat van dienst. In het hierboven genoemdeverslag wordt na het memoreeren van debenoeming van Ekkel tot bestuurder dewensch uitgesproken: „Wij hopen, dat hetblijken moge, dat „Unitas" een goede keuzedeed en dat de arbeid van vriend Ekkel„Unitas" in alle opzichten ten goede mogekomen."Nu, 25 jaar later, gelooven wij te mogenzeggen, dat deze wensch in vervulling isgegaan.Het is gebleken, dat de keuze goed is ge-DRIE JUBILEADe zakagenda van „Draagt ElkandersLasten" vermeldt voor de week van 31 Maart•—-5 April niet minder dan een viertal jubilea,nl. op l April een jubileum van den NederlandschenBond van Christelijke Fabrieks- ertTransportarbeiders en den NederlandschenBond van Christelijke Houtbewerkers-Meubelmakers;op 2 April een jubileum van derNederlandschen Centralen Bond van ChristelijkeArbeiders in de Bedrijven van Voedings-en Genotmiddelen; op 4 April eenjubileum van den Nederlandschen ChristelijkenTextielarbeidersbond „Unitas".Het vermelden dezer jubilea zonder meerwerkt verwarrend.„Unitas" herdenkt op 4 April zijn 45-jarigbestaan. Maar ik geloof niet, dat iemand inden bond er aan denkt, dien dag als eenjubileumsdag te beschouwen. Het 40-jarig bestaanis indertijd als jubileum gevierd. Maarmen kan toch niet elke vijf jaar gaan jubileeren.32weest en dat deze „Unitas" ten goede isgekomen. De eenvoudige textielarbeider bleekcapaciteiten te hebben, die hem voor leidervan een belangrijke organisatie geschiktmaakten. Als voorzitter heeft Ekkel het vertrouwenvan zijn leden, zij waardeeren hemom zijns werks en zijns persoons wil en zijninvloed op de werkgevers is wellicht grooterdan hij zelf weet. Gemakkelijk was de periode,die Ekkel nu werkzaam is geweest, niet.Er liggen in dit tijdsbestek van een kwarteeuw diverse bewogen momenten: botsingenmet de Twentsche werkgevers en botsingenmet de socialistische organisatie.„Unitas" heeft het meermalen zeer moeilijkgehad en onze textielarbeiders stondenveelal vooraan in de vuurlinie van den strijdvoor de beleving der christelijke beginselenop sociaal terrein.Maar te midden van de hoog opstuwendegolven stond Ekkel als stuurman rustig ophet schip, zijn kracht puttend uit zijn christelijkgeloof. Op dat punt was er nimmer wankelingte bespeuren.Op dezen dag van dankbaar gedenken,willen wij „Unitas" van harte gelukwenschenmet het bezit van zulk een voorzitteren vriend Ekkel danken voor wat hij voorzijn organisatie en voor heel de christelijkevakbeweging heeft willen en kunnen doen.Het verheugt ons, dat vriend Ekkel zoogelukkig herstelde van de krankheid, diehem een vorig jaar vele weken aan zijn werkonttrok. Moge God hem nog een aantal jarenvan rustig voortwerken schenken en zij hethem gegeven, de gunstige ontwikkeling van„Unitas" en van heel de christelijke vakbewegingin de komende jaren te mogen zien.STAPELKAMP.Met de drie andere „jubilea" staat het nogweer gansch anders.Slaan wij de lijst der „belangrijke feitenvoor de christelijke arbeiders- en vakbeweging",vermeld op de pagina's 25—30 derzakagenda, na, dan vinden wij daar vermeld:l April 1916: oprichting NederlandscheBond van Christelijke Fabrieks-, Haven- enTransportarbeiders. (Later is „Haven" uitden naam weggenomen.) Deze bond is totstand gekomen na herhaald fusie-proces vanreeds bestaande organisaties. De ChristelijkeZeeliedenbond, opgericht 13 April 1908, fusioneerde29 December 1919, scheidde zichlater weer af, doch heeft l Mei 1929 opnieuween fusie aangegaan.l April 1916. De Nederlandsche ChristelijkeBond van Houtbewerkers, Meubelmakers,Behangers en Aanverwante Vakgenootenwordt na fusie van een aantal bestaandeorganisaties gevormd.Deze drie bonden herdenken dus op l,resp. 2 April a.s. hun 25-jarig bestaan.Toch is dit voor geen dezer bonden — devermelde data wijzen het wel uit —• eeneigenlijk jubileum.De bondsorganen dezer bonden zijn alledan ook ouder dan 25 jaar. Toenadering vanden Fabrieks- en Transportarbeidersbondvermeldt ,,26e jaargang", hoewel het eerstenummer van Toenadering ^gedateerd is 3Februari 1906. Toen was Toenadering hetorgaan van de Bootwerkersvereeniging „Toenadering",die mede behoort tot de organisaties,die het vakverbond hebben opgericht.Op 11 November 1913 werd opgericht deNed. Bond van Christelijke Fabrieksarbeiders,die enkele jaren later als zijn orgaanuitgaf De Christelijke Fabrieksarbeider, Dezenaam werd bij de fusie met de Transportarbeidersgewijzigd in Toenadering, dat daardoornu in zijn 26sten jaargang is.H et Bondsorgaan van den Bond van Houtbewerkers-Meubelmakersis thans in zijn29sten jaargang, terwijl De Bazuin, vroegergeheeten De Bakkersbazuin, reeds in zijn35sten jaargang is. Een eenigszins eigenaardigepositie voor organisaties, die thans hun25-jarig bestaan herdenken!In de hiervoor, uit onze zakagenda overgenomenweergave van de gefusioneerdeorganisaties, zijn onvoldoende bijzonderhedenvermeld over den Houtbewerkers-Meubelmakersbond.Daarom deelen wij daarovernog het volgende mede: De NederlandscheChristelijke Houtbewerkersbond werd opgericht18 December 1912. Deze bond werd gevormd door de op 15 Juli 1912 gestichteChristelijke Houtbewerkers- en -Verwerkersvereeniging„Recht en Plicht" te Leerdam,de Vereeniging van Christelijke Houtbewerkerste Zaandam en de Christelijke Kuipersgezellenvereenigingte Scheveningen. Dezeop 18 December gevormde Houtbewerkersbondfusioneerde op l April 1916 met denNederlandschen Bond van Christelijke Meubelmakers,Behangers, Stoffeerders en AanverwanteVakgenooten. Laatstgenoemde organisatiebestond reeds sinds lang. Zoo wasA. v. d. Heyden, de voorzitter van dezenbond en ook van den op l April 1916 gefusionneerdenbond, reeds als voorzitter van deChristelijke Meubelmaakersvereeniging teRotterdam, waaruit deze bond was ontstaan,aanwezig op de conferentie van 27 November1908 in Den Haag gehouden, waar vóórde oprichting van het Vakverbond onder leidingvan Ds. Hogerzeil, over grondslag, doel.samenstelling en inrichting der vakorganisatiewerd gerefereerd en gediscussieerd.Al vieren deze drie bonden dan op l resp.2 April een jubileum, een eigenlijke oprichtingsdatumis dit niet.Toch is het goed, dat in de zakagenda aanhet feit van deze fusionneeringen wordt herinnerd.Hoe klein was nog onze kracht 25


jaren geleden. Hoe noodig was het tot concentratieder verspreide krachten en centralisatieder vakbonden te komen, opdat onzevakorganisaties over meer invloed te beschikkenzouden krijgen. Hoeveel tegenstandmoest niet overwonnen worden, in eigenkring, voor de concentratie kon wordendoorgezet. Hoe vaak werd het ons niet alseen fout aangemerkt fabrieksarbeiders enhavenarbeiders, en later visschers en zeeliedenin één bond te hebben georganiseerd.40 JAAR LIDOp 28 Februari jl. was het 40 jaar geleden,dat onze verbondssecretaris, vriendH. Amelink, als lid tot een christelijke vakvereenigingtoetrad. Op dien dag werd in deplaats zijner inwoning een afdeeling van„Unitas" opgericht en Amelink behoorde totde oprichters.Er zal hier en daar wellicht nog weliemand gevonden worden, die 40' jaar lid vande christelijke vakbeweging is, maar zulkepersonen kunnen toch gerangschikt wordenonder ,,de witte raven" in zeldzaamheid. Engeen hunner heeft een staat van dienst achterzich als Amelink, terwijl hij ook thansnog met beide beenen in het werk van dechristelijke vakbeweging staat.VERPLICHTE DIENSTENDe Rijkscommissaris heeft de volgende verordeninguitgevaardigd:Afdeeling I,Verplichting tot het verrichten van diensten.Artikel l. (l) Bewoners van het bezetteNederlandsche gebied kunnen door het gewestelijkarbeidsbureau (hierna „arbeidsbureau"te noemen), worden verplicht voor eenbepaalden tijd op een hun aangewezen plaat?binnen 'het bezette Nederlandsche gebieddiensten te verrichten.(2) Hiertoe kan door het arbeidsbureauaan particuliere en openbare bedrijven en besturenworden opgedragen arbeidskrachtenaf te staan.Artikel 2. (l) Worden degenen, die inloondienst werk verrichten aangewezen voorhet verrichten van diensten, dan worden zijvoor den duur, dat zij diensten verrichten,beschouwd als waren zij met verlof. Tijdensden duur van dit verlof behben zij geen aanspraakop loon en andere inkomsten, voortspruitendeuit hun tot nu toe bestaandedienstbetrekking. Overigens worden zij watbetreft den tijd, dat zij ingevolge deze verordeningdiensten verrichten,- beschouwd alsverrichten zij hun werk in hun tot nu toe bestaandebetrekking.(2) Ten aanzien van de dienstbetrekkingvan dengene, die aangewezen is voor het verrichtenvan diensten, zijn de arbeidsvoorwaarden,welke voor het nieuwe werkbedrijfgelden, van kracht.(3) De dienstbetrekking mag slechts mettoestemming van het arbeidsbureau wordenontbonden.Afdeeling H.Beperking ten aanzien van het veranderenvan betrekking.Artikel 3. (l) De Secretaris-Generaal vanDie critiek is nu verstomd. Kruithof, die dedrijvende kracht bij deze concentratie is geweest,heeft gelijk gekregen. Deze samentrekkingvan krachten is de ontwikkelingonzer vakbeweging ten goede gekomen.Daarom vieren wij met dankbaarheid opl en 2 April 194Lhet „jubileum" dezer driebonden.Moge het hen onder Gods zegen nog langejaren weigaan.Toen Amelink verleden jaar 25 jaar in bezoldigdendienst onzer beweging was, is ditfeit in breeden kring herdacht. Wij gaan ditnu natuurlijk niet herhalen.Alleen willen we met een enkel woord aanhet bijzondere feit van een 40-jarig lidmaatschapherinneren, vriend Amelink met ditjubileum gelukwenschen en dankbaar dezegeningen en weldaden Gods gedenken,die het zoo heeft geleid, dat deze man 40 jaargeleden werd aangegord om zich met heelzijn verstand en hart en wil aan de christelijkevakbeweging te geven.Deze arbeid is tot op den huldigen daggezegend.het Departement van Sociale Zaken kan ookbuiten de gevallen, bedoeld in het derde lidvan artikel 2, het ontbinden eener dienstbetrekkingvan de toestemming van het arbeidsbureauafhankelijk maken.(2) Tevens kan hij bepalen, dat de aanstellingen de tewerkstelling van werknemersde toestemming van het arbeidsbureau behoef t.Afdeeling HLStraf- en slotbepalingen.Artikel 4. (l) Hij, die in strijd handelt metde bepalingen van deze verordening of vande ter uitvoering van deze verordening gegevenvoorschriften, wordt gestraft met gevangenisstrafvan ten hoogste zes maanden,in ernstige gevallen met gevangenisstraf .vanten hoogste een jaar.(2) Het feit, bedoeld in lid l, wordt beschouwdals een misdrijf.Artikel 5. De ter uitvoering dezer verordeningnoodige voorschriften worden door denSecretaris-Generaal van het Departement vanSociale Zaken uitgevaardigd.Artikel 6. Deze verordening treedt in werkingop den dag harer afkondiging.'s-Gravenhage, 28 Febr. 1941.De Rijkscommissaris voor het bezetteNederlandsche gebied:SEYSS-INQUART.In de eerste afdeeling van deze verordeningworden regels gegeven in zake het verrichtenvan diensten. Het arbeidsbureau (dearbeidsbeurs) kan iemand opdragen in eenandere onderneming, waar uit een oogpuntvan algemeen belang werkkrachten noodigzijn, arbeid te gaan verrichten. De werknemermoet daaraan gevolg geven. De werkgevermoet den werknemer, die voor zulk een arbeidwordt aangewezen, tijdelijk verlof daartoegeven, zonder behoud van loon. Voor dezenwerknemer gaan dan de arbeidsvoorwaardengelden, die in de nieuwe onderneming of voorden nieuw te verrichten arbeid van krachtzijn.De werkgever mag zijn werknemer, diediensten moet verrichten, echter niet ontslaanbuiten toestemming van het arbeidsbureau(de arbeidsbeurs), zoodat in het algemeen dewerknemer weer mag terugkeeren tot zijnvroegeren patroon, als hij de geëischte dienstenheeft verricht.De tweede afdeeling van deze verordeningsluit zich bij de eerste afdeeling ten nauwsteaan. Hier wordt nl. de aanstelling van eenwerknemer en het ontslag van een werknemerafhankelijk gesteld van de toestemming vanhet arbeidsbureau. Een dergelijke verordeningbestaat ook in Dtoitschland en komt neer opde afschaffing van de zoogenaamde „Freizügigkeit",dat is de vrijheid voor den arbeiderom daar te gaan werken, waar hij debeste arbeidsvoorwaarden kan bedingen ende vrijheid van den werkgever om den arbeiderin dienst te nemen, dien hij wil.Klaarblijkelijk is dit een onderdeel van de,wat men noemt, geleide economie, die hetprijspeil beheerscht, de verdeeling der arbeidskrachtenregelt en het loonpeil bepaalt.Deze verordening is voor het bedrijfsleven,voor werkgever en arbeider beiden, van diepingrijpendenaard.De derde afdeeling bedreigt met strafmaatregelenieder, die deze verordening overtreedt.Deze artikelen zijn ook zonder toelichtingduidelijk genoeg.CHRISTELIJKE VAKORGANISATIE NAAR HET N.V.V.Onder dit hoofd lazen wij dezer dagen, inde dagbladpers het volgende bericht:„Naar de persdienst van 't N.V.V. meldt,heeft het bestuur van de „Christelijk NationaleVereeniging van werklieden in het Landbouw-,Tuinbouw-, Zuivel- en Veenbedrijf"aan den commissaris van het Ned. Verbondvan Vakvereenigingen bericht, dat de vereenigingzich aansluit bij het N.V.V.De toetreding van deze organisatie, dieruim 1800 leden telt, beteekent het eerstesymptoom van ihet ook in protestantsch-christelijkekringen ontwakende besef, dat de eenheidder Nederlandsche werkers thans meernoodig is dan ooit. Het bewijst teveois, dat dedoor commissaris Woudenberg doorgevoerdewijzigingen in het N.V.V. - - waardoor allepolitieke invloeden zijn uitgeschakeld, en tegelijkvoor niemand meer godsdienstige bezwarenkunnen bestaan tegen toetreding —in breeden kring erkenning en waardeeringhebben gevonden."Deze „vakorganisatie" was in de wandeling'bekend als de „Menaldumer kas" en heeftmet het Christelijk Nationaal Vakverbondnooit in eenige relatie gestaan.Het tweede deel van dit persbericht doetvermoeden, dat de samensteller daarvan nietop de hoogte is. Zijn conclusie berust dientengevolgeop een onjuist uitgangspunt.33


UIT DE GESCHIEDENIS DER ECONOMIEHet Mercantilisme.Wanneer wij nu tot de ,,georganiseerdeeconomie" komen, dan is allereerst aan deorde, de Mercantilistische school.Deze Mercantilistische school biedt noggeen afgerond systeem; noch practisch, nochwetenschappelijk. Niettemin kunnen we tochhier reeds spreken van een ,,school".Wanneer we de vraag stellen: wat was hetMercantilisme?, dan constateeren we, dat dievraag op verschillende wijze is beantwoord.De bekende econoom Adam Smith heeftgepoogd de gedachte ingang te doen vinden,dat het Mercantilisme alleen maar ten doelhad, zooveel mogelijk goud in de schatkistop te stapelen. Het land dat over de grootstevoorraad edel metaal beschikte, zou het meestwelvarend zijn. Voorts is de gedachte welgewekt, dat het Mercantilisme een incarnatiezou zijn van de legende van den GriekschenKoning Midas, die maar één wensch had,nl. dat alles wat hij zou aanraken in goudwerd veranderd.Deze gedachten zijn niet geheel juist.Het Mercantilisme streefde naar een gunstigehandelsbalans; een alleszins lofwaardigstreven. Maar het was in dat streven zeereenzijdig. Prof. Diepenhorst geeft over hetwezen dezer strooming de navolgende samenvatting:„Een in den nieuwen tijd opgekomenen tot in de 18e eeuw heerschend stelsel vanpractisch staatsbeleid, dat gedragen wordtdoor de gedachte dat iedere staat als economischeen politieke eenheid de roeping heeft,eigen macht tegenover vreemde staten te versterkenen dat die roeping met name moetworden vervuld door van staatswege de economischeverhoudingen te regelen en destoffelijke welvaart te bevorderen."Wanneer we nu de historie van dit stelselnagaan dan komen we tot de ontdekking, datzoowel in Frankrijk als in Engeland, de leidersvan dit stelsel aan hetzelfde euvel mankgaan, nl. de verwaarloozing van den landbouwen de eenzijdige verheffing van handelen industrie.In Frankrijk begint dit stelsel zich af teteekenen onder Hendrik IV. Door allerleiburgertwisten in eigen land was er van handelen industrie in Frankrijk niets terechtgekomen. In dien desolaten toestand heeftHendrik IV verandering gebracht. Dat gingmaar niet ineens. Hij had b.v. een scherpegedachtenwisseling met zijn minister Sully.Deze minister was van meening, datFrankrijk door de natuur was voorbeschikteen landbouwend volk te zijn en te blijven.De koning echter wilde, dat Frankrijk ookop het gebied van handel en industrie eengoede plaats op de wereldmarkt innam.De latere minister Colbert ging verder.Deze vestigde allerlei staatsmonopolistischebedrijven en bevorderde het industriewezen.Zijn streven droeg zoo sterk het Mercantilistischkarakter, dat men het ook wel: Colbertismenoemt.In Engeland was de Mercantilistische politiekeenzijdig gericht op ontwikkeling en beschermingvan de scheepvaart, alsmede op dewol- en metaalindustrie. Vooral in Engelandwerden dwaze maatregelen uitgevaardigd.Zoo was men verplicht om op Woensdagvisch te eten. Een wollen hoofddeksel mocht34alleen gedragen worden wanneer dit in Engelandvervaardigd was.De goederen, die noodwendig geïmporteerdmoesten worden, mochten niet andersdan op Engelsche schepen, uitsluitend bemandmet Engelschen, worden ingevoerd.(Akte van Navigatie 1651.)Daardoor kreeg onze Hollandsche koophandeleen geduchten slag.W. Cunningham vertelt in zijn: „Geschiedenisvan Engeland's handel en nijverheid",dat de staatslieden de scheepvaart en denijverheid wenschten te ontwikkelen. Onderhun politiek vermeerderde de handelsvloot,,so as to rule the waves" en werd Engelandde werkplaats voor de wereld. De grondslagenvan zijn voorrang in handel en nijverheidwerden gelegd door die mannen, die zich metbewustheid er toe zetten deze twee zijdenvan het nationale leven te ontwikkelen.De Mercantilistische handelspolitiek is inNederland lang zoo sterk niet geweest. DeRepubliek der Vereenigde Nederlanden werdeigenlijk geregeerd door de groote handelssteden.Met een tweetal voorbeelden willenwe deze handelspolitiek illustreeren.De Leidsche lakenwevers vroegen in 1648om een verbod van uitvoer van wol en vaninvoer van vreemde lakens. Uit Amsterdamkwam toen een protest, dat hierop neerkwam,De ontwikkeling van de industrialisatiein Rusland.dat de handel voor onze gewesten van veelmeer belang was dan de nijverheid en datdeze het uitstekend zonder bescherming zoukunnen stellen als zij de loonen maar nietopjoeg.Dan bestaat er nog het verhaal van dengraaf d'Estrades, betreffende den Amsterdamschenkoopman, die ten tijde van FrederikHendrik ter verantwoording werd geroepenwegens het feit, dat hij ammunitie aan denvijand geleverd had. De koopman dacht erniet aan zich te verontschuldigen, maar verdedigdezich met de bewering, dat hij honderdkooplieden kon noemen die hetzelfdededen als hij, „dat de koophandel niet moestworden belemmerd en dat hij, zoo men, omwinst te doen, door de hel moest varen, hetverbranden zijner zeilen in de waagschaalstellen zou".Op die verdediging, zoo voegt d'Estradesaan zijn verhaal toe, werd de koopman onschuldiggeoordeeld en ontslagen.Uit deze twee voorbeelden blijkt het karaktervan Hollands handelspolitiek uit diedagen wel duidelijk. W. A. J. D.Lectuur:Hoofdstukken uit de geschiedenis derStaathuishoudkunde, prof. Treub.Geschiedenis van Engelands Nijverheid,W. Cunningham.Vaderlandsche historie, dl. XI, Wagenaar.PERS EN POLEMIEKOnder dezen titel treffen we in het maandschriftEconomie van Februari 1941 een belangwekkendartikel aan van de hand vandr. T. Huitema. Van de economische ontwikkelingvan Rusland is bij ons nog weinig bekend.Daarom nemen we bedoeld artikelvoor het grootste gedeelte hier over, metweglating van de cijferreeksen en statistieken,die daarin voorkomen.„Sedert het optreden van de Sovjets heeftde structuur van Rusland zich belangrijk gewijzigd.De industrialisatie werd met krachtter hand genomen en van een uitgesprokenlandbouwland is Rusland thans in het stadiumvan een gemengd landbouw- en industrielandaangekomen.Het doel, dat men zich bij deze industrialisatievoor oogen stelde, was het bereikenvan een toestand van volledige onafhankelijkheidvan het buitenland. Overwegingenvan militairen aard hebben daarbij zeer zekereen belangrijke rol gespeeld. Ook de principieeleopvattingen omtrent de beteekenis vande industrie voor den opbouw van het socialismeleiden tot industrialisatie. Volgens Russischeopvattingen immers hangt de economischeontwikkeling van een land nauwsamen met de productiviteit van den arbeid.En industrialisatie is in feite niet anders daneen middel om het prestatievermogen van demenschelijke arbeidskracht met behulp vande moderne techniek tot een zoo groot mogelijkehoogte op te voeren. De, bekende Stachanow-bewegingis een uiting van dit strevennaar vergrooting der arbeidsproductiviteit.De voorwaarden voor de ontwikkeling vaneen industrie waren en zijn in Rusland ruimschootsaanwezig. Met een aandeel van 13pet. neemt Rusland thans de derde plaats inde wereldijzerproductie in. \Vat steenkolenbetreft, die voor de ontwikkeling van eenzware industrie onmisbaar zijn, staat Ruslander bijzonder gunstig voor, daar niet minderdan 1/3 van de wereldsteenkoolvoorradenzich op Russisch gebied bevinden. Inde productie van steenkool neemt Ruslandthans de vierde plaats in. De ontginning vande koper-, lood-, zink-, chroomerts-, mangaan-,goud- en platina-voorraden breidtzich voortdurend uit. Speciaal de productievan aluminium is toegenomen; in 1913 werdende grondstoffen voor dit metaal in Ruslandnog in het geheel niet ontgonnen, terwijlhet land thans de derde plaats in dewereldproductie van aluminium inneemt.Ook de productie van zeldzame metalen,zooals nikkel, antimoon, vanadium, wolüraamen molybdeen is gestegen. Wat mangaanbetreft neemt Rusland een zeer bijzondereplaats in. Van dit erts, dat een onontbeerlijkhulpmiddel is voor de staalproductie, bezitRusland meer dan de helft van den wereldvoorraad,produceert ongeveer 60 pet. derhuidige wereldproductie en levert aan landenover de geheele wereld. Ook van de wereldpetroleumvoorradenbezit Rusland meer dande helft, terwijl het wat de productie betreftop de tweede plaats staat.Tijdens het Tzaristisch regiem werdendeze minerale rijkdommen slechts in zeer geringenomvang benut. Na de revolutie hebbenechter de Sovjets de ontginning met krachtter hand genomen, hoewel het tot 1928 duurdeeer het industrieele apparaat, dat door derevolutie veel had geleden, weer het peil vanvóór den wereldoorlog had bereikt.Het Nieuw Economisch Plan (N.E.P.),dat in 1923 begonnen werd, plaatste een


groot electrificatieproject in het middelpuntder belangstelling. Ook thans- vormt deelectrificatie, waarvoor veel waterkracht beschikbaaris, nog een belangrijk onderdeelvan het derde vijfjarenplan. Naast deze electrificatievormen verder steenkool, ertsen,petroleum en de machinebouw de punten,waaromheen zich de industrieele opbouw vanhet land groepeert.Na 1928 werd de industrieele opbouwmeer systematisch ter hand genomen in denvorm van vijfjarenplannen, waarvan het eersteliep van 1928—1932 ( het tweede van1933 — 1937, terwijl het derde vijfjarenplande periode 1938—1942 omvat.Art. 11 van de Russische grondwet luidt:„Het economische leven van de Sovjet-Unie wordt bepaald en geleid door hetstaatsplan voor de volkshuishouding, in hetbelang van een vergrooting der nationalerijkdommen en van een versterking van deonafhankelijkheid der U.S.S.R. en van delandsverdediging." 1 )In verband met deze doelstelling gold hetaanvankelijk vooral een zware industrie testichten, met name een bewapeningsindustrie,welke Rusland vóór den wereldoorlog nietbezat. Deze nadruk, die op de zware industriewerd gelegd, ging evenwel dikwijls iteokoste van andere industrietakken, in het bijzondervan de consumptiegoederenindustrie.De werkzaamheden concentreerden zichderhalve vooral op de productie van grondstoffen,uitbreiding van de mijnbouw- enpetroleumindustrie. schepping van een metallurgischeindustrie en hoogove'nbedrijf enden opbouw van een machine-industrie. Eengeheele serie van nieuwe takken van nijverheidis daarbij ontstaan, o.m. een nikkel- enzinkindustrie, een aluminium- en zeldzamemetalen-industrie,een kali-, fosfaat- en stikstof-industrie.Tevens werden industrieënvan synthetische producten en een stapelvezelindustrieopgericht.Verschillende van de nieuw opgerichtenbedrijven ontwikkelden zich tot ware „reuzenbedrijven",zoo b.v. de hoogovenbedrijvenin de Oekraïne, de Oeral en West-Siberië, demachinefabrieken in Kramatorsk, de autobedrijvenin Gorki en Moskou, de tractorenfabriekenin Stalingrad en Charkow en dechemische fabrieken in Stalinogorsk. Latererkende men de vele nadeelen van deze,,gigantomanie", zoodat momenteel een strevenvoor het oprichten van kleinere en middelgrootebedrijven vak waar te nemen.Wat de mijnbouw betreft, benadert Ruslandthans, na de Vereenigde Staten, hetdoel van de volledige voorziening in eigenbehoeften het sterkst. Succesvol was de ontwikkeling,vooral bij steenkool, ijzer, lood,zink, nikkel, aluminium, kalizout en fosfaat.Minder bevredigend waren de resultaten bijtin, wolfraam,- molybdeen en, zwavel.Volgens het derde vijfjarenplan moet in1942 de waarde der industrieele productiegestegen zijn tot 184 milliard Roebel, teger>95.5 milliard Roebel in 1937, zijnde een stiiaingmet 92 pet. De voortbrenging der productiemiddelenmoet met 152 pet. toenemenen die van gebruiksartikelen met 47 pet. vergelekenmet 1937.J ) We vinden dus reeds hier als doelstelling vande nationale economie vermeld het in dienst staan vanen in de eerste plaats gericht zijn op de militaireparaatheid van het land, een streven, dat ons —• alstypische uiting van dezen tijd -— maar al te bekendvoorkomt,In 1942 moet de industrie 400.000 auto's,75 milliard kilowattuur, 230 millioen tonsteenkool, 54 millioen ton petroleum, 22 millioenton ruw ijzer, 27.5 millioen ton staalen 21 millioen ton walsijzer produceeren, Dechemische productie moet een. waarde verkrijgenvan 13.4 milliard Roebel.Ondanks de sterke stijging staat de industrieeleproductie per hoofd van de bevolkingnog sterk ten achter bij die der groote industriestatenals de Vereenigde Staten, Duitschlanden Engeland.Behalve uit eigen kracht, door een versterkteopleiding van ingenieurs en andertechnisch personeel, is de industrieele productievoor een groot deel ook zoo sterk kunnenworden opgevoerd door buitenlandschemgenieurs en technici, de levering van gecompliceerdemachines, ja zelfs den invoervan complete fabrieksinstallaties.De snelle opbouw van een dergelijk omvangrijkindustrie-apparaat ging echter nietzonder ernstige moeilijkheden gepaard. Eender gevolgen van het snelle tempo was eengebrek aan goed onderlegd technisch personeelen een te geringe scholing der arbeidere.Dit veroorzaakte soms een soort roofbouwop de machines, terwijl het uitvalpercentagezeer hoog was.Het gebrek aan goede krachten komt misschienook tot uiting in de onophoudelijkewisseling in de leiding der Volkscommissariaten.Ten einde aan deze moeilijkheden hethoofd te bieden, is men in October 1940overgegaan tot instelling van arbeidsreservesvoor de industrie. Er is besloten jaarlijks800.000 tot één millioen arbeiders ter beschikkingte stellen als staatsarbeidsreserveen tegelijkertijd de jeugd in de steden en ophet land op kosten van den staat een vooropleidingin ambachtsscholen te geven voorindustrieele beroepen.De staatsarbeidsreserves staan direct terbeschikking van den Raad van Volkscommissarissenen kunnen door een Volkscommissarisen de ondernemingen niet zondergoedkeuring der regeering te werk wordengesteld.Alle scholieren, die de ambachtsscholen, devakscholen en de spoorwegscholen hebbendoorloopen, worden als gemobiliseerd beschouwden zullen gedwongen zijn 4 jaar tewerken in staatsbedrijven tegen loonen, welkedoor de ondernemingen worden betaaldvolgens de algemeene voorwaarden.Een ander bezwaar is, dat men vooral inkwantiteiten heeft gedacht, waardoor dekwaliteit der producten nogal eens in verdrukkingkwam.Ook ontbrak het vaak aan de noodigeharmonie bij den opbouw der verschillendeindustrieën, met het gevolg, dat vaak heteene bedrijf lamgelegd werd, omdat het bedrijf,dat de noodige grondstoffen of halfproductenmoest leveren, nog in een veelachtelijker stadium verkeerde. Deze disproportionaliteit,altijd reeds een kenmerk van't economisch leven in Rusland, heeft de ontwikkelingvaak ernstig belemmerd. Het vooreen harmonischen opbouw zoo onmisbarerhytme in het economische leven ontbreektten eenenmale in Rusland.Een zwak punt in de organisatie vormtverder de gebrekkige ontwikkeling van hetverkeerswezen, zoowel wat betreft spoorwegen,waterwegen als gewone wegen. Ophet gebied der motoriseering staat Ruslandop de op 3 na laatste plaats in Europa. Daardoor den voortdurenden groei der industriesteeds meer vervoersgelegenheid vereischtwerd, werd het bestaande verkeersapparaatdus zwaar overbelast. In het derde vijfjarenplanheeft men daarom aanmerkelijk grootereinvesteeringen voorgenomen voor de fabricagevan locomotieven, wagons, automobielen,bouw van nieuwe spoorlijnen en kanaliseering.Ook het reeds vermelde streven naarregionale autarkie moet de moeilijkhedenhelpen oplossen.Het feit, dat steenkool en ijzererts op zooenormen afstand van elkaar verwijderd wordenaangetroffen (de afstand van het Oeralijzerertstot de steenkolen in het Altaigebergtebedraagt 2000 km), heeft dit verkeersprobleemnog geaccentueerd.Een ander zwak punt vormt de voor Ruslandnog immer belangrijke landbouw, diebijna 60 % der bevolking omvat. Tijdens hettweede vijfjarenplan werd de collectiveeringvan den landbouw voltooid, en practisch alleprivé-bezit opgelost in groote collectievelanderijen, colchosen geheeten. Hierdoorwerd echter iedere boer als het ware totarbeider gemaakt, terwijl het streven van eenboer juist gericht is op het bezit van eeneigen stuk grond. Bovendien had dit een verminderingvan den veestapel ten gevolge,daar het juist bij de veeteelt om een zelfstandigkweeken en fokken gaat. Ook deoverdreven mechaniseering oefende een nadeeligeninvloed op den veestapel uit. Tevenswas er gebrek aan voldoende meststoffen.De organisatie der industrie is gebaseerdop staatsbezit en staatscontrole. Deze organisatieschijnt nogal bureaucratisch te zijn enlog te functionneeren.De leiding der organisatie berust bij denRaad van Volkscommissarissen. De bovensteorganen worden gevormd door de volkscommissariaten.In het kader van een toenemendecentralisatie en specialisatie is hetaantal volkscommissariaten voortdurend toegenomen,terwijl nog geregeld wijzigingenplaats vinden. Volgens den stand van begin1940' waren er meer dan 30 volkscommissariatenmet een economisch karakter, waaronder22 industrieele commissariaten.De volkscommissariaten zijn in drie groepente splitsen. In de eerste plaats die dercentrale regeering, •welke eenigszins overeenkomenmet onze ministeries. Hun bevoegdhedenstrekken zich over het geheele gebiedder Sovjet-Unie uit, terwijl bij hen 't zwaartepuntder organisatie ligt, daar zij de belangrijkstebedrijfstakken, met name die voor delandsverdediging, omvatten.Tot deze groep behooren de volkscommissariatenvoor de voedselvoorziening, het verkeer,den buitenlandschen handel, en deindustrieele commissariaten voor de wapen-,munitie- en vliegtuigindustrie, de scheepsbouwindustrie,ijzerindustrie, bont-metalenindustrie,chemische industrie, petroleumindustrie,steenkolenmijnbouw, electriciteitsindustrie,cellulose- en papierindustrie, denalgemeenen machinebouw, den middelzwarenen den zwaren machinebouw.De tweede groep wordt gevormd door devolkscommissariaten der bondsrepublieken.Hiertoe behooren de volkscommissariatenvoor de financiën, handel, landbouw, graanbouwen veeteelt, staatslanderijen, en deindustrieele commissariaten voor de bouw-35


stoffenindustrie, hout-, textiel-, lichte industrie,levensmiddelen-, vleesch-, melk- envischi-ndustrie, alsmede een industrieel planningscommissariaat.De laatste groep wordt gevormd door devolkscommissariaten van de zelfstandigerepublieken, welke geen centraal orgaan bijde bondsregeering in Moskou hebben. Hunwerkkring is beperkt tot de locale industrie.De Raad van Volkscommissarissen wordtbijgestaan door een Economischen Raad,wiens werkzaamheden in April 1940 belangrijkwerden gereorganiseerd.Op dien datum werden nl. zes economischecomité's gevormd, ten einde de verlangdecoördinatie van de verschillende bedrijfstakkente verzekeren en verbetering te brengenin de voorbereiding en uitvoering van de verschillendeeconomische plannen.De volgende comité's werden gevormd: eencomité voor de metallurgische en chemischeindustrieën, voor den machinebouw, voor dedefensie-industrieën, voor brandstoffen enelectriciteit, voor algemeene verbruiksartikelenen voor den landbouw en landbouwvoorraden.Deze economische comité's zijn belast metde onmiddellijke leiding van het werk deronderscheiden volkscommissariaten. Zij wordengepresideerd door de vice-voorzitters vanden Raad van Volkscommissarissen, welke ophun beurt gezamenlijk den EconomischenRaad vormen, staande onder den Raad vanVolkscommissarissen.Wij vinden dus hier -weer een uiting vande toenemende centralisatie en coördinatievan het economisch bewind,In September 1940 werd een „Volkscommissariaatvoor de Staatscontrole" gevormd,waarin alle bestaande controle-instituten, dieontoereikend bleken te zijn, werden opgelost.Het nieuwe volkscommissariaat oefent controleuit op productie, consumptie, gebruikvan staatsmiddelen en de uitvoering der verordeningenen voorschriften, terwijl heFvOoraltot taak heeft de verspilling, die in eenenorm gebied als Rusland groote afmetingenhad aangenomen, met kracht tegen te gaan.Om deze veelomvattende taak te kunnenuitvoeren, werd het volkscommissariaat uitgerustmet volmachten, waardoor 't bevoegdis de leiding van alle organisaties, coöperatiesen ondernemingen te controleeren en bindendevoorschriften voor het geheele economischeleven uit te vaardigen.Summa summarum komt men tot de conclusie,dat in Rusland nog een ontzaglijkeindustrieele capaciteit verborgen ligt. Reedsis veel bereikt, doch veel meer kan nog bereiktworden. Mocht eenmaal de ontwikkelingop hetzelfde peil komen als in de andereindustrielanden, dan zal Rusland op industrieelgebied ongetwijfeld een doorslaggevendefactor worden in de wereldeconomie.OpdeelDE EXTRA-WINTERUITKEERING.Onder verwijzing naar het afschrift vanonzen brief aan den waarn. Secretaris-Generaalvan Sociale Zaken, opgenomen in onsvorig nummer, waarin werd verzocht deextra-winteruitkeering ook uit te strekken totde arbeiders, bij de werkverruiming, nemenwij hier op het antwoord, dat wij ter zakeontvingen:,,In antwoord op Uw hiernevens vermeldschrijven bericht ik U dat, zooals in mijncirculaire van l Februari 1941, no. 2-1129,afd. S, is uiteengezet, de extra-winteruitkeeringalleen aan de gesteunde werkloozenwordt gegeven.In verband met hetgeen U is medegedeeldbij mijn missive van afd. W, 22 Februari1941, doss. 140-01, no. 72 N, afd. W engelet op het feit, dat de bij de werkverruiminggeplaatste arbeiders in den regel hoogereinkomsten dan de gesteunden genieten,kan ik niet goedkeuren, dat deze extra-winteruitkeeringook aan de tewerkgesteldenwordt toegekend.De waarnemend Secretaris-Generaalvan het Departement van Sociale Zaken,(w.g.) VERWEY."WAT MEN DIENT TE WETENXIII.1. Op 10 Januari jl. verzocht ons verbondaan den wnd, Secretaris-Generaal van hetDepartement van Sociale Zaken aan de metverlof in Nederland zijnde arbeiders, die inDuitschland werken, uitkeering krachtens dewerkloosheidsverzekering of de steunregelingte verstrekken.Dit verzoek is afgewezen.2. In zake de distributie van levensmiddelenheeft het Centraal Distributiekantoor beslist,dat de arbeiders, die in werkkampenvan den Rijksdienst der W'erkvemiiming geplaatstzijn, in aanmerking komen voor extrarantsoenenbrood, boter of vet en vleesch, opbasis van de regeling, die geldt voor personen,die zeer zwaar lichamelijk werk verrichten.3. Arbeiders, die in Duitschland werken,hebben, voor zoover zij gehuurd zijn, rechtop verlof na 6 maanden; de ongehuwdenmogen na 12 maanden met verlof. Zij ontvangengedurende hun verlof geen loon.Buiten en behalve dit verlof bestaat er inde verschillende ondernemingen of bedrijvenregelingen, krachtens welke vacantie (welte onderscheiden van het eerstgenoemde verlof),wordt gegeven. Deze vacantie wordt gegevenmet behoud van loon. Ze is voor deverschillende bedrijven verschillend. Men informeereter plaatse bij den z.g. vertrouwensmanof den bedrij f svertegenwoordiger vanhet Duitsche arbeidsfront hoe het staat metde ,,echte" vacantie. Ook de patroon kandaarover wel inlichten. Men vrage eventueeleen afschrift van de bestaande C.A.O. (Tarifvertrag).4. Bij geoorloofd verzuim van arbeiders,die bij werkverruimingswerken arbeid verrichten,mag in de volgende gevallen eenvergoeding worden toegekend en wel alsvolgt:36Overlijden.Bij verzuim wegens overlijden van de echtgenoote,van bloed- en aanverwanten in derechte lijn (voor zoover het betreft ouders,grootouders, kinderen, kleinkinderen enschoonouders) of van bloed- en aanverwantenin den tweeden graad der zijlinie (broedersen zusters, zwagers en schoonzusters)kan aan een te werk gestelde een dag verzuimtoegestaan worden.Indien in een zeer bijzonder geval, b.v. bijgrooten afstand, verzuim van een tweedendag te billijken is, kan ook dit toegestaanworden. De vergoeding wegens loondervingmag worden berekend naar den grondslagvan het basisuurloon en het aantal verzuimuren.Bevalling.Bij bevalling van de echtgenoote van dente werk gestelde kan een dag verzuim toegestaanworden, met toekenning van eenvergoeding, gebaseerd op het basisuurloon enhet aantal verzuimuren.Geboorte.Bij verzuim wegens aangifte van de geboortevan een kind kan aan een te werkgestelde een vergoeding worden gegeven berekendnaar het basisuurloon en het aantaluren, dat het gemeentebestuur redelijkerwijzenoodig acht, om aan een wettelijkeverplichting te kunnen voldoen.Huwelijk.Bij huwelijk van een dochter of een zoonkan aan een bij de werkverruiming te werkgestelde een dag vrij gegeven worden, indienhij tijdig daarom verzoekt. Over dezen dagmag eveneens een vergoeding uitgekeerdworden, berekend naar het basisuurloon enhet aantal verzuimuren.Besluit op de Omzetbelasting 1940. Toegelichtvoor de practijk door G. Zwart.Uitgevers-Mij, v.h. Kemink & Zoon N.V.,Utrecht.In de omzetbelasting is per l Januari 1941een belangrijke wijziging aangebracht. Ofeigenlijk een serie wijzigingen. Dit boekjegeeft een toelichting op den inhoud van ditbesluit.De prijs is f 0.95.VOOR EN VAN ONZEBESTURENBONDENAlmelo.Onze studieclub vergaderde voor de derde maal indit seizoen.De heer F. P. Fuykschot, secretaris van het Chr.Nat. Vakverbond, hield een referaat over ,.Oude ennieuwe opvattingen in zake economischen opbouw".Na een korte inleiding behandelde spreker uitvoerigde opvatting der klassieke of liberale school, waarnahij, eveneens in den breede. het standpunt der z.g.(,nieuwe economie" uiteenzette.Daarbij werden o.a. de koopkrachttheorie, de autarkieen het kapitaalverkeer ter sprake gebracht.Na uitvoerige bespreking werd de vergadering opde gebruikelijke wijze gesloten. G. JANSEN, secr.INHOUD: Terug naar het woord. - - DeHervormers en de Zondag. — Een lofzang instilheid. — G. Ekkel, 25 jaar gesalarieerdbestuurder, — Drie jubilea. — 40 jaar lid. -Verplichte diensten. - - Christelijke vakorganisatienaar het N.V.V. — Uit de geschiedenisder economie. - - Pers en polemiek. - - Watmen dient te weten. (XIII.) -- Officieel: Deextra-winteruitkeering. —• Boekbespreking:Besluit op de omzetbelasting 1940. - - Vooren van onze besturenbonden: Almelo.

More magazines by this user
Similar magazines