MAANDBLAD

webstore.iisg.nl

MAANDBLAD

m 234 5 December 1917MAANDBLADvan denNederlandschen Journalisten-KringRedacteur: D. HANSLaan van Nieuw Oost-Indië 156, 's-GravenhageDit blad verschijnt den eersten en derdenWoensdag van iedere maand.INHOUD. Officiëele Mededeelingen: Bestuursvergadering;De Kring en de Duurtetoeslag i — Ledenlijst. •— Binnenland:Afschaffing van nachtarbeid; Ochtendbladen en nachtarbeid;De actie voor duurtetoeslag; Henri Dekking; In het NederlandschPers-Museum II; De Rotterdamsche Courant; Deopening van het Pers-Museum; Societeits-avond der H. J. V.;Maandblad-fonds. — Indië: De verantwoordelijke pers; Eenontslag. — Buitenland: De Japansche pers II. — RechtszakenArt. 100 Strafwetboek; Een bedenkelijk vonnis; Persdelicten. —Dit de Pers: Wat wtf geleerd hebben. — Personalia enBerichten. — Mozaïek. — Ingezonden: Een verklaring. —Correspondentie.Officiëele Mededeelingen.Bestuursvergadering.Het Kringbestuur kwam Zaterdagavond 24 Novemberin hotel Victoria te 's-Gravenhage bijeen.Aanwezig waren de bestuursleden ü. Hans, G. G. van As,L. Schotting, A. G. Biemoud, L. van der Reis en latermr. L. J. Plemp van Duiveland, benevens de gedelegeerdenvan Den Haag, mr. Joh. J. Belinfante, van AmsterdamJ. W. Heimer en van Haarlem Jac. J. Meijerink. Afwezigmet kennisgeving het bestuurslid Henri Dekking en degedelegeerde voor Rotterdam A. Voogd.De vice-voorzitter opent de vergadering, waarna de notulenvan de laatste twee vergaderingen worden gelezen engoedgekeurd.Ingekomen zijn verschillende stukken, waarvan de ledengrootendeels reeds door het Maandblad kennis hebbengekregen, o.a. een brief van dankbetuiging van dr. A. Kuyper.Ingekomen is verder een schrijven van den heer W.Kerremans te Delft, die zich beklaagt over de overneminguit De Telegraaf van het artikeltje „De pers in Delft" innummer 232 van het Maandblad en die daarom hetBestuur verzoekt „den Redacteur op te dragen niet degebruiken van De Telegraaf in het Maandblad over tenemen." Het Bestuur besluit den heer Kerremans teantwoorden, dat klachten over het beleid van den redacteurthuis behooren op de jaarvergadering, waar de redactievanzelf aan de orde komt.Nadat dit punt juist is afgehandeld, verschijnt de voorzitter,mr. L. J. Plemp van Duiveland, ter vergadering.De vice-voorzüter spreekt hem namens het Bestuur toe.Het is ons allen — zegt hij — een groote vreugde, uhier weder aanwezig te mogen zien. Ik overdrijf nietwanneer ik verklaar, dat wij u hebben gemist in onzevergaderingen. Vooral voor hen, die alwat langer deel vanhet Bestuur uitmaken, was het een vreemde gewaarwording,u niet in de vergaderingen te zien. In de vijf maanden,dat ik het voorzitterschap heb waargenomen, heb ikondervonden, dat er veel meer aan vastzit, dan velendenken en mijn respect voor u, die de functie al zoolangvervult, is er nog door toegenomen. Ik wensch u vanganscher harte geluk met uw herstel, en — zoo besluitspr. _ wanneer ik u thans het presidium van deze vergaderingen van den Kring weer overdraag, doe ik datin de hoop, dat gij het nog vele jaren ongestoord zultkunnen waarnemen. (Applaus).De voorzitter betuigt zijn innigen dank aan allen, diehem tijdens zijn ziekte van hun vriendschap deden blij-ken en in 't bijzonder aan den vice-voorzitter en densecretaris, voor de hartelijkheid van hen ondervonden.Gaarne zal hij de leiding weer op zich nemen en hijhoopt in staat te zijn die leiding te blijven voeren. Ikmag echter — zegt spr. — mijn functie niet aanvaarden,zonder een woord van oprechten dank aan collega Hansvoor de voortvarendheid en het talent, waarmee hij hetpresidium heeft waargenomen, en die hem ook eenigepersoonlijke successen hebben doen behalen. Het is spr.tijdens zijn ziekte een groote geruststelling geweest teweten, dat het voorzitterschap op die wijze werd vervuld.Hiermede neemt spr. de leiding weer op zich. (Instemming.)Schorsing van een blad. — Ter sprake wordt dan gebrachthet feit, dat de garnizoens-commandant van Middelburg,naar aanleiding van een critiek op militaire toestanden inde Middelburgsche Courant, dit blad met schorsing hadbedreigd. Uit de aan den vice-voorzitter van den Kringschriftelijk gedane mededeelingen bleek echter niet alleen,dat aan het dreigement geen verder gevolg was gegeven,maar tevens dat de hoogste militaire autoriteiten in Zeelanddeze zaak hadden beslist op een manier, die voor deMiddelburgsche Courant in het bijzonder en voor de journalistenin het algemeen in alle opzichten bevredigendmoet worden genoemd. Het Bestuur vindt dan ook geenreden om zijnerzijds iets te doen.Candidaturen. — Verschillende nieuwe leden wordenaangenomen. (Zie hierachter).Het Utrechtsche conflict. — Ingekomen is een uitvoerigstuk van de redacteuren van het Utrechtsch Dagblad metverzoek dit, in afwijking van het besluit van het Dagelijksch Bestuur, alsnog officieel in het Maandblad op tenemen. Over deze zaak wordt uitvoerig van gedachtengewisseld en de vergadering besluit ten slotte de houdingvan het Dag. Bestuur goed te keuren en zijn besluit tehandhaven, onder mededeeling aan de schrijvers, dat voorhen natuurlijk, zooals voor ieder ander lid, de gelegenheidopenstaat zich met het stuk tot den redacteur te wenden,die dan zelfstandig over de opneming zal moeten beslissen.Er wordt nog overwogen of er geen middel is, dit pijnlijkeUtrechtsche conflict alsnog op te lossen, maar het Bestuurmeent alles gedaan te hebben wat het kan en verwijstnaar zijn reeds vroeger meegedeelde conclusies.Duurtetoeslag. — De resultaten van de actie voor duurtetoeslaggeven aanvankelijk algemeen voldoening. Intusschenhebben verscheidene directies nog niet geantwoord. HetBestuur besluit de actie voort te zetten. De directies dienog niets van zich lieten hooren, zullen opnieuw wordenaangeschreven. Van verschillende kanten wordt medegedeeld,dat het resultaat in werkelijkheid gunstiger is danuit de opgaven uit het Maandblad blijkt: tal van directieshebben iets gedaan, zonder dit aan den Kring te berichten.Het Bestuur besluit de leden uit te noodigen, hiervan invoorkomende gevallen mededeeling te willen doen.Ongevallen-verzekering. — Uitvoerig wordt gesprokenover de vraag, of het wenschelijk is de journalisten, dieuithoofde van hun beroepsbezigheden meermalen ter zetterijen drukkerij, of bij gebeurtenissen die eenig gevaaropleveren, vertoeven, in de Ongevallenwet te doen opnemen.Van verschillende kanten wordt betoogd, dat deKring een nuttig werk zou verrichten, als hij daartoe denstoot kon geven. Op verzoek van den voorzitter verklaartcollega Hans zich bereid, deze zaak aan het Departementvan Waterstaat te gaan bespreken.Statutenherziening. — Nu de voorzitter weer aanwezigis, zal het Bestuur de regeling van de Statutenherzieningdienen te bepalen. Besloten wordt hieraan de volgende


950 M A A N;D:B L^A Dvergadering te wijden. Dan zal het Bestuurs-advies wordenvastgesteld. Speciaal zal daarbij ook aan de orde komende vraag van de samenstelling der algemeene vergaderingen de organisatie van den Kring in afdeelingen of districten.Zaak-van der Veer. Ingekomen is een uitvoerig antwoordvan den heer John C. van der Veer te Londen op hetreeds vroeger vermelde verzoek om inlichting van hetKringbestuur. Aangezien de circulatie van dit schrijvenis vertraagd en de voorzitter er nog geen kennis vanheeft kunnen nemen, wordt besloten het op de agendavan de volgende vergadering te plaatsen.Daarna wordt de vergadering gesloten.De Kring en de duurtetoeslag.Sinds de vorige publicatie zijn nog antwoorden ingekomenvan De Botter dammer, Be Zeepost en de MiddelburgscheCourant.26. Aan ons orgaan is slechts één redacteur verbonden,wiens salaris wij door de voor ons ongunstige omstandighedenniet kunnen verhoogen.27. (Dit is een nader antwoord van nummer 3). Commissarissenhebben besloten een herziening der salarissenter sprake te brengen, maar inmiddels aan het personeeleen duurtetoeslag verleend, varieerend van ƒ 50 tot ƒ200.28. Wij hebben verschillende salarisverhoogingen toegekenden zullen niet aarzelen, zoo noodig nog verder tegaan.Het is aan het Kringbestuur van ter zijde bekendgeworden, dat aan verschillende bladen duurtetoeslag ofsalarisverhooging is of zal worden toegekend, zonder datdaarvan bericht is gezonden aan het secretariaat. HetBestuur doet daarom een dringend beroep op die leden, dietoeslag of verhooging hebben ontvangen, doch wier directiedaarvan geen bericht zond (hetgeen is te controleerën aande hand van de in het Maandblad opgenomen lijst) om zelfdaarvan aan den secretaris van den Kring mededeeling tedoen.Ledenlijst.Nieuwe leden:Jet van Strien, Haagsche Courant, Ampèrestraat 190,'s-Gravenhage.M. H. L. W. Blokzijl, Alg. Handelsblad, Hollendorfplatz6"i, Berlijn.R. W. Lammers, Stichtsche Courant, Oudegracht 66, Utrecht.C. Harms Tiepen, Delftsch Dagblad, Laan van Overvest 42,Delft.Het nieuwe adres van mej. A. Buining (in het vorig nummeronjuist vermeld) is Verlengde Heereweg 1 a, Groningen.Verhuisd:H. H. J. van de Pol van Dor dr. Crt. naar ApeldoomschDagblad, Tuinstraat 64, Apeldoorn.Binnenland.Afschaffing van nachtarbeid. ')Met zekere verwondering heb ik het antwoord van collegaHans in het laatste nummer van het „orgaan vanonze vakvereeniging" gelezen. En wel, omdat een dergelijkartikel, waarin de redacteur zich reeds bij voorbaat opeen standpunt stelt, dat al heel weinig op dat van eencollega lijkt, bij mij de vraag doet opkomen, of op diemanier ooit sprake kan zijn van een orgaan van onze„vak"-vereeniging. In een dergelijk orgaan toch moest deredacteur elke gelegenheid aan willen grijpen, om eenbelangrijk onderwerp op zoodanige wijze in te leiden, dathet den lezer gelegenheid geeft zijn meening daarover inhet Maandblad te uiten.Niet echter collega Hans.Na het eerste artikel van „een journalist" in het Maandblad:kort en krachtig: afschaffing van de ochtendbladenis onmogelijk. En als dan „een journalist" zich over eendergelijke manier van handelen beklaagt, tracht hij dooreen paar grapjes zijn meening te motiveeren.') Dit artikel bereikte ons reeds voor het vorig nummer, maarkon toen niet worden opgenomen. — Redactie.Het is bij een poging gebleven.Want Hans maakt de fout, dat hij niet schrijft over deafschaffing van den nachtdienst, maar over de afschaffingvan de ochtendbladen. Door van een foutief standpuntuit te gaan, tracht hij ons om den tuin te leiden, maarbewijst daarmede tevens of het betoog van „een journalist"niet te willen begrijpen, öf niet op de hoogte te zijnvan de inrichting van en de werkwijze aan de redactiezelve, omdat hij anders zich zou kunnen voorstellen dater ochtendbladen kunnen verschijnen, zonder dat hetnoodig is, daarvoor des nachts te werken; — en dat weldoor den dienst van het ochtendblad om twaalf uur 's nachtste doen eindigen. Met een tweeploegenstelsel en een vervroegingvan den z.g. dagdienst is dit zeer wel mogelijk.Maar tevens zou dan een regeling vastgesteld dienente worden, waarbij wordt bepaald, dat dag- en avondploegelkaar om zekeren tijd moeten afwisselen. Want een vande hoofdgrieven tegen den nachtdienst is m.i. juist, datden journalist, die geregeld nachtdienst heeft, de gelegenheidwordt ontnomen zich verder te ontwikkelen door hetbijwonen van vergaderingen, het bezoeken van schouwburgen,en den omgang met intellectueel-ontwikkeldemenschen. Geen grief tegen den nachtdienst is zóó sterken wordt door hen die doorloopend nachtdienst hebbenzóó sterk ook gevoeld, dan juist dit laatste. Dat hopeloozegevoel van afgesneden te zijn van de geheele samenleving,gedoemd te zijn tot een onnatuurlijke leefwijze, die geenvoor-, alleen nadeelen met zich brengt, maakt den nachtredacteurlangzamerhand tot een machine, tot een doodwerktuig, zonder initiatief, die zulk een karakteristiekeeigenschap van den journalist is. Wie met mij tot het„handje-vol" — het fraaie woord is van collega Hans —journalisten behoort, dat nacht in, nacht uit de bezwarenvan dezen dienst voelt, zal begrijpen wat ik hiermeezeggen wil. En beter begrijpen dan zij, die, ofschoon zijbehooren tot hen die in onzen Kring leiding moestengeven,.met een alles-vernietigende uitspraak als: afschaffingvan den nachtarbeid is onmogelijk, nalaten eenegoede gelegenheid aan te grijpen tot het laten onderzoekenen bespreken van een voor ieder journalist belangrijkonderwerp als de nachtdienst.Over de afschaffing van ochtendbladen wensch ik hierniet uit te weiden. Deze „dwaasheid" toch, is een vraagstukvan zoo ver strekkenden aard, waarbij zoovele enzoo verschillende belangen zijn gemoeid, dat het zekerniet op mijn weg ligt een uitspraak te doen, die wellichtniet dan na ernstig en degelijk onderzoek door meerbevoegdenzou zijn te geven. Zooveel is zeker: uit weeldegeven de dagblad-directies hun ochtendbladen niet uit. Enwaar dezelfde directies er niet tegen hebben hun lezers86 uren,, een der raderen, die de machine van het modernsocialeleven in gang houden" te onthouden, daar moethet m.i. toch ook zoo onmogelijk niet zijn, hun 24 uurnaar die actueele hap te laten snakken.Tenslotte nog dit. Collega Hans uit de vrees dat, gestelddat de directies zouden besluiten de ochtendbladen af teschuffi n, een ondernemende particulier voor een nieuwochtendblad zou zorgen. Een „vergissing", collega. Erbestaat, nog zoo iets als een collectief contract tusschende drukkerspatroonsbonden en de typograf'en bonden. Endat maakt een nieuw ochtendblad van welken ondernemender)particulier dan ook — gesteld al dat er menschengevonden zullen worden, die hun geld in dergelijkegewaagde en dure ondernemingen zouden willen steken— in dit geval tot een absolute onmogelijkheid.HEKMAN LEVY.* *„Pruisisch .... geen collega .... een paar grapjes enmeer niet.... om den tuin leiden .... begrijpt er nietsvan .... wil het niet begrijpen .... kan geen leidinggeven .... niet op de hoogte . . . ."Boem-boem-boem.'t Lijkt wel een brandweer-fanfare-korps, met als hoofdwapende Turksche trom. Dikke woorden genoeg. Wijgelooven dat de schrijver de draagwijdte van enkele zijnerbeschuldigingen niet begrijpt. Daarom zullen we maarniet nijdig worden. Overigens: wat zijn er toch hartelijkecollega's! Zoolang men voor hun belangen op de bresstaat, dag in dag uit ettelijke uren van z'n vrijen tijd geeftvoor vereeniging en orgaan, is men bij zulke collega'sgetap, mits ... men alles precies doet volgens hun modelen langs de lijntjes die zvj zich hebben getrokken. Maarnauwelyks verkondigt men eens een meening, die met de


MAANDBLAD 951hunne in botsing komt, of zij gooien u allerlei onvriendelijkhedenen kracht-termen naar het hoofd, gelijk collegaLevy, die een blauwen Maandag aan de groote pers is enons nu met allerlei groote woorden komt vertellen, datwij er niets van weten of begrijpen. Men moet, gelijk eenkèllner, sommige hééren precies bedienen zooals zij datwenschen: dan krijgt men, als fooi, hun geachte instemming.Laat deze jeugdige collega zich wat goeden smaakin het debat tusschen vakgenooten aanschaffen en nietprobeeren met afsnauwen het pleit te winnen.En hij geeft blijk slecht te kunnen lezen ook. Nooit ofnergens hebben wij geschreven dat ook wij niet afschaffingvan den nachtarbeid zouden willen, nooit of nergenshebben wij afschaffing van nachtarbeid een onmogelijkheidgenoemd. Maar wij hebben gezegd: geef ons een goedmiddel, om met behoud der ochtendpers daartoe tekomen. Dat middel is tot nu toe niet genoemd. De paarvage aanwijzingen van collega Levy maken ons nietwijzer. Iemand die slechts tot 12 uur 's nachts — zooalshij WÜ _ arbeid verricht, is óók afgesloten van hetmaatschappelijk en intellectueele avond-verkeer, waaraanhij — terecht — zulk een groote waarde toekent. Er verandertin dit opzicht niets, of men tot 12, dan wel tot2 uur arbeidt. Een ploegenstelsel? Uitnemend. Maar eenploegenstelsel is op het oogenblik ook mogelijk en bestaatzelfs bij eenige bladen. Wij voelen er inderdaad veel voor,om de arbeid voor het ochtendblad afwisselend te latenverrichten. Maar dit is een bijzaak. Het raakt het hartvan de kwestie niet. Wij hebben gevraagd: geef ons eendeugdelijk middel, om, met behoud van de ochtendbladen,den nachtarbeid af te schaffen. Wanneer ons dat wordtvoorgelegd, zullen wij er hartelijk verheugd om zijn,gelijk wij iedere verlichting van dien nachtarbeid, hetzijdoor invoering van een ploegenstelsel of anderszins, geestdriftigzullen toejuichen. Maar wij gaan uit van hetbehoud van de ochtendpers. Dat is ons recht. Het argument,dat het publiek van Zondag tot Maandag 36 uurzonder blad is, gaat niet op. Dat is eenmaal per week envoor Zondagsrust moet vrijwel alles wijken. Maar bovendien:is daarom juist niet het Maandagochtendblad ontstaan?Dit argument keert zich dus tegen den heer Levy zélf:juist om die marge van 36 uur is een speciaal ochtendbladopgericht.Uit weelde — schrijft de heer Levy — geven de directiesgeen ochtendblad uit. Precies: en nu ziet de heerBoas hoe komiek het is ons te verwijten dat wij ons ophet standpunt van den directeur hebben gesteld.Wij laten het hierbij.Alleen dit nog: wij hebben blijkbaar een halsmisdaadbegaan toen wij 't over een „handjevol" journalistenhadden. Het is verschrikkelijk, vooral als men ziet watde heeren ons toevoegen. Wij nemen plechtiglijk het woordterug. Is 't nu goed? Dat de slachtoffers van den nachtarbeidhet tegen ons opnemen, achten wij psychologischverklaarbaar, maar zij kunnen ons wel een beetje vriendschappelijkerbestrijden.* #*In het redactioneele naschrift, waarbij ik in het vorigenummer een stukje schreef over het „onduldbare standpunt"van den redacteur met betrekking tot de afschaffingvan nachtdienst, wordt mij verweten dat ik zijn stukjeal bijzonder oppervlakkig gelezen heb.Dat is zoo.In een half-droge sloot kan zelfs de beste duiker metver beneden de oppervlakte komen. Voor zoover hetredactioneele onderschrift beoogt het vroeger geschrevenete rechtvaardigen, ontbeert het alle bewijskracht; menvergelijke het slechts met de voorgaande artikelen vanden Maandblad-redacteur. Voor zoover het poogt aan tetoonen, dat ik met mijzelf in tegenspraak ben geweest,faalt het volkomen, want dit bewijs is gebaseerd op een,uit zijn verband genomen, onjuist aangehaalden en onjuistgeïnterpreteerden zin uit mijn protest. Voor zoover heteen erkenning van ongelijk is, waardeer ik het.Op de eigenlijke nachtdienst-kwestie zal ik ook thansniet ingaan. Die zaak is te ernstig, dan dat zij ondergeschiktmag worden gemaakt aan de persoonlijke behoeftevan den Maandblad-red&cteur of van mij zelf om in eenpolemiek de overwinning te behalen. Ik hoop in de gelegenheidte zijn haar in een Kringvergadering uitvoerigter sprake te brengen. Voor het oogenblik heb ik slechtswillen bereiken, dat geen directie zich met betrekking totden nachtarbeid zal kunnen beroepen op het Orgaan vanden Journalistenkring.J. H. BOAS.De bewering, dat een zin of een betoog uit zijn verbandwerd gerukt, is vanouds de stroohalm geweest, waaraande drenkelingen-in-de-polemiek zich hebben vastgeklampt.Wat overigens de bewering betreft dat wij ongelijk hebbenerkend: wij willen den heer Boas het beminnelijkillusionisme niet ontnemen, dat uit die woorden spreekt.Maar gelooft hij het zélf? — Redactie.Ochtendbladen en nachtarbeid.Toen ik in Augustus de redactie van het Maandbladwaarnam, drong ik er op aan, dat „Een journalist" diein de Mosgroene een pleidooi leverde voor de afschaffingvan de ochtendbladen, den strijd daarvoor in het Maandbladen binnen den N. J. K. zou voeren. Het doet mijgenoegen dat aan dat verzoek gehoor is gegeven, vooralnu binkt, dat nier en daar zeer zonderlinge denkbeeldenbestaan omtrent het vraagstuk van den nachtarbeid enhet onafscheidelijk daaraan verbonden afschaffen derochtendbladen.Het verbaast me dat die onafscheidelijkheid niet wordterkend. Ik ben zeer benieuwd te vernemen hoe men eenochtendblad wil samenstellen, terwijl alle journalisten inMorpheus armen liggen.Over dit vraagstuk maakte collega Boas zich niet dik.Des te meer doet hij dat over de m. i. zeer juiste wijze,waarop collega Hans deze kwestie heeft behandeld.Vóór alles hebben wij er ons rekenschap van te geven,wat de consequenties zouden zijn van hetgeen wij willenindien wij den strijd tegen den nachtarbeid aanvangen.Het afschaffen van het ochtendblad zou voor de grootebladen een omwenteling in hun bedrijf beteekenen, waarvande gevolgen niet zoo gemakkelijk zijn te overzien.De technische kwesties laat ik terzijde, doch ik vraag meaf wat er zou moeten gebeuren met het nieuws dattusschen 's avonds zes uur en 's morgens zes uur op deredactie-bureaux pleegt binnen te komen. Moet dat blijvenliggen tot 's avonds zes uur?Ik ben geen vriend van de jaag- en draafjournalistiek,maar dit is me toch al te machtig. Spoedig zou het bulletineer-stelseluitgebreide toepassing vinden. De bezwarendie daaraan verbonden zijn, kennen wij allen.Het staat voor mij vast, dat journalisten even goedaltijd werkzaam behooren te zijn als politie, brandweer,post- en telegraaf, voor wie den nachtdienst dientengevolgeook onvermijdelijk is. De nadeelen, daaraan verbonden,onderschat ik niet, maar het gaat niet aan een geheelvak te vervormen, omdat het voor een groep vakgenootenonaangenaamheden oplevert. Is het mogelijk deze te verminderen,gaarne zou ik iedere poging daartoe steunen.Nachtarbeid is onnatuurlijk, is feitelijk uit den booze.maar er zullen altijd vakken en bedrijven blijven bestaan,waarin deze niet afgeschaft kan worden. En in degroote steden zal helaas het kranten-bedrijf daaronderblijven behooren.Ik zie niet de minste kans op succes voor een eventueelestrijd tegen den nachtarbeid en daarom zou ik wel willenontraden er een aanvang mede te maken. Laten wij lievertrachten door het verkrijgen van gunstige arbeidsvoorwaardenvoor de nachtredacteuren het onaangename enonhygiënische te verzachten. Het vervullen van nachtdienstbij toebeurten. het verkrijgen van meer rustdagen,van een langere vacantie en van een hooger salaris zoudenpunten op ons strijd program kunnen zijn.Strijden tegen geheele afschaffing lijkt mij strijden tegende bierka.W. N. VAN DER HOUT.De actie voor duurtetoeslag.Wie de resultaten beziet, tot dusver door het Kringbestuurmet zijn actie voor duurtetoeslag bereikt, zalniet voldaan zijn, maar dankbaar zeer stellig.Want dit is toch maar een feit: dat, onder den invloedvan deze actie, verscheidene directies öfsalarisverhoogingóf duurtetoeslag hebben toegekend, of verhoogd. De redacteurvan het orgaan dient over het resultaat, dat totdusver bereikt is, vanzelf met eenige bescheidenheid te


952 MAANDBLADspreken, gezien de rol welke hij in de zaak, in anderekwaliteit, heeft gespeeld. Maar dat het Kringbestuur hiereen goed stuk werk heeft verricht, en direct-tastbarematerieele voordeden van eenigen omvang heeft bereikt,staat vast. Men bedenke hierbij, dat de lijst van de antwoordengeen volledig beeld geeft van het resultaat. Hetis ons bekend, dat aan verschillende bladen duurtetoeslagis toegekend of bestaand toeslag is verhoogd, zonder datdaarvan aan het Kringbestuur mededeeling is gedaan.Maar er is meer.Naar onze vaste overtuiging zou het resultaat nog veelbevredigender zijn geweest, wanneer de collega's zelf dezebeweging sterker hadden gesteund.Wat is er toch tegen, om gezamenlijk of individueelduurtetoeslag te vragen? Wat is er tegen, om met de lijstvan de ontvangen antwoorden naar den directeur te gaanen te zeggen: zie eens, in hoeveel gevallen journalistensalarisverhooging of toeslag krijgen! Dit is werk voor decollega's zélf, en wij dringen er krachtig bij hen op aan,om het alsnog te doen, vooral nu het nieuwe-jaar naderten met 1 Januari gemakkelijk een regeling kan wordeningevoerd. Wij hoorden dezer dagen een verbluffendstaaltje. Een provinciaal blad verzocht bij het begin vanden oorlog aan zijn Haagschen correspondent 50% vanzijn salaris te laten vallen, aangezien deze verminderingnoodzakelijk was. Hij stemde toe, kon trouwens nietanders. Welnu, deze vermindering bestaat nog steeds. Nogaltijd krijgt de betrokken collega 50% van zijn vroegerehonorarium. Toen wij hem vroegen of hij dan niet krachtigop herstel had aangedrongen, zei hij: och neen, het is nietmijn hoofd-inkomen, het is bijverdienste en ik heb hetdus maar zoo gelaten. Het is ongelooflijk. En toen dachtenwij: treden de journalisten zelf wel met kracht voor hunbelangen op?Intusschen moeten wij, in verband met. deze toeslagbeweging,nog op een ander punt de aandacht vestigen.•Namelijk ons lidmaatschap.Het Kringbestuur heeft zijn actie gevoerd bij de directiesvan alle dag- en weekbladen. Daardoor trad het op voorverschillende journalisten die niet bvj den Kring zvjn aangesloten.Aan de meeste bladen zitten wel één of meervan zulke. Zij hebben in verschillende gevallen mee-geprofiteerdvan de resultaten. Daaraan is natuurlijk niets tedoen. Iets anders is echter of de Kring voor dergelijkejournalisten zal moeten werken, ook wanneer hvj dat vermedenkan. Er zijn verschillende kleinere bladen, met éénof twee redacteuren, die niet bij den Kring zijn aangesloten,en voor wier belangen ons Bestuur toch is opgekomenen met succes. Welnu, het Bestuur zal ernstigmoeten overwegen om dit voortaan niet meer te doen.Een vakvereeniging behoeft niet te werken voor hen, dieopzettelijk geen lid worden. Het is volkomen in overeenstemmingmet zuivere organisatie-zeden, om dergelijkepersonen aan hun lot over te laten.En wat de andere bladen betreft: hier opent zich eentaak voor onze collega's die tot den Kring behooren. Aanieder blad zijn er één of meer die geen lid zijn. Het isde plicht van onze leden, om hen tot den Kring te brengen.De moderne vakbeweging heeft voor zulke personen,die profiteeren van het werk der organisaties zonder ertoe te behooren, minder-lieflijke namen. Wij zullen dieniet overnemen, maar het is de plicht van onze leden omhier de taak der werving te verrichten, om deze collega'sernstig te bewegen tot den Kring toe te treden. HetBestuur van den Kring zal ernstig moeten overwegen,wat het zélf in deze richting kan doen, teneinde op diemanier ook de vereeniging van de bereikte resultaten tedoen profiteeren.Werft leden!Ziedaar wat wij allen collega's zouden willen toeroepen.Werft, aan uw blad, leden voor den Kring!Henri Dekking.Den len December was het 25 jaar geleden, dat HenriDekking zijn intrede deed in de journalistiek en al diejaren is hij getrouw gebleven aan het blad, waaraan hijvoor een kwart eeuw werd verbonden, al heeft hij danook gelegenheid gehad om daarnaast in menig periodiekgewaardeerde bijdragen van zijn hand te doen opnemen.Hoewel zijn tijd, ook door zijn letterkundigen arbeid,meer dan bezet moet zijn geweest, heeft Dekking tochook niet geschroomd, om op zeer actieve wijze deel tenemen aan het vereenigingsJeven. Sinds haar oprichtingsecretaris van de Rotterdamsche Journalistenvereeniging,heeft hij meer dan een belangrijke functie bekleed in hetbestuur van onzen Kring.Zoo iemand heeft zeker recht op de waardeering zijnercollega's, welke hem dan ook in ruime mate is ten deelgevallen, zij het dan dat de tijdsomstandigheden ook indit geval weer oorzaak moesten zijn, dat de plannen toteen meer joyeuse viering van dit jubileum moesten wordenopgegeven.In elk geval hebben velen het op prijs gesteld, omDekking op dezen voor hem gewichtigen dag de hand tekomen drukken.Die heeft mij veel genoegen gedaan. Niet slechts omdathij tot mijn vrienden behoort, maar óók omdat ik wellichtmeer dan iemand anders heb kunnen waarnemen,hoe hij in de achter ons liggende jaren voor den jourualistenstandin het algemeen goed werk heeft gedaan.Het is met dien stand al heel wat beter gesteld, dan toen hijbegon. Dat dit zoo geworden is, mag worden gedankt aanmannen als hij, die èn door hun talenten èn door hun optredennaar buiten üet respect wisten af te dwingen, datvoor onzen arbeid onontbeerlijk is.Hij is, ten spijt van 25 jaren harden arbeid, nog jonggenoeg om met blijmoedigheid op dezen weg voort tegaan en als hij bereid is om ook nog verder zich aanonze algemeene zaak te blijven wijden, dan is dit eengelukwensch waard voor ons allen.A. VOOGD.* **Onze confrère, Henri M. Dekking, was Zaterdag 1 December25 jaar aan de redactie van het Rotterdamsch Nieuwsbladverbonden. Dekking, de veelzijdige; immers knap romancieren tooneelschrijver, talentvol voordrachtkunstenaar, maardoor den redactiestaf van het Nieuwsblad bovenal gewaardeerdals journalist bij uitnemendheid, vlot stylist, geestig,onderhoudend, verteller, schrijver van fijnen humor, enbenijdenswaardige opmerkingsgave, Dekking, die nooitvoor een geval staat, hoe moeilijk het schijnen moge,die met kostelijken journalistieken flair, de kern, al dadelijkgevonden heeft en de kopy uit zijn mouw schudt. Endie in al wat hij schrijft, de distinctie legt en de opgewektheid,waardoor ook zijn optreden naar buiten, zijnaanraking, ex officio, met velen op allerlei gebied van hetmaatschappelijk leven, gekenmerkt wordt. Het is Dekking'swensch geweest, dat geen ophef zou worden gemaaktvan zijn feest. Maar bij een gelegenheid als deze niet teherinneren aan de wijze waarop hij zooveel jaren de lezersvan het Nieuwsblad heeft verkwikt met zijn altijd welgeslaagdeschetsen „in en om Rotterdam"; aan zijn weiverzorgdekritieken; aan zijn knappe nouvellesa la main,waarvan er ontelbaar vele zijn verschenen, onder dentitel, „Met oog en oor in de stad"; aan zijn gewaardeerde,,Portretten", biografiën van levenden en dooden, dieden auteur eerden in de voortreffelijke wedergave dergenen,die zijn pen teekende; niet te herinneren ook aanpuntige, rake en veelgelezen „Kroniek en kritiek" derRaadszittingen, het zou een offer zijn aan de bescheidenheid,dat aan een collegiale waardeering als de onze tezwaar zou vallen. Collegiale waardeering, zij is ook buitenden kring dergenen met wie Dekking dagelijks samenwerkt,hem meermalen gebleken. Zijn mandaat als secretarisder Rotterdamsche Journalisten Vereeniging, welkefunctie hij van den aanvang af met grooten ijver heeftvervuld, is steeds gaarne vernieuwd en de NederlandscheJournalisten-Kring zette zijn waardeering voor Dekking'swerkzaamheid als bestuurslid, eenige jaren geleden, omin zijn benoeming tot penningmeester. Maar het meestkwam die waardeering der collega's tot uiting toen nahet bezoek der Koningin aan Parijs en Dekking's benoemingbij die gelegenheid tot ridder van het Legioen vanEer, aan een feestmaaltijd in de Lichtstad bleek hoe allenmet die onderscheiding van den hulpvaardigen collegaen met een geestige toespeling op Dekking's naam vanDekking werd getuigd: „The king an do no wrong".Onder zeer vele blijken van belangstelling en sympathieuit de kringen der journalistiek, die der kunst en derautoriteiten heeft Dekking zijn feest mogen vieren.Zeer hartelijk was de huldiging der directie, de collega'sen het technisch en administratief personeel van hetNieuwsblad Zaterdagmorgen in de directiekamer, waar dedirecteur, de heer C. Sijthoff, den heer Dekking in waar-


MAANDBLAD 953deerende woorden toesprak, onder aanbieding van eenbronzen beeld van Vilémy, voorstellende „Un critique d'art".Ook mevrouw Dekking complimenteerend, voegde hij bijdit geschenk een kostbaar werkstuk uit de KoninklijkeTapijtfabriek van W. Stevens en Zn. Namens de collega'shuldigde de heer J. Hobbel de verdiensten van den heerDekking, doende uitkomen, hoezeer zijn werkzaamhedenliggen op verschillend terrein en hoe hij- daarin uitmunt.Zijn woorden gingen vergezeld van de aanbieding van eenfraai geschenk in zilver. Het woord namens het technischpersoneel werd gevoerd door den chef, de heer S. de Gasten namens de administratie door mej. M. Blazendyk,eveneens onder aanbieding van waardevolle cadeaux,waarop de heer Dekking met een geestig woord getroffendankte.De receptie 's middags ten zijnen huize gehouden, wasdruk bezocht; o.a. maakten daar hun opwachting de burgemeester,de heer mr. A. E. Zimmerman, de hoofdcommissarisvan politie, de heer A. H. Sirks, de havenmeester,de heer L. J. H. Wiilinge, en vele anderen. Een schatvan bloemen, waarbij van de KotterdamscheJournalisten-Vereeniging en van een aantal Haagsche collega's vuldede vertrekken in de woning van den heer Dekking, die ookeen deputatie van de Rotterdamsche amtsbroeders tenzijnent ontving, terwijl namens vele Haagscbe collega'sde heeren D. Hans en mr. J. J. van Bolhuis den jubilariskwamen gelukwenschen. Voorts kwamen tal van telegrammenin: van J. H. Róssing, van J,H. Speenhoff, vanDirk Witte, van Foutsma, van Van Eijsden, van denvoorzitter der Kamer van Koophandel, van den voorzittervan den Journalistenkring, van Jan Feith, enz. enz.Het was een groote dag voor den populairen journalist,den overal gaarne gezienen en hartelijk gewaardeerdencollega.Ad multos omnos, Dekking! v. D.In het Nederlandseh Pers-Museum.iiDe redactie van het Maandblad heeft kort geleden denwensch te kennen gegeven, dat een van de Amsterdamschecollega's den inhoud van het Pers-Museum eens systematischzou willen behandelen. Ik zou dien wensch gaarne in vervullingwillen doen gaan, maar moet eerlijk bekennen datde tijd mij ontbreekt om dit denkbeeld op eenigszins grooteschaal te verwezenlijken. Want al heeft onze verzameling(onze eigen kranten plus de door de gemeente Amsterdamen de Vereeniging tot bevordering van de belangen desBoekhandels in bruikleen gegeven bladen) niet de beteekenisvan de collectie welke de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhagebezit, toch is zij zéér omvangrijk. Zij bestaat namelijkop het oogenblik (en de uitbreiding gaat geregeld door)uit 4858 dossiers van couranten en tijdschriften, in Nederlanduitgegeven, plus ruim 400 dossiers van couranten uit OostenWest-Indië en Nederlandsche bladen uit Amerika, Belgiëen Zuid-Afrika. Let wel: ik spreek hier niet van losse exemplarenmaar van dossiers. Een dossier vormt weer eene minof meer volledige verzameling op zichzelf, met allerlei merkwaardigestukken.Zoo'n dossier bevat in de eerste plaats (zoo mogelijk) deeerste en de laatste nummers, benevens de feestnummers.Eene zeer fraaie verzameling feestnummers vindt men bijv.iu het dossier van De Tijd. De „laatste" nummers zijn ernatuurlijk alleen als het blad den strijd om het bestaan heeftmoeten opgeven. Dan sterft zoo'n courant soms met eeneverwensching op de lippen aan het adres van den jongere,den sterkere, die het verdrong. Zoo vindt men bijv. in hetlaatste nummer van de oude Rotterdamsche Courant (vanZondag 30 Juni 1867) een „Laatste woord" aan de lezers,waarin — zoo in het voorbijgaan — van de Nieuwe RotterdamscheCourant wordt gezegd, dat zij het publiek eenzijdiginlicht.De laatste, maar vooral de eerste nummers zijn van belang,zoowel voor l'histoire intime van de courant als om meeralgemeene redenen, omdat daarin gewoonlijk een voorwoordvoorkomt dat aangeeft de bedoeling van het nieuwe blad,het nieuwe tijdschrift. In zoo'n voorwoord teekent zich nietzelden af eene bepaalde nieuwe geestesstrooming op staatkundig,godsdienstig, cultureel gebied. Ik denk bijv. aan hetproefnummer dat wij bezitten van Ons Streven, weekbladgewijd aan de ontwikkeling der vrouw. Het verscheen in 1870— dus nu welhaast een halve eeuw geleden — in een tijddat de Nederlandsche vrouwenbeweging nog in de windselenlag. Betsy Perk was redactrice, J. Odé uitgever. Ziehier eencitaat uit het artikel waarmede het blad zich aandiende:„Tot de gunstige teekenen des tijds, die ons veel schoons engoeds voor de toekomst beloven, behoort dit, dat een onderwerpvan het hoogste gewicht, niet slechts in ons vaderlandmaar in gansch Europa, ernstiger dan ooit overdacht enbesproken, van alle zijden beschouwd, en al meer en. meeraan. de orde wordt gesteld, wij bedoelen: De plaats der vrouwin de Maatschapij, enz. Betsy Perk is maar heel kort redactricegeweest. Zij nam reeds na de verschijning van een oftwee nummers ontslag, blijkbaar om de voor ons als journalistenzeer belangrijke en alleszins begrijpelijke reden, datde uitgever zonder haar voorkennis kopij opnam of veranderde.Een ander voorbeeld — ik loop nu maar zoo wat heenen weer in de verzameling, om mijne bedoelingen duidelijkte maken — levert De Amsterdammer, niet het GroeneWeekblad, meer het radicale dagblad dat daaruit voortkwam.Het dagblad heeft, zooals men weet, nooit den bloei gekend• van het weekblad. Het hééft van den aanvang af gesukkeldmet geldnood, ondanks het talent waarmede De Koo en zijnemedewerkers het redigeerden, en ondanks de omstandigheid,dat de tijd wel gunstig leek. Het Amsterdamsche radicalismewas in opkomst. Toch is De Amsterdammer ten slotte, zoomen weet, aan financieele bloedarmoede bezweken. Wie eenindruk wil krijgen van de haast wanhopige pogingen welkein die dagen door de vrienden en geestverwanten zijn aangewend,om het blad op de been te houden, snuffele in onsAmsterdammer-dossier. Het bevat o. m. eene, naar het mijwil voorkomen, vrij complete verzameling van allerlei vertrouwelijkeen niet-vertrouwelijke circulaires, alle ten doelhebbend nieuw bedrijfskapitaal te verwerven. Zelfs een aandeelin de Maatschappij tot Exploitatie van het Dagblad DeAmsterdammer, groot f 500.— met daaraan een nog ganschelijkonbeknipt blad dividendbewijzen, is aanwezig. Ik vermelddit alleen maar ter illustratie van de volledigheid van sommigedossiers. Natuurlijk bezitten wij ook het eerste nummervan De Amsterdammer, verschenen op 2 Januari 1883, metdaarin o. m. deze beginselverklaring der radicale redactie:„Wanneer wij op dezen nieuwen jaardag voor het eerstonze lezers begroeten, kan de wensch van De Amsterdammergeen anderen inhoud hebben dan de staatkundige wedergeboorteder liberale partij, opdat zij weder een kracht worde,die ons dierbaar vaderland tot zegen strekt." En eveneens isin ons Museum vertegenwoordigd Het Dagblad, de nieuweradicale courant die De Koo en de zijnen oprichtte, toenhet hun in het oude huis te benauwd werd. Als ik het welheb was De Amsterdammer in handen van een liberaalconsortium geraakt.Van bijzonder belang zijn ook de feestnummers, omdatdaarin een terugblik wordt geworpen op de afgelegde levensbaanvan het blad en soms ook van eene partij.Men neme bijv. eens ter hand het feestnummer dat DeStandaard deed verschijnen in 1897, ter gelegenheid vanhaar vijf-en-twintig jarig bestaan. Het feestartikel geeft nietalleen een overzicht van de lotgevallen der courant, maarbevat tevens een stukje politieke geschiedenis. Er wordt inverhaald, hoe het eerste dagblad van de anti-revolutionairerichting werd opgericht door Groen, en toen heette De Nederlander,nieuwe Utrechtsche Courant. 1538 nummers van ditdagblad verlieten de pers; toen moest de uitgave gestaaktworden. „En in de vijftien laatste nummers gaf Groen vanPrinsterer van die staking rekenschap in een schrille zielskreeten bittere aanklacht beide, later afzonderlijk uitgegevenals Narede van vijfjarigen strijd." Van 1855 tot i857/'58is toen de anti-revolutionaire partij, hoezeer ook Bazuin enWekstem de leemte zochten aan te vullen, zonder eigenlijkgezegd politiek orgaan geweest, tot onder Da Costa's bezielingdrie jaren later door dr. Schwartz, straks in bond met ds.Barger, het weekblad De Heraut werd opgericht! Allengswerden hierin de artikelen van dr. Kuyper opgenomen, maartoch bleef dat weekblad tot 1 Januari 1871 op de oude leestgeschoeid. Eerst in 1869 begon de noodzakelijkheid om ookin de journalistiek het woord weer op te nemen, onderwerpvan ernstige bespreking uit te maken, tusschen Groen vanPrinsterer en Kuyper eerst, en later onder de menschen vande Nederlandsche Stoomdrukkerij. . . . Gang kwam er in dezaak eerst, toen de Nederlandsche Stoomdrukkerij als eigenaressevan De Heraut door het onverwachte afsterven vandr. Schwartz in ongelegenheid geraakte. Het blad werd losgemaaktvan de Ned. Stoomdrukkerij, en gebracht in handeneener politieke vereeniging. Den 6en Januari 1871 verscheenvan deze vernieuwde Heraut het eerste nummer. De gewijzigdeHeraut vond, vooral dank zij Groen van Prinsterer's


9B4MAANDBLADmilde lofspraak, zoo goeden ingang, dat reeds zes maandenna zijn verschijnen, de besprekingen om het weekblad ineen dagblad om te zetten, een aanvang konden nemen. Nogeer het jaar ten einde liep leidden die besprekingen tot hetnemen van de daartoe noodige maatregelen, en op haar vergaderingvan 7 Maart 1872 besloot de Heraut-vereeniginghet nieuwe dagblad op 1 April 1872, onder den naam vanDe Standaard te doen verschijnen. Tot hoofdredacteur werdbenoemd dr. A. Kuyper.Ziedaar, eenigszins uitvoerig, nogmaals een voorbeeld vanwat ik hierboven betoogde. Maar een dossier bevat natuurlijkveel meer dan eerste en laatste nummers en feestnummers.Men vindt er bijv. ook in brochures en pamfletten, reclamemiddelen,portretten van de leiders, de hierboven reeds aangestipteprospectussen, circulaires enz. Zoo vond ik in hetdossier van het Handelsblad, eene brochure tegen „het AmsterdamscheHandelsblad en de Amstel-Societeit", in 1847verschenen en geschreven door een ongenoemde. Deze toontzich daarin een tegenstander van de openbaarheid, en steektden draak met de wijze waarop het Handelsblad en deAmstel-Societeit een einde wilden maken aan den kliekgeestin de Hoofdstad. Vooral het begin is aardig uitjournalistiekèn staatkundig oogpunt: „Met angstige bezorgdheid, om dekolommen hunner dagbladen te vullen, prediken sommigecourantiers de leer, dat openbaarheid de ziel van het grondwettigleven is. Geene verordening van hooger of lager bestuur,geene handeling van het openbaar gezag, vanaf denMinister tot den Stads-Bode toe, of al wat geschiedt moetden cijns betalen, 's Lands gelden worden in het openbaarnagecijferd tot in de kleinste breuken van centen. De TweedeKamer der Staten-Generaal levert rijke stof tot beschouwing;van de meeningen en stemmingen worden statistieke tabellenopgemaakt, en hoezeer het publiek sedert jaren reeds dewetenschap had, wordt tot meer dan verzadiging toe herhaaldwat ieder der Volks-vertegenwoordigers heeft gedaan, gezegd,gedacht!" Deze heer was blijkbaar geen Thorbeckiaan. Hijschuwde het licht der openbaarheid, zooals nog wel eenssommige autoriteiten, van Ministers af tot plattelandsburgemeesterstoe.Onder de prospectussen en circulaires vond ik nog eenzeer merkwaardig exemplaar. Ik bedoel het onaanzienlijkegele papiertje uit het dossier-Nieuws van den Dag. Hetblijkt te zijn de oprichtingscirculaire, of liever het inteekenbiljet,het „Inschrijf-biljet" zooals er op staat, dat de uitgeverG. L. Funke, de vader van den tegenwoordigen directeur,in 1870 verspreidde, zulks in samenwerking met de firmavan den Heuvell en van Santen te Leiden. Aan de oprichtersstond het voorbeeld van l'Etoile Beige voor oogen, gelijkzij in den prospectus verklaren. Zij wilden geven een beknopt,goedkoop en desalniettemin belangrijk, onderhoudend enveelzijdig nieuwsblad. Mij dunkt het Nieuws is nog altijd opden weg, dien het zich nu bijna een halve eeuw geledenheeft afgebakend.Als zoovele andere bladen hield de oprichting van hetNieuws van den Dag verband met de afschaffing van hetdagbladzegel. Het inteekenbiljet begint dan ook aldus: „KoningWillem UI, Zijne Ministers en de Staten-Generaal hebbendoor de afschaffing van het zegel op de dagbladen eenegroote weldaad aan ons volk willen bewijzen. Zij hebben dedeuren en halfgesloten vensters wijd open gezet, opdat hetlicht der gedachten vrij, vroolijk, en tot in de verste hoekenzou binnen stroomen; niet alleen opdat zij die lezen, goedkooper,meer en beter zouden lezen, maar vooral ook, opdatduizenden bij duizenden, tot heden van hun dagblad verstoken,door middel der pers dagelijks in aanraking zoudenkomen met den grooten stroom der gebeurtenissen engedachten."Dat is andere taal dan die, waaraan mr. Joh. Enschedé in1906 herinnerde, toen hij in de Oprechte eenige feuilletonsschreef onder den titel: Losse aanteekeningen betreffende degeschiedenis der Oprechte Haarlemsche Courant" (te vindenin het dossier dier courant in het Pers-Museum). De uitgeversvan de Oprechte Haarlemsche Courant, zoo blijkt daaruit,waren (om welken reden weet ik niet) van de afschaffingvan het dagbladzegel geene voorstanders. Meenden de voorstanders,dat thans een nieuw tijdperk van volksbeschavingstond geopend te worden, zij die voor het behoud warentwijfelden aan de nuttigheid „dat een ieder in den vervolgeal zijn kennis en wetenschap uit de dagbladen zoude putten,geschreven door lieden zonder mandaat of waarborg voordegelijkheid (sic), die zich zouden opwerpen als de voorlichtersvan het volk, zoo van den koning als van den bedelaar,van den hoogleeraar als van den dorpsschoolmeester". Hoelijkt u die waardeering van ons vak, van onzen arbeid, entegelijk van onze ontwikkeling, collega's?Ken vrij wat gunstiger en vrij wat juister oordeel veldeHet Vaderland, dat toen juist was opgericht, in zijn eerstenummer over de afschaffing van het dagbladzegel. Het bladschreef: „Schoon de afschaffing van het dagbladzegel op devestiging onzer onderneming wel niet van zoo overwegendeninvloed is, zullen wij daarvan, zoo goed als andere Nederlandschedagbladen, de gevolgen ondervinden . . ." En verder:„Meer dan ooit rust op de Nederlandsche journalistiek, nuze geheel geëmancipeerd is, een zware taak. Meerdere vrijheidbrengt grootere verantwoordelijkheid mede, en de roepingder dagbladpers om met bezadigdheid en goede trouw hetpubliek voor te gaan op den weg van onderzoek en onderrichtbehoort door haar, nu ze niet meer door fiscale bandengebonden wordt, onafgebroken in het oog te worden gehouden."Ook heeft Het Vaderland een feestnummer dat de aandachtverdient. Het verscheen in 1909, ter gelegenheid van het40-jarig bestaan van het blad. Goeman Borgesius schreef ereen herinneringsartikel in, dat zeer lezenswaardig is, nietslechts in staatkundig opzicht, maar ook als kenschets vande Kamerjournalistiek in de „zeventiger" jaren. Het zou mijechter te ver voeren, dat te citeeren.Zooals gezegd ontbreken ook de reclamemiddelen niet inonze dossiers, en ook die plaatjes en biljetten zijn zeker nietzonder beteekenis voor de geschiedenis van eene courant.Er blijkt bijv. uit hoe hard en opgewekt het Nieuws gewerktheeft om er in te komen. En ook De A msterdammer (dagblad)heeft het middel der reclame niet versmaad. Johan Braakensiekteekende indertijd een alleraardigste reclamekaart voordat blad, een kaart die wel in wijden kring de aandacht opDe Amsterdammer zal hebben gevestigd. Zij vertoont eenouderwetschen omnibus, zooals te Amsterdam heeft gereden.Tak van Poortvliet is koetsier. Aan zijn linkerhand heeft hijVan Tienhoven, rechts De Savornin Lohman en Kouveld.Achter Tak van Poortvliet zitten op de impériale eendrachtiglijkte zaaien: Pierson, Gerritsen, dr. Kuyper en Nolting.Mr. J. A. Levy klimt juist langs het ijzeren trapje naarboven om zich bij deze vier te voegen, en binnen in denwagen zitten mr. J. A. Heemskerk, Domela Nieuwenhuis endr. Schaepman. Zij allen: anti-revolutionairen, katholieken,liberalen, radicalen, socialisten, lezen natuurlijk De Amsterdammer.Ook de naamgenooten zijn niet vergeten in de dossiers.Raadpleegt gij de verzameling van De Standaard, dan maaktde heer Hartkamp u ook opmerkzaam op den democratischenStandaard des Volks, waarvan 111 1856 het eerste nummerverscheen. Het blad stelde zich ten doel: Bestrijding vanmisbruiken, van knevelarijen, van aanmatiging der gezaghebbenden,van miskenning der regten van de burgers, vanonderdrukking, van willekeur, — kortom van al hetgeen zichaankant tegen de waarachtige regten des volks." En bladertgij in het dossier van De Telegraaf, dan krijgt gij zeker ookonder den neus haar voorgangster, geboren in het jaar 1865,De Telegraaf, Dagblad van Noordholland en Amsterdam, gewijdaan Handel Landbouw, Nijverheid, Zeevaart, Staatkunde, Letteren,Wetenschappen en Schoone Kunsten. Blijkbaar was het eenblad van gematigd liberale richting. In een hoofdartikel wordtals doel aangeduid: „DeiWelvaart van het algemeendoor eeneonbekrompen vrije ontwikkeling der grondwettige, constitutioneelebeginselen; dus het echte en edele liberalismus, datgeen stilstand evenmin als buitengewone sprongen of, stelselmatigeoppositie voortbrengt; maar, streng personen vanzaken scheidend, alleen ijvert voor het wezenlijk ware engoede, onverschillig van wie het komt."Tot zoover ditmaal mijn schets van den inhoud, van onzedossiers: van ons Museum. Alleen wil ik er nog aan toevoegen— dit ten dienste van aanstaande bezoekers — datde kranten geschikt zijn provincie-gewijze, met voorop dehoofdstad van elke provincie.KOUVVENAAR.De Rotterdamsche Courant.In de Nieuwe Rotterdamsche Courant heeft dr. E. Wiersumeen feuilleton geschreven over „De RotterdamscheCourant 1717—1720". Het zij ons veroorloofd het volgendeuit over te nemen:„Nu het dit jaar twee eeuwen geleden is, dat het eerste nummerder Rotterdamse Courant werd uitgegeven, mag, dunkt mij, datbescheiden begin in 1717 wel met een enkel woord herdacht worden,te meer, waar de „groote" courant, die eenigermate als haaropvolgster te beschouwen is, daarvoor de ruimte beschikbaar wilstellen.


950 M A A N D B L A DMozaïek.Journalist en auteur. — Frits Lapidoth in de NieuweCourant: „Geen enkel modern Nederlandsch schrijver doet hem (Couperus)dit na: zooveel te produceeren, waaraan het publiek blijvendewaarde toekent. Als wij, journalisten, de leggers van onze bladenmoeten doorzien om op te zoeken wat we over een of ander hebbengeschreven, een paar jaar geleden — we weten niet zoo heel preciesmeer wanneer — dan denken wij wel eens bij ons zelf; //wat eenmassa schreef ik toch! Als dit allemaal bij elkander in boeken wasgedrukt, hoeveel deelen zou ik dan wel niet hebben geproduceerd!"Maar we weten dan heel goed, dat ons werk nooit in deelen verschijnenzal en zelfs het beste vandaag of morgen ligt te weekenin een tobbe om er brand-kogels i/voor de kachel van te maken.Maar wat Couperus schrijft, dat wordt herdrukt in bundels. Tothet kleinste stukje voor dag- of weekblad toe. Wij weten dat, hetgeenwij schrijven, maar éen etmaal leven zal, zóó 't al lééft. Couperusweet dat zijn werk zoo lang zal leven als het publiek nogzijn bundels koopen wil. Lang, heel lang na hem! En daaraan móéthij denken, bij het schrijven, het kan niet anders. Het zou menigenjournalist (mij zeer zeker) hinderen."*Edele journalistiek. — X schrijft ons: Men heeft hetvaak over het karakter van een deel der Indische journalistiek.Mag ik als specimen het onderstaande aanbieden. Het is geschrevendoor den heer K. W.(ybrands) in het Nieuws van den Dagvan Ned.-Indië van 16 Augustus j.1., en het handelt over eeneerlijk en fatsoenlijk journalist, hoofd-redacteur van één der grootsteIndische bladen. De nadere aanduiding van naam en blad heb ikmaar weggelaten: het stukje spreekt, pardon het riekt voor zichzelf. Hier is het fraais://In de laatste der uit India» ontvangen bladen treft het mijdat sommige fatsoenlijke kranten zich nog al druk maken overde geniepige, kwallig-pro-Duilsche uitingen van . . (volgt naam)Men bewijst dit foetusje te veel eer. Ik weet niet of ge de uitdrukkingkent: uOhrfeigen-gesicM"?.. . Figure a gifles zeggen deFranschen wanneer zij eene facie willen aanduiden, die Uaanstonds, bij den eersten blik, de handen doet jeuken om erop te trommelen. Zulk een tronie heeft mijn melige collega(volgt naam). . . . niet! Maar ik heb voor den oorlog een reisnaar Nederland met hem gemaakt, — d. w. z. hij was opdezelfde boot — en ik betrapte mijzelf twintig malen per dagop de oncollegiale aandrift om den sukkel hier of daar eengoedmoedigen schop te geven. Eene verlokking des Satans,ongetwijfeld, en waartegen ik mij met kracht, en met succesheb verzet. Maar het was moeilijk! Want de Leider-der-Openbare-Meening zag er zoo baarsch-mispuntig uit, met zijn te kortebroekje, en zijn Adriaan Schakel-jasje, zijn bloemzoete snuit,en zijn stinkende pedanterie van burgerjongen die-er-dan-tochmaar-gekomen-is-ó-zoo!— hij deed zoo belachelijk dik aanboord, zat in //commissies" zond oranje-minnende telegrammennaar de Koningin; namens de kinderen a.b. van het s.s. Juliana",en ergerde zich dat daar geen antwoord op kwam, ... ik zegen herhaal: verdiende twintig malen per dag de punt van eenelaars onder zijn welgevormd stuitbeen te voelen. En nu is hijpro-Duitsch óók, //het" collega? Dat mankeerde er nog maaraan. Wel, hij heeft nooit twee regels geschreven, die niet uitde pen van een euneuch gevloeid schenen en ik zie waarlijkniet in waarom de Indische pers zich zou laten weerhoudenvan datgene te doen, wat de scheepsetikette mij verbood.Schopt het mormel van dek, beste menschen: met pro-Mon'enbehoeft men zijn fatsoen niet te houden I"Wat zegt u er van?Exuseer mij' dat ik u dit ordinairs voor het orgaan aanbiedt,maar . . . men mag wel eens weten hoe en wat er soms in deIndische pers geschreven wordt.Ingezonden.Een verklaring.Indertijd weigerde ik den heer N. van Harpen, thansdirecteur van den Larenschen Kunsthandel, zich te rechtvaardigenover een door mij jegens hem gekoesterde verdenking.Dengenen, wien destijds dit geval ter oore is gekomen,zij hiermede bericht, dat ik daarvoor thans den heer VanHarpen mijn beleefde verontschuldiging heb aangeboden,wijl ik dit op den duur niet voor mijn geweten kon blijvenverantwoorden.J. C. WAAL.Correspondentie.— Verschillende bijdragen moesten blijven liggen tot eenvolgend nummer.— v. d. P., Apeldoorn. — Wordt geplaatst.Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam.

More magazines by this user
Similar magazines