Authentieke versie downloaden (pdf)

zoek.officielebekendmakingen.nl

Authentieke versie downloaden (pdf)

EOB is deze weigeringsgrond beperkt tot bevelen die noodzaken tot deinzet van dwangmiddelen en voor zover het bevel betrekking heeft op eenfeit dat in de uitvoerende lidstaat niet is strafbaar gesteld. De weigeringsgrondin geval van (dreigende) schending van het ne bis in idem-beginselis in de ontwerp-richtlijn EOB gedetailleerder uitgewerkt dan in hetkaderbesluit EBB.Uitgangspunt in beide instrumenten is dat de uitvoering van een bevelgeschiedt overeenkomstig het toepasselijke recht van de uitvoerendelidstaat. Voor beide instrumenten geldt dat wanneer het bevel noodzaakttot de inzet van dwangmiddelen die in een vergelijkbaar nationaal gevalniet zouden kunnen worden ingezet, de uitvoering van het bevel kanworden geweigerd. Uitzondering op deze regel geldt eveneens voor beideinstrumenten indien de uitvoering van het bevel leidt tot een doorzoekingen inbeslagneming en het bevel betrekking heeft op een van 32 strafbarefeiten die op een lijst zijn genoemd en waarop in de uitvaardigendelidstaat een gevangenisstraf van ten minste drie jaren is gesteld.Beide instrumenten bevatten een bepaling inzake rechtsmiddelen, zij hetdat het kaderbesluit EBB ervan uitgaat dat zowel in de uitvoerende als inde uitvaardigende lidstaat rechtsmiddelen beschikbaar zijn met betrekkingtot het uitvaardigen en uitvoeren van een EBB, terwijl de desbetreffendebepaling in de ontwerp-richtlijn EOB aansluit bij de mogelijkheden die hetnationale recht van de uitvoerende en de uitvaardigende lidstaat biedt omin een vergelijkbare nationale zaak tegen de inzet van de desbetreffendebevoegdheden op te komen.Anders dan het kaderbesluit EBB bevat de ontwerp-richtlijn EOBbepalingen inzake civielrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheidvan ambtenaren van de uitvaardigende lidstaat. Deze houden verbandmet het feit dat het onder het EOB ook onder omstandigheden mogelijk isdat opsporingsambtenaren van de uitvaardigende lidstaat optreden ophet grondgebied van de uitvoerende lidstaat, bijvoorbeeld als leden vaneen politieel infiltratieteam.Tenslotte bevat de ontwerp-richtlijn EOB een enigszins andere bepalingten aanzien van de kosten voor uitvoering van een EOB, dan het kaderbesluitEBB. Het laatstgenoemde instrument bepaalt – zoals ook gebruikelijkis in het bestaande rechtshulpverkeer – dat de kosten voor uitvoering vaneen EBB ten laste komen van de uitvoerende lidstaat. Dit uitgangspunt isook opgenomen in de ontwerp-richtlijn EOB, maar daaraan is toegevoegddat in het geval de uitvoering van een EOB tot uitzonderlijk hoge kostenleidt in overleg met de uitvaardigende autoriteit kan worden bezien of eenverdeling van kosten kan worden overeengekomen dan wel of wijzigingvan het EOB mogelijk is.3. Juridische aspectenBeoordeling noodzaak en proportionaliteitIn het kaderbesluit is bepaald dat een lidstaat alleen dan een EBB maguitvaardigen, indien dit in de gegeven zaak noodzakelijk en proportioneelis. De uitvaardigende autoriteit dient na te gaan of aan dit vereiste isvoldaan, alvorens een EBB uit te vaardigen (artikel 7 kaderbesluit). Deleden van de VVD-fractie vroegen of er in Europees verband of opnationaal niveau is voorzien in de mogelijkheid te monitoren of delidstaten dit vereiste naleven. In antwoord hierop merk ik het volgende op.Op Europees niveau is niet voorzien in een specifiek monitoringsmechanismeten aanzien van de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteitbij het uitvaardigen van een EBB. Wel bepaalt artikel 20, tweede lid,van het kaderbesluit dat de bepalingen van het besluit en in het bijzonderde praktische toepassing daarvan, door de Raad zullen worden geëvalueerd.Het ligt voor de hand dat ter gelegenheid van die evaluatie ook zalworden gekeken naar de toepassing door de verschillende lidstaten vanEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 4


de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit in de praktijk. In ditverband kan de parallel worden getrokken met de evaluatie van hetkaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB)die in 2009 plaatsvond. In het kader van die evaluatie is onder andereaandacht besteed aan de proportionaliteit bij het uitvaardigen vanEuropees aanhoudingsbevelen (Raadsdocument 8302/4/09 REV 4CRIMORG 55 COPEN 68 EJN 24 EUROJUST 20, p. 15).Daarnaast bestaat de mogelijkheid – de leden van de VVD-fractie wezenterecht hierop – wanneer een lidstaat herhaalde problemen ondervindt inde samenwerking met een andere lidstaat die door overleg niet kunnenworden opgelost, dat dit ter kennis wordt gebracht aan de Raad. Maar hetligt uiteraard in de rede dat bij herhaalde problemen in eerste instantie viabilateraal overleg met de desbetreffende lidstaat zal worden geprobeerdtot oplossingen te komen. Een officieel monitorings- of overlegmechanismeis daarvoor niet nodig.De leden van de SP-fractie vroegen of het onvermijdelijk is dat hetvereiste van noodzakelijkheid en proportionaliteit alleen ter beoordelingvan de uitvaardigende lidstaat staat. Zij wilden graag weten of deNederlandse regering bereid is alsnog in te zetten op het invoeren van hetbeginsel dat de uitvoerende autoriteit een EBB mag toetsen aan de eisenvan noodzakelijkheid en proportionaliteit. Naar aanleiding van dezevragen merk ik het volgende op. Uit de vragen van deze leden leid ik afdat zij niet zonder meer gerust zijn op een juiste toepassing van de eisenvan noodzakelijkheid en proportionaliteit bij het uitvaardigen van eenEBB. Voor deze twijfels zie ik vooralsnog geen aanleiding. Voor zover dezevoortvloeien uit de ervaringen die met sommige lidstaten zijn opgedaanmet betrekking tot het EAB, wijs ik deze leden op het feit dat in hetkaderbesluit betreffende het EAB een dergelijk eis van noodzakelijkheid enproportionaliteit niet expliciet is neergelegd, terwijl dat in het onderhavigekaderbesluit wel het geval is. Voorts moet worden benadrukt dat het EABen het EBB twee onvergelijkbare grootheden zijn. Een EAB heeft steedséén en hetzelfde gevolg voor de betrokkene, namelijk de aanhouding enoverlevering naar een andere lidstaat van de opgeëiste persoon. Degevolgen van een EBB voor de betrokkene kunnen zeer verschillend zijn.Zo is het opvragen van reeds in een politieregister vastgelegde gegevensvan een geheel andere orde dan een doorzoeking in een woning zondertoestemming van de bewoner. De proportionaliteit van een EBB zal dusper geval kunnen verschillen, afhankelijk van de aard en ernst van deverdenking en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het EBB.Voorts wijs ik erop dat in de rechtshulppraktijk in veel gevallen overlegwordt gevoerd tussen de autoriteiten van de uitvaardigende en deuitvoerende lidstaat. Dat zal bij de uitvoering van een EBB niet andersworden. Het is dan ook niet meer dan logisch dat in het geval een EBB zouworden ontvangen dat als evident disproportioneel moet wordenaangemerkt, de autoriteiten met elkaar in contact zullen treden om tebezien op welke wijze het beste bijstand aan het onderzoek in deuitvaardigende lidstaat kan worden verleend. Gelet op het voorgaandeacht ik de in het kaderbesluit voorgestelde regeling met betrekking deeisen van noodzakelijkheid en proportionaliteit alleszins aanvaardbaar enzie ik geen aanleiding in te zetten op wijziging hiervan. Daar komt bij datde door deze leden voorgestelde introductie van een noodzakelijkheidsenproportionaliteitstoets door de uitvoerende autoriteit, wijziging van hetkaderbesluit zou vereisen omdat – zoals deze leden correct opmerken – detekst van het vastgestelde kaderbesluit een dergelijke toetsing niet toelaat.Gelet op het feit dat inmiddels een verdragswijziging heeft plaatsgevonden(Verdrag van Lissabon), zou wijziging van het kaderbesluitneerkomen op het vaststellen van een nieuwe richtlijn. Ik acht hetonaannemelijk dat voor een dergelijke exercitie binnen de Europese Unievoldoende draagvlak zou bestaan. Naar de huidige stand van zaken – zoEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 5


de andere lidstaten bestond. Uiteindelijk heeft Duitsland deze wens latenvaren in ruil voor het hierboven omschreven voorbehoud.Nederland heeft zich tijdens de onderhandelingen sterk gemaakt voor hetopnemen van de territorialiteitsclausule (artikel 13, eerste lid, onderdeel f,van het kaderbesluit). De inzet van Nederland was te voorkomen dat deNederlandse autoriteiten verplicht zouden worden medewerking teverlenen aan een vervolging wegens een feit dat geheel of voor eenbelangrijk deel in Nederland is gepleegd en hier niet is strafbaar gesteld ofop grond van de geldende vervolgingsrichtlijnen hier niet zou wordenvervolgd. De territorialiteitsclausule biedt deze bescherming en isdaarmee aanzienlijk ruimer dan het Duitse voorbehoud. Het Duitsevoorbehoud is immers beperkt tot de zes hierboven genoemde strafbarefeiten en kan alleen worden ingeroepen voor zover de inzet van dwangmiddelennodig is ter uitvoering van het bevel. De territorialiteitsclausulekan bij alle strafbare feiten, met inbegrip van de 32 lijstfeiten, wordeningeroepen en zelfs in gevallen waarin uitvoering aan het bevel kanworden gegeven zonder dat de inzet van dwangmiddelen is vereist.Bovendien kan op grond van de territorialiteitsclausule ook medewerkingaan de uitvoering van een EBB worden geweigerd indien het feit inNederland weliswaar is strafbaar gesteld, maar ingevolge de vervolgingsrichtlijnenvan het openbaar ministerie niet vervolgd zou worden. Dit heefttot gevolg dat de officier van justitie de uitvoering van een EBB niet alleenkan weigeren indien het feit in Nederland is gepleegd en hier nietstrafbaar is – zoals bijvoorbeeld het geval zou zijn bij een met inachtnemingvan de geldende regels in Nederland uitgevoerde abortus ofeuthanasie – maar ook indien het feit in Nederland weliswaar is strafbaargesteld, maar ingevolge de vervolgingsrichtlijnen niet zou wordenvervolgd, zoals bijvoorbeeld bij het Nederlandse softdrugsbeleid het gevalkan zijn. Het Duitse voorbehoud zou in beide bovengenoemdevoorbeelden geen uitkomst bieden. Dit vormde de reden dat Nederlandom niet aansluiting te zoeken bij het Duitse voorbehoud, maar in te zettenop van de territorialiteitsclausule als weigeringsgrond, hetgeen is gelukt.In artikel 14 van het kaderbesluit is bepaald dat een EBB niet kan wordengeweigerd op grond van het ontbreken van dubbele strafbaarheid indienhet bevel is uitgevaardigd voor een van de 32 in dat artikel opgesomdestrafbare feiten en op dat feit in de uitvaardigende lidstaat een gevangenisstrafvan tenminste drie jaren is gesteld. De leden van de D66-fractiemerkten op te vrezen dat de delictsomschrijvingen van deze strafbarefeiten niet altijd overeen zullen komen, zeker gelet op de nationalejurisprudentie van de lidstaten. Deze leden vroegen of de regering nietvreest dat delictsomschrijvingen uiteenlopen en hoe de regeringproblemen hieromtrent voorkomt. Graag merk ik hierover het volgendeop. Ten aanzien van de 32 strafbare feiten die op de lijst zijn genoemd isde precieze delictsomschrijving niet langer relevant, nu voor deze feitengeldt dat niet aan het vereiste van dubbele strafbaarheid zal wordengetoetst. Dat de precieze delictsomschrijvingen van deze feiten in deverschillende lidstaten kunnen verschillen acht ik overigens ook nietbezwaarlijk omdat consensus over de strafwaardigheid betrekking heeftop het te beschermen rechtsgoed. Hier kan een parallel worden getrokkenmet de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het vereiste vandubbele strafbaarheid waaruit volgt dat «niet ter zake [doet] of debuitenlandse strafbaarstelling in alle opzichten overeenkomt met deNederlandse. Voldoende is dat die buitenlandse strafbaarstelling in dekern hetzelfde rechtsgoed beschermt als de Nederlandse strafbaarstelling.In dat geval kan worden gezegd dat een wettelijke bepaling is aan tewijzen op grond waarvan het materiële feit als eenzelfde inbreuk op deNederlandse rechtsorde strafbaar is gesteld.» (HR 4 februari 2003, LJNAF0451). Dit betekent dat zelf in die gevallen waarin wel aan het vereisteEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 8


het kaderbesluit opgenomen regeling houdt kort gezegd het volgende in.De uitvoering van een EBB geschiedt met toepassing van het nationalestrafprocesrecht van de uitvoerende lidstaat. Wanneer bepaalde bevoegdhedenmoeten worden toegepast ter uitvoering van een EBB, dan geldt alsuitgangspunt dat deze slechts kunnen worden ingezet wanneer deze ineen vergelijkbare nationale zaak ook hadden kunnen worden ingezet. Zijnbevoegdheden nodig die in een vergelijkbare Nederlandse zaak nietzouden kunnen worden ingezet, dan kan de uitvoering van het EBBworden geweigerd op grond van het voorgestelde artikel 552yy, eerste lid,onderdeel c, Sv. Uitzondering op deze hoofdregel geldt voor die gevallenwaarin een EBB is uitgevaardigd in verband met een verdenking wegenseen van de 32 in artikel 14 genoemde strafbare feiten en op het desbetreffendestrafbare feit in de uitvaardigende lidstaat een gevangenisstraf vanten minste drie jaren is gesteld. In dat geval moet de uitvaardigendelidstaat steeds in staat zijn het EBB uit te voeren, ook indien eenbevoegdheid nodig is die in een vergelijkbare nationale zaak niet zoukunnen worden toegepast. Voor Nederland heeft deze bepaling gevolgenin twee specifieke gevallen: inbeslagneming van een aan de posttoevertrouwde brief (artikel 100 Sv) respectievelijk het vorderen van deinhoud van een e-mail bij een internet provider (artikel 126ng, tweede lid,Sv) en het vorderen van gevoelige gegevens (artikel 126nf Sv). Voor dezebevoegdheden geldt dat zij in een Nederlandse zaak alleen kunnenworden toegepast indien er een verdenking is van een strafbaar feitwaarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Het gaat hierbij dus omfeiten waarop in Nederland een gevangenisstraf van vier jaren of meer isgesteld dan wel feiten waarvoor een lagere strafbedreiging geldt, maardie zijn opgesomd in artikel 67, eerste lid, onderdeel b of c, Sv. Voor hetvorderen van de inhoud van e-mailverkeer of van gevoelige gegevensgeldt tevens het vereiste dat het strafbare feit naar zijn aard of insamenhang met andere strafbare feiten een ernstige inbreuk op derechtsorde oplevert.De uitzondering die in het kaderbesluit is geregeld en waarop de ledenvan de SP-fractie doelen komt er in concreto op neer dat in het geval voorde uitvoering van een EBB dat betrekking heeft op een van de 32 lijstfeitende inzet van een van de twee hierboven genoemde specifieke bevoegdhedenis vereist, in plaats van de drempel van een strafbedreiging naarNederlands recht van vier jaren of meer (d.w.z. een delict waarvoorvoorlopige hechtenis mogelijk), de drempel van een strafbedreiging naarhet recht van de uitvaardigende lidstaat van drie jaren of meer geldt. Ikacht het van belang dit te benadrukken, omdat dit betekent dat de inzetvan de bevoegdheid nog steeds is beperkt tot ernstige strafbare feiten.Bovendien wijs ik deze leden, wellicht ten overvloede, op artikel 7,onderdeel b, van het kaderbesluit waaruit voortvloeit dat de uitvaardigendeautoriteit alleen dan een bevel strekkende tot het vorderen vangevoelige gegevens mag uitvaardigen indien deze gegevens in eenvergelijkbare nationale zaak volgens het nationale recht van de uitvaardigendelidstaat en onder de gegeven omstandigheden eveneens haddenkunnen worden gevorderd. Gelet op de geldende criteria en waarborgenvan het kaderbesluit en de noodzaak van gegevensuitwisseling tussen delidstaten ten behoeve van een adequate criminaliteitsbestrijding ben ik,anders dan deze leden, dan ook van oordeel dat de in het kaderbesluitneergelegde regeling aanvaardbaar is.De vrees dat deze bevoegdheid zou kunnen leiden tot een situatie waarinNederland gehouden is mee te werken aan een strafrechtelijke vervolgingdie in strijd zou zijn met de Nederlandse grondwet, deel ik niet. In hethypothetische geval dat een lidstaat een persoon strafrechtelijk zouvervolgen voor een feit dat in Nederland niet strafbaar is en waarvanstrafbaarstelling in strijd moet worden geacht met de fundamentelerechten zoals onder andere neergelegd in de Nederlandse grondwet enNederland door middel van een EBB om bijstand zou worden verzocht tenEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 11


ehoeve van die vervolging, zal Nederland niet gehouden zijn diemedewerking te verlenen. Artikel 1, derde lid, van het kaderbesluitbevestigt immers dat het kaderbesluit van toepassing is onverminderd deverplichting van de lidstaten tot eerbiediging van grondrechten enfundamentele rechtsbeginselen zoals neergelegd in artikel 6 van hetVerdrag betreffende de Europese Unie (oud), waarin onder andere naarhet EVRM wordt verwezen. Het kaderbesluit laat alle verplichtingen die indat verband op de justitiële autoriteiten rusten onverlet. Dit betekent daterkenning en uitvoering van een EBB met de hierboven omschrevenstrekking zou worden geweigerd.Op welke wijze het vorderen en verstrekken van gevoelige gegevens in dehierboven genoemde gevallen in strijd zou zijn met artikel 14 EVRM(verbod van discriminatie), zoals deze leden stellen, is mij niet geheelduidelijk. Het vorderen van gevoelige gegevens in de in artikel 126nf Svgenoemde gevallen vormt geen inbreuk op het discriminatieverbod.Moeilijk valt in te zien dat het vorderen van die gegevens ten behoeve vaneen opsporingsonderzoek met betrekking tot een van de 32 lijstfeitenwaarop in de uitvaardigende lidstaat een gevangenisstraf van tenminstedrie jaren is gesteld, wel sprake zou zijn van strijdigheid met het discriminatieverbod.De vraag van deze leden of de regering het mogelijk acht over dit puntalsnog te onderhandelen, beantwoord ik ontkennend. In de eerste plaatsheb ik aangegeven dat ik de regeling alleszins aanvaardbaar vind. In detweede plaats acht ik het, zoals ik in het voorgaande onder «Beoordelingnoodzaak en proportionaliteit» reeds heb aangegeven, niet aannemelijkdat er bij de andere lidstaten steun zou bestaan voor het heronderhandelenover bepaalde onderdelen van het kaderbesluit.Ten slotte drongen de leden van de SP-fractie erop aan de norm vanartikel 126nf Sv, die – zo stelden deze leden – op grond van het EVRM eenEuropese norm zou dienen te zijn, niet los te laten. Graag merk ik hieroverhet volgende op. Artikel 8 EVRM waarborgt het recht op eerbiediging vande persoonlijke levenssfeer. Ingevolge het tweede lid van artikel 8 is eenbeperking van dat recht alleen toegestaan voor zover daarin «bij de wet isvoorzien» en dit «in een democratische samenleving noodzakelijk is» inhet belang van enkele met name genoemde doelen, waaronder hetvoorkomen van strafbare feiten. Onder het voorkomen van strafbarefeiten wordt ook de opsporing en vervolging van strafbare feitenbegrepen. Deze norm geldt voor alle lidstaten van de Europese Unie. Datlaat echter onverlet dat de lidstaten, binnen de algemene kaders die uit dejurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensvoortvloeien, een eigen beoordelingsruimte toekomt ten aanzien van dewijze waarop zij een bevoegdheid die inbreuk maakt op artikel 8 EVRMnationaal regelen. Het is dus denkbaar dat de voorwaarden voor hetvorderen van gevoelige gegevens ingevolge het nationale recht van eenandere lidstaat niet exact dezelfde zijn als de in artikel 126nf Sv neergelegdevoorwaarden. Dat betekent echter geenszins dat het recht van dieandere lidstaat niet in overeenstemming zou zijn met artikel 8 EVRM.De leden van de D66-fractie wezen eveneens op de bovenomschrevenuitzondering op de hoofdregel dat een EBB zal worden uitgevoerd mettoepassing van bevoegdheden die in een vergelijkbare nationale zaakonder de gegeven omstandigheden eveneens zouden kunnen wordeningezet. De vragen die deze leden hierover hebben gesteld, lijken echterop een misverstand te berusten. Deze leden gingen er in hun vraagstellingnamelijk van uit dat er geen wettelijke basis zou zijn voor de toepassingvan twee hierboven omschreven bevoegdheden bij de uitvoering van eenEBB. Graag verduidelijk ik dat wel in een wettelijke regeling is voorzien.Toepassing van de genoemde bevoegdheden is namelijk geregeld in hetvoorgestelde artikel 552aaa, derde lid, Sv jo. artikel 126nf Sv respectievelijkartikel 110 en 126ng, tweede lid, Sv. Het voorgestelde artikel 552aaa,Eerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 12


eerste lid, Sv bevat de hoofdregel dat de uitvoering van een EBBgeschiedt overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Wetboekvan Strafvordering. In het voorgestelde artikel 552aaa, derde lid, Sv isbepaald dat wanneer het EBB betrekking heeft op een van de 32 lijstfeitenen op het desbetreffende feit in de uitvaardigende lidstaat een gevangenisstrafvan ten minste drie jaren is gesteld, de benodigde bevoegdhedenook kunnen worden ingezet buiten de in de toepasselijke bepalingenopgenomen gevallen. Aanvullende regelgeving is derhalve niet nodig.RechtszekerheidDe leden van de D66-fractie stelden een aantal vragen in verband met hetvoorgestelde artikel 552aaa, vijfde lid, Sv. Daarin is bepaald dat de officiervan justitie of de rechter-commissaris bij de uitvoering van een EBB zoveel mogelijk de door de uitvaardigende autoriteit in het bevel aangegeventermijnen en vormvoorschriften in acht neemt, voor zover zulks nietstrijdig is met de grondbeginselen van het Nederlandse recht. Dezebepaling geeft uitvoering aan artikel 12 van het kaderbesluit. Deze ledenwezen op het belang van rechtszekerheid en gaven aan dat een verdachtein Nederland mag rekenen op toepassing van Nederlands strafprocesrecht,zoals bijvoorbeeld de cautieplicht. Verwijzend naar de toepassingvan buitenlandse vormvoorschriften, vroegen deze leden of de regeringniet vreest dat de verdachte niet meer weet waar hij aan toe is. Deze ledenvroegen voorts of de rechtszekerheid in zijn algemeenheid niet eenfundamenteel rechtsbeginsel is waardoor niet-Nederlandse vormvoorschriftenachterwege kunnen blijven. De door deze leden gestelde vragenbieden mij de gelegenheid de achtergrond en inhoud van deze bepaling teverduidelijken. Graag stel ik voorop dat ook ik van oordeel ben datrechtszekerheid voor de verdachte een belangrijk beginsel is in hetstrafprocesrecht. Zoals ik in het voorgaande heb aangegeven, zal een EBBin Nederland worden uitgevoerd overeenkomstig het Nederlandsestrafprocesrecht (artikel 552aaa, eerste lid). Nederlandse bepalingen zoalsde cautieplicht zijn ten volle van kracht. De vormvoorschriften die inartikel 12 van het kaderbesluit worden genoemd, moeten worden gezienals aanvulling op de Nederlandse regels. De achterliggende gedachte bijde bepaling is de volgende. Wanneer een lidstaat een andere lidstaatvraagt om bijstand te verlenen bij het vergaren van bewijsmateriaal, is hetvan belang dat de vergaarde voorwerpen of informatie ook daadwerkelijkals bewijs kunnen worden toegelaten in de strafzaak in de uitvaardigendelidstaat. Voor sommige lidstaten geldt dat het nationale strafprocesrechtvereist dat bepaalde procedures worden gevolgd bij het vergaren vanbewijs, ook wanneer dit het buitenland geschiedt. Veelal gaat het hierbijom eisen die juist in het belang van de verdachte zijn. Bekendevoorbeelden die in het kader van het EBB kunnen spelen zijn de eis dat deraadsman van verdachte bij een doorzoeking aanwezig is. Een andervoorbeeld betreft de eis van het documenteren van de bewijsketen(«chain of evidence»), zodat de rechter kan nagaan hoe is omgegaan methet bewijsmateriaal vanaf het moment dat het is in beslag genomen tot deterechtzitting. Ten slotte kan als voorbeeld worden genoemd de aanwezigheidvan een opsporingsambtenaar van de uitvaardigende lidstaat bijhet verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen. Deze kan vervolgenszo nodig in de strafzaak in de uitvaardigende lidstaat uit eigenwaarneming verklaren over de uitvoering van het EBB. Het naleven vandeze vormvereisten en procedures beoogt te voorkomen dat de inspanningenvan de uitvoerende lidstaat achteraf zinloos blijken te zijn geweestomdat de rechter vanwege het niet naleven van bepaalde vormvereistenhet bewijs buiten beschouwing laat. Door reeds in het bevel aan te gevendat bepaalde vormvoorschriften in acht moeten worden genomen, kan deuitvoerende lidstaat hiermee rekening houden. Van een dreigende inbreukop het beginsel van rechtszekerheid is in de genoemde gevallen naar mijnEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 13


de praktijk denkbaar. Op basis van het Besluit 2008/615/JBZ inzake deintensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in hetbijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdendecriminaliteit worden DNA-profielen uit DNA-databanken in een aantallidstaten van de EU automatisch met elkaar vergeleken. Indien dievergelijking leidt tot een zogenoemde «hit», kan de lidstaat waar deDNA-profielen zijn opgeslagen met behulp van een EBB worden gevraagdde achterliggende gegevens die bij het desbetreffende DNA-profiel horen,zoals de naam van de betrokkene, te verstrekken. De DNA-gegevens, zovermeld ik voor de volledigheid, worden niet aangemerkt als «gegevensover strafrechtelijke veroordelingen uit strafregisters» en vallen dus nietonder de uitzondering van artikel 4, derde lid, van het kaderbesluit.De leden van de D66-fractie vroegen of de uitvaardigende autoriteit,wanneer deze de verstrekte gegevens voor een ander doel dan hetstrafproces gebruikt, zoals bijvoorbeeld ter voorkoming van een onmiddellijkeen ernstige bedreiging van de openbare orde, verplicht is deuitvoerende autoriteit of de verdachte hiervan op de hoogte te stellen.Hierover merk ik het volgende op. Wanneer de uitvaardigende lidstaat deverstrekte gegevens wil gebruiken voor één van de in artikel 10, eerste lid,onderdeel a, b of c, van het kaderbesluit genoemde doelen dan behoeft deuitvaardigende lidstaat hiervan geen kennisgeving te doen aan de lidstaatdie de gegevens heeft verstrekt. Of de autoriteiten in de uitvaardigendelidstaat gehouden zijn de verdachte hiervan op de hoogte te stellen, zalafhangen van het nationale recht van die lidstaat. Naar Nederlands rechtbestaat er geen verplichting om de verdachte hiervan op de hoogte testellen. Het onderhavige kaderbesluit en het kaderbesluit dataprotectieverplichten evenmin tot een dergelijke kennisgeving. Het informeren vande betrokkene over het gebruik van de verstrekte gegevens door deontvangende lidstaat kan in de praktijk tot een extra werklast leiden, zekerin de gevallen waarin de precieze verblijfplaats van de betrokkene bij depolitie niet bekend is. Daar komt bij dat een dergelijke informatieverstrekkinghet opsporingsonderzoek ernstig kan belemmeren.De aan een uitvaardigende lidstaat verstrekte gegevens vallen onder denationale regels betreffende de verwerking van persoonsgegevens vandie lidstaat. In dit verband merkten de leden van de D66-fractie op datbinnen de EU minimumnormen gelden voor de verwerking van persoonsgegevensen dat niet valt uit te sluiten dat de Nederlandse wetgevingstrengere regels bevat. Tegen deze achtergrond vroegen deze leden of deregering kan toezeggen dat zij zich inzet om uitgeleverd bewijs, na hetafdoen van het strafproces in de uitvaardigende lidstaat, terug te krijgenom het volgens de Nederlandse wetgeving te verwerken. Ook wilden dezeleden graag weten of de regering bereid is het College beschermingpersoonsgegevens als adviserende instantie hierover in te schakelen.Graag beantwoord ik deze vragen als volgt. Ik stel voorop dat deze ledenterecht opmerken dat de nationale regels betreffende de bescherming vanpersoonsgegevens tussen de lidstaten kunnen verschillen. Maar voor allelidstaten geldt dat zij gehouden zijn het niveau van gegevensbeschermingzoals neergelegd in het kaderbesluit dataprotectie dienen na te leven. Datkaderbesluit vereist bijvoorbeeld ook dat iedere lidstaat beschikt over eenof meer onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten die toezicht houdenop de naleving van de in het kaderbesluit dataprotectie opgenomenvoorschriften. Hieruit vloeit voort dat, ongeacht mogelijke verschillen innationale regelgeving tussen de lidstaten, naar mijn oordeel in allelidstaten een voldoende niveau van gegevensbescherming is gewaarborgd.De suggestie van deze leden om de uitvaardigende lidstaat teverzoeken de gegevens terug te geven wanneer deze voor het strafvorderlijkgebruik niet langer nodig zijn, komt erop neer dat de uitvaardigendelidstaat wordt verzocht de gegevens in de eigen systemen teEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 15


wissen. De persoonsgegevens die zijn vergaard ter uitvoering van eenEBB, worden immers voorafgaand aan de verstrekking aan de uitvaardigendeautoriteit eerst in de Nederlandse systemen voor politiegegevensvastgelegd. Aangezien de toepasselijke bepalingen voor het gebruik vangegevens die zijn verstrekt in het kader van de strafrechtelijke samenwerkingbepalen dat de verstrekte gegevens ook legitiem voor anderedoeleinden dan het strafproces in het kader waarvan het EBB is uitgevaardigdkunnen worden gebruikt, ligt het niet in de rede om de uitvaardigendelidstaat te verzoeken de verstrekte gegevens te wissen zodra dezevoor het strafvorderlijk gebruik niet langer nodig zijn. Daar komt bij dat detoepasselijke kaderbesluiten geen grondslag bieden voor een dergelijkverzoek. Tot nu toe bestaan er geen afspraken met andere staten over hetretourneren van gegevens die zijn verstrekt in het kader van de wederzijdserechtshulp. Het is ook niet waarschijnlijk dat dergelijke afspraken opde instemming van andere lidstaten kunnen rekenen vanwege de hieraanverbonden uitvoeringslasten. Ik zie dan ook vooralsnog geen aanleidinghet College bescherming persoonsgegevens over het bovenstaande omadvies te vragen.5. Tot slotDe leden van de D66-fractie stelden tot slot nog enkele vragen metbetrekking tot het in acht nemen van buitenlandse vormvoorschriften bijde uitvoering van een EBB. Deze leden vroegen of de regering hetvoldoende mogelijk acht dat in Nederland opgeleide officieren van justitieop een correcte wijze bewijs verzamelen met een korte, schriftelijkeinstructie in niet-Nederlands procesrecht. Ook wilden deze leden weten ofde computersystemen voldoende flexibel zijn om vormvoorschriften vanandere landen op te volgen. Graag beantwoord ik deze vragen als volgt. Inparagraaf 3 van deze memorie van antwoord onder «Rechtszekerheid»ben ik tamelijk uitgebreid ingegaan op de achtergrond van de bepalingwaarop deze leden doelen en op het soort van vormvoorschriftenwaaraan in dit verband moet worden gedacht. Het gaat er hierbij niet omdat de uitvoering van het EBB geheel of voor een belangrijk deel mettoepassing van buitenlands strafprocesrecht geschiedt, maar ompraktische procedures, zoals de aanwezigheid van de raadsman vanverdachte of van buitenlandse opsporingsambtenaren bij eendoorzoeking, die de bruikbaarheid van het verkregen materiaal in destrafzaak in de uitvaardigende lidstaat vergroten. Dit zal derhalve geeningewikkelde instructies over buitenlands procesrecht voor de Nederlandseopsporingsambtenaren vergen en ook geen aanpassing van decomputersystemen van de politie. De wijze waarop uitvoering is gegevenaan het EBB, al dan niet met in achtneming van bepaalde door deuitvaardigende lidstaat verzochte vormvoorschriften, zal gerelateerdworden in een proces-verbaal dat in de bestaande computersystemen zalkunnen worden verwerkt.De minister van Veiligheid en Justitie,I. W. OpsteltenEerste Kamer, vergaderjaar 2012–2013, 32 717, C 16

More magazines by this user
Similar magazines