nu en in de toekomst

guusbeugelink

PBL_2016_Waterkwaliteit%20nu%20en%20in%20de%20toekomst_1727

Waterkwaliteit

nu en in

de toekomst

Eindrapport ex ante evaluatie

van de Nederlandse plannen

voor de Kaderrichtlijn Water

Beleidsstudie


Waterkwaliteit nu en in de toekomst


Waterkwaliteit nu en in de toekomst

Eindrapport ex ante evaluatie van de

Nederlandse plannen voor de

Kaderrichtlijn Water

Beleidsstudie

Frank van Gaalen, Aaldrik Tiktak, Ron Franken,

Erwin van Boekel, Peter van Puijenbroek, Hanneke Muilwijk


Waterkwaliteit nu en in de toekomst. Eindrapportage

ex ante evaluatie van de Nederlandse plannen voor de

Kaderrichtlijn Water

© PBL (Planbureau voor de Leefomgeving)

PBL-publicatienummer: 1727

Auteurs

Frank van Gaalen (PBL), Aaldrik Tiktak (PBL), Ron Franken

(PBL), Erwin van Boekel (Wageningen UR), Peter van

Puijenbroek (PBL) & Hanneke Muilwijk (PBL)

Met bijdragen van

Hans van Grinsven (PBL)

Carin Rougoor (CLM)

Caroline van der Salm (Wageningen UR)

Piet Groenendijk (Wageningen UR)

Peter Cleij (Deltares)

Joost van den Roovaart (Deltares)

Contact

Frank van Gaalen, frank.vangaalen@pbl.nl

Redactie figuren

Beeldredactie PBL

Eindredactie

Uitgeverij PBL

Opmaak

Textcetera, Den Haag

U kunt de publicatie downloaden via de website www.pbl.nl. Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde

van bronvermelding: Gaalen, F. van et al. (2015), Waterkwaliteit nu en in de toekomst. Eindrapportage ex ante evaluatie van de Nederlandse

plannen voor de Kaderrichtlijn Water, Den Haag: PBL.

Het PBL is het nationale instituut voor strategische beleidsanalyses op het gebied van milieu, natuur en ruimte. Het PBL draagt bij

aan de kwaliteit van de politiek-bestuurlijke afweging door het verrichten van verkenningen, analyses en evaluaties waarbij een

integrale benadering vooropstaat. Het PBL is vóór alles beleidsgericht. Het verricht zijn onderzoek gevraagd en ongevraagd,

onafhankelijk en wetenschappelijk gefundeerd.


Inhoud

BEVINDINGEN

Waterkwaliteit nu en in de toekomst 8

VERDIEPING

1 Inleiding 16

1.1 Ex ante evaluatie van de stroomgebiedbeheerplannen voor de KRW 16

1.2 Gebruikte informatie en instrumenten 16

1.3 Leeswijzer 17

2 De Kaderrichtlijn Water 18

2.1 Doel en opzet van de Kaderrichtlijn Water (KRW) 18

2.2 Beoordelingsmethode van de KRW 18

2.3 Waterlichamen en overig water 20

3 Huidige toestand van het water 22

3.1 De toestand van het water in perspectief 22

3.2 Doelen en maatlatten van de KRW 22

3.3 Voortgang in de uitvoering van gebiedsgerichte KRW-maatregelen 22

3.4 Toestand van het oppervlakte water in 2015: stoffen 25

3.5 Toestand van het oppervlakte water in 2015: biologische kwaliteit 29

3.6 Toestand van het grondwater in 2015 31

4 Waterkwaliteitsbeleid 32

4.1 Natuurbeleid 32

4.2 Richtlijn Stedelijk Afvalwater 32

4.3 Mestbeleid 33

4.4 Plattelandsontwikkelings programma en Gemeen schappelijk Landbouwbeleid 34

4.5 Deltaplan Agrarisch Waterbeheer 35

4.6 Gewasbeschermings middelenbeleid 35

4.7 Beleid in het buitenland 35

4.8 Stroomgebiedbeheerplannen 2016-2021 36

5 Toestand van het water in 2021 en 2027 40

5.1 Regionaal oppervlaktewater: nutriënten 40

5.2 Regionaal oppervlaktewater: biologische kwaliteit 41

5.3 Rijkswateren: biologische kwaliteit 41

5.4 Grondwater 42

5.5 Relatieve bijdrage van maat regelen aan het doelbereik van de regionale wateren 43

5.6 Vergelijking rekenresultaten doel bereik regionale wateren met inschattingen van de waterbeheerders 45

5.7 Conclusies 45




6 Hoe verder naar 2021? 46

6.1 Mogelijk beleidstraject naar 2021 46

6.2 Mogelijke extra maatregelen 47

6.3 Van polderen naar participeren 50

Literatuur 52


BEVINDINGEN

BEVINDINGEN



|

7




Waterkwaliteit nu en

in de toekomst

Nederland heeft in de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen

voor de periode 2015-2021 vastgelegd welke maatregelen het

wil nemen om de einddoelen te halen die het zich binnen de

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft gesteld. Uit deze

ex ante evaluatie van het PBL blijkt dat de waterkwaliteit en de

inrichting van de watersystemen met de voorgestelde maatregelen

wel verbeteren, maar dat deze in veel wateren nog onvoldoende

zijn om de ecologische einddoelen te halen. Ook wordt

van sommige stoffen van de Europese lijst van probleem stoffen

nog regelmatig de norm overschreden, maar dit betreft vooral

stoffen die inmiddels nagenoeg niet meer worden geloosd. Om de

ecologische doelen dichterbij te brengen, moeten de emissies van

de nutriënten stikstof en fosfaat en gewasbeschermingsmiddelen

omlaag. Hiervoor is een combinatie van generiek bronbeleid en

gebiedsgerichte maatregelen het meest geschikt. Dit vergt een

verdergaande integratie van het mest- en gewasbeschermingsbeleid

en het waterbeleid dan nu het geval is. Als Nederland

inderdaad dergelijke maatregelen gaat nemen, dan komt

realisatie van de einddoelen van de KRW dichterbij. Pas als blijkt

dat extra maatregelen niet haalbaar of te duur zijn, kunnen

waterbeheerders conform de KRW de doelen verlagen. In de

stroomgebiedbeheerplannen voor 2022-2027 moet Nederland

de definitieve keuzes maken over de doelen voor de verschillende

wateren en de in te zetten maatregelen. Een goed onderbouwde

en gedragen invulling vraagt om een beleidstraject dat ruim voor

2022 wordt gestart.

Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moeten

uiterlijk in 2027 alle aangewezen wateren voldoen aan de

chemische en ecologische doelen. De KRW vraagt

EU-lidstaten om aan te geven welke doelen ze stellen en

welke maatregelen ze uitvoeren om de gestelde doelen te

halen. Die doelen en maatregelen komen samen in plannen

die per land en per stroomgebied worden opgesteld.

Deze zogeheten stroomgebiedbeheerplannen hebben

een looptijd van zes jaar. Ze bevatten maat regelen bij

riool waterzuiveringsinstallaties gericht op het verbeteren

van de waterkwaliteit en inrichtings maatregelen, zoals

beek herstel en het aanleggen van vistrappen. Maatregelen

om de emissies van nutriënten uit de landbouw

te vermin deren zijn opgenomen in het vijfde nitraatactieprogramma.

Voor gewasbeschermings middelen staan

deze maatregelen in de nota Gezonde groei, duurzame oogst

(EZ 2013).

De Nederlandse stroomgebiedbeheerplannen voor de

periode 2016-2021 zijn in december 2015 vastgesteld.

Het PBL heeft op verzoek van het ministerie van Infrastructuur

en Milieu (IenM) op basis van metingen en

modelberekeningen geëvalueerd of de voorgestelde

maatregelen in de plannen en het vijfde nitraatactieprogramma

afdoende zijn om de gestelde doelen voor

2027 te halen. Het voorliggende rapport is een vervolg op

de in mei 2015 door het PBL gepubliceerde tussentijdse

rapportage (PBL 2015). Nieuw in dit eindrapport zijn

onder andere de onderdelen verontreinigende stoffen en

rijkswateren, waarvoor destijds nog geen gegevens

beschik baar waren. Ook nieuw zijn de resultaten van een

analyse waarin op basis van meetgegevens de toestand

en trend in het verleden zijn bepaald.

De waterkwaliteit verbetert, maar voldoet in 2027 in veel

wateren niet aan de doelen

De biologische kwaliteit is het belangrijkste onderdeel

van het oordeel over de ‘ecologische toestand’ van het

oppervlaktewater. Alleen als de biologische kwaliteit

goed is, kan de ecologische toestand goed zijn. De KRW

beoordeelt de biologische kwaliteit aan de hand van

vier maatlatten voor algen, macrofauna, vissen en

waterplanten. Alleen als alle vier de maatlatten goed

zijn, is (volgens het zogeheten one out, all out-principe)

de biologische kwaliteit van het water goed. Dit gold in

2015 voor 3 procent van de regionale wateren (figuur 1)

en 25 procent van de rijkswateren (figuur 2). Door de

maatregelen uit de stroomgebiedbeheerplannen en

het gevoerde en in uitvoering zijnde mestbeleid zal dit

aandeel in 2027 volgens modelberekeningen toenemen

tot 15 procent van de regionale wateren en 55 procent van

de rijkswateren. Het doelbereik in de rijkswateren komt

hoger uit omdat bij de afleiding van de normen rekening

is gehouden met de gebruiksfunctie van het betreffende

water. Hierdoor zijn de normen voor rijkswateren

meestal minder streng.

De beoordelingsmethodiek maskeert verbeteringen op

onderdelen

Het one out, all out-principe verhult verbeteringen op

onderdelen. Het aandeel wateren dat in 2027 goed zal

scoren per individuele maatlat is namelijk hoger: 35 tot

50 procent in de regionale wateren (figuur 1) en 60 tot

100 procent in de rijkswateren (figuur 2). Voor algen

en waterplanten in de rijkswateren zal in 2027 (bijna)

100 procent goed zijn. Hoewel hierover discussie is tussen

de Europese Commissie en verschillende EU-lidstaten,

8

| Waterkwaliteit nu en in de toekomst




Figuur 1

Beoordeling biologische kwaliteit in regionale wateren volgens Kaderrichtlijn Water

Algen

2015

2021

2027

Waterplanten

2015

2021

2027

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Macrofauna

2015

2021

2027

Vissen

2015

2021

2027

Oordeel biologie

2015

2021

2027

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Bron: Deltares; bewerking PBL

Het aandeel regionale wateren met een goede biologische kwaliteit bedraagt in 2027 naar verwachting 15 procent.

Figuur 2

Beoordeling biologische kwaliteit in rijkswateren volgens Kaderrichtlijn Water

Algen

2015

2021

2027

Waterplanten

2015

2021

2027

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Macrofauna

2015

2021

2027

Vissen

2015

2021

2027

Oordeel biologie

2015

2021

2027

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Bron: Deltares; bewerking PBL

In 2027 voldoet naar verwachting 55 procent van de rijkswateren aan alle biologische maatlatten.

Bevindingen |

9




Figuur 3

Beoordeling prioritaire stoffen volgens Kaderrichtlijn Water

Totaal 2015

2009

2015

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

pbl.nl

Alle stoffen voldoen

Niet bekend

Aantal stoffen dat niet voldoet

1

3 – 4

2

5 of meer

Bron: IHW (Waterschappen, RWS); bewerking PBL

Het aandeel wateren dat voldoet aan alle chemische kwaliteitsnormen is afgenomen. Dit komt vooral omdat de waterkwaliteitsnormen zijn aangescherpt

(zie voor meer informatie het Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl1566).

gebeurt de uiteindelijke beoordeling echter volgens het

one out, all out-principe.

Het aandeel wateren met een goede chemische toestand

is afgenomen omdat de Europese normen zijn

aangescherpt

De ‘chemische toestand’ van het oppervlaktewater

wordt bepaald door 33 zogeheten prioritaire stoffen.

Dat zijn stoffen die in meerdere EU-lidstaten een probleem

vormen en waarvan de Europese Commissie de

milieukwaliteitsnormen heeft vastgesteld. In de wateren

waarvoor metingen beschikbaar waren is het aandeel

wateren met een normoverschrijding toegenomen, van

ongeveer 25 procent in 2009 naar 60 procent in 2015

(figuur 3). Dit komt vooral omdat voor de beoordeling van

2015 al rekening is gehouden met nieuwe aangescherpte

Europese milieukwaliteitsnormen, die in feite pas vanaf

2016 van toepassing zijn. Daarnaast kunnen door betere

analysemethoden meer stoffen worden aangetoond.

De meeste normoverschrijdingen werden veroorzaakt

door ‘ubiquitaire stoffen’: stoffen die (nagenoeg) niet

meer worden geloosd, maar die door nalevering uit

bijvoorbeeld het sediment nog lange tijd in het water

kunnen worden aangetroffen. Het is kostbaar en in veel

gevallen niet mogelijk dit soort stoffen met maatregelen

aan te pakken.

Maatregelen uit de stroomgebiedbeheersplannen

hebben een positief effect op de biologische kwaliteit ...

In 2015 was bijna 90 procent van de maatregelen uit

de eerste stroomgebiedbeheerplannen (2009-2015)

daadwerkelijk uitgevoerd. In de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen

is het totale maatregelen pakket voor

de gehele periode 2009-2027 ook niet gewijzigd.

De besparingen en taakoverhevelingen die zijn uitgevoerd

naar aanleiding van afspraken in het Bestuursakkoord

Water hebben blijkbaar geen gevolgen gehad voor de

totale maatregelenambitie van de waterbeheerders.

Door emissiereducerende maatregelen bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

zal het aandeel regionale wateren

dat voldoet aan de normen voor stikstof of fosfor

toenemen, van 45 procent in 2015 tot ruim 50 procent in

2027. Dit heeft een positief effect op de biologische

kwaliteit. Verder hebben vooral inrichtings- en beheermaatregelen

een positief effect op de biologische

kwaliteit. De grootste verbetering doet zich voor in de

beken. Hier hebben inrichtingsmaatregelen meer effect

omdat hoge nutriëntenconcentraties in dit type wateren

minder bepalend zijn voor de biologische kwaliteit dan in

bijvoorbeeld meren.

10 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst




Figuur 4

Verandering belasting van oppervlaktewater met vijfde nitraatactieprogramma

bij gelijkblijvende veestapel, 2013 – 2027

Stikstof

Fosfor

Toename

0 – 5 % afname

Meer dan 5 % afname

pbl.nl

pbl.nl

Bron: Alterra

De nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater neemt door het mestbeleid in de zandgebieden af en in een deel van de kleigebieden toe.

... maar de bijdrage van het vijfde nitraatactieprogramma

is gering

Uit metingen blijkt dat de nutriëntenconcentraties

over een lange periode (1985-2015) in het algemeen

afgenomen zijn. Hieruit kan worden geconcludeerd

dat het mestbeleid in het verleden heeft bijgedragen

aan een verbetering van de waterkwaliteit. In de

periode 2009-2015 is de kwaliteit bij een kwart van

de waterlichamen verder verbeterd. In het grootste

deel van de waterlichamen is de nutriëntentoestand

gelijkgebleven en in een klein deel van de waterlichamen

achteruitgegaan. Uit modelberekeningen blijkt verder

dat de bijdrage van het vijfde nitraatactieprogramma

aan het halen van de doelen van de KRW in 2027 gering

zal zijn. Landelijk gezien zal door dit programma de uiten

afspoeling van nutriënten met maximaal 5 procent

afnemen, en in een aantal kleigebieden niet af- maar

toenemen (figuur 4). Het geringe effect van het vijfde

nitraatactieprogramma is conform de verwachting,

omdat het nitraatactieprogramma vooral is gericht op

het verminderen van de nitraatbelasting van grondwater

in zandgronden, en niet op het verminderen van de

belasting van het oppervlaktewater.

Risico op toename nutriëntenbelasting door afschaffing

melkquotering

Door de afschaffing van de melkquotering is de

mest productie sinds 2012 toegenomen. Alleen als

de sector – zoals verplicht – zorgt voor voldoende

mestverwerkingscapaciteit kan worden voorkomen

dat dit leidt tot een toename van de belasting van het

grond- en oppervlaktewater. Als de mestproductie

toeneemt, is er een risico dat het nationale plafond

voor fosfaatproductie (172 miljoen kilo per jaar) wordt

overschreden. Omdat dit de derogatie – de verruiming

van de mestaanwendingsnormenin gevaar kan

brengen, heeft staatssecretaris Dijksma fosfaatrechten

voor de melkveehouderij afgekondigd. Eenzijdig sturen

op fosfaat heeft echter als risico dat de uit- en afspoeling

van stikstof toeneemt.

Vervolg van de KRW vraagt om een beleidstraject dat

ruim voor 2021 start

In de stroomgebiedbeheerplannen voor 2022-2027

moet Nederland de definitieve keuzes maken over de

doelen voor de verschillende wateren en de in te zetten

maatregelen. Een goed onderbouwde en gedragen

invulling vraagt om een beleidstraject dat ruim voor

2021 wordt gestart. Daarbij dient in eerste instantie te

worden onderzocht welk effect kan worden verwacht

van maatregelen en welke aanvullende maatregelen er

mogelijk zijn zonder dat bestaande functies significant

worden geschaad. Vervolgens dient er bestuurlijk een

discussie te worden gevoerd of de mogelijke maatregelen

daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. De KRW

biedt na 2027 geen ruimte om de uitvoering van die

maatregelen te faseren. Als de benoemde extra maatregelen

in de periode 2022-2027 niet haalbaar of te duur

Bevindingen |

11




Figuur 5

Maatregelen ter vermindering van fosfaatuitspoeling naar oppervlaktewater en

bijbehorende reductie

Meest effectieve maatregel

Mogelijke reductie fosfaatuitspoeling ten

opzichte van uitspoeling 2014

Uitmijnen

Peilgestuurde drainage

Bodemverbetering

Bron: Alterra

pbl.nl

%

Minder dan 25

25 – 50

50 – 75

75 – 100

De regionale situatie bepaalt welke maatregel het meest effectief is om de belasting met fosfaat te verminderen. Als de meest effectieve maatregel wordt

gekozen, kan de belasting van het oppervlaktewater met 10 tot 60 procent afnemen.

pbl.nl

worden gevonden, moeten waterbeheerders de doelen

verlagen. Dit vergt een uitgebreide verantwoordingsprocedure

tegenover de Europese Commissie.

Plannen gebiedsgericht invullen

Het traject naar de plannen voor de periode 2022-

2027 vraagt een gebiedsgerichte invulling waarbij

alle belanghebbende partijen worden betrokken: de

ministeries van IenM en EZ, provincies, waterschappen,

gemeenten, land- en tuinbouworganisaties, natuurbeheerders,

bedrijven, NGO’s en burgers. Een deliberatief

proces waarbij belanghebbenden op basis van gelijkwaardigheid

ideeën uitwisselen, lijkt hierbij de sleutel

tot succes. Regie vanuit het Rijk is evenwel nodig, omdat

ingrepen op een bepaalde plek de mogelijkheden

om de doelen te halen elders kunnen beperken of

juist vergroten. Bovendien is het Rijk verantwoording

verschuldigd aan de Europese Commissie.

Integratie mestbeleid en waterbeleid noodzakelijk

In veel wateren vormt de belasting met nutriënten en

gewasbeschermingsmiddelen een knelpunt voor verdere

kwaliteitsverbetering. Soms bieden maatregelen

bij rioolwaterzuiveringsinstallaties uitkomst. In de

meeste gevallen moet echter vooral de belasting met

nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen door

de landbouw om laag. Hiervoor lijkt een combinatie

van generiek bron beleid en gebiedsgerichte maatregelen

(zoals voorgesteld in het Deltaplan Agrarisch

Waterbeheer) het meest geschikt. Dit vergt een

verder gaande inte gratie van het mest- en gewasbeschermingsbeleid

en het water beleid dan nu

het geval is. In wateren waar wordt voldaan aan de

normen voor nutriënten (volgens bereke ningen in

2027 ruim 50 procent van de regionale wateren),

kunnen waterbeheerders met extra inrichtings- en

beheermaatregelen ervoor zorgen dat aan alle voorwaarden

voor een goede ecologische toestand wordt

voldaan. Het gaat hierbij om maatregelen als herstel van

beken en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers.

Optimale mix van maatregelen kan KRW-doelen

substantieel dichterbij brengen

Omdat de effectiviteit van landbouwmaatregelen

afhankelijk is van de situatie ter plaatse, moet op

regionaal en lokaal niveau worden gezocht naar de meest

efficiënte (mix van) maatregelen. Peilgestuurde drainage

en uitmijnen van fosfaat in een strook langs het water

zijn maatregelen waarover experts het eens zijn dat ze

de belasting met nutriënten substantieel verminderen.

Bij een optimaal pakket aan maatregelen kan de belasting

van het oppervlaktewater met nutriënten met 10 tot

60 procent afnemen (figuur 5). Volgens berekeningen

is op nationaal niveau gemiddeld 40 tot 50 procent

vermindering noodzakelijk om de nutriëntendoelen

te halen. Voor het verminderen van de emissies uit

12 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst




land bouwgronden is het ook relevant om nader te

onder zoeken in hoeverre agrariërs boven de wettelijke

gebruiksnormen bemesten en zo ja, of dit door betere

handhaving kan worden tegengegaan.

Financiële prikkels kunnen helpen om bovenwettelijke

maatregelen te stimuleren

Veel gebiedsgerichte landbouwmaatregelen zijn bovenwettelijk.

Een belangrijke opgave is daarom het meekrijgen

van een voldoende aantal agrariërs om de maatregelen

grootschalig uit te rollen. Een belang rijke randvoorwaarde

daarvoor is dat er op regionaal niveau consensus is over de

bronnen van nutriëntenbelasting en over de effectiviteit,

kosten, uitvoerbaarheid en brede inzetbaarheid van de

maat regelen. Die consensus is er echter nog niet voor

alle maatregelen. Verder passen agrariërs bovenwettelijke

maatregelen alleen toe als ze niet te veel geld

kosten en niet tot opbrengstderving leiden. Voor het

implementeren van duurdere maatregelen kunnen

financiële prikkels helpen. Hiervoor zouden gelden uit het

Plattelandsontwikkelingsprogramma voor Nederland en

het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid kunnen worden

gebruikt.

Bevindingen | 13





VERDIEPING

VERDIEPING



Bevindingen | 15


EEN

Inleiding

In dit rapport presenteren we de resultaten van de

ex ante evaluatie van de Nederlandse stroomgebiedbeheerplannen

voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) in de

periode 2016-2021. Het doel van de evaluatie is om na te

gaan of de maatregelen in die plannen voldoende zijn om

de einddoelen te halen die Nederland voor de KRW heeft

gesteld.

Dit rapport is een vervolg op de in mei 2015 verschenen

tussentijdse rapportage (zie PBL 2015). Nieuw in dit (eind)

rapport zijn onder andere de paragrafen over prioritaire

stoffen en specifiek verontreinigende stoffen alsmede de

paragrafen over de rijkswateren. Voor beide onderwerpen

geldt dat hiervoor destijds nog geen gegevens

beschikbaar waren. Ook nieuw zijn de resultaten van een

analyse van Deltares waarin op basis van meetgegevens

de toestand en trend in het verleden zijn bepaald.

1.1 Ex ante evaluatie van de

stroomgebiedbeheerplannen

voor de KRW

De evaluatie is uitgevoerd in samenwerking met Deltares

en Alterra. Ook het Landbouw Economisch Instituut

(LEI), Royal HaskoningDHV, Witteveen & Bos en het

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

hebben bijgedragen. De stroomgebiedbeheerplannen

zijn geëvalueerd op verzoek van het ministerie van

Infrastructuur en Milieu (IenM).

In veel watersystemen hebben nutriënten (stikstof en

fosfor) een negatieve invloed op de waterkwaliteit.

Om deze reden zijn in de berekeningen ook de effecten

meegenomen van het vijfde nitraatactieprogramma.

Een deel van de maatregelen vanuit ander beleid – zoals

de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), Natura 2000,

het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW), het

Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) en het

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) – is nog in

ontwikkeling (zie hoofdstuk 4); deze maatregelen zijn

meestal niet in de stroomgebiedbeheerplannen

opgenomen en derhalve niet in de huidige berekeningen

meegenomen.

1.2 Gebruikte informatie en

instrumenten

Deze evaluatie is gebaseerd op een combinatie van

metingen en resultaten van procesmodellen.

De toestand van het water in 2009 en 2015 is vooral

gebaseerd op gegevens en inschattingen die de waterbeheerders

aan het Informatiehuis Water (IHW) hebben

geleverd en die het IHW beschikbaar heeft gesteld in de

vorm van factsheets. Naast de gegevens van het IHW, zijn

ook analyses van het MNLSO (het Meetnet Landbouw

Specifiek Oppervlaktewater; Klein en Rozemeijer 2013) en

van de KRW-meetpunten (Duijnhoven et al. 2015)

gebruikt om de toestand en trend in het verleden te

bepalen. De resultaten van analyses gebaseerd op

metingen laten het effect zien van al genomen maatregelen

op de huidige toestand maar kunnen niet

gebruikt worden om uitspraken te doen over de te

verwachten toestand in 2021 en 2027 (Klein en

Rozemeijer 2013).

Het effect van het vastgestelde beleid op de toestand van

het grond- oppervlaktewater in 2021 en 2027 is met

procesmodellen berekend. Die modellen zijn gevalideerd

op basis van een groot aantal metingen in grond- en

oppervlaktewater (Roovaart et al. 2012; Van der Salm

et al. 2011; Royal HaskoningDHV 2015; Witteveen+Bos

2015). De belasting van de bodem met nutriënten uit

dierlijke mest en kunstmest is door het LEI berekend

met het Mest en Ammoniak Model voor Beleidsondersteunend

Onderzoek (MAMBO; Koeier en Leusink

2015). Met het nutriëntenemissiemodel STONE (Wolf

et al. 2003) heeft Alterra vervolgens de uit- en afspoeling

16 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


EEN

van nutriënten naar het grond- en opper vlaktewater

berekend (Groenendijk et al. 2015). Emissiegegevens uit

andere bronnen zijn verkregen via de emissieregistratie

(www.emissieregistratie.nl). Deltares heeft vervolgens

met de KRW-Verkenner de verspreiding van nutriënten in

het oppervlaktewater berekenend. Daarvoor is ook

informatie over de hydrologie nodig; hiervoor is het het

Nationaal Hydrologisch Instrumen tarium gebruikt

(De Lange et al. 2014). Met de KRW-Verkenner is ten slotte

ook de te verwachten biologische kwaliteit berekend.

Hierbij zijn naast de effecten van nutriënten de effecten

van inrichting en beheer mee genomen (Roovaart et al.

2012). De beoordeling van de biologische kwaliteit van de

rijkswateren is gebaseerd op berekeningen met de KRW-

Verkenner, aangevuld met inschattingen van experts

(Wortelboer et al. 2015).

In de vorige paragraaf is beschreven hoe de effecten van

het vastgestelde beleid berekend zijn. Alterra heeft ook

de te verwachten effecten van een aantal aanvullende

gebiedsgerichte maatregelen doorgerekend (Van der

Salm et al. 2015). Hiervoor is een combinatie van het

model STONE en het model PLEASE (Schoumans et al.

2013) gebruikt.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 geven we achtergrondinformatie over de

KRW en de beoordelingsmethode die binnen de KRW

wordt gebruikt om de waterkwaliteit vast te stellen.

In hoofdstuk 3 beschrijven we de huidige toestand van

het Nederlandse grond- en oppervlaktewater. Het beleid

rond de waterkwaliteit, inclusief de te verwachten

effecten op emissies naar het oppervlaktewater,

komt in hoofdstuk 4 aan bod. We gaan vooral in op

de stroomgebiedbeheerplannen, het mestbeleid, het

gewasbeschermingsbeleid en het Deltaplan Agrarisch

Waterbeheer.

De resultaten van deze ex ante evaluatie, beschreven als

de verwachte toekomstige kwaliteit van het grond- en

oppervlaktewater, vormen de inhoud van hoofdstuk 5.

Tot slot geven we in hoofdstuk 6 een aantal mogelijke

oplossingsrichtingen om de KRW-doelen meer binnen

bereik te brengen en schetsen we aandachtspunten voor

het beleidstraject voor het vervolg van de KRW.

1 Inleiding | 17


De Kaderrichtlijn Water

TWEE

2.1 Doel en opzet van de

Kaderrichtlijn Water (KRW)

De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het

verbeteren van de kwaliteit van het oppervlakte- en

grondwater in Europa. Uiterlijk in 2027 moeten alle

aangewezen oppervlaktewateren (zie paragraaf 2.3)

voldoen aan de goede chemische en ecologische

doelen. De grondwatervoorraden mogen niet in omvang

afnemen en de zuiveringsinspanning voor drinkwaterbereiding

uit grondwater mag niet toenemen.

Ook moeten voor een aantal te beschermen drinkwater-,

zwemwater- en Natura 2000-gebieden de bijbehorende

watercondities op orde zijn. Volgens de Europese KRW

moeten alle lidstaten per stroomgebied beschrijven

wat de huidige toestand is, welke doelen voor de

wateren worden gesteld en welke maatregelen worden

uitgevoerd om deze doelen te halen. De doelen en

maatregelen komen samen in plannen die per land

en per stroomgebied moeten worden opgesteld.

Deze zogenoemde stroomgebiedbeheerplannen zijn

voor een periode van zes jaar geldig.

Nederland is voor de KRW ingedeeld in de stroomgebieden

Rijn, Maas, Schelde en Eems. Bij het opstellen

van de beheerplannen zijn verschillende bestuurslagen

betrokken: de waterschappen en provincies zijn verantwoordelijk

voor de regionale wateren, Rijkswater staat

voor de rijkswateren en de provincies voor het grondwater.

De eerste stroomgebiedbeheerplannen besloegen

de periode 2009-2015. De Nederlandse plannen voor de

periode 2016-2021 (in dit rapport ook aangeduid als de

‘tweede stroomgebiedbeheerplannen’) zijn nu beschikbaar

en als bijlagen opgenomen in het ontwerp-Nationaal

Waterplan 2016-2021 (IenM 2014a,b,c,d). Van 22 december

2014 tot 22 juni 2015 was inspraak op dit plan en de

bijlagen mogelijk. In december 2015 hebben de minister

van IenM en de staatssecretaris van EZ het Nationaal

Waterplan 2016-2021 met bijlagen vastgesteld.

Vervolgens is het plan gerapporteerd aan de Europese

Commissie (EC).

2.2 Beoordelingsmethode van

de KRW

De KRW besteedt aandacht aan de kwaliteit van het

grond- en oppervlaktewater. We gaan hier kort in op de

beoordelingsmethoden van de KRW.

2.2.1 Beoordelingsmethode voor het

oppervlaktewater

De KRW kent een complexe beoordelingsmethode voor

het oppervlaktewater. De waterkwaliteit is alleen goed

als zowel de chemische toestand als de ecologische

toestand op orde is.

De ‘chemische toestand’ wordt beoordeeld aan de hand

van 33 Europees vastgestelde prioritaire stoffen (EU 2013).

Dit zijn stoffen die in heel Europa met voorrang worden

aangepakt en waarvan de Europese Commissie de milieukwaliteitsnormen

heeft vastgesteld. De 21 meest risicovolle

stoffen zijn aangemerkt als ‘prioritair gevaarlijke’

stoffen. Lidstaten moeten maatregelen nemen om de

uitstoot van deze stoffen volledig te stoppen.

De ‘ecologische toestand’ is opgebouwd uit beoordelingen

van de ‘biologische kwaliteit’, de ‘algemene

fysisch-chemische kwaliteit’, de ‘specifiek verontreinigende

stoffenen de ‘hydromorfologie’

(zie figuur 2.1). De algemene fysisch-chemische kwaliteit

wordt in Nederland voornamelijk bepaald door de

nutriënten fosfor en stikstof. Voor herstel van de biodiversiteit

moeten in de meeste situaties beide nutriënten

op orde zijn (zie tekstkader). De specifiek verontreinigende

stoffen worden nationaal vastgesteld;

Nederland volgt Europese protocollen bij het vaststellen

van de normen. De biologische kwaliteit bestaat uit

18 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


TWEE

Figuur 2.1

Beoordelingsmethode oppervlaktewaterkwaliteit volgens Kaderrichtlijn Water

Voldoen alle prioritaire

stoffen aan de milieukwaliteitseisen?

Ja

Chemische toestand

Chemische toestand

voldoet

Nee

Chemische toestand

voldoet niet

Voldoen de waarden

voor biologische

kwaliteit aan de

referentie?

Nee

Wijken de waarden

voor biologische

kwaliteit beperkt af

van de referentie?

Nee

Ja

Ja

Voldoen de fysischchemische

omstandigheden

aan een zeer

goede toestand?

Nee

Garanderen deze

omstandigheden het

functioneren van het

ecosysteem?

En voldoen ze aan de

milieukwaliteitseisen

van de specifiek

verontreinigende

stoffen?

Nee

Wijken de waarden

voor biologische

kwaliteit matig af?

Nee

Ja

Ja

Ja

Voldoen de hydromorfologische

omstandigheden

aan een zeer

goede toestand?

Nee

Ja

Ecologische toestand

Ecologische toestand

classificeren als zeer goed

Ecologische toestand

classificeren als goed

Ecologische toestand

classificeren als matig

Bron: EEA 2012; bewerking PBL

Is de afwijking

aanzienlijk?

Nee

Is de afwijking ernstig?

Ja

Ja

Ecologische toestand

classificeren als ontoereikend

Ecologische toestand

classificeren als slecht

De KRW beoordeelt de kwaliteit van het oppervlaktewater op basis van de chemische toestand en de ecologische toestand (zie voor meer informatie het

Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl1412).

pbl.nl

vier maatlatten voor algen, vissen, macrofauna en waterplanten.

Macrofauna bestaat uit kleine maar met het

blote oog waarneembare ongewervelde diersoorten

zoals insecten en slakken.

De biologische kwaliteit is in de praktijk meestal

bepalend voor de ecologische toestand. Alleen als de

biologische kwaliteit goed is, worden de beoordelingen

van de fysisch-chemische kwaliteit en van de specifiek

verontreinigende stoffen meegenomen om onderscheid

te maken tussen een (zeer) goede en een matige ecologische

toestand. Om een zeer goede ecologische

toestand te bereiken, moeten ook de hydromorfologische

omstandigheden goed zijn. Omdat de biologische kwaliteit

slechts in een beperkt aantal wateren goed is,

rapporteren we niet apart over de algehele ecologische

toestand.

De verschillende beoordelingen worden in de eindbeoordeling

per waterlichaam samengevoegd volgens

het zogeheten one out, all out-principe, dat wil zeggen dat

de eindscore gelijk is aan de slechtste van de onderliggende

deelscores. Omdat deze beoordelingsmethodiek

verbeteringen op onderdelen kan maskeren,

mag tegen woordig worden gerapporteerd over de

afzonderlijke maatlatten (IenM 2014e). Hoewel hierover

discussie is tussen de Europese Commissie en verschillende

landen, waaronder Nederland, verloopt de uiteindelijke

beoor deling vooralsnog volgens het one out, all

out-principe.

De KRW geeft naast een beoordelingsmethodiek ook de

kaders voor de te gebruiken normen en maatlatten.

Omdat er in Europa diverse typen wateren zijn en

verschillende regionale omstandigheden, hebben de

lidstaten hieraan zelf een kwantitatieve invulling

gegeven. De Europese Commissie vergelijkt echter wel de

normen en maatlatten van vergelijkbare wateren tussen

lidstaten en stemt deze waar nodig af, met als doel om ze

te harmoniseren.

2 De Kaderrichtlijn Water | 19


TWEE

2.1 Niet alleen fosfor, maar ook stikstof moet worden teruggedrongen voor het herstel van de

biodiversiteit in watersystemen en het bereiken van een goede ecologische toestand

Fosfor is het belangrijkste sturende nutriënt voor de algenbloei in zoete, stilstaande wateren. Daarom ligt er in

het huidige beleid veel nadruk op fosfor als nutriënt dat de waterkwaliteit in zoete wateren beïnvloedt. Er zijn

echter ook omstandigheden waarin stikstof het sturende nutriënt is (Loeb & Verdonschot 2009), bijvoorbeeld

als fosfaatrijke kwel optreedt. Vooral voor de diversiteit aan waterplanten is naast fosfor ook stikstof van

groot belang. Daarnaast beperkt stikstof vaak de vegetatie van oevers, moerassen en uiterwaarden en kan

beïnvloeding met stikstofrijk water leiden tot verruiging van de vegetatie, ook als algen of planten in het

desbetreffende water zelf door fosfor zijn gelimiteerd.

Bij de huidige beleidsnadruk op fosfor als limiterend nutriënt in zoete wateren, ontstaat het risico dat de biodiversiteit

niet verbetert en dat de gewenste bedekking van planten uitblijft. Voor het bereiken van een goede

ecologische toestand is het vaak niet voldoende als één van de nutriënten voldoet. Naast nutriënten kunnen

ook andere chemische stoffen, zoals gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het herstel van biodiversiteit

belemmeren. Daarom moeten ook de emissies van deze stoffen worden teruggebracht.

2.2.2 Beoordelingsmethode voor het grondwater

Voor grondwater is de KRW-beoordelingsmethodiek

voor zowel kwantiteit als kwaliteit gesplitst in een

‘algemene’ toestandsbeoordeling, die grotendeels is

gebaseerd op Europese normen, en een ‘regionale’

toestandsbeoordeling, die is gebaseerd op specifieke

regionale doelen.

De algemene kwantitatieve toestand van het grondwater

wordt als goed beoordeeld als de gemiddelde jaarlijkse

onttrekking op lange termijn de beschikbare grondwatervoorraad

niet overschrijdt. Dit is een criterium dat

wel relevant is voor bijvoorbeeld Zuid-Europa, maar voor

de Nederlandse situatie geen betekenis heeft: er valt in

Nederland gemiddeld voldoende neerslag om de grondwatervoorraad

aan te vullen. De algemene kwalitatieve

toestand wordt afgemeten aan een aantal stoffen met

een Europees vastgestelde norm, en een aantal stoffen

waarvoor nationaal opgestelde drempelwaarden gelden.

De regionale beoordeling van grondwater is in Nederland

gericht op de geschiktheid voor grondwaterafhankelijke

natuur en voor drinkwaterwinning.

2.3 Waterlichamen en overig water

De waterbeheerders hebben in de stroomgebiedbeheerplannen

aangegeven welke wateren in de

rapportages aan de Europese Commissie worden

meegenomen. Dit hebben zij gedaan volgens de

systematiek en de randvoorwaarden van de KRW.

Voor deze ‘waterlichamen’ geldt een verplichting

om uiterlijk in 2027 de vastgestelde doelen te halen

(resultaatverplichting). De waterlichamen moeten

volgens de KRW een ‘aanzienlijke omvang’ hebben.

Nederland heeft het overgrote deel van de wateren

met een ‘aanzienlijke omvang’ aangewezen als KRWwaterlichaam

(tabel 2.1).

De ‘haarvaten’ van het watersysteem, zoals poldersloten

en veel stedelijk water, zijn conform de voorgaande

methodiek geen KRW-waterlichaam, evenals de kleine

ecologisch waardevolle wateren, de zogeheten waterparels.

Omdat deze ‘overige wateren’ wel de kwaliteit van

de waterlichamen kunnen beïnvloeden, bestaat er een

inspanningsverplichting om de kwaliteit van deze

wateren voldoende te laten zijn voor het halen van de

doelstellingen voor de waterlichamen.

Omdat er voor de overige wateren geen resultaatverplichting

geldt, is tijdens de uitvoeringsfase van de

KRW de nadruk sterk op de oppervlaktewaterlichamen

komen te liggen (Stowa 2013). Maatregelen die in de

overige wateren worden getroffen, zijn vaak niet goed

zichtbaar in het beleid (PBL 2014). Inmiddels zijn waterschappen

zich wel meer aan het oriënteren op maatregelen

buiten de waterlichamen, omdat die vaak

kosten effectiever blijken te zijn dan maatregelen in de

waterlichamen (zie bijvoorbeeld HDSR 2014). Ook werken

de waterschappen aan een uniforme normering voor

deze overige wateren (Stowa 2013).

Waterschappen kunnen overwegen dit overige water een

plaats te geven binnen de KRW, bijvoorbeeld door

waterlichamen uit te breiden met aanpalend overig

water. Ze kunnen er ook voor kiezen om op nationaal

niveau een geharmoniseerde, aanvullende rapportage te

maken (vergelijkbaar met de bestrijdingsmiddelenatlas;

zie www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl). Met beide

oplossingen kan een vollediger beeld worden gegeven

van de Nederlandse vorderingen in waterkwaliteit.

20 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


TWEE

Tabel 2.1

Omvang van watertypen in Nederland en het aandeel dat is aangewezen als KRW-waterlichaam

Oppervlakte (in km 2 ) Lengte (in km) Aandeel KRW-waterlichaam

Zoute wateren 62.000 20%

Brakke en overgangswateren 800 95%

Grote rivieren 330 650 100%

Vaarten en kanalen 6.500 90%

Meren 2.500 100%

Kleine stromende wateren (o.a. beken) 6.200 70%

Sloten 330.000 0,5%

Vennen 2,4 < 1%

Bron: Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl/nl1401)

2 De Kaderrichtlijn Water | 21


DRIE

Huidige toestand van

het water

3.1 De toestand van het water in

perspectief

Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw is de

kwaliteit van het oppervlaktewater in Nederland sterk

verbeterd. De belasting met giftige stoffen is afgenomen,

evenals de belasting met vermestende stoffen van de

grote rivieren en grote meren. Dit geldt ook voor een

deel van de kleinere regionale wateren. De verbetering

is voornamelijk het gevolg van generiek milieubeleid.

Vooral de strikte regelgeving van de Wet verontreiniging

oppervlaktewater (Wvo) in de periode 1970-2009 en

de gerelateerde heffingen stimuleerden Nederlandse

bedrijven en waterschappen om op grote schaal

zuiveringsinstallaties te bouwen (PBL 2013).

Door de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte

water is deze nu meestal voldoende voor veel

gebruiksfuncties, zoals de drinkwaterproductie, de

scheepvaart, zwemmen en andere vormen van waterrecreatie

(figuur 3.1; PBL 2012a). Zo voldeed in 2013 circa

90 procent van de zoetwaterlocaties aan de eisen van de

Europese zwemwaterrichtlijn (EEA 2014). Uit een enquête

onder recreatievaarders bleek ongeveer 80 procent

tevreden te zijn over het beheer van de hoofdvaarwegen

(IenM 2011a). En drie kwart van de oppervlaktewaterwinningen

voldeed in 2011 aan de drinkwaternorm.

Dat wil niet zeggen dat er voor deze functies geen problemen

zijn. Bij een kwart van de innamepunten van drinkwater

worden resten van gewasbeschermings middelen

aangetroffen (Versteegh & Dik 2012). Bovendien komt het

ieder seizoen voor dat er voor zwemlocaties een zwemverbod

wordt ingesteld in verband met de bloei van

blauwalgen; hiervoor zijn in de nieuwe Europese regelgeving

geen normen opgenomen. Ten slotte is de

verwachting dat de hoeveelheid opper vlakte water die

geschikt is voor drinkwater in de toekomst onder druk

komt te staan door temperatuur stijging (Wuijts et al.

2012).

Het doelbereik voor de ecologische toestand (paragraaf

3.5), blijft aanzielijk achter ten opzichte van de

gebruiksfuncties. Voor die functies geldt dat het water op

orde moet zijn op specifieke locaties (zoals zwemwaterlocaties

of bij drinkwaterwinningen) en voor specifieke

parameters. De ecologische toestand volgens de KRW is

een brede basiskwaliteit, die voor veel meer wateren

geldt (dus niet alleen voor een aantal specifieke gebruikslocaties).

Daarmee is de KRW gericht op het duurzaam

kunnen (blijven) faciliteren van ecosysteemdiensten,

zoals het voorzien in schoon water door natuurlijke

zuivering en het bijdragen aan landschappelijke waarde

en biodiversiteit.

3.2 Doelen en maatlatten van de KRW

De Nederlandse doelen voor de KRW zijn in de

concept-plannen ten opzichte van de eerste stroomgebiedbeheerplannen

uit 2009 nauwelijks veranderd.

De beoordelingsmaatlatten, normen en methodiek zijn

in deze periode deels wel gewijzigd, waardoor de nieuwe

monitoringsgegevens over de huidige toestand niet altijd

direct zijn te vergelijken met de situatie van 2009 (zoals

gerapporteerd in PBL 2008).

3.3 Voortgang in de uitvoering van

gebiedsgerichte

KRW-maatregelen

Het overgrote deel van de maatregelen voor het gronden

oppervlaktewater die in de stroomgebiedbeheerplannen

uit 2009 waren voorzien voor de eerste periode

2009-2015 van de KRW is al uitgevoerd; geaggregeerd

naar maatregeltypen geldt dit voor meer dan 90 procent

van de maatregelen per type (figuur 3.2). Wat deze

maatregelen betekenen voor de huidige kwaliteit van

het grond- en oppervlaktewater staat beschreven in de

volgende paragrafen.

22 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


DRIE

Figuur 3.1

Doelbereik oppervlaktewaterkwaliteit

Zwemwaterlocaties,

2013

Tevredenheid

recreatievaart, 2011

Innamepunten

drinkwater, 2011

Toestand ecologie

Kaderrichtlijn Water, 2013

Bron: EEA; I&M; RIVM; PBL

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% van doel

Het water is voor de meeste gebruiksdoelen geschikt, maar de ecologie blijft achter (zie voor meer informatie over zwemwaterlocaties het Compendium voor

de Leefomgeving: www.clo.nl/nl0248).

Figuur 3.2

Maatregelen in eerste stroomgebiedbeheerplannen voor regionale wateren, 2009 – 2015

Puntbronnen:

Verminderen belasting

rioolwaterzuiveringsinstallaties

Diffuse bronnen:

Aanleggen van mesten

spuitvrije zones

Hydromorfologie:

Aanleggen van natuurvriendelijke

oevers /

hermeanderen

Inrichting:

Aanleg vispassages

60

rioolwaterzuiveringsinstallaties

1000

kilometer

3000

kilometer

800

vispassages

50

40

800

600

2500

2000

600

30

1500

400

20

10

400

200

1000

500

200

0

pbl.nl

0

pbl.nl

0

pbl.nl

0

pbl.nl

Gepland

Gerealiseerd, 2014

Bron: IHW, bewerking PBL

Het overgrote deel van de maatregelen uit de eerste stroomgebiedbeheerplannen van 2009 is uitgevoerd.

3 Huidige toestand van het water | 23


DRIE

Figuur 3.3

Verschuiving in beoordeling nutriënten volgens Kaderrichlijn Water

Stikstof

Beoordeling 2015 ten opzichte van

beoordeling 2009

Twee klassen achteruit

Eén klasse achteruit

Gelijk gebleven

Eén klasse vooruit

Twee klassen vooruit

Fosfor

pbl.nl

Bron: Deltares 2015

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

De beoordeling voor de nutriënten stikstof en fosfor is tussen 2009 en 2015 in het grootste deel van de waterlichamen gelijk gebleven (zie voor meer

informatie van Duijnhoven et al. 2015).

Figuur 3.4

Beoordeling nutriënten Kaderrichtlijn Water, 2015

Stikstof

Fosfor

Kwaliteit

Zeer goed

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Bron: IHW, bewerking PBL

pbl.nl

Niet bekend

Niet relevant

pbl.nl

Iets minder dan de helft van de waterlichamen voldeed in 2015 aan de norm voor nutriënten (zie voor meer informatie het Compendium voor de

Leefomgeving: www.clo.nl/nl0252).

24 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


DRIE

Figuur 3.5

Belasting van regionale wateren met nutriënten door binnenlandse bronnen

Stikstof

Fosfor

160

miljoen kg N

25

miljoen kg P

120

20

15

80

10

40

5

0

pbl.nl

1990 2000 2005 2010 2012 2013

0

pbl.nl

1990 2000 2005 2010 2012 2013

Atmosferische depositie

Overige sectoren

Industrie

Huishoudens

Riolering en waterzuivering

Landbouw en uit- en afspoeling landelijk gebied

Bron: Emissieregistratie

De belasting van regionale oppervlaktewateren door binnenlandse bronnen met de nutriënten stikstof en fosfor is in de afgelopen twintig jaar substantieel

verminderd. Emissies door uit- en afspoeling uit het landelijk gebied omvatten nu ongeveer twee derde van de totale belasting (zie voor meer informatie het

Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl0192).

3.4 Toestand van het oppervlaktewater

in 2015: stoffen

Chemische stoffen worden binnen de KRW op verschillende

plaatsen in de systematiek beoordeeld (zie paragraaf

2.2). Twee belangrijke groepen chemische stoffen

in de beoordelingsmethode zijn de ‘prioritaire stoffen

en de ‘specifiek verontreinigende stoffen’. De huidige

gewasbeschermingsmiddelen vallen voor namelijk

onder de specifiek verontreinigende stoffen en voor

een klein deel onder de prioritaire stoffen. Verder bevat

ook de ‘fysisch-chemische kwaliteit’ (onderdeel van de

beoordeling van de ecologische toestand, zie figuur 2.1)

een aantal chemische stoffen, waaronder de nutriënten

stikstof en fosfor.

3.4.1 Nutriënten

Tussen 2009 en 2015 is er in circa 25 procent van de

waterlichamen een verbetering zichtbaar in de

nutriënten beoordeling volgens de KRW, zowel voor

stikstof als fosfor (van Duijnhoven et al. 2015).

In het grootste deel van de waterlichamen is de

nutriëntentoestand gelijk gebleven en in een klein

deel achteruitgegaan (figuur 3.3). Hierbij moet wel de

kanttekening worden geplaatst dat Nederland in deze

periode na een Europese harmonisatieronde de normen

voor beken heeft aangescherpt. Dat betekent dat het

aannemelijk is dat de concentratie in beken is gedaald.

Ongeveer 45 procent van de waterlichamen voldeed in

2015 aan de norm voor stikstof en hetzelfde gold voor

fosfor (figuur 3.4).

Vooral in de regionale waterlichamen werd de norm

overschreden. Uit- en afspoeling vanuit het landelijk

gebied was hier de grootste bron, met een aandeel van

ongeveer twee derde van de totale belasting, gevolgd

door rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) waarvan

het aandeel in de totale belasting ongeveer 20 procent

was (figuur 3.5). Van de uit- en afspoeling uit het landelijk

gebied was het grootste deel (ruim 90 procent) afkomstig

uit landbouwgronden. Overigens is voor sommige grotere

regionale wateren ook belasting uit het buitenland van

belang. Deze belasting verschilt echter sterk per stroomgebied

(zie paragraaf 4.7 voor details).

3.4.2 Prioritaire stoffen

Prioritaire stoffen zijn stoffen die in heel Europa met

voorrang moeten worden aangepakt en waarvan

de Europese Commissie de milieukwaliteitsnormen

heeft vastgesteld. Deze stoffen bepalen de ‘chemische

toestand’ (paragraaf 2.2). Stoffen worden alleen als

prioritair aangewezen als ze in meerdere lidstaten

3 Huidige toestand van het water | 25


DRIE

Figuur 3.6

Beoordeling prioritaire stoffen volgens Kaderrichtlijn Water

Totaal 2015

2009

2015

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

pbl.nl

Alle stoffen voldoen

Niet bekend

Aantal stoffen dat niet voldoet

1

3 – 4

2

5 of meer

Bron: IHW (Waterschappen, RWS); bewerking PBL

Het aandeel waterlichamen dat voldoet aan alle chemische waterkwaliteitsnormen is afgenomen. Dit komt vooral doordat de waterkwaliteitsnormen zijn

aangescherpt (zie voor meer informatie het Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl1566).

een probleem opleveren. Oorspronkelijk waren er

33 prioritaire stoffen. Als gevolg van een aanpassing van

de Europese Dochterrichtlijn Prioritaire Stoffen zijn er

nu 45 prioritaire stoffen; de 12 nieuwe stoffen maken

officieel echter pas vanaf 2021 onderdeel uit van het

toestandsoordeel. Van de huidige 33 prioritaire stoffen

vallen er 7 onder de noemer van ‘ubiquitaire stoffen’.

Dat zijn stoffen die nagenoeg niet meer worden geloosd,

maar die door nalevering uit bijvoorbeeld het sediment

nog lange tijd in het water kunnen worden aangetroffen.

Van de waterlichamen waarvoor metingen beschikbaar

zijn bedroeg het aandeel waterlichamen zonder normoverschrijdingen

in 2015 ongeveer 40 procent (figuur 3.6).

Iets minder dan de helft van de prioritaire stoffen werd in

één of meerdere waterlichamen normoverschrijdend

aangetroffen. De meeste normoverschrijdingen werden

veroorzaakt door ubiquitaire stoffen: polycyclische

aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), chloorhoudende

insecticiden, organotinverbindingen gebruikt als biocide

en kwik. Zonder deze ubiquitaire stoffen zou het aantal

waterlichamen met een goede chemische toestand hoger

zijn. De niet-ubiquitaire stoffen die het vaakst voor

problemen zorgen, zijn de PAK fluorantheen (in circa

50 procent van de waterlichamen) en nikkel (in circa

20 procent van de waterlichamen). Voor een volledig

overzicht van probleemstoffen verwijzen we naar het

Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl/nl1566).

Het aandeel waterlichamen met normoverschrijding is in

de periode 2009-2015 toegenomen (figuur 3.6). Dit komt

vooral doordat voor de beoordeling van 2015 al rekening

is gehouden met nieuwe aangescherpte Europese

milieukwaliteitsnormen, die in feite pas vanaf 2016 van

toepassing zijn. Andere oorzaken zijn verbeterde analysemethoden

en een gewijzigde behandeling van watermonsters.

Door al deze verschillen is het niet goed

mogelijk om de toestand van 2009 en 2015 met elkaar te

vergelijken en kunnen we niet stellen dat er een stijgende

trend in de concentraties is. Daarvoor zou voor een deel

van de stoffen naast de methode van 2015 ook de

methode van 2009 moeten worden toegepast.

3.4.3 Specifiek verontreinigende stoffen

Lidstaten moeten ook stoffen in kaart brengen die

op nationaal niveau of binnen een stroomgebied een

probleem zijn: de specifiek verontreinigende stoffen.

In 2015 rapporteerde Nederland 72 van dergelijke

stoffen. Voor een goede ecologische toestand is het

noodzakelijk dat een waterlichaam voldoet aan de

milieukwaliteitseisen van alle specifiek verontreinigende

stoffen (paragraaf 2.2).

26 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


DRIE

Figuur 3.7

Beoordeling specifiek verontreinigende stoffen volgens Kaderrichtlijn Water

Totaal 2015

2009

2015

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

pbl.nl

Alle stoffen voldoen

Niet bekend

Aantal stoffen dat niet voldoet

1

3 – 4

2

5 of meer

Bron: IHW (Waterschappen, RWS); bewerking PBL

Het aandeel waterlichamen waar alle specifiek verontreinigende stoffen voldoen aan de norm bedroeg in 2015 ongeveer 15 procent. In de meeste gevallen

gaat het om een of twee stoffen (zie voor meer informatie het Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl1567).

Het aandeel waterlichamen waar alle specifiek

verontreinigende stoffen voldoen aan de norm is

afgenomen, van 20 procent in 2009 naar 15 procent in

2015 (figuur 3.7). Net als bij de prioritaire stoffen kan

hieruit echter niet worden geconcludeerd dat de

concentraties zijn toegenomen (zie paragraaf 3.4.2).

De meeste normoverschrijdingen werden veroorzaakt

door metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Voor een

volledig overzicht van probleemstoffen verwijzen we naar

het Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl/

nl1567). De stoffen die het vaakst tot overschrijdingen

leden, zijn uranium (in circa 90 procent van de waterlichamen)

en seleen (in circa 60 procent van de waterlichamen).

Verbranding van fossiele brandstoffen is een

belangrijke bron voor deze twee stoffen. Voor uranium is

ook kunstmest een belangrijke bron. Van de gewasbeschermingsmiddelen

werden de insecticiden imidacloprid

en esfenvaleraat het vaakst normo verschrijdend

aangetroffen.

3.4.4 Gewasbeschermingsmiddelen en biociden

Om de voortgang van het gewasbeschermingsmiddelenbeleid

– zoals vastgelegd in de nota Gezonde

groei, duurzame oogst (EZ 2013) – te volgen, worden alle

gewasbeschermingsmiddelen (dus ook stoffen die niet

als specifiek verontreinigende stof zijn aangewezen)

gemonitord.

In 2014 werden op iets meer dan 60 procent van de

meetlocaties van gewasbeschermingsmiddelen en biociden

de normen voor langdurige blootstelling overschreden

(CML 2015); in 2012 rapporteerde het PBL nog

een aandeel van 50 procent (PBL 2012b). Het verschil

wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt doordat de

normen zijn aangescherpt. Dit geldt vooral voor het

middel imidacloprid waarvan de norm van 67 naar

8,3 nanogram per liter is aangescherpt. Bij toepassing van

de nieuwe normen op de gehele meetreeks is het aandeel

meetpunten met normoverschrijdingen in de afgelopen

tien jaar vrijwel stabiel gebleven (circa 60 procent). Op de

meeste meetlocaties wordt de norm door minder dan

5 procent van het totale aantal stoffen overschreden.

Opvallend is dat enkele normoverschrijdende stoffen niet

zijn aangewezen als specifiek verontreinigende stof

(bijvoorbeeld de fungicide azoxystrobin en de insecticide

fipronil).

Vooral in gebieden met glastuinbouw, bloemkwekerijen,

bollenteelt en vollegrondsgroenteteelt worden de

normen overschreden (figuur 3.8). Normoverschrijdingen

kunnen verschillende oorzaken hebben. Zo zijn er

3 Huidige toestand van het water | 27


DRIE

Figuur 3.8

Normoverschrijding bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater, 2014

Aandeel stoffen met overschrijding

volgens jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm

en maximaal

toelaatbaar risico per meetpunt (%)

5 of minder

5 – 10

Geen overschrijding

Onvoldoende stoffen gemeten

pbl.nl

Bron: www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl (versie 27-10-2015)

De normen voor gewasbeschermingsmiddelen worden vooral overschreden in gebieden met kassen, bloemkwekerijen en bollen- en groenteteelt (zie voor

meer informatie het Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl0547).

Tabel 3.1

Overzicht van kennis over en beleid voor een aantal stoffen van opkomende zorg

Stofgroepen Voorbeelden Kennis over omvang in

oppervlaktewater

Geneesmiddelen

Microplastics

Nanodeeltjes

Metformine (diabetes)

Carbamazepine (antiepilepticum)

Metoprolol

(bloeddrukverlager)

Microbeads in cosmetica,

tandpasta en dergelijke

Wassen van synthetische

kleding

Uiteenvallen van plastic

Carbon black (banden)

Nanozilver (kleding)

Titaniumdioxide

(zonnebrandcrème)

Bekend

Deels bekend, RIVM doet

vervolgonderzoek

Bekend in afvalwaterketen,

omvang van directe

uitstoot niet bekend

Kennis over effect

Bekend voor de genoemde

voorbeelden

Overige geneesmiddelen

grotendeels onbekend

Grotendeels onbekend

RIVM stelt in 2015

een review background

document op

Grotendeels onbekend

Beleid

EC komt met voorstel in

2017

NL: ketenakkoord

‘geneesmiddelen en milieu’

is in voorbereiding

EU: Kaderrichtlijn Marien

(KRM)

NL: ketenakkoord ‘primaire

microplastics in cosmetica’

Aanpak van microplastics

wordt door NL (voorzitter

van de EC 2016) op de

agenda gezet

Beleid ontbreekt

EC komt in 2015 met

voorstel om de Europese

Stoffenrichtlijn (REACH)

aan te passen

middelen toegelaten die volgens de criteria van het

water kwaliteitsbeleid niet hadden mogen worden

toegelaten. Bij de toelatingsbeoordeling van gewasbeschermings

middelen wordt namelijk een criterium

voor ecologische schade gebruikt dat minder streng is

dan dat van het waterkwaliteitsbeleid (PBL 2012b).

Overigens is recent op Europees niveau een belangrijke

stap gezet om de toelatingsbeoordeling beter af te

stemmen op het waterkwaliteitsbeleid (zie paragraaf

4.6). Andere verklaringen voor normoverschrijdingen

zijn onzorgvuldig gebruik van

gewas beschermingsmiddelen in Nederland en aanvoer

via rivieren uit het buitenland.

3.4.5 Stoffen van opkomende zorg:

microverontreinigingen

Er zijn nieuwe stoffen die mogelijk problemen kunnen

opleveren voor de waterkwaliteit. Het gaat hierbij onder

28 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


DRIE

Figuur 3.9

Beoordeling biologische kwaliteit in regionale wateren volgens Kaderrichtlijn Water, 2015

Algen

Waterplanten

Macrofauna

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Niet bekend

Vissen

Eindoordeel biologie

pbl.nl

Bron: IHW, bewerking PBL

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Het aandeel waterlichamen met een goede biologische kwaliteit bedroeg in 2015 5 procent; 20 tot 40 procent scoorde goed op één van de biologische

maatlatten (zie voor meer informatie het Compendium voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl1420).

andere om geneesmiddelen, microplastics en nanodeeltjes.

Over de hoeveelheden en het effect van deze

stoffen op de ecologische toestand is nog weinig bekend.

Er zijn daarom nog geen doelen opgenomen in de KRW.

Wel is een aantal stoffen, waaronder drie geneesmiddelen

(diclofenac, 17α-ethinylestradiol en

17β-estradiol), opgenomen in de zogenoemde Europese

watch list (zie http://www.rivm.nl/Onderwerpen/G/

Geneesmiddelen_in_het_milieu/Welke_genees

middelen/Normen_voor_geneesmiddelen). Die lijst

bevat stoffen waarover nog weinig bekend is en waarvoor

nader onderzoek moet uitwijzen of ze alsnog op

de Europese prioritaire stoffenlijst moeten worden

geplaatst.

Voor een aantal stoffen van opkomende zorg is Europees

en nationaal beleid in voorbereiding, maar het is nog

onduidelijk wat dit beleid gaat opleveren (tabel 3.1).

3.5 Toestand van het oppervlakte water

in 2015: biologische kwaliteit

De biologische kwaliteit is een belangrijk onderdeel van

het KRW-oordeel over de ‘ecologische toestand’ (paragraaf

2.2.1) en is opgebouwd uit vier maatlatten die de

aanwezigheid weergeven van de soortgroepen algen,

waterplanten, macrofauna en vissen. Daarmee geeft de

biologische kwaliteit een goed beeld van het ecologisch

functioneren van de aquatische ecosystemen: in een systeem

dat goed functioneert, komen namelijk alle soortgroepen

die daarin thuishoren in de juiste omvang voor.

Per individuele maatlat is het aandeel waterlichamen dat

goed scoort over de periode 2009-2015 toegenomen met

4 tot 12 procentpunten. Het aandeel waterlichamen dat

in 2015 goed scoorde, lag op ruim 20 procent voor waterplanten

en macrofauna, en op bijna 40 procent voor

algen en vissen (figuur 3.9). Van de waterlichamen

scoorde 5 procent goed op alle vier de biologische

maatlatten (volgens de one out, all out-beoordeling).

In de rijks wateren zijn de biologische doelen in het

algemeen minder streng. Hierdoor is het aandeel rijkswateren

dat voldeed volgens de one out, all outbeoordeling

groter (circa 25 procent) dan het aandeel in

regionale wateren (zie paragraaf 5.3 voor een verdere

toelichting).

De biologische kwaliteit van het oppervlaktewater is ook

over een langere periode verbeterd (www.clo.nl/nl1435).

Uit de recent voor Nederland berekende Living Planet

Index voor zoetwater en moerassen blijkt dat deze

verbetering niet alleen voor het waterleven geldt,

maar ook voor diersoorten van oevers en moerassen

(zie tekstkader).

3 Huidige toestand van het water | 29


DRIE

3.1 Zowel de Living Planet Index als de KRW-beoordeling laten over een langere periode een

verbetering van de natuurwaarde zien

De Living Planet Index (LPI) voor zoetwater en moerassen, die in 2015 door het Wereld Natuur Fonds en het CBS

voor Nederland is berekend (WNF 2015), vormt een aanvulling op de KRW-beoordeling. In de KRW-beoordeling

ligt de nadruk op dier- en plantensoorten die in het water leven terwijl de LPI vooral is gericht op diersoorten

van oevers en moerassen (figuur 3.10). De KRW-beoordeling en de LPI geven daardoor samen een vollediger

beeld van de toestand van waterafhankelijke natuur en het effect van watergerelateerde maatregelen.

Zo komen de positieve effecten van inrichtingsmaatregelen op moerasnatuur, zoals de aanleg van natte bufferstroken,

maar beperkt tot uiting in de KRW-beoordeling en meer in de LPI. Het is daarom logisch dat de LPI en

de KRW-beoordeling getalsmatig niet precies gelijk zijn.

Figuur 3.10

Plant- en diersoorten in indicatoren biologische kwaliteit

Kaderrichtlijn Water

Living Planet Index

water en moeras

Waterplanten

Algen

Macrofauna

Vissen

Amfibieën

Libellen

Zoogdieren

Vogels

Vlinders

pbl.nl

Bron: PBL

De Living Planet Index geeft vooral een beeld van diersoorten van oevers en moerassen terwijl de KRW-beoordeling zich richt op soorten die in het

water leven.

Zowel de LPI voor zoetwater en moerassen als de KRW-maatlat voor macrofauna laten over een langere periode

(1990-2010) een verbetering zien van natuurwaarde. Voor de LPI voor zoetwater en moerassen bedraagt deze

verbetering circa 40 procent (www.clo.nl/nl1577); de KRW-maatlat voor macrofauna is in dezelfde periode landelijk

gemiddeld 20 procent verbeterd (zie www.clo.nl/nl1435). De LPI voor zoetwater en moerassen is vanaf

2010 echter weer met 10 procent gedaald.

De LPI en de KRW-beoordeling zijn verschillend afgeleid en kennen een verschillende verankering met het beleid

voor het oppervlaktewater. Zo geeft de LPI voor zoetwater de gemiddelde verandering weer van populaties van

een aantal diersoorten (zie www.clo.nl/nl1577 voor details). De LPI is een eenvoudige maat (‘hoe meer soorten,

hoe beter’) maar kent geen beleidsmatig vastgestelde referentie (‘hoeveel soorten zijn nodig voor een goede

toestand’). In de KRW-beoordeling wordt de samenstelling van dier- en plantensoorten vergeleken met een

referentie. Deze referentie is door een groot aantal Nederlandse ecologen afgeleid met behulp van Europese

protocollen en vervolgens beleidsmatig verankerd in het KRW-beleid.

30 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


DRIE

Figuur 3.11

Toestand grondwater Kaderrichtlijn Water, 2015

Kwantiteit

Kwaliteit

pbl.nl

pbl.nl

Algemene toestand

Goed

Ontoereikend

Regionale beoordeling ontoereikend voor:

Grondwaterafhankelijke natuur

Grondwaterafhankelijk oppervlaktewater

Drinkwaterwinningen

Bron: IHW

De algemene toestand van het grondwater was in het algemeen goed. Regionaal voldeed de kwaliteit van het grondwater echter niet voor grondwaterafhankelijke

oppervlaktewateren en zijn Natura 2000-gebieden verdroogd (zie voor meer informatie over nitraat in ondiep grondwater het Compendium

voor de Leefomgeving: www.clo.nl/nl0274).

3.6 Toestand van het grondwater in

2015

Voor grondwater is de KRW-beoordeling voor zowel de

kwantiteit als de kwaliteit gesplitst in een algemeen deel

met doelen die voor geheel Europa gelden en een deel

gericht op regionale doelen (paragraaf 2.2.2).

De algemene kwantitatieve toestand was volgens de

gegevens van de waterbeheerders (in dit geval de

provincies) in 2015 voor alle Nederlandse grondwaterlichamen

goed. Omdat een aanzienlijk deel van de

grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden is

verdroogd, worden de doelen voor regionale waterkwantiteit

vaak niet gehaald (de rode gebieden in de

linkerhelft van figuur 3.11).

De algemene chemische toestand voldeed in de meeste

grondwaterwaterlichamen. In West-Nederland voldeed

een aantal grondwaterlichamen echter niet aan het

criterium voor chloride. Het KRW-criterium voor nitraat

(op niet meer dan 20 procent van de meetpunten een

overschrijding van 50 milligram nitraat per liter) werd in

het krijtgebied in Zuid-Limburg overschreden. Voor de

overige grondwaterlichamen in het zandgebied geldt als

kanttekening dat het percentage meetpunten waar de

norm werd overschreden dicht bij de drempelwaarde

van 20 procent lag (Royal HaskoningDHV 2014; zie ook

www.clo.nl/nl0274). Regionaal waren er problemen bij

een aantal drinkwaterwinningen of voldeed de kwaliteit

van het grondwater niet voor grondwaterafhankelijke

oppervlaktewateren in Natura 2000-gebieden (rode

gebieden in de rechterhelft van figuur 3.11).

3 Huidige toestand van het water | 31


VIER

Waterkwaliteitsbeleid

Het KRW-maatregelenprogramma bestaat uit generiek

beleid en regionaal beleid, beide met bijbehorende

maatregelen. De gebiedsgerichte maatregelen voor de

KRW zijn uitgewerkt in de stroomgebiedbeheerplannen

(zie paragraaf 4.8). Het generieke beleid is buiten de

KRW uitgewerkt, maar deels wel in de stroomgebiedbeheerplannen

opgenomen. De belangrijkste

generieke maatregelen vallen onder het natuurbeleid

(paragraaf 4.1), de Richtlijn Stedelijk Afvalwater

(paragraaf 4.2), het mestbeleid (paragraaf 4.3) en het

gewasbeschermingsmiddelenbeleid (paragraaf 4.6).

Ook maatregelen die worden ontwikkeld in het kader

van het Plattelandsontwikkelingsprogramma, het

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (paragraaf 4.4)

en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (paragraaf 4.5)

kunnen positief bijdragen aan het realiseren van KRWopgaven.

Ten slotte heeft het buitenlandse beleid – al

dan niet voor de KRW – invloed op de Nederlandse

waterkwaliteit (paragraaf 4.7).

4.1 Natuurbeleid

Het Europese natuurbeleid is gericht op Natura 2000,

het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden.

In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten

en hun natuurlijke leefomgeving beschermd

om de biodiversiteit te behouden. Nederland heeft

ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Ongeveer 70 daarvan zijn afhankelijk van oppervlaktewater

(PBL 2008) en ongeveer 80 van grondwater

(Claessens et al. 2014). Voor 2016 moet de water kwaliteit

zijn hersteld in de zogenoemde sense of urgency-gebieden.

Voor de overige Natura 2000-gebieden worden de

beheermaatregelen op langere termijn ingevuld.

Volgens de laatste voortgangsrapportage zijn er

voor ongeveer 60 Natura 2000-gebieden definitieve

beheerplannen opgesteld en voor 100 gebieden

ontwerpplannen (Regiegroep N2000 2013).

Van de Natura 2000-gebieden vallen er 117 onder de

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS; zie pas.

natura2000.nl voor meer informatie). In de PAS werken

overheden en maatschappelijke partners samen om de

stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische

ontwikkelingen mogelijk te maken. Het Rijk,

provincies en natuurorganisaties nemen maat regelen om

de natuur te herstellen, bijvoorbeeld door stikstofrijke

grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers

nemen maatregelen in hun bedrijfsvoering, zoals mest

aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik

van aangepast voer.

In de afgelopen jaren is het nationale natuurbeleid

gedecentraliseerd. De afspraken over de decentralisatie

van het natuurbeleid zijn vastgelegd in het Bestuursakkoord

Natuur (2011/2012) en het Natuurpact (2013).

De provincies richten zich volgens deze akkoorden op de

realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (waaronder

ook de Natura 2000-gebieden vallen), het halen van

internationale natuurdoelen en het versterken van de

betrokkenheid van de samenleving bij de natuur.

Deze ambities moeten in 2027 zijn gerealiseerd.

De maatregelen die voortvloeien uit het natuurbeleid zijn

voor een belangrijk deel nog in ontwikkeling en zijn

meestal (nog) niet opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen

voor de KRW. Ze vormen daarom geen

onderdeel van deze evaluatie.

4.2 Richtlijn Stedelijk Afvalwater

Volgens de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater

(VROM/V&W 1996) moet het landelijk zuiveringsrendement

bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor

zowel fosfor als stikstof minstens 75 procent bedragen.

Deze doelstelling is voor beide nutriënten al gehaald.

In 2013 was het rendement voor fosfor bijna 85 procent

en voor stikstof 83 procent (CBS Statline; zie ook www.

clo.nl/nl0152).

32 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIER

In de afgelopen vijftien jaar hebben de waterschappen

veel geïnvesteerd in het verbeteren van de zuivering.

Dit heeft ertoe geleid dat de lozing van stikstof door

riool waterzuiveringsinstallaties op het oppervlaktewater

in deze periode ruim is gehalveerd. De lozing van fosfor

op het oppervlaktewater is sinds 1985 met ongeveer

80 procent gedaald, en daarmee ook de belasting van het

oppervlaktewater. Dit is het gevolg van de invoering van

fosfaatvrije (kleding)wasmiddelen in de periode 1985-

1990 en een verbeterde fosfaatverwijdering tijdens

het zuiveringsproces in de periode 1990 tot heden (CBS

et al. 2015).

In de stroomgebiedbeheerplannen hebben de waterschappen

aanvullende maatregelen opgegeven voor de

verbetering van rioolwaterzuiveringsinstallaties; deze

zijn in de evaluatie meegenomen. De gemiddelde

verwijderings capaciteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties

neemt met deze maatregelen toe, van van

83 procent in 2015 naar 88 procent in 2027 voor stikstof,

en van 84 procent in 2015 naar 89 procent in 2027 voor

fosfor. Daarmee wordt tussen 2015 en 2027 de belasting

van het oppervlaktewater met nutriënten door rioolwaterzuiveringsinstallaties

naar verwachting met nog

eens circa 25 procent gereduceerd.

4.3 Mestbeleid

4.3.1 Vijfde nitraatactieprogramma

In 2014 is het vijfde nitraatactieprogramma ingegaan.

Hierin zijn ten opzichte van het vierde nitraatactieprogramma

de gebruiksnormen voor stikstof op

zand- en lössgronden aangescherpt en op grasland op

kleigronden verruimd. Nederland heeft de normen voor

de zand- en lössgronden aangescherpt om te voldoen

aan de nitraatnorm van maximaal 50 milligram per liter in

grondwater uit de Europese Nitraatrichtlijn.

Uit de resultaten van het Meetnet Nutriënten Landbouw

Specifiek Oppervlaktewater (MNLSO) blijkt dat de

waterkwaliteit in landbouwspecifieke oppervlaktewateren

in de periode 1985-2013 significant is verbeterd.

In de laatste acht jaar van die periode laat een deel van de

metingen echter een stijgende trend zien (Klein &

Rozemeijer 2013). Uit de metingen kan worden

geconstateerd dat het mestbeleid heeft bijgedragen aan

de verbetering van de waterkwaliteit. In de periode 2011-

2013 werd op circa de helft van de meetlocaties in

landbouwspecifieke wateren echter nog niet aan de

normen voor stikstof en fosfor voldaan (Klein &

Rozemeijer 2013). Modelberekeningen van het LEI en

Alterra (Groenendijk et al. 2015) laten verder zien dat de

belasting van het oppervlaktewater met stikstof en fosfor

tot 2027 niet veel zal afnemen door het vijfde

nitraatactie programma: in 2027 zal de belasting in

Nederland gemiddeld ongeveer 5 procent lager zijn dan in

2013. De afname is het duidelijkst in het zandgebied

(figuur 4.1). Dit is conform de verwachting, omdat het

nitraatactieprogramma vooral is gericht op het verminderen

van de nitraatbelasting van grondwater in zandgronden.

In delen van het kleigebied is een toename

zichtbaar; dit hangt samen met de hiervoor genoemde

verruiming van de bemestingsnorm voor grasland op

kleigrond.

Door aanscherping van de gebruiksnormen op zandgronden

zal er minder ruimte voor mestaanwending zijn,

waardoor de hoeveelheid te verwerken mest zal toenemen.

Hoewel het beleid is gericht op voldoende mestverwerkingscapaciteit,

neemt hiermee het risico toe op

een tekort aan verwerkingscapaciteit, en daarmee op een

hogere bemesting dan de gebruiksnormen toestaan

(zie ook het belang van handhaving in paragraaf 6.2.1).

4.3.2 Afschaffing melkquotering

Het effect van het afschaffen van de melkquotering

is in de voorgaande berekeningen beperkt zichtbaar.

Dat komt omdat er op het moment van berekenen nog

geen ramingen van de dieraantallen in 2027 beschikbaar

waren. We hebben daarom aangenomen dat het aantal

dieren in 2027 gelijk is aan dat van 2013. In deze paragraaf

beschrijven we meer kwalitatief wat het afschaffen

van de melkquota kan betekenen voor de grond- en

oppervlaktewaterkwaliteit in 2027.

De afschaffing van de melkquotering op 1 april 2015 heeft

geleid tot een toename van de melkproductie sinds 2007.

Anticiperend op de afschaffing hebben veel melkveehouders

de laatste jaren hun bedrijf uitgebreid.

Onder andere door veevoermaatregelen is de productie

van fosfaat en stikstof door de melkveehouderij tot 2012

gelijk gebleven, maar sindsdien neemt haar mestproductie

toe (Rougoor et al. 2015). De nieuwe Wet

grondgebonden groei melkveehouderij, die de grondgebondenheid

van de melkveehouderij moet bevorderen,

kan een verdere toename van de mest productie maar

beperkt voorkomen, omdat de wet alleen effect heeft op

zeer intensieve bedrijven (Van Grinsven 2015; Rougoor

et al. 2015).

Door de groei van de rundveestapel gebruiken akkerbouwers

de laatste jaren meer rundermest (Groenendijk

et al. 2015). Rundermest is voor akkerbouwers aantrekkelijker

dan varkensmest omdat er minder fosfaat in zit.

Daardoor kan er meer mest worden gebruikt binnen de

huidige gebruiksnormen en kan meer organische

stof worden aangevoerd. Ook is het gemakkelijker

om de voorraad organische stof op peil te houden.

De organische stof in rundermest breekt namelijk minder

4 Waterkwaliteitsbeleid | 33


VIER

Figuur 4.1

Verandering belasting van oppervlaktewater met vijfde nitraatactieprogramma

bij gelijkblijvende veestapel, 2013 – 2027

Stikstof

Fosfor

Toename

0 – 5 % afname

Meer dan 5 % afname

pbl.nl

pbl.nl

Bron: Alterra

De nutriëntenbelasting van het oppervlaktewater neemt door het mestbeleid in de zandgebieden af en in een deel van de kleigebieden toe.

snel af. Dit is beter voor de bodemstructuur en

-vruchtbaarheid, maar gaat wel gepaard met een hoger

risico op uitspoeling van stikstof in de winter, omdat een

deel van de organisch gebonden stikstof in de winterperiode

vrijkomt (Groenendijk et al. 2015).

4.3.3 Fosfaatrechten

Als de mestproductie toeneemt, wordt mogelijk het

nationale plafond voor fosfaatproductie (172 miljoen

kilo per jaar) overschreden. Omdat dit de derogatie – de

verruiming van de mestaanwendingsnormenin gevaar

kan brengen, heeft staatssecretaris Dijksma fosfaatrechten

voor de melkveehouderij afgekondigd. Eenzijdig sturen

op fosfaat heeft echter als risico dat het stikstofplafond

wordt overschreden en dat de uit- en afspoeling van nitraat

toeneemt. Dat komt onder andere doordat de teelt van

mais aantrekkelijk wordt. Mais bevat namelijk minder

fosfaat, waardoor een maisrantsoen de fosfaatexcretie

verlaagt ten opzichte van een grasrantsoen (Rougoor et al.

2015). De kans dat stikstof uitspoelt is bij mais echter groter

dan bij gras.

4.4 Plattelandsontwikkelingsprogramma

en Gemeenschappelijk

Landbouwbeleid

In het kader van het Plattelandsontwikkelingsprogramma

voor de periode 2014-2020 (POP3) (EZ 2014a) hebben

het ministerie van Economische Zaken (EZ) en de regio’s

afspraken gemaakt over extra inspanningen in de landbouw

voor de verbetering van de waterkwaliteit. In het

programma is voor waterkwaliteitsmaatregelen een budget

geoormerkt van 25 miljoen euro per jaar (EZ 2014b). De helft

van dit budget komt van de Europese Unie, de andere

helft wordt betaald door waterschappen en provincies.

Agrariërs en collectieven kunnen subsidie aanvragen voor

het uitvoeren van maatregelen; de regionale overheden

bepalen welke maatregelen waar het beste passen.

Daarnaast heeft Nederland jaarlijks 20 miljoen euro in de

eerste pijler van het Gemeenschappelijk Landbouw beleid

(GLB) gereserveerd voor het behalen van Europese

34 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIER

waterdoelen. Provincies en waterschappen leggen daar

samen nog eens 20 miljoen euro bij. Het ministerie van EZ

heeft met de provincies afgesproken dat zij het totale

bedrag bestemmen voor maatregelen op het boerenbedrijf

die bijdragen aan de verbetering van de waterkwaliteit

(EZ 2015). Deze maatregelen zijn nog niet

ingevuld en dus niet meegenomen in deze evaluatie.

4.5 Deltaplan Agrarisch Waterbeheer

Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) is

een initiatief van de overkoepelende land- en

tuinbouworganisaties (LTO), dat in samenwerking

met onder andere de waterschappen en het Rijk

wordt uitgevoerd. Naast het doel om de Nederlandse

land- en tuinbouw te versterken, heeft het DAW ook

de ambitieuze doelstelling om in 2021 80 procent van

de resterende waterkwaliteitsproblemen te hebben

opgelost en in 2027 100 procent (LTO 2013). Of deze

ambities kunnen worden waargemaakt is nog onzeker.

De organisatie van het DAW is namelijk nog inopbouw

en de circa 30 gebiedsprojecten bevinden zich nog in

de pilotfase (zie www.agrarischwaterbeheer.nl).

Een belangrijke opgave is het meekrijgen van voldoende

agrariërs om op grote schaal de uitgeteste

maatregelen uit te rollen. Veel maatregelen zijn namelijk

bovenwettelijk, en agrariërs passen zulke maatregelen

alleen toe als ze niet te veel geld kosten en niet tot

opbrengstderving leiden (Van Eerdt et al. 2014; PBL

2012b). Om de duurdere maatregelen te implementeren

kunnen financiële prikkels helpen. Hiervoor zouden de

in de vorige paragraaf genoemde POP3/GLB-gelden

kunnen worden ingezet. De DAW-maatregelen zijn nog

onvoldoende concreet ingevuld om mee te nemen in

deze evaluatie.

4.6 Gewasbeschermingsmiddelenbeleid

Volgens de nota Gezonde groei, duurzame oogst (EZ 2013)

mogen er in 2023 nagenoeg geen overschrijdingen meer

voorkomen van de drinkwaternorm en de normen voor

de ecologische kwaliteit in oppervlaktewaterlichamen.

De nota legt hierbij een duidelijke koppeling met de

ambities van de KRW.

De nota is een uitwerking van de Europese richtlijn voor

duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Volgens deze richtlijn moeten alle agrariërs vanaf 1 januari

2014 ‘geïntegreerde gewasbescherming’ toepassen. Dit

betekent dat chemische gewasbescherming uitsluitend

wordt toegepast als er daadwerkelijk een plaag of ziekte

optreedt die niet met andere middelen kan worden

bestreden (zoals met biologische plaagbestrijding).

Geïntegreerde gewasbescherming leidt echter niet per se

tot een vermindering van de belasting van het oppervlaktewater

met gewasbeschermingsmiddelen (Van Eerdt

et al. 2014; PBL 2012b; zie ook paragraaf 6.2.2). Daarom

zijn in de nota ook nieuwe emissiereducerende maatregelen

opgenomen. De glastuinbouw moet via

verplichte zuivering uiterlijk in 2018 de uitstoot van

gewasbeschermingsmiddelen met 95 procent terugbrengen.

Verder zijn akkerbouwers verplicht de

verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen

verder te verminderen. Als eind 2016 blijkt dat deze

maatregelen onvoldoende zijn, zal volgens de nota

bovendien de verplichte teeltvrije zone worden verbreed.

De hiervoor genoemde generieke maatregelen zijn alleen

succesvol in combinatie met aanvullende maatregelen

gericht op het verminderen van de emissies van stoffen

die veelvuldig de norm overschrijden (PBL 2012b).

Om deze stoffen op te sporen, zullen metingen van

water beheerders worden gebruikt. Voor deze middelen

moet de toelatingshouder (meestal de industrie)

samen met belanghebbenden een emissiereductieplan

opstellen. Het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen

en biociden (Ctgb) beoordeelt de

effectiviteit van die plannen.

Ten slotte is op Europees niveau een belangrijke stap

gezet om de toelatingsbeoordeling af te stemmen op het

waterkwaliteitsbeleid: sinds 1 januari 2015 moeten alle

lidstaten het nieuwe Europese richtsnoer voor de beoordeling

van effecten op waterorganismen (EFSA 2013)

toepassen. In dat nieuwe richtsnoer is het criterium voor

ecologische schade beter afgestemd op het criterium dat

in het waterkwaliteitsbeleid wordt gebruikt.

4.7 Beleid in het buitenland

De nutriëntenconcentraties in de Rijn en de Maas

zijn in de afgelopen decennia aanzienlijk afgenomen

(figuur 4.2) en zijn nu lager dan in veel van de regionale

wateren. Het gebruik van Rijn- en Maaswater als

inlaatwater heeft daarmee vaak een positieve, want

verdunnende werking op de nutriëntenconcentraties in

de regionale wateren. Op basis van de maatregelen in de

internationale stroomgebiedbeheerplannen kan in 2027

nog een vermindering van ongeveer 5 procent van de

nutriëntenconcentraties vanuit het buitenland worden

verwacht (Deltares 2015).

Ondanks de afname van de belasting uit het buitenland is

het grootste deel van de belasting van het Nederlandse

4 Waterkwaliteitsbeleid | 35


VIER

Figuur 4.2

Nutriënten in Rijn en Maas

Stikstof

Fosfor

8

mg N per liter (zomergemiddelde)

1,6

mg P per liter (zomergemiddelde)

6

1,2

4

0,8

2

0,4

0

pbl.nl

1970 1980 1990 2000 2010 2020

0,0

pbl.nl

1970 1980 1990 2000 2010 2020

Maas bij Eijsden

Rijn bij Lobith

Doel Kaderrichtlijn Water (Goede Ecologische Potentie GEP)

Bron: RWS Waterdienst

De concentraties van stikstof en fosfor in de Rijn en Maas zijn in de afgelopen decennia sterk afgenomen (zie voor meer informatie het Compendium voor de

Leefomgeving: www.clo.nl/nl0249).

oppervlaktewater met stikstof en fosfor nog afkomstig

uit het buitenland (60-75 procent van de totale belasting).

Voor een belangrijk deel van de rijkswateren – zoals de

grote rivieren, het IJsselmeer en de kustwateren – is het

buitenland zelfs bepalend voor de nutriëntenconcentraties,

omdat daar het grootste deel van het

stroomgebied van de grensoverschrijdende rijkswateren

ligt. De aanvoer van stikstof en fosfor via rivieren is

overigens ongeveer even groot als de afvoer naar zee

(zie www.clo.nl/nl0194).

De invloed van het buitenland op het regionale water

hangt vooral af van de hoeveelheid water die in een

gebied wordt ingelaten (Woestenburg & Van Tol-

Leenders 2011). In stroomgebieden in het zandgebied

wordt amper water ingelaten en is de belasting van het

buitenland dus gering (hooguit enkele procenten). In het

rivierengebied en in de Friese boezem kan de belasting

met stikstof en fosfor via inlaatwater echter oplopen tot

30-40 procent. Het gebruik van inlaatwater heeft hier een

positieve invloed omdat de concentraties van stikstof en

fosfor in de Rijn lager zijn dan in de regionale wateren.

Toch past ook hier de kanttekening dat dit alleen geldt

voor de grotere regionale wateren (vaarten en tochten).

Uit metingen blijkt namelijk dat het inlaatwater in het

algemeen de kleinere oppervlaktewateren niet bereikt

(Woestenburg & Van Tol-Leenders 2011). De grote

regionale verschillen laten zien dat een goede bron- en

probleemanalyse de basis behoort te zijn bij beslissingen

over gebiedsgerichte maatregelenpakketten (zie ook

hoofdstuk 6.2.1).

4.8 Stroomgebiedbeheerplannen

2016-2021

Het beleid dat specifiek wordt ingezet voor de KRW

is uitgewerkt in de stroomgebiedbeheerplannen,

in de vorm van gebiedsgerichte maatregelen (IenM

2014a,b,c,d). De waterbeheerders hebben onderliggende

informatie hierover aangeleverd aan het Informatiehuis

Water (IHW), dat deze informatie vervolgens beschikbaar

heeft gesteld in de vorm van factsheets per

waterlichaam.

4.8.1 Maatregelenpakket

In vergelijking met de eerste stroomgebiedbeheerplannen

uit 2009, is het totale pakket aan gebiedsgerichte

maatregelen voor de volledige periode 2009-2027

van de KRW in de nieuwe beheerplannen voor veel

maat regeltypen gelijk gebleven (figuur 4.3). Dit geldt

voor maatregelen voor de regionale wateren, de rijkswateren

en voor grondwater. De besparingen en taakoverhevelingen

die zijn uitgevoerd naar aanleiding van

afspraken in het Bestuursakkoord Water (IenM 2011b)

36 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIER

Figuur 4.3

Maatregelenpakket in stroomgebiedbeheerplannen voor regionale wateren, 2009 – 2027

Puntbronnen:

Verminderen belasting

rioolwaterzuiveringsinstallaties

Diffuse bronnen:

Aanleggen van mesten

spuitvrije zones

Hydromorfologie:

Aanleggen van natuurvriendelijke

oevers /

hermeanderen

Inrichting:

Aanleg vispassages

80

rioolwaterzuiveringsinstallaties

1000

kilometer

8000

kilometer

1600

vispassages

60

800

6000

1200

600

40

4000

800

400

20

200

2000

400

0

pbl.nl

0

pbl.nl

0

pbl.nl

0

pbl.nl

Eerste stroomgebiedbeheerplannen

Tweede stroomgebiedbeheerplannen

Bron: IHW, bewerking PBL

Waterbeheerders hebben in de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen ongeveer evenveel maatregelen opgenomen als in de beheerplannen uit 2009.

hebben blijkbaar geen gevolgen gehad voor de ambities

van de waterbeheerders.

Alleen de geplande totale omvang van maatregelen voor

hydromorfologie, zoals de aanleg van natuurvriendelijke

oevers en hermeandering, is met circa 20 procent

afgenomen. De redenen die waterbeheerders hiervoor

opgeven, zijn onder andere het herstel van foutieve

inschattingen in 2009 en een vermindering van maatregelen

op basis van kostenefficiëntie. Dit laatste kan te

maken hebben met onzekerheid over het effect van

natuurvriendelijke oevers op de KRW-doelen (zie

bijvoorbeeld Hokken et al. 2012), of het geringe effect van

inrichtingsmaatregelen als andere omstandigheden,

zoals de nutriëntengehaltes, (nog) niet op orde zijn.

Tot slot noemen waterbeheerders als reden voor de

afname dat ze maatregelen voor de KRW hebben

opgenomen in het reguliere beheer en onderhoud.

4.8.2 Uitgaven door de overheden

In de periode 2009-2015 hebben verschillende overheden

2,1 miljard euro aan de KRW-specifieke gebiedsgerichte

maatregelen besteed. De stroomgebiedbeheerplannen

bevatten voor de resterende periode 2016-2027 voor

2 miljard euro aan maatregelen (1,4 miljard euro voor de

periode 2016-2021 en 0,6 miljard voor 2022-2027). Van de

verschillende overheden betalen de waterschappen het

meest aan de KRW-maatregelen (figuur 4.4).

De totale voorziene uitgaven van 4,1 miljard euro voor de

gehele periode 2009-2027 wijken weinig af van de

uitgaven die waren gepland in de stroomgebiedbeheerplannen

van 2009, ondanks de economische crisis en

ondanks besparingen en de hiervoor genoemde taakoverhevelingen

uit het Bestuursakkoord Water. Naast de

overheden, maken ook verschillende economische

sectoren kosten voor de KRW; hiervan is echter geen

goed beeld beschikbaar.

4.8.3 Verdeling van de uitgaven voor het

waterbeheer

Het waterbeheer door de waterschappen, waaronder

de maatregelen voor de KRW, wordt voor een belangrijk

deel betaald uit de waterschapsheffingen. De bijdrage

van de agrarische sector (‘eigenaren van ongebouwd’)

aan de waterschapsheffingen neemt af, en die van

het stedelijk gebied (‘ingezetenenen ‘eigenaren

van gebouwd’) neemt toe (figuur 4.5). In ruim de

helft van de waterlichamen vormt diffuse belasting

uit landbouwgronden een belangrijke beperking

voor de verbetering van de ecologische toestand

(paragraaf 3.4.1). De verdeling van de uitgaven van het

waterkwaliteitsbeheer door de waterschappen lijkt

hierdoor steeds minder in overeenstemming met het

principe ‘de gebruiker/vervuiler betaalt’ (OECD 2015).

4 Waterkwaliteitsbeleid | 37


VIER

Figuur 4.4

Uitgaven van overheden voor Kaderrichtlijn Water

2500

2000

1500

miljoen euro

Gemeenten

Waterschappen

Provincies

Rijk

1000

500

0

pbl.nl

2009 – 2015 2016 – 2027

Bron: PBL op basis van diverse bronnen

Van de verschillende overheden besteden waterschappen het meest aan KRW-maatregelen.

Figuur 4.5

Opbrengst van waterschapsheffingen naar herkomst

100

80

60

%

Ingezetenen

Eigenaren van

Natuur

Gebouwd

Ongebouwd

40

20

0

pbl.nl

2006 2008 2010 2012 2014

Bron: Hoeben 2014

De bijdrage van de agrarische sector (‘eigenaren van ongebouwd’) aan de waterschapsheffingen neemt af en die van het stedelijk gebied (‘ingezetenenen

‘eigenaren van gebouwd’) neemt toe.

38 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIJF

Toestand van het water in

2021 en 2027

De te verwachten toekomstige kwaliteit van het

oppervlaktewater is bepaald op basis van berekeningen

van Deltares, LEI en Alterra met de modellen

MAMBO, STONE en de KRW-Verkenner. Voor de

rijks wateren is dit aangevuld met de inschatting

van experts. Dit alles is gedaan voor de twee zichtjaren

van de KRW: 2021 (de start van de laatste ronde

van de stroomgebiedbeheerplannen) en 2027

(het eindjaar van de KRW). In de berekeningen zijn de

maatregelen meegenomen die zijn opgenomen in de

stroomgebiedbeheerplannen en de onderliggende

factsheets (paragraaf 4.8) en in het vijfde nitraatactieprogramma

(paragraaf 4.3). Daarnaast hebben we

maatregelen in het buitenland meegenomen (paragraaf

4.7). Dit laatste is deels via modelberekeningen

en deels via inschattingen van experts in de verschillende

landen gedaan. Ander aanpalend beleid,

zoals de PAS, Natura 2000, het DAW, POP3 en GLB

(zie ook hoofdstuk 4), is alleen meegenomen voor

zover de maatregelen al zijn opgenomen in de

stroom gebiedbeheerplannen. Aangezien de maatregelenprogramma’s

vanuit de PAS en Natura 2000 nog

in ontwikkeling zijn, is slechts een beperkt deel van die

maatregelen in de berekeningen meegenomen.

Voor de bepaling van de toestand van het grondwater

volgens de KRW hebben we in deze rapportage gebruik

gemaakt van beoordelingen van de provincies zelf.

Daarnaast hebben we modelberekeningen uitgevoerd

voor de nitraatconcentratie in het bovenste grondwater.

Ook bij deze berekeningen zijn we uitgegaan van de

maatregelen in het vijfde nitraatactieprogramma.

In dit hoofdstuk ligt het zwaartepunt op de verwachte

biologische kwaliteit en de nutriënten fosfor en stikstof.

Deze stoffen zijn voor een groot aantal watertypen

belangrijk voor de biologische kwaliteit en vormen

belangrijke onderdelen van de KRW-beoordeling van de

ecologische toestand (paragraaf 2.2.1). Voor het halen van

een goede ecologische toestand moet ook de belasting

met gewasbeschermingsmiddelen omlaag. In hoeverre

de maatregelen uit de nota Gezonde groei, duurzame oogst

(EZ 2013) voldoende zijn, kan nu nog niet worden gezegd.

Dat hangt namelijk af van hoe de maatregelen uit die

nota exact worden geïmplementeerd en hoeveel telers de

maatregelen daadwerkelijk zullen implementeren.

Het PBL zal de plannen uit de nota in 2018 evalueren.

In dit stadium kunnen we uitsluitend zeggen welke maatregelen

kunnen bijdragen aan het doelbereik (paragraaf

6.2.2).

5.1 Regionaal oppervlaktewater:

nutriënten

Gegeven het vastgestelde en voorgenomen maatregelenpakket

zal het aandeel waterlichamen dat

voldoet aan de norm voor stikstof of fosfor toenemen,

van ongeveer 45 procent in 2015 tot ruim 50 procent

in 2027 (figuur 5.1). Deze verbetering wordt vooral

veroorzaakt door maatregelen die de uitstoot door

rioolwaterzuiveringsinstallaties verminderen.

Het grootste deel van deze maatregelen is vóór 2021

ingepland. Het vijfde nitraatactieprogramma draagt

minder bij aan de verbetering van de waterkwaliteit

(zie paragraaf 4.3). Waterbeheerders zijn wel van

plan meer maatregelen te nemen dan die die in de

stroogebiedbeheerplannen staan. Omdat geen goed

overzicht van deze plannen beschikbaar is, konden

ze niet in de berekeningen worden meegenomen

(zie paragraaf 5.2).

40 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIJF

Figuur 5.1

Beoordeling nutriënten in regionale wateren volgens Kaderrichtlijn Water

Fosfor

2015

2021

2027

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Stikstof

2015

2021

2027

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Bron: Deltares; bewerking PBL

In 2027 voldoet ruim 50 procent van de waterlichamen in regionale waterlichamen aan de normen voor stikstof en fosfor.

5.2 Regionaal oppervlaktewater:

biologische kwaliteit

Door de maatregelen uit de stroomgebiedbeheerplannen

en het vijfde nitraatactieprogramma neemt het aandeel

regionale waterlichamen met een goede toestand per

biologische maatlat toe met 10-30 procentpunten.

Het grootste deel van deze verbetering zal al in 2021

zijn gerealiseerd (figuur 5.2). Het doelbereik per maatlat

komt daarmee in 2027 uit op 35-50 procent. De grootste

verbetering doet zich voor in de beken, omdat daar

relatief meer inrichtingsmaatregelen worden genomen

en hoge nutriëntengehaltes in dit type wateren minder

bepalend zijn voor de biologische kwaliteit dan in

bijvoorbeeld meren. Het aandeel waterlichamen dat

in 2027 voor alle vier maatlatten goed scoort (oordeel

biologie volgens het one out, all out-principe) neemt toe,

van 3 procent in 2015 naar ongeveer 15 procent in 2027.

Het aantal in de stroomgebiedbeheerplannen voorgenomen

maatregelen voor vismigratie is voldoende om

in 2027 alle migratieknelpunten in de waterlichamen op

te lossen (Kroes et al. 2015). Omdat het effect van maatregelen

voor vismigratie in de KRW-verkenner alleen

wordt meegenomen in brakke wateren geeft dit model

mogelijk een onderschatting van de te verwachten

verbetering voor de maatlat vissen.

Zoals eerder aangegeven, zijn in de berekeningen alleen

de maatregelen uit de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen

en het vijfde nitraatactieprogramma

meegenomen. Diverse waterbeheerders hebben

aangegeven dat zij ook voornemens zijn andere

maatregelen uit te voeren, die (nog) niet zijn opgenomen

in de plannen. Die maatregelen kunnen de KRW-doelen

dichterbij brengen. Het betreft twee typen maatregelen:

• maatregelen voor de KRW die zijn opgenomen in

het reguliere beheer en onderhoud (zie ook

para graaf 4.8.1);

• maatregelen geïnitieerd vanuit ander beleid, zoals de

PAS, het POP3, het GLB en het DAW. Omdat de

financiering vanuit dit andere beleid vaak nog niet

definitief is geregeld, zijn deze maatregelen (nog) niet

opgenomen in de aan de Europese Commissie te

rapporteren stroomgebiedbeheerplannen (zie ook

hoofdstuk 4).

Bij uitvoering van deze maatregelen zal de verbetering

van de waterkwaliteit groter zijn dan in de resultaten van

deze evaluatie wordt aangegeven. Desondanks zal de

verbetering naar verwachting onvoldoende zijn om de

KRW-doelen te realiseren.

5.3 Rijkswateren: biologische

kwaliteit

De beoordeling van de biologische kwaliteit van de

rijkswateren is gebaseerd op berekeningen, aangevuld

met inschattingen van experts (Wortelboer et al. 2015).

Per individuele maatlat lag het aandeel rijkswateren dat

in 2015 voldoet aan de doelen tussen de 40 en 80 procent,

in 2027 neemt dit toe naar 60 tot 100 procent (figuur 5.3).

Het aandeel rijkswateren dat goed scoort volgens het one

out, all out-principe bedraagt in 2027 55 procent (oordeel

5 Toestand van het water in 2021 en 2027 | 41


VIJF

Figuur 5.2

Beoordeling biologische kwaliteit in regionale wateren volgens Kaderrichtlijn Water

Algen

2015

2021

2027

Waterplanten

2015

2021

2027

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Macrofauna

2015

2021

2027

Vissen

2015

2021

2027

Oordeel biologie

2015

2021

2027

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Bron: Deltares; bewerking PBL

Per individuele maatlaat zal het aandeel regionale wateren dat voldoet in 2027 35-50 procent bedragen.

biologie in figuur 5.3). Dit doelbereik is hoger dan in de

regionale wateren. Omdat bij het afleiden van de doelen

voor de biologische kwaliteit in de rijkswateren meer

rekening is gehouden met de specifieke gebruiksfuncties

van die wateren, zijn de doelen voor de rijkswateren in

het algemeen minder streng dan die voor de regionale

wateren. Bovendien worden de nutriëntenconcentraties

in een belangrijk deel van de rijkswateren grotendeels

bepaald door de aanvoer uit het buitenland via Rijn en

Maas. Deze aanvoer is in de afgelopen decennia aanzienlijk

verminderd, met een positief effect op de

kwaliteit van die wateren (zie paragraaf 4.7).

Er is een aantal kanttekeningen te plaatsen bij de

gepresenteerde getallen (Wortelboer et al. 2015).

Zo blijkt dat het meetnet dat wordt gebruikt voor de

monitoring van de rijkswateren deels nog moet worden

aangepast aan de veranderde situatie als gevolg van de

uitvoering van nieuwe maatregelen. Meetpunten vallen

daardoor vaak niet samen met de locaties waar KRWmaatregelen

zijn of worden uitgevoerd, wat kan leiden

tot een onders chatting van het doelbereik in de huidige

toestand.

Het doelbereik in 2027 kan ook zijn overschat. In de

berekeningen is namelijk aangenomen dat de ecologische

toestand zich na uitvoering van maatregelen (bijvoorbeeld

de aanleg van nevengeulen) in 2027 al optimaal

heeft ontwikkeld. Dit zal in de praktijk niet altijd het geval

zijn. Aan de andere kant zijn enkele belangrijke ingrepen

in de rijkswateren niet meegenomen, omdat deze geen

onderdeel uitmaken van het KRW-maatregelenpakket.

Dit kunnen maatregelen zijn die een positief effect hebben

op het doelbereik (bijvoorbeeld de aanleg van de

Markerwadden), maar ook maatregelen die een negatief

effect kunnen hebben. Ook Natura 2000-maatregelen en

maatregelen voortkomend uit de Kaderrichtlijn Mariene

Strategie zijn niet in de berekeningen meegenomen.

Deze maatregelen zullen veelal een positief effect op het

doelbereik hebben.

De resultaten geven aan dat vooral het doelbereik voor

macrofauna en vissen achterblijft. Het ligt voor de hand

om in de rijkswateren waar dit het geval is, na te gaan of

aanvullende maatregelen mogelijk zijn, dan wel of de

doelen moeten worden heroverwogen.

5.4 Grondwater

De provincies verwachten (op basis van gegevens van

het IHW) dat de algemene toestand voor zowel kwantiteit

als kwaliteit in 2021 vrijwel overal goed blijft.

De regionale problemen verbeteren volgens deze

inschatting in beperkte mate: de kwantiteit of kwaliteit

van 50 procent van de regionale grondwaterlichamen

42 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIJF

Figuur 5.3

Beoordeling biologische kwaliteit in rijkswateren volgens Kaderrichtlijn Water

Algen

2015

2021

2027

Waterplanten

2015

2021

2027

Goed

Matig

Ontoereikend

Slecht

Macrofauna

2015

2021

2027

Vissen

2015

2021

2027

Oordeel biologie

2015

2021

2027

pbl.nl

0 20 40 60 80 100

% waterlichamen

Bron: Deltares; bewerking PBL

In 2027 zal 60 tot 100 procent van de rijkswateren voldoen aan één van de biologische maatlatten.

blijft ontoereikend voor terrestrische natuur, 30 procent

beïnvloedt in 2021 de oppervlaktewaterkwaliteit negatief

en 15 procent is ontoereikend voor drinkwaterwinningen

(IenM 2014a,b,c,d). Dit betekent overigens niet dat

95 procent van de regionale grondwaterlichamen niet

voldoet, omdat problemen soms in dezelfde gebieden

voorkomen.

Berekeningen van het toekomstige effect van het

gevoerde mestbeleid en het in uitvoering zijnde vijfde

nitraatactieprogramma op de nitraatconcentraties in het

ondiepe grondwater laten weinig verbetering zien,

behalve in het zuidelijke zandgebied waar de concentraties

duidelijk afnemen (figuur 5.4). Ondanks de

verbetering in het zuidelijk zandgebied zal daar op veel

plaatsen ook in 2027 de norm van 50 milligram nitraat per

liter nog worden overschreden.

Bij aggregatie naar het niveau van grondwaterlichamen

zullen de meeste waterlichamen waarschijnlijk (net) aan

de KRW-beoordeling voldoen (zie ook paragraaf 3.6).

De enige uitzondering zijn de grondwaterlichamen in

het zuidelijke zandgebied, waar de nitraatconcentraties

in 2027 naar verwachting 55 tot 67 milligram per liter

zullen bedragen (Groenendijk et al. 2015). Hoewel 2027

het eindjaar is voor de KRW en de daarin vastgestelde

grondwaterdoelen, schrijft de Nitraatrichtlijn niet voor

wanneer de doelen moeten zijn gehaald.

5.5 Relatieve bijdrage van maatregelen

aan het doelbereik van de

regionale wateren

We hebben de relatieve bijdrage van de verschillende

typen maatregelen aan het doelbereik van de biologische

maatlatten in de regionale wateren berekend. Tabel 5.1

laat zien dat het vijfde nitraatactieprogramma een zeer

beperkt effect heeft op het biologische doelbereik.

Verder hebben maatregelen bij rioolwaterzuiveringsinstallaties

een significant effect op het vóórkomen

van algen, waterplanten en macrofauna. Inrichtingsmaatregelen,

tot slot, hebben een groot effect op het

vóórkomen van waterplanten, macrofauna en vis, maar

minder op dat van algen.

5 Toestand van het water in 2021 en 2027 | 43


VIJF

Figuur 5.4

Nitraat in bovenste grondwater met vijfde nitraatactieprogramma bij gelijkblijvende

veestapel, 2013 – 2027

2013

2027

Verschil 2013 – 2027

Nitraatconcentratie

(mg/l)

pbl.nl

pbl.nl

Verschil 2013 – 2027

(%)

pbl.nl

< 25

Toename > 5%

25 – 50

50 – 75

75 – 100

> 100

norm

Toename < 5%

Geringe verandering

Afname < 5%

Afname 5 – 10%

Afname > 10%

Bron: Alterra

De nitraatconcentraties verbeteren vooral in het zuidelijke zandgebied maar deze verbetering is onvoldoende om ook daar aan de norm te voldoen.

Tabel 5.1

Procentuele toename van het aantal regionale waterlichamen met een goede biologische toestand bij

verschillende maatregelenpakketten

Maatregelenpakket

Procentuele toename aantal waterlichamen met goede toestand in 2027

ten opzichte van 2015

Algen Waterplanten Macrofauna Vis

Mestbeleid 1 en alle KRW-maatregelen 16 64 112 29

Alleen mestbeleid 1 2 0 1 0

Mestbeleid 1 en alleen RWZI-maatregelen 11 10 12 2

Mestbeleid 1 en alleen inrichtingsmaatregelen 4 58 99 25

1

Maatregelen uit het vijfde nitraatactieprogramma met veestapel uit 2013 (zie paragraaf 4.3).

44 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


VIJF

Tabel 5.2

Doelbereik regionale wateren in 2021 volgens inschattingen van de waterbeheerders, vergeleken met de

berekeningen

Variant

Percentage waterlichamen met een goede biologische toestand

Algen Waterplanten Macrofauna Vis

2015, huidige situatie 40 21 24 32

2021, berekend 46 32 46 40

2021, inschatting waterbeheerders 61 44 50 53

2021, berekend bij realisatie van alle N- en P-doelen 64 41 52 44

5.6 Vergelijking rekenresultaten

doel bereik regionale wateren met

inschattingen van de

waterbeheerders

De waterbeheerders hebben ook een eigen inschatting

gemaakt van het doelbereik dat zij in 2021 verwachten

in de regionale wateren. Hun inschattingen laten in het

algemeen een hoger doelbereik zien dan onze modelberekeningen

(tabel 5.2). Dit heeft twee oorzaken.

Ten eerste zijn de waterbeheerders er vaak van uitgegaan

dat, indien nodig, extra maatregelen zullen worden

ingezet om de doelen te halen. Dat geldt vooral

voor nutriëntenmaatregelen: de waterbeheerders

veronderstellen dat het Rijk via het generieke mestbeleid

uiteindelijk voldoende zal doen om de

juiste nutriëntencondities te scheppen. Om deze

veronderstelling te controleren hebben we een

berekening gedaan waarbij de concentraties van stikstof

en fosfor in alle waterlichamen gelijk waren aan de KRWdoelen

voor deze nutriënten. Daar bovenop zijn

vervolgens de gebiedsgerichte KRW-maatregelen uit de

ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen gezet.

Het resultaat van de berekening met de optimale

nutriëntencondities is inderdaad vergelijkbaar met de

inschattingen van de waterbeheerders (tabel 5.2).

Ten tweede zijn in de berekeningen alleen de maatregelen

meegenomen die voor de KRW zijn gerapporteerd,

terwijl de waterbeheerders mogelijk ook

inschattingen hebben meegenomen van de effecten van

maatregelen uit ander beleid. De financiering van dit

beleid is echter vaak nog niet definitief geregeld

(paragraaf 5.2) en bij veel maatregelen is nog geen

consensus over de te verwachten effecten (paragraaf

6.2.1).

5.7 Conclusies

Het aandeel waterlichamen in regionale wateren dat

voor een individuele biologische maatlat goed scoort,

zal op basis van de te verwachten effecten van het

maatregelenpakket uit de stroomgebiedbeheerplannen

en het vijfde nitraatactieprogramma toenemen, van

20 tot 40 procent in 2015 naar 35 tot 50 procent in 2027.

Het aandeel waterlichamen dat in 2027 voor alle vier

de maatlatten goed scoort, blijft beperkt tot ongeveer

15 procent. In hoeverre de maatregelen uit de nota

Gezonde groei, duurzame oogst voldoende zijn om ook de

doelen voor gewasbeschermingsmiddelen te halen, kan

nu nog niet worden bepaald.

Het aandeel rijkswateren dat goed scoort per biologische

maatlat neemt toe van 40 tot 80 procent in 2015 naar

60 tot 100 procent in 2027, terwijl het aandeel dat in 2027

voor alle vier de maatlatten goed scoort, uitkomt op

55 procent. De voorgenomen maatregelen zijn daarom

onvoldoende om alle nu gestelde doelen te halen.

De algemene kwantitatieve en kwalitatieve toestand van

de grondwaterlichamen is en blijft in de toekomst grotendeels

goed. Wel blijft de regionale kwantiteit in veel

gevallen onvoldoende door verdroging van grondwaterafhankelijke

natuur in Natura 2000-gebieden. Ook blijven

er problemen bij een aantal drinkwaterwinningen.

De KRW-doelen voor nitraat worden waarschijnlijk net

gehaald. Vooral in het zuidelijke zandgebied worden de

normen voor de nitraatconcentraties echter lokaal

overschreden.

5 Toestand van het water in 2021 en 2027 | 45


ZES

Hoe verder naar 2021?

In de stroomgebiedbeheerplannen voor 2022-2027

moet Nederland de definitieve keuzes maken over de

doelen voor de verschillende wateren en de in te zetten

maatregelen. Een goed onderbouwde en gedragen

invulling vraagt om een beleidstraject dat ruim voor

2021 wordt gestart. In paragraaf 6.1 beschrijven we hoe

dit beleidstraject er uit kan zien. In paragraaf 6.2 gaan

we in op de mogelijke extra maatregelen om de KRWdoelen

dichterbij te brengen. Ten slotte schetsen we in

paragraaf 6.3 hoe het beleidstraject naar 2027 effectief

kan worden vormgegeven.

6.1 Mogelijk beleidstraject naar 2021

6.1.1 Doelen aanpassen

Een eerste stap kan zijn dat waterbeheerders de

doelen aanpassen. ‘Doelaanpassing’ is een term

uit de KRW en geldt voor waterlichamen waarvoor

nieuwe (wetenschappelijke) inzichten zijn over de

effecten van maatregelen. Waterbeheerders mogen

de doelen aanpassen binnen de richtlijnen van de

KRW (artikel 4.3) zonder dat daarbij een uitgebreide

verantwoordingsprocedure hoeft te worden doorlopen.

Nieuwe inzichten spelen op dit moment bijvoorbeeld

in Rijn-West, waar bij het opstellen van de doelen

onvoldoende rekening is gehouden met de achtergrondbelasting

met nutriënten door fosfaatrijke kwel.

6.1.2 Aanvullende maatregelen

Als (na een eventuele doelaanpassing) de verwachting

is dat het doel in 2027 nog steeds niet wordt gehaald,

dient te worden gezocht naar mogelijkheden voor extra

maatregelen. Om de ecologische doelen dichterbij

te brengen, moeten de emissies van nutriënten en

gewasbeschermingsmiddelen omlaag. Voor het

verminderen van deze emissies is een combinatie van

generiek bronbeleid en gebiedsgerichte maatregelen

het meest geschikt. Dit vergt een verdergaaande

integratie van het mest- en gewasbeschermingsbeleid

en het waterbeleid dan nu het geval is. De effectiviteit

van maatregelen is afhankelijk van de regionale

situatie. Daarom moeten waterbeheerders en andere

belanghebbenden in de regio gezamenlijk op zoek gaan

naar een maatregelenpakket dat voor de betreffende

regio het meest geschikt is. Regie door het Rijk is evenwel

nodig, omdat ingrepen op een bepaalde plek de

mogelijkheden om de doelen te halen elders kunnen

beperken of juist vergroten (paragraaf 6.2). Bovendien is

het Rijk verantwoording verschuldigd aan de Europese

Commissie (paragraaf 6.3).

Maatregelen gerelateerd aan de landbouw kunnen

worden opgepakt in samenhang met het Deltaplan

Agrarisch Waterbeheer (paragraaf 4.5). Op deze wijze kan

een zo groot mogelijke acceptatie door agrariërs worden

bereikt, en kan worden aangesloten bij initiatieven vanuit

de agrarische praktijk. Voor de financiering kunnen ook

gelden uit het POP3/GLB worden gebruikt (zie paragraaf

4.4).

6.1.3 Doelen verlagen

In gebieden waar de huidige KRW-doelen niet te

combineren blijken te zijn met andere functies en

doelen, zal expliciet moeten worden gekozen tussen

het accepteren van de beperkingen op andere functies

en het nemen van de benodigde extra maatregelen

om de huidige KRW-doelen te halen, of het verlagen

van de ambities voor de KRW als het belang van de

andere functie(s) te groot wordt geacht. Ook waar extra

maatregelen mogelijk zijn, kunnen deze toch als niet

haalbaar worden beoordeeld, bijvoorbeeld omdat de

kosten onevenredig hoog worden gevonden of omdat

grote groepen mensen de maatregelen onacceptabel

vinden. Wanneer wordt besloten om doelen en maatregelen

niet met elkaar in overeenstemming te brengen,

moeten waterbeheerders de doelen naar beneden

bijstellen. Dit vergt volgens artikel 4.5 van de KRW wel

een uitgebreide verantwoordingsprocedure tegenover de

Europese Commissie.

46 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


ZES

6.2 Mogelijke extra maatregelen

De volgende typen maatregelen kunnen helpen om de

KRW-doelen dichterbij te brengen:

• maatregelen voor een verdere vermindering van de

belasting van het oppervlaktewater met nutriënten

(paragraaf 6.2.1) en gewasbeschermingsmiddelen

(paragraaf 6.2.2);

inrichting- en beheermaatregelen voor verbetering

van de hydromorfologische omstandigheden

(paragraaf 6.2.3).

Welk maatregelenpakket waar het meest effectief is, is

afhankelijk van de regionale en lokale situatie. Het kiezen

van een goed maatregelenpakket is daarom maatwerk.

6.2.1 Verminderen van de belasting met

nutriënten

In de waterlichamen waar de normen voor fosfor en

stikstof nog worden overschreden, moet de belasting

met nutriënten omlaag om de ecologische kwaliteit te

verbeteren. In gebieden waar de belasting door rioolwaterzuiveringsinstallaties

groot is, kunnen waterbeheerders

de waterkwaliteit via maatregelen bij die

installaties verder verbeteren. Voor de regionale wateren

is de grootste bron van nutriënten echter de uit- en

afspoeling uit landbouwgronden: bij voortzetting van het

huidige beleid zal deze bron in 2027 veruit de grootste zijn

(ongeveer 70 procent van de totale nutriënten belasting

van de regionale wateren), gevolgd door de uitstoot van

rioolwaterzuiveringsinstallaties (ongeveer 15 procent)

(PBL 2008).

Het Bestuurlijk Overleg Open Teelten (BOOT) heeft

een breed scala aan maatregelen benoemd dat de

agrarische sector kan nemen om de belasting met

nutriënten vanuit de landbouw te verminderen.

Demonstratie projecten onder de vlag van het DAW

(zie paragraaf 4.5) hebben aangetoond dat deze maatregelen

lokaal of regionaal tot goede resultaten kunnen

leiden (zie www.agrarischwaterbeheer.nl). Ook binnen

het Innovatieprogramma KRW (IP-KRW) zijn dergelijke

demonstratieprojecten uitgevoerd. Ten slotte zijn

internationaal verschillende mitigerende maatregelen

onderzocht (Schoumans et al. 2014).

Een belangrijke opgave is het meekrijgen van voldoende

agrariërs om de maatregelen op grote schaal uit te rollen.

Een belangrijke randvoorwaarde daarvoor is dat er op

regionaal niveau consensus bestaat over de bronnen van

nutriëntenbelasting (Woestenburg & Van Tol-Leenders

2011) en over de effectiviteit, kosten, uitvoerbaarheid en

brede inzetbaarheid van de maatregelen. Die consensus

is er echter nog niet voor alle maatregelen: experts

komen vaak tot uiteenlopende oordelen over zowel de

kosten als de effectiviteit. Alterra en Deltares voeren

daarom vervolgonderzoek uit om te komen tot een lijst

van perspectiefvolle maatregelen die breed worden

gedragen door deskundigen binnen het domein agrarisch

waterbeheer.

Perspectiefvolle maatregelen

We beschrijven hier enkele maatregelen waarover

experts het eens zijn dat deze de belasting met

nutriënten vanuit de landbouw substantieel kunnen

verminderen. Welke van deze maatregelen het meest

effectief is, hangt af van de situatie ter plaatse (figuur 6.1).

Daarom zal op regionaal en lokaal niveau moeten worden

gezocht naar de meest efficiënte (mix van) maatregelen.

Bij het optimale pakket aan maatregelen kan de belasting

van het oppervlaktewater met 10 tot 60 procent dalen

(figuur 6.1). Om de huidige nutriëntendoelen van de KRW

te halen, is een vermindering van de belasting nodig van

40 tot 50 procent (PBL 2008).

Aanleggen van peilgestuurde drainage in laag-Nederland

Verkennende modelberekeningen geven aan dat

het aanleggen van moderne peilgestuurde drainage

in laag-Nederland een effectieve maatregel is om

de fosfaatbelasting van het oppervlaktewater te

verminderen (Van der Salm et al. 2015). Door een goede

regeling van het peil stroomt minder water door de

fosfaatrijke bovengrond naar het oppervlaktewater en

wordt meer water afgevoerd via diepere bodemlagen

die nog weinig fosfaat bevatten. Deze diepere bodemlagen

kunnen nog fosfaat adsorberen. Dit is echter

alleen een duurzame oplossing als agrariërs niet meer

mest toedienen dan door het gewas kan worden

opgenomen (evenwichtsbemesting). Overigens kan

door peilgestuurde drainage de stikstofbelasting juist

toenemen. Deze maatregel is daarom vooral zinnig voor

die oppervlaktewateren waar fosfor limiterend is voor

een verbetering van de waterkwaliteit.

Peilgestuurde drainage helpt ook om incidentele

verliezen van nutriënten door oppervlakkige afvoer tegen

te gaan (zie hierna). Het omzetten van conventionele in

peilgestuurde drainage kan helpen verdroging in

omliggende natuurgebieden tegen te gaan, omdat de

omgevingspeilen hoger kunnen worden ingesteld.

Met peilgestuurde drainage kunnen boeren namelijk de

grondwaterstanden op hun perceel verlagen als dat nodig

is. Daarentegen kan het aanleggen van drainage op

gronden die nu niet zijn gedraineerd, juist leiden tot meer

verdroging in omliggende gebieden (Stowa 2015); dit

moet worden meegenomen in de afweging.

De kosten voor het aanleggen van peilgestuurde drainage

zijn ongeveer 750 euro per hectare per jaar (Noij et al.

2008). Hierbij past wel de kanttekening dat peilgestuurde

6 Hoe verder naar 2021? | 47


ZES

Figuur 6.1

Maatregelen ter vermindering van fosfaatuitspoeling naar oppervlaktewater en

bijbehorende reductie

Meest effectieve maatregel

Mogelijke reductie fosfaatuitspoeling ten

opzichte van uitspoeling 2014

Uitmijnen

Peilgestuurde drainage

Bodemverbetering

pbl.nl

%

Minder dan 25

25 – 50

50 – 75

Bron: Alterra

75 – 100

De regionale situatie bepaalt welke maatregel het meest effectief is om de belasting met fosfaat te verminderen. Als de meest effectieve maatregel wordt

gekozen, kan de belasting van het oppervlaktewater met 10 tot 60 procent afnemen.

pbl.nl

drainage ook baten door beter waterbeheer met zich

brengt. Als deze maatregel wordt toegepast in alle

gebieden waar deze als het meest effectief uit de analyse

komt (figuur 6.1), kost dit ongeveer 450 miljoen euro

per jaar.

Uitmijnen van fosfaat in hoog-Nederland

In hoog-Nederland kunnen agrariërs de fosfaatuitspoeling

met 20 tot 60 procent terugbrengen door

fosfaat uit te mijnen (Van der Salm et al. 2015). ‘Uitmijnen

betekent in dit geval: geen dierlijke mest, alleen kunstmest

voor stikstofbemesting en zoveel mogelijk fosfaat

met het gewas afvoeren, tot een fosfaattoestand in de

bodem wordt bereikt die volgens een goede landbouwpraktijk

als ‘voldoende’ wordt beschouwd. Overigens

voorziet het mestbeleid hier deels al in doordat op

gronden met een hoge fosfaattoestand minder fosfaat

mag worden aangewend. De ‘uitmijnmaatregel’ zoals

in deze analyse toegepast, gaat echter verder: geen

fosfaatbemesting én actief afvoeren van fosfaat met

het gewas.

Agrariërs hoeven deze maatregel alleen toe te passen op

die delen van het perceel waar directe af- en uitspoeling

naar het oppervlaktewater plaatsvindt. In hoog-

Nederland is dat in een strook van minder dan 5 meter

breed langs de watergangen. Dit komt neer op ongeveer

5 tot 10 procent van het perceel. Binnen de termijnen van

de KRW is met deze maatregel nog een significante

vermindering van de belasting te bereiken: als nu wordt

begonnen met uitmijnen, kan in 2027 op de helft van de

landbouwgronden de fosfaattoestand ‘voldoende

worden bereikt (figuur 6.2). Door de maatregel neemt het

mestoverschot wel toe: agrariërs zullen meer mest

moeten afvoeren of verwerken.

Het toepassen van deze maatregel kost 100 tot 200 euro

per hectare per jaar (Noij et al. 2008). Als de maatregel

zou worden toegepast in alle gebieden waar deze als het

meest effectief uit de analyse komt (figuur 6.1), bedragen

de kosten naar schatting 100 tot 200 miljoen euro

per jaar.

Tegengaan van incidentele verliezen

Door afvoer via het maaiveld (oppervlakkige afvoer) kan

een aanzienlijk deel van de nutriënten in de toegediende

mest in het oppervlaktewater terechtkomen. Ook in

vlakke gebieden in Nederland gebeurt dit. Onderzoek

laat zien dat op een zware kleigrond na bemesting in

een natte periode in één enkele week 65 procent van

de totale jaarlijkse stikstofafvoer en 85 procent van de

totale jaarlijkse fosfaatafvoer plaatsvond (Noij et al.

2006; Van der Salm et al. 2006). Dit is niet alleen nadelig

voor het oppervlaktewater, maar kost de agrariër ook

geld, zeker als naast dierlijke mest ook kunstmest is

gebruikt, waarvoor wel is betaald maar die op deze wijze

48 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


ZES

Figuur 6.2

Effect van uitmijnen van fosfaat op landbouwgronden, 2014

100

80

% landbouwgronden (cumulatief)

Landbouwgronden met

fosfaattoestand voldoende

Eindjaar Kaderrichtlijn Water

60

40

20

0

pbl.nl

0 20 40 60 80 100 120

jaar

Bron: Alterra 2015

Door het uitmijnen van fosfaat kan in 2027 op de helft van de landbouwgronden de fosfaattoestand ‘voldoende’ worden bereikt.

nauwelijks bijdraagt aan een hogere opbrengst. Het is

daarom belangrijk om dergelijke zogenoemde incidentele

verliezen tegen te gaan.

Incidentele verliezen kunnen op verschillende manieren

worden tegengegaan (Massop & Noij 2012). Een methode

is het verbeteren van de bodemstructuur. De bodem

houdt dan beter water vast, waardoor minder water

oppervlakkig afstroomt. Een verbeterde bodemstructuur

leidt ook tot een efficiëntere nutriëntenbenutting door

het gewas, waardoor minder verliezen optreden en de

uit- en afspoeling afnemen (Schipper et al. 2015). In een

aantal gebieden in Nederland is bodemverbetering zelfs

de meest effectieve maatregel om de fosfaatuitspoeling

naar het oppervlaktewater te verminderen (figuur 6.1).

Incidentele verliezen kunnen ook worden tegengegaan

via peilgestuurde drainage (zie hiervoor). Ten slotte

kunnen incidentele verliezen worden verminderd door

niet te bemesten als er veel neerslag wordt voorspeld

(Assinck & Van der Salm 2012). Dit vergt overigens wel

een grotere mestopslagcapaciteit.

Tegengaan van bemesting boven de wettelijke

gebruiksnorm

Volgens informatie van het CBS werd in 2013 in veel

gebieden in Nederland meer fosfaat en stikstof

aangewend dan volgens de wettelijke gebruiksnormen

zou mogen (figuur 6.3).

De onderliggende cijfers over de productie en het

transport van mest bevatten onzekerheden en

onnauwkeurigheden, maar de hoge percentages (tot

meer dan 200 procent op gemeenteniveau) suggereren

dat een aantal agrariërs daadwerkelijk meer mest

toedient dan is toegestaan. Door bemesting boven de

wettelijke norm wordt zowel het grond- als het oppervlaktewater

overmatig belast, wat het moeilijker maakt

om de doelen van de KRW en de Nitraatrichtlijn te halen.

De nitraatconcentratie in het ondiepe grondwater in de

zandgebieden neemt namelijk toe met 0,5 milligram per

liter/per kilo per hecare stikstofoverschot (zie Fraters

et al. 2015). Het is dus relevant voor het beleid om te

onderzoeken in hoeverre agrariërs boven de wettelijke

gebruiksnormen bemesten, en zo ja, of dit door betere

handhaving kan worden tegengegaan.

6.2.2 Vermindering van de belasting met

gewasbeschermingsmiddelen

Telers kunnen met emissiereducerende maatregelen

(bijvoorbeeld driftreductie en bredere teeltvrije zones)

en het gebruiken van minder milieubelastende

stoffen de belasting van het oppervlaktewater met

gewasbeschermingsmiddelen verder verminderen

(figuur 6.4). Maatregelen uit de categorie geïntegreerde

gewasbescherming (preventie, teelttechniek, monitoring

en niet-chemische methoden) zijn hiervoor in de meeste

gevallen minder effectief dan maatregelen gericht op de

voor waterorganismen meest toxische stoffen. Overigens

draagt geïntegreerde gewasbescherming wel bij aan

het doel om de gewasbescherming te verduurzamen.

Zo nemen voor 40 procent van de mogelijke maatregelen

de kosten voor gewasbescherming af omdat minder

beschermingsmiddelen nodig zijn (Van Eerdt et al. 2014).

Telers passen veel maatregelen daarom nu al vrijwillig toe

(PBL 2012b).

De voor het verbeteren van de waterkwaliteit meest

effectieve maatregelen zijn echter meestal duur; telers

6 Hoe verder naar 2021? | 49


ZES

Figuur 6.3

Benutting stikstof en fosfaat, 2013

Stikstof

Fosfaat

Benuttingsgraad (%)

Minder dan 50

50 – 75

75 – 100

pbl.nl

100 – 125

125 – 150

Meer dan 150

Geen gegevens

pbl.nl

Bron: CBS Statline

In veel gemeenten lijken agrariërs in 2013 meer fosfaat en stikstof te hebben aangewend dan wettelijk was toegestaan.

passen deze maatregelen daarom zelden vrijwillig toe.

De aanvullende verplichte reductiemaatregelen uit de

nota Gezonde groei, duurzame oogst zullen de haalbaarheid

van de waterkwaliteitsdoelen dichterbij brengen. Het is

hierbij wel van belang om een stofgerichte benadering te

kiezen, dat wil zeggen gericht op de specifieke stoffen die

problemen veroorzaken. Voor deze stoffen kunnen aanvullende

maatregelen worden genomen, bijvoorbeeld

door deze alleen toe te staan als een extra teeltvrije zone

in acht wordt genomen, of als technieken worden

gebruikt die de drift verder reduceren (Tiktak et al. 2012).

6.2.3 Inrichting- en beheermaatregelen

Naar verwachting zal in 2027 ruim 50 procent van

de waterlichamen voldoen aan de normen voor

stikstof en fosfor (paragraaf 5.1). Als ook de specifiek

verontreinigende stoffen op orde zijn, kunnen

water beheerders er met extra inrichtings- en

beheer maatregelen voor zorgen dat in deze waterlichamen

aan alle randvoorwaarden voor een goede

ecologische toestand wordt voldaan (PBL 2008, 2012a).

De belangrijkste maatregelen die kunnen worden

genomen, zijn:

• het aanpassen van het peilbeheer voor een natuurlijkere

hydrologie;

• het herstellen van beken;

• een natuurvriendelijke inrichting en beheer van

oevers.

6.3 Van polderen naar participeren

De KRW is een van de eerste kaderrichtlijnen die een

resultaatverplichting inhouden. Daarnaast wordt met

de KRW een verandering in de aanpak beoogd om het

resultaat te bereiken: een meer deliberatieve aanpak,

die meer gedecentraliseerd wordt ingevuld en waar

inspraak van stakeholders meer ruimte krijgt (Behagel

2012; Page & Kaika 2003). Deze veranderingen in de

aanpak hebben in de implementatie van de KRW hun

beslag gekregen. Zo is in Nederland per stroomgebied

een Regionaal Ambtelijk Overleg (RAO) gecreëerd,

waarbij de waterschappen het voortouw nemen. Dit past

in de bestuurscultuur in Nederland die kan worden

getypeerd als corporatisme, oftewel het poldermodel

(Vink et al. 2015). In dat model is sprake van regelmatige

en geïnstitutionaliseerde betrokkenheid van een

beperkte groep stakeholders. Het nadeel daarvan

is een hoge toegangsdrempel voor stakeholders die

niet aan tafel zitten. Tijdens de implementatie van de

KRW domineerden de gevestigde belangen van de

landbouwsector en werkgevers het discours (Behagel

& Turnhout 2011). Zij vonden dat landbouwbedrijven

in Nederland niet opgesloten mochten raken in

strenge wetgeving voor waterkwaliteit. Uiteindelijk

resulteerde dit in de motie van Tweede Kamerlid

Van der Vlies (2009), die stelde dat er geen extra kosten

voor de landbouw mogen volgen uit het KRW-beleid.

50 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


ZES

Figuur 6.4

Potentiële reductie van milieubelasting door gewasbeschermingsmaatregelen

Akkerbouwgewassen

Tuinbouwgewassen

Boomteelt

Preventie

Teelttechniek

Monitoring

Niet-chemische methoden

Chemische methoden

-

Minder belastende stoffen

Driftreductie

Teeltvrije zones

pbl.nl

pbl.nl

-

-

pbl.nl

-20 0 20 40 60 80 100

Reductie t.o.v. referentie (%)

-20 0 20 40 60 80 100

Reductie t.o.v. referentie (%)

-20 0 20 40 60 80 100

Reductie t.o.v. referentie (%)

-

Mediaan

Niet beschikbaar

Bandbreedte

Bron: PBL 2013

Telers kunnen met emissiereducerende maatregelen en het gebruiken van minder milieubelastende stoffen de meeste milieuwinst halen.

De nieuwe stroomgebiedbeheerplannen bevatten

dan ook nauwelijks maatregelen om de emissies uit

landbouwgronden te verminderen.

Om de doelen van de KRW te halen, is meer integratie

van beleidsterreinen en samenwerking tussen de

verantwoordelijke departementen noodzakelijk (Junier &

Mostert 2011; hoofdstuk 4 van dit rapport). Het Koninklijk

Nederlands Waternetwerk (KNW) noemt als mogelijke

oplossing het instellen van een ‘waterkwaliteitsregisseur’,

die departementsoverstijgend kan werken. Daarnaast

lijkt een meer gelijkwaardig participatief proces

(deliberatie) de weg naar succes en efficiënte inzet van

middelen (OECD 2015). Meer participatie leidt tot het

binnenhalen van nieuwe zienswijzen, hetgeen weer leidt

tot onderhandeling en actie. De bestaande structuren

worden op deze manier uitgedaagd om nieuwe meerderheden

te creëren die willen samenwerken om KRWdoelen

te halen. Eenvoudig is dat echter niet, want de

belangen die op het spel staan zijn groot, juist ook bij

geïnstitutionaliseerde partijen als de landbouwsector.

De koppeling die de Europese Commissie aanlegt tussen

de Nitraatrichtlijn en de KRW biedt evenwel kansen om

de belangen van waterbeheerders en de landbouwsector

op één lijn te krijgen en tegenstellingen te overbruggen.

Het verdient daarom aanbeveling om in stakeholderbijeenkomsten

alle relevante partijen uit te nodigen en

niet alleen de geïnstitutionaliseerde.

Het goede nieuws is dat de eerste stappen van een

dergelijk proces zichtbaar zijn. In mei 2015 werd de

bestuurlijke conferentie ‘Voldoende en Schoon Water’

georganiseerd, waar een grote groep stakeholders

aanwezig was. Deze conferentie heeft de Verklaring van

Amersfoort opgeleverd, die erop lijkt te wijzen dat

betrokken partijen naar elkaar toe groeien. Ook wordt in

deze verklaring integratie van het mestbeleid en het

waterkwaliteitsbeleid genoemd als sleutelfactor voor het

verbeteren van de waterkwaliteit. Een krachtige

coördinatie door het Rijk blijft daarbij noodzakelijk, al

was het alleen maar omdat het Rijk verantwoording

verschuldigd is aan de Europese Commissie.

6 Hoe verder naar 2021? | 51


Literatuur

Assinck F.B.T. & C. van der Salm (2012), Oppervlakkige

afspoeling op landbouwgronden. Alterra-rapport 2271.

Wageningen: Alterra.

Behagel, J. H. (2012), The politics of democratic governance,

the implementation of the Water Framework Directive in the

Netherlands. PhD thesis, Wageningen: Wageningen

University.

Behagel, J. & E. Turnhout (2011), ‘Democratic Legitimacy

in the Implementation of the Water Framework

Directive in the Netherlands: Towards Participatory and

Deliberative Norms?’, Journal of Environmental Policy &

Planning 13 (3): 297-316.

CBS, PBL & Wageningen UR (2015), Zuivering van

stedelijk afvalwater: stikstof en fosfor, 1981-2013

(indicator 0152, versie 17, 18 maart 2015). www.

compendiumvoordeleefomgeving.nl. Den Haag: CBS

en Planbureau voor de Leefomgeving/Wageningen:

Wageningen UR.

Claessens, J., W. Verweij, S. Lukacs & A.C.M. de Nijs

(2014), Kwaliteitsstandaarden voor interactie grondwater met

terrestrische ecosystemen. RIVM-rapport 607402010/2014.

Bilthoven: RIVM.

CML & WVL (2014), www.bestrijdingsmiddelenatlas.

nl, versie: 13 januari 2015. Universiteit Leiden (CML)

en Rijkswaterstaat-WVL, download datum april 2015.

Leiden: CML/WVL.

Deltares (2015), Reductiepercentages buitenlandse aanvoer

ten behoeve van Ex Ante evaluatie SGBP2. Intern memo,

november 2015. Utrecht: Deltares.

Duijnhoven, N. van, J. Klein, J. Rozemeijer & S. Loos

(2015), Toestand- en trendanalyse voor nutriënten op KRWmeetlocaties.

Deltares rapport 1220098-015. Utrecht:

Deltares.

EEA (2014), Bathing Water Directive report 2013 -

The Netherlands. Luxembourg: European Environment

Agency.

Eerdt, M. van, J. Spruijt, E. van der Wal, H. van Zeijts &

A. Tiktak (2014), ‘Costs and effectiveness of on-farm

measures to reduce aquatic risks from pesticides in

the Netherlands’, Pest Management Science 70 (12):

1840-1849.

EFSA (2013), ‘Guidance on tiered risk assessment for plant

protection products for aquatic organisms in edge-offield

surface waters’, EFSA Journal 11 (7): 3290 [268 pp.].

EU (2013), Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement

en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn

2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire

stoffen op het gebied van het waterbeleid.

EU (2015), Guidance document on tiered risk assessment for

plant protection products for aquatic organisms in edgeof-field

surface waters in the context of regulation.(EC)

No 1107/2009. SANTE-2015-00080, 15 January 2015.

EZ (2013), Gezonde groei, duurzame oogst. Tweede nota

duurzame gewasbescherming, periode 2013 tot 2023.

Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.

EZ (2014a), Plattelandsontwikkelingsprogramma voor

Nederland 2014-2020 (POP3). Versie 1, 2. Den Haag:

Ministerie van Economische Zaken.

EZ (2014b), ‘Invulling Plattelandsontwikkelingsprogramma

2014-2020’. Brief van de Staatssecretaris

van Economische Zaken aan de Tweede Kamer

dd. 2 april 2014.

EZ (2015), ‘Uw brief over GLB, vergroening en agrarisch

natuurbeheer’. Brief van de Staatssecretaris van

Economische Zaken aan Noardlike Fryske Wâlden

dd. 28 januari 2015.

Fraters, F., T. van Leeuwen, L. Boumans & J. Reijs

(2015), ‘Use of long-term monitoring data to derive

a relationship between nitrogen surplus and nitrate

leaching for grassland and arable land on well-drained

sandy soils in the Netherlands’, Acta Agriculturae

Scandinavica, Section B—Soil & Plant Science 65(sup2),

144-154.

Grinsven, H. van (2015), ‘Quick scan gevolgen van

afschaffing melkquotum’, achtergronddocument bij

nieuwsbericht 1 april 2015, Den Haag: Planbureau voor

de Leefomgeving.

Groenendijk, P., L. Renaud, H. Luesink, P.W. Blokland &

T. de Koeijer (2015), Gevolgen van mestnormen volgens het

5de Actieprogramma voor nitraat en N- en P-belasting van

het oppervlaktewater. Alterra rapport 2647. Wageningen:

Alterra.

HDSR (2014), Achtergronddocument KRW-maatregelen

2016-2021; Onderbouwing en effectbeschrijving van KRWmaatregelen

in het stroomgebied van de Stichtse Rijnlanden.

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Hoeben, C. (2014), ‘Reparatie Waterschapswet verhoogt

lasten huishoudens’, Weekblad fiscaal recht 7040: 347‐351.

Hokken, M., R. Torenbeek & J. Wannink (2012), ‘KRWmaatregelen:

zijn er al resultaten?’, H2O 7, 30 maart

2012.

52 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


IenM (2011a), Gebruikerstevredenheidsonderzoek recreatievaart

2011; Landelijk rapport. Den Haag: Ministerie van

Infrastructuur en Milieu.

IenM (2011b), Bestuursakkoord Water. Den Haag: Ministerie

van Infrastructuur en Milieu, Unie van Waterschappen,

IPO, Vewin, VNG.

IenM (2014a), Ontwerp-stroomgebiedbeheerplan Rijn 2016-

2021. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

IenM (2014b), Ontwerp-stroomgebiedbeheerplan Maas 2016-

2021. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

IenM (2014c), Ontwerp-stroomgebiedbeheerplan Schelde 2016-

2021. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

IenM (2014d), Ontwerp-stroomgebiedbeheerplan Eems 2016-

2021. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

IenM (2014e), ‘Waterkwaliteit’, brief van de minister

van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer

dd. 2 juni 2014. Den Haag: Ministerie van Infrastructuur

en Milieu.

Junier, S. & E. Mostert (2011), Insufficient integration between

sectors hinders reaching WFD objectives in The Netherlands.

25th ICID European Regional Conference, Integrated

Water Management for Multiple Land Use in Flat

Coastal Areas. Groningen, ICID: 11.

Klein J. & J. Rozemeijer (2015), Meetnet Nutriënten Landbouw

Specifiek Oppervlaktewater. Tussenrapportage: update t/m

2013. Deltares rapport 1220098-007. Utrecht: Deltares.

Koeijer, T.J. de & H.H. Luesink (2015), Effect 5e Nitraat

Actie Programma op de bodembelasting; Berekening

bodembelasting voor berekening van de waterkwaliteit. LEI

Nota 2015-064. Wageningen: LEI Wageningen UR.

Kroes, M.J., H. Wanningen, P. van Puijenbroek & N. Breve

(2015), Nederland leeft met vismigratie. Actualisatie landelijke

database vismigratie. In opdracht van Sportvisserij

Nederland, IMARES, Planbureau voor de Leefomgeving.

Lange W.J. de, G.F. Prinsen, J.C. Hoogewoud,

A.A. Veldhuizen, J. Verkaik, G.H.P. Oude Essink, P.E.V.

van Walsum, J.R. Delsman, J.C. Hunink, H.Th.L. Massop

& T. Kroon (2014), ‘An operational, multi-scale, multimodel

system for consensus-based integrated water

management and policy analysis: The Netherlands

Hydrological Instrument’, Environmental Modelling &

Software 59: 98-108.

Loeb, R. & P.F.M. Verdonschot (2009), Complexiteit van

nutriëntenlimitaties in oppervlaktewateren. Uitgever

Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu/ PBL.

LTO Nederland (2013), Deltaplan Agrarisch Waterbeheer,

Den Haag: LTO.

Massop, H.T.L. & I.G.A.M. Noij (2012), Oppervlakkige

afspoeling op landbouwgronden. Maatregelen op

bedrijfsniveau. Alterra-rapport 2272. Wageningen:

Alterra.

Massop, H.T.L., J. Clement & C. Schuiling (2014), Plassen op

het land. Een landsdekkende kaart van potentiële risicolocaties

voor oppervlakkige afspoeling. Alterra-rapport 2546.

Wageningen: Alterra.

Noij, I.G.A.M., P.J.T. van Bakel, R.A. Smidt, H.T.L. Massop

& W.J. Chardon (2006), Fosfaatpilot Noord- en Midden

Limburg. Plan van aanpak en monitoring. Alterra-rapport

1255. Wageningen: Alterra.

Noij, G.J., W. Corre, E.M.P.M. van Boekel, H.P. Oosterom,

J.C. van Middelkoop, W. van Dijk, O. Clevering, L.V.

Renaud & P.J.T. van Bakel (2008), Kosteneffectiviteit van

alternatieve maatregelen voor bufferstroken in Nederland.

Alterra-rapport 1618. Wageningen: Alterra.

OECD (2015), Stakeholder engagement for inclusive water

governance. OECD Studies on Water. Paris: OECD.

Page, B. & M. Kaika (2003), ‘The EU Water Framework

Directive: part 2. Policy innovation and the shifting

choreography of governance’, European Environment 13

(6): 328-343.

PBL (2008), Kwaliteit voor later. Ex ante evaluatie Kaderrichtlijn

Water. Den Haag/Bilthoven: Planbureau voor de

Leefomgeving.

PBL (2009), Natuurbalans 2009. Den Haag/Bilthoven:

Planbureau voor de Leefomgeving.

PBL (2012a), Kwaliteit voor later 2. Evaluatie van het

waterkwaliteitsbeleid. Den Haag: Planbureau voor de

Leefomgeving.

PBL (2012b), Evaluatie van de nota Duurzame

gewasbescherming. Den Haag: Planbureau voor de

Leefomgeving.

PBL (2013), Vergroenen en verdienen. Op zoek naar kansen voor

de Nederlandse economie. Den Haag: Planbureau voor de

Leefomgeving.

PBL (2014), Waterkwaliteit en -veiligheid. Balans van de

Leefomgeving 2014, deel 6. Den Haag: Planbureau voor de

Leefomgeving.

Regiegroep Natura 2000 (2013), Voortgangsrapportages

Beheerplannen, 5 februari 2013.

Roovaart, J. van den, E. Meijers, R. Smit, P. Cleij,

F. van Gaalen & S. Witteveen (2012), Landelijke pilot

KRW-Verkenner 2.0; Effecten van beleidsscenario’s op de

nutriëntenkwaliteit. Rapport 1205716-000. Utrecht:

Deltares.

Rougoor, C., H. van Grinsven & J. van Dam (2015),

Fosfaatrechten voor melkvee. Een quickscan naar hun effecten

op de leefomgeving en de sector. Den Haag: Planbureau

voor de Leefomgeving.

Royal HaskoningDHV (2013). Verbetering kennisregeles

ecologische effecten ten behoeve van de KRW-verkenner.

Royal HaskoningDHV rapport BC8148. Amersfoort:

RoyalHaskoning.

Royal HaskoningDHV (2014), Grondwaterlichamen

Rijn-Noord. Ambtelijk technische achtergrondrapport.

Eindrapport 24 november 2014. Amersfoort:

RoyasHaskoningDHV.

Salm, C. Van der, L.J.M. Boumans, D.J. Brus, B. Kempen

& T.C. van Leeuwen (2011). Validatie van het

nutriëntenemissiemodel STONE met meetgegevens uit het

Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) en de Landelijke

Literatuur | 53


Steekproef Kaarteenheden (LSK). Wot-werkdocument 228.

Wageningen: Wettelijke Onderzoekstaken Natuur &

Milieu.

Salm, C. van der, J. Dolfing, J.W. van Groenigen,

M. Heinen, G.F. Koopmans, J. Oenema, M. Pleijter

& A. van den Toorn (2006), Diffuse belasting van het

oppervlaktewater met nutriënten vanuit grasland op een

zware kleigrond. Monitoring van nutriëntenemissies op een

melkveehouderijbedrijf in Waardenburg. Alterra-rapport

1266. Wageningen: Alterra.

Salm, C. van der, P. Groenendijk, R. Hendriks, L. Renaud

& H. Massop (2015), Opties voor benutten van de bodem

voor schoon oppervlaktewater. Alterra-rapport 2588.

Wageningen: Alterra.

Schipper, P., P. Groenendijk, N. van Eekeren, M. van

Zanen, J. Rozemeier, G. Jansen & B. Swart (2015), Goede

grond voor een duurzaam watersysteem. Stowa-rapport

2015-19, Amersfoort: Stowa.

Schoumans, O.F., C. van der Salm & P. Groenendijk (2013),

‘PLEASE: A simple model to determine P losses by

leaching’, Soil Use and Management 29: 138-146.

Schoumans, O.F., W.J. Chardon, M.E. Bechmann,

C. Gascuel-Odoux, G. Hofman, B. Kronvang,

G.H. Rubaek, B. Ulén & J.-M. Dorioz (2014), ‘Mitigation

options to reduce phosphorus losses from the

agricultural sector and improve surface water quality:

A review’, Science of the Total Environment 468-469:

1255-1266.

Stowa (2013), Handleiding doelafleiding overige wateren.

Stowa-rapport 2013-20. Amersfoort: Stowa.

Stowa (2015), Deltafact regelbare drainage. Beschikbaar

via http://deltaproof.stowa.nl/Publicaties/deltafact/

Regelbare_drainage.aspx?pId=1, download datum mei

2015.

Tiktak, A., P.I. Adriaanse, J.J.T.I Boesten, C. van

Griethuysen, M.M.S. ter Horst, J.B.J.H. Linders,

A.M.A. van der Linden & J.C. van de Zande (2012),

Scenarios for exposure of aquatic organisms to plant protection

products in the Netherlands: Part 1: Field crops and downward

spraying. RIVM Report 607407002. Bilthoven: RIVM.

Versteegh, J.F.M. & H.H.J. Dik (2012), De kwaliteit van het

drinkwater in Nederland in 2010. RIVM-rapport 703719081.

Bilthoven: RIVM.

Vink, M., D. Benson, et al. (2015), ‘Do state traditions

matter? Comparing deliberative governance initiatives

for climate change adaptation in Dutch corporatism

and Britisch pluralism’, Journal of Water and Climate

Change 6 (1).

VROM/V&W (1996), ‘Lozingenbesluit Wvo Stedelijk

afvalwater’, Staatsblad 140. Den Haag.

Wereld Natuur Fonds (2015), Living Planet Report; Natuur in

Nederland. Zeist: WNF.

Witteveen+Bos (2015), Update Ecologische modellen KRWverkenner.

Witteveen+Bos rapport GV1201-1/15-002.589.

Deventer: Witteveen+Bos.

Woestenburg, M. & D. van Tol-Leenders (2011), Sturen

op schoon water. Eindrapportage project Monitoring

Stroomgebieden. Wageningen/Utrecht: Alterra/Deltares.

Wolf, J., A.H.W. Beusen, P. Groenendijk, T. Kroon,

R.P. Rötter & H. van Zeijts (2003), ‘The integrated

modelling system STONE for calculating nutrient

emissions from agriculture in the Netherlands’,

Environmental Modelling & Software 18: 597-617.

Wortelboer, R., C. Chrzanowski, G. Roskam, R. Noordhuis

& T. Vriese (2015), Effect van maatregelen BPRW-2 voor de

KRW. Vergelijking van berekeningswijzen. Deltares-rapport,

concept. Utrecht: Deltares.

Wuijts, S., C.I. Bak-Esberg, E.H. van Velzen & N.G.F.M. van

der Aa (2012), Effecten klimaatontwikkeling op de waterkwaliteit

bij innamepunten voor drinkwater: Analyse van

stofberekeningen. RIVM-rapport 609716004. Bilthoven:

RIVM.

54 | Waterkwaliteit nu en in de toekomst


Planbureau voor de Leefomgeving

Postadres

Postbus 30314

2500 GH Den Haag

Bezoekadres

Oranjebuitensingel 6

2511 VE Den Haag

T +31 (0)70 3288700

www.pbl.nl

@leefomgeving

Januari 2016

More magazines by this user
Similar magazines