Erfgooierskwestie

hkloosdrecht

l)e Erfgooiers-quaestie

--- ----------------------

- ----

Ilaar bcteekenis en verloop in den laatsten tijd,

l)oor het Xoofdbestuur der 6erechtig~


den tot de gemeene Xeiden en Weiden

van 6ooiland. • • - - - ~ - - - - -


De Erfgooiers~quaestie.

Haar beteekenis en v erloop 1n

den laatsten tijd.

DOOR

Xef Xoofd6esfuur der Berecfzfigden

fof de

gemeene Xeiden en Weiden van Booi!and.

,---~-.

U ITGEVERS :

G EBR. KLENE, HILVERSUM.


De titel dezes wekt de herinnering aan een stukje oudheid,

van patriarchalen eenvoud en broederschap, toen uitgestrekte

stukken gronds tusschen een groot aantal personen

in het gemeen Werden bezeten.

De gemeenschap ,de Gemeene Heiden en Weiden van

Gooiland" dateert namelijk waarschijnl~jk reeds van v66r

968 (verg. A. Perk, Verslag omtrent den oorsprong en den

aard der gebruiksrechten op de heiden en weiden in Gooiland,

pag. 2 v.v.); reeds vroeger echt.er verkeerde de broederzin

in familietwist en gaf dat gemeenschappelijk bezit

aanleiding tot geschillen. Zoo werd bij Arrest van het Hof

van Holland van 14 April 1469 eene beslissing over den

eigendom der gronden gegeven (verg. Mr. Frank K. van

Lennep, Bijdrage tot de kennis van den Rechtstoestand der

Erfgooiers, De Bussy 1903, ;pag. 1 v.v.). Andere verschillen

volgden. In 1836 en 1843 werd eene regeling getroffen,

tusschen het Kro


4

niet ingenomen, omdat niet zij, doch alleen de gemeentebesturen

in dat beheer werden gekend; zij voo~zagen het

gevaar, dat die ,Vergadering', ook al stelde zijl zich doorgaans

op het standpunt dat zij v.oor de erfgooiers beheer

voerde, op zekeren dag zoude veJrklaren niet voor de .erfgooiers,

maar voor de Gooische gemeenten te beheeren,

welke gemeenten, als gezegd, aUe personen tot die ,Vergadering"

afvaardigden. Daar nu de besturen dier Gooische

gemeenten bij het benoemen dier ,Vergadering" zich nimmer

hadden gedragen naar de voorschriften der Gemeentewet

van 1851, de gemeente Laren aan de handelingen dier

,Vergadering" geen deel meer nam, omdat deze tot de

erkentenis was gekomen daartoe geene bevoegdheid te

hebben, en omdat eindelijk in elk geval' de erfgooiers ten

allen tijde de bevoegdheid meenden te hebben oi:n een

privaatrechtelijk beheer, dour derden voor hen gevoerd,

weder te doen eindigen, zegden de erfgooiers in 1900 alle

gehoorzaamheid aan die ,VergadeJring" op en verkozen zij

in 1903 hun eigen bestuur, onder den naam van ,Hoofdbestuur

der Gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden

van Gooiland". Vandaar een str.ijd tusschen de ,V,eJrgadering",

die zich het beheer niet wilde laten ontglippen, en

het ,Hoofdbestuur", hetwelk dat beheer voortaan volgens

het verkregen mandaat had te voeren.

Deze strijd werd dus, bhjkcns het voo.rgaande, gestreden

tusschen de gemeentebesturen - die de ,Vergadering"

samenstelden - eenerzijds en de erfgooiers - die het Hoofdbestuur

in het leven riepen - anderzijds. De gevolgen van

deze partijscha:keer.ing zijn niet moeilijk te raden: de erfgooiers

stonden dus eigenlijk op tegen ,Het Gezag", zij

waren revolutionairen, en al wat ,Gezag" droeg keerde zich

aanvankelijk tegen hen, Twee malen werd beproefd de

quaestie door strafvervolgingen op te lossen: beide malen

werd het veroordedend vonnis in hoogere instantie geschorst,

omdat de strafrechter zich niet geroepen achtte de

civiele quaestie uit te maken; eene derde strafvervolging van

dien aard is desondanks begonnen en thans pog hangende.

Wij' zeiden boven ,aanvankelijk", omdat ook bijr vele magistraats'personen

thans de overtuiging bli.jkt veld te winnen,

dat de erfgoo.iers, die opkomen voo-r hetgeen zij' hun goed

recht achten, althans opr gelijke sympathie aanspraak kunnen

maken als de gemeentebesturen, ook al zijn deze drager.s


5

van gezag. Want sommige der gemeentebesturen maken

bovendien een onjuist gebruik van dat gezag, met name

van hunne politiebevoegdheid. Zij passen dan namelijk in

deze het volgende systeem toe: wij·, gemeenten hebben een

geschil met de erfgooiers: bij het bestaan van dat geschil,

en de daardoor veroorzaa:kte gisting, bestaat in ons gemoed

gegronde vrees voor v·erstoring der open bare orde: onze

politie moet voor die orde zorgen en doet dat dus in dien

zin, dat ziJ onze aan5praken handhaaft en die van de erfgooiers

verijdelt. Aldus deed voor het eerst de Burge·rn!eester

van Blaricum in Mei 1903, met het bekende noodlottige

gevolg. Daardoor niet geleerd, volgde hij' in Mei 1904 denzelfden

weg, en de gerneente Hilversum volgde hem onlangs

daarin.

Toch schijnt nog niet algemeen de overtuiging te bestaan,

dat de drager van eenig openbaar gezag, die hetzelve gebruikt

voor privaatrechteliJke belangen, voor de wet geJijk

staat en dus dient te worden behandeld op den voet van

gelijkheid met elk ander overtreder daarvan. Eenig misdrijf

verafschuwen allen, machtsmisbruik vergoelijken velen.

Maar een gezag, dat zich aileen nog op detze wij~e kan

handhaven, schijnt zijn einde nabij:; mogelijk kunnei!1J deze

regelen er toe bijdragen dat te bespoedigen: want rnisbruiken

zijn als slechte uitwassen, welke aileen in het verborgen

kunnen tieren; zij mijden het felle zonlicht en

sterven daarbij af.

Hier wordt dus gestreefd naar een uiteenzetting van de

erfgooiersquaestie, zoo mogelijk objectief, uit 'den mond der

erfgooiers zelven, die zich onder het Hoofdbestuur der

gerechtigden tot de gerneene heiden en weiden van Gooiland

hebben geschaard. Voorzoover die quaestie zich in de

historie verliest, moge met eene korte vermelding daarvan

worden volstaan, want doe! van dit geschrift is het verschil

te omlijnen, gelijk het heqen ten dage bestaat; de argumenten

aan den huidigen .toestand en de huidige wet ontleend,

treden daarbij sterk op den voorgrond; van eene

eenigszins uitvoeriger historische schets, welke bovendien de

grenzen en het plan dezes zouden overschrijden, kon zoodoende

worden afgezien.


6

I. DE TO EST AND TOT 1903.

De ,Gerneene Heiden en Weiden van GooiLand" zijn

uitgestrekte stukken grond, gelegen onder de gerneenten

Blaricurn, Buss urn, Hilversurn, Huizen, Laren en N aarden.

Gelijk de naam reeds aanduidt, bestaan zij gedeeltelijk' uit

heiden, gedeeltelijk uit weiden; vooral deze laatsten zijn voor

de veehoudende erfgooiers van groot beLang. De gemeene

weide, Oud-Hollandsch ,rneent" genaarnd, strekt zich b.v.

onder Hilversurn uit in de richting van Ankeveen over een

afstand in de lengte van orristreeks drie kwartie10 gaans.

Drie vragen doen zich nu ten aanzien van die gr.ondoo

voor: Aan wie behoort het gebruiksrecht, de eigendorn,

het beheer? Onder deze is de vraag omtrent het gebruiksrecht

de minst betwiste. Dat gebruiksrecht, d. i. het recht

om vee te weid·en, hout te kappen, plaggen te slaan, te

jagen enz. (over den ornvang van dat gebruiksrecht bestaat

eenig verschil), behoort aan de erfgooiers. Erfgoo·iers zijn

sornmige Gooibewoners, die dat recht van ouder op ouder

hebben gehad, een soort boerenadel dus. In 1708 werden

er 1ijsten van de toen bestaande erfgooiers opgernaakt, welke

thans nog in het Rijksarchief te 's-Gravenhage berusten.

Ieder, die zij ~n afstarnrning van de op die lijst·en voorkornende

personen kan bewij'zen, moet geacht worden nog erfgooier

te zij·n. In het Gooi is echter doorgaans van algemeene

bekendheid of iernand al dan niet tot de erfgooliers behoort.

Hun juiste aantal is op dit oogenblik niet bekend, maar

schijtnt op ornstreeks twaalf honderd t·e kunnen worden

gesteld.

lets rneer betwist is de vraag aan wie de eigendom dier

gr.onden toekornt. Over den eigendom dier gronden zijn reeds

in oudc tijden pr.ocessen gevoerd. Zoo wees in 1469 het

Hof van Holland den eigendorn dier gronden aan de erfgooiers

toe. Onder den naarn van ,Arrest van den Hoogen

Raad van Mechelen van 1474" is voorts eene uitsp•raak

bekend geworden, waarbij de Hoog·e Raad van Mechelen

die beslissing van het Hof van Holland zoude heblben

vernietigd en den eig·endorn aan den Graaf van Holland

hebben t.oegewezen. Een onderzoek in de archieven te

Brussel heeft evenwel ernstigen twij'fel aan de echtheid

van deze uitspraak doen riJzen. Hoe dit zij, de verschillen

over den eigendom der gronden duurden voort, namelijk


7

tusschen den Graaf, later de Kroon, eenerzijds, en de erfgooiers

anderzijds. Om aan die verschillen een einde te

maken, werd in 1836 een vergelijk getroffen voor een

deel der gronden, hetwelk in 1843 werd aangevuld met een

vergelijk omtrent de overige gronden.

Dit vergelijk, waarop reeds hoven werd gezinspeeld, werd

aangegaan tusschen Koning Will em II eenerzijds, de V er·

gadering van Stad en Lande, optredende voor de gerechtigden

tot die gronden, anderzij:ds. Bij' dat vergelijk werden

de gronden in twee deelen of parten gescheiden: het eene

deel zoude v.oortaan in onbe~wisten eigendorn toelmmen aan

den Koning, de erfgooiers deden afstand van hun recht

van gebruik op die gronden; bet andere deel werd door

den Koning voor het vervolg in onbetwisten eigendom afgestaan

aan voormelde Gerechtigden. Vandaar dan ook dat

de besturen der gemeenten Blaricum, Bussum, Huizen, Laren

en N aarden op het stand punt staan, dat de eigendom dier

gronden niet toekomt aan de gemeenten, maar aan de

erfgo.oiers.

Aileen de gemeente Hilversum, die: de gronden voor haar

uitbreiding het meeste noodig heeft, schijnt thans nog te

beweren, dat die gronden btj voormelde scheiding van 1836

- 1843 niet aan de erfgooiers, maar aan de gemeenten zijn

toegewezen. Zij redeneert daartoe als volgt:

Bij die scheiding van 1836-1843 zijn niet de erfgooiers

zelven opgetreden, doch is opgetreden ,de V ergadering

van Stad en Lande" namens de gerechtigden. Deze gerechtigden

werden niet gevormd door een dee!. der ingezetenen

der zes Gooische gerneenten, de speciaal als ,erfgooiers"

aangeduide P'ersonen, maar inderdaad zijn aile

ingezetenen dezer gemeenten erfgooiers. Vandaar dus dat

d~e , V ergadering van Stad ·en Lande" in 1836-1843, optredende

voor de ,gerechtigden", alle ingezetenen der Gooische

gemeenten, en daardoor dus :aie burgerlijke gemeemen

zelve heeft vertegenwo.ordigd.

De gmndslag dezer J.'1edeneering, dat alle ingezetenen der

Gooische gemeen1en erfgooiers zijn, is echter historisch

onjuist en in strijd met den feitelijken t.oestand. Ook' al

moge er wellicht eenmaal een tijd zijn geweest, waarin

aile of de meeste ingezetenen dier gemeenten ook gebruiksgerechtigden

war·en - dat is moeilijk meer na te gaan

- vast staat in elk geval clat sinds eeuwen en eeuwen


8

aileen die ingezetenen als gebruiksgerechtigd werden aangemerkt,

die in de mannelijke linie afstaJmden van erfgooiers.

Zoodoende is het totaal getal algemeen erkende

erfgooiers, als gezegd, een twaalfhonderdtal, dus een zeer

kleine percentage van de GoJische bevolking.

Die redenreering van de gemeente Hilversum client dan

ook slechts om zichzelf in de plaats te steUen van de

erfgooiers; de gemeenten oordeelden ten allen tijkie, dat zij

voor de erfgooiers beheerden; aileen Hilversum is nu tot

de OIIltdekking gekornen (men vindt haar uitgewerkt in het

geschrift van Mr. F. A. Moister, De eigendom der gemeene

heiden en weiden van Gooiland, A'dam 1888) van deze wiskunstige

vergelijking: erfgooiers = alle ingezetenen der gemeente

= de gemeente Z!elve; waaruit Hilversum dan

afleidt, dat zij inderdaad altijd voor zichzelf heeft beheerd,

dat zij zelf, samen met de ;mdere gemeenten, den eigendorn

heeft, dat de z.g. erfgooiers op1 die gronden geen

meerdere rechten hebben dan de andere ingezetenen der

gemeenbe, en dat de gemeentebesturen in deze alles te

zeggen hebben.

Het was 4us waarlijk meer dan tijd dat de erfgooiers

zelf het beheer over hunne gronden ter hand namen.

Het beheer.

Het staat vast, en wordt ook door de erfg.ooiers geenszins

betwist, dat toezicht over de gemeene gronden sedert een

niet met juistheLd bekend tijdperk is gevoerd door de ,Vergadering

van Stad en Lande", waarvan 'de !eden werden

aangewezen, niet door de erfgooiers zelven, maar door de

besturen der Gooische gemeenten. Toch zijn de erfgooiers

er toe overgegaan in 1903 hun eigen bestuur uit hun

midden te kiezen, en hebben zii aan het oude bestuur de

gehoorzaamheid bij exploit opgezegd, zooals zijl overigen:s

reeds in 1900 in hunne algemeene v,ergadering in de

Groote Kerk te N aarden hadden gedaa:n.

De diepere beweegreden daarvan was, als gezegd, dat

het bestaande bestuur de duidelijike blijiken begon te geven

van meer voor zichzelv,en, d. i. voor degenen die het benoemden,

namelijk de gemeentebesturen, op te treden dan

voor de erfgooiers. Dat de g•emeene gronden Ianger doo·r

afgevaardigden van de gemeentebesturen Werden bestuurd

was dan ook langzamerhand een onmogelijke toestand ge-


9

worden. Want de erfgooiers en de gemeenten hebben tegenstrijdig

belang. De gep1eenten, speciaal Hliversum, begeeren

de gronden v.oor hun uitbreiding; als zij' die dus voor

zich moeten koopen, betal.en zij daarvoor uitteraard liefst

zoo weinig mogelijk. Hoe goedlwoper zij koopen, hoe voordeeliger

hun dat is. De erfgooiers daarentegen zijn geikant

tegen die verkoopen, zoolang zij niet zeker zijn dat de

koopprijs een behoorlij'k·e is en aan hen zal ten goede

komen, omdat ten aanmen van ver>kochte gronden hun

gebruik feitelijk v·erloren gaat.

En hoe kunnen nu de gemeenten tegelijkertijd eensdeels

beheeren voor anderen (aileen Hilversum komt er nu rond

voor uit dat het zuLk voor zichzelf doet) en verkoopen aan

een hunner? Wat zoude mei1 zeggen van een rentmeester,

die de gronden van zijn principaal onderhands voor zichzelven

aankocht? Reeds artikel 1506 Burg. Wet b. zegt toch,

dat koop door lasthebbers van zaken, met welker verkoop

zij belast waren, nietig is, en dat bewindvoerders, die zaken

voor openbare instellingen beheeren, dezelve niet onderhands

kunnen koopen. \Y at de wet hier verbiedt aan

bewmdvoerders .over o:penbare instellingen, ontzegt de moraal

aan de bewindvoerders voor de erfgooiers.

N og hoort men wel eens zeggen: De Vergadering van

Stad en Lande doet toch alles ten beste van de erfgooiers.

Als zij gronden verkoop't, en dus het gebruiksrecht der

erfgooiers inkort, wendt zij de opbrengst toch weer ten

bate der erfgooiers aan, door v·erbetering of ver~eerdering

der gronden als anderszins. Afgezien van al het

andere, blijft dan echter de vraag open: indien nu

echter de Vergadering van S. en L. zooveel verkoopt,

dat .de opbrengst niet meet voor verbetering van hct

overblijvende kan worden bestemd, zal zij' dat bedrag dan

uitkeeren aan de erfgooiers of aan de gemeentebesturen,

aan wie die Vergadering jaarlijks rekening doet? Ziedaar

eene vraag, waarover de crfgooiers zich met reden ongerust

maken, temeer nu er reeds aanvragen tot aank.:>Op

van zeer groote stukken gronds bij die Vergadering inkwamen.

Ook de gehee].e verdere houdim.g' van de , V ergadering

van Stad en Lande" wekte wantrouwen: van prubliciteit

harer handelingen was geen sprake, rekening ern verantwoordiiTlg

van haar financieel beleid werd aileen gedaan


10

aa;n de gemeentebesturen, de erfgooiers kregen daar geen

kennis van. Bovendien begonnen die rekeningen met de

jaren over buiten verhouding toenemende sommen te loopen:

terwijl de rekeDJing in 1870 b.v. luidde: ontvangst f 1026.64,

uitgave f 707.365, saldo f 319.275, loopen de rekeningen der

la:terc jaren .reeds over het tienvoud dier bedragen, b.v.

die van 1898: ontvangst f 15983.435, uitgaven f 13152.-,

saldo f 2831.435. De reden daarvan is, dat de Vergadering

steeds meer gronden verhuurde, verpachtte en verkocht, hetgeen

het gebruik der erfgooiers in gelijke mate deed

afnemen.

Eindelijk werd laatstelijk aan de erfgooiers geenerlei medezeggenschap

in het beheer hunner gronden toegestaan. Nog

in 1902 werd een daartoe door erfgoo·iers gedaan voorstel

door de gemeenten hooghartig afgewezen. Van de groote

gnondbeginsden van ons modeme staatsrecht, publiciteit en

zelfbestuur, was dit overblijfsel uit de oude tijden, de Vergadering

van Stad en Lande, afkeeriger dan we:k conservatief

aristocraat ook. Eedang verdiende het dan ook onder

den maker des sloopers te vallen.

Die te N aarden vergaderende ,gecommitteerden" der gemeentebesturen

toch, steeds v.oortle


11

vVanneer de g.emeenten in verschillende provincien liggen,

vragen de Gedeputeerde Staten dier provincien, alvorens de

bedoelde magtiging ue verleenen, Onze goedkeuring.

De gemeentebesturen, die de ,Verga:dering van Stad en

Lande" samenstelden, waren zulks ook na 1851 blijven doen

zonder verlof of goedkeuring van het hooger gezag, namelijk

Gedeputeerde Staten, op hunne desbetreffende regeling aan

te vragen; zoodoende zetelde te N aarden een soort van

Statenvergadering over ·het Gooi, welke op eep herinnering

aan vroegere bev.oegdheden voortleefde, doch aan wdker

wettigheid de Gemeentewet van 1851 vierkant in den weg

staat.

N og op andere wijz,e zondigden bedoelde gemeentebesturen

tegen de wet, welke in 1851 hunne Ievensfuncties in vaste

banen had genormaliseerd. Vooreerst door uit hun midden

personen af te vaardigen of te ,committeeren" naar de

, V ergadering", niett:egenstaande die besturen alle macht,

waar.op zij aanspraak kunnen maken, alleen zelf mogen

uitoefenen, zijnde delegatic derzelve aan eene commissie uit

hun midden niet geoorloofd; wijders ook door, bij monde

van die , V ergadering", eenzijdige verplichtingen, waaronder

geldelijke, aan de erfgooiers op te leggen, in stede van

daaromtrent althans met de erfgooiers overeen te komen.

Aan dergelijke aanmatiging maakten reeds vroeger andere

gemeentebesturen elders in 1\J ederland zich schuldig, b.v.

in het geval, behandeld in het volgend Koninklijk Besluit,

hetwelk, behoudens dat het slechts eene gemeente en :niet

verscheiden gecombineerde gemeenten betrof, groote overeenkomst

vertoont met het ten deze besprokene.

(No. 112.) Besluit van den 24 Augustus 1854, houdende

vernietiging der verordeningen, vastgeste1d

door den Gemeenteraad van Gendringen, den

30 Maart 1852, op het gebruik der g·emeenteweiden

onder Gendringen en Ulft.

Wij Will em II I, bij de Gratie Gods, Koning der N ederlanden,

Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg,

enz. enz. enz.

Op de voordragt van· onzen Minister van Binnenla.ndsche

zaken, van den 20 April 1854 No. 132, . 2de afdeeling, tot

vernietiging van de verordeningen op het .gebruik van de


12

gemeenteweiden onder het dorp Gendringen en onder het

dorp Ulft, door den gemeenteraad van Gendringen, in zijne

vergadering van den 30 Maart i852 vastgesteld;

Overwegend·e, dat d~ze verordeningen ten doe! hebben

om de belangen z.oowel van de gemeente, als ej.genares

der IJ sselweiden, als van die ingezetenen, welke tot het

beweiden di,er gronden geregtigd zijn, te bevorderen;

dat daartoe het regt van beweiding b~jl deze verordeningen

geregeld, het getal en de soort van het vee, op

de weide:n toe te Iaten, bepaald en voorts eene corntributie

a.an de geregtigden opgelegd is, waaruit zoowel de schadeloosstelling

van hen, die van hun regt geen gebruiik: m


13

dat derhalve deze verordeningen in strijd zijn met

de wet;

Gelet op art. 153 der gemeentewet;

Den Raad van State gehoord (advies van den 8 Augustus

1854 No. 5);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche

Zaken, van den 19 Augustus 1854, No. 131, 2de

afdeeling.

Hebben goedgevonden en verstaan:

De verordening,en op het gebruik der gemeenteweiden

onder de dorpen Gendringen en Ulft, door den gemeenteraad

van Gendringen den 30 Maart 1852 vastgesteld, te

vemietigen;

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met

de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal

worden geplaatst;

WILLEM.

Het Loo, den 24 Augustus 1854.

Het resultaat ten aanzien van deze beschouwingen omtrent

de bevoegdheid der ,Vergadering" orn de gemeene gronden

te besturen is dus dit, dat die V ergadering in! elk geval

sinds 1851 is samengesteld 'door de Gooische gemeentebesturen

met volkomen negatie van de desbetreffende bepalingen

der Gemeentewet, als waren zij 1 heer en meester van

den toestand, ,en evenmin verplicht om hetzij Gedeputeerde

Staten van Noord-Holland in de desbetreffende regeling

te kennen als om de erfgooiers zelven daarbijl te raadpilegen.

Afgezien van deze schending van de bepalingen der

Gemeentewet, pleiten tegen de bevoegdheden dier ,Vergadering"

nog ander,e omstandigheden: zoo dat die ,Vergadering"

in elk geval historisch niet meer heeft dan het

recht van toezicht op de nakoming door de erfgooiers van

het door dezen zdven vastgestelde weidereglement of ,schaarbrief"

; dat de gemeente Laren naar die Vergadering geen

,gecommitteerden" meer zendt, en die Vergadering daardoor

incompleet is geworden: ,voorts ook dat de erfgooie:rs,

als gezegd, van de goede rli.ensten dier , Vergadering" geen

verder gebruik wenschen te maken, en zulks behoorlijk aan

deze.lvc hebben te kennen gegeven, waartegenover die ,Vergadering"

zich niet OP' een historisch geworden beheersrecht

kan beroepen. Want een beheer duurt slechts voort zoolang


14

de persoon, wiens zaken beheerd worden - het geval van

onmondigheid daargelaten - zulks blijft wenschen. Van een

recht op beheer van eens anders grond, door venanng

verkregen, kan dus ook nimmer sprake zijn.

DE TOESTAND SINDS 1903.

In het jaar 1903 werd een mij'lpaal gezet m de geschiedenis

der erfgooiersquaestie, evenals i.n de jaren 1836-

'43, toen, als gezegd, de erfgooiersgronden gescheiden werden

tusschen het Kroondomein en de gerechtigden. In 1836-

'43 verkreeg het Domein een deel dier gronden voor zich

en verw:ijderde zich van het terrein van den strij'd , waar

nu voortaan aileen de gemeenten, vertegenwoordigd doo>r

de V ergadering van Stad en Lande, met de erfgooiers

overbleven.

In het jaar 1903 w:ierpen de erfgooiers het juk van de

,Vergadering" openlijk af en kozen zij hun eigen b estuur,

in verschillende daartoe in elik der Gooische gemeenten

bijeengeroepen vergaderingen.

Nadat door dit bestuur eenige maanden aan de inwendige

organisatie waren b esteed, brak de 1 Mei 1904 aan, zijnde

de ,schaardag", of dag waar·OP het vee van de stallen naar

de weide wordt geleid.

N aar lu-id van een ,Schaar brief" of W eidereglement,

gelijk van ouds door de gerechtigden bij wijze van overeenkomst

pleegde te worden vastgesteld, doch die in de

laatste tientaUen van jaren door de ,Vergadering" eigenmachtig

en zonder de erfgooiers daarin te kennen was gewijzigd,

behoorde voor dk beest, dat op• de weide werd

gebracht, zeker bedrag (eenige guldens) te wo-rden betaald

aan de weide-opzichters of meentmeesters. BiJ gebreke daarvan

- aldus de schaarbrief - zoude zoodanig beest van

de weide krmnen worden verw:ijderd, in bewaring gegeven

(,geschut") en bij gebreke van betaling van gemeld bedrag

met de boete ad f 40 na 14 dagen voor rekening van

den eigenaar kunnen worden verkocht.

N u werd in het jaar 1903 eene procedure gevoerd over eenige

op die wijze ,geschutte" dieren . De meentmeesters der ,Vergadering"

hadden die volgens gemelden ,schaarbrief" in bewaring

gegeven bij twee kasteleins, te Blaricum' en te H uizen.

V 66r evenwel de dag van verkoo;p was aangebroken, vorder-


15

den de eigenaars dier dieren dezelve in rechten als hun

eigendom op .van die kasteleins, na daarop te voren revindicatoir

beslag te hebben gelegd. De kasteJ.eins riepen daarop

de meentmeesters in het ..g,cding, die hunnerzijds hun recht

op dat schutten s~aande hielden. De Vergadering van Stad

en Lande mengde zich niet in den strijd, de meentmeesters

verklaarden zelfs uitdrukke1ijk niet voor iemand anders, 'tzij

voor die , V ergadering", 'tzij' voor de gemeenten op te

treden, doch persoonlijk en in prive · te zijn verschenen.

Geen wonder dan ook, d.lt deze poging van de meentmeesters,

om hun recht te handhaven, faalde, doordien de

Rechrt:bank besliste, dat, ook a! hadden de meentmeesters

eenige bevoegdheid geha:d om te handelen gelijk zij

deden, die bevoegdheid hun toch aileen kon toekomen in

hun hoedanigheid van meenrmeesters, in welke hoedanigheid

zij evenwel niet verschenen waren. Mitsdien beval de Rechtbank

de 1teruggave van het vee aan de eigenaren en veroordeelde

zij de kasteleins in een klein deel, de meentmeesters

in het verdere van de zeer aanzienlijke proceskosten.

Deze proceskosten zij'n ten slotte weder door deze daartoe

veroordeelde par.tijen betaald uit de kas der ,Vergadering

van Stad en Lande", die daartoe zelfs eene leening van

f 2000 moest sluiten.

Het gerucht ging daarop, dat de meentmeesters door eene

fout of vergissing het proces .verloren hadden, door te verzuimen

in hunne hoedanigheid als zoodanig in rechten op

te komen.

Blijkbaar met meer grond _hield de winnende partij echter

staande, dat die meentmeesters met opzet aileen persoonlijk

in het geding waren verschenen, omdat hun hoedanigheid

door hen aileen kon worden afgeleid van de ,Vergadering

van Stad en Lande" of van de gemeentebesturen, terwijl deze,

hun lasthebbers, geen lust gevoelden in het geding te

worden betrokken. Daardoor toch zoude oo.k de bevoegdheidsvraag

dier ,Vergadering' aan het .oo.rdeel des rechters.

zijn onderworpen, en daaraan bleek di't lichaam zich bij

voorkeur niet te willen blootstellen. De Vergadering betaalde

de proceskosten - ten laste van de penningen der erfgooiers

- en zeide .tot de buitenwereld: de meentmeesters.

zijn in het proces tengevolge eener vergissing veroordeeld,

maar wij, de ,Vergadering", hebben bij het proces niets.

verloren, want wij· zijn er niet bij' geweest.


16

HQe dit zij, aa:n een verdere toepassing van dat recht

van ,schutten", QVerblijfsel van oude tijden, dat met onze

wetgeving niet meer te rijmen is, bleek door deze procedure

tach afdoende de pas afgcsneden. Andere maatregelen

om de.inning van bovengenoemde bedragen, het z.g. ,schaargeld",

te verzekeren, gaf de schaarbrief niet aan de hand.

Er bleef der ,Vergadering" dus niets anders over dan het

,schaargeld", hetwelk vrijrwillig werd betaald, dankbaar in

Qntvangst te nemen .en het niet betaalde af te schrijiVen.

In dien geest uitte zich dan QOk de , V ergadering" op

28 April 1904 te Naarden gehouden. Door eenige daarbij'

aanwezige meentmeesters werd tQen gevraagd, hoe zij op

den aan~taanden 30 April (schaardag) moesten handelen met

vee, waarvQor aan hen niet was betaald en dat dus niet ten blijke

daarvarn door hen was gemerkt (gebrand). De voorzitter en

het meerendeel der vergadering bleken van oordeel, dat de

meentmeesters, ook ter bevordering van rust en orde, zoodanig

vee niet metterdaad van de weide moesten trachten

te weren, doch het, zij het onder protest, toelaten. Een

bepaald besluit werd daaromtrent .niet genomen; maar de

meentmeesters waren nu toch bekeil.d met de gezindheid van

de meerderheid hunner Iastgevers, en hadden zich. mitsdien

daai-aan te houden. De ,schaardag" had dan .ook in alle

gemeenten een VQlkomen ordelijk en rustig verloop, doordien

elk der partijen zijn vee op' de weide bracht zonder

de tegenpartij te beletten of te belemmeren desgdijks te

doen, met uitzondering alleen van de gemeente Blaricum.

Deze gemeente bood in den vroegen ochtend (5 uur des

morgens) van den 30sten April een eigenaardig schouwspel.

Daar waren alstoen de verschillende hekken (een vijftal),

toega:ng gevende tot de wei de of ,meent", afgesloten met

zware kettingen met sloten. Bij die hekken waren orpgeste!d

twee gemeente- en een twaalftal rijksveldwachters,

dezen met karabijnen. Ter hunner huisvesting dienden strooien

wachthuisjes, bij die hekken geplaatst. In de nabijheid der

. hekken bevQnden zich ook het lid der V ergadering, de

Heer A. A. H. HQsang, tevens Burgemeester van Blaricum,

alsmede een der mecntmeesters, de Heer T. de Graaf.

Deze personen hadden zich te middernacht in de nabijheid

dier hekken opgesteld en warcn daar in den vroegen ochtend

nog aanwezig. Weldra bleek, dat de sleutels van de sloten

in hand en waren van de veldwachters; dezen openden die


17

sloten en de hekken om koeien door te laten, ,gebrand"

van wege de ,Vergadering", sloten daarna 'hek en slot en

openden beide niet voor vee, hetwelk niet van wege de

,Vergadering", doch van wege het ,Hoofdbestuur der Gerechtigden

tot de gemeene heiden en weiden" was ,gebrand";

met name werd eene koe van den wethouder van Blaricum

K. Borsen buitengesloten; de begel


18

eene tijdelijke schikking tusschen partijen tot stand, zoodat

aile vee nu op de meent kon komen.

Ter beoordeeling van ecn en ander moge nog de aandacht

worden gevestigd op het volgende:

1°. Op de missive van den Minister van Binnenlandsche

Zaken, hier in haar geheel overgedrukt:

Bijlage Hand. Ilde Kamer, 1904 A p. 72.

No. 5599.

Afdeeling B.B.

Gemeenc heiden

en weiden van Gooiland.

's-Gravenhage, 21 J uli 1903.

Aan hem, die door Hare Majesteit de Koningin benoemd

is tot Burgemeester der gemeente (voor elk den naam der

gemeente in te vullen), w.ordt d.oor de Vergadering van

Stad en Lande van Gooiland bevoegdheid geschonken om

in haar midden zitting te nemen.

Maakt hij van deze bevoegdheid gebruik, z.oo deed hij

dit geheel op eigen verantwoordelijkheid.

Hij ontving hiertoe noch van de Regeering, noch van

de provinciale autoriteit eenig verlof of eenige machtiging

hoegenaamd.

In verband met de bestaande rechtsgeschillen over de

gemeene heiden en weiden van Gooiland, zou het mij voor

een magistraa-tspersoon gewenscht voorkomen, dat hij, ter

betere handhaving van zijn onpartijdig standpunt, van deze

bevoegdheid geen gebruik maakte, of zelfs, al hlaakte hij

hiervan to't dusver gebruik, er voortaan van afzag.

Dit oordeel wordt vooral gemotiveerd doo,r de omstandigheid,

dat meentmeesters in .meer dan een geval de hulp

van den Burgemeester als hoofd der politie hebben ingeroepen,

om overtreding van de bepalingen van den schaarbrief

van 14 Februa:ri 1895 door het optreden van politiemacht

1:egen te gaan. Vooral hierdoor toch lwmt een Burgemeester,

die eigener beweging zitting nam in de Vergadering

van Stad en Lande van Gooiland, in eene gedwongen

positie, en laadr zoo Iicht den schijn op zich

van met zijn burgerlijk ambt privaatrechtelijke regelingen, tot

wier vaststelling hij zelf meclewerkte, te willen handhaven.

Zoolang echter door U een van privaatrechtelijk~ zijde

toegekende bevoegdheid, krachtens U we persoonlijke keuze


H1

en op U we uitsluitende persoonlijke verantwoordelijkbeid

aanvaard werd, komt bet mij in elk geval noodzakelijk voor,

dat de door U of U we ambtgenooten ui.t te oefenen politiemacht

ten deze met de grootste discretie en in alle betrokken

gemeenten op eenparige wijze en binnen dezelfde

grenzen worde uitgeoefend.

De bulp der politie is ingeroepen om te voorlwmen, dat

niet v66r den door meentmeesters bepaalden dag, en op

dien dag zelven niet anders dan volgens hunne bepalingen

gebrand vee, op de meem wordt gebracbt.

De schaarbrief bovengenoemd geeft echter in artikel 11

zelf de wijze aan, waarop de dienaangaande getroffen regeling

te handhaven is. Tegcn den wil van meentmeesters ingebracht

vee wordt door hen van de weide afgehaald, in

bewaring gegeven en na 14 dagen voor rekening van den

eigenaar verkocbt. De overtreder is bovendien gehouden

schade en kosten te verg-oeden en veertig gulden boete

voor elk stuk vee te betalen. Het mag uit dien hoofde

volkomen overbodig worden geacht, dat de politie den

sterken arm leent om bet inbrengen van zoodanig vee te

voorkomen.

van optreden der politie kan alleen dan sp!Take zijn

indien hetzij v·erbreking van afsluiting, vernieling of eenig

ander strafbaar feit pLaats grijpt, betzij indien tusschen hen

die bet vee in willen brengen of ingebracbt bebben, en

anderen di·e zulk inbrengen pogen te beletten of bet ingebracht

vee willen verwijderen, eene gewelddadige botsing

ontstaat of dreigt.

In beide onderstelde gevallen behoort de politie niet anders

op _te treden dan gelijk zij in soortgelijke gevalilen pleegt

te doen. In bet eerste geval kan, voor wover de poli.tie

tegenwoordig zijnde, er niet in slaagde van bet strafbare

feit te doen afzien, met bet opmaken van proces-verbaal

worden volstaan, in bet tweede geval zal baar O\Ptreden,

ge1ijk steeds, er op gericbt moeten zijn om gewelddadige

botsing te voorlwmen of, greep ze plaats, er een einde

aan te maken.

In dit laatste geval kan tevens ter sprake komen bet

vorderen van krijgsmacht, bijaldien de botsing van uitgebreiden

aard mocht zijn, en de plaatselijke politiemacbt, ter

bereiking van bet voorgestelde doel te zwak is, en niet

tijdig genoeg door Rijksp•olitie versterkt wordt.


20 -

w .ordt eenparig naar dezen drievoudigen regel gehandeld:

1. dat de politie zich niet leent om het inbrengen van

vee op de meentweiden te verhinderen, maar de handhaving

der bepalingen dienaangaande aan de meentmeesters

overlate;

2. dat de politie wegens verbreking der afsluiting of vernieling

pr.oces-verbaal opmake;

3. dat de ·politie geen geweld gebruikt dan omJ vechtpartijen

tusschen de twee groepen van elkaar af te houden,

of raken zij handgemeen, aan de worsteling een einde te

maken, dan zal de Burgemeester in niets zijn te koTt geschoten

en tevens allen schijn vermijden alsof hijl in zijn

ambtelijke hoedanigheid een privaatrechtelijke regeling, waartoe

hij zelf persoonlijk medewerklt, tracht te handhaven.

De Minister van Binnenlandsche Zaken

(w. g.) KUYPER.

2°. dat verscheiden van de genoemde hekken, waaronder

bet z.g. Blaricummerhek, in de nabijheid van hetwelk de

Heer FLoris Vos werd gearresteerd, staat in een openbaren

weg. Artikel 24 van het Provinciaal Reglement op de wegen

in N.oord-HoJ.land van 1893 nu bepaalt, dat het vrije verkeer

d.er openba:re wegen aileen mag worden belemmerd

met toestemming van Burgemeester en Wethouders, of in

spoedeischende gevallen van den Burgemeester; de Heer

A. A. H. Hosang, toestemming verleenende tot afsluiting

der hekken in openbare wegen, ha.d zulks gedaan wnder

daar.over zijne wethouders te raadplegen, wetende dat dezen

deel uitmaakten van het oppositie-bestuur, en dat die afsluit·ing

dus onder meer strekte om ooli het vee van die wethouders

van de meent te weren; in de gemeente Blaricum

bestond evenwel elk oogenblik geLegenheid orn de beide wethouders

bijeen te roepen, het g•eval dezer afsluiting was

ook verre van onvoorzien, en dus geenszins ,spoedeischend",

zoodat ook ,bij die afsluiti.ng de .wet was overtreden.

3°. dat later werd beweerd dat die afsluiting moest

worden verklaard uit vrees voor ordeverstoring. Bijl het bestaan

van een geschil van burgerlijk recht echter zoude

zoodanige vrees, ook al was zij' gegrond, er toch nirnmer

toe mogen leiden om de eene partijl te beschermen en de

andere te onderdrukken; maar ook die vrees voor ordever-


21

storing was eene jjdele, omdat de openbare orde blijkbaar

het minst bedreigd werd als beide partijen hun vee ongehinderd

op de meent · konden brengen - zooals ook blijkt

uit hetgeen in andere gemecnten geschiedde - terwijl integendeel

het vertoon van politie eenige nieuwsgierigen

lokte: van de belangheb'benden van beide partijen zelven

waren .in dien vroegen ochtend en ook later bijl de eem.zaam

gelegen meent hoogstens een twintigtal aanwezig. Een enkele

agent, voor surveillance, ware in elk geval ruirn voldoende

geweest; da:t er eene brigade van die rustbewaarders was

opgeroepen om de hekken met de in hun handen geste1de

sleutels alleen te openen voor de partij· 'der Vergadering,

en voor de 'iegenpartij gesloten te houden, kon niet met

vrees voor ordeverstO'r.ing worden verdedigd.

Nadat op deze wij.ze de eerste schaardag, van 30 April

1904, was v.o.orbijgegaan, brak de tweede schaa.rdag, van

11 Mei 1904, aan. Deze schaardag verliep weder rustig

in de gemeenten, waar beide partij.en hun vee ongehinderd

op de meent brachten; hij1 bracht weer onrust daar, waar

de op-positiepartij met politiehulp werd geweerd, zijnde te

Blaricum, en ditmaal ook te Hilversum.

Te Blaricum was _de belemmering thans minder emstig

dan de vorige maaL De stra,ks vermelde tijdelijl(e schikking

toch, naar aanleiding va:n het op den eersten schaardag

geeurde na de komst van den Officier van J ustitie

getroffen, en welke ook voor den tweeden schaa:rdag van

kracht .was, hield in, dat de nieuwe partij· haar vee, door

haar eigen Hoofdbestuur gemerkt of geb'rand, op de meent

zoude kunnen brengen, terwijl het geld, dat voor he t ter

weide breng.en van elk dier beesten pleegde te WO'rden

berekend, door de zorg van den Heer Officier van Justitie

aa:n de meentmeesters van het oude bestuur (d'. i. van de

Vergadering) werd betaald. Zoodoende betaalde de nieuwe

partij ook aan haar eigen meentmeesters, en ontving de

oude partij toch het geld, waarop zij aanspraak maakte, van den

Heer Officier va:n Justiti.e. Uit kracht van die schikking

moest elke belemmering van den toegang door de hekken

nu blijvend zijn opgeheven.

T.och was er omstreeks 8 Mei 1904 op de publieke aanplakborden

in de gemeente Blaricum eene aankondiging

aangeplakt van den volgenden inhoud:


22

De meentmeesters T. de Graaf, G. de Jong, Wt. Keijer,

D. Brasser, C. van den Brink Gz. en H. Smit, van de

Vergaderi:ng van Stad en Lande van Gooiland,

maken b.ekend :

dat geen vee op de Meent wordt toegelaten zonder betali:ng;

dat bij hen gelegenheid hestaat tot branding;

dat, nu toch i e d e r e e n betalen m ·O e t, het b'eter is bij

hen te laten branden, zoo voor hen, als de beesten.

Alles moet dus betaald zijn voor 11 Mei a.s.

De Meentmeesters voornd·.,

(get.) T. DE GRAAF.

G. DE JONG.

W. KEI]ER.

D . BRASSER.

C. VAN DEN BRINK Gz.

H. SMIT Hz.

Gezien

De Burgemeester va:n Blaricum

(w. g.) HOSANG.

en waren op den 11 Mei 1904 de hekken weder met ketti:ngen

gesloten en met een gelijk aantal veldwachters als

te voren bewaakt, terwijl ditmaal de hekken door boerenarbe~ders-sleutelbewaarders

ook voor erfgooiers va:n de

nieuwe partij, zij het dan na veel onderhandelingen en

moeite, werden geopend, wanneer deze de quitantie voo-r aan

hnn meentmeesters (d. i. de nieuwe) betaald schaargeld

vertoonden; aileen aan vijf koeien, toebehoorende aan drie

erfgooiers - hoofdma:nnen der nieuwe partij' - werd de

toegang gewei•gerd op grond van bepalingen van den

,schaar brief" der , V ergadering".

Deze handelwijze was in volkomen strijd met de getroffen

schikking. De zinsnede toch in de v.oormelde aankondig'ing:

,zoo voor hen als de bcesten" b'evat een vrij onbedekte

hedreigimg of intimidatie, temeer nu juist eenige dagen geleden

te H uizen in den nacht van twee koeien der nieuwe

partij' de pluimen der staarten waren afgesneden; (terloops zij

hier nog vermeld dat de eigenaar dezer dieren, D. Brasser te

H uizen, daarvan aangifte do en de bij' den Burgemeester van

H uizen, H ulpofficier van J ustitie, van dezen ten antwoord


23

ontving: ,Brasser, daar kan ik je niet in assisteeren, omdat

het vee ongerechtigd op de meent loopt, en ik je zelf verleden

als hoofd van de Politic heb gewaarschuwd, dat ik

niet voor de gevolgen kan instaan, als gij ze niet door de

oude meentmeesters liet branden"); maar voorts was de

belemmeri.ng ook daarom in strijd met de getroffen schikking,

omdat de oude meentmeesters toch reeds zeker waren

de gelden, waarop zij aanspraak maakten, van den Officier

van J ustitie te ontvangen en het .doel der schiklcing juist

was om alle bemoeiingen van de meentmeesters der oude

partij met de erfgooiers der nieuwe uit te sluiten en elke

afsluiting der hekken op te heffen. Erger nog was het

weigerern van vijf beesten op gr.ond van den ouden ,schaarbrief",

omdat d~ getwffen schikking de bepalingen van

dien ,schaarbrief" in elk geval tij'delijk - 'immers voor

deze schaardagen - buiten werking stelde. Immers de

ga.nsche schikking was in strijd met den ,schaarbrief".

N og duidelijker ongegrond eindelijk dan op 1 Mei was de

beweri:ng, dat de hekken van wege het ,spoedeischende"

va:n het geval en van wegc de ,openbare orde" door den

Burgemeester moesten worden afgesloten, nu toch juist de

schikking was getroffen, krachtens welke beide partijen ongehinderd

op de meent zouden komen.

De eigenaars van twee der beesten, welken op de wijze als

voren de toegang tot de meent werd ontzegd, hebben deswege

ee:n procedure tot schadevergoeding ingesteld bijl de ·

Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam, tegen C. de Graaf

en de vijf anderen, in de aankondiging als meentmeesters

genoemd, van wie die daad was uitgegaan, alsmede tegen

de gemeente Blaricum, dit laatste op grond van de onrechtmatige

daad van haar Burgemeester. Dit proces is nog

ha:ngende.

"

Als slot van dit stuk historic moge de vermelding komen

van de gebeurt·enissen te Hilversum! op 11 Mei en volgende.

Het gemeentebestuur van Hilversum werd bij• voortduring

geslingerd tusschen het goede, d. i. _geen politic te gebruiken

om een civiele quaestie in haar voordeel op te lossen, en het

kwade, d. i. zulks wei te doen.

Op 30 April 1904 was te Hilversurn op de meent geen

politic; beide · partij~ brachten hun vee op de meent, alles

verliep im. voorbeeldige rust. Op 11 Mei 1904 was dat


24

anders: meer dan waarschijnlijk door he: voorbee:d van

Blaricum daartoe verleid, wilde men bet nu ook eens· te

Hilversum met politie prJbeeren. Het was dan ook hard

voor Hilversum te moeten aanzien, dat de oude partij' te

Blaricum, zij bet door machtmisbruik, zich de gelden verzekerd

had, waarop z'ij ter zake van bet vee der jonge

partij van deze aanspraak maakte (zijnde eene som van

f 1672,86), terwijl de oude partij te Hilversum, door zich

behoorlijk en conform bet op de vergadering van Stad

en Lande van 28 April 1904 behandelde te gedragen, niets

zou krijgen. Hoe dit ook zij, op 11 Mei 1904 z·ette de

politie bet deel der meent, waartoe de brug over de

Karnemelksloot toegang gecft, af; politieagenten p:akten

biljetten aan, houdende dat op dat deel aileen de oude

partij werd toegelaten.

Op 16 Mei 1904 vervoegden eenige !eden van het Hoofdbestuur

en hun raadsman zich deswege bij den Burgemeester

en den Commissaris van P.olitie te Hilversum; daar werd

hun medegedeeld, dat pe politie op de meent was geposteerd

op verzoek van de meentmeesters der oude partij,

die politie-assistentie hadden verzocht; hierop gaven voornoemde

Hoofdbestuursl·eden hun voornemen te kennen orn

de afsluiting bij de Karneme!ksloot op te ):leffen door bet

slot te doen opendraai·en en bet hek te openen, en verzochten

zij te dien einde eveneens politie-assistentie; na eenige beraad

werd o.ok deze politie-assistentie verleend in den persoon

van den Hoofdcommissaris, die zelf de !eden naar bet

terrein vergezelde. Op volkomen ordelijke wijze, nadat de

medegekomen smid verschillende sleutels geprobeerd en daaraan

gevijld had, werd bet slot en bet hek daarop geo·pend.

De Commissaris constateerde op verzoek van de oude

meentmeesters, dat bet slot was geo.pend ,door rniddel van

een valschen sleutel, die op bet terrein pasklaar was gemaakt".

Zoodra bet hek geopend was, werden de koeien

van de nieuwe partij - eenige honderden - daardoor gejaagd

op bet tot dusver voor die partij· gesloten gedeelte,

waar bet beste gras was.

Toen ook dit geschied was, deelde de Commissaris aan

de !eden van bet Hoofdbestuur mede, dat de meentmeesters

van :de oude partij voor verdere politie-assistentie hadden

bedankt, dat hij dus zijne dienaren zoude terugtrekken, tenzij

de nieuwe partij hunne hulp meende te behoeven. Het


25

Hoofdbestuur verklaarde eYenwel de bemoeiingen van de

politic in de erfgooierszaak zoo ongewenscht te achten, dat

het dit - zeer correcte - aanhod onder dankbetuiging

van de hand moest wijzen.

Aldus kwamen op den 16 Mei 1904 de koeien der nieuwe

partij op de meent en verwijderde de politic zich van daar.

Wie nu echter mocht meenen dat de politic te Hilver·

sum omtrent het door haar in te nemen standpunt voor

goe


26

quaestie verscheen dan .ook op 17 J uni 1904 de Cornmissaris

van Politic van Hilversum des avonds bij den Heer

E. de Groot te \Vestbroek, die den bewusten stier, die

in dien tijd al weder in andere handen was geweest, had

gekocht. De stier werd ,ten dienste van de justitie" in

beslag genomen en naar Hilversum gevoerd. De oude partij

had zich dus weer eens kunnen doen gelden. Eene week

later werd de stier echter weer aan den Heer E. de Groot

teruggeven, nadat hij op het politiebureau te Hilversum

door de belanghebbenden was herkend. Van eene strafvervolging

wegens ,diefstal" van dien stier is sedert niets

vernomen.

Vanaf dat tijdstip bleek d


27

son en gericht, die zich bij Van N es in huis bevonden, en zoo

waagden de politiedienaren bet, zich van de bewuste tent

meester te maken en haar uit bet huis van Van N es te

voeren.

De tent werd daarop weder aan genoemden Klaassen

teruggegeven en na twee of drie dagen weer op de oude

plaats gezet ten gebrui•ke der politic. De politic had zichzelve

,recht" verschaft en nam zelfs niet de moeite om met die

tent te handelen gelijlk met stukken van overtuiging pleegt

te geschieden.

Allengs verminderde echter weder bet optreden van de

politic; terwijl zij' eerst b.v. had b'elet dat koei·en, van wege

bet Hoofdbestuur gemerkr, op de meent werden gebracht,

begon zij zulks weder toe tc laten; ook de sterkte der

politiebewaking werd verminderd; ten slotte bleven aileen

nog een paar agenten .op de meent over (agenten die de

woning van gemelden opzichter Klaassen bewaalkten buiten

rekening gelaten), en ook deze agenten zijn vertrokken nadat

bet Hoofdbestuur zich g~noopt had gezien om den Com·

missaris van Politic te Hilversum bet expl.oit te laten doen,

waarvan de woordeLijke inhoud bier volgt:

In den jare negentien honderd en vier, den twintigsten

Augustus, ten verzoelke van 1. Floris Vos, erfgooier, w.onende

te Naarden op bet landgoed ,Oud Bussem", 2. Jan

Majoor Jacobuszoon, erfgooier, wonende te Laren, 3. Adrianus

Nicolaas Veen, fabrikant, wonende te Hilversum,

4. Jan Brouwer Jacobszoon, erfgooier, wonende te Hilver·

sum. 5. Jacob Glazemaker, wonende te Hilversum, 6. Willem

Veerman, wonende te Huizen, 7. Gerrit Brasser, wornende

te H uizen, 8. Steffen de J ong, Wethouder, wonende te

Blaricum, 9. Jacobus Krij'nen, wonende te Naarden, 10.

Cornelis Willernszoon de Gooij'er, wornende te Naarden, 11.

Pieter van den Brink Corneliswon, wonende te Laren, 12.

Gerrit Dekker Willernszoon, wonende te Bussum, 13. Christiaan

Lambertus Velthuij'sen, Burgemeester, wonende te Laren,

14. Willem Pandelaar Willemszo,on, wonende te Laren, 15.

Albertus Perk, wonende te Hilversum, 16. Jacobus Bus,

wonende te Bussum, 17. Klaas B.orsen, Wethouder, wonende

te Blaricum, 18. Antonie Vos, wonende te Huizen, 19. Bertus

Vos, wonende te Blaricum, zoo in prive en als in hoedanigheid

van· en als te zamen uitma:kende bet Hoafdbestuur


28

van de gerechtigden tot de gemeene heiden en weiden van

Gooiland, waarvan dele requirant Voorzitter, de 2e requirant

Vice-Voorzitter en de 3e rcquirant Penningmeester is, als

zoodanig benoemd en gekozen door het college van gemachtigden

van die gerechtigden in de vergadering van dat

college van den eers~en October negentien honderd en dric,

welk college op zijn bet


29

verder beheer of andere bemoeiing met de gemeene heiden

en weiden van Gooiland, tot welke de meent onder HiJversum

behoort;

dat bij gemeld exploit verschiHende gronden voor die

aanzegging werden medegedee1d, waaronder deze, dat de

gemeentebesturen, die genoemde ,Vergadering" heblben gekozen,

zulks hadden geda.n zonder de in artikel 121 der

Gemeentewet vereischte machtiging en goedkeuring van Gedeputeerdc

Staten van Noord-Holland, en die keuze in elk

geval reeds hierom alle beteekenis mist;

dat aan die gronden ten deze nog kan worden toegevoegd,

dat de gemeente Laren niet meer medewerkt tot

het kiezen dier ,Vergadering" en haar Burgemeester deel

uitmaakt van het door en uit de erfgooiers zelven gekozen

bestuur over de gemeene gwnden, zijnde mijne requiranten,

zoodat de daardoor incompleet geworden ,Vergadering"

in elk geval ook daarom niet meer kan optreden;

dat, gelijk aan gelnsinueerde uit een en ander kan blijken,

en hem ook van elders bekend zal zijn, tusschen mij'ne

requiranten en de door .dezen vertegenwoordigde erfgo.oiers

eenerzijds en voornoemde zestien personen en de door dezen

vertegenwoordigde gemeentebesturen, waaronder dat van Hilversum,

anderzijds, een burgerrechtelijk verschil bestaat,

onder meer over de vraag wie van beide partijen bevoegdheid

heeft de gemeene gronden te beheeren en te besturen,

welk geschil wordt aangeduid als ,erfgooiersquaestie";

dat over en in verband met dit geschil ,onderscheidene

rechtsgedingen aanhangig zijn, terwijl door beide partijen

stappen zijn gedaan om hetzelve door eene minnelij'ke regeling

tot oplossing te brengcn;

dat in afwachting van deze, dit verschil volgens artikel

153 der Gwndwet, als betreffende burgerlijke rechten, bij

uitsluiting behoort tot de kennisneming van de rechterlijke

macht en niet tot die van gelnsinueerde en zijne onderhebbende

dienaren van politic;

dat immers de politic zich niet mag leenen om de aanspraken

van de eene partijl te handhaven en de uitodetning

der aanspraken door de tegenpartij te verhinderen, gdijk

zulks na te laten overal bij de politic gebruikelijk is en

hare verplichting daartoe ook blijkt uit missive van den

Minister van Binnenlandsche Zaken, No. 5599, Afdeeling

B.B., in bijlagen Hand. II~ Kamer 1904, A. p. 72;


30

dat hierin geene verandering kan worden gebracht door

het feit dat de gemeente Hilversum zelf of leden van haar

bestuur tot eene der partijen behooren, daar deze omstandigheid

veeleer tot een nog nauwkeuriger inachtneming van

de striktste onpartijdigheid zoude moeten nopen;

dat nu echter, hoewel de ,Vergadering van Stad en

Lande", waartoe .ook de Burgemeester en afgevaardigden

der gemeente Hjlversum behooren, tot heden geen termen

heeft gevonden de tusschenkomst des burgerlijken rechters

omtrent voorschreven geschil in te roepen, hetwelk alzoo

nog hangende is, de gelnsinueerde sinds een aantal weken

heeft kunnen goedvinden om met gebruikmaking van de

diensten . zijner onderhebbende dienaren van politie, eene

feitelijke en gewelddadige opl.Jssing van dat verschil ten

bate dier ,Vergadering" dour te drijven;

dat gelnsinueerde daartoe vooreerst zijne bemo·eiingen van

politic uitstrekt tot de ,meent", zijnde een aan alle kant en

afgesloten privaat terrein, ahvaar dezelve althans aan de

partij mijner insinuanten in hooge mate ongewenscht zijn,

ook omdat zij ordeverstoring in de hand werken;

dat dit laatste wel het best blijkt uit het feit, dat op

dertig April negentien honderd vier, zijnde de eerste schaardag,

bij afwezigheid van politic, het vee van beide partijen

door elk hunner in volkomen orde en eendracht op de

meent werd gebracht, terwijl ordeverst.oring en tweedracht

ontstonden van het .tijdstip, dat de partij der ,Vergadering",

zich sterk gevoel.ende door de verkregen politiehulp, dezelve

bezigde om gedeelten der meent aan het algemeen gebruik

door de erl:gooiers te onttrekken;

dat voorts gelnsinueerde zijne agenten leent om de partij

mijner insinuanten op verzoek van de partij der ,Vergadering"

van de meent te doen verwijderen, teneinde deze laatste het

rustig bezit van dezen grond te doen hebben, hetgeen, als

gezegd, alleen des burgerlijlken rechters is;

dat eindelijlk gelnsinueerde zich zelfs niet heeft ontzien

om zaken, zooals op zeventien J uni negentien honderd vier

een stier en op zes en twintig Juli negentien honderd vier

eene tent, ten aanzien .van welke alleen de burgerrechtelijke

vraag kon rijzen, of die door mijne insinuanten, optredende

voor de erfgooiers, al dan niet terecht in beheer werden

gehouden, aan mijne insinuant.en te ontnemen onder het

nietige voorwendsel, dat die voorwerpen aan de tegenpartij


31

waren ,ontstolen", hoewel he~ aan een ieder bekend was,

dat insinuanten zich die zaken nimmer hebben willen toeeigenen;

dat gelnsinueerde, Qm zijn laatste omschreven doe! te bereiken,

misbruik heeft gemaakt van bevoegdheden, hem

door zijn ambt geschonken, als bet binnentreden eener woning

tegen den wil van den bewoner, het forceeren van

.den toegang tot dezelve, het bezigen van middelen, geschikt

om vrees aan te jagen, zooals met scherp geladen en gerichte

karabijnen;

dat dus gelnsinueerde, die de partij mijner insinuanten

talrijke malen met toepassing der strafwet heeft bedreigd,

zelf door misbruik van zijn gezag als commissaris van politie

de partij mijner insinuanten dwingt zijn voorschreven handelingen

te dulden, kunnende van mijne insinuanten niet worden

gevergd, dat zij zich 'daartegen feitelijk verzetten;

dat uits}uitend door dit optreden van de politie het verschil

te Hilversum zulk een acuut karakter heeft aangenomen

en de gelnsinueerde wei niet te zijner bevrijding zal kunnen

aanvoeren, dat de erfgooiersquaestie geen quaestie meer is;

En heb ik deurwaardcr, exploit doende als hoven, den

gei·nsinueerde

Gesommeerd

Om zich van verdere bemoeiingen van politie zelf of door

middel zijner dienaren op de wijze als haven te onthouden,

totdat de burgerlijke rechter uitspraak hebbe gedaan of

andere voorziening worde getroffen, en waar zijne hulp

mocht worden ingeroepen tot handhaving van openbare orde

of persoonlijke veiligheid, die te verleenen zonder aanzien

des persoons en zonder zich te mengen in de civiele

quaestie tusschen mijne insinuanten en de gemeenre Hilversum;

Mitsdien om onmiddellijk, i'mmers binnen twee maal v1er

en twintig uur, zijne dienaren van politie, die zich tegen

den bij deze uitgesproken wil van mijne insinuanten bij

voortduring op de meent bevinden en aan mijne insinuanten

het beheer van de meent gedeeltelijk beletten, gedeeltelijk

belemmer·en, van bet terrein dier meent te doen verwijderen,

blijvendc het hem uitteraard vrijstaan, daartoe termen vindende,

deze personen in de nabijheid dier meent op te

stellen.

De kosten zijn I 16.371/ 2.


Red. Expl.

Schrijfloon bijl.

Idem exploit

leg. en reg.

Porto's

f 1.50

3.-

7.20

4.571/2

0.10

f 16.371/2

(w. g.) J. P. VAN VUGT,

Deurw.

Geregistreerd te Hilversum twee en twintig Augustus

1900 vier, deel 57 folio 81 recto vak 1 drie bladen geen

renvo01. Ontvangen voor recht een gulden twintig cent.

f 1.20.

De fd. ontvanger,

( w. g.) onleesbaar.

En hiermede kan deze periode uit de geschiedenis der

erfgooiersquaestie worden besloten. Zij geeft een beeld

van den strijd, dien de erfgooiers ter bewaring hunner

rechten moeten voeren, niet tegen het bestuur, waaraan

zij de gehoorzaamheid hadden opgezegd, noch tegen die

erfgooiers, die zich onder de vaan van dat bestuur waren

b:ijven scharen, maar tegen de politie, waarover dat bestuur

-- in eene andere qualiteit - de beschikking had.

Intusschen zijn de onderhandelingen om te komen tot

eeene minnelijke regeling tusschen de partijen kortelings

weder opgevat. De hartelijke wensch, dat een volgend geschiedschrijver

aileen van pais en vree zal kunnen gewagen,

en dat althans het zwaard des politiedienaars in de toekomst

zal moeten plaats maken voor dat der Justitie, mage

dus tot sLot eene plaats vinden.


DRUKKY.RIJ KLENE. - HILV.LRSUM.

More magazines by this user
Similar magazines