Armoede en sociale uitsluiting 2015

svanweyenberg

2015-armoede-en-sociale-uitsluiting

op het besteedbaar huishoudensinkomen of een afleiding hiervan. Als het inkomen

beneden of onder de lage-inkomensgrens ligt, spreekt CBS van een huishouden

met een laag inkomen of van een huishouden met kans op armoede. CBS spreekt

hier dus nadrukkelijk niet van arme huishoudens of huishoudens die in armoede

leven, omdat de inzichten van wat armoede precies is, wel altijd onderhevig aan

discussie zullen zijn.

Inkomensbegrip

Voor het meten van het risico op armoede vormt het besteedbaar huishoudensinkomen

het uitgangspunt. Dit omvat inkomen uit arbeid, eigen onderneming en

vermogen, en overdrachtsinkomen bestaande uit uitkeringen, pensioen en

ontvangen partneralimentatie. Betaalde partneralimentatie en premies en

belastingen op het inkomen zijn in mindering gebracht. Kinderalimentatie en

ouderlijke bijdragen aan uitwonende kinderen worden niet waargenomen en

konden daardoor niet in het inkomensbegrip worden opgenomen. De verplichte

premie basiszorgverzekering die huishoudens aan de zorgverzekeraar betalen, is

eveneens in mindering gebracht. Een in verband hiermee verkregen zorgtoeslag

is bij het inkomen geteld. Bij hantering van de lage-inkomensgrens en de beleidsmatige

inkomensgrens zijn aan bestedingen gebonden uitkeringen als de huurtoeslag

buiten beschouwing gelaten.

Equivalentieschaal: standaardiseren van

inkomens(grenzen)

Het maakt veel uit hoeveel mensen in een huishouden van een bepaald inkomen

moeten leven. Inkomens(grenzen) van huishoudens van verschillende grootte en

samenstelling worden met behulp van een equivalentiefactor vergelijkbaar

gemaakt (CBS, 2004). Deze factor geeft weer hoe groot het schaalvoordeel is bij

het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Hierbij is het eenpersoonshuishouden

als norm gekozen met een bijbehorende factor gelijk aan 1. Voor elke

extra volwassene wordt 0,19 tot 0,37 en voor elk extra minderjarig kind wordt

0,15 tot 0,33 aan deze factor toegevoegd. Voor een echtpaar zonder kinderen

bedraagt de factor bijvoorbeeld 1,37. Een alleenstaande met een besteedbaar

inkomen van 1 020 euro per maand en een echtpaar met een besteedbaar

inkomen van (afgerond) 1 400 (= 1 020 × 1,37) euro per maand bevinden zich dus

op een even hoog welvaartsniveau. Voor de meest relevante huishoudenstypen

groepen is de equivalentiefactor opgenomen in tabel 1.1.1.

Perspectieven op armoede en sociale uitsluiting 15

More magazines by this user
Similar magazines