Armoede en sociale uitsluiting 2015

svanweyenberg

2015-armoede-en-sociale-uitsluiting

Onderzoeksmethode

Om de samenhang in het armoederisico van twee opeenvolgende generaties na

te gaan, is gebruik gemaakt van de bestanden van het Inkomenspanelonderzoek

(IPO). De gegevens over de inkomenspositie van steekproefpersonen uit het IPO

2013 zijn gekoppeld aan die van hun ouders uit 1989. Aangezien het IPO in de

drie jaren vóór 1989 niet uitgevoerd werd, hebben de cijfers over de langdurige

lage inkomens van ouders betrekking op de jaren 1989 tot en met 1992. Bij

ongeveer de helft van de steekproefpersonen uit een laag-inkomensgezin was

er gedurende deze hele periode sprake van een inkomen onder de lageinkomensgrens.

Vanwege de onderlinge vergelijkbaarheid van de gezinssituaties in 1989 en 2013

zijn voor het onderzoek alleen personen geselecteerd die in 1989 thuiswonend

minderjarig kind waren en in 2013 hoofdkostwinner of partner van de hoofdkostwinner.

Dit leverde een steekproefpopulatie op van 10 741 personen.

Deze groep vormt een representatieve afspiegeling van de bevolking van 24 tot

42 jaar oud die in 2013 al minimaal 24 jaar in Nederland woont.

Een steekproefpersoon was in 2013 gemiddeld 32 jaar oud en in 1989 gemiddeld

8 jaar. In 1989 bedroeg de gemiddelde leeftijd van het hoofd van het gezin

38 jaar.

Armoederisico hangt beperkt samen met

inkomenspositie ouders

Van de personen die opgroeiden in een gezin dat in 1989 moest rondkomen van

een inkomen onder de lage-inkomensgrens maakte 17 procent in 2013 deel uit van

een huishouden met eveneens een laag inkomen. Dat is ruim twee keer zo vaak

als bij degenen van wie de ouders destijds een hoger inkomen hadden (8 procent).

Ook was er bij hen vaker sprake van een langdurig laag inkomen: 3 procent versus

1 procent. Bij personen uit gezinnen die vier jaar achtereen (1989–1992) kampten

met een laag inkomen, is de relatie met de ongunstige inkomenspositie van de

ouders iets sterker: 20 procent had in 2013 een laag inkomen, terwijl 4 procent dit

al vier jaar of langer had.

Er is dus een verband tussen een (langdurig) laag inkomen van ouders en dat van

kinderen. De relatie is echter beperkt. Veruit de meeste personen uit gezinnen

met een laag of langdurig laag inkomen in 1989 (83 respectievelijk 80 procent)

Kans op armoede bij personen 51

More magazines by this user
Similar magazines