Armoede en sociale uitsluiting 2015

svanweyenberg

2015-armoede-en-sociale-uitsluiting

In dit hoofdstuk staat de samenhang tussen inkomen en leefsituatie centraal.

Meer in het bijzonder wordt ingezoomd op de mate waarin een laag inkomen

samengaat met sociale scheidslijnen, crimineel gedrag, een slechtere gezondheid,

een ongezonde leefstijl en lagere kwaliteit van wonen. In hoeverre

werkt een laag inkomen door op het vertrouwen in de samenleving? Hoe

maatschappelijk actief zijn mensen met een laag inkomen? In hoeverre

bestaat er een relatie met het plegen van delicten en met slachtofferschap

van criminaliteit? Hoe staat het met de gezondheid en met roken, drinken

en overgewicht in de lagere inkomensgroepen? Bij welke groepen zijn de

zorgkosten het hoogst? Zijn er verschillen naar inkomenspositie op het vlak van

wonen en de kwaliteit van de leefomgeving?

4.1 Participatie en vertrouwen

Sinds de Troonrede van 2013 is er veel aandacht voor de ‘participatiesamenleving’.

De overheid legt steeds meer taken en verantwoordelijkheden bij de burger. Hij of

zij wordt geacht sociaal actief te zijn en in die rol sociale contacten aan te houden,

anderen hulp te bieden, zich in te zetten als vrijwilliger en deel te nemen aan het

verenigingsleven. Voor de sociale samenhang in een samenleving is behalve meer

of minder actief meedoen ook het vertrouwen van de burger in medemens en

instituties bepalend. Geen of geringe tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen

in ‘meedoenen ‘vertrouwen’ wijzen op sterke eensgezindheid over normen

en waarden en op onderling begrip. Grotere tegenstellingen duiden op minder

eendracht of verbrokkeling van de sociale samenhang. Vooral opleiding zorgt voor

tegenstellingen: hoger opgeleiden doen ‘meer mee’ en hebben bovenal ‘meer

vertrouwen’ dan lager opgeleiden. Kennis is onmiskenbaar van belang. Dat roept

de vraag op of inkomen, die andere belangrijke sociaaleconomische hulpbron,

eveneens breuklijnen in de sociale cohesie teweegbrengt.

Meer maatschappelijke participatie bij hoger inkomen

In de periode 2012–2014 heeft 84 procent minstens een keer per week contact

met familie buiten het eigen huishouden, 76 procent heeft wekelijks contact met

vrienden of bekenden en 64 procent met de buren. Binnen alle inkomenslagen

onderhoudt een duidelijke meerderheid sociale contacten. Samen met het hoogste

inkomenskwintiel heeft het laagste kwintiel iets minder vaak burencontact, terwijl

de laagste inkomensgroep wel wat vaker met hun vrienden omgaat. Zo’n 3 procent

De sociale context van armoede 57

More magazines by this user
Similar magazines