Armoede en sociale uitsluiting 2015

svanweyenberg

2015-armoede-en-sociale-uitsluiting

heeft geen wekelijks contact met zowel familie, als vrienden of buren. Deze kleine

groep, die van sociale contacten is uitgesloten, wordt in alle vijf inkomensgroepen

aangetroffen.

4.1.1 Sociale contacten naar inkomenskwintiel, 2012/2014

Wekelijks

burencontact

Wekelijks

vriendencontact

Wekelijks

familiecontact

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90

%

1e kwintiel (laag)

2e kwintiel 3e kwintiel 4e kwintiel 5e kwintiel (hoog)

Bron: CBS, Sociale samenhang en Welzijn.

Een op de drie personen geeft maandelijks hulp aan anderen. Er is nauwelijks een

relatie met het inkomen. Bijna de helft van de bevolking zet zich minstens een

keer per jaar in als vrijwilliger voor bijvoorbeeld school, sportclub en verpleging.

In het laagste kwintiel is 44 procent vrijwilliger, in de hoogste inkomensgroep

55 procent. In het verenigingsleven is het grootste verschil zichtbaar: van de

laagste inkomensgroep verrichtte 48 procent activiteiten in een vereniging, van de

hoogste 70 procent.

In vergelijking met informele hulp zijn activiteiten binnen organisaties sterker

gerelateerd aan inkomen: naarmate het inkomen stijgt, worden er meer

vrijwilligers aangetroffen en is een groter deel actief in verenigingsverband.

De hogere inkomens beschikken onder meer over meer geld en dat biedt meer

mogelijkheden om actief te zijn. Ook kennis is een belangrijke hulpbron: hoe

hoger het onderwijsniveau, hoe meer participatie. Bezien binnen de afzonderlijke

opleidingsgroepen verdwijnt het verband tussen inkomen en vrijwilligerswerk

grotendeels. Dat geeft aan dat vooral opleiding de bepalende factor is en niet

inkomen. Voor de deelname aan het verenigingsleven geldt dit niet. Binnen de

afzonderlijke opleidingsgroepen is het deel dat actief participeert in verenigingen

telkens groter naarmate het inkomen hoger is. Kortom, inkomen is vooral nodig

58 Armoede en sociale uitsluiting

More magazines by this user
Similar magazines