Armoede en sociale uitsluiting 2015

svanweyenberg

2015-armoede-en-sociale-uitsluiting

4.4 Woonsituatie

Lagere inkomens wonen relatief vaak in

huurappartement

In 2012 bestond bijna 70 procent van de zelfstandige woningen uit eengezinswoningen

en ruim 30 procent uit meergezinswoningen, zoals flatwoningen

en appartementen. Van het totaal aantal bewoonde woningen, zowel een- als

meergezins, was rond de 60 procent een koopwoning (Ministerie van BZK en CBS,

2013). De woonsituatie van lagere en hogere inkomens verschilt sterk. De meeste

huishoudens in de laagste twee inkomenskwintielen wonen in een huurwoning.

In meer dan de helft van de gevallen betreft het een huurappartement. Vanaf

het derde kwintiel is de eengezinskoopwoning in toenemende mate de meest

voorkomende behuizing. Woont in de derde kwintielgroep nog iets meer dan de

helft in een eengezinskoopwoning, in de vijfde kwintielgroep is dat drie kwart.

Deze resultaten hangen mede samen met het verschil in samenstelling van de

inkomensgroepen. De laagste inkomensgroepen bevatten naar verhouding veel

alleenstaanden en alleenstaande ouders, terwijl in de hogere juist meer paren met

en zonder kinderen te vinden zijn (zie bijlage B).

Een deel van de huishoudens, circa 5 procent, woont niet in een zelfstandige

woning. Het gaat veelal om jongeren met een laag inkomen – studenten – in

woningen met gedeelde faciliteiten. Deze zijn hier buiten beschouwing gelaten.

24% van de lage inkomens

in 2012 in een koopwoning

Aawoonde

Van de huishoudens met een laag inkomen woont 46 procent in een huurappartement

en 30 procent in een eengezins huurwoning. Onder de huishoudens

met een langdurig laag inkomen zijn deze aandelen met respec tievelijk 48 en

35 procent iets hoger. Zo’n 24 procent van de huishoudens met een laag inkomen

en 17 procent van de huishoudens met een langdurig laag inkomen woont in een

koopwoning.

De sociale context van armoede 91

More magazines by this user
Similar magazines