Onafhankelijkheidsfeesten Tienhoven, Oud-Maarsseveen en Breukeleveen op 9 en 10 september 1913

hkloosdrecht

Verslag van het feest in bovengenoemde dorpen ter gelegenheid van 100 jaar vrijheid.

;f!J~~coJ,

DE ONAFHANKELIJKHEIDSFEESTEN

============== TE ==============

TIENHOVEN, OUD-MAARSSEVEEN EN BREUKELEVEEN

OP 9 EN 10 SEPTEMBER 1913.

@J(QJ

@j[Q]

ELECTRISCHE DRUKKERIJ VAN P. DEN BOER ::

UTRECHT.


INLEIDING.

De Feestcommissie heeft op verzoek van velen besloten

een geschriftje uit te geven, waarin ons Onafhankelijkheidsfeest

eenigszins uitvoerig werd beschreven. Met genoegen

heb ik aan het verzoek der Commissie voldaan dit boekje

te schrijven.

Gaarne maak ik van deze gelegenheid gebruik, allen dank

te zeggen, die mij zoo bereidwillig hun toespraken afstonden

en tevens aan degenen die mij inlichtingen gaven omtrent

de kinderspelen en den optocht.

Tienhoven, December 1913.

ANNE FIJNVANDRAAT.


1813. Herstel van Nederland's onafhankelijkheid.

Dit jaartal roept dadelijk tal van herinneringen bij ons

wakker. De val van den grooten NAPOLEON, de terugkeer

van den Prins van Oranje, Holland weer een vrij land!

Is het wonder, dat bijna iedere gemeente in ons vaderland

besloot, het jaar 1913 tot een jubeljaar te maken en

feestelijk te gedenken, welke groote dingen God honderd

jaar geleden voor ons vaderland heeft gedaan?

Zoo maakte men ook in ems dorp het plan, dit feest, zij

het dan ook op bescheiden wijs, te vieren.

Reeds in Juni van dit jaar verzocht de Burgemeester

van Tienhoven, de heer M. FERNHOUT, eenige heeren uit

'rienhoven, Maarseveen en Breukeleveen, deel uit te maken

van een feestcommissie, die dan ook weldra geconstitueerd

werd. Ze bestond uit de hem·en M. FERNHOUT (Voorzitter),

J. P. DE KEIZER (Secretaris), H. ScHOENMAKER Ez. (Penningmeester),

Ds. G. B. FIJNVANDRAAT, Ds. A. C. HEIJ, Dr. H.

BERTEL, H. EMMENS, H. D. DUIVEMAN, P. TEN HAVE, N.J. VAN

HOEGEE, T. KROON, w. G. VAN OOSTROM, A. VERHOEFF,

C. VERHOEF Wz. en E. VANDER WILT, terwijl de heeren S. I.

CAMBIER VAN NooTEN, Burgemeester van Maarssen en

Maarsseveen en Mr. M. P. TH. a TH. VAN DER Hoop VAN

SLOCHTEREN, Burgemeester van Breukelen St. Pieters, tot

eerelid werden gekozen.

Daar men gaarne een deel der werkzaamheden aan

jongere krachten opdrqeg, besloot deze Feestcommissie

eenige jongelui uit de drie gemeenten te verzoeken, een

sub-Commissie te vormen, waarin zitting namen de heeren

G. A. B. FIJNVANDRAAT (Voorzitter), W. S. EMMENS (Secretaris),

J. VAN DER WILT (Penningmeester), J. J. DESTA, G. VAN


6

EE, G. MANTEN, A. TIMMER, A. VOORNEVELD, G. VERHOEF,

A. VAN VLIET, H. VAN WALDERVEEN; ondanks het vrij

groote aantal Commissieleden, werden de plannen betrekkelijk

weinig bekend; slechts hoorde men vage geruchten

over een landing van den Prins van Oranje, een openlucht

bioscoop en kinderspelen. Aileen omtrent den datum van

de .voorgenomen feestdagen, 9 en 10 September, had men

zekerheid.

Toen opeens groote oranjepapieren, die overal in de drie

gemeenten waren aangeplakt, een duidelijk program van

het feest lieten zien.

De eerste dag begon dan met een kinderfeest.

De kinderen waren al sinds weken vol verwachting en

Dinsdagmorgen 9 September reeds vroeg, zag men hen

met vlaggen, oranjemutsen, sjerpen, gereed om naar school

te gaan. De dorpen zelf kregen langzamerhand ook een

feestelijk aanzien; uit elk huis wapperde de vlag, en bijna

ieder was bezig zijn huis of brugje te versieren, of nog

iets te verbeteren, terwijl verschillende eerepoorten verrezen

waren.

's Morgens negen uur werden de kinderen in hun scholen

onthaald op krentenbroodjes en chocolade.

De openbare lagere school te Oud-Maarsseveen en de

Christelijke school te Tienhoven werden door de Feestcommissie

bezocht. Ook de Burgemeesters van Maarssen

en Breukelen waren daarbij tegenwoordig.

Het deed ieder zeker zeer leed, dat het Hoofd der Bijz.

School, de heer H. EMMENS, door ernstige ongesteldheid

verhinderd was, tegenwoordig te zijn. De heer EMMENS

wilde echter in geen geval, dat de kinderen ter wille van

hem, minder pleizier zouden hebben, zoodat de leerlingen

van zijn school even vroolijk en blij als die der Openbare


7

School hun schoolgebouw verlieten en in optocht naar het

terrein trokken, waar de kinderspelen gehouden werden.

Het was een alleraardigst gezicht, toen de kinderen onder

geleide van hun onderwijzers en onderwijzeressen van

beide kanten aankwamen, allen getooid met oranjesjerpen,

ceintuurs of strikken; sommige jongens droegen vlaggen,

andere hadden papieren steken opgezet. Onder bet zingen

van vaderlandsche liederen, van te voren op de scholen

geleerd, bereikten zij het terrein, waar reeds verschillende

toeschouwers, voornamelijk moeders met kleinere broertjes

en zusjes, aanwezig waren.

Ook hier waren de leden der Feestcommissie tegen·

woordig, en de politie zorgde er voor, dat alles in de

grootste orde geschiedde.

De kinderen hadden groote pret en deden allen dapper

hun best en namen met opgewektheid deel aan de aardige

spelletjes. De toeschouwers vermaakten zich zeker evenzeer

terwijl zij de kinderen aanmoedigden of de prijswinners

toejuichten.

Eindelijk konden aan de volgende kinderen prijzen worden

uitgereikt.

Met turfrapen: J. Bakker, H. v. Garderen, J. ten Have,

L. Leeflang, I. Meijers, J. Pieneman, A. van der Tol en

A. Verhoef.

Met zakloopen: A. de Graaf, G. Kroon, G. Walderveen

en E. W. Zeldenrijk.

Met tonnetje rollen: A. Oudhof en J. van Schaik.

Met eierenwedloop: E. v. d. Vaart en E. v. d. Wilt.

Met ballenwedloop: F. Bakker en R. van Oostrum.

Met kussentjeswedloop: M. van Eik, C. van Ewijk, A.

van Garderen, 0. Meyers en A. van Schaik.

Uit de tom bola hebben prijzen getrokken: R. de Graaf,

J. van Oostrom en M. Verhoef.


8

De heer H. ScHOENMAKER Ez. had er voor gezorgd, dat

geen der andere kinderen met ledige handen naar huis

behoefde te gaan, door elken jongen een zakje knikkers

en ieder meisje een bekertje ten geschenke te geven.

Na de uitdeeling der prijzen, begaven de kinderen zich

weer naar hun scholen, waar ze opnieuw onthaald werden

op krentenbroodjes en chocolade, terwtjl ten slotte elk kind

nog een plaat, betrekking hebbende op de gebeurtenissen

van 1813, present kreeg.

Hiermede was dan het eigenlijke kinderfeest geeindigd.

Om aan de algemeene feestviering wijding te geven, was

tegen den avond van 9 September een openbare bijeenkomst

belegd, waarvoor door H.H. Kerkvoogden het kerkgebouw

der Ned. Herv. Gemeente welwillend ter beschikking

van de Feestcommissie was gesteld. Toen de deuren geopend

werden stroomde het kerkgebouw geheel vol.

Ten 7 ure opende Ds. G. B. FrJNVANDRAAT, Ned. Herv.

Predikant te Tienhoven deze feestelijke bijeenkomst.

Spreker riep aile aanwezigen namens de Feestcommissie

het welkom toe. De Feestcommissie had gemeend te

handelen in den geest der bevolking, door op dezen avond

een bijeenkomst te beleggen, waarin in herinnering werden

gebracht de gebeurtenissen van voor honderd jaar in verband

met onze onafhankelijkheid.

N a een paar niet geslaagde pogingen had de Commissie

Ds. K. FERNHOUT bereid gevonden hierover te spreken.

Voordat hij hem echter daartoe het woord verleende, stelde

spreker voor te samen aan te heffen Psalm 77: 7. Hij

hoopte, dat men dit lied uit voile borst zou aanheffen, en

dat men deze feestdagen niet aileen zou zingen liederen

die zin nog slot hebben, zooals van ,Manus heb jij een

hoed op" en meer dergelijke dwaze liederen. 't Had spreker


9

getroffen, toen hij dezen morgen een troepje feestelijk uitgedoschte

kinderen zijn huis zag voorbij gaan, die maar

niets anders zongen en onophoudelijk herhaalden:

Honderd jaar na dezen,

Dan zullen we er niet meer wezen

In de gloria.

Hij schreef dit weemoedig, eentonig zingen toe aan de

nabijheid van onze groote waterplassen, die ook voortdurend

hun droefgeestig en eentonig geklots doen ho01·en.

Nadat men bet Psalmvers had gezongen, sprak Ds. FrJN­

VANDRAAT nog enkele oogenblikken over bet dankbaar gedenken

van de groote daden Gods ons land en volk bewezen

en noodigde toen Ds. FERNHOUT uit tot bet houden van

zijn feestrede.

Eerst echter zongen de beide zangvereenigingen ,Het Cijfer"

en ,Halleluja'' onder leiding van den beer J. P. DE KEIZER:

Wilhelmus van Nassouwe,

Ben ik van Duitschen bloed.

Het vaderland getrouwe

Blijt' ik tot in den doet.

Een Prince van Oranje

Hen ik vrij onverveerd,

Den Koning van Hispanje

Heb ik altijd geeerd.

Mijn schild ende hetrouwen,

Zijt Gij o God mijn Heer.

Op U zoo wil ik bouwen;

Verlaat mij nimmer meer.

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar t' allen stond,

De tirannie verdrijven,

Die mij bet hart doorwond,


10

Vervolgens beklom Ds. FERNHOUT van Amsterdam den

kansel en sprak als volgt:

Geachte Toehoorders, waarde Feestgenooten,

'tIs 17 Januari 1795.

We zijn te Scheveningen. Heel het anders zoo levendige

visschersdorp schijnt in rouw. De gordijnen achter de

kleine ruitjes zijn, als was er in elke woning een doode,

neergelaten. De straten zijn stil en leeg. Slechts hier en

daar sluipt er een enkele visscher of visschersvrouw om

een hoek een der strandpaadjes op. Dan klimmen ze op

het duin; de mann en schuiven. den zuid-wester naar achter;

de vrouwen houden de hand boven de oogen - en ze

turen, turen onbeweeglijk en lang over 't watervlak in de

richting van Engeland . . . Straks keeren ze terug naar hun

woningen, in gebogen gestalte, nu en dan bedroefd het

hoofd schuddend en stil met de ruwe hand een traan

wegvegend van de verweerde wangen. -

Wat er gebeurd mag zijn?

Prins Willem V, sedert 1766 Stadhouder van Holland en

Kapitein-Generaal der overige Gewesten, moest den vaderlandschen

bodem verlaten, ... als een balling ... als een

vluchteling ... naar Engeland.

En 't is een slecht teeken, als een Oranje Holland moet

. verlaten, omdat - Holland Oranje verliet. Dat voelen, dat

weten die eenvoudige Scheveningsche visschers, in wier

borst van ouds het Hollandsche hart zoo zuiver klopt.

Ze kennen de geschiedenis van den goeden Prins; en ze

beklagen hem. Ze kennen zijn geschiedenis - en 't hart

klopt hun bang, wijl ze er de geschiedenis buns volks van de

laatste halve eeuw in lezen. Een smadelijke en vernederende

geschiedenis - profetie, naar ze vreezen van nog smade·

lijker en nog vernederender.


11

Laat ons 66k lezen, opdat we verstaan mogen, wat ontferming

God ons bewees, toen Hij Oranje, 18 jaren later,

tot ons we~rkeeren deed.

'tWas een ver van begeerlijke erfenis, die de meerderjarig

geworden Prins in 1766 aan vaardde uit de hand en

zijner Moeder, die van 1751-1759, als zijn Voogdes, en

van den Hertog van Brunswijk, die van 1759-1766, als

zijn Voogd, het bewind voor hem voerde.

Onze buitenlandsche staatkunde was vastgeloopen sedert

Frankrijk en Oostenrijk, op wier naijver ze steunde, zich,

in den zeven-jarigen oorlog, tegen Pruisen verbonden.

Daarenboven bracht ook de zee-oorlog tusschen Engeland

en Frankrijk ons in 't nauw, en liet onze Westelijke overbuur

ons op allerlei wijze zijn ongenoegen ondervinden over een

kwalijk volgehouden neutraliteit.

En binnenslands was de staat van zaken niet beter.

Het leger was in desolaten toestand. Het zeewezen in

diep verval. Toenemende weelde en belachelijke pronkzucht

hadden vroeger opgelegde schatten goeddeels opgeteerd.

Wufte Fransche zeden de dege vaderlandsche gebruiken

verdrongen. Politieke verdeeldheid en kleinzielige naijver

de kracht van ons volk gebroken. En wat erger was dan dit

alles - en goeddeels zijn oorzaak - de religie was verslapt

en verwaterd; de zenuw van 't zedelijk leven doorgesneden.

Zoo was de toestand, toen de jonge Prins de regeering

aanvaardde. En nauwelijks was hij Stadhouder, of de

moeilijkheden vermeerderden met den dag.

De onvoorzichtige steun, door onze rijke kooplieden (en

door de stad Amsterdam vooral), geboden aan Noord­

Amerika, dat met Engeland een strijd voor zijn vrijheid

op leven en dood had aangebonden, haalde ons een oorlog

met het overmachtige Brittanje op den hals.


12

Tevergeefs blonk in den slag bij Doggersbank nog een

naglans van den ouden heldenmoed. De vernederende vrede

van Parijs was 't einde.

Onmiddellijk daarop dreigde een botsing met Oostenrijk.

Machteloosheid tot verweer doemde ons voor ettelijke millioenen

een genadigen vrede te koopen.

Inmiddels gingen burgertwisten voort, de innerlijke

kracht des volks te verteeren.

Naast de oude Omnje- en Regenten-partijen, was nog

een derde opgekomen: die der Democraten.

Der Democraten: geesteskinderen van de Fransche vrijdenkers

VoLTAIRE en RoussEAU, en naar de leer dezer grootmeesters

der Revolutie, roepend voor volkssouvereiniteit.

Tegenvoeters van de Aristocraten of Regenten, werden

ze in gemeenschappelijken haat tegen Oranje welhaast hun

bondgenooten.

,Patriotten" noemden zich de verbroederde partijen.

Patriotten - om de Oranjeldanten te brandmerken als

verraders van land en volk.

De vorstenhaat in Frankrijk bracht hun heete bloed tot

't kookpunt .

.Aanvallen op den Prins waren aan de orde van den dag.

Libellen en schotschriften tegen hem overstroomden

het land.

De afloop van den Engelschen o01·log, de hopelooze toestand

van leger en vloot, -· alle denkbn.re ellende werd

hem verweten.

Tot overmaat van ramp werd juist toen de Acte van

Consulentschap openbaar; een onvoorzichtig contract tusschen

den Stadhouder en den Hertog van Brunswijk, dat

den laatste een meer dan behoorlijken invloed gaf op den

gang van 's Lands zaken, zonder een schijn van persoonlijke

verantwoordelijkheid.


13

Z66 hoog klom de haat tegen den Prins, dat in sommige

plaatsen de vroedschap zelfs het dragen van oranje verbood.

De maat liep over toen de Staten van Holland den Prins

het bevel over het Haagsche garnizoen ontnamen en hem

schorsten in zijn waardigheid van Stadhouder en Kapitein­

Generaal.

Al deze beleedigingen en vernederingen droeg de Stadhouder

met de grootste gelatenheid. Al wat hij deed was

waarschuwen tegen den heilloozen weg dien men hetland

bezig was op te drij ven.

Als niemand naar hem luistert, trekt hij zich zwijgend

terug op 't Loo.

Doch 't was niet enkel zachtmoedigheid die hem deze

houding ingaf. Ze was 66k gevolg van een laakbare zwakheid

die zich reeds vroeger gedurig verried. En 66k: de

Prins kende zijn volk, kende Oranje's ,kleine lutiden" niet.

Geheel anders was de houding van zijn kloeke gemalin,

de krachtige en voortvarende Wilhelmina van Pruisen.

Zulk een smaad en onrecht lijdelijk te dragen, was haar

onmogelijk. Van 't Loo ijlde ze naar Den Haag om bij

de Staten in verzet te komen. Maar bij Goejanverwellesluis

werd ze door haar eigen volk opgevangen en tegengehouden

alsof ze een gevaarlijke indringster was.

Dit bracht haar broeder, den koning van Pruisen, tegen

ons in 't geweer. In minder dan geen tijd trokken 20.000

Pruisische soldaten over onze Oostelijke grenzen, door de

Oranje-gezinden toegejuicht, door de Patriotten voor landverraders

gescholden.

De Staten bezweken voor de overmacht. Oranje werd

in zijn waardigheid hersteld en gedekt door de Acte van

garantie.

De Oranje-partij maakte gebruik van het oogenblik om

zich te wreken. Duizenden Democratische Patriotten zond


14

ze als staatsgevaarlijk in ballingschap. 'tWas olie in het

vuur van den partij-haat.

De Patriotten zonnen thans op hun beurt op wraak;

en ze wisten te bewerken dat het machtige Frankrijk der

Republiek den oorlog verklaarde.

Niet lang of de Fransche armee stond op onze grenzen,

met den onverbiddelijken eisch, dat Oranje eens en voor

goed het land werd uitgejaagd.

,De Stadhouder" - zoo luidde de proclamatie van den

Franschen Generaal Dumouriez - ,de Stadhouder houdt

u in verdrukking en slavernij. Wij treden Holland binnen

als vrienden van de Bataven en onverzoenlUke vijanden

van Oranje. Zendt dat trotsche Huis, dat sedert honderd

jaar u aan zijn hoogmoed opoffert, naar Duitschland terug.

Ik kom tot u, omringd door edelmoedige rnartelaren der

omwenteling van 1787. We zullen uwe rijke Gewesten

doortrekken als vrienden en broeders".

, Uwe rijke Gewesten ... als vrienden en broeders"!

Zoo sprak Dumouriez. Z66 sprak de Revolutie.

Het volk hoorde .... en het antwoordde niet. Het had

geen woord voor Oranje! ....

De Prins ho01·de 66k . . . . En hij antwoordde. Hij antwoordde

.... door uit te wijken. Dat was een antwoord -

en hoe welsprekend! - op den laster van Dumouriez:

,dit trotsche Huis heeft u rneer dan 100 jaar opgeofferd

aan zijn hoogmoed".

De Prins g'ing. En dit_ waren zijn laatste woorden tot het

ondankbare volk dat hem verdringen liet van den bodem,

doorweekt en vrijgekocht met het bloed zUner vaderen:

,Deze vernedering heb ik als mensch dubbel verdiend,

doch niet in de waarneming mijner posten. Dwaalde ik

soms, ik deed het te goeder trouw; opzettelijk benadeelde

ik nooit zelfs rnijn bittersten vtjand. De ware bron onzer


15

ongelukken ligt niet in de onverantwoordelijke handelwijs

van zoovele Nederlanders of in de kwade trouw der bondgenooten,

maar in de nationale zonden en ongerechtigheden.

God heeft een twist met Nederland en toont het in de mis·

lukking van alle pogingen, en ook nu in den (ellen vorst,

die de wateren tot een gebaanden weg maakt. Wie zal

oprichten als God ter neer werpt !"

,Als God ter neer werpt ..."

En God wierp neer, dieper nog en smadelijker.

Maar 't volk droomde van verlossing.

De Franschen begroette het als zijn redders.

Dronken in den roes van ,vrijheid, gelijkheid en broederschap",

danste het om den vrijheidsboom.

En de broederschap sleep reeds den valbijl voor de halzen

der Orangisten.

Frankrijk scheen te redden. Maar 't loog; zooals het zelf

belogen was door den geest der Revolutie.

't Maakte ons land tot Bataa(sche Republiek, in schijn

onafhankelijk, in waarheid van uit Frankrijk geregeerd en

geexploiteerd.

Intusschen vroegen de onbaatzuchtige ,vrienden en

broeders" 100 millioenen guldens voor hun diensten, en

beloonden ze onze gastvrijheid met het achterlaten van

een leger van 25.000 man. Wij mochten zien hoe we 't onder·

hielden. Op den grondslag van algemeen kiesrecht werd

ons bestuur op Fransche leest geschoeid.

Eenige winst was: de vereeniging der naijverige Gewesten

tot een Bondsstaat en afschaffing van de Staatskerk.

De dure vriendschap met Frankrijk kwam ons nog

duurder te staan, door een oorlogsverklaring van Engeland,

die ze uitlokte.

Er was geen vloot - geen geld. De verloren slag bij

Kamperduin toonde onze machteloosheid.


16

·Handel en nijverheid bleven kwijnen, gingen onder.

De Fransche inkwartiering bleef ons uitputten. Waardelooze

assignaten waren 't geld waarvoor Frankrijk heette

te koopen wat het brutaalweg nam.

Inmiddels had Napoleon in Frankrijk de alleenheerschappij

bemachtigd.

NAPOLEON - een werelddwinger in wien de Cyrussen

en de Caesars van oude tijden uit hun graven herrezen

schenen.

Een ijsberg, die met onweerstaanbaar geweld voortdrong

in de zee der volken en alles rondom zich in de ijzige

koude van zijn trotsche heerschzucht verkillen en bevriezen

deed.

Een lawine van lood en staal, die de vrijheid en 't leven

der volkeren van Europa verpletterde.

Een vuur van ontembare hartstocht dat heel Europa in

brand stak.

Napoleon legde zijn ijzeren hand ook op Holland.

Schijnbaar om op te richten en vast te zetten. Hij gaf

ons een nieuwe Staatsregeling, die 't algemeen kiesrecht

afschafte en enkele honderden de beslissing over 's Lands

zaken in handen gaf.

De partijschap scheen te luwen.

3f5 van 't Fransche leger werd teruggenomen.

Handel en Scheepsbouw begonnen te herleven.

Doch Napoleons zegeningen waren van korten duur enmoesten

duur betaald.

Ten behoeve van zijn om·log met Engeland stelde de

Fransche Keizer ons arme volk de onmogelijkste eischen.

't Werd om zijn machteloosheid gestraft met een nieuwe

Staatsregeling, wier grondslag - tot meerder glorie van

den volkendwinger - het monarchale beginsel was.

Toen Napoleon daarop aan 't uitdeelen der overwonnen


17

landen ging, onder zijn bloedverwanten, werd Holland

toegewezen aan zijn broeder Lodewijk Napoleon (1806).

LOI)EWIJK was zachter en milder dan Napoleon 'thad

bedoeld. De Keizer greep over hem heen en vaardigde het

Continentale stel3el uit, d. w. z. hij verbood allen handel

op Engeland. Daarmee was onze negotie vernietigd. En

toen onze kooplieden en handelssteden door sluikhandel

het leven poogden te rekken, en Lodewijk naar 's Keizers

oordeel daartegen al te slappe maatregelen nam - toen

volgde in 1810 de laatste en diepste vernedering: We

werden kort en goed ingelijfd bij Frankrijk.

Wat dit beteekende ondervonden we in maatregel op

maatregel die ons als voetwisschen wierp op het bloedig

pad van den wereld-Keizer.

De vermindering van de rente der Staatsschuld met 2f3 bracht

een goed deel van ons volk met een slag tot den bedelstaf.

De conscriptie, d. w. z. de loting uit onze jonge mannen

van 20-23 jaar voor Napoleons legers, vergezeld van een

keuring die met aile eergevoel spotte en de slavenmarkt

vaak in schaamteloosheid achter zich liet, joeg de keur

onzer jongelingschap als kahonnenvleesch de slagvelden op

die Napoleons eer- en heerschzucht moesten verzadigen.

De belastingen ons door den verdrukker opgelegd persten

ons 't bloed van onder de nagels.

Tot overmaat van ramp legde Engeland de hand op al

onze kostbare Kolonien.

Alom heerschte of dreigde armoe.

De Kerken werden voor een goed deel van haar inkomsten

en vaste goederen beroofd. Predikanten en Onderwijzers

trokken als bedelaars het land door. En, bij gemis van

koopkracht, kwam een ongekende duurte der levensmiddelen

den nood schier tot wanhoop opvoeren. Koffij, suiker en

tabak kostten (3.-, zegge drie gulden, het pond.

2


18

In godsdienstig opzicht verstorven. Zedelijk gebroken.

Door tweedracht verscheurd. Prooi van een tiran, voor

wien heel Europa beefde. Van geld en goed beroofd. Alle

bronnen van welvaart toegestopt. Geen schijn van macht

tot verweer ....

W at on tbrak er nog aan de ellen de?

Wat liet ei: nog hope op herstel?

Ja, toch iets. Een ding. Maar dat alleen genoeg zou

blijken om wat dood en vertreden lag, weer op te richten

en leven in te storten.

Dat eene was de macht en de trouw van Hem, die naar

't woord van den Stadhouder had . neergeworpen. Wiens

geesel en werktuig ook Napoleon was.

Geesel om te tuchtigen ten bloede toe; maar werktuig

ook om te herstellen.

Wonderlijk, hoe God, dezelfde hand die niets bedoelde

dan af te breken en in puin te werpen, onder het ver·

woesten door de grondslagen liet leggen, waarop Hij ons

volksbestaan zou doen herrijzen.

Daartoe rekenen we de doorvoering van de godsdienstvrijheid

in 't afschaffen van de Staatskerk, die een bron

van naijver, van huichelarij en kerkbederf stopte; de in·

voering van een algemeene Wetgeving voor heel hetland,

die de idee van volkseenheid ontluiken deed en gifbeker

werd voor het aloude, doodelijke Provincialisme.

Voeg daarbij dat de punt van Napoleon's degen de prikkel

werd om het ingeslapen nationaliteitsgevoel te wekken;

en vooral, dat de gerichten Gods de volksconscientie be·

gonnen wakker te roepen, en bij die nog vasthielden aan

't geloof der Vaderen, weer schuldbelijdenis en gebed naar

de lippen dreven - en ge hebt de gegevens voor de

mogelijkheid van volksherstel.

Doch deze mogelijkheid kon geen werkelijkheid worden,


19

zoolang Napoleon's ijzeren vuist het leven der Europeesche

volkeren, 66k dat van Nederland, omklemd hield.

Dan - ook dezen klem heeft God gebroken.

In 't vo01jaar van '13 verspreidde zich het gerucht -

het drong ook in Holland door - van de vernietiging van

Napoleon's legers in Moscou. En Holland jubelde, al was

't met tranen in de oogen over de 15.000 zonen, die bij

Napoleon's neerlaag het leven lieten.

Niet lang dam·na kwam de tijding van den grooten slag

bij Leipzig, waar de vereenigde volkeren de macht van

den werelddwinger verpletterden.

Nog een wijle - en men sprak van de Russische kozakken

en de Pruisische regimenten, die aanrukten op Nederland's

grenzen.

Toen herademde ons volk.

Toen herleefde de hoop op redding.

De hoop op redding? ...

Maar nog altoos waren de Franschen heer en meester

in 't land.

Nog altoos hadden ze de teugels van 't bestuur in handen.

In Amsterdam, Rotterdam, 's Rage, Gorcum, Utrecht en

Dordt - en waar niet al? - lag nog altoos een Fransche

krijgsmacht, sterk genoeg om elke beweging tot vrijheid

te onderdrukken.

Bovendien - wat zou de in 't Zuiden nog altijd standhoudende

Fransche legerscharen beletten om Holland -

't laatste bolwerk tegen Engeland en de vereenigde machten

van 't Vasteland - binnen te rukken en tot het uiterste

te verdedigen ?

Had Napoleon niet gezworen, dat hij Holland liever aan

de zee zou prijsgeven dan ontruimen?

Doch de verbonden legers die bij Leipzig wonnen? -

Ja, maar wat zou er. van Holland overblijven als het


. 20

't tooneel werd van een doodelijke worsteling tusschen het

overschot van de Fransche armee en de legers der Bond·

genooten?

En zoo 't daartoe niet kwam; zoo Pruissen en Russen,

wier voorposten zich reeds over de grenzen schoven, zonder

slag of stoot het land binnentrokken - wie kon ver·

zekeren, dat ze Nederland niet als een overwonnen land

zouden beschouwen en het laatste spoor van zijn onaf·

hankelijkheid zouden uitwisschen?

Inderdaad, dit laatste gevaar was niet het geringste.

Zoo slingerde de volksziel tusschen hoop en vrees. Men

aarzelde, men weifelde, men wist niet witt te doen en wat

te laten.

Toen kwamen ze bijeen: de 3 kloeke mannen - eere

zij hun nagedachtenis! - VAN HOGENDORP, VAN DER

DUYN VAN MAASDAM en VAN LIMBURG STIRUM, Om te

beraadslagen wat te doen ware om het nationaal bestaan

te redden. En ze zagen den weg tot de vrijheid klaar en

duidelijk: tegenover de ontmoedigde Fransche bezetting

mocht niet langer geaarzeld, en de legers der bondgenooten

mochten geen laf en. besluiteloos volk op onze erve vinden.

Ze moesten er ontmoeten: een natie die haar recht en haar

vrijheid hernam en een plaats voor zich opeischte onder

de volkeren van Europa.

En ze geloofden, ze wisten, dat er slechts een woord

behoefde gesproken, een daad behoefde verricht te worden,

om tot z66 moedig optreden het zich terugvindend volk

te bewegen.

Dat eene woord was de naam van Oranje, en die eene

daad het opnemen van het Landsbestuur in den naam

van Oranje.

Dit laatste was geen verzinsel, zoomin als de macht

van den Oranje-naam een fictie was. Of was en bleef de


21

Prins niet naar erf-recht Stadhouder en Kapitein-Generaal

der Gewesten?

Ze voegden de daad bij het ;woord. In naam van den

jongen Prins aanvaardde van LIMBURG STIRUM het Gouverneurschap

van Den Haag en het opperbevel over de troepen;

VAN HOGENDORP en VAN DER DUYN VAN MAASDAM het

algemeene Landsbestuur.

Bij proclamatie werd het volk opgeroepen den Prins

van Oranje te erkennen als zijn Souverein; en een visscherspink

werd ·naar Engeland gezonden om den uitgeroepen

Koning te voeren naar den Vaderlandschen bodem.

De uitwerking was hoven alle verwachting verrassend.

Alom hernam de oude liefde voor Oranje haar rechten.

De stoutheid van het Driemanschap sloeg met de tijdingen

uit het buitenland het laatste restant van moed bij de

Fransche bezetting neer. Uit Amsterdam, Den Haag en

Utrecht vluchtten ze voor hun eigen schaduw; en ook te

Dordt en te Woerden, waar ze nog een oogenblik poogden

stand te houden, bleek hun veerkracht gebroken.

Het is door deze moedige daad, gewettigd door de historie

des Lands zooals Gods vinger die geschreven had, door de

erfelijke rechten van den Prins van Oranje, door de onder

Napoleon in beginsel tot stand gekomen Staatseenheid, en

eindelijk door de goedkeuring die er de liefde des volks

voor Oranje aan gaf - dat het edel dnemanschap wier

namen thans op aller lippen zweven, ons volksbestaan

heeft gered.

We spraken daar van de goedkeuring des volks. Ze liet

zich niet wachten. Ze volgde onmiddellijk.

Niet in den vorm eener stemming - niet altoos de

edelste en zuiverste openbaring der volksziel - maar in

de geestdrift, waarm~e, toen het driemanschap, met de

Oranjekokarde aan den hoed, op de straten te 's Hage ver-


22

scheen, groot en klein, eerst in Den Haag, en straks door

heel het land de geliefde kleuren in lint en bloem, in kokarde

en wimpel uitdroeg onder het gejubel van "Oranje boven".

'tIs :30 November 1813.

We ztjn weer te Scheveningen.

De gordijnen voor de ramen zijn opgehaald. Oranjekleuren

prijken in de vensters. De Oranje-winpel wappert vroolijk

van den toren.

In blijde haast spoedt zich de bevolking naar het strand.

Ze klimmen op de duinen. De mannen schuiven weer den

zuid-wester naar achter, de vrouwen houden de hand hoven

de oogen. Ze turen en turen over 't vlak der zee in de

richting van Engeland... Ze wijzen met den vinger ...

Ze lac hen en roe pen elkaar hoopvol toe: Daar is hij ! Daar

komt hij ! De Prins! Onze Prins!

De schuiten schieten van 't strand. Sterke armen doen

de golven opspatten voor den boeg. Straks wenden ze en

voeren, onder hoerahgeroep, in triumf de visscherspink met

den Prins aan boord, naar 't strand. Vandaar plassen en

plonsen rood-gebaaide mannen op hun sterke beenen en

met uitgestrekte armen den Prins tegemoet . . . Men heft

hem op de schouders ... Men draagt hem naar 't strand ...

Men kust hem de handen ... Men schreit en lacht, men

snikt en jubelt... En aller ziel smelt saam in wat een

dankzegging en een gebed tegelijk is: "Oranje! Onze Oranje!

Oranje hoven !"

'tIs een slecht teeken, als Oranje Holland verlaat. 'tIs

een profetie van nieuwe toekomst, als Oranje naar Nederland

weerkeert.

En de profetie is vervuld!

God heeft haar vervuld.

De Prins aanvaardde - niet zonder aarzeling, niet dan


23

na ernstigen aandrang, en niet dan onder voorwaarde, dat

de aloude rechten en vrijheden des volks in een constitutie

zouden worden gewaarborgd, (zoo is Oranje !) den titel van

Souverein Koning van Nederland . .

En heel het volk van Nederland schaarde zich om zijn

troon en 't riep: , Oranje hoven!"

Straks rees nog eenmaal de gewonde leeuw van Corsica

op. Maar de Nederland,sche leeuw was ontwaakt en trad

hem in Oranje met zijn ,Je Maintiendrai" (Ik zal handhaven)

brullend tegemoet. Op de slagvelden van Waterloo vloeide

weer Oranje-bloed voor Neerlands vrijheid, en was de naam

van onzen jongen Prins, later Koning Willem II, als den

held van den dag, op aller lippen.

Daar is de band tusschen Oranje en Nederland in het

gezicht van den dood bevestigd.

En wie schat den zegen, dien hij ons sedert bracht?

Bracht bovenal in de consolideering onzer nationale eenheid

en onafhankelijkheid ?

Daarom is op het gedenkfeest der herwinning van onze

onafhankelijkheid de naam van ,Oranje" op ons aller lippen.

We onthouden het driemanschap van 1813 onze hulde

niet; maar hoe hoog we de namen VAN HoGENDORP, VAN

DER DUYN VAN MAASDAM en VAN LIMBURG STIRUM ook

verheffen - het is en blijft ,Oranje boven!"

Doch - vergeten we in onze feestvreugde niet den eenen

Naam die hoven allen Naam is. Den Naam van Hem, in

Wiens hand Napoleon een roede was om ons te kastijden,

en die ons Oranje beschikte als een staf om ons aan op

te richten.

En zoo we Hem niet vergeten - neen, dan kunnen we

op ons eeuwfeest niet enkel jubelen. Dan gaat schuldbelijdenis

den jubel vooraf. Schuldbelijdenis, wijl de terugkeer

van Oranje door Gods genadig bestel, niet gevolgd


24

is door nationalen terugkeer tot Hem en Zijn Woord.

Wijl we wel gegrepen hebben de verlossing van den

Franschen druk, maar niet uitgebannen den boozen geest

der Fransche Revolutie.

En toch - eerst daarin ligt de ware vrijheid.

In de afhankelijkheid en het vertrouwen op den Potentaat

der Potentaten, met wien de Oranjes van ouds hun verbond

hadden, de ware onafhankelijkheid. Naar 't woord van den

ziener DA CosTA:

,De bron van heil en zegen,

- Oranje en Neerland boor' 't -

Is in Gods vrees gelegen,

Zijn Naam, zijn dienst, zijn Woord !"

Griffen we dit vermaan op dit ons gedachtenisfeest in

onze harten. Dan zal steeds meer in vervulling gaan de

profetie, waarmee de Vorst onzer dichters, midden in de

Fransche overheersching, onze verlossing voorspelde:

,Holland leeft weer,

Holland streeft weer,

Met zijn afgelegde vlag,

Door de bo01·den

Van het No01·den,

Naar den ongeboren dag."

,Holland groeit weer!

Holland bloeit weer!

Hollands naam is weer hersteld !

Holland uit zijn stof verrezen,

Zal opnieuw ems Holland wezen;

Stervend heb ik 't u gemeld."

Ik heb gezegd.


25

Nadat deze feestrede uitgesproken was, werden door alle

aanwezigen staande gezongen de beide coupletten van bet

Wilbelmus, bierboven reeds afgedrukt.

Mej. MARGARETHA DUIVEMAN, daarbij begeleid door orgelspel

van de beeren J. A. ToP en A. VAN VLIET, bracbt de

volgende liederen ten geboore:

'T KONINGSKIND.

Wat scbalt in blijde klanken,

wat zingt men t' allen kant,

door alle blonde gouwen van Nederland.

Hoort gij dat lied niet stijgen

uit aller berten grond? ~

Wie kan en wil nog zwijgen, bis.

. Op zulk een stond?

0 Koninginne aanbeden! naar U,

naar U aileen gaan duizend vrome beden

en wenscben been.

Gij schonkt als schat van Glorie,

Die Vorst en Yolk verbindt,

Het Kind ons der Victorie,

Het Koningskind.

Kind, dat een gansch verleden

Van glans, van liefde en leed,

Met gouden bande aan Heden

en Toekomst smeedt.

Eens lijk' zijn dierb're Moeder,

de Vreugd', de Trots van 't land, ~

Zoo spare 't de Albehoeder

Voor Nederland.

bis.


26

OUD NEDERLANDSCH LIEDERENBOEK. N° XXIII.

Kom nu met Sang van soeten tonen,

en u met snarenspel verblijt;

sing op, en wilt alom bethonen,

dat ghij van herten vrolijck sijt.

Juycht God ter eer, sijn lof vermeer',

die sulcken grooten werck

gedaen heeft, voor sijn kerck.

In Israel was dat een wijse,

valt met haer oock den Heer te voet;

dat elck nu toch God roem' en prijse,

die ons soo veel weldaden doet.

Roep overal met groot geschal:

lof, prijs en danck alleen

sti God, en anders geen.

VAN EENE KONINGSVROUWE.

ARNOLD SPOEL.

Er was een grijze koning, die heerschte in het land

bij der zee.

Hij reed daarheen waar de bergen zijn,

daar woont er zoo menig lief maagdelijn.

En hij bracht een jong bruideken mee,

Hij bracht een jong bruideken mee.

Die oude grijze koning, hij werd zoo mat, hij werd zoo krank;

Aan 't leger lachte het dochterkijn,

en de Vrouwe, zij reikte hem medicijn,

veel dagen en maanden lank,

veel dagen en maanden lank.

Doe stierf de grijze koning.


27

't Was bij zijn open graf,

dat met een kus de .Vorstenvrouw,

den schepter van goud,

omfloersd van rouw,

aan hat blozende dochterkijn gaf.

Het dochterken gaf den gouden, den zwaren schepter

haar weer.

Ach Moeder, (zei ze), dat gij hem bewaar!

Voor ik groot zal zijn komt nog menig jaar,

Ik ben nog zoo jong en zoo teer.

Doe heerschte de koninginne

al over het land bij der zee.

En het zeevolk zingt: Ja dat blonde kind

het wordt er zoo vurig van ons bemind

maar wij minnen de koningsvrouw mee.

Wij zweren dat blonde koningskind

de trouwe in vreugde en in smart

Maar de bruid uit het land waar de bergen zijn,

die Koningsvrouwe zoo fier en zoo rein,

zij heeft er gevangen ons hart.

Wij zweren dat blonde koningskind,

de trouwe in vreugde en in smart;

die Koningsvrouwe zoo fier en zoo rein,

zij heeft er gevangen ons hart.

N ogmaals zongen de beide zangvereenigingen.

Eerst:

0 schitt'rende kleuren van Nederland's vlag,

Wat wappert gij fier langs den vloed!

Hoe klopt ons het harte van vreugd' en ontzag,

Wanneer het uw barren begroet!


28

Ontplooi ze, waait uit nu, van stengen en stag,

Gij blijft ons het teeken, o heilige vlag,

Van trouw en van vroomheid, van vroomheid en moed,

Van trouw en van vroomheid en moed!

Of is niet dat blauw in zijn vlek'looze pracht,

Der trouw onzer vad'ren gewijd?

Of tuigt niet dat rood van hun man'lijke kracht

En moed in zoo menigen strijd.

Of wijst niet die blankheid, zoo rein en zoo zacht,

Op vroomheid, die zegen van Gode verwacht,

Den zegen, die eenig gedijt?

Waai uit dan, o vlag! en verkond onze bee,

Om trouw, en om vroomheid en moed,

De wereld ontzie u op golven en ree,

Maar daaldet gij ooit op den vloed,

Wij heffen uw wit uit de schuimende zee

En voeren naar 't blauw van den hemel u mee,

Al kleurt zich uw rood met ons bloed.

En daarna:

Wien Neerlandsch bloed door d' ad'ren vloeit,

Van vreemde smetten vrij,

Wiens hart voor land en koning gloeit,

Verhef' den zang als wij.

HU stel met ons, vereend van zin,

Met onbeklemden borst,

Het God gevallig feestlied in,

V oor Vaderland en Vorst.

Bescherm, o God! bewaak den grond,

Waarop onze adem gaat,

De plek, waar onze wieg op stond,

Waar eens ons sterfuur slaat.


29

Wij smeeken van uw Vaderhand,

Met diep geroerden borst,

Behoud van 't lieve Vaderland,

Van Vaderland en Vorst.

Dring luid van uit ons feestgedruisch,

Die bee uw hemel in,

Bewaar den Vorst, bewaar zijn Huis,

En ons, zijn huisgezin.

Doe nog ons laatst, ons jongst gezang,

Dien eigen wensch gestand,

Bewaar, o God! den Koning lang,

En 't lieve Vaderland!

Vervolgens nam Ds. A. C. HEIJ, Gereformeerd predikant

te Tienhoven, het woord als volgt:

Geachte Vergadering. We hopen dan morgen feest te

vieren. En feestvierende hopen we te herdenken, dat voor

nu honderd jaren ons volk zijn vrijheid en onafhankelijkheid

terug kreeg. Dat we tot feest viei·en reden hebben,

is u wei opnieuw gebleken, nu we werden herinnerd aan

de groote ellende, die, onder de Fransche overheersching

en met name onder de dwingelandij van Napoleon, door

ons volk geleden is. De verlossing van die ellende kan

dan ook nu nog, bij de heugenis daarvan, ons hart sneller

doen kloppen, zoodat we in blijde vervoering uitroepen:

Geloofd zij God, die ons deze verlossing schonk. Steekt

daarom vrij de vlaggen uit uw woningen. En wanneer Ge

dan opziet naar uw vlag en daarboven de oranjewimpel

ziet wapperen, bedenkt dan met ontroering der ziel, hoe

voor nu een eeuw Oranje weer met Nederland vereenigd

werd, en in die vereeniging van Nederland en Oranje,

weer begon te dagen het licht in het duister van ons


30

volksleven, en de dag is aangebroken, die nu nog een

ieder in Nederland ziet zitten "onder zijn wijnstok en zijn

vijgeboom."

Daar is evenwel, Geachte Toehoorders, meer te doen dan

feestvieren. Ons feest duurt maar een dag. En wanneer

vnze feestdag voorbij is keeren we terug tot het gewone

pad van ons dagelijksch leven. Maar zal dit feest door ons

niet te vergeefs gevierd zijn; dan moet het ons leven op

een hooger peil hebben opgevoerd, en dan zullen we moeten

verstaan, dat dit feest der herdenking van onze onafhankelijkheid

ons bij vernieuwing roept met een heilige roe ping;

en dan zal het ons ernstig willen moeten zijn, om die

roeping te vervullen.

Wat ons doet feest vim·en is de gedachtenis aan en het

nog steeds voortdurend bezit van onze herkregen onafhankelijkheid;

en de roeping waarvan ons feest weer bij

vernieuwing in uw ziel het besef moet levendig maken

is nu deze: die onafhankelijkheid te bewaren.

Dat handhaven onzer onafhankelijkheid is noodig. Het

kost'elijk goed onzer vrijheid heeft ook nu zijn belagers.

Het is een kwaad ook van onzen tijd, dat machtige volken,

die macht stellen boven recht, kleinere volken aan zich

onderwerpen, en uit de rij der natit\n wegdoen. Ge hebt

toch allen wel gehoord wat er - om maar dit eene

voorbeeld te noemen - met Finland gebeurd is; hoe dit

land door zijn machtigen nabuur gemaakt is tot een deel

van Rusland. En wat dat volk overkwam, zou ook ons

volk kunnen overkomen. En tranen als in Finland geschreid

worden door het volk, dat zijn onafhankelijkheid

verloor en zijn taal nu moet verruilen voor een vreemde,

zouden ook onze oogen wel eens kunnen verduisteren omdat

ook ons de eigen vlag werd ontnomen en de eigen taal

werd ontroofd.


31

We moeten niet meenen, dat wij kunnen rekenen op de

welwillendheid van andere volken, en dat deze de beschermende

hand over ons volksbestaan zullen uitstrekken, want

alle staten voeren roofpolitiek en een kind begrijpt reeds,

dat een dief een slechte beschermer is onzer schatten.

We mogen rekenen en staat maken op hooger hulp.

We mogen de bescherming Gods inroepen. Maar wanneer

we dat doen, en dat goed doen, dan moeten we het ook

verstaan, dat wij zelf geroepen zijn onze onafhankelijkheid

te handhaven. Helpt u zelf - zoo was een kernspreuk

onzer vaderen - helpt u zelf, z66 helpt u God. En een

spreukendichter van den nieuwen t\jd zeide eens: God geeft

de vogelen de kost, maar ze moeten er om vliegen. Tot

handhaving onzer onafhankelijkheid zijn we op ons zelf

aangewezen. En wanneer we niet zelf ons er voor inspannen,

om onze onafhankelijkheid te bewaren, dan zullen

dagen terugkeeren als v66r 1813; dagen, waarin Oranje

vertoeft in den vreemde, waarin onze Oranjevlag ligt weggeborgen

in een donkeren hoek, en waarin zuchten en

tranen zullen vervangen de blijdschap, waarmee we ons

nu verheugen.

En voor dat handhaven is nu onafwijsbare eisch, dat bestendigd

worde de band tusschen ons volk en God, tusschen

ons volk en het Huis van Oranje. In de eenheid dezer drie

lag onze kracht in het verleden. In de eenheid dezer d1ie

ligt ook de kracht voor de toekomst.

Toen Oranje kwam, de Vorst, die met den Potentaat aller

potentaten een hecht verbond had gesloten, toen kwam de

vrijheid van Spanje'sjuk. Toen regentenhoogheid en zondige

eigenwaan Oranje achteruitzette en God vergat, kwam

Fransche overheersching, Toen weer het geroep van het

volk: om Oranje Prins Willem III had gebracht aan de

regeering, en deze weer de bescherming Gods over ons


32

volk afsmeekte, waren spoedig voorbij de dagen, waarin men

sprak van redeloosheid, reddeloosheid, radeloosheid. Toen

nogmaals Oranje werd verdreven, kwam aan 'teind van de

18e eeuw de Fransche overmacht terug. En eerst toen

weer Oranje voet aan wal zette en zich stelde aan het hoofd

van ons volk, keerde de vrijheid. De les der historie is

zoo klaar: God, Nederland en Oranje, moeten saamverbonden

blijven zal het Nederland welgaan.

Zoo hebt Ge, Geachte Toehoorders, een roe ping ten opzichte

van u zelf. Gij moet u zelf blijven. Ons volk is een eigen

volk onder de natien. Ret heeft, waarin het zich van alle

volkeren onderscheidt, vooral in zijn taal. Wat Ge zijt,

moet Ge blijven. Ja, Ge moet steeds meer u zelf worden.

Als Ge Franschen of Duitschers of Engelschen wordt, houdt

uw vrijheid niet langer haar waarde, en zal ze u ook ontnomen

worden. Maar wanneer Ge u zelf blijft en steeds

meer wordt, dan zal de vrijheid u een kostelijk goed

blijven, en dan zult Ge in uw u-zelf-zijn een waarborg

hebben, dat men u uw vrijheid niet ontneemt.

Ge hebt een roeping ten opzichte van het Huis van

Oranje. Blijft dat Huis trouw. Vergeet nooit de weldaden,

die God u in en door dat Huis heeft geschonken. Vergeet

nooit, dat Ge niet zoudt geworden zijn wat Ge nu zijt, als

geen Oranjevorsten zich uw lot hadden aangetrokken. Blijft

trouw aan het Huis van Oranje en in deze tijden van woelingen,

waarin velen het toeleggen op de omverwerping van tronen,

moet het u altijd een voorrecht, maar ook een heilige

roeping blijven, het geschreeuw van de mannen der revolutie

te overstemmen met uw luid gejuich: ,Oranje Boven".

Zoo hebt Ge een roeping ten opzichte van den Heere

God. Niet met Oranje alleen, maar met God en Oranje is

uw zelfstandigheid gewaarborgd. Vergeet ook dat niet. Die

om Oranje roept, maar God vergeet, geeft der historie een


33

slag in het aangezicht. Vergeet God niet. Zoekt den band

tusschen den levenden, almachtigen God en uw volk. Doet

weg alle gedachten alsof gij zonder God u zelf zoudt

kunnen redden en weet het: dat alleen in Hem uw kracht

ligt. En bedenkt dan ook: God is God, de Almachtige, die

in den hemel woont. En wilt Ge Ztjn zegen ontvangen,

dan moet Ge in ootmoed wandelen voor Zijn aangezicht.

Viert dan z66 uw feest.

Laat uw feest u vroolijk stemmen. Maar laat uw feest

u ook ernstig stemmen en de roeping, waarmee Ge als

volk geroepen wordt u weer helder voor den geest brengen.

En het devies van ons Vorstenhuis, zij ten opzichte van

uw onafhankelijkheid, ook het uwe; dat fiere, manlijke,

besliste, ,Je Maintiendrai", ,Ik zal handhaven".

Wanneer Ge die roeping zult vervullen, dan zult Ge niet

alleen op uw feestdag, maar ook daarna, u telkens gedrongen

gevoelen tot danken en bidden. Tot het loven van

Gods naam om bet goede, dat Hij wilde schenken, maar

ook tot de smeeking voor Zijn aangezicht, dat Hij dien

zegen bestendige.

Dan zult Ge met onzen dichter BEETS moeten kunnen

jubelen en danken:

Des Heeren hand heeft groote dingen

A an land en volk gedaan;

Dies laat ons, Hem ter eere, zingen,

En dankbaar tot Hem gaan;

Nu, daar wij vroolijk juichend maaiden,

En droegen in de schuur,

Wat wij met zooveel tranen zaaiden,

In 't bang o.eproevingsuur.

8


34

Maar dan zult Ge ook met Hem moeten kunnen bidden :

Ons schild en ons betrouwen,

Zijt gij, o God en Heer.

Op u blijft N eerland bouwen

Verlaat ons nimmermeer.

Laat ons godvruchtig blijven

U dienen t' aller stond,

Al wat onteert verdrijven

Van Neerlands vrijen grond.

Nadat Ds. HEIJ geeindigd had met dankzegging zongen

de aanwezigen op zijn verzoek Psalm 75 : 1.

U aileen, U loven wij ;

Ja! wij loven U, o Heer!

Want Uw Naam zoo rijk van eer,

Is tot onze vreugd nabij

Dies vertelt men in ons land,

Al de wonderen Uwer hand!

Burgemeester M. FERNHOUT, sprakhet volgende slotwoord:

Geachte vergadering,

Met mij, zult gij allen u er in verheugd hebben, dat als

inleiding op onze gemeenschappelijke feestviering, door de

Feestcommissie ons deze schoone samenkomst bereid werd.

Ik vertrouw dan ook uit uw aller naam te spreken als

ik haar, de sprekers van dezen avond, de soliste en hen

die haar begeleidden, de zangers en zangeressen en hun

dirigent, dank breng voor wat we mochten hooren. Voor

wat we mochten h66ren niet aileen, maar ook voor wat

ze ons deden doorleven en gevoelen.


35

Hebben we niet bij het indenken van wat er -- bij alle

gebrek - goeds en schoons was in de historie en nog is

in het leven van ons Yolk, bli het ons rekenschap geven

van de groote zegeningen Land en V olk door den Koning

der Koningen geschonken, - hebben we bij dat alles niet

recht gevoeld dat we zijn led en van een Yolk?

Hebben we niet in gedachten den eed van trouw aan

onze Yorstin en Haar Huis als opnieuw bevestigd?

Hoe goed is het samenkomsten te hebben als deze, waarin

we onze aandacht rich ten op wat ons vereenigd houdt!

Of ... zagen we aileen wat ons scheidt?

Of. . . konden we niet been zien over maatschappelijke

of kerkelijke verschillen ?

Om dat niet te kunnen in oogenblikken als deze, zouden

we waarlijk moeten zijn eng van hart en kort van blik.

En dat wil immers niemand onder ons zijn?

Of ... gelooven we niet in een eenheid, een door God

bestelde en door hem gewilde eenheid van ons Yolk? een

eenheid die bleef en blijven moet bij alles wat ons gedeeld

houdt?

Er is reden tot die vraag! Yoornamelijk in onzen tijd wordt

allerlei poging gedaan om dat geloof in onze volkseenheid

te vermoorden, om de liefde tot Vorstin en vaderland als

bespottelijk ouderwetsch, kinderachtig, en absoluut overbodig,

belachelijk te maken.

Hebben ook sommigen onder ons aan die denkbeelden

plaats gegevE:n?

Neen! gelukkig, ik weet dat wij bewoners van bet platteland,

in veel opzichten achter bij die van de groote

,ontwikkelde" steden, ook in dit opzicht achteraan komen,

dat onzen eenvoudigen kring de traditien, de heilige goederen

van Oranje- en vaderlandsliefde niet z66 gemakkelijk


36

konden worden ontroofd als menigen anderen, die zich acht

in , verlichting" ons v66r te zijn.

We zijn daarin recht gaarne een weinig achterlijk!

Laat ons de gevoelens van dankbare blijdschap die ons

bezielen uiten niet aileen tegenover elkander, maar laat ons

ze 66k vertolken aan H.M. onze Koningin voor wier Huis

deze d!J.gen niet minder gedenkwaardig zijn dan voor Land

en Volk.

Ik stel u voor, dat te doen door het zenden van een

telegram, van den volgenden inhoud:

A an

Hare Majesteit de Koningin

Amsterdam.

De bevolklng van Tienhoven, Oud-Maarsseveen en Breukeleveen,

ter herdenking van het herstel van 's L~nds

onafhankelijkheid in feestelijke vergadering bijeen en opnieuw

onder den indruk van de groote zegeningen, die Land en

Volk uit Gods hand, bijzonderlijk door het Doorlucht

Oranjehuis, genoten hebben, en door Uwer Majesteits gezegende

regeering nog genieten, veroorlooft zich Uwe

Majesteit de eerbiedige betuiging te brengen van dankbare

trouw en aanhankelijke liefde.

De Burgemeester van Tienhoven,

FERNHOUT.

Nadat dit voorstel met luid applaus was begroet, vervolgde

de heer FERNHOUT:

En nu nog een huishoudelijke opmerking!

We staan dan gereed ons ,open bare feest" te vieren!

Laat ons het doen, zooals het aileen gevierd mag worden:

ordelijk en betamelijk.


37

Stellen we onszel ven in alles een grens.

Of liever, die grens is ons gesteld. Laat ons dien eerbiedigen.

Stellig zult ge allen uit hooger motieven, uit edeler beweegredenen,

uw feest z66 vieren, dat ge u na den afloop

niet te schamen hebt.

Indien niet, doe het dan om te voorkomen, dat van ons

feest met minachting gezegd zou kunnen worden, dat bet

maar ,ordinaire Oranje-pret" was!

Spreker wees er voorts op, dat deze feestviering niet

een uitsluitend plaatselijk karakter droeg, zoodat de van

buiten komende feestgangers gastvrij moesten worden ontvangen

en als feestgenooten behandeld, en dat hun aanwezigheid

allerminst bij een feest als dit - zooals wel

eens gebeurd is - aanleiding mocht geven tot verstoring

der feestvreugde, maar strekken moest tot verhooging daarvan.

Hoewel dit alles van zelf spreekt, kan het toch z. i.

nuttig zijn, er even aan te herinneren.

Morgen kennen wij allen dus slechts deze eene leus:

Leve ons Nederland!

Leve de Koningin!

Op voorstel van Ds. HEIJ werd ten slotte gezongen

Psalm 72 : 11 :

Zijn naam moet eeuwig' eer ontvangen!

Men loov' Hem vroeg en spa!

De wereld boor' en volg' mijn zangen

Met amen, amen, na!

Het was den lOden Sept. werkelijk wei de moeite waard eens

een wandeling door de drie dorpen te maken. Het is niet

mogelijk iedere versiering in 't bijzonder te noemen, daarvoor

was er te veel. Bijna ieder had op zijn wijsgetracht iets aardigs


38

te bereiken en men kan wel zeggen dat allen daarin geslaagd

waren. De brugjes aan den eenen kant van den weg

maakten zoowel overdag als des a vonds, toen verschillende

vetpotjes aangestoken waren, een schilderachtig . effect.

Maar niet minder de eerepoorten boven sommige bruggen

en de alleraardigste versieringen voor de huizen. Dit alles

werd nog verhoogd door de vele eerepoorten die op den

weg verrezen waren en waarop opschriften als ,Hulde aan

den Prins", , Welkom" en dergelijke reeds wezen op de

komst van Z. H., die zijn intocht zou doen. Voor elk dorp

waren twee prijzen uitgeloofd voor de mooiste versiering.

Deze vielen ten deel aan :

In Maarsseveen

" "

K. Pieneman 1 ste prijs.

J. Leeflang, J. de Pijper en G. Voorneveld

2de prijs.

, Tienhoven Wed. G. Slot 1ste prijs.

, , G. van Vliet 2de prijs.

, Breukelerveen Wed. Manten 1ste prijs.

, , A. Meijers 2de prijs.

Maar niet alleen deze versieringen brachten ons al vroeg

in een feestelijke stemming, ook het luiden der kerkklok

van 9-91/2 uur herinnerde ons er aan, dat dit geen gewone

werkdag zijn zou. Spoedig zag men dan ook ongeveer

twintig muzikanten van het 1 e reg. Veld-Art. uit Utrecht te

paard het dorp binnen rijden, die weldra verschenen op

den toren van de Geref. Kerk, waar zij van 10-101/2 uur

ten aanhoore van een talrijk publiek koraalmuziek ten gehoore

brachten, w. o. het , Wilhelm us", Ps. 42, , Wilt heden

nu treden", enz.

Langzamerhand had zich bij den Kanaaldijk een groote

menigte verzameld, want zooals 't program vermeldde, zou

daar om 1lli2 uur Z. H. Prins Willem van Oranje (de heer

G. A. B. FrJNVANDRAAT) met zijn gevolg landen. Er was


39

een landingsplaats gemaakt en hier stonden Graaf van der

Duijn van Maasdam (de heer TH. RuYS uit Amsterdam)

en Graaf van Limburg Stirum (de heer J. G. FERNHOUT

uit Amsterdam) Z. H. op te wachten.

Behalve deze heeren waren ook eenige visschersmeisjes

aanwezig. (Dejonge dames Dina Duiveman, Dora Duiveman,

Marie Schoenmaker, Jansje Schoenmaker, Marie Slot, Teuni

Timmer, Anthonia Voorneveld, Mtintje VerhoefenMagdalena

Verhoef). En op den weg had zich reeds een groote stoet

opgesteld, die straks 't gevolg van den Prins zou uitmaken ..

Het duurde geruimen tijd voordat iets van bet schip

(welwillend afgestaan en gepavoiseerd door de familie

J. Voorneveld) te zien was.

Eindelijk, daar heel in de verte, daagde het op!

Het volk jubelde reeds: hoerah, hoerah, lang I eve de Prins!

Dan werd de Fransche vlag aan de landingsplaats neergehaald,

een andere vlag werd geheschen en onze vader·

landsche driekleur wapperde in den top. Hier en daar

ho01·de men aanheffen: ,0 schitterende kleuren," enz.

Nu 't schip eenmaal in 't zicht was gekomen, spande

zich daarop aller aandacht. Keurig laveerend kwam het

steeds nader en nader.

De toeschouwers werden stil, men kwam onder den

indruk. Ieder stelde zich voor, hoe eens nu een eeuw geleden,

het schip naderde, dat den geliefden Prins naar zijn

vaderland terugbracht. Men begreep wat toen het volk, dat

daar aan 't strand wachtte, gevoelde toen het den Oranjevorst

aan den voorsteven van het schip zag staan de hand

aan den hoed, reeds van verre groetend het vaderland,

zijn Nederland, zijn volk, dat hem terugriep, na jaren van

0nderdrukking.

En nader en nader kwam ook dit schip en herhaaldelijk

· weerklonken vreugdeschoten.


40

Toen was de Prins vlakbij maar het groote schip kon

het strand niet bereiken, daarom wachtten reeds twee

kleine booten met matrozen om den Prins en zijn gevolg

op te nemen. De muziek zette het Wilhelmus in, de vele

bootjes met toeschouwers weken op zij en aan het hoerah·

geroep scheen geen einde te komen.

Graaf VANDER DuiN VAN MAASDAM en GraafvAN LIMBURG

STYRUM bogen diep, de Prins stapte aan land en werd

recht hartelijk door beide heeren begroet.

Daarna, terwijl aile omstanders aandachtig toehoorden,

hield Graaf VAN DER DurN VAN MAASDAM de volgende

toespraak:

Hoogheid!

Zij het mij vergund op dit oogenblik namens het Prinsgezinde

Nederland enkele woorden tot U te spreken, hoewei

de gedachten, die in dit uur in mijn hart opkomen,

moeilijk onder woorden te brengen zijn. Deze dag toch

moet vormen een keerpunt in de geschiedenis van ons

vaderland, dit oogenblik, waarop gij Uw voet hebt gezet

op den vaderlandschen bodem, is de geboortestonde van

het herlevend Nederland.

Onwillekeurig slaan wij op dezen dag onzen blik terug

en herdenken dan met weemoed, hoe voor achttien jaren

Uw vader, na gehoond en gesmaad te zijn, gedwongen

werd het vaderland te verlaten en de wijk te nemen naar

het gastvrije Engeland. Sinds dien is ons land ten prooi

geworden aan de jammerlijkste ellende en heeft het zich

moeten krommen onder het knellende juk van den gehaten

Franschman.

Maar, al scheen toen ieder den tijd vergeten te hebben,

waarin Oranje met ons voor de vrtjheid streed, wy hadden


41

U niet vergeten en we wisten ook, dat in menig hart nog

het verlangen sluimerde naar de terugkeer van den uitgeweken

Vorst; en waar wij aan U dachten, daar wisten

wlj ook, dat gij nog aan 6ns dacht, dat daar aan de overzijde

van den Oceaan nog het hart van een Oranje klopte

voor het arme, verdrukte Nederland.

Toen hebben wij moed gegrepen. Wij hebben tot U het

verzoek gericht, tot ons te willen overkomen en gij hebt

welwillend aan dat verzoek gehoor gegeven. En de juichtonen,

waarmede gij ontvangen werdt, toen gij de vaderlandsche

kust naderde, zullen U bewezen hebben, dat de

liefde voor Oranje nog niet is uitgebluscht en dat ook in

ons volk nog leeft het verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid.

En deze juichtonen zullen voortgeplant worden

naar het Nom·den en naar het Zuiden en naar bet Oosten

en van alle kanten zullen ze komen en zich scharen onder

Uw vaandel, om zoo den Franschman te verdrijven.

Welnu dan, laten wij onze banieren ontrollen, laten wij

onze krijgsmuziek doen schetteren en laat onze strijdleuze

zijn: , Voor Nederland en Oranje"!

Hoogheid! Zie Uwe onderdanen: wij zweren U den eed

van trouw!

De Prins antwoordde hierop:

Mijnheer van der Duin van Maasdam!

Vriendelijk dank voor de, ook namens de heer VAN

LIMBURG STYRUM en door ziekte helaas afwezige heer vAN

HoGENDORP, tot mij gerichtte woorden bij het betreden

van den Vaderlandschen bodem.

Onuitsprekelijk zijn ook mijn aandoeningen nu ik het

strand weder zie, waar achttien jaar geleden mijn doorluchte

Vader de Nederlanden verliet, verbannen door den geest

der revolutie. Hoe heb ik gehunkerd naar dit oogenblik,


42

waarvan ik wist, dat -het komen zou, omdat ik geloofde

in een onverbreekbare band tusschen Nederland en Oranje.

Wat is er echter niet veel in die jaren geschied! Het eens

zoo machtige Holland door verdeeldheid en onderlinge

twisten ten slotte bij het Fransche rijk ingelijfd. Doch ik

wil geen klaagtoon, veeleer een jubeltoon doen ho01·en, nu

de oude Hollandsche geest weder is wakke1: gewonlen en

het Fransche juk is afgeschud. Het Nederlandsche volk

heeft de Souvereiniteit in mijn handen gelegd. Welaan dan,

ik zal mijne bedenkingen voor uw wenschen opofferen; ik

aanvaard wat mij aangeboden wordt, maar ik aanvaard

het ook alleen onder waarborging eener constitutie, welke

uwe vrijheid verzekert; ik aanvaard het in het volle gevoel

der verplichting, welke mij deze aanneming oplegt. Ik heb

echter daarvoor aller medewerking noodig. Ook op uw

steun, mijnheer VAN DER DUIN VAN MAASDAM en Op die

van uw vrienden reken ik. Moge dan ons Vaderland een

nieuw tijdperk tegemoet gaan van ongekenden bloei, vrij

van onderlinge twisten.

Den Prins wachtte nog een verrassing.

Een visschersmeisje (de jongejuffrouw Marie Schoenmaker)

bood Z. H. een mooie mand bloemen aan onder het uitspreken

van een welkomstgroet.

De Prins onderhield zich een oogenblik met haar en

begaf zich vervolgens naar het hem wachtende rijtuig.

Men hoorde den heer VAN DER DuYN VAN MAASDAM vertellen

hoezeer het den Heer VAN HoGENDORP speet niet

tegenwoordig te kunnen zijn.

De deelnemers aan den inderdaad keurig verzorgden

optocht hadden zich opgesteld onder leiding van den heer

J. J. DESTA, nadat zij eerst van kleeding hadden verwisseld

bij den heer J. van der Wilt.


43

Toen de Prins en zijn gevolg ingestegen waren zette de

stoet zich als volgt in beweging.

Eerst ·de leden der feestcommissie in vier landauers bespannen

met 2 paarden, daarna de muziek te paard, hierop

volgden drie herauten te voet (de heeren J. Duiveman, J.

Manten en A. Voorneveld) vervolgens acht kurassiers te

paard (de hee1·en J. de Gier, H. Geurtsen, D. Manten,

W. Manten, G. Vlaanderen, E. van der Wilt, J. van der

Wilt en G. Slag). Hierna kwam een peleton infanteristen

(de heeren J. Dros, J. van Ee, J. Geurtsen, W. ten Have,

E. Kroon, D. Meyers, A. Manten, J. Geurtsen, H. Vonk,

G. Verhoef, W. Verhoef, J. Verhoef, J. van der Wilt Dzn.,

H. van der Wilt, J. van der Wilt, G. van der Wilt, aangevoerd

door een generaal (de heer H. Walderveen) en

twee kapiteins (de heeren A. Timmer en G. van Ee)

te voet. Daarna volgde het rijtuig van den Prins en in

't volgende rijtuig hadden twee Eng. admiraals en twee

Hollandsche generaals plaats genomen (de hee1·en N. G.

Verwoerdt, W. van der Wilt, Jacs. Kroon en J. van der

Wilt). Hierachter liepen arm in arm de visschersmeisjes

en eindelijk sloot de scheepsbemanning (de heeren I. van Ee,

J. Hoogedoorn, F. van Keulen, R. Manten, A. Timmer,

G. Timmer, J. Verkroost, G. Vlaanderen, A. van Vliet Azn.

en A. van Vliet Gzn.) den stoet.

De heeren H. ScHOENMAKER en J. J. DESTA hadden de

leiding van den optocht.

Bij 't gemeentehuis werd halt gehouden. Hier hield de

"Schout" een korte welkomsttoespraak en stelde aan den

Prins voor de leden der vroedschap.

De eerewijn werd aangeboden, en rondgediend door: Margaretha

en Wilhelmina Duiveman en de heer J. W. Duiveman

en hierna stelde de stoet zich weer in beweging, en trok

onder groote belangstelling door Tienhoven en Maarsseveen.


44

Daar bood de heer H. ScHOENMAKER Ez. den Prins en

gevolg opnieuw eerewijn aan, waarna allen zich begaven

naar ,Het Polderhuis," waar een maaltijd bereid was.

Na afloop hiervan stelde de stoet zich weer op om terug

door Tienhoven naar Breukelen veen te gaan, waar eerewijn

aangeboden werd door de heeren T. KROON en VANDER WILT.

Zoo trok men tot aan 't einde van Breukeleveen en keerde

toen weder terug door de vele eerepoorten. B\i 't gemeente·

huis te Tienhoven werd de optocht ontbonden.

Hiermede was men nog niet aan het eind van alle

feestelijkheden gekomen. De muziek, die de optocht begeleid

had, gaf van 5-6 uur concert in de muziektent.

Nu was er een pauze tot 7 uur ongeveer. Zoodra het

begon te schemeren, begaf men zich naar den Bethunepolder

waar de heer HAMERS uit Amsterdam zijn bioscoop reeds

had opgesteld. Eer de voorstelling begon gaven eenige

jongelui, onder leiding van den heer J. J. DESTA, een

gymnastiekuitvoering. Verschillende mooie standen, met

bengaalsch vuur verlicht, werden uitgevoerd door de heei·en

J. J. Desta, J. W. Duiveman, J. Duiveman, H. D. Duiveman,

J. W. Duiveman, Th. Duiveman, H. T. Emmens, J. van Ee,

C. Verhoef, J. H. van Vliet, T. van der Wilt en J. van der Wild.

De bioscoop-voorstelling werd met de grootste belangstelling

gevolgd en vooral de beelden welke betrekking hadden

op de gebeurtenissen van 1813 trokken zeer de aandacht.

Tijdens deze voorstelling ontving de burgemeester van

Tienhoven het volgende telegram:

Hare Majesteit de Koningin dankt bevolking van Tienhoven,

Oud-Maarsseveen en Breukeleveen voor bewijzen

van verknochtheid.

Adjudant van d·ienst,

SrcKINGHE.


45

Intusschen waren overal de vele vetpotjes en lampions

aangestoken en met de muziek voorop trok een groot gedeelte

der toeschouwers mede naar Breukeleveen om het

effect der verlichte eerepoorten, brugjes en de overige versieringen

te bewonderen.

In de grootste orde keerde deze stoet naar Tienhoven

terug, waar zich nog vele feestvierenden aansloten. Bij

den heer J. VAN DooRN wachtte hen nog een verrassing.

Zoodra de optocht zijn woning bereikt had, ontstak de heer

VAN DooRN een alleraardigst vuurwerk, waarvoor de voorzitter

der feestcommissie hem hartelijk dankte. Ook de

heer ScHOENMAKER werd in 't bijzonder bedankt voor al

wat hij voor het welslagen van het feest gedaan had.

De muziek keerde nu naar Utrecht terug en ook het

publiek ging huiswaarts onder 't zingen van vaderlandsche

liederen. Toen werden langzamerhand de lichten gedoofd,

en dit feest, dat in alle opzichten goed geslaagd genoemd

mag worden en waarop - het moet tot lof van de feestgangers

worden gezegd - de goede orde door geen enkel

incident werd verstoord, was ten einde.

~

More magazines by this user