EIGEN NETWERK

moederkevanx

JouwIngebrachteMentorJIMSprank20169

FAMILIE EN BEKENDEN VAN JONGEREN HEBBEN ROL NAAST PROFESSIONALS

BAAS OVER JE

EIGEN NETWERK

17 november 2016

4


Wat is de betekenis van het netwerk in het sociaal domein?

En wat kunnen we bijvoorbeeld met het concept van Jouw

Ingebrachte Mentor (JIM)? Of met de Eigen Kracht-conferenties

en de maatjes-projecten?

TEKST: PETER BOORSMA EN SANDER PETERS, BEELD: SHUTTERSTOCK

Sinds ‘participeren’ en ‘zelfredzaamheid’

de sleutelbegrippen zijn in het

sociaal domein is er veel aandacht voor

het netwerk van mensen. Het netwerk

dat ze nodig hebben om aan de slag

te komen of het netwerk van buren en

familieleden dat hen kan ondersteunen

zodat er geen beroep gedaan hoeft

te worden op de overheid. Critici als

de hoogleraren Eveline Tonkens en Jan Willem Duyvendak

wijzen erop dat juist sociaal zwakkeren meestal een

slecht netwerk hebben en dat veel mensen juist een

beroep doen op de overheid omdat ze het met hun eigen

netwerk niet redden. Maar toch, hoe zit het met die

netwerken? En is het mogelijk om – ook met ‘slechte netwerken’

– samen te werken om problemen op te lossen

die professionals alleen niet krijgen opgelost?

Kwartiermaker bij Spirit Jeugd en Opvoedhulp Levi van

Dam is ervan overtuigd van wel. Hij heeft in de jeugdzorg

goede ervaringen opgedaan met het inzetten van

‘Jouw Ingebrachte Mentor’ en is nu bezig deze benadering

verder uit te bouwen.

EIGEN ROL

In de jeugdzorg lopen situaties soms zo vast dat uithuisplaatsing

nog de enige uitweg is. Uithuisplaatsingen

zijn zware interventies met een enorme impact op de

jongere én de ouders. Soms zijn ze te voorkomen door

de jongere te vragen in zijn eigen omgeving een mentor

te zoeken. Dat kan een opa of een tante zijn, maar ook

een buurvrouw of de voetbaltrainer. Belangrijk is dat de

jongere de mentor zelf kiest en vertrouwen in hem of

haar heeft.

Eenmaal aangesteld heeft een JIM (Jouw Ingebrachte

Mentor) verschillende voordelen. Hij kent de situatie

en de betrokkenen en kan op een veel directere manier

ingrijpen dan een professional dat zou kunnen. ‘Hou

je kop en ga eens wat doen’ is een uitspraak die wel van

een vriend of familielid wordt geaccepteerd, maar niet

van een hulpverlener. Daarbij is de band met de JIM veel

intenser dan die met de hulpverleners: als de jongere het

om drie uur ’s nachts te kwaad krijgt kan hij nog wel bij

zijn buurman aanbellen; zijn hulpverlener krijgt hij om

die tijd zeker niet te pakken.

De JIM is steun en toeverlaat voor de jongere, maar ook

de vertegenwoordiger naar de professionals. Van Dam

benadrukt dat de JIM zijn eigen rol moet houden; hij

mag geen onbetaalde professional worden. De mentor

heeft de kennis van de situatie en het gezin, de professional

de vakkundige expertise. Het gaat er volgens Van

Dam om de sociale vindingrijkheid te verbeteren en de

gezinsveerkracht te vergroten.

DUURZAAM

In de jeugdzorg zijn goede ervaringen opgedaan met

JIM; er zijn al veel uithuisplaatsingen voorkomen. Dat

trekt ook de aandacht van andere velden in het sociaal

domein, zoals de verslavingszorg. Laura Schermer is

directeur Bedrijfsvoering bij Brijder Jeugd, dat verslavingszorg

biedt in Noord- en Zuid-Holland. Zij is

gegrepen door het idee achter JIM en vastbesloten deze

methodiek in een bepaalde vorm binnen haar organisatie

te implementeren.

Helemaal nieuw is het betrekken van het netwerk

niet, aldus Schermer. Brijder traint ouders om krachtiger

te zijn in hun omgang met jongeren en leert peer

groups om op elkaar te letten in het uitgaansleven. “In >

Eigen Kracht-conferenties

Al sinds jaar en dag worden er vooral in het maatschappelijk werk Eigen Kracht-conferenties

georganiseerd. Dit zijn bijeenkomsten waarbij iemand die het even zwaar heeft, samen met

familie en bekenden een plan voor de toekomst maakt. Het gaat om het zogenoemde familiegroepsplan

waarop volgens de nieuwe Jeugdwet iedereen recht heeft: ‘een plan van aanpak

opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten of anderen die tot de sociale omgeving

van de jeugdige horen’.

Een onafhankelijke Eigen Kracht-coördinator organiseert de conferentie. Deze coördinator heeft

geen belang bij de uitkomst van de conferentie of de inhoud van het plan. Hij informeert alle

betrokkenen over doel, werkwijze, mogelijkheden en ieders verantwoordelijkheden en zorgt

dat iedereen veilig kan deelnemen. Daarnaast helpt de Eigen Kracht-coördinator bij praktische

zaken, zoals uitnodigingen, een locatie, eten en drinken. De hulpverlener is veel meer dienend

dan in zijn traditionele rol. ‘In de kern gaat het om het durven vertrouwen op de kracht en oplossingen

van families en sociale netwerken’, aldus de website www.eigen-kracht.nl.

17 november 2016

5


17 november 2016

’Hou je kop en ga eens wat

doen’ wordt wel van een

vriend geaccepteerd, maar

niet van een hulpverlener

de verslavingszorg wil je graag vroege signalering en

ondersteuning vanuit de omgeving. We hebben al eerder

ambulante behandeling opgezet om het aantal opnames

te verminderen. Het gaat vaak om complexe problematiek,

omdat veel jongeren ook onderliggende problematiek

als ADHD of een trauma hebben. Door te werken

met een mentor uit het informele netwerk hoop je dat

het effect na behandeling duurzamer is of dat er sneller

gesignaleerd wordt wanneer er weer ondersteuning nodig

is. Sommige van onze professionals werken daarom

al met de inzet van vrienden of andere bekenden uit

het informele netwerk. Maar er zit op dit moment geen

methodiek en begeleiding van de mentor achter, daarom

zijn we geïnteresseerd in JIM.”

VERTROUWENSBAND

In Rotterdam gaat het programma ‘Elke jongere telt’

– voor jongeren die extra steun kunnen gebruiken – werken

met een mentor uit het eigen netwerk. De Erasmus

Universiteit onderzoekt de uitwerking en invoering van

de mentor. De risicojongeren voor wie het programma is

opgezet, kampen met een opeenstapeling van problemen

en hebben al veel trajecten doorlopen, vertelt programmamanager

Ciska Scheidel. “Zij kunnen heel goed iemand

in de directe omgeving gebruiken op wie ze altijd kunnen

terugvallen. Er bestaan in Rotterdam verschillende

mentorprogramma’s, maar daarbij gaat het altijd om

vrijwilligers. Terwijl juist het vertrouwen tussen mentor

en jongeren én langdurige betrokkenheid zo belangrijk

zijn.” Bovendien kunnen opa of tante hun steun brengen

op een manier die goed aansluit bij de jongere. Dat helpt,

blijkt uit ervaring met de JIM-aanpak elders in het land.

Overigens wil Rotterdam de JIM-methodiek niet één-opéén

overnemen. “Die benadering zit veel verder in de

specialistische hulpverlening. Wij willen het in het eerste

of tweede gesprek van het wijkteam of het Jongerenloket

al aan de orde stellen. Daarmee vullen we de huidige

ervaringen met de informele mentor aan. Ons doel is

dat uiteindelijk elke risicojongere een mentor heeft. We

bekijken nog of elke persoon die de jongeren inbrengen

acceptabel is als mentor. Waarschijnlijk moeten we enige

eisen stellen. De mentor moet bijvoorbeeld bereid zijn

zich voor langere tijd in te zetten.”

Scheidel twijfelt nog over het verplicht stellen van een

verklaring omtrent het gedrag. Het gaat tenslotte om jongeren

op kwetsbare momenten. “Maar toch, misschien

is een ex-crimineel wel juist een uitstekende mentor.”

Scheidel benadrukt verder het belang van een vertrouwensband.

De mentor mag geen semi-professional

worden. “Dat impliceert ook dat hij niet alles doorvertelt

aan de hulpverleners.”

ONEENS

Ondanks het feit dat Van Dam de effectiviteit van zijn

methode laat onderzoeken, is de kritiek nog niet gaan liggen.

Sociaal wetenschapper Femmianne Bredewold van

de Universiteit voor Humanistiek sprak deze zomer in

Trouw van een ‘armoedig ideaal met mogelijk schadelijke

effecten’. “Sommige mensen hebben gewoon hulp

nodig”, aldus Bredewold. “Dat is al erg genoeg, bespaar

hen die pijnlijke ervaring door hen steeds te vertellen dat

ze zelfredzaam moeten zijn, terwijl ze dat niet kunnen.

En maak geld vrij voor hulp.”

De richtingenstrijd zette zich voort in het online tijdschrift

Sociale Vraagstukken. Het gaat er niet om burgers

aan hun lot over te laten, schrijven Levi van Dam en

Geert-Jan Stams in een reactie, het gaat om co-creatie

tussen burgers en professionals, met meer aandacht voor

hulpbehoevenden in hun sociale context en participatie.

“De sociale context is van doorslaggevend belang voor het

effect van de geboden hulp. En als de sociale context niet

steunend is, moet je én-én bieden: én gerichte hulp om

6


Werkt het netwerk voor werk?

Via via kom je aan het werk, zo heet het. In de praktijk kan de

Intelligence Group daar echter maar weinig van terugvinden. Als je

werkenden vraagt hoe ze aan hun baan zijn gekomen, zegt slechts

20 procent: ‘via vrienden of familie’. En dat percentage neemt nog af

doordat steeds meer mensen via sociale media aan een baan komen.

Van de lager opgeleiden vindt 21 procent zijn baan via een

arbeidsmarktbemiddelaar. Daarmee is een intermediair voor deze

groep effectiever dan het netwerk (17 procent). Netwerken is wel

de belangrijkste manier om aan werk te komen voor kwetsbaardere

doelgroepen zoals 50-plussers, werklozen en personen in werknaar-werk-trajecten.

Het nadeel van een focus op netwerken in

loopbaanbegeleiding en werk-naar-werk-trajecten is dat andere

effectieve kanalen onvoldoende worden meegenomen. Met name

het eerder betrekken van arbeidsbemiddelaars in het zoekproces, het

goed leren zoeken via internet en het begrijpen van recruitmentsoftware,

bieden enorme kansen. Wanneer mensen oriëntatiekanalen

als vacaturesites, uitzendbureaus, open sollicitaties en cv-databases

goed beheersen, neemt de baanvindkans met factor twee tot drie toe.

HOE VONDEN WERKENDEN HUN BAAN?

8%

4%

12%

4%

Via bekenden/werk

Vacaturesites

Uitzendbureau

15%

20%

Open sollicitatie

UWV

Sociale media

specifieke psychische, financiële hulp of huisvestingsproblematiek

op te lossen én gerichte hulp om de sociale

context waarin je de hulp biedt, te verbeteren. Anders

kun je als staat blijven verzorgen.” Van Dam erkent dat

dat geen makkelijke opgave is. “Maar”, schrijft hij,

“dat is toch geen reden om te concluderen dat er sprake

is van een ‘armoedig ideaal met mogelijk schadelijke

effecten’? *

BRON: AGO/INTELLIGENCE GROUP, 2015

MONICA STOUTEN-HANEKAMP,

CENTRUM VOOR

SAMENLEVINGSVRAAGSTUKKEN:

‘Om werk

te vinden, moet je

werk hebben’

“Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt hebben vaak een klein sociaal

netwerk. Bovendien is dat netwerk niet zelden overvraagd.” Monica Stouten-

Hanekamp, sociaal wetenschapper, onderzoeker en docent bij het centrum voor

samenlevingsvraagstukken van Hogeschool Viaa in Zwolle, volgt het kabinetsbeleid

kritisch. “Ik begrijp de idee achter de Participatiewet en Wmo en achter begrippen

als eigen kracht en zelfredzaamheid. Maar de naam van de wet zegt het

al: meedoen is de norm. Terwijl sommige mensen dat simpelweg niet kunnen.

Vaak is er geen stabiel sociaal netwerk dat hen kan ondersteunen. Het dilemma

is namelijk dat werken een zeer effectieve manier is om een eigen netwerk op te

bouwen. Ofwel: om werk te vinden, moet je werk hebben.”

Onderzoek wijst uit dat het netwerk van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt

vooral bestaat uit gelijkgestemden. Bij mensen met psychische aandoeningen

zijn het veelal medecliënten, bij mensen met een bijstandsuitkering vaak

bekenden die ook zonder werk zitten. “Ook al is het beleid er nu zeer op gericht

het netwerk van deze mensen aan te spreken, het is maar de vraag – want nooit

bewezen – of dit netwerk voordeel biedt. Het buurtnetwerk bijvoorbeeld is

vaak van een heel andere aard; mensen delen vooral small talk. Over de tuin,

brokjes voor de poes of de bouw van een schutting. Werk is in deze sociale kring

niet per se onderwerp van gesprek.”

Stouten-Hanekamp deelt de mening van het kabinet dat het bevorderen van

zelfredzaamheid en participatie belangrijk kan zijn. “Anders blijft het risico

bestaan dat mensen gepamperd worden. En er zijn ook wel succesverhalen

bekend van mensen die op eigen kracht en met hulp van hun omgeving weer

meedoen. Maar: hoe maken we sociale netwerken duurzaam en niet overbelast?

Dat is de kwestie.”

Kunnen professionals in de wijk of bij de gemeente dat netwerk (helpen) creëren?

“Heel lastig. Werkenden en niet-werkenden zijn steeds meer gescheiden

groepen; het is moeilijk om die bij elkaar te brengen.” Een oplossing waarnaar

Stouten-Hanekamp en haar collega’s nu onderzoek doen is de sociale onderneming

Binthout in Zwolle. “In tegenstelling tot dagbesteding beschouwen

mensen dat als echt werk. Het lijkt erop dat degenen die daar aan de slag gaan

status herwinnen én een netwerk opbouwen. Maar: blijven die contacten (deels)

bestaan als iemand zijn baan verliest of elders gaat werken? Dat zou mooi zijn.”

Over het JIM-concept heeft Stouten-Hanekamp nog geen afgeronde mening.

“Ik snap de voordelen van een tussenschakel in de vorm van een mentor uit

de eigen gelederen; die kent de jeugdige beter dan de professional. Maar ik zie

ook nadelen. Een professional kan bepaalde onderwerpen makkelijker aan de

orde stellen. Ook is er nogal eens sprake van schaamte. Een kwetsbare burger

voelt zich misschien ongemakkelijk bij een hulpvraag aan familie of vrienden.

Bovendien leidt mantelzorg vaak tot familie- of burenruzies. Dat is een niet te

onderschatten probleem bij het inzetten van zo’n mentor. En tot slot: als social

worker heb ik zelf ervaren hoe lastig deze professionals het vinden om taken bij

niet-professionals neer te leggen. Dus zowel voor de professional en het netwerklid

als voor de hulpvrager is het niet zo eenvoudig als het klinkt. Vandaar

dat ik kritisch ben over het kabinetsbeleid dat weinig oog lijkt te hebben voor

de kwetsbaarheid en moeilijkheden die hiermee gemoeid zijn.”

17 november 2016

7

Similar magazines