Views
1 year ago

Campus NL

Campus%20NL%20digital%20version%20(for%20websites)

gebruikersgroepen door

gebruikersgroepen door te rekenen. Er is dan wel een aanvullende toelichting nodig voor die gebruikers waarom wordt afgeweken van VVO voor het in rekening te brengen verkeersoppervlak. Daarnaast zal, bij huur en verhuur, de ratio tussen NO en VVO moeten worden verdisconteerd om een vergelijking met marktprijzen mogelijk te maken. Die ratio is op voorraadniveau 77% (NO/VVO), maar logischer is om dit per gebouw te bepalen. Anderzijds zou het VVO-begrip verder geadopteerd kunnen worden. Ook dat vergt een extra inspanning, maar VVO kan anno 2016 een dienstbaar begrip kan zijn voor de netwerkuniversiteit die de ruimte met steeds meer externe partners (research instituten, start-ups, etc.) deelt. gebouwefficiëntie (VVO/BVO) en mutatiesnelheid De sturing op efficiëntie is commercieel verklaarbaar doordat vanuit het ontwikkelingsperspectief kosten worden gestuurd door elke vierkante meter die moet worden gemaakt (BVO), terwijl inkomsten worden gegenereerd op basis van elke vierkante meter die kan worden verhuurd VVO). In commerciële kantoorontwikkeling wordt gestreefd naar efficiëntie boven de 80%, wat in publieke gebouwen nauwelijks te realiseren valt. De universiteiten komen in 2015 op een verhouding van meer dan 74%, wat zeker gezien het publieke karakter en de toename van hogere gebouwen, goed is. Voor de interpretatie van dergelijke verschuivingen is het van belang te weten hoe nieuwbouw zich verhoudt tot de totale voorraad. Er is niet specifiek gevraagd naar de investeringen per jaar, maar wel naar leeftijd van gebouwen. 11% van de gebouwen komt uit de periode van 2000 tot 2010 en 8% van 2010 en later. Hiermee is de ‘vervangingssnelheid’, zeker bij een min of meer gelijkblijvend volume, net iets meer dan 1% per jaar. Ook op nationaal niveau is er sprake van een toevoeging van circa 1% per jaar aan de voorraad (woningen, kantoren en bedrijven (Soeter, 2010). Dat verklaart ook dat sturing op efficiëntie, bepaalde vormen van innovatie en andere procesaanpassingen die op gebouwniveau moeten plaatsvinden, zich slechts zeer langzaam kunnen voltrekken. ruimtegebruik op de campus: kantoren en onderwijszalen gegroeid in omvang Traditioneel wordt onderwijs geprogrammeerd in onder andere college- en practicumzalen, instructieruimten en studieruimten, wat in totaal 15% van het nuttige campusoppervlak inneemt, hetgeen gelijk is aan het relatieve ruimtegebruik in 2006. Onderwijsruimte moet anno 2016 volgens de universiteiten veel ruimer worden opgevat: ook de bibliotheken fungeren als zelfstudieplek voor studenten en restaurants buiten lunchtijden als overlegplek voor groepswerk. Master-studenten delen daarnaast steeds vaker kantoorruimte, werkplaatsen en/of laboratoria met onderzoeksgroepen. In ruime zin neemt onderwijsruimte vermoedelijk meer dan het dubbele oppervlak - dus meer dan 30% - in beslag dan via de ruimtesoort “onderwijs” in administraties is geregistreerd, zoals later deze paragraaf (in figuur 23) wordt geïllustreerd. Dat is nog exclusief het gebruik van eerder genoemde horizontale verkeersruimte (gangen, hallen, trappenhuizen) en buitenruimte voor onderwijsactiviteiten. Ook het aandeel kantooroppervlak is in beide perioden ongeveer even groot gebleven. Onderwijszalen en kantoren zijn de grootste ruimtetypen op de campus. Dit komt niet één-op-één overeen met het ruimtegebruik voor onderwijs en onderzoek. Onderzoekers hebben immers ook werkruimten in laboratoria en werkplaatsen. Bovendien wordt een belangrijk deel van de kantoren gebruikt door de ondersteunende staf. In navolgende tabel 3 zijn de ruimtetypes te vinden die gebruikt worden in de administraties van NL universiteiten, als “labels” in veel gebouwbeheersystemen of facilitaire managementinformatiesystemen. In dit functionele onderverdeling wordt onderscheid gemaakt naar specifieke onderwijsfuncties zoals practicumzalen en 54 Campus NL Investeren in de toekomst

collegezalen versus bijvoorbeeld kantoren. De zogenaamde H-codes bevatten de onderwijsruimte in enge zin: daarnaast wordt bijvoorbeeld ook vergaderruimte (F1), bibliotheekruimte (F2) of restauratieve ruimte (G1) gebruikt voor onderwijsactiviteiten. Afhankelijk van het type studie vindt onderwijs ook plaats in een selectie van andere ruimtetypen. tabel 3: ruimtegebruik-typen zoals geregistreerd in de meeste Nederlandse campusadministraties A1 Sanitaire ruimte F2 Bibliotheek/leesruimte I3 Werkplaats B1 Rijwielstalling (inpandig) F3 Overige alg. ondersteunend I4 Patiënt behandelruimte B2 Parkeergarage F4 Serverruimte I5 Dierverblijfruimte B3 Overige stalling G1 Alg. restauratief I6 Sportaccommodatie C1 Kelder G2 Warme-/spoelkeuken I7 Overige specifieke ruimte C2 Zolder H1 Practicumzaal W1 Woonfunctie C3 Inpandige opslag H2 Werkcollegezaal N1 Installatie-oppervlak C4 Overige opslag H3 Tekenzaal N MER/SER ruimte D1 Koel-/vriescel H4 Collegezaal (amphi) N2 Verticaal verkeersoppervlak D2 Opslagruimte chemisch H5 Studieruimte N3 Horizontaal verkeersoppervlak D3 Opslag radioactief H6 Onderwijsruimte met patiënten N Statische bouwdelen D4 Overige specifieke opslag H7 Overige onderwijsruimte N Niet statische bouwdelen E1 Kantoorachtige ruimte I1 Laboratorium high-tech N Lager dan 1,5 meter F1 Vergaderruimte I2 Laboratorium low-tech N Niet te benoemen oppervlak Kantoorachtige ruimten (E1) zijn op een universiteit niet uitsluitend het domein van onderzoekers of ondersteunende administratieve functies: • groepen studenten en promovendi maken gebruik van de kantoorruimtes; • de meeste universitaire functies kennen een evenredige verdeling tussen onderwijs en onderzoek; die onderwijstaak betekent dat behalve de uren ook de plek wordt gebruikt voor onderwijs, van voorbereiding tot begeleiding; • een overgrote deel van de administratie valt direct aan onderwijs toe te wijzen. Ook sanitaire ruimten (A), stalling (B), bibliotheek/leesruimte (F) en restauratieve ruimten (G) staan grotendeels ten dienste aan onderwijs/studenten, terwijl ook de gebouwgerelateerde voorzieningen, zoals installatieruimte en verkeersoppervlak daar in vergelijkbare mate aan toe te wijzen zijn. Andersom zullen onderzoekers ook incidenteel gebruik maken van bijvoorbeeld collegezalen bij congressen en dergelijke. Overige ontwikkelingen in ruimtegebruik, gerelateerd aan de ruimtetypes in tabel 3: • in tijden van schaarste wordt opslag en bergruimte (C-codes) vaker opgeruimd en bestemd voor primaire taken onderwijs en onderzoek • MER/SER ruimte (N) laten een verdubbeling in hoeveelheid zien in de laatste 10 jaar, terwijl servers juist veel compacter zijn geworden en in capaciteit aanzienlijk zijn toegenomen • in lijn met de virtuele campus - in combinatie met de fysieke campus - worden heel veel ‘Massive Open Online Courses’ (MOOCs) ontwikkeld; vooruitlopend op een kleinere ruimtevraag ontstaat naast serverruimte ook behoefte aan opnamestudio’s en ruimten waar de MOOC ook weer gevolgd kan worden; • in de onderhavige periode is een heel nieuw gebouwtypologie ontstaan, namelijk datacenters, met een piek in de afgelopen tijd door de ontwikkeling van de cloudbenadering; dit stelt zware eisen aan condities en installaties. In veel rapportages over ruimtegebruik wordt alleen groep H (“onderwijszalen”) aan onderwijs toegeschreven. In het facilitaire benchmarkonderzoek (Colliers 2015) waaraan universiteiten afgelopen jaren data hebben aangeleverd, wordt een onderscheid gemaakt in generieke en specifieke onderwijsruimte: naast de generieke ruimten voor onderwijs, groep H in tabel 3, zijn in dat benchmarkonderzoek ook de specifieke ruimten uit groep I en de Bibliotheek/leesruimte uit groep F, toegevoegd aan de functie ‘Onderwijs’. In dit Campus NL onderzoek lijkt het echter niet reëel om de specifieke ruimten (code I), zoals laboratoria en werkplaatsen (geheel) aan onderwijs toe te rekenen Campus NL Investeren in de toekomst 55

De campus als publiek domein - Rooilijn
CAMPUS DIEPENBEEK, Fuif-proof! - UHasselt
Dairy Campus waar staan we nu?
Campus Winschoten Voorwoord - Dollard College
infratecture jaarplan 2012 - RDM Campus
Instellingsplan 2013 - 2016 - Technische Universiteit Eindhoven
Vizier_vooruit._4_toekomstscenario_s_voor_Nederlandse_universiteiten.
Masterplan Toekomst Wiskunde - Platform Wiskunde Nederland
De Pewex-shops - archief van Veto
• Docenten maken het verschil • Krachtenbundeling voor een leven ...
Modulair 3 - Open Universiteit Nederland
Masters faculteit Wetenschappen - DMBR - Universiteit Gent
OI_1_05.pdf - Open Universiteit Nederland
E-schrift - veertiende uitgave februari 2012 - OpenU
Modulair 9 - Open Universiteit Nederland
Kennis in Kaart 2008 - SSO
Jaarverslag 2010 - Protestantse Theologische Universiteit
OnderwijsInnovatie - Jacob van Kokswijk
KHLEUVEN KORT - Katholieke Hogeschool Leuven
dies natalis - Open Universiteit Nederland
Europa en het hoger onderwijs - Ander Europa
Modulair 4 - Open Universiteit Nederland
Modulair Special - Open Universiteit Nederland