Views
1 year ago

Campus NL

Campus%20NL%20digital%20version%20(for%20websites)

exploitatielasten In de

exploitatielasten In de definitie van exploitatielasten zijn naast onderhoudslasten de energielasten een steeds belangrijkere kostenpost waarop gestuurd wordt. Een duurzame campus met een laag energieverbruik en efficiënt ruimtegebruik is bij veel universiteiten een expliciete strategie, nadat in 2008 een convenant is gesloten om de ‘ecologische footprint’ met 30% te reduceren in 2020 (de zogenaamde MJA3, meerjarenafspraken met 36 sectoren, waaronder WO en HBO). Bij vervangingsinvesteringen zijn deze duurzaamheidsambities in toenemende mate een expliciet doel, ook omdat studenten en medewerkers steeds kritischer zijn op middelenverspilling. Dat maakt het draagvlak voor ‘meer delen’ (potentieel) groter. Anderzijds doen diverse ontwikkelingen ook de energielasten stijgen. Een digitale omgeving bespaart wellicht op papier, maar stelt hoge eisen aan opslag. Mobiele apparaten worden zuiniger, maar cloud-ontwikkeling en de stappen in de richting van de virtuele campus vergen steeds meer serverruimte (gebouwen). De snelle ontwikkeling van die digitale omgeving van de laatste jaren heeft een aanzienlijk beslag gelegd op zowel stijging in kapitaallasten en exploitatielasten. Meer actuele cijfers over exploitatielasten van universiteitsgebouwen zijn te vinden in hoofdstuk 3 en worden gebruikt voor berekeningen in hoofdstuk 4. 1.6 Conclusies over Campus NL anno 2016 De belangrijkste bevindingen over campus NL anno 2016 worden hieronder puntsgewijs samengevat. 1.1 Erfenis van verouderde huisvesting 1995-2015: Bij de eigendomsoverdracht in 1995 kregen de universiteiten een sterk verouderde campus met een forse onderhoudsen investeringsbehoefte in bezit: meer dan de helft van de universiteitsgebouwen dateerde uit de jaren 50, 60 of 70 en was in 1995 reeds technisch en functioneel verouderd. 1.2 Middelentekort 1995-2015: de overdracht in 1995 ging gepaard met een tekort aan financiële middelen voor deze aanzienlijke investeringsbehoefte, waardoor de universiteiten ofwel de opgave op dat moment uitstelden (met dysfunctionele gebouwen tot gevolg) ofwel campusinvesteringen financierden uit de lumpsum ten koste van direct investeren in onderwijs en onderzoek. De meeste universiteiten combineerden deze strategieën en hadden ook te maken met de negatieve gevolgen van beide: ontevreden gebruikers of kritiek op de hoge kosten van de campus. Een onderzoek van de Commissie Koopmans in 1999 gaf aan dat er een tekort aan eigen vermogen was van 1,6 miljard guldens en dat dit kon worden aangepakt door een structurele toevoeging aan het budget van 80 miljoen guldens (5% van fl. 1,6 miljard), zodat instellingen zouden worden gecompenseerd voor de extra rentelast bij leningen, zonder het berekende tekort te wijzigen. Sinds 2002 heeft OCW daarvoor in een aantal stappen structureel 40 miljoen euro aan het macro-budget van het wetenschappelijk onderwijs (wo) toegevoegd. 1.3 Professionalisering campusmanagement 1995-2015: ondanks de uitgangspositie met een verouderde campus en onvoldoende middelen is het besef dat de campus een belangrijk strategisch middel is afgelopen twintig jaar enorm gegroeid. Dit is wellicht ook te danken aan het feit dat zichtbaar werd dat niet investeren in de universitaire huisvesting een bedreiging kan zijn voor de universiteitsdoelen: In 2010 werd al becijferd dat achterstallig onderhoud minstens €2 miljard zou kosten Eind 2007 liet een onderzoek naar het Nederlandse universiteitsvastgoed onder andere zien dat ruim een derde van de 4,5 miljoen m2 bruto vloeroppervlak (bvo) technisch matig tot heel slecht scoort. Ongeacht de functionele veroudering was er destijds dus al een collectieve opgave voor de herinvestering in ongeveer 1,5 miljoen m2. Onderzoek naar recente projecten liet destijds investeringsniveaus zien van minstens 1300 euro / m2 bvo voor renovatie tot meer dan 4000 euro / m2 voor nieuwe laboratoria. Zelfs in het meest conservatieve scenario is een investeringsbehoefte van bijna 2 miljard (1,5 miljoen m2 * 1300 euro/m2 = 1,95 miljard) noodzakelijk. Naarmate de tijd vordert zullen ook de gebouwen in redelijke staat – ruim 1 miljoen m2 extra – herinvesteringen behoeven. De genoemde twee miljard vormt daarmee de ondergrens van de (directe) investeringsbehoefte. Met een acute investeringsbehoefte van minimaal twee miljard en de huidige financiële kaders kan dit anno 2010 grofweg worden vertaald in een jaarlijks exploitatietekort van minimaal 170 miljoen. Een belangrijke referentie hierbij is de volgende (bron: VSNU). Bij andere sectoren (HBO, BVE, VO, PO) is de huisvestingscomponent - via de verschillende bekostigingssystemen - ongeveer 8% en bij universiteiten 4% van de eerste geldstroom. Om dit vanaf nu te corrigeren zou de jaarlijkse lumpsum moeten worden opgehoogd met 130 miljoen. Bron: HOI/VSNU (2010), “De economische risico’s van verouderde kennisinfrastructuur”. 64 Campus NL Investeren in de toekomst

verslechteren kansen op onderzoeksfunding door verouderde labs of weinig inspirerende studie- en werkomgeving. 1.4 Veranderende functie van de campus 1995-2015: ambities voor de campus varieerden afgelopen decennia van het voorzien in een veilige en gezonde werkplek tot het creëren van inspirerende, representatieve gebouwen. In de laatste tien jaar werd de functie van ontmoetingsplaats steeds belangrijker gevonden, zowel door de gebruikers als door de bestuurders, in de ambitie om de steeds diversere ‘campus community’ een thuis te bieden. Het voorzien in de sociale behoefte werd steeds belangrijker, ook ter ondersteuning van onderwijs- als onderzoeksbeleid (meer samenwerking nodig). 1.5 Publiek-private samenwerking 1995-2015: de campus werd steeds belangrijker voor andere partijen dan de universiteit zelf, niet alleen werd de samenwerking met de industrie steeds zichtbaarder met het openstellen van de campus voor gerelateerde onderzoeksinstituten en start-ups, maar ook werd de positie in de stad steeds belangrijker publieke doelen: demografisch (aantrekken en vasthouden jong talent), sociaal-economisch (voor de werkgelegenheid) en sociaal-cultureel (het draagvlak van stedelijke voorzieningen). Ook de maatschappelijke functie werd sterker, bijvoorbeeld bij de opvang van asielzoekers en als proeftuin voor innovatie (“living lab”). 1.6 Campusontwikkeling 1995-2015: de omvang van de campus in m2 is afgelopen tien jaar nagenoeg gelijk gebleven (-1%) - rond de 4,4 miljoen m2 bruto vloeroppervlak (bvo) - ondanks de forse groei in het aantal studenten (+22%). Grote wijzigingen in vloeroppervlak bij individuele instellingen hadden vaak te maken met fusies of juist afsplitsingen van academisch ziekenhuis en/of medische faculteit. 1.7 Locatie van de campus 1995-2015: de meeste universiteiten in Nederland combineren een bezit in of dichtbij de historische binnenstad met een uitbreidingslocatie uit de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw, toen studentenaantallen sterk toenamen en de universiteit dwongen tot het verplaatsen van hun onderwijs en onderzoek naar de rand van de studentenstad. Anno 2016 heeft de stad de oorspronkelijke uitbreidingslocatie bereikt en kiezen sommigen voor intensivering van bestaand gebied en anderen voor verdere uitbreiding. 1.8 Conditie van de campus anno 2016: afgelopen tien jaar is het achterstallig onderhoud aanzienlijk teruggedrongen, ook door vervangingsinvesteringen. De technische staat van Campus NL is verbeterd, hoewel de verschillen tussen universiteiten wel groot zijn. Anno 2016 is 49% van de campus in (zeer) goede staat - dit was in 2006 36% (van ongeveer hetzelfde totaaloppervlak). Echter, de technische levensduur die voorheen werd bepaald door de vervangingsbehoefte van casco en afbouw (in afschrijvingsrichtlijnen van de rijksoverheid respectievelijk 60 en 30 jaar), wordt steeds meer verkort door de kortere levensduur van installaties en inbouw (allebei 15 jaar). Dit betekent dat de investerings- en onderhoudsbehoefte ook na 2016 hoog zal blijven. 1.9 Functionele staat van de campus anno 2016: los van de technische veroudering wordt door alle universiteiten geconstateerd dat de campus - dus zelfs bij een (zeer) goede technische staat - ook functioneel verouderd is. Veel gebouwen voldoen niet meer aan de eisen van vandaag. Sterker nog: gebouwen verouderen functioneel steeds sneller, omdat de eisen aan installaties en inrichting sneller veranderen. Strengere regelgeving, hogere eisen aan energieprestaties, verzekeringseisen, nieuwe onderwijsvormen of specifieke typen onderzoek, hogere (comfort)eisen van gebruikers, de consequenties van vereiste ICT voorzieningen zijn voorbeelden van trends die de functionele eisen (sterk) beïnvloeden. Campus NL Investeren in de toekomst 65

De campus als publiek domein - Rooilijn
CAMPUS DIEPENBEEK, Fuif-proof! - UHasselt
Dairy Campus waar staan we nu?
Instellingsplan 2013 - 2016 - Technische Universiteit Eindhoven
Vizier_vooruit._4_toekomstscenario_s_voor_Nederlandse_universiteiten.
Modulair 4 - Open Universiteit Nederland
Masterplan Toekomst Wiskunde - Platform Wiskunde Nederland
De Pewex-shops - archief van Veto
Modulair 3 - Open Universiteit Nederland
E-schrift - veertiende uitgave februari 2012 - OpenU
OI_1_05.pdf - Open Universiteit Nederland
• Docenten maken het verschil • Krachtenbundeling voor een leven ...
Masters faculteit Wetenschappen - DMBR - Universiteit Gent
Modulair 9 - Open Universiteit Nederland
Kennis in Kaart 2008 - SSO
Jaarverslag 2010 - Protestantse Theologische Universiteit
OnderwijsInnovatie - Jacob van Kokswijk
KHLEUVEN KORT - Katholieke Hogeschool Leuven
5004224 MODULAIR 4 - Open Universiteit Nederland
OnderwijsInnovatie - Open Universiteit Nederland
Modulair 6 - Open Universiteit Nederland
OnderwijsInnovatie - Open Universiteit Nederland
OnderwijsInnovatie - Open Universiteit Nederland
5004202 MODULAIR 2 - Open Universiteit Nederland