Loosdrecht in de Bataafs-Franse tijd

hkloosdrecht

Deze folder behoorde bij de tentoonstelling "En nu die kale Fransen....De provincie Utrecht in de Bataafs-Franse tijd 1795-1813" Kasteel-Museum Sypesteyn 1997

In Ieiding

Niet aileen de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) was een woelige periode, ook in de

jaren daarvoor, de patriottentijd, was er geen rust in de Republiek. In die jaren vond

de strijd tussen de patriotten en de prius- of Oranjegezinden plaats. De patriotten (een

naam die letterlijk vaderlandslievenden betekent) waren het niet eens met de manier

waarop stadhouder prins Willem V van Oranje de Republiek regeerde. Er heerste

grote onvrede. De patriotten wilden veranderingen, zij hadden vooruistrevende,

democratische ideeen die onder andere gebaseerd waren op de ontwikkelingen in

Frankrijk, zoals de Verlichting en de Franse revolutie. Zij verenigden zich en kwamen

tussen 1783 en 1787 in een aantal steden, waaronder Utrecht, aan de macht. Zij zetten

Willem V uit de Staten-Generaal en ontnamen hem zo zijn macht, waarna hij met zijn

familie naar Gelderland vluchtte. Zijn vrouw Wilhelmina probeerde in september 1787

naar Den Haag te reizen om haar man weer aan de macht te brengen. Zij werd echter

bij Goejanverwellesluis door de patriotten tegengehouden en vastgezet. Haar broer,

Frederik Wilhelm II, koning van Pruisen, vatte dit op als een grove belediging en

stuurde 20.000 Pruisische soldaten om zijn zus te bevrijden en de patriotten de macht

te ontnemen. Vee! patriotten doken onder of v!uchtten naar Frankrijk, en Willem V

werd in zijn macht hersteld. De onvrede bleef echter bestaan.

In 1793 verklaarde Frankrijk de stadhouder van Holland de oorlog en in 1795

trokken de Franse troepen onder Ieiding van generaal Pichegru ons land binnen,

vergezeld van de uitgeweken patriotten. Willem V vluchtte met zijn familie naar

Engeland. De Fransen werden juichend binnengehaald met feesten en

vrijheidsbomen. Ons land kreeg tot 1806 de naam Bataafse Republiek, genoemd naar

het oude Germaanse volk dat in vroeger tijden in ons land woonde en tegen de

Romeinen streed. Ook in het bestuur kwamen veranderingen, de Staten-Generaal ging

uiteen en er werd een Nationale Vergadering ingesteld. Binnen dit bestuur waren nog

steeds verschillende meningen, zo vonden er in 1798 een tweetal staatsgrepen plaats.

De macht werd echter vanaf het begin van de negentiende eeuw steeds centraler

geregeld, zeker toen Napoleon Bonaparte in Frankrijk aan de macht kwam. Hij

kroonde zichzeU in 1804 tot keizer. In 1805 stelde hij Rutger Jan Schimmelpenninck

aan als raadspensionaris, hij wilde een man aan het hoofd van het land.

Schimmelpenninck voldeed echter niet volgens Napoleon, zodat hij in 1806 besloot

zijn eigen broer, Lodewijk Napoleon, tot koning van Nederland te benoemen.

Zodoende was Nederland van 1806 tot 1810 een koninkrijk. Lodewijk Napoleon had

het beste voor met de Nederlandse bevolking, zo leerde hij ooze taal, ging op bezoek

bij rampgebeiden, stelde hiervoor nationale collectes in, stimuleerde de kunst en

cultuur en protesteerde toen zijn broer om meer schepen en manschappen vroeg.

Daarom besloot Napoleon Bonaparte in 1810 zijn broer terug te roepen. Nederland

werd bij Frankrijk ingelijfd, het werd een Franse provincie. Er werden vee! Franse

regels ingevoerd, zoals de burgerlijke stand, een nationaal stelsel van mateo en

gewichten en de dienstplicht. Na de slopende veldtocht naar Rusland van 1812,

waarbij de legers van Napoleon grote verliezen !eden, werd hij in 1813 verslagen. De

Fransen vluchtten hierop als bezetters uit Nederland, terwijl zij in 1795 nog als

bevrijders binnen werden gehaald.

Deze folder beschrijft wat er in de patriottentijd en in de Bataafs-Franse tijd in

Loosdrecht gebeurd is . Waren er hier, net als op nationaal niveau, omwentelingen in

de macht of bleef alles bij het oude? U kunt het in het nu volgende lezen.


De ambachtsheerlijkheid Loosd1·echt in de Bataafs-Franse tijd

Tot aan de Bataafs-Franse tijd waren de gewesten Holland en Zeeland verdeeld in

baljuwschappen en ambachtsheerlijkheden. Ambachtsheerlijkheden waren de kleinst

mogelijke bestuurlijke en rechterlijke eenheden, een soort dorpen. Aan bet hoofd van

deze heerlijkheden stand de ambachtsheer of ambachtsvrouw. Deze functie was

binnen de familie overdraagbaar. Ambachtsheerlijkheden ontstonden in de middeleeuwen,

toen landheren delen van hun land in leen gaven aan andere edelen, die dit

land mochten besturen en daar de (!age) rechtspraak mochten uitoefenen. Zowel bet

complex van de beerlijkc recbten als het territorium waar de edelman deze rechten

uitoefende, werd een ambacbtsbeerlijkheid genoemd. Behalve de adel, konden vanaf

de achttiende eeuw ook rijke dorpsregenten of bestuurders van nabijgelegen steden

een ambachtsheerlijkheid kopen om hier hun heerlijke rechten uit te oefenen.

De ambachtsheer (of -vrouw) had in de heerlijkheid het recht tot besturen en het

recht , . · van !age rechtspraak. Hij (of zij) mocht de bestuurders van de heerlijkheid

benoemen, Icon boetes opleggen en Icon in kleinschalig rechtszaken beslissingen

nemen. Ook had hij bepaalde andere rechten, zoals ._~t jachtrecht, het visrecht en het

tolrecht. Vaak liet de ambachtsheer zich in het bestuur vertegenwoordigen door de

schout, die hij voor het Ieven benoemde. De ambachtsheerlijkheden vielen onder de

baljuwscbappen, die het recht op de hoge rechtspraak hadden. Dit hield in dat de

baljuw de meer gewichtige rechtszaken voorzat, onder meer de zogenaamde halsmisdaden

bestrafte, misdaden waar de doodstraf op stand.

Ook Oud- en Nieuw-Loosdrecht vormden een ambachtsheerlijkheid. Aan het eind

van de zeventiende eeuw werden de Oud- en Nieuw-Loosdrecht en Mijnden gekocht

door een rijke regent, Geronimus de Haze de Georgia. Aan het hoofd van deze

ambachtsheerlijkheid stand vanaf 1788 ambachtsvrouwe Sara Maria van de Poll,

weduwe van Zacharias Henrie Alewijn, die voor 1788 ambachtsheer van Loosdrecht

was . De ambachtsheerlijkheid Loosdrecht vie! binnen het baljuwschap van de beide

Loosdrechten, Mijnden, Tienden, Telkoop en nog enkele omliggende polders.

Toen de Fransen in 1795 ons land binnentrokken, had dit gevolgen voor de

ambachtsheerlijkheden, zo ook voor Loosdrecht. De ambachtsheerlijkheden heetten

voortaan gemeenten, die ondergeschikt waren aan de provincies. De provincies waren

weer ondergeschikt aan het rijk. De nieuwe grondwet van 1798 bepaalde dat aile

heerlijke rechten werden afgeschaft. Het recht van de ambachtsheer om de

bestuurders van de heerlijkheid te benoemen, werd hem uit handen genomen. Het

bestuur werd nu door het volk gekozen. Later, na 1810, werd het dorpsbestuur

benoemd door de departementen. Officieel hadden de ambachtsheren en -vrouwen nu

niets meer te zeggen over hun heerlijkheid. In praktijk konden vee! van hen echter nog

wei invloed uitoefenen.

Ambachtsvrouw van de Poll liet zich in elk geval niet zonder slag of stoat haar

rechten ontnemen. Zij schreef felle brieven aan het nieuwe bestuur, bleef actief binnen

de heerlijkheid, gaf geld aan de diaconie en de kerkenraad en stand op haar recht de

kerkenmeesters en de predikant te benoemen. Dit recht, het patronagerecht, werd haar

in 1804 inderdaad toegekend. Zij beedigde ook de plaatselijke schoolmeesters,

poldermeesters en weesmeesters, maar zij had niets te zeggen over de !eden van het

dorpsbestuur. In Loosdrecht veranderde de samenstelling van het bestuur nauwelijks,

aileen de naam vcranderde in 1795 van ambachtsbestuur naar municipaliteit. Het werd

echter voor de ambachtsvrouw moeilijker om invloed uit te oefenen op de bestuurlijke


gang van zaken. Aileen inzake de vervening in Loosdrccht werd wei de mening van

de ambachtsvrouw gevraagd. Zij moest namelijk toezicht houden op de vervening en

op de dijken. Voor het vervenen van stukken land was vanouds toestemming van de

ambachtsvrouw nodig, dit bleef zo geregeld Lot ver in de Bataafs-Franse tijd, om

illegaal vervenen van het land te voorkomen.

Toen de Franse overheersing in 1813 voorbij was, werden vee! rechten van de

heerlijkheden in ere hersteld. Het recht van benoerning werd echter wei enigszins

veranderd. De ambachtsheren of -vrouwen mochten de bestuurders wei voordragen,

maar de Kroon moest de benoeming goedkeuren. Zo verloren zij een dee! van de

macbt die zij voor de Bataafs-Franse tijd badden. De ambacbtsbeerlijkheden werden

steeds meer gebonden aan de provincie en bet rijk. In 1817 werd de Loosdrecbtse

ambacbtsvrouwe van de Poll opgevolgd door baar scboonzus Catharina Trip. Toen zij

in 1826 overleed, was er 26 jaar lang geen ambacbtsvrouw of -beer, omdat de familie

bet niet eens kon worden over de erfenis. Waarscbijnlijk werd de betrekking van

ambacbtsheer of -vrouw door de afnemende macht steeds minder aantrekkelijk

gevonden.

Adriaan Gaastra

. Een 'Nieuwe kaart van Mynden en de Laosdrecht' uit 1734


Loosdrecht, de patriotten en de Pruisen, 1787-1788.

De patriottentijd was als bet ware bet voorspel op de Bataafs-Franse tijd. Het waren

roerige jaren met verschillende machtswisselingen, want in de Republiek vond een

strijd plaats tussen de patriotten en de Oranje- of prinsgezinden. Tussen 1783 en 1787

namen de patriotten op verschillende plaatsen de macht over. Zij stuurden stadhouder

prins Willem V van Oranje weg uit de Staten-Generaal, waarna hij en zijn vrouw

Wilhelmina vanuit Gelderland toekeken hoe de machtsstrijd zich verder ontspon.

Wilhelmina wilde niet lang werkloos toezien en besloot in 1787 naar Den Haag te

reizen om daar orde op zaken te stellen en haar man weer aan de macht te brengen.

Zij werd echter bij Goejanverwellesluis door patriotten tegengehouden en vastgehouden.

Hier kwam een krachtig antwoord op! Op 13 september 1787 staken Pruisische

troepen, 20.000 man sterk, bij Nijmegen de Waal over en bestreden de

patriotten. Zij waren gestuurd door Frederik Wilhelm II, koning van Pruisen en broer

van Wilhelmina. De Pruisische inval betekende een grate militaire steun voor de kant

van de Ora~es. Een groot aantal patriotten vluchtte naar Frankrijk. Door deze

interventie werd de stadhouder in zijn macht hersteld, de Pruisische intocht wordt

daarom ook wei de Oranje-restauratie genoemd.

In Loosdrecht trokken in bet jaar 1787 achtereenvolgens patriottische en Pruisische

troepen binnen. In maart 1787 werd in bet register voor de dorpslasten voor bet

eerst melding gemaakt van de komst van de patriotten. Er werd een rnilitaire

ruiterafdeling gelegerd. Diverse inwoners van Loosdrecht voerden taken voor hen uit,

zoals bet lopen van de wacht, bet repareren van materieel en bet leveren van goederen

als brood en zadels. Dit betekent echter niet dat heel Loosdrecht patriottisch gezind

was, want de inwoners werden keurig betaald voor alle diensten. Dat binnen bet dorp

verschillende politieke gezindheden bestonden, blijkt uit een geschrift dat in 1785 op

de kerkdeur geplakt werd. Hierop stood dat de Loosdrechtse regenten rnisdadigers

waren en dat bet met hen gedaan zou zijn als de stadhouder weer in zijn functie

hersteld zou worden. Hun huizen zouden dan afgebrand worden terwijl zij aan de galg

zouden bungelen. Het Baljuwschap, de overkoepelende overheid waar Loosdrecht

onder viel, loofde tweehonderd gulden uit voor degene die kon vertellen wie dit

'vuilaardig en oproerig geschrift' geschreven had. Deze reactie laat zien dat het

Baljuwschap aan de patriottische zijde stond.

Toen de Pruisische troepen in september 1787 ons land binnentrokken en de stadhouder

in ere hersteld werd, werd er in Loosdrecht wei een aantal huizen geplunderd,

maar de voorspelling over de dorpsbestuurders aan de galg kwam niet uit. Op 15

september werden Pruisische troepen in Loosdrecht gelegerd. Ook aan deze troepen,

de tegenstanders van de patriotten, werden door de dorpelingen diensten geleverd.

Ook dit keer werden zij hiervoor betaald. Het lijkt er dus op dat het dorpsbestuur en

de inwoners samen werkten met de heersers van dat moment, of dit nou patriotten of

Pruisen waren.

Zowel in de patriottentijd als na de komst van de Pruisen ontstonden er geen grate

veranderingen in de samenstelling van bet dorpsbestuur. Verschillende bestuurders

bezaten zowel een ambt v66r september 1787, als na de komst van de Pruisen, als na

de instelling van de patriottisch gezinde bestuur (de municipaliteit) in 1795! Zij

regeerden dus zowel tijdens patriottische als Oranjegezinde tijden. Deze continuiteit is

gedurende de gehele Bataafs-Franse tijd bij bet dorpsbestuur te zien. Het dorp en bet

groepje elite dat het dorp bestuurde waren te klein om een diepgaande strijd mogelijk


te maken. Waarschijnlijk werd de leefbaarheid van Loosdrecht belangrijkcr gevonden

dan de politieke kleur. Voor de overheersers was de politieke kleur van Loosdrecht

ook niet van zulk groOl belang als van grote steden zoals Amsterdam, Nijmegen en

Groningen. Loosdrecht zou loch nauwelijks een bovenlokale of landelijke rol kunnen

spelen. Zodoende zagen qe Loosdrechtse regenten waarscbijnlijk meer beil in een

pragmatische manier van handelen dan in een politieke stellingname.

Patrick van Vegchel

~~~

~~


Het bestuur in Loosdrecht tijdens de Bataafs-Franse periode

De Bataafse omwentelingen van 1795 Jieten in Loosdrecht nog even op zich wachten,

zoals het geval was in vee! plattelandsgemeenten. De macht over de steden was voor

het nieuwe bestuur natuurlijk belangrijker. Pas op 14 maart 1795 kwam er een

afvaardiging van het Committe Revolutionair van Amsterdam. Deze gaf de opdracht

het bestaande ambachtsbestuur te ontstaan en een nieuw patriottisch dorpsbestuur, de

municipaliteit, aan te stellen. Er moesten voorbereidingen getroffen worden voor

verkiezingen en alle ondergeschikte ambtenaren moesten de eed van trouw afleggen

aan het nieuwe bestuur. De municipaliteit die in Loosdrecht werd aangesteld, was

nogal gematigd patriottisch, er zaten zelfs oranjegezinden in! Deze gematigdheid van

het bestuur zorgde wei voor botsingen met het radicalere Amsterdamse bestuur.

Verreweg de grote meerderheid van de Loosdrechtse bevolking had geen uitgesproken

politieke kleur, uit het notulenboek van de municpaliteit blijkt dat er onder de 2000

inwoners in 1795 ongeveer 35 echte patriotten en 40 oprechte orangisten waren.

Naarmate de Bataafs-Franse tijd vorderde, kreeg de municipaliteit van Loosdrecht

steeds minder te zeggen. Het dorp vie! onder het departement Amstelland, dat alle

belangrijke zaken regelde. Het land werd steeds centraler bestuurd. Tijdens bet

koningschap van Lodewijk Napoleon, van 1806 tot 1810, nam de centralisatie nog

meer toe. De opdrachten die Loosdrecht vanuit de departementen kreeg, werden

keurig uitgevoerd, zoals het luiden van de klokken en bet uitsteken van de vlag op

verjaardag van de nieuwe koning. Nadat keizer Napoleon zijn broer Lodewijk

Napoleon in 1810 had teruggeroepen, werd Nederland tot 1813 ingelijfd als een

Franse provincie. Dit betekende dat a11e Franse wetten en regels ook op Nederland

van toepassing waren. Op bestuurlijk gebied werden direct vernieuwingen

doorgevoerd. De macht van de lokale machthebbers moest volgens keizer Napoleon

nog meer verschoven worden naar een centraal gezag. Nederland werd opgedeeld in

zeven departementen, die onder Ieiding stonden van de Fransman Lebrun. Loosdrecht

vie! onder het Departement du Zuiderzee, waarin de oude departementen Amstelland

en Utrecht waren samengevoegd. Binnen het departement vie! Loosdrecht onder het

arrondissement d'Amsterdam. Elk departement werd geleid door een prefect met

onder zich een netwerk van onderprefecten, maires (burgemeesters), en adjunctmaires.

De hogere bestuursfuncties werden met name door Fransen bekleed. Het

Zuiderzee-departement werd geleid door de Franse prefect De Ce11es.

Pas halverwege 1811 was in Loosdrecht te merken dat Nederland een dee! was

geworden van het Franse keizerrijk. In het kader van de nieuwe bestuursstructuur

moesten functionarissen benoemd worden. Maire van Loosdrecht werd Hendrik

Bakker, adjunct-maire was Jan Stadelaar. Deze, en de overige functionarissen, waren

allen mannen met .een ruirne politieke ervaring binnen de gemeente Loosdrecht, of

jongemannen die in hun vaders voetsporen traden. Er vonden dus na de inlijving bij

Frankrijk geen grote verschuivingen in het Loosdrechtse bestuur plaats, er kwamen

geen nieuwe personen of groeperingen aan de macht. De titels van het bestuur en de

functionarissen veranderden wei, maar de personen bleven hetzelfde.

In de samenstelling van het bestuur van Loosdrecht deden zich in de gehele Bataafs-Franse

tijd eigenlijk geen significante wijzigingen voor. Na alle nationale

veranderingen vond in Loosdrecht geen wisseling van de wacht plaats, dezelfde

namen keerden steeds terug op het overheidstoneel, of het nu om het ambachtsbestuur

ging of de patriottische municipaliteit. Een verklaring hiervoor kan zijn dat in een


kleine en persoonlijk gerichte gemeenschap als Loosdrecht aan een politieke stellingname

niet zoveel belang werd gehecht. Waarschijnlijk werd de lee!baarheid van

het dorp vee! belangrijker gevonden, iedereen kende elkaar en dat was belangrijker

dan een politieke overtuiging. Gesteld kan worden dat de meeste veranderingen

binnen het bestuur van gemeente, departement en land schouderophalend geaccepteerd

werden, zolang de rust en orde binnen de gemeente maar bewaard bleef.

Arjan de Jongh

Koen Stuve

Jeanine de Vos

\..._ _- -


De armenzorg in de achttiende eeuw in Nederland & Loosdrecht

V66r de Bataafs-Franse tijd bestond er geen wetgeving rondom de armenzorg. De

zorg voor de armen werd in de achttiende eeuw georganiseerd door kerkgenootscbappen

of door de lokale overheid. Vanuit de kerk werden speciale ambtenaren

aangesteld om de kerkelijke armenzorg te Iaten plaatsvinden, de diakenen. Deze

werkten nauw samen met de lokale armenzorg-ambtenaren. Deze lokale ambtenaren

hadden per regio verscbillende namen, zoals armenvoogden of weesmeesters. In

somrnige plaatsen waren de kerkelijke en de ambtelijke armenzorg gecombineerd tot

een algemeen armenbestuur.

In de achttiende eeuw waren er veel armen. Landelijk lag het gemiddelde

behoeftigen (aan het eind van de eeuw) op 10 a 15 procent van de bevolking, in de

steden en in het westen van het land was dit nog hoger. Deze armen, waaronder

bejaarden, vondelingen, invaliden en anne gezinnen met kinderen, kregen bedeling in

de vorm van bijstand en verzorging. Soms werden zij in eigen huis bedeeld, maar bet

kwam ook voor dat zij bij particulieren thuis werden verzorgd, of in een tebuis werden

geplaatst. In de tweede helft van de acbttiende eeuw ontstond een nieuwe vorm van

armenzorg, de werkverscbaffmg in de armenfabriek. Hierdoor konden de armen zelf

geheel of gedeeltelijk in hun levensonderhoud voorzien.

Toen de acbttiende eeuw op baar einde liep, kwam er steeds meer kritiek op de

armenzorg, vooral vanuit de patriottiscbe hoek. De patriotten vonden dat er te gemakkelijk

bedeeld werd, zonder naar de omstandigheden van de armen te kijken. Hierdoor

kwamen er steeds meer bedeelden en bleef de armoede groeien. De armen werden

niet gestimuleerd om verandering in hun Ieven door te voeren, bele generaties lang

leefden van de bedeling. De patriotten waren niet aileen voorstanders van de werkverschaffing,

zij geloofden ook dat onderwijs en zedelijke verbetering onder de bedeelden

de armoede kon verdrijven.

Nieuw-Loosdrecbt was bet rijkere dee! van Loosdrecht, in Nieuw-Loosdrecbt

woonden minder bedeelden en zetelden de vooraanstaande burgers van Loosdrecbt,

zoals de dokter. Maar ook hier was armenzorg nodig. In de achttiende eeuw waren in

heel Loosdrecht vier weesmeesters aangesteld, twee voor Oud- en twee voor Nieuw­

Loosdrecht, die ervoor zorgden dat weeskinderen een of twee voogden kregen. In

samenwerking met deze voogden zorgden zij voor de opvoeding van de wezen. Zowel

in Oud als Nieuw-Loosdrecht was een kerkenraad, die gevormd werd door twee diakenen,

twee ouderlingen en een predikant. Tussen de kerkenraden en de weesmeesters

bestond een geregelde samenwerking op bet gebied van de armenzorg. Inkomsten

voor de armenzorg werden verkregen uit rente op obligaties en legaten, giften,

collectes, erfenissen en bepaalde belastingen en heffingen.

In 1791 werd in Oud-Loosdrecht een diaconie- en weesarmenhuis gebouwd. Later

in hetzelfde jaar werd hierbij een werkhuis gebouwd, waarin een dee! van de wezen te

werk werd gesteld. In dit tehuis kon iedereen terecbt die door de diakenen en weesmeesters

in Oud-Loosdrecbt onderbouden werd, behalve krankzinnigen en lijders aan

besmettelijke ziekten. Gezinnen met een groot aantal jonge kinderen werden ook wei

geholpen door een of twee kinderen in het tebuis op te nemen. Deze tehuizen kenden

zeer strenge regels. De inwonende armen moesten huiskleding dragen die gemerkt

was met een numrner, zij badden geen bezittingen, zij mochten slecbts buiten de poort

gaan op de daarvoor toegestane tijden en zij werden na de kerkdienst overboord over

betgeen daar gezegd was . In het tehuis werd uiteraard veelvuldig uit de bijbel


voorgelezen. Een andere voorziening in Loosdrechl op hel gebied van de arrnenzorg

was de arrnenbus. Deze was opgericht met het doe! de kosten van ziektc en begrafenis

te drukk:en. De arrnenbus was een voorloper van onze hedendaagse verzekeringen,

men betaalde aan deze bus in de goede lijden en kreeg geld uitgekeerd in de slechte

tijden.

In de Bataafs-Franse tijd werd een poging gedaan om de arrnenzorg wettelijk te

regelen. In 1800 werd een arrnenwet aangenomen waarin bepaald werd dat de

arrnenzorg centraal geregeld moest worden. Er zouden landelijke magazijnen voor

levensmiddelen, kleding en brandstof gesticht moeten worden, evenals werkhuizen en

gestichten, waarin aan behoeftigen en kinderen opvoeding en onderwijs kon worden

verstrekt. De arrnen moesten nuttige en vlijtige burgers worden. In deze wet zijn

duidelijk de vooruitstrevende opvattingen van de patriotten over de arrnenzorg te

herkennen. De Jokale armenbesturen en kerkenraden verzetten zich echter tegen deze

wet. Ook in Loosdrecht stuitten de plannen om het armenbestuur te centraliseren op

heftig verzet. Door de instabiele politieke situatie en door de Jokale tegenstand kon de

centralisatie niet of nauwelijks doorgevoerd worden, zodat in 1802 de armenwet weer

teruggedraaid werd.

Voor vee! wees- en arrnenhuizen in Nederland was de Bataafs-Franse tijd een

moeilijke periode. Vooral tehuizen die voor die tijd direct of indirect gesteund werden

door het Oranjehuis, werden zwaar getroffen. De inkomsten van de wees- en arrnenhuizen

namen door de slechte economische situatie sterk af, terwijl het aantal

hulpbehoevenden snel steeg. Ook in Loosdrecht werd bijna jaarlijks melding gedaan

van een groot tekort in de weeskassen. Een ander probleem voor de arrnenzorg was in

deze periode tenslotte het feit dat verschillende malen een beroep werd gedaan op de

weeshuizen om soldaten te leveren. Eerst was dit op vrijwillige basis, maar vanaf

1806 werden de weeshuizen verplicht gesteld jongens vanaf 18 jaar voor het Ieger van

keizer Napoleon te 1everen, omdat zij op kosten van de staat werden opgevoed.

Hierachter zat onder andere de gedachte dat als de jongens als soldaten werden ingelijfd,

zij door het Ieger gevoed en gekleed werden. Zodoende werden de weeshuizen

en andere armeninstellingen enigszins outlast en konden zij andere hulpbehoevenden

ondersteunen. Oat was gezien de slechte economische situatie ook hard nodig. Maar

de belangrijkste drijfveer achter deze maatregel was natuurlijk de aanhoudende vraag

van het Franse Ieger naar soldaten. Naarmate Napoleon meer soldaten nodig had, ging

de leeftijdsgrens van deze jonge soldaten snel omlaag. In 1811 lag de leeftijd van de

kinderen die uit de weeshuizen werden gehaald om het Ieger in te gaan, zelfs op 15

jaar.

In 1813, toen Napoleon de slag bij Leipzig verloor en de Fransen uit ons land

wegtrokk:en, bleek dat er weinig tot niets veranderd was op het gebied van de

armenzorg. De vooruitstrevende patriottische opvattingen hielden geen stand en de

armenzorg werd nog lange tijd voortgezet als weinig meer dan bedeling en

liefdadigheid, net zoals het geval was voor de Bataafs-Franse tijd.

Remco Haring

Friso Wiersum


De Loosdrechtse veenderij in de Bataafs-Franse tijd

Zoals aan de vele plassen en aan de vele watersporttoeristen te zien is, ligt Loosdrecht

midden in het Hollands-Utrechtse veenplassengebied. Vee! van deze plassen zijn het

resultaat van verveningspraktijken. AI sinds de tiende eeuw werd in Loosdrecht turf

gewonnen. In de Bataafs-Franse tijd was de veenderij de belangrijkste peiler van het

Loosdrechtse economische Ieven. In de veenderij waren vele uiteenlopende beroepen

te onderscheiden, zo waren er bijvoorbeeld arbeiders die het veen uitbaggerden en tot

stukken turf sneden, er waren turfdragers, turfschippers en turftonders. Deze laatsten

hielden de hoeveelheden turf bij die verkocht werden en incasseerden de daarop

geheven belastingen (opcenten), die ten goede kwamen aan de diaconie. Ook kende de

veenderij van Loosdrecht een aantal veenders, dit waren ondernemers die op de

veenderij de touwljes in handen hadden. Opvallend is dat de meeste veenarbeiders in

Oud-Loosdrecht woonden, in Nieuw-Loosdrecht woonden meer boeren. Maar bet

merendeel van de Loosdrechtse bevolking vond in de veenderij een middel van

bestaan. Dit waren niet aileen mannen, maar ook vrouwen en kinderen.

Vele economische sectoren hadden in de Bataafs-Franse tijd te lijden van de

oorlogsomstandigheden en de Franse politiek. De Loosdrecbtse veenderij maakte

ecbter een relatief goede tijd door in deze periode. De turf was immers bedoeld voor

de binnenlandse markt, waar een aanhoudende vraag naar deze brandstof was. Het

grootste dee! van de turf werd aan Amsterdam en omgeving verkocbt. De turfhandel

was niet afhankelijk van de handel met bet buitenland, zodat het met bet overgrote

deel van de Loosdrechtse bevolking relatief goed gesteld was in de Bataafs-Franse

tijd. Ondanks het feit dat de Loosdrechtse bevolking zoveel economische voordelen

had van het turfsteken, waren er ook duidelijke nadelen. Zo was de landvernietiging

tengevolge van het turfsteken een actueel probleem in de Bataafs-Franse tijd. Want

waar geveend werd, ontstonden plassen, zodat het stuk land niet meer geschikt was

voor agrarische doeleinden. Er werd ook wei spottend gesproken over rijke ouders en

anne kinderen, want de veenderij bracht al!een direct rendement en investeerde niets

in de toekomst. De nationale en gewestelijke overheid probeerde in te grijpen om door

middel van wetten en reglementen de landvernietiging te voorkomen. Dit lukte echter

lang niet altijd. In de Bataafs-Franse tijd behoorde Loosdrecht nog tot de provincie

Holland in plaats van tot de provincie Utrecht. Aan het eind van de achttiende eeuw

was in de provincie Utrecht een verbod op de uitvoer van turf van kracbt. Dit had

voor de Loosdrechtse veenders tot gevolg dat zij meer vraag kregen en zo extra

inkomsten konden verdienen. Het Utrecbtse verbod leidde er op deze manier juist toe

dat de vervening van Loosdrecht in hoog tempo doorging. Blijkbaar woog bet

onmiddellijke belang (de inkomsten) voor de Loosdrechters zwaarder dan de nadelen

op langere terrnijn.

Peruke van der Plas


Dienstplicht in Nederland & Loosdrecht in de Bataafs-Franse tijd

In het voorafgaande is duidelijk geworden dat de inlijving van Nederland als provincie

van Frankrijk en de hierbij horende veranderingen binnen de bestuursvorrning, niet

vee! invloed hadden op het qagelijkse Ieven in Loosdrecht. Ook naamsverandering van

de provincie of departement (van Holland naar Amstelland naar Zuiderzee) zijn aileen

op papier waar te nemen en zullen nauwelijks bekend zijn geweest onder de

bevolking. Meer beroering werd veroorzaakt door de invoering van de dienstplicht,

omdat dit de gemeenschap recht in het hart trof. Het rekruteren van soldaten werd ook

wei conscriptie genoemd. De Franse wet op de conscriptie stamde a! uit 1798 en is

gebaseerd op het principe dat iedere burger dienstplichtig werd wanneer er gevaar

dreigde voor hetland. En de Nederlanders waren vanaf 1810 Franse burgers, omdat

Nederland als provincie was ingelijfd. De conscriptie moest de leemte vullen tussen

het aantal vrijwilligers en het aantal benodigde soldaten. Voor de conscriptie was een

goede burgerlijke stand noodzakelijk, die ook door Napoleon werd ingevoerd. Aile

mannelijke burgers van twintig tot vijfentwintig jaar werden naar leeftijd ingedeeld in

vijf klassen. Bij oproeping van dienstplichtigen werd begonnen bij de jongste uit de

jongste klasse. Door middel van een bekendmaking van de naam van de oudste der

opgeroepenen wist iedereen of hij bij de soldaten hoorde. Door middel van een loting

werd bepaald wie er werkelijk in het Ieger ging en wie er reserve was. De rijken

konden, als ze ingeloot waren, voor vee! geld iemand inhuren die in hun plaats in

dienst ging, een zogenaamde remp!ayant.

Ook van Loosdrecht werd een bijdrage geeist in de levering van dienstplichtigen.

Voor deze tijd werd de gemeente a! gevraagd een bijdrage te leveren aan het Franse

Ieger, maar dat was op vrijwillige basis. Aileen het weeshuis was a! vanaf 1806

verplicht jongens te leveren die als soldaat konden dienen. Nadat Nederland in 1810

werd ingelijfd bij Frankrijk, bestookte de prefect van het departement du Zuiderzee,

de gemeente Loosdrecht met allerhande regelingen over de uitvoering van de

dienstplicht. Aile jongens die in 1790, 1791, 1792 of 1793 geboren waren, werden

opgenomen in de dienstplichtlijsten van de jaren 1810 tot 1813. In Loosdrecht stonden

op de dienstplichtlijsten 66 jongemannen. Van iedere dienstplichtige werden vele

gegevens genoteerd. Dit waren de gebruikelijke persoonsgegevens, maar ook de

namen van de ouders, hun beroep, of de dienstplichtige uit- of lhuiswonend was, of hij

bij het opstellen van de lijst zelf aanwezig was of vertegenwoordigd werd door een

familielid en of hij speciale kenmerken had waardoor hij wellicht afgekeurd kon

worden. Omdat het Ieger voor Napoleon erg belangrijk was, werd de administratie en

uitvoering van de conscriptie tot in detail geregeld door de Fransen.

De H ollandse departementen hebben in totaal 17.323 man afgeleverd voor de

Franse krijgsdienst. Degenen die niet in de zeedienst terecht kwamen, dienden in het

landleger en vochten in de veldtocht van tegen Rusland. Hiervoor werden maar liefst

15.000 soldaten opgeroepen, waarna grootschalige protesten en volksoproeren

plaatsvonden, zeker toen men hoorde hoe slecht de tocht verliep. Van de 15.000

Nederlandse dienstplichtigen overleefden slechts 1.000 man de barre veldtocht in de

Russische winter van 1812. De Nederlandse soldaten hebben hun verplichte taak dus

tegen zeer hoge prijs uitgevoerd.

Arjan de Jongh


Het onderwijs in Loosdrecht in de Bataafs-Franse tijd

De Bataafs-Franse tijd bracht vele veranderingen met zich mee, zoals de introductie

van de burgerlijke stand, het moderne muntstelsel, en het metrieke stelsel. Ook binnen

het staatsbestel, het strafrecht en het onderwijs werden ingrijpende veranderingen

ingevoerd. Voor het onderwijs waren deze veranderingen van blijvende aard. V66r

1795 stond het onderwijs in het teken van het geloof, het was een kerkelijke

aangelegenheid waar de overheid zich niet mee diende te bemoeien. Deze opvatting

werd in de Bataafs-Franse tijd niet Ianger in stand gehouden, de scheiding van kerk en

staat werd doorgevoerd. In 1798 werd een ministerie van onderwijs in het Ieven

geroepen, onder Ieiding van een 'Agent van Nationale Opvoeding'. Deze kreeg de

opdracht een landelijke onderwijswet te vervaardigen. Deze wet werd pas in 1806

ingevoerd. Zowel de materiele als de inhoudelijke kant van het onderwijs diende

aangepakt te worden. Het onderwijs moest niet Ianger een instrument zijn van de kerk,

maar van de maatschappij. De algemene christelijke normen en waarden bleven echter

wei in het onderwijs van kracht. In de onderwijshervormingen waren de patriottische

opvattingen duidelijk terug te vinden. Het onderwijs moest alle !eden der maatschappij

onderwijzen en opvoeden tot vlijtige burgers. De vernieuwingen stuitten echter zowel

bij schoolmeesters als bij de gereformeerde gemeenten op tegenstand.

Het onderwijs in Loosdrecht stond sinds de Tachtigjarige Oorlog onder Ieiding van

de gereformeerde kerk, zoals al het onderwijs in de Republiek. De kerkenraad en de

predikanten stonden aan het hoofd van de scholen. Ook behoorden de schoolgebouwen

toe aan de kerk. In de beide Loosdrechten waren in de achttiende eeuw vier

scholen: twee basisscholen, een kleuterschool en een school voor avondonderwijs. Het

schoolmeesters-ambt was een zeer divers beroep. In Nieuw Loosdrecht was de schoolmeester

ook koster, voorzanger, voorlezer en gravenmaker. In Oud Loosdrecht was

hij 'slechts' koster en doodgraver. Ook vervulden de schoolmeesters vee!

administratieve taken, omdat zij de geletterden van het dorp waren.

Met de omwenteling in de Republiek werd ook in 1795 in de beide Loosdrechten

een revolutionair gemeentebestuur ingesteld, de municipaliteit. De komst hiervan had

gevolgen voor het plaatselijke onderwijs. De kerk verloor zijn grote invloed op de

scholen. De schoolmeesters moesten, net als alle ambtenaren, een verordening

ondertekenen waarin zij trouw beloofden aan de nieuwe patriottische regering. De

Loosdrechtse schoolmeesters van der Swan en de Ruyter hadden hier grote moeite

mee, daar zij ook onder meer als koster in dienst stonden van de kerk en alleen aan de

kerk trouw wilden zweren. Uiteindelijk besloten zij toch tot ondertekening over te

gaan.

Een andere belangrijke verandering in het onderwijs in de Bataafs-Franse tijd was

de aanstelling van schoolopzieners. Dit gebeurde vanaf 1801 . Zij bezochten de

scholen halfjaarlijks en hielden de vorderingen van de leerlingen in de gaten,

controleerden of het schoolgebouw in goede staat was, of de docenten wei klassikaal

Jesgaven en examineerden de onderwijzers. Zowel in Oud als in Nieuw Loosdrecht

werd de kwaliteit van het onderwijs in de eerste jaren van bezoek laag bevonden, de

scholen werden beoordeeld met de kwalificatie LG, laagste rang. Hierbij dient wei

opgemerkt te worden dat maar weinig scholen de kwalificatie middelste of hoogste

rang toegekend kregen. De kwaliteit van het onderwijs ging echter snel vooruit in

Loosdrecht, volgens het verslag van de opziener uit 1810 werden betere boeken en

een meer klassikale verdeling gebruikt. Via de schoolopzieners had de overheid


invloed op de kwaliteit van het onderwijs. Dat dit een gunstige invloed op het niveau

van het onderwijs had, is wei duidelijk te zien in Loosdrecht, waar het niveau van het

onderwijs in de negentiende eeuw met sprongen vooruit ging.

Gijs van der Linden

~

J'q~1

·• "'

II • '

~~

/ /~;/ .·; ~' ~ -,)~

'·/ ' ') ...

y ·. i/ ·:~: -; .·.

lr~) -:: : ~-~ :s/:~- ~ ~

.--. ""~~i\ l ~._v /

~,. :-:-., :, , . fj$·~:~


Kcrkclijkc ontwikkclingcn in Loosdrccht in de Dataafs-Fransc tijd

AI ver voor de Reformatie bestond de ambachtheerlijkheid Loosdrecht uit twee

parochies, later gemeenten: Oud en Nieuw Loosdrecht. Lang geleden was er nog wei

sprake van een parochie, waarvan de kerk in bet huidige Oud-Loosdrecht stond. Rond

1400 werd echter de kapel in het gehucht Ter Sype verheven tot kerk, omdat de

bewoners (zeker 's winters) de tocht naar de kerk in Oud-Loosdrecht nieet meer op

konden brengen. De kapel werd de Nieuwkerk of de Sypekerk genoemd en de

oorspronkelijke kerk de Oukerk. Zodoende ontstonden de namen Oud- & Nieuw­

Loosdrecht. Aan bet eind van de achttiende eeuw schomrnelde het lidmatenaantal van

de kerk in Oud Loosdrecht rond de 400 en in Nieuw Loosdrecht rond de 200. De

gemeenten waren echter groter, want er waren minstens zoveel doopleden.

De kerkenraden bestonden behalve de predikant uit twee ouderlingen en twee

diakenen. De ambachtsheer of -vrouw benoemde de predikant, de ouderlingen en de

diakenen werden voor een periode van twee jaar gekozen. Predikant van Oud

Loosdrecht was van 1753 tot 1781 de bekende ds. Joannes de Mol, die de

Loosdrechtse porseleinfabriek oprichtte, waarvan in Kasteel-Museum Sypesteyn een

groat aantal objecten in haar collectie heeft. Hij werd opgevolgd door ds. Huibert van

den Bijllaardt, die predikant was tot 1805. In Nieuw Loosdrecht was van 1782 tot

1791 ds . Wolf Fredericus Submacher predikant. Hij werd van 1791 tot 1802 gevolgd

door ds . Reinier Swierink predikant; na hem kwam Hendrik Johannes Schregardus.

Onder invloed van de (Franse) revolutionaire beginselen groeide in ons land in de

Bataafs-Franse tijd het inzicht dat kerk en staat gescheiden dienden te zijn. In 1798

werd dit principe doorgevoerd. Voor vele gemeenten, waaronder ook Loosdrecht, had

dit grote gevolgen. Ten eerste zou de predikant, die tot dan toe vrijwel overal door de

staat werd betaald, geen traktement meer van de staat ontvangen. Dat betekende dat

de gemeenten in de toekomst zelf hun predikant zouden moeten onderhouden, wat

voor kleinere gemeenten een groat probleem zou kunnen zijn. Ten tweede sprak het

niet vanzelf meer dat de kerkgebouwen door de hervormden gebruikt werden. De

grootste kerk zou naar het grootste kerkelijke genootschap gaan. In Loosdrecht waren

echter geen andere kerkgenootschappen, de kerken bleven dus bestemd voor de

hervormde gemeente. Aileen moest de kerk nu zelf het onderhoud bekostigen, terwijl

dit voorheen door de plaatselijke overheden werd gedaan. Ook mochten er geen

jaarlijkse bid- en gedenkdagen meer uitgeschreven worden, en huwelijken waren

voortaan aileen geldig als zij voor de ·burgerlijke overheid gesloten waren.

Verder wilde de overheid, zoals eerder beschreven is, de armenzorg naar zich toe

trekken. De diaconie in Loosdrecht verzette zich hier met hand en tand tegen; niet

aileen zou zo hun functie overbodig worden, ook de kerkelijke gelden voor de armen

zouden naar de burgerlijke overheid overgeheveld moeten worden. Ook over de

kerkmeesters, die de kerkgebouwen beheerden, ontstond een conflict tussen

kerkenraden en municipaliteit, het dorpsbestuur dat door de Fransen was ingesteld.

Tot 1798 werden zij benoemd door de municipaliteit. Deze wilde hier na 1798 mee

doorgaan, wat op verzet van de kerkenraad stuitte, kerk en staat hoorden imrners

gescheiden te zijn. De spanningen liepen in Loosdrecht zo hoog op, dat er zelfs

brieven naar de Nationale Vergadering werden gestuurd, met klachten over de

kerkenraad en over de predikant van Oud Loosdrecht, ds. van Bijllaardt. Binnen de

gemeente van Oud Loosdrecht ontstond een tweedeling. De municipaliteit en ds. van


Bijllaardt sLOnden rechl tegenover elkaar. Waarschijnlijk is dit Lerug te voeren op de

tegenstelling patriottisch (de municipaliteit) en Oranjegezind (de predikant).

In 1801 werd een nieuwe staatsregeling aangenomen, die een aanmerkelijk betere

situatie voor de kerk schiep. Een grool aantal van de veranderingen werden

teruggedraaid. Feitelijk werd de band tussen kerken en staat hersteld. Koning

Lodewijk Napoleon nam tijdens zijn regeerperiode van 1806 tot 1810 hel besluit om

de hervormde predikanten wederom uit de schatkist van de staat te betalen, zolang de

schtkist het toeliet. Ook kende hij predikanten van andere kerkgenootschappen dat

recht toe. Daarmee kon de rust in de gemeenten wederkeren.

Coen van Alphen


Deze folder l10ort bij de tentoonstelling En nu die kale Fransen ..... De provincie

Utrecht in de Bataafs-Franse tijd 1795-1813, die van I maart tot en met 13 april 1997

in Kasteel-Museum Sypesteyn te zien is.

Voor deze tentoonstelling is door een aantal studenten Geschiedenis van de

Universiteit Utrecht onderzoek gedaan naar de geschiedenis van Loosdrecht in de

Bataafs-Franse tijd:

Coen van Alphen

Adriaan Gaastra

Remco Haring

Arjan de Jongh

Gijs van der Linden

Fernke van der Plas

Koen Stuve

Patrick van Vegchel

Jeanine de Vos

Friso Wiersum

Onder Ieiding van dhr. van de Klashorst

Samenstelling folder & inleiding: Martine Eerelman

More magazines by this user