Meer werk aan mensen zonder werk - Sgbo

sgbo.nl

Meer werk aan mensen zonder werk - Sgbo

Meer werk aan mensen zonder werk

Ontwikkelingen in de WWB 2010


Meer werk aan mensen zonder werk

Ontwikkelingen in de WWB 2010

Inhoudsopgave

Bevindingen en nieuwe uitdagingen 5

1. Meer klanten in een uitkering in 2010 9

1.1 Stijging omvang bestand 10

1.2 Kleine gemeenten kennen de grootste toename 12

1.3 Invoering WIJ vertroebelt beeld op ontwikkelingen uitkeringsbestand 13

1.4 Uitstroom naar werk is toegenomen 18

1.5 Kenmerken bestand iets gewijzigd door ontwikkelingen 20

2. Tekorten in de financiering 23

2.1 Gemeenten komen gemiddeld tekort op het I-deel 23

2.2 Kleine gemeenten hebben de grootste tekorten op het I-deel 25

2.3 Gemeenten houden nog over op het re-integratiedeel 26

2.4 Gemiddeld bedrag uitkering door Wet BUIG en WIJ gedaald 28

3. Handhaving: incassobeleid verbeterd en stijging

gemiddeld fraudebedrag 31

3.1 Ontvangsten terugvordering en verhaal gestegen 31

3.2 Fraudebedrag gestegen, aantal fraudegevallen gelijk gebleven 35

4. Bedrijfsvoering efficiënter, maar niet goedkoper 39

4.1 Kosten bedrijfsvoering per klant gelijk gebleven 40

4.2 Efficiëntieratio: uitvoeringskosten beslaan 16% van totale uitgaven 43

4.3 Doorlooptijd afhandeling aanvragen blijft dalen 44

4.4 Grote gemeenten wijzen veel aanvragen af 47

5. Achtergrondinformatie 51

5.1 Doel en inhoud van de Benchmark WWB 51

5.2 Een actuele blik op de invloed van recente wetswijzigingen 52

3


Bevindingen en nieuwe uitdagingen

Voor u ligt het jaarrapport van de Benchmark WWB die jaarlijks

door SGBO en Stimulansz wordt uitgevoerd. De Benchmark

WWB is een compleet informatie- en sturingsinstrument voor

gemeenten en samenwerkende Sociale Diensten (ISD/RSD’s)

op het gehele terrein van de WWB. Deze publicatie beschrijft

de belangrijkste ontwikkelingen in de uitvoering van de WWB

in 2010. Daarnaast worden enkele succesvolle voorbeelden

van gemeentelijk WWB-beleid gepresenteerd. De opvallendste

conclusies die u in dit jaarrapport zult terugvinden zijn de

volgende:

Meer klanten in een uitkering in 2010 (H1)

• Eind 2010 lag het aantal uitkeringen 9% hoger dan eind 2009.

• Met name kleine gemeenten hebben te maken gehad met een grote

toename van het aantal uitkeringsgerechtigden.

• De jeugdwerkloosheid is in 2010 sterk gestegen.

• De uitstroom naar werk is in 2010 toegenomen, van 11,4% in 2009 naar

13,1% in 2010.

5


Tekorten in de financiering (H2)

• Gemeenten hebben in 2010 meer uitgegeven aan uitkeringen dan het beschikbare budget

toeliet. Het tekort op het zogenoemde I-deel was gemiddeld 14%.

• Kleine gemeenten realiseerden in 2010 naar verhouding de grootste tekorten op het

I-deel.

Hoogte van fraude met uitkeringen stijgt (H3)

• Het aantal fraudegevallen is stabiel gebleven, maar het gemiddelde fraudebedrag is

met 20% gestegen.

• Gemeenten hebben in 2010 meer inkomsten gehad via terugvorderingen en verhaal dan

in de jaren ervoor.

Bedrijfsvoering efficiënter, maar niet goedkoper (H4)

• De kosten per klant zijn de laatste jaren toegenomen.

• Landelijk worden er minder diensten derden ingehuurd dan voorgaande jaren.

• Van iedere euro die beschikbaar is voor een regeling wordt 16 cent besteed aan de

uitvoering ervan. Kleine gemeenten besteden relatief meer aan de uitvoering dan

grote gemeenten.

• De doorlooptijden van de aanvragen levensuitkering en Bijzondere Bijstand blijven dalen.

• Kleine gemeenten wijzen steeds minder aanvragen af, grote gemeenten juist meer.

Representatief deelnemersveld

In 2010 namen 60 deelnemers deel aan de Benchmark WWB. Een deelnemer, bijvoorbeeld

een ISD, kan meerdere gemeenten vertegenwoordigen. Dit jaarrapport is gebaseerd op de

gegevens van 51 deelnemers die de benchmark volledig hebben gevuld. Het betreft 13

kleine deelnemers (tot 50.000 inwoners), 20 middelgrote deelnemers (50.000 tot 100.000

inwoners) en 18 grote deelnemers (100.000 en meer inwoners). Tezamen representeren zij

161.925 klanten die vallen onder de Wet Bundeling uitkeringen inkomensvoorzieningen

(BUIG). Dat is zo’n 52% van het landelijk aantal uitkeringsgerechtigden. De deelnemende

gemeenten vormen daarmee een representatieve vertegenwoordiging van de Nederlandse

gemeenten. Uitzondering is dat gemeenten in de provincie Limburg ondervertegenwoor-

digd zijn.

Toekomstige uitdagingen

Voor 2011 en verder betekenen bovenstaande conclusies dat gemeenten voor grote

uitdagingen staan. Zij worden geacht meer mensen aan het werk te helpen, terwijl hun

middelen vanwege de landelijke bezuinigingen juist worden beperkt. Zeker kleine gemeenten

zullen het zwaar krijgen. Het naar werk helpen van mensen in een bijstandsuitkering is

echter nog steeds zeer moeilijk in deze tijd. Er zijn weinig vacante arbeidsplaatsen en er is

een groot aantal beter opgeleide, beter gekwalificeerde en meer ervaren werkzoekenden

beschikbaar dat als eerste hiervoor wordt aangetrokken.

In 2013 zal daar hoogstwaarschijnlijk nog de nieuwe wet Werken naar Vermogen bijkomen.

Deze wet zal van gemeenten eisen dat zij ook andere burgers met een grote afstand tot de

arbeidsmarkt helpen re-integreren. Re-integratie van alle lokale werkzoekenden vanuit

één organisatie maakt lokale netwerken zinvoller. Het vereist wel een rechtvaardige natio-

nale financieringsmethodiek, gezond lokaal financieel beleid en kennis over re-integratie

van alle verschillende doelgroepen.

Het Ministerie van SZW heeft daarnaast alvast een aanscherping van de WWB aangekon-

digd, die onder andere gemeenten minder beleidsruimte biedt, strengere re-integratie-

eisen stelt aan bijstandsgerechtigden en een strengere inkomenstoets kent. Daarnaast

hoopt het ministerie dat de re-integratieprikkel wordt versterkt door te voorkomen

dat burgers er netto op achteruit zullen gaan als zij aan het werk gaan. Tot welke

ontwikkelingen dit maatregelenpakket zal leiden, mits de Tweede Kamer ermee akkoord

gaat uiteraard, zullen we u in de volgende jaarpublicatie meer in detail kunnen vertellen.

Wij wensen u veel leesplezier.

6 7


1

Meer klanten in een uitkering in 2010

Belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk:

• Het WWB/WIJ-bestand is in 2010 met 9% gestegen.

• De groei van het klantenbestand is voor een deel toe te

schrijven aan de stijging van het WIJ-bestand (deels

administratief en deels nieuwe instroom).

• Kleine gemeenten hadden de grootste bestandsstijging (12%).

• De uitstroom naar werk is in 2010 toegenomen, van 11,4% in

2009 naar 13,1% in 2010.

9


1.1 Stijging omvang bestand

Het totale aantal WWB’ers (en WIJ’ers vanaf eind 2009) binnen de deelnemende gemeenten

is sinds het eerste kwartaal van 2008 met 9% gestegen (zie grafiek 1.1). Na een lichte daling

in de laatste drie kwartalen van 2008 resulteerde de crisis vanaf het eerste kwartaal van 2009

in een toename van het WWB-bestand. In 2010 zelf is het bestand ook met 9% gestegen.

Grafiek 1.1: bestandsontwikkeling WWB/WIJ en WW, inclusief deeltijd-WW

(maart 2008=100)

180

170

160

150

140

130

120

110

100

90

80

100

Mrt 2008

99

92

91

Jun 2008

97

87

Sept 2008

105

95 95

92

85

Dec 2008

107

Mrt 2009

129

112

97

Jun 2009

Dat de stijging tot eind 2010 (en daarna ook nog) doorzet, is opmerkelijk. De werkloosheid

in Nederland is namelijk al sinds begin 2010 aan het afnemen. Zie bijvoorbeeld de

ontwikkeling van de werkloosheid en de WW-uitkeringen in dezelfde grafiek. Het WW- en

het WWB-bestand stegen vanaf begin 2009 (de WWB iets later dan de WW). In het geval van

het WW-bestand ging het om een forse stijging. Ook het aantal WWB’ers nam toe, zij het

veel geleidelijker. De WWB-ontwikkelingen volgen over het algemeen de werkloosheids-

10 11

ontwikkelingen met enige vertraging en met minder grote stijgingen en dalingen. In 2010

daalde het WW-bestand echter substantieel maar volgde er het gehele jaar geen daling van

150

119

99

Sept 2009

167

123

100

Dec 2009

171

142

103

Mrt 2010

WWB + WIJ WW Werkloze Beroepsbevolking

WWB/WIJ op basis van gemeenten die zowel in 2008, als in 2009 en 2010 deelnamen aan de benchmark.

Bronnen: SGBO, UWV, CBS

133

106

Jun 2010

156

145

125

108

Sept 2010

147

119

109

Dec 2010

het WWB-bestand (uiteraard zijn hierin wel verschillen waarneembaar als gevolg van de

regionale arbeidsmarkt). WWB’ers blijken, nog meer dan voorheen, een relatief moeilijk

bemiddelbare groep werkzoekenden. Het economisch herstel lijkt nog niet groot genoeg om

degenen met enige afstand tot de arbeidsmarkt weer aan het werk te krijgen. Een deel van

het WWB-bestand heeft ook te kampen met schuldenproblemen als gevolg van een lang-

durig laag inkomen. Deze financiële problemen maken tezamen met andere sociale proble-

matieken een terugkeer op de arbeidsmarkt nog gecompliceerder.

De WWB-bestandsdaling blijft dus achter bij de verwachtingen en confronteren gemeenten

met de complexe opdracht om in 2011 en daarna met steeds minder middelen deze grote

groep werklozen aan het werk te krijgen. En de WWB’ers en WIJ’ers zijn niet de enigen voor

wie gemeenten de re-integratie verzorgen (zie kader).

Wet BUIG behelst meer dan de WWB.

In de huidige Benchmark WWB is gekeken naar de Wet BUIG. Naast de WWB en de

WIJ betreft de Wet BUIG nog andere wetten waarbij sprake is van een uitkering. In onderstaande

figuur ziet u dat het bestand BUIG in 2010 voor ruim 85% bestond uit WWBklanten.

Van het overige deel maken de WIJ-klanten ongeveer de helft uit (7%). De andere

regelingen vormen dus ook ongeveer 7% van het totale bestand.

Grafiek 1.2: Samenstelling bestand (gemiddeld in 2010)

85,4%

14,6%

7,3%

2,1%

2,2%

0,4%

1,0%

1,5%

85,4% WWB

7,3% WIJ

2,1% IOAW

0,4% IOAZ

1,0% IBBZ 2004

1,5% WWIK

2,2% WWB Inrichting


1.2 Kleine gemeenten kennen de grootste toename

De omvang van het totale bestand van alle benchmarkdeelnemers samen is in 2010 dus

met 9% gestegen. De mate waarin het bestand per gemeente is toegenomen varieert. Kleine

gemeenten kennen gemiddeld een grotere toename van hun WWB/WIJ-bestand (zie grafiek

1.3). Gemiddeld kennen kleine gemeenten een toename van 12%, middelgrote gemeenten

een toename van 8% en grote gemeenten een toename van 7%. 1 Ook in 2009 bestond in de

kleine gemeenten al een sterkere stijging dan in de middelgrote en grote gemeenten, maar

het verschil was minder groot dan in 2010. Een mogelijke verklaring is dat kleinere gemeenten

minder goed in staat zijn om een effectieve samenwerking met werkgevers, re-integratie-

bedrijven, WSW-bedrijven, UWV en dergelijke te realiseren, waardoor het lastiger is om

klanten vanuit een integrale insteek te begeleiden naar werk of een goede regie op de

instroom te kunnen voeren.

Grafiek 1.3: bestandstoename 2010 naar gemeentegrootte (december 2009=100)

115

114

113

112

111

110

109

108

107

106

105

104

103

102

101

100,0

100

100,0

December

Januari

104,8

102,8 102,9

101,7

101,0

Februari

106,6

104,1

102,2

Maart

108,2

105,5

103,2 103,7

April

108,5

1 Uit een nadere analyse van CBS-gegevens door APE bleek dat landelijk ook middelgrote gemeenten een relatief sterke

toename kenden van het bijstandsbestand. Een 1-op-1 vergelijking met de percentages is hier niet mogelijk vanwege het

12 13

gebruik van andere grootteklassen door APE. Zie http://www.ape.nl/actueel/?page=detail&id=42.

105,7

Mei

109,1

104,2

105,4

Juni

110,1

106,7

104,7

juli

Klein Middel Groot

110,2

106,3 106,3

104,7

Augustus

111,5

110,6

105,0 105,5

September

107,2

Oktober

107,5

106,1

November

December

112,3

108,3

106,8

In grafiek 1.4 is te zien dat 28,3% van de benchmarkdeelnemers een bestandsstijging van

meer dan 20% kende in 2010. Slechts 2,6% van de deelnemers kende een bestandsdaling.

Grafiek 1.4: bestandstoename (als % groei eind 2010 ten opzichte van kwartaal 1, 2008

naar gemeentegrootte)

% Gemeenten

40%

35%

30%

25%

20%

15%

10%

5%

0%

10,3

20,5

7,7

15,4

12,8

10,3

7,7

10,3

2,6 2,6

-10% 0-10% 10-20% >20%

% Groei bijstandsbestand

Klein Middel Groot

1.3 Invoering WIJ vertroebelt beeld op ontwikkelingen uitkeringsbestand

De vraag is of de toename van het bestand met 9% te verklaren is door de groei van een

specifieke groep klanten. Het lijkt er in ieder geval op dat er eind 2010 meer jongeren in de

WIJ zaten dan er in de afgelopen jaren jongeren in de WWB zaten. De exacte mate waarin

de jongeren verantwoordelijk zijn voor de stijging is echter moeilijk uit de benchmark te

bepalen, vanwege de gevolgen van de administratieve implementatie van de WIJ (zie kader).

In het kort: een aantal WWB’ers is WIJ’ers geworden, waardoor een meerjaarlijkse vergelijking

lastig is.

CBS-gegevens tonen in ieder geval een toename van het aantal uitkeringen aan jongeren.

Jongeren onder de 27 jaar vormden in 2010 11% van het uitkeringenbestand, tegenover ruim

9% in 2009 (zie grafiek 1.5) en het percentage jongeren is daarmee toegenomen. Deels is dit

een gevolg van de crisis die met name voor starters op de arbeidsmarkt grote gevolgen heeft.

Zij zijn bij de huidige arbeidsmarktsituatie aangewezen op minder duurzame banen (flexwerk,

tijdelijke contracten), hebben geen of slechts kortlopend recht op een WW-uitkering en

vallen daardoor eerder terug op de WIJ.


14

Grafiek 1.5: leeftijdsverdeling WWB en WIJ, Nederland (Bron: CBS)

100%

90%

80%

70%

60%

50%

40%

30%

20%

10%

0%

22,8

25,8

27,3

14,9

9,2

We kunnen concluderen dat de jeugdwerkloosheid door de economische crisis is toegeno-

men. Door deze stijging en de snelle inwerkingtreding van de WIJ waren gemeenten er niet

goed op voorbereid om de jongeren direct naar een werk-leeraanbod te begeleiden.

Dit heeft effect op het aantal WIJ-ers met een uitkering. Het is namelijk zo dat er, als een

jongere ‘meewerkt’ aan het aanbod dat gedaan wordt, er automatisch recht is op een

inkomensvoorziening. Bovendien wordt bij veel leer-werktrajecten voor jongeren geen

aanbod met een bijbehorende inkomstenbron gedaan, zodat de gemeente alsnog een

uitkering moet betalen.

Echter, als we de jongeren buiten beschouwing laten is ook het aantal WWB-uitkeringen

gestegen in 2010.

24,4

26,9

26,4

13,9

8,5

24,1

26,9

25,6

14,1

9,2

22,6

26,4

24,7

15,3

11,0

2007 2008 2009 2010

55 tot 65

45 tot 55

35 tot 45

27 tot 35

jonger dan 27

Wat is er aan de hand met de administratie?

Tot juli 2010 hadden gemeenten de mogelijkheid om de jongeren tot 27 jaar van de WWB

over te zetten naar de WIJ. Een behoorlijk deel van de gemeenten heeft dit ook pas vlak

voor de uiterste datum gedaan. In onderstaande grafieken is te zien dat door deze administratieve

handeling het WWB-bestand vanaf juli een stuk lager was, en het WIJ-bestand

vanaf juli een stuk hoger. Omdat we echter niet weten hoeveel klanten van het oude

WWB-bestand jonger dan 27 jaar waren (er werden andere leeftijdscategorieën gebruikt),

kunnen we niet vaststellen of er in 2010 meer jongeren onder de 27 jaar een uitkering

ontvangen dan voorheen. Wat in ieder geval nog opvalt is dat zowel het WWB-bestand als

het WIJ-bestand licht blijven stijgen na juli 2010.

Grafiek 1.6: bestandsontwikkeling WWB (links) en WIJ (rechts) in 2010

(januari 2010 = 100)

101

100

99

98

97

96

95

94

93

101

100 100 100 100

Januari

Februari

Maart

April

Mei

99

Juni

96 96 96

Juli

Augustus

September

96

Oktober

97 97

November

December

800

700

600

500

400

300

200

100

100

Januari

143 188

Februari

Maart

268

237

April

Mei

350

Juni

513 518 513 524 532 536

Juli

Augustus

September

Oktober

November

December

15


De ontwikkeling van het bestand uit de eerder gepresenteerde grafieken wordt beïnvloed

door twee factoren: de instroom en de uitstroom. De hoogte van de uitstroom vormt een

indicatie voor de effectiviteit van het re-integratiebeleid. Een hoge uitstroom levert per

saldo weinig op als daar hoge instroomcijfers tegenover staan. Om de instroom te beper-

ken is een goed functionerende poortwachter daarom van groot belang. Het is echter goed

om te beseffen dat de invloed van de gemeente hierop beperkt is, omdat de economische

ontwikkeling voor een groot deel de instroom bepaalt. Grafiek 1.7 laat de instroom en uit-

stroom zien van cliënten tussen 18 en 65 jaar in alle BUIG-gerelateerde wetten. Uiteraard

zien we dat de totale instroom 9 procentpunt hoger was dan de totale uitstroom.

Daarnaast vallen nog twee belangrijke zaken op: Er is veel meer in- dan uitstroom bij de

WIJ. Voor een groot deel zal dit liggen aan de eerdergenoemde administratieve omzetting

van jonge WWB’ers naar de WIJ (die stromen formeel uit de WWB en dan weer in de WIJ).

Hierdoor zijn de instroomcijfers voor de WIJ kunstmatig hoog. Belangrijk is echter dat ook

de uitstroomcijfers bij de WWB daardoor kunstmatig hoog zijn. Bij de WWB is de in- en

uitstroom in 2010 administratief ongeveer gelijk aan elkaar. In werkelijkheid (als we

bedenken dat veel uitstroom dus kunstmatig is) zal ook bij de WWB de instroom in 2010

aanzienlijk hoger zijn geweest dan de uitstroom.

Grafiek 1.7: instroom en uitstroom cliënten (als % van het bestand BUIG per januari 2010)

60

50

40

30

20

10

0

52,2

43,4

31,8 31,2

17,4

0,9 1,5 8,3

1,3 0,9 0,1 0,4

Totaal WWB WWB (inrichting) WIJ IOAW IOAZ

% Instroom % Uitstroom

1,4 1,3 0,3 0,3

BBZ 2004 WWIK

Gemeenten kunnen onderling flink verschillen wat de in- en uitstroom betreft. Voor een

deel kunnen deze verschillen worden verklaard door externe factoren, zoals de arbeids-

marktsituatie in een bepaalde gemeente/regio of bijvoorbeeld de beschikbaarheid van

grote hoeveelheid sociale woningbouw in een gemeente, waardoor veel mensen met lage

inkomens zich in een bepaalde gemeente vestigen. Maar ook het gemeentelijk re-integra-

tiebeleid zelf vormt een deel van de verklaring voor verschillen in de in- en uitstroom-

cijfers. Zo maken veel gemeenten gebruik van gesubsidieerde arbeid om hun klanten te

laten uitstromen. De vraag is alleen of dit tot ‘echte’ uitstroom gerekend mag worden

aangezien de klant vaak na verloop van tijd weer terugkeert in de uitkering. Het voorbeeld

uit Spijkenisse laat zien dat het wel degelijk een meerwaarde kan hebben.

Best practice Spijkenisse: Spijkenisse Werkt

De gemeente Spijkenisse heeft in 2010 een lagere instroom van WWB-klanten dan gemiddeld

(32% tegen 52% gemiddeld). Volgens Frans Verhoeks (beleidsmedewerker planning

& control) komt dit door het project ‘Spijkenisse Werkt’, een soort Work First-traject voor

nieuwe instroom en klanten die pas kort een uitkering ontvangen. Deze klanten krijgen een

werkaanbod met een werkvergoeding. De resultaten? De helft van de klanten is nadien

doorgestroomd naar regulier werk. Slechts eenderde van de klanten keert terug naar de

WWB (soms na regulier werk). De klanten die onvoldoende meewerken, verliezen het

recht op uitkering of trekken hun WWB-aanvraag in, tenzij er sprake is van overmacht

(bijvoorbeeld door ziekte). Dit betekent nog eens 10% minder instroom. De aanpak lijkt een

succes: de bestandomvang is zo goed als gelijk aan 2009 en men heeft het tekort op het

I-deel weten te beperken (5% tegen 15% gemiddeld).

Inzetten op Work First-projecten vereist een stevige visie en harde keuzes. Spijkenisse

heeft een duidelijke keuze gemaakt om zich te richten op de nieuwe instroom, de ‘kansrijken’.

Hiervoor heeft men wel moeten korten op de inspanningen voor ‘kansarmen’,

degenen die al lang een uitkering krijgen. De uitstroom uit de WWB-uitkering is dan ook

relatief laag (29% tegen 44% gemiddeld).

16 17


1.4 Uitstroom naar werk is toegenomen

Grafiek 1.8 laat voor de jaren 2007-2010 de uitstroom naar werk zien als percentage van het

klantenbestand van januari van het betreffende jaar. De uitstroom naar werk is in 2010

weer toegenomen ten opzichte van 2009 en zit op het niveau van 2007. De toegenomen

uitstroom vindt plaats bij zowel de kleine als middelgrote en grote gemeenten. Wat verder

opvalt, is dat kleine gemeenten in 2010 een hogere uitstroom naar werk laten zien dan

middelgrote en grote gemeenten. De kleine gemeenten hebben daarnaast ook te maken

met een grotere toename van het WWB-bestand. Dit is mogelijk toe te schrijven aan een

ineffectieve werkende poortwachter of handhaving.

Grafiek 1.8: uitstroom naar werk cliënten 18-65 jaar (als % cliëntenbestand per januari

2007, 2008, 2009, 2010) naar gemeentegrootte

16

14

12

10

8

6

4

2

0

14,5

13,5

11,5

13,2

12,3

10,6

12,1

11,7

2007 2008 2009 2010

Klein Middel Groot

8,7

14,2

13,7

11,1

Best practice Rijswijk: Investeren in mensen loont

In de gemeente Rijswijk stroomde in 2010 56% van de bijstandsklanten van wie de

uitkering werd beëindigd uit naar werk. Dat is ruim boven het gemiddelde (34%). Volgens

Siem Bosma, beleidsmedewerker bij de gemeente, is een deel van dit hoge percentage

te verklaren door de wijze waarop de daarvoor gecontracteerde stichting langdurig

werkloze klanten helpt re-integreren. De gemeente heeft een aantal re-integratietrajecten

uitbesteed aan deze stichting. De stichting krijgt alle ruimte voor de klant en wordt niet

afgerekend volgens het principe ‘no cure, no pay’ waardoor de stichting meer financiële

zekerheid heeft. Doordat de klanten direct bij de stichting in dienst treden, is er sprake van

directe uitstroom naar werk. De trajecten zijn in principe direct gericht op werk maar

kunnen ook lopende het traject qua doelstelling herzien worden zodat de stichting niet in

een keurslijf zit en veel vrijheid heeft. Duurzame uitstroom uit de uitkering blijft wel de

doelstelling.

De crux is dat deze stichting gelieerd is aan een keten ondernemingen, die de klanten een

plek aanbieden in hun eigen bedrijf of gebruik maken van hun uitgebreide netwerk binnen

het bedrijfsleven. De resultaten van dit project zijn goed: na 18 maanden is tweederde van

de uitgestroomde klanten nog niet teruggekeerd in de WWB. Volgens Siem Bosma levert

het ook financieel flink wat op: “We investeren maximaal € 30.000,- in de klant, maar als

we de besparingen in WWB-uitkeringen daarvan aftrekken, blijkt de investering zichzelf

op termijn terug te verdienen. Na twee jaar is 82% van de gemaakte kosten weer terugver-

diend aan bespaarde uitkeringen. De verwachting is dat binnen afzienbare tijd de kosten

volledig zijn terugverdiend.” Investeren met zo’n grote kans op duurzame re-integratie:

18 19

dat loont!


1.5 Kenmerken bestand iets gewijzigd door ontwikkelingen

Grafiek 1.9 geeft de verblijfsduur in de bijstand weer. De recente instroom zorgt voor een

relatief groot aandeel uitkeringsgerechtigden met een (tot op heden) korte verblijfsduur.

Het zogenoemde ‘granieten bestand’, degenen die langdurig in een uitkeringssituatie ver-

keren, lijkt iets te zijn afgenomen. Dit hangt ook samen met de natuurlijke uitstroom van

bijstandsgerechtigden van de babyboom-generatie die de pensioenleeftijd bereiken.

De vraag is of over enige tijd de recente instroom is verworden tot een onderdeel van het

granieten bestand of weer zijn weg heeft gevonden richting de arbeidsmarkt.

Grafiek 1.9: verblijfsduur in bijstand (per 01-01-2007, 2008, 2009, 2010)

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

23

21

23

30

14

14

14

15

10

10

0 -


2

Tekorten in de financiering

Belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk:

• Het tekort op het I-deel is in 2010 bijna 14%.

• Kleine gemeenten hebben de grootste tekorten op het

I-deel: 22%.

• Op het re-integratiedeel is in 2010 nog een overschot

van 6,6%.

• Kleine gemeenten hebben iets meer overgehouden op het

re-integratiedeel dan grote gemeenten. De middelgrote

gemeenten hebben al een tekort van 1%.

2.1 Gemeenten komen gemiddeld tekort op het I-deel

In 2010 hebben de meeste gemeenten een tekort gehad op het inkomensdeel

van hun budget, waaruit de uitkeringen bekostigd worden. In grafiek 2.1 is te

zien dat in 2009 al een klein tekort was ontstaan op het I-deel, maar in 2010 zijn

de gemeenten zelfs flink in de min geschoten. In totaal hadden de gemeenten

in 2007 nog een overschot van 4% op het I-deel, in 2008 een overschot van 6%

en in 2009 een tekort van net 1%. In 2010 liep het tekort echter op naar 14%.

Dit is duidelijk een gevolg van de economische crisis. Vanaf eind 2008 liep

vanwege de crisis de werkloosheid op. In eerste instantie nam het WW-bestand

toe, later ook het WWB-bestand (zie ook hoofdstuk 1). Vooral in gebieden waar

veel ‘maakindustrie’ is of industrie die sterk samenhangt met crisisgevoelige

producten, namen in 2009 en 2010 de WWB-bestanden toe. Door twee aspecten

23


in de financiering vanuit het Rijk zijn gemeenten in moeilijkheden gekomen: de korting op

het macrobudget en het gebruik van de CPB-modellen die niet crisisbestendig blijken (voor

uitleg: zie kader). De WWB legt de financiële verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de

bijstand bij de gemeenten. Zij dragen het risico voor overschrijdingen bij het inkomensdeel

van het WWB-budget.

Grafiek 2.1: budgetresultaat I-deel per gemeentegrootte (overschot of tekort als % van het

budget inkomensdeel)

10

5

0

-5

-10

-15

-20

-25

4,6

8,3

6,2

7,9

5,4

5,0

-0,9

2007 2008 2009

2010

2007 2008 2009 2010

7,3

0,3

Klein Middel Groot

-22,0

-10,4

-11,5

Door de bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen wordt in 2010 gerekend met het budget en de uitgaven

t.b.v. inkomensvoorzieningen WWB, WIJ, IOAW, IOAZ, BBZ en WWIK. Dit heeft waarschijnlijk slechts zeer beperkt

invloed op het resultaat, omdat de WWB/WIJ het overgrote deel voor haar rekening neemt.

Gemeenten benadeeld in de financiering van de uitkeringen

Korting macrobudget

Op basis van de voorlopige I-budgetten voor de gemeenten, leken veel gemeenten in 2010

nog redelijk uit te komen met hun budget. Kort na de zomer heeft de minister van SZW, op

basis van gegevens van het CBS en CPB, echter besloten om een stevige korting toe te

passen op het macrobudget. Dit was het gevolg van het feit dat het totaal van gecalculeerde

uitkeringsaantallen (inclusief WW) gunstiger uitkwam dan eind 2009 was verwacht. In

werkelijkheid zijn de aantallen WWB-uitkeringen echter gestegen zodat de gemeenten

met minder budget meer klanten moesten bedienen. Stevige protesten van zowel VNG als

Divosa als een aantal individuele gemeenten hebben helaas niet mogen baten.

Rekenmodel niet crisisbestendig

In 2010 is gebleken dat de wijze waarop het macrobudget wordt samengesteld (deels

afhankelijk van de ontwikkelingen van de werkloosheid) niet goed hanteerbaar was voor

gemeenten. In opdracht van de G4 samen met Drechtsteden en Eindhoven is onderzocht of

de in de zomer van 2010 aangekondigde ‘Donner-korting’ op het macrobudget WWB wel

terecht was. Uit het APE-rapport* blijkt dat het rekenmodel dat het CPB gebruikt om de

ontwikkelingen van de werkloosheid te voorspellen in tijden van ernstige crisis niet goed

werkt. Feit is dat in zeer veel gemeenten de WWB-uitgaven het I-budget overstegen.

* Macrobudget Inkomensdeel WWB 2010. Onderzoek naar het effect van de economische crisis en de WIJ op de

gemeentelijke WWB-uitgaven. APE, september 2010.

2.2 Kleine gemeenten hebben de grootste tekorten op het I-deel

Opvallend is het verschil tussen de gemeentegrootteklassen. Kleine gemeenten hebben

een opvallend groter tekort (22%) dan de middelgrote en grote gemeenten (11% en 10%).

Een deel van de verklaring voor deze verschillen is gelegen in de achtergrond van het

objectief verdeelmodel, waarmee het Rijk de I-budgetten voor gemeenten vaststelt. Kleine

gemeenten worden gefinancierd op basis van historische uitgaven, middelgrote gemeenten

deels op basis van historische uitgaven en deels op basis van objectieve factoren (zoals

de toenemende werkloosheid). Grote gemeenten, ten slotte, worden geheel op basis van

objectieve factoren gefinancierd. Als, zoals gebeurd is, de bijstandsuitgaven plotseling

stijgen, ervaren kleine gemeenten geen enkel ‘dempend effect’ van de objectieve factoren.

Kleine gemeenten worden dus harder getroffen bij een flinke stijging van het bijstandsbestand

en daarmee de bijstandsuitgaven. Dat zij te maken hebben gehad met bovengemiddelde

stijgingen van het bijstandsbestand maakt deze nadelige consequenties nog forser.

24 25


2.3 Gemeenten houden nog over op het re-integratiedeel

In Grafiek 2.2 is te zien dat gemeenten in 2010 een minder groot overschot hadden op het

re-integratiedeel (voor omschrijving: zie kader) dan in de jaren ervoor. Een aantal gemeenten

had zelfs al een tekort. De uitgaven zijn in 2010 toegenomen als gevolg van het toegenomen

aantal WWB-klanten. Er zit een logisch verband tussen de uitgaven van het I-deel en de

uitgaven van het W-deel.

Grafiek 2.2: budgetresultaat re-integratiedeel per gemeentegrootte (overschot of tekort

als % van het re-integratiedeel)

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

-5

43,1 43,5

43,0

36,8

34,6

27,9

29,6

16,2

14,6

2007 2008 2009 2010

Klein Middel Groot

13,5

-1,0

7,2

Het re-integratiedeel: arbeidsmarkttoeleiding en activering

De Sociale Dienst heeft enerzijds tot taak het verstrekken van een inkomensvoorziening

aan mensen die hier niet zelf in kunnen voorzien. Anderzijds heeft de Sociale Dienst tot

taak om ervoor te zorgen dat de klanten niet onnodig lang in de uitkeringssituatie verblij-

ven. Het re-integratiebeleid is er op gericht om klanten naar de arbeidsmarkt toe te leiden,

of om maatschappelijk isolement van een klant te voorkomen en te bestrijden. Gemeenten

hebben naast het inkomensdeel in het WWB-budget ook een re-integratiedeel (het oude

werkdeel). Uit dit re-integratiedeel worden re-integratieactiviteiten bekostigd voor uitke-

ringsgerechtigden, personen met een Anw-uitkering en niet-uitkeringsgerechtigden (de

zogenoemde ‘nuggers’). Met de invoering van het Participatiebudget in 2009 is het werk-

deel samengevoegd met de budgetten voor inburgering en volwasseneducatie. Om de

vergelijking met voorgaande jaren zuiver te houden geven we alleen het re-integratiedeel

Voor veel gemeenten geldt dat zij flink wat voorbereidingstijd nodig hebben gehad om het

re-integratiebeleid op een adequate manier vorm te geven en de juiste aanbestedingstrajecten

te volgen om producten in te kopen. Daardoor is er in de eerste jaren na de

invoering van de WWB in 2004 relatief beperkt gebruik gemaakt van de beschikbare budgetten.

Inmiddels zijn de gemeenten ‘goed op stoom’ en wordt er soms zelfs al gebruik

gemaakt van reserves. Hierbij speelt ook mee dat de kosten pas ten laste van het budget

gebracht mogen worden op het moment dat zij feitelijk uitgegeven worden. Aangezien

trajecten vaak lang duren, vindt (een deel van) de betaling pas achteraf plaats. Daarnaast

weten we dat gemeenten in 2010 veel meer ‘eigen’ personeel dat werkzaamheden verricht

voor de re-integratie van klanten zijn gaan financieren uit het W-deel.

26 27

weer.

In 2010 is het totale Participatiebudget met 75 miljoen euro verlaagd. Daarnaast is de

meeneemregeling gewijzigd per 1 januari 2010. Dat betekent dat nog maar maximaal 25%

(voorheen 75%) van het totale Participatiebudget als overschot door de gemeenten behou-

den mag worden. De rest dient te worden terugbetaald aan het Ministerie van SZW. Voor de

G32-gemeenten gold overigens in het eerste jaar een iets hoger percentage dat als over-

schot mocht worden behouden, namelijk 31,25%.


De grafiek op pagina 26 laat tot slot zien dat de kleine gemeenten in 2010 iets meer op het

re-integratiedeel hebben overgehouden dan grote gemeenten (13% respectievelijk 7%).

De middelgrote gemeenten in de benchmark hadden zelfs al een tekort van 1%. Deze

verschillen tussen gemeentegrootteklassen hebben mogelijk te maken met de inzet van

gesubsidieerde arbeid (waaronder loonkostensubsidie). Kleinere gemeenten zijn voorzich-

tiger met de inzet hiervan. Zo blijkt uit de benchmark re-integratie dat grotere gemeenten

meer trajecten met loonkostensubsidie inzetten. Loonkostensubsidie is een populair

maar duur instrument met (vaak) een relatief lange looptijd. Voor veel gemeenten is

het moeilijk om een goede balans te vinden tussen effectieve inzet van loonkosten-

subsidie en beheersing van het (teruglopende) budget.

2.4 Gemiddeld bedrag uitkering door Wet BUIG en WIJ gedaald

Grafiek 2.3 laat het gemiddelde bedrag zien van een verstrekte uitkering aan klanten

tussen 18 en 65 jaar (huishoudens). Hierin is het gemiddelde over het gehele jaar genomen.

Het gemiddelde bedrag wordt berekend door de totale uitgaven te delen door het aantal

uitkeringen. Het gemiddelde bedrag laat een trendbreuk zien met voorgaande jaren, in

ieder geval doordat in de doelgroep het aantal personen met een lagere uitkering (WIJ,

WWIK, et cetera) in 2010 groter is geworden door de Wet BUIG.

Grafiek 2.3: gemiddeld bedrag verstrekte uitkering (in euro)

Er kunnen meerdere oorzaken zijn voor verschillen tussen gemeenten in het gemiddelde

bedrag per uitkering:

• De belangrijkste oorzaak is de samenstelling van het bestand. Alleenstaanden en jongeren

onder de 27 jaar hebben een lagere bijstandsnorm dan alleenstaande ouders en

gehuwden. Gemeenten met een relatief hoog aandeel gehuwden in het bestand zullen

een hoger gemiddeld bedrag per verstrekte uitkering hebben.

• Het gemiddelde wordt ook beïnvloed door het verrekenen van inkomsten uit bijvoorbeeld

deeltijdarbeid. Gemeenten zijn, wellicht vooruitlopend op de Wet Werken naar Vermogen,

hun klanten steeds meer gaan stimuleren om in deeltijd te werken, als voltijd niet

haalbaar is. De inkomsten worden gekort op de uitkering. Dit is overigens ook een

manier om op het I-budget te besparen. Wel is het verwerken van deeltijdinkomsten veel

administratief werk voor een gemeente, en er wordt ook niet altijd op gestuurd om het

werken in deeltijd of het werken als kleine zelfstandige te stimuleren.

• Ook de eigen gemeentelijke toeslagen en kortingen spelen een rol, zij het een kleinere.

De gemeenten hebben beleidsvrijheid als het gaat om het bepalen van toeslagen of

kortingspercentages (bijvoorbeeld bij inwoning, ontbreken woonlasten et cetera). Dit

heeft effect op het totaal van de uitkeringsbedragen.

28 29

14200

14000

13800

13600

13400

13200

13000

12800

12600

13179

13652

14014

13807

2007 2008 2009 2010


3

Handhaving: incassobeleid verbeterd en

stijging gemiddeld fraudebedrag

Belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk:

• De ontvangsten terugvordering en verhaal zijn in 2010

gestegen ten opzichte van 2009.

• Het gemiddelde bedrag van nieuwe fraudegevallen is in

2010 gestegen ten opzichte van 2009 (van € 4.361,- naar

€ 5.191,-).

• Het aantal geconstateerde fraudegevallen is de laatste twee

jaar nagenoeg gelijk gebleven.

3.1 Ontvangsten terugvordering en verhaal gestegen

In de WWB zijn terugvordering en verhaal een bevoegdheid geworden. Elk

gemeente kan zelf kiezen of en in welke gevallen zij van deze bevoegdheid

gebruik wil maken. Veel gemeenten maken gebruik van deze bevoegdheid.

Allereerst is het van belang om te weten hoe debiteuren ontstaan (zie kader).

31


Debiteuren ontstaan om talrijke redenen

Het ontstaan van debiteuren terugvordering en verhaal kan verschillende oorzaken

hebben. In het schema is dit uiteen gezet:

Niet tijdig

verrekenen

inkomsten

Verrekenen

andere inkomstenbron,

bijv. Wajong

Onverschuldigde

betaling

Misbruik

uitkering

Verhaal

onderhoudsplicht

Schenking

Buitenland

Nalatenschap

Terugvordering

Verhaal

Saldo debiteuren

Niet tijdig verrekenen van inkomsten gebeurt vaak bij: veel wisselende inkomsten

bij de klant, capaciteitsgebrek of trage processen, en uitbetaling in ‘lopende maand’ in

plaats van achteraf.

Verrekenen andere inkomstenbron gebeurt vaak bij: toekenning van Wajong uitkeringen

aan cliënten die bijstand genoten (is met name de afgelopen jaren veel gebeurd) of

bij onduidelijkheid over het recht op een WW-uitkering.

Onverschuldigde betaling betreft meestal: administratieve fouten of misbruik van

uitkeringen in de vorm van verzwijgen van inkomsten of gezamenlijk huishouden.

Verhaal op een onderhoudsplichtige: zoals de ex-partner voor zijn echtgenoot of

een minderjarig kind.

Verhaal na schenking: indien bij iemand door schenking de financiële situatie substantieel

is veranderd.

De nalatenschap: kan ook worden aangesproken indien iemand ten onrechte bijstand

heeft gekregen.

De geschatte ontvangsten op terugvordering en verhaal zijn door het Rijk in mindering

gebracht op het macrobudget van gemeenten. Van de gemeenten wordt verwacht dat zij dit

ontbrekende deel zelf terugverdienen. Om het bedrag terug te krijgen is het van belang

dat de gemeenten een geschikt incassobeleid hebben. In de Benchmark WWB wordt dit

incassobeleid op twee manieren gemeten. In de eerste plaats worden de ontvangsten

gerelateerd aan het gemiddeld uitstaande saldo terugvordering en verhaal. Het berekende

percentage, de incassoquote, geeft weer hoeveel op het uitstaande bedrag aan vorderingen

wordt ontvangen. De inspanningen die gemeenten in 2010 deden lijken hun vruchten af te

werpen: de ontvangsten terugvordering en verhaal zijn gestegen ten opzichte van de voor-

gaande jaren, in 2010 werd bijna 18,7% van het debiteurensaldo ontvangen (zie grafiek 3.1).

Dat is ruim 2 procentpunt meer dan in het jaar 2009.

Grafiek 3.1: incassoquote: ontvangsten terugvordering en verhaal (als % van het

gemiddelde debiteurensaldo), exclusief Bbz.

De incassoquote is erg gevoelig voor het zogeheten noemereffect. Zo kan de incasso bij een

gemeente uitstekend zijn en de incassoquote tegelijkertijd een lage score geven. Een

goede ontvangst op debiteuren wordt tenietgedaan door een (te) grote omvang van het

saldo. Er zijn gemeenten waarvan de raad heeft bepaald dat een eenmaal vastgestelde

vordering nimmer kan worden afboekt.

32 33

25

20

15

10

5

0

20,3

18,0

16,3

18,7

2007 2008 2009 2010


Daarnaast worden in de benchmark de ontvangsten in verband gebracht met de uitgaven

BUIG (grafiek 3.2). Een hoge score op zowel deze indicator als op de incassoquote laat zien

dat de gemeente een goed incassobeleid voert. Uit de benchmark 2010 blijkt dat gemeen-

ten een bedrag ontvangen via debiteuren dat gelijk staat aan ongeveer 5% van hun uitgaven

op het inkomstendeel.

Uitstaande saldo landelijk gelijk aan 18% van BUIG-budget

Van het totale uitstaande saldo terugvordering en verhaal wordt 86% veroorzaakt door

terugvordering en 14% door verhaal (Bron: CBS Statline). In september 2010 berekende

het CBS uit de gegevens van de debiteurenstatistiek dat gemeenten een bedrag aan terug-

vordering hadden uitstaan van € 672,5 miljoen. Aan verhaal stond € 110 miljoen open.

De gemeenten hadden voor de uitvoering van de wet BUIG in 2010 een bedrag van € 4.056,-

miljard beschikbaar. Dit betekent dat 18% van het budget BUIG gelijk is aan het uitstaande

saldo terugvordering en verhaal.

Grafiek 3.2: debiteuren incasso/uitgaven: ontvangsten als % van de uitgaven inkomensdeel

6

5

4

3

2

1

0

5,0

4,6

4,2

Al met al is het incassobeleid volgens deze indicatoren in 2010 verbeterd ten opzichte van

2009. Er wordt een groter deel van de uitstaande bedragen gevorderd, waarmee gemeenten

een groter deel van hun uitgaven aan uitkeringen kunnen dekken.

5,0

2007 2008 2009 2010

3.2 fraudebedrag gestegen, aantal fraudegevallen gelijk gebleven

In de benchmark wordt het fraudebedrag in euro’s en aantal gevallen van geconstateerde

fraude uitgevraagd. Omdat niet bekend is hoeveel gevallen van misbruik er daadwerkelijk

plaatsvinden, is het niet te bepalen of het aantal geconstateerde fraudegevallen een gevolg

is van een goed fraudeopsporingsbeleid of van een slecht werkende poortwachtersfunctie.

De schattingen van het mogelijke misbruik van uitkeringen lopen sterk uiteen.

Evident is wel dat bij hoge gemiddelde bedragen van geconstateerde fraude het misbruik

van de uitkering laat is geconstateerd. Een laag gemiddeld fraudebedrag vormt een indicatie

dat de fraude eerder wordt ontdekt. Het gemiddelde fraudebedrag bij de benchmark-

gemeenten bedraagt in 2010 € 5.191,-. In het jaar 2009 was dit € 4.361,- ofwel in 2010 is

het gestegen met 19%.

Grafiek 3.3: gemiddeld bedrag fraude inkomensvoorziening (in euro)

De sterke stijging van het bedrag in 2010 is moeilijk te verklaren. Wellicht hebben gemeen-

ten een stringenter fraudebeleid gehanteerd en meer (al een tijdlang frauderende) klanten

34 35

6000

5000

4000

3000

2000

1000

0

opgespoord.

3326

4563

4361

5191

2007 2008 2009 2010


Het aantal geconstateerde fraudegevallen als percentage van het gemiddeld klanten-

bestand bedroeg in het jaar 2010 4,4%, dit is nagenoeg gelijk aan het betreffende percen-

tage in 2009 (4,2%), zie grafiek 3.4. Het bestrijden van misbruik van sociale uitkeringen

vraagt voortdurende aandacht van gemeenten en Rijk. De bestrijding is kostbaar maar kan

ook veel geld besparen. In het jaar 2010 werd op de uitgaven aan uitkeringen levensonder-

houd 1,3% fraude geconstateerd. Dit percentage komt overeen met het percentage dat in

het jaar 2009 werd berekend.

Grafiek 3.4: fraudequote (aantal geconstateerde fraudegevallen als % van het

klantenbestand)

9

8

7

6

5

4

3

2

1

0

8,4

5,5

4,2

4,4

2007 2008 2009 2010

Indien de uitkomsten van de benchmark worden vertaald naar het landelijke niveau, zien

we dat € 50 miljoen van de uitgaven aan fraude weglekt.

Echter, de meest recente cijfers van het CBS uit 2008 laten zien dat er ruim € 110 miljoen

aan fraude is geconstateerd. Naar verwachting zullen de cijfers over latere jaren niet veel

verschillen van de cijfers over het jaar 2008. Gerelateerd aan de uitgaven komt dit overeen

met ongeveer 2,7%, dat is tweemaal zo hoog als het in de benchmark gevonden percentage.

Dit verschil kan worden veroorzaakt door de koppeling die het CBS maakt tussen de fraude

en de debiteurenstatistiek. Veel fraudezaken worden niet opgenomen in de fraudestatistiek

die veelal door de bijzondere opsporingsambtenaren wordt ingevuld. Daarnaast constateert

de uitkeringsinstantie zelf de fraude, deze gegevens worden veelal niet in de cijfers

van de fraudestatistiek verwerkt maar in de debiteurenstatistiek. Over het algemeen

hanteren gemeenten in de benchmark uitsluitend de cijfers van de fraudestatistiek.

Best practice Capelle a/d IJssel: Meer = minder

In de gemeente Capelle a/d IJssel is er sprake van een groot aantal geconstateerde fraudegevallen

per jaar (14% van het totale bestand tegen 4% gemiddeld), met een opvallend laag

gemiddeld fraudebedrag (€ 293,- tegen ruim € 7.000,- gemiddeld bij andere gemeenten).

Het hoge percentage geconstateerde fraudegevallen doet sterk vermoeden dat in andere

gemeenten slechts het topje van de ijsberg als fraudegeval wordt gesignaleerd. Men laat

daar dus veel fraudegevallen liggen, met alle financiële en maatschappelijke gevolgen van

dien. Ook worden in andere gemeenten de fraudegevallen laat ontdekt, waardoor de fraudesom

hoog uitvalt. Dit heeft grote consequenties voor de fraudeur.

In Capelle a/d IJssel is sprake van een sterk lik-op-stukbeleid. In korte tijd worden alle

rechtmatigheidssignalen van het Informatiebureau afgehandeld. Michèle Pors, intern

controleur zegt hierover: “in het project ‘Hoogwaardig Handhaven’ is afgesproken dat 80%

van deze signalen binnen zes weken onderzocht dient te zijn. Bij fraude of schending van

de informatieplicht door klanten wordt daarna binnen één maand een besluit genomen. Bij

ex-klanten geldt een termijn van twee maanden. Bij vermogenssignalen is sprake van

maatwerk. Door deze werkwijze worden relatief snel veel zaken/signalen afgedaan en zijn

de terug te vorderen of te verrekenen bedragen laag.” Maar er is meer. “Door goede

contacten met andere afdelingen komt informatie snel door en kan tijdig actie worden

ondernomen. Dit zorgt voor tijdige blokkering of beëindiging van de uitkering en daardoor

tot lagere terugvorderingsbedragen. Soms kan de uitkering zo snel geblokkeerd of

beëindigd worden dat er helemaal geen sprake is van terugvordering.”

36 37


4

Bedrijfsvoering efficiënter,

maar niet goedkoper

Belangrijkste conclusies van dit hoofdstuk:

• De kosten per klant zijn de laatste jaren steeds toegenomen,

maar in 2010 gestabiliseerd.

• Gemeenten maken minder gebruik van inhuur derden dan in

voorgaande jaren.

• De uitvoeringskosten bij kleine gemeenten zijn veelal hoger

dan bij grote gemeenten.

• De efficiencyratio is 0,16: per euro die besteedt wordt aan

regelingskosten (uitvoering Wet BUIG, re-integratie en

dergelijke) wordt 16 cent aan uitvoeringskosten besteed.

• De doorlooptijden van aanvragen blijven dalen.

• Kleine gemeenten wijzen steeds minder aanvragen af, grote

gemeenten juist meer.

• Het aandeel gegronde bezwaarschriften blijft toenemen.

De nadruk in de WWB ligt op de re-integratie van klanten naar de arbeidsmarkt.

Desondanks blijft de verstrekking van een uitkering aan huishoudens die niet

in hun eigen inkomen kunnen voorzien een basistaak. In dit hoofdstuk wordt

een aantal indicatoren gepresenteerd die gezamenlijk een indruk geven van de

uitvoeringskwaliteit van de gemeenten.

39


4.1 Kosten bedrijfsvoering per klant gelijk gebleven

In grafiek 4.1 zijn de kosten per klant weergegeven. Dit is berekend door het totaal aan

personele kosten van de gemeenten die zijn toegerekend aan de uitvoering van de WWB en

de WIJ (om de vergelijking met voorgaande jaren zuiver te houden), inclusief de kosten van

inhuur van externen te delen door het aantal klanten.

Grafiek 4.1: kosten per klant (WWB en WIJ) (in euro)

3500

3000

2500

2000

1500

1000

500

0

2683

2887

3150

3201

2007 2008 2009 2010

In 2010 zijn de kosten per klant ongeveer gelijk aan die van 2009. Dit is opvallend, omdat

het klantenbestand in 2010 is toegenomen. Dat zou betekenen dat gemeenten steeds meer

tijd per klant investeren. Tijd is immers geld. Ervan uitgaande dat gemeenten continu bezig

zijn om (zeker de inkomens-)processen steeds efficiënter te maken, zou de toename vooral

toe te schrijven moeten zijn aan toegenomen investering in de re-integratietaak. Het kan

ook betekenen dat gemeenten meer budget beschikbaar hebben gekregen, wat impliceert

dat budget uit het re-integratiedeel besteed is aan het eigen personeel.

In grafiek 4.2 zijn de kosten per klant onderverdeeld naar gemeentegrootte. Deze grafiek

laat zien dat de uitvoeringskosten bij kleine gemeenten veelal hoger zijn (ongeveer 10%)

dan bij (middel-)grote gemeenten. Dit bevestigt het beeld dat grote gemeenten goedkoper

kunnen werken door het grotere aantal klanten. Een aantal processen kan dan meer

gestandaardiseerd en efficiënter uitgevoerd worden.

Grafiek 4.2: kosten per klant (WWB en WIJ) onderverdeeld naar gemeentegrootte (in euro)

40 41

3600

3500

3000

2500

2000

1500

1000

500

0

2763

3005

2251

3143

3018

2501

3281

3091

2904

2007 2008 2009 2010

Klein Middel Groot

3359

3291

2979


Grafiek 4.3 laat het aandeel diensten derden in de totale loonsom zien. Hieruit blijkt dat

gemeenten in 2010 minder gebruikmaakten van inhuur van derden dan voorgaande jaren.

Vanwege de noodzakelijke bezuinigingen, die met de gemeenteraadsverkiezingen van

begin 2010 zeer duidelijk naar voren zijn gekomen, zijn veel contracten van ingehuurde

mensen (vaak casemanagers) niet meer verlengd. Mogelijk hebben gemeenten ook vaker

ingehuurde krachten een regulier arbeidscontract aangeboden.

Grafiek 4.3: aandeel diensten derden in totale loonsom

25

20

15

10

5

0

17,9

21,7

22,6

Ondanks dat het bijstandsbestand is toegenomen, er bezuinigd wordt bij gemeenten en

gemeenten veelal gekort hebben op inhuur derden, zijn de uitvoeringskosten in 2010

gestegen ten opzichte van die in 2009. Wat zijn hiervan oorzaken? Zoals hiervoor is

beschreven lijkt het aannemelijk dat de gemeenten meer tijd zijn gaan investeren in de

re-integratietaak. Daarnaast zijn gemeenten ook veel extra projecten gestart die, zij het

tijdelijk, extra capaciteit kosten. Deze extra projecten zijn niet alleen voor de re-integratie

ingezet, maar ook voor bijvoorbeeld de administratieve lastenverlichting (Wet WEU): hier

gaat de kost voor de baat uit.

18,0

2007 2008 2009 2010

4.2 Efficiëntieratio: uitvoeringskosten beslaan 16% van totale uitgaven

In grafiek 4.4 wordt de efficiëntieratio weergegeven. Dit is de verhouding tussen uitvoe-

ringskosten (personeelskosten) en de regelingskosten (BUIG, participatiefonds onderdeel

re-integratie en Bijzondere Bijstand inclusief langdurigheidstoeslag). Hieraan kunnen we

zien hoeveel er wordt besteed aan uitvoeringskosten in verhouding tot de regelingskosten.

De uitvoeringskosten bedroegen in 2010 16% van de totale uitgaven. Met de komende wets-

wijzigingen voor de boeg is het de vraag of deze verhouding zo zal blijven, omdat veel tijd en

energie gestoken moet worden in de veranderingen en het aanpassen van het beleid en de

processen. Dit zijn steeds extra investeringen waarvoor ook weer tijdelijk extra personeel

42 43

nodig is.

Grafiek 4.4: uitvoeringskosten per euro regelingskosten

0,20

0,18

0,16

0,14

0,12

0,10

0,17

0,16 0,16

Klein

2010

Middel Groot


4.3 Doorlooptijd afhandeling aanvragen blijft dalen

Grafiek 4.5 toont de gemiddelde doorlooptijd van aanvragen voor een uitkering Wet BUIG

(exclusief Bbz). De gemiddelde doorlooptijd is sinds 2008 aan het afnemen en is in 2010

ruim 4 weken. Ook de doorlooptijd van aanvragen Bijzondere Bijstand is sinds 2008 aan het

afnemen.

Teruglopende doorlooptijden van aanvraagbehandeling zijn het resultaat van jarenlange

inspanningen bij Sociale Diensten. Zonder twijfel heeft de ingevoerde wettelijke verplich-

ting om voorschotten te verstrekken, als op een aanvraag niet binnen 56 dagen is beslist,

gemeenten gestimuleerd om de gemiddelde behandeltijd terug te dringen. Verder zijn veel

gemeenten inmiddels begonnen met projecten als ‘sanering bewijslast’ en wordt de laatste

jaren intensiever gebruikgemaakt van reeds elders bekende gegevens. Hier geldt ook dat

in het kader van de administratieve lastenverlichting en de ingevoerde Wet op de Eenmalige

Gegevensuitvraag (WEU) veel gemeenten zijn gaan kijken hoe de processen versimpeld en

versneld kunnen worden door de gegevens te gebruiken die al voorhanden zijn.

Grafiek 4.5: doorlooptijd aanvraag BUIG (excl. Bbz) en Bijzondere Bijstand

in kalenderdagen

40

35

30

25

20

15

10

5

0

36,1

30,9

36,7

32,0

32,2

30,6

30,6

29,1

2007 2008 2009 2010

BUIG Bijzondere Bijstand

Een korte doorlooptijd, wat zegt dat?

De doorlooptijd is gedefinieerd als de periode tussen de indiening van de aanvraag en de

afgifte van de beschikking. De behandelperiode bij het UWV WERKbedrijf en een eventuele

hersteltermijn zijn in de berekening meegenomen. Een lange afhandelingstermijn zorgt

voor extra werk omdat na 4 weken een voorschot verleend moet worden aan de klant.

Welke waarde aan deze indicator moet worden toegekend, is afhankelijk van het beleid van

de gemeente. Sommige gemeenten hebben gekozen voor een lange afhandelingstermijn

om klanten extra te motiveren om snel weer zelf in hun bestaan te gaan voorzien. Andere

gemeenten willen liever snel duidelijkheid verschaffen over het recht op uitkering. De

wettelijke termijn is vastgesteld op 8 weken (56 dagen).

44 45


Best practice ISD-Walcheren: Doel stellen = doel halen

Hoewel de wettelijke termijn 8 weken is, presteert de ISD Walcheren een stuk beter als het

gaat om doorlooptijden van WWB-aanvragen. In gemiddeld 9 dagen (geteld vanaf het

intake-gesprek) krijgen burgers uitsluitsel. Gemiddeld is dit bij gemeenten 29 dagen. De

sleutel tot dit succes? “Doelstellingen uitvoeren en op resultaten afrekenen!”, zegt Peter

Dingemanse, controller bij de organisatie. “Op bestuursniveau is als doelstelling bepaald

om alle aanvragen binnen 2 weken af te handelen. Het werk moet tóch gedaan worden, dus

waarom niet zo snel mogelijk, zodat de klant goed bediend wordt? Dit heeft geleid tot een

scherpe focus binnen de organisatie. Onze processen zijn vervolgens heringericht.

Daarnaast worden medewerkers afgerekend op de resultaten, dat is een belangrijk

ingrediënt!”

Een belangrijk onderdeel van het huidige proces zijn de huisbezoeken. Binnen enkele

dagen na de intake komt een bijstandsconsulent bij de klant thuis. “Samen met de klant

wordt de aanvraag volledig afgewikkeld, inclusief het vergaren van de juiste bewijsstukken.

Dit scheelt enorm veel in de doorlooptijd, omdat er geen inefficiënte correspondentie per

post is over missende of onvolledige stukken. Tegelijkertijd hebben we de bewijslast

geminimaliseerd. Een voordeel is verder dat de consulent snel zicht heeft op andere zaken

die bij de klant spelen en daarop kan inspringen. Een slimme truc is, dat er ook altijd een

fraudepreventiemedewerker meegaat. Dit heeft een enorme preventieve werking. Onze

burgers weten dat dit onderdeel van de procedure is en zullen bij frauduleuze motieven

snel afhaken.” De uiteindelijke voordelen van de totale aanpak zijn groot en divers:

weinig bezwaar- en beroepzaken, weinig afwijzingen, weinig en enkel kleine voorschot-

ten (wat weer scheelt in dure terugvorderingsprocedures), een laag fraudepercentage en,

natuurlijk, tevreden klanten.

4.4 Grote gemeenten wijzen veel aanvragen af

Voor mensen die op het Werkplein worden doorverwezen naar de Sociale Dienst kan de

aanvraag voor een uitkering alsnog worden afgewezen. Het aantal aanvragen dat na de

eerste schifting door het UWV WERKbedrijf wordt afgewezen bij de Sociale Dienst zegt iets

over de effectiviteit van het UWV WERKbedrijf, maar kan ook te maken hebben met de

mate waarin Sociale Diensten klanten informeren en ondersteunen tijdens de aanvraag-

procedure. In grafiek 4.6 ziet u de afgewezen aanvragen als percentage van het aantal

ingediende aanvragen bij de Sociale Dienst, nadat het UWV WERKbedrijf de intake over-

gedragen heeft aan de Sociale Dienst.

Grafiek 4.6: afgewezen aanvragen als % van het totaal aantal aanvragers

naar gemeentegrootte

46 47

12

10

8

6

4

2

0

9,5

7,3

9,0

8,1

9,4

8,8

2007 2008 2009 2010

Klein Middel Groot

6,2

9,1

9,2

5,1

8,3

11,5


De grafiek laat zien dat het aantal afgewezen aanvragen in 2010 over het geheel genomen

niet is gedaald in 2010. In grote gemeenten werden in 2010 meer aanvragen afgewezen dan

in kleine gemeenten en ook meer dan in 2009, ondanks de inspanningen die gemeenten

hebben geleverd om de klanten juist voor te lichten en de aanvragen in te korten. Kleine

gemeenten lijken daar wel goed in geslaagd. Sinds 2007 is het aantal afwijzingen bij kleine

gemeenten bijna gehalveerd. Grote gemeenten hebben wellicht last van veel onterechte

doorverwijzingen van de Werkpleinen.

Het is lastig om precies aan te geven waarom gemeenten nog steeds aanvragen moeten

afwijzen. In een aantal gevallen komt het helemaal niet tot een formele aanvraag omdat de

klant duidelijk wordt gemaakt dat er geen recht op uitkering zal zijn (bijvoorbeeld bij part-

nerinkomsten of vermogen). Niet iedere gemeente maakt deze gevallen inzichtelijk. Als het

wel een formele aanvraag was geworden, moest die vervolgens (formeel) afgewezen

worden. Maar de tijdwinst voor de gemeente kan vooral worden gerealiseerd door het niet

tot een formele aanvraag te laten komen. Daarnaast wordt ook steeds meer geïnvesteerd

in de poortwachtersfunctie. Dat betekent dat er alsnog afwijzing kan plaatsvinden als

gedurende het aanvraagproces blijkt dat er na onderzoek door de handhavers geen recht

bestaat. Deze verklaring lijkt ook in lijn met het gegeven dat de bestandsstijging met name

bij kleinere gemeenten heeft plaatsgevonden: kleinere gemeenten wijzen minder af én

hebben een grotere bestandsstijging.

Naast de snelheid van bedrijfsprocessen is de kwaliteit ervan zeker zo belangrijk. Belangrijk

is bijvoorbeeld dat een aanvraag zorgvuldig wordt afgehandeld. Niet alleen moet worden

voorkomen dat iemand ten onrechte een uitkering krijgt, maar ook mogen er geen aanvra-

gen ten onrechte worden afgewezen. Ook de uitvoering van maatregelen moet nauwkeurig

zijn. Het aantal gegronde bezwaarschriften op de aanvraag levensonderhoud en periodieke

uitkering geeft een indicatie van de wijze waarop besluiten worden genomen en afgehandeld.

Dit gegeven vindt u in grafiek 4.7. In 2010 is het percentage gegronde bezwaarschriften iets

toegenomen ten opzichte van 2009.

Grafiek 4.7: gegronde bezwaarschriften levensonderhoud en periodieke uitkering

(in aantal per 100 bijstandscliënten)

Deze stijging is deels het gevolg van het toepassen van mediation. Bij mediation wordt

geprobeerd om de klant in een vroegtijdig stadium het bezwaar weer te laten intrekken.

Voorafgaand aan de formele behandeling, vindt dan overleg met de klant plaats. Als er

inderdaad overduidelijk iets mis is gegaan, wanneer de klant alsnog ontbrekende gegevens

heeft of wanneer zeer duidelijk is dat de klant ongelijk heeft, wordt geprobeerd de klant

ervan te overtuigen het bezwaar in te trekken. Het is plausibel dat hierdoor een klein deel

van de ongegronde bezwaren wordt ingetrokken, waardoor het aandeel gegronde bezwaren

48 49

2,5

2,0

1,5

1,0

0,5

0

1,5

toeneemt.

1,9

1,8

2,4

2007 2008 2009 2010

Bezwaarschriften onder de loep

De meeste bezwaarschriften gaan over de afwijzing van een uitkering en/of de hoogte

daarvan (bijvoorbeeld bezwaar tegen bepaalde kortingen). Een aantal bezwaarschriften

kan daarna gegrond verklaard zijn nadat de aanvrager aanvullende gegevens heeft gele-

verd of anderszins in het gelijk is gesteld. Ambtshalve herziene beschikkingen naar aanlei-

ding van een ingediend bezwaarschrift worden in de benchmark ook als gegrond

beschouwd.


5

Achtergrondinformatie

De Benchmark WWB is een informatie- en sturingsinstrument

voor en door gemeenten. Meedoen aan de Benchmark WWB

levert per kwartaal relevante informatie op voor de beleidscyclus,

over de beleidskeuzes, organisatie, prestaties en

effecten van het gevoerde WWB-beleid. Doordat de benchmark

na afloop van ieder kwartaal wordt ingevuld, heeft de

deelnemer steeds de beschikking over actuele gegevens.

Deelnemende gemeenten kunnen zichzelf vergelijken met

collega-gemeenten die deelnemen, door middel van driemaandelijkse

rapporten en bijeenkomsten.

Het doel van de Benchmark WWB is drieledig:

• Leren van elkaar.

• Vergelijken door verbeteren.

• Instrument voor verantwoording.

5.1 Doel en inhoud van de Benchmark WWB

Na afloop van ieder kwartaal vullen de deelnemers van de Benchmark WWB

hun gegevens in via een internetvragenlijst. Wij hebben de gegevens van

gemeenten omgezet in indicatoren, die de prestaties van de Sociale Dienst in

beeld brengen. De indicatoren zijn verdeeld in vier thema’s, namelijk:

• De klanten.

• Financiën.

• Handhaving.

• Bedrijfsvoering.

51


Per thema is een aantal indicatoren vastgesteld die iets zeggen over de prestaties per

thema. De deelnemers worden zo gedwongen om te denken in termen van oorzaak en

gevolg. Het benchmarkmodel maakt het mogelijk dat de gemeente samenhang ziet bij de

uitvoering van de sociale zekerheid. Natuurlijk spelen ook factoren een rol waar gemeenten

slechts beperkt invloed op kunnen uitoefenen, zoals ontwikkeling van de werkgelegenheid

en het opleidingsniveau.

De benchmarkrapporten geven ieder kwartaal een vergelijking van de eigen resultaten met

die van andere gemeenten (de gegevens van de gemeenten zijn hierin zichtbaar samen met

die van 8 tot 10 vergelijkbare gemeenten). Hierdoor hebben de deelnemers een actueel

overzicht van hun gegevens. Daarnaast kan de gemeente een managementsamenvatting

samenstellen voor gebruik binnen de gemeente. Bij de benchmark WWB horen vier keer

per jaar bijeenkomsten met de eigen ‘kring’ van gemeenten. Tijdens deze bijeenkomsten

worden de uitkomsten besproken en worden ervaringen uitgewisseld. Eén keer per jaar is

er een grote benchmarkbijeenkomst, met de uitreiking van de Wie Wat Bereikt Prijs voor de

best scorende gemeente.

5.2 Een actuele blik op de invloed van recente wetswijzigingen

De WWB, die sinds 1 januari 2004 van kracht is, stelt andere eisen aan gemeenten.

Gemeenten hebben veel meer beleidsvrijheid gekregen, met name op het terrein van

re-integratie. Het grootste deel van de voorschriften van het Rijk over de verstrekking van

bijstandsuitkeringen is vervangen door een meer algemene verplichting voor gemeenten

om de rechtmatigheid van de verstrekte uitkeringen te waarborgen. Daartegenover staat

dat gemeenten een veel grotere financiële verantwoordelijkheid hebben gekregen. Voor

tekorten op het inkomensdeel lopen gemeenten het volledige risico (in ieder geval tot een

maximum van 10% van dat inkomensdeel). Gemeenten proberen door allerlei nieuwe

werkwijzen, zoals vormen van WorkFirst en hoogwaardig handhaven, het aantal bijstands-

gerechtigden te verlagen en daarmee het financiële risico te beperken.

Vanaf 2009 is er op het terrein van de wet- en regelgeving veel veranderd voor gemeenten:

• Met ingang van 1 januari 2009 is de Wet participatiebudget in werking getreden. Met

het Participatiebudget worden de gemeentelijke middelen voor re-integratie (WWB-

werkdeel), inburgering en volwasseneneducatie gebundeld in één specifieke uitkering

voor gemeenten. Gemeenten kunnen met het Participatiebudget re-integratievoor-

zieningen, inburgeringsvoorzieningen, educatieopleidingen en combinaties van deze

voorzieningen financieren voor een brede doelgroep van iedereen van 18 jaar en ouder.

Behalve voor iedereen van 18 jaar en ouder kan het Participatiebudget ook worden

ingezet voor 16- en 17-jarigen die zijn ontheven van de kwalificatieplicht of die al aan de

kwalificatieplicht hebben voldaan. Daarnaast is het participatiebudget ook inzetbaar

voor jongeren van 16 of 17 jaar voor wie schooluitval dreigt, maar die door een leerwerktraject

alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.

• Per 1 oktober 2009 is de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) in werking getreden. De WIJ

verplicht gemeenten om jongeren van 18 tot 27 jaar die zich melden voor een uitkering

een aanbod te doen. Dit kan een baan zijn, een vorm van scholing of een combinatie van

beide, afgestemd op de situatie van de jongeren.

• Per 1 januari 2010 is de Wet BUIG (bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen

aan gemeenten) ingevoerd. Met deze wet worden de gemeentelijke middelen voor de

IOAW, de IOAZ, het Bbz 2004, voor zover deze betrekking hebben op algemene bijstand

aan startende ondernemers, en de WWIK gebundeld met het WWB-inkomensdeel. Met

de invoering van deze gebundelde uitkering krijgen gemeenten één budget voor de

bekostiging van uitkeringen op grond van de WWB, de WIJ, de IOAW, de IOAZ, het Bbz

2004 en de WWIK.

• Tot slot is per 1 januari 2010 de bijstandsverlening voor 65+’ers in zijn geheel overgedragen

aan de SVB.

De bovenstaande wettelijke wijzigingen zijn ook doorgevoerd in de Benchmark WWB.

Dit houdt in dat bij de trendanalyses de meeste gegevens van voor 2010 alleen over de WWB

gaan, en met ingang van 2010 over de gehele BUIG (dus inclusief WIJ, IOAW, IOAZ en Bbzstarters).

Dit kan bij een aantal indicatoren de trendbreuk met voorgaande jaren verklaren.

52 53


54

Kwaliteit

De Benchmark WWB beschikt sinds een aantal jaren over het

Keurmerk voor gemeentelijke benchmarks van de VNG. In 2009

is het keurmerk overgenomen door het Kwaliteitsinstituut

Nederlandse Gemeenten (KING). De Benchmark WWB heeft het

KING benchmarkcertificaat en het KING benchlearningcertificaat.

Dat wil zeggen dat de benchmark voldoet aan de door KING vastgestelde

kwaliteitscriteria voor benchmarken en benchlearnen.

Deelnemen?

Wilt u deelnemen aan de Benchmark WWB, of de Benchmark Re-integratie (of allebei),

neemt u dan contact op met Carla Vianen van SGBO (carlavianen@sgbo.nl of 06-21587900)

of Henk Meijeren van Stimulansz (Henk.Meijeren@stimulansz.nl of 06-22403519).

Colofon

Mei 2011

De Benchmark WWB is ontwikkeld door SGBO en Stimulansz

en wordt ondersteund door Divosa.

Samenstelling:

SGBO/BMC:

Carla Vianen

Ischa van Straaten

Simon Wajer

Stimulansz:

Henk Meijeren

SGBO:

Korte Houtstraat 20 A-B

Postbus 10242

2501 HE Den Haag

Telefoon (070) 310 38 00 (algemeen)

www.sgbo.nl

www.bmconderzoek.nl

Vormgeving

DMO bureau voor effectieve communicatie

Drukwerk

Drukkerij Bakker Baarn

Met dank aan Frans Siemer,

Irene Thuis en Eric Dorscheidt

en alle deelnemende gemeenten


Disclaimer

Niets uit de uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd

gegevensbestand en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk,

fotokopie of op welke andere wijze dan ook, zonder de voorafgaande schriftelijke

toestemming van SGBO. Aan de totstandkoming van deze publicatie is de grootst

mogelijke zorg besteed. SGBO kan echter niet aansprakelijk worden gesteld voor

eventuele onjuistheden, noch kunnen aan de inhoud rechten worden ontleend.

More magazines by this user
Similar magazines