Maak gebruik van onze ervaring en adviezen - Remko

remko

Maak gebruik van onze ervaring en adviezen - Remko

REMKO GPM

Gas-wandverwarmingsautomaten

Bediening · Techniek · Vervangingsonderdelen

Uitgave NL – U10


Made by REMKO

Inhoud

Veiligheidsvoorschriften 4

Opstelling van het apparaat 5

Apparaatbeschrijving 6

Aanwijzingen voor de gebruiker 12

Gebruik volgens het bestemde doel 21

Klantenservice en garantie 21

Milieubescherming en recycling 21

Aanwijzingen voor de installateur 22

Uitlaatgasaansluiting 24

Elektrische aansluiting 28

Gasaansluiting 29

Ingebruikneming 30

Landentabel gassoorten 32

Onderhoud 33

Parametertabel van de besturingsprintplaat 38

Verhelpen van storingen 40

Elektrisch aansluitschema 42

Weergave van het apparaat 43

Vervangingsonderdelenlijst 45

Afmetingen van het apparaat 46

Technische gegevens 47

Voor dat de apparaten in gebruik worden genomen / worden gebruikt,

moet deze bedrijfshandleiding zorgvuldig worden gelezen!

Deze handleiding is een bestanddeel van het apparaat en moet altijd

in de buurt van de opstellingsplaats of bij het apparaat zelf worden

bewaard.

Wijzigingen voorbehouden; wij zijn niet aansprakelijk voor fouten en drukfouten!

3


REMKO GPM

Veiligheidsvoorschriften

Bij gebruik van de apparaten moeten altijd de desbetreffende lokale

bouw- en brandbeveiligingsvoorschriften evenals de voorschriften van

de wettelijke ongevallenverzekering in acht worden genomen.

De apparaten zijn voor levering

onderworpen aan uitgebreide materiaal-,

functie- en kwaliteitskeuringen.

Toch kunnen de apparaten

gevaren veroorzaken wanneer ze

ondeskundig worden gebruikt door

ongeschoolde personen of wan-

neer ze niet voor het bestemde

doel worden gebruikt!

Neem de volgende aanwijzingen in

acht:

■ De apparaten mogen uitsluitend

worden bediend door

personen die zijn geschoold in

het bedienen van de apparaten

■ Bij gebreken die de bedrijfsveiligheid

van de apparaten in gevaar

brengen, moet het gebruik

ervan direct worden stopgezet

■ De apparaten moeten zodanig

worden opgesteld en gebruikt

dat de vrijkomende warme

luchtstroom geen schadelijke

invloed op de omgeving of op

de apparaten heeft

■ De apparaten niet blootstellen

aan weersinvloeden (regen, zon

enz.)

■ De apparaten niet met vochtige

of natte lichaamsdelen en/of

blootsvoets aanraken

■ De apparaten beschermen tegen

spatwater en andere vloeistoffen

■ Geen gasleidingen gebruiken

voor het aarden van elektrische

apparaten

■ �ete �ete onderdelen van de appa- apparaten,

bijv. de uitlaatgasleiding,

niet aanraken

■ Bewegende delen van de appa-

4

raten niet aanraken

■ Nooit vreemde voorwerpen in

de apparaten steken

■ De apparaten mogen alleen

worden bevestigd aan stevige

constructies of aan plafonds van

niet-brandbaar materiaal met

een voldoende draagvermogen

■ De apparaten mogen alleen

worden bevestigd aan de daartoe

door de fabriek bestemde

punten

■ De apparaten mogen niet worden

opgesteld en gebruikt in een

brand- of explosiegevaarlijke

omgeving

■ De apparaten moeten buiten

verkeerszones, bijv. van kranen,

worden opgesteld. Er moet een

veiligheidszone van 1 m worden

vrijgehouden

■ De aanzuigbeschermroosters

moeten altijd vrij worden gehouden

van vuil en losse voorwerpen

■ De apparaten mogen niet

worden blootgesteld aan een

rechtstreekse waterstraal

■ De apparaten moeten minstens

eenmaal per jaar worden gecontroleerd

door een deskundige

■ Veiligheidsvoorzieningen mogen

niet worden overbrugd of

geblokkeerd!

■ Voor onderhouds- of repara- reparatiewerkzaamheden

moet de

gastoevoer worden afgesloten

en moet het apparaat met alle

polen worden losgemaakt van

het stroomnet.

(Zekering uitdraaien of de

bouwzijdige hoofd-/nood-

schakelaar uitschakelen)

Voorzorgsmaatregelen bij

gaslucht

1. Direct het apparaat

uitschakelen.

2. De gasafsluitvoorziening(en)

sluiten.

3. Alle personen die direct gevaar

lopen waarschuwen.

4. Ramen en deuren openen.

5. Geen elektrische voorzieningen

zoals lichtknoppen, deurbellen

of elektrische stekkercontacten

bedienen.

6. Als de ruimte waar de gaslucht

vandaan komt niet toegankelijk

is, dient men onmiddellijk

de brandweer, de politie en

eventueel het nutsbedrijf te

waarschuwen.

AANWIJZING

Instel- en onderhoudswerkzaamheden

mogen uitsluitend

worden uitgevoerd door geautoriseerd

vakpersoneel.

ATTENTIE

De veiligheidsvoorzieningen

mogen tijdens het bedrijf niet

worden overbrugd of geblokkeerd.

AANWIJZING

De apparaten worden uitsluitend

gebruikt voor industriële-

en bedrijfstoepassingen.

Ze zijn niet bedoeld voor de

verwarming van woonruimtes

en dergelijke.


Opstelling van het apparaat

Toepassingsgebied

Met de gas-wandverwarmingsautomaten

van de serie GPM

kunnen modulaire installaties

worden gerealiseerd.

Modulaire installaties bestaan uit

een of meer warmeluchtbereiders

waarmee de verwarming van

kleinere ruimtes zoals werkplaatsen,

tot grote ruimtes zoals industriehallen,

kerken en sporthallen,

kan worden gerealiseerd.

Daarom dient men door berekening

van de warmtebehoefte het

verwarmingsvermogen te bepalen.

ATTENTIE

De apparaten mogen niet worden

opgesteld of geïnstalleerd

in ruimtes met een explosieve

of corrosieve atmosfeer!

Algemene voorwaarden

Bij de opstelling van de apparaten

moeten de lokale resp. nationale

voorschriften en richtlijnen in de

geldige versie worden nageleefd.

Werkzaamheden zoals:

■ gas- en elektro-installatie

■ omschakelen naar een andere

gassoort

■ ingebruikneming

■ afstellen of onderhoud, mogen

alleen worden uitgevoerd door

gekwalificeerd personeel

�ierdoor wordt gewaarborgd dat

behalve een foutloze elektro- en

gasinstallatie ook alle vereiste

metingen en keuringen worden

uitgevoerd.

■ De apparaten moeten minstens

eenmaal per jaar door geautoriseerd

personeel worden gecontroleerd.

Wij adviseren hiertoe

een onderhoudscontract af te

sluiten met een gespecialiseerd

bedrijf.

■ Bij het plannen en installeren

van de uitlaatgasleiding moet altijd

rekening worden gehouden

met de bouwkundige mogelijkheden

en de geldende lokale

resp. nationale voorschriften.

■ In stoffige omgevingen en in

stallen met een ammoniakhoudende

atmosfeer moet er bij het

uitvoeren van de verzorgings-

en onderhoudsmaatregelen

rekening worden gehouden met

de heersende omstandigheden.

De verbrandingslucht moet dan

in principe van buiten worden

aangevoerd.

Keuze van de

opstellingsplaats

Bij het bepalen van de opstellingsplaats

moet er rekening worden

gehouden met:

■ Brandbeveiliging en bedrijfsgevaren

■ Functie:

Vertrekverwarming, onderdruk/

overdruk in de opstellingsruimte

enz.

■ Bedrijfsbelangen, warmtebehoefte,

nominale luchtvolumestroom,

behoefte aan circulatielucht,

luchtvochtigheid,

kamertemperatuur, luchtverdeling,

benodigde plaatsruimte

■ Montage-, reparatie- en onderhoudsmogelijkheden.

De apparaten moeten zodanig

worden gemonteerd dat ze

altijd goed toegankelijk zijn voor

reparatie- en onderhoudswerkzaamheden.

Bij ondeskundige opstelling en

bediening kunnen er gevaren

uitgaan van de apparaten. Voor de

planning en bij de opstelling van

de apparaten moeten de volgende

punten beslist in acht worden

genomen.

■ De apparaten moeten zodanig

worden opgesteld en gebruikt

dat personen geen gevaar lopen

door uitlaatgas en stralingswarmte

en er geen branden

kunnen ontstaan

■ Bij het opstellen van de apparaten

moet men ervoor zorgen dat

de uittredende warme luchtstroom

geen schadelijke invloed

op de omgeving heeft

■ Brandgevaar moet worden uitgesloten,

waarbij men rekening

dient te houden met materialen

van de opstelvlakken en de vlakken

waartegen de apparaten

worden geplaatst. Zie daartoe

TRGI, paragraaf 5.1.3.3

■ De voor de montage bestemde

wand of plafond moet bestaan

van niet-brandbaar materiaal.

�et draagvermogen ervan moet

worden gecontroleerd, eventueel

moeten versterkingen worden

aangebracht

■ Consoles moeten voldoende

stevig in de wand of het plafond

zijn verankerd en de apparaten

moeten eraan worden bevestigd

op de daartoe door de fabriek

bestemde punten

■ Er moet worden gezorgd voor

voldoende ruimte voor het onderhoud

van warmtewisselaars,

branders, de ventilator en de

uitlaatgasafvoer

■ Bedieningsvoorzieningen voor

het apparaat en de brandstoftoevoer

moeten vanaf de vloer

kunnen worden bediend.

De exploitant dient te zorgen

voor onderhouds- en reparatiemogelijkheden

5


REMKO GPM

Apparaatbeschrijving

Definitie van de apparaten

Conform de EU-richtlijnen zijn de

apparaten gedefinieerd als:

„Gas-warmeluchtbereiders (WLB)

zonder stromingsbeveiliging, uitgerust

met een ventilator voor de

warmtewisselaar“.

De apparaten zijn volautomatische,

direct gestookte warmeluchtbereiders

voor wand- en plafondmontage.

Ze kunnen worden gestookt

met aardgas of vloeibaar gas.

De apparaten worden gebruikt

voor continue of tijdelijke verwarming

van gesloten en open ruimtes,

bijv. in:

hallen, werkplaatsen,

broeikassen,

magazijnen enz.

Classificatie van de apparaten

De apparaten werden volgens de

Europese normvoorschriften EN

437 en EN 1020 geclassificeerd op

basis van:

De gascategorie:

Indeling op basis van het soort

gas waarmee ze kunnen worden

gestookt.

Voor Duitsland DE II2ELL3B/P

Het soort gas:

De brander kan worden gestookt

met gassen uit de tweede gasfamilie

(aardgas - groep � en L) en

met gassen uit de derde gasfamilie

(butaan en propaan).

Het type gasverbrandingstoestel:

Indeling op basis van de mogelijkheid

tot afvoer van de verbrandingsproducten

resp. de toevoer

van verbrandingslucht. (kamerlucht-onafhankelijk/kamerluchtafhankelijk).

Meer informatie vindt u in het

hoofdstuk „Installatie van de

uitlaatgasafvoer en verbrandingsluchttoevoer“.

6

Constructie van de apparaten

De buitenmantel van de apparaten

bestaat uit gecoate plaatstaal; dit

garandeert een lange houdbaarheid.

In het voorste deel bevinden zich

een of meer uitblaasroosters.

Om voor een optimale verdeling

van de warme lucht in de opstellingsruimte

te zorgen, kunnen de

horizontale lamellen van het uitblaasrooster

met de hand worden

versteld.

Aan de achterkant bevinden

zich een of meer circulatieluchtventilatoren

met roosters, de

aansluitstukken voor de afvoer

van uitlaatgas en de toevoer van

verbrandingslucht, het gasaansluitstuk,

de kabeldoorvoeringen

voor de elektrische leidingen en de

stekkerverbinding voor aansluiting

op het stroomnet. In het rechter

zijdeel bevinden zich achter de

inspectiedeur de componenten die

nodig zijn voor de besturing en

beveiliging, bijvoorbeeld:

- de elektrische schakeling met

kabels

- de besturingselektronica

- de gasarmatuur

- de modulerende gasbrander

In het binnenste van het apparaat,

direct in de circulatieluchtstroom,

bevindt zich de branderkamer met

de warmtewisselaar.

De branderkamer bestaat volledig

uit roestvrij staal (inox) van het

type AISI 430.

De warmtewisselaar is van roestvrij

staal (inox) van het type AISI

441, voor een betere bestendigheid

tegen corrosie door vochtige

dampen.

De speciale vorm en het grote

oppervlak van de branderkamer en

de warmtewisselaar waarborgen

een hoog rendement en een lange

levensduur.

Ook de gasbrander bestaat volledig

uit roestvrij staal, dat op een

speciale manier is bewerkt.

Werking van de apparaten

De modulerende gas-warmeluchtbereiders

model GPM zijn ontwikkeld

voor het verwarmen van

industriële- en bedrijfsruimtes.

De elektronische besturing van de

apparaten zorgt op basis van de

werkelijke warmtebehoefte voor

een continue regeling van het

verwarmingsvermogen tussen het

minimum en het maximum vermogen.

Door de voorvermengings- en de

modulatietechniek is een rendement

van 94% mogelijk.

�et nominale verwarmingsvermogen

van de serie REMKO GPM ligt

tussen 11,8 en 71,5 kW.

De apparaten bestaan in hoofdzaak

uit de branderkamer met

een warmtewisselaar en de

circulatieluchtventilator(en).

De omgevingslucht wordt door

een of meer ventilatoren aangezogen

en efficiënt over de branderkamer

met warmtewisselaar geleid.

De branderkamer wordt opgewarmd

door de gasbrander en

geeft warmte af aan de langsstromende

lucht.

De warme lucht wordt aan de

voorzijde van het apparaat via een

verstelbaar uitblaasrooster uitgeblazen.

Voorschriftmatig gebruik van het

apparaat is alleen mogelijk met een

aangesloten schakelapparaat, bijv.

ATR-6 (toebehoren).

AANWIJZING

De apparaten zijn niet bedoeld

voor de verwarming van

woonruimtes en dergelijke.


Rendementen Bedrijfscyclus

�et grootste voordeel van de apparaten

is de modulerende werking,

d.w.z. het verwarmingsvermogen

en daarmee de gasdoorzet

(brandstofverbruik) veranderen

naargelang de warmtebehoefte.

Als de warmtebehoefte in een

vertrek afneemt, verbruikt de warmeluchtbereider

minder brandstof,

waarbij het rendement stijgt tot

94%.

Intrinsieke veiligheid

�et verhoogde rendement bij het

minimumvermogen wordt bereikt

door toepassing van moderne

lucht-gas-mengtechniek, waarbij

gelijktijdig de doorzet van verbrandingslucht

en gas wordt geregeld.

Deze technologie verbetert de

veiligheid van het apparaat, omdat

de gasklep afhankelijk van de

luchthoeveelheid op basis van

zijn fabrieksinstelling de brandstof

toevoert.

In tegenstelling tot atmosferische

branders blijft het CO2-gehalte in

het gehele werkingsgebied van de

apparaten gelijk en is een kleiner

verwarmingsvermogen mogelijk bij

een hoger rendement.

Wanneer er geen verbrandingslucht

beschikbaar is, blijft de gasklep

dicht; wanneer de hoeveelheid

verbrandingslucht afneemt,

vermindert de gasklep automatisch

de hoeveelheid gas en houdt zo

de verbrandingsparameters op een

optimaal niveau.

Minimale emissie van schadelijke

stoffen

De voormengbrander maakt in

combinatie met de lucht-/gasklep

een „schone” verbranding mogelijk,

waarbij de emissie van schadelijke

stoffen zeer laag blijft.

Werking van de brander

De warmtebehoefte waarbij de

brander wordt gestart, kan worden

ingesteld op de kamertemperatuursensor

NTC2 van de temperatuurregeling

ATR-6.

Zowel bij apparaten met een temperatuurregeling

als bij apparaten

zonder temperatuurregeling wordt

de brander alleen gestart wanneer

contact 7-9 van de contactstrip

M1 gesloten is.

Aan het begin, tijdens de ontsteking,

start de besturingsprintplaat

de ventilator van de brander, zodat

de branderkamer gedurende een

vooraf ingestelde tijd wordt voorgeventileerd.

Na deze voorventilatie

geeft de besturingsprintplaat

het vlambewakingsapparaat ACF

vrij voor ontsteking van de brander.

Daarna gaan gasmagneetklep EV1

en magneetklep EVP open die de

ontstekingsgasbrander voeden.

Op deze manier wordt de ontstekingsfase

van de ontstekingsbrander

(via de ontstekingselektrode)

gestart.

De bewakingselektrode controleert

of de gasvlam is ontstoken.

Als deze bedrijfstoestand is herkend,

opent het controleapparaat

de hoofdgasklep EV2, die de

eigenlijke brander voedt.

Na een bepaalde tijd gedurende

welke beide branders (ontstekingsbrander

en hoofdbrander) tegelijk

actief zijn, schakelt de besturingsprintplaat

de elektromagneetklep

EVP uit, waarna de ontstekingsbrander

uitgaat.

De bewakingselektrode zorgt

eveneens voor de vlambewaking

van de hoofdbrander.

�et startprogramma schakelt de

brander in met een gemiddelde

warmtedoorzet, die is ingesteld

op circa 70% van de maximum

doorzet.

Ongeveer dertig seconden na de

ontsteking begint de brander met

het moduleren van de gasdoorzet

en bereikt daarna de ingestelde

gasdoorzet.

Tijdens het bedrijf regelt de besturingsprintplaat

de gasdoorzet van

de brander evenredig aan de circulatieluchttemperatuur,

die wordt

gemeten door de NTC1-sensor op

de achterkant van het apparaat.

��������

���

���

���

uitlaatgassen ������

lucht ����

��� gas

7


REMKO GPM

Ventilatoren

�et inschakelen van de circulatieluchtventilatoren

wordt op basis

van een tijdschakeling geregeld

door de besturingsprintplaat,

waarbij de tijdregeling begint

met het inschakelen van de hoofdbrander.

Deze vertraagde inschakeling

voorkomt dat er koude lucht in het

vertrek wordt geblazen.

De vooraf ingestelde vertragingsduur

ligt tussen 0 en 255 seconden

[parameter C3].

Als deze waarde op nul wordt

gezet, starten de ventilatoren

tegelijk met de brander.

Uitschakelen van het apparaat

Als er geen warmtebehoefte meer

bestaat (de kamertemperatuur

ligt boven de ingestelde waarde),

schakelt de besturingsprintplaat de

brander uit. De branderventilator

blijft gedurende een vaste, vooraf

ingestelde tijd nalopen om de

branderkamer te beluchten. Deze

instelling kan niet worden gewijzigd.

Tot de warmtewisselaar is

afgekoeld, blijft/blijven ook de

circulatieluchtventilator(en)

nalopen.

De vertragingsduur ligt tussen 0 en

255 seconden [parameter C4].

8

�� � � � ��

warmtebehoefte

ventilator-brander

EVP � - ontstekingsvlam

EV1 � – 1e gasklep

EV2 � – 2e gasklep

EV2 – 2e gasklep

ATTENTIE

Parameter C4 (minimum looptijd

voor het afkoelen van de

branderkamer) niet instellen

op een waarde van minder dan

90 seconden

Om dezelfde reden is een onderbreking

van de stroomtoevoer

tijdens het branderbedrijf niet toegestaan,

omdat een ontbrekende

naventilatie van de warmtewisselaar

tot de volgende problemen

kan leiden:

■ oververhitting van de apparaten,

waardoor de garantie

vervalt

■ activering van de veiligheidsthermostaat

en de daarmee

verbonden handmatige ontgrendeling

■ beschadiging van de branderventilator

Als er nieuwe warmtebehoefte

ontstaat tijdens de naloopfase,

wacht de besturingsprintplaat tot

de ventilatoren zijn uitgeschakeld

en voert dan een reset uit, waarna

er een nieuwe cyclus begint.

Gasbrander-eenheid

ontstekingsgasbrander

besturingsapparaat

bewakingselektrode

gassproeier

ontstekingselektrode

Veiligheidsthermostaat/

-thermostaten

De apparaten beschikken voor elke

ventilator over een veiligheidsthermostaat

(STB) met automatische

ontgrendeling en positieve veiligheid;

deze garandeert dat er een

veiligheidsuitschakeling plaatsvindt

zodra de sensor van de thermostaat

wordt geactiveerd.

De thermostaat is gemonteerd bij

de warmtewisselaar en bewaakt de

uitgangstemperatuur daarvan.

Wanneer de thermostaat wordt

geactiveerd, zorgt het vlambewakingsapparaat

ervoor dat de

brander wordt uitgeschakeld tot

het bewakingsapparaat blokkeert.

De door activering van de veiligheidsthermostaat

veroorzaakte

blokkering van het apparaat wordt

aangegeven door storing F2.

LED-weergave

Op de voorkant van het apparaat

zijn een groene en een rode LED

aangebracht.

Als de groene LED brandt, is het

apparaat aangesloten op het

stroomnet.

Als de rode LED brandt, is er

sprake van een storing.

Bij gebruik van een temperatuurregeling

ATR-6 brandt de LED

continu in geval van een storing.

De display geeft de foutcode weer.

Zonder regeling kan de oorzaak

van de storing direct worden

vastgesteld aan de hand van de

verschillende knippercodes van de

rode LED.

F1 - LED brandt continu

F2 - LED knippert tweemaal snel

F3 - LED knippert driemaal snel

F4 - LED knippert viermaal snel

F8 - LED knippert continu

F6 - rode en groene LED knipperen

afwisselend


Storingen Fx

De in de apparaten gemonteerde

besturingsprintplaat onderscheidt

6 verschillende storingen:

F1 - storing van het vlambewakingsapparaat

door uitval van

de vlam.

F2 - activering van de veiligheidsthermostaat.

F3 - storing van de brandermotor.

F4 - storing van een van de NTCsensoren.

F6 - storing van de besturingsprintplaat.

F8 - vlambewakingssensor defect.

Storingen F1 en F2 worden veroorzaakt

door veiligheidsvoorzieningen

en zijn daarom permanent:

De storing blijft na uit- en herinschakeling

van de netaansluiting

bestaan en kan alleen handmatig

worden ontgrendeld.

Storingen F3, F6 en F8 moeten

handmatig worden ontgrendeld

door uit- en herinschakeling van

de netaansluiting.

Storing F4 wordt automatisch

gereset. Zodra de oorzaak van de

storing is verholpen, verdwijnt de

storingsmelding.

AANWIJZING

De werkwijze voor het ontgrendelen

van de permanente

storingen F1 en F2 is beschreven

in het hoofdstuk voor de

gebruiker.

Resetknop

Op de voorkant van het apparaat

bevindt zich een handbedieningsresetknop

waarmee het apparaat

bij afwezigheid van een temperatuurregeling

kan worden ontgrendeld

na de storingen F1, F2, F3 en

F8.

Omschakelaar zomer/winter

Op de voorkant bevindt zich ook

een handbedienings-wisselschakelaar

I / 0 / II waarmee bij een

temperatuurregelingsstoring kan

worden overgeschakeld van de

winterstand [I] op de zomerstand

[II] met uitsluitend ventilatie.

AANWIJZING

Bij gebruik van een temperatuurregeling

moet de wisselschakelaar

altijd op de winterstand

[I] staan.

resetknop LED-GROEN

wisselschakelaar

[II] zomer / 0 / [I] winter

AANWIJZING

Bij afwezigheid van een

temperatuurregeling adviseren

wij zowel de resetknop als de

wisselschakelaar m.b.v.

contactstrip M1 in de branderkast

te verplaatsen naar de

opstellingsruimte.

ATTENTIE

LED-ROOD

Alle apparaatparameters

kunnen uitsluitend in combinatie

met de elektronische

temperatuurregeling ATR-6

worden gewijzigd.

Lucht/gas-voorvermenging

De apparaten zijn uitgerust met

een brander met volledige lucht/

gas-voorvermenging.

Deze vermenging vindt plaats in

de ventilator van de brandermotor.

De door de ventilator aangezogen

lucht stroomt door de venturibuis,

waar er onderdruk ontstaat die het

gas meetrekt.

�ierdoor ontstaat er een constant

lucht/gasmengsel.

De verhouding lucht-/gasdruk is

1:1.

Deze waarde kan worden gewijzigd

met de offset-regelschroef op

de gasklep.

Bij aflevering van de apparaten is

de gashoeveelheid al ingesteld en

is de schroef verzegeld.

Met de instelschroef op de venturibuis

kan een nauwkeurige afstelling

plaatsvinden; deze regelt de

maximum gasdoorzet en bepaalt

zo het kooldioxidegehalte (CO2)

van het uitlaatgas.

Deze schroef wordt niet verzegeld,

om de warmeluchtbereider eventueel

te kunnen omschakelen naar

een andere gassoort.

ATTENTIE:

Bij de offset- en de CO2-instelling.

De besturingsprintplaat van de

apparaten kan met gelijkstroom

het toerental van de brandermotor

regelen op basis van de warmtebehoefte

in het vertrek.

Wanneer het toerental verandert,

verandert ook de luchtdoorzet en

daardoor de gasdoorzet.

De waarden van het minimum- en

maximumtoerental van de ventilator

kunnen niet worden gewijzigd.

9


REMKO GPM

Modulatie

De gas-wandverwarmingsautomaten

zijn apparaten met vlammodulatie,

waardoor er verschillende

verwarmingsvermogens mogelijk

zijn tussen het minimum- en het

maximumvermogen. �et hoogste

vermogen dient om de kamertemperatuur

snel te verhogen zodra de

apparaten worden ingeschakeld.

Door de vlammodulatie kan de

kamertemperatuur constant op

de gewenste temperatuur worden

gehouden doordat het verwarmingsvermogen

voortdurend

wordt aangepast aan de werkelijke

warmtebehoefte.

Dankzij deze automatische aanpassing

van het verwarmingsvermogen

aan de warmtebehoefte in het

vertrek, en ook door het verlagen

van de toevoerluchttemperatuur,

kan de vorming van warmtelagen

(neiging van de warmte om op te

stijgen) worden beperkt.

De temperatuurverschillen per

meter zijn minder dan 0,5 °C.

Wanneer de apparaten werken

met een kleine warmtedoorzet,

wordt een rendement van meer

dan 94% bereikt.

Deze resultaten zijn alleen mogelijk

door een nauwkeurige bewaking

van de klimaatomstandigheden in

het vertrek en door een optimale

besturing van de apparaten.

��������� gasdruk ������������ (-doorzet)

10

gecorrigeerde ������������ ����� curve

curve ������1:1 ���

���������� luchtdruk ������������ (-doorzet)

Bij de dimensionering van verwarmingsinstallaties

met warmeluchtbereiders

dient men rekening te

houden met het aantal luchtwisselingen

per uur.

�ierbij willen wij op het volgende

wijzen:

Warmeluchtbereiders dienen in

het algemeen zodanig te worden

geconstrueerd dat de luchtdoorzet

minstens tweemaal per uur voor

een luchtwisseling zorgt, ook wanneer

dit voor het verwarmingsvermogen

niet nodig is.

De apparaten zijn standaard uitgerust

met een kamertemperatuursensor

op de achterkant, zodat de

aangezogen temperatuur voor de

circulatieluchtventilatoren wordt

bewaakt.

De modulatie vindt plaats op basis

van de waarde die door deze sensor

wordt gemeten, in combinatie

met de vooraf op de microprocessor

ingestelde waarde van de

besturingsprintplaat.

De optimalisering van de modulatietemperatuurwaarde

moet

tijdens het bedrijf van de installatie

gebeuren en is zowel afhankelijk

van de afstand tussen de warmeluchtbereider

en de vloer als van

de gewenste temperatuur.

������������� rendement % � �

��

��

��

��

��

��

��

������������ rendement

��� lucht ����

�� �� �� �� �� �� �� ���

luchtdruk ��������������� (-doorzet) ��� [%]

��

��

��� aanvoerlucht

������

��

��

��

��

Normaal gesproken wordt de warmeluchtbereider

geïnstalleerd op

2,5 - 4 m van de vloer.

De gewenste temperatuur moet

dus bereikt en in stand gehouden

worden, waarbij erop moet worden

gelet dat de apparaten werken

op de laagst mogelijke modulatietemperatuur

die nodig is om aan

deze voorwaarden te voldoen.

In de fabriek wordt de modulatietemperatuurwaarde

ingesteld op

21 °C.

Deze waarde maakt een gemiddeld

installatiegebied tussen 3 en

5 meter mogelijk met een kamertemperatuur

tussen 17 en 18 °C

(zie onderstaande grafiek).

Zie het hoofdstuk „Aanwijzingen

voor de gebruiker“ voor informatie

over het wijzigen van de modulatiewaarde

„REG SAN” op de

elektronische temperatuurregeling

ATR-6 en voor het aflezen van

de modulatietemperatuur „TMP

MANDATA” met de temperatuurregeling.

ATTENTIE

Alle apparaatparameters

kunnen uitsluitend in combinatie

met de elektronische

temperatuurregeling ATR-6

worden gewijzigd.

gewenste

waarde

op 1,5m

hoogte

installatiehoogte in

meters

2,5 3 4 5

15° 16° 17° 18° 19°

16° 17° 18° 19° 20°

17° 18° 19° 20° 21°

18° 19° 20° 21° 22°

19° 20° 21° 22° 23°

20° 21° 22° 23° 24°


Kamercorrectie

Voor deze functie is temperatuurregeling

ATR-6 nodig.

In het onderstaande wordt een

functie beschreven die de optimale

energie-efficiëntie van de warmeluchtbereider

mogelijk maakt met

behulp van de besturingsprintplaat

en de temperatuurregeling.

Om de omgevingscorrectie te kunnen

starten, moet parameter C1 =

1 zijn ingesteld.

�et doel van de kamercorrectie

is snel opwarmen aan het begin

en daarna de kamertemperatuur

constant houden.

Zo kan niet alleen de vorming van

luchtlagen worden beperkt, maar

vooral het brandstofverbruik worden

verminderd.

De twee waarden waarop de

correctie is gebaseerd, zijn de

temperatuur die door sensor NTC2

(in de temperatuurregeling) wordt

gemeten en de temperatuur die

door sensor NTC1 (op het apparaat)

wordt gemeten.

Om sensor NTC2 te activeren,

moet parameter A12 op 1 worden

gezet.

Zodra de kamertemperatuur de

ingestelde setpointwaarde nadert,

wordt de modulatietemperatuur

lineair gewijzigd op basis van parameters

A16 en A24.

Zo is het mogelijk om het apparaat

aan het begin op het maximum

vermogen te laten werken om

���

modulatietemperatuur

���������������������

���� �� ���

kamertemperatuur

��������������

de vooraf ingestelde gewenste

kamertemperatuurwaarde snel te

bereiken.

Daarna wordt het verwarmingvermogen

verlaagd, waardoor het

rendement van het apparaat hoger

wordt en het vertrek met minder

warme lucht wordt verwarmd.

�ierdoor wordt niet alleen de vorming

van luchtlagen in het vertrek

beperkt, maar ook het warmteverlies.

De apparaten worden geleverd

met de volgende fabrieksinstellingen:

Modulatietemperatuur:

„REG SAN“ 24 °C

Neutraal correctiebereik:

A24 2 °C

Correctiecoëfficiënt:

A16 2,5

Parameter A24 bepaalt binnen

welk bereik de kamertemperatuur

wordt gecorrigeerd. Met parameter

A16 kan het rendement van

de temperatuurverlaging worden

verhoogd tot het setpoint „REG

SAN“ (zie grafiek). Bij de standaardinstelling

bedraagt de modulatietemperatuur

bij het bereiken

van de kamertemperatuur:

„REG SAN“ =

24°C-(2°Cx2,5) = 19°C

De correctie is onafhankelijk van

de ingestelde kamertemperatuur.

De grafiek toont het verloop van

de kamertemperatuur [ST2] in

���

���

���

���

verhouding tot de installatiehoogte

van de apparaten „REG SAN“

tijdens de beginfase van de verwarming.

Om de correctie uit te schakelen,

parameter C1 op 0 zetten.

Bij uitschakeling van de correctie

moet de waarde „REG SAN“

correct worden geregeld, om het

volgende te voorkomen:

- „REG SAN“ te hoog ingesteld:

Er vindt sterke luchtlaagvorming

plaats met een hoog warmteverlies

bij het dak, waardoor ook

het energieverbruik stijgt.

- „REG SAN“ te laag ingesteld:

Het duurt te lang voordat de

gewenste kamertemperatuur is

bereikt.

Als de correctie is uitgeschakeld,

moet „REG SAN“ zodanig worden

ingesteld dat de waarde in meters

van het verschil tussen de kamersensor

en de modulatiesensor

vermenigvuldigd met 0,4/ 0,5°C

hoger is dan ST2.

Informatie over het wijzigen van

de modulatiewaarde „REG SAN“

op de temperatuurregeling en over

het wijzigen van alle andere beschreven

waarden vindt u verderop

in het handboek.

ST1 ���� correctie ���������

���� �� ���� �� ���� ��

11


REMKO GPM

Aanwijzingen voor de gebruiker

De veiligheidsvoorschriften op de

vorige pagina‘s moeten nauwkeurig

worden nageleefd.

De handelingen van de gebruiker

beperken zich tot het bedienen

van de schakelaars om de apparaten

in werking te zetten.

�ieronder volgt een korte beschrijving

van de functies van de apparaten

met en zonder toebehoren.

Gebruik zonder toebehoren

Elk apparaat beschikt over deze

functie; met deze functie is direct

gebruik mogelijk.

12

AANWIJZING

Voor een correcte werking

moet er minstens een kamerthermostaat

worden aangesloten

om de brander te kunnen

in-/uitschakelen.

In- en uitschakelen

�et in- en uitschakelen gebeurt

door het sluiten en openen van

contact 7-9 op contactstrip M1,

die zich in de schakelkast bevindt.

ATTENTIE

De apparaten mogen niet van

het stroomnet worden gescheiden

voordat de nakoelfase

volledig is afgelopen (behalve

in noodgevallen).

Omschakelaar zomer / winter

De apparaten hebben op de

voorkant een eenpolige wisselschakelaar

waarmee kan worden

geschakeld tussen de winterstand

(met actieve verwarming) en de

zomerstand (alleen ventilatie).

Door een van beide functies in te

schakelen, kunnen de apparaten

worden gebruikt om te verwarmen

of om voor luchtcirculatie te

zorgen.

Om de winterstand in te schakelen,

hoeft men alleen de wisselschakelaar

op het wintersymbool

te zetten.

Om de zomerstand in te schakelen,

hoeft men alleen de wisselschakelaar

op het zomersymbool

te zetten.

Contacten 7-8-9 van contactstrip

M1 in de branderkast regelen deze

functies.

Ook deze contacten kunnen door

de installateur naar het vertrek

worden verplaatst.

Zie de aanwijzingen voor de installateur

voor informatie over de

stroomaansluiting.

ATTENTIE

Als de contacten zijn verplaatst

naar het vertrek, functioneert

de zomer-/winterstand

van het apparaat alleen

indien de eenpolige wisselschakelaar

op het apparaat op

de winterstand staat.

Storingsindicaties

Op de voorkant van het apparaat

zijn een groene en een rode LED

aangebracht.

Als de groene LED brandt, is het

apparaat aangesloten op het

stroomnet.

Als de rode LED brandt, is er

sprake van een storing.

De oorzaak van de storing kan

direct worden vastgesteld aan de

hand van de verschillende knippercodes

van de rode LED.

F1 - LED brandt continu

F2 - LED knippert tweemaal snel

F3 - LED knippert driemaal snel

F4 - LED knippert viermaal snel

F8 - LED knippert continu

F6 - rode en groene LED knipperen

afwisselend

De door de besturingsprintplaat

weergegeven en opgeslagen storingen

(vergrendelingen) hebben

de volgende oorzaken:

F1 - �et vlambewakingsapparaat

meldt een storing omdat de

brander niet is ontstoken; de

besturingsprintplaat voert een

reeks automatische ontgrendelingspogingen

uit voordat

de storingsmelding wordt

gegeven.

F2 - De veiligheidsthermostaat

meldt een storing.

Als de door de thermostaat

gemeten temperatuur te hoog

is, wordt de thermostaat geactiveerd

en wordt de werking

van het apparaat geblokkeerd.

F3 - Branderventilator defect;

verbrandingsluchtventilator is

defect of het signaal naar de

besturingsprintplaat ligt buiten

het tolerantiebereik van het

gewenste toerental.


F4 - Sensor defect of niet aangesloten

– de waarde van

de sensor ligt buiten het

meetbereik; zowel bij NTC1

(aanvoerlucht) als bij NTC2

(kamerlucht).

F6 - Besturingsprintplaat meldt een

storing vanwege herhaalde

mislukte ontstekingspogingen

van het apparaat gedurende

een vooraf ingestelde tijdsduur.

Bij deze storing brandt ook

de storings-LED op de besturingsprintplaat

zelf. Zie voor

informatie over het ontgrendelen

de opmerking in de

paragraaf Ontgrendeling.

F8- De besturingsprintplaat heeft

een startsignaal naar het vlambewakingsapparaat

gestuurd,

maar heeft geen signaal

ontvangen dat de start heeft

plaatsgevonden; mogelijk is

het vlambewakingsapparaat

defect.

Storingen F1 en F2 worden veroorzaakt

door veiligheidsvoorzieningen

en zijn daarom permanent:

De storing blijft na uit- en herinschakeling

van de netspanning

bestaan en kan alleen handmatig

worden ontgrendeld.

Storingen F3, F6 en F8 moeten

met de hand worden ontgrendeld,

resp. door uit- en herinschakeling

van de netspanning van het apparaat.

Storing F4 wordt automatisch

gereset.

Nadat de oorzaak van de storing is

verholpen, volgt de ontgrendeling

automatisch.

Ontgrendeling

Bij een storing van de warmeluchtbereider

kan deze handmatig worden

ontgrendeld op het apparaat

zelf. Op de achterkant bevindt zich

een resetknop voor het ontgrendelen

van het apparaat.

Om het apparaat te ontgrendelen

drukt u op de resetknop en laat

deze weer los.

De rode LED gaat uit en het

apparaat begint weer normaal te

werken.

De installateur kan de resetknop

(ontgrendeling) eventueel naar het

vertrek verplaatsen en aansluiten

op contacten 6-9 van contactstrip

M1 in de branderkast.

Zie de aanwijzingen voor de installateur

voor informatie over de

stroomaansluiting.

ATTENTIE

Als het apparaat na twee of

drie ontstekingspogingen toch

geblokkeerd blijft, dient men

contact op te nemen met de

klantenservice.

AANWIJZING

Als het apparaat een storing

van type F6 heeft, brandt de

rode LED continu en is het

apparaat uitgeschakeld. Het

apparaat start dan niet bij het

indrukken van de resetknop

(ontgrendeling) en de sensor

blijft geblokkeerd.

Voor ontgrendeling van storing F6

moet de stroomtoevoer van het

apparaat worden uitgeschakeld en

heringeschakeld.

Gebruik met temperatuurregeling

ATR-6

De apparaten werken volautomatisch

via een zelfcontrolerende

elektronische besturingsprintplaat

die alle bewakings- en besturingsfuncties

van het apparaat regelt.

De temperatuurregeling ATR-6

heeft ook microprocessorbesturing

en dient voor het regelen van de

kamertemperatuur.

De temperatuurregeling en de

besturingsprintplaat bewaken alle

besturings- en regelfuncties, terwijl

het vlambewakingsapparaat en de

veiligheidsthermostaten voor de

veiligheidsfuncties zorgen.

Eigenschappen:

■ weekprogramma

■ per dag zijn 4 verschillende

temperatuurinstellingen mogelijk

[T1, T2, T3 en vorstbescherming].

■ opgeslagen basisprogramma

■ tijdelijk bewaren van de ingestelde

temperatuur

■ automatische modus en handbediening,

timerprogramma

■ vorstbescherming

■ automatische vermogensregeling

van de apparaten afhankelijk

van de warmtebehoefte

■ in-bedrijf-indicatie

■ weergave van storingen en

fouten

■ ontgrendelingsknop

gebruik zonder batterijen

■ tweedraadsaansluiting zonder

polariteit

13


REMKO GPM

14

AANWIJZING

Bij het inschakelen van de

brander gaat er een klein

vlammetje branden op de

display van de temperatuurregeling.

ATTENTIE

De netaansluiting nooit onderbreken

voordat de afkoelfase

geheel is beëindigd.

Bij beschadiging van de apparaten

door oververhitting

vervalt het recht op garantie!

Storingsindicaties

De temperatuurregeling ATR-6

kan eventuele storingen van het

systeem aangeven en diagnosehulp

bieden:

Indicatie:

De display is geheel uit.

Betekenis:

De temperatuurregeling is niet

geladen omdat er langer dan 5

uur geen elektrische voeding is

geweest.

Stroomvoorziening weer herstellen

en wachten tot de display het weer

doet.

Tijd, dag en gewenste kamertemperatuur

moeten opnieuw worden

geprogrammeerd.

�et duurt een uur voordat de buffercondensator

weer is opgeladen.

Alle voor de werking van het apparaat

benodigde parameters zijn

zonder tijdsbeperking opgeslagen

op de besturingsprintplaat.

Daarom hoeven alleen de dag

en de tijd en het gewenste in- en

uitschakelprogramma opnieuw

geprogrammeerd te worden.

De temperatuurregeling heeft

geen bijzonder onderhoud nodig.

Gebruik van was- en reinigingsmiddelen

en scherpe voorwerpen

vermijden.

ATTENTIE

Bij stroomstoringen van meer

dan 5 uur gaan de in de bedieningseenheid

opgeslagen

waarden verloren.

Ontgrendeling van de apparaten

De storing (vergrendeling) van het

apparaat wordt aangegeven door

een knipperend driehoekje op de

display van de temperatuurregeling

en door de foutcode

„Verwarming resetten“.

Ga als volgt te werk om het apparaat

te ontgrendelen:

ATTENTIE

Een reset mag pas 20 seconden

na uitschakeling van het

apparaat worden uitgevoerd.

■ Als de storing door de gebruiker

moet worden gereset, verschijnt

het symbool op de display bij

toets K1 (RESET).

■ Zodra de storing is verholpen,

kunnen de normale bedrijfsomstandigheden

worden hersteld

en kan de normale werking

worden hervat door op toets

K1 te drukken

■ Door op toets K4 te drukken

krijgt men toegang tot het

menu met de mogelijke foutindicaties

van de brander en/of

de temperatuurregeling.

■ Op de display verschijnt „N°

(foutnummer.)“ en het getal

dat bij de storing hoort

De door het systeem (besturingsprintplaat/temperatuurregeling)

weergegeven en opgeslagen storingen

(vergrendelingen) worden

beschreven in de paragraaf Storingsindicaties.

Door op de toets KM op de temperatuurregeling

te drukken, gaat

u terug naar het ontgrendelingsmenu.


Werking en programmering van

de temperatuurregeling ATR-6

ATTENTIE

Gebruik geen puntige voorwerpen

zoals balpennen of

potloden om de toetsen te bedienen;

deze kunnen daardoor

beschadigd raken.

Gebruikswijze

Bij normale bedrijfsomstandigheden

is de volgende informatie

zichtbaar op de display van de

temperatuurregeling:

· datum, uur en minuten

· de kamertemperatuur

· het verwarmingselement-

symbool (bedrijfsmodus �ZG)

· de programmeertijd (voor de

bedrijfsmodus �ZG - AUT, indien

geprogrammeerd)

· het symbool � bij de toetsen K+

en K-

Selecteren van de menupagina‘s

Als de temperatuurregeling in werking

is gesteld, gaat u met toets

KM naar de menupagina‘s.

Op pagina 1 vindt u de volgende

opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Met toets K4 (>>) gaat u naar de

menupagina 2 met de volgende

opties:

PROG REG TIJD >>

K1 K2 K3 K4

Met toets K4 (>>) gaat u van

pagina 1 naar pagina 2 en omgekeerd.

Taal instellen

Wanneer de temperatuurregeling

voor het eerst wordt ingeschakeld,

wordt het keuzemenu voor de taal

van de gebruiker weergegeven.

Op de display verschijnt:·

DUITS · OK

Als de weergegeven taal de gewenste

taal is, drukt u ter bevestiging

op toets K4 (OK).

Als u een andere taal wilt kiezen,

drukt u op de toets K+ of K- en

bevestigt u uw keuze met toets

K4 (OK).

Gebruikstaal wijzigen

Om de gebruikstaal te wijzigen,

houdt u toets KM ca. 8-10 seconden

ingedrukt tot de display het

volgende toont:

INFO REG ERR >>

K1 K2 K3 K4

Druk nu op K4 (>>) en daarna op

K1 (TAAL).

verwarming bedrijf-OFF brander-ON histogram-tijdklok

dag uur fout temperatuur

tekstbalk K1-toets K2-toets K3-toets K4-toets

K+ toets

K- toets

KM-toets

Kies de gewenste taal met de toetsen

K+ und K-.

Druk ter bevestiging op K4 (OK).

Na enkele seconden wordt nu automatisch

de Bedrijfsmodus-pagina

weergegeven; u kunt ook op toets

KM drukken.

Instellen van tijd en datum

Programmeren van datum en tijd

(TIJD)

Met toets KM en daarna toets K4

(>>) gaat u naar menupagina 2.

Met toets K3 (TIJD) selecteert u

het menu voor het programmeren

van de datum en de tijd (TIJD) .

Na selectie van het menu selecteert

u een van de volgende

opties:

DAG UUR MIN

K1 K2 K3 K4

Programmeren van de dag – DAG

Druk op K1 (DAG); met de toets

K+ of K- kunt u de juiste dag van

de week instellen.

Op de display worden de weekdagen

achtereenvolgens weergegeven:

van - ZO zondag tot ZA

zaterdag.

Programmeren van de uren – UUR

Met toets K2 (UUR) gaat u naar

het programmeren van de uren.

Met toets K+ of K- stelt u het

actuele uur in.

Programmeren van de minuten

MIN

Met toets K3 (MIN) gaat u naar

het programmeren van de minuten.

Met toets K+ of K- stelt u de

minuten in.

Na enkele seconden wordt nu automatisch

de Bedrijfsmodus-pagina

weergegeven; u kunt ook op toets

KM drukken.

15


REMKO GPM

Instellen van de weekklok

bedrijfsmodus Verwarmen (HZG)

Met toets KM gaat u naar menupagina

1. Druk op toets K1 (�ZG)

om het menu Bedrijfsmodus verwarmen

(�ZG) te selecteren.

Na selectie van het menu kunt u

de volgende opties selecteren:

AUTO ON OFF TIJD

K1 K2 K3 K4

Attentie: In dit menu heeft TIJD

betrekking op de timerfunctie. Dit

is dus een andere functie dan de

TIJD-functie die in de vorige paragraaf

is beschreven.

Bedrijfsmodus verwarmen HZG –

AUTO

Met toets K1 (AUTO) selecteert

u de automatische modus van de

kamerthermostaat; de werking van

het apparaat in de bedrijfsmodus

Verwarmen is afhankelijk van de

programmering van de programmeerklok

�ZG (zie verderop in dit

handboek). De activering van de

bedrijfsmodus Verwarmen AUTO

wordt op de display getoond

doordat het veld van de programmeerklok

oplicht.

In deze toestand kan de waarde

van de gewenste kamertemperatuur

altijd worden gewijzigd met

de toets K+ of K-, waarbij op de

display de ingestelde temperatuur

wordt weergegeven en de indicatie

TEMPERATUUR MAN verschijnt.

Er kan een waarde worden gekozen

die binnen het beschikbare

kamertemperatuurbereik ligt. Deze

toestand wordt op de display aangeduid

met een hand-symbool.

Bij de eerste programmawisseling

werkt de temperatuurregeling

weer in de bedrijfsmodus Verwarmen

�ZG automatisch.

16

Bedrijfsmodus verwarmen HZG –

ON

Met toets K2 (ON) selecteert u de

continue en handbedieningsmodus

van de kamerthermostaat.

De werking van het apparaat in

de bedrijfsmodus Verwarmen is

afhankelijk van de gekozen kamertemperatuur.

De display geeft de

waarde van de gewenste kamertemperatuur

weer (TEMPERATUUR

MAN); het knipperen geeft aan dat

het mogelijk is om deze waarde te

wijzigen met toetsen K+ en K-.

Er kan een waarde worden gekozen

die binnen het beschikbare

kamertemperatuurbereik ligt. Na

afloop van de vooraf ingestelde

tijd voor de temperatuurkeuze,

wordt het menu Bedrijfsmodus

verwarmen ON gesloten en wordt

opnieuw het menu Bedrijfsmodus

weergegeven.

In deze toestand kan de waarde

van de gewenste kamertemperatuur

worden gewijzigd met de

toetsen K+ en K-, waarbij de temperatuur

binnen het beschikbare

kamertemperatuurbereik moet

liggen.

De activering van de bedrijfsmodus

Verwarmen ON wordt op de

display getoond doordat het veld

van de programmeerklok donker

wordt.

Bedrijfsmodus verwarmen HZG –

OFF

Met toets K3 (OFF) wordt de

bedrijfsmodus Verwarmen uitgeschakeld.

De activering van de bedrijfsmodus

Verwarmen OFF wordt op

de display getoond doordat het

verwarmingselement-symbool en

het veld van de programmeerklok

donker worden.

Bij de bedrijfsmodus Verwarmen

OFF blijft de vorstbeschermingsfunctie

(+ 5°C) ingeschakeld.

Bedrijfsmodus verwarmen HZG -

TIJD (timer)

Met toets K4 (TIJD) wordt de

bedrijfsmodus Verwarmen TIJD

ingeschakeld; hiermee wordt de

werking van de kamerthermostaat

gedurende een bepaalde tijdsduur

ingesteld op een bepaalde temperatuur.

De werking van het apparaat in

de bedrijfsmodus Verwarmen is

afhankelijk van de gekozen kamertemperatuur

en van de tijd die op

de timer is ingesteld.

Met toets K1 (DUUR) wordt de

instelling van de timer binnen het

voor de tijdsregeling van de timer

beschikbare bereik geselecteerd;

met toets K4 (TEMP) wordt de

instelling van de gewenste kamertemperatuur

binnen het voor de

timer beschikbare kamertemperatuurbereik

geselecteerd.

Beide waarden kunnen, nadat ze

zijn geselecteerd, worden gewijzigd

met de toetsen K+ en K-.

Na selectie van het desbetreffende

menu worden op de display de

default-parameters voor de timerfunctie

en de kamertemperatuur-

niveaus (T1, T2 of T3) weergegeven,

die op dat moment beschikbaar

zijn in de programmering van

de programmeerklok �ZG. Nadat

de tijd is verstreken die beschikbaar

is voor de parameterkeuze, wordt

automatisch het menu Bedrijfsmodus

weergegeven; hiertoe kunt u

ook op de toets KM drukken.

De activering van de bedrijfsmodus

Verwarmen TIJD wordt op de

display getoond door de indicatie

TIMER.

Na afloop van de met de timerfunctie

ingestelde tijdregeling gaat

het apparaat weer werken in de

bedrijfsmodus Verwarmen die actief

was voordat de bedrijfsmodus

Verwarmen TIJD werd ingesteld.


Programmeren van de

programmeerklok HZG

Met toets KM en dan toets K4

(>>) gaat u naar menupagina 2.

Met toets K1 (PROG) selecteert u

het programmeermenu (PROG).

Na selectie van dit menu kunt u

een van de volgende opties

selecteren:

DAG REG COP VOR

K1 K2 K3 K4

U kunt op twee manieren een

programma aanmaken:

- door een nieuw programma aan

te maken met de toetsen TAG,

REG en COP

- door op de toets VOR te drukken

en een voorgeprogrammeerd

programma te selecteren.

De ingestelde programma‘s gaan

niet verloren bij een stroomstoring

van langer dan 5 uur. Als de

stroomtoevoer is hersteld, hoeft u

alleen de dag, de tijd en de bedrijfsmodus

AUTO opnieuw in te

stellen.

Nieuw programma

Met toets K1 (DAG) kunt u de

dag selecteren waarvoor u een

programma wilt maken; met de

toetsen K+ en K- stelt u het tijdstip

in waarop de warmeluchtbereider

ingeschakeld moet worden.

Met toets K2 (REG) gaat u naar

het menu voor het instellen van de

temperatuur die u wilt programmeren

gedurende een bepaalde

tijdsduur.

Na selectie van dit menu kunt u

een van de volgende opties selecteren:

— T1 T2 T3

K1 K2 K3 K4

— de ingestelde temperatuur

wordt niet gewijzigd

T1 stelt de desbetreffende kamertemperatuurwaarde

in

T2 stelt de desbetreffende kamertemperatuurwaarde

in

T3 stelt de desbetreffende kamertemperatuurwaarde

in

Met toets K1 (—), K2 (T1), K3 (T2)

of K4 (T3) selecteert u de temperatuur

die u wilt programmeren;

nadat deze selectie is gemaakt,

toont de display opnieuw het

menu van Bedrijfsmodus programmeren

�ZG.

Met de toetsen K+ en K- programmeert

u nu voor de geselecteerde

dag de in- en uitschakeltijden en

de gewenste temperaturen.

Tijdens de programmering worden

de 4 verschillende parameters (-,

T1, T2 en T3) als volgt weergegeven:

- streepje onder knippert

T1 er knipperen afwisselend

twee stippen

T2 een stip onder knippert

T3 er knipperen gelijktijdig

twee stippen

�et knipperende gebied, dat betrekking

heeft op de geselecteerde

temperatuur, toont de positie ten

opzichte van de kloktijd waarop de

programmering wordt uitgevoerd;

de display geeft de uren en minuten

weer.

Bij warmeluchtbereiders worden

normaal gesproken slechts twee

temperaturen gebruikt: een inschakeltemperatuur

(T2, T3) en een

uitschakeltemperatuur (T1 en T2).

Nadat de dag is geprogrammeerd,

wordt na afloop van de beschikbare

tijd voor de parameterselectie

automatisch het vorige menu

weergegeven; u kunt daartoe ook

een van de toetsen (K1, K2, K3 of

K4) gebruiken.

Met toets K3 (COP) wordt de

programmering van de zojuist

ingestelde dag gekopieerd voor de

volgende dag. Met het menu de

te kopiëren dag selecteren (bijv.

MA – maandag), de toets COP en

vervolgens de toets DAG indrukken,

om het programma ook voor

de volgende dag (in ons voorbeeld

DI – dinsdag) te kopiëren. Om DI

(dinsdag) ook voor WO (woensdag)

te kopiëren, op COP en dan

op DAG drukken. Natuurlijk kan

de gekopieerde dag worden gewijzigd

m.b.v. de hierboven beschreven

werkwijze.

Vooraf ingestelde programma‘s

Met toets K4 (VOOR) gaat u naar

het menu voor het kiezen van het

door de programmeerklok �ZG

vooraf ingestelde bedrijfsprogramma.

De temperatuurregeling biedt de

mogelijkheid om te kiezen tussen 5

verschillende programma‘s.

Na selectie van dit menu kunt u

een van de volgende opties

selecteren:

- OK of - WISSEN

Met de toets K+ of K- kunt u een

vooraf ingesteld bedrijfsprogramma

van de programmeerklok �ZG

selecteren.

De programma‘s zijn genummerd

van 1 tot 5.

17


REMKO GPM

Met toets K1 (OK) bevestigt u

de keuze; de display toont dan

opnieuw het menu van de bedrijfsmodus

Programmeren �ZG.

Met toets K2 (WISSEN) kunt u het

menu van de bedrijfsmodus

Programmeren �ZG - VOR afsluiten

zonder een keuze te maken; de

display toont dan weer het menu

van de bedrijfsmodus Programmeren

�ZG.

Programmeren van de waarden

T1, T2 en T3

Met de toetsen KM, K4, >> en K2

(REG) gaat u naar het menu voor

het programmeren van de gewenste

kamertemperatuur.

Na selectie van het menu verschijnt

de volgende indicatie op de

display:

>

K1 K2 K3 K4

Op de display verschijnt de waarde

van T1; met de toetsen K+ en K-

kunt u deze waarde wijzigen.

Op K4 drukken om toegang te

krijgen tot T2 en T3. Wanneer u

nogmaals op K4 drukt, verschijnen

er andere meldingen, die geen

invloed hebben op de werking van

de warmeluchtbereider.

Denk er bij het programmeren van

de temperaturen aan dat T1 lager

moet zijn dan T2, en T2 lager dan

T3.

De waarden T1, T2 en T3 kunnen

worden ingesteld op een waarde

tussen +7 °C en +35 °C.

18

Vorstbescherming

Deze functie blijft altijd actief wanneer

er wordt uitgeschakeld via de

bedieningseenheid.

De warmeluchtbereider schakelt

zichzelf in wanneer de kamertemperatuur

lager wordt dan de

vooraf ingestelde, niet-wijzigbare

vorstbeschermingstemperatuur van

+ 5 °C.

Als u de vorstbeschermingsfunctie

wilt uitschakelen, dient u contact

op te nemen met de klantenservice.

Stroomreserve

De temperatuurregeling wordt

rechtstreeks door de warmeluchtbereider

van stroom voorzien.

Deze heeft een stroomreserve die

in geval van een stroomstoring vijf

uur lang voorkomt dat geprogrammeerde

instellingen verloren gaan.

Zodra deze reserve opgebruikt is,

werkt de display niet langer.

De display gaat weer werken wanneer

de stroomvoorziening wordt

hersteld.

Temperatuurindicatie

Tijdens het normale bedrijf komt

de op de display weergegeven

temperatuur overeen met de door

de temperatuurregeling gemeten

kamertemperatuur.

Om de ingestelde kamertemperatuur

weer te geven, drukt u op

toets K+ of K-.

AANWIJZING

Na ca.20 seconden keert de

temperatuurregeling zelfstandig

terug naar de begintoestand

van de display en naar

de normale bedrijfsmodus.

Kamercorrectie

Deze functie wordt beschreven in

het hoofdstuk voor de gebruikers.

De functie kan worden ingeschakeld

door op de temperatuurregeling

de TSP-waarden in te stellen,

die deze functie regelen.

Om de kamercorrectie te activeren

of te deactiveren, dient u de toets

KM ongeveer 8-10 seconden ingedrukt

te houden, tot de display het

volgende weergeeft:

INFO REG ERR >>

K1 K2 K3 K4

Op K4 (>>) drukken en naar de

volgende pagina gaan, waar het

volgende verschijnt:

TAAL PAR PARK >>

K1 K2 K3 K4

Op K3 (PARK) drukken om naar

de TSP-parameters te gaan.

Op de display verschijnt:

>

K1 K2 K3 K4

De TSP-waarden worden op de

display aangegeven met PARAM

K.

Voer de waarden in op basis van

de onderstaande tabel:

PARAM

K

TSP

standaard

bereik

11 C1 1 0-1

17 A12 1 0-1

18 A16 20 1-99

19 A24 1 1-10


Met toetsen K1 en K4 kunt u alle

21 TSP-parameters oproepen; u

kunt de waarden ervan wijzigen

met de toetsen K+ en K- van de

temperatuurregeling.

Nadat de waarden zijn gewijzigd,

kunt u deze instellingen afsluiten

door de toets KM 8-10 seconden

ingedrukt te houden.

Ventilatie (zomer)

De ventilatiemodus kan zowel in

de AUTOMATISC�E modus als

in de �ANDBEDIENINGS-modus

worden ingesteld.

In beide gevallen moet de TSPwaarde

A35 (PARAM K 10) van

de temperatuurregeling eerst op 1

worden gezet.

AANWIJZING

Voor het wijzigen van de TSPwaarde

dient men te werk te

gaan zoals beschreven bij de

bedrijfsmodus Kamercorrectie.

Om de ventilatiefunctie in te stellen,

moet eerst de SAN-waarde op

de desbetreffende bedrijfsmodus

worden gezet.

Ga daarbij als volgt te werk:

Druk op KM en geef pagina 1

weer op de display; hier vindt u de

volgende opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Met toets K4 (>>) gaat u naar de

menupagina 2 met de volgende

opties:

PROG REG TIJD >>

K1 K2 K3 K4

Druk op K2 (REG) en daarna op K4

(>>) en roep de waarden achtereenvolgens

op totdat de volgende

indicatie verschijnt:

>

Met toetsen K+ en K- voert u de

SAN-waarde in afhankelijk van de

gewenste bedrijfsmodus:

1 = handbediening

2 = automatische modus

Nadat u de waarde hebt gewijzigd,

dient u enkele seconden te wachten

tot de waarde in cijfers begint

te knipperen.

Op deze manier wordt de invoer

van de waarde bevestigd.

Tenslotte drukt u op KM om het

menu te verlaten.

Handbediening

Voer de volgende stappen uit om

de handmatige ventilatie in te

schakelen: Druk op KM en geef

pagina 1 weer op de display; hier

vindt u de volgende opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op K2 (SAN) om naar het

volgende menu te gaan:

ON OFF TIJD

K2 K3 K4

Door op K2 (ON) of op K3 (OFF)

te drukken, kunt u de ventilatoren

in- of uitschakelen; de ventilatiemodus

wordt dan handmatig

geactiveerd.

Automatische modus

De ventilatiefase kan ook automatisch

worden gebruikt; hiertoe

moet een weekprogrammering

voor de tijd worden ingesteld, zoals

beschreven onder Verwarmen.

Om de automatische modus te

gebruiken, moet eerst de SANwaarde

worden ingesteld op

bedrijfsmodus 2 in plaats van 1.

Zie hiervoor de vorige pagina.

Daarna voert u de volgende

stappen uit om de ventilatie automatisch

in te schakelen: Druk op

KM en geef pagina 1 weer op de

display; hier vindt u de volgende

opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K1 (�ZG); u ziet de

volgende indicatie:

AUTO ON OFF TIJD

K1 K2 K3 K4

Schakel de verwarmingsfase uit

door op K3 (OFF) te drukken.

Nadat op deze toets is gedrukt,

wordt het hoofdindicatie met de

begin-instellingen weergegeven

op de display.

Druk opnieuw op KM en geef

pagina 1 weer op de display; hier

vindt u de volgende opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

AANWIJZING

In de bedrijfsfase SAN kan het

apparaat zowel in de automatisch

modus als bij handbediening

ON OFF worden

gebruikt.

19


REMKO GPM

Met toets K4 (>>) gaat u naar de

menupagina 2 met de volgende

opties:

PROG REG TIJD >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K1 (PROG). De

volgende indicatie verschijnt:

�ZG SAN

K1 K2

Met toets K2 (SAN) gaat u naar

het menu voor het selecteren van

de bedrijfstoestand voor SAN:

DAG REG COP VOR

K1 K2 K3 K4

�ier kunnen de dagtijden en de

weekkalender (DAG) worden

ingesteld.

�ier kunt u kiezen uit de volgende

programmeringsinstellingen (toets

K2 - (REG):

1) - Programmering wordt niet

gewijzigd

2) - T1 bedrijfsmodus SAN wordt

uitgesloten

3) - T2 bedrijfsmodus SAN wordt

vrijgegeven

20

AANWIJZING

De klok kan worden ingesteld

in stappen van een half uur. Er

kunnen geen minuten worden

ingesteld (bijv. wel 8.00-

10.30, maar niet 7.43-20.15).

Door op K1 (-), K2 (T1) of K3 (T2)

te drukken, selecteert u de parameter

waarvan u de gewenste

tijdsduur wilt instellen; daarna

wordt automatisch het menu voor

de bedrijfsmodus Programmeren

SAN weergegeven.

Met toetsen K+ en K- kunt u de

tijden achtereenvolgens weergeven,

zoals beschreven bij de

verwarmingsfase.

De tijden die u voor één dag hebt

ingesteld, kunt u met toets K3

(COP) naar alle andere dagen

kopiëren.

Druk op KM om het menu te

sluiten en terug te gaan naar de

begin-instellingen.

Nadat de kalender is ingesteld,

gaat u als volgt te werk om het

automatisch verwarmen te

activeren:

Druk op KM en geef pagina 1

weer op de display; hier vindt u

de volgende opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K2 (SAN) tot de

volgende indicatie verschijnt:

AUTO ON OFF TIJD

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K1 (AUTO). De

display keert terug naar de beginweergave

en de bedrijfsmodus is

ingesteld op Automatisch.

Ga als volgt te werk om de automatische

modus uit te schakelen:

Druk op KM en geef pagina 1

weer op de display; hier vindt u

de volgende opties:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K2 (SAN) tot de

volgende indicatie verschijnt:

AUTO ON OFF TIJD

K1 K2 K3 K4

Schakel de automatische ventilatie

uit door op K3 (OFF) te drukken.

AANWIJZING

Als de automatische modus is

ingeschakeld met uitgeschakelde

verwarming, kunnen de

ingestelde bedrijfstijden niet

worden weergegeven tijdens

de ventilatiefase.

AANWIJZING

Zowel in de automatische

modus als bij handbediening

verschijnt op de hoofdindicatie

van de display het symbool

van een waterkraan indien

alleen de ventilatiefase is

ingeschakeld.

ATTENTIE

Bij het automatische programma

voert het apparaat geen

naventilatie uit, maar schakelt

zichzelf op het ingestelde

tijdstip uit.


Gebruik volgens het

bestemde doel

De apparaten zijn wegens hun

constructie en uitrusting uitsluitend

bedoeld voor verwarmings- en

ventilatiedoeleinden in de industrie

en bedrijven (niet voor privéwoningen).

De apparaatconstructie maakt het

mogelijk om door de fabrikant

goedgekeurd toebehoren te

gebruiken.

De apparaten mogen uitsluitend

worden bediend door geschoold

personeel.

Bij niet-naleving van de fabrikantinstructies

of de wettelijke vereisten

inzake de opstellingsplaats, en

bij eigenmachtige wijzigingen aan

de apparaten, is de fabrikant niet

aansprakelijk voor daaruit voortvloeiende

schade.

Elk misbruik van de apparaten is

verboden.

De apparaten moeten worden geinstalleerd

door een gekwalificeerde

vakman, die verantwoordelijk is

voor de naleving van de geldende

voorschriften, regels en richtlijnen.

AANWIJZING

Gebruik of bediening die

afwijkt van de in deze bedrijfshandleiding

vermelde gegevens,

is niet toegestaan.

Bij niet-inachtneming vervalt

elke aansprakelijkheid en het

recht op garantie.

Klantenservice en

garantie

Voorwaarde voor toewijzing van

eventuele garantieclaims is dat de

besteller of diens klant binnen een

redelijke termijn na de verkoop

en ingebruikneming het bij de

apparaten geleverde „Garantiecertificaat”

volledig ingevuld heeft

opgestuurd naar REMKO Gmb� &

Co. KG.

De apparaten zijn in de fabriek

herhaaldelijk gecontroleerd op hun

foutloze werking.

Mochten er toch functiestoringen

optreden die niet door de exploitant

kunnen worden verholpen

met behulp van de storingsaanwijzingen,

dan kunt u contact opnemen

met uw vakhandelaar of

uw contractpartner.

AANWIJZING

Instel- en onderhoudswerkzaamheden

mogen uitsluitend

worden uitgevoerd door geautoriseerd

vakpersoneel.

ATTENTIE

Copyright

Volledige of gedeeltelijke

reproductie en oneigenlijk

gebruik van deze documentatie

is zonder schriftelijke

toestemming van REMKO

GmbH & Co. KG strikt

verboden.

Milieubescherming

en recycling

Afvoer van de verpakking

Gelieve bij het afvoeren van het

verpakkingsmateriaal rekening te

houden met het milieu.

Onze apparaten worden zorgvuldig

verpakt voor het transport en

in een stevige transportverpakking

van karton en eventueel op een

houten pallet geleverd.

De verpakkingsmaterialen zijn

milieuvriendelijk en kunnen opnieuw

worden gebruikt.

Door hergebruik van de verpakkingsmaterialen

levert u een belangrijke

bijdrage aan het beperken

van afval en de recycling van

grondstoffen.

Geef daarom het verpakkings-

materiaal af bij de daartoe

bestemde inzamelpunten.

Afvoer van het oude apparaat

De apparaatvervaardiging is

onderhevig aan een voortdurende

kwaliteitscontrole.

Er worden uitsluitend hoogwaardige

materialen verwerkt die voor

het merendeel geschikt zijn voor

recycling.

Lever uw bijdrage aan de bescherming

van het milieu door ervoor

te zorgen dat uw oude apparaat

op milieuvriendelijke wijze wordt

afgevoerd.

Lever het oude apparaat in bij een

erkend recyclingbedrijf of bij een

daartoe bestemd inzamelpunt.

21


REMKO GPM

Aanwijzingen voor de installateur

De onderstaande aanwijzingen

voor het monteren en instellen

van de apparaten zijn uitsluitend

bedoeld voor geautoriseerd vakpersoneel.

Alle veiligheidsvoorschriften

moeten beslist in acht worden

genomen.

Algemene informatie

Normaal gesproken kunnen de

apparaten direct in de te verwarmen

ruimte worden geïnstalleerd.

Voor Duitsland: Bij het opstellen

van de apparaten moeten de

richtlijnen van de Landesbauordnung

(LBO) en de Feuerungsanlagenverordnung

(FeuVO) van de

desbetreffende deelstaat worden

nageleefd.

De eerste „Verordnung zur

Durchführung des Bundes-Immissionsschutzgesetzes

(1. BImSchG)“

en later uitgevaardigde „Rechtsvorschriften

der Verordnung über

Kleinfeuerungsanlagen (1. BIm-

SchV)“ moeten eveneens worden

toegepast.

In de onderstaande ruimtes is het

monteren van gasbrandergestookte

warmeluchtbereiders verboden:

■ in openbare manifestatieruimtes

of in ruimtes met een personendichtheid

van meer dan 0,4 per

vierkante meter

■ in ruimtes waar explosie- of

brandgevaar bestaat als gevolg

van gas- of stofvorming door

de opslag of verwerking van de

materialen in die ruimtes

■ in garages of grote

warenhuizen

22

Om te voorkomen dat er gevaarlijk

hoge temperaturen worden

bereikt, mag de afstand tussen

het buitenvlak van de apparaten

en de uitlaatgasbuis en eventueel

opgeslagen brandbaar materiaal bij

een afstand tot de vloer van 2,5 m

of hoger, in geen geval kleiner zijn

dan 1,5 m.

Apparaten met gasbranders voor

gas met een dichtheid van meer

dan 0,8 (vloeibaar gas, propaan,

butaan) mogen uitsluitend worden

geïnstalleerd in ruimtes waar de

vloer niet onder het aardoppervlak

ligt.

Ventilatieopeningen

Ruimtes waarin gasgestookte

apparaten worden gebruikt,

moeten een of meer vaste openingen

(vensters of deuren) hebben.

Deze openingen moeten zich op

de volgende plaatsen bevinden:

- vlak onder het plafond bij

gassen met een dichtheid lager

dan 0,8;

- vlak boven de vloer bij gassen

met een dichtheid hoger of

gelijk aan 0,8.

De openingen moeten zich in

buitenmuren naar de buitenlucht

bevinden. De diametergrootte

wordt bepaald door het geïnstalleerde

verwarmingsvermogen.

Montageaanwijzing

De minimumhoogte en de minimumafstanden

tussen de warmeluchtbereider

en de muren/

vloer vindt u in de onderstaande

tekening.

De minimumafstanden zijn de

afstanden die nodig zijn voor

onderhoud. Alle maten zijn in mm.

De hoogte [2500 mm] komt

overeen met de door de richtlijnen

aangegeven minimumhoogte

voor „apparaten in hangende

uitvoering”.

���

��� ����

����

Voor de montage zijn als toebehoren

twee verschillende consoletypes

beschikbaar:

Vaste en draaibare.

De bestelnummers voor de

wandmontage-console (draaibare

uitvoering) zijn:

EDV-nr.: 228761; GPM 15/35

EDV-nr.: 228762; GPM 55

EDV-nr.: 228762; GPM 75

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.


Wandmontage standaard

De wandconsole op een geschikte

plaats uitlijnen op de wand (waterpas)

en stevig bevestigen.

De te boren gaten aftekenen met

een stift.

- De wandconsole stevig bevestigen

met geschikte pluggen en

schroeven, maat M10 of groter.

AANWIJZING

Controleer of de pluggen en

de schroefgrootte geschikt zijn

voor het muurtype en voor

het dragen van het apparaatgewicht.

- De twee paar houders met het

bijgevoegde materiaal monteren

volgens de afbeelding

- Bij het monteren van de houders

de moeren borgen door gebruik

van borgring tussen de houder

en de moeren.

EDV-nr.: 228760

Console voor wandmontage

(standaard uitvoering)

GPM 15 - 75

- �et apparaat zodanig op de

houders zetten dat de gaten in

het apparaat over de gaten in

de houders liggen, waarbij de

punten van de houders gelijk

moeten liggen met de voorkant

van het apparaat (uitgezonderd

GPM 75).

- De apparaten met de bijgevoegde

schroeven M8 bevestigen,

waarbij er een borgring tussen

de schroef en de houder moet

worden gelegd.

AANWIJZING

De consoles moeten vrij van

spanningen zijn vastgeschroefd

aan het apparaat en de muur.

ATTENTIE

De apparaten mogen alleen

worden bevestigd aan stevige

muren, plafonds en constructies

van niet-brandbaar

materiaal met een voldoende

draagvermogen.

Wandmontage draaibaar

De aanwijzingen voor de montage

van de draaibare consoles bevinden

zich in de verpakking.

�et gebruik van draaibare consoles

is in de volgende gevallen zinvol:

a) Installatie van het apparaat in

een hoek

b) Installatie van het apparaat in

een rechte hoek t.o.v. de muur

waarop het apparaat bevestigd

is

c) Montage van het apparaat op

een pilaar

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

23


REMKO GPM

Ophanging aan het plafond

Voor het ophangen van de apparaten m.b.v. ophangogen is de montageset

voor plafondbevestiging met horizontale luchtuitblazing beschikbaar.

EDV-nr.: 228765

.

Verticale luchtstroom

Ophanging m.b.v. ophangogen

van apparaten met de luchtstroom

naar onderen (montage met

verticale luchtstroom).

�iervoor is als toebehoren de

montageset voor plafondbevestiging

met verticale luchtuitblazing

beschikbaar.

Deze bestaan uit ophangogen met

een speciale bevestiging en aanvullende

ventilatorthermostaten.

EDV-nr.: 228766 t/m GPM 35

EDV-nr.: 228767 vanaf GPM 55

24

aanvullende thermostaat

voor ventilatorbewaking

Uitlaatgasaansluiting

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

De apparaten hebben een gesloten

verbrandingskringloop. De ventilator

bevindt zich voor de warmtewisselaar.

Bij het plannen en aanleggen van

de uitlaatgasleiding en de verbrandingsluchttoevoer

moeten de

lokale voorschriften in acht worden

genomen.

Bij installatie op een buitenmuur

moet (in Duitsland) voor de montage

overleg worden gepleegd met

de verantwoordelijke schoorsteenveger.

De classificatie van de verschillende

installatievarianten gebeurt

volgens de Europese norm EN

1020 resp. DVGW-TRGI richtlijn

2008 en is in de door de fabriek

geleverde versie bestanddeel van

de EG-vergunning.

In detail zijn de apparaten

geclassificeerd voor de volgende

varianten: B23/C13/C33/

C43/C53/C63

De installatie van de uitlaatgas- en

luchttoevoerbuizen kan op verschillende

manieren plaatsvinden.

Bijv. gasverbrandingstoestel type B:

De verbrandingskringloop is niet

dicht ten opzichte van de omgeving

waarin hij geïnstalleerd is. De

verbrandingslucht wordt rechtstreeks

afgevoerd uit de opstellingsruimte.

Deze variant mag uitsluitend

wor- den geïnstalleerd in ruimtes

die minstens één deur of venster

hebben die/dat naar de buitenlucht

geopend kan worden en die

een inhoud hebben van minstens 4

m³ per kW nominaal verwarmingsvermogen

van het apparaat; of

die een verbrandingsluchtopening

naar de buitenlucht van minstens

150 cm² of twee openingen met

elk een vrije diameter van minstens

75 cm² hebben.


Bijv. gasverbrandingstoestel type

C:

De verbrandingskringloop is dicht

ten opzichte van de omgeving

waarin hij geïnstalleerd is.

De verbrandingslucht wordt van

buitenaf aangevoerd.

De apparaten mogen uitsluitend

worden gebruikt met geschikte

uitlaatgasleidingen.

De door de fabriek als toebehoren

geleverde componenten voldoen

standaard aan alle eisen.

ATTENTIE

Gebruik van kunststof

uitlaatgasleidingen is niet

toegestaan.

Condenswater

Zo nodig moeten de uitlaatgasleidingen

worden geïsoleerd om te

voorkomen dat zich daar condenswater

vormt.

De temperatuur van de uitlaatgassen

bij de minimum warmtedoorzet

is ongeveer gelijk aan de

condensatietemperatuur.

Bij buislengtes van meer dan 5 m

(binnenshuis) resp. 3 m (buitenshuis)

dient het condenswater als

volgt geëlimineerd te worden:

■ Door warmte-isolatie van de

uitlaatgasbuizen

■ Door gebruik van condensaatvallen,

van waaruit het verzamelde

condenswater wordt

afgevoerd uit de uitlaatgasleiding.

Aanwijzing:

Geschikte condensaatvallen zijn als

toebehoren verkrijgbaar.

Deze kunnen zowel bij horizontale

als bij verticale buisleidingen

worden gebruikt.

Leidraad bij het kiezen van

componenten

Als een eindstuk niet rechtstreeks

op het apparaat wordt aangesloten

maar een bepaalde afstand moet

overbruggen, dan moet ervoor

worden gezorgd – afhankelijk

van de lengte en de vorm van het

traject – dat de eindstukken, de

verlengstukken en de bochtstukken

de juiste diameter hebben.

Nadat het traject is vastgelegd,

moet het drukverlies voor de

afzonderlijke onderdelen worden

bepaald, dat afhankelijk is van het

toegepaste apparaat.

�et drukverlies is bij elk onderdeel

anders, omdat de uitlaatgasdoorzet

wisselt.

De berekende drukverliezen

van de afzonderlijke onderdelen

moeten worden opgeteld; de som

hiervan mag niet groter zijn dan de

waarde die beschikbaar is voor het

gewenste apparaat.

Als er een verbrandingsluchttoevoerleiding

aanwezig is, moeten de

drukverliezen worden opgeteld bij

de drukverliezen van de uitlaatgasleiding.

Wanneer de som van de verliezen

hoger is dan de beschikbare druk,

moeten er buizen met een grotere

diameter worden gebruikt, waarvoor

de berekening opnieuw moet

worden uitgevoerd.

AANWIJZING

Als de toegestane drukverliezen

van de buisleidingen worden

overschreden, wordt het

verwarmingsvermogen kleiner

en neemt de betrouwbare

werking van de apparaten af.

De tabellen vermelden de

maximale lengtes van de leidingen

tussen het apparaat en het

eindstuk.

Bij gebruik van bochtstukken moet

van de beschikbare leidinglengte

de lengte die overeenstemt met

die van de geplande bochtstukken

worden afgetrokken.

Voorbeelden:

bochtstuk Ø 80 90°

overeenstemmende lengte 1,7 m

bochtstuk Ø 80 45°

overeenstemmende lengte 0,8 m

bochtstuk Ø 100 90°

overeenstemmende lengte 1,9 m

bochtstuk Ø 100 45°

overeenstemmende lengte 0,9 m

Op de volgende pagina‘s worden

voorbeelden gegeven van de uitvoering

van uitlaatgasleidingen en

verbrandingsluchtleidingen.

In detail zijn de apparaten voor de

installatievarianten

B23/C13/C33/C43/C53/C63

geclassificeerd:

ATTENTIE

Installatiewerkzaamheden

mogen uitsluitend worden

uitgevoerd door geautoriseerd

vakpersoneel.

25


REMKO GPM

Installatievoorbeelden

Gasverbrandingstoestel type B23

Kamerluchtafhankelijk

verbrandingssysteem.

De verbrandingskringloop is niet

dicht ten opzichte van de omgeving

waarin hij geïnstalleerd is.

De verbrandingslucht wordt rechtstreeks

afgevoerd uit de opstellingsruimte.

De uitlaatgassen kunnen op twee

manieren worden afgevoerd:

a) met behulp van een horizontale

buisleiding (installatie op een

buitenmuur) recht door de buitenmuur,

of

b) wanneer het plafond ook het

dak is, via een verticale buisleiding

door het dak.

Bij deze installatievariant moet een

voldoende ventilatie van de opstellingsruimte

gewaarborgd zijn om

een goede toevoer van de verbrandingslucht

te garanderen.

Dit gebeurt via openingen in de

wanden van de ruimte.

De in de normen vastgelegde

afmetingen en eigenschappen

moeten worden nageleefd.

Voor Duitsland: Vooral DVGW-

TRGI 2008 par. 5.2.2. en TRF par.

7.2.2. moeten in acht worden

genomen.

De verbrandingslucht moet in

principe vanuit de buitenlucht

worden toegevoerd:

■ bij mechanische afzuiginstallaties

in de opstellingsruimte

■ wanneer er over- of onderdruk

kan optreden in de opstellingsruimte

■ wanneer het apparaat wordt

opgesteld in een bijzonder

stoffige omgeving

■ in autobedrijven

26

Type B23 horizontaal door de

buitenmuur.

schematisch

zijaanzicht

montagehoogte

2,5 - 3,5 m

type B23 horizontaal

L1 max. buislengte zonder

eindstukken

Ø 80 Ø 100

model meter

GPM15 29

GPM25 29

GPM35 26

GPM55 15

GPM75 18

ATTENTIE

L1

Bij deze uitvoeringsvariant

moet er op de verbrandingsluchtaanvoerleiding

een

rooster worden aangebracht

om te voorkomen dat er

deeltjes met een diameter

van meer dan 12 mm

binnendringen.

S

Type B23 verticaal door het

plafond.

schematisch

zijaanzicht

montagehoogte

2,5 - 3,5 m

L1

type B23 vertikal

L1 max. buislengte zonder

eindstukken

Ø 80 Ø 100

model meter

GPM15 30

GPM25 30

GPM35 29

GPM55 17

GPM75 20

Rooster [S] voor verbrandingsluchtaanzuiging

GPM 15 - 55; EDV-nr.: 228960

GPM 75 EDV-nr.: 229060

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

S


Gasverbrandingstoestel type C

Kamerlucht-onafhankelijk

verbrandingssysteem.

De verbrandingskringloop is dicht

ten opzichte van de omgeving

waarin hij geïnstalleerd is.

De verbrandingslucht wordt van

buitenaf aangevoerd.

De buizen lopen horizontaal door

de buitenmuur of verticaal door

het dak. L1 L2

TYPE C13

Kamerlucht-onafhankelijk

verbrandingssysteem.

Uitlaatgas en verbrandingslucht

worden via een LAS-eindstuk door

de buitenmuur geleid.

schematisch

zijaanzicht

montagehoogte

2,5 - 3,5 m

L1

L2

type C13 horizontaal / coaxiaal

L1 + L2 max. buislengte zonder

eindstukken

Ø 80 Ø 100

model meter

GPM15 10 + 10

GPM25 10 + 10

GPM35 10 + 10

GPM55 4,5 + 4,5

GPM75 4 + 4

TYPE C33

Kamerlucht-onafhankelijk

verbrandingssysteem.

Uitlaatgas en verbrandingslucht

worden via een LAS-eindstuk door

het dak geleid.

schematisch

vooraanzicht

montagehoogte

2,5 - 3,5 m

L1 L2

type C33 verticaal / coaxiaal

L1 + L2 max. buislengte zonder

eindstukken

Ø 80 Ø 100

model meter

GPM15 11 + 11

GPM25 11 + 11

GPM35 11 + 11

GPM55 4,5 + 4,5

GPM75 4 + 4

montagehoogte

2,5 - 3,5 m

schematisch

zijaanzicht

AANWIJZING

Bij deze uitvoeringsvariant

moet de plaats van de aansluitingen

op het apparaat

worden gewijzigd, d.w.z.

dat ze van achteren naar

boven moeten worden verplaatst.

Deze variant wordt

in de fabriek uitgevoerd

en moet bij de bestelling

worden aangegeven.

AANWIJZING

In Duitsland: De installatie

van de uitlaatgasleiding door

de buitenmuur moet voldoen

aan de voorschriften van de

DVGW - TRGI en TRF en moet

worden goedgekeurd door een

erkende schoorsteenveger.

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

27


REMKO GPM

Elektrische aansluiting

De elektrische aansluiting van de

apparaten moet worden uitgevoerd

door geautoriseerd, erkend

vakpersoneel onder inachtneming

van de geldende voorschriften.

Op een goed toegankelijke plaats

binnen zichtsafstand van het apparaat

moet een hoofd-/noodschakelaar

worden aangebracht, die

tegen onbevoegde bediening moet

worden beveiligd. Deze schakelaar

moet het apparaat scheiden van

het stroomnet d.m.v. een minimum

contactopening van 3 mm

aan alle polen.

28

ATTENTIE

Er moet een meerpolige

scheidingsschakelaar met een

geschikte elektrische

beveiliging voor de apparaten

worden geschakeld.

De kabeldiameter moet

minstens 1,5 mm² bedragen.

De apparaten mogen alleen op

het stroomnet worden aangesloten

met stopcontacten/stekkers die

niet kunnen worden omgepoold.

Spanningsvoorziening 230/1~/50,

minimum diameter van het netsnoer

1,5 mm².




Legenda achterkant:


� = apparaatstopcontact

� = apparaatstekker

� = kabelingangen

� = temperatuursensor apparaat

Aansluiting van de temperatuurregeling ATR-6 op de

besturingsprintplaat

De bijgevoegde stekker van de temperatuurregeling vastmaken aan de

buskabel van de opstellingsplaats, de 2-polige stekker [CN] met weerstand

uit de besturingsprintplaat trekken en de gemonteerde stekker met

buskabel hier insteken.

stekker CN

besturingsprintplaat

�����

AANWIJZING

De fase en nulleider mogen bij

de aansluiting in geen geval

worden verwisseld, omdat

het vlambewakingsapparaat

dan om veiligheidsredenen de

werking onderbreekt.

Storing F1 wordt

weergegeven.

elektronische

temperatuurregeling ATR-6

B S

��

B = buskabel

S = stroomvoerende kabel

AANWIJZING

Om elektromagnetische

storingen te voorkomen, is het

niet toegestaan om een meerpolige

kabel te gebruiken die

zowel voor de temperatuurregeling

als voor de stroomvoorziening

dient.

ATTENTIE

De hoofd-/noodschakelaar

mag alleen worden gebruikt

in noodsituaties of wanneer

het apparaat lange tijd wordt

stilgelegd.

Als hij tijdens het bedrijf

wordt gebruikt om het apparaat

uit te schakelen, kan de

elektrische aanvoerluchtventilator

de branderkamer niet

afkoelen. Dit kan schade aan

het apparaat veroorzaken.

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.


Gasaansluiting

De gasaansluiting mag uitsluitend

worden uitgevoerd door geautoriseerd,

erkend vakpersoneel onder

inachtneming van de voor de

desbetreffende gassoort geldende

voorschriften.

De diameter van de leidingen moet

worden bepaald aan de hand van

het aangesloten vermogen van

het apparaat, de totale geleidingsweerstand

en de hoogte van de

gastoevoerdruk.

De benodigde gastoevoerdruk

(afhankelijk van de gassoort) moet

bouwzijdig worden gewaarborgd.

Afhankelijk van het apparaatvermogen

moet tijdens het gebruik

van het apparaat de benodigde

gashoeveelheid en gasdruk continu

beschikbaar zijn.

�et apparaat wordt aangesloten

op een R 3/4“ resp. R 1“ aan-

sluiting met een uitwendige

schroefdraad.

De gastoevoerleiding moet spannings-

en trillingsvrij worden aangelegd

met een geschikte losmaakbare

schroefverbinding.

De in de geldende gasrichtlijnen

voorgeschreven componenten en

de plaatselijk benodigde componenten

voor de gastoevoerleiding,

bijv. gasdrukregelaars, afsluitvoor-

zieningen enz., worden niet

meegeleverd en moeten bouwzijdig

beschikbaar worden gesteld.

Bovendien adviseren wij een

hoogefficiënt gasfilter zonder

drukregelaar in te bouwen, omdat

het filteroppervlak van het standaardfilter

(aangebracht boven de

gasklep) beperkt is.

De geldende normen staan een

maximumdruk van 60 mbar toe

in de ruimtes resp. de verwarmingsruimte;

hogere drukwaarden

moeten worden verlaagd voordat

ze de verwarmingsruimte resp. de

opstellingsruimte van het apparaat

bereiken.

Voor de eerste ingebruikneming

moet de gastoevoerleiding grondig

worden gereinigd en ontlucht.

De aansluiting van het apparaat op

de gastoevoerleiding moet gasdicht

zijn.

Alle schroefverbindingen van het

apparaat en de gastoevoerleiding

moeten op dichtheid worden

gecontroleerd.

Eventueel gebruikte lekzoeksprays

moeten voldoen aan DIN 30657

(corrosievrij).

schema van de door de fabriek geleverde gascomponenten

ATTENTIE

Installatiewerkzaamheden aan

de gasinstallatie en de voedingsleidingen

mogen uitsluitend

worden uitgevoerd door

geautoriseerd vakpersoneel.

LEGENDA

1 = elektrische gasmagneetklep

hoofdbrander

2 = elektrische gasmagneetklep

ontstekingsbrander

3 = drukregelaar

4 = elektrische gas-veiligheidsklep

5 = gasfilter (klein filteroppervlak)

6 = trillingdempend verbindingsstuk

(bouwzijdig)

7 = gasfilter met groot filter-

oppervlak (bouwzijdig)

8 = gaskraan (bouwzijdig)

bouwzijdig uit te voeren door het

installatiebedrijf

� � � � � � � �

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

29


REMKO GPM

Ingebruikneming

De eerste ingebruikneming mag

alleen worden uitgevoerd door een

contractbedrijf of door de klantenservice

van de fabriek.

Voor de eerste ingebruikneming

moeten de volgende stappen

worden uitgevoerd:

30

ATTENTIE

Instel- en onderhoudswerkzaamheden

aan het apparaat

en aan de gasbrander mogen

uitsluitend worden uitgevoerd

door geautoriseerd vak-

personeel!

1. Alle aansluitingen en schroefverbindingen

van het apparaat en

de gasaansluiting op dichtheid

controleren.

2. Alle bereikbare elektrische

schroef- en steekverbindingen

controleren.

3. De polariteit en de spanningsvoorziening

van de elektrische

aansluiting controleren

(230V/1~/50�z).

4. Controleren of het apparaat

correct is aangesloten op een

functionerende aarding die

voldoet aan de veiligheids-

voorschriften.

Alleen dan is de elektrische

veiligheid en werking van het

apparaat gewaarborgd.

ATTENTIE

Gasleidingen mogen nooit

worden gebruikt voor het aarden

van elektrische apparaten!

5. Controleren of de elektronische

temperatuurregeling ATR-6

correct is aangesloten.

De apparaten worden in de fabriek

ingesteld op basis van de gewenste

gassoort.

Men dient te waarborgen dat een

voorschriftsmatige gastoevoerdruk

continu beschikbaar is overeenkomstig

de ter plaatse gebruikte

gassoort.

�et gebruikte gas moet overeenkomen

met de gascategorie die

voor het apparaat is ingesteld.

Ga als volgt te werk om de

brander in gebruik te nemen:

1. De afsluitschroef in het drukmetingsaansluitstuk

van de

brander losdraaien.

Niet helemaal uitdraaien!

2. Een geschikt drukmetingsapparaat,

bijv. een U-buismanometer,

met een meetnauwkeurigheid

van min. 0,1 mbar, aansluiten.

3. De gasafsluitvoorzieningen

openen.

4. De hoofd-/noodschakelaar

inschakelen.

5. Op de temperatuurregeling

ATR-6 een gewenste kamertemperatuur

instellen die hoger

is dan de werkelijke kamer-

temperatuur.

6. De bedrijfsmodusschakelaar op

de voorkant van het apparaat

op „verwarmen” zetten.

7. De temperatuurregeling op

„�ANDBEDIENING“ zetten.

8. Controleren of het symbool van

de verwarming (bedrijf) brandt

op de display van de temperatuurregeling.

9. Een gewenste temperatuur

instellen die hoger is dan de

door de kamerthermostaat of de

temperatuurregeling gemeten

temperatuur.

Als er een klein vlammetje gaat

branden op de display, is de

brander ingeschakeld.

�et is mogelijk dat de ontstekingsbrander

bij de eerste ingebruikneming

niet ontsteekt omdat er

nog lucht in de gasleiding zit; in dit

geval wordt er een storingsmelding

gegeven.

�et apparaat moet worden

ontgrendeld en de startprocedure

moet worden herhaald.

ATTENTIE

Er moet een functiecontrole

van het hele apparaat inclusief

een dichtheidscontrole van

alle gasvoerende verbindingen

worden uitgevoerd.

Verbrandingsanalyse

De brander starten en na inschakeling

van de ventilator de brander

op „maximumvermogen“ zetten

door de resetknop op de voorkant

van het apparaat 2-3 seconden

ingedrukt te houden.

De groene LED op de voorkant

knippert één keer wanneer het

apparaat op het maximumver-

mogen werkt.

Controleren of de gasdruk bij de

gasklepingang de voorgeschreven

waarde heeft, anders moet de

gasdruk worden bijgeregeld.

Na ca. twee minuten een uitlaatgasanalyseapparaat

aansluiten op

de uitlaatgasleiding en de CO2waarde

aflezen.

Deze waarde vergelijken met de

waarden van de toegepaste gassoort

in de tabel „Gasinstellingen”.

Als de waarde buiten het aange-


geven bereikt ligt, de waarde

corrigeren met de CO2-regelschroef

op de venturibuis.

- Bij het vastschroeven daalt de

gasdoorzet en daardoor ook de

CO2-waarde.

- Bij het losdraaien stijgt de CO2waarde.

Daarna de brander op „minimumvermogen

zetten door opnieuw

de resetknop 2-3 seconden ingedrukt

te houden.

De groene LED op de voorkant

knippert twee keer snel wanneer

het apparaat op het minimumvermogen

werkt.

Wachten tot het minimumvermogen

zich heeft gestabiliseerd

op de brander en controleren of

de CO2-waarde gelijk aan of iets

kleiner is dan de CO2-waarde bij

de maximum doorzet (tot -0,3%).

Bij een afwijkende waarde de

offsetschroef draaien.

Om de waarde te wijzigen, de

geijkte

venturibuis

drukmeteraansluitstuk

gasuitlaat

metalen plug eruit trekken en de

regelschroef draaien:

- Bij het losdraaien daalt de

CO2-waarde.

- Bij het vastschroeven stijgt de

CO2-waarde.

Na eventuele correcties d.m.v. de

offsetregulering, moet de CO2waarde

bij maximumvermogen

opnieuw worden gecontroleerd

volgens de bovenstaande stappen.

Na deze stappen de brander op

„normaal vermogen” zetten door

opnieuw de resetknop 2-3

seconden ingedrukt te houden.

Deze stand wordt aangegeven

door een continu brandende

groene LED.

Nadat alle stappen voor de eerste

ingebruikneming zijn uitgevoerd,

moet de gebruiker worden ge-

ïnstrueerd over de bediening van

het apparaat en de regeling ervan.

CO2

regelschroef

drukmeteraansluitstuk

gasinlaat

offsetregeling

Als het apparaat niet op de

„normaal”-modus wordt gezet,

zorgt de besturingsprintplaat na

20 minuten voor een automatische

reset van het apparaat.

Dit gebeurt ook wanneer de

stroomvoorziening van het apparaat

wordt uit- en ingeschakeld.

ATTENTIE

De ingang van de venturibuis

mag nooit met de hand of met

andere voorwerpen worden

afgedekt.

Dit kan leiden tot vlamterugslag

van de voormengbrander.

ATTENTIE

Als het apparaat lange tijd

niet gebruikt wordt, moeten

de gaskranen worden gesloten

en de hoofdschakelaar van het

apparaat worden uitgeschakeld.

AANWIJZING

Het apparaat voert altijd een

naventilatie uit voordat de

ventilatoren worden uit-

geschakeld.

AANWIJZING

Als het apparaat niet op de

„normaal”-modus wordt

gezet, zorgt de besturingsprintplaat

na 20 minuten voor

een automatische reset van

het apparaat.

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

31


REMKO GPM

Landentabel gassoorten

De eerste ingebruikneming mag alleen worden uitgevoerd door erkend vakpersoneel.

Een verplicht onderdeel van de eerste ingebruikneming is het uitvoeren van een verbrandingsanalyse.

In de EG-landen en in de landen buiten de EG zijn de apparaten goedgekeurd voor de onderstaande

gassoorten.

32

Land Categorie Aardgas Druk Vloeibaar gas Druk

AT II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 50 mbar

BE 70 kW I2E(R)B,I3P G20/G25 20/25 mbar G31 37 mbar

CH II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 50 mbar

DE II2ELL3B/P G20/G25 20 mbar G30/G31 50 mbar

DK, FI, GR, SE II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

ES, GB, IE, PT II2�3P G20 20 mbar G31 37 mbar

IT II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

FR II2Esi3P G20/G25 20/25 mbar G31 37 mbar

LU II2E3P G20/G25 20 mbar G31 37/50 mbar

NL II2L3B/P G25 25 mbar G30/G31 30 mbar

NO, HR II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

HU II2�S3B/P G20/G25.1 25 mbar G30/G31 30 mbar

CZ II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

CY, MT I3B/P G30/G31 30 mbar

EE, LT, LV II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

IS I3P G31 37 mbar

SK II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

SI II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

BG, RO, TR II2�3B/P G20 20 mbar G30/G31 30 mbar

PL II2ELwLs3B/P G20/G2.350 20/13 mbar G30/G31 37 mbar

Gasbrander instelwaarden / uitlaatgasanalyse

Gassoort G20 G25 G30 G31

categorie afhankelijk van het land van bestemming (zie bovenstaande tabel)

voedingsdruk (mbar)

20

(min.17-max.20)

25

(min.20-max.30)

30 - 50 30 -50

ontstekingsgassproeier Ø (mm) 0,60 0,60 (0,65) 0,51 0,51

kooldioxide CO2

(%)

8,7 ±0,2 (cat.�)

8,9 ±0,2 (cat.E)

8,7 ±0,2 9,6 ±0,2 9,4 ±0,2


Onderhoud

Om een goede werking en een

lange levensduur van de apparaten

te waarborgen, moeten er beslist

eenmaal per jaar en in ieder geval

aan het begin van het verwarmingsseizoen

enkele controles

worden uitgevoerd:

1) Toestand van de ontstekings- en

bewakingselektroden en van de

ontstekingsgasbrander controleren

2) Toestand van de toevoerlucht-

en uitlaatgasleidingen en

-eindstukken controleren

3) Venturibuis controleren op vuil

4) Warmtewisselaar controleren

op vuil

5) Gasdruk bij de inlaat van de

gasklep controleren

6) Werking van het vlambe-

wakingsapparaat controleren

7) Controle van de veiligheidsthermostaat/-thermostaten

8) Controle van de ionisatiestroom

(>2 micro-ampère)

AANWIJZING

Bij stappen 1, 2, 3 en 4

moeten de stroom- en gastoe-

voer naar het apparaat worden

onderbroken.

Stappen 5, 6, 7 en 8 worden

uitgevoerd met het apparaat in

de verwarmingsmodus.

1) Controle van de elektroden

De ontstekingsbrander geheel uit

elkaar nemen; gasnet en gassproeier

met perslucht reinigen.

Controleren of de keramiek van de

elektroden onbeschadigd is.

Eventuele oxidatie-afzettingen op

de metalen delen van de elektroden

voorzichtig verwijderen met

fijn schuurpapier.

Controleren of de elektroden goed

zijn bevestigd (zie afbeelding).

2-3 mm

�et is belangrijk dat de bewakingselektrode

[IO] zich tangentieel ten

opzichte van de ontstekings-

branderkop bevindt en er niet

boven ligt.

De ontstekingselektrode [Z] moet

zich ontladen naar de buitenkant

van de ontstekingsbrander op een

gepaste afstand tot de bewakingselektrode.

Z IO

2) Controle van de uitlaatgas- en

luchtaanvoerleidingen

De toestand van alle leidingen en

verbindingsstukken visueel controleren.

Vuil op het eindstuk van de luchtaanvoerleiding

verwijderen.

3) Controle en reiniging van de

venturibuis

Met een kwastje of ander geschikt

gereedschap het vuil bij de ingang

van de venturibuis verwijderen.

Ervoor zorgen dat er niets in de

venturibuis valt.

4) Controle van de gasinlaatdruk

Ervoor zorgen dat de druk bij de

inlaat van de gasklep overeenkomt

met de voor de gassoort voorgeschreven

waarde.

Deze controle moet worden uitgevoerd

terwijl het ingeschakelde

apparaat op het maximum vermogen

werkt.

5) Controle van het

vlambewakingsapparaat

Met het apparaat op de ver-

warmingsmodus de gaskraan

sluiten en controleren of storingsmelding

F1 wordt gegeven. De

gaskraan weer openen, ontgrendelen

en wachten tot het apparaat

opnieuw start.

6) Controle van de veiligheidsthermostaat/-thermostaten

De controle moet worden uitgevoerd

met het apparaat op de

verwarmingsmodus.

- Met een föhn of andere geschikte

middelen de thermostaatsensor

verhitten tot storingsmelding

F2 wordt weergegeven.

- De thermostaatsensor(en) laten

afkoelen en het apparaat weer

ontgrendelen.

- Deze controle moet worden uitgevoerd

voor alle thermostaten

in het apparaat.

33


REMKO GPM

7) Controle van de

ionisatiestroom

Voer de controle uit met een testapparaat

dat micro-ampèrewaarden

bij gelijkstroom kan meten.

- Stroomtoevoer naar het apparaat

onderbreken.

- Kabel losmaken van het vlambewakingsapparaat

en aansluiten

op de minpool van het testapparaat.

- Een kabelverbinding maken

tussen de plus-pool van het testapparaat

en het vlambewakingsapparaat.

- Apparaat weer inschakelen en de

ionisatiestroom meten.

De waarde van de ionisatiestroom

moet hoger zijn dan 2 microampère.

Lagere waarden duiden op een

slecht geplaatste of geoxideerde

elektrode.

34

bewakingselektrode

vlambewakings-

apparaat

micro-

ampèremeter

8) Controle en reiniging van de warmtewisselaar

Door de onberispelijke verbranding

in de apparaten ontstaan hier

normaal gesproken slechts kleine

afzettingen.

Toch kunnen er in de loop van

de tijd afzettingen ontstaan in de

buizen van de warmtewisselaar.

De gebruikelijke onderhoudsintervallen

dienen daarom beslist te

worden nageleefd.

Een merkbare afname van het

verwarmingsvermogen kan een

symptoom zijn van afzettingen in

de warmtewisselaar.

Voer de volgende stappen uit om

de warmtewisselaar te reinigen:

- Apparaat laten afkoelen en

losmaken van het stroomnet.

- Zijdeur van het apparaat openen.

AANWIJZING

Voor een lange levensduur

en een storingsvrije werking

van de apparaten is periodiek

onderhoud, minstens na elke

verwarmingsperiode, noodzakelijk.

- De bevestigingsschroeven van de

afdekking [A] van de uitlaatgasverzamelkast

demonteren.

- Met een geschikte buisborstel

de binnenkant van de buizen

over de gehele lengte reinigen,

waarbij het vuil zo mogelijk naar

de verzamelkast geveegd dient

te worden, waar het kan worden

opgezogen.

- Na de reiniging de afdekking [A]

van de uitlaatgas-verzamelkast

weer monteren en controleren

op dichtheid.

- Na afloop van het werk het

apparaat weer aansluiten en

een keer laten proefdraaien.

A

AANWIJZING

Instel- en onderhoudswerkzaamheden

mogen uitsluitend

worden uitgevoerd door

geautoriseerd vakpersoneel.


Vervangen van de

besturingsprintplaat

Bij het vervangen van de besturingsprintplaat

moeten er enkele

controles worden uitgevoerd en

enkele parameters worden

ingesteld.

De programmering van de parameters

is noodzakelijk en hangt

af van de geselecteerde bedrijfsmodus.

Voor elk model van het apparaat is

een technische beschrijving bijgevoegd

met een lijst van de in de

fabriek ingestelde standaardwaarden.

�oud alle ter plaatse aangebrachte

veranderingen bij op deze lijst,

zodat een eventuele vervangingsprintplaat

correct kan worden

geprogrammeerd.

- Controle van de hardwareconfiguratie

van de printplaat

Controle met temperatuurregeling

De brug NTC/ VAN moet op NTC

staan en de CR-schakelaar op ON;

zie onderstaande afbeelding

[richting binnenrand van de kaart];

Deze configuratie is nodig om een

goede werking van de NTC1-

sensor te waarborgen.

brug op NTC

CR-schakelaar

op ON

Programmering van de parameters

ATTENTIE

Als er geen temperatuurregeling

wordt gebruikt, dient

u contact op te nemen met de

klantenservice van de firma

REMKO.

De parameters A1 en A2 moeten

beslist worden geprogrammeerd.

Deze bepalen het verwarmingsvermogen

van de geïnstalleerde

warmeluchtbereider.

Bij de vervangingsprintplaten zijn

parameters A1 en A2 niet voorgeprogrammeerd.

In de onderstaande tabel vindt u

de waarden die afhankelijk van het

apparaatmodel ingesteld moeten

worden.

Model A1 A2 A3

GPM15 43 58 83

GPM25 58 72 83

GPM35 56 80 80

GPM55 65 93 70

GPM75 75 100 70

Overige parameters:

Voor het instellen van de mogelijke

apparaatfuncties vindt u op pagina

38 een tabel met alle waarden

van de besturingsprintplaat, hun

fabrieksinstelling, hun regelbereik

en hun betekenis.

AANWIJZING

Kolom PARAM K bevat de

met de temperatuurregeling

zichtbare en veranderbare

waarden.

35


REMKO GPM

Vervangen van de gasklep en CO2- en offsetregeling

Apparaat zonder temperatuurregeling

Bij het vervangen van de gasklep

moeten de CO2-waarde en

eventueel de offsetwaarde worden

ingesteld.

- De brander starten en na inschakeling

van de ventilator de brander

op „maximumvermogen

zetten door de resetknop op de

achterkant van het apparaat 2-3

seconden ingedrukt te houden.

De groene LED op de voorkant

knippert één keer als het apparaat

op het maximumvermogen werkt.

Na ca. twee minuten een uitlaatgasanalyseapparaat

aansluiten en

de CO2-waarde aflezen.

Deze waarde vergelijken met de

waarden van de toegepaste gassoort

in de tabel „Gasinstellingen”.

- Als de waarde buiten het aangegeven

bereik ligt, de waarde

corrigeren met de CO2-regelschroef

op de venturibuis:

Bij het indraaien van de stelschroef

daalt de gasdoorzet en daardoor

ook de CO2-waarde.

Bij het losdraaien stijgt de CO2waarde.

Daarna de brander op „minimumvermogen

zetten door opnieuw

de resetknop 2-3 seconden

ingedrukt te houden.

De groene LED op de voorkant

knippert twee keer snel wanneer

het apparaat op het minimumvermogen

werkt.

- Wachten tot het minimumvermogen

zich heeft gestabiliseerd

op de brander en controleren of

de CO2-waarde gelijk aan of iets

kleiner is dan de CO2-waarde

bij de maximum doorzet (tot

-0,3%).

36

Bij een afwijkende waarde de

offsetschroef draaien.

Om de waarde te wijzigen, de

metalen plug eruit draaien en de

regelschroef draaien:

Bij het losdraaien daalt de

CO2-waarde.

Bij het vastschroeven stijgt de

CO2-waarde.

Na eventuele correcties d.m.v. de

offsetregulering moet de CO2waarde

bij maximumvermogen

opnieuw worden gecontroleerd

volgens de eerder genoemde

stappen.

Na deze stappen de brander op

„normaal vermogen” zetten door

opnieuw de resetknop 2-3 seconden

ingedrukt te houden.

Deze stand wordt aangegeven

door een continu brandende

groene LED.

AANWIJZING

Als het apparaat niet op de

„normaal”-modus wordt

gezet, zorgt de besturingsprintplaat

na 20 minuten

voor een automatische reset

van het apparaat.

Dit gebeurt ook wanneer de

stroomvoorziening van het apparaat

wordt uit- en ingeschakeld.

Apparaat met temperatuurregeling

Bij het vervangen van de gasklep

moeten de CO2-waarde en

eventueel de offsetwaarde worden

ingesteld.

- Reguleringsparameter van de

sensor NTC1 („REG SAN“ op de

temperatuurregeling) instellen op

een hogere waarde dan de door

sensor NTC1 gemeten waarde

(„FLUSS VL“ op de temperatuurregeling).

- Brander inschakelen.

Ongeveer twee minuten na het

starten bereikt het apparaat zijn

maximum doorzet.

Een uitlaatgasanalyseapparaat aansluiten

en de CO2-waarde aflezen.

Deze waarde vergelijken met de

„Gasinstellingen” (pagina 32) voor

de gebruikte gassoort.

- Als de waarde buiten het aangegeven

bereik ligt, de waarde

corrigeren met de CO2-regelschroef

op de venturibuis:

Bij het indraaien daalt de gas-

doorzet en daardoor ook de

CO2-waarde.

Bij het losdraaien stijgt de

CO2-waarde.

Daarna de brander instellen op het

minimumvermogen door de REG

SAN-waarde in te stellen op een

waarde die lager is dan de gemeten

temperatuur.

- Wachten tot het minimumvermogen

zich heeft gestabiliseerd

op de brander en controleren of

de CO2-waarde gelijk aan of iets

kleiner is dan de CO2-waarde

bij de maximum doorzet (tot

-0,3%).

Bij een afwijkende waarde de

offsetschroef draaien.

Om de waarde te wijzigen, de

metalen plug uitdraaien en de

regelschroef draaien:

Bij het losdraaien daalt de CO2waarde.

Bij het vastschroeven stijgt de

CO2-waarde.

Na eventuele correcties d.m.v. de

offsetregulering, moet de CO2waarde

bij maximumvermogen

opnieuw worden gecontroleerd

volgens de bovenstaande stappen.


Omschakelen naar

vloeibaar gas

De bouwzijdige omschakeling naar

een ander soort gas mag uitsluitend

worden uitgevoerd door

geautoriseerd vakpersoneel.

Voor het ombouwen moet er zijn

voldaan aan de nationale voorschriften.

�ieronder wordt de ombouwset

voor omschakeling van aardgas

naar vloeibaar gas beschreven:

Leveringsomvang ombouwset:

■ geijkt membraan

■ ontstekingsvlam-sproeier

■ sticker „apparaat omgeschakeld

naar...”

Nadat de instelling is uitgevoerd,

de sticker „apparaat ingesteld op

...” vervangen door de bijgevoegde

sticker „apparaat omgeschakeld

naar...”.

Montage van het membraan van

modellen GPM 15 / 25 / 35 / 55

Ga bij het ombouwen als volgt te

werk:

■ stroomvoorziening van het

apparaat aan alle polen

onderbreken

■ ontstekingssproeier zorgvuldig

vervangen

■ het geijkt membraan zorgvuldig

aanbrengen tussen de gasklep

en de venturibuis

■ de stroomvoorziening van het

apparaat weer herstellen en het

apparaat voorbereiden op de

start

■ tijdens de ontstekingsfase controleren

of er geen gas vrijkomt

bij de verbinding sproeier-

koperbuis

Montage van het membraan

van model GPM 75

gassoort vloeibaar gas G30 - G31

Wanneer de brander op het

hoogste vermogen werkt,

controleren:

1) of de druk bij de inlaat van de

gasklep overeenkomt met de

voor de gassoort voorge-

schreven waarde.

2) of het CO2-gehalte overeenkomt

met de voorgeschreven

waarden van de desbetreffende

gassoort.

Als de gemeten waarde hiervan

afwijkt, moet deze worden aangepast

m.b.v. de CO2-regelschroef.

Door de schroef in te draaien daalt

de CO2-waarde.

Door de schroef uit te draaien

stijgt de CO2-waarde.

Nogmaals controleren of de gas-

kringloop dicht is.

AANWIJZING

ATTENTIE

De voor gebruik van vloeibaar

gas geleverde warmelucht-

bereider is afgesteld op

gebruik van gassoort G31.

Bij gebruik van G30 moet de

CO 2 worden gecontroleerd en

even-tueel worden bijgesteld..

Model GPM 15 GPM 25 GPM 35 GPM 55 GPM 75

Ø ontstekings-sproeier mm 0,51 0,51 0,51 0,51 0,51

Ø gasmembraan mm 4,5 5,0 5,1 6,5 6,5

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

Instel- en onderhoudswerkzaamheden

mogen uitsluitend

worden uitgevoerd door

geautoriseerd vakpersoneel.

37


REMKO GPM

Parametertabel van de besturingsprintplaat

38

PARAM

K

TSP

Fabrieksinstelling

Standaard Beschrijving

1 A1 0 0 - 100 minimum modulatiewaarde

2 A2 0 0 - 100 maximum modulatiewaarde

3 A3 70 20 - 100 startvermogen

4 A4 20 0 - 255 waarde van de integraalfactor

5 A5 10 1 - 100 waarde van de proportionaalfactor

6 A11 25 25 - 255 stabilisatietijd van de vlam

7 A17 4 0 - 4 aantal automatische ontgrendelingen na fout F1

8 A28 50 0 - 100 percentage OUT3 activering

9 A34 10 10 - 95 minimumwaarde REG SAN

10 A35 0 0 - 1 zomerstand van de circulatieluchtventilator

11 C1 0 0 - 1 kamercorrectie

12 C3 60 0 - 255 vertragingstijd circulatieluchtventilator AAN

13 C4 120 0 - 255 vertragingstijd circulatieluchtventilator UIT

14 C5 0 0 - 1 vrijgave verwarmingsmodus

15 C8 0 0 - 1 vrijgave vorstbescherming

16 ST3 7,5 -5 + 30 schakelpunt vorstbeschermingstemperatuur

17 A12 0 0 - 1 vrijgave externe kamersensor

18 A16 90 1 - 99 correctiecoëfficiënt

19 A24 1,5 1 - 20 neutraal bereik correctie

20 A15 0 0 - 1 selectie van de combinatietabel PWM snelheid

21 A31 2 2 - 3 deler voor �ALL melding

REG SAN ST1 21 10 - 95 schakelpunt sensor NTC1


Parameterinstelling van de besturingsprintplaat

Parameters PARAM K

Toets KM (menu) ongeveer 8-10

seconden ingedrukt houden om

toegang te krijgen tot de PARAM

K-parameters.

Op de display verschijnt:

INFO REG ERR >>

K1 K2 K3 K4

Op toets K4 >> drukken; op de

display verschijnt:

TAAL PAR PARK >>

K1 K2 K3 K4

Op toets K3 (PARK) drukken; op

de display verschijnt:

>

K1 K2 K3 K4

De waarde van de ingestelde

parameter verschijnt boven toets

K4 en de bijbehorende 56-pijlen;

K3 geeft het nummer van de te

wijzigen parameter aan [PARM K].

Met toetsen K1 (terug) en K4

(verder) kunt u de parameters 1

t/m 21 na elkaar weergeven; met

de pijlen + en – kunt u de waarden

van de ingestelde PARAM K-

parameters wijzigen.

Om het instelmenu te sluiten dient

u toets KM (menu) ongeveer 8-10

seconden ingedrukt te houden.

Als er ongeveer 20 seconden lang

geen toets wordt ingedrukt, wordt

het instelmenu van de temperatuurregeling

automatisch gesloten

en wordt het bedrijfsmodusprogramma

weer actief.

Parameters REG SAN en FLUSS VL

De parameter „REG SAN“ is het

modulatiesetpoint van de NTC1sensor

op de achterkant van het

apparaat;

„FLUSS VL“ is de waarde die door

de sensor is gemeten.

Instelling van „REG SAN“

(apparaatsensor)

Op toets KM (menu) drukken; op

de display verschijnt:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Op toets K4 drukken; op de

display verschijnt:

PROG REG TIJD >>

K1 K2 K3 K4

Door op toets K2 REG te drukken,

gaat u naar de temperatuurinstelling.

Verder met K4, tot het volgende

verschijnt op de display:

>

K1 K2 K3 K4

�et setpoint verschijnt boven de

pijlen boven toets K4.

Stel de gewenste temperatuurwaarde

in met de toetsen + en

(bijv. 18 °C).

Druk daarna op toets KM om

terug te gaan naar het uitgangsmenu.

Weergave van de waarde van de

NTC1-sensor [param. „FLUSS VL“]

Druk op toets KM (menu) om de

temperatuur weer te geven die

is gemeten door de sensor op de

achterkant van het apparaat.

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K3 (INFO) en dan

op toets K4 (>>) tot het volgende

verschijnt op de display:

>

K1 K2 K3 K4

De waarde die boven de pijlen

boven toets K4 verschijnt, is de

waarde die is gemeten door de

NTC-sensor op de achterkant van

het apparaat.

Weergave van het vermogen

Om het vermogen waarop het

apparaat werkt in procenten weer

te geven, drukt u op toets KM

(menu).

Op de display verschijnt:

�ZG SAN INFO >>

K1 K2 K3 K4

Druk op toets K3 (INFO) en dan

op toets K4 (>>) tot het volgende

verschijnt op de display:

>

K1 K2 K3 K4

De waarde op de display is het

vermogen in %.

De referentiewaarden zijn:

brander op minimumvermogen

0%,

brander op maximumvermogen

100%.

Deze waarden zeggen niets over

de PWM-waarde.

Storingsindicatie en reset

Bij een storing verschijnen op de

display een knipperend driehoekje

en de melding:

RESET KETEL >>

K1 K2 K3 K4

Door op toets K4 te drukken kunt

u het soort storing (van 1 tot 4)

weergeven.

Daarna weer op KM drukken om

terug te gaan naar de storingsindicatie

(knipperend driehoekje).

Door nu op toets K1 te drukken,

wordt de storing ontgrendeld (het

knipperende driehoekje gaat uit).

39


REMKO GPM

Verhelpen van storingen

40

Is de

brander Is de

���� uitgeblazen ���� ������������ circulatie-

� ������� lucht warm? �����

���� NEE

Werkt

de brander

������ op het ���� maximumver- �������� ���

���������������

mogen?

��

Onvoldoende

�������������

verwarmingsver-

������������ mogen

�������� NORMALE ������ WERKING

��

�������� Controleren ����� ���� of de �������� ingestelde �����

���� ST-waarde ���� ���� hoger ����� is ����������

dan de door

NTC1 ����� gemeten ������������ waarde ���

���� NEE

��

������� werking

warmeluchtbereider

����������������

������ REMKO ��� GPM

���� Is ���� de ������� brander

��������������

ingeschakeld?

���� NEE

Ver-

���������� schijnt de ���

temperatuur ���� �������� op ��� de

����������� display?

��

Knippert

������ dit

������� symbool ������� op de

display ��� �������� van de tempe- ���

������������������

ratuurregeling


���� NEE

Verschijnt

dit

symbool ��������� op de

������� display? ������� ���

���� ��������

���� NEE

Ver-

��������� schijnt het

���� verwarmings- �������

element-symbool ���� ������������ op de

display?

��� ��������

���� NEE

��

��

�������� Weergave ���� van ������������������

het waterkraansymbool:

Op de temperatuurregeling de verwarmingsfase op

ON handbediening ��� ���� ������������������

of op ON automatische modus

���� ���������� ���� zetten ��� ������������ ����

��� ����������������� �������

���� NEE

��

apparaat �����

geblokkeerd ���������

Opsporen van storingen

���������������

Controleren: ��� �������������

a) ��� netaansluiting

�������������������

b) � � � � buskabelverbinding ���������������������������

tussen temperatu-

� � � �

urregeling

���� �������������

en besturingsprintplaat

c) elektromagnetische storingen

��� ������������������� ���������

d) temperatuurregeling resetten met

���

desbetreffende

�������������������

toets

���� ����

e) � � � � temperatuurregeling ������������ ������ defect

�������������

��� ������������������� ������

temperatuurregeling

�������������������

staat ������ op ���� stand-by ��������

apparaat �����

ontgrendelen ����������

����� zie

storingsoorzaken

���������

��������

�����������

temperatuurrege-

��������� ����

ling op ON zetten

��� �������

Controleren:

���������������

a) ��� contact �������� 7-9 ���� gesloten �����������

b) ��� parameter ���������� A35=0 ���� �� �

c) ��� wisselschakelaar ���������������� op ���� winter ������


��

��

��

��

��

��

ERR

alleen ���met

���� ����

����������� temperatuurregeling

��������

Soort storing

brander �������� ontsteekt ������� ����� niet

���������������������� veiligheidsthermostaat ����� (STB)

��������������� branderventilator ������ defect

������� sensor ����� NTC1 ����� of NTC2 ����

wordt ������� onjuist ������� weergegeven ���������

vergrendeling ������������� van de ���� bestu-

�������������

ringsprintplaat

������������������������

vlambewakingsapparaat

�������� onjuiste ����������� verbinding met ���� ��� de

������������������

temperatuurregeling

- �� �������������� geen gastoevoer �����

- �� ������� fase- en ���� nulleider ����������� verwisseld ����������

- �� ���������� aardleiding ������ ontbreekt ����� ������� of is �������������

onjuist aangesloten

- �� �������������� netaansluiting ����� zonder ���������� correcte ���������� nulleider

- �� �������������� ontstekingselektrode ������� ����� defect ������� of onjuist ��������� ingebouwd

- �� ���������������������� bewakingselektrode defect ������� of onjuist ����� ������� ingebouwd ���������

- �� ���������������������� bewakingselektrode zit los ����� / verliest �� ��������� massa ���� ������ bij warmte �����

- �� ������������ ontstekingssproeier ������������ vuil of ����� verkeerde �������� grootte

����������

�� ����������������� ������

- �� ������������ circulatieluchtventilator �������� ���� defect ��������������

- �� ������������ gebrekkige ����� koeling ������� van ������ de warmtewisselaar

- �� ��������������� capillaire buis ��� of ����� sensor ��� defect �������������

- �� ����������� sensorpositie ���� te ���������� dicht bij warmtewisselaar

����������

- �� ����������� doorgang van �������� de thermostaat ������ ������� controleren ������� ��� ���� ������

- � � ��������� afdichtingen ���� ������� defect; ���� warm ������uitlaatgas ���� ��� ���� komt �������� bij de �������� sensor ���� Aanwijzing: ������� de

� � ��������� sensor is niet ������ alleen �������� aan de punt, maar over de gehele lengte gevoelig

- �� ��������������������� laagspanningskabel naar ���� de ��������������� branderventilator ������� defect ����� of niet ������ aangeslo

� � �������������

ten

- �� ���������� parameters ��� A1 ���� en ��� A2 ������� moeten ���� overeenkomen ������� ���� met �������� de waarden ��� ��������� uit de

� � ������������� tabel in paragraaf ���� ��������������� „Besturingsprintplaat ����������� vervangen

- �� ��������������� branderventilator ������ defect

- �� ������ controleren

- �� ��������� correcte ��������� positie van ����brug ������� 7-9 ���� op ���� contactstrip ������������ M1 ��� controleren ������

- �� ������� sensor ����� NTC1 ���������� controleren

- �� ������� sensor ����� NTC2 ����������� controleren ����� (alleen ���� ��������������������

met temperatuurregeling)

�� - ���� bij herhaalde ������������� vergrendelingen ��������������� de �������������� besturingsprintplaat ��������� vervangen

�� - ���������������� kabelverbinding ��������� tussen vlambewakingsapparaat ������������������������� en besturingsprint ����

� � �������������� plaat controleren �����������

- �� ������������������������� vlambewakingspparaat defect ������

- �� ������������� defecte aansluitkabel �����������������

- �� ������������������� elektromagnetische ���������� storingen

- �� ������������� onjuiste aansluiting ���������

41


REMKO GPM

Elektrisch aansluitschema

42

���

���

� � ��

� �

� � ��

����� ����

CN

Legenda:

ACF = vlambewakingsapparaat

B1 = magneetklep ontstekingsbrander

CN = aansluiting temperatuurregeling

EA = ontstekingselektrode

ER = ionisatie-elektrode

E/I = wisselschakelaar zomer/winter

F1 = zekering 4A

F2 = zekering 2,5A

LR = storingslamp

LV = in-bedrijf-lamp

M1 = contactstrip

NTC = sensor NTC 1

SB = ontstoringsknop

STB = veiligheidsthermostaat (resetbaar)

TR = transformator 230/24V

VA1 = circulatieluchtventilator

VA2 = circulatieluchtventilator

(uitsluitend GPM 55/75)

VAG = branderventilator

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

LED

(WINTER) winter

��

(SOMMER) zomer

NTC

contactstrip M1

(WECHSELSCHALTER)

wisselschakelaar (Ein Aan / Aus) / Uit

ontgrendeling

(ENTRIEGELUNG)


Weergave van het apparaat

36

3

6

1

35

2

4

11

5

13 7 8

38

Gelieve bij het bestellen van vervangingsonderdelen naast het EDV-nr. ook het apparaatnummer en het apparaattype (zie typeplaatje)

te vermelden!

43

9

10

37

40

39

41

42

14

12


REMKO GPM

Venturibrander

44

22

20

21

23

15

31

17

24

32

33

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

34

16

18

19

27

28

25

30

29

26


Vervangingsonderdelenlijst

Nr. Benaming GPM 15 GPM 25 GPM 35 GPM55 GPM 75

1 besturingsprintplaat 1110440 1110441 1110442 1110443 1110444

2 F1 zekering 4A 1110445 1110445 1110445 1110445 1110445

3 F2 zekering 2,5A 1110446 1110446 1110446 1110446 1110446

4 contactstrip M1 1110447 1110447 1110447 1110447 1110447

5 aansluiting voor potentiaalvereffening 1110448 1110448 1110448 1110448 1110448

6 transformator 1110449 1110449 1110449 1110449 1110449

7 controlelampje ROOD 1110521 1110521 1110521 1110521 1110521

8 controlelampje GROEN 1110522 1110522 1110522 1110522 1110522

9 veiligheidstemperatuurbegrenzer 1110452 1110452 1110452 1110452 1110452

10 blinde stop 1110453 1110453 1110453 1110453 1110453

11 omschakelaar zomer/winter 1110454 1110454 1110454 1110454 1110454

12 stroomaansluitbus 1110455 1110455 1110455 1110455 1110455

13 ontgrendelknop 1110456 1110456 1110456 1110456 1110456

14 kabelschroefverbindingen 1110457 1110457 1110457 1110457 1110457

15 ontstekingsgasbuis 1110458 1110458 1110458 1110458 1110459

16 vlambewakingsapparaat 1110460 1110460 1110460 1110460 1110460

17 magneetklep ontstekingsgasbrander 1110461 1110461 1110461 1110461 1110461

18 gasklep 1110462 1110462 1110462 1110462 1110463

19 venturibuis 1110464 1110465 1110465 1110466 1110466

20 branderventilator 1110467 1110467 1110467 1110468 1110469

21 ontstekingskabel 1110470 1110470 1110470 1110470 1110471

22 ionisatiekabel 1110472 1110472 1110472 1110472 1110472

23 kijkglas met afdichting 1110473 1110473 1110473 1110473 1110473

24 ontstekingsgasbrander 1110474 1110475 1110476 1110477 1110478

25 ontstekingselektrode 1110479 1110479 1110479 1110479 1110479

26 ionisatie-elektrode 1110480 1110480 1110480 1110480 1110480

27 afdichting branderflens 1110481 1110481 1110481 1110481 1110481

28 afdichting branderventilator 1110482 1110482 1110482 1110482 1110483

29 afdichting branderbuis 1110484 1110484 1110484 1110484 1110485

30 ontstekingsgassproeier aardgas 1110486 1110487 1110488 1110489 1110490

30a ontstekingsgassproeier vloeibaar gas 1110491 1110492 1110493 1110494 1110495

31 afdichting gasklep 1110496 1110496 1110496 1110496 1110496

32 gastoevoerbuis 1110497 1110497 1110497 1110497 1110498

33 afdichting gastoevoerbuis 1110499 1110499 1110499 1110499 1110500

34 contramoer 1110501 1110501 1110501 1110501 1110502

35 luchtuitlaatrooster 1110503 1110504 1110504 1110505 1110506

36 siliconenafdichting 1110450 1110450 1110450 1110450 1110450

37 uitlaatgasaansluitstuk 1110508 1110508 1110508 1110508 1110509

38 sluitknop 1110510 1110510 1110510 1110510 1110510

39 luchttoevoeraansluitstuk 1110511 1110511 1110511 1110511 1110512

40 deurscharnier 1110513 1110513 1110513 1110513 1110513

41 temperatuursensor 1110514 1110514 1110514 1110514 1110514

42 circulatieluchtventilator 1110515 1110516 1110517 1110518 1110519

o afb. stroomaansluitstekker 1110520 1110520 1110520 1110520 1110520

Gelieve bij het bestellen van vervangingsonderdelen naast het EDV-nr. ook het apparaatnummer en het apparaattype (zie typeplaatje)

te vermelden!

45


REMKO GPM

Afmetingen van het apparaat

46

H

TV

AV

Serie Afmetingen Opening Ophanging Gasvoorziening

L B � V �B LB IM IS ID DM GAS GO GV

GPM15 720 640 650 140 530 415 450 116 174 475 3/4“ 186 263

GPM25 900 640 650 140 530 595 450 206 264 475 3/4“ 186 263

GPM35 900 640 650 140 530 595 450 206 264 475 3/4“ 186 263

GPM55 1240 640 740 140 620 935 780 228 252 475 3/4“ 183 352

GPM75 1400 750 810 140 690 1080 894 243 283 400 1“ 109 296

GV

AO TO

S

S

GO

ØF

ØA

ØF

ØA

B DM

V

60

235

25

Serie horizontale afleidingen

A F AV TV S

GPM15 80 80 367 204 105

GPM25 80 80 367 204 105

GPM35 80 80 367 204 105

GPM55 80 80 457 204 105

GPM75 100 100 511 204 130

A = luchtaanvoerleiding

F = uitlaatgasleiding

Serie verticale afleidingen

A F AO TO S

GPM15 80 80 305 120 105

GPM25 80 80 305 120 105

GPM35 80 80 305 120 105

GPM55 80 80 310 120 100

GPM75 100 100 400 140 127

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

60

HB

LB

L

IS IM

ID


Technische gegevens

Serie GPM 15 GPM 25 GPM 35 GPM 55 GPM 75

min. max. min. max. min. max. min. max. min. max.

nominale warmtebelasting kW 12,5 16,5 20,0 26,5 24,0 34,8 40,0 58,0 58,0 78,0

nom. verwarmingscapaciteit kW 11,8 15,1 18,8 24,4 22,6 31,5 37,6 53,0 54,5 71,5

nom luchtvolumestroom m 3 /h 2450 3050 3050 6250 6800

Brandstof aardgas of vloeibaar gas

rendement % 94,0 91,8 94,0 91,9 94,0 90,5 94,0 91,4 94,0 91,7

gasaansluiting inch ¾“ ¾“ ¾“ ¾“ 1“

temperatuurverhoging lucht °C 14,1 18,0 18,0 23,4 21,7 30,2 17,6 24,8 23,5 30,8

gasdoorzet (aardgas �) m3/h 1,32 1,75 2,12 2,80 2,54 3,68 4,23 6,14 6,14 8,25

gasdoorzet (aardgas L) m3/h 1,54 2,03 2,46 3,26 2,95 4,28 4,92 7,13 7,13 9,59

gasdoorzet (vloeibaar gas) kg/h 0,79 1,05 1,27 1,68 1,52 2,21 2,54 3,68 3,68 4,95

vereiste schoorsteentrek Pa 0

druk uitlaatgaszijde beschikb. Pa 50 50 90 120 120

geluidsdrukniveau LpA 6m dB (A) 42,9 46,9 46,9 50,5 50,5

spanningsvoorziening V/�z 230/1~

frequentie �z 50

nominale stroom A 0,61 1,13 1,13 1,91 1,91

krachtontneming W 140 260 260 440 440

verbrandingsluchtaansluiting ø mm 80 80 80 80 100

uitlaatgasaansluiting ø mm 80 80 80 80 100

gewicht kg 59 65 69 97 150

Maat- en constructiewijzigingen ten bate van de technische vooruitgang voorbehouden.

47


REMKO IN HEEL EUROPA

en ook vlakbij u in de buurt!

Maak gebruik van onze ervaring en adviezen

REMKO GmbH & Co. KG

Klima- und Wärmetechnik

Im Seelenkamp 12 · D-32791 Lage

Postfach 1827 ·D-32777 Lage

Telefoon +49 5232 606-0

Telefax +49 5232 606-260

E-mail info@remko.de

Internet www.remko.de

Adviezen

Door intensieve scholingen zorgen

wij ervoor dat de vakkennis van onze

adviseurs altijd up-to-date is. Dit heeft

ons de naam gegeven meer te zijn dan

een goede en betrouwbare leverancier:

REMKO, een partner die helpt bij het

oplossen van problemen.

Verkoop

REMKO beschikt niet alleen over een

uitgebreid verkoopnetwerk in binnen-

en buitenland, maar ook over bijzonder

hooggekwalificeerd verkooppersoneel.

REMKO-medewerkers in de buitendienst

zijn meer dan verkopers: ze moeten

vooral adviseurs zijn voor onze klanten

op het gebied van airconditionings- en

verwarmingstechniek.

Klantenservice

Onze apparaten werken nauwkeurig

en betrouwbaar. Mocht er desondanks

een storing optreden, dan is de REMKO

klantenservice snel ter plaatse. Ons uitgebreide

netwerk van ervaren specaalzaken

garandeert u altijd betrouwbare

service op korte termijn.

Technische wijzigingen voorbehouden, gegevens onder voorbehoud!

More magazines by this user
Similar magazines