Views
1 week ago

ASBESTMAGAZINE EDITIE nr 9 - APRIL-MEI 2018

Wim Beelen

Wim Beelen Innovatieprijs In het kader van ons 25-jarig jubileum heeft Beelen de Wim Beelen Innovatieprijs in het leven geroepen. Aan deze prijs is een geldbedrag gekoppeld van 20.000 euro. Elk individu en elke organisatie komt, indien de innovatie voldoet aan de hieronder genoemde criteria, in aanmerking voor deze prijs die wij dit jaar voor het eerst uitreiken op de Provada (6 juni). De inzendingen (producten en diensten) worden beoordeeld op het vernieuwende, duurzame karakter (voor de markten waarin Beelen primair actief is), maatschappelijk nut, creatief gebruik van tijd, geld en middelen en 'slim verbinden'. ● Mate van innovatie (Hoe innovatief is het product/ de dienst? Wat is het idee erachter? Wat is het?) ● Wat is het concept en voor welke doelgroep is het? ● Duurzaamheid (hoe efficiënt maakt de innovatie gebruik van hulpbronnen en energie? ● Praktische relevantie (Hoe kan het product worden gebruikt? Hoe kan het effectief worden gebruikt?) ● Haalbaarheid (Hoe realistisch is de daadwerkelijke implementatie in het geval van concepten?) ● Toegevoegde waarde (Welke voordelen heeft de innovatie voor de industrie en de samenleving?) De maand april staat in het teken van het verzamelen van innovaties. In samenwerking met Vastgoedjournaal kan vervolgens de gehele maand mei gestemd worden op de ingezonden innovaties (die voldoen aan de criteria). Daar komt een shortlist van maximaal 10 innovaties uit, op deze innovaties kan ook tijdens de Provada nog door bezoekers gestemd worden. De uiteindelijke winnaar wordt tijdens de Provada op 6 juni bekendgemaakt. Heeft u of kent u een innovatie? Stuur deze dan in via communicatie@beelen.nl. Vermeld minimaal wat de innovatie inhoudt, voor welke doelgroep het is en in hoeverre de innovatie aansluit bij de criteria zoals hiernaast geformuleerd. U ontvangt van ons binnen twee dagen een bevestiging van ontvangst en of de innovatie in aanmerking komt voor de Wim Beelen Innovatieprijs 2018. Meer informatie: Maarten Lemmers Corporate Communicatie & MVO Officer Beelen Groep E: mlemmers@beelen.nl M: 06 2575 1113 26 asbestmagazine | mei 2018

helemaal bij de koper ligt: de verkoper kan niet tot enige schadevergoeding worden verplicht (exoneratiebeding), zelfs niet jegens opvolgende kopers. Dat ziet er dus behoorlijk dichtgetimmerd uit. U voelt 'm al aankomen: na de aankoop van het complex blijkt (onder meer) dat er veel meer asbest in het complex aanwezig is dan Tuin van Noord op grond van die asbestinventarisatie had verwacht. Tuin van Noord stelt dat het complex daarom niet de eigenschappen bezit die voor het normaal gebruik van een kantoor- en woongebouw nodig zijn en mogen worden verwacht (art. 7:17 BW). Tja, wat nu? De rechtbank overweegt (heel kort samengevat): dat het hier om professionele partijen gaat, die zich ook professioneel kunnen laten bijstaan en dat klip en klaar duidelijk is afgesproken dat de koper zich belast met álle asbestproblemen, wat die verder ook moge zijn. Ten overvloede wijst de rechtbank er ook op dat er concrete aanleiding was geweest voor de koper om zelf nog nader asbestonderzoek te doen. Er was bovendien alle gelegenheid geboden voor bezichtigingen, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Dat had de koper dan maar moeten doen om te voldoen aan haar eigen onderzoeksplicht. Nu zij dat niet heeft gedaan, gaat het beroep op non-conformiteit niet op. Je zou denken: dat kon je toch zien aankomen? Maar kennelijk niet. Een zware bewijslast bij een kleine blootstelling Op 6 april 2018 heeft de Hoge Raad een baanbrekend arrest gewezen over de aansprakelijkheid van de werkgever voor een geringe asbestblootstelling van zijn werknemer.4 Het betreft de badmeester/bedrijfsleider van de Gemeente Rheden, die ruim twintig jaar in het gemeentelijke zwembad heeft gewerkt. Daarnaast heeft hij in de jaren zestig anderhalf jaar als hulpje in een machinefabriek gewerkt, waar hij meehielp bij het schoonmaken en lassen van industriële ketels (waarschijnlijk geiisoleerd met asbest). In 2006 wordt bij hem mesothelioom geconstateerd en stelt hij de Gemeente aansprakelijk voor zijn schade. Als badmeester/bedrijfsleider heeft de werknemer enkele keren in de nabijheid gestaan van werkzaamheden aan asbesthoudende bankjes, waarbij mogelijk asbest kan zijn vrijgekomen. Nu is het bij beroepsziekten zo dat de werknemer moet aantonen dat hij a) schade heeft (mesothelioom), b) dat hij in de uitvoering van zijn werkzaamheden daadwerkelijk is blootgesteld aan asbest (dit werd aanvaard) en c) dat zijn ziekte kán zijn veroorzaakt door die blootstelling. In beginsel wordt dan een vermoeden van causaal verband tussen het werk en de ziekte aangenomen; en dat vermoeden leidt vervolgens tot omkering van de bewijslast in het nadeel van de werkgever. Maar: hier wordt geargumenteerd dat de blootstelling aan asbest bij de Gemeente zó gering is geweest, dat dit niet voldoende rechtvaardiging biedt om dit bewijsrechtelijke vermoeden van causaal verband te aanvaarden.5 Ook wordt gewezen op de mogelijkheid dat de blootstelling in de fabriek kan zijn geweest, in het privéleven, in omgevingslucht etc. Expert IndusTox schat in dat de werknemer 92% van de ingeademde asbestvezels heeft ingeademd uit de omgevingslucht en 8% op de werkplek in het zwembad. Die verhouding blijkt doorslaggevend te zijn: 8% wordt te weinig geacht om een 'helder en bepaalbaar' vermoeden van causaal verband te rechtvaardigen. De werknemer draagt nu de volle bewijslast dat zijn ziekte door deze werkgever is veroorzaakt; en dat is gelet op het scala van genoemde potentiele oorzaken een bijna onmogelijke opgave. Voorheen was het vaste prik dat de rechter officieus de 'Een Vezel' theorie volgde: stond een enkele verwijtbare blootstelling vast, dan was aansprakelijkheid al gauw gegeven (behoudens verjaring). De Hoge Raad volgt nu echter de vaste jurisprudentie inzake beroepsziekten. De werknemer moet een 'helder en bepaalbaar' causaal verband aantonen tussen zijn ziekte en de arbeidsomstandigheden. Daarbij zijn ook aspecten van belang als a) de duur en intensiteit van de blootstelling bij de werkgever en b) bij andere blootstellingsbronnen en c) de verhouding tussen deze twee. Het is nu voor de werknemer veel moeilijker geworden om in geval van een enkele of een lichte blootstelling zijn rechtszaak te winnen. Ik vraag mij af in welke mate de rechters zijn geïnformeerd over het feit dat asbest geen veilige ondergrens heeft en dat de Nederlandse Gezondheidsraad erkent dat ook een lage blootstelling tot asbestkanker kan leiden. Het zou niet onredelijk zijn om die aspecten 'mee te nemen' in de kwalificatie van causaal verband. Wij ademen immers allemaal dagelijks asbest in via de omgevingslucht, ons hele leven lang; en in die context zullen vele arbeidsgerelateerde blootstellingen daarmee vergeleken vrijwel altijd gering zijn, zelfs als zij op zichzelf heel ernstig zijn. Nu wordt de aansprakelijkheid van de werkgever in wezen bepaald door die verhouding en niet zozeer door de omstandigheid dat de zorgplicht van de werkgever aantoonbaar en ernstig is geschonden. Ik geloof niet dat dit een rechtsontwikkeling is waar preventieve bescherming van uitgaat. 1. Rechtbank Den Haag 6 maart 2018, zaaknummer SGR 17/4397 BESLU V279. 2. Raad van State 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249. 3. Rb. Den Haag 14 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3081 (Tuin van Noord/ de Nederlandse Staat). 4. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536 (X/Gemeente Rheden). 5. Met verwijzing naar de Zeven Juni-arresten: HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717 en ECLI:NL:HR:2013:BZ1721. Mr.dr. Yvonne Waterman is gepromoveerd op werkgeversaansprakelijkheidsrecht en gespecialiseerd in aansprakelijkheidsrecht inzake asbest en andere arbeid- en gebouwgerelateerde gezondheidsrisico's. Op- en aanmerkingen op deze bijdrage worden verwelkomd via waterman@watermanlegal.nl. mei 2018 | asbestmagazine 27