14.12.2012 Views

2006019011 - Gemeente Bloemendaal

2006019011 - Gemeente Bloemendaal

2006019011 - Gemeente Bloemendaal

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

N206 door Vogelenzang en over de Bartenweg<br />

No way !<br />

Rapport over de veiligheid, geluidsoverlast en<br />

luchtverontreiniging in Vogelenzang en de Bartenweg<br />

Stichting Vogelenzang Veilig<br />

1


Voorwoord<br />

Geacht college van Burgemeester en Wethouders en geachte leden van de Raad van de<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Bloemendaal</strong>,<br />

Onderhavig rapport beargumenteert de ontoelaatbaarheid van het tracé van de N206 door de<br />

gemeente <strong>Bloemendaal</strong> en over de Bartenweg.<br />

U zult denken een oud probleem; dat is juist, maar meer dan ooit urgent.<br />

Het steeds meer toenemende verkeer vormt een acute dreiging voor de gezondheid en<br />

veiligheid van de bewoners.<br />

Wij als bewoners zijn verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van onze kinderen.<br />

Daar mag niet lichtvaardig mee worden omgegaan.<br />

Een noodkreet kunt u wel zeggen; gemeente doe nu eindelijk iets aan de onhoudbare<br />

verkeerssituatie.<br />

Veel van de bewoners zijn afgestompt, zelfs cynisch: “ach het wordt toch nooit wat met die<br />

Vogelenzangseweg en de Bartenweg”.<br />

Het rapport is opgebouwd uit een tekstgedeelte (bestaande uit een opsomming van feiten<br />

afgewisseld met uitingen van gevoelsbeleving) en een audiovisueel gedeelte vastgelegd op<br />

een dvd.; lees, kijk, voel en huiver, dit is de dagelijkse praktijk in het Dorp Vogelenzang en<br />

op de Bartenweg.<br />

Het rapport heeft niet tot doel een diepgaande juridische analyse te bieden van wat wel en niet<br />

mag op het gebied van verkeer en veiligheid, maar beoogt aan te geven dat de Europese Unie<br />

door middel van wetgeving de lidstaten maant maatregelen te nemen die verkeersoverlast<br />

terugbrengt naar een aanvaardbaar niveau. Kort gezegd “De menselijk maat”.<br />

De N206 door Vogelenzang en over de Bartenweg schendt in hoge mate deze menselijke<br />

maat; een ieder kan met eigen ogen aanschouwen wat de dagelijkse verkeersstroom doet.<br />

Het is gewoon niet normaal meer.<br />

Nogmaals: het betreft geen vrijblijvend gebeuren.<br />

Artikel 21 van onze Grondwet formuleert een grondrecht dat de zorg van de overheid moet<br />

zijn gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het<br />

leefmilieu.<br />

U als vertegenwoordigers van de gemeente <strong>Bloemendaal</strong> heeft de opdracht te werken aan het<br />

welzijn en de veiligheid van de inwoners.<br />

Te lang heeft u zich verscholen achter excuses van wettelijk niet kunnen handhaven van<br />

gestelde regels, provincies met tegenstrijdig beleid, aangrenzende gemeenten die geen<br />

prioriteit geven aan de verkeersproblematiek en ga zo maar door.<br />

U heeft als lokaal bestuur uw eigen verantwoordelijkheid; geen pappen en nathouden, maar<br />

toon uw daadkracht en durf stappen te nemen om uiteindelijk alle betrokken partijen te<br />

dwingen om met een oplossing te komen.<br />

2


Waar een wil is, is een weg.<br />

Wij stellen: Gooi de zaak op slot, bestemmingsverkeer, dan wordt iedereen gedwongen naar<br />

een oplossing te werken.<br />

Financiering kan worden gezocht in de extra gelden die de overheid in de<br />

miljoenennota voor infrastructuur in met name de provincie Zuid-Holland en<br />

Noord-Holland ter beschikking heeft gesteld.<br />

Tot slot:de gemeente <strong>Bloemendaal</strong> heeft geen enkel belang bij deze verkeersstroom; het<br />

betreft nagenoeg alleen doorgaand forenzenverkeer en vrachtverkeer.<br />

3


Inleiding<br />

Vogelenzang, een gezellig dorp in de <strong>Gemeente</strong> <strong>Bloemendaal</strong>. Prachtige natuur en<br />

…….de N206 dwars door de dorpskern.<br />

Stichting Vogelenzang Veilig vindt dat die weg, met de enorme hoeveelheid<br />

vrachtverkeer en dagelijkse stroom forensen, aannemers, klusbedrijven, hoveniers,<br />

enzovoort daar niet thuis hoort. (zie dvd)<br />

Vrachtwagens denderden door het dorp een dikke roetspray achterlatend. De 30<br />

kilometer snelheidsbegrenzing die er geldt wordt door 90% van het deelnemende<br />

verkeer overtreden. Fietsers zijn er vogelvrij. Het kán zo niet langer.<br />

Omdat het slecht is voor de gezondheid:<br />

4


Problemen die ontstaan door het huidige systeem van verkeer en vervoer, kunnen<br />

worden onderverdeeld in vier type problemen, te weten:<br />

1. De gezondheidsproblemen die ontstaan door aantasting van de luchtkwaliteit,<br />

welke voornamelijk ontstaan in dichtbevolkte stedelijke gebieden. Uit<br />

onderzoek blijkt dat mensen die langdurig dicht bij een drukke weg wonen,<br />

een tweemaal zo hoog risico hebben om vervroegd te overlijden aan hart- of<br />

longaandoeningen ten opzichte van mensen die in een rustig gebied wonen<br />

2. Een tweede probleem is de grote bijdrage die verkeer en vervoer door de<br />

uitstoot van luchtverontreinigende stoffen leveren aan de verzuring van de<br />

natuur. Er wordt vooral schade veroorzaakt aan landbouwgewassen en<br />

gebouwen, de natuur wordt aangetast en de biodiversiteit vermindert.<br />

3. Ten derde het grootschalige probleem van de klimaatverandering. Deze<br />

verandering heeft zeer grote gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van<br />

mens en natuur.<br />

4. Een laatste, zeker niet onbelangrijk probleem, is de geluidsbelasting die het<br />

verkeer vormt. Daarbij valt te denken aan geluidshinder, slaapverstoring en<br />

daarmee samenhangende gezondheidsproblemen.<br />

Om deze vier grootste problemen te kunnen aanpakken is er op Europees niveau<br />

wetgeving gemaakt. De Europese Unie heeft in deze wetgeving de overheden van de<br />

aangesloten lidstaten verplicht hun nationale wetgeving aan te passen aan deze<br />

wetgeving.<br />

Voor Nederland is dit onder andere het Besluit luchtkwaliteit 2005, (van kracht op 18<br />

juli 2001). Daarnaast is er in maart 2006 een voorstel Wet Luchtkwaliteit aangeboden,<br />

waarvan de kern het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is.<br />

5


Probleemgebied<br />

Ondanks de Europese regelgeving en de uitwerking daarvan in nationale regels, zijn<br />

er nog veel gebieden waar problemen op het gebied van het milieu een grote rol<br />

spelen. Dit rapport spitst zich toe op het dorp Vogelenzang, gelegen in de gemeente<br />

<strong>Bloemendaal</strong> en in het verlengde daarvan de Bartenweg. Door Vogelenzang loopt de<br />

provinciale weg N206. Deze weg zorgt voor plaatselijk veel problemen, zowel op het<br />

gebied van veiligheid, luchtverontreiniging als geluidsoverlast.<br />

Zoals op het onderstaande kaartje te zien is, loopt de N206 dwars door Vogelenzang<br />

heen. Ten zuiden van Vogelenzang in het dorp De Zilk stopt de N206 abrupt als<br />

autoweg (haakse bocht) en gaat over in een locale weg dwars door Vogelenzang. Ten<br />

noorden van de dorpskern is er een rotonde waar men via kleinere wegen o.a. kan<br />

doorstromen naar de N208. Doordat doorgaand (sluip)verkeer veelvuldig gebruik<br />

maakt van de N206 zijn er in Vogelenzang en op de Bartenweg structureel<br />

problemen ontstaan door de verkeersdrukte.<br />

Veiligheid<br />

De maximumsnelheid van dertig kilometer in de dorpskern heeft geen enkel effect zo<br />

blijkt onder meer uit een onderzoek van de gemeente uit 2003 1.<br />

Auto’s die toch proberen zich aan de 30 km limiet te houden worden ingehaald door<br />

geïrriteerde chauffeurs.<br />

Een grote woonwijk bevindt zich aan de oostzijde van de Vogelenzangseweg. De<br />

scholen en een winkelcentrum bevinden zich aan de westzijde van het dorp. Met<br />

andere woorden de Vogelenzangseweg moet dagelijks door heel veel mensen,<br />

waaronder veel kinderen, overgestoken worden.<br />

Zelfs rood licht is niet altijd rood blijkt bij het verkeerslicht.<br />

1 Resultaten van dit onderzoek zijn op te vragen bij de Stichting Vogelenzang Veilig<br />

6


Een citaat uit een brief van 3VO uit 2002, die de gevaarlijke situaties in en rond de<br />

N206 in Vogelenzang beschrijft:<br />

“<br />

´Komende vanuit het zuiden over de N206, bij het naderen van de nieuwe brug; is<br />

het overzicht onvoldoende om adequaat te reageren op het (onverwachte) verkeer;<br />

dat over de brug komt. Dit vooral, omdat de aansluiting hoog ligt en in een bocht.<br />

Na de bocht is aan de linkerkant een benzinestation gelegen, welke veel in- en<br />

uitvoegend verkeer geeft. Nabij de aansluiting van de Deken Zondaglaan staat pas<br />

het bebouwde kombord van Vogelenzang. Hier begint ook direct de 30 km/zone.<br />

Bovendien is geconstateerd; dat het rijwielpad/wandelpad langs de<br />

N206/Bartenweg, direct voor het benzinestation ophoudt. Waar de<br />

fietsers/wandelaars heen moeten; is geheel niet duidelijk. Doorrijden via het terrein<br />

van de benzinepomp en vervolgens op de stoep, lijkt ons niet de bedoeling.<br />

De oversteek bij de brug is gevaarlijk door de hoge snelheid van het gemotoriseerd<br />

verkeer.<br />

De fietser, komende van af de brug richting Vogelenzang, moet op een weg rijden<br />

met een snelheidsregime van 80 km. Dit is onaanvaardbaar.<br />

De overgang van de bebouwde kom, direct van 80 km naar 30 km is te rigoureus en<br />

ook niet toegestaan. De wijze van aangeven van de overgang is ook niet conform de<br />

regelgeving; de overgang dient een infrastructurele maatregel te zijn. Twee strepen<br />

op de weg is dat niet.<br />

De Vogelenzangseweg, binnen de bebouwde kom, wordt aangegeven als een 30<br />

km/zone.<br />

“<br />

Verder blijkt uit de brief dat 3VO het verstandig acht, dat de gemeente opnieuw kijkt<br />

naar de wettelijke status van de N206 door de bebouwde kom. Deze is nu immers<br />

zeer onduidelijk voor de weggebruiker. Het verkeersbesluit zal vrijwel zeker niet<br />

voldoen aan de eisen welke de WegenVerkeersWet daaraan stelt en zal daarom niet<br />

geldig zijn. In de brief van 3VO wordt een lijst met te verbeterende punten<br />

opgenoemd. Enkele voorbeelden met daarbij de wettelijke status: Het BABW (Besluit<br />

Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer) Uitvoeringsvoorschriften geeft<br />

al voorschrift (§4) aan, dat de in te stellen maximumsnelheid in overeenstemming<br />

dient te zijn let het wegbeeld ter plaatse en specifiek voor de infrastructurele<br />

constructie, namelijk dat<br />

• De maximumsnelheid van 30 km/per uur redelijker wijs moet voortvloeien<br />

uit de aard en de gesteldheid van de betrokken weg of uit de aangebrachte<br />

snelheidsbeperkende voorzieningen;<br />

• De weg mag slechts een functie hebben voor het verkeer dat zijn bestemming<br />

of herkomst heeft op die zeg dan wel een weg gelegen in de directe omgeving<br />

( De Vogelenzangseweg voldoet geheel niet aan deze voorwaarden!!!)<br />

7


(WegenVerkeersWet, boek BABW-uitvoeringsvoorschriften hoofdstuk2, paragraaf 4<br />

lid 4)<br />

De Hoge Raad heeft in diverse uitspraken in de BABW-uitvoeringsvoorschriften<br />

gestelde eisen met betrekking tot een verblijfsgebied (30 km/u zone) bekrachtigd en<br />

de wegbeheerders gewezen op hun verplichtingen welke in de wet aan hen worden<br />

gesteld.<br />

8


Geluidshinder<br />

Omdat het zoveel herrie maakt, de hele dag door<br />

Enorme zware vrachtauto’s denderen door het dorp. Met veel te hoge snelheid<br />

passeren zij de verkeersdrempels. Dit heeft tot gevolg dat er diverse ladingen<br />

verloren worden (de bollen, emmers en wieldoppen vliegen om je oren) of dat de<br />

lading een “sprong”maakt en met een klap weer in de wagen terecht komt. Denk<br />

even aan de kruiwagen in een aanhanger van de hovenier. Gepimpte auto’s, vooral<br />

op zaterdag en vrijdag avond wanneer het testosterongehalte weer even aan het<br />

pieken is… Net te laat opgestaan en flink doortrekken om op tijd bij de baas te<br />

komen. Of het zoveelste toertochtjes Harleys…<br />

9


Naast het probleem van de veiligheid, is er ook het probleem van geluidshinder. In<br />

dit verband is van groot belang dat medio dit jaar het Besluit Omgevingslawaai in<br />

werking is getreden. Op basis van dit besluit zijn normeringen gesteld voor onder<br />

andere openbare wegen. In dit besluit staan maatregelen en regels voor maximale<br />

geluidbelasting. De normeringen zien op maximale geluidbelasting, gemeten in<br />

decibel en emissie van uitlaatgassen. Het Besluit omgevingslawaai berust met name<br />

op hoofdstuk IX van de Wet geluidhinder. in dit besluit nadere regels gesteld ten<br />

aanzien van: de inhoud, vormgeving en inrichting van de geluidsbelastingkaarten;<br />

de te verschaffen inlichtingen en gegevens ten behoeve van het opstellen van een<br />

geluidsbelastingkaart en de inhoud, vormgeving en inrichting van de actieplannen.<br />

Elders in het land zijn er reeds aanpassingen doorgevoerdop basis van dit besluit.<br />

Het is zeer waarschijnlijk dat de huidige geluidbelasting en emissie van uitlaatgassen<br />

in Vogelenzang en op de Bartenweg de wettelijke normering overtreffen. Met name<br />

in de dorpskern waar uitlaatgassen vanwege geringe luchtcirculatie ”opgesloten”<br />

blijven tussen de huizen en de bomen.<br />

Luchtverontreiniging<br />

Omdat het zo stinkt en je keel zo´n pijn gaat doen<br />

Ook het Besluit Luchtkwaliteit (sinds 5 augustus 2005 van kracht) is van belang. Veel<br />

bouwprojecten en bestemmingsplannen zijn stilgelegd na uitspraken van de Raad<br />

van State. Emissie van uitlaatgassen is schadelijk voor de gezondheid van de mens;<br />

in Nederland betekent dit dat enkele duizenden mensen per jaar vervroegd<br />

overlijden als gevolg van de slechte kwaliteit van de lucht.<br />

Ondanks de ontwikkeling dat nieuwe auto’s en vrachtwagens “schoner” worden,<br />

wordt dit effect weer ongedaan gemaakt door de toename van het verkeer.<br />

In het Besluit Luchtkwaliteit is niet bepalend de vraag of er sprake is van een<br />

vermindering van emissies en dus een verbetering van de gezondheid, maar is<br />

bepalend of er tijdig wordt voldaan aan de afspraken die er in Eurpees verband zijn<br />

gemaakt.<br />

De conclusie is dat in Nederland op veel plaatsen de grenswaarden voor<br />

luchtkwaliteit niet tijdig worden gehaald; de emissiereductie gaat niet snel genoeg.<br />

Volgens internationale afspraken en de Kyoto afspraken zijn de grenswaarden voor<br />

CO2-uitstoot van verkeer en vervoer gegeven die voor de langere termijn een<br />

zodanig reductiepercentage van CO2 voorschrijven, waarmee de gemiddelde<br />

temperatuurstijging van 2 graden celcius in het jaar2050 niet wordt overschreden.<br />

Naast de internationale afspraken die zijn gemaakt om de emissies terug te dringen<br />

en om aan de (toekomstige) Europse eisen te kunnen voldoen, zijn extra nationale en<br />

10


lokale maatregelen noodzakelijk. Het kabinet heeft op 17 juni jongstleden besloten<br />

om in de periode tot 2010 driehonderd miljoen euro beschikbaar te stellen voor<br />

maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het Besluit Luchtkwaliteit geeft aan<br />

op welke termijn de normen gelden en gehaald moeten worden en welke<br />

bestuursorganen verantwoordelijk zijn voor het halen van die normen. Het besluit<br />

stelt ook eisen aan de controle van de luchtkwaliteit (meten en berekenen), het<br />

rapporteren daarover (rapportage luchtkwaliteit) en het nemen van maatregelen bij<br />

overschrijding van normen (actieplan luchtkwaliteit).<br />

Het besluit maakt het verder mogelijk om ruimtelijke plannen uit te voeren in<br />

gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat om plannen<br />

die de luchtkwaliteit niet verslechteren of juist verbeteren. Het besluit maakt het ook<br />

mogelijk om ruimtelijke plannen uit te voeren die de luchtkwaliteit iets<br />

verslechteren. In dat geval moet de luchtkwaliteit in een ander gebied (binnen of<br />

deels buiten een gemeente) wel aanzienlijk worden verbeterd. Per saldo vermindert<br />

dan de luchtvervuiling.<br />

De afgelopen jaren zijn tal van overheidsbesluiten na toetsing aan de<br />

luchtkwaliteitsnormen afgekeurd door de hoogste bestuursrechter. De uitspraken<br />

maken duidelijk dat de Raad van State de Europese luchtkwaliteitsnormen heel<br />

serieus neemt en moet nemen. Overheidsorganen mogen enkel hun goedkeuring aan<br />

(bestemmings)plannen geven als daarmee het behalen van de Europese normen<br />

dichterbij komt. Als toereikend en deugdelijk onderzoek ontbreekt, zal de Raad van<br />

State de besluiten in kwestie zonder pardon vernietigen of schorsen. Zo lag de<br />

Spoedwet Wegverbreding onder vuur: er werden onder meer twee spitsstroken<br />

afgekeurd, bij Barneveld (A1) en bij Den Bosch (A2). De vergunning voor een nieuw<br />

bedrijvenpark in Hendrik-Ido-Ambacht werd vernietigd omdat gemeente en<br />

provincie onvoldoende aandacht hadden besteed aan de vraag wat het bedrijvenpark<br />

met de kwaliteit van het lucht zou doen.<br />

Op 3 november 2004 vernietigde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van<br />

State de wijziging van het streekplan Gelderland 1996, waartoe de provincie had<br />

besloten om een omlegging van de drukke N831 bij Hedel mogelijk te maken 2. Op<br />

dezelfde datum schorste de Afdeling het bestemmingsplan Oostvlietpolder van de<br />

gemeente Leiden, waarbij het ging om de aanleg van een bedrijventerrein. In beide<br />

gevallen werd onvoldoende aannemelijk geacht dat was voldaan aan het Besluit<br />

Luchtkwaliteit 3.<br />

Zie ook (tevens op internet te vinden)<br />

..\200508_meetvoorschriftluchtkwaliteit2005[1].pdf<br />

..\besluit luchtkwaliteit.doc<br />

2 Zie bijlagen<br />

3 Zie bijlagen<br />

11


Conclusie en oplossing om Vogelenzang en de Bartenweg te ontzien<br />

Onze conclusie: “de maat is vol”.<br />

Het toekomstbeeld op basis van de huidige verkeersontwikkelingen is weinig<br />

rooskleurig. De provincie Zuid Holland wil de N206 gaan verbreden, meer<br />

toegangswegen naar de N206 en de verkeerslichten zo afstemmen dat al het verkeer<br />

vlot doorstroomt naar de N206.<br />

Google maar eens wat trefwoorden N206, verbreden, De Zilk, Noordwijk<br />

(zie de links onderaan de pagina)<br />

Er komen duizenden woningen bij in de Haarlemmermeer en Hillegom met (factor<br />

twee) duizenden auto´s.<br />

Kortom een nog grotere verkeerstroom door Vogelenzang en over de Bartenweg.<br />

Stichting Vogelenzang Veilig meent: het is genoeg geweest !<br />

Ons doel: bestemmingsverkeer voor heel Vogelenzang!!!!<br />

Het dorp gaat op slot voor de rest.<br />

<strong>Gemeente</strong> <strong>Bloemendaal</strong> neem uw verantwoordelijkheid.<br />

12


Links/ bronnen<br />

Rare namen, maar zo te traceren op internet<br />

126_116221.doc<br />

reikwijdtenotitie SMB GHBvs08.doc<br />

Bouwstenen30junilight.pdf<br />

Aan de leden van het portefeuillehoudersoverleg Verkeer en Vervoer.doc<br />

BrieextraagendapuntphoVV131103.doc<br />

Synergie in Economie def versie 31-10-2001[1].doc<br />

http://www.rivm.nl/persberichten/2005/mnp/PB_Milieubalans2005.jsp<br />

anwb gids september<br />

13


Bijlagen<br />

UITSPRAAK<br />

200308644/1<br />

Datum uitspraak: 3 november 2004<br />

AFDELING<br />

BESTUURSRECHTSPRAAK<br />

Uitspraak in het geding tussen:<br />

1. [appellante sub 1], waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B],<br />

gevestigd te [plaats],<br />

2. de vereniging "De Kampen Hedel", gevestigd te Hedel, en anderen,<br />

3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],<br />

4. [appellanten sub 4], wonend te [woonplaats],<br />

en<br />

provinciale staten van Gelderland,<br />

verweerders.<br />

1. Procesverloop<br />

Bij besluit van 12 november 2003, kenmerk PS2003-165, hebben verweerders, op<br />

voorstel van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 2 september<br />

2003, vastgesteld het “Streekplan Gelderland 1996, partiële herziening inzake<br />

omlegging n831 Hedel (oostelijk deel)” (hierna: de partiële herziening).<br />

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 17 december 2003, bij de Raad<br />

van State ingekomen op 19 december 2003, appellanten sub 2 bij faxbericht van 5<br />

januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 5 januari 2004, appellanten sub 3 bij<br />

faxbericht van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2004, en<br />

appellanten sub 4 bij brief van 6 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 7<br />

januari 2004, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij<br />

faxbericht van 2 februari 2004. Appellanten sub 4 hebben hun beroep aangevuld bij<br />

brief van 26 januari 2004.<br />

Bij brief van 3 maart 2004 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.<br />

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening<br />

heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 juni 2004. Partijen zijn in de<br />

gelegenheid gesteld daarop te reageren.<br />

14


Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub<br />

1 en appellanten sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.<br />

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2004, waar appellante<br />

sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo, appellanten sub<br />

2, vertegenwoordigd door mr. D.A.J.M. Melchers, advocaat te Arnhem,<br />

[gemachtigde] en [gemachtigde], appellanten sub 3, vertegenwoordigd door<br />

[gemachtigde] en [gemachtigde], appellanten sub 4 in persoon en bijgestaan door mr.<br />

J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en verweerders, vertegenwoordigd door H.<br />

Kimmels, ing. E.T.M. Vermeulen en ing. A. Henselmans, ambtenaren van de<br />

provincie, zijn verschenen.<br />

2. Overwegingen<br />

Algemeen<br />

2.1. Op 1 februari 2004 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening in verband met de invoering van een rijksprojectenprocedure<br />

van 20 november 2003 (Stb. 519). Bij deze wet is onder meer artikel 56, eerste lid, van<br />

de Wet op de Ruimtelijke Ordening gewijzigd.<br />

Nu het ontwerp van de partiële herziening ter inzage is gelegd vóór 1 februari 2004<br />

volgt uit artikel V van deze wet dat op dit geschil artikel 56, eerste lid, van de Wet op<br />

de Ruimtelijke Ordening, zoals dat voor dit tijdstip luidde, van toepassing is.<br />

2.1.1. Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder<br />

te noemen: WRO), voorzover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of<br />

meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen,<br />

waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in<br />

hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.<br />

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voorzover hier van belang,<br />

gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de WRO kan door een ieder<br />

beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld<br />

tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan,<br />

opgenomen in een streekplan.<br />

Ingevolge artikel 1 van de WRO wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan<br />

een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische<br />

kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.<br />

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt<br />

in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart<br />

benoemd en herkenbaar aangegeven.<br />

Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of<br />

15


herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen<br />

daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een<br />

niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel<br />

van een streekplan, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin<br />

van artikel 1 van de WRO en is de Afdeling onbevoegd van zo’n beroep kennis te<br />

nemen.<br />

Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het bestuursorgaan dat<br />

een streekplan kan vaststellen als een concrete beleidsbeslissing in een streekplan<br />

had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als een beroep<br />

tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Zoals de Afdeling<br />

heeft overwogen in de uitspraak van 11 december 2002, no. 200100097/1 (AB 2003,<br />

65) acht zij zich, gelet op de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de WRO,<br />

onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.<br />

2.1.2. De partiële herziening voorziet in de omlegging van de provinciale weg N831<br />

in en nabij de kern Hedel. Hoofdstuk 2 (Beleidstekst + kaarten) van de partiële<br />

herziening bepaalt in dit verband dat een deel van de beleidstekst uit het Streekplan<br />

Gelderland 1996 wordt vervangen door een nieuwe tekst. Voorts is in de partiële<br />

herziening een concrete beleidsbeslissing opgenomen die luidt als volgt:<br />

“Het oostelijk deel van deze omlegging is geprojecteerd vanaf de Drielseweg naar de<br />

Oude Rijksweg ter hoogte van de aansluiting met de Baronieweg (door middel van<br />

een rotonde). De spoorlijn Utrecht - ’s-Hertogenbosch zal worden gekruist door<br />

middel van een tunnel.<br />

Het tracé is op de streekplankaart ingetekend met een dubbele rode lijn (zie kaart 1).<br />

Het exacte beloop en de aansluiting op het bestaande wegennet is als concrete<br />

beleidsbeslissing aangegeven op kaart 2 bij deze herziening.”<br />

Bevoegdheid van de Afdeling<br />

2.2. Appellanten sub 2 en appellanten sub 3 hebben aangevoerd dat de omlegging<br />

van het westelijke tracé van de N831 bij Hedel ten onrechte niet in de partiële<br />

herziening is opgenomen.<br />

2.2.1. De beroepen zijn in zoverre gericht tegen een weigering om een concrete<br />

beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de concrete<br />

beleidsbeslissing in de partiële herziening, zoals verwoord in overweging 2.1.2. Gelet<br />

op hetgeen is overwogen onder 2.1.1. is de Afdeling in zoverre onbevoegd van de<br />

beroepen kennis te nemen.<br />

2.2.2. Het beroep van appellanten sub 4 is onder meer gericht tegen de aanleg van<br />

een rotonde op de kruising van de Veldweg en de Baronieweg.<br />

2.2.2.1. De aan te leggen rotonde op de kruising van de Veldweg en de Baronieweg is<br />

16


door verweerders niet aangeduid als concrete beleidsbeslissing. Gelet op hetgeen is<br />

overwogen onder 2.1.1. is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te<br />

nemen.<br />

2.2.2.2. De Afdeling is in zoverre onbevoegd van het beroep van appellanten sub 4<br />

kennis te nemen.<br />

2.2.3. De Afdeling stelt vast dat de voorliggende beroepen voor het overige zijn<br />

gericht tegen de concrete beleidsbeslissing. Gelet hierop is de Afdeling op grond van<br />

artikel 54 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in zoverre bevoegd van de<br />

beroepen kennis te nemen.<br />

Bezwaren over de inhoud van het MER<br />

2.3. Appellanten sub 2, appellanten sub 3 en appellanten sub 4 hebben bezwaren<br />

aangevoerd tegen het MER dat verweerders aan het bestreden besluit ten grondslag<br />

hebben gelegd.<br />

2.3.1. Appellanten sub 2 en appellanten sub 4 stellen dat, nu in de partiële herziening<br />

is gekozen voor de vastlegging van het oostelijke tracé in een concrete<br />

beleidsbeslissing zoals op de kaarten is weergegeven, in feite de keuze voor de<br />

Baronieweg als westelijk tracé daarmee logischerwijs gegeven is. Zij kunnen zich<br />

daarmee niet verenigen. Appellanten zijn voorstander van een tracé van het<br />

westelijke deel van de N831 dat om het bedrijventerrein De Kampen heengaat in<br />

plaats van de Baronieweg die het bedrijventerrein doorsnijdt. Appellanten betogen<br />

daarom dat voor het westelijke deel een noordelijker variant, te weten een omlegging<br />

via de Broekheuvelsestraat had moeten worden onderzocht. Vanwege de samenhang<br />

tussen het westelijke en het oostelijke deel van het tracé van de N831 stellen<br />

appellanten sub 2 dat voor het oostelijke deel eveneens een noordelijker variant voor<br />

de te verleggen Drielseweg had moeten worden onderzocht. Die variant zou volgens<br />

appellanten dan moeten aansluiten op de Broekheuvelsestraatvariant of de – wel in<br />

het MER onderzochte – Kampenvariant.<br />

2.3.2. Appellanten sub 3 stellen dat in het MER ten onrechte een toetsing aan de<br />

Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn ontbreekt. Voorts wordt in het MER naar de<br />

mening van appellanten ten onrechte voorbijgegaan aan de Flora- en faunawet.<br />

Appellanten voeren daarnaast aan dat in het MER de onjuiste indruk wordt gewekt<br />

dat het betrokken gebied een grotendeels volgebouwd gebied betreft. Het MER wekt<br />

volgens hen de suggestie dat het gebied tussen de Oude Rijksweg en de spoorlijn een<br />

bedrijventerrein zou zijn.<br />

Appellanten betogen voorts dat de gegevens in het MER over de<br />

verkeersintensiteiten niet representatief zijn. Naar hun mening is het aandeel van het<br />

vrachtverkeer te laag ingeschat.<br />

17


2.3.3. Blijkens de stukken hebben verweerders de door appellanten sub 2 en<br />

appellanten sub 3 gewenste noordelijke variant van de omgelegde Drielseweg niet in<br />

het MER meegenomen. Volgens verweerders zou een dergelijke variant leiden tot<br />

een bocht in het tunneltracé onder de spoorlijn, wat uit een oogpunt van<br />

verkeersveiligheid niet wenselijk is. Voorts hebben verweerders gewezen op de<br />

hogere kosten en de grotere inbreuk op het landschap die de keuze voor de<br />

noordelijkere variant tot gevolg heeft. Verder hebben verweerders in aanmerking<br />

genomen dat de noordelijkere variant niet leidt tot een verschil in doorrijweerstand<br />

van het doorgaande autoverkeer. Bovendien heeft deze variant ten opzichte van een<br />

haakse aansluiting van de omgelegde Drielseweg op de Oude Rijksweg nauwelijks<br />

andere gevolgen voor de verkeersontlasting van de kern.<br />

2.3.4. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene<br />

maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen<br />

kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van<br />

bestuursorganen terzake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding<br />

waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.<br />

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals<br />

gewijzigd op 7 mei 1999 en in werking getreden op 6 juli 1999 worden als activiteiten<br />

als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de<br />

activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is<br />

omschreven.<br />

In onderdeel C van de bijlage is in categorie 1.2, voorzover hier van belang, bepaald<br />

dat bij de vaststelling van het tracé voor de aanleg van een autoweg door het<br />

provinciaal bestuur een MER dient te worden gemaakt.<br />

2.3.5. Niet in geschil is dat de concrete beleidsbeslissing een m.e.r.-plichtige activiteit<br />

betreft. Voor de vaststelling van de partiële herziening is terecht een MER gemaakt.<br />

2.3.5.1. Wat betreft het variantenonderzoek is in het MER, gedateerd juni 2001,<br />

onderscheid gemaakt tussen het tracé ten westen van de Oude Rijksweg en het tracé<br />

ten oosten van die weg. Voor het oostelijke tracé zijn vijf varianten onderzocht: het<br />

nulalternatief, het nulplusalternatief, het omleggingsalternatief met viaductvariant,<br />

het omleggingsalternatief met tunnelvariant, en het meest milieuvriendelijke<br />

alternatief.<br />

2.3.5.2. De Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) komt<br />

in haar toetsingsadvies, gedateerd 20 december 2001, tot het oordeel dat de essentiële<br />

informatie in het MER aanwezig is om het milieu een volwaardige plaats te kunnen<br />

geven in de besluitvorming. Uit dit advies blijkt niet dat de Commissie het ontbreken<br />

van een beschrijving van een variant voor het oostelijke tracé die noordelijker dan de<br />

Baronieweg op de Oude Rijksweg aansluit, als een leemte in kennis en informatie<br />

beschouwt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het MER<br />

onvoldoende informatie bevat over de alternatieven die redelijkerwijs in<br />

18


eschouwing dienden te worden genomen.<br />

2.3.5.3. Anders dan appellanten sub 3 stellen, zijn de Vogelrichtlijn en de<br />

Habitatrichtlijn wel bij het MER betrokken. Dit volgt uit Onderdeel B:<br />

onderbouwing, par. 2.4. Ook zijn de floristische en faunistische waarden binnen het<br />

studiegebied bij het MER in beschouwing genomen. Gelet op het toetsingsadvies,<br />

heeft de Commissie geen aanleiding gezien voor het oordeel dat ten aanzien van de<br />

flora en fauna in het studiegebied leemtes in kennis en informatie bestaan. In zoverre<br />

bestaat geen grond voor het oordeel dat het MER onvoldoende informatie bevat over<br />

de gevolgen van de omlegging van de N831 voor de plaatselijke flora en fauna.<br />

2.3.5.4. Gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, moet worden<br />

vastgesteld dat het MER een onjuiste beschrijving geeft van de inrichting van het<br />

gebied tussen de Oude Rijksweg en de spoorlijn. Dit leidt echter niet tot het oordeel<br />

dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid, nu verweerders<br />

blijkens de commentaarnota bij de bedenkingen de onjuistheid van de<br />

gebiedsbeschrijving hebben onderkend en in de toelichting op de partiële herziening<br />

een juiste gebiedsbeschrijving hebben opgenomen.<br />

2.3.5.5. Uit de stukken blijkt dat gedurende de periode van 26 september 2000 tot en<br />

met 12 oktober 2000 op zes punten mechanische verkeerstellingen zijn gehouden.<br />

Voorts is op een middag een visuele telling gehouden. Gelet op het toetsingsadvies,<br />

heeft de Commissie geen aanleiding gezien voor het oordeel dat ten aanzien van de<br />

verkeersintensiteiten in het studiegebied leemtes in kennis en informatie bestaan. In<br />

zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het MER onvoldoende informatie<br />

bevat over de verkeersgegevens die bij het bestreden besluit dienden te worden<br />

betrokken.<br />

2.3.6. Gelet op het vorenstaande en ook overigens, ziet de Afdeling in hetgeen<br />

appellanten hebben aangevoerd over het MER geen aanleiding voor het oordeel dat<br />

verweerders dit niet in redelijkheid aan het bestreden besluit ten grondslag hebben<br />

kunnen leggen.<br />

Noodzaak van de omlegging<br />

2.4. Appellanten sub 3 en appellanten sub 4 hebben aangevoerd dat in de partiële<br />

herziening de noodzaak van de omlegging van de N831 onvoldoende is<br />

gemotiveerd. Appellanten sub 3 stellen in dit verband dat de N831 niet in<br />

bovengemiddelde mate verkeersonveilig is. Gelet hierop had naar de mening van<br />

appellante voor de zogeheten nulplusvariant moeten worden gekozen. Volgens<br />

appellanten sub 4 is niet gebleken dat de verkeersintensiteit op de N831 zal<br />

toenemen.<br />

2.4.1. Blijkens de tekst van de partiële herziening heeft de omlegging van de N831 tot<br />

doel de verbetering van de verkeerssituatie en de leefbaarheid in en rond Hedel. De<br />

directe aanleiding is de opheffing van de zogenoemde halve aansluiting Hedel/De<br />

19


Lucht op de autosnelweg A2.<br />

De N831 doorsnijdt de kern Hedel via de Uithovensestraat, Voorstraat en<br />

Blankensteijn en veroorzaakt overlast. Door haar breedte nodigt de weg uit tot hard<br />

rijden. Voor voetgangers en fietsers zijn er geen veilige oversteekplaatsen. Ook is er<br />

sprake van een vermenging van bestemmingsverkeer, langzaam verkeer en<br />

doorgaand (vracht-)verkeer. Vooral het doorgaand verkeer zorgt ervoor dat de weg<br />

zeer druk is. Dit leidt niet alleen tot een aantasting van de verkeersveiligheid, maar<br />

ook van de leefbaarheid. Daarbij gaat het vooral om de geluidsoverlast en de<br />

luchtkwaliteit.<br />

Het tweede gedeelte van de N831 in de kern Hedel, het deel van de Oude Rijksweg<br />

tussen de Blankensteijn en de Prinses Beatrixstraat, vormt een verbinding tussen de<br />

afslag Hedel/De Lucht van de A2 en de afslag ’s-Hertogenbosch en wordt volgens<br />

de partiële herziening intensief gebruikt door bestemmingsverkeer en regionaal<br />

verkeer.<br />

In de partiële herziening is voorts gesteld dat de verkeerssituatie op het gedeelte van<br />

de N831 ten oosten van de Oude Rijksweg (Prinses Beatrixstraat en Drielseweg) niet<br />

optimaal is. De weg en de spoorwegonderdoorgang zijn smal. De niet van de<br />

hoofdbaan gescheiden fietspaden zijn evenmin bevorderlijk voor de<br />

verkeersveiligheid. Dit gedeelte is naar de mening van verweerders ongeschikt om<br />

meer verkeer te verwerken.<br />

Volgens de partiële herziening brengt het besluit van de rijksoverheid om de A2 te<br />

verbreden en de halve aansluiting Hedel/De Lucht op de A2 te laten vervallen, met<br />

zich dat meer verkeer gebruik zal gaan maken van de Drielseweg.<br />

In de partiële herziening is gesteld dat de huidige Drielseweg niet geschikt is om het<br />

extra verkeer na opheffing van de aansluiting Hedel op een verantwoorde manier af<br />

te wikkelen. Een alternatief voor een ingrijpende reconstructie is de omlegging van<br />

de Drielseweg. Dit alternatief sluit aan bij de wens van zowel de gemeente Maasdriel<br />

als de provincie Gelderland om het doorgaande verkeer door de kern Hedel om te<br />

leiden via een nieuwe route ten noorden daarvan.<br />

2.4.2. Met de partiële herziening geven verweerders uitvoering aan het convenant<br />

“Verkeerssituatie Hedel” dat op 7 december 1998 door het Rijk, de provincie<br />

Gelderland en de voormalige gemeente Hedel (thans: gemeente Maasdriel) is<br />

gesloten. Met dit convenant beogen de deelnemende partijen ten eerste de<br />

leefbaarheid en de verkeersveiligheid te verbeteren door vermindering van het<br />

doorgaande verkeer in de kern Hedel. Voorts wordt gestreefd naar een duurzame<br />

oplossing voor de verkeersproblematiek en de verbetering van de leefbaarheid in de<br />

kern Hedel en vooral op de Drielseweg na de opheffing van de afslag Hedel/De<br />

Lucht van de A2. Ten derde beogen de convenantsluitende partijen zorg te dragen<br />

voor een goede ontsluiting van het gebied na opheffing van genoemde afslag.<br />

20


Om deze doelstellingen te bereiken is in het convenant voorzien in de aanleg van een<br />

omlegging van de N831, de herinrichting van de huidige provinciale weg door<br />

Hedel, de overdracht van de huidige N831 aan de gemeente en de overdracht van de<br />

nieuwe N831 aan de provincie.<br />

2.4.3. In het MER, Onderdeel B: onderbouwing, par. 1.3.3, is vermeld dat, indien de<br />

A2-aansluiting Hedel/De Lucht zal vervallen en de N831 niet zal worden omgelegd<br />

(het zogeheten nulalternatief), de verkeersintensiteit op de Prinses Beatrixstraat en de<br />

Drielseweg in 2015 ongeveer 17.200 voertuigen per etmaal zal bedragen. Ten<br />

opzichte van de situatie in 2000 komt dit neer op een stijging met 8.000 voertuigen<br />

per etmaal. Blijkens het MER valt te verwachten dat de verkeersafwikkeling van het<br />

doorgaande verkeer op de Prinses Beatrixstraat zal worden verstoord door afslaand<br />

en oprijdend verkeer bij in- en uitritten en zijwegen.<br />

Uit de stukken blijkt dat de verkeersveiligheid op de N831 overeenkomt met, dan<br />

wel enigszins lager is dan het landelijke gemiddelde. Blijkens het MER is vastgesteld<br />

dat op de N831 sprake is van subjectieve verkeersonveiligheid (gevoel van<br />

verkeersdreiging). Het oversteken en het fietsen op de rijbaan op het oostelijke deel<br />

van de Prinses Beatrixstraat en de Drielseweg zijn als gemiddelde conflictsituaties<br />

beoordeeld.<br />

2.4.4. Gelet op het MER en het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding<br />

het standpunt van verweerders dat de Prinses Beatrixstraat en de Drielseweg niet<br />

zijn berekend op een toeneming van het verkeer met ongeveer 8.000 voertuigen per<br />

etmaal, onjuist te achten.<br />

Wat betreft de verkeersveiligheid is weliswaar gebleken dat de huidige N831 naar<br />

objectieve maatstaven niet bovengemiddeld onveilig is, maar dat zich wel gevoelens<br />

van verkeersdreiging voordoen.<br />

Gelet op deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat het provinciale beleid<br />

is gericht op de verbetering van de leefbaarheid en de verkeersveiligheid in de kern<br />

Hedel, hebben verweerders zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op<br />

het standpunt kunnen stellen dat een omlegging van de N831 te verkiezen is boven<br />

het nulalternatief.<br />

Leemtes in kennis<br />

2.5. Appellanten sub 3 hebben aangevoerd dat verweerders ten onrechte niet zijn<br />

ingegaan op de leemtes in kennis die zijn genoemd in het MER. Daarbij wijzen zij op<br />

onduidelijkheden over de hinder die kan ontstaan als gevolg van de<br />

aanlegwerkzaamheden, waaronder de aanleg van de tunnelbak. Verder ontbreken<br />

gegevens over zeldzame flora en fauna.<br />

2.5.1. Blijkens het MER bestond ten tijde van het maken van het MER geen inzicht in<br />

de methode van aanleg van de tunnelbak onder de spoorlijn, zodat de tijdelijke<br />

21


effecten van de aanleg in de bouwfase niet goed waren in te schatten. In het MER<br />

worden voorts geen uitspraken gedaan over trillingshinder die kan ontstaan als<br />

gevolg van een aangelegde weg omdat hiervoor geen goede voorspellingsmethodiek<br />

bestaat.<br />

2.5.2. Verweerders hebben ten aanzien van de schade als gevolg van de<br />

aanlegwerkzaamheden gesteld dat een beroep kan worden gedaan op<br />

compensatieregelingen voor schadevergoeding.<br />

2.5.3. Anders dan appellanten kennelijk menen, bestaat blijkens het MER geen<br />

onduidelijkheid over de trillingshinder ten gevolge van de aanlegwerkzaamheden<br />

van de weg, maar over de trillingshinder van de aangelegde weg zelf. Gelet op het<br />

deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het<br />

verkeer op de nieuw aan te leggen weg zodanige trillingshinder zal veroorzaken dat<br />

reeds daarom niet tot aanleg had kunnen worden besloten. Ten aanzien van de<br />

aanlegwerkzaamheden ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat deze<br />

zodanig grote schade aan omliggende woningen en andere gebouwen zullen<br />

veroorzaken dat om die reden van de aanleg van de weg zou moeten worden<br />

afgezien.<br />

2.5.4. Wat betreft de eventuele aanwezigheid van zeldzame flora en fauna vermeldt<br />

het MER dat geen actuele inventarisatiegegevens voorhanden zijn en dat de<br />

beschrijving van het gebied en de ecologische gegevens is gebaseerd op bestaande<br />

gegevens.<br />

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland heeft het bureau DHV Milieu en<br />

Infrastructuur BV nader onderzoek laten verrichten naar de aanwezigheid van<br />

beschermde planten- en diersoorten in het studiegebied. Dit heeft geresulteerd in het<br />

op 25 september 2003 verschenen rapport “Ecoscan omlegging N831 te Hedel”. Bij<br />

dit aanvullend onderzoek is uitgegaan van de Baronievariant voor het westelijke<br />

tracé van de N831 en van het omleggingsalternatief met tunnelvariant voor het<br />

oostelijke tracé. Net als uit het MER blijkt ook uit dit rapport dat ter plaatse van het<br />

oostelijke tracé geen te beschermen floristische en faunistische waarden voorkomen.<br />

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben verweerders dit onderzoek<br />

mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.<br />

2.5.5. Overigens blijkt uit Onderdeel B: onderbouwing, hoofdstuk 6, van het MER<br />

niet dat de daar genoemde leemtes in kennis van zodanige aard zijn dat reeds<br />

daarom niet kon worden besloten tot vaststelling van het bestreden besluit. Gelet op<br />

het toetsingsadvies, heeft de Commissie geen aanleiding gezien voor het oordeel dat<br />

essentiële informatie om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te<br />

geven, in het MER ontbreekt. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de<br />

Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen.<br />

Bezwaren over de inhoud van de partiële herziening<br />

22


2.6. Appellante sub 1 exploiteert een cafetaria aan de Prinses Beatrixstraat 22 en kan<br />

zich niet verenigen met de partiële herziening in verband met de gevolgen voor haar<br />

bedrijfsvoering.<br />

Appellante wil dat het huidige tracé over de Prinses Beatrixstraat en de Drielseweg<br />

gehandhaafd blijft, omdat de verkeersintensiteit anders in de Prinses Beatrixstraat in<br />

hoge mate zal afnemen. Dit brengt volgens appellante voor haar een aanzienlijke<br />

omzetdaling mee. Voorts stelt zij dat de waarde van het bedrijfspand zal dalen en dat<br />

het pand als horecapand onverkoopbaar zal blijken te zijn.<br />

2.6.1. Verweerders erkennen dat het doorgaande verkeer na de omlegging niet meer<br />

door de Prinses Beatrixstraat zal gaan en dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor<br />

de omzet van appellante. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de<br />

afweging van belangen een groter gewicht moet worden toegekend aan het belang<br />

dat is gediend met een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dan aan het<br />

bedrijfsbelang van appellante.<br />

2.6.2. De Prinses Beatrixstraat maakt deel uit van het huidige tracé van de N831. Als<br />

gevolg van de partiële herziening zal het karakter van de Prinses Beatrixstraat door<br />

de omlegging van de N831 veranderen van een doorgaande provinciale weg in een<br />

gemeentelijke weg die dient ter ontsluiting van de aanliggende percelen. Blijkens het<br />

MER en het deskundigenbericht heeft de omlegging van de N831, met bijbehorende<br />

verkeerskundige aanpassingen van de Prinses Beatrixstraat tot een verkeersluwe<br />

weg, tot gevolg dat de verkeersintensiteit op de Drielseweg zal dalen van ongeveer<br />

9.100 motorvoertuigen per etmaal in het jaar 2000 tot ongeveer 250 motorvoertuigen<br />

per etmaal in het jaar 2015. De Afdeling acht het aannemelijk dat zich op de Prinses<br />

Beatrixstraat, die in het verlengde van de Drielseweg ligt, een overeenkomstige<br />

daling van de verkeersintensiteit zal voordoen.<br />

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de omzet<br />

van appellante voor ongeveer 90%, althans een zeer groot deel, afkomstig is van het<br />

doorgaande verkeer van de N831. Gelet op de ligging van de cafetaria van appellante<br />

ten opzichte van het centrum van Hedel en het feit dat in het centrum twee andere<br />

cafetaria’s gevestigd zijn, moet worden betwijfeld of de te verwachten omzetdaling<br />

ten gevolge van de omlegging van de N831 in voldoende mate kan worden<br />

gecompenseerd door klandizie anders dan van het doorgaande verkeer.<br />

2.6.3. De Afdeling stelt voorop dat verweerders bij afweging van de betrokken<br />

belangen bij de vaststelling van de partiële herziening dienden te betrekken of het<br />

bedrijf van appellante als gevolg van de omlegging van de N831 nog exploitabel zou<br />

zijn. Vastgesteld moet worden dat verweerders voor de vaststelling van de partiële<br />

herziening geen onderzoek hebben gedaan of de exploitatie van het bedrijf van<br />

appellante na de omlegging zou kunnen worden voortgezet.<br />

Verweerders hebben gesteld dat de omlegging en de ruimtelijke gevolgen daarvan<br />

voor het gemeentelijke wegennet nog in een door de gemeenteraad van Maasdriel<br />

23


vast te stellen bestemmingsplan dienen te worden geregeld en dat, wanneer mocht<br />

blijken dat appellante ten gevolge van dat plan schade lijdt, zij een beroep kan doen<br />

op het bepaalde in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.<br />

Naar het oordeel van de Afdeling miskennen verweerders hiermee evenwel de plaats<br />

en de functie van een concrete beleidsbeslissing in het stelsel van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening. In de in geding zijnde concrete beleidsbeslissing is een<br />

definitieve planologische keuze vervat met betrekking tot de omlegging van het<br />

oostelijke deel van de N831 bij de kern Hedel, die bij de vaststelling van het<br />

bestemmingsplan in acht genomen dient te worden. Mitsdien dient juist op dit punt<br />

in het proces van de planologische besluitvorming blijk te worden gegeven van een<br />

zorgvuldig onderzoek naar de gevolgen voor het betrokken gebied en dienen in het<br />

voorliggende geval de belangen van het bedrijf van appellante in de besluitvorming<br />

te worden betrokken. Verweerders hebben ten onrechte een zodanig onderzoek, op<br />

basis waarvan een belangenafweging dient plaats te vinden, doorgeschoven naar de<br />

bestemmingsplanprocedure.<br />

Nu verweerders hebben nagelaten bij de vaststelling van de partiële herziening te<br />

onderzoeken of de exploitatie van het bedrijf van appellante ter plaatse kon worden<br />

voortgezet, is de Afdeling van oordeel dat verweerders bij de voorbereiding van de<br />

partiële herziening onvoldoende kennis hebben vergaard omtrent de af te wegen<br />

belangen.<br />

2.7. Appellanten sub 3 zijn eigenaar van het perceel [locatie]. Op het perceel staan een<br />

woning en de opstallen van een voormalig tuinbouwbedrijf. Appellanten zijn<br />

voornemens de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse te hervatten.<br />

Zij hebben aangevoerd dat de omlegging van het oostelijke deel van N831 ten<br />

onrechte als concrete beleidsbeslissing is aangemerkt. Appellanten betogen dat de<br />

plaats van de omlegging onvoldoende concreet is weergegeven. Voorts menen<br />

appellanten dat de vorm van de omlegging onvoldoende concreet is bepaald. Zij<br />

stellen dat niet duidelijk is welke zogeheten tunnelvariant is gekozen.<br />

2.7.1. In paragraaf 1.6 van de partiële herziening is vermeld dat de concrete<br />

beleidsbeslissing bindend is wat betreft de keuze voor het tracé. Blijkens deze<br />

paragraaf beogen verweerders een finale beslissing te nemen inzake het nut, de<br />

noodzaak en het beloop van het tracé. Op kaart 2 behorende bij de partiële<br />

herziening is het beloop van het tracé op perceelsniveau aangegeven. Gelet op het<br />

voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtsgevolgen van de concrete<br />

beleidsbeslissing inzake het oostelijke tracé van de N831 voldoende duidelijk zijn. In<br />

hetgeen appellanten hebben aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat<br />

de concrete beleidsbeslissing te vaag of onvoldoende duidelijk is geformuleerd.<br />

Dat uit de partiële herziening niet blijkt of de zogeheten zuidroute (via de<br />

Uithovensestraat, Voorstraat en Blankensteijn) al dan niet zal worden afgesloten,<br />

maakt het voorgaande niet anders, omdat de zuidroute geen deel uitmaakt van de<br />

24


concrete beleidsbeslissing.<br />

2.8. Appellanten sub 3 hebben voorts aangevoerd dat blijkens het MER de zogeheten<br />

nulplusvariant de minste milieueffecten met zich brengt. Zij menen daarom dat de<br />

keuze voor het omleggingsalternatief met tunnelvariant op oneigenlijke gronden is<br />

gebaseerd.<br />

2.8.1. De Afdeling overweegt hierover dat uit het maken van een MER niet<br />

voortvloeit dat in de daarop volgende besluitvorming slechts milieueffecten een rol<br />

kunnen spelen, dan wel dat zonder meer voor het in dat MER aangewezen alternatief<br />

met de minste milieueffecten dient te worden gekozen. Verweerders dienden bij hun<br />

besluitvorming over de tracékeuze voor het oostelijke deel van de N831 een<br />

afweging te maken van alle bij dat besluit betrokken belangen. Gelet hierop hebben<br />

verweerders in hun besluit dan ook belang kunnen toekennen aan de aspecten van<br />

verkeersveiligheid en leefbaarheid die bij de tracékeuze betrokken zijn.<br />

2.9. Appellanten sub 3 hebben aangevoerd dat onvoldoende aandacht is besteed aan<br />

de lokale luchtkwaliteit. Volgens hen zal de omlegging van het oostelijke deel van de<br />

N831 nadelige invloed hebben op het woon- en leefklimaat en de gezondheid in de<br />

omgeving wat betreft de concentratie fijn stof (hierna ook: zwevende deeltjes /<br />

PM10). Appellanten stellen dat verweerders geen moeite hebben gedaan de<br />

mogelijkheden tot reductie van fijn stof voor de omgeving te onderzoeken.<br />

2.9.1. De Commissie heeft in haar toetsingsadvies overwogen dat de in het Besluit<br />

luchtkwaliteit gestelde eisen voor NO2 en fijn stof van belang kunnen zijn, vooral in<br />

het geval dat in het westelijke deelgebied de zuidroute door de kom van Hedel niet<br />

wordt opgeheven, dan wel er geen verkeersbeperkende maatregelen worden<br />

getroffen. Iets soortgelijks kan mogelijk spelen voor de nieuwe woonwijken langs de<br />

Baronieweg-Zuid. Hier kunnen alleen nadere berekeningen uitsluitsel geven, aldus<br />

de Commissie.<br />

Gezien de maximaal te verwachten etmaalintensiteiten van het verkeer, ziet de<br />

Commissie onvoldoende aanleiding om een aanvulling van het MER op dit punt te<br />

vragen.<br />

In het toetsingsadvies beveelt de Commissie aan de gevolgen van het Besluit<br />

luchtkwaliteit alsnog te bepalen en de resultaten daarvan in de besluitvorming te<br />

betrekken.<br />

2.9.2. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Commissie heeft het college van<br />

gedeputeerde staten van Gelderland in september 2002 de gevolgen van de<br />

omlegging van de N831 voor de luchtkwaliteit laten berekenen.<br />

Wat betreft de concentratie fijn stof blijkt uit het onderzoek dat in 2001 een aantal<br />

dagen de grenswaarde is overschreden. Volgens het onderzoeksverslag is dit te<br />

wijten aan de achtergrondconcentratie voor PM10. Op de concentratie PM10 is op<br />

25


lokaal niveau weinig tot geen invloed uit te oefenen, aldus het onderzoeksverslag.<br />

Ten aanzien van de luchtkwaliteit in 2010 vallen blijkens het onderzoeksverslag<br />

overschrijdingen van het jaargemiddelde voor PM10 te verwachten. Deze hoge<br />

concentraties worden veroorzaakt door de hoge achtergrondconcentratie, die door<br />

de landelijke activiteiten en door de omringende landen en hun activiteiten wordt<br />

bepaald. De bijdrage van het lokale verkeer vormt geen oorzaak van de<br />

overschrijdingen, aldus het onderzoeksverslag.<br />

2.9.3. Ingevolge het Besluit luchtkwaliteit (hierna: het Besluit), voorzover hier van<br />

belang, dienen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen<br />

hebben voor de luchtkwaliteit, behoudens voorzover de betrokken wettelijke<br />

regeling zich daartegen verzet, de in het Besluit gestelde grenswaarden met<br />

betrekking tot stikstofdioxide en zwevende deeltjes in acht te nemen.<br />

De vaststelling van de onderhavige partiële herziening die een concrete<br />

beleidsbeslissing bevat, dient te worden aangemerkt als de uitoefening van een<br />

bevoegdheid die gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit.<br />

2.9.4. Het Besluit heeft als uitgangspunt dat de daarin gestelde grenswaarden gelden<br />

voor de buitenlucht in zijn algemeenheid. Dit uitgangspunt lijdt ingevolge artikel 1,<br />

tweede lid, van het Besluit, slechts uitzondering voor een arbeidsplaats als bedoeld<br />

in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Het aan het<br />

Besluit ten grondslag liggende uitgangspunt kan tevens worden afgeleid uit de nota<br />

van toelichting op het Besluit. Volgens deze toelichting worden in het Besluit<br />

grenswaarden gesteld omtrent het kwaliteitsniveau van de buitenlucht dat, in het<br />

belang van de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu in zijn<br />

geheel, binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt. Deze grenswaarden<br />

gelden voor de buitenlucht van het Nederlandse grondgebied, met uitzondering van<br />

de werkplek.<br />

Voor PM10 gelden ingevolge artikel 13, aanhef en onder c en d, uiterlijk met ingang<br />

van 1 januari 2005 als grenswaarden 40 microgram per m3 als jaargemiddelde<br />

concentratie en 50 microgram per m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij<br />

voor laatstgenoemde concentratie geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar<br />

mag worden overschreden.<br />

2.9.5. Verweerders hebben blijkens het bestreden besluit onderkend dat de<br />

luchtkwaliteitsnormen van het Besluit in acht dienen te worden genomen. Zij hebben<br />

evenwel miskend dat het onderzoek dat zij mede aan het bestreden besluit ten<br />

grondslag hebben gelegd, uitsluitend was gericht op de luchtkwaliteit ter plaatse van<br />

een verspreid aantal woningen in de kern Hedel. De luchtkwaliteitsnormen zijn<br />

echter gesteld ter bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht in zijn<br />

algemeenheid.<br />

Voorts blijkt uit het onderzoeksverslag niet in hoeverre de ingebruikneming van het<br />

26


omgelegde oostelijke deel van de N831 gevolgen heeft voor de jaargemiddelde<br />

concentratie zwevende deeltjes (PM10) op het moment van ingebruikneming.<br />

Verweerders dienden hiertoe onderzoeksgegevens te verschaffen betreffende de<br />

jaargemiddelde concentratie voor zwevende deeltjes (PM10) voor een periode vanaf<br />

de beoogde ingebruikneming van de omlegging tot en met in ieder geval het jaar<br />

2010. Daarbij dient te worden uitgegaan van de grenswaarden die per 1 januari 2005<br />

zullen gelden voor de jaargemiddelde concentratie en de 24-uur gemiddelde<br />

concentratie. De gevolgen van ingebruikneming van de omlegging voor de 24uurgemiddelde<br />

concentratie zwevende deeltjes (PM10) zijn evenmin genoegzaam<br />

inzichtelijk gemaakt. Verweerders hebben in dit verband niet kunnen volstaan met<br />

de enkele vaststelling dat de overschrijdingen worden veroorzaakt door de hoge<br />

achtergrondconcentratie PM10.<br />

In dit verband wijst de Afdeling erop dat, anders dan verweerders stellen, uit het<br />

onderzoeksverslag kan worden afgeleid dat het lokale verkeer wel bijdraagt aan de<br />

overschrijding.<br />

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een<br />

zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering.<br />

2.10. Appellanten sub 3 voeren verder aan dat onduidelijk is of de woningen die<br />

binnen de 50 dB(A) contour van de omgelegde N831 vallen, geamoveerd moeten<br />

worden. Appellanten achten het mogelijk dat de door verweerders genoemde<br />

combinatie van de vaststelling van hogere grenswaarden en geluidwerende<br />

voorzieningen niet zal leiden tot een akoestisch aanvaardbare situatie.<br />

2.10.1. Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat bij de bestrijding van<br />

verkeerslawaai eerst wordt bezien of maatregelen bij de bron of in het tussengebied<br />

kunnen worden getroffen, alvorens tot sloop van woningen wordt overgegaan.<br />

2.10.2. Uit de stukken blijkt dat een beperkt aantal woningen, waaronder de woning<br />

van appellanten, binnen de 50 dB(A) contour van de omgelegde weg zal komen te<br />

liggen. Gelet op de stukken, in het bijzonder het MER en het deskundigenbericht, en<br />

het verhandelde ter zitting, is niet aannemelijk geworden dat de omlegging van het<br />

oostelijke deel van de N831 onontkoombaar tot een zeer ernstige aantasting van het<br />

woon- en leefklimaat ter plaatse van die woningen zal leiden. In hetgeen appellanten<br />

hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat<br />

verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de<br />

omlegging van de weg niet onverenigbaar is met de eisen die uit de Wet<br />

geluidhinder voortvloeien.<br />

Gelet op het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting bestaat overigens<br />

geen grond voor de vrees dat er woningen moeten worden gesloopt.<br />

2.11. Appellanten sub 3 hebben tevens aangevoerd dat de aanleg van de omlegging<br />

van het oostelijke deel van de N831 leidt tot een verkeersonveilige situatie. Daarnaast<br />

27


stellen zij dat onduidelijk is hoe de bewoners van de Winkelseweg de A2 kunnen<br />

bereiken.<br />

2.11.1. Uit het deskundigenbericht blijkt het volgende. De huidige Winkelseweg is<br />

een parallelweg van de Oude Rijksweg. Aan de noordzijde is de Winkelseweg<br />

ontsloten op de Hoevenseweg, in het zuiden op de Prinses Beatrixstraat. De<br />

Winkelseweg heeft geen rechtstreekse ontsluiting op de Oude Rijksweg.<br />

De aanleg van de omlegging van het oostelijke deel van de N831 leidt tot een<br />

doorsnijding van de Winkelseweg die daardoor in twee doodlopende weggedeelten<br />

zal veranderen. Het zuidelijke deel, waaraan de woning van appellanten ligt, zal<br />

voor autoverkeer niet direct op de Oude Rijksweg worden ontsloten. Wel is voorzien<br />

in een fietspad naar de rotonde ter hoogte van de aansluiting van de omlegging op<br />

de Oude Rijksweg. Dit brengt mee dat gemotoriseerd verkeer het perceel [locatie]<br />

alleen via de Prinses Beatrixstraat kan bereiken.<br />

Blijkens het deskundigenbericht kunnen de bewoners van het zuidelijke deel van de<br />

Winkelseweg de A2 bereiken via de Prinses Beatrixstraat en de bestaande<br />

Drielseweg.<br />

2.11.2. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in hetgeen appellanten<br />

hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de omlegging van de N831<br />

tot een verkeersonveilige situatie zal leiden. Anders dan appellanten stellen, maakt<br />

de omstandigheid dat het ten noorden van de omlegging van de N831 gelegen<br />

landbouwperceel van appellanten slechts via een omweg te bereiken zal zijn, niet dat<br />

het perceel om die reden landbouwkundig gezien onbruikbaar zou zijn.<br />

2.12. Appellanten sub 3 betogen dat de landbouwgrond naast de omgelegde N831<br />

ongeschikt raakt voor agrarisch gebruik doordat het grond- en oppervlaktewater<br />

verontreinigd worden als gevolg van run-off en verwaaiing.<br />

2.12.1. Verweerders achten het niet reëel te veronderstellen dat het agrarisch gebruik<br />

van de landbouwgronden minder wordt vanwege run-off en verwaaiing.<br />

2.12.2. Blijkens het MER wordt onder verwaaiing verstaan het proces waarbij door<br />

het verkeer opgewervelde stoffen via de lucht naast de weg terecht komen. Run-off is<br />

de benaming voor regenwater dat van het wegdek afstroomt, met daarin opgeloste<br />

en aan het slib gebonden stoffen. Run-off beïnvloedt de wegberm voor een afstand<br />

van enkele meters. Verwaaiing kan de verontreinigende stoffen tot enkele tientallen<br />

meters vanaf de weg verspreiden. In het MER wordt gesteld dat het effect op de<br />

bodem, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit over het algemeen beperkt is, omdat<br />

het vele tientallen jaren zal duren voordat sprake is van overschrijding van de<br />

signaleringswaarde van elk van de verontreinigende stoffen.<br />

In het MER wordt voorts gesteld dat de omlegging van de N831 aan de oostzijde van<br />

de Oude Rijksweg tot gevolg heeft dat de bodem-, grondwater- en oppervlaktewater<br />

28


enigszins zal worden aangetast. Dit gebied wordt in de autonome ontwikkeling niet<br />

aangetast, zodat van een licht negatief effect kan worden gesproken.<br />

2.12.3. Gelet op het MER en het deskundigenbericht, is niet aannemelijk geworden<br />

dat het effect van run-off en verwaaiing zodanig groot zal zijn dat daardoor de<br />

nabijgelegen landbouwgronden niet meer geschikt zullen zijn voor agrarisch<br />

gebruik. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen<br />

aanleiding voor het oordeel dat verweerders bij hun belangenafweging niet in<br />

redelijkheid meer gewicht konden toekennen aan het belang dat wordt gediend bij<br />

de omlegging van de N831 dan aan het landbouwbelang.<br />

Conclusie<br />

2.13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van appellante sub 1 en appellanten<br />

sub 3 gegrond, zodat het bestreden besluit voorzover het betreft de concrete<br />

beleidsbeslissing waarbij het tracé voor het oostelijke deel van de omlegging van de<br />

N831 bij de kern Hedel wordt vastgelegd, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46<br />

van de Awb dient te worden vernietigd.<br />

Nu het besluit op grondslag van de beroepen van appellante sub 1 en appellanten<br />

sub 3 in zijn geheel wordt vernietigd, zijn de beroepen van appellanten sub 2 en<br />

appellanten sub 4 eveneens gegrond.<br />

Proceskosten<br />

2.14. Verweerders dienen op na te melden wijze te worden veroordeeld in de<br />

proceskosten van appellanten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor de door<br />

appellanten sub 3 gevraagde vergoeding van kosten die gemaakt zijn voor het<br />

opstellen van een deskundigenrapport, aangezien voor de behandeling van dit<br />

beroep door appellanten geen stukken zijn overgelegd, die als deskundigenrapport<br />

kunnen worden aangemerkt. Evenmin is ten aanzien van appellanten sub 3 gebleken<br />

van kosten die zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende<br />

rechtsbijstand.<br />

3. Beslissing<br />

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<br />

Recht doende in naam der Koningin:<br />

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van:<br />

- de beroepen van appellanten sub 2 en appellanten sub 3 voorzover deze betrekking<br />

hebben op het niet opnemen van de omlegging van het westelijke tracé van de N831<br />

bij Hedel in de partiële herziening, en<br />

29


- het beroep van appellanten sub 4, voorzover dit betrekking heeft op de aanleg van<br />

een rotonde op de kruising van de Veldweg en de Baronieweg;<br />

II. verklaart de beroepen van appellanten sub 2, appellanten sub 3 en appellanten sub<br />

4 gedeeltelijk, en het beroep van appellante sub 1 geheel gegrond;<br />

III. vernietigt het besluit van provinciale staten van Gelderland van 12 november<br />

2003, kenmerk PS2003-165, voorzover het betreft de concrete beleidsbeslissing<br />

waarbij het tracé voor het oostelijke deel van de omlegging van de N831 bij de kern<br />

Hedel wordt vastgelegd;<br />

IV. veroordeelt provinciale staten van Gelderland in de door hierna vermelde<br />

appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen gemaakte<br />

proceskosten tot een bedrag van totaal € 1693,04;<br />

dit bedrag dient door de provincie Gelderland als volgt te worden vergoed aan:<br />

- appellante sub 1 € 366,47, waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan<br />

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;<br />

- appellanten sub 2 € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde<br />

beroepsmatig verleende rechtsbijstand;<br />

- appellanten sub 3 € 38,57;<br />

- appellanten sub 4 € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde<br />

beroepsmatig verleende rechtsbijstand;<br />

V. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de<br />

behandeling van de beroepen betaalde griffierecht (€ 232,00 voor appellante sub 1, €<br />

232,00 voor appellanten sub 2, € 116,00 voor appellanten sub 3 en € 116,00 voor<br />

appellanten sub 4) vergoedt.<br />

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en dr. J.J.C.<br />

Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van<br />

Staat.<br />

w.g. Cleton w.g. Broekman<br />

Voorzitter ambtenaar van Staat<br />

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004<br />

30


Uitspraak<br />

200406300/2<br />

Datum uitspraak: 3 november 2004<br />

AFDELING<br />

BESTUURSRECHTSPRAAK<br />

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van<br />

State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van<br />

de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:<br />

1. de vereniging "Vereniging Vrienden oostvlietpolder", gevestigd te Leiden,<br />

2. de stichting "Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder", gevestigd te Leiden,<br />

3. [verzoeker sub 3], wonend te [woonplaats],<br />

4. de vereniging "Vereniging Bewoners Vrouwenweg", gevestigd te Leiden,<br />

en<br />

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,<br />

verweerder.<br />

1. Procesverloop<br />

Bij besluit van 20 januari 2004 heeft de gemeenteraad van Leiden het<br />

bestemmingsplan “Oostvlietpolder” vastgesteld.<br />

Bij besluit van 6 juli 2004, kenmerk DRM/ARB/04/1506A, heeft verweerder beslist<br />

over de goedkeuring van dit plan.<br />

Tegen dit besluit hebben onder meer de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder per fax<br />

van 29 juli 2004, ingekomen op dezelfde datum, de Stichting Belangenbehartiging<br />

Oostvlietpolder bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op<br />

12 augustus 2004, [verzoeker sub 3] bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van<br />

State ingekomen op 12 augustus 2004, en de Vereniging Bewoners Vrouwenweg bij<br />

ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2004, beroep<br />

ingesteld.<br />

Per fax van 29 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2004, heeft<br />

de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder de Voorzitter verzocht een voorlopige<br />

voorziening te treffen. Bij brief van 10 augustus 2004, bij de Raad van State<br />

ingekomen op 12 augustus 2004, heeft de Stichting Belangenbehartiging<br />

Oostvlietpolder de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief<br />

van 10 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 12 augustus 2004, heeft<br />

[verzoeker sub 3] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij<br />

ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 september 2004, heeft de<br />

Vereniging Bewoners Vrouwenweg de Voorzitter verzocht een voorlopige<br />

31


voorziening te treffen.<br />

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 15 oktober 2004, waar de<br />

Vereniging Vrienden Oostvlietpolder, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer,<br />

advocaat te Dordrecht, de Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder,<br />

vertegenwoordigd door [gemachtigde], [verzoeker sub 3], in persoon, de Vereniging<br />

Bewoners Vrouwenweg, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder,<br />

vertegenwoordigd door ing. E. Schepers, ambtenaar van de provincie, zijn<br />

verschenen. Voorts zijn mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en D.A. Scholten<br />

en A.V. de Kok, ambtenaren van de gemeente, namens de gemeenteraad van Leiden,<br />

daar gehoord.<br />

2. Overwegingen<br />

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in<br />

de bodemprocedure.<br />

2.2. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Vliet, de Vrouwenvaart, de A4<br />

en het recreatiegebied Vlietlanden. Het plan voorziet onder meer in de ontwikkeling<br />

van een bedrijventerrein en woningen.<br />

2.3. Verzoekers stellen dat het plan niet in werking mag treden voordat in de<br />

bodemprocedure op de beroepen is beslist, nu het plan volgens hen in strijd is met<br />

onder meer het rijksbeleid, de Habitat- en Vogelrichtlijn en het Besluit luchtkwaliteit<br />

(Stb. 2001, 269). Ook overigens is het plan volgens verzoekers op een groot aantal<br />

onderdelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening, onder meer wat betreft de<br />

verkeersafwikkeling en de aard en hoogte van het bedrijventerrein en het<br />

functioneren van de ecologische verbindingszone.<br />

2.4. Verweerder stelt dat de verzoeken dienen te worden afgewezen, aangezien het<br />

plan voorzover dit voorziet in een bedrijventerrein en woningen uitsluitend uit te<br />

werken bestemmingen bevat.<br />

2.5. De gemeenteraad stelt dat van groot belang is dat het plan rechtskracht verkrijgt<br />

zodat kan worden begonnen met de eerste fase van de ontwikkeling van het<br />

bedrijventerrein die bestaat uit de verplaatsing van volkstuinen naar andere gronden<br />

in het plangebied. Met de overige werkzaamheden zoals het bouwrijp maken van de<br />

gronden zal worden gewacht tot uitspraak is gedaan in de bodemprocedure zodat<br />

volgens de gemeenteraad geen spoedeisend belang bestaat bij schorsing van het<br />

besluit. Hij stelt zich voorts op het standpunt dat de bezwaren inzake de<br />

luchtkwaliteit niet-ontvankelijk zijn, aangezien deze eerst in beroep zijn aangevoerd.<br />

2.6. De Voorzitter verwacht niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen<br />

dat de bezwaren inzake de luchtkwaliteit niet aan de orde kunnen komen.<br />

Volgens de plantoelichting brengt het bedrijventerrein van 40 ha netto een<br />

32


verkeersproductie van ongeveer 8000 motorvoertuigen/etmaal met zich. In de<br />

plantoelichting staat voorts vermeld dat de ontsluiting van het plangebied beperkt is<br />

en dat oplossingen voor de verkeersafwikkeling niet zonder ingrijpende<br />

infrastructurele maatregelen kunnen worden gevonden. Mogelijke oplossingen zijn,<br />

zo is ter zitting bevestigd, verschoven naar de fase van uitvoering van het plan<br />

omdat maatregelen zoals doortrekking van de Churchilllaan en de aanleg van de<br />

A11/N11 niet dan na afronding van nadere procedures kunnen worden<br />

verwezenlijkt.<br />

De Voorzitter betwijfelt of het op deze wijze verschuiven van mogelijke oplossingen<br />

voor een adequate verkeersafwikkeling naar de fase van uitvoering van het plan<br />

voldoet aan de eisen die in artikel 9 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985<br />

worden gesteld.<br />

Voorts is ter zitting niet aannemelijk geworden dat is voldaan aan de eisen van het<br />

Besluit luchtkwaliteit. Blijkens de in de plantoelichting opgenomen paragraaf inzake<br />

de luchtkwaliteit is bezien in hoeverre het aspect luchtkwaliteit langs verkeerswegen<br />

belemmeringen oplevert voor de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plan mogelijk<br />

worden gemaakt. In dit verband is onderzocht op welke plaatsen in het plan<br />

gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt op gronden waar de<br />

grenswaarden voor stikstofdioxide worden overschreden en in hoeverre een<br />

mogelijke reconstructie van de Europaweg gevolgen heeft voor de concentratie<br />

stikstofdioxide ter plaatse van gevoelige bestemmingen. Nog daargelaten dat deze<br />

resultaten, anders dan waarvan in het Besluit luchtkwaliteit wordt uitgegaan,<br />

uitsluitend betrekking hebben op de luchtkwaliteit wat betreft de stof stikstofdioxide<br />

in 2015 ter plaatse van gevoelige bestemmingen, blijkt niet dat is onderzocht wat de<br />

gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn van de ruimtelijke ontwikkelingen die met het<br />

plan worden mogelijk gemaakt ten opzichte van de autonome situatie, zoals onder<br />

meer op het aspect van de verkeersaantrekkende werking die van deze<br />

ontwikkelingen uitgaat.<br />

2.7. Gelet op het voorgaande heeft de Voorzitter twijfel of het besluit in de<br />

bodemprocedure in stand zal blijven. Gelet hierop en in aanmerking nemend de<br />

samenhang tussen de in het plan opgenomen bestemmingen ziet de Voorzitter, alle<br />

belangen afwegend, aanleiding de verzoeken in te willigen en de nader te melden<br />

voorlopige voorziening te treffen. Hierbij is tevens van belang dat ter zitting niet is<br />

gebleken dat de verplaatsing van de volkstuinen geen aantasting van de door<br />

verzoekers genoemde natuurwaarden met zich kan brengen terwijl voorts niet<br />

aannemelijk is geworden dat, gelet op de betrokken belangen, met de uitvoering van<br />

het plan niet kan worden gewacht totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de<br />

bodemprocedure.<br />

2.8. Verweerder dient op navolgende wijze te worden veroordeeld in de<br />

proceskosten van de Vereniging Vrienden Oostvlietpolder. Ten aanzien van de<br />

overige appellanten is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in<br />

aanmerking komen.<br />

33


3. Beslissing<br />

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:<br />

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van<br />

gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 6 juli 2004, kenmerk<br />

DRM/ARB/04/1506A;<br />

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland in de door de<br />

Vereniging Vrienden Oostvlietpolder in verband met de behandeling van het<br />

verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is<br />

toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag<br />

dient door de provincie Zuid-Holland te worden betaald aan verzoekster;<br />

III. gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de<br />

behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht (€ 273,00 voor de Vereniging<br />

Vrienden Oostvlietpolder, de Stichting Belangenbehartiging Oostvlietpolder, en de<br />

vereniging Bewoners Vrouwenweg, ieder afzonderlijk, en € 136,00 voor [verzoeker<br />

sub 3]) vergoedt.<br />

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.<br />

Langeveld, ambtenaar van Staat.<br />

w.g. Cleton w.g. Langeveld<br />

Voorzitter ambtenaar van Staat<br />

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2004<br />

34


Wilt u contact met de stichting mail dan naar<br />

stichtingvogelenzangveiig@hotmail.com<br />

35

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!