Poezie Versie n.a.v. claim José op 1 aug 18

Stroomhuis

Bakens aan de rivier – Juryrapport 2018

Het thema van deze lustrumeditie van het poëzie-evenement ‘Bakens aan de rivier’ is ‘Rivier en

vogelvlucht’. Zo’n vijfendertig dichters zonden 46 gedichten in, waarin de rivier als vanouds centraal

staat. Daarnaast lieten, net als vorig jaar, leerlingen van het Cambium College in Zaltbommel zich niet

onbetuigd. Geïnspireerd door het thema maakten zij er een project van en schreven een groot aantal

gedichten over het leven bij, rond, aan en zelfs boven de rivier.

Concentreren we ons op de ‘volwassen’ dichters, dan zien we dat sommige gedichten over de rivier

uit vogelperspectief zijn geschreven en dat ook in andere gedichten naast het eeuwig stromende

water het luchtleven daarboven een rol van betekenis speelt. Ganzen, ooievaars, spreeuwen,

weidevogels, rappe fladderaars, een obese meeuw, zelfs een Bengaalse gier, kortom vogels van

diverse pluimage, sijzen én drijfsijzen, bevolkten vanwege het thema van de wedstrijd veel van de

ingezonden gedichten. Daarnaast waren er ‘vreemde vogels’, zoals zeppelins, de Boeings van KLM

en drones, die in de gedichten in vogelvlucht werden opgevoerd. Ook wolken boden in een enkel

gedicht het vogelperspectief. Die drijven immers voorbij en verbeelden aldus een motief dat zoals

gezien het thema te verwachten was in verscheidene gedichten aanwezig is: de vergankelijkheid.

Sommige dichters zochten het nog hogerop, bij de wenkende sterren waarachter de eeuwigheid

lonkt, en vonden daar de contrastfactor voor het ondermaanse, waarin de rivier almaar tussen haar

oevers stroomt.

Kortom, het contrast tussen de rivier en het rivierlandschap beneden en het zwerk daarboven – en al

wat zich daarin bevindt – bleek een productieve inspiratiebron voor veel dichters en daarmee tevens

een bron voor het poëtische idioom en de poëtische metaforiek in vele gedichten. Stromen en vliegen

– of moeten we met gevoel voor assonantie zeggen vlieden en vliegen? – waren de handelingen

waarmee in een flink aantal gedichten het land met de lucht, hoog met laag dus, verbonden waren.

Daarnaast waren er uiteraard ook dichters die op een geheel andere wijze invulling aan het thema

hebben gegeven.

Gezien de inzendingen waren de dichters allerminst verlegen met het thema van de wedstrijd. Als de

jury in het algemeen toch een kritische noot mag kraken, dan moeten we het hebben over de

taalbehandeling: poëzie schrijven is niet alleen de verbeelding de vrije loop laten, maar ook het

dwingen van die beelden in deugdelijke poëtische vormen. Daarbij spelen taalbehandeling –

variërend van een correcte spelling tot een dwingende woordkeuze – maat en ritme en de adequate

toepassing van poëtische middelen zoals vergelijkingen, metaforen en stijlfiguren een wezenlijke rol.

De vorm, kortom, is even belangrijk als de inhoud, en de jury heeft dit formele criterium nadrukkelijk

gehanteerd bij de beoordeling van de ingezonden gedichten. Maar na het kraken van deze kritische

noot hecht de jury eraan dat het niveau van de gedichten die dit jaar zijn ingezonden zeker niet

onderdoet van dat van de gedichten die in het vorige jaar werden ingezonden.


De jury heeft opnieuw als taak gekregen uit de ingezonden gedichten een winnaar te selecteren. Dat

is, net als in eerdere jaren, een lastige opgave, te meer omdat de ingezonden gedichten uit het

oogpunt van hun persoonlijke motivatie vaak nauwelijks te vergelijken zijn. Uiteraard is de gedachteinhoud

of meer abstract de aanleiding voor een gedicht een beoordelingsfactor – word je als jury

geraakt door de verwoorde gedacht of het verwoorde beeld? – maar daarnaast heeft de jury de

gedichten ook aan andere criteria getoetst.

1. Toepassing en uitwerking van het thema. Concreet wil dat zeggen dat de jury het thema van de

wedstrijd graag op een of andere wijze – in de vorm van een hoog-laagcontrast, een vliegenvliedencontrast

of -overeenkomst, een productieve metafoor – in het gedicht wilde herkennen.

2. Toepassing van poëtische middelen, zoals metaforen, rijm (in welke vorm dan ook) en stijlfiguren,

maar vooral ook maat en ritme. Concreet wil dit zeggen dat de jury onder meer gekeken heeft naar

de uitwerking van metaforen, de effectiviteit van stijlfiguren en de welluidendheid van de gedichten.

Een vast onderdeel van de taak van de jury is het hardop lezen van de gedichten, omdat daarbij de

muzikale of zo u wilt lyrische kwaliteit van het gedicht het best naar voren komt. Vandaar dat de jury

ook hecht aan de voordracht van de gedichten vanavond.

3. Toepassing van de eisen die mogen worden gesteld aan de afwerking van de geconcentreerde

taalvorm die een gedicht toch is, te weten de woordkeus, de zinsbouw en de spelling. Originele

woordkeus wordt uiteraard gewaardeerd, de zinsbouw mag natuurlijk functioneel afwijken van de

traditionele grammatica en zelfs in de spelling is er een zekere vrijheid. Maar de jury gaat ervan uit

dat toepassing van al deze talige middelen effectief moet zijn en dat bijvoorbeeld afwijkingen van

de spelling die niet verklaarbaar zijn door de poëtische inhoud of maat en ritme – afwijkingen die we

spelfouten moeten noemen – sterk afbreuk doen aan de talige verzorging van het voorwerp van taal

dat een gedicht in eerste instantie is.

De jury heeft alle inzendingen geanonimiseerd aangeboden gekregen en beoordeeld. Op basis van

deze criteria bleef een verzameling van tien gedichten over, die de jury geselecteerd heeft als de

gedichten die het best beantwoorden aan de verschillende criteria. De schrijvers van deze gedichten

zijn allen uitgenodigd hun gedicht deze avond voor te dragen.

Uit deze tien gedichten heeft de jury de drie gedichten gekozen die naar haar oordeel op grond van

de verwerking van het thema, de emotie die zij oproepen en de technische middelen die daarbij

gebruikt zijn, het best geslaagd zijn. De voorzitter van de jury zal deze drie gedichten dadelijk

bekendmaken.

De jury bedankt alle inzenders voor hun inzet en inspiratie en wenst de schrijver van het prijswinnende

gedicht veel plezier met zijn prijs.


de vlucht

met de wind onder mijn stille vleugels

drijf ik moeiteloos op de lichte lucht

in een trage vlucht, hoger en hoger

tot ik bijna de blauwe hemel raak

onder me volgt de rivier haar bochten

haar rondingen dijen uit en krimpen

op het ritme van de waterstanden

mits haar vrijheid niet is ingedamd

aken ter grootte van luciferhoutjes

geven zich over aan de stroming

altijd maar gestaag voort varend

op weg naar een veilige haven

met haviksogen verken ik de oever

registreer een beweging in het gras

ik stort me vliegensvlug omlaag

op wat een vluchtend muisje was

ANNETTE AKKERMAN

Vroeg uit de veren

(Arvo Pärt meets Maurits Escher)

Ik heb mijn warme bed en vrouw al vroeg verlaten

De veren van me afgeschud, mijn hoofd is goedgemutst

Vanaf de dijk zie ik het water,

dat hongerig de nacht verzwelgt

Dan daal ik naar het griendhout af

En zak er weg in flarden grondmist

Er drijven ontbeende runderen op,

vikingschepen op hun weg naar Dorestad

Een eerste korte koetenroep snijdt door de ijle stilte

Dan torent daar een kraaienkras, wat schor nog, bovenuit

De bleek-oranje ochtendzon gaat meer en meer vergelen

En jaagt de laatste witte wieven met haar eerste stralen weg

De voorhang is nu opgetrokken

Het schouwspel van ontwakend leven

wordt ook vandaag weer opgevoerd:

De visdief die naar driedoorns duikt

De schollevaar die water scheert

De reiger die zijn prooi fixeert

Ook zijn de ganzen niet in toom te houden

Ze vliegen kriskras door elkaar

Daar dartelt een ballet doorheen

van blinkendwitte meeuwen

Als dan een vleugel even spiegelt op het wateroppervlak

Raak ik verblind en weet ik niet meer wat ik zie

Wat ik ontwaar zijn zich herhalende patronen

Van vogels die door water vliegen

En van vissen in de lucht

Er daalt etherische muziek van boven neer

En ik bevind me lichaamsloos in hoger sferen

Een eeuwigheid van twee minuten

Dan keert de tijd geluidloos weer

JACQ ZINKEN


Vogeltrek

De sterke zon verwarmt mijn verenlijf.

Gehoorzaam aan de drang om te vertrekken

pik ik de laatste korrels rijst, voordat

mijn vlucht aanvangt naar noordelijke plekken.

Op mijn instinct als innerlijk kompas

dat mij ten dienste staat bij ‘t navigeren

vlieg ik ijlings naar ’t laag gelegen land

om daar te broeden en te foerageren.

Met onder mij een vers besneeuwde top,

wit als mijn beide, brede vleugelstrepen,

passeer ik ongehinderd grens na grens

zie in de verte afgeladen schepen

die kalmpjes stroomop- en stroomafwaarts gaan

in glinsteringen op het wijde water.

De waarden met hun kruidenrijke grond

vormen een jaarlijks openluchttheater

waarin ik op mijn lange stelten ga.

Dit drassig land zal mij het voedsel geven

en weidevogelvriendelijk beleid

de kans vergroten om te overleven.

Toch word ik steevast door de mens bedreigd

en moet uit lijfsbehoud de noodklok luiden.

Jaarlijks zijn wij met minder in getal

tijdens de overwintering in ‘t zuiden.

LEO VAN DER LAAN

Drone-talk

met mijn glazen oog

zie ik de rivieren

kribbig onder mij door gaan

driftig snorrend

vlieg ik van hot naar her

gelijk het water

ooit zijn eigen loop nam

maar de bakens zijn verzet

en dwingen de stroom

thans koers te houden

recht zo die gaat

geen ruimte meer

zich in bochten te wringen

JAN PIETER WEPSTER


Utto utto utto

Vlieg

vogels

vlieg

vlieg over zandwoestijnen

stijg op uit Senegal

en trek in groot getal

vlug naar ons vlakke land

met brede slagen.

Vlug

vogels

vlug

vlieg over witte toppen

trotseer de woeste zee

en breng de lente mee

strijk neer in dijkenland

vind rust in weiden.

Broed

vogels

broed

broed in de uiterwaarden

als kou geweken is

winter bezweken is

bescherm je nest zorgzaam

met groene halmen.

Vlucht

vogels

vlucht

vlucht voor de stormen komen

weg uit rivierenland

weet dat je als migrant

andermaal welkom bent

het volgend voorjaar.

LEO VAN DER LAAN

avontuur

vandaag vertrekken wij

dapper met z’n drieën

in een wild verlangen

het natuurlijke kompas

vliegt ons naar het zachte zuiden

om zwoele zomers voort te planten

wij richten ons op rode vlakken

langs de brede blauwe stroom

kronkelend door de groene velden

®


samen volgen wij in V-formatie

de vele bochten van de grillige geul

soms vliegen we strak in rechte lijn

plots kleurt het water zwart de lucht

doodsbang voor de donder wacht ik

vooraan wanhopig op de wissel

bliksems treffen de donkergrijze golven

geraakt verander ik alleen van koers

verlamde vleugels doen mij landen

de rustige rivier vangt mij remmend op

ik zwem zuchtend doelloos langs het riet

verdriet beweegt mijn zware vliezen

voort varend zie ik vol vertrouwen uit

naar de verre vlucht van volgend jaar

drijvend op mijn veren van verlangen

MELIS VAN DEN HOEK

De Rivier vertelt

Vogels krijten rechte lijnen

waar water kabbelt en kust,

de zoom van elke bocht

verankerd in leven dat zich

laaft aan het moment.

Ik drijf en eer het water

dan berijd ik weer het wolkendek

mijn schaduw volgt elke kronkel,

van dit grillige natte wezen

dat verhalen meevoert op haar reis.

Het leven ontrolt zich aan voeten

van hen die vogels volgen

van borrelende boreling

tot woeste wateren, als

uiteindelijk zoet en zout versmelten

en de einder mij in slaap kust.

SONN FRANKEN

Stem van de rivier

Tussen oevers rust mijn gewicht.

Alles in mij laat ik bezinken

drijven of verdrinken.

Onderhuids

vindt de stroom zijn eigen weg.

Aan weerszijden wonen mensen, grazen koeien

liggen vergeten schepjes op het strand.

Op tekentafels loop ik binnen de lijntjes

maar geen keurslijf houdt mij op koers.

Eenmaal onderweg

stroom ik altijd tegen klippen op.

Wanneer je me ziet ben ik al voorbij.

In één druppel besta ik niet.

SASKIA VAN LEENDERT


ik denk me vleugels

soms denk ik me vleugels

om geruisloos te ontsnappen

aan de kale dagen van het nu

ik scheer over daken, wegen, bossen

het doet me niets van hierboven

pas als ik de rivier traag en oneindig

door het weidse laagland volg

vertraag ik mijn vleugelslag

voel ik me opgenomen en gedragen

één met het voort meanderende water

dan weet ik dat er meer is

dan dit lichaam, dan dit hoofd dat denkt,

de eeuwigheid spiegelt zich in de stroming

het water reist zijn altijddurende cyclus

vol vertrouwen en in weerwil van de tijd

ANNETTE AKKERMAN

VOGELVLUCHTSONNET

de oeverstrandjes, grazend vee

een vader roept zijn kinderen

oranjetipjes vlinderen

een arend táált niet naar de zee

de binnenschipper in de regen

zijn wederhelft haalt haar gelijk

de horde motors op de dijk

een dijkbewoner sputtert tegen

de boer, de ganzen en hun wei

het blik en plastic in de sloten

twee ooievaars op hoge poten

als altijd staat de brug er bij

de wilgenknot en mispelbomen

en spoken die de dag verdromen

MARION VAN ROOIJ

Rivier Waal

Regen en sneeuw

In het buitenland

Verzameld water

In sloten en beken

Evolueert in een rivier

Regisseert de stroom

Waarmee de Waal

Al eeuwenlang

Afgeschermd door dijken

Langs ons heen gaat

MARINUS VAN MEEGDENBURG


het kruiend ijs kraakt

de opgeschrikte vogels

vluchten voor de winter weg

het is als duivels vuurwerk

om de torens van De Stomp

huilen de vlammen

Joost mag het weten waarom

de rivier holderdebolder

overspannen raakt

doordat een brug van steen

der wijzen over de Waal

geslagen moet

maar geef althans dat hellevolk

van Bommel geen kans

de oversteek te wagen

gelijk dus na passage

van de faustiaanse koets breekt

het bouwsel zichzelf weer af

het feest is al te lang gevierd

de vaten zijn leger dan leeg

de katten staken hun congres

uit de bevroren kasteeltuin zijn

de laatste bloemen geplukt

en de grote zwarte hond heeft honger

DICK VAN WELZEN

Rivier en vogelvlucht

Het kind in mij is er gebleven,

spelend langs de oever.

Hopelijk blijft het er nog even,

al huppelt ‘t soms wat stroever.

Ritmisch glijden bootjes van papier

op de deining van de rivier.

Flarden van voorbije jaren

lijken als bakens mee te varen.

Deinend op de rand van water,

naar later nog dan later.

Tot ze onder enorme golven

van een duwboot worden bedolven.

Dromen uiteengespat.

Opgerolde broekspijpen kletsnat.

Slechts een rimpeling resteert,

afkomstig van een steen

die over het water scheert

en uiteindelijk verdween.

JOSÉ GREMMEN-JANSSEN


RIVIER

Rivier,

Je stroomde over,

onbedaard.

Hoogwater in de uiterwaard.

Golven van boven

stroomden afwaarts

in vogelvlucht naar zee.

Zoet water richting zout.

Rivier,

Ik stroomde over,

raakte van de kaart.

Onbezwaard.

Golven van opwinding.

Nooit afwaarts

droom ik met je mee.

Omdat ik van je houd.

JOSÉ GREMMEN-JANSSEN

DE TOEVLUCHT

danser, rappe fladderaar

weggevlucht van het boerenland

weg van de maaiersschaar

hoe bedreigd is al je vogelstand?

vrijbuiter, nu aan de zandrivier

veilig op de Waalduinen geland

het is veel beter broeden hier

lentebode, op die hoge oeverwand

je klimt als de roofvogel attaqueert

vliegensvlug op de wind, met je gouden

zang, zo maak je, alouette, meer

kans dan als je je bek zou houden

verpozend aan schorren en slikken

jij dichter, rappe fladderaar,

zing toch zoals de veldleeuwerikken

broedend op nieuw repertoire

de hemel bestormen, in verticalen

en vocalen, juist dat is jouw bestaan

in deze wereld van platte verhalen

voordat de gieren toeslaan

DICK VAN WELZEN

Waterloop, levensloop.

Hoog in ijs gevangen

begint de stroom

zijn vochtig leven.

Bij de bron murmelt het water

zacht zijn altijd eendere refrein.

Licht waterlint daalt af

naar vruchtbare vlaktes.

Daar beneden schijnt de zon door

helder opbollende wolkenranden. ®


Met donderend vallen vermengt

kleurrijk water zich met lucht.

Aan het eind meandert de stroom.

Zijn kracht verloren, zoals ik.

Verdwijnt in branding van een oceaan.

Wie kent nog die ene druppel

waarmee ons leven ooit begon?

JAN VERSLUIYS

Rivier en vogelvlucht

Wij leerden - daarboven is de poort

waarachter – waarachter

de oorsprong en de eeuwigheid

ze reikten ons een zoete hand

de heiligen op zuilen en sokkels

in de plooien van hun wijde mantels

wenkten de sterren.

Verticaal wilde ik zijn

maar bleef niet staan

viel slap - knielde - richtte mij op

alleen de leeuwerik verdween

hoog jubelend uit het zicht.

Zo ging het

dus niet

ik gleed uit de verborgen bron

omlaag – omlaag

dreef afwaarts op de loop der dingen

schoof papieren bootjes het water op

werd zelf een boot

met hemel binnen handbereik

sliep met open ogen

kerken en kastelen droomden voorbij

tot een verraderlijk lied

mij tegen de rotsen smeet.

Ik greep het stuur

rukte de motor aan

om nooit te sterven

niet zolang ik liefhad

niet zolang ik begeerde.

Nu

in de delta

los ik mijn lange vlecht

en waaier uit tot vele namen

de Oude, de Stille, de Kromme,

het grijs is alom

ik hoor de zee - zie de zee komen

en word in haar diepte gedreven

al wil ik weer opstijgen

opstijgen naar de bron.

WIM DE KOEIJER


Stilte op de dijk

Stilte op de dijk

een witte geit

op een verdord weitje,

een boerenhuis met rieten dak

ademt verleden behouden.

Stilte aan de dijk

het water spiegelt

roerloos de boten,

vliegende ganzen

gakken in de lucht.

Openende,

heiligende,

helende stilte

op, aan, over,

boven en bij

de dijk.

WIM DE KOEIJER

Langs de rivier vloekt de kraai haar onrust als wilde rouw over me heen.

In lente en zoet warm vlees knauw ik mijn verdriet.

Glurend als Judas naar bedorven brood.

Gemeen prikt wijn mijn gehemelte kapot.

Oplichterij, klappen en schoppen van pijn.

Verschrikkelijk foutloos fiets ik bezoedeld weg.

Met een zwarte ziel zonder genade.

Ik reken mijn eigen bidprentje af en voel mij een leugenaar.

Ampel zelfonderzoek verklaart fier mijn fooi.

Het geweten gesust, de domme dingen blijven met de jaren komen.

Al mok ik nog wel over het gemakzucht van deze helse uren.

Ook mijn dood dient zwaar gestraft te worden.

JOLANDE VAN LITH

Afscheid aan de Waal

In de weerspiegeling van de maan

duwen donkere duwbakken vol met kolen

langzaam aan de herfst naar binnen

op de hoge rivierdijk blijf ik gedachtenvol staan

en hoor de ganzen zacht schreeuwend

aan hun reis beginnen

de donkere boten op de glimmende rivier zijn hun kompas

heel lang nog

zie ik kleine formaties opvliegen

over de snel stromende waterplas

ik staar ze na en voel hoe het was

om ver van je weg te gaan.

KEES DE GROOT


Rivier en vogelvlucht

Wij leerden - daarboven is de poort

waarachter – waarachter

de oorsprong en de eeuwigheid

ze reikten ons een zoete hand

de heiligen op zuilen en sokkels

in de plooien van hun wijde mantels

wenkten de sterren.

Verticaal wilde ik zijn

maar bleef niet staan

viel slap - knielde - richtte mij op

alleen de leeuwerik verdween

hoog jubelend uit het zicht.

Zo ging het

dus niet

ik gleed uit de verborgen bron

omlaag – omlaag

dreef afwaarts op de loop der dingen

schoof papieren bootjes het water op

werd zelf een boot

met hemel binnen handbereik

sliep met open ogen

kerken en kastelen droomden voorbij

tot een verraderlijk lied

mij tegen de rotsen smeet.

Ik greep het stuur

rukte de motor aan

om nooit te sterven

niet zolang ik liefhad

niet zolang ik begeerde.

Nu

in de delta

los ik mijn lange vlecht

en waaier uit tot vele namen

de Oude, de Stille, de Kromme,

het grijs is alom

ik hoor de zee - zie de zee komen

en word in haar diepte gedreven

al wil ik weer opstijgen

opstijgen naar de bron.

PAULINE VROOM

Rivier en vogelvlucht 1

Ik ben hier komen wonen tegen beter weten in

Het was het water, het riet, de glinstering

En bovenal een sterke drang van de rivier te leren

Hoe ik vertrekken kan zonder weg te gaan

Want ik zou zo graag volledig vloeibaar worden

Van bron tot monding onverstoorbaar ingebed

Alleen het landschap zal bewegen, het kan niet zonder

Heeft vol begrip de bakens weer verzet ®


Ik heb me uit het harnas van de angst gehesen

Mezelf bevrijd uit mijn eigen zwaartekracht

Ik kan nu eindelijk met het water samenwerken

De stroom vertrouwen dat hij me dragen zal

Vandaag ben ik zelfs een veelvoud van gestapeld blijven

Er is vriendschap met de stroom ontstaan

Hij achter veilige dijken, tevreden dat we hem begrijpen

En ik een baken in een zeer onveilig achterland

Turend naar de overkant

AD KONINGS

Rivier en vogelvlucht 2

Ze staan met opgetrokken schouders aan de oever

Ooit de wakers tegen het grote kwaad

Gehavend, blind en van hun kracht ontdaan

De rivier is al lang zijn eigen gang gegaan

De hoge torens zonden rooksignalen

Van de kantelen klonken kreten van geluk

God had hier resoluut een grens getrokken

Land gescheiden en mensen evenzeer

Het was een kunst de stroom zo te verleiden

Dat hij dienstbaar aan de mensen werd

Beschutte havens, hoge muren, vreemde talen

Maar bovenal de zekerheid van het gelijk

De rivier bleef zijn eigen bedding graven

Onverstoorbaar en met vaste hand

Vaak onstuimig en mateloos ontembaar

Brak hij door en maakte land tot zijn bezit

Ik houd het meest van de lichte bakens

Die op de flanken van het water deinen

Zachte tekens die makkelijk zijn te verplaatsen

Door hen die de rivier vooral willen bevaren

Omdat een vreemd verlangen hen daartoe dwingt

AD KONINGS

Mijn naam is Loden Vogel

ik ben lichter dan een zeppelin en zie

onder mij een zilveren lint oneindig

traag door omheind laagland gaan

er is prikkeldraad gespannen tussen

hoogspanningsmast en transformator

een luchtschrijver schrijft met rook

men jaagt op mij en naamgenoten

wij worden met grove hagel uit de

lucht geschoten in de dood gejaagd

GERARD SCHARN


De vogel

de vogel rok heeft lak aan vogelspotters

met één vleugelslag verdwijnt de meute

verscholen in nest en schuilhut

in scheervlucht ontwortelt hij bomen

duinen wandelen rivieren overstromen

wanneer de vogel rok laag overvliegt

of is het een bengaalse gier met zwarte vleugels

op weg naar een luchtbegrafenis voor de

ontvlezing van een vrome pars of pers

dein mee op de stroom der verwondering

langs oevers waarlangs eens doden dreven

en torens der stilte in zwijgzaamheid verstomden

GERARD SCHARN

Vleugels van de tijd

Op de vleugels van de tijd,

Vlieg ik mee, zonder pardon

Zoekend…….

Verblind door de zon

Verdringt de werkelijkheid.

Op de vleugels van de tijd,

Word ik nat

Niet tot schuilen bereid

Te veel regen gehad.

Op de vleugels van de tijd,

Zoek ik met een zucht

Wanhopig naar de blauwe lucht

Maar ben hem kwijt.

Op de vleugels van de tijd,

Zweef ik mee

Dromend…….

Wentel me tevree.

Ik duw de wolken opzij,

Om de blauwe lucht terug te halen.

De zon schijnt weer voor mij,

Droog me in haar stralen.

Onder de vleugels van de tijd,

Hoef ik niet meer te huilen.

Voel me bevrijd,

Ik kan weer schuilen.

DANA TREADWELL


Vogelvlucht

Voor niets toch ben ik meer beducht

Dan voor mijn allerlaatste zucht.

Het lied is uit, het si gedaan,

Ik mag gaan liggen, hoef nooit meer op te staan.

Voorbij, voorbij de zorgen hier,

Of ‘t leven wijn was of klein bier,

At van een houten of een gouden bord,

Heel vaak gelachen, soms tranen gestort.

Van wie zal ik nog afscheid nemen,

Van wat zal ik nog spijt vernemen,

Mag ik nog zingen in het koor?

Wat zal mijn laatste woord nog zijn

Fluisterend achter een dicht gordijn,

Maar mag ik wel dicht bij je zijn?

ANDRÉ VAN VUURE

Bakens in de eeuwigheid

Weet je nog?

Weet je nog dat wij daar liepen,

Spinrag wegvegend.

De golfslag van de rivier

Begeleidde onze voetstappen.

De zon dreef op het water

En nietsvermoedend

Wiekten de ganzen met zacht geluid

En ontvouwden hun vleugels

Op weg, waarheen, waar naar toe?

Zullen zij straks keren

En hun vluchtgegevens aan mij overdragen?

Word ik dan alwetend, ingewijd

Of raak ik ze voor altijd kwijt

Bakens in de eeuwigheid

ANDRÉ VAN VUURE

De Betuwe

Lentekriebels in mijn buik.

Spreeuwen dansen in het avondrood.

Af en toe laat de vorst nog van zich horen..

Niet enkel en alleen op koningsdag.

Lentekriebels in mijn lijf, de linge kronkelt door het veld.

Het kan mij enkel bekoren.

Lentekriebels .. je laat weer van je horen.

Zon beminnend mens, bloesem zal je pakken.

Als engelendruppels dwarrelen ze straks op ons neer.

De zonnestralen raken.

De windvlaag, beroeren..

Lentekriebels in mijn lijf, ouder als tevoren.

IGOR VAN DEN HOUT


april

je peddelde loom en dacht dat

het fluitenkruid floot dacht dat

de citroenvlinder je bewierookt

je wilde niet van knooppunt naar knooppunt

je wilde polsstokhoog

iets met haartjes op de huid en een zomerjurkje

maar wat deden die Konikpaarden langs de Waal

en hoe moest dat dan

na die cello van november en

die optocht van spekzwoerden

HEIN VAN DER SCHOOT

zo was het

en zo was het die dag

je gleed over het water

je ademde bomen beesten en huizen

en achter je rug

- ongezien weliswaarkrompen

de bomen beesten en huizen

de rivier gleed met je mee

en toen bij Wijhe

de late zomerzon het water streek

dacht jij, dat jij, louter jij, het heden was

later vertelde je over rijp op de velden

dat je bij voorkeur op een bagagedrager zat

dat de maan de bijslaap is van de zon

dat de tijd een verdacht subject is

dat hij mogelijk niet bestaat

überhaupt niet, voegde je nog toe

HEIN VAN DER SCHOOT

Vogelvrij

Wolken zweven over de rivier

Golven glinsteren in het zonlicht

Vogels zingen hun lied

Tussen de takken van de bomen

Het geluid van water klotsend tegen stenen

En de wind die door de bladeren ruist

De vogel spreidt haar vleugels

En vliegt naar onvergeten landen

Ik sluit mijn ogen

En laat me omarmen door het water

Ik vergeet al mijn zorgen

Ik ben zo vrij als een vogel

EMMA BERENDS (Cambium)


Kruisweg

Iedereen zijn weg, zijn begin, zijn bestemming

Van rivier tot mens tot adelaar

Kruisende wegen bestaan

De rivier kruist de weg van een mens

Van oever tot oever met de horizon als bestemming

Vol van leven, verwoesting en voorspoed

Het kruisen begint bij het bedwingen van het water

Er daarna gebruik van maken

Een kunst die de mens maar wat goed beheerst

De vogel in haar vrijheid kruist geen paden

In de lucht zijn die allang vervagen

Een vrijheid waar de mens graag van zou genieten

MOSHA LANGERAK (Cambium)

Schreeuwmeeuw

Ik zit op een bankje tegen de dijk

En kijk over de uiterwaarden naar de rivier

Het altijd stromende, nooit stilstaande water van de rivier

Een hondje komt voorbij

Een grappig hondje, een kwispelhondje

Een hondje dat blaft naar een krijsende meeuw

Hondje vindt dat raar

Een meeuw met zo’n harde schreeuw

Dan zie ik

Een andere meeuw in volle vleugelvlucht

Naar benee duikend vanuit een grijsblauwe lucht

Kolkt dan op, snoept een niet erg gedwee

Visje mee voor zijn diner

Rust dan uit op een schuimend golfje, kijkt heel tevree

En uitdagend naar de schreeuwmeeuw die een boze oerkrijs krijst

Zijn maaltijd is passé

Geboeid kijk ik naar deze klucht

Hondje blaft en kwispelt naar de nu lege lucht

Begrijpt het niet maar doet graag mee

Met deze vrijblijvende bemoeizucht

Dan kleurt de lucht avondrood

Het hondje gaat naar huis

De meeuwen dobberen nu ontspannen stil

In weerwil van hun gastronomisch geschil

Nu een vergeten gril

Tot een volgende vis

Oorzaak van nieuw meeuwschreeuwen is

En ik, op mijn bankje naast de rivier

Zie de avond vallen en kijk

Naar het eeuwig ruisende, nu grijsrood kleurende water

Ik blijf nog even, even maar

Het wordt vanzelf maanlater

ANDREA VAN SLOTERDIJCK


Een oeverillusie

Ik zie en hoor een spinnende kater

In het gras bij de rivier

Hij ligt strategisch gekromd op zijn buik

Verschuilt zich achter een dichte meidoornstruik

Voelt zich op en top koning kater

Koning van het gastronomisch water

Want deze koning houdt niet van gewoon water

Houd zich ver van nat gekrijs- en gesnater

Maar een vette meeuw is een ander verhaal

Hij ziet vleesbollen in de warme zomerlucht cirkelen met veel kabaal

Fantaseert een feestzaal, een megagrill

Een oneindig feestmaal

Die ene obese meeuw daar rustend in het gras

Moet het worden zal het zijn

Dat wordt smullen gelijk Obelix zijn everzwijn

Dus de kater, in principe lui maar niet te beroert

Een sprong te wagen sluipt en loert

Beraamt de grote sprong te wagen

Gelijk grote broer leeuw dat zou doen

Gewoon een kwestie van nadoen

Uiterwaarden trillen op hun grondvesten

Land van Maas en Waal zindert en trilt vol oeverkracht

Maar de sprong zo fraai berekent en bedacht

Eindigt roemloos in een illusie zonder vleesafdracht

In de lege bek van de kater

Deze jacht, symbool van macht

Fout volbracht

De meeuw krijst victorie, zwemt de rivier op, krijst en lacht

En de kater likt koninklijk zijn imago wonden

Overdenkt en beraamt: Wacht maar, de macht

Is aan hem die het laatst lacht

ANDREA VAN SLOTERDIJCK

Koud op de dijk

Eindeloze vlakten, vergezicht

Koude lucht, fris aan mijn wangen

Kristallen helder licht

Dit uitzicht in mijn geest bevangen

Hemel blauwwit en loodgrijs

Geluiden gedempt en vingers bevroren

Dit wil ik vasthouden voordat ik afreis

Ik zie daar in het landschap oude sporen

Van mens en dier maar nu vervaagd

Dood hout ligt er aangespoeld

De tijd vertraagd

Statisch landschap, onderkoeld

Koud geworden uitzicht

Mooi en stil

In mijn geest brengt het licht

Dit is wat ik onthouden wil

MEREL TOUSSAINT


De rivier

Grijs-groen is het water

Blauw-zwart de lucht,

De wind steek op, wat later

waait door mijn haar, ik zucht

Ik adem diep, de lucht is koel en fris

De dijk verlaten, ik ben alleen

Er is veel dat ik mis

Wat zal ik doen, waar ga ik heen?

De natuur leidt mij af

Tijdelijk uitstel geeft het mij

Voor een keuze die geen oplossing gaf

mee met het tij.

Mee met de stroom van het water,

Dat is het devies voor velen

Maar wat brengt het je later?

Kan ik mijzelf wel helen?

De natuur trekt mij aan

Mee met de stroom van het water

Trekt mij van mijn sores vandaan

Gaan mijn zorgen naar een moment later

Ganzen vliegen over en gakken luid

Nu de uiterwaarden in, meteen

Ik voel de koude lucht op mijn huid

De rivier lokt mij, ik kan er niet omheen

MEREL TOUSSAINT

zijn wij

de nieuwe zon zingt zich los van de horizon

´t water warmt zich in de morgenstralen

d´oude kou van de gletschers glijdt van de rivier af

de rivier weet zijn water wordt zee

de zon kent haar aarde en wacht op de horizon

een vlucht vogels laat de uiterwaarden los

dwalen met de waterstroom mee

dalen neer op een krib

zwermen door het zonnelicht

zwerven de dijken voorbij

zijn wij

de zon die haar horizonnen wacht

de rivier die zich de zee weet

zijn wij

de vogel die de dijk voorbij zwerft

JAN STELLOO


Vogels vliegen doorgaans hoog

De grote Boeings van KLM

Symbool voor ornithologen

Hoog boven de Waal bij Zuilichem

Uit de baan van jagers’ kogels

En alleen de vogels vliegen van

Noord naar Zuid, vervolgens later retour

Lekker ’s-zomers zonder liegen dan

Wordt thuisfront verteld van veel voer

’t Is een wederkerend fenomeen

Vlucht hoog boven ’t aardoppervlak

Ondanks soms regen, sneeuw, hagelsteen

Vliegen in V-vorm, met gemak

Hoewel soms die wind, speelt best parten

Net als alle elementen

Vliegen birds met getrainde harten

Naar diverse continenten

ANNEJAN KUPPERUS

een vliegend vis al uit Pernis

die vloog naar Wamel voor de dis

hij had gehoord van Dreumels Waard

aldaar je gulden een daalder waard

dus zat hij aan na uren vliegen

geloof me echt, ‘k sta niet te liegen

hij kreeg een bord met honderd maden

voor deze vis niet te versmaden

maar toen z’n buik was tonnenrond

en hij ook nog een pier verslond

kon hij de vlucht naar huis vergeten

hij had gewoon teveel gegeten

maar niet geklaagd hij kon ook zwemmen

geen mens die hem nog af kon remmen

hij dook de plomp in onverveert

begrijp me goed da’s niet verkeerd

maar reeds minuten na z’n duik

zwom onze vriend prompt in een fuik

de visser blij, bracht toen heel vlug

de hoogvlieger naar Dreumel t’rug

alwaar hij floep de pan in ging

vanaf de tail tot aan z’n wing

en zo, ‘k vertel het hier in ‘t kort

lag hij toen zelf daar op z’n bord

JAN PIETER WEPSTER


Van het midden

Ongevoelig beweegt het door

met al haar vermogen

Hindernissen onbemint passerend

Leven vol energie

niet gekend door grootte

Beroerd neemt het mee

Spattend, bruisend en in overvloed

Komend en vertrekkend

naar buiten

RENÉ PENNINGS

Samen

samen

staan ze

op de dijk

zij in dit leven

hij

ergens

ver weg

maar soms meer

dichtbij en vaag voelbaar

aanwezig

ganzen

vliegen over

ze kijken samen

zoals ze nauwelijks gedaan

hebben

zwevend

en stromend

vogels en water

vanzelfsprekend, moeiteloos, een tijdloos

decor

hem

niet kennen

haar grootste pijn

ze tast naar zijn

hand

haar

achter gelaten

een plotselinge dood

haar vingers koud en

gegroeid

het

moment voorbij

zij alleen hier

hij daar in de

verte

zich

verwijderende vleugels

water dat verdampt

tot over een tijdje

misschien

CLAUDIA POT


Waterlied

Rustig ligt het leven in een bedding.

Een brug tussen omkijken en toekomst.

Het water kent onze koers van ademen.

De dag meandert vinnig. Vol pret scheppen

we emmertjes. Vogels zoeken takken.

Een nest op weg naar moois.

We kabbelen in afspraken. Vlug of traag.

Kneden denkwijzen naar het beeld van

heden. Riet wiegt zich tussen verlangens.

Op verwilderde bermen baden windvlagen

in schubbige woorden. Vangnetten van

afval drijven weg. Geluk bruist omhoog.

Over de rivier blaast de zuiderlucht langzaam

een nieuw lied.

ERIKA DE STERCKE

wilsbeschikking

zoek mij een tehuis

zachtmoedig ontworpen

met een kroontjespen

zoek mij een tehuis

met een onopvallende

extra schoudergevel

daarachter mijn kamer

muren van boeken

veldbloemen op tafel

drie hoge ramen met

zicht op waar de Maas

en Waal elkaar raken

waar ik voortsnellende

wolken de vogels

kan zien uitdagen

een houten veranda

met gemakkelijk te

openen achterdeuren

als ik hem laat piepen

komt een jonge tuinman

hem smeren

LIESBETH ULIJN


St Andries

waar de IJssel stroomt

zie ik de Maas

fietsend langs de Donau

denk ik aan de Waal

bij de Maas met zijn kuilen

waar je in kon zakken

liet ik voor moeder mijn

meisjesbenen aan de grond

aan de Nijmeegse Waal

ging ik in zonde wonen

werd zonder hulp

van Moenen vrouw

ik kom van Brabant

bemin twee rivieren

aan beider oevers

wil ik spelen

deze zomer leidde

St Andries mij langs

zijn sluis en zegende

mijn oeverspel

ik blijf van Brabant komen

word oud aan de Waal

LIESBETH ULIJN

More magazines by this user
Similar magazines