15.01.2019 Views

februari 2013 nummer 1

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

edactioneel

Hardnekkig

Henk Viscaal

Het is al weer een flink aantal jaren geleden dat ik mij bezig hield met de

handel in cactussen en vetplanten. Daarvoor bezocht ik markten, braderieën en

tuinbeurzen. Het enthousiasme droop ervan af en ik had me voorgenomen om de

wereld te laten horen dat leven zonder cactussen wel heel erg moeilijk zou zijn.

Zoetgevooisd en rap van tong vertelde ik de mooiste verhalen die betrekking

hadden op mijn handelswaar.

Voor de kraam had ik dan een groot aantal toehoorders die zichtbaar genoten

van de smeuïge verhalen die ik opdiste. Een enkeling ging dan als dank over tot

aanschaf van een van de vele juweeltjes die ik op de kraam had staan. Dit was echter

wel een incidenteel gebeuren, want de meeste toehoorders knikten vriendelijk

na afloop van een van de vele verhalen en vervolgden hun weg zonder tot welke

aanschaf dan ook over te gaan.

Naarstig ga je dan op zoek naar een formule, want mijn auto vertikte het na

het aanhoren van welk prachtig verhaal dan ook over cactussen of vetplanten om

daarop te gaan rijden. Er moesten wel degelijk inkomsten zijn, om aan de nodige

voorwaarden te kunnen voldoen.

De oplossing lag in het feit dat je concessies moest gaan doen bij je inkoop. Dat

die planten die ik mooi vond weinig tot geen aftrek vonden bij de consument drong

langzaam tot mij door. Mijn leverancier overtuigde mij ervan dat ik mij meer moest

richten op de belangrijkste bezoekers van de markt nl. de huisvrouw.

Het aanbod van planten op mijn kraam veranderde drastisch en tot mijn verbazing

had ik regelmatig wel meer dan drie mensen tegelijk voor de kraam staan. Wat

echter veel belangrijker was; de kassabel rinkelde nu regelmatig. Had ik verkeerd

gegokt in mijn eerste opzet?

Vanaf het moment dat mijn vrouw, verkoopster in hart en nieren, mee ging om te

helpen kwam er een stroomversnelling en groeiden de verkoopcijfers, alsook de

vaste klantenkring, gestaag.

Tussen al het fraais op de kraam stond ook een tray met geënte cactussen. U

weet wel, een driekantig stammetje met daar bovenop een fel gekleurd plantje.

Meestal een hylocereus en daarop een verbastering van een gymnocalycium.

Steevast werd er dan naar dat plantje met dat bloempje gevraagd. Zo ook op een

dag dat een vrouwelijke klant naar de prijs van dat plantje met dat bloemetje vroeg.

Bijna naïef begon ik te vertellen: “Dat is geen bloempje mevrouw, maar een

chlorofylloze plant. Deze is geënt op de groene onderstam en die verzorgt de

levensverrichtingen voor het plantje. U koopt dus eigenlijk 2 plantjes.” De klant

stond met een wazige blik enige tijd na te denken en zei vervolgens: “Doet u mij

dat plantje met dat bloemetje dan maar.”

Helemaal perplex keek ik naar de dame in kwestie en al inpakkende dacht

ik aan een spreekwoord en tevens of ik niet beter in de juwelenhandel of in de

varkenshandel zou kunnen gaan.

Door de verhuizing naar mijn huidige adres kwam er een einde aan mijn

cactushandel, omdat het onmogelijk was om een vestigingsvergunning op dit adres

te krijgen.

2

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


CRASSULA PERFOLIATA VAR. FALCATA:

HET SIKKELDIKBLAD

Theo Heijnsdijk

Uit een oogpunt van vorm en bloei is het Sikkel-Dikblad, C.

falcata, een der merkwaardigste en schitterendste leden der familie.

Wat deze plant al dadelijk doet opvallen, zijn de vreemd gevormde,

dikke, grijsgroene bladen, die naar den vorm aan bananen doen

denken en die zóódanig aan het rechte, stevige stammetje bevestigd

zijn, dat zij in twee rijen links en twee rijen rechts boven elkander

staan, waardoor de plant met haar vier bladerrijen toch een

tweezijdige, platte gestalte heeft. Zeer merkwaardig is de bekleeding

der bladen, welke onder het microscoop zich voordoet als een

bedekking met blaasvormige, tegen elkaar gedrukt staande cellen,

die de verdamping tegengaat.

De bloeiwijze verschijnt in den zomer in de gestalte van een platte,

schermvormige tros met een menigte van kleine, vermiljoenroode

bloempjes. De plant is het mooist als zij tot een hoogte van 30 cm

is opgegroeid; zij kan echter belangrijk hooger worden.

Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het Verkade-album

“Vetplanten” uit 1932. Zie de afbeelding.

Crassula falcata, bij de oude

bloemisten beter bekend als Rochea

falcata, is een zeer antieke succulent,

welke bijkans geheel uit de cultures

verdwenen is.

Vroeger, een halve eeuw of langer geleden,

kweekte elke bloemist ze en waren

op alle buitenplaatsen prachtexemplaren

te bewonderen. Tegenwoordig

ziet men ze, volledig heidshalve, nog

wel bij de vetplantenliefhebbers. Men

heeft ze aangeschaft, omdat ze volgens

de beschrijving in de handboeken zoo

mooi en zoo dankbaar moet bloeien.

Maar van die dankbare bloei hebben

de meesten bitter weinig bespeurd. Ligt

dat aan de plant - of aan de verkeerde

behandeling?

Zoals u, gezien het taalgebruik

waarschijnlijk al begon te vermoeden,

is bovenstaande niet mijn inleiding

bij dit artikel maar wederom een

citaat, deze keer uit het geïllustreerde

weekblad Floralia van 26 oktober

1933. De schrijver is die andere

coryfee uit de toenmalige Nederlandse

succulentenwereld, de heer G.D.

Duursma, de schrijver van het met de

Verkade-albums concurrerende Pette’s

cactusalbum (uit 1931). De kop van

het artikel luidt “Crassula falcata, een

ondankbare bloeier?”. Merkwaardig is

dat het artikel, als contrast misschien,

geïllustreerd wordt met een foto van een

bloeiende Stapelia variegata.

Crassula falcata is afkomstig uit de

Kaapprovincie (Zuid-Afrika). De plant,

die al sinds ongeveer het jaar 1700 bekend

is, werd in 1798 door de Duitse

botanicus Johann Christoph Wendland

in het blad ‘Botanische Beobachtungen’

beschreven. De Candolle gaf de plant in

1802 in deel 3 van zijn tweetalige boekwerk

‘Plantarum Historia Succulentarum’

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 3


4

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


= ‘Histoire des plantes grasses’ de naam

Rochea falcata. Hij creëerde het geslacht

Rochea om daarin de crassula’s

met grote buisvormige bloemen onder

te brengen. De geslachtsnaam verwijst

naar de Zwitserse botanicus Daniel

de la Roche. Diens zoon François was

ook botanicus. Beiden stierven in 1813

in Parijs aan de tyfus (door de soldaten

van Napoleon meegebracht uit

Rusland). Om ze allebei te eren splitste

De Candolle het geslacht in 1828

op in een sectie Daniela en een sectie

Francisceana. In het genoemde

boekwerk van De Candolle, dat in afleveringen

tussen 1799 en 1837 verscheen,

vinden we ook een afbeelding

(van Pierre Joseph Redouté) van

Rochea falcata. Ik vind de gelijkenis

niet zo heel sterk. Veel mooier is de afbeelding

in Fragmenta botanica van

Nicolaus Josephi Freiherr von Jacquin,

ook in afleveringen verschenen in de jaren

1800 - 1809 (afb. 1). Hier heet de

plant Larochea falcata (geslachtsnaam

in 1805 gepubliceerd door de Zuid-

Afrikaanse mycoloog Christiaan Hendrik

Persoon maar ongeldig). Tegenwoordig

worden de rochea’s weer gewoon tot het

geslacht Crassula gerekend waarbij C.

falcata als een variëteit van C. perfoliata

beschouwd wordt. Perfoliata betekent

‘met doorgroeide bladeren’ en dat heeft

vanzelfsprekend betrekking op de stengelomvattende

bladvoeten die de indruk

wekken dat de stengel door de bladeren

heen groeit. Dit verschijnsel zien we nog

veel duidelijker bij C. perforata en aanverwante

soorten.

De tekst en de afbeelding uit

het Verkade-album waarmee dit

artikel begint geven een goed

beeld van C. falcata. De zinsnede

over de ‘bekleeding’ van de plant

met blaasvormige cellen die de

verdamping tegengaan is ontleend

aan het boek “Pflanzenleben” van

Afb. 1: Plaat uit Fragmenta botanica (1800 -1807)

van N.J. von Jacquin.

Afb. 2: Illustratie uit ‘Pflanzenleben’ van Kerner von

Maribaun.

Bij 1 een circa 600 keer vergrote dwarsdoorsnede

en bij 2 een circa 350 keer vergroot

bovenaanzicht. Rechts zijn de pantsercellen

weggelaten zodat de huidmondjes zichtbaar

worden

Kerner von Maribaun uit 1887. Hierin

vinden we een afbeelding met een

dwarsdoorsnede en een bovenaanzicht

van het bladoppervlak (afb. 2). Aan de

rechterkant zijn de betreffende cellen

weggelaten zodat de huidmondjes

zichtbaar worden. In de Nederlandse

bewerking “Het leven der planten” van

Dr. Vitus Bruinsma luidt de tekst (iets

ingekort) als volgt:

“De gewone opperhuidcellen zijn klein en

slechts weinig verdikt aan den buitenwand. De

cellen die het pantser samenstellen zijn daarentegen

buitengewoon sterk vergroot, reeds hun steelvormige

voet, die als een wig geschoven is tusschen

de gewone epidermiscellen, is betrekkelijk

groot; maar de blaasvormige opzwelling heeft afmetingen

die wel het 600-voud bedragen van de

maat der gewone opperhuidcellen. Alle blaasjes

sluiten dicht aaneen en hebben door den druk,

dien zij wederkeerig op elkander uitoefenen, bijna

den vorm van een kubus gekregen. Waar er desniettegenstaande

nog een opening zou overblijven,

gaan van de blazen uitwassen en uitstulpingen

naar links en rechts, die zoo in elkaar sluiten

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 5


Mij doen de pantsercellen

sterk denken aan de

basaltblokken waarmee de

dijktaluds verstevigd worden.

Wat uit het bovenstaande

duidelijk wordt, is

dat C. falcata ondanks het

grote bladoppervlak uitstekend

bestand is tegen uitdroging

door zon en hitte.

Afb. 3: C. perfoliata var. falcata in de ‘Eden collectie’. Volgens de

kweker een reeks van trendy planten met uitzonderlijke vormen

en kleuren in sierschalen die tijdens de zomer op de terrastafel

schitteren. “En in het najaar haal je ze gewoon naar

binnen”

Afb. 4: De knoppen zitten in het begin als een grauwe kluit op elkaar

gepakt

dat een volkomen gesloten pantser ontstaat. Deze laatste naam

is hier te meer gerechtvaardigd, omdat de blaasvormig gezwollen

cellen, van Crassula falcata, hard zijn als kiezelsteenen. In hun celwand

is overvloedig kiezelzuur afgezet en door ze uit te gloeien

krijgt men een echt kiezelskelet, zooals van Diatomaceae. Dat in

den drogen tijd zulk een pantser de saprijke cellen, die het bedekt,

uitstekend beschut tegen verdamping, zal wel niet verder behoeven

te worden aangeduid.”

6

G.D. Duursma constateerde

anno 1933 dus

dat C. falcata een antieke

plant was die nagenoeg

uit de collecties verdwenen

was. Anno 2012

zijn ze weer helemaal terug.

De plant past met

zijn zilvergrijze tot olifantgrijze

bladeren uitstekend

in de moderne interieurs

en ook in het tuingebeuren.

Zo lanceerde de firma

Smit uit Sappemeer enkele

jaren geleden de ‘Eden

collection’:

“Dit label garandeert de

consument vitale planten

die er paradijselijk uitzien.

De combinatie van

uitzonderlijke vormen en

kleuren met een unieke

naam moet aan iedere

plant een markante

identiteit verlenen. Geen

kleurrijke overvolle

bloembakken, maar

een reeks van trendy,

niet bloeiende planten

in sierpotten, schalen of

plantenbakjes.

Al deze planten kunnen tijdens

de zomer op de terrastafel

schitteren en in het

najaar haal je ze gewoon

naar binnen.”

U begrijpt dat de alinea

hierboven alweer geciteerd

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 5: Het scherm ontvouwt zich en de bloemknoppen beginnen op kleur te komen

is. Ditmaal uit het promotiemateriaal van

de kweker. Tot de ‘Eden collection’ behoort

een schaal helemaal vol geplant

met C. falcata. Ik moet toegeven dat het

een schitterend gezicht is (afb. 3).

We gaan weer terug naar het artikel

“Crassula falcata, een ondankbare bloeier?”

uit het weekblad ‘Floralia’. Dat ondankbare

zit hem natuurlijk niet in de

bloei op zich, want het is bijzonder boeiend

om te zien hoe de knoppen die in

het begin als een grauwe kluit op elkaar

gepakt zitten (afb. 4), zich ontvouwen tot

een zich geleidelijk via geel en oranjerood

(afb. 5) naar vlammend rood kleurend

parasolachtig scherm (afb. 6). Er

is ook een wit bloeiende vorm. Het ondankbare

zit hem in de bloeiwilligheid.

Na de hierboven geciteerde regels gaat

het artikel als volgt verder:

“Wij kennen een ouden kweeker in

Friesland’s hoofdstad, iemand die zich

over een zorgvuldige cultuurbehandeling

heusch niet druk maakt, en bij dezen

staan elken zomer tientallen “Rochea’s”

schitterend in bloei. Andere kweekers

hebben wel eens getracht dezen Rochea

specialist zijn geheim te ontfutselen.

Maar achter de waarheid kwamen ze

niet, want op de vraag, welk middel hij

toch toepaste om elk jaar zulke mooi

bloeiende Rochea’s te krijgen was het

lakonieke antwoord: “niets!”.

En toch heeft bedoelde kweeker in dat

eene woord zijn gansche cultuurgeheim

verraden. Het is ongelooflijk, hoe

nonchalant, hoe barbaarsch bijna, de

Rochea’s hier behandeld worden.”

Hierna volgt een verhandeling over

het toch vooral ‘hard’ kweken van deze

planten en het afremmen van sterke

groei. Het artikel eindigt als volgt:

“De oude kweeker waarvan wij in den

aanhef gewaagden, slaat in het voorjaar

de planten uit den pot en gooit ze zoo

op een zonnige plaats neer, om ze

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 7


Afb. 6: De kleur van het bloemscherm gaat via oranje naar vlammend rood

weer op te potten zoodra zich knoppen

vertoonen.”

Ook in dit geval wordt dus de plant

door een sterke terughouding in den

groei tot bloeien gedwongen.

De planten gedijen dus het best als

ze in de zomer veel zon en frisse lucht

krijgen en niet meer water dan nodig is

om rimpelen te voorkomen. In de winter

is een koele maar lichte standplaats aan

te bevelen.

De vermeerdering kan door zaaien,

het stekken van zijscheuten en door

het nemen van bladstekken, liefst met

hieltje. In zandige grond wortelen de

stekken snel (afb. 7).

Voor deze algemeen bekende plant

is er naast de botanische naam natuurlijk

ook een aantal ‘volksnamen’. Naast

8

sikkeldikblad vinden we de benaming

propellerplant. Engelstaligen gebruiken

ook de naam ‘scarlet paintbrush’ (scharlakenrode

verfkwast). G.D. Duursma

noemt haar in een van zijn boeken liefdevol

“de Kaapsche schoone”.

In de loop der jaren is gebleken dat

C. falcata met vrijwel iedere andere crassula

gekruist kan worden. Dat is des te

meer opmerkelijk daar er onder de crassula’s

een onwaarschijnlijk groot aantal

verschillende groeivormen bestaat.

In zijn boek ‘Crassula’ geeft Gordon

Rowley een schema waarin maar liefst

16 andere crassula’s genoemd worden

waarvan hybriden met C. falcata bekend

zijn. Daarnaast ook nog een aantal

kruisingen die niet gedocumenteerd

zijn maar waarin C. falcata waarschijnlijk

ook betrokken geweest is. Bij de eerste

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


kruising zocht men het

nog dicht bij huis. Die

was in 1898 met een

collega Rochea, namelijk

R. coccinea en

deze hybride kreeg de

naam C. x langleyensis.

In 1936 volgde C. exilis

ssp. cooperi en de hybride

heeft tegenwoordig

de naam C. x justicorderoyi.

Hierna was het de

beurt voor Dr. Meredith

Morgan die in 1945

een hybride wist te realiseren

met de nietige,

slechts ongeveer 1 cm

hoog wordende C. mesembryanthemopsis

(afb.

8). Dat leverde de hybride

‘Morgan’s Beauty’ op.

Waarschijnlijk kent iedereen

deze plant wel. Hij

ziet er uit als een in alle

dimensies samengeperste

C. falcata en hij bloeit

met een amper boven

de rozet uitkomende

tuil van welriekende

roze bloempjes (afb. 9).

Voormalig cactuskweker

Hovens uit Lottum verkocht

ze destijds in grote

aantallen. Ik heb geconstateerd

dat dit plantje

vooral op vrouwen een

bijna onweerstaanbare

aantrekkingskracht uitoefent.

Het enige nadeel

is dat de uitgebloeide

bloemen als een lelijke

prop boven op de plant

blijven zitten. Deze eigenschap

deelt de plant

met haar vader zoals in

afbeelding 8 ook te zien

is.

Een andere zeer bekende

hybride is

‘Buddha’s Temple’ (afb.

Afb. 7: C. perfoliata var. falcata is gemakkelijk door bladstekken te

vermeerderen

Afb. 8: C. mesembryanthemopsis, de vader van C. ‘Morgan’s Beauty’

10) uit 1959, een kruising met C. pyramidalis. Ook

kunnen we ‘Jade Necklace’ (afb. 11), een kruising

met C. rupestris var. marnieriana, ook uit 1959 en

‘Moonglow’ (afb. 12), een kruising met C. deceptor uit

1958 aantreffen.

Verder zijn er ook weer kruisingen tussen deze

kruisingen, maar die laten we hier maar buiten

beschouwing.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 9


Afb. 9: C. ‘Morgan’s Beauty’ (C. perfoliata var. falcata x C. mesembryanthemopsis)

Literatuur:

Candolle, A.P. de & Redouté, P.J.

(1799-1837). Plantarum Historia

Succulentarum, vol. 3: t. 121.

Jacquin, N.J. von (1809). Fragmenta

botanica, figuris coloratis illustrata, t.

82.

Kerner von Marilaun, A. (1902). Het

leven der planten, naar den 2den druk,

voor Nederland bewerkt door Dr. Vitus

Bruinsma.

Laren, A.J. van (1932). Vetplanten,

Verkade’s fabrieken N.V., Zaandam

Rowley, C. (2003). Crassula, Cactus &

Co.

Wendland, J.C. (1798). Botanische

Beobachtungen, 44.

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern.

Thd@roc.a12.nl

10

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 10: C. ‘Buddha’s Temple’ (C. perfoliata

var. falcata x C. pyramidalis)

Afb. 11: C. ‘Jade Necklace’ (C. perfoliata

var. falcata x C. rupestris

var. marnieriana)

Afb. 12: C. ‘Moonglow’ (C. deceptor x C. perfoliata var. falcata)

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 11


VOOR HET VOETLICHT

Bertus Spee

Thelocactus bicolor subsp. bolaensis

In het zuidwesten van de

Mexicaanse deelstaat Coahuila ligt

een bergrug genaamd Sierra Bola.

Daar vinden we deze opvallend wit

bedoornde thelocactus volop tussen

de kale rotsen. Ze vormen flinke

clusters bij een hoogte van wel

40 cm. Als ze bloeien is het een lust

voor het oog. Op enkele omliggende

bergruggen zijn deze planten ook

te vinden, zij het met een wat meer

geelachtige bedoorning.

In cultuur planten we ze het best

in een terracotta schaal, in een mineraalrijk

grondmengsel. Tijdens de

groei geven we matig water en laten de potkluit steeds opdrogen. ’s Winters houden

we ze licht en droog bij een minimumtemperatuur van 5 0 C. Vermeerderen gaat prima

uit zaad; na 6 jaar kunnen ze al bloeien. Stekken is ook mogelijk, oudere planten

spruiten aan de basis. Na een week of twee drogen laten we deze stekken bewortelen

op vochtig grof zand of bims.

Puna bonnieae

Deze kleine onopvallende plantjes

zijn te vinden in het noordwesten

van Argentinië, in de provincie

Catamarca, op 2500 m hoogte in

het voorgebergte van de Andes. Ze

zitten hier diep in de grond en vormen

een flinke knolwortel.

In cultuur planten we ze in een

diepe pot en geven ze een zanderig

grondmengsel met weinig humus.

Tijdens de groeiperiode krijgen ze

matig water en een flink zonnige

plaats. In de winter houden we ze

droog bij een minimumtemperatuur

van 5 0 C.

Vermeerderen kan goed door stekken. De kleine kopjes maken al snel een flinke

wortel op vochtig grof zand en beginnen ook al snel te spruiten. Na enkele jaren

verschijnen in de zomer de mooie grote bloemen. Zaaien is ook mogelijk, het kan

echter lang duren eer de grote zaden kiemen. Volgens de laatste opvattingen heet

deze soort nu Tephrocactus bonnieae.

12

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Brasilicactus (Parodia) haselbergii

Deze mooi bedoornde planten zijn

afkomstig uit het zuiden van Brazilië.

Ze werden vroeger veel aangeboden

bij de kwekers, maar tegenwoordig

zien we ze weinig meer in cultuur.

Ze kunnen wel 15 cm in doorsnee

worden en bloeien in de zomer. Het

zijn nogal kougevoelige planten die

we boven de 10 0 C moeten laten

overwinteren.

Ze groeien het best in een humusrijk

substraat en verlangen een matige

watergift. Ze hebben een vrij

teer wortelgestel dat bij het verpotten

gemakkelijk beschadigt. Vaak zien

we daarom dat deze planten geënt

staan op een jusbertii- of pachanoi-onderstam. Vermeerderen kan door zaaien; de

fijne zaden kiemen redelijk snel.

Tegenwoordig worden deze planten bij het geslacht Parodia ingedeeld. Het lijkt er

steeds meer op dat sommige mensen naast het kweken van cactussen een nieuwe

hobby ontdekt hebben, nl. cactusnamen door elkaar gooien.

Aloe krapholiana

Dit is een mooie, klein blijvende, maar

vrij onbekende aloë. Het zijn planten die

weinig plaats innemen in een verzameling.

Ze worden maar 20 cm in doorsnee.

In het moederland, Zuid-Afrika,

zijn ze heel sporadisch te vinden in

Namaqualand. De plant is genoemd naar

haar ontdekker, H.C. Kraphol.

We planten ze in een kiezelrijk, doorlatend

substraat en geven heel matig water.

In de winter houden we ze zo goed als

droog bij een minimumtemperatuur van

12 0 C.

Vermeerderen kan door zaaien, maar

zaden worden echter zelden aangeboden.

Stekken is ook mogelijk, oudere planten

spruiten soms aan de basis. De bloeiperiode

valt bij ons in de herfst wanneer de

korte dikke bloeistengel met rode bloemen

verschijnt; in Zuid-Afrika is het dan

voorjaar.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 13


OP BEZOEK BIJ…..LUDWIG BERCHT

Jan Jaap de Morree

Wie bij Succulenta het woord Gymnocalycium laat vallen, ziet een rijzige persoon met kortgeschoren

baard opveren. Ludwig is verweven met het kweken, propageren en onderzoeken

van dit grote geslacht. Een markant persoon met stevig stemgeluid, wat goed van pas

komt bij zijn lezingen op de diverse afdelingen.

Geboren in1945 in Zwartebroek (gem.

Barneveld) vanwege evacuatie van zijn

ouders tijdens de laatste heftige oorlogshandelingen

uit Arnhem, volgde

hij de lagere school in Arnhem en

door verhuizing van zijn ouders naar

Bennekom de HBS-B in Ede. Hij studeerde

aan de universiteit van Utrecht

organische chemie van natuurstoffen.

Na een aantal “chemische” banen bij

o.a. het douanelaboratorium en het laboratorium

van de Gemeentepolitie

Amsterdam, maakte hij eind 1984 een

switch naar wet- en regelgeving voor

melk en zuivelproducten bij de VVZM

(Vereeniging voor Zuivelindustrie en

Afb.1: Kijkje in de kas

14

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Melkhygiëne) later overgaand

in de NZO (Nederlandse Zuivel

Organisatie). In februari 2007

volgde vervroegde uittreding

en in februari 2010 ging hij met

pensioen. Toen lag de wereld

van het kweken en verzamelen

van cactussen helemaal voor

hem open.

Succulentalid sinds eind 1974,

over een paar jaar nadert dus

het 40-jarig lidmaatschap van

de vereniging. Naast het landelijk

lidmaatschap was hij lid

van de afdeling Utrecht e.o. en

na zijn verhuizing naar Eck en

Wiel een trouw lid van de afdeling

Nijmegen. Van de afdeling

Utrecht is hij zo’n 11

jaar voorzitter geweest. Maar

in Succulentaland is er meer.

Bestuursfuncties zijn er altijd te

vervullen. Op de ALV van 31 mei

1980 werd Ludwig benoemd tot

secretaris van Succulenta, tevens

aanspreekpunt voor het

Verenigingsnieuws. In april 1984

volgde hij de hoofdredacteur Jan

Defesche op. Zo stapelden de

functies zich op, maar op de ALV

eind mei 1984 gaf hij het secretariaat

over aan Peter Melis. In de

eerste jaren van zijn hoofdredacteurschap

was het samenstellen

van het maandelijks uitkomende

tijdschrift een forse klus. De

lay-out van het tijdschrift moest

met pritt-stift op A4’tjes worden

uitgevoerd voor de drukker.

Samen met Jan Jaap de Morree

en Theo Neutelings was dat een

secuur plak-karwei dat eerst bij

Theo in Roosendaal en later elke

maand in Leidschendam na het

avondeten bij Jan Jaap plaatsvond.

(Dat is tegenwoordig digitaal

wel gemakkelijker geworden).

In januari 1991 volgde Aat

van Uijen hem als hoofdredacteur

op en bleef hij lid van de

Afb.2: Zo ging het vroeger; schoonmaken van de zaden

Afb.3: Fotokokertjes met identificatienummers en zaailingen

Afb.4: Gymno’s te over

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 15


toenmalige redactieraad. Maar het bloed

kruipt waar het niet gaan kan en momenteel

vervaardigt hij samen met Henk

Viscaal opnieuw het tijdschrift.

Naast al de papieren bedrijvigheid

ligt het verzamelen en kweken van cactussen

hem na aan het hart. Dat is in

zijn (zeer) grote kas in Eck en Wiel wel

te zien. In De Meern begon hij eerst

met een bakje binnen en daarna een

muurkas. In 1978 verhuisde hij naar

Harmelen en kwam er al een iets grotere

kas van zo’n 2x4 m in de tuin. Daarna

een tunnelkas in Vleuten, gevolgd door

de kas van de voormalige lagere tuinbouwschool

in Vleuten. Maar het kon

nog groter. In 1994 verhuisde hij naar

Eck en Wiel en liet daar in 1995 een

kas bouwen van 19,5 x 29 m (Venlobouw),

zoals gedeeltelijk is te zien op

afbeelding1.

Eind 1983 begon hij met het uitgeven

van een zaadlijst (het eerste jaar nog

samen met Henk van Dijk) onder het

motto Flos coronat opus (De bloem bekroont

het werk). De drijfveer was: het

verspreiden van zaden, dit is ook het

ideaal gebleven. Het is een indrukwekkende

lijst van voornamelijk zaden van

Zuid-Amerikaanse soorten die ieder jaar

uitkomt met een bijna oneindig aantal

veldnummers. Bij mijn bezoek zag ik

dat er nog heel wat werk voor komt kijken

bij de handelingen rond die zaadlijst.

In rijtjes borrelglaasjes staan niet

zozeer de alcoholische oppeppers klaar

voor eventueel bezoek, maar geplette

vruchten die staan te weken om de zaden

schoon te maken (afb. 2). Een tafel

verderop staan honderden met zaailingen

gevulde plastic fotokokertjes, die

heel goed kunnen worden gebruikt voor

het uitvoeren van steekproeven m.b.t. de

kiemkracht van de in de zaadlijst aangeboden

zaden (afb.3). Maar je kunt nooit

alles allemaal zelf winnen en schoonmaken.

Dus ging hij ook over op zaadaankopen

bij enkele betrouwbare collega’s

in binnen- en buitenland. De papieren

versie van de zaadlijst is nu opgevolgd

16

door een digitale (www.bercht-cactus.nl).

Nu kun je tevreden zijn met een gigantische

collectie, veel lezen en vergaderen,

maar reizen naar de vindplaatsen

is ook een optie. Dat doet Ludwig

dan ook nog bijna elk jaar! De eerste

reis voor cactussen was in 1978

naar Curaçao en Bonaire (bezoek aan

schoonzus en zwager). Eerste doelgerichte

reis in 1988 met Jörg Piltz

en Detlev Metzing (Paraguay), in 1989

een korte reis naar de USA (o.a. Big

Bend), in 1989 Argentinië (met Gert

Neuhuber), in 1990 een korte reis

naar de USA (Utah, etc.) en in 1990

Brazilië en noordelijk Uruguay met Rudi

Werner Bueneker. In dec. 1992 samen

met Monique, zijn huidige vrouw, naar

Argentinië. In 1996 samen met Monique

naar Zuid-Afrika. In 1998 met Christian

Hefti in Uruguay. In 2000 samen met

Helmut Amerhauser naar Paraguay, in

2002 met Helmut Amerhauser naar

Bolivia, in 2004 met Massimo Meregalli

naar Uruguay, in 2005 met Herbert

Thiele naar Bolivia, in 2006 met Volker

Schädlich naar Paraguay, in 2007 met

Massimo Meregalli naar Argentinië,

in 2008, 2009 en 2011 met Volker

Schädlich in achtereenvolgens Bolivia,

in Paraguay en weer Bolivia en in 2012

met Massimo Meregalli en Tomasz

Kulhanek in Argentinië.

In de grote kas is het niet moeilijk

om planten van het cactusgeslacht

Gymnocalycium te vinden, een geslacht

dat hem na aan het hart ligt en waarover

hij momenteel in Succulenta een steeds

groter wordende reeks publiceert (afb.4).

Grote planten met de karakteristieke geschubde,

doornloze bloemen. Waarom

gymno’s? Gewoon toeval. Toen hij afdelingslid

werd, was het gebruikelijk dat je

aan de hand werd genomen door een

ouder lid. Dat was Joop Geurts en die

had voornamelijk gymno’s. Zo simpel is

het. Maar ook frailea’s en een collectie

lobivia’s vinden een plaats.

Als je zoveel cactusreizen speurend

naar gymno’s maakt, komt er een

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb.5: Ludwig met de naar hem genoemde Gymnocalycium berchtii

Foto’s van de schrijver

moment dat er een nieuwe soort naar je

wordt vernoemd: G. berchtii (afb.5). De

voor een gymno vrij kleine plant werd

tijdens de reis in 1989 in het noorden

van de Argentijnse provincie San Luis

gevonden, gewoon langs de weg in de

buurt van Los Chañares. Op die reis

vonden ze ook een plant die verwant is

met G. bruchii (LB 328) en die onlangs

is beschreven als G. carolinense ssp.

ludwigii (een soort-indeling waar Ludwig

het niet mee eens is).

Ludwig is medeoprichter van de

Arbeitsgruppe Gymnocalycium die na

meer dan 30 jaar nog steeds actief is

en waarvan hij zo’n beetje de voorzitter

is. Natuurlijk bezoekt hij elk jaar de

verschillende gymnocalycium-bijeenkomsten,

zoals in 2012 in Eugendorf

(Oostenrijk), Carmagnola (Italië), Praag

(Tsjechië) en Radebeul (Duitsland);

“Radebeul” vond vele jaren plaats in

Niftrik (Nederland) en verhuisde dit jaar

naar Duitsland.

Naast het geslacht Gymnocalycium

gaat zijn belangstelling uit naar alle

‘koude’ cactusgeslachten uit Zuid-

Amerika. Dat werd nog geïntensiveerd

toen hij de Lobivia-verzameling

van de veel te vroeg overleden Clazien

Bouwman overnam. En het zal Ludwig

weer niet zijn, want onmiddellijk sluit

hij zich aan bij de Freundenkreis

Echinopseen en is ook daar een actieve

deelnemer aan de halfjaarlijkse bijeenkomsten

in Ruhla (Duitsland).

Kortom hij verveelt zich echt niet.

Koperwieklaan 19

2261CL Leidschendam

morree@ziggo.nl

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 17


HET GESLACHT GYMNOCALYCIUM

– EEN OVERZICHT (XXII)

Ludwig Bercht

In deze aflevering komt eindelijk de typesoort van het geslacht Gymnocalycium, namelijk

G. gibbosum aan de orde. Nog steeds is de verwarring rond deze soort groot en voor velen

is het onderscheid met G. reductum onduidelijk.

We schrijven het jaar 1812 als Haworth

in zijn Synopsis plantarum succulentarum

een plant beschrijft die hij zag in de

collectie van ene heer Vere (Kensington

Gore, Engeland). De tekst luidt: C?

(Gibbous) subrotundus, profunde sub

sexdecim angularis; apice depresso,

inermi; angulis gibbero notabili sub singulo

fasciculo spinarum; spinis nigris.

Habitat ….

Floret ….

Cult. Ante 1808 S.h.

Obs. I have not seen this nor any other

species with so small a number of angels

as ten. Described from Mr. Vere’s

collection.

(Vertaald: C? (geknobbeld) halfbolvormig,

met 16 duidelijke ribben, schedel

ingedrukt, onbewapend, ribben met

opmerkelijke knobbels met op elk een

doornbundel; doorns zwart). (Opm. gibbous

is een drukfout, het dient gibbosus

te zijn).

De plant is blijkbaar al 4 jaar in

cultuur.

In het Botanical Register 2 (1816) publiceert

Edwards een tekening van

zeer waarschijnlijk dezelfde plant.

Deze afbeelding wordt in 1990 door

Kiesling vastgelegd als het lectotype

van G. gibbosum. De ombenoeming

tot Gymnocalycium geschiedt

in 1844 bij de nieuwbeschrijving van

het geslacht en formeel heet de soort

nu Gymnocalycium gibbosum (Haw.)

Pfeiffer ex Mittler. Het is de oudst beschreven

soort die tot het geslacht

18

Gymnocalycium behoort en daarmee de

typesoort.

In een zeer uitvoerig artikel bespreekt

Wolfgang Papsch (1996) de geschiedenis

van G. gibbosum en maakt aannemelijk

dat de typevindplaats bij Carmen

de Patagones aan de monding van de

Rio Negro te vinden is. Het voert hier te

ver om zijn bewijsvoering te herhalen.

In een volgend artikel (1996a) gaat

Papsch - die men kan beschouwen

als de expert voor de gymno’s van

Patagonië - in op de geschiedenis van

de variëteiten van G. gibbosum en houdt

grote schoonmaak onder alle namen en

beschrijvingen die in relatie tot G. gibbosum

in de afgelopen 200 jaar zijn gepubliceerd.

Naast de formele, erkende

subspecies en variëteiten van G. gibbosum,

zijn verschillende variëteiten als

naam ontstaan uit de verwarring met G.

reductum, waarover later.

Papsch komt tot de volgende indeling

van de vormenrijke soort G. gibbosum:

1. G. gibbosum subsp. gibbosum

var. gibbosum fa. gibbosum

(Haw.) Pfeiffer ex Mittler. Plant bolvormig

tot verlengd op latere leeftijd,

ca. 14 rechte ribben die in

knobbels zijn opgelost, 7-9 randdoorns

en 1 (-2) middendoorns,

meestal zwart maar er bestaan

ook planten met lichtgekleurde

doorns. Bloemen uit de areolen

van het jaar ervoor, ca. 75

Afb. 1: Cactus gibbosus in Botanical Register (1816)

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 19


Afb. 2: G. gibbosum in Lemaire, Iconografia descr. De Cact. (1841)

20

mm lang en 60 mm breed, wit.

Zaadgroep Gymnocalycium (voorheen

Ovatisemineum). De groeiplaatsen

zijn beperkt tot gebieden

aan de monding van de Rio Negro

bij Carmen de Patagones.

2. G. gibbosum subsp. gibbosum

var. gibbosum fa. cerebriformis

(Speg.) Papsch. Dit is een monstrueuze

vorm van de typevorm

en door Papsch bij Carmen de

Patagones teruggevonden.

3. G. gibbosum subsp. gibbosum

var. brachypetalum (Speg.)

Papsch. De beschrijving van

Spegazzini uit het jaar 1925 is

zeer gedetailleerd. Het zijn vrij

vlakke planten met ca. 13 ribben,

5-7 doorns, stralend afstaand,

eerst gelig later bruingrijs. De witte

bloemen staan bijna op de rand

van de schedel. Vindplaatsen aangrenzend

aan het typeverspreidingsgebied

in het Rio Negro dal

en enkele zijdalen tot aan de provincie

Neuquen. G. gibbosum var.

nigrum, een nomen invalidum,

hoort hierbij.

4. G. gibbosum subsp. gibbosum

var. chubutense (Speg.) Papsch.

Al bij de zeer uitvoerige en nauwkeurige

nieuwbeschrijving van dit

taxon in 1902 vond Spegazzini dat

het slechts de rang van variëteit

toekwam; evenwel bij de ombenoeming

tot Gymnocalycium verhief

Spegazzini het toch tot een

eigen soort. De zeer vlakke planten

gaan ondergronds over in een

krachtige penwortel, 12-13 ribben

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 3: G. gibbosum var. brachypetalum (JPR 25-64)

General Conesa

Afb. 4: G. gibbosum var. brachypetalum (P 97)

Afb. 5: G. gibbosum var. brachypetalum (WP 120-165)

La Adela

Foto W. Papsch

Afb. 6: G. gibbosum var. chubutense (JPR 62-142) Trelew,

Gaiman

Afb. 7: G. gibbosum subsp. ferox (JPR 54-121) San Afb. 8: G. gibbosum subsp. gastonii (JPR 22-56) Cerro

Miguel

de la Ventana, duidelijk een vorm van G.

reductum

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 21


met een kale schedel. Op de areolen

staan 5-6 afstaande randdoorns

en vaak 1 middendoorn.

Groeigebieden van deze variëteit

zijn de kustgebieden die aansluiten

op die van de var. brachypetalum;

deze groeigebieden strekken zich

uit van San Antonio de Oeste via

de Peninsula Valdez tot het gebied

rond Bahia Bustamante.

5. G. gibbosum subsp. ferox

(Labouret ex Rümpler) Papsch. In

1886 verschijnt de beschrijving van

E. gibbosus var. ferox in Förster’s

Handbuch der Cacteenkunde.

Enigszins afgevlakt bolvormig met

14 ribben. Randdoorns 12-14, 2-3

cm lang; 2-3 middendoorns. Alle

doorns bleekbruin later vergrijzend.

Bloemen wit. Een vindplaats wordt

niet aangegeven. De planten zijn

later gevonden in het gebied tussen

Bahia Bustamante en de Sierra

Chata.

Na deze herziening en opruiming door

Papsch worden toch weer vier subspecies

van G. gibbosum beschreven.

In 2002 beschrijven Halda, Malina

en Milt G. gibbosum subsp. ferdinandi

op basis van door Jaroslav Prochazka

verzameld materiaal in de Sierra de la

Ventana. Aansluitend aan deze publicatie

staat de nieuwbeschrijving van G.

gibbosum subsp. gastonii door Halda en

Milt, vernoemd naar de hond(!) van Milt

en eveneens gebaseerd op materiaal

verzameld door Prochazka (op de Cerro

de la Ventana). Beide subspecies zijn

slechts vormen van G. reductum en hebben

niets van doen met G. gibbosum.

De derde beschrijving is eveneens

door Halda en Milt opgesteld in 2002;

het is G. gibbosum subsp. radekii. De

beschrijving is gebaseerd op materiaal

verzameld in de Barranca de Gualijo,

provincie Rio Negro. Vier jaar later verschijnt

de nieuwbeschrijving van G. gibbosum

subsp. radovanii door Halda en

Milt. Het basismateriaal is al weer verzameld

door Prochazka, nu bij Choele

22

Choel. Deze laatste twee subspecies

kunnen probleemloos gerekend worden

tot G. gibbosum subsp. gibbosum var.

brachypetalum.

De start van de soort G. reductum was

ongelukkig. Het was in dezelfde uitgave

als waar de beschrijving van Cactus

gibbosus is te vinden, dat Haworth een

Cactus nobilis beschrijft met de woorden

(vertaald) “C? (nobel) verlengd,

veelribbig, met knobbels en middellange,

rechte doorns”. Hij wijst er al op dat

er reeds een Cactus Nobilis bestaat die

dit niet is. Link (1822) is degene die dit

recht zet en de plant de naam Cactus

reductus geeft. In 1844 wordt de soort

geplaatst in het dan nieuwe geslacht

Gymnocalycium.

Zeer lang is aangenomen dat G. reductum

de oudere vorm van G. gibbosum

is. Een uitvoerige opsomming

van alle verwarring en alle vormen en

variëteiten die dienaangaande zijn beschreven,

kan men lezen bij Papsch

(1997). De groeiplaats was bij de oorspronkelijke

beschrijving foutief aangegeven

met Mexico. Pas veel later, in de

jaren tachtig van de vorige eeuw, wordt

duidelijk dat de planten voorkomen in

de Sierra de la Ventana in het departement

Tornquist, provincie Buenos Aires.

De lijst van synoniemen in de opvatting

van Papsch is enorm. Tot G. reductum

rekent hij bekende variëteitsnamen zoals

G. gibbosum var. fenellii, var. gerardii,

var. leucantha, var. leonense, var. nobile,

var. schlumbergeri, var. ventanicola en

var. rostratum.

In 1850 beschrijft Salm-Dyck een

spruitende plant als Echinocactus gibbosus

β leucodictyus. Deze planten zijn teruggevonden

aan de noordoostzijde van

de Sierra de la Ventana en vormen daar

een goed afgebakende groep. Papsch

heeft dit taxon in 1997 ombenoemd

tot G. reductum (subsp. reductum) var.

Afb. 9: Cactus reductus afbeelding uit Curtis

Botanical Magazine (1849)

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 23


Afb. 10: G. reductum (WP 17-19) Cerro Tres Picos

Foto W. Papsch

Afb. 12: G. reductum gevonden door Dirk van Vliet bij

Tornquist

Afb. 13: G. reductum var. leucodictyon (WP 12-12) Cerro

de Tuna

Afb. 11: G. reductum (WP 21-24a) Sierra Cural Malal

Foto W. Papsch

leucodictyon (Salm-Dyck) Papsch. Een

bekend synoniem is G. gibbosum var.

caespitosum (een nom. inval.).

De planten die voorkomen in de Sierra

Chica en de Sierra de Lihuel Calel (provincie

La Pampa) worden in 2006 door

Halda en Milt beschreven als G. sibalii.

Het holotype ervan was opgekweekt

uit zaden van Prochazka (JPR 77/173).

In 2008 volgt de ombenoeming tot

G. reductum subsp. sibalii door Gert

Neuhuber. Een indeling bij G. gibbosum

en dan in verbinding tot G. gibbosum

var. brachypetalum zou eerder voor de

hand liggen, maar Neuhuber baseert zijn

24

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 14: Echinocactus leeanus in Curtis Botanical Magazine (1845)

indeling op basis van de bloem.

In 1840 worden in Engeland zaden ingevoerd,

afkomstig van John Tweedie,

een tuinarchitect in Buenos Aires. In

1845 beschrijft Hooker deze planten en

vernoemt ze naar Mr. Lee van de kwekerij

Hammersmith als Echinocactus

Leeanus. Lange tijd werd E. leeanus

aangezien als synoniem van de iets eerder

beschreven E. hyptiacanthus en later

werd gedacht dat E. leeanus betrekking

had op planten uit Uruguay. Papsch beargumenteert

uitvoerig dat G. leeanum

(zo ombenoemd door Britton & Rose in

1922) in Argentinië

thuishoort en gevonden

kan worden in de

Sierra del Tandil in

de provincie Buenos

Aires. Opvallend is

de lichte bedoorning

met roodbruine basis.

In 2000 benoemt

Papsch de planten

om tot G. reductum

subsp. leeanum

(Hooker) Papsch.

Door Walter Rausch

en Dirk van Vliet en

later ook door Jörg

Piltz en weer later natuurlijk

door Wolfgang

Papsch werden in

de bergen rondom

Balcarse tot aan Mar

del Plata planten gevonden

die bekend

zijn geworden onder

de benaming

G. schatzlianum. De

nieuwbeschrijving

kwam uit de pen van

Franz Strigl en Walter

Till in 1985. Papsch

vindt dat het slechts

een regionale variëteit

is van G. reductum

subsp. leeanum

en benoemt ze om tot

G. reductum subsp.

leeanum var. schatzlianum (Strigl & W.

Till) Papsch.

Voor deze aflevering is dankbaar gebruik

gemaakt van de publicaties van

Wolfgang Papsch, die tevens zeer vriendelijk

was enkele illustraties ter beschikking

te stellen. Tevens geldt mijn

dank Daniel Schweich en The Missouri

Botanical Garden Library voor het mogen

reproduceren van enkele oude

illustraties.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 25


Afb. 15: G. reductum subsp. leeanum var. schatzlianum

(WP 59-73) Mar del Plata, Sierra de los Padres

Afb. 16: G. reductum subsp. leeanum var. schatzlianum

(WP 10-10) Balcarce, Cinco Cerros

Afb. 17: G. reductum subsp. sibalii (JPR 77-173) Sierra

Chica

Afb. 18: G. reductum subsp. sibalii (WR 539) Sierra

Lihuel Calel

Literatuur:

Edwards, S. (1816). Botanical Register 2:

Tab. 137.

Halda, J.J., M. Malina en I. Milt (2002).

Acta Mus. Richnov. Sect. natur. ((1): 61.

Halda, J.J. en I. Milt (2002). Acta Mus.

Richnov. Sect. natur. 9(1): 62 en 63.

Halda, J.J. en I. Milt (2006). Acta Mus.

Richnov. Sect. natur. 13(1): 5-7.

Haworth, A.H. (1812). Synopsis plantarum

succulentarum, London: R. Taylor

& co, p. 173.

Hooker, W.J. (1845). Echinocactus

Leeanus, Curtis Botanical Magazine pl.

4184.

Kiesling, R. (1990). Cactus de Patagonia,

26

in Flora Pat. 5 p. 178.

Neuhuber, G.J.A. (2008). Eine kritische

Betrachtung des Gymnocalycium sibalii

Halda & Milt, Gymnocalycium 21(1):

755-760.

Papsch, W. (1996). Zur Herkunft und

Charakterisierung von Gymnocalycium

gibbosum (Haworth) Pfeiffer ex Mittler,

Gymnocalycium 9(3): 181-188.

Papsch, W. (1996a). Gymnocalycium

gibbosum (Haworth) Pfeiffer ex Mittler

und seine Varietäten, Gymnocalycium

9(4): 189-202.

Papsch, W. (1997). Die pampinen

Gymnocalycien - 1. Ein

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Map 1 Verspreidingsgebied G. reductum

Map 2 Verspreidingsgebied G. gibbosum

De cijfers op de kaartjes corresponderen met de

nummers van de foto’s

Gymnocalycium mit interessanter

Geschichte: Gymnocalycium reductum

(Link) Pfeiffer ex Mittler, Gymnocalycium

10(4): 223-232.

Papsch, W. (2000). Die pampinen

Gymnocalycien – 2. Gymnocalycium

reductum subsp. leeanum (Hooker)

Papsch, Gymnocalycium 13(3): 363-372.

Rümpler, T. (1886). Carl Friedrich Förster’s

Handbuch der Cacteenkunde p. 583.

Verlag Wöller, Leipzig.

Salm-Dyck, J. (1850). Cacteae in horto dyckensi

cultae anno 1849, p. 34.

Spegazzini, C. (1902). Echinocactus gibbosus

DC. var. chubutensis Speg., Anal.

Mus. Nac. Buenos Aires, VII (Ser. 2, deel

IV), 285.

Spegazzini, C. (1925). Nuevas notas cactalogicas,

Anal. Soc. Cient. Argent. 99, 131.

Veerweg 18

4024 BP Eck en Wiel

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 27


HET GESLACHT COTYLEDON (10)

Cotyledon barbeyi Schweinf. ex Baker

Ton Pullen† & Ben Zonneveld

Georg Schweinfurt (1836 - 1894) was een Duitse professor in de etnologie (volkenkunde),

die ook botanisch geïnteresseerd was en een groot deel van zijn leven besteedde aan wetenschappelijk

onderzoek in Afrika.

Hij ontdekte en beschreef Cotyledon

barbeyi, een soort die hij vernoemde

naar William Barbey (1842 - 1914), een

Zwitsers filantroop en botanicus. De typeplant

van Schweinfurt is afkomstig

uit Ethiopië, maar zij komt ook in Zuid-

Afrika voor. C. barbeyi heeft dus een

buitengewoon groot verspreidingsgebied,

vele malen groter dan dat van de

andere cotyledonsoorten.

C. barbeyi vormt succulente struikjes

van 0,5–2 m hoog, met rechtop groeiende

tot klimmende takken met een

schilferende geelgrijze bast. De bladeren

zijn erg variabel van vorm, omgekeerd

lancet–lijnvormig, 4–16 cm lang en 1-5

cm breed. De bladeren zijn glad of donzig,

soms klierachtig behaard, zittend

tot kort gesteeld. De basis is wigvormig,

de bladpunt is spits. De bloemen verschijnen

aan een vertakkende, rechtop

groeiende bloeiwijze van 20–60 cm

lang, waarvan de steel soms rood aangelopen

is. De kelkslippen zijn groen,

de bloembuis is min of meer flesvormig,

met een gezwollen verdikking tussen de

Afb.1: Natuuropname van Cotyledon barbeyi van E. van Jaarsveld

28

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


kelkblaadjes, donkeroranje

tot rood. De kroonslippen

zijn 15 mm lang. De

honingschubjes zijn langwerpig,

geelgroen. De

bloeitijd in Zuid-Afrika is

van juni tot augustus. In

Leiden en Nieuwleusen

heeft hij tot nu toe niet

gebloeid.

De soort komt wijdverspreid

voor in droge

rivierdalen in de

Zuid-Afrikaanse provincies

Kwazulu-Natal,

Mpumalanga, Gauteng,

North-West en Limpopo.

Verder in Swaziland en

noordelijk door oostelijk

Afrika tot op het Arabisch

schiereiland.

Recent is een nieuwe

variëteit van C. barbeyi

als var. soutpansbergensis

Van Jaarsv. & Van Wijk

beschreven van Limpopo

in Zuid-Afrika (Aloe

49:18-20 (2012). Het is

een laagblijvende, meer

compacte vorm met korte

bloemen en grijze i.p.v.

groene bladeren, die duidelijk

aangepast is aan

het groeien op aan de

zon blootgestelde rotsen.

In Zuid-Afrika wordt

een aantal cultivars van

deze soort gekweekt:

‘Dikblaar’ met groot grijs

blad, ‘Golfrand’ een naam

die voor zichzelf spreekt,

‘Langblaar’ met lang

(25 cm) en smal blad en

‘Steelpoort’ met harig

blad van de gelijknamige

plaats in Mpumalanga.

Het is opvallend dat

er van deze soort verschillende

cultivars zijn,

maar dat deze soort in

Afb. 2: Cotyledon barbeyi in de kas

Afb. 3: Cotyledon barbeyi var. soutpansbergensis

Nederland nauwelijks in cultuur is, laat staan de cultivars.

Het heeft misschien te maken met het feit dat deze

soort in het oosten van Zuid-Afrika groeit waar niet veel

Nederlandse plantenliefhebbers komen.

Schubertlaan 196

2324EC Leiden

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 29


EEN PAAR OVERDENKINGEN BIJ HET

GESLACHT NEOWERDERMANNIA

Herbert Thiele

Het cactusgeslacht Neowerdermannia werd in 1930 door Alberto Vojtech Frič opgesteld

met toentertijd als enige soort N. vorwerkii. In alle jaren erna werd er slechts één soort aan

toegevoegd, N. chilensis, door Backeberg in 1936. Beide soorten kregen nog wel elk één variëteit/ondersoort:

N. vorwerkii var. gielsdorfianus Backbg. en N. chilensis subsp. peruviana

(Ritt.) Osto, de laatste oorspronkelijk door Ritter als soort beschreven.

Men zou de indruk kunnen krijgen dat

planten van dit geslacht weinig te vinden

zijn in Zuid-Amerika. Niets is minder

waar. Al tijdens de expedities van

Backeberg en Ritter werd bekend, dat

Neowerdermannia niet tot de zeldzame

cactussen behoort en al helemaal niet

dat ze er allemaal hetzelfde uitzien en

dezelfde bloemkleur hebben. Moderne

cactusverzamelaars/toeristen hebben

het internet ter beschikking en met behulp

van veldnummerzoekmachines verkrijgen

zij veel informatie over de groeiplaatsen.

Als ze dan daadwerkelijk in

de natuur op zoek gaan, moeten zij een

lange vierlandenreis plannen, want de

vindplaatsen van Neowerdermannia liggen

verspreid over de landen Argentinië,

Bolivia, Peru en Chili. Ze zijn op vele

plekken te vinden. Neowerdermannia’s

zijn in het algemeen geen cactussen

die hun groeiplaatsen voor zichzelf willen

behouden. Men kan er lobivia’s,

verschillende opuntia’s en parodia’s

aantreffen, maar ook dikwijls vertegenwoordigers

van de zuidelijke weingartia’s

en puna’s.

De gebieden waar neowerdermannia’s

zich thuis voelen, moeten een bepaalde

bodemstructuur hebben. Zij ontwikkelen

een krachtig wortelsysteem in

de vorm van een forse, conisch toelopende

wortel. Zij hebben dan ook een

30

bodemstructuur nodig, die de mogelijkheid

geeft zich in de rustperioden in

de bodem terug te trekken. Dit zeer typische

gebeuren kan ertoe leiden, dat

de planten voor een overgroot deel van

het jaar niet zichtbaar zijn of slechts met

zeer geoefende ogen zijn te vinden.

Het verspreiden van de zaden geschiedt

in de natuur vooral door mieren;

deze bijten de vruchten open en

bijten de zaden af die ze dan naar hun

nesten verslepen. In het nest worden de

zoete zaadaanhangsels eraf gebeten en

aan het broedsel gevoerd. De zaadkorrel

komt dan als nutteloos afval op de

afvalberg van het volk en verkrijgt daarmee

de beste omstandigheden om een

neowerdermannia-leven voort te zetten.

Maar het zijn niet alleen de mieren die

neowerdermannia’s als voedsel gebruiken.

“Achacana” is de naam die een indigino-stam

op het eiland Lago Poopo

aan deze cactus heeft gegeven. Als in

het voorjaar na de regentijd de planten

zich met vocht hebben gevuld, graven

de indigino’s ze uit, snijden de penwortel

af en gebruiken deze als vervanging

van aardappelen.

Lange tijd golden de Altiplano tussen

La Paz en Uncia in Bolivia, de hoogpuna

in Argentinië en het grensgebied

in noord-Chili ten noorden van Jujuy

als de klassieke verspreidingsgebieden.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 1: N. vorwerkii, Challapata, verzameld door Jupp

Noack

Afb. 2: N. vorwerkii, Challapata, ex Jupp Noack

Afb. 3: N. vorwerkii (HTH 1), Lago Poopo

Afb. 4: N. vorwerkii (HTH 1), Lago Poopo

Afb. 5: N. vorwerkii (HTH 1), Lago Poopo

Afb. 6: N. vorwerkii (VZ 176), Macha

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 31


Afb. 7: N. vorwerkii (VZ 176), Macha

Maar door toenemend veldonderzoek is

het aantal vindplaatsen beduidend uitgebreid.

Vooral in Bolivia zijn vele groeiplaatsen

ten noorden van Tupiza en in

het gebied rond Camargo ontdekt en

het ziet ernaar uit dat tussen La Paz in

het noorden en Villazon in het zuiden

nog veel te ontdekken valt.

Ofschoon al lange tijd bekend, vindt

men bij kwekers nauwelijks aanbiedingen

van neowerdermannia’s. Ook

bij de liefhebbers zijn ze niet algemeen

aan te treffen. Al enige tijd lopen

vraag en aanbod niet parallel. En

dat is zeker het geval voor de roodbloeiende

vormen uit het gebied rond

Ururo in Bolivia. Als men vraagt waarom

er zo weinig planten worden aangeboden,

dan hoort men steevast het

antwoord dat de zaden slecht kiemen.

Neowerdermannia’s stellen weinig eisen

32

aan de cultuuromstandigheden. Wie

zonder veel verliezen hoog-andiene cactussen

zoals lobivia’s, parodia’s of aylostera’s

kan kweken, zal ook neowerdermannia’s

zonder problemen groot

kunnen krijgen. Met andere woorden,

geef de planten voldoende diepe potten,

een mineraalrijk substraat en een

optimum aan licht en frisse lucht en

men kan spoedig genieten van de bloemen.

Boven in de kas ondergebracht zal

de knopvorming bij gunstige klimaatomstandigheden

en veel zon al eind februari,

begin maart beginnen. Dan kan

men al begin april volop bloeiende planten

hebben. Geen slecht moment, want

dan zijn er nog geen vliegende insecten

en kan de liefhebber zonder veel voorzorgen

bij het bestuiven soortzuivere zaden

krijgen. Bij sommige N. chilensis

vormen helpt de natuur zelf een handje,

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 8: N. vorwerkii (AW 30), Abra Pampa, Jujuy

Afb. 9: N. vorwerkii (AW 30), Abra Pampa, Jujuy

Afb. 10: N. chilensis, Putre

Afb. 11: N. chilensis, Putre, Chili

Afb. 12: N. chilensis, Putre

Afb. 13: N. vorwerkii (LB 3502), bij Berque, Bol.

Foto: L. Bercht

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 33


want deze soort is deels zelffertiel. Het

uitrijpen van de vruchten duurt meestal

een maand of drie. De vrucht scheurt

dan dwars open en zo’n 10 tot 14 dagen

later zijn de zaden oogstbaar. Als

men de natuur volledig wil nabootsen,

kan men met wat mierenpoep de mieren

erop wijzen dat hier iets zoets te halen

valt.

De zaden kiemen probleemloos als

men vanaf het uitzaaien zorgt voor grote

temperatuurverschillen tussen dag en

nacht. Kunstmatige belichting of warmte

is niet nodig. Na een week kan men dan

in de uitzaaipot de lichtgroene kogeltjes

ontwaren. Al na een paar dagen moet

men de jonge zaailingen aan droge

lucht laten gewennen en als volwassen

neowerdermannia’s behandelen. Alleen

een klein beetje meer water geven.

Aan de hand van de planten die ik sedert

vele jaren in mijn kas kweek en verzorg,

wil ik de lezer in vier beeldblokken

de verschillende vormen voorstellen.

Het langst en daarmee ook het vaakst

in cultuur te vinden zijn de planten afkomstig

van de Altiplano ten zuiden van

La Paz. Hier zij verwezen naar de afbeeldingen

1 t/m 5, alsook de afbeeldingen

6 en 7 van planten die voorkomen bij

Macha. Ook relatief vaak vindt men in

verzamelingen de zogenaamde klassieke

neowerdermannia’s uit het zuiden van

Bolivia en het noorden van Argentinië,

zie de afbeeldingen 8, 9 en 10. Veel

zeldzamer in de verzamelingen is N. chilensis.

Dat heeft er ook mee te maken,

dat de groeigebieden van deze soort

in het Chileens-Peruaanse grensgebied

minder bezocht worden en er derhalve

maar een paar vindplaatsen bekend zijn

(afbeeldingen 11 t/m 14).

Mijn ervaringen met het geslacht

Neowerdermannia begonnen zo’n 20

jaar geleden. Een paar planten die ik

had gekocht op beurzen, wilden slecht

bloeien. Mijn pogingen om de kleine

neowerdermanniaverzameling uit te breiden

met behulp van zaaien, bleven steken

bij de gedachte dat ze toch slecht

34

kiemen. Pas toen ik de eerste planten in

de natuur zag, begreep ik wat de planten

hebben wilden en veranderde ik mijn

cultuuromstandigheden. Een hoogandien

Altiplano-klimaat kon ik ze natuurlijk

hier in midden Duitsland niet bieden,

maar wel een optimum aan licht en frisse

lucht. Ze staan bij mij in de buitenlucht,

beschut tegen regen. In de winter

plaats ik ze koel en in het licht. Sinds

ik niet meer uitzaai onder kunstlicht en

kunstmatige warmte, maar ze nu zonder

technische hulpmiddelen eind maart

in de kas uitzaai, is het kiemingspercentage

met sprongen vooruit gegaan.

Sindsdien zaai ik in de kas en de resultaten

zijn uitstekend. De eerste zaaisels

hebben allang de bloeibare leeftijd bereikt

en geven mij vreugde met hun robuustheid,

hun bloemen en de vele kleine

zaailingen.

Literatuur

Backeberg, C. (1936). Cactus and

Succulent Journal (US) 8(5): 73.

Frič, A.V. (1930). Kaktusar 1(11): 85.

Ritter, F. (1980). Kakteen in Südamerika,

Band 2, 3 en 4, eigen uitgave,

Spangenberg.

Vert.: Ludwig Bercht

Johannesweg 8

D 33106 Paderborn-Wewer

Afb. 14: N. chilensis var. peruviana

Foto: L. Bercht

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


VETPLANTEN VAN DE KAROO

Knolvormende Crassula’s

Frans Noltee

Soorten met ondergrondse knollen vormen een interessante en afwijkende groep binnen het

grote geslacht Crassula. De drie soorten die hier besproken worden, horen thuis in de sectie

Petrogeton (“op/nabij rotsen voorkomend”), die 8 soorten plus 2 ondersoorten omvat.

Ook in andere secties van het geslacht

komen ondergrondse knollen voor, maar

hier zijn ze schijfvormig of bijna bolrond.

Ze bevatten zowel zetmeel als olie.

Bij soorten als C. capensis en C. saxifraga

worden de knollen gevormd op

de knopen van een wortelstok en bij de

meeste soorten kunnen de knollen zich

vertakken.

De planten hebben onverhoute stengels

die jaarlijks afsterven en (1-)2-3(-

4) paren dunne, onbehaarde bladeren

dragen.

Alle drie te bespreken soorten - C. nemorosa,

C. saxifraga en C. umbella -

komen voor van het Richtersveld in het

uiterste noordwesten van Zuid-Afrika tot

in de Oostkaap. Ze groeien alle drie op

beschutte rotshellingen onder overhangende

rotsen en in rotsspleten. Alleen C.

saxifraga groeit soms op iets meer open

plekken. Door hun specifieke voorkeur

komen ze op relatief weinig plaatsen

voor, maar dan wel soms in flinke

aantallen.

Het is aan te raden de knollen in de

cultuur niet te ver te laten uitdrogen en

ze onder de grond te houden. C. nemorosa

is op het noordelijk halfrond een

zomergroeier. C. saxifraga en umbella

rusten in de zomer, maar zelfs dan moeten

ze niet helemaal droog worden gehouden.

Zodra de groei begint in de

herfst moeten ze tamelijk veel water

krijgen.

C. nemorosa is wijdverspreid van het

Richtersveld tot in de Kleine Karoo en

Afb. 1: De bloemen van C. nemorosa zijn klein, maar de

moeite waard om van nabij te bekijken

de Oostkaap, groeiend op beschutte

rotshellingen, in beschaduwde kloven en

in rotsspleten. Waar de naam nemorosa

(“in bossen groeiend”) betrekking op

heeft is mij niet duidelijk, tenzij het meer

algemeen bedoeld is als “in schaduw

groeiend”. Beschreven in 1843 door

Ecklon en Zeyher.

De knolletjes zijn klein, meestal 3-6

mm in doorsnee, soms tot 10 mm. De

stengels variëren van rechtopstaand en

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 35


Afb. 2: C. nemorosa in Matjiesvlei nabij Calitzdorp, in de

zuidelijke uitlopers van de Swartberge

2 cm lang tot liggend en 15 cm lang,

grijsachtig blauwgroen. De bladeren zijn

halfrond tot nier- of hartvormig, 3-15

mm lang en 4-13 mm breed. Ze zijn wat

dikker dan bij de andere soorten, lichtgroen

van kleur, maar bedekt met een

blauwgrijze waslaag. De bloemen zijn

afzonderlijk of staan met enkele bijeen,

beker- tot stervormig, geelachtig groen

tot bruin, knikkend. Ze zijn 6-8 mm in

doorsnee, met 2-3,5 mm lange bloemblaadjes

en verschijnen vooral in juni tot

en met augustus (sporadisch in andere

tijden na regen).

Van het hier besproken trio is dit verreweg

de makkelijkste soort, die zich zelfs

zonder probleem spontaan uitzaait. Het

is dan ook de meest algemene soort in

cultuur. Het aantrekkelijke uiterlijk van

de plant, met zijn tere, mooi gekleurde

blaadjes en bloemetjes is daar natuurlijk

mede debet aan.

C. saxifraga werd door Harvey in

1862 beschreven en komt wijdverspreid

voor van het Richtersveld tot het Kaapse

schiereiland en oostwaarts tot in de

Oostkaap. De planten groeien zowel op

36

Afb. 3: C. saxifraga nabij Matjiesfontein

Afb. 4: C. saxifraga, de vorm met de donkere bloemen

van de hoogvlakte rond Sutherland

stenige hellingen als op vlakke stukken

en ook in rotsspleten, vaak op minder

beschutte plekken dan de andere twee

soorten. De naam saxifraga betekent rotsen

brekend, een toepasselijke aanduiding

gezien de groeiplaatsen.

De planten vormen een wortelstok met

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 5: C. umbella nabij Ladismith, in de schaduw van een verticale wand

Foto’s van de schrijver

knollen van 3-9 cm doorsnee (in de

kustgebieden meestal niet meer dan 2,5

cm). De onvertakte stengels staan rechtop

en worden 5-15 (-25) cm lang.

Iedere knol produceert 1 of 2 bladparen.

De bladeren zijn zittend, 1-3 (-5)

cm lang en 3-7 (-12) cm breed, dwars

eivormig tot min of meer rond, met geschulpte

rand, groen, soms met een

paarse onderkant. Ze verschijnen meestal

na de bloei, maar soms tegelijk met

de bloemen. De bloeiwijzen verschijnen

van april tot en met juni, worden

5-15 (-25) cm hoog en dragen relatief

grote bloemen. Deze zijn klok- tot buisvormig,

afstaand of hangend en wit tot

roze van kleur, met 3,5-7,5 mm lange

bloemblaadjes.

C. umbella werd in 1791 beschreven

door Jacquin en komt voor van het

Richtersveld tot in de Kleine Karoo en

vandaar in oostelijke richting tot nabij

Humansdorp. Vooral te vinden op beschutte

rotshellingen, soms onder struiken,

maar vaker onder overhangende

rotsen. Het is een zeer variabele soort,

die lijkt op C. capensis maar minder

bladeren heeft. Kan zonder bloemen

ook verward worden met C. saxifraga.

De planten vormen ronde knollen tot

1,5 cm in doorsnee en rechtopstaande

onvertakte stengels, die tot 15 (-25) cm

lang worden en 1 of 2 tegenoverstaande

bladparen dragen. De bladeren zijn harttot

niervormig of min of meer vergroeid

tot een vlakke schijf (umbella betekent

parasol) die tot 15 cm in doorsnee kan

zijn, gaafrandig tot enigszins geschulpt.

De bloeiwijzen worden tot 6 (soms tot

10) cm hoog, met stervormige, soms

klokvormige, roomwitte tot geelachtig

groene bloemen met een korte bloembuis

en 2-4,5 mm lange bloemblaadjes.

De bloemen verschijnen samen met de

bladeren, soms in juli maar vooral in augustus

en september.

Postbus 35

6660 Calitzdorp

South Africa

Blog: enjoysucculents.wordpress.com

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 37


Morfologische kenmerken

zijn (steeds vaker) van minder

belang

Johan Pot

De soort is het fundament van de indelingen van onze planten. Het soortbegrip

werd van oudsher bepaald door morfologische kenmerken. Tegenwoordig zou

men steeds vaker alternatieven willen gebruiken. Studies op soortniveau in het

geslacht Weingartia geven hier nog weinig blijk van. Daar bepalen niet alleen uiterlijke

kenmerken of taxa herkenbaar te onderscheiden zijn, maar ook nog eens

persoonlijke smaak.

Afb. 1: Aylostera knizei (Rausch) Mosti & Papini [JK478], basionym Lobivia pygmaea (R.E. Fr.)

Backeb. var. knizei Rausch. Backeberg zou de plant ingedeeld hebben bij Mediolobivia, Buining

bij Digitorebutia

38

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 2: Aylostera canacruzensis (Rausch) Mosti & Papini [JK478a], basionym Rebutia canacruzensis

Rausch. Ook deze plant zou door Backeberg ingedeeld worden bij Mediolobivia en door

Buining bij Digitorebutia. Beide afgebeelde planten A. knizei en A. canacruzensis stammen

van hetzelfde veld. Ze zijn door Hunt blijkbaar niet “herkenbaar te onderscheiden” en worden

daarom in de New Cactus Lexicon beide Rebutia pygmaea genoemd. Ze zijn onderling niet

fertiel.

De soort

De redactie van Succulenta (2012)

schreef: ”Biologen verstaan onder een

soort een groep planten, die in de natuur

onderling fertiele nakomelingen voortbrengen.

Morfologische kenmerken zijn

(steeds vaker) van minder belang.” Deze

twee zinnen geven mij aanleiding tot enkele

overwegingen.

Er bestaat een groep planten, die

vroeger wel met Mediolobivia werd aangeduid

en tegenwoordig, nadat erkend

werd dat Aylostera en Rebutia toch twee

aparte geslachten zijn, bij Aylostera is

ingedeeld. Door Ritter en Rausch werden

hiervan heel wat soorten beschreven.

Blijkbaar terecht, want natuurhybriden

worden bij mediolobivia’s slechts

bij hoge uitzondering gevonden. Terwijl

toch verschillende van deze soorten zo

dicht bij elkaar groeien, dat onderlinge

bestuiving door insecten mogelijk zou

zijn. Een klassiek voorbeeld van het begrip

soort.

Maar volgens Hunt (2006) moeten de

meeste van deze namen als synoniemen

van één soort worden opgevat. Blijkbaar

vindt hij het niet van belang, of populaties

elkaar kunnen bestuiven of niet. Hij

gebruikt andere criteria om een soort te

erkennen. Hunt schrijft: “Soort. Gegeven

dat dit algemeen wordt opgevat als de

fundamentele eenheid van classificatie,

zou men kunnen verwachten in staat

te zijn een redelijk consistente definitie

te formuleren. Maar dat is niet het geval.

En dat geldt nog sterker voor planten,

die als individu statisch zijn, dan

voor dieren, die meestal kunnen lopen,

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 39


zwemmen of vliegen.” Iets verder betoogt

hij, dat de soort zich herkenbaar

moet onderscheiden van andere soorten,

maar geeft ook toe, dat men de

vraag kan stellen wat bedoeld wordt met

herkenbaar te onderscheiden (afb. 1 en

2). Het antwoord zou vaak afhangen van

een persoonlijke opvatting.

Ik stel vast dat Hunt het begrip soort

anders benadert dan de redactie van

Succulenta. En als Hunt dat mag, dan

zullen ook amateurtaxonomen dat recht

hebben. Ik kan in het verhaal van Hunt

niet vinden onder welke strikte voorwaarden

een auteur tot het beschrijven

van een soort kan besluiten. Het is, zoals

hij zegt, een kwestie van persoonlijke

smaak. Ik heb wel eens een professional

horen zeggen, dat zijn smaak beter was,

omdat hij meer geschoold was.

Morfologische kenmerken zijn (steeds vaker)

van minder belang

Hentzschel (1999) stelde vast, dat

het geslacht Weingartia te herkennen

was aan de vorm van de schubben op

het vruchtbeginsel. Sulcorebutia’s hebben

net zulke schubben. Er is nog geen

morfologisch kenmerk gevonden, waardoor

sulcorebutia’s te onderscheiden

zijn van weingartia’s.

Ritz (2007) stelde met DNAonderzoek

relaties tussen verschillende

cactusgeslachten vast. De te onderzoeken

planten waren geselecteerd op morfologische

kenmerken. Misschien was

het wel een opluchting, dat veruit de

meeste resultaten niet veel afweken van

de verwachtingen. De weingartia’s en

sulcorebutia’s werden in dit onderzoek

keurig gebundeld tot één enkel cluster,

dus niet in twee verschillende clusters.

Blijkbaar is de methode van Ritz

op geslachtsniveau zinvol. Maar is er al

DNA-onderzoek van cactussen gedaan

waarmee eenduidig op soortniveau uitspraken

gedaan kunnen worden? Zijn

dan een paar markers voldoende om

taxonomische wijzigingen verantwoord

te kunnen doorvoeren?

40

Ik heb nog geen beschrijvingen

van soorten gezien, waarin morfologische

kenmerken geheel vervangen

zijn door andere. Blijkbaar wordt herkenbaar

te onderscheiden nog gekoppeld

aan wat je ziet. Als, zoals de redactie

van Succulenta meent, uiterlijke

kenmerken steeds minder gebruikt worden,

is dat nog niet het geval bij cactussen

op soortniveau. Ik ga er vanuit, dat

niet alleen Hunt, maar ook De Vries en

Gertel zich bedienen van morfologische

kenmerken.

Sulcorebutia 1 crispata var. muelleri

Gertel (2012) onderscheidt een nieuwe

variëteit van Weingartia crispata

(Rausch) F.H. Brandt op basis van zeven

afwijkende morfologische kenmerken. Is

hiermee voldaan aan herkenbaar te onderscheiden?

Gertel denkt van wel, maar

ik ben sceptisch. In hoeverre verschilt

bijvoorbeeld “bruinachtig groen” van

“grijsachtig groen”? Zoals Hunt schreef,

speelt hier de opvatting van de auteur

een doorslaggevende rol.

Ik citeer Gertel: Helaas heeft men de

afgelopen jaren niet de kans gegrepen

een zekere ordening in deze zeer onoverzichtelijke

soort aan te brengen.

Verschillende populaties werden als zelfstandige

soorten beschreven (De Vries

2011), die bij een nadere beschouwing

hooguit als standplaatsvormen van S.

crispata opgevat kunnen worden. Het is

slechts een kwestie van relatief korte tijd,

dat zij zich weer vermengen met naburige

populaties en een gebruikelijke variatie

ontstaat.

Gertel vindt blijkbaar de door De Vries

beschreven soorten niet herkenbaar te

onderscheiden. Het was interessant geweest,

als hij had uitgelegd welke door

De Vries genoemde kenmerken niet ter

zake doen. Misschien wel net die waardoor

de onoverzichtelijkheid bestreden

wordt? Dat had Gertel toch met gejuich

moeten begroeten.

1 Gertel meent Sulcorebutia wel te kunnen

onderscheiden van Weingartia.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Of bedoelt hij misschien, dat

Weingartia crispata een complex van

zeer nauw verwante, maar uiterlijk zeer

verschillende vormen is? Deze mening

kan momenteel niemand tegenspreken.

Maar evengoed ook niet bevestigen met

de ons ter beschikking staande methoden!

De opvatting zou in ieder geval niet

stroken met herkenbaar te onderscheiden.

Een reden voor mij om de door De

Vries gebruikte namen te handhaven.

Maar we zijn er nog niet. Gertel voorziet

dat deze afwijkende populaties zich

in een relatief korte tijd weer vermengen

met naburige populaties, waardoor een

gebruikelijke variatie ontstaat.

Eerlijk gezegd kan ik het betoog van

Gertel niet volgen. Wat is een relatief

korte tijd? Een jaar? Een eeuw? Waren

de bedoelde populaties oorspronkelijk

ook al crispata’s? Wat is een gebruikelijke

variatie? Is het vermoeden van

Gertel ingegeven door biologische wetmatigheden?

Moeten we aannemen, dat

het aantal taxa in de komende eeuwen

sterk gereduceerd wordt? Ik zou juist

een toename verwachten als gevolg van

soortvorming.

Heeft bestuiving van verschillende zogenaamde

“crispata”-populaties fertiele

nakomelingen tot gevolg, zoals de redactie

van Succulenta wil? Ik voerde

afgelopen seizoen verschillende kruisbestuivingen

uit, die in het geval van crispata

een pover resultaat hadden. Dit gegeven

ondersteunt de verwachting van

Gertel geenszins. Zijn hier geciteerde argumentatie

lijkt mij dan ook geen reden

om de door De Vries beschreven soorten

als synoniemen op te vatten.

Literatuur:

Gertel W. (2012). Sulcorebutia crispata

var. muelleri, Succulenta 91 (5):

206-214.

Hentzschel, G., (1999). Het geslacht

Sulcorebutia Backeberg emend.

Succulenta 78 (3): 131–142.

Hunt D. (2006). The New Cactus

Lexicon, p. 4, dh books.

Redactie Succulenta (2012).

Opmerkingen/aanvullingen van de redactie,

Succulenta 91 (5): 237.

Ritz C., Martin L., Mecklenburg R.,

Goremykin V. & Hellweg F. (2007).

The molecular phylogeny of Rebutia

(Cactaceae) and its allies demonstrates

the influence of paleogrography

on the evolution of South American

mountain cacti. American Journal of

Botany 94(8): 1321-1332.

Gagarinstraat 17

1562 TA Krommenie

Naschrift redactie (Rob Bregman)

Natuurlijk blijven uiterlijke kenmerken onmisbaar voor het herkennen en op naam brengen

van plantensoorten. Het probleem hierbij is echter waar je de grens legt en hoe je waargenomen

verschillen interpreteert. Wat is bv. het verschil tussen “grijsachtig blauw” en “blauwachtig

grijs”, om een bekende conference van Henk Elsink uit de jaren ’70 te citeren. Dat

is subjectief en daarom wordt nu de voorkeur gegeven aan het zgn. biologisch soortbegrip,

dwz. alle planten die in de natuur met elkaar kruisen en fertiele nakomelingen voortbrengen,

behoren tot dezelfde soort. Dat is ook de mening van David Hunt en in dat opzicht verschillen

wij dus niet van opvatting.

Planten die met elkaar kruisen moeten wat betreft hun DNA veel met elkaar gemeen hebben.

Daarom hebben ze veel gemeenschappelijke kenmerken maar ook een aantal verschillen,

net zoals wij mensen uiterlijke overeenkomsten en verschillen vertonen. Die gemeenschappelijke

kenmerken gebruiken we om een soort te karakteriseren en te herkennen, de

verschillen gebruiken we om de variatiebreedte van de soort aan te geven. We gebruiken

hiervoor dus nog steeds morfologische kenmerken, gewoon omdat we van de meeste planten

niet weten waarmee zij wel of niet kunnen kruisen.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 41


JOVIBARBA HEUFFELII ‘MAGIC

CIRCLE’ VERKLEURT VAN GEEL

NAAR ROOD

Ben Zonneveld

Planten zijn groen. Op deze stelling zijn natuurlijk - zoals in de biologie gebruikelijk - vele

uitzonderingen. Parasieten zoals bremraap kunnen zonder bladgroen leven. Bonte planten

kunnen in ieder geval gedeeltelijk zonder bladgroen. Een speciale plaats nemen planten in

met geel blad.

Je zou verwachten dat die niet of

slecht zouden groeien, maar dat blijkt

niet het geval. Er zijn vele voorbeelden

van gele planten die prima groeien zoals

gele iep, gele vlier, gele hosta, gele

huislook etc. Dit zijn in de onderzochte

gevallen geen mutaties in het DNA van

de bladgroenkorrels (chloroplasten). Die

zijn er wel, maar leiden meestal niet tot

een levensvatbare plant. Bij 90% van de

planten worden de bladgroenkorrels alleen

via de moeder (de zaadplant) doorgegeven.

Bij kruisingen tussen cactussoorten

zien we ook regelmatig gele

tot witte kiemplanten die meestal allemaal

doodgaan. Dit geel wordt waarschijnlijk

veroorzaakt door een onbalans

tussen de kern van de ene plant

en de bladgroenkorrels van de andere

Afb.1. Sempervivum montanum ‘Cmirals Yellow’

42

plant. Een heel enkele zaailing overleeft,

maar die wordt dan meestal lichtgroen.

Dit brengt me weer op een ander aspect.

Bladgroenkorrels waren oorspronkelijk

vrijlevende algen. Er zit dan ook

nog steeds DNA in de chloroplast. In de

loop van de evolutie zijn van de ongeveer

1000 genen die verantwoordelijk

zijn voor bladgroen er 900 van de chloroplast

naar de kern verhuisd. De producten

van deze genen moeten wel nog

van de kern naar de chloroplast verhuizen.

Een mutatie in een van die kerngenen

leidt tot een gele chloroplastkleur. Ik

vermoed dat door deze mutatie de kleur

van het bladgroen van groen naar geel

veranderd is, niet dat er geen bladgroen

meer is (eigenlijk dan “bladgeel”!). In ieder

geval blijkt een plant ook met “bladgeel”

nog redelijk goed te groeien.

Terug weer naar onze gele vetplanten

en wel Jovibarba heuffelii. J. heuffelii is

een plant van de Balkan. Het is een fraaie

plant voor de rotstuin die perfect winterhard

is. Omdat de jonge planten niet aan uitlopers

zitten, maar in het hart van de moederplant

ontstaan, is alleen het hanteren

van het mes een mogelijkheid om ze soortecht

te vermeerderen. Dit is waarschijnlijk

de reden dat we ze nooit zien in tuincentra.

Omdat ouder en jongen op een gemeenschappelijke

wortelbasis zitten, gaat

de plant ook niet dood na het bloeien zoals

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Afb. 2a: Jovibarba heuffelii ‘Magic Circle’, met gele kleur

vroeg in het voorjaar

Afb. 2b: Jovibarba heuffelii ‘Magic Circle’, met oranje

kleur laat in het voorjaar

Afb. 2c: Jovibarba heuffelii ‘Magic Circle’, met oranje-rode

kleur in de zomer

Afb. 2d: Jovibarba heuffelii ‘Magic Circle’, met rode kleur

aan het einde van de zomer

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 43


Afb. 3: Geselecteerde Jovibarba heuffelii zaailingen van 2011, die in het voorjaar van 2011 en 2012 geel

waren en in juli 2012 grotendeels rood zijn

bij andere sempervivums. Bijna alle wilde

vormen van J. heuffelii zijn groen of soms

grijs in allerlei nuances, met en zonder donkere

bladpunt. Kruising met andere soorten

heeft geen rol gespeeld bij het ontstaan

van de roodgekleurde J. heuffelii. De enkele

hybriden met de J. hirta groep zijn steriel.

Gele jovibarba’s zijn volgens mij het

eerst gevonden door E. Sckrocki (Ohio,

USA). Hij noemde deze plant J. heuffelii

‘Xanthoheuff’. Een meer compacte

vorm werd later J. heuffelii ‘Gold Bug’

genoemd. Beide hebben de eigenschap

dat ze weliswaar in het voorjaar prachtig

geel zijn, maar bij het begin van de

zomer groen worden. Dit is trouwens

niet het geval bij de gele Sempervivum

montanum ‘Cmirals Yellow’, die blijft

een groot deel van het jaar geel (afb.1).

Aangezien er ook genoeg rode J. heuffelii-cultivars

zijn, leek het mij de moeite

waard om een gele J. heuffelii te kweken

die in de loop van de zomer niet

groen maar rood zou worden. Hoe doe

je dat? Ik heb eerst de bijen het werk laten

doen en zaad van een gele J. heuffelii

verzameld. Deze was ongetwijfeld

bevrucht door allerlei rode J. heuffelii’s

die vlakbij bloeiden. Na uitzaaien heb

ik de zaailingen met rood blad uitgekozen.

Gele zaailingen waren er niet omdat

geel in sempervivum recessief is

d.w.z. er zijn twee genen voor geel blad

nodig om een plant geel te laten zijn.

Dit in tegenstelling tot geel bij hosta en

44

coniferen waar een enkel gen voor geel

voor een gele plant zorgt. Twee genen

voor geel leiden daar tot zaad met een

witte plant dat niet kiemt of de zaailing

gaat snel dood. Het derde jaar na het

zaaien bloeiden ze en heb ik de rode

F1-hybriden zorgvuldig met zichzelf bevrucht.

Een op de vier F2-zaailingen

was geel, de rest was groen of rood. Het

is zaak om de gele zaailingen zo vroeg

mogelijk te selecteren, omdat ze anders

snel overwoekerd raken door de groene

zaailingen. Een gedeelte van de zaailingen

had inderdaad ook de rode bladkleur.

Ik heb dus nu J. heuffelii’s die in

het voorjaar geel zijn en dan via oranje

naar rood verkleuren (afb. 2a, b, c,

en d). Ik heb nu een derde generatie

gele planten gekweekt in de hoop dat er

nog donkerder rode bij zouden zijn (afb.

3). Dat lijkt inderdaad het geval. In ieder

geval is er behoorlijke variatie. Als

ik nog verder wil selecteren kan ik uitgaan

van het volgende tijdschema: zaad

geoogst 2010; gezaaid 2011; grote rozet

2012(afb. 3); “uitlopers” 2013; bloei

2014.

Schubertlaan 196

2324 EC Leiden.

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


PIERREBRAUNIA BRAUNIORUM

Kamiel Neirinck

Deze zuilvormige cactus werd door Pierre Braun en zijn echtgenote Beate ontdekt op 26

augustus 1999 en opnieuw opgezocht in 2002. De vindplaats ligt in een zeer onherbergzaam

en ontoegankelijk gebied op grote hoogte in de Serra do Espinhaco, Minas Gerais,

Brazilië.

Ze groeit op kristalhoudende rotsen

tezamen met vellozia, bromelia’s, orchideeën,

arrojadoa, micranthocereus, pilosocereus

en rhipsalis. De nieuwbeschrijving

volgde van de hand van Eddie

Esteves (1999). De plant werd vernoemd

naar het echtpaar Braun.

Van deze soort werden tot nu toe geen

zaden of planten in de handel aangeboden.

Men zou kunnen zeggen dat

ze ten onrechte overbeschermd wordt.

Nochtans vonden wij na lang zoeken en

informeren een drietal jaren terug enkele

– hoop ik – soortechte zaailingen op

Malta. Een ervan werd onmiddellijk geënt,

terwijl de tweede op eigen wortel

verder werd gekweekt.

Thans, enkele jaren later, zijn beide

planten “even groot of klein gebleven”.

Ze meten thans ruim 30 cm. Uit de literatuur

blijkt dat cultuurplanten zelden

zouden spruiten, hetgeen in de natuur

Afb. 1: Pierrebraunia brauniorum

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 45


wel het geval is. Aangeraden wordt ze zo

spoedig mogelijk te enten op E. jusbertii. In

Brazilië worden ze geënt op Pilosocereus

piauhyensis, waarna ze reeds bloeien bij

een hoogte van 20 à 30 cm. Overwinteren

kan tussen 5 à 10 0 C. De planten verlangen

wel water tot in december, waarbij dan

uiteraard gelet moet worden op een niet te

lage temperatuur in de kas. Op de wortelechte

plant ontdekten wij begin mei 2012

nabij de schedeltop een kleine verdikking

op een areool. Stilaan ontwikkelde zich een

roodachtige knop van om en bij de 3 cm

lang. Aangezien deze soort, zoals de meeste

Braziliaanse zuilcactussen een nachtbloeier

is, is regelmatige aandacht op de eventuele

bloei nodig. Eind mei 2012 was het dan

zover! Het duurde tot middernacht

vooraleer de bloem volledig open

kwam: een rozekleurige bloem

met een doorsnede van nog geen

centimeter.

In de natuur wordt de rechtop

groeiende zuil niet hoger dan 70

cm, doorsnede 7 à 8 cm, spruitend

aan de basis. De epidermis

is lichtgroen tot geelachtig groen,

later grijsgroen wordend. Bevat

slijmachtige kanalen net zoals

Uebelmannia. Ribben 4 tot 5, bedoorning

naaldvormig, recht, 5 à

6 doorns per areool, de middendoorn

kan tot 2,8 cm lang zijn. Op

de areolen ontstaat een pseudocephalium.

Bloemen 3 cm lang,

1,5 tot 2,5 cm breed, buisvormige

kolibriebloem, naakt, roze kleur.

De vrucht is vlezig, rozerode kleur,

besvormig, 3 cm dik, zwarte zaden.

Op te merken valt nog dat de

soort Pierrebraunia bahiensis, aanvankelijk

als Arrojadoa bahiensis

beschreven, afkomstig is uit Bahia,

een naburige staat van Minas

Gerais.

Referenties:

Esteves, E. (1999). Pierrebraunia

brauniorum Esteves spec. nov.,

eine neue Kakteenart aus Minas

Gerais, Brasilien. Kakt. and. Sukk.

50(12): 311-314.

Braun, P. & Esteves, E. (2001).

Pierrebraunia brauniorum Esteves

spec. nov., Kakteen und andere

Sukkulenten in Brasilien,

Schumannia Bd.3: 156.

Rietmeers 19

B 8210 Loppem

Afb. 2: Pierrebraunia brauniorum

46

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Summary

Rob Bregman

This first 2013 issue is opened by editor Henk Viscaal, who looks back at the time

that he was selling cacti on the market.

Theo Heijnsdijk deals with Crassula (Rochea) falcata, a leaf succulent from the

Cape region, which has been in culture for over 3 centuries now. The author explains

the special leaf surface morphology, in that the epidermal cells produce large

vesicle-like protuberances in order to minimize evaporation. The plants hybridize

easily with other Crassula species, so many cultivars are available.

In his ongoing series, Bertus Spee presents short descriptions and recommendations

for cultivation of 4 nice succulents, viz. Thelocactus bicolor ssp. bolaensis,

Puna bonnieae, Parodia haselbergii (with yellow flower!) and Aloe krapholliana.

Our co-editor and Gymnocalycium specialist Ludwig Bercht is put in the spotlight

by Jan Jaap de Morree. Ludwig has been selling seeds from 1983 on, predominantly

obtained from his impressive collection, which for the greater part is the result

of sowing seeds he collected in South America.

Ludwig himself presents part 22 of his series of articles on the genus

Gymnocalycium. In this part the type species of the genus G. gibbosum is dealt

with. This is a very variable species, so that many subspecies, varieties and forms

have been described.

Ben Zonneveld and the late Ton Pullen continue their series on the genus

Cotyledon with C. barbeyi, a species with an extensive distribution area ranging

from Ethiopia to eastern South Africa. It is not common in European collections.

A contribution by Herbert Thiele is devoted to Neowerdermannia, a genus from

high Andine regions in central South America. Two species have been described,

with several local forms. The plants are best cultivated in maximum light and fresh

air. Seeds germinate best with great day-night temperature differences.

Frans Noltee reports about 3 Crassula species (C. nemorosa, C. saxifraga and C.

umbella) with subterraneous tubers, all from the Richtersveld, South Africa.

Johan Pot comments to the modern species concept, which says that plants belong

to the same species if they mutually interbreed, whereas morphological features

are of less importance. To soothe him, I commented that morphology still

remains essential.

Ben Zonneveld outlines the genetic background of yellowish leaves in Jovibarba

heuffeli (Crassulaceae). By crossing and selecting, he created yellowish plants that

turn red instead of green.

Hector Petersenstraat 7

1112 LJ Diemen

R.Bregman@contact.uva.nl

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013 47


Inlichtingen over het lidmaatschap, de ontvangst van nummers en

adreswijzigingen aan:

Inquiries about membership, receipt of issues and address changes to:

D.H. Roozegaarde

Banninkstraat 5

7255 AT Hengelo (Gld)

Tel.: +31(0)575 465270

E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl

Henk Viscaal

Redactioneel

Hardnekkig ...................................2

Theo Heijnsdijk Crassula perfoliata var. falcata

Het sikkeldikblad ..............................3

Bertus Spee Voor het voetlicht .............................12

Jan Jaap de Morree Op bezoek bij . . . Ludwig Bercht . . . . . . . . . . . . . . . . 14

Ludwig Bercht Het geslacht Gymnocalycium -

Een overzicht (XXII) ...........................18

Ton Pullen† & Het geslacht Cotyledon (10)

Ben Zonneveld Cotyledon barbeyi ........................... 28

Herbert Thiele Een paar overdenkingen bij het geslacht

Neowerdermannia. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30

Frans Noltee

Vetplanten van de Karoo

Knolvormende crassula’s. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35

Johan Pot

Morfologische kenmerken zijn (steeds vaker)

van minder belang . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38

Ben Zonneveld Jovibarba heuffelii ‘Magic Circle’ verkleurt

van geel naar rood . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 42

Kamiel Neirinck Pierrebraunia brauniorum ..................... 45

COLOFON

http://www.succulenta.nl

E-mail: info@succulenta.nl

Auteursrecht:

Gehele of gedeeltelijke overname

van artikelen is alleen toegestaan

na verkregen toestemming van de

auteur/illustrator en met een duidelijke

bronvermelding

Redactiesecretariaat:

Mevr. R. Maessen

Weezenhof 1232

6535 EZ Nijmegen.

E-mail: redactie@succulenta.nl

Hoofdredactie:

C.A.L. Bercht

E-mail: ludwigbercht@hetnet.nl

H.W. Viscaal

E-mail: hwviscaal@gmail.com

Redactie:

R. Bregman

E-mail: R.Bregman@contact.uva.nl

W. ten Hoeve

tenho11@hetnet.nl

J.J. de Morree

E-mail: Morree@ziggo.nl

B.J.M. Zonneveld

E-mail: Ben.Zonneveld@naturalis.nl

Vormgeving: H. W. Viscaal

Druk: Senefelder Misset

Doetinchem

Rob Bregman Summary. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .47

Bij de voorplaat:

Crassula nemorosa

Foto: Frans Noltee

48

©Succulenta jaargang 92 (1) 2013


Redactioneel

WAT EEN WEELDE!

Wolter ten Hoeve

Het loopt al tegen de avond als ik op de MEX-40 (een snelweg in het noorden

van Mexico) net voor een tolstation een afslag neem. Het is de afslag naar San

Pedro de las Colonias, een stadje waar ik altijd met veel genoegen gebivakkeerd

heb, en waar ik ooit, na een warme dag met flink vochtverlies, een ‘cerveza familiar’

(gezinsbier) van 1,2 liter in korte tijd naar binnen gewerkt heb. Het edele vocht, op

een lege maag, heeft me vervolgens urenlang parten gespeeld.

Bij de afslag staat een lifter langs de kant, en aangezien ik zelden een lifter laat

staan, stop ik en laat de man plaatsnemen in mijn huurauto. Terwijl ik in de richting

van San Pedro rijd, praten we wat en de man vertelt dat hij elke dag bij het tolsta tion

autoruiten wast. Dat levert hem per dag ongeveer 50 pesos op, wat omgerekend

neerkomt op een luttele € 3, —. Ik ben er verbaasd en tegelijk beschaamd over

hoe mensen zoals hij in Mexico rond kunnen komen van zo’n schamel inkomen,

dat bovendien erg afhankelijk is van de goodwill van automobilisten die het tolstation

passeren. Als je bedenkt dat een pak melk van een liter in Mexico ongeveer

15 pesos kost, dan besef je hoe verschrikkelijk mager het inkomen van die man is.

De man woont in een eenvoudig dorpje, langs een onverhard zijweggetje. Ik vermoed,

ik hoop het althans, dat hij daar wel een paar kippen en geiten zal hebben,

die hem en zijn gezin melk, vlees en eieren op zullen leveren. Daarnaast zal hij wel

wat groente verbouwen.

Na zo’n 10 kilometer bereik ik de afslag naar het dorpje. Ik stop en laat de man

uitstappen. Groot is mijn verbazing wanneer hij vraagt hoeveel hij voor de lift moet

betalen! Ben je gek, joh, natuurlijk niets! Kom nou, van die schamele 50 pesos

ook nog wat afstaan voor een lift, da’s toch helemaal mesjokke, nee, dat nooit! Het

doet mij heel duidelijk beseffen hoe ongelooflijk groot de weelde is, waarin wij in

Nederland leven. Want een euro, wat koop je daar nou voor, wat is dat bij ons nou

waard? Een kopje koffie in een restaurant zou omgerekend voor die Mexicaan het

inkomen van een halve dag zijn.

In tegenstelling tot die Mexicaan kan ik elk jaar op vakantie gaan naar Mexico, ik

kan een kas plaatsen om mijn hobby uit te oefenen (hm, intussen zijn het er drie), ik

kan een carbon racefiets kopen, etc. De armoede van die Mexicaan laat mij de betrekkelijkheid

van mijn comfortabele bestaan zien.

Wanneer u dit redactionele voorwoord leest, dan is het voorjaar net weer aangebroken.

De natuur is ontwaakt en heeft haar wintervacht afgeschud. In de kas beginnen

de eerste cactussen te bloeien en over een maand zal het primetime zijn in

onze verzamelingen, met een show opgevoerd door talrijke bloeiende cactussen.

Ook de tuinen zullen hun bloemenpracht weer beginnen te tonen. Wat een weelde!

Geniet van de natuur en van de hobby, maar draai die euro nog eens om en denk

aan die Mexicaan, dus ‘drink met mate’!

Vreebergen 2

9403 ES Assen

50

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


PARODIA HASELBERGII

DE ROODGELE BESCACTUS

Theo Heijnsdijk

Een fijne, prachtig bloeiende soort is de Roodgele-Bescactus

(Malacocarpus Haselbergii), welke in Brazilië voorkomt, en op de kruin

bloeit met een aantal pl.m. 3 cm groote, rood met geel gekleurde bloemen

en gele meeldraden. Ze groeit afzonderlijk in den vorm van 7 tot 8

cm dikke, heldergroene, ietwat gedrukte kogels, die 30 of meer, ietwat

bobbelige, ribben tellen, welke in eenigszins spiraalvormige lijnen verloopen.

In de kas, geënt op een Cereussoort, nemen de kogels grootere

afmeting aan. De areolen dragen pl. m. 20 naaldvormige, witte doorntjes

van 1 cm lengte; de 3 tot 5 middendoorns zijn bleekgeel.

Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het Verkade album

“Cactussen” uit 1931. Zie de afbeelding.

Wat Van Laren niet vermeldt is dat

een afzonderlijke bloem wel 14 dagen

mooi blijft. Soms bloeit de plant

in de winter en dan kan de bloei

meer dan 2 maanden duren (volgens

A. Goossens in ‘Dodonaeus’). De

bloem heeft wel iets van een waterlelie

en de kleur kan alles van geeloranje

tot helrood zijn. In het begin

steken alleen de gele stempellobben

naar buiten (afb. 1). Dit kan een mechanisme

zijn om kruisbestuiving te

bevorderen. Mocht dat niet tot resultaat

leiden dan treedt plan B in werking.

De bloemblaadjes buigen meer

naar buiten en de meeldraden worden

bereikbaar voor insecten die en

passant wat stuifmeel op de stamper

van dezelfde bloem achterlaten

en zodoende de bestuiving bij deze

zelffertiele soort teweegbrengen. Er

wordt in ieder geval makkelijk zaad

gezet want in de literatuur wordt gemeld

dat even knijpen in de bloem

(Bommeljé) of even met de nagel tegen

de bloem tikken (Rubingh) voldoende

is.

P. haselbergii is rond 1884 door

Ferdinand Friedrich Adolf Haage,

van de bekende firma uit Erfurt, ingevoerd

uit Brazilië (Rio Grande do

Sul). Waarschijnlijk ging het om slechts

3 exemplaren. Haage noemde de plant

Echinocactus Haselbergii naar de arts en

cactusliefhebber Dr. Von Haselberg uit

Stralsund. Zo ongeveer alle bolcactussen

werden toen nog echinocactus genoemd.

De eerste beschrijving is van de

hand van Theodor Rümpler in het uit 1886

daterende deel 2 van het ‘Handbuch der

Cacteenkunde’ van Carl Friedrich Förster.

Vandaar dat we nog steeds de aanduiding

Afb. 1: Bij de bloemen steken in het begin alleen de

gele stempellobben naar buiten

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 51


Afb.2: Volgens Hooker in Curtis’s Botanical Magazine wekken

de elkaar kruisende groepjes stervormig geplaatste, zilver

witte doorns de indruk dat je door vitrage naar het gedeeltelijk

aan het zicht onttrokken bleekgroene, met

witte areolen bezaaide plantenlichaam kijkt

“F. Haage ex Rümpler” achter iedere

naamsaanduiding van deze plant vinden.

De plant bleef de eerste paar jaar

uiterst zeldzaam. Pas toen Ferdinand

Haage de plant in 1896 opnieuw invoerde,

raakte hij op grotere schaal in

de collecties verspreid. Rümpler had in

1886 de plant nog niet in bloei gezien

en hij geeft dus geen beschrijving van

bloem, vrucht en zaad. Zonder kennis

van deze voor een plant kenmerkende

eigenschappen is het te begrijpen dat

hij de plant beschrijft als behorende tot

Echinocactus scopa. Dat doet je wel afvragen

wanneer een beschrijving het

predicaat ‘geldig’ mag hebben.

In augustus 1888 verscheen van de

hand van Sir Joseph Dalton Hooker een

artikel met kleurenafbeelding in Curtis’s

Botanical Magazine. Hij schrijft lyrisch

over de elkaar kruisende groepjes stervormig

geplaatste, zilverwitte doorns die

de indruk wekken dat je door vitrage

naar het gedeeltelijk aan het zicht onttrokken

bleekgroene, met witte areolen

bezaaide plantenlichaam kijkt (afb. 2).

De beschrijving van plant mét bloem is

aan de hand van een exemplaar

dat in april van hetzelfde

jaar 1888 bloeide.

Vrucht en zaad waren nog

steeds onbekend. Dat is

ook logisch, want het kan

wel een jaar duren voor

de vruchten rijp zijn. Voor

een beschrijving van de

vrucht moeten we wachten

tot Schumann in 1899 met

zijn ‘Gesamtbeschreibung

der Kakteen’ komt. Een

fraaie afbeelding vinden

we in 1910 in deel 2 van

‘Blühende Kakteen’ ook

van Schumann (afb. 3). Het

aantal bloemblaadjes is

naar mijn idee wel overdreven

groot.

Over de soortnaam is in

de loop der jaren geen discussie

geweest. Dat kan

niet gezegd worden over de geslachtsnaam.

Zoals hierboven al vermeld,

was het eerst gewoon Echinocactus.

Schumann hield het in 1899 daar ook

op, maar hij creëerde wel een ondergeslacht

Notocactus waartoe haselbergii

ook behoorde. In 1922 plaatsten Britton

& Rose alle notocactussen in het geslacht

Malacocarpus. Frič was de eerste

die in zijn prijslijsten vanaf 1928 de

naam Notocactus als geslachtsnaam gebruikte.

Berger in 1929 hield het weer

op een ondergeslacht van Echinocactus.

In 1934 voerde Backeberg in zijn losbladig

werk ‘Blätter für Kakteenforschung’

dat in de vier talen Duits, Engels, Frans

en Nederlands (“Publicaties voor cactusstudie”)

verscheen, Notocactus als

zelfstandig geslacht op. Hij beschreef

daarbij als typesoort de aan N. haselbergii

zeer nauw verwante N. graessneri.

In totaal kwam hij op dat moment

Afb.3: De tekening in deel 2 van ‘Blühende

Kakteen’ van Schumann (uit 1910)

52

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 53


Afb. 4: De dunwandige vrucht heeft bedoornde

areolen en is niet wollig en borstelig

zoals bij notocactussen

tot 141 cactusgeslachten. In dezelfde

losbladige serie kwam hij in 1938 met

een nieuwe indeling van de cactusfamilie

waarin hij 178 geslachten benoemde.

Voor N. graessneri, N. haselbergii

en N. elachisanthus (witbedoornd als

N. haselbergii maar cilindrisch, tot 25

cm hoog groeiend en met groene bloemen)

had hij een apart geslacht gecreëerd,

Acanthocephala, letterlijk vertaald:

‘met bedoornd hoofd’. In de toelichting

vermeldt hij letterlijk “Sie haben nichts

mit Notocactus zu tun”. Acanthocephala

is nu trouwens een geslacht van parasitaire

wormen met een stekelige kop.

Frič kwam in 1935 met Brasilicactus

op de proppen (in 1933 had hij al de

net iets andere naam Brasilocactus gebruikt).

Dat geslacht werd pas erkend

nadat Backeberg het in 1942 officieel

met een Latijnse diagnose beschreef.

De Japanner Yoshio Ito vond het nodig

om dit geslacht van 3 soorten nog eens

te splitsen in een geslacht Sericocactus

voor N. haselbergii en een geslacht

Dactylanthocactus voor N. graessneri,

maar daar heeft men zich nooit veel

van aangetrokken. Brasilicactus hield

stand tot Buxbaum er in 1967 weer

54

een ondergeslacht van Notocactus van

maakte. In 1982 bracht Brandt de plant

onder in het geslacht Parodia en zo zijn

we bij de voorlopige eindstand gekomen.

N. haselbergii is nu Parodia haselbergii

ssp. haselbergii. De nauw verwante

geelbedoornde en groen bloeiende

N. graessneri is nu Parodia haselbergii

ssp. graessneri en de witbedoornde

vorm van N. graessneri heet nu Parodia

haselbergii ssp. graessneri f. albiseta.

De derde brasilicactus, B. elachisanthus,

is een synoniem van P. haselbergii ssp.

graessneri.

Om nog even voort te borduren op het

aantal cactusgeslachten: in zijn bekende

werk ‘Das Kakteenlexikon’ uit 1966

komt Backeberg tot maar liefst 233 geslachten.

In de recente indeling van

Anderson (2001) is het aantal geslachten

weer afgenomen tot 121.

Dat de indeling bij Notocactus nogal

wat discussie opgeleverd heeft, komt

vooral doordat de bloem en vrucht afwijkend

zijn van die bij Notocactus. De

bloem is veel kleiner en de bouw is anders.

De korte bloembuis heeft bedoornde

areolen terwijl deze bij Notocactus

wollig en borstelig is. Bovendien is de

stamper niet rood of paars. De vrucht

(afb. 4) is dunwandig en wordt bij rijping

slap in tegenstelling tot de dikwandige

stugge vruchten van de standaard

Notocactus waar het zaad bij afnemen

meestal schoon en droog uitrolt. De zaden

zijn klein, hooguit 1 mm en glanzend

zwart.

Zoals al eerder opgemerkt is P. haselbergii,

de ‘Scarlet ball cactus’, afkomstig

uit Rio Grande do Sul in Brazilië en

daar dan uit de oostelijke regionen tot

over de grens met Santa Catarina. Daar

groeit ze volgens sommige bronnen zowel

in het laagland als in de bergen, bij

hoge luchtvochtigheid tussen mossen,

maar ook op stenige rotsen en steile

bergwanden. Ze groeit nogal eens samen

met N. leninghausii.

Hoewel deze planten in de natuur dus

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


onder zeer verschillende omstandigheden

leven en in de winter aan koude nevels

en sneeuw blootstaan, willen ze in

de cultuur nogal eens lastig zijn. Soms

worden delen van de plant geelachtig

bruin. De plant op het Verkade-plaatje

bij dit artikel lijkt daar ook aan te lijden.

Meestal is dat een voorbode van een totale

teloorgang. Voor de cultuur wordt

goed gedraineerde, neutrale tot lichtzure

grond aanbevolen. De gewoonte van de

plant om de schedel schuin naar de zon

te richten dient gerespecteerd te worden.

Niet draaien dus. In de zomer een

lichte standplaats maar geen grote hitte.

Liever lichte schaduw. Vaak nevelen

wordt op prijs gesteld. Dat is ook goed

tegen spint want daar is de plant gevoelig

voor. Bovendien voelen wortelluis en

wolluis zich erg thuis op en tussen de

wortels. In de winter is het gevaar voor

wortelrot groot. Beslist droog houden

en de temperatuur liever niet onder de

10 0 C laten komen. Laat dit alles u niet

afschrikken om deze plant in uw collectie

op te nemen. In de boeken komen

we regelmatig termen tegen als “bevallig”

en “een sieraad voor elke collectie”

of “het pronkstuk van menige collectie”.

Een pluspunt is ook dat de bloei vroeg

in het voorjaar valt. Soms volgt later in

het jaar nog een tweede bloei.

Hoewel de plant volgens de beschrijving

kogelrond en tot 12 cm hoog en

breed is, kan deze in de cultuur veel

groter worden. Bommeljé spreekt van

een 20-jarige plant die 25 cm hoog

en 18 cm breed is maar vermoedelijk

betreft het hier een geënt exemplaar.

Volgens Bommeljé zijn op Harrisia jusbertii

of Trichocereus (Echinopsis) spachianus

geënte exemplaren nog steeds

niet van wortelechte planten te onderscheiden.

Vermeerderen kan door zaaien

en dat gebeurt door de commerciële

kwekers ook op grote schaal. De zaailingen

blijven het eerste jaar klein en het

is aan te bevelen om een ruime portie

zaad te nemen en pas in het tweede jaar

te verspenen.

Literatuur

Backeberg, C. (1934, 1937). Blätter für

Kakteenforschung, 1934-3, 1934-7,

1938-6. Eigen uitgave, Volksdorf.

Backeberg, C. (1966). Das Kakteenlexikon,

p. 17-53, 76. G. Fischer Verlag,

Jena.

Bommeljé, C. (1963). Cactussen en andere

succulenten, p. 99. Thieme,

Zutphen.

Duursma, G.D. (1931). Cactus-Album.

Pette’s Cacaofabrieken, Wormerveer.

Förster, C.F. (1886). Handbuch der Cacteenkunde,

band 2, p. 563. Wöller

Verlag, Leipzig.

Goossens, A. (1964). Op het podium:

Brasilicactus haselbergii, Dodonaeus 2

(3): 53.

Hooker, J. (1888). Curtis’s Botanical Magazine

114, tab. 7009.

Rubingh, H. (1964). Zaadvorming en Clichéfonds,

Succulenta 43 (10): 145.

Schumann, K. (1910). Blühende Kakteen,

tafel 98. Neumann Verlag, Melsungen.

Schumann, K. (1899). Gesamtbeschreibung

der Kakteen, p. 382. Neumann

Verlag, Melsungen.

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern

Thd@roc.a12.nl

Afb. 5: Parodia

haselbergii, rechtsonder

op de foto,

op 475 m hoogte

bij Barros Cassal in

Rio Grande do Sul

in het gezelschap

van Sinningia macrostachya

(waarschijnlijk)

en

Dyckia delicata

(foto Wiebe

Bosma)

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 55


Voor het voetlicht

Bertus Spee

Agave titanota

Deze decoratieve agave komt in vele vormen

voor in de Tehuacan-vallei in Oaxaca, Mexico.

De kleur van de bladeren varieert daar van

groen tot blauwgrijs. In cultuur komen we meestal

compact groeiende en zwaargetande planten

tegen, die uitgeselecteerd zijn door de kwekers.

Deze planten spruiten regelmatig en kunnen zodoende

prima gestekt worden. Zaden worden echter

zelden aangeboden.

We planten ze in een zanderig, goed doorlatend

substraat met weinig humus. Tijdens de groei geven

we met regelmatige tussenpozen flink water

en plaatsen de planten op een zonnige plaats,

eventueel buiten. Tijdens de winterrust plaatsen

we ze wat warmer, boven de 15 0 C en kunnen we

ze op zonnige dagen wat nevelen. Vaak verdrogen

de onderste, oude bladeren in de winter; deze

kunnen in het voorjaar vrij gemakkelijk verwijderd

worden.

Pachycereus marginatus

Ook nog bekend als Marginatocereus. In het

moederland Mexico bezetten ze een heel groot

verspreidingsgebied en ze kunnen hier enorme

bestanden vormen. Ze worden tot wel 5 meter

hoog en spruiten flink op oudere leeftijd. In

veel dorpjes in Mexico worden stammen van deze

planten aangeplant als omheining en dit wordt

echt een ondoordringbare barrière. Het is ook een

prachtig gezicht als deze planten allemaal tegelijk

in bloei staan.

In cultuur zijn het gemakkelijke planten die weinig

eisen stellen. Vermeerderen kan door zaaien

en stekken. Een mineraalrijk substraat en regelmatig

flink water geven zal ze goed doen groeien.

Ze worden tegenwoordig ook wel als entstam

gebruikt.

Bloeien doen ze pas op latere leeftijd, als ze

ruim 3 meter hoog zijn. In oudere boeken komen

we vaak de naam parelbandcactus tegen,

een passende naam voor deze prachtig bloeiende

planten.

‘s Winters houden we ze droog en bij voorkeur

boven de 12 0 C. Bij lagere temperatuur zijn ze

nogal gevoelig voor koudevlekken.

56

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Copiapoa humilis

Een van de gemakkelijkste

copiapoa’s

in cultuur.

Ze zijn prima uit

zaad op te kweken of

via stek te vermeerderen.

De bolvormige

plantjes worden

maar 5 cm in diameter

en gaan daarna

spruiten. In een grote

pot kunnen ze flinke

clusters vormen. Ze

kunnen al na 5 jaar

bloeien. Er zijn ook

diverse kruisingen

in omloop, o.a. met

C. hypogaea.

Ze groeien het

best in een mineraalrijk,

lemig substraat.

Tijdens de

groei mogen ze best

een matige watergift

hebben; hierna

telkens de wortelkluit

weer op laten

drogen. Een niet al

te zonnige plaats is

aan te raden en regelmatig

nevelen zal

deze planten ook

goed doen. In de

winter houden we

ze droog bij een minimum

temperatuur

van 12 0 C.

Het moederland

van deze planten

is Chili. Ze komen

hier voor in de

Atacama-regio, tussen

Antofagasta en

Caldera, meestal

van vlak aan de kust

tot op een hoogte

van zo’n 700 meter,

zo ver als de wolken vanaf de Pacific komen. De planten zitten

hier vrij diep in de grond (humilis betekent: laag, op de

grond groeiend). Ze zijn hier ook heel anders van kleur dan

in cultuur, dit door de extreme omstandigheden die daar

heersen.

Van deze soort zijn ook een zestal variëteiten beschreven.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 57


AGAVE ALBOPILOSA

Wim Alsemgeest

Toen deze plant in 2007 beschreven werd, was dat een enorme sensatie omdat de plant

echt anders was dan andere agaven met als meest bijzondere kenmerk de “wolpluisjes” op

het einde van de bladeren. Het werd een van de meest gezochte en begeerde planten.

De soort is echter toch al in 2004 ontdekt

door Ismael Cabral en hij beschreef

de plant samen met Villarreal en Estrada

in Acta Botanica Mexicana.

De natuurlijke groeiplaats van deze

soort is in de buurt van de beroemde

Huasteca Canyon ten zuiden van

Monterrey in de noord-oostelijke staat

Nuevo León van Mexico. Ik ben daar al

meerdere keren geweest, voor het eerst

in 2005 samen met Gerrit Melissen. Het

is een schitterend gebied met soms bijna

witte, steile bergpieken. In 2004 is

een enorme dam gereed gekomen, de

Presa Rompepicos. Deze dam is daar

aangelegd om bij orkanen en hevige

regenval het water van de Rio Santa

Catarina enigszins in toom te houden. In

2007 (en in 2009) konden we via een

tunnel die aan de voet van de dam gemaakt

was, dwars door de dam heen rijden.

We verbaasden ons dat we zo maar

mochten doorrijden; geen hek, niets

stond in de weg en we maakten prachtige

foto’s. Aan de andere kant stond ook

toen geen water (afb.1). Het is nu duidelijk

dat de ontdekkers van deze soort

- en later ook anderen - via deze doorgang

in de dam nog vele kilometers

over onverharde wegen zijn doorgereden

en in het gebied terecht zijn gekomen

waar A. albopilosa groeit. We zijn

weliswaar in 2007 ook nog een stuk

doorgereden, maar uiteindelijk onverrichter

zake teruggekeerd. Een dag is

zo om! In 2009 zijn we nog een keer

door de dam gereden en hebben genoten

van dit prachtige gebied. A. albopilosa

meldde zich niet, echter ontdekten

58

we toen wel A. bracteosa.

In de jaren na de nieuwbeschrijving

kwamen er steeds meer publicaties over

deze soort in omloop met als hoogtepunt

het artikel in Cactus & Co no. 1,

2009 van het Zwitserse koppel Julia

Etter en Martin Kristen dat in Mexico

woont. Zij probeerden de standplaats

geheim te houden zodat zij de exclusiviteit

behielden, maar juist door een

dergelijk artikel wordt de vraag alleen

maar opgevoerd. Zo heeft een Oost-

Europese groep na enorme problemen

om er te komen ook de standplaats ontdekt

en in 2011 werden dan ook op de

E.L.K. ( Europese Landen Konferentie)

in Blankenbergen, België voor het eerst

10 zaden voor € 30,- en enkele kleine

zaailingen aangeboden (€ 30,- per

stuk). Inmiddels is de prijs gedaald naar

€ 15,- .

In 2010 heeft de orkaan Alex enorm

huisgehouden in het gebied. Het water

is gestegen tot de top van de dam

en deze werd onbereikbaar. De Oost-

Europese groep is echter via een enorme

omweg in het najaar van 2010, na

ontzettend veel wegproblemen, toch op

de juiste vindplaats terecht gekomen.

Door het slechte weer zijn veel planten

van de rotsen afgespoeld en de planten

werden daardoor bereikbaar. Zo kwamen

er voor het eerst zaden en enkele

planten naar Europa.

Ook wij, in dit geval Bertus Spee en ik,

wilden natuurlijk dolgraag deze planten

eens in de natuur zien. In het voorjaar

van 2011 moest dat dan ook maar eens

gebeuren.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 1: De auto is nog net te zien

Afb. 2: Aan deze kant er in

Afb. 3: En hier er weer uit

Afb. 4: De zon komt op na een ijskoude nacht in het

busje

Afb. 5: Een wrak in de rivierbedding

Afb. 6: Rijden in een rivierbedding

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 59


Afb. 7: Vastgelopen in de rivier

We hebben drie pogingen ondernomen.

Met busje 1 met onze Duitse

vriend Michael Greuhlich zijn we nog

tot de dam gekomen. Op de weg erheen

werd volop aan het herstel van de

weggespoelde wegen gewerkt. Onze

auto liep echter toch vast in de rivier.

We besloten verder naar de dam te lopen.

Door onze eerdere reizen wisten

we immers hoe ver het nog lopen was.

Over of door de dam lukte echter niet.

We besloten toen om een andere canyon

in te lopen. Onze gedachte was dat

er vast nog meerdere plekken moesten

zijn waar deze agave groeit. Zo liepen

wij 3 uur lang met haastige spoed achter

Bertus aan een canyon in. Ook onze

Duitse vriend Michael die 10 jaar jonger

is volgde Bertus die liep alsof de laatste

trein nog gehaald moest worden. Dat

viel dus niet mee. Maar ook hier geen

A. albopilosa ondanks de spectaculaire,

steile wanden en soms nauwe spelonken

die deze tocht toch ook prachtig

maakten.

Met busje 2 waren we met vijf personen.

We besloten om meer in het begin

van de Huasteca Canyon een zijcanyon

in te rijden. Je rijdt dan als het ware

door een droge (maar soms ook niet)

rivierbedding. We zijn zo ver mogelijk

doorgereden. Maar bij de ontdekking

Afb. 8: Hier moeten ze groeien

60

Afb. 9: De schrijver op de vindplaats

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 10: Agave albopilosa

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 61


Afb. 11: Echeveria simulans

Afb. 12: Agave albopilosa

Afb. 13: Echeveria simulans

Afb.14: Mammillaria plumosa

Afb. 15: Agave bracteosa

62

Afb. 16: Echeveria strictiflora

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


van een wrak van een vastgelopen auto

in de rivier kregen wij een onbestemd

gevoel, dat nog werd versterkt door

onze reisgenoot Lute die deze dag zijn

eerste dipje kreeg. Het valt ook niet mee

om met een dergelijk stel plantenfanaten

twee weken op reis te zijn. De volgende

dag zijn wij net als de Oost-Europeanen

helemaal omgereden en probeerden van

die kant weer in de Huasteca Canyon

te komen. We liepen echter vast op een

afgesloten weg en toen Lute zijn 2 e en

laatste dipje had van deze reis besloten

we maar om te draaien. In de avond was

Lute na een whisky, “Ja, Lute drinkt alleen

klassespul”, weer helemaal de oude

goedlachse en vrolijke vogel.

We namen afscheid van busje 2 en

nu met busje 3 met enkel Bertus en ik

moest het avontuur nu maar eens gaan

lukken, vonden we . Desnoods slapen

we in de bus, er was nu plaats genoeg!

Terug naar het noorden en de volgende

morgen vroeg op.

In feite rijd je de hele dag door een

droge rivierbedding. Uiteindelijk kwamen

we toch nog weer aan in een heel

klein dorpje, ver afgelegen van alles. We

herkenden de bergpieken van eerdere

publicaties. We probeerden wat contact

te maken met de plaatselijke bewoners

en lieten onze reis- en fotoalbums zien.

Maar ze zagen ons duidelijk als indringers

en gaven ontwijkende antwoorden.

We besloten toen maar op goed geluk

een canyon in te lopen. De eerste berg

werd bedwongen. Er stonden ook prachtige

planten o.a. een fraaie Echeveria simulans,

maar geen A. albopilosa. We

besloten dieper die canyon in te gaan.

Bij een steile bergpiek leek het er op dat

ze zeer hoog en onbereikbaar stonden

te pronken. We liepen nog wat verder en

ja hoor, op een grote kei gewoon langs

het pad stond de plant die we zochten.

Makkelijk bereikbaar, klaar om gefotografeerd

te worden!

Weer terug bij de auto, reden we het

gehuchtje uit en al spoedig vonden we

een plek om te overnachten. Na een

koude nacht, waarbij we alle kleding

maar aan hebben gehouden, stonden

we verstijfd op. Pas toen de zon boven

de bergen opkwam werd het weer aangenaam,

ook voor de koele ratelslangen

die wij gespot hadden. We hadden de illusie

dat we nog wel even een andere

bergpiek konden beklimmen. Er moesten

absoluut nog meer plekken zijn waar

onze geliefde planten moesten groeien.

We waren echter niet meer fit genoeg

om dat nog aan te kunnen en besloten

de gemakkelijke canyon nu wat dieper

uit te spitten. We hebben uiteindelijk vijf

bereikbare planten gevonden. Rond de

middag besloten we de lange terugtocht

weer te aanvaarden en ‘s avonds een

lekker hotelbed op te zoeken!

Literatuur:

Etter, J. & M. Kristen, (2009). Agave albopilosa.

La sfuggente. The elusive,

Cactus & Co. 18(1): 44-57.

Cabral Cordero, I.J.A. Villarreal Quintanilla

E.A. Estrada Castillon (2007).

Agave albopilosa (agavaceae, subgenera

Littaea, grupo Striatae), una especie

nueva de la Sierra Madre Oriental

en el noreste de Mexico, Acta Botanica

Mexicana 80: 51-57.

Leeuweringerstraat 10 A

3421 AC Oudewater

Kijk ook op www.agaves.nl

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 63


SULCOREBUTIA GLOMERISETA

Johan de Vries

Reeds in 1949 ontdekt, altijd een raadsel gebleven en nu in 2012, na herhaalde pogingen,

eindelijk weer teruggevonden: Sulcorebutia glomeriseta (Cárd.) Ritter

Lang heeft men gespeculeerd over de

herkomst van deze wel zeer bijzondere

soort. Cárdenas zelf (1951) schrijft in zijn

beknopte nieuwbeschrijving: “deze soort

afkomstig uit het noordelijke verspreidingsgebied

is volkomen verschillend van

alle andere Boliviaanse soorten”.

De planten hebben lange dunne vervlochten

doorns, wat tot uitdrukking

komt in de naam glomeriseta, hetgeen

betekent: met sterk vervlochten borstels

(doorns op de areolen), borstels

tot kluwen verenigd. Cárdenas geeft

als groeiplaats op: Dep. Cochabamba,

Prov. Ayopaya, Rio Cotacajes, Naranjito

(Bolivia).

Slechts weinigen brachten in de loop

der jaren enkele opmerkingen over S.

glomeriseta in de literatuur. De vindplaats

werd door sommigen ook nog

verlegd naar o.a. Hacienda Ressini bij

Sucre. Enkele oudere boekwerken vermelden

deze vindplaats nog (Backeberg

“Das Kakteenlexikon”, Brinkmann “Die

Gattung Sulcorebutia” en Pilbeam

“Sulcorebutia and Weingartia”). Deze

misvatting hield niet zo lang stand, maar

nieuws bracht dit ook niet. Het was uiteindelijk

K. Augustin (1991), die gedeeltelijk

samen met H. Swoboda een

redelijk lange reis maakte in de door

Cárdenas vermelde provincie Ayopaya,

waardoor er nieuwe berichten kwamen.

Echter S. glomeriseta werd niet gevonden

en gedurende dit gedeelte van de

reis waren Augustin en Swoboda gescheiden

op pad. Veel verder dan de

opmerkingen, dat het gebied moeilijk

te bereizen was en dat het zoeken naar

cactussen in dit dicht begroeide en sterk

gecultiveerde gebied zo mogelijk nog

moeilijker was, kwamen ze niet. Hierdoor

Afb. 1: De Rio Cotacajes, gezien vanaf de steile

hellingen

64

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 2: S. glomeriseta, één van de weinige Cárdenas klonen in cultuur

en door de afgelegen ligging zijn dan

ook maar weinigen tot in deze gebieden

doorgedrongen. Het is dan ook

niet gemakkelijk om hier langere tijd

door te brengen zonder succes te hebben.

Anders gezegd: het motiveert niet

echt als je dagenlang niets vindt en het

vraagt op die manier om een grote mate

van doorzettingsvermogen. Men heeft

werkelijk geen idee waar te zoeken, of

het is te steil en/of de vegetatie is zo

goed als ondoordringbaar.

Afb. 3: S. glomeriseta, de zaden, werkelijke hoogte

van de afb. is 1,86 mm

Afb. 4: Weingartia neocumingii, de zaden, werkelijke

hoogte van de afb. is 1,86 mm

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 65


Afb. 5: Overzicht van een stukje van de steile vindplaats, met een dichte bezetting aan planten

R. Slaba (2012) spreekt zelfs het vermoeden

uit, dat de soort wel eens uitgestorven

of vernietigd zou kunnen zijn in

deze zo overvloedig gecultiveerde omgeving,

wat gelukkig voor het overgrote

deel van het landschap niet opgaat, omdat

het heel vaak langs de oevers te steil

is om in cultuur genomen te worden.

Slechts enkelen hebben doelgericht

gezocht maar vonden niets, of alleen

S. menesesii (Cárd.) Buining et Donald,

zoals Swoboda (veldnummer HS 210).

Een KA-veldnummer is er niet, daar zoals

reeds vermeld, Augustin gedurende

dit gedeelte van de reis met Swoboda er

niet meer bij was. Later vond ook Jucker

S. menesesii (HJ 940). Jucker deed zijn

vondst ook in het stroomgebied van de

Rio Cotacajes, de Rio Sacambaya. Tot

het stroomgebied van de Rio Cotacajes

66

(Afb.1) behoort ook de Rio Santa Rosa

waar S. arenacea (Cárd.) Ritter en S.

candiae (Cárd.) Buining et Donald zijn

aangetroffen. De Vries (2010) berichtte

reeds uitvoerig over deze vindplaatsen.

Zoals in de aanhef vermeld staat,

werd S. glomeriseta voor het eerst in

1949 gevonden en wel door E. Rocha.

Cárdenas beschreef ze in 1951 als

Rebutia glomeriseta, veldnummer (herbariumnummer)

MC 4399. Cárdenas

heeft echter tot zijn dood in 1973 nooit

het geslacht Sulcorebutia Backeberg

erkend. In 1961 was ze al door Ritter

omgecombineerd tot het geslacht

Sulcorebutia.

Velen zullen deze planten niet kennen.

Toch zijn ze gelukkig wel degelijk

aanwezig in de gespecialiseerde

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 6: Een nog kleine langbedoornde plant

Afb. 7: Een witbedoornde plant met nog zichtbaar een

gele bloemknop

Afb. 8: Geheel door mossen omgeven exemplaar

Afb. 9: Knoppen en een bijna rijpe roodgekleurde

zaadbes

Afb. 10: Een grote, geelbedoornde plant

Afb. 11: Een grote wit- en langbedoornde plant

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 67


Afb. 12: Een groep geel bedoornde planten, hoog aan de rotsen hangend

sulcoverzamelingen.

Cárdenas heeft naar alle waarschijnlijkheid

nooit veel planten overhandigd

gekregen (we zien meestal maar 1 of

2 verschillende planten op de afbeeldingen

bij een nieuwbeschrijving van

Cárdenas). Cárdenas zelf vermeldde, dat

“ze” (Rocha en Ganderillas) naast de

andere botanische collecties, maar enkele

cactussen meegebracht hadden.

Gelukkig is er in dit geval vermeerderd

en alle planten die we nu kennen, gaan

terug naar het oude Cárdenasmateriaal

(Afb.2).

Na publicatie van een drietal artikelen

door De Vries (2010a, 2011 en 2012),

betreffende andere oude Cárdenasvondsten,

konden we een serie afsluiten.

Het betrof hier een drietal tot nu toe

nog niet teruggevonden sulcorebutia’s,

te weten: S. caracarensis (Cárd.) Donald,

S. inflexiseta (Cárd.) Donald en S. pulchra

(Cárd.) Donald. Tevens werden voor

deze drie soorten ook nieuwe typeplanten

gedeponeerd. Door de problematiek

ten gevolge van een verkeerde

benaming van planten

met het veldnummer

HS 78 als S. pulchra

door W. Gertel (1991)

werd ook nog een

nieuwbeschrijving van

deze Swoboda vondst

HS 78 gepubliceerd

in Succulenta, als S.

callichroma De Vries

(2012a).

Daar deze problematiek

nu afgerond

was, konden we ons

volledig toeleggen

op het resterende en

laatste onopgeloste

sulcorebutiaprobleem

van Cárdenas, nl.

S. glomeriseta.

En ja, zoals uit de

titel blijkt, hebben

we (John Carr en de auteur) inderdaad

S. glomeriseta teruggevonden

(veldnummer VZ 798) en ja, Naranjito

bestaat echt en nee, het is geen plaatsnaam.

Het betekent niets anders dan sinaasappelboompje,

letterlijk vertaald.

Eerder: klein sinaasappelboomgaardje,

van soms niet meer dan een tiental

boompjes en die zijn er vele in het gebied

langs de rivieren. Het was dan ook

niet gemakkelijk om de juiste locatie te

vinden en ter vermelding: het was reeds

onze derde reis naar dit gebied. Zelfs nu

duurde het nog meerdere dagen voor

we succes konden boeken.

De planten groeien vaak aan een steile

rotswand, omringd door mos. Ze

zien er op het eerste gezicht uit als een

Aylostera sensu Spegazzini en hebben

geen penwortel zoals de meeste sulcorebutia‘s.

Dit leidde in het verleden

tot diverse speculaties ten aanzien van

de gekozen geslachtsnaam. We kennen

echter ook van S. tiraquensis (Cárd.)

Ritter groeiplaatsen (Monte Puncu), waar

de planten zonder penwortel eveneens

68

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


op de rotsige ondergrond

in mos staan.

Dit zijn veelal vochtige

plekken met veel

neveldagen. Hoewel

het nu erg droog

was, zagen we, zoals

gezegd, veel

mos rond de planten.

Gedurende eerdere

reizen was het

er echter erg nevelig,

nat en koud, wat

de mosgroei wel

verklaart.

De hoofdbloeitijd

was al voorbij, waardoor

we enkele reeds

rijpe, roodgekleurde

bovengrondse zaadbessen

konden vinden,

die horizontaal

opengaan. De zaden

kun je dan zo

zien. Ze zijn heel klein, de kleinste van

alle sulcorebutia’s (Afb.3). Hierdoor werd

er in het verleden reeds aan een overeenkomst

met het geslacht Weingartia

Werdermann gedacht (Afb.4).

Niet voor niets vermeldde Cárdenas

reeds in zijn nieuwbeschrijving, dat deze

soort volkomen verschillend is van alle

andere Boliviaanse soorten en inderdaad

zien de zaden van S. glomeriseta

en W. neocumingii (sucrensis Ritter) er

op de foto’s qua oppervlaktestructuur

redelijk hetzelfde uit.

Enkele knoppen waren ook nog aanwezig,

waaraan we de gele bloemkleur

konden aflezen.

Het kleurenspectrum van de doorns

lijkt nog groter te zijn dan hetgeen de

Cárdenas-klonen laten zien.

Verder zijn ze veruit de meest noordelijk

groeiende sulcorebutia‘s, aanzienlijk

noordelijker dan S. menesesii (VZ 797),

die we in hetzelfde stroomgebied vonden

(zie kaart).

De foto’s zijn een primeur voor de

Afb. 13: Wit- en geelbedoornde planten naast elkaar

gehele cactuswereld, daar Cárdenas

nooit standplaatsfoto‘s publiceerde.

Cárdenas zelf was veelal nooit op de

vindplaatsen en ruim 60 jaar geleden

was de toen nog zwart-witfotografie nog

lang niet op het peil van wat het nu is

(Afb. 5 - 13).

Alle door Cárdenas als Rebutia

K. Schum. beschreven en later tot

Sulcorebutia Backbg. ombenoemde cactussen

zijn nu teruggevonden. We zullen

ons ”werkgebied“ moeten verleggen

voor een volgende reis. Gelukkig hebben

we nog enkele doelen, die mogelijk

nog tot verrassingen kunnen leiden.

Tenslotte zal het U niet verbazen, dat

we de vindplaats niet bekend maken.

De gehele populatie bestaat uit niet

meer dan naar schatting zo’n 500-600

exemplaren.

Oververzameling door hebzucht

zal zondermeer tot uitroeiing leiden,

zoals dat bijvoorbeeld ook binnen

een paar jaar het geval was op de

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 69


typevindplaatsen van S. roberto-vasquezii

Diers & Krahn en S. vargasii Diers &

Krahn.

Mijn dank gaat uit naar Johan Pot,

Krommenie, die de zaadfoto’s en het

overzichtskaartje gemaakt heeft.

Literatuur:

Augustin, K. (1991). Die HS Sulcorebutien

und Weingartien/Auswertung der

Feldaufzeichnungen, Fortsetzung 12,

Kakt. and. Sukk. 42 (8): 198 – 200.

Cárdenas, M. (1951). 3 New Bolivian

cacti, II, Cact.& Succ. J. USA XXII :

94-95.

Gertel, W. (1991). Neues zu Sulcorebutia

pulchra, Kakt. and. Sukk. 42(7):

174-176.

Slaba, R. (2012). Gelbblütige Sulcorebutien,

Kaktusy XLVIII special 1: 11

Vries, J. de (2010). Sulcorebutia

arenacea und Sulcorebutia candiae,

zwei alte Bekannte, Echinopseen 7(1):

16-23.

Vries, J. de (2010a). De standplaatsen

van Sulcorebutia caracarensis en Sulcorebutia

inflexiseta en mogelijk ook

nog die van Sulcorebutia pulchra na

bijna 40 jaar weer teruggevonden !,

Succulenta 89(2): 56-67.

Vries, J. de (2011). Die Fundorte von

Sulcorebutia caracarensis (Card.) Donald,

Sulcorebutia inflexiseta (Card.)

Donald und wahrscheinlich auch von

Sulcorebutia pulchra (Card.) Donald

nach 40 Jahren wiedergefunden!,

Echinopseen 8(1): 1-17.

Vries, J. de (2012). Clarification of the

correct application of the names Sulcorebutia

caracarensis (Cárdenas)

Donald and S. inflexiseta (Cárdenas)

Donald, and a re-evaluation of S. pulchra

(Cárdenas) Donald, Cactusworld,

B.C.& S. S. 30(1): 9-22.

Vries, J. de (2012a). Sulcorebutia callichroma

De Vries spec. nov., Succulenta

91(2): 60-69.

Bot.Gardens ”Altiplano”

Expertise: sulcorebutia.

Prinsenweg 5,

3237 LN Vierpolders.

E-mail: vriezom.sulcoreb@planet.nl

SUMMARY

More than 60 years after the first description

by Cárdenas, Sulcorebutia glomeriseta

(Cárd.) Ritter has finally been rediscovered

by John Carr and Johan de Vries. A team

that made more remarkable discoveries in

the past, like the rediscovery of the also

“lost” Cárdenas sulcorebutias as S. caracarensis,

S. inflexiseta and S. pulchra sensu

Cárdenas (not HS 78, which mistakenly has

been named S. pulchra).

It was found in the Dep. Cochabamba,

Prov. Ayopaya, Rio Cotacajes and its tributaries,

Naranjito (Bolivia). The habitat is the

most northern one for Sulcorebutia ever, quite

a bit more up north than the habitat of S.

menesesii.

The area is very isolated and the surroundings

are very difficult to explore because of

steep slopes along the river, which are mostly

overgrown by vegetation. Also a lot of

agricultural activities are to be dealt with.

The habitat is not made public (the whole

population is estimated at 500-600 plants

in total) in order to prevent overcollecting.

This happened recently in a few years with

the type localities of S. roberto-vasquezii and

vargasii.

All sulcorebutias, described by Cárdenas

have now been found again, so there are no

secrets left.

70

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


HET GESLACHT COTYLEDON (11)

Cotyledon woodii Schönland & Baker f.

Ton Pullen† & Ben Zonneveld

Deze soort is ontdekt door de Engelse

botanicus John Medley Wood (1827-

1915), die in 1852 naar Zuid-Afrika emigreerde.

De beschrijving in 1902 is van

de hand van Selmar Schönland (1860-

1940), een Duitser, die zich in 1889

in Zuid-Afrika vestigde en hoogleraar

in de botanie werd aan de Universiteit

van Grahamstown en Edmund G. Baker

(1864 – 1949), botanicus te Londen

en de zoon van J.G. Baker (vandaar

Baker f.). Zij vernoemden de plant dus

naar de vinder.

Cotyledon woodii is een laag vertakkend

struikje, dat 1,20 m hoog kan worden.

De houtige takken groeien rechtop,

zijn groen en succulent als ze nog jong

zijn. Ze verhouten later met een schilferende

bast. De platte, gladde, omgekeerd

eivormige bladeren zijn 20-55

mm lang en 10-25 mm breed, groen tot

grijsgroen, soms kleverig of klierachtig

behaard, wigvormig aan de basis met

een spitse top en een rode rand.

De bloeiwijze is een kort, tot 7 cm

lang bijscherm, vaak gereduceerd tot

Afb. 1: Bloeiende Cotyledon woodii van Meiringspoort

RSA

(Foto: E. van Jaarsveld)

Afb. 2: Niet-bloeiende plant van C. woodii

(Foto: B. Zonneveld)

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 71


Afb. 3: Natuuropname van Cotyledon woodii

een enkele bloem in een bladoksel. De

bloemsteel is 8-10 mm lang. Er zijn 5

driehoekige kelkslippen, ongeveer 5 mm

lang. De bloembuis is oranje tot rood,

12-15 mm lang. De kroonslippen zijn teruggeslagen,

12 mm lang. De honingschubben

zijn geelachtig.

De bloeitijd in Zuid-Afrika is van december

tot april, maar er kunnen het

hele jaar door bloemen aangetroffen

worden. Ook in Nederland zijn verschillende

vormen in omloop die in de zomer

gemakkelijk tot bloei komen. Ook

hier is een natuuropname van Van

Jaarsveld bijgevoegd.

Het verspreidingsgebied ligt in de provincies

Westkaap en Oostkaap.

De volgende cultivarnamen zijn in

omloop: ‘Gamtoos’,’Green Eggs’, ‘Grey

Eggs’ en ‘Kouga’. De laatstgenoemde is

mogelijk een hybride met C. velutina.

Schubertlaan 196

2324EC Leiden

Ffoto: Ton Pullen)

72

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Matucana weberbaueri zorgt

voor verrassing

Peter van Steijn en Ton Pullen †

Matucana weberbaueri is al een oude bekende

in de Europese verzamelingen. Zij

wordt in 1904 gevonden door A. Weberbauer

(1871-1948), naar wie de plant ook vernoemd

wordt. De nieuwbeschrijving in 1913 onder de

naam Echinocactus weberbaueri is van Dr. F.J.

Vaupel (1876-1927). De plant werd gevonden

in de omgeving van het plaatsje Balsas, dept.

Amazonas, Peru. Curt Backeberg (1894-1966)

bracht de plant in 1939 onder in het geslacht

Matucana. Synoniemen zijn Submatucana weberbaueri

en Borzicactus weberbaueri.

Beschrijving

De plant is meestal enkelvoudig, bolvormig,

groen, 12 cm in diameter bij een maximale

hoogte van 20 cm. Zij heeft 18-30 ribben, die

opgedeeld zijn in tuberkels. De areolen staan

ongeveer 10 mm uit elkaar. De plant is dicht

bedoornd. De doorns zijn goudgeel tot geelbruin,

rand- en middendoorns zijn niet te on-

Foto: Ton Pullen

Afb. 1: Matucana weberbaueri

derscheiden. De bloem is ongeveer 6 cm lang

bij een breedte van 3 cm, recht tot iets scheef,

citroengeel. De bloembuis is zwak behaard tot

kaal. Vrucht ovaal, groen met rood, ongeveer

8 mm in doorsnede, voorzien van schubjes.

De zaden zijn relatief klein. Een oranjebloeiende

vorm wordt in 1974 beschreven door John

Donald (1923-1996) als Borzicactus weberbaueri

var. flammeus. (Donald was van mening

dat alle matucana’s tot Borzicactus gerekend

moesten worden). Deze vorm is dikwijls verward

met M. myriacantha, omdat planten van

deze variëteit onder die naam in de handel gebracht

werden. Alfred Lau (1928-2007) zocht

op een van zijn reizen in Peru naar M. myriacantha

en dacht aanvankelijk deze soort teruggevonden

te hebben, vandaar de verwarring.

Ook Ritter heeft dezelfde denkfout gemaakt.

Omdat de bloemkleur het enige verschil is tussen

M. weberbaueri en de var. flammea is de

laatste gereduceerd tot forma door Bregman Afb. 2: Matucana weberbaueri fa.

et al. (1989). De naam is nu dus Matucana

flammea

Foto: Ton Pullen

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 73


weberbaueri fa. flammea. Hunt (2006)

beschrijft de bloemkleur als geel of

oranje-rood en weet nog te melden, dat

de oorspronkelijke vindplaats van de

geelbloeiende vorm afgelegen en moeilijk

bereikbaar is en dat planten van de

gemakkelijker te bereiken populaties var.

flammea genoemd worden.

In 1994 kocht ik (PvS) zaden van

Matucaca weberbaueri fa. flammea van

het Clichéfonds van Succulenta, die in

1995 werden uitgezaaid. Aan de zaailingen

heb ik geen bijzondere aandacht

geschonken tot er eentje begon te bloeien.

Toen zag ik tot mijn verbazing dat

de bloemkleur veel lichter was dan verwacht.

Zoals op bijgaande foto ook

te zien is zijn de bloemen vrijwel wit,

met hier en daar een uiterst lichtgelige

zweem. Een verrassing dus…

Het gebeurt wel vaker, dat in een populatie

een of enkele exemplaren verschijnen

met een afwijkende bloemkleur.

Dus in dit opzicht is het niet zo bijzonder.

Maar het zou leuk zijn als deze mutatie

vastgelegd kan worden. De eenvoudigste

manier zou zijn om mijn plant

te bestuiven met stuifmeel van een andere

witbloeiende plant. Misschien zijn

er onder onze leden meer mensen, die

indertijd deze zaden gekocht en uitgezaaid

hebben. Als er iemand is die dit

leest en ook een witbloeiende M. weberbaueri

heeft zou ik dat graag vernemen.

Een andere manier is de mutant

met witte bloemen te kruisen met de

geelbloeiende vorm. In de eerste generatie

(F1) verwachten we dan alleen de

wilde vorm terug te zien (er even van

uitgaande dat de mutatie recessief vererft),

maar bij onderlinge kruising van

deze F1-exemplaren moet in de tweede

generatie (F2) weer een aantal witbloeiende

exemplaren ontstaan. Een wellicht

beter alternatief zou kunnen zijn om

exemplaren uit de F1-generatie te bestuiven

met de witbloeiende moederplant.

In dat geval zou ongeveer de helft van

de nakomelingen witte bloemen moeten

hebben. Beide opties kosten veel

tijd, want elke generatie kost minimaal 5

jaar, omdat de planten niet eerder bloeirijp

zijn. Het enten van de zaailingen kan

dit proces wat versnellen. Het kost bovendien

veel ruimte, omdat je niet een

of twee, maar zoveel mogelijk exemplaren

tot bloei moet brengen. Je kunt immers

aan de buitenkant niet zien wat de

bloemkleur zal worden, hoewel soms de

witbloeiende exemplaren zelf ook lichter

groen van kleur kunnen zijn. Een leuke

uitdaging is het wel!

Literatuur:

Bregman, R., A. Meerstadt, P. Melis en

A.B. Pullen (1989). Succulenta 68 (6),

140-144.

Bregman, R. (1996).The Genus Matucana.

Rotterdam.

Hunt, D.(2006). The New Cactus Lexicon.

Milborne Port.

Ritter, F. (1981). Kakteen in Südamerika.

Eigen uitgave. Spangenberg.

Afb. 3: Matucana weberbaueri, vorm met witte

bloemen.

Foto: Peter van Steijn

74

Woestijnenweg 4

8026 PJ Wijthmen

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


AGAVEN IN PALERMO

Ivana Richter

Bij het onderzoek voor en het schrijven van mijn boek over agaven waren mij enkele publicaties

van de Botanische Tuin van de Universiteit van Palermo uit de 19de eeuw fragmentarisch

bekend. Vele van de daar aanwezige planten zijn in de boeken van de agavenexperts

Alwin Berger (1915) en Howard Scott Gentry (1982) vermeld.

Een Italiaanse agavenverzamelaar uit

Rome bereidde mij een enorme vreugde

door me een reprint van het boek

Hortus Panormitanus en andere literatuur

over Siciliaanse tuinen te schenken.

Meer dan genoeg aanleiding om het

een en ander met eigen ogen te willen

aanschouwen.

In plaats van de 2000 km lange autoreis

over de Italiaanse wegen tot aan

Messina onderaan in de voet van het

schiereiland en een oversteek per veerpont

naar Sicilië, kozen wij voor een

andere combinatie. De reis werd verbonden

met een bezoek aan Sardinië.

Vanuit Livorno maakten we de oversteek

naar Olbia op Sardinië. De boottocht

van Cagliari naar Palermo wordt

niet zo frequent uitgevoerd als de vorige,

slechts een keer per week met een

vrachtschip van de rederij Tirrenia. Het

is steeds weer spannend als je voor het

eerst met een schip een voor jou nog

onbekend gebied nadert. Na een stormachtige

nacht te hebben doorgemaakt,

dook in het eerste daglicht in plaats

van een zonovergoten eiland de in wolken

verhulde, steile, hoge noordwestkust

van Sicilië op. Uit de reisvoorbereidingen

had ik prachtige voorstellingen

van de bergen en de kapen, maar thans

niets van dit alles. Snel kwam de haven

van Palermo in zicht. Als men de stad

in de “gouden mossel” van het meer

dan 1000 m hoge achterlandgebergte

in het vizier krijgt, valt ogenblikkelijk

een groene, onbebouwde vlek op aan

de oever ten oosten van de haven. Het

zijn de hoge bomen van de botanische

tuin van de Universiteit van Palermo

en het ernaast liggende stadspark bij

de uit 1777 stammende Villa Giulia. De

“Orto Botanico” bevindt zich hier sinds

1786 op een circa 10 hectare groot stuk

grond.

De hooggespannen verwachtingen die

we hadden, werden na het verlaten van

de boot door een zondvloed van regen

bijna tenietgedaan; in elk geval werd wel

al het stof van onze auto weggewassen.

We lieten onze auto achter op de bewaakte

Amari-parkeerplaats bij de haven.

Met een plantenvriend uit Palermo

zouden we de tuin gaan bezoeken. Zijn

bereidwilligheid om in de stromende regen

mijn uitdrukkelijke wens te vervullen,

direct de agavenverzameling te gaan

bekijken, werd spoedig beloond met een

heerlijk zonnetje.

In de tuin had het in de historische kas

met succulenten door de geopende dakvensters

ook sterk geregend. Deze oudste

nog in Palermo bestaande en voor

tropische planten bedoelde kas “Serra

Carolina” werd in 1860 gebouwd ter vervanging

van een nog oudere. Die eerste

kas werd in 1799 in Engeland besteld

door Maria Carolina, koningin van Sicilië

en Napels (*1752, †1814) en echtgenote

van Ferdinand IV van Bourbon en dochter

van de Oostenrijkse keizerin Maria

Theresia. De kas was bedoeld voor het

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 75


76

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 2: Agave ragusae Terracc. in de botanische

tuin van Palermo.

Foto: RI

Afb. 3: Agave latifolia.

Foto: RI

koninklijk slot Caserta (40 km ten noorden

van Napels), maar werd tenslotte in

1806-1823 opgebouwd in de botanische

tuin van Palermo.

Nat tot op het bot, maar zielsgelukkig

kon ik meteen de in de tuin buiten aangeplante

agavencollectie bezichtigen.

Het zijn nakomelingen van de originele

planten van de voormalige directeur

van de tuin, Prof. Agostino Todaro (vanaf

1856). Hij was auteur van verschillende

nieuwbeschrijvingen van agaven en van

het al genoemde verzamelboek “Hortus

Panormitanus” uit de jaren 1876-1892.

Dit verzamelwerk omvat zeer fraaie, natuurgetrouwe

tekeningen in groot formaat

van in Palermo gecultiveerde,

toentertijd nieuwe planten, waaronder

enkele agaven en aloë’s. De meeste van

de door hem beschreven agavennamen

zijn later samengevoegd met andere

soortnamen. Dit kwam vooral omdat hij

onvoldoende kennis had van de vindplaatsen

en groeiomstandigheden in de

natuur. Dat is een algemeen probleem

in de 19e eeuw. Todaro zelf is nooit in

Amerika geweest; hij bracht bijna zijn

gehele leven door in Palermo, waar hij

als senator van het koninkrijk Italië ook

Afb. 1: Agave willdingii. Afbeelding op Tab. 32

in Hortus Panormitanus, Tomus II. (origineel

formaat 28x41 cm)

nog politicus was.

Gentry (1982) nam twee van de agaven

die vanuit Palermo zijn beschreven,

op in zijn systeem. De Caribische A. willdingii

werd door Todaro in Hort. Panorm.

II (1878), 36-39, Tab. 32 beschreven. Hij

gaf aan dat deze plant in de botanisch

tuin van Palermo sinds oudsher (“da antichissimo

tempo”) in cultuur is. De plant

kwam uit de cultuur van de Villa van

Pronzesin uit Butera, de tweede echtgenote

van de heer Giorgio Willding, vorst

van Radali. In de tijd van Todaro was

deze villa in Olivuzza, een voorstad van

Palermo, beroemd omdat de Russische

tsarenfamilie daar regelmatig logeerde.

De plant werd behalve in Palermo

ook gecultiveerd in de koninklijke botanische

tuin in Boccadifalco. Trelease

deelde de soort in 1913 in bij de groep

Antillares, waartoe enkele Cubaanse

soorten behoren zoals de bekende A.

albescens. Tot op heden is A. willdingii

in de natuur niet teruggevonden.

Todaro gaf weliswaar als waarschijnlijke

groeiplaats Mexico aan, maar in zijn

discussie vergeleek hij haar met toentertijd

bekende Caribische agaven zoals

A. antillarum van het nabijgelegen eiland

Hispaniola en andere uit de groep

Antillanae. Trelease vermoedde een herkomst

uit het westen van Cuba. Zij lijkt

echter meer op de agaven van Haïti

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 77


Afb. 5: Agave americana var. expansa

Foto: RE

Afb. 4: Agave lurida

en de Dominicaanse Republiek (deze

twee landen vormen samen het eiland

Hispaniola), die met uitzondering van A.

antillarum nog steeds weinig zijn bestudeerd.

Pas in 1927 beschreef Trelease

drie agavensoorten uit Haïti en liet daarna

het thema rusten. Helaas heb ik in

Palermo A. willdingii niet kunnen vinden.

Een andere soort, A. ragusae, doet

het in de botanische tuin zeer goed

en kan vermeerderd worden via zijscheuten

die tot krachtige jonge planten

uitgroeien. A. ragusae werd in 1897

door A. Terracciano beschreven in het

Bolletino del Reale Orto Botanico e

Giardino Coloniale di Palermo. Ze werd

vernoemd naar Henrici Ragusa, in wiens

78

Foto: RI

Afb. 6: Agave mitriformis Jacobi = A. salmiana var. mitraeformis

Cels in de botanische tuin van

Palermo

Foto: RI

Afb. 7: Agave yuccaefolia

Foto: RE

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


tuin in Florence de plant tot bloei kwam.

Als de mening van Ortiz en Van der

Meer (2003) juist is, dat deze plant al

staat afgebeeld in de Hortus Eystettensis

(1613, blad 38) onder de benaming Aloe

americana, dan was deze soort al zeer

lang voor zijn beschrijving in Europa in

cultuur. Echter, ook van deze soort is

de natuurlijke groeiplaats onbekend. A.

ragusae is een robuuste, breedbladige

agave die Gentry aanduidde met “species

incertae sedis” en met dit voorbehoud

deelde hij haar in bij de groep

Salmianae. In zijn boek uit 1982 staat

een grote cultuurplant van A. ragusae

afgebeeld, opgenomen in de tuin van

Palermo in 1969. Het was ook daarom

dat ik deze planten graag in de tuin wilde

bestuderen.

De tuin leent zich natuurlijk uitstekend

om grootwordende agaven buiten

aan te planten. Zo kan men er vinden:

A. lurida, A. marmorata, A. tecta, A.

atrovirens, A. yuccaefolia (deze laatste

soort hoort thuis in het ondergeslacht

Littea), maar ook prachtige exemplaren

van planten die hun oorsprong vinden

in de 19e eeuw, zoals A. whitackeri

Hort. ex H. Jacobsen, A. latissima var.

macroculmis Tod., A. latifolia Karw., A.

lophantha var. coerulescens Salm-Dyck,

A. glaucescens Otto met grauwe brede

bladeren en A. mitraeformis Jacobi

met donkergroene naar het centrum van

de rozet gebogen bladeren. Omdat de

planten in Palermo onder optimale condities

– zoals voldoende zonlicht - worden

gekweekt, komen de typische kenmerken

van de verschillende vormen

goed naar voren. En omdat ze allemaal

onder dezelfde omstandigheden groeien,

is een onderlinge vergelijking ook

zeer goed mogelijk. In een kas bestaat

de tendens tot uitvlakking van de typische

verschijningsvormen en het verleidde

vroegere botanici om de planten

enkel en vooral te beschrijven op basis

van de bladvorm en de eindstekel. Het

is zeker de moeite waard deze prachtige

agaven nader te bestuderen en te

Afb. 8: Agave whitackeri

Foto RE

vergelijken met planten in de natuur.

Helaas wordt weinig aandacht gegeven

aan deze oude “Europese” agaven bij

de beschrijving van nieuwe soorten door

huidige Amerikaanse en Mexicaanse auteurs.

Gelukkig zijn er ook uitzonderingen

waar het wel is gebeurd zoals bij

A. warelliana uit Chiapas, Guatemala en

rond Pico de Orizaba in het zuiden van

Veracruz en A. ellemeetiana en A. gilbertii

(= A. bakeri) uit Oaxaca. Ook een

goed voorbeeld was het zoeken naar de

toen alleen in cultuur bekende A. americana

var. expansa (Jacobi) Gentry in

Jalisco; dat leidde in 2011 tot de beschrijving

van een nieuwe soort, A. temacapulinensis

A. Vásquez & Cházaro.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 79


Afb. 9: Ficus magnolioides, een reusachtige oude boom

Foto: RE

Afb. 10: In de kas voor cactussen en andere succulenten

Foto: RE

80

Voor het bezichtigen van andere delen

van de tuin bleef weinig tijd over. Direct

naast de agaven staan vrij uitgeplante,

boomvormige opuntia’s waaronder

O. galapageia, verschillende consolea’s

en brasiliopuntia. Een lust voor het oog

zijn zeker ook de vruchtdragende bananen,

het palmvarenbos (hier groeit de

oudste in Europa vrij uitgeplante Cycas

revoluta, een geschenk uit 1799 van koningin

Maria Carolina), boomvarens met

dikke oude stammen, tropische bomen,

chorisia’s, palmen, plumeria’s en drakenbomen.

Het bamboe en andere waterplanten

in het uit de 19de eeuw stammende

bassin zagen er na de regen nog

frisser uit en riepen de illusie van een

tropisch bos op, hoewel de paden strak

geometrisch zijn aangelegd. De imposante,

ongeveer 180 jaar oude Ficus

magnolioides was een bos op zichzelf,

hoewel het maar één boom is. Met zijn

vertakte luchtwortels neemt hij een oppervlakte

van 1200 m 2 in beslag.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 11: Het wandelpad met Ceiba en Chorisia in de regen

RI = Ivana Richter, RE = Elisabeth Richter

Foto: RE

Het viel me zwaar deze wondermooie

historische tuin na een paar uur

weer te moeten verlaten. Wie de tuin

bezoeken wil; de tuin is dagelijks geopend

vanaf 9.00 uur, maar gesloten

op Nieuwsjaardag, Pasen en Kerstmis.

De sluiting hangt af van het daglicht: in

mei tot en met augustus om 20.00 uur,

in maart en oktober om 19.00 uur, in

april en september om 18.00 uur en in

november tot en met februari om 17.00

uur (op zon- en feestdagen al om 14.00

uur).

In de vrije natuur van Sicilië treft

men af en toe verwilderde exemplaren

van A. americana, A. lurida, A. salmiana,

A. atrovirens, A. angustifolia en

A. fourcroydes aan op braakliggende terreinen,

op de rotskusten en in de zandduinen.

Meestal zijn ze ontsnapt uit privétuinen.

Zowel in de stadsparken als

in privétuinen worden agaven aangeplant

vanwege hun hoge sierwaarde en

gemakkelijke onderhoud. Het klimaat is

dan ook bijna optimaal met in Palermo

op zeeniveau een minimumtemperatuur

van +8 0 C.

Literatuur

Berger, A. (1915). Die Agaven, Stuttgart.

Gentry, H.S. (1982). Agaves of Continental

North America, University of Arizona

Press, Tucson.

Guillot Ortiz, D. & Van der Meer, P.

(2003). La especie Agave ragusae Terrac.

y el icono de Besler, Flora Montiberica

24: 27-32.

Richter, I. (2011). Die Gattung Agave,

Roma, pag. 18 en 41-47.

Todaro, A. (1993, reprint). Hortus botanicus

Panormitanus, tomus primus et secundus,

Accademia Nazionale de Scienze

Lettere e Arti di Palermo, 154 pp.

Vert.: Ludwig Bercht

Postfach 110411

D-93017 Regensburg

Duitsland

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 81


EEN BEZOEK AAN het CITY OF

ROCKS STATE PARK, NEW MEXICO

Henk Ruinaard

Behalve National Parks en National Monuments kennen de Verenigde Staten ook

zogenaamde State Parks. Elk van de 50 staten van de VS heeft er wel een stuk of dertig.

Dat is ook het geval bij de door mij zeer geliefde zuidelijke staten.

extra ruimte maar beperkt wel

iets meer de bewegingsvrijheid

(geen kleine weggetjes en steile

bergwegen). In het City of

Rocks State Park was dat geen

enkel probleem. Alleen maar

vlakke geasfalteerde wegen en

vrijwel geen verkeer. Het City of

Rocks State Park ligt in een vrij

vlak gebied op een hoogte van

ca. 1600 meter. Vanaf Highway

61 loopt er een doodlopende

weg naar het Park. Al vanaf een

flinke afstand kun je de ‘stad’

zien liggen (afb.1).

Afb. 1: Uitzicht op City of Rocks State Park

Arizona heeft 31 State Parks en New Mexico

heeft er zelfs 40. Eén daarvan is City of Rocks

State Park, gelegen in het midden van New

Mexico tussen Silver City en Deming. Het aantrekkelijke

van deze State Parks is dat vele daarvan

een camping hebben waar je met je tentje of

camper in de natuur kunt overnachten.

Na een eerste bezoek in 2009 waren mijn

echtgenote en ik daar opnieuw in 2011 met een

tamelijk grote camper, ook wel aangeduid als

Recreational Vehicle (afgekort tot RV). Wij hadden

het voordeel dat we vanwege het voorseizoen

een familiecamper met een lengte van 25

feet (= ca. 8,2 meter) meekregen voor een lagere

huurprijs dan een ‘kleine’ tweepersoons-camper

van 19 feet (= 6,2 m). Dat geeft een hoop

82

Het is bizar om te zien dat er

alleen maar op die plaats de

huizenhoge keien liggen die de

“stad” vormen. Van dichterbij

zie je het bezoekerscentrum en

de RV-camping liggen. Het centrale

deel van de RV-camping

bevat de plaatsen met de zogenaamde

“hook ups”. Daar heb

je aansluitingen voor elektriciteit,

water en riool. Die plaatsen

bleken allemaal bezet te zijn zodat

wij het moesten doen met

een (eigenlijk veel mooiere)

kampeerplaats zonder aansluitingen

tussen de “rocks” (afb.2).

Toen de camper eenmaal op

zijn plaats stond en het tafeltje

en de stoelen uitgeklapt waren,

hadden we een mooi uitzicht

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 2: Kampeerplaats tussen de “rocks”

Afb. 3: Uitzicht op de tafelberg

Afb.4: E. coccineus ssp. rosei in de ‘botanische tuin’

Afb. 6: Vrouwelijke bloem met witte keel

Afb.5: Rood tot oranjerode bloemen van E. coccineus

ssp. rosei

op de RV-camping, de prairieachtige

vlakte en de “Table Mountain” (tafelberg)

(afb.3). Dat is altijd een goed begin;

een berg zonder prikkeldraad eromheen

in een woestijnachtig gebied. Dat

vraagt om een uitgebreide verkenning.

Onderweg naar de tafelberg vluchtte in

het hoge dorre gras een ratelslang vlak

voor mijn voeten weg nog voor ik mijn

fototoestel in de aanslag had. Jammer

want een foto van een ratelslang is altijd

welkom. Op de helling van de tafelberg

lagen grote stenen die het klimmen

moeilijk maakten. De verwachte

begroeiing van succulenten liet zich nog

niet zien. Ook bij verder doorklimmen

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 83


Afb. 7: Bloemen met witte keel en roze keel

Afb. 8: Indrukwekkende keien

naar de top kwam ik behalve dasylirions

geen succulenten tegen, zelfs geen opuntia’s,

agaven of yucca’s. Deze domper

werd gelukkig goedgemaakt door de aangeplante

succulenten in de bloembakken

bij de camping en de aangelegde perken

rondom het bezoekerscentrum. Vooral bij

de camping waren een paar schitterende

groepen Echinocereus coccineus ssp. rosei

84

aangeplant. In deze ‘botanische tuin’

stonden, verdeeld over twee gemetselde

bloembakken, drie zeer grote

groepen volop in bloei (afb.4).

E. coccineus ssp. rosei komt

in New Mexico op verschillende

plaatsen voor. Bekend zijn vooral

de populaties in centraal New

Mexico bij de Organ Mountains,

bij Alamogordo, bij La Luz, bij

Orogrande (Jarilla Mountains) en bij

Oliver Lee Memorial State Park. Al

die groeiplaatsen liggen tussen de

130 en 200 km ten oosten van het

City of Rocks State Park. Daar deze

planten niet direct rondom het park

in de natuur te vinden waren, vermoed

ik dat ze geïmporteerd zijn

vanuit een van de eerder genoemde

groeiplaatsen. De bloemkleur van

‘rosei’ is roze of rood tot oranjerood

(afb. 5), maar de bloemen hebben

soms ook een gele of witte keel. De

kleur van de bloemkeel lijkt vrij variabel

te zijn. Bloemen met witte keel

en een roze keel komen kennelijk

aan dezelfde groep voor.

Bij ‘rosei’ komt, net als bij de andere

soorten van de coccineusgroep,

eenslachtigherid voor. Dat

wil zeggen dat er zowel mannelijke

bloemen (met goed ontwikkelde

meeldraden en slecht ontwikkelde

stamper) als vrouwelijke bloemen

(met goed ontwikkelde stampers en

slecht ontwikkelde meeldraden) kunnen

voorkomen (zie toelichting onderaan).

De meeste bloemen zijn

echter tweeslachtig (zowel goed ontwikkelde

stamper als goed ontwikkelde

meeldraden). Op afb. 6 is een

duidelijk vrouwelijke bloem met witte

keel te zien. Op afb. 7 zijn bloemen

te zien met roze keel en witte keel.

Bestuiving van deze drie groepen

is dus geen enkel probleem mits er

maar bestuivers aanwezig zijn.

De teleurstelling over het ontbreken

van succulenten op de tafelberg

werd gelukkig ruimschoots

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Afb. 9: Indrukwekkende keien bij avondlicht

goedgemaakt door deze schitterende

‘rosei’-groepen. Dat maakte, samen met

de indrukwekkende keien (afb. 8 en 9),

voor ons een bezoek aan City of Rocks

State Park zeer de moeite waard.

Molenweg 29 6133 XM Sittard

henk.ruinaard@tiscali.nl

Toelichting redactie:

Bloemen die alleen mannelijk of alleen vrouwelijk zijn heten eenslachtig; bloemen

met stampers en meeldraden heten tweeslachtig. Eenhuizigheid heet het wanneer

mannelijke en vrouwelijke eenslachtige bloemen op dezelfde plant voorkomen

(voorbeeld: hazelaar, berk). Tweehuizigheid als eenslachtige bloemen niet op dezelfde

plant voorkomen (voorbeeld wilg). Echte eenslachtigheid komt bij cactussen

voor zover ik weet niet voor, want het geslachtsorgaan dat niet fertiel is, is wel rudimentair

of onvolgroeid aanwezig.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 85


Stapelia barklyi

Louis Van de Meutter

Stapelia barklyi werd in 1890 door N.E. Brown beschreven naar planten die afkomstig

waren van een inzameling nabij Okiep, in het binnenland van Porth Noloth, in Klein

Namaqualand. Hij noemde de planten naar Sir Henry Barkly, een toenmalige verzamelaar

van Zuid-Afrikaanse stapelia-achtigen.

Hoewel de bloemkenmerken duidelijk

verwijzen naar Stapelia, vertoont

de corolla een opvallende annulus zoals

bij Orbea. In 1957 werd deze verloren

gewaande soort herontdekt in de

oorspronkelijke habitat, met Stapelia

pulvinata (S. hirsuta var. hirsuta sensu

Bruyns) en Orbea namaquensis in de

nabijheid. Men besloot daaruit dat S.

barklyi zo goed als zeker een hybride

moest zijn van beide soorten.

Het exemplaar in mijn verzameling

is afkomstig van een stekje dat

Cok Grootscholten me twee jaar geleden

(mei 2010) bereidwillig bezorgde.

Het sloeg goed aan in een gemengd

substraat van bims, potgrond en zand.

Nog hetzelfde jaar verscheen al een

Afb. 1: Stapelia barklyi, close-up

86

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


loemknop die jammer genoeg voortijdig

verdroogde. De reden ervan

bleek een begin van wortelrot te zijn.

Om dit te vermijden werd de plant

het jaar nadien omgepot in zuiver

bims, ze bleef daardoor gezond en

openbaarde in juli 2011 voor de eerste

keer haar wondermooie bloem

in mijn verzameling. Ze blijkt zeer

bloeiwillig want ook in 2012 verkreeg

ik vanaf de nazomer met regelmatige

tussenpozen enkele bloemen.

De laatste bloemknop kwam

zelfs tot ontwikkeling omstreeks half

november.

Net zoals mijn meeste stapelia’s gedijt

ze, met zuiver bims als substraat,

in een hangpot. Tijdens de zomer

wordt ze door vliesdoek enigszins

afgeschermd tegen het te felle zonlicht.

Zoals het hoort bij een dergelijke

kweekwijze wordt gemiddeld om

de twee weken rijkelijk water toegediend

met telkens de aangepaste dosering

meststoffen (Wuxal super, ca.

1 ml per l).

Literatuur

Berger, A. (1910). Stapelien und Kleinien.

Verlagsbuchhandlung Eugen

Ullmer, Stuttgart.

Bruyns, P.V. (2005). Stapeliads of

Southern Africa and Madagascar,

Vol. II. Tien Wah Press, Singapore.

Leach, L.C. (1985). A revision of Stapelia

L. (Asclepiadaceae). Excelsa

Taxon. Ser. 3: 45-46.

White, A. & Sloane, B.L. (1937). The

Stapelieae, ed. 2, Vol. II. Abbey San

Encino Press, Pasadena.

Nachtegalenlaan, 16

B 2820 Bonheiden

België

Afb. 2: Stapelia barklyi

Afb. 3: Orbea namaquensis, bloem pas open

Afb. 4: Orbea namaquensis, close-up

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 87


Afb. 5: Stapelia pulvinata

Afb. 6: Stapelia pulvinata close-up

Foto’s van de schrijver

***

Leem als substraat

Aiko Talens

Zo af en toe heb ik binnen onze wereld van succulentenliefhebbers iemand wel eens horen

spreken over leem als substraat of als toevoeging aan een mengsel.

Om verschillende redenen werd vaak aangeraden om leem te gebruiken, met name voor

het geslacht Ariocarpus en voor mesems.

In het algemeen geldt dat tussen de

vele adviezen die gegeven kunnen worden

er slechte en goede zitten. Ik wilde

het advies om leem te gebruiken graag

eens zelf uitproberen en uit eigen ervaring

kunnen spreken. Na een paar jaar

gebruik moet ik zeggen dat dit mij geen

spijt heeft gebracht. In dit artikel deel ik

88

graag met u mijn - voornamelijk positieve

- bevindingen over het gebruik van

leem als (toevoeging aan het) substraat.

Eigenschappen van leem

Sinds ik leem gebruik als substraat

voor mijn succulenten, is mij opgevallen

dat leem een aantal specifieke

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


eigenschappen bezit:

1 - Leem is erg hard als het droog is

2 - Leem is boterzacht als het vochtig

is

3 - Vocht verspreidt zich in leem snel

en gelijkmatig

4 - Leem suspendeert makkelijk in

water

De eerste drie zijn eigenschappen die

ik als gunstig beschouw voor succulenten

en waardoor ik leem als een zeer

geschikt substraat zie (of als een goede

aanvulling aan een mengsel) voor

met name zaailingen en vochtgevoelige

succulenten. Deze drie gunstige eigenschappen,

en ook de vierde meer ongunstige

eigenschap, licht ik graag verder

toe.

1 - Leem is erg hard als het droog is

Als leem eenmaal vochtig is geweest

en naderhand weer opdroogt, dan zul

je merken dat het erg stevig is uitgehard.

Indien pure leem gemengd is met

zand of steen, zal het mengsel zelfs zo

hard als beton kunnen worden. Dit hoeft

geen nadelige gevolgen te hebben voor

het wortelstelsel van een plant. De wortels

kunnen nog prima door zo’n stevig

substraat hun weg vinden en zelfs met

wat kracht brokkelt het hard geworden

substraat ook zo weer los. Maar een betonhard

substraat biedt wel een specifiek

voordeel. Heb je namelijk leem als

substraat in een plastic pot zitten, dan

voelt de opgedroogde pot zeer stevig

aan als je er in probeert te knijpen. Je

kunt de zijkanten van de pot niet of nauwelijks

goed indrukken zolang je er gematigde

krachten op los laat. De inhoud

geeft dan niet of nauwelijks mee. Dit

betekent dat leem een goede indicator

is bij het beoordelen of er nog vocht in

een pot aanwezig is. Met name onderin

de pot! De bovenzijde van veel substraten

kan immers al droog en uitgehard

zijn, terwijl er onderin nog vocht kan zitten

en het leem nog zacht is. Geef je

een plant desondanks water zonder dat

ook de onderste lagen van een pot zijn

uitgedroogd, dan kan dat dus funest zijn

voor met name de meer vochtgevoelige

succulenten. Zit er nog vocht in de

pot, dan voel je dat als je in de plastic

pot knijpt. De zijkanten van de pot zullen

dan meegeven en kun je het substraat

uit de pot drukken, als je zou willen.

Voelt de pot echter hard aan, ook

aan de onderzijde van de pot, dan is de

leem goed uitgedroogd en zou het geven

van water aan de plant weer op zijn

plaats kunnen zijn. Je hoeft dan een

plant niet onnodig uit de pot te halen

om goed te beoordelen of het mengsel

nog te vochtig is.

Helaas is een nadeel van leem wel dat

het iets meer tijd nodig heeft om volledig

uit te drogen dan veel andere substraten.

Zeker na een koude donkere

week en een gebrek aan een warme zomerzon

kan het leem niet snel genoeg

opdrogen na een ongelukkige watergift.

Aan de hand van de weerstand die

een pot met leem levert bij het indrukken,

kun je bepalen of je in redelijkheid

mag verwachten dat het substraat nog

tijdig uitdroogt voordat vocht een reëel

gevaar vormt voor de plant. Dreigt het te

lang te gaan duren voordat het geheel

uitdroogt, dan kun je de plant altijd nog

snel uit de pot halen en oppotten in een

droog mengsel.

Dat is een tactiek die ikzelf gebruik

voor mijn Pachypodium brevicaule die

ik op eigen wortel heb staan. Deze pachypodium

staat net als mijn ariocarpussen

in een mengsel van ongeveer zestig

procent kiezel en veertig procent pure

leem. Door de kiezels hebben ze dus al

een uitstekende drainage en daarbij ook

minder leem om het vocht ‘vast’ te houden.

Maar in geval van nood en met een

periode van slecht weer kan ik met deze

tactiek een te lang vochtige plant in veiligheid

brengen voordat er definitief rot

ontstaat aan de wortels.

Vind je het hard worden van leem in

bepaalde omstandigheden een minder

gewenste eigenschap, dan kun je door

het mengen van een deel (gezeefde)

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 89


potgrond op vier of vijf delen leem het

substraat ook ‘zacht’ houden wanneer

het is opgedroogd.

2 - Leem is boterzacht als het vochtig is

Als je veel zaait en veel plantjes in een

potje hebt zitten, is het bij sommige substraten

wat lastig om individuele planten

uit het potje te halen terwijl je de rest

rustig laat zitten. Zeker als de wortels al

diep in het potje zijn doorgedrongn. Wil

je een enkel plantje uit een potje halen

om aan iemand mee te geven, dan

kan ik adviseren het leem vochtig te maken.

Nu het leem door het vocht boterzacht

is geworden, kan een plantje makkelijk

en zonder beschadiging uit het

potje getrokken worden. De wortels van

het plantje zullen het plantje volgen en

gemakkelijk uit de pot meekomen, terwijl

de overige planten ongemoeid zullen

blijven.

Dit principe geldt natuurlijk ook voor

onkruid. Helaas groeit Oxalis, springklaver,

geregeld in mijn kas. Het nadeel van

springklaver is dat als je het uit een pot

probeert te trekken, het de neiging heeft

om net boven het grondniveau af te breken.

Het wortelstelsel blijft dan achter in

de grond om (vermoedelijk) later weer

op te komen. Zeker in potten met planten

met veel en scherpe doorns kost het

je wel wat pijn en moeite ook de wortels

van de oxalis uit de grond te trekken.

Helaas weet het springklaver juist op de

meest ongunstige plek tussen de doorns

aan de voet van een plant een schuilplaats

te vinden. Doordat vochtig leem

zacht is, is het weghalen van het springklaver

inclusief het wortelstelsel gelukkig

een stukje makkelijker. Ook de wortels

komen bij het uittrekken gelukkig vaak

mee.

Ook is bij vochtig leem het gemakkelijk

om bij het zaaien van grote zaden

(bijvoorbeeld die van Pachypodium,

Pseudolithos of Ceiba) deze wat dieper

in de leem te duwen zodat een groter

geheel van het zaad in aanraking komt

met het vocht en zo beter zou kunnen

90

ontkiemen. Doordat vochtig leem een

plakkende eigenschap heeft, zal over

het algemeen een zaadje in de leem blijven

plakken en minder geneigd zijn aan

je vinger te blijven hangen.

3 - Vocht verspreidt zich in leem snel en

gelijkmatig

Als je een plant in een substraat van

leem water geeft, zul je merken dat het

water makkelijk wordt opgenomen en

ook de onderste helft van het substraat

vrijwel meteen vochtig wordt. Overal in

de pot komt het water, hoewel ik wel

moet zeggen dat het water iets sneller

verspreid wordt als het leem gemengd is

met grit of kiezels.

Hierdoor komt elke wortel van een

plant in principe in aanraking met vocht.

Dus niet alleen de bovenste en buitenste

lagen van het substraat worden vochtig,

zoals met (sterk) uitgedroogde potgrond

wel eens wil gebeuren. Het vocht

wordt goed verdeeld en kan een pot

op z’n beurt ook weer sneller uitdrogen.

Want ondanks dat de bovenste helft

van het leem redelijk is opgedroogd, zal

het altijd een beetje extra vocht van de

onderste helft opslurpen en altijd wat

vocht aan de drogende lucht of zonlicht

blootstellen.

Van deze eigenschap profiteert mijn

Pachypodium brevicaule. Deze plant is

vochtgevoelig, maar wenst tevens geregeld

water. Ook in de winter. Geef je teveel

water, dan rot de plant weg. Geef je

te weinig en bereikt het vocht de wortels

niet goed, dan droogt de plant uit. Het

is dus zaak hier een goede balans in te

vinden. Hier helpt de eigenschap van

leem bij, door het water makkelijk op te

nemen en gelijkmatig te verspreiden in

de pot. Zo kan een plant zelfs van een

kleine hoeveelheid water goed profiteren,

maar droogt het weinige water dat

je hiervoor nodig hebt gelukkig ook

snel weer op.

4 - Leem suspendeert makkelijk in water

Met name vanwege de derde

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


eigenschap (“Vocht verspreidt zich in

leem snel en gelijkmatig”) vind ik leem

een prima substraat voor het zaaien.

Mijn zaailingen heb ik in kleine potjes

en die staan allemaal weer in een lage

krat. Als ik de zaailingen water geef, zet

ik zo’n krat in een grote bak met water

en laat de potjes zich in een korte periode

helemaal volzuigen met water. Een

efficiënte manier van watergeven met

weinig risico voor het omver vallen van

zaailingen, wat zou kunnen gebeuren

als je de potjes van bovenaf bewatert.

Wel ligt er hier een ander groot gevaar

op de loer. Leem in potjes heeft de

neiging om makkelijk met het water te

mengen en eenmaal in water gesuspendeerd

met wegvloeiend water mee te

spoelen. Dit zou tot gevolg kunnen hebben

dat zodra je de krat met de zaailingen

weer uit de bak met water optilt, en

het overtollige water uit de potjes loopt,

er ook leem mee zal spoelen. Meestal

vanuit de onderste lagen. Hierdoor kunnen

er holle ruimtes onderin de potjes

ontstaan. In eerste instantie is dat visueel

aan de potjes zelf niet te merken. Je

merkt het pas als de holle ruimtes dusdanig

groot worden dat de omliggende

leem door vocht zacht wordt en het begeeft.

Zaailingen zakken dan ineens in

de holle ruimte en raken bedolven door

het leem rondom de holle ruimte. Of erger;

ze worden massaal weggespoeld en

moet je de ronddrijvende zaailingen in

de bak water maar weer bij het juiste etiket

zien te puzzelen. Een oplossing voor

dit probleem is om een laagje fijn grit of

kiezels onderin de pot te leggen om de

gaten van de pot enigszins af te dekken.

Zo vormt het grit of de kiezels een buffer

en is er geen directe open verbinding

tussen het water en het leem.

Leem en langdurige vochtigheid

Bij het zaaien houd ik de potjes altijd

een tijdje in een afgesloten plastic zakje.

Hierdoor blijft het substraat langer vochtig

en behoudt het dezelfde vochtigheid,

zonder kans om uit te drogen. Door de

aanhoudende vochtigheid kan er op

een gegeven moment wel algvorming

ontstaan. Eventueel ook als het substraat

gepasteuriseerd of gesteriliseerd

is en er besmetting ontstaan is. Ook bij

het gebruik van leem als substraat kan

er algvorming ontstaan. Wel heb ik een

verschil opgemerkt tussen leem en potgrond

als substraat, waarbij de algvorming

bij leem duidelijk minder snel aanvangt.

Tevens heb ik gemerkt dat de

aantasting door alg ook minder intens

lijkt te zijn.

Substraat met leem lijkt bij het steriliseren

of pasteuriseren ook iets minder

sterk te ruiken dan een substraat met

potgrond. Gezien de vaak wat nare geur

die hierbij vrijkomt, is dit wel prettig.

Hoewel het verschil weliswaar niet groot

te noemen is.

Leem op de langere termijn

Bij het zaaien van succulentenzaden

in een substraat dat bestaat uit (gezeefde)

potgrond, heb ik vaak gemerkt dat

de toplaag na verloop van tijd korsterig

wordt. Er vormt zich een losliggende

laag verharde grond die als een losse

korst boven op de rest van de grond ligt,

met opkrullende randen. Vaak wordt het

nog slechts door de wortels van de zaailingen

bij de rest van de grond gehouden.

Heb nooit het idee gehad dat dat

kwalijke gevolgen zou kunnen hebben

voor de zaailingen, maar erg mooi oogt

het in ieder geval niet. Mede dankzij de

hierboven beschreven eigenschappen

blijft leem in een potje ook op de lange

termijn compact, en blijft ook de bovenste

laag altijd netjes ogen.

Leem en ongedierte

Een mineraal substraat (wat leem in

z’n pure vorm is) heeft volgens zeggen

een remmende invloed wat betreft

ongedierte dat zich richten op ondergrondse

plantendelen, of zich vestigt in

het substraat om later de bovengrondse

plantendelen aan te vallen. Sciaravliegen

worden naar het schijnt vooral

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 91


aangetrokken door organische toevoeging

in substraten, zoals potgrond. Ook

wortelluis schijnt geen liefhebber te zijn

van minerale substraten. Dus met (pure)

leem heb je meer kans dat probleem te

ontlopen.

Zelf heb ik wat betreft ongedierte bij

mijn planten vooral last van wolluis en

spint. Dit is ongedierte dat zich voornamelijk

richt op bovengrondse plantendelen.

Scriara-vliegen heb ik in mijn collectie

nooit opgemerkt (ook niet toen ik

nog veel potgrond gebruikte). Wortelluis

slechts een enkele keer. Dit betrof aantasting

van planten die toen nog in een

mengsel met vooral potgrond stonden.

Dat ik zelf nog geen wortelluis of Sciaravliegen

heb aangetroffen bij planten die

in leem staan betekent voor nu niet dat

ik mag zeggen dat leem inderdaad een

gunstig effect op een aantal ongedierten

heeft. De gunstige werking van een

mineraal substraat als leem, klei, flugzand

of seramis kan ik dus niet uit eigen

ervaring beamen, noch ontkennen.

Daarvoor is mijn ervaring met het gebruik

van leem (twee jaren) nog te kort.

Ik ben nog niet toe geweest aan het

noodzakelijk verpotten van planten die

in leem staan. En van Sciara-vliegen bij

mijn zaailingen heb ik sowieso geen last

gehad, voorzover ik weet.

Waar leem te verkrijgen?

Leem is bij mijn weten niet te verkrijgen

bij tuincentra en soortgelijke handel*.

Zelf woon ik ook niet in een omgeving

waar ik leem van een akker kan

scheppen, zoals in sommige delen van

Limburg**. Ondanks dat ik al jarenlang

adviezen hoor om leem toe te voegen

aan het substraat van (sommige) succulenten,

kon ik dit nooit zelf proberen.

Uiteindelijk heb ik na lang zoeken

een leverancier van leem gevonden in

Zutphen, die het verkoopt voor het stuken

van muren. Het leem was daar verkrijgbaar

in poedervorm, of als kruimelige

leem (ze noemen deze variant

‘vochtige leem’). Na eerst met een

92

kleine hoeveelheid getest te hebben,

heb ik twee jaar geleden besloten om

dan maar een hele kuub leem te bestellen.

Een kleine investering waarbij

je voor de komende jaren goed zit qua

voorraad. En ze komen de vele kilo’s

leem bij je thuis afleveren!

Nu ik meer dan genoeg leem tot mijn

beschikking had, kon ik eens goed beoordelen

in hoeverre het gebruik ervan

een toevoeging zou kunnen zijn voor

mijn liefhebberij. En dat was het gelukkig!

De resterende honderden kilo’s

leem die ik heb overgeheveld in aparte

zakken en opgeslagen, zullen vast sneller

opraken dan ik zou willen...

aiko@talens.nl

* Wel is het zo dat je hier en daar tegen

redelijk hoge prijzen wel wat zakjes

van een of twee kilo zou kunnen vinden.

Maar dat was voor een beoogd grootverbruiker

als ik - met een broeikas van

dertig vierkante meter en honderden

mesems - geen gewenste optie.

** Eventueel is klei ook een aardig alternatief

voor leem, met redelijk overeenkomstige

eigenschappen. Klei blijft

vanuit mijn ervaring alleen veel langer

vochtig dan leem. Tevens draagt klei

verzameld uit een omgeploegd weiland

vaak verse zaden van onkruid met

zich mee, die kunnen ontkiemen als je

het eenmaal gebruikt als substraat. Wel

is klei makkelijk te vinden op weilanden

waar voorheen een rivier heeft gelopen.

Daarom is het in grote delen van

het land in de buurt van grote rivieren

een stuk beter verkrijgbaar dan leem. Ik

haal wel eens klei op van een net omgeploegde

weiland op de grens tussen

Herwen en het Duitse Elten. De grote

omgeploegde brokken klei vlak naast

de weg kunnen zo van het land opgeraapt

worden. Op dit weiland liep vroeger

een aftakking van de Rijn, dat een

kleisoort heeft achtergelaten dat goed

uithardt als het eenmaal is opgedroogd.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


SUCCULENTENNIEUWTJES

Wolter ten Hoeve

Peter Breslin opent het Amerikaanse

Cactus and Succulent Journal (84-5)

met een bijdrage over 4 kleine sterretjes

uit Noord-Amerika, namelijk Pediocactus

peeblesianus ssp. peeblesianus en ssp.

fickeisenii, alsmede Escobaria missouriensis

ssp. navajoensis en var. marstonii.

Maurizio Dioli gaat in op de ethische en

praktische aspecten welke een rol spelen

bij nieuwe soorten. Irwin Lightstone

breekt een lans voor zwartwit foto’s (via

het omzetten van digitale kleurenopnames).

Root Gorelick gaat in op het voorkomen

van Euphorbia antiquorum op

pittoreske eilandjes in het zuidwesten

van Thailand. Ray Stephenson bespreekt

Aichryson tortuosum, een op Lanzarote

voorkomende succulent die niet alleen

op kliffen groeit, maar ook epifytisch

op o.a. palmen. Eric Ribbens en Henry

Fieldseth berichten over het onderzoek

dat zij gedaan hebben naar locaties

van Opuntia fragilis in de Amerikaanse

staat Minnesota. Zij bespreken de verschillende

types habitat van deze

soort, die op meer dan 50 plekken in

Minnesota te vinden is. Wolfgang Blum

en Michael Lange concluderen aan de

hand van oude herbariumgegevens dat

Echinocereus pacificus vroeger in het

zuiden van Baja California voorkwam. Zij

moedigen nader onderzoek aan naar de

onderlinge verwantschap tussen diverse

Echinocereus-soorten uit het zuidwesten

van de USA.

In CaVeKa (25-8) geeft Freddy Lampo

de historie weer van Opuntia bigelovii

en bespreekt hij zijn belevenissen met

deze teddybeer. Paul Neut en A. Mateur

behandelen de volgende soorten:

Copiapoa hypogaea (en var. barquitensis),

Aloe ellenbeckii, Notocactus magnificus

var. warasii, Echeveria strictiflora en

Aloe broomii. In het volgende nummer

(25-9) komen de volgende soorten aan

bod: Echinomastus unguispinus (Freddy

Lampo), Notocactus langsdorfii var. leprosorum

(Paul Neut), Echeveria paniculata

var. paniculata (Paul Neut), Aloe x

caesia (Robert De Bock) en Australluma

ubomboensis (A. Mateur).

International Cactus Adventures

(no. 96, oktober 2012), het lijfblad van

Joël Lodé, vangt aan met de beschrijving

van Aeonium x ‘Mas Devesa’ door

Octavia Toro. De geschiedenis, geologie

en de flora van het sultanaat Oman

worden belicht door Alain Rzepecky in

een uitgebreid en goed geïllustreerd artikel.

De geschiedenis van Borzicactus

wordt behandeld door Joël Lodé.

Miguel Cházaro Bazañez en co-auteurs

verhalen over Agave ellemeetiana welke

op meerdere plaatsen in de Sierra

Zongolica (Veracruz, Mexico) gevonden

werd.

Het eerste, vrij uitgebreide artikel in

het Duitstalige Avonia (30-3) gaat in

op White-sloanea crassa en is van de

hand van Darrel Plowes (vertaling van

een in Asklepios gepubliceerd artikel).

Een geelbloeiende populatie van

Conophytum ectypum ‘limbatum’ aff.

(omgeving Rietkloofse Berg, Northern

Cape, RSA) wordt beschreven door

Gerhard Wagner. Corsica is door Ivana

Richter met een bezoek vereerd en zij

brengt verslag uit van het hooggelegen

Val Restonica met de in die omgeving

voorkomende succulenten, met

name de sedums. Erwin Geiger stelt

Sempervivum heuffelii (en een aantal

hybriden) aan de lezers van het tijdschrift

voor. W. Jürgen Schrenk brengt

in woord en beeld een aantal planten

uit de omgeving van McDougall’s

Bay (RSA) voor het voetlicht. Antje

Burke brengt verslag uit van een onderzoek

naar het verplanten van succulenten

in het Sperrgebiet van Namibië. Dit

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 93


edelijk succesvolle verplanten geschiedt

wanneer een gebied voor bv. mijnbouw

geschikt gemaakt wordt. De laatste

twee bijdrages in dit nummer gaan

over Sunnylands (California) en Tequila

(drank, plaats en geschiedenis).

Het oktobernummer van Kakteen

und andere Sukkulenten (63-10) wordt

geopend met een bijdrage van Ingrid

Schaub en Ricardo Kleim over de vermeerdering

van copiapoa’s. In het gebied

ten noorden van Vallenar hebben

de copiapoa’s zich al minstens 30 tot

40 jaar niet meer vermeerderd via zaailingen.

De auteurs trachten bij het opkweken

van planten een langzame groei

aan te houden om natuurlijk uitziende

copiapoa’s te kweken. Karl-Heinz

Frackowiak brengt de grote overstroming

van 2002 in herinnering. Van zijn kas

bleef alleen de nok boven water, hoogstens

10% van zijn collectie overleefde

deze zondvloed. Rudolf Schmied brengt

Aloe jucunda, een kleinblijvende soort

uit Somalië, voor het voetlicht. Holger

Wittner beschrijft Browningia utcubambensis

als nieuwe soort, afkomstig uit

het bovenste deel van het dal van de

Rio Utcubamba. Dit taxon werd tot nu

toe beschouwd als Browningia altissima.

Rüdiger Baumgärtner doet een aantal

suggesties voor het verspreiden van

de hobby door bij bv. verjaardagen een

schaaltje met succulenten aan te bieden.

In het elk kwartaal verschijnende

Cactusworld (30-3) beschrijft Ian

Woolnough zijn reis in de staten Utah

en Arizona, alwaar hij diverse sclerocactussen

en pediocactussen vond. In

de rubriek ‘In my greenhouse’ figureert

de collectie van Geoff Bowman. De nadruk

ligt bij Bowman op agaven. Rene

Samek behandelt de op Jamaica voorkomende

cactussen. Er komt een vijftiental

cactussen op dit eiland voor,

voornamelijk in enkele droge streken in

het zuiden. De volgende publicatie, van

Bill Christie, gaat over ondergrondse

cactussen. Tijdens een reis door Bolivia

was het de auteur opgevallen dat veel

94

kleinere cactussen gedeeltelijk ondergronds

leven. Agave ‘Kichiokan’, een

cultivar uit de potatorum-hoek, wordt

voorgesteld door Robert Stephenson.

De bedreigde succulent Gasteria polita

(tot nu toe slechts van 1 locatie bekend)

is door Johan Baard ontdekt op

2 nieuwe locaties. De continu doorgaande

zoektocht van Jean-Philippe

Castillon op Madagaskar heeft geleid tot

de publicatie van 2 nieuwe aloë’s, namelijk

A. virginieae en A. mandrarensis.

De eerste soort werd vroeger door

Perrier als A. parallelifolia H. Perrier?

var? gekwalificeerd, en is nu door

Castillon teruggevonden op de berg

Ibity. De tweede soort komt voor bij de

Mandrare rivier en heeft A. rauhii als

naaste verwant. Graham Charles en Paul

Bond stellen de planten van het kwartaal

voor, namelijk Tephrocactus bonniae

en Monadenium yattanum. Alan Ritchie

heeft in Barcelona een bezoek gebracht

aan Jardin de Mossèn Costa i Llobera,

en brengt hiervan verslag uit. Cactussen,

andere succulenten, en palmen zijn in

ruime mate aanwezig in deze botanische

tuin. Gordon Rowley wijdt een bloemrijk

artikel aan cultivars (de Livingstone

Daisy groep), welke behoren tot het geslacht

Cleretum. De cactusverzameling

van David Quail heeft te lijden gehad

van een aandoening die leek op schade

veroorzaakt door spint. De succesvolle

behandeling bestond uit het toevoegen

van magnesium aan het cactusdieet,

maar stikstofgebrek of een kaliumsurplus

hebben mogelijk ook een rol gespeeld

in de groeistoornissen.

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Summary

Rob Bregman

Wolter ten Hoeve brings his first contribution as member of our editorial board. He

tells us about an accidental meeting in Mexico with a poor man asking for a lift.

In his series of articles on the old ‘Verkade’ books from the 1930’s, Theo

Heijnsdijk deals with Parodia haselbergii. Emphasis is put on the nomenclatural history

and successful cultivation of this attractive Brazilian species.

In another ongoing series, ‘In the spotlight’ by Bertus Spee, attention is paid to

Agave titanota, Pachycereus marginatus and Copiapoa humilis.

Wim Alsemgeest reports about Agave albopilosa, a recently discovered spectacular

species with remarkable pilose leaf tips. Wim outlines how difficult is was to find

these desirable plants.

Johan de Vries rediscovered Sulcorebutia glomeriseta in Bolivia, a species described

by Cardenas in 1949. The relatively small and verrucose seeds suggest a relationship

with the genus Weingartia. An English summary is included at the end of

the article.

The series on the genus Cotyledon by Ton Pullen and Ben Zonneveld is continued

with part 11, in which C. woodii is presented. The inflorenscence of this species

is often reduced to a single pendant flower.

Peter van Steijn and Ton Pullen report about a white-flowering form of Matucana

weberbaueri. This mutation sprung up spontaneously from seeds of the orange-flowering

forma flammea. Unfortunately, only one specimen exhibited this unusual flower

color.

A second contribution dealing with the genus Agave is by Ivana Richter, who visited

the botanic garden of Palermo, in Sicily, Italy.

Henk Ruinaard paid a visit to City of Rock State Park, New Mexico, USA. He

came across beautiful clusters of Echinocereus coccineus ssp. rosei, a plant with sometimes

functionally unisexual flowers.

Louis Van de Meutter presents Stapelia barklyi. It is assumed that this plant must

be a hybrid of S. pulvinata and Orbea namaquensis.

Aiko Talens tested loamy clay as component of substrates for succulent plants.

Advantage is the rapid uptake of water which is gradually distributed through the

soil. Also, it seems to be less attractive to sciara flies and other soil pests.

Wolter ten Hoeve reviews the contents of other journals on succulent plants.

Hector Petersenstraat 7

1112 LJ Diemen

R.Bregman@contact.uva.nl

Rectificatie:

In de vorige aflevering van Voor het Voetlicht is abusievelijk het verhaaltje

over Brasilicactus haselbergii gecombineerd met een afbeelding van

Parodia chrysacanthion

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013 95


Inlichtingen over het lidmaatschap, de ontvangst van nummers en

adreswijzigingen aan:

Inquiries about membership, receipt of issues and address changes to:

D.H. Roozegaarde

Banninkstraat 5

7255 AT Hengelo (Gld)

Tel.: +31(0)575 465270

E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl

COLOFON

http://www.succulenta.nl

E-mail: info@succulenta.nl

Auteursrecht:

Gehele of gedeeltelijke overname

van artikelen is alleen toegestaan

na verkregen toestemming van de

auteur/illustrator en met een duidelijke

bronvermelding

Wolter ten Hoeve Redactioneel

Wat een weelde. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50

Theo Heijnsdijk Parodia haselbergii

De roodgele bescactus ........................51

Bertus Spee Voor het voetlicht ............................ 56

Wim Alsemgeest Agave albopilosa ............................ 58

Johan de Vries Sulcorebutia glomeriseta . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 64

Ton Pullen † & Het geslacht Cotyledon (11)

Ben Zonneveld Cotyledon woodii . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71

Peter van Steijn & Matucana weberbaueri zorgt

Ton Pullen † voor verrassing ...............................73

Ivana Richter Agaven in Palermo . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .75

Henk Ruinaard Een bezoek aan het City of Rocks State Park,

New Mexico ................................ 82

Louis Van de Meutter Stapelia barklyi . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86

Aiko Talens Leem als substraat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88

Wolter ten Hoeve Succulentennieuwtjes ......................... 93

Rob Bregman Summary. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 95

Redactiesecretariaat:

Mevr. R. Maessen

Weezenhof 1232

6535 EZ Nijmegen.

E-mail: redactie@succulenta.nl

Hoofdredactie:

C.A.L. Bercht

E-mail: ludwigbercht@hetnet.nl

H.W. Viscaal

E-mail: hwviscaal@gmail.com

Redactie:

R. Bregman

E-mail: R.Bregman@contact.uva.nl

W. ten Hoeve

tenho11@hetnet.nl

J.J. de Morree

E-mail: Morree@ziggo.nl

B.J.M. Zonneveld

E-mail: Ben.Zonneveld@naturalis.nl

Vormgeving: H. W. Viscaal

Druk: Senefelder Misset

Doetinchem

Bij de voorplaat:

Sulcorebutia glomeriseta op de

vindplaats

Zie artikel pag. 64 e.v.

Foto: Johan de Vries

96

©Succulenta jaargang 92 (2) 2013


Redactioneel

Jan Jaap de Morree

Bij cactushobbyisten zie je de mooiste verzamelingen, waar de planten er groeizaam

en fleurig bij staan. Alle zorg die erin gestoken wordt maakt de planten tot

pronkstukken der natuur. Wordt een plant oud en verkurkt de onderzijde, dan zijn

er genoeg liefhebbers te vinden die nog wel een paar jaar hun beste krachten geven

om het tij te keren, maar er komt een moment dat de onooglijke exemplaren

toch in de container verdwijnen. In de natuur gaat de selectie totaal anders in zijn

werk. Daar kan het zijn dat gloedvolle zaailingen door de blakerende zon het loodje

leggen, terwijl de meest doorleefde exemplaren (zeg maar de afgejakkerde bruine

planten), het nog jaren volhouden en nageslacht voortbrengen.

Een cactusreis naar de groeiplaatsen heeft mij nooit echt aangetrokken. Die excursies

zijn tegenwoordig vaak een wedren geworden naar GPS-punten, waarbij

duizenden kilometers worden afgelegd. Alleen een reis waarbij ik in ruime mate in

contact zou kunnen komen met de lokale bewoners, met hun leefsituatie, hun steden

en een aantal archeologische sites zou kunnen bezoeken, zou zo’n reis de nodige

afwisseling bezorgen. Blijkbaar heb ik meer met mensen dan met vaak dorre

planten op hun “natuurlijke groeiplaats”.

Nu was ik laatst in de gelegenheid om twee weken in Suriname college te geven

en zodoende had ik alle gelegenheid om in Paramaribo te dwalen, de mensen, de

historische gebouwen, de tropische bloemen en vogels te zien en te fotograferen.

Een heerlijke stad met een heel eigen uitstraling. Ook mooi dat ik geen Spaans of

Portugees hoef te oefenen en te begrijpen.

Ik zag de palmentuin, fort Zeelandia, de oude koloniale bouwstijl en tegelijk die

nieuwe malls en de grote auto’s waar hier in Nederland op menige parkeerplaats

geen ruimte voor is. Maar al rondkijkende zocht ik toch weer met mijn biologenblik

in parken, tuinen, verwilderde dakgoten en bij de wegranden naar planten en

dan wel vooral naar succulenten. Je bent in zuidelijk Amerika of je bent het niet.

“Cactusterritorium”. In een zo vochtig klimaat verwachtte ik niet veel en de verafgelegen

bergen met hun droge bovenkant zoals de Voltzberg, “Home of melocacti”,

ging ik in die twee weken niet bezoeken.

Maar dan zie ik toch steeds meer interessante plantjes, de soorten die in onze

verzamelingen juist zwaar ondervertegenwoordigd zijn. Rhipsalissen en hylocereussen

in en op bomen, steeds vergezeld van een zee van tillandsia’s en bromelia’s. Ik

heb dus in het wild geen bolcactus gezien, behalve in de achtertuin van de inmiddels

89-jarige Geert Eerkens die ik in Tamanredjo bezocht om naar zijn melocactuscollectie

te kijken. Daarover zal ik binnenkort een bijdrage schrijven in het kader

van de serie “Op bezoek bij…”.

98

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


PELECYPHORA ASELLIFORMIS:

DE BIJLTJESCACTUS

Theo Heijnsdijk

Een heel bijzonder cactussoortje treft men aan in de

Bijltjescactus (Pelecyphora aselliformis), de eenige soort van dit

geslacht. Zij dankt dien eenigszins vreemden naam aan den

vorm der knobbeltjes, die zijdelings sterk afgeplat zijn. De areolen

zitten op den top daarvan, zijn lang en smal en gekroond door

een verlengd, schubachtig doorntje met talrijke zijdelingse ribbeltjes,

die deze een kamvormig uiterlijk geven. Ze groeit in uitstoelende

pollen, maar de lichaampjes zijn cylindervormig, 5 tot 10

cm hoog en tot 5 cm in doorsnede. De vrij groote, purperkleurige

bloempjes komen uit het midden daarvan tot ontplooiing,

tusschen harigen wol. Een der vrij lastige soorten in cultuur!

Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het Verkade album “Cactussen” uit 1931.

Zie de afbeelding.

In 1839 ontdekte de Duitse plantenjager/handelaar/botanicus

Carl August

Ehrenberg in San Luis Potosi (Mexico)

een klein wit cactusje. Hij nam enkele

exemplaren mee naar Berlijn en in oktober

1843 beschreef hij de soort in

de eerste jaargang van het weekblad

‘Botanische Zeitung’. Daartoe creëerde

hij een nieuw geslacht: Pelecyphora.

Een beschrijving van het nieuwe

geslacht is in het artikeltje

overigens beslist niet te vinden.

De enige woorden die hij er

aan wijdt behelzen een verklaring

van de geslachtsnaam: van

het Griekse “pelekis” (bijl) en

“phoreus” (ik draag). Deze benaming

heeft betrekking op de

sterk zijdelings samengedrukte

tuberkels die daardoor de

vorm van de dwarsdoorsnede

van een bijl hebben. In de rest

van het artikel beschrijft hij dus

de enige soort P. aselliformis.

De soortnaam betekent: ‘met

de vorm van een pissebed’. Het

is niet helemaal duidelijk of

Ehrenberg hierbij dacht aan het

Duitse woord voor pissebed ‘assel’ of

aan de Latijnse naam Oniscus asellis die

Linnaeus al gegeven had aan de kelderpissebed.

Als je naar een detailopname

van een paar areolen met de kamvormige

bedoorning kijkt (afb.1), dan snap je

die naam in ieder geval meteen. Ik vind

de bedoorning trouwens meer op wolluizen

lijken. Logisch ook dat deze cactus

Afb. 1: Het is begrijpelijk dat deze plant in heel Europa de

pissebedcactus heet

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 99


Afb. 2: De eerste afbeelding van P. aselliformis. Let op de vele witte bloemblaadjes.

100

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


in heel Europa bekend staat als

de pissebedcactus. Alleen Van

Laren hield het in het cactusalbum

dus op bijltjescactus.

De beschrijving van

Ehrenberg was zonder illustratie.

Hij had ook nog geen

bloemen gezien, wel vruchten

en zaden. De eerste afbeelding,

voor zover ik weet, stond

in 1858 in een Frans tijdschrift

dat onder redactie van de beroemde

Charles Lemaire verscheen

onder de wijdlopige

titel: “L’Illustration horticole:

journal spécial des serres et

des jardins, ou choix raisonné

des plantes les plus interessantes

sous le rapport ornemental,

comprenant leur histoire

complète, leur description

comparée, leur figure et leur

culture”. Voor deze bijzonder

fraaie tekening (afb. 2) heeft

een meerkoppig exemplaar

uit de collectie van de heer A.

Tonel uit Gent model gestaan.

De grootste kop ontwikkelde

maar liefst 12 bloemen. Deze

heer Tonel had samen met zijn

broer een grote handelsfirma in

cactussen. Merkwaardig in deze

tekening is dat van de talrijke

bloemblaadjes alleen de binnenste

ring magenta gekleurd

is en de rest wit. In die tijd werden

dergelijke platen met de

hand ingekleurd en ik heb het

idee dat degene die dat deed

gewoon een beetje gemakzuchtig

geweest is. Vijftien jaar

later, in 1873 dus, beschreef

de toenmalige huisbotanicus

van Kew Gardens, Sir Joseph

Dalton Hooker, in Curtis’s

Botanical Magazine een exemplaar

waarvan alleen de buitenste

bloemblaadjes witachtig zijn

en de overgrote meerderheid

magentakleurig is. Hij maakte

Afb. 3: In 1878 verscheen in Curtis’s Botanical Magazine deze

plaat van geëtioleerde exemplaren van P. aselliformis var.

concolor. Curtis plaat 6061

er maar meteen een variëteit van onder de naam

P. aselliformis var. concolor (concolor = van dezelfde

kleur). Zoals gebruikelijk is in dit blad,

ging deze beschrijving weer vergezeld van een

prachtige kleurentekening van enige helaas behoorlijk

geëtioleerde (door lichtgebrek langgerekte)

exemplaren (plaat 6061, zie afb. 3). Deze

variëteitsnaam is daarna nooit meer door een

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 101


ander gebruikt.

In Mexico staat de plant bekend als

‘Peyotillo’ (of ‘Peotillo’). Lang heeft men

gedacht dat deze cactus hallucinogene

stoffen bevat net als de alom bekende

Lophophora williamsii (peyote), maar als

dat al zo is dan is het gehalte zo laag

dat daar weinig van verwacht mag worden.

Vandaar dat we ook de naam ‘false

peyote’ tegenkomen. Wel wordt er

in de literatuur melding gemaakt van

medicinale eigenschappen. Zo zou de

plant gebruikt worden als een middel

tegen koorts en tegen reumatische pijnen.

Extracten zouden ook antibiotische

effecten hebben. Vandaar dat de

plant door de lokale bevolking verzameld

wordt en op de markt te koop is.

De groeiplaatsen zijn veelal open, steenachtige,

kalkhoudende plekken en de

plantdichtheid is dan hoog. Afbeelding

4 toont enkele planten op een dergelijke

groeiplaats in San Luis Potosi. De

foto is in oktober 2005 gemaakt door

Wolter ten Hoeve. Op deze open plek in

de orde van 10 x 10 meter groeien naar

schatting enkele honderden planten. De

groeiplaatsen bevinden zich volgens de

literatuur op hoogtes tussen 1800 en

2400 meter.

P. aselliformis bleef lange tijd een zeldzame

en (dus) veelgevraagde soort. Als

je daarbij bedenkt dat de plant niet alleen

door liefhebbers en de bevolking

gezocht wordt, maar dat daarnaast ook

in Mexico veel natuur verloren is gegaan

door bouwactiviteiten, wegenaanleg en

ontginning, dan is het begrijpelijk dat

de soort op CITES lijst 1 van de meest

bedreigde soorten terecht is gekomen.

Onderzoek heeft echter uitgewezen dat

de soort in het noorden en noordwesten

van San Luis Potosi voorkomt in een

gebied met een oppervlakte van meer

dan 500 km2 en dat het aantal exemplaren

op meer dan 100.000 geschat

wordt. De IUCN (International Union for

Conservation of Nature) geeft een lijst

Afb. 4: P. aselliformis in San Luis Potosi (Mexico).

102

Foto Wolter ten Hoeve

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


uit van bedreigde soorten, de “IUCN red

list of threatened species”. Deze lijst kent

7 categorieën, van “least concern” (minste

bezorgdheid) tot “extinct” (uitgestorven).

P. aselliformis zit in “least concern”.

De motivatie is dat er afgezien van illegale

verzamelacties door ‘liefhebbers’ en

hier en daar vernietiging door wegenaanleg

weinig schade door menselijke

activiteiten is te verwachten. Bovendien

reproduceert de soort zich voldoende.

Dat liefhebbers de groeiplaatsen plunderen

is ook volkomen onnodig, want

P. aselliformis is helemaal geen moeilijk

te kweken soort. En de plant is ook absoluut

niet kougevoelig. Zaaien is natuurlijk

de leukste manier. Het zwarte,

niervormige zaad is tegenwoordig goed

verkrijgbaar en het kiemt goed. Van de

31 van mijn eigen planten gewonnen zaden

die ik in 2009 zaaide waren er binnen

een maand 28 ontkiemd (90% dus).

Het enige probleem is dat de plantjes

de eerste jaren erg langzaam groeien.

In die eerste jaren ontwikkelen ze zich

voornamelijk in de lengte zodat een liefhebber

zich bezorgd gaat afvragen of

zijn plantjes niet geëtioleerd zijn. Als ze

bij een dikte van 1 cm al een hoogte

van ongeveer 3 cm bereikt hebben stopt

de lengtegroei vrijwel en dan gaan ze in

de breedte groeien. De plantjes zijn in

de tussentijd vooral ondergronds bezig

geweest met het vormen van wortelknollen

die in dat stadium vaak groter zijn

dan het bovengrondse deel. Vanwege

de trage groei is het ook beslist af te raden

om de plantjes al in het eerste jaar

te verspenen. Daar kan best mee gewacht

worden tot ze twee jaar oud zijn.

Tenzij zo dicht gezaaid is dat de uitdijende

wortelknollen het zaaipotje beginnen

te vervormen. Het plantje van afb.

5 was 6 jaar oud toen ik de foto maakte.

Het had toen een diameter van precies

2 cm bij een hoogte van 3,5 cm. Bij

voorspoedige groei kunnen de planten,

die dan knotsvormig geworden zijn, na

een jaar of vier voor het eerst in bloei

komen. De bloemknoppen verschijnen

nabij de top en ze zijn omhuld door witte

wol (afb. 6). De bloemen zijn ongeveer

3 cm breed (afb. 7). Ze zijn zelfsteriel,

dus voor zaadwinning heb je twee

planten nodig. Als de zaden rijp zijn dan

schuiven de vruchtjes niet naar buiten

zoals bij bijvoorbeeld mammillaria’s gebruikelijk

is, maar ze blijven in het plantenlichaam

zitten. Cryptocarp wordt dat

wel genoemd (krypto = verborgen en

karpos = vrucht). Om de zaden te vinden

moet je na een jaar of 2 eerst de

leesbril opzetten en ergens halverwege

de inmiddels doorgegroeide plant net

boven de areolen gaan zoeken (afb. 8).

Met een puntige pincet kun je ze dan

uit de verdroogde zaadbesjes weg peuteren

(ongeveer 10 per besje). In tegenstelling

tot planten als Mammillaria theresae

en M. herrerae die ook cryptocarp

en daarnaast zeer weekvlezig zijn, hoef

je niet bang te zijn dat de plant hierdoor

beschadigd raakt en verloren gaat, want

het plantenlichaam is bijzonder hard.

Na verloop van jaren gaan de planten

ook uitstoelen en dan ontstaan fraaie

clustertjes. Afzonderlijke plantlichaampjes

kunnen uiteindelijk een hoogte van

10 cm bereiken bij een diameter van 5,5

cm.

In het geslacht Pelecyphora hebben

Afb. 5: Deze zaailing heeft een diameter van 2 cm

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 103


Afb. 6: De bloemknoppen zijn omgeven door witte wol

zich in de loop der jaren veel veranderingen

voorgedaan. Tot 1885 was het

een monotypisch geslacht (een geslacht

bestaande uit slechts 1 soort). Toen

vond B.A. Stein een andere cactus met

overeenkomstige kamvormige bedoorning

en fraaie roze bloemen en noemde

hem P. pectinata (pectinata = kamvormig).

Weber plaatste hem in 1898 in

het geslacht Mammillaria maar Britton

en Rose schiepen (in 1923) voor deze

ene soort het geslacht Solisia (genoemd

naar Octavio Solis). Latere auteurs

plaatsten hem weer terug: Mammillaria

pectinifera. Vooral niet te verwarren met

M. solisioides met bleekgele bloemen.

Dan is er de plant die in 1930 door

Moeller beschreven is als P. valdeziana.

Die kunnen we onder wel 9 verschillende

geslachtsnamen tegenkomen.

Naast Pelecyphora zijn dat Echinocactus,

Thelocactus, Mammillaria, Gymnocactus,

Normanbokea, Pediocactus, Neolloydia

104

en ten slotte Turbinicarpus. De laatste is

tegenwoordig onder taxonomen algemeen

aanvaard.

Daarna vond Viereck in 1934 een

plant die als twee druppels water lijkt op

bovengenoemde P. pectinata. Backeberg,

die de plant in 1935 beschreef, gaf hem

daarom de naam Pelecyphora pseudopectinata,

de onechte pectinata. We

kunnen deze plant onder zes verschillende

geslachtsnamen tegenkomen.

Naast Pelecyphora zijn dat Mammillaria,

Neolloydia, Thelocactus, Normanbokea

en Turbinicarpus. Ook hier is de laatste

de meest gebruikelijke. Binnen het geslacht

Turbinicarpus vormen T. valdezianus

en T. pseudopectinatus nu met zijn

tweeën de sectie Valdeziani.

Zo lijkt het erop dat Pelecyphora weer

terug is gekeerd naar de monotypische

status. Maar dat is niet zo. De cactussoort

die we allemaal kennen als

Encephalocarpus strobiliformis behoort

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 7: P. aselliformis in bloei

volgens de huidige inzichten ook tot

de bijltjesdragers. En daar is ook vanuit

liefhebbersstandpunt veel voor te zeggen.

Zowel wat betreft bouw, groei- en

bloeiwijze en zaadvorming met de bessen

verscholen in de plant hebben beide

soorten veel gemeen.

Zo kunnen we dus Pelecyphora voorlopig

net als bijvoorbeeld Aztekium een

“duotypisch” geslacht noemen.

Literatuur:

Hooker, J. (1873). Curtis’s Botanical

Magazine 99, tab 6061.

Laren, A.J. van, (1931). Cactussen,

Verkade’s fabrieken N.V., Zaandam

Lemaire, Ch.(1858) L’Illustration horticole:

5: t.186.

Ehrenberg, C. (1843). Eine neue

Cacteen-Gattung, Botanische Zeitung

1(43): 737.

Werkgroep succulentenbescherming

(1988). Het kweken van bedreigde

soorten: Pelecyphora aselliformis,

Succulenta 67 (5): 99.

www.iucnredlist.org IUCN Red List of

Threatened Species

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern

Thd@roc.a12.nl

Afb. 8: Twee jaar na de bloei zijn de rijpe zaden

tussen de tuberkels te vinden

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 105


Voor het voetlicht

Bertus Spee

Saxifraga cymbalaria

Een van de weinige eenjarige

saxifraga’s (4 soorten). Dit vrij weinig

bekende plantje is afkomstig uit

Roemenië en zuidwest Azië. Het

vormt kleine polletjes tot maximaal

10 centimeter diameter. De blaadjes

zijn min of meer succulent. De

bloei begint vroeg in de zomer en

duurt enkele weken. De bloeistengels

groeien door en geven steeds

nieuwe felgele bloemen.

Na de bloei sterft de plant, maar

produceert eerst nog talrijke stoffijne

zaden, die zichzelf uitzaaien. In

de herfst kiemen deze al op vochtige

plekken. Het overwinteren is

geen probleem. Ook in het voorjaar kiemen er nog talrijke zaadjes. Ze stellen verder weinig

eisen en geven een leuke kleurige aanvulling in de rotstuin. Soms kiemen ze echter zo

massaal dat er wat uitgedund moet worden.

Haemanthus albiflos

Tegenwoordig is dit een populair bolgewas

uit de familie Amaryllidaceae. Deze

planten werden al omstreeks het jaar1600

vanuit Zuid-Afrika meegebracht door zeevaarders.

In hun thuisland hebben ze een

heel groot verspreidingsgebied.

Bij een cultuur op een warme plaats blijven

ze zomer en winter aan de groei. Ze

zijn tevreden met weinig water. We planten

ze in een ruime pot, in een zanderig

substraat met ook wat humus. In de zomer

kunnen ze ook prima op een zonnige

plaats buiten staan. De bloeiperiode

is tussen april en augustus. De veelkoppige

bloeiwijze blijft wekenlang staan. In de

winter houden we ze op minimaal 15 0 C.

Vermeerderen kan door zaaien. Zaad

wordt regelmatig aangeboden. De bollen

vormen na enkele jaren ook broedbolletjes,

die afgenomen kunnen worden. Als ze

bladeren maken kunnen ze apart opgepot

worden.

106

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Euphorbia horrida

Dit is een zeer variabele soort

die opvalt door de zware stekels.

Horrida betekent dan ook woest bedoornd.

Deze soort komen we in

veel verzamelingen tegen. Ze kan

op oudere leeftijd uitgroeien tot een

flinke clusters, want ze spruit aan

de basis. Het moederland van deze

planten is Zuid-Afrika, in het zuidoosten

van de Grote Karoo. Er zijn

6 variëteiten beschreven.

De cultuur is niet moeilijk. We

planten ze in een doorlatend grondmengsel

met redelijk wat grof zand.

Tijdens de groeiperiode matig water

geven en in de winter droog houden

bij 12 0 C.

Vermeerderen kan door stekken. Pas wel op met het giftige melksap. Zaaien gaat

ook goed.

De kleine bloemen zijn eenslachtig, dus om zaden te winnen hebben we een

mannelijke en een vrouwelijke plant nodig. Als de rijpe zaadbessen openspringen

kunnen de grote zaden meters ver wegschieten.

Maihuenia poepigii

Dit is een geslacht uit de Opuntiagroep.

Deze bijzondere planten

groeien onder extreme omstandigheden

in het zuiden van Chili en

Argentinië, hoog in de bergen tot op

2200 meter. Ze vormen hier meters

grote plakkaten, spruitend vanuit

een enorme penwortel. Ze worden

hierbij meestal maar 10 cm hoog.

De planten groeien erg langzaam

en kunnen wel honderden jaren oud

worden.

In cultuur groeien ze het best in

een flinke pot met een mineraalrijk

grondmengsel. We geven ze een

zonnige en zeer luchtige plaats, dus

bij voorkeur buiten. In een rotstuin kunnen ze ook in de volle grond geplant worden.

Ze kunnen onze winters goed overleven.

Vermeerderen kan door stekken maar dit is niet zo gemakkelijk. Zaaien is de andere

optie; het kan echter enkele jaren duren eer de grote harde zaden kiemen.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 107


Op zoek naar cactussen uit

het geslacht Micropuntia in

Nevada

Herbert Thiele

Met planten uit het goede, oude geslacht Micropuntia Backeberg houd ik me al meer dan

30 jaar bezig. In het begin van mijn hobby beschikte ik nog niet over een verwarmde kas en

was ik aangewezen op koude- en vochtresistente cactussen en andere succulenten.

Dus kocht ik, na bestudering van de

toenmalige literatuur, planten waarvan ik

hoopte dat ze het wisselvallige en vochtige

Noord-Duitse kustklimaat zouden

doorstaan. Alle Micropuntia gracilicylindrica,

die ik toen aanschafte, hebben

niet alleen 10 vochtige en koude winters

aan de Oostzee zonder beschadiging

overleefd, maar daarna ook nog tot op

heden 22 deels zeer koude winters in

Midden-Duitsland.

De eerste micropuntia’s bleven natuurlijk

niet alleen. Ze hebben in de loop der

jaren gezelschap van zo’n twee dozijn

soortgenoten gekregen door succesvolle

uitzaai van in de eigen verzameling gewonnen

zaad en geschonken stekken.

Cactussen, die zo succesvol en vooral

zo lang met bijna geen verliezen in mijn

verzameling overleven, hebben mijn bijzondere

interesse. Daarmee kwam ook

de gedachte op om deze planten op

hun natuurlijke groeiplaatsen te willen

zien en bestuderen. Maar vanaf de aanschaf

van de eerste micropuntia zou

het toch ruim 25 jaar duren voordat ik

ze in de natuur in Nevada mocht gaan

bekijken.

Van een in Californië woonachtige

vriend kon ik een kleine camper lenen.

Eind april 2011 was het dan zover.

Uitgangspunt van de reis was San

Diego. Het oorspronkelijke plan was

vier vindplaatsen op te zoeken en op de

weg erheen ook toeristisch interessante

108

doelen niet te vergeten. Derhalve was de

tocht niet rechttoe, rechtaan naar de micropuntia’s.

Na het bezichtigen van het

Yosemite National Park was het de bedoeling

zo snel mogelijk naar de vindplaatsen

in Nevada te rijden. Echter, onverwacht

hoge sneeuw blokkeerde de

passen in de Sierra Nevada en we waren

gedwongen een grote omweg te maken

via het Lake Tahoe, Carson City en

Austin. Wie eind april vanuit een zonnig

Californië de noordelijke Nevada inrijdt,

beleeft een heftig contrast. Het

grandioze maar dunbevolkte landschap

van Lander County presenteert zich op

2000 m hoogte nog in winterpracht. Na

een aantal uren waren we gewend aan

de oneindige verten en het rauwe klimaat.

De kleine camper maakte ons onafhankelijk

van zulke banale dingen als

het zoeken naar een overnachtingsmogelijkheid

en een eetgelegenheid. Wel

moesten we een evenwicht vinden tussen

het grote benzineverbruik, de relatief

kleine brandstoftank en het geringe

aantal benzinestations in dit deel van

het land. Pas na het terugdraaien van

de reissnelheid tot een gemoedelijke 45

tot 50 mijl per uur kon ik de actieradius

tussen twee tankstops opvoeren tot 500

mijl.

De eerste vindplaats die ik wilde opzoeken,

is die van M. pulchella op een

hoogte van 1800 m langs Highway 50,

zo’n 25 km oostelijk van de kleine stad

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 1: M. pulchella op de groeiplaats oostelijk van

Austin

Afb. 2: Groeigebied van M. pulchella

Afb. 3: M. pulchella

Afb. 4: M. pulchella

Afb. 5: Toiyabe Range

Afb. 6: Antilocarpa americana

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 109


Afb. 7: Escobaria vivipara op de groeiplaats van Mammillaria gracilicylindrica

Austin. Micropuntia pulchella was destijds

de tweede soort van dit geslacht

die in mijn verzameling terechtkwam en

gedraagt zich net als alle vertegenwoordigers

van dit bijzondere geslacht als

zeer robuust en taai. In de winter staan

ze in een onverwarmde kas en hebben

daar temperaturen van -18 0 C zonder

schade doorstaan. Ik was natuurlijk zeer

benieuwd hoe ik deze micropuntia op

zijn natuurlijke groeiplaats zou aantreffen.

De vindplaats was mij omschreven

als een serie heuvels nabij een bocht.

Mede door deze niet zo nauwkeurige informatie

duurde het tamelijk lang voordat

ik de eerste plant had gevonden. De

eerste poging waagde ik in het vlakke

terrein ten noorden van de heuvels,

maar hier vond ik slechts een paar normale

opuntia’s. Pas toen ik mij realiseerde

dat deze micropuntia’s hun typische

habitus slechts ontwikkelen als de groeiplaats

aan de noodzakelijke eisen voldoet,

heb ik mijn zoeken verlegd naar

110

de zuidflanken van de heuvelketen. Al

na een paar stappen vond ik de eerste

M. pulchella. Kort erna ook een tweede,

een derde enz. Ze stonden steeds in

de beschutting van rotsblokken en altijd

zo’n 2 tot 3 meter uit elkaar. Deze

dwergopuntia’s vormen een centraal lichaam

met daaraan 3 tot 5 korte leden.

Blijkbaar vallen deze nieuwe uitlopers

niet af na het uitrijpen van de vruchten.

Dat is ook al een belangrijk verschil met

M. gracilicylindrica. Ik nam ruim de tijd

om de planten te fotograferen en te documenteren,

maar ook de begeleidende

flora en de omstandigheden van de

vindplaats vast te leggen.

De volgende en voor mij belangrijke

groeiplaats bevindt zich ongeveer 230

km verder zuidoostelijk in Nye County.

Daar zou M. gracilicylindrica moeten

groeien. Eerst verliep de highway kaarsrecht

naar het zuiden. Aan de rechterzijde

bevindt zich de tot in de dalen nog

met sneeuw bedekte Humboldt Toiyabe

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 8: Onze camper op de vindplaats van

M. gracilicylindrica

Afb. 9: M. gracilicylindrica

Afb. 10: Deels uitgegraven plant van M. gracilicylindrica

Afb. 11: M. gracilicylindrica in zijn volle lengte

Afb. 12: Landschap bij M. gracilicylindrica

Afb. 13: M. gracilicylindrica in cultuur

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 111


Afb. 14: Bloem M. gracilicylindrica

Range en aan de linkerkant de brede

Big Smoky vallei met hier en daar een

boerderij en soms kleine groepen runderen.

Hoe verder we naar het zuiden

kwamen, hoe meer het landschap woestijnachtig

veranderde. Vervolgens draaiden

we highway 6 in oostelijke richting

op en met toenemende hoogte veranderde

ook het landschap. De woestijn

ging over in bergen en dalen die goed

begroeid zijn. De zon stond al redelijk

laag toen ik voor Warm Springs highway

6 verliet en door een mij goed beschreven

poort reed. Op een vrije vlakke plek

vonden we een goede staanplaats voor

onze camper. Mijn GPS-apparaat toonde

mij de hoogte: 2110 m boven zeeniveau.

Ik ging direct op zoek naar de

micropuntia’s. Er was mij verteld dat de

dichtheid hier redelijk groot zou zijn. De

eerste cactus die ik vond was een diep

in de bodem zittende Escobaria vivipara.

Hun witbedoornde, plat in de bodem

zittende kopjes staken me figuurlijk

112

in de ogen. Het duurde nog een kleine

tien minuten voor ik de eerste roodgekleurde

zuiltjes met hun witte bedoorning

ontwaarde. Goed verscholen en gecamoufleerd

tussen het grammagras en

een witbloeiend kruid deden de kleine

opuntia’s hun naam alle eer aan. Alle

gevonden plantjes hadden dunne stammetjes

van maximaal 1 tot 1,5 cm lengte

en een dikte van niet meer dan 0,5 cm.

Knopvorming heb ik niet gezien. Bij mij

thuis in de cultuur vertonen ze dikwijls

eind april al hun grote knoppen. Alleen

op zeer beschutte plekken kon ik meerstammige

plantjes vinden met op de

bovenste areolen de eerste kleine rode

groeipunten. De bodem vertoonde nog

de typische korsten van de vorst. De

winter was hier dus maar net afgelopen.

Volgens vrienden duurt de winter op

Warm Spring Summit bijna vier maanden

met sneeuwhoogten tot twee meter.

Zoals gepland brachten we de nacht

door op de weide nabij de highway.

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 15: Vrucht en zaad van M. gracilicylindrica HTH 185

Van een goede nachtrust was evenwel

geen sprake, want tegen acht uur ’s

avonds stak een koude wind op die bij

vlagen stormkracht bereikte. Gedurende

de nacht daalde de temperatuur tot het

vriespunt. De volgende morgen was

de wind beduidend afgenomen en in

de stralende ochtendzon zag ik in welk

groots landschap we stonden. Kleine

groepen koeien en paarden kwamen

tevoorschijn uit de beschutte dalen om

op de vlakten te grazen, en op ongeveer

30 m van onze camper graasde

een gaffelbokantilope. Vanaf de ontbijttafel

zag ik nu ook dat het niet ver van

onze campingplaats vol stond met micropuntia’s

en escobaria’s. De dag ervoor

had ik ze door de laagstaande

zon en de schemering niet gezien. Bij

een enorme pol grammagras nam ik de

moeite het aantal planten te tellen. Op

een oppervlakte van een krappe vierkante

meter telde ik 49 exemplaren.

Ook op de plekken die ik de dag ervoor

had onderzocht vond ik nu veel meer

planten. Het helle licht van de ochtendzon

opende mij letterlijk de ogen, want

waar ik de dag ervoor maar twee of drie

plantjes had gevonden, zag ik nu hele

groepen. Ik bleef nog minstens 5 uur

op deze plek en kon eindelijk veldwerk

doen naar mijn smaak. Ik maakte meerdere

planten vrij om de verhoudingsgewijs

grote penwortels te kunnen bestuderen.

Bij oude planten moest ik meer

dan 20 cm diep graven om de gehele

wortel te kunnen zien. Zeer opmerkelijk

vond ik dat ik bij deze oude exemplaren

onder het aardoppervlak areolen met

een korte, maar dichte bedoorning aantrof.

Frappant was dat ik hier bij Warm

Springs ook twee planten uit het M. pulchella-complex

vond. Begeleidende flora

als Oenothera deltoides en Astragalus

crotalariae heb ik gedurende het verdere

verloop van de reis regelmatig gezien.

Alle tot op heden beschreven vijf

micropuntia-soorten worden thans

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 113


Afb. 16: Astragalus crotalariae

Beschut als ze zo staan, drogen

de uitlopers niet in en worden

na het uitrijpen van de vruchten

ook niet afgeworpen. Bij Warm

Springs groeit M. gracilicylindrica

daarentegen op open vlakten

zonder bijzondere bescherming

tegen het weer. Het is niet

meer dan logisch, dat M. gracilicylindrica

na de bloei en het

uitrijpen van de vruchten alle

bovenaardse leden tot op een

stomp laat verdrogen.

Dit eenmalige bezoek aan

twee populaties van deze kleine

opuntia-soort is niet toereikend

om uitspraken te doen over de

bestaande taxonomie en nomenclatuur.

Bij Hunt wordt het

oude geslacht Micropuntia

tot Corynopuntia gerekend.

Benson is van mening dat dit

geslacht van kleine, nietige

plantjes bij Grusonia thuishoort.

Helaas zijn bij beide auteurs de

overwegingen voor deze herindeling

zoals gebruikelijk zeer

onduidelijk.

Voor literatuur zij verwezen

naar Haseltonia nr. 9 (2002).

Afb.17: Oenothera deltoides

gerangschikt onder M. pulchella. Ik heb maar

twee verschillende verspreidingsgebieden kunnen

onderzoeken, maar moet daaruit concluderen

dat deze twee groepen planten nauw met elkaar

verwant zijn. Daarvoor spreken ook de gelijke

bloem, de bloemkleur en de zaadkenmerken.

Het grootste verschil was eigenlijk het groeigebied.

Voor zover ik kon vaststellen heeft M. pulchella

een sterke voorkeur voor naar het zuiden

gerichte hellingen in een heuvelachtig landschap.

114

Foto’s van de schrijver

Opmerking van de vertaler/redacteur:

na ontvangst

van dit artikel verscheen in

2013 in het Amerikaanse tijdschrift

Cact. Succ. J. volume

85(1) een uitgebreid artikel van

Elton Roberts onder de titel:

Micropuntia: an introduction.

Vertaling: Ludwig Bercht

Johannesweg 8

D 33106 Paderborn OT Wewer

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Het maken van een behaarde

Jovibarba heuffelii die ook

nog rood is

Ben J.M. Zonneveld

Jovibarba heuffelii is een plant van de Balkan. Het is een fraaie plant voor de rotstuin die

perfect winterhard is. Omdat de jonge planten niet aan uitlopers zitten, maar naast het

hart van de moederplant ontstaan, is alleen het hanteren van het mes een mogelijkheid

om een benaamde cultivar te behouden.

Bijna alle wilde vormen van J. heuffelii

zijn groen, soms grijs en zelden rood

aangelopen, met en zonder donkere

bladpunt. Kruising met andere soorten

heeft geen rol gespeeld bij het ontstaan

van anders gekleurde J. heuffelii. De enkele

hybriden met de J. hirta groep zijn

steriel. Kruisingen met Sempervivum

blijken tot nu toe onmogelijk. De meeste

J. heuffelii zijn onbehaard. Er worden

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 115


Afb. 1: Groene en behaarde Jovibarba heuffelii

in het wild ook behaarde J. heuffelii gevonden

(afb.1). Deze zijn echter gewoon

groen. U begrijpt het al, weer werk aan

de winkel. Tot nu toe waren alle cultivars

namelijk onbehaard. Ik heb deze

groene, behaarde plant met een rode

J. heuffelii gekruist. De eerste generatie

was slechts licht behaard, echter

onverwachts ook nauwelijks gekleurd.

Pas in latere generaties en door het gebruik

van andere behaarde ouders lukte

het me om gekleurde en harige cultivars

te kweken. Ik had ze misschien

terug kunnen kruisen met de behaarde

ouder. Ik heb er echter voor gekozen

om ze onderling te kruisen en zo de

meest behaarde rode plant er uit te halen.

Het selecteren op beharing is niet

eenvoudig omdat de meeste J. heuffelii

als jonge zaailing wel behaard zijn.

Dat dit toch min of meer gelukt is blijkt

uit afb. 2 en 3. Een tweede opgave was

het behaard maken van een grijze plant.

Dit bleek moeilijker omdat het lastig

blijkt om een mooie grijze kleur te krijgen.

Vaak komt er in de loop van de

Afb. 2: Rode en behaarde Jovibarba heuffelii

Afb. 3: Rode en behaarde Jovibarba heuffelii

116

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


zomer een grauwbruine waas op (afb.

4). Bovendien kleuren ze pas goed grijs

als ze minstens twee jaar oud zijn. Je

kunt dus niet zoals bij rode planten al

bij de zaailingen selecteren. Dat vereist

dus nog enig kruisingswerk. Overigens

reageert de grijze kleur van een blad

(de waslaag) verschillend bij verschillende

soorten planten. Ik denk dat

Sempervivum en Jovibarba en de meeste

vetplanten mooier grijs kleuren als

ze meer en langer in de zon staan. Dit

in tegenstelling tot bijvoorbeeld grijze

hosta’s. De grijze waslaag van hosta’s

smelt weg in de zomerzon. Dit komt

waarschijnlijk omdat de waslaag een andere

samenstelling heeft dan die bij vetplanten.

Het is echter te duur en te tijdrovend,

als het al kan, om de genen

voor de grijze kleur van Sempervivum

naar Hosta over te brengen. U ziet, van

verveling is nog geen sprake.

Schubertlaan 196

2324 EC Leiden

Afb. 4: Min of meer grijze en behaarde Jovibarba heuffelii

Foto’s van de schrijver

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 117


De Amerikaans/Mexicaanse

grens in El Paso, Texas

een interview met Harald E. Grieb, medewerker van het United States

Department of Agriculture

Arjen den Boer

Ik ken Harald van het forum van de website www.cactiguide.com. Naast een hele handige

site voor informatie en identificatie van cactussen heeft deze site ook het vriendelijkste en

meest behulpzame forum in de internationale cactuswereld.

In sommige van zijn onderwerpen vertelde Harald dat hij voor het ‘Department of

Agriculture’ in El Paso werkt. Het leek mij interessant om hem hierover te interviewen en

gelukkig ging hij daarmee akkoord.

Harald, hoe zou je je baan omschrijven?

Ik ben in dienst van het ‘United States

Department of Agriculture’ (USDA) en

mijn voornaamste taak is het bestuderen

van plantenmateriaal dat wordt aangeleverd

door landbouwspecialisten die werken

voor het ‘Department of Homeland

Security’, afdeling douane- en grensbewaking,

en landbouwinspectie. Deze

collega’s worden door mijn entomologie-collega’s

en mijzelf getraind om abnormaliteiten

in de groei van planten te

herkennen, zoals bladvlekken, stressverschijnselen

e.d., evenals ziekten en

vraatschade door insecten, mijten en

slakken.

Wij proberen vast te stellen of er inderdaad

een ziekte of insect aanwezig is.

Naast dat er van mij verwacht wordt

om te werken met allerlei soorten planten

en plantenziekten, onderzoek ik ook

grond- en wortelmonsters op de aanwezigheid

van nematoden (microscopische

rondwormen, ook wel aaltjes genoemd)

en ben tevens de botanicus bij

de grensinvoer.

118

Mijn baan als botanicus draait vooral

om de identificatie van zaden en vruchten,

omdat er een aantal planten in andere

landen voorkomt dat door de VS is

aangewezen als ongewenst en daarom

aangemerkt als ‘federaal onkruid’.

In hoofdzaak draait mijn baan echter

om de identificatie van allerlei kwalen in

planten. Dat zijn vooral schimmelsoorten

op allerlei soorten planten en plantendelen,

waarvan meer dan 95% uit Mexico

afkomstig is, en met nematode- en zaadidentificatie.

Ik assisteer de grensbewaking

en train ze in mijn vakgebied.

Zij voorzien mij van onderschept plantmateriaal

waarvan zij denken dat het

geïnfecteerd of aangetast is en ik probeer

te identificeren wat ze gevonden

hebben.

Voor materiaal dat ik niet zelf kan

identificeren heb ik een ondersteunend

netwerk, waarin deskundige mensen een

uiteindelijke identificatie doen. Ik ontvang

alleen eventuele smokkelplanten

als de inspecteur in kwestie gelooft dat

het om een CITES-gereguleerde plant

gaat. Meestal is dat een cactus, maar

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 1: Grensovergang bij El Paso

soms zijn het ook andere planten zoals

orchideeën, euphorbia’s, agaven etc.

Ik weet niet zeker welk percentage

van deze planten in mijn kantoor terechtkomt

maar ik moedig de grensbewaking

aan om cactussen bij me

te brengen wanneer ze die aantreffen,

tenzij het gaat om grote zuilcactussen

en veel voorkomende Opuntia- en

Cylindropuntia-soorten.

Zijn er veel mensen die proberen om cactussen

en andere planten te smokkelen?

In mijn 10 jaar ervaring, toen ik nog

werkte als grensbeambte, kan ik niet

zeggen dat er veel mensen planten

“smokkelen”. Smokkelen staat tussen

aanhalingstekens omdat ik getraind ben

om een situatie alleen als poging tot

smokkelen te zien wanneer de persoon

in kwestie probeerde de controle of de

grenspost te omzeilen, of antwoordde

met “nee” op de vraag of hij/zij iets aan

te geven had.

In tegenstelling tot vliegtuigpassagiers

worden de aangehouden personen bij

een landsgrens persoonlijk gevraagd wat

zij bij zich hebben. Die vraag wordt gesteld

bij de grenspost en nog een keer

wanneer het voertuig of de persoon

wordt doorverwezen naar de secundaire

post voor landbouwinspectie. Op

die manier is de reiziger in de gelegenheid

om zijn/haar verklaring aan te vullen.

De meesten met mogelijk verboden

waren in hun bezit maken gebruik van

die gelegenheid. In zo’n geval worden

de waren gewoon in beslag genomen

en wordt het niet aangemerkt als een

smokkelpoging.

Worden overtreders, naast de inbeslagname

van planten, nog op een andere wijze

bestraft?

Het antwoord daarop is “ja”, maar

alleen als de beambte vaststelt dat

er inderdaad sprake is van een

smokkelpoging.

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 119


Toen ik in 1985 mijn carrière begon,

waren de boetes niet erg hoog. Ze varieerden

van $50 voor een verborgen

object tot $10 voor een tot twee keer

toe niet aangegeven object dat niet verborgen

was. Recidivisten kregen de

hoogst denkbare boete en die werd niet

verlaagd.

De beslissing of de boete al dan niet

werd verlaagd, werd overgelaten aan de

grensbeambte die de smokkelwaar had

aangetroffen.

Het bedrag van een “spot fine” (een

boete die ter plekke of binnen 3 dagen

betaald wordt) is in de loop der jaren

enorm gestegen. Op dit moment is de

boete voor het niet aangeven van een

object zonder het te verbergen $300.

Deze kan verlaagd worden naar $175

voor een eerste overtreding. Voor voetgangers

kan die zelfs verlaagd worden

naar $75. In herhaling vervallende overtreders

betalen altijd $300. Als de reiziger

weigert om de boete te betalen, zal

een administratieve rechter bepalen hoe

die verhoogd wordt. Naar de rechtbank

gaan kan echter een extra boete van

$1000 met zich meebrengen en de gedaagde

zal in de aangewezen rechtszaal

moeten verschijnen die misschien niet in

zijn/haar woonplaats is.

Waar gaan in beslag genomen planten naar

toe? Worden die teruggezet in de natuur of

vernietigd?

De in beslag genomen planten worden

niet in de natuur teruggezet; tegenwoordig

wordt het grootste deel vernietigd.

Er zijn verschillende factoren die bepalen

hoe een plant eindigt. De belangrijkste

ligt bij de beambte die ze

in beslag neemt. De titel van deze beambten

is nu ‘landbouwspecialist’. Zij

maken deel uit van het ‘Department

of Homeland Security, Customs and

Border Protection’. Sommige van deze

beambten zullen mij planten sturen terwijl

anderen die zullen vernietigen zonder

mij op de hoogte te stellen. Ik train

120

deze beambten wel om plantenziekten,

onkruidzaden en CITES-planten

te herkennen. Omdat El Paso in de

Chihuahua-woestijn ligt, zien we vooral

CITES-gereguleerde cactussen.

De landbouwspecialist wordt geleerd

om eerst alle planten te onderzoeken op

ziekten en ongedierte. Wanneer de planten

in mijn kantoor terechtkomen, kijk ik

ze goed na om er zeker van te zijn dat

er tijdens de eerste inspectie niets over

het hoofd is gezien. Ik controleer ook de

wortels om mogelijke aanwezigheid van

nematoden te ontdekken. Als de planten

gezond zijn verklaard, probeer ik ze op

soort en CITES-status te identificeren.

Bij een CITES I-plant vul ik een formulier

in voor plaatsing in een ‘plant rescue

center’ (PRC). Deze aanvraag eindigt

meestal bij de ‘U.S. Fish and Wildlife

Service’ (FWS). FWS biedt de planten

dan aan de Mexicaanse autoriteiten aan,

die, wanneer het geaccepteerd wordt, iemand

van PROFEPA (de CITES-arm van

de Mexicaanse overheid) moeten sturen

om de planten bij mijn kantoor op

te halen, of om ze op hun kosten naar

Mexico te laten sturen.

Als de planten teruggestuurd worden

naar Mexico, worden die voorzien van

een CITES re-export certificaat, verstrekt

door de FWS. Deze situatie is in

mijn loopbaan van meer dan 20 jaar

bij het USDA pas één keer voorgekomen.

Die keer arriveerde er een reiziger

met 3 koffers vol hoofdzakelijk

CITES II-cactussen. Een pick-up van de

Mexicaanse overheid heeft de planten

mee teruggenomen naar onze zusterstad

Ciudad Juarez. Waarschijnlijk zijn

ze daar terechtgekomen in een botanische

tuin, een arboretum of een zoölogische

tuin.

Meestal weigert Mexico om de planten

terug te nemen, waarschijnlijk vanwege

de kosten, of omdat het de moeite niet

loont. Als Mexico de CITES I-planten

niet terug wil, wijst de FWS een PRC aan

waar ik de planten naar toe kan sturen.

Er zijn op dit moment 83 PRC’s in

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 2: Ariocarpus fissuratus

Afb. 3: Coryphantha cornifera

Afb. 4: Echinocereus fendleri

Afb. 5: Escobaria tuberculosa

Afb. 6: Ferocactus hystrix

Afb. 7: Mammillaria gummifera

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 121


continentaal Amerika en Hawaï, waarvan

er 49 cactussen en succulenten

accepteren. Aan die PRC’s zullen ze

waarschijnlijk als eerste aangeboden

worden. De planten blijven bezit van de

Amerikaanse overheid, maar de zaden

en stekken zijn van het PRC in kwestie.

Bij een vergadering over CITESregelgeving

in maart 2007 is aan de

USDA-werknemers met CITES-taken

verteld, dat de PRC’s te vol raakten met

CITES II-planten en dat we daarvoor dus

geen plaatsing meer mogen aanvragen.

In plaats daarvan moeten de planten

vernietigd worden. Als gevolg daarvan

heb ik al jaren geen verzoek tot PRC

plaatsing meer ingevuld; we hebben

maar zelden CITES I-planten die in beslag

genomen worden in El Paso.

Werk je samen met de Mexicaanse autoriteiten?

Zijn er mensen aan de andere kant van

de grens die hetzelfde werk doen?

Ja, we werken indirect samen met

onze Mexicaanse collega’s, maar alleen

in samenwerking met de FWS. Er

zijn ook mensen daar die hetzelfde werk

doen. Een aantal jaren geleden werd ik

geïnterviewd door een Mexicaanse TVzender

over cactussmokkel. Ik weet echter

niet of dat ook uitgezonden is.

Ook ben ik een tijd later met een

USDA-collega, die belast is met smokkel-

en handelszaken, naar een onderwijsinstituut

in Ciudad Juarez geweest,

waar we een powerpoint-presentatie

over CITES-regelgeving hebben gegeven,

en vragen van studenten hebben

beantwoord.

We hebben ook bezoek gehad van

een CITES-geaffilieerde groep die het

“Traffic”-magazine samenstelt. Ook zij

wilden weten wat voor CITES-planten

wij hier aantreffen.

Zijn er bepaalde soorten planten die veel

gesmokkeld worden?

Zoals eerder gezegd, geven we reizigers

122

twee kansen om waren in hun bezit

aan te geven. De meesten zijn verstandig

genoeg om eerlijk te zijn, nadat ze

zijn doorverwezen naar de tweede controlepost

en wel doorhebben dat hun

voertuig grondig doorzocht zal gaan

worden. Het gevolg is dat ze alleen de

waren kwijtraken en geen boete betalen

voor smokkel. De in beslag genomen

planten vallen onder allerlei geslachten

en soorten, van fruitbomen en kamerplanten

tot allerlei in het wild verzamelde

planten, inclusief cactussen. Meestal

is het maar een handvol planten die

per bus, auto of wandelaar wordt aangetroffen.

Cactussen die over de grens

mee werden genomen waren vooral bedoeld

als tuinplanten (Echinocereus

spp., Mammillaria spp., Coryphantha

spp., Echinocactus spp., Escobaria

spp., Ferocactus spp., Stenocereus spp.,

etc., zie foto’s). Sommige planten worden

meegenomen als voedsel (Opuntia

spp., Peniocereus greggii, etc.), en sommige

voor waarschijnlijk medicinale

doeleinden (Pachycereus, Stenocereus,

Echinocactus horizonthalonius). Ik neem

aan dat ze bedoeld waren voor medicinaal

gebruik, omdat ze vaak in plakken

gesneden aankomen, en in het geval

van Echinocactus horizonthalonius ontdaan

van doorns.

Peniocereus greggii, de “koningin van

de nacht”, zien we altijd in de vorm van

haar knolachtige wortels, die geconsumeerd

worden door indianenstammen in

het zuidwesten van de V.S. De leden van

jonge opuntia-soorten (nopales) worden

ook gegeten door Mexicanen en een

toenemend deel van de Amerikaanse

bevolking. Er wordt gezegd dat ze

bloedsuikerverlagend werken bij diabetici

en mensen die zich zorgen maken

over hun suikerwaarden. De vruchten

(tunas) worden ook veel geïmporteerd

en als voedsel gebruikt.

Waar andere cactussen niet zonder

documentatie het land in mogen

(CITES- en plantgezondheidsverklaringen),

mogen Opuntia-vruchten en jonge

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


cladodes (schijven) vrij geïmporteerd

worden. De CITES-reglementen gelden

niet voor deze planten, tenzij de inspecteur

denkt dat ze met een ander doel

dan consumptie ingevoerd worden.

Hoe kijk je aan tegen zgn. “rescue plants”?

Ik ben een groot voorstander van het

redden van lokale planten waarvan het

bestaan bedreigd wordt door bouwactiviteiten.

Onze lokale cactusvereniging

staat in contact met projectontwikkelaars

en wordt vaak op de hoogte gesteld

wanneer er ergens gebouwd gaat

worden. Vaak krijgen we dan toestemming

van de landeigenaar om daar zo

veel mogelijk planten te redden voordat

de machines komen en alles platwalsen.

Op onze laatste bijeenkomst werd aangekondigd

dat een lokale steengroeve

wil gaan uitbreiden met 324 hectare. Er

zijn een ontelbaar aantal cactussen aanwezig

in dat gebied die allemaal vernietigd

zouden worden als wij en gelijkgestemde

organisaties niet kwamen om ze

te verplaatsen. Onze enige hoop is dat

in eerste instantie maar een deel gebruikt

zal gaan worden, want het gebied

is veel te groot om alles in een keer te

verzamelen en verplaatsen. Daarvoor

hebben we te weinig vrijwilligers. Ik zie

deze reddingsoperaties als een manier

om niet alleen de lokale cactussen te

redden, maar ook om zoveel mogelijk

van de genetische variatie in stand te

houden. Gekweekte cactussen worden

weliswaar in grote aantallen geproduceerd

maar zijn vaak afkomstig van een

klein aantal moederplanten. Als lid van

onze vereniging ben ik in de gelegenheid

om geredde planten te adopteren,

maar dat is zeer beperkt vanwege ruimtegebrek.

Geredde planten worden ook

wel weggegeven aan niet-leden die onze

bijeenkomsten bezoeken. We hebben

ook cactustuinen beplant bij het “Texas

A&M Experiment Station” in onze stad

en een herdenkingstuin voor bewoners

van El Paso, inclusief overledenen,

die onze doelen ondersteund hebben,

en op het terrein van een tehuis voor

probleemjongeren.

Ben je weleens een ziekte of plaag tegengekomen

waarvoor vanwege het verspreidingsrisico

extra maatregelen getroffen moesten

worden?

Het antwoord daarop is “ja”, maar de

ziekten werden niet op cactussen aangetroffen,

maar op snijbloemen. In april

1993 kwam de eerste lading chrysanten

binnen waarop witte roest (Puccinia horiana)

werd aangetroffen, vanuit Mexico.

Dit resulteerde in een quarantaine op dit

product.

Tevens waren wij in september 2004

de eersten die een lading gladiolen binnenkregen

met de roestvorm Uromyces

transversalis. Ook hier werd een quarantaine

ingesteld.

Beide gevallen hebben een grote impact

gehad op de Mexicaanse export

van snijbloemen.

Wat is het vreemdste dat je ooit bent tegen

gekomen?

De vreemdste dingen die ik tegenkom

hebben weliswaar met smokkel te

maken, maar niet met die van planten.

Deze gevallen hebben te maken met

drugs- en mensensmokkel. Van het laatste

komen twee voorvallen in me op.

Een keer werd een jongedame doorverwezen

naar de secundaire controlepost,

en toen haar gevraagd werd haar

kofferbak te openen, aarzelde ze. Ik

drong aan, en toen ik de kofferbak inspecteerde

zat er een glimlachende jongeman

in, waarschijnlijk haar vriendje.

Een andere keer liet ik de bestuurder

van een pick-up uitstappen zodat ik het

voertuig kon inspecteren. Ik keek onder

de stoel en wilde er toen achter gaan

kijken. Er lagen wat kleren en een paar

mannenlaarzen. Toen ik die aan de kant

wilde schuiven, kwam ik erachter dat ze

aan de benen van een man vastzaten.

Het was waarschijnlijk een familielid van

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 123


de bestuurder en ze waren op weg naar

Canada.

Wat ik echter het meeste aantref zijn

mensen die proberen verboden voedselwaren

te smokkelen. Ik liet een keer

een voertuig stoppen voor inspectie

en vroeg iedereen om uit te stappen.

Iedereen stapte uit behalve een oudere

dame. Haar familie zei dat ze niet kon

uitstappen omdat ze oud was en zich

bijna niet kon bewegen. Ik zei tegen

haar dat ze toch uit moest stappen, met

het argument dat ze ook was ingestapt

en aan het einde van de reis er ook uit

zou moeten. Toen ze er eindelijk uitkwam,

ontdekte ik dat ze op een bologna-

en chorizoworst had gezeten, beide

gemaakt met verboden varkensvlees.

Voedsel wordt ook vaak gesmokkeld

in handtasjes omdat vrouwen denken

dat het niet netjes van me zou zijn om

daar in te kijken. Meestal ging het dan

om een stuk fruit of een vleesproduct.

Soms voelde ik gewoon aan de buitenkant

van zo’n tasje en kneep een beetje

om een idee te krijgen wat er in zat.

Gelukkig voor een van deze vrouwen

deed ik dat niet want zij vervoerde rauwe

eieren in haar tasje.

Ik herinner me ook een keer een

vrouw die twee ‘conures’ (kleine papegaaien)

in haar tasje vervoerde. Ze

mocht haar portemonnee houden maar

het tasje werd vernietigd; de vogels hadden

hun ontlasting niet weten op te

houden! Deze handelwijze was noodzakelijk

gezien het risico op Psittacosis

(papegaaienkoorts), Newcastle-ziekte of

vogelgriep.

We hebben allemaal wel eens verhalen gehoord

over de cactusmot. Ik hoorde geruchten

dat die aanwezig zou zijn in Mexico. Is

het moeilijk om verspreiding naar de V.S. tegen

te gaan?

Meestal wanneer de term ‘cactusmot’

valt wordt het insect Cactoblastis cactorum

bedoeld. De larven daarvan hebben

een helder oranje huid met zwarte stippen.

Dit insect is succesvol toegepast

124

tegen woekerende opuntia’s in Australië.

Een aantal maanden geleden heb

ik een presentatie over ziekten en plagen

gegeven. Op dat moment was de

mot niet aanwezig in Mexico. Tot dan

toe had ze slechts een eilandengroep

in de buurt van de Mexicaanse kust bereikt,

waar ze door de overheid werd

uitgeroeid.

Hier in de V.S. zijn er daarentegen gebieden

langs de Golf van Mexico waar

dit zeer destructieve insect is aangetroffen.

De USDA heeft geld beschikbaar

gesteld om onderzoek te doen en waar

mogelijk de opmars van dit insect tegen

te gaan. De cactusmot vreet alleen aan

opuntia’s en misschien ook aan cylindropuntia’s.

Mexico maakt zich ernstige

zorgen over deze dreiging omdat leden

en vruchten van Opuntia-soorten daar

een algemene voedselbron zijn en veel

mensen werkzaam zijn in die sector.

Ook de cochenilleluis, gebruikt voor

de productie van rode kleurstoffen in

cosmetica en voedsel, heeft Opuntiasoorten

als gastheer nodig.

Ik heb gehoord dat het tegenwoordig moeilijk

is om aan plantenmateriaal, zelfs zaden,

uit Mexico te komen vanwege de

Mexicaanse wet. Zijn er mensen voor wie

een uitzondering op die regels wordt gemaakt

?

De uitvoer van planten, met name

CITES-gereguleerd, vanuit Mexico is inderdaad

een stuk moeilijker geworden.

Zowel Mexico als de V.S. hebben de

regelgeving en naleving daarvan op

dit gebied verzwaard, en hebben meer

voorwaarden gecreëerd waar een exporteur

aan moet voldoen. Een paar jaar

geleden hebben Mexicaanse CITESvertegenwoordigers

een verzoek gedaan

aan de wereldwijde CITES-autoriteit om

ook hun CITES II-zaden te laten beschermen

door regelgeving.

Normaal gesproken vallen alle zaden

van CITES II-planten buiten de reglementen

en kunnen deze vrij verhandeld

worden over internationale grenzen.

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Op een bijeenkomst is het Mexicaanse

verzoek ingewilligd, waardoor het een

stuk ingewikkelder is geworden om zaden

vanuit Mexico uit te voeren. Wellicht

is deze stap door Mexico genomen

omdat mensen uit andere landen het

Mexicaanse landschap verlieten met

grote hoeveelheden cactuszaden, inclusief

die van CITES I-soorten.

Ik kan me een geval herinneren waarbij

een aantal verzamelaars uit Tsjechië

dozen vol cactuszaden meenamen over

de grens. Ik heb de lijst met genoemde

planten gecontroleerd naast de CITESstatus

van de bewuste planten en de

hele lijst was CITES II. De zaden waren

daarom niet CITES-gereguleerd en

ik heb de vracht vrijgegeven. Vanuit alle

andere landen mogen CITES II-planten

en zaden nog steeds vrij verhandeld

worden.

Toen ik een steekproef van het door

de Tsjechen verzameld materiaal, bestaande

uit een aantal zaden die ik had

gehouden voor referentie, naar onze regionale

botanicus stuurde voor onderzoek,

informeerde hij me dat de naam

bij de zaden niet klopte en dat het

CITES I-planten betrof waarvoor documentatie

vereist was. Enige tijd later

las ik in het tijdschrift ‘Traffic’, dat over

CITES-zaken gaat, dat twee mannen

met dezelfde namen waren aangehouden

in Mexico bij het illegaal verzamelen

van cactussen in het wild. Ook zag

ik rond die tijd een korte notitie waarin

stond dat zaden van de recent ontdekte

Mexicaanse cactus Aztekium hintonii in

Europa verkocht werden voor ongeveer

$7,50 per zaadje.

Wanneer je zou proberen om

Mexicaanse zaden of planten in te voeren,

zouden de inspecteurs de CITESafspraken

met Mexico handhaven. Je

zou dus een CITES-exportvergunning

moeten hebben en een gezondheidsverklaring,

beide verstrekt door een

Mexicaanse overheidsbeambte.

Ik heb gehoord van een voormalige

medewerker van een kleinschalige

Afb. 8: Myrtillocactus geometrizans

Afb. 9: Opuntia orbiculata

Afb. 10: Pachycereus marginatus

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 125


cactuskwekerij, die jaren geleden CITES

II-cactussen had geïmporteerd, dat het

lastig is om iemand te vinden die je die

papieren verstrekt. De bewuste kwekerij

importeert niet langer vanuit Mexico.

Voor een grote kwekerij is het wellicht

makkelijker; ik heb gehoord dat het zelfs

mogelijk is om aan CITES I-planten te

komen als je maar de benodigde papieren

kunt verkrijgen. Als de planten

in Mexico blijven, zijn ze daar makkelijk

aan te schaffen en zijn er geen papieren

nodig.

Je vertelde dat je douanebeambten traint.

Wat leer je ze?

Ik train de landbouwspecialisten in de

beginselen van de botanie (vooral zaadherkenning)

met het gebruik van eenvoudige

hulpmiddelen als zeven, verlichte

vergrootglazen etc., hoe ze de

zaden schoon moeten maken en ze

vervolgens naar mij te sturen voor determinatie.

Ook laat ik ze zien welke

CITES-gereguleerde planten ze kunnen

aantreffen in hun werk, inclusief

de knolachtige wortel van Peniocereus

greggii. Ze krijgen ook een overzicht van

Afb. 11: Wortels van Peniocereus greggii, de meetlat

geeft de grootte in inches (ca. 2,5 cm) aan. De

grootste wortel weegt waarschijnlijk meer dan

4,5 kg, maar ik las ergens dat de wortel tot 27

kg zwaar kan worden

126

de kenmerken van orchideeën, aloë’s en

agaven. Ik laat ze veel symptomen en

tekenen die wijzen op schimmelinfectie

zien bij verschillende soorten planten,

inclusief snijbloemen uit Mexico. Ook

hier wordt ze geleerd om het materiaal

en de meest voorkomende schimmels

te herkennen en die vervolgens voor determinatie

naar mij te sturen, of wanneer

ik dat niet kan naar de nationale plantenpatholoog

(mycoloog). Omdat nematoden

traditioneel in de categorie plantenziekten

werden geplaatst, geef ik de

landbouwspecialisten ook een korte training

over dit ongedierte. We richten ons

vooral op de soorten die wortelsystemen

van planten aanvallen, en de beambten

sturen dan ook een handvol aarde uit

de rhizosfeer van ziek uitziende planten

mee voor nematoden-analyse.

Een ander onderdeel van de training

richt zich op digitale fotografie. Ik ben

niet alleen verantwoordelijk voor de drie

grensposten in El Paso, maar ook voor

verder weg gelegen plaatsen als Presidio

in Texas en de stad Albuquerque in New

Mexico. Omdat er daar niemand ter

plaatse is om te identificeren en te determineren,

zijn medewerkers daar voorzien

van Leica prepareermicroscopen

met ingebouwde camera. Zo kunnen de

beambten daar alles van enig belang fotograferen

en naar mij sturen voor analyse.

Voordat die apparatuur was aangeschaft,

moesten monsters ‘s nachts

verstuurd worden via UPS, FedEX etc.

De lading moest dan wachten tot wij ze

geïnspecteerd hadden.

Ook wij maken gebruik van dezelfde

apparatuur zodat ik zaken die ik niet

kan identificeren snel naar experts kan

doorsturen. Het grootste deel van de tijd

kunnen identificaties gemaakt worden

op basis van digitale afbeeldingen, dat

scheelt veel tijd en geld.

Foto’s van Harald E. Grieb, USDA-APHIS-PPQ.

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


OP DE VINDPLAATSEN VAN

COPIAPOA KRAINZIANA EN

COPIAPOA SCOPULINA

Bart Hensel

Copiapoa krainziana is met zijn witte bedoorning een van de mooiste copiapoa´s. Die witte

bedoorning kan in de vorm van beharing, maar ook als echte doorns voorkomen.

Voor vele Chili-gangers,

ook uit ons land, is de

Quebrada San Ramón ten

noorden van Taltal de bekende

vindplaats van

Copiapoa krainziana. De

Quebrada San Ramón is

door zijn nauwe ingang alleen

te voet te verkennen.

De Quebrada loopt vanaf

de zee naar het oosten het

land in en de bodem stijgt

maar langzaam. Vanaf de ingang

is het ongeveer drie

kwartier lopen tot de eerste

krainziana´s verschijnen.

Dat zijn echter krainziana´s,

die niet zuiver witte haren

hebben, maar mengvormen

met de ook aanwezige

C. cinerea- en C. haseltoniana-

vormen. Deze locatie

zou je een soort melting pot

kunnen noemen, want hier

groeien allerlei tussenvormen.

Verder de Quebrada in

lopend, kom je wel de wittere

krainziana-vormen tegen,

veelal tegen de rotswanden

groeiend.

In 2007, tijdens een bezoek

aan Chili met Rudolf

Schultz, Paul Klaassen uit

Engeland (als organisator

van de vijfde Copiapoatlon)

en anderen maakten we

Afb. 1: C. scopulina bloeiend op 600 meter hoogte

(december 2012)

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 127


Afb. 2: Twee extreme C. scopulina-vormen

Afb. 3: C. scopulina-vormen

128

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 4: C. scopulina-vormen met de voorkeur van de fotograaf op de voorgrond

Afb. 5: Zaailingen links C. krainziana, afkomstig uit de Quebrada San Ramón, gezaaid in 2007

Zaailing rechts C. scopulina, afkomstig uit de Quebrada San Ramón, gezaaid in 2005

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 129


Afb. 6: Zaailingen, op de voorgrond C. krainziana en

op de achtergrond C. scopulina

Afb. 7: Na afloop van een mooie dag nemen wij een

drankje terwijl de vanuit zee binnendrijvende

wolken onze krainziana´s van vocht voorzien

echtgenote, bijna elk jaar wel 1 of 2

bezoeken aan deze locatie gebracht.

Het vergt een klim van 600 meter

en het nodige zweet, maar het resultaat

maakt het alle moeite waard.

Terug in Nederland vroeg ik mij af

of de scopulina-populatie een aparte

populatie is of overgaat in de daar in

de buurt voorkomende krainzianapopulatie.

Rob Bregman heeft mij

toen geadviseerd waar naar te kijken

om uit te maken of C. krainziana

en C. scopulina aparte variëteiten

zijn. Daartoe hebben we verscheidene

keren de hellingen doorkruist van

boven naar beneden en van zuid

naar noord. De aanvankelijke indruk,

dat de scopulina´s ergens stopten

en er daarna alleen maar echte witte

krainziana´s zouden groeien, bleek

niet juist. Afgelopen december heb

ik geconcludeerd dat de populaties

in elkaar overlopen en dat op 600

meter hoogte de donkere planten

met grijze doorns ruimschoots de

overhand hebben en lager, op 400

m hoogte de wittere krainziana´s.

Er zijn mij nog twee locaties bekend,

waar C. krainziana voorkomt.

Tegen de helling van de Cerro

Perales op circa 800 meter en verder

de Quebrada San Ramón in op

circa 700 meter hoogte. Op deze

beide locaties heb ik geen scopulina-vormen

gezien. De conclusie is

dan ook gerechtvaardigd dat C. scopulina

slechts een vorm is van C.

krainziana en geen variëteit.

vanuit de Quebrada San Ramón een wandeltocht

een zijdal in naar het noorden. Het

doel was een bezoek aan de vindplaats

van C. montana, die op circa 700 m hoogte

voorkomt groeiend tussen grote groepen

Euphorbia lactiflua. Tijdens deze tocht vonden

we op de terugweg een grote populatie

van C. scopulina. Het gaat om een gebied

van zo’n 20 hectare met duizenden planten.

In de jaren daarna heb ik, samen met mijn

130

Foto’s van de schrijver

Spoorlaan 29

3645 EK Vinkeveen

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Notocactus haselbergii

Norbert Gerloff

De onjuiste foto bij het stukje over Brasilicactus haselbergii in Succulenta 2013, nr. 1 heeft

mij ertoe aangezet een klein artikel te schrijven over de notocactussen van het ondergeslacht

Brasilicactus.

Allereerst afbeelding 1 van de echte

Notocactus haselbergii (Haage ex

Rümpler) Berger ex Krainz met zijn typische

rode bloemen. Deze planten komen

voor in het zuiden van Brazilië op

de steile hellingen boven de rivieren in

de Apparados da Serra en op de bergen

in het Taquari-dal. De betreffende

foto is gemaakt door Gilberto Coster

in het Parque da Ferradura, Canela.

N. haselbergii is hier in de minderheid

ten opzichte van N. leninghausii. Ze

groeien hier op steile rotswanden en

kunnen alleen met een teleobjectief gefotografeerd

worden.

Helaas vinden ook de wandelaars aldaar

de planten zeer interessant. De bewoners

in de buurt van Tabai hebben

honderden planten met lange stokken

van de wand gestoten en verkocht aan

tuincentra. Slechts een klein deel van

deze planten heeft dit overleefd. Op de

rotswand kan men thans nog slechts een

enkel exemplaar vinden.

Verder naar het noorden in het kustgebergte

vindt men de met N. haselbergii

Afb. 1: N. haselbergii bij Canela

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 131


Afb. 2: Cultuurplanten van N. haselbergii afkomstig van

Tabai

Afb.3: Beeld thans op de groeiplaats bij Tabai

Afb. 4: En zo was het eens bij Tabai

Afb. 5: N. graessneri (de gele bloemvorm) en

N. haselbergii

Afb. 6: N. graessneri bij Fortaleza

Afb. 7: N. graessneri bij Fortaleza met de typische

groene bloem

132

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 8: N. graessneri fa. microdasys

Foto’s van de schrijver

verwante N. graessneri (K. Schumann)

Berger ex Krainz. Hij komt voor op vele

kleine rotsen in het kustgebergte bij

steden zoals Cambara, Jaquirana en

Vacaria tot in de staat Santa Catarina.

De twee afgebeelde foto’s zijn gemaakt

nabij de Canon Fortaleza. De schedel

van de planten richt zich naar het licht.

De bloemen zijn zygomorf en langer

dan breed. De kleur van de bloemen is

groen, maar soms ook wel geelachtig

groen.

In cultuur bestaan ook selecties met

zuiver gele bloemen. Ook is een doornloze

vorm beschreven als N. graessneri

fa. microdasys P. Braun; deze vorm is

ontstaan door vegetatieve vermeerdering

van een bij Jaquirana gevonden plant.

Helaas worden de geslachtsorganen van

de bloemen niet rijp. In de natuur zijn

verder geen planten met gereduceerde

doorns gevonden.

Beide brasilicactussen zijn gemakkelijk

in de cultuur. Op de natuurlijke vindplaatsen

komt vaak urenlange vorst voor

en ’s morgens vroeg vochtbrengende

nevels. Ze verdragen een droge hitte

slecht.

ngerloff@aol.com

Brandenburger Strasse 49

D 71640 Ludwigsburg

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 133


IN THE PICTURE

Groeizame bonsai

Jan Jaap de Morree

Verleden jaar vond ik een caudexvormende plant, die mij wel aansprak vanwege zijn potentie

om onder mijn hoede een mooie bonsai te worden. Caudexen kunnen de meest wonderlijke

vormen aannemen en ik was vol goede moed.

Een geschikt bakje was snel gevonden

en met enig snijwerk aan de wortels die

lange tijd in een grote pot hadden vertoefd,

paste alles naar wens.

Nu is het zo dat normaliter een bonsai

sterk moet worden getrimd om er

een goede vorm aan te geven of die te

onderhouden. Deze caudexvormende

plant, een Kedrostis capensis, uit de familie

der Cucurbitaceae (pompoenen),

kan heel groot worden en dan bedoel

ik echt heel groot. Knollen van 25-35

kilo zijn in de Afrikaanse savanne geen

uitzondering. Je ziet ze in de natuur

niet, want de plant zit diep weggedoken

onder de grond en alleen de dunne

ranken komen in de vochtige periode

tevoorschijn.

Bij het oppotten waren er maar weinig

ranken aanwezig. Na een paar maanden

veranderde het uiterlijk van de plant

aanzienlijk. Was eerst de knol prominent

in beeld, al snel begonnen de dunne

ranken uit te lopen. Lange slingerende

Afb. 1: Kedostris capensis opgepot

134

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


takjes met mini-hechtranken

zoals die bij erwtenplanten,

passiebloemen en druiven

zochten overal naar houvast.

Dan ontstaat het dilemma.

Om de knol te laten groeien

is het niet verantwoord om

steeds alle ranken op een

paar centimeter kort te knippen.

Tevens is met die dunne

sprieten niet te verwachten

dat daar Jugendstil-achtige

mooie vormen gaan ontstaan.

Als de plant het naar

zijn zin heeft overwoekert hij

al het omringende meubilair

en tegelijk wordt de knol

onzichtbaar.

Respect voor de natuur

heeft bij mij de overhand gekregen.

Deze plant laat zich

niet eenvoudig dwingen. In

plaats van een gedresseerde

bonsai is het nu een sieraad

in de kamer, die deze

geste beantwoorde met piepkleine

gele bloempjes. Ze lijken

wat op kleine courgettebloemen.

Als de kedrostis nu

zelffertiel is (kon ik nergens

vinden), kan ik er leuke kleine

gelige pompoentjes aan

verwachten. Voor een bonsai

ga ik wel op zoek naar een

Adenium obesum.

Afb.2: De kedostris houdt zich niet aan de afspraak om een

bonsai te vormen

Koperwieklaan 19

2261CL Leidschendam

Afb. 3: Een miniem bloempje tussen het loof

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 135


ONVERWACHTE ONTDEKKING IN

SINGAPORE

Richard de Bruijn

Als men aan mij vroeg: “Waar zou je nog eens naar toe willen op de wereld?”, dan was

Singapore waarschijnlijk geëindigd op de 300-ste plaats. Maar ja, als je dochter daar drie

jaar gaat wonen en werken, dan wordt het ineens anders.

We zijn er nu al twee keer geweest en

dit voorjaar voor de derde keer. En dat

zal ook niet de laatste keer zijn. Mijn

beeld van Singapore was totaal verkeerd.

Ik dacht aan een wereldstad met

hoge gebouwen, veel auto’s, vervuiling,

etc. Dat is dus niet zo. Het is een prachtige

stad, ja ook met hoge gebouwen,

maar met heel veel groen en schoon!

Je kunt het je eigenlijk niet voorstellen.

Schitterende tropische begroeiing met

enorme bomen waarin tropische vogels

heen en weer vliegen. In de winkels mag

geen kauwgom verkocht worden! Geen

zwerfvuil op straat. Nergens graffiti op

gebouwen. En je kunt tot ’s avonds laat

veilig over straat lopen.

De regelgeving is wel streng: kinderen

worden opgevoed met stokslagen en op

drugsbezit staat de doodstraf.

De bevolking is een mengelmoes van

Chinezen (70%), Maleisiërs, Indiërs en

Afb.1: Gardens by the Bay

136

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


de “expats”. Eén op de zes bewoners

schijnt miljonair te zijn.

Er wordt veel aandacht besteed aan de

natuur: er is een grote botanische tuin,

een Japanse tuin, een Chinese tuin en

de Singapore Zoo (heel mooi). Grote

flats hebben bijna allemaal een daktuin

of hangende tuinen. Net buiten de stad

zijn nog stukken oerwoud met apen en

grote varanen. Vele wandelroutes zijn er

uitgezet.

Maar het allermooiste vinden mijn

vrouw en ik de Gardens by the Bay.

Ook een botanische tuin, maar op

een manier aangelegd die fenomenaal

is. Kijk eens op de website:

www.gardensbythebay.org

Het buitengedeelte (megagroot) is

gratis. Alleen voor de twee binnen-exposities,

de Cloud Forest en de Flower

Dome, moet betaald worden. De Cloud

Forest is een overdekt gebouw met

een tropisch regenwoud met daarin

metershoge watervallen, bromelia’s en

orchideeën. De Flower Dome, ook overdekt,

laat de vegetatie zien uit alle werelddelen.

En ja, daar gebeurde het,

de “ontdekking” van de succulenten.

Prachtig opgesteld en geplant.

Ik ben zelf een liefhebber van succulenten

in de “volle” grond. De planten

laten dan pas hun echte gedaante zien.

Een Opuntia robusta met schijven van

50 cm hoog, dat wil ik zien. Zo is mijn

eigen kas ook ingericht, bijna alles zonder

potjes. Jammer dat mijn kas slechts

45 m 2 oppervlak heeft. Zeker na het

zien van de opstellingen in Gardens by

the Bay.

De kas is pas sinds 2011 geopend,

maar er staan nu al metershoge planten

en bomen uit de hele wereld. Je kunt

zien dat geld hier geen rol speelt.

Kortom, als we weer in Singapore zijn,

brengen we opnieuw een bezoek!

Perzikstraat 12

4261 KD Wijk en Aalburg

Afb. 2: In de kas

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 137


Afb. 3: Flower Dome (links) Cloud Forest (rechts)

Afb. 4: Adenium obesum

138

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 5: Ferocactus herrerae

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 139


Sierra Chapultepec

Bertus Spee

Aan de westkant van de MEX 45, tussen Fresnillo en Sombrerete, in de deelstaat Zacatecas

van Mexico, ligt een hoog bergmassief, de Sierra Chapultepec. Verschillende keren ben ik

deze bergen al gepasseerd zonder er te stoppen. Na wat verzamelde informatie maakten

we toch plannen om hier eens rond te gaan neuzen.

De expeditie

Het is donderdag 3 maart als we van

Jerez de Garcia Salinas noordwaarts

naar Fresnillo rijden. Het is onbewolkt

en lekker weer. We zijn in de deelstaat

Zacatecas, die grotendeels bestaat

uit een glooiende hoogvlakte op zo’n

2000 m met hier en daar een bergrug.

Het landschap is erg grasachtig met ook

veel cultuurgebied (afb. 1). We passeren

Fresnillo en rijden dan in noordwestelijke

richting de MEX 45 op. Deze weg loopt

helemaal door naar Durango. Van verre

is de hoge bergrug al te zien. Na zo’n

40 km draait de weg naar het westen

en komen we vrij dicht bij ons doel. We

zoeken hier een geschikt plekje waar we

onze auto kunnen achterlaten en lopen

dan vol goede moed naar de steile hellingen

in de verte.

Volgens betrouwbare(?) bronnen zou

hier na 1 km Echeveria cante moeten

Afb. 1: Het landschap

140

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


groeien, een vrij nieuwe soort. De kilometer

is al vlug overbrugd maar we zijn

nog lang niet bij de bergrug en stappen

dus dapper verder. Het grasachtige terrein

begint steeds meer omhoog te lopen

en wordt gaandeweg steiler als we

de uitlopers van het gebergte bereiken.

Hier vinden we als eerste Mammillaria

gummifera, grote planten die meestal op

vrij vlak terrein groeien. In het voorjaar

zijn deze planten vaak diep in de grond

teruggetrokken (afb. 2).We lopen verder

en als het wat rotsachtiger wordt vinden

we planten van Stenocactus ochoterenanus

(afb. 3), die prachtig in bloei staan.

Ook Echinocereus polyacanthus laat

zich nu regelmatig zien maar toont nog

geen tekenen van groei of bloei.

Inmiddels hebben we al 2 km gelopen

en achteromkijkend zijn we al bijna

300 meter hoger. Het terrein wordt

steeds ruiger en is met diepe kloven

doorsneden. Op een vlak stukje groeien

hier opeens prachtige compacte groepen

van Agave parryi (afb. 4) tussen de

lage eikenbomen, maar nog steeds geen

echeveria’s. Dus dan nog maar verder

omhoog en nu laat ook Agave schidigera

zich zien. Ik loop nog door tot onder

aan een steile rotswand en wil dan maar

terugkeren. Plotseling zie ik hoog boven

op de rotsen een opvallend blauwe agave,

zo lijkt het. Met moeite lukt het om

boven op de steile richel te klimmen en

hier staan warempel de prachtige grote

rozetten van Echeveria cante (afb. 5).

Het vergt heel wat klimwerk om mooie

foto’s te maken en ook kan ik nog wat

verdroogde bloemresten verzamelen; zo

te zien zitten er zaden in. Deze mooie

planten groeien hier op 2500 m boven

de zeespiegel (afb. 6). Erg veel planten

staan er niet; na een half uur zoeken tel

ik nog maar 12 exemplaren.

Helaas moeten we aan de terugtocht

beginnen en het kost mij ruim een uur

om de 2,5 km naar beneden te overbruggen.

De anderen van onze groep

waren al terug en zo kan de vondst

van Echeveria cante gemeld worden

Afb. 2: Mammillaria gummifera

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 141


en is de zoveelste geslaagde missie

opgetekend.

Hierna rijden we door naar

Sombrerete, een oud mijnstadje, om

te overnachten en natuurlijk wordt er

een tequila gedronken op onze geslaagde

dag.

De geschiedenis

Deze Echeveria werd in 1970 voorgesteld

door Glass & Foster en ingedeeld

bij E. subrigida. Deze soort

groeit echter veel verder naar het

oosten in Mexico. In 1997 werd

ze als een eigen soort beschreven

door Glass & Mendoza-Garcia onder

de naam Echeveria cante. De

naam cante refereert aan de botanische

tuin Cante A.C. in San Miguel

de Allende, Guanajuato, die gesticht

werd door de voormalige voorzitter

Charles Glass van de CSSA, de

Amerikaanse cactusvereniging, die

na zijn pensionering in Mexico is

gaan wonen. De naam cante is oorspronkelijk

afkomstig uit de Pame-

Chichimeca taal en betekent: “het

water dat leven geeft”.

Na het overlijden van Charles Glass

in 1998 is deze tuin overgenomen

door de Nationale Universiteit van

Mexico UNAM, en heet tegenwoordig

“El Charco del Ingenio”.

Op de website elcharco.org.mx is veel

over de geschiedenis van deze tuin

te vinden.

De cultuur

Het meegebrachte stoffijne zaad

werd eind maart gezaaid in een

bakje met scherp zand en afgedekt

met een glasplaatje, in de hoop

dat er wat van zou ontkiemen. Het

bakje werd vervolgens boven de

Van boven naar beneden:

Afb. 3: Stenocactus ochoterenanus

Afb. 4: Agave parryi

Afb. 5: Echeveria cante

142

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


CV-radiator geplaatst (20-25 0 C). De

verrassing was groot toen een week later

het hele bakje groen van de plantjes

was (afb. 7). Na 2 weken werd het glasplaatje

verwijderd en de talrijke plantjes

groeiden als kool (afb. 8) en na 2

maanden konden de grootste plantjes

al verspeend worden in 5,5 cm potjes.

Ze kregen een zonnig plekje in de kas,

groeiden erg snel en na een jaar waren

ze al ruim 10 cm in diameter en prachtig

van kleur (afb. 9). Enkele plantjes werden

buiten in de volle zon gezet en hier

werden ze nog mooier van.

Een proefje met bladstekken gaf een

negatief resultaat. De vrij dunne bladeren

drogen erg snel uit. Zaaien lijkt dan

ook de enige manier van vermeerderen.

Inmiddels zijn er al een aantal planten

verspreid onder andere liefhebbers, zodat

deze in cultuur nog vrij onbekende

plant toch wat meer bekendheid krijgt.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

Hierboven

Afb. 6: Op de vindplaats van Echeveria cante

Hiernaast van boven naar beneden

Afb. 7: Echeveria cante, zaailingen

Afb. 8: Echeveria cante, na 2 maanden

Afb. 9: Echeveria cante, 1 jaar oud

Foto’s van de schrijver

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 143


DE PACHYPODIUMS IN

ZUID-MADAGASKAR

Peter van Dongen

Een van de grootste eilanden ter wereld, Madagaskar, is bekend vanwege zijn endemische

adansonia’s of baobabs, de ringstaartmaki’s en vele andere lemuren. De kameleons, de

gekko’s, de bijzondere bevolking zoals de merina met een Aziatisch uiterlijk, de orchideeën,

de euphorbia’s, de kalanchoë’s, de rhipsalissen en natuurlijk de pachypodiums, de dikvoet

(thick foot) zoals ze ook genoemd worden.

Vorig jaar heb ik een kort artikel over

de adansonia’s in dit blad mogen plaatsen.

Tevens gaf ik aan dat er meer zou

komen over die speciale succulenten uit

Madagaskar. Dit eiland waar ik drie keer

mocht vertoeven bereisde ik van midden

naar zuid, noord en oost en van midden

naar het westen inclusief eilanden als

Afb. 1: Pachypodium ruthenbergianum

Afb. 2: Pachypodium lamerei

144

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Afb. 3: Pachypodium densiflorum

Nosy Be en Ile Saint Marie.

De vochtige oerwouden bevinden zich

in het noorden en het midden. Hier komen

ook de grootste lemuur, de Indri

indri, en rhipsalissen, euphorbia’s en

kameleons voor. In het middenwesten

vinden we Monrodava en de Rue des

Baobabs met de huizenhoge adansonia’s,

in het noorden de Le Grande

Tsingy /Ankarana Massif en de vele pachypodiums

en uncarina’s en in het zeer

droge zuiden de didieriaceae, alluaudia’s,

adansonia’s en de ringstaart lemuren.

Teveel om op te noemen wat zoal

op het eiland voorkomt. Opmerkelijk is

dat veel pachycaule succulenten er metershoog

zijn!

Kortom, beste liefhebber, het rode eiland

heeft mij sinds 1994 volledig in

haar macht.

Inmiddels heb ik een behoorlijke boekenverzameling

opgebouwd, talrijke muziek-CD’s

en typische Malagasische producten

in huis, succulenten in de serre,

kunst in de kamers en dvd’s van diverse

BBC-opnames. Ik steun het project

Madalief in Antsirabe, een fototentoonstelling

en af en toe geef ik nog een lezing

in het land.

Bij mijn eerste reis naar Madagaskar

in 1995 maakte nog maar een zeer beperkt

aantal toeristen een rondreis. Dat

is anno 2013 kompleet anders. Talrijke

reisorganisaties bieden diverse mogelijkheden

aan. Meestal voor een behoorlijk

hoog bedrag want de vlucht bijvoorbeeld

vanaf Parijs naar Antanarivo, de

hoofdstad, bedraagt al snel ruim € 1100.

Air France en Air Madagascar zijn namelijk

de enige die vluchten hebben

naar dit vierde eiland van de wereld.

Maar het is de moeite waard !

Dus nu in dit artikel aandacht voor

het geslacht Pachypodium, behorend

tot de familie Apocynaceae, in Zuid-

Madagaskar. Overigens heb ik ook voor

de geslachten Plumeria en Adenium een

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 145


de soorten Pachypodium succulentum,

P. namaquanum, P. lealli, P. bispinosum

en P. saundersii voor. De resterende 19

soorten dus alleen op Madagaskar.

Afb. 4: Pachypodium rosulaum

Afb. 5: Pachypodium rosulatum

meer dan normale belangstelling..

Het geslacht Pachypodium kent 24

soorten, waarvan er 5 te vinden zijn op

het vasteland van Afrika. Al de andere

soorten kun je alleen tegenkomen op

Madagaskar. Bijzondere kenmerken van

deze succulenten: het zijn opmerkelijke

xerofyten, ze verdragen enorme hitte

en lange periodes van droogte, bezitten

een gezwollen stam met reserves aan

water en dragen stekels. Ze hebben vaak

een huid van zilver zodat ze opgaan in

de kleur van de omgeving met rotsen of

granietmassa’s waar ze in gaten en spleten

kunnen groeien.

Op het vasteland van Afrika komen

146

Wanneer je naar het zuiden afreist,

kom je in de streek Isalo waar vooral P.

densiflorum, P. rosulatum en P. horombense

te vinden zijn. Een futuristisch gebied

waar mijn vrouw Lenie en ik het

idee hadden in een schilderij van Dali

beland te zijn. Rondom de rotsmassa’s

liggen kale vlaktes met talrijke vuurresistente

palmen, die overgebleven zijn na

steppebranden die bewust zijn aangestoken.

Op de bodem tussen het hoge

verdorde gras zag ik talrijke P. rosulatum

var. gracilius, P. rosulatum var. rosulatum

en P. densiflorum var. densiflorum. Tegen

de hellingen op vertoonden zich nog

meer prachtige exemplaren, blinkend in

de zon. Vaak met een doorsnee van 60

tot 80 cm alsof ze balanceerden tegen

de wand.

Met nog twee Succulenta-vrienden,

Henk en Rudolf uit Groningen, voerde

ik regelmatig discussies over welke

pachypodium in ons blikveld verscheen.

Dit werd vooral veroorzaakt door het feit

dat er vrijwel nog geen bloeiende planten

waren. Alleen de typerende bloemen

geven namelijk aan om welke pachypodiumsoort

het gaat.

Op de markt in de hoofdstad zagen

wij met verbazing, net als jaren geleden,

veel grote exemplaren te koop aangeboden.

Het uitvoerverbod is blijkbaar nog

steeds geen obstakel voor toeristen en

exporteurs om hier toe te slaan.

Na lange verkenningen in het Isalogebergte

verlieten wij dit bijzondere gebied

en reden over nog steeds slechte

wegen door naar Toliara/Tulear, een

stad in het zuidwesten.

In het Ifaty-park en later het

Tsimanampetsotsa-reservaat werd ik verrast

door huizenhoge P. lamerei en P. ruthenbergianum

(var. ruthenbergianum en

var. meridionale ) en P. geayi. Werkelijk

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


ongelofelijke succulenten die naast de

twintig meter hoge adansonia’s en didieraceae

wedijverden om overal boven

uit te steken.

In tegenstelling tot de pachypodiums

in het Isalo-park met hun gele bloemen,

bloeien deze soorten met grote witte of

rozewitte bloemen, een sterke gelijkenis

met de bloemen van adeniums en

de oleanders! Stoffige wegen, tropische

temperaturen en springende sifaka lemuren

brachten ons in een bijzondere

sfeer waarbij de pachypodiums alle aandacht

trokken. Genoeg om te bespreken

met de groep op doorreis naar het midden

en noorden.

Mijn assortiment P. lamerei en P. geayi

bereikt in de Nederlandse serre

hooguit 2 meter. In ons land gebruiken

overigens de liefhebbers P. lamerei

hoofdzakelijk als entstam, want vaak

leggen andere soorten zonder enting

het loodje. Natuurlijk ook in de winterperiode

nooit onder de 15 0 C houden.

P. lamerei is ook meestal de enige

pachypodium die overal in ons land

gemakkelijk is aan te schaffen. Voor

de andere soorten zul je naar speciaalzaken

of kwekers moeten gaan zoals

Grootscholten in Honselersdijk en

Specks in Duitsland. Zaden zijn te verkrijgen

bij

www.pachypodium.

org. Informatie over kweek en onderhoud

in het Engels bij www.highlandsucculents.com

Literatuur:

Rowley, G. (1999). Pachypodium and

Adenium, The Cactus File Handbook

1999. ISBN 09528302-7-2.

Rapanarivo, S., Lavranos, J.J.,

Leeuwenberg, A. & Röösli, W. (1999).

Pachypodium (Apocynaceae):

Taxonomy, Habitats and Cultivation.

Balkema, Rotterdam.

Dongen, P. van. (2000). Speurtocht naar

enkele pachypodiums. Succulenta 79

(2): …...

Rauh, W. (1995 en 1998). Succulent

and Xerophytic Plants of Madagascar,

Volume 1 & 2. Strawberry Press, Mill

Valley, USA.

Watersnip 10

5165 KV Waspik

pwmvandongen@ziggo.nl

Afb. 6: Pachypodium densiflorum

Afb. 7: Pachypodium horombense

Foto’s van de schrijver

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 147


Boekbespreking:

Steven A. Hammer. Mesembs; The Titanopsis Group. Little Spheroid Press. Oakland

California 2013 194 p.

Jan Jaap de Morree

Het boek waarin de Titanopsis Groep binnen

de mesems beschreven wordt, is watertandend

mooi uitgegeven. Als liefhebber van macrofotografie

van ultrasucculente planten en van goed ingebonden

exemplaren was ik direct enthousiast. De

dichtbij-opnamen maken zoveel meer van de bladen

bloemstructuur zichtbaar, dat ik in mijn kas ook

maar eens nauwkeuriger naar de soorten moet

gaan kijken. Bladvullende bladparen zoals vaak gebruikelijk

in het Italiaans/Engelse succulententijdschrift

Cactus &Co zijn schering en inslag. Naast

de perfecte foto’s van de 34 besproken soorten,

gefotografeerd in bloei, in cultuur en op locatie, zijn

ook verspreidingskaarten opgenomen, alsook detailschetsen

van zaaddozen en een aantal aquarellen

van Gerhard Marx. Al jaren verzamel ik soorten

uit de geslachten die Hammer hier behandelt. Hij

had bij een andere uitgever al eerder een degelijk

werk geschreven: The genus Conophytum, a conograph,

waar ik al jarenlang mijn cono’s mee determineer,

dus ik had al grote verwachtingen.

Bij het beginnen met lezen blijkt de schrijfstijl

eveneens om van te genieten. Meer dan een botanische

opsomming gebruikt Hammer een enthousiastmakende

woordenvloed in een Engels om van

te smullen. Maar nu wat concreter.

Hammer heeft met deze uitgave een reeks gestart,

waarvan nog heel veel te verwachten valt

op mesemgebied. Van conophytums waren er al

een aantal goede naslagwerken (zie boven) en lithopsen

zijn ook al grondig beschreven. De overige

geslachten wachten overwegend nog op

monografieën. Te verwachten valt dat de uitgever

Little Spheroid Press ook de Leipoldtiagroep,

de Stomatiumgroep, de Mitrophyllumgroep,

de Ruschiagroep, de Bergeranthusgroep, de

Delospermagroep, de Lampranthusgroep, de

Lithopsgroep en de Dracophylusgroep in de serie

zal uitbrengen. Dat staat tenminste al wel op hun

website.Om het boek niet te omvangrijk te maken

heeft Hammer gekozen voor een opdeling van de

titanopsisgroep. Daartoe behoren de geslachten:

Aloinopsis, Deilanthe, Didymaotus, Dintheranthus,

148

Ihlenfeldtia, Lapidaria, Lithops, Nananthus,

Prepodesma, Schwantesia, Tanquana, Titanopsis en

Vanheerdea, Om, wat Hammer noemt “ballooning”,

opblazen van deze uitgave te voorkomen, zijn de

geslachten Lithops, Dintheranthus, Lapidaria en

Schwantesia niet opgenomen. Tegelijk bestaat er

momenteel (zoals vaak) discussie of de laatste vier

wel bij de titanopsisgroep dienen te worden gerekend.

DNA-onderzoek aan Lithops wijst bijvoorbeeld

anders uit.

Blijven dus over de geslachten Aloinopsis,

Deilanthe, Didymaotus, Ihlenfeldtia, Nananthus,

Prepodesma, Tanquana, Titanopsis, en Vanheerdea.

De variatie in plantvormen, bladvorm en oppervlaktestructuur

is heel groot. Voor degenen die wat ingewerkt

zijn in mesems zijn er soorten die lijken

op faucaria’s, op crassula’s, op cono’s, op pleiospilossen.

De verbindende factoren zijn verdikte

hypocotylen, gedrongen groei met weinig bladeren,

veel bladversierselen, enkelvoudige bloemen

met een nectarring, veelal gele bloemen (waarop

weer prachtige uitzonderingen zijn zoals bv.

bij Aloinopsis en Titanopsis met middenstreping

op de bloembladeren) en brede slippen aan de

zaaddozen.

Elke soort heeft een bespreking met de onderdelen

History and distribution (and ecology) en

Cultivation. Bij veel soorten is ook een paragraaf

Shifting positions, dat ook wel soms Variant opinions

heet. Daarin wordt beschreven hoe er in de

discussie met geslachten en soorten geschoven is.

In een aantal appendices wordt uitgebreid ingegaan

op kweken van Mesembryanthemum, de geaccepteerde

taxa, een literatuurlijst en een lijst van

personen die hebben ingetekend voor de uitgave.

Aangezien het zaaien van deze soorten veelal

geen problemen oplevert en de zaden ook goed

verkrijgbaar zijn, kan ik aanraden om aanschaf van

het boek te overwegen voor degene die de andere

succulenten een warm hart toedraagt.

De prijs staat op internet vermeld; $59,95 inclusief

verzendkosten, maar wellicht kan de onvolprezen

boekenbeurs hier nog aan tornen.

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


SUCCULENTENNIEUWTJES

Wolter ten Hoeve

Kakteen und andere Sukkulenten (63-

11), het tijdschrift van de Duitse vereniging,

begint met een artikel van Helge Fiedler

over ‘ontmoetingen met Leuchtenbergia principis’.

Deze soort is door de auteur op 2

plaatsen in de natuur aangetroffen. Georg

Hörger en Christian Niesel berichten over

een zaaisel van Weingartia trollii, waarin,

naast geel- en roodbloeiende exemplaren,

een witbloeiend exemplaar aanwezig was.

Via kruisingen slaagden de auteurs erin

om na enkele generaties stabiel witbloeiende

planten te verkrijgen. Jörg Ettelt behandelt

in het kort een zevental cactussen.

Karl Häussler beschrijft zijn positieve ervaringen

met het in de buitenlucht cultiveren

van Tunilla. Gerhard Lauchs geeft een overzicht

van de suggesties die hij kreeg voor

het verpotten van grote bolcactussen. In het

volgende nummer van KuaS (63-12) heeft

Alessandro Gentili een bezoek gebracht

aan vrij recent ontdekte archeologische

overblijfselen van de K’ana-cultuur in Peru.

Vanzelfsprekend bericht hij ook over de aldaar

voorkomende cactussen. Jörg Ettelt

bespreekt wederom een zevental cactussen,

waarbij het deze keer gaat om soorten

met geurende bloemen. Moritz Grubenmann

beeldt de tijdens zijn bezoek aan het Isalo

bergmassief op Madagaskar aangetroffen

Euphorbia razafinjohanii af. Deze euphorbia

werd in 1954 beschreven en beeldmateriaal

is volgens de auteur niet eerder verschenen.

Deze soort heeft relatief grote bladeren

en bloemen. Door het echtpaar Elisabeth en

Norbert Sarnes wordt, tezamen met Roberto

Kiesling, de nieuwe soort Austrocactus ferrarii

beschreven. Deze nieuwe soort is de

noordelijkste austrocactus. De groeiplaats

ligt ruim noordelijk van de stad Mendoza.

Stefan Neuwirth bespreekt Echeveria coccinea

en een aantal van haar vormen. Lennart

Artinger belicht de winterharde Escobaria

sandbergii.

De inhoud van het Tsjechische Kaktusy

(48-4) bestaat uit artikelen over Lobivia lateritia

(en de variëteiten cotagaitensis, kupperiana,

citriflora en rubriflora), over Mammillaria

subg. Cochemiea, over Gymnocalycium

spegazzini (var. major en ssp. sarkae), over

Echinocereus viridiflorus var. canus, over

Aylostera azurduyensis (vertaling van de in

Succulenta gepubliceerde nieuwbeschrijving,

alsmede aanvullend commentaar),

over de in de natuur bijna niet meer voorkomende

Notocactus rechensis, en over

Thelocactus lausseri. De meeste artikelen

zijn vergezeld van natuuropnames.

In Internoto (33-4) beschrijft Sergio Klein

een bruinbedoornde Notocactus multicostatus

welke hij langs de weg naar Piratini

vond. Norbert Gerloff bericht over de zuidelijkste

populatie van N. multicostatus. Onder

de noemer ‘wenig bekannte Wigginsien’

bespreekt Wolf-Rainer Abraham Wigginsia

sp. WRA 962. De status van deze mooi

bedoornde wigginsia is nog niet duidelijk,

maar WRA 962 wordt voorlopig in de

nabijheid van N. neohorstii v. prestlei geplaatst.

Elisa Salengue schrijft over planten

die zij op de Cerro Alegre vond (omgeving

Candiota), de planten zijn vermoedelijk

verwant aan N. langsdorfii. Gerloff en Klein

gaan in op de situatie van de in een beschermd

gebied voorkomende N. linkii var.

buenekeri. De auteurs zien deze variëteit

slechts als een N. linkii uit de bergen. Hubert

Müller deelt zijn cultuurervaringen over het

kweken van notocactussen in een platte bak

aan de lezers mee.

Avonia (30-4), het Duitse tijdschrift

over andere succulenten, bevat korte bijdragen

over een Zuid-Afrikaanse locatie

met mooie Aloe dichotoma (Jürgen

Schrenk), over Apteranthus burchardii (en

de var. maura) op natuurlijke vindplaatsen

(Ray Stephenson), en over Aloe variegata

(Jörg Ettelt). Daarnaast zijn er twee langere

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 149


ijdragen. De eerste is van Florian Fraaß

over Sempervivum x funckii welke op diverse

locaties bij Bad Berneck (noordoostelijk

van Bayreuth) voorkomt. Ook Jovibarba

globifera ssp. arenaria is op een van deze

locaties vertegenwoordigd. De tweede is

van Gerhard Wagner, en behandelt het probleem

van de taxonomische scheiding van

Conophytum bilobum en Conophytum meyeri.

In het gebied Port Nolloth – T’Nouroegas

se berge vond de auteur taxa die intermediair

zijn tussen de twee genoemde soorten.

In het Franstalige Cactus & Succulentes

(4-2) verhaalt Anton Hofer over zijn geslaagde

zoektocht naar Echinocactus parryi.

Norbert Rebmann heeft een nieuwe euphorbia

ontdekt in het Isalo bergmassief

op Madagaskar. Hij beschrijft deze plant als

Euphorbia beuginii. Enkele in het verleden

gepubliceerde foto’s van E. isaloensis zijn in

feite opnames van E. beuginii. Het volgende

artikel is opnieuw van de hand van Norbert

Rebmann. Hij beschrijft zijn ontdekking van

Kalanchoe rebmannii, noemt de specifieke

kenmerken en gaat in op de taxonomische

status en de kweekwijze. In een reisverslag

van de hand van Jean Marie Solichon

staat Eriosyce aurata centraal. Jean-Michel

Moullec levert een ietwat algemeen verhaal

over echeveria’s. Jean Marie Solichon bespreekt

Euphorbia milii.

In Aloe (49-2) bespreekt Georg Fritz de

laatste trends in het kweken van kleinblijvende

aloë’s. In een iets langer artikel gaat

Russell Wagner in op het voorkomen van

stomatiums in Zuid-Afrika. De volgende

soorten worden besproken: Stomatium murinum,

S. suaveolens, S. pyrodorum, S. latifolium,

en S. villetii.

Bradleya (30/2012), het jaarboek van de

British Cactus and Succulent Society bevat

16 specialistische publicaties, waarvan ik

hier enkele vermeld. Ernst van Jaarsveld en

Wessel Swanepoel beschrijven een nieuwe

aloë uit het noorden van Namibië, namelijk

Aloe huntleyana. Deze struikachtig groeiende

soort is verwant aan A. vallaris. Heidrun

Hartmann en Ingeborg Niesler behandelen

de taxonomie van de geslachten Acrodon en

Brianhuntleya. De soorten worden besproken

150

en gerangschikt. Gideon Smith en medewerkers

geven een overzicht van de in Malawi

voorkomende aloë’s. De in Peru en Ecuador

voorkomende Borzicactus icosagonus is bestudeerd

door Graham Charles. Deze soort

komt voor in 3 gescheiden rivierstelsels, en

om die reden poneert Charles de 3 ondersoorten

humboldtii, icosagonus en roseiflorus.

De Mexicaanse auteurs Maruri Aguilar,

Sánchez Martínez en Golubov Figueroa hebben

onderzoek gedaan naar de ernstig bedreigde

Mammillaria herrerae. Het aantal in

de natuur voorkomende exemplaren is zeer

gering, maar de ontdekking van een nieuwe

locatie (met 275 planten) biedt enig soelaas

voor deze fraaie mammillaria. Door Gideon

Smith en medewerkers wordt een nieuwe

aloë beschreven, namelijk Aloe braamvanwykii

(A. transvaalensis is waarschijnlijk

de naaste verwant). Deze aloë komt in

een klein gebied voor in de omgeving van

Wolmaransstad, Zuid-Afrika. De auteurs halen

tevens de volgende aloë’s uit de synonymie

van A. zebrina en beschouwen ze als

zelfstandige soorten: A. ammophila, A. komatiensis,

A. transvaalensis en A. vandermerwei.

Ernst van Jaarsveld publiceert 2

nieuwe aloë’s, te weten Aloe condiae (uit de

Drakensbergen; verwant aan A. nubigena)

en Aloe mocamedensis (uit de Namib woestijn

in het zuidwesten van Angola; verwant

aan A. kaokoensis). Maike Gerbaulet brengt

een kritische beschouwing over het meest

recente, zeer ruime concept van het geslacht

Mesembryanthemum. Zij doet de aanbeveling

om nauwere grenzen te hanteren tussen

geslachten en komt tot het nieuwe geslacht

Volkeranthus met de soorten V. aitonus en V.

longistylus.

Vreebergen 2

9403 ES Assen

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Summary

Rob Bregman

In his editorial, Jan Jaap de Morree tells us a little bit about his visit to Surinam

where he met Melocactus specialist Geert Eerkens.

In the series on the old ‘Verkade’ books, Theo Heijnsdijk deals with Pelecyphora

aselliformis. Some nice historial pictures are included. Despite the fact that the plant

is placed in the CITES 1 category, it is not threatened in nature.

Bertus Spee presents another 4 interesting succulents with brief descriptions

and tips for succesful cultivation, viz. Saxifraga cymbalaria, Haemanthus albiflos,

Euphorbia horrida and Maihuenia poepigii.

Herbert Thiele went to the southwestern USA to look for micropuntias. He found

M. pulchella and M. gracilicylindrica in their natural habitats. In winter these plants

are covered by (up to 2 meters of) snow; they can withstand severe frosts.

Ben Zonneveld reports about his crossing experiments with Jovibarba heuffelii

(Crassulaceae). He succeeded in crossing the pubescent green form with the glabrous

red form, resulting in plants with red pubescent leaves.

Arjen de Boer interviewed Harald Grieb, an US official at the US-Mexican border.

His task is to control people who are trying to import CITES 1 plants and seeds

into the US.

Bart Hensel visited the habitats of Copiapoa krainziana and C. scopulina in the

Quebrada San Ramon, in northern Chile. He concluded that both species are in

fact conspecific, because the two forms are not clearly separated, both geographically

and morphologically. At lower altitudes the (white) krainziana form is dominant,

at higher levels it is the (dark) scopulina form.

Norbert Gerloff reports about Brasilicactus haselbergii. The natural habitats appear

to have suffered severely from illegal collecting. The related B. graessneri, with

green or yellow flowers, is also discussed.

Jan Jaap de Morree tried to turn a Kedrostis capensis into a bonsai but the plant

refused to be treated that way.

An impression of the botanic garden of Singapore is given by Richard de Bruijn.

Bertus Spee found Echeveria cante in the Sierra Chapultepec, Mexico. Back

home, the collected seeds germinated very well.

Madagascar lover Peter van Dongen deals with some endemic pachypodiums.

A new book by Steven Hammer on a group of mesembs (Titanopsis group) is reviewed

by Jan Jaap de Morree.

Finally, Wolter ten Hoeve reviews the contents of other journals on succulent

plants.

Hector Petersenstraat 7

1112 LJ Diemen

R.Bregman@contact.uva.nl

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013 151


Inlichtingen over het lidmaatschap, de ontvangst van nummers en

adreswijzigingen aan:

Inquiries about membership, receipt of issues and address changes to:

D.H. Roozegaarde

Banninkstraat 5

7255 AT Hengelo (Gld)

Tel.: +31(0)575 465270

E-mail: ledenadministratie@succulenta.nl

Jan Jaap de Morree Redactioneel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98

Theo Heijnsdijk Pelecyphora aselliformis

De bijltjescactus ............................. 99

Bertus Spee Voor het voetlicht ............................106

Herbert Thiele Op zoek naar cactussen uit het geslacht

Micropuntia in Nevada . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .108

Ben Zonneveld Het maken van een behaarde Jovibarba heuffelii

die ook nog rood is . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 115

Arjen den Boer De Amerikaans/Mexicaanse grens in El Paso, Texas

Een intervieuw met Harald E. Grieb, medewerker van

het United States Department of Agriculture . . . . . . 118

Bart Hensel

Op de vindplaatsen van Copiapoa krainziana en

Copiapoa scopulina . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .127

Norbert Gerloff Notocactus haselbergii. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 131

Jan Jaap de Morree In the picture

Groeizame bonsai ...........................134

Richard de Bruijn Onverwachte ontdekking in Singapore ..........136

Bertus Spee Sierra Chapultepec . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .140

Peter van Dongen De pachypodiums in Zuid-Madagaskar . . . . . . . . . .144

COLOFON

http://www.succulenta.nl

E-mail: info@succulenta.nl

Auteursrecht:

Gehele of gedeeltelijke overname

van artikelen is alleen toegestaan

na verkregen toestemming van de

auteur/illustrator en met een duidelijke

bronvermelding

Redactiesecretariaat:

Mevr. R. Maessen

Weezenhof 1232

6535 EZ Nijmegen.

E-mail: redactie@succulenta.nl

Hoofdredactie:

C.A.L. Bercht

E-mail: ludwigbercht@hetnet.nl

H.W. Viscaal

E-mail: hwviscaal@gmail.com

Redactie:

R. Bregman

E-mail: R.Bregman@contact.uva.nl

W. ten Hoeve

E-mail: tenho11@hetnet.nl

J.J. de Morree

E-mail: Morree@ziggo.nl

B.J.M. Zonneveld

E-mail: Ben.Zonneveld@naturalis.nl

Vormgeving: H. W. Viscaal

Druk: Senefelder Misset

Doetinchem

Jan Jaap de Morree

Boekbespreking

Mesembs - The Titanopsis group. . . . . . . . . . . . . . .148

Bij de voorplaat:

Wolter ten Hoeve Succulentennieuwtjes .........................149

Rob Bregman Summary. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 151

Botanische tuin Singapore

Foto: Richard de Bruijn

152

©Succulenta jaargang 92 (3) 2013


Redactioneel

Rob Bregman

Eind april was het een jaar geleden dat Ton Pullen overleed. Op zo’n moment

moet ik dan niet alleen aan Ton terugdenken maar ook aan al die andere cactusvrienden

die er helaas nu niet meer zijn. Zo gaat dat, de tijd staat niet stil, je wordt

zelf ouder, ook bij mij gaan inmiddels de jaren tellen, en de maandelijkse kringbijeenkomsten

lijken niet zelden op een bejaardensoos. De laatste tijd hebben de grijze

koppetjes de overhand en bepalen het beeld. Meestal heel gezellig, daar niet

van, maar je zou toch graag eens wat jong bloed zien binnenstromen.

Aan wie ik ook moest terugdenken was Herman Rubingh, oud-voorzitter van

Succulenta en zo’n 30 jaar geleden initiatiefnemer van een studieclub, waar ik destijds

deel van uitmaakte. Ik was begin dit jaar in de gelegenheid om na lange tijd

weer eens zijn (nog steeds) indrukwekkende verzameling te mogen bekijken, die

na zijn overlijden in 1999 in de hortus van de VU in Amsterdam is ondergebracht.

Dat was een aangename verrassing want ik had geluiden gehoord dat er niet veel

meer van over zou zijn. Afgezien van wat wolluis stonden de meeste planten er gezond

bij. Twee studenten zijn een aantal maanden bezig geweest om de planten

in een database onder te brengen en ik werd benaderd om te helpen bij het op

naam brengen van naamloze planten. Er bleken nogal wat etiketten verdwenen te

zijn maar gelukkig konden we veel planten tenminste weer van een geslachtsnaam

voorzien. Het toekennen van soortnamen werd (zonder bloemen) al moeilijker.

Dat moet op een ander moment, als de planten bloeien, dan maar gebeuren. Het

is toch een speciaal gevoel als je met de planten van een man als Rubingh bezig

bent. In gedachten zie ik hem dan weer aan het werk in zijn enorme kas in Soest,

balancerend op een gammele trap om de planten hoog in de kas water te geven.

Een bijzondere man, die van grote invloed is geweest voor de cactushobby in ons

land.

Tijdens het schrijven van dit stukje bereikte mij het bericht dat de VU-hortus volgend

jaar gaat sluiten. Dat onheil hing al een tijdje in de lucht maar nu schijnt het

besluit toch definitief te zijn. Te duur, geen wetenschappelijke functie meer, steeds

hoor je bij opheffing van gesubsidieerde tuinen dezelfde argumenten. De VU-hortus

heeft bovendien de pech op het duurste stuk grond van ons land te liggen, nl. de

zuid-as langs de A-10.

Waarschijnlijk worden de planten van de Rubingh-collectie verdeeld over een aantal

verschillende tuinen, Den Helder en Amsterdam (die andere hortus) heb ik horen

noemen. Het is natuurlijk jammer dat de collectie niet als geheel bijeen kan blijven

maar we zullen deze oplossing moeten accepteren. Alle planten zijn gedocumenteerd,

dus we kunnen ze straks in elk geval nog terugvinden.

Ondanks deze onprettige ontwikkelingen heeft uw redactie toch weer met enthousiasme

een nieuwe “Succulenta” samengesteld. Ik wens u veel plezier bij het

lezen.

154

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


EUPHORBIA GRANDICORNIS:

DE GROOTDOORNIGE WOLFSMELK

Theo Heijnsdijk

Van indrukwekkende vormverschijning is de Grootdoornige-

Wolfsmelk, E. grandicornis, die tot een flinke struik of boompje uit

kan groeien. Ze munt uit door den sterk-bochtigen, driekantigen

stam, die zich ietwat étagevormig vertakt. De ribben loopen in breede,

dunne vleugels uit, welke diep ingesnoerd zijn en onregelmatig

geleed. De groote en sterke, 2 tot 5 cm lange, lichtgele, later grijze

doornen, staan in paren op den met een doorloopende, grijze

hoornlijst afgezetten, dunnen rug der ribben, en de grootste doorns

zitten op de verst vooruitstekende gedeelten, waardoor de diepe,

zwakker gedoornde bochten worden beveiligd. De groene kleur van

stam en takken is van een prachtige, milde tint. Van blaadjes is ternauwernood

sprake; ze zijn zeer klein en kortstondig en hoewel ook

de zittende bloeiwijzen met dwars afstaande kliertjes klein en dicht

op de ribben gezeten zijn, doet de heldergele kleur ze dadelijk in het oog vallen en

dragen ze in den zomer korten tijd zeer tot de schoonheid der plant bij. Eigenaardig

is zeker, dat deze soort als wildgroeiende plant niet met zekerheid bekend schijnt te

zijn.

Tot zover de tekst van A.J. van Laren in het Verkade album “Vetplanten” uit 1932.

Zie de afbeelding

Euphorbia grandicornis is binnen

het geslacht een vertegenwoordiger

van de grote groep van de stekelparen,

ook wel aangeduid als de

sectie Diacanthium. Planten uit deze

groep hebben doorgaans 2 stekels

die vanuit de rand van een hoornig

schildje naar buiten gericht staan.

Tot deze groep behoort bijvoorbeeld

ook de eerder in deze serie besproken

E. canariensis. Soms zijn er 3

of 4 stekels en soms maar één (bijvoorbeeld

bij E. unispina). E. grandicornis

heeft nogal grote doorns,

zoals de Nederlandse naam in het

Verkade album al doet vermoeden,

maar Van Laren had meer recht gedaan

aan de botanische naam als hij

de plant groothoornige in plaats van

grootdoornige wolfsmelk genoemd zou

hebben. Grandicornis betekent letterlijk vertaald

‘met grote hoorns’.

In Engelstalige landen wordt de plant ook

wel ‘Cow’s horn Euphorbia’ genoemd. Mij

doen de stekels meer aan de voelhorens

van een slak denken (afb. 1). In deze afbeelding

zien we tussen de stekels de

Afb. 1: Een stekelpaar doet denken aan de

voelhorens van een slak.

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 155


Afb. 2: De blaadjes die in de nieuwgroei gevormd worden,

vergelen snel en vallen dan af

Afb. 3: Tekening van een kopstek in ‘Pflanzenbiologische

Schilderungen van Von Goebel (1889)

Afb. 4: Doorsnede van een stengel in ‘Pflanzenbiologische

Schilderungen van Von Goebel (1889)

156

littekens van de minuscule blaadjes

(afb. 2), die in de nieuwgroei gevormd

worden en die spoedig geel

worden, verschrompelen en afvallen.

Andere namen die veel gebruikt

worden zijn ‘Big horned Euphorbia’,

‘Rhino thorn’ en zelfs ‘Zig-Zag

Cactus‘. Er is ook een cristaatvorm

bekend en die oogt nog veel woester

dan de normale plant.

In het Afrikaans heet de plant

renosterdoring. Een renoster is een

neushoorn en dorings staat voor stekel,

dus daarmee is de naam voldoende

toegelicht.

Hoewel de plant waarschijnlijk

al vrij lang in cultuur is, heeft de

beschrijving nogal op zich laten

wachten.

In de literatuur komen we de

naam Euphorbia grandicornis voor

het eerst tegen in 1889 in het eerste

deel van het 2-delig boekwerk

‘Pflanzenbiologische Schilderungen’

van de Duitse hoogleraar botanie

dr. Karl Immanuel Eberhard Ritter

von Goebel. In een algemeen verhaal

over euphorbia’s bespreekt hij

een aantal aspecten van E. grandicornis

alsof het een algemeen bekende

plant is. Het lijkt helemaal niet

op hetgeen wij tegenwoordig onder

een beschrijving verstaan. Wel vinden

we een fraaie pentekening van

een kopstek (afb. 3). Daarnaast ook

een tekening van de blaadjes in de

nieuwgroei en van een dwarsdoorsnede

van de stam waarin duidelijk

de eigenaardige gedraaide vorm van

de gevleugelde ribben geïllustreerd

wordt (afb. 4). Von Goebel meldt dat

hij geen gegevens over de groeiplaats

heeft kunnen vinden. Wel concludeert

hij uit de bouw van de plant

met de brede dunne ribben en dus

een groot oppervlak, vergelijkbaar

met bijvoorbeeld bladcactussen, dat

deze in haar natuurlijke omgeving

waarschijnlijk niet aan lange droogteperiodes

blootgesteld wordt.

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Na Von Goebel in 1889 is het stil

tot 1893. In dat jaar verscheen in het

periodiek ‘Dr. Neubert’s Deutsches

Garten-Magazin’ onder de titel

“Empfehlenswerte Cacteen” een artikel

van ene heer J.E. Weiss, Dozent der

Botanik. Hij vatte het begrip cactus nogal

ruim op want de laatste in zijn rijtjes

besproken ‘cactussen’ is E. grandicornis.

Er staat zelfs een foto bij, de allereerste

gepubliceerde dus, maar de drukkwaliteit

was in die dagen nog niet erg best

(afb. 5).

De plant was toen dus nog steeds niet

beschreven. Dat gebeurde pas in 1897

door Nicholas Edward Brown in deel 26

van Hooker’s Icones Plantarum. Vandaar

de auteursaanduiding ‘Goebel ex N.E.

Br.’ die in de wetenschappelijke literatuur

steeds aan de soortnaam toegevoegd

wordt. De beschrijving van Brown, verbonden

aan Kew Gardens bij Londen,

was aan de hand van een plant die vanaf

1876 in Kew in cultuur was. De beschrijving

met Latijnse diagnose ging

vergezeld van 2 tekeningen van een behoorlijk

uit de kluiten gewassen exemplaar.

Ik vind deze tekeningen niet bijzonder

fraai. Brown noemde ook een

vindplaats: Zuid-Afrika, Umfolosirivier,

Zululand.

Toch was men kennelijk niet zo zeker

van de groeiplaats want in 1904

verschijnt in Engler’s ‘Botanische

Jahrbücher’ een monografie over euphorbia’s

uit de sectie Diacanthium

waarin de auteur, F. Pax, schrijft:

“Vaterland unbekantt, vielleicht Africa”.

En Alwin Berger schrijft in 1907 in zijn

‘Sukkulente Euphorbien’: “Heimat ?”

en verderop “Die Herkunft der Pflanze

ist unbekannt. Es ist aber nicht anzunehmen,

daß sie erst neuerdings eingeführt

worden sei, denn das oben erwähnte,

grosse Exemplar in Kew spricht

dafür, daß sie ein alter Bürger unserer

Glashäuser ist”.

Brown en anderen verzorgden later

ook nog het deel over de

Euphorbiaceae in de ‘Flora Capensis’

Afb. 5: De eerste gepubliceerde foto in Dr. Neubert’s

Deutsches Garten-Magazin (1893)

van Sir William T. Thiselthon-Dyer.

Dit deel verscheen in 1915 en ook

hier wordt E. grandicornis behandeld.

Grappig vind ik de laatste regel:

“Distribution: Eastern Region:

Zululand, stone! Marriott! And cultivated

specimens!”.

Ik vermoed dat Marriott een naam is,

maar ik heb er niets over kunnen achterhalen.

Maar vooral al die uitroeptekens

intrigeren me. Ik heb geen idee wat de

schrijver hiermee wilde benadrukken.

Blijkens het bovenstaande citaat uit

het Verkade-vetplantenalbum was men

ook in 1932 nog niet zeker van de

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 157


Afb. 8: Cyathium met vrouwelijke bloem

Afb. 6: Een plant die gaat bloeien valt op door

de levendig rode kleur van de zich ontwikkelende

cyathia

en kunnen tot 2 m hoog worden. Het

schijnt dat grote planten nogal eens onder

hun eigen gewicht bezwijken. De

variëteit sejuncta (in 1970 beschreven

door Leach) die kleiner blijft en soms

liggend groeit, heeft 2 of 3 ribben en

is alleen bekend van een vindplaats in

Mozambique. Daar groeit ze in het gezelschap

van Aloe chabaudii, Euphorbia

corniculata, en E. tirucalli op graniethellingen

op hoogtes tussen 380 en 700

meter.

Bij een zonnige standplaats valt een

plant die gaat bloeien op door de levendig

rode kleur van de zich ontwikkelende

cyathia (afb. 6). Deze verschijnen aan

de bovenste, dus jongste, segmenten

Afb. 7: Cyathia met mannelijke bloemen

groeiplaats. Uit de hedendaagse literatuur

blijkt dat het verspreidingsgebied

toch best groot is: Zuid-Afrika (Kwazulu-

Natal), Swaziland, Mozambique, Kenia.

Daar groeit ze op geringe hoogte (tot

400 m) in kleine groepen tussen gras

of struiken. Ze hebben 3 of 4 ribben

158

Afb. 10: Het ontstaan van de eerste stekelparen bij

een jonge zaailing

Foto’s van de schrijver

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


van de in etages

groeiende stengels. In

aanleg staan er steeds

3 cyathia bij elkaar

maar vaak komt alleen

de middelste

tot ontwikkeling. Die

heeft alleen mannelijke

bloemen (meeldraden).

De beide

buitenste cyathia zijn

tweeslachtig. Eerst

ontwikkelen zich de

mannelijke bloemen

(afb. 7) en als die verdrogen

dan komt de

vrouwelijke bloem

(stamper, afb. 8). Alle

cyathia zijn heldergeel

van kleur. Dit bloeigedrag

met een centrale

mannelijke bloeiwijze

geflankeerd door

2 vrouwelijke cyathia vinden we wel vaker

bij euphorbia’s, bijvoorbeeld bij E.

canariensis.

Rijpe vruchtjes zijn ongeveer 8 mm in

diameter en purperrood van kleur (afb.

9).

Voor de cultuur wordt een luchtig

mengsel met weinig organisch materiaal

en veel toevoegingen als lava, puimsteen,

kleibrokjes enz. aanbevolen.

Liever geen turf gebruiken. Van maart

tot september ruim water geven. In de

winter moet de temperatuur minimaal

12 0 C, maar liever nog wat hoger zijn.

Vermeerdering door stekken, die vrij gemakkelijk

wortelen, of door middel van

zaaien. Zaad is redelijk goed verkrijgbaar

en het is boeiend om te zien hoe

uit de tere kiemplant met de 2 kiemblaadjes

zich een woest bestekelde plant

ontwikkelt (afb. 10).

In vorstvrije landen wordt E. grandicornis

wel aanbevolen voor heggen. Snoei

wordt uitstekend verdragen. Geiten eten

wel de hoekjes eraf maar de bestekelde

kanten laten ze met rust. Het melksap

schijnt de dieren niet te deren.

Afb. 9: Vruchtvorming bij een E. grandicornis in het Jan Celliers Park

(Pretoria, Zuid Afrika).

Foto Dr. Johann C. Knobel

Literatuur:

Berger, A. (1907). Sukkulente Euphorbien,

p. 52-53, Ulmer Verlag, Stuttgart, .

Brown, N.E. (1897). Hooker’s Icones

Plantarum 26, plates 2531, 2532.

Brown, N.E., Hutchinson, J. en Prain, D.

(1915). Euphorbiaceae in Thiselton-Dyer,

Flora Capensis, William Clowes and

Sons, London, Vol 5, sect 2, part 2, p.

367-368.

Goebel, K. von (1889). Pflanzenbiologische

Schilderungen, N. G. Elwert’sche

Verlagsbuchhandlung, Marburg.

Laren, A.J. van (1932). Vetplanten, Verkade’s

fabrieken N.V., Zaandam.

Pax, F. (1905). Monographische Übersicht

über die afrikanische Arten aus

der Sektion Diacanthium der Gattung

Euphorbia in Engler’s Botanische

Jahrbücher 34, p. 74

Weiss, J.E. (1893). Neubert’s Deutsches

Garten-Magazin 46, p. 291.

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern

Thd@roc.a12.nl

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 159


VOOR HET VOETLICHT

Bertus Spee

Ferocactus robustus

De Tehuacán-vallei is een van de

mooiste cactusgebieden in Mexico,

gelegen in de staten Puebla en

Oaxaca. Op sommige plaatsen vinden

we hier enorme groepen van

deze ferocactus. De planten kunnen

wel 2 tot 3 meter in diameter worden.

In cultuur zijn deze planten prima

uit zaad op te kweken. In het begin

groeien ze vrij langzaam. Na een

aantal jaren beginnen ze te spruiten

aan de basis. We planten ze dan over

in een flinke schaal in een mineraalrijk

substraat. Zo kunnen ze mooie

clusters vormen. De gele bloemen

verschijnen heel sporadisch.

Tijdens de groei kunnen ze best wat water gebruiken en een zonnige en luchtige

plaats. In de winter houden we ze droog en zetten ze op een lichte plaats bij

een minimumtemperatuur van 10 0 C. Als de planten beginnen te spruiten kunnen

ze ook uit stek vermeerderd worden. Ze krijgen op vochtig grof zand of bims al snel

wortels.

Mammillaria pectinifera

Deze miniatuurplantjes groeien in

de omgeving van Tehuacán, in hetzelfde

gebied als Ferocactus robustus.

Ze zijn vaak moeilijk te vinden

in het stenige en grasachtige terrein.

Ze worden zelden groter dan 3 cm in

doorsnede en in de droge tijd trekken

ze zich terug in de grond. Ze bloeien

al vroeg in het voorjaar (de afgebeelde

foto is gemaakt op 26 januari op

een groeiplaats bij Tecamachalco).

Vermeerderen kan alleen door zaaien.

Ze groeien echter langzaam. In

een goed doorlatend, lemig substraat

en met een matige watergift kunnen

ze al na 5 jaar bloeien. Soms worden de zaailingen geënt op Peireskiopsis, zodat

ze wat sneller groeien. Tijdens de winterrust houden we ze droog bij een minimumtemperatuur

van 10 0 C.

160

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Hechtia lyman-smithii

Ook deze mooi getekende hechtia’s

vinden we in de Tehuacán-vallei.

Doordat ze aan de basis spruiten,

groeien ze daar uit tot grote plakkaten.

Ze zijn heel variabel van tekening;

maar op beschaduwde plaatsen

blijven de bladeren wat meer groen.

Zaden worden zelden aangeboden.

Toch zijn ze prima uit zaad op te kweken

en in een ruime pot vormen ze al

snel mooie groepen. We planten ze

in een mineraalrijk doorlatend grondmengsel

en geven tijdens de groei

flink water. Ze kunnen in de zomer

prima buiten gekweekt worden op

een flink zonnige plaats. In de winter

houden we ze boven de 10 0 C en geven een heel klein beetje vocht zodat de bladeren

niet indrogen. Ze zijn ook goed uit stekken te vermeerderen.

Beaucarnea (Nolina) gracilis

Ook deze opvallende planten

groeien massaal in de Tehuacánvallei.

Ze worden tegenwoordig bij

de Nolinaceae ingedeeld. De planten

kunnen meer dan 6 meter hoog worden.

De voet van de dikke stam kan

wel 8 meter in omtrek worden. Deze

reuzen zijn dan wel honderden jaren

oud.

Ze zijn prima uit zaad op te kweken

en stellen weinig eisen. Na een

jaar beginnen ze al een verdikte voet

te vormen. We planten ze in een ruime

pot en in een mineraalrijk grondmengsel.

Tijdens de groei kunnen ze

best veel water verdragen. Ze kunnen

dan ook prima buiten gekweekt worden op een zonnige plaats.

Ze kunnen gaan bloeien als ze zo’n 2 meter hoog zijn. Na de bloei vertakt de

hoofdstam zich telkens. In de winter houden we ze op een minimumtemperatuur

van 15 0 C en geven dan om de 2-3 weken een klein beetje water op de schotel.

Diepeneestraat 4

4454 BJ Borssele

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 161


Sclerocactus (Ancistrocactus)

uncinatus ssp. crassihamatus

Jean Bonnefond

De bedoeling van dit artikel is om uw interesse te wekken voor een cactus uit het geslacht

Ancistrocactus sensu stricto, die weinig in verzamelingen voorkomt en waarnaar, in tegenstelling

tot de andere soorten uit dit geslacht, in de literatuur weinig verwezen wordt:

Ancistrocactus crassihamatus.

Vooral door haar uiterlijk wordt ze

vaak aangezien voor een soort uit het

geslacht Ferocactus, een geslacht waarin

zij dan ook regelmatig geplaatst werd. In

haar natuurlijke Mexicaanse omgeving,

ten zuidwesten van de Sierra Madre

Oriental, is zij blootgesteld aan een zeer

droog klimaat. Dit is ook de reden dat

de planten in cultuur zeer moeilijk zijn.

Onder onze klimaatomstandigheden

moeten enkele regels in acht genomen

worden om desalniettemin te slagen.

Ik heb nu (in 2013) exemplaren van A.

crassihamatus in mijn kas die al 20 jaar

oud zijn, exemplaren die in mei 1993

gezaaid zijn.

Het geslacht Ancistrocactus sensu stricto en

zijn historische samenhang

Het geslacht Ancistrocactus in strikte

betekenis (Ancistrocactus sensu stricto)

vormt een groep gelijkvormige planten

die onderwerp geweest zijn van talrijke

discussies van taxonomische aard

op grond van hun morfologie en hun

ontwikkeling. In de loop der tijd werden

deze planten binnen een groot aantal

geslachten ondergebracht, maar tegenwoordig

zijn ze

allemaal gerangschikt

in het geslacht

Sclerocactus

(David Hunt, “CITES

Cactaceae Checklist”

2e ed.). Het is een

verbazingwekkende

lijst met synoniemen.

Voor het taxon crassihamatus

is de lijst

als volgt:

Kaart van de vindplaatsen

van Sclerocactus (Ancistrocactus)

uncinatus

ssp. crassihamatus

162

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


1. Echinocactus crassihamatus F.A.C.

Weber, Dictionaire d’Horticulture

par Désiré Georges Bois 468

(1896);

2. Echinocactus mathssonii E. Berge

ex Schumann, Monatsschrift für

Kakteenkunde 7:76 (1897);

3. Ferocactus crassihamatus (F.A.C.

Weber) Britton & Rose, Cactaceae

3:144 (1922);

4. Glandulicactus crassihamatus

(F.A.C. Weber) Backeberg, Beitr.

Sukkulentenk. 6-8 (1940);

5. Thelocactus crassihamatus

(F.A.C. Weber) Marshall & Bock,

Cactaceae p. 169 (1941);

6. Hamatocactus uncinatus ssp.

crassihamatus (F.A.C. Weber)

Buxbaum, Kakt. and. Sukk. 2:6

(1951);

7. Ancistrocactus crassihamatus

(F.A.C. Weber) L. Benson, Cact.

Succ. J. Amer. 41:188 (1969);

8. Ferocactus mathssonii (Berge ex

Schumann) N.P. Taylor, Cact. Succ.

J. GB. 41(4):91 (1979);

9. Sclerocactus uncinatus ssp. crassihamatus

(F.A.C. Weber) N.P. Taylor,

Bradleya 5:94 (1987);

10. Pediocactus uncinatus var. crassihamatus

(Britton & Rose) J.J.

Halda, Acta Mus. Richnov. Sect.

Nat. 5(1) 12-27 (1998).

De naam Ancistrocactus (Grieks ankistron

= haak) werd in 1897 gecreëerd

door de Duitse botanicus Karl Moritz

Schumann, conservator van het botanisch

museum te Berlijn. Dit om een

ondergeslacht te maken binnen het geslacht

Echinocactus. De naam verscheen

voor het eerst in zijn standaardwerk

“Gesamtbeschreibung der Kakteen”.

Het ondergeslacht Ancistrocactus werd

door Britton en Rose in 1922 tot geslacht

verheven met als soorten A. megarhizus,

A. scheeri en A. brevihamatus.

Het was pas in 1969 dat Benson

ook crassihamatus tot soort binnen

Ancistrocactus ombenoemde. Hunt

(New Cactus Lexicon, 2006) beschouwt

de soorten van Ancistrocactus als onderdeel

van het geslacht Sclerocactus,

waarbij crassihamatus dan een subspecies

is van S. uncinatus.

Het is interessant om ons met een

paar woorden te verplaatsen in het historische

verband tussen de ontdekking

en de beschrijving van deze ancistrocactus

en de samenhang van de soort

A. crassihamatus bij haar introductie in

Europa.

Zoals een groot aantal andere Noord-

Amerikaanse en Mexicaanse cactussen

zijn deze exemplaren tussen 1845

en 1870 ontdekt. Dit is in het bijzonder

het tijdperk van de verovering van het

Westen, dat vorm kreeg door de stromen

emigranten op zoek naar grondgebied

vanaf 1842, en ook tijdens de

ontdekking van goud vanaf 1848. Het

Mexicaanse gebied is eveneens ingrijpend

veranderd na afloop van de oorlog

van 1846 tussen Mexico en de “jonge”

Verenigde Staten. Een oorlog die voor

Mexico eindigde met het verlies van o.a.

New Mexico en California. Het is tevens

het tijdperk van de Franse militaire expedities

in Mexico van 1864 tot 1867.

Grote gebieden stonden daarmee open

voor meerdere ontdekkingstochten hetgeen

de ontdekking en beschrijving van

grote aantallen planten mogelijk maakte.

Het was George Engelmann (1809

- 1884) die, ongeveer veertig jaar

voor het opstellen van het geslacht

Ancistrocactus, de eerste beschrijvingen

maakte van Echinocactus brevihamatus

en Echinocactus uncinatus var. wrightii.

Deze van oorsprong Duitse arts en botanicus

verrichtte een enorme arbeid

door het ontdekken van vele cactussoorten

en het classificeren van de cactusfamilie

en dan vooral met betrekking

tot de cactussen van Noord-Amerika.

In werkelijkheid begon dit werk al met

de expedities vanaf 1840 van de Duitse

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 163


Afb. 1: Ancistrocactus crassihamatus in bloei

natuuronderzoeker Frederick Adolphus

Wislizenus (1810 - 1889).

Het verslag van de expeditie, door

Engelmann gepubliceerd in 1848,

was gebaseerd op de beroemde verslagen

van “Memoir of a tour of

Northern Mexico, connected with colonel

Doniphan’s expedition in 1846 and

1847”, uitgegeven door de Amerikaanse

Senaat. Tijdens de expeditie van

Doniphan ontving G. Engelmann, woonachtig

in Saint Louis in de Verenigde

Staten, exemplaren van planten die nog

niet beschreven waren. Zij werden hem

toegestuurd door een van de deelnemers

aan de expeditie, Josiah Gregg

(1806 - 1850), tevens ontdekkingsreiziger,

handelaar en natuurkenner.

Het was in 1856 dat G. Engelmann

een groot gedeelte van deze beschrijvingen

publiceerde in het kader van de

Amerikaanse Academie van Kunsten en

Wetenschappen.

164

De eerste beschrijving van

Echinocactus crassihamatus in 1896

wordt toegeschreven aan de Franse militaire

arts en botanicus Frédéric Albert

Constantin Weber (1830 - 1903). Maar

ze werd pas in 1898 gepubliceerd.

Doordat Weber deelnam aan de Franse

militaire expeditie van 1864 tot 1867

in Mexico, kon hij pas na terugkeer

zijn tijd wijden aan de beschrijving van

een groot aantal cactussen. Het grootste

gedeelte van zijn werk is pas na zijn

dood gepubliceerd. Een andere beschrijving

van dezelfde soort is van de

uit Leipzig afkomstige botanicus Ernst

Berge in een publicatie van Karl Moritz

Schumann onder de naam Echinocactus

mathssonii. Schumann was conservator

aan de botanische tuin te Berlijn.

Beroemd is natuurlijk zijn standaardwerk

over cactussen “Gesamtbeschreibung

der Kakteen” in 1898. E. Berge (1836 -

1897) was handelaar in cactussen, vetplanten

en orchideeën. Hij importeerde

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Afb. 2: De bloem van Ancistrocactus crassihamatus, bloemen van dichtbij

veel planten vanuit Mexico.

Deze functie van importeur van

Mexicaanse planten is belangrijk. Want

tot aan 1900 waren de nieuwbeschrijvingen

niet alleen voorbehouden aan

botanici die in de gelegenheid waren

om het nieuwe continent te doorkruisen.

Snel kwamen ook de handelaren

om het oude continent te voorzien

van exemplaren. Zo zag men in Europa

nieuwe en bijzondere planten arriveren

die hier bestudeerd en geëxposeerd

konden worden. Ter illustratie: men vindt

in het eerste deel van het Franse tijdschrift

“L’Horticulteur Universel” het volgende

verslag over de komst van enige

van die planten. “In Frankrijk heeft

men in 1837 een omvangrijke zending

met Mexicaanse cactussen ontvangen.

Daarvan is een gedeelte hier gebleven

en een gedeelte is naar Engeland,

België en Duitsland gestuurd. Een tweede

zending, ook uit Mexico in 1838

(door M. Galeotti, reiziger voor de heer

Vandermaelen uit Brussel, waar hij

tuinder was), bevatte evenals de eerste

zending een groot aantal prachtige

cactussen, orchideeën en enige zeer

sterke exemplaren van de nieuwe soort

Dioscorea (Tamus). De cactussen van

deze twee zendingen, die met moeite

in een vijftig- à zestigtal kisten pasten,

bestonden voor het grootste gedeelte

uit mammillaria’s en echinocactussen.

Ternauwernood konden we er twee of

drie cereussen en een of twee opuntia’s

tussen vinden.”

De Belg Henri Guillaume Galeotti

(1814 - 1858) vertrok in 1835 naar

Mexico om er vijf jaar te gaan wonen en

zich te wijden aan de algemene botanie

met de nadruk op cactussen. Hij begon

er een handel in Mexicaanse succulenten

met als bestemming Europa.

In 1840 keerde hij terug naar België

met grote hoeveelheden planten die

voor de Botanische tuin in Brussel

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 165


verzameld waren of voor eigen gebruik.

Het was Galeotti (1848) die als eerste

Echinocactus uncinatus beschreef. De

Fransman Hippolyte Boissel de Monville

beschreef in 1853 dezelfde plant, maar

dan onder de naam Echinocactus ancylacanthus.

In de buurt van Rouen bezat

H. Boissel de Monville een van de

grootste verzamelingen cactussen en

vetplanten van zijn tijd. Verscheidene

van zijn beschrijvingen van planten

zijn gepubliceerd in “L’Horticulteur

Universel”.

Een volgende soort die tot

Ancistrocactus gerekend wordt is A.

scheeri. De nieuwbeschrijving van

Echinocactus scheeri kwam in 1849

uit de pen van de Duitse prins Joseph

Maria Franz Salm-Dyck (1773 - 1861),

die een persoonlijke en overweldigende

passie voor succulente planten aan de

dag legde na het bijwonen van besprekingen

van botanici. Hij liet in 1850 kassen

in zijn kasteeltuin te Dyck bouwen

en verzamelde daar weldra een van de

mooiste collecties met cactussen, agaven,

aloë’s etc. Dit stelde hem in staat

om zich te wijden aan vele studies op

het gebied van beschrijving, indeling

en illustraties en het publiceren van diverse

werken waarvan het meest bekende

“Cacteae in Horto Dickensi cultae”

(1849 - 1850) is.

Dit is de heftige en boeiende samenhang,

maar ook enthousiast en onstuimig,

waarin deze cactussen op het oude

continent hun intrede deden. Het is aan

het begin van 1920 dat het geslacht

Ancistrocactus wordt opgesteld door

de Amerikaanse botanici N.L. Britton

en J.N. Rose en als zodanig gepubliceerd

in hun monumentale werk “The

Cactaceae” (1922). Zij onderscheiden

daarin drie soorten, hoofdzakelijk op basis

van hun bedoorning en hun areolen:

A. brevihamatus, A. scheeri en A.

megarhizus.

166

Ancistrocactus uncinatus en A. crassihamatus

zijn ook soorten die in “The

Cactaceae” besproken worden, maar

dan in een door Britton en Rose opgesteld

nieuw geslacht, Ferocactus. In totaliteit

onderscheiden zij in dit nieuwe

geslacht 30 soorten, welke allemaal uit

Noord-Amerika afkomstig zijn met een

verspreidingsgebied dat zich uitstrekt

over de Verenigde Staten en Mexico.

Argumenten waarom deze twee soorten

tot Ferocactus worden ombenoemd, worden

niet gegeven. Bij Ferocactus crassihamatus

vermelden Britton en Rose

dat ze de plant slechts kennen door

de illustratie en de publicatie van Karl

Schumann. Over E. mathssonii zeggen

ze dat de eerste publicatie plaatsvond in

1893 (Monatsschrift für Kakteenkunde

3:4) maar zonder een geldige beschrijving.

En zij hebben geen idee van de

grootte van de plant.

Ook E. uncinatus wordt door Britton

en Rose tot Ferocactus ombenoemd,

hoewel zij twijfelen aan de juistheid ervan.

Zij vinden deze soort niet nauw

verwant met de andere soorten uit dit

geslacht en denken zelfs aan een apart

geslacht.

Het is waarschijnlijk dat de morfologische

kenmerken, de bedoorning, maar

misschien ook de plaats van herkomst

(het westelijke deel van Texas en centraal

Mexico voor uncinatus en de staat

Querétaro in het midden van Mexico

voor crassihamatus) ertoe bijdroegen

dat uncinatus en crassihamatus bij

Ferocactus ondergebracht werden.

Vanaf 1920 zijn de soorten van het geslacht

Ancistrocactus onderwerp geweest

van vele discussies op taxonomisch

gebied en de soorten werden steeds

weer in andere geslachten geplaatst,

zoals Glandulicactus, Hamatocactus,

Pediocactus en Sclerocactus. Als voorbeeld:

aan het eind van de jaren ’70

van de vorige eeuw wilde de botanicus

en taxonoom N.P. Taylor het geslacht

Ferocactus herzien. Op basis van

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


de originele artikelen van Britton &

Rose, F.A.C. Weber en E. Berge beargumenteerde

hij dat F. crassihamatus

synoniem gesteld moest worden aan

F. mathssoni (Cact. Succ. J. of Great

Britain, 1979). In het begin van de jaren

2000 zorgde de voortgang van

de wetenschap en de middelen die

haar ter beschikking stonden, voor

nieuwe inzichten. Op basis van fylogenetisch,

moleculair en DNA- onderzoek

kwamen verwantschappen

tussen diverse cactussoorten in een

ander daglicht te staan. Het leidde

ertoe dat alle soorten uit het geslacht

Ancistrocactus (maar ook die uit het

geslacht Echinomastus en Toumeya)

opnieuw gegroepeerd werden in het

geslacht Sclerocactus.

Afb. 3: Vruchten van Ancistrocactus crassihamatus

Ecosysteem van de Chihuahuawoestijn

en de Sierra Madre Oriental

Het verspreidingsgebied van

Ancistrocactus ligt in een van de

twee belangrijkste gebieden met

de grootste diversiteit aan cactussen

(het tweede gebied ligt ten

zuidwesten van de Andes en bestrijkt

grote delen van Peru, Chili en

Argentinië). Dit gebied strekt zich

uit van het uiterste zuidwesten van

de Verenigde Staten – het zuidoosten

van Arizona, het zuiden van New

Mexico en het westen van Texas -

tot aan centraal Mexico in de deelstaten

Guanajuato, Querétaro, en

Hidalgo. Het komt voor het overgrote

deel overeen met het ecosysteem

van de Chihuahuawoestijn,

de meest uitgestrekte woestijn van

Noord-Amerika, met een oppervlakte

van ongeveer 500.000 km 2 . Het

is een woestijn welke gemiddeld op

een hoogte ligt van 1100 - 1500 m.

Van het noorden naar het zuiden

en onder de invloed van dit ecosysteem

zijn successievelijk te vinden:

Sclerocactus (Ancistrocactus)* brevihamatus

ssp. tobuschii (zuidwesten

van Texas, Edwards Plateau), S.(A.)

Afb. 4: Bloemknoppen worden zichtbaar

Afb. 5: Uiteindelijk wordt de plant zuilvormig

19 cm hoog en 11cm Ø

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 167


uncinatus ssp. wrightii (langs de oevers

van de Rio Grande in New-Mexico en

Texas in de VS, en in de Mexicaanse staten

Sonora, Chihuahua en Nuevo Leon),

S.(A.) brevihamatus ssp. brevihamatus

(uiterste zuidwesten van Texas tot in de

Mexicaanse staat Nuevo Leon) en S.(A.)

scheeri ssp. scheeri (zuidwesten van

Texas tot in het zuiden van Tamaulipas).

Twee taxa komen uitsluitend in

Mexico voor. S.(A.) uncinatus ssp. uncinatus

komt voor vanaf het noorden

van Mexico, de staat Chihuahua tot het

noordoosten van de staat Querétaro.

Men bevindt zich hier nog steeds onder

de invloed van het ecosysteem van

de Chihuahuawoestijn. In “Guide to

the identification of threatened cacti of

Mexico” (1998) wijst Graham Charles

er op dat A. crassihamatus tamelijk

zeldzaam is en maar op enkele plaatsen

rond San Luis de la Paz in de staat

Guanajuato voorkomt, zonder hierbij de

aanwezigheid in de staat Querétaro te

noemen. Van hun kant hebben de auteurs

van een artikel, dat tot doel had

het niveau van zeldzaamheid te onderzoeken

van 142 soorten die in het

ecosysteem van de Chihuahuawoestijn

voorkomen (Revista Mexicana de

Biodiversidad, 2010), van A. crassihamatus

(die zij indeelden bij Hamatocactus

en niet bij Sclerocactus) aangegeven dat

deze zeldzaam is en endemisch in de

staat Guanajuato, voorkomend op minder

dan tien vindplaatsen die in totaal

10 km 2 beslaan (vindplaatsen bij San

Luis de la Paz, Mineral de Pozos, Calera,

Pringon, Pozos, Xichú, alle gelegen op

hellingen in het oosten van de staat en

alle met het predicaat “bedreigd”). Ter

vergelijking, A. uncinatus ssp. uncinatus

is wijdverbreid op ca. 200 vindplaatsen

die in totaal ongeveer 103.000 km 2

beslaan.

Zoals te lezen bij Anton Hofer (Cactus

& Co, 2(5) 2001) is S. (A.) uncinatus

ssp. crassihamatus de meest zuidelijke

soort (ten zuidwesten van de Sierra

168

Madre Oriental). Men vindt ze voornamelijk

tussen het lage gras op zandplaten

of op de hellingen van heuvels op

hoogtes tussen de 1800 en 2300 m.

Deze gebieden bestaan vaak uit vlakke

stukken, omringd door bergachtige zones

en ze worden gekenmerkt door een

droog klimaat en een zeer droge lucht.

De rotsachtige bodem is rijk aan leem,

gips, kalkhoudende en vulkanische rotsen.

A. uncinatus ssp. crassihamatus

wordt vaak gevonden in gezelschap van

ferocactussen (F. latispinus ssp. latispinus,

F. macrodiscus ssp. septentrionalis,

F. hystrix), mammillaria’s (M. densispina,

M. perbella) en ook van Neolloydia

conoidea.

Beschrijving

De naam crassihamatus komt van oorsprong

van de Latijnse woorden crassus

(dik) en hamatus (van haken voorzien)

refererend aan de voor deze soort zeer

karakteristieke bedoorning.

Plantenlichaam: Gewoonlijk enkelvoudig,

over het algemeen bolvormig, met een

ietwat verzonken kop. Op latere leeftijd

en in zijn natuurlijke omgeving kan het

plantenlichaam lichtelijk langwerpig worden,

zelden cilindervormig. Een hoogte

van 20 cm en een doorsnee van 15 cm

kan dan bereikt worden. In cultuur kunnen

de planten bij ouderdom de neiging

tot lengtegroei krijgen (planten van 20

jaar en ouder). Zij bereiken een lengte

van 17-20 cm en slechts een doorsnee

van 10-12 cm. De epidermis heeft een

lichte matgroene kleur of grijsgroen of

iets blauwachtig. Wanneer de plant ouder

wordt verliest zij haar blauwachtige

kleur en wordt lichtgroen met een geelachtige

zweem, dit zonder verschijnselen

van verhouting te vertonen. Bij het

ouder worden vormen zich scheuten aan

de wortelhals.

Wortelgestel: Van nature lichte penwortel

(volwassen planten) die aan de uiteinden

haarvormig uitloopt.

Ribben: Bij volwassen planten een dertiental

rechte ribben, niet uitstekend,

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


gevormd door een aaneenschakeling

van tuberkels.

De tuberkels zijn lichtelijk

afgerond, de vorm

aannemend van uitwassen

of van goed gemarkeerde

tepels, met een lengte van

1,5 cm en een hoogte van

2,5 à 3 cm.

Areolen: Op het bovenste

gedeelte van de tuberkels

geplaatst, met wol, maar

nooit erg veel. De wol

wordt minder bij de groei

van de plant. De areolen

hebben een behoorlijke

afmeting en zijn boven op

de top van de tuberkels afgerond

(op het punt waar

de bedoorning ontspringt).

Vervolgens zet de areool zich voort aan

de bovenkant van de tuberkels in een

nauwe groef van 1 à 2 mm breedte en 1

à 1,5 cm lengte, om te eindigen bij het

begin van het bloeipunt, in de directe

nabijheid van de basis van de daarboven

liggende tuberkel. Met zijn twee afgeronde

uiteinden en met een verbindingsgroef

geven deze areolen de vorm van

een halter weer. Ditzelfde aspect is terug

te vinden bij A. scheeri ssp. scheeri.

Deze areolen zijn ook de plaats, over

de hele lengte van hun groef, van de 5

honingklieren die een kleverige stof uitscheiden,

bestemd om insecten aan te

trekken. Deze klieren zijn vooral zichtbaar

op de oudere areolen die hun wol

verloren hebben.

Aantal doorns: In totaal 11 tot 14, zeer

robuust.

Randdoorns: Bij volwassen planten 9 tot

10, die twee groepen vormen. Hiervan

wijzen 3 tot 5 randdoorns altijd naar de

kop van de plant, vervolgens staan er

2 paarsgewijs en horizontaal. Al deze

doorns, met een rechte punt, hebben

een plat gedeelte van ongeveer 2 mm.

Vervolgens wijzen 3 randdoorns naar de

onderkant van het plantenlichaam, zij

hebben een gehaakt uiteinde, rond en

Afb. 6: Jonge Ancistrocactus crassihamatus (in mei 2000 gezaaid),

7,5 cm hoog en 8cm Ø

niet afgeplat. Al deze randdoorns hebben

een oker tot okerroze kleur of oker

met een paarsachtige gloed, de punt is

zwart of donkerbruin. Na verloop van tijd

worden ze grijs. Ze worden 1 tot 2,5 cm

lang.

Middendoorns: Er zijn 1 tot 4 middendoorns

met een doorsnede van 1 tot 1,5

mm, stevig. Hiervan hebben er 3 een

rechte punt en zijn 2 tot 2,5 cm lang.

Een doorn heeft de vorm van een vishaak,

deze laatste staat duidelijk haaks

op de as van het plantenlichaam. Hij is

4,5 tot 6 cm lang. Deze middendoorns

en vooral de langste met de haakdoorn

hebben een meer donkere kleur dan

de randdoorns, vaak donkerbruin of

tabakskleurig.

Bloemen: Dagbloeiers. De bloemen

staan in de top van de plant, openen

zich nooit helemaal, klokvormig met

een grootte van 2 cm. De bloembladen

hebben een middenstreep van min

of meer paars tot donkerpaars en altijd

met lichte randen. Stamper van rozeachtig

geel tot purper. Helmdraden geelachtig

purper, helmknoppen en stuifmeel

crèmekleurig.

Bloeitijd: Juni en juli op de natuurlijke

vindplaats.

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 169


Vruchten: Groen en vlezig, sappig bij

het rijp worden. Ze zijn langwerpig van

vorm met een lengte van 1,5 tot 3 cm

en een dikte van 0,5 tot 1 cm. Zij dragen

een twintigtal schubben, alle bleek

van kleur. Ze springen niet open en

kleuren bij het droog worden oker voor

de zaden uit hun omhulsel vallen. Over

het algemeen bevatten ze een honderdtal

zaden.

Zaden: Zwart tot donkerbruin van kleur,

glanzend, afgerond met een groot hilum.

1,5 tot 2 mm in doorsnede.

Cultuur

De cultuur van Ancistrocactus op eigen

wortel is niet erg gemakkelijk maar

zij blijft desalniettemin duidelijk gemakkelijker

dan - heel, heel moeilijk - de

soorten uit het geslacht Sclerocactus

(sensu stricto) waarmee ze momenteel

verbonden is. Een vrijwel uitsluitend mineraal

mengsel, grote beheersing bij

het gieten, warmte en volop licht zijn de

voorwaarden om rekening mee te houden

om ze met succes te kunnen verzorgen.

Deze cactussen moeten in een kas

gehouden worden en niet op het balkon

of onder glas. En dat geldt in het bijzonder

voor S. (A.) uncinatus ssp. crassihamatus,

ondanks dat deze soort minder

veeleisend lijkt dan de andere soorten

Ancistrocactus.

Steenachtig substraat, over het algemeen

licht kalkhoudend (1/3 tuinaarde

pH 7 tot 7,5 onder in de pot, 2/3 kalkhoudend,

fijngestampt gesteente (zandsteen,

leem, gips) met, om het compleet

te maken, twee handen vol organische

stof toevoegen op een liter substraat.

Ter informatie: al mijn ancistrocactussen

worden uitsluitend in stenen potten

gekweekt. Het zijn cactussen waarvan

de wortels bij het ouder worden

van de plant zeer teer zijn. De haarwortels

die uit de penwortels komen, vullen

de pot snel en hebben dan de neiging

om te overlappen en af te sterven.

En zij houden niet van constante vochtigheid.

Vandaar het gebruik van stenen

170

potten. Het is aan te bevelen om op zijn

hoogst iedere 3 of 4 jaar te verpotten.

Het is niet nodig om de gehele kluit te

verwijderen. Het binnenste hiervan kan

bewaard blijven nadat de meest beschadigde

wortels afgeknipt zijn tijdens het

verpotten.

Vooral tijdens de groeiperiode van half

mei tot eind september is warmte een

noodzaak. In samenhang met de door

mij toegepaste verzorging toont S. (A.)

uncinatus ssp. crassihamatus gewoonlijk

de eerste bloemknoppen aan het eind

van de maand februari, ongeveer tegelijk

met alle andere ancistrocactussen (met

regelmaat is wat dat betreft S. (A.) brevihamatus

ssp. tobuschii de eerste van

deze groep die al vanaf midden februari

bloeit). Bij de vorming van de bloemknoppen

is het niet nodig om voortijdig

te gieten. De eerste bloemen moeten

ontluiken alvorens wat water te geven.

De eerste keer water geven alleen

als het weer het toelaat en niet meer

dan zogenaamd “stofvrij maken”. Vooral

geen grote hoeveelheden. De haarwortels

vlak aan de oppervlakte zullen in

hoofdzaak dit water opnemen.

Het gieten, bij voorkeur met regenwater,

moet bij crassihamatus heel beheerst

gebeuren: iedere twee weken wanneer

het warm weer is. Het substraat mag geheel

uitgedroogd zijn voor er weer opnieuw

gegoten wordt. Het gieten helemaal

stoppen van oktober tot maart. De

winterperiode helemaal droog en volop

licht. Met die omstandigheden in mijn

kas verdraagt mijn crassihamatus gedurende

verscheidene dagen 4 tot 5 0 C,

temperaturen die de bloei alleen maar

bevorderen.

Een zonnige standplaats is voor deze

cactussen gedurende de gehele groeiperiode

noodzakelijk. Direct zonlicht is

onontbeerlijk - net zoals voor ferocactussen

- en bevordert de vorming van

een mooie bedoorning. Vanaf september

is het niet vreemd dat de kleur van

de epidermis niet helder groen is, maar

groenblauw door de vorming van een

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


grijsblauwe laag die gevormd

is als reactie op de vele zonneschijn

waarvan ze hebben kunnen

genieten.

In tegenstelling tot de andere

soorten bloeit crassihamatus

pas op latere leeftijd. Vaak

wanneer het plantenlichaam

een diameter van 6 tot 8 cm

heeft. Dit houdt in dat de bloei,

onder onze klimaatomstandigheden,

kan optreden na een

tiental jaren van verzorging.

*) Er is gekozen voor de

aanduiding Sclerocactus

(Ancistrocactus) omdat niet alle

hier genoemde combinaties

geldig beschreven zijn onder

Ancistrocactus, maar wel onder

Sclerocactus.

Literatuur:

Doweld, A. (2001). Dossier Ancistrocactus,

Cactus & Co

2(5): 62-102.

Hofer, A. (2001). Dossier Ancistrocactus,

Cactus & Co.

2(5) 62-99.

Glass, C.E. (1998). Guide to

the identification of threatened

cacti in Mexico, Vol I, Ediciones

Cante.

Gomez, S.A. (2006). Enciclopidia

ilustrada de los cactus y

otras suculentas, Vol II, Mundi-Prensa,

Madrid.

Guzmann, U. Salvador, A. &

Davila-Aranda, P. (2003). Catalogo

de Cactaceas Mexicanas,

Universidad Nacional

Autonoma de Mexico & Conabio,

Mexico.

Hamlet, S.A. Contreras-Medina.

R, & Luna-Vega. I, (2009).

Biogeographic analysis of

endemic cacti of the Sierra

Madre Oriental, Mexico. B.J.

of the Linnean Society 97:

373-389.

Afb. 7: Het wortelgestel van jonge Ancistrocactus crassihamatus

In 2005 gezaaid 3,5 cm hoog en 5 cm Ø zonder bedoorning

Afb. 8: Vrucht en zaden van Ancistrocactus uncinatus ssp.

crassihamatus

Foto’s van de schrijver

Hernandez, H.M. Gomez-Hinostrosa C, &

Goetsch, B. (2004). Checklist of Chihuahuan

Desert Cactaceae. Harvard Papers in Botany

9(1) 51-68.

Hernandez, H.M. Gomez-Hinostrosa. C, & Hoffmann.

G, (2010). Is geographical rarity frequent

among the cacti of the Chihuanhuan Desert?

Revista Mexicana de Biodiversidad 81 163-175.

Vert.: H. Viscaal

7, Chemin de la Passerelle

F-69160 Tassin la Demi Lune

Frankrijk

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 171


IN THE PICTURE

Bewegende meeldraden bij

Turbinicarpus

Jan Jaap de Morree

Over het geslacht Turbinicarpus is de laatste tijd het nodige aan nieuwe literatuur verschenen.

Daarin wordt geschoven met geslachten en ondergeslachten. Er wordt wel

meer geschoven de laatste decennia. Bij voorbeeld; de strijd rond de samenvoeging van

Notocactus, Eriocactus en Parodia tot een enorm groot geslacht Parodia heeft veel discussie

opgeleverd.

Ik had gedacht dat dit ook zou

gaan gebeuren als de geslachten

Turbinicarpus, Gymnocactus en

Pelecyphora door Hunt en Donati en

Zanovello elk op hun eigen wijze tot

een groot geslacht Turbinicarpus zouden

worden samengevoegd. Misschien is iedere

cactuskundige langzamerhand discussie-

en onderzoeksmoe, misschien

is het een heldere oplossing, maar ik

lees nog weinig weerwoord. Om de liefhebbers

nog enig houvast te geven,

geef ik de indeling volgens Donati en

Zanovello. In hun geslacht Turbinicarpus

is een aantal series en secties te herkennen

die de oude geslachts- en soortnamen

nog op een lager systematisch

niveau handhaven. Maar tegelijk werd

door hen weer een deel van de gymnocactussen

afgesplitst in een apart geslacht

Rapicactus. Dat was een taxon

dat ook al in 1942 door Franz Buxbaum

en Hans Oehme was beschreven. Lüthy

beschreef in 2003 Rapicactus ook als

A

B

Afb. 1a,b,c,d: Turbinicarpus alonsoi met a. voor aanraking, b. na, c. herstel en d. nogmaals aangeraakt.

172

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


apart geslacht, maar David Hunt erkent

dat geslacht dan weer niet en de oude

rapicactussen staan in het New Cactus

Lexicon gewoon bij Turbinicarpus. Bij

Donati en Zanovello komen de rapicactussen

dus weer boven drijven in de lijn

van Buxbaum en Lüthy.

In de indeling volgens Donati en

Zanovello heb ik de soortnamen weergegeven

die onder die series vallen.

Opvallend is dat de meeste soorten die

hier onder de serie Lophophoroides vallen

door Hunt onder T. schmiedickianus

zijn geharkt. Dat is bij Hunt nu een supersoort,

waaronder ook alle T. klinkerianus-varianten

vallen.

1 Geslacht Turbinicarpus

1.1 Ondergeslacht Turbinicarpus

1.1.1 Serie Gracilis

T. dickisoniae, T. gracilis, T. hoferi,

T. swobodae

1.1.2 Serie Lophophoroides

T. alonsoi, T. bonatzii, T. flaviflorus,

T. knuthianus, T. jauernigii,

T. laui, T. lophophoroides, T.

rioverdensis.

1.1.3 Serie Macrochele

T. macrochele en zijn subspecies

1.1.4 Serie Turbinicarpus

T. klinkerianus, T. schmiedickeanus

en hun subspecies.

1.1.5 Serie Valdeziani

T. pseudopectinatus, T.

valdezianus

1.1.6 Serie Gymnocactus

T. nieblae, T. saueri, T. ysabelae

1.1.7 Serie Viereckii

T. gielsdorfianus, T. major, T.

viereckii.

1.2 Ondergeslacht Kadenicarpus

1.2.1 Sectie Bravocactus

T. horripilus

1.2.2 Sectie Kadenicarpus

T. krainzianus, T. pseudomacrochele

2 Geslacht Rapicactus

2.1 Ondergeslacht Rapicactus

R. beguinii, R. booleanus, R.

canescens n.n., R. donatii n.n.,

R. subterraneus, R. zaragozae

2.2 Ondergeslacht Lodia

R. mandragora, R. pailanus

Donati en Zanovello leveren in hun

boek ‘Knowing, understanding, growing

Turbinicarpus, Rapicactus’ een uitgebreide

systematische indeling met grote

C

D

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 173


Afb. 2: T. dickisoniae na prikkeling

tabellen met kenmerken per soort. Wat

mij daar opviel, is de indeling naar planten

die meeldraden hebben die gevoelig

zijn voor aanraking en planten met bloemen

die daarop niet reageren. Uiteraard

zijn er ook andere onderscheidende

kenmerken.

Omdat in mei en juni bij mij alle turbinicarpussen

achter elkaar aan het bloeien

waren, heb ik het kenmerk prikkelbare

meeldraden eens nader onderzocht.

Bij de soorten uit het ondergeslacht

Turbinicarpus zouden de meeldraden

zich na aanraking oprollen en in de

bloembuis terugtrekken. Dat is met een

kleine pincet of een luciferhoutje eenvoudig

te doen. Ik begon met T. alonsoi.

Inderdaad bogen de meeldraden zich na

een aantal seconden naar binnen. Als ik

de bloem dan met rust liet, kwamen de

meeldraden na enige minuten tot een

kwartier terug in de gestrekte stand. Het

bleek dat ze daarna bij verstoring opnieuw

naar binnen bogen en ook daarna

weer herstelden. Het trucje was dus

174

te herhalen (afb. 1a,b,c,d).

In de plantenfysiologie is het bewegen

van plantendelen op een prikkel

beschreven als nastiebewegingen.

Het kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica)

bijvoorbeeld laat zijn blaadjes direct

hangen bij aanraking. De prikkelbare

meeldraden hebben een functie bij de

bestuiving. De meeldraden buigen hun

stuifmeelhoudende helmhokjes naar de

binnendringende snuit van een bij of

een andere bestuiver. Ook mesems hebben

zulke meeldraden.

Ik testte in de loop van een aantal weken de

volgende soorten en die bleken allemaal beweegbare

meeldraden te bezitten:

1.1 Ondergeslacht Turbinicarpus

1.1.1 Serie Gracilis: T. dickisoniae (afb.2),

T. gracilis, T. hoferi (afb.3a en 3b),

T. swobodae (afb.4),

1.1.2 Serie Lophophoroides: T. alonsoi,

T. bonatzii, T. flaviflorus (afb.5),

T. knuthianus, T. jauernigii, T. laui,

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


A

B

Afb. 3a en b: T. hoferi a. meeldraden voor en b. na aanraking

Afb. 4: T. swobodae na aanraking

Afb. 5: T. flaviflorus na aanraking

(afb. 8a en b), T. schmiedickeanus

(afb.voorpagina).

1.1.7 Serie Viereckii: T. gielsdorfianus, T.

viereckii (afb. 9).

Afb. 6: T. rioverdensis na aanraking

T. lophophoroides, T. rioverdensis

(afb.6),

1.1.3 Serie Macrochele: T. macrochele

(afb.7a en b)

1.1.4 Serie Turbinicarpus: T. klinkerianus

De soorten van het ondergeslacht

Kadenicarpus doen aan dat bewegen niet

mee.

1.2 Ondergeslacht Kadenicarpus

1.2.1 Sectie Bravocactus: T. horripilus

(afb.10).

1.2.2 Sectie Kadenicarpus: T. krainzianus

(afb.11) met ssp. minimus en T.

pseudomacrochele (afb.12).

Ik kon duwen wat ik wilde, maar

er was geen beweging in te krijgen.

Tenminste niet als ik op niet beschadigende

wijze de meeldraden beroerde.

Met het geslacht Rapicactus (Donati

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 175


A

B

Afb. 7a en b: T. macrochele a. voor en b. na aanraking

A

B

Afb. 8a en b: T. klinkerianus a. voor en b. na aanraking

Afb. 9: T. viereckii, bloem links na aanraking.

en Zanovello), een aantal van de oude

gymnocactussen, heb ik geen testjes

uitgevoerd, maar in hun boek melden ze

variabele resultaten, dus daar moet ik

komend jaar nog maar eens achteraan.

Zij geven aan:

2.1 Ondergeslacht Rapicactus: R.

176

Afb. 10: T. horripilus na aanraking

beguinii (ja), R. booleanus (ja, maar

in hun determinatietabel in het boek

nee?!), R. subterraneus (ja), R. zaragozae

(nee).

2.2 Ondergeslacht Lodia: R. mandragora

(nee), R. pailanus (nee).

Toen ik dezelfde proefjes ook eens bij

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Afb. 11: T. krainzianus na aanraking geen verschil

Afb. 12: T. pseudomacrochele na aanraking

A

B

Afb. 13a en b: Lophophora williamsii a. meeldraden voor en b. na aanraking

Afb. 14: L. jourdaniana na aanraking

bloeiende lophophora’s uitprobeerde,

was de uitslag ondubbelzinnig: beweegbare

meeldraden. Zowel bij L. diffusa, bij

L. williamsii (afb.13 a en b) als bij L. jourdaniana

(afb.14). Een vraag die ik me

altijd al gesteld heb, maar nooit beantwoord

is: kunnen lophophora’s niet ook

worden ondergebracht bij Turbinicarpus

(of andersom want de nieuwbeschrijving

van Lophophora vond al in 1894 plaats

en van Turbinicarpus pas in 1937). Een

geslacht kan natuurlijk nooit op één

zo’n kenmerk worden beoordeeld en ingedeeld,

maar even dacht ik: Yes, zou

het zo zijn? Maar ik heb de DNA-testen

niet en ook geen cladistiek-tabellen ter

beschikking.

Literatuur:

Stiles, W. (1994). Principles of plant physiology.

Als E-book gedeeltelijk op

internet.

Donati, D. en C. Zanovello (2005). Knowing,

understanding, growing Turbinicarpus

- Rapicactus. Cactus Trentino

Südtirol.

Koperwieklaan19

2261CL Leidschendam

Morree@ziggo.nl

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 177


Crassula barklyi

Theo Heijnsdijk

Dit is een compact groeiende, kleine

winterbloeier. Een scheut bestaat uit een

aantal als dakpannen dicht op elkaar

gepakte blaadjes waardoor je de stengel

absoluut niet meer kunt zien. De blaadjes

zijn voorzien van roodbruine stippen.

De groeiwijze heeft de plant gemeen

met een aantal andere soorten zoals bijvoorbeeld

C. columella, C. columnaris,

C. alpestris en C. pyramidalis.

De diameter van de plant op de foto’s

is 13 mm. Als je naar de foto van de niet

bloeiende plant kijkt dan kun je begrijpen

dat de plant in het Engels ook wel

‘bandaged finger’ (vinger in het verband)

heet. Andere namen zijn ‘leather button

plant’ en ‘rattlesnake crassula’ (ratelslang

crassula). In liefhebberscollecties vind je

de plant vaak onder de ongeldige naam

Crassula teres.

Opmerkelijk aan mijn exemplaar is dat

de plant deze winter opvallend felrood

gekleurde bloemknoppen vormde, gevolgd

door rozerode bloemen. Op de

foto van de plant met geopende bloemen

is nog net te zien dat de helmknoppen

lichtgeel zijn. De bloempjes

verspreiden een lucht die ik niet als onprettig

ervaar. Er zijn andere crassula’s

waarvan ik de bloemen ronduit vies

vind ruiken. In tegenstelling tot sommige

andere crassula’s gaat deze plant niet

dood na de bloei en dat is natuurlijk een

groot voordeel. Ook is C. barklyi niet zo

gevoelig voor cultuurfouten als bijvoorbeeld

C. pyramidalis.

Afb. 1: Bloemknoppen in Crassula barklyi

Afb. 2: Crassula barklyi in bloei

178

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Crassula barklyi is afkomstig uit Zuid-

Afrika (West-Namaqualand, grenzend

aan de Westkaap).

Maasdijk 11

6629 KD Appeltern

THd@roc.a12.nl

Afb. 3: Crassula barklyi

Boekbespreking

A Journey with Friedrich Ritter along the coast of Chile and Peru

Ludwig Bercht

Foto’s van Albert Buining.

Bijeengebracht door Paul Hoxey.

A4 formaat met zacht kaft, 96 p.

Het boek is verkrijgbaar bij Keiths Plant

Books voor de prijs van £ 19 plus PP

In de periode van december 1968

tot en met begin maart 1969 logeerden

Albert Buining en zijn vrouw Dina

bij één van de grootste kenners van de

Zuid-Amerikaanse cactusflora, Friedrich

Ritter. Mevrouw Buining vertelde mij

eens dat zij de enige vrouw is geweest

die in het huis van Ritter heeft overnacht.

Gedurende deze maanden hebben

zij verschillende tochten door Chili

en Peru gemaakt. De op deze reizen

door Albert Buining gemaakte dia’s zijn

bewaard gebleven.

In nauwe samenwerking met Paul

Hoxey en Paul Laney zijn de 345 originele

dia’s gedigitaliseerd en waar nodig

bewerkt. De foto’s zijn afgedrukt in de

oorspronkelijke volgorde van opname

en voorzien van het betreffende veldnummer

van Ritter. De kwaliteit is merendeels

uitstekend.

De uitgave wordt gecompleteerd met

2 pagina’s opmerkingen op de identificatie

van de afgebeelde cactussen,

een plantenindex en een Engelse vertaling

van de artikelen, die indertijd in

Succulenta zijn verschenen met betrekking

tot dit bezoek.

Dit beeldmateriaal is een unieke aanvulling

op Ritter’s boek Kakteen in

Südamerika en een must voor een ieder

die zich interesseert voor de cactussen

van Chili en Peru.

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 179


Het geslacht Cotyledon (12)

Cotyledon orbiculata

Ton Pullen† & Ben Zonneveld

Cotyledon orbiculata is als typesoort van het geslacht in 1753 beschreven door Carolus

Linnaeus. Zij heeft een groot verspreidingsgebied, dat een groot deel van Zuid-Afrika omvat.

Doreen Court (2000) noemt deze plant “… waarschijnlijk de best bekende, maar minst

begrepen soort”.

Planten van C. orbiculata vormen min

of meer vertakte struiken, die tot wel anderhalve

meter hoog kunnen worden.

Daar moet direct bij vermeld worden, dat

planten van dit formaat zelden gezien

worden in de natuur. De meeste planten

die wij gezien hebben, waren maximaal

ongeveer 70 cm hoog. Ook in de cultuur

worden de meeste planten lang niet

zo hoog. Slechts eenmaal zagen wij bij

een handelaar een zeer oud exemplaar

van ongeveer een meter hoog. De bladeren

staan twee aan twee tegenover elkaar,

alleen bij de var. flanaganii in een

krans van drie. De bladeren zijn zeer divers

van vorm. Orbiculata betekent cirkelvormig.

Echter, de meeste planten

van deze soort hebben geen cirkelronde

bladeren, de bladvorm is echter buitengewoon

variabel. De planten zijn ook

bekend onder hun triviale namen pig’s

ears (Eng.), plakkies, platjies, varkooreblare,

varkoor, kouterie (Afr.) en cirkelnavelblad

(Ned.). Overigens wordt een

overlangs doorgesneden blad in Zuid-

Afrika op wratten aangebracht. Of het

helpt?

De vorm van de bladeren varieert van

langgerekt, rond, ovaal tot langwerpig

en van smal tot breed etc. De kleur kan

grasgroen zijn, maar ook grijs tot bijna

wit. De bladrand is soms rood, soms

bleek grijsgroen, vaak niet anders gekleurd

dan de rest van de bladschijf. De

rand van het blad is meestal gaaf, soms

golfvormig (undulata-vorm) en soms

zelfs gegaffeld (Takbokvorm).

Deze variabiliteit wordt nog versterkt

doordat ook de bladeren van één plant

sterk kunnen variëren.

De bovenaan vertakkende bloeiwijze

is 20-100 cm lang. Een plant in de

C.orbiculata lengte bloem vorm bloem kleur bloem

variaties

v. dactylopsis 8-10 mm trechter gevlekt

v. orbiculata 10-15 mm buis donkerrood

v. flanaganii 10-15 mm buis rozerood

v. oblonga 20-25 mm buikig oranjerood

Afb. 1: Cotyledon orbiculata, bladeren van een

enkele plant

180

v. spuria 29-25 mm buikig oranjegeel

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


voormalige verzameling van de eerste

auteur produceerde in 2011 zelfs een

bloeistengel van 143 cm! Dit was waarschijnlijk

de var. spuria. De hangende

bloemen bestaan uit een cilindrische

bloembuis tot 40 mm lengte en teruggeslagen

kroonslippen, die 5 – 14 mm

lang zijn. De bloemkleur varieert van

bleekgeel, oranje tot rood. De honingschubben

zijn geelgroen.

Tijdens onze eerste Afrikareis in 2002

waren wij enkele dagen te gast in een

Bed & Breakfast in Beaufort-West. De

eigenaresse had in haar grote tuin een

behoorlijk aantal succulenten uitgeplant,

waaronder veel cotyledons. Ook

hier was een grote variatie te zien: planten

met groene bladeren, met of zonder

rode rand, grijsbladige planten met verschillende

bladvormen. Omdat al deze

planten onder dezelfde condities in deze

tuin staan, kunnen we wel concluderen

dat de verschillen erfelijk vastgelegd zijn

en niet het gevolg zijn van standplaatscondities.

Dit kunnen we ook in onze

eigen kas constateren. In Zuid-Afrika

bloeien deze planten tussen juni en augustus,

maar in de winterregengebieden

bloeien zij ook in midzomer (december-januari).

Ook in Nederland houden

ze zich tot nu toe aan deze bloeitijden.

In januari 2012 hebben we veel populaties

gezien in de Kleine Karoo en aangrenzende

gebieden. De meeste planten

staan daar dan in volle bloei of zijn net

uitgebloeid. Hier was ook te zien, dat

bij vele bloemen de bloembuis beschadigd

was. Wij konden de boosdoeners

betrappen: Honingzuigers (Sunbirds,

het Afrikaanse equivalent van de

Amerikaanse kolibries) bijten de bloembuis

kapot om zo gemakkelijker bij de

nectar te kunnen komen.

Tölken (1985) publiceert in zijn boek

een kaartje van Zuid-Afrika, waaromheen

een tiental orbiculata-vormen is

afgebeeld. Met pijlen wordt aangegeven,

waar populaties met deze vormen

gevonden zijn. Het verspreidingsgebied

omvat vrijwel geheel Zuid-Afrika,

Lesotho, Swaziland, Namibië en Zuid-

Angola. Meestal groeien ze op rotsachtige

formaties in fynbos- en

karoovegetaties.

Cotyledon orbiculata is zo veelvormig,

dat een aantal van deze vormen

als variëteit beschreven is. Van Jaarsveld

(2003) zegt hierover: “It is exceedingly

variable and divided into several poorly

differentiated varieties”.

Van Jan Lubbers kregen we een vorm

van C. orbiculata met de vindplaatsaanduiding

Sani-pass. Deze bergpas (2874

m) bevindt zich in de Drakensbergen, op

de grens van Zuid-Afrika en het koninkrijk

Lesotho. Als deze cotyledon werkelijk

bij de top van deze pas groeit, zou

de plant winterhard kunnen zijn in ons

klimaat, maar de natte winters bij ons

zullen haar wel parten kunnen spelen.

Een tabel met de voornaamste verschillen

van de 5 variëteiten volgt hieronder,

maar wees niet teleurgesteld als

uw plant er niet in wil passen!

Als we variëteiten gaan benoemen

bloemsteelschubben

hoogte plant/ vertakt kleur bast bladstand groeiplaats voorkomen

bloemsteel

1 (2) paar 25 cm/25 cm +/- bruin in paren centraal ZA weinig

1 (2) paar 25 cm/30 cm ++ bleek in paren oost/zuid ZA zeer algemeen

1 (2) paar 75 cm/35 cm +/- bleek in drietal zuidoost ZA zeldzaam

1 (2) paar 70 cm/30 cm basis bleek in paren west/zuid ZA zeer algemeen

3-5 paar 100 cm/70cm ++ bleek in paren zuid ZA algemeen

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 181


Afb. 4: Cotyledon orbiculat

Afb. 2: Cotyledon orbiculata van l naar r: van

Kleinsee, van Tsitikamma, C. papilaris var.

dactylopsis en een grote grijze vorm

behoort de typesoort aangeduid te worden

als:

Cotyledon orbiculata L. var. orbiculata.

Beschrijving zie tabel. De vrij kleine,

meestal liggende planten hebben

relatief donkerrode bloemen. Cultivars

zijn: ‘Eric’, ‘Bashee’, ‘Boegoeberg’ (een

plant, die eerder beschreven is als C. orbiculata

var. oophylla door Kurt Dinter

182

(1868-1945), een Duits botanicus, gespecialiseerd

in de flora van Namibië

(het voormalige Duits Zuidwest-Afrika)),

‘Shireen’, ‘Ladismith’, ‘Rolling Edge’,

‘Stilbay’. ‘Shireen’ en ‘Eric’ zijn cultivars,

afkomstig van het Kaaps schiereiland.

Zij zijn op grote schaal aangeplant in de

botanische tuin van Kirstenbosch. Deze

cultivars groeien compact en hebben

een bloeiwijze van circa 30 cm hoog,

wat ze tot goede cultuurplanten maakt.

Verspreiding: komt algemeen voor:

westelijk Namibië, Zuid-Afrika, het grootste

deel van de provincies Noordkaap,

Westkaap en het zuidelijk deel van

Oostkaap.

De andere variëteiten zijn:

Cotyledon orbiculata var. flanaganii

(Schönl. ex Bak.) Tölken

Het basionym voor deze variëteit

is Cotyledon flanaganii Schönl. ex

Baker. Deze plant werd vernoemd naar

H.G. Flanagan (1861-1919), een Zuid-

Afrikaanse plantenverzamelaar, die hem

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


a van Volmoed RSA

in 1892 ontdekte. Deze plant is in 1902

beschreven door Schönland en Baker en

door Hellmut Tölken als variëteit herbenoemd

in 1979.

Verspreiding: Deze variëteit is relatief

zeldzaam. Hij is tot nu toe alleen bekend

van de benedenloop van de Keirivier,

omgeving East London, in de provincie

Oostkaap. Bloeitijd midzomer in

Zuid-Afrika (dec-jan). In Nederland in

mei. Echter E. van Jaarsveld schrijft (13-

6-12): “Het var. flanaganii nou gesien

met ons rubber cano ekspedisie in die

Msikaba Rivier naby die Kwa Zulu Natal

grens (ook in Mzimvubu Rivier). Dit is

meer wydverspreid as vermoed en omdat

dit in rivier valleie voorkom (waar

geen paaie is) dat dit nie so baie versamel

is nie”.

Details zie tabel. Gemakkelijk te herkennen,

omdat de lijnvormige bladeren

in kransen van drie staan. Blad lang, min

of meer rolrond, met een spitse punt,

grijs tot groen. Bloeiwijze 25 – 40 cm

lang.

Afb. 5: Cotyledon orbiculata van l naar r: var. dactylopsis,

van Kleinsee, van Tsitikamma,

‘Takbok’ en een grote grijze vorm

Cotyledon orbiculata var. dactylopsis

Tölken

Deze variëteit is in 1979 beschreven

door Hellmut Tölken.

Verspreiding: komt weinig voor.

Het oostelijk deel van de provincie

Noordkaap, het westelijk en centrale

deel van de provincie Free State.

Vormt struikjes tot 25 cm hoog,

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 183


Tölken.

Het basionym is Cotyledon spuria L.

Tölken gaf er de variëteitsstatus aan in

1979.

Verspreiding: Zeer algemeen. Het

grootste deel van de provincie Westkaap.

De geelbloeiende vorm komt voornamelijk

voor tussen Worcester en Robertson.

Plant tot een meter hoog. Bladeren

omgekeerd lancetvormig, grijsgroen, wit

bepoederd, met rode rand. Bloeiwijze

80 cm lang, soms langer, bloemen

bleekgeel tot oranje.

Afb. 5: Cotyledon orbiculata grote en kleine vorm bij elkaar

groeiend

Afb. 6: Cotyledon orbiculata ‘Takbok’ met geweivormig

blad (van F Noltee)

bloeiwijze 25-30 cm. Bladeren glad,

lijn- tot lancetvormig, in een punt uitlopend,

groen, zelden grijsgroen, dichtopeenstaand.

Het meest kenmerkende

van deze variëteit zijn de relatief zeer

korte bloemen die ten hoogste 10 mm

lang zijn. Hoewel de bloemen als geel,

met zwakke roodachtige lijntjes zijn beschreven,

zijn ze aan onze plant die ook

van Van Jaarsveld afkomstig is en in mei

bloeide, vlekkerig oranjerood. Bloeitijd

in de natuur oktober-december.

Cotyledon orbiculata var. spuria (L)

184

Cotyledon orbiculata var. oblonga

(Haw.) DC.

Basionym: Cotyledon oblonga Haw.

1812.

Eerst beschreven als Cotyledon oblonga

door Adrian H. Haworth in 1812.

Augustin P. de Candolle (1778-1841),

een beroemd plantkundige, hoogleraar

in Montpellier en Genève, maakt er in

1828 een variëteit van.

Verspreiding: Zeer algemeen:

Swaziland, de aangrenzende delen van

Mozambique, Lesotho en (delen van)

de provincies Oostkaap, Kwazulu-Natal,

Mpumalanga, Gauteng, NorthWest en

Limpopo.

Planten met liggend-opstijgende takken

van maximaal 100 cm. Bladeren

omgekeerd eivormig, dicht opeenstaand,

groen tot grijsgroen, met rode rand aan

de top, behaard tot glad. Er zijn ook populaties

met smalle tot bijna rolronde

bladeren. Bloeiwijze 20-35 cm lang.

Voor verdere details zie tabel.

In Zuid-Afrika bekende cultivars:

‘Asgrys’, ‘Bunny Ears’, ‘Green Ears’,

‘Green Fingers’, ‘Grey Sticks’, ‘Takbok’,

‘Tygerfontein’ en ‘Ubombo’.

Gordon Rowley (2007) heeft al deze

variëteiten omgedoopt tot cultivars.

Als we zijn zienswijze volgen krijgen

we dus de cultivarnamen: ‘Flanaganii’,

‘Dactylopsis’, ‘Oblonga’, ‘Spuria’ en

‘Orbiculata’.

Daarnaast publiceert hij ook nog de

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Afb.7: Cotyledon orbiculata van Graaff Reinet, gegolfd blad

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 185


Kortom, de taxonomie van Cotyledon

orbiculata is niet voor watjes (vrij naar

Doreen Court). Het probleem is onder

andere, dat planten met smalle, rolronde

bladeren en planten met grote afgeplatte

bladeren door elkaar kunnen groeien

en allemaal tot dezelfde variëteit kunnen

behoren, terwijl ook de vormen met een

gegolfde bladrand en die met een gladde

rand door elkaar heen groeien.

Afb, 8: Cotyledon orbiculata van Oysterbay

Hybriden

Er zijn door de tweede auteur ook verschillende

kruisingen uitgevoerd tussen

de 12 Cotyledon species. In een aparte

aflevering zal hieraan aandacht worden

besteed.

Het zal niemand verbazen dat een

soort, die zo veelvormig is, veel synoniemen

heeft opgeleverd. Velen hebben geprobeerd

gevonden afwijkende vormen

van een officiële naam te voorzien. Dat

heeft een stortvloed van synoniemen

opgeleverd. In de oorspronkelijke opzet

voor dit artikel was voorzien in een

checklist, maar een dergelijke lijst zou

plm. 20 pagina’s van dit tijdschrift vergen

en dat willen wij noch de redactie

noch onze lezers aandoen.

Voor een volledige (?) lijst van synoniemen

kunt u terecht op de website van

The International Plant Names Index:

www.ipni.org.

Afb. 9: Cotyledon orbiculata van Kogmanskloof RSA met

smal blad

cultivars ‘Ausana’, ‘Dinteri’, ‘Higginsiae’,

‘Oophylla’ en ‘Viridis’.

Cotyledon ‘Mr. Butterfield’ is een cultivar

die onder meer in de USA gekweekt

wordt. Op internet wordt deze plant aangeboden

onder de naam Finger Aloe (!).

In de publicatie van Rowley is een determinatiesleutel

op de cultivars van

Cotyledon opgenomen, waarnaar we u

graag verwijzen.

Literatuur:

Jezek, Z. (2005).

Vetplantenencyclopedie

Rowley, G. (2007).. Cotyledon orbiculata

and its cultivars, Cact. Succ. J.(US)

79(4):148-151

Foto’s van de auteurs

Schubertlaan 196

2324 EC Leiden

186

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


EEN GELUKSTREFFER

Leo Busch

Een klein relaas over een plant en haar nakomelingen die een fantastische bloemenpracht

tentoonspreiden.

Bij een bekende cactuskweker uit

Augsburg kocht ik in 1978 een plantje

met de naam Mediolobivia neopygmaea.

Negen jaar lang stond de plant onopvallend

in mijn verzameling zonder dat er

een bloemetje verscheen. Maar in 1987

was het dan zover. Eindelijk ontwikkelden

zich twee bloemen (afb. 1) en zonder

mijn inmenging vormden zich ook

twee vruchten.

Zonder te denken aan de mogelijkheid

van een hybride-bestuiving zaaide

ik de zaden het daaropvolgende jaar uit.

De acht ontkiemde zaden ontwikkelden

zich voorspoedig. Al in 1991 kwamen de

zaailingen tot bloei en was ik met stomheid

geslagen. Het was me al opgevallen

dat de groei van de acht zaailingen

verschillend was, maar de verscheidenheid

in bloemen maakte me totaal sprakeloos

(afb. 2 - 8). En toen kwam de

vraag bij me op: “Wie of wat heeft dat

gedaan?” Tot op heden heb ik geen bevredigend

antwoord.

Bij het tonen van de planten en de

foto’s van de bloemen aan vrienden

en bekenden bleef al snel de aanduiding

“Leo’s pygmaea’s” hangen. Bij de

Afb. 1: Mediolobivia neopygmaea

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 187


loemen van de F1-hybriden (afb. 2-8)

kan men nog vanwege de rode meeldraden

een verwantschap met M. euanthema

zien. Ook deze F1-hybriden vormden

spontaan vruchten. Bij de zaailingen

van deze tweede generatie uit 1998 is

dit kenmerk verdwenen (afb. 9-12). Maar

om nog meer vraagtekens op te werpen

is afbeelding 13 een opname van een

plant die voortkwam uit de zaailingen

van de F1-hybriden in 1997.

Verwonder u over de schoonheid van

deze bloemen.

Vert.: Ludwig Bercht

Mainteweg 14

D 31171 Nordstemmen

Foto’s van de schrijver

Afb. 2:

188

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


Afb. 3:

Afb. 4:

Afb. 5:

Afb. 6

Afb. 7:

Afb. 8:

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 189


Afb. 9: Afb. 10:

Afb. 11: Afb. 12:

Afb. 13:

190

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


TRIPSEN

Louis Van de Meutter

Tripsen zijn bijzonder kleine, donkere insecten met een zeer slank uiterlijk en gewoonlijk

twee paar smalle vleugels met een lange franje. Men treft ze heel vaak aan in bloemen.

Door de structuur van de vleugels en de smalle afgeplatte vorm bij de vleugelloze soorten

onderscheiden ze zich van alle andere insecten.

Als er vleugels aanwezig zijn, zijn ze

zeer smal en weinig of niet geaderd.

Ze vertonen aan de voor- en achterrand

een franje van betrekkelijk lange

haren waardoor de omvang meer dan

verdubbelt. Vandaar de naam van de

orde, Thysanoptera (Grieks: thysanos

= franje), wat betekent ‘franjevleugels’.

Vliegende tripsen worden vaak dondervliegjes

genoemd vanwege het verband

met onweerachtig weer. Ze komen dan

dikwijls terecht in onze ogen en haren

en kunnen daardoor, ondanks hun geringe

afmetingen, zeer irritant zijn.

Veel soorten zijn ongevleugeld ofschoon

de vleugelontwikkeling zeer variabel

is. Zelfs binnen dezelfde soort

kunnen vleugelloze, kortvleugelige of

volledig gevleugelde exemplaren voorkomen.

De eerste twee vervellingsstadia

zijn heel normaal en lijken op de

volwassen insecten. Na de tweede vervelling

verschijnen de vleugelkussentjes,

de trips gaat dan over in een korte

rustpauze, de prepuppa, waarin ze zich

ook niet voedt. Nadien volgt nog een

popstadium waaruit het volwassen insect

tevoorschijn komt. Tripsen ondergaan

hierbij eigenlijk geen volledige

gedaanteverwisseling zoals bijv. vlinders

en vliegen. De jonge beestjes lijken

daarom zeer sterk op de volgroeide

exemplaren; men noemt ze om die

reden nimfen in plaats van larven. Vele

soorten overwinteren als volwassen

insecten.

Ze leven onopvallend op de vegetatie,

Afb. 1: Blaaspoottrips (Parthenothrips dracaenae), nimfen

+1 adulte trips op papyrus-of parapluplant (Cyperus

involucratus)

Afb. 2: Blaaspoottrips (Parthenothrips dracaenae),

adulte trips + 1 nimfe op papyrus-of parapluplant

(Cyperus involucratus)

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013 191


Afb. 3: Trips op paardebloem (Taraxacum spec.)

Afb. 4: Trips op een bloemblad van een dahlia

Afb. 5: Beschadiging door trips op een bloem van

Huernia somalica

192

onder schors, tussen afgevallen bladeren

enz. Ze voeden zich door de plantencellen

te doorboren en er sappen

aan te onttrekken. Sommige soorten zuigen

ook sappen op van andere insecten

(waaronder ook tripsen), weer andere leven

van schimmels of rottend materiaal.

Maar de meeste voeden zich met levend

plantenweefsel. Ondanks de bijzonder

nietige afmetingen komen sommige

soorten in zodanig grote aantallen voor

dat ze een plaag vormen voor tuinbouw

en sierteelt. Ze doorboren of schrapen

de buitenste plantencellen af wat aan de

plant achteraf een zilverachtig uiterlijk

geeft.

Van de ca. 3000 bekende soorten komen

er in onze streken 132 voor. Ze behoren

tot 3 verschillende families. De

Phleothripidae zijn forser van bouw dan

de meeste andere soorten. Het zijn voornamelijk

schimmeleters of predatoren.

Weinige ervan zijn schadelijk. De beide

andere families bevatten de meest

schadelijke soorten. De breedvleugelige

Aeolothripidae vertonen vaak gekleurde

banden op de vleugels. De meeste van

onze inheemse soorten behoren echter

tot de Thripidae. In beide voornoemde

families hebben de vrouwtjes een

opvallende legbuis (ovipositor). Bij de

Thripidae buigt de legbuis naar omlaag,

bij de andere familie naar omhoog.

In onze succulentenverzamelingen

kunnen ze evenzeer af en toe

schade aanrichten. In mijn verzameling

merkte ik een beschadiging door

tripsen enkele jaren geleden voor

het eerst op bij Asclepias currasavica

(fam. Apocynaceae, onderfam.

Asclepiadoideae). De frisgroene kleur

van de bladeren kreeg in korte tijd een

vale geelgroenachtige tint. De beschadiging

vertoonde enige gelijkenis met een

aantasting door spint. Controle met een

loep maakte echter snel duidelijk dat

de ellende veroorzaakt werd door tripsen.

Ze bewogen zich relatief snel heen

en weer aan de onderkant van de bladeren.

Ook bij enkele mammillaria’s, onder

©Succulenta jaargang 92 (4) 2013


meer M. haudeana, en echinocereussen

werden sporadisch aantastingen opgemerkt

en ook hier leek de beschadiging

enigszins op een spintaantasting vanwege

het verschijnen van talrijke bruinachtige

verkleuringen op de epidermis.

En bij één van mijn beide exemplaren

van Toumeya papyracantha werd het

groeipunt zelfs zodanig gehavend dat er

drie nieuwe koppen uit de top verschenen.

Vooral de jongere, weke plantendelen

bleken telkens in trek te zijn. Ook

de bloemen van sommige stapelia-achtigen,

in het bijzonder van Huernia somalica,

werden opmerkelijk vaak aangetast.

De aanwezige tripsen leken buitengewoon

resistent tegen alle soorten insecticiden

die werden uitgetest (verschillende

soorten pyrethroïden, dimethoaat,

undeen, confidor enz.).

Toen ik de verantwoordelijke voor de

afdeling bestrijdingmiddelen in een tuincentrum

hierover aansprak, beval hij me

een recent in de handel verkrijgbaar insecticide

aan op basis van spinosad. Het

middel wordt in België onder de commerciële

benaming Conserve in de handel

gebracht door de firma Edialux.

Spinosad wordt biologisch geproduceerd

met behulp van een in de natuur

voorkomende bodembacterie.

Het verkregen resultaat bij toepassing

van dit product was spectaculair;

bij controle met een loep de dag nadien

was geen levende trips meer te bekennen.

Het middel blijkt niet alleen geschikt

te zijn voor de bestrijding van

trips, het is ook toegelaten als bestrijding

van diverse rupsen, mineervliegen

en koolvliegen. Spinosad is dus heel

waarschijnlijk ook geschikt voor een bestrijding

van Sciara-muggen, of de zgn.

zwarte of rouw-muggen, die soms ware

ravages in zaailingen kunnen aanrichten.

Het middel zou veilig zijn voor een

groot aantal nuttige insecten zoals lieveheersbeestjes,

roofwantsen, oorwormen

en gaasvliegen, maar wel kwalijk voor

bijen, hommels en sluipwespen bij direct

contact.

Literatuur:

Chinery, M. 1975. Elseviers insektengids.

Elsevier, Amsterdam /Brussel.

Foto’s: Louis Van de Meutter

Nachtegalenlaan 16B

2820 Bonheiden

België

Afb. 6: Beschadiging door trips op e