08.04.2019 Views

Passend Onderwijs Magazine

PO Magazine is een onafhankelijk, praktisch en opiniërend kennismagazine, opgezet voor en door beslissers betrokken bij samenwerkingsverbanden binnen het primair onderwijs.

PO Magazine is een onafhankelijk, praktisch en opiniërend kennismagazine, opgezet voor en door beslissers betrokken bij samenwerkingsverbanden binnen het primair onderwijs.

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

Wet- en regelgeving

Jaargang 6 I nummer 5 I december 2018

JEUGDHULP

Twents model:

Jeugdhulp in de school

SWV

Wat kunnen scholen en

samenwerkingsverbanden

wél uitwisselen?

DOELDOMEINEN

Over kwalificatie,

socialisatie en vorming

THEMA

Onderwijs & Jeugdhulp

Passend

Onderwijs

René Peeters

“Door teams multifunctioneel te verbreden met meer soorten deskundigheid, afhankelijk van

de behoefte, kun je je onderwijs inclusiever maken en de werkdruk verlichten.”


Omdat

hij de best opgeleide

Intern Begeleider

verdient…

Als Intern Begeleider helpt u voorkomen dat kinderen buiten de

boot vallen en managet u de onderwijszorg binnen uw school.

Dankbaar, maar verantwoordelijk werk dus, waarin het belangrijk

is alle innovatie bij te houden. Dat stelt hoge eisen aan het

verwerven en bijhouden van uw vakkennis. Hoe vindt u de beste

opleiding uit het grote aanbod? Antwoord: kies een opleiding die

is opgenomen in het Register van het Centrum voor Post-Initieel

Onderwijs Nederland. CPION toetst, registreert en diplomeert

het cursusaanbod voor post-initiële opleidingen. Alleen als

deze voldoen aan de strengste kwaliteitscriteria krijgen ze

het predikaat Registeropleiding. Zie het als een garantie voor

de waarde van uw diploma of certificaat. En voor de best

mogelijke onderwijszorg aan kinderen die het nodig hebben.

…verdienen alle deelnemers

aan deze opleidingen een felicitatie:

CPION feliciteert alle (aankomende) Intern

Begeleiders die zich via de opleidingen hiernaast

(nog beter) voorbereiden op hun dankbare werk.

Al deze Post-HBO Registeropleidingen zijn

inhoudelijk getoetst op inhoud en niveau

en voldoen aan de strenge kwaliteitseisen van de

Stichting PHBO Nederland.

Brokx Consultance, Drunen

Brokx Consultance, Drunen

Bureau Meesterschap, Assen

ECNO, Groningen

Hogeschool IPABO, Amsterdam

Inholland Academy, Alkmaar

Inschool BV, Amersfoort

Marnix Academie, Utrecht

Marnix Academie, Utrecht

M&O Groep, ‘s-Hertogenbosch

SONedutraining, Doetinchem

Via Vinci Academy, Breda

Intern Begeleider Primair Onderwijs

Intern Begeleider/Zorgcoördinator

Intern Begeleider

Intern Begeleider

Intern Begeleider

Intern Begeleider/Remedial Teacher

Intern Begeleider Primair Onderwijs

Intern Begeleider

Top-opleiding Intern Begeleider

Opbrengstgericht Intern Begeleiden

Intern Begeleider

Intern Begeleider/Zorgcoördinator

CPION Keurmerk Registeropleidingen

Alleen voor post-initiële opleidingen die er écht toe doen.

CPION Postbus 701 3000 AS Rotterdam tel: +31 (0)10 201 42 99 www.cpion.nl


Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

06

Passend onderwijs lukt niet alleen

De betrokken landelijke organisaties en de

ministeries van OCW en VWS willen in een Brede

Beleidscoalitie tot een gezamenlijk kader komen van

waaruit in de regio’s optimaal kan worden samengewerkt

tussen onderwijsinstellingen en hun (zorg)

partners.

19

Striktere privacyregels

De laatste tijd wordt vaker gesteld dat de (nieuwe)

privacyregels de onderlinge gegevensuitwisseling

belemmeren. Maar zijn het inderdaad de striktere

privacyregels die aan de extra ondersteuning in de

weg staan of wordt er een schijnprobleem gecreëerd

door te weinig kennis van de privacyregels en/of

onduidelijkheid over de taken en bevoegdheden?

En verder

04 Nieuws Gemist?

05 Redactioneel

10 Twents model: Jeugdhulp in de school

13 De ervaringen van samenwerkingsverbanden

16 Evaluatie passend onderwijs

22 Zorg voor de jeugd in 2017

24 Coalitie passend onderwijs-Jeugdhulp-Zorg

28 Boeken en literatuur

30 Swv ‘in the picture’

32 Passend onderwijs in debat

34 Onderzoek: Instroom bij het speciaal basisonderwijs

35 Column: 127 keer meester

36 De Variawet

38 Netwerk LPO: Samen gaat het beter

39

Het onderwijs in drie doeldomeinen

De Staat van het Onderwijs benadrukt het belang van

een zo hoog mogelijke opleiding. Daarnaast is het

belangrijk dat Nederland meekomt in de internationale

ranglijsten op het gebied van onderwijs. Kinderen met

dezelfde kenmerken en cognitieniveau halen op school

a een hoger eindniveau dan school b. Dat is niet goed

volgens de inspectie. Iedereen moet een zo hoog

mogelijk niveau halen. Er zijn alleen meer domeinen

die op scholen aandacht verdienen.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

3


Nieuws Gemist?

Leerlingen maken steeds sneller schoolcarrière

Het aantal leerlingen dat versneld door het

basisonderwijs gaat neemt toe. Vooral de

‘herfstkinderen’ gaan snel. Dat zijn kinderen die

geboren zijn in oktober, november of december.

Die conclusie is te trekken uit een analyse van het

ministerie van OCW.

De analyse richtte zich op de frequentie van

versnellende leerlingen, wat de achtergrondkenmerken

zijn van de leerlingen waar het om

gaat en hoe zij het vervolgens op het vo doen. De

meeste kinderen in kwestie hebben een kortere

kleutertijd gehad. Kinderen die niet in de herfst

zijn geboren, maar wel een snellere carrière op

school hebben gemaakt zijn veelal kinderen die

een jaar korter over het basisonderwijs doen dan

reguliere leerlingen.

De herfstkinderen waar het om gaat maken de

centrale eindtoets in het algemeen net beter dan

gemiddeld. Bij de niet-herfstkinderen die een

jaar overslaan is dat verschil nog duidelijker: zij

scoren fors beter op de eindtoets. De kinderen

met een versnelde schoolcarrière krijgen

daardoor vaker het advies voor vwo. Versnelde

niet-herfstkinderen die het vwo halen doen dit in

de tijd die ervoor staat. Komen deze leerlingen

echter op een

ander niveau

terecht, dan

hebben zij vaak

meer tijd nodig.

Bron: Nationale

Onderwijsgids

(02-11-2018)

Leraren en bonden nog in

actiestemming

Als het aan schoolbestuurders ligt kan de storm

rondom actievoerende leraren wel gaan liggen.

Leraren en vakbonden denken daar echter anders

over. In hun ogen is er ondanks de gestegen lonen

geen reden voor een gematigde toon.

“Het hoofd in de schoot leggen is het slechtste wat je

kunt doen. Helemaal in een tijd dat scholen uit nood

overstappen op een vierdaagse week omdat ze geen

leraren kunnen vinden voor vijf dagen”, zegt voorzitter

Liesbeth Verheggen van de Algemene Onderwijsbond

(AOb). Zolang het lerarentekort nog nijpend is moet de

minister er volgens haar constant op gewezen worden

dat het onderwijs meer middelen nodig heeft. De POraad

heeft meer zin om de verhoudingen te verbeteren.

Eind oktober kondigden de schoolleiders aan hun toon te

matigen. Daarmee is het PO-front definitief uit elkaar.

Bron: Trouw (29-10-2018)

4

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018


Wet- Redactioneel en regelgeving

Samenspel tussen

onderwijs en

jeugdhulp verbetert

De laatste jaren moest er veel

gebeuren in de samenwerking

tussen onderwijs en jeugdhulp. En dat is gelukt, zo blijkt uit de

‘Landelijke inventarisatie aansluiting onderwijs en jeugdhulp’.

Verschillende partijen in het veld zoeken elkaar op en overal

worden pilots gestart waarmee de samenwerking vorm krijgt.

Maar de samenwerking is vaak nog wel in de opstartfase. Bijna

iedereen ervaart ook knelpunten, is ergens ontevreden over of

wenst verbetering. Die opstartfase geldt voor bijna de helft van de

samenwerkingsverbanden. Een kwart is bezig met de verankering.

Een ander kwart zit nog in de start- of oriëntatiefase.

Samenwerkingsverbanden geven aan met kerngemeentes wat

verder te zijn dan met de overige gemeenten in de regio. De

aansluiting van jeugdhulp met speciaal onderwijs loopt volgens

beide partijen achter op die met het reguliere onderwijs.

Bron: AVS (05-11-2018)

Direct financieren van scholen mogelijk

Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer nam begin

november een motie van D66 aan die Slob vraagt de

mogelijkheden te onderzoeken om scholen direct te kunnen

financieren, dus buiten de schoolbesturen om. Veel politici

vinden dat besluiten over de besteding van onderwijsgeld vaak

te ver van de klas genomen worden.

De motie roept de minister op om ‘onderzoek te doen naar het

direct bekostigen van scholen in het basis- en voortgezet onderwijs

en coöperatieve vormen van samenwerking’. Het is niet duidelijk

of er gehoor gegeven wordt aan deze bede. De Tweede Kamer wil

ook dat Slob afspraken maakt met schoolbesturen om de inzet

van commerciële bureaus bij het werven van

leraren zoveel mogelijk te beperken. De minister

heeft al wel aangekondigd de toereikendheid en

doelmatigheid van de lumpsum in het primair

en voortgezet onderwijs tegen het licht te zullen

houden. Bron: AOb (06-11-2018)

Het zal ons

een zorg zijn

Jos Gerards

Vroeger beweerden leraren dat ze er waren

om onderwijs te geven, niet om leerlingen te

begeleiden. Dat is anders tegenwoordig. Kinderen

zijn minder gevoelig voor gezag, net als hun ouders.

Iedereen is ‘specialist’ omdat alles op internet

te vinden is. De tolerantie in de samenleving

neemt af en onbegrip en polarisatie nemen toe.

Ga er maar aan staan! Hierover nadenkend zou

je het bijltje er graag bij neergooien, toch? In

de politiek wordt gesproken over het opheffen

van de samenwerkingsverbanden en er wordt

betoogd dat passend onderwijs is mislukt. In de

pers wordt breed uitgemeten dat gemeenten

een tekort hebben in hun zorgbudget. Nog even

en de boel wordt totaal failliet verklaard. Zijn de

kinderen daarmee geholpen? Nee. Het is goed

om te realiseren dat scholen een cruciale functie

vervullen in de samenleving. Laten we niet vergeten

dat scholen buiten vakinhoud twee andere

belangrijke opdrachten hebben: scholen moeten

zorgen voor goede socialisatie van kinderen en voor

de algemene vorming van hun persoonlijkheid,

met de daarbij horende waarden en normen.

Passend onderwijs is bedoeld voor leerlingen die

talenten hebben, maar niet in een positie zijn

dat ze die talenten zomaar kunnen ontwikkelen.

Passend onderwijs is passende ontwikkeling. Er is

een integrale blik en benadering nodig: het gaat

over onderwijs, ondersteuning, opvoeding én

jeugdzorg. Geen driehoeken meer, maar vierkant

samen optrekken: kind, ouders, school en zorg.

De Variawet maakt maatwerk en gecombineerde

arrangementen mogelijk. NJi-onderzoek biedt

perspectief en een landelijke kwartiermaker

onderzoekt hoe onderwijs en zorg beter op elkaar

afgestemd kan worden. Het kan, dat is het thema

van dit nummer. Er is ook aandacht voor de AVG.

Afstemming onderwijs en jeugdzorg lijkt aan

banden gelegd: bij uitwisseling van gegevens is

de toestemming van ouders nodig. PO Magazine

schrijft over wat wél kan en schrijft over de ruimte

in uitwisseling tussen scholen en binnen samenwerkingsverbanden.

Veel leesplezier gewenst en:

een passend 2019 met zorg voor elkaar!

5


Brede Coalitie

Passend onderwijs

lukt niet alleen

De zorg voor een gezonde, ononderbroken ontwikkeling van kinderen in een veilige omgeving is

een maatschappelijke opdracht die scholen, jeugdzorginstellingen, jeugdbescherming, ouders,

enz. gezamenlijk uitvoeren. Echter, effectief samenwerken binnen passend onderwijs en met

partners uit de jeugdzorg gaat niet vanzelf, kost tijd en veel energie, en leidt tot verschillen in de

regio’s. Daarom willen de betrokken landelijke organisaties en de ministeries van OCW en VWS

in een Brede Beleidscoalitie tot een gezamenlijk kader komen van waaruit in de regio’s optimaal

kan worden samengewerkt tussen onderwijsinstellingen en hun (zorg)partners.

“Mijn motto is al jaren

‘Het ligt nooit aan

het kind’.”

René Peeters

René Peeters

Geen landelijke ‘blauwdruk samenwerking’

De brede coalitie wil uitdrukkelijk geen landelijke

blauwdruk voor samenwerking lanceren. Wel bestaat er

behoefte om in kaart te brengen hoe in de verschillende

regio’s de samenwerking verloopt en wil men die waar

nodig stimuleren. De op dit terrein zeer ervaren René

Peeters is aangesteld als nationaal kwartiermaker

passend onderwijs, zorg en jeugd. Peeters beseft dat

er veel mogelijke richtingen zijn en dat een blauwdruk

van hoe iedereen moet gaan samenwerken dus zeker

niet aan de orde is. Er zijn grote lokale en regionale

6


Kwartiermaker

verschillen. Met die verschillen moet en kan rekening

gehouden worden. Sinds juli 2018 voert kwartiermaker

Peeters gesprekken met een veertigtal partijen. Behalve

denker over onderwijs en zorg is hij vooral een doener

die altijd uit is op resultaat, Peeters: “Visies zijn mooi,

maar ik wil uiteindelijk in die visie kunnen ‘lopen’. Wat

doet een visie op de werkvloer?” Zijn opdracht is om

in december een aantal richtinggevende adviezen

te leveren waar betrokkenen in onderwijs, zorg en

jeugd mee vooruit kunnen om tot samenwerking te

komen. Van besturen tot medewerkers op de werkvloer.

Daarnaast moet hij de bevorderende en belemmerende

factoren ordenen die ervoor zorgen dat passend

onderwijs op sommige plekken al prima lukt of (nog)

niet lukt. Gevolgd door een uitvoeringsprogramma voor

de komende twee jaar.

Zijn motto is al jaren ‘Het

ligt nooit aan het kind’. Een

bekende belemmering in veel

samenwerkingsverbanden

is dat de onderwijs- en

zorgregio elkaar niet altijd

dekken. Dat levert veel

problemen op, bijvoorbeeld

met de bekostiging. “Ik

richt me dus heel sterk op

al die volwassenen die de

verantwoordelijkheid dragen

om voor de basiscondities te

zorgen waardoor ieder kind zo

goed mogelijk aan zijn trekken komt. Passend onderwijs

lukt niet alleen in één school, samenwerkingsverband,

regio of organisatie. Je hebt elkaar hard nodig om

succesvol te kunnen zijn.”

Hoopgevend vindt hij dat de deelnemende organisaties

zo voortvarend de handen ineengeslagen hebben en

heel snel overeenstemming vonden op een aantal

leidende principes. We lopen ze met hem na.

Ononderbroken ontwikkeling van het kind centraal

Voor vrijwel iedereen een heel logisch concept, maar

in de praktijk niet zo simpel te realiseren. Voor Peeters

is het wel een noodzakelijk beginsel, want zoals hij

al eerder bij de ontwikkelingen rondom Integrale

Kind Centra (IKC) zei: “Het is moeilijk een huis te

bouwen op een fundament van schotsen’. Vooral

vanuit het perspectief van ouders van kinderen met

een ondersteunings- en/of zorgbehoefte is er veel

versnipperd in onderwijs- en zorgland. Kunnen we dat

niet intelligenter organiseren met elkaar? Bijvoorbeeld

door vanaf de peuterleeftijd onderwijs en zorg slimmer

te combineren. Door de overgang van groep 2 naar

3 beter te stroomlijnen, net als die van po naar het

vo, en van vmbo naar mbo. “Daar praten we al lang

en veel over, maar er zal veel nauwer en effectiever

moeten worden samengewerkt tussen de betrokken

organisaties.”

“Door teams

multifunctioneel te

verbreden met meer

soorten deskundigheid,

afhankelijk van de

behoefte, kun je je

onderwijs inclusiever

maken en de werkdruk

verlichten.”

Zijn voorbeeldschool Laterna

Magica integreert onderwijs en

opvang voor kinderen van 0-12

jaar van 07.30-18.30 uur. Ze

werken er in groepen tot 100

leerlingen, soms in groepjes,

soms individueel, altijd op maat.

Onderwijs, zorg en de sociale

component komen er bij elkaar.

En met succes, want het is nu een

van de grootste basisscholen in

Amsterdam.”

Inclusief, passend en zo

thuisnabij als mogelijk

Het streven bij passend onderwijs

was en is om het aantal s(b)o-leerlingen zo beperkt

mogelijk te houden en meer leerlingen met een

ondersteuningsbehoefte te laten participeren in het

regulier onderwijs. Daardoor moeten veel leerkrachten

nu (zorg-)taken verrichten waar ze niet voor zijn

opgeleid. Om inclusief onderwijs overal tot stand te

kunnen brengen, moet er nagedacht worden over de

mogelijkheid om op scholen ook zorgfunctionarissen

een vaste (werk)plek op de scholen te geven.

In Almere, waar René Peeters 8 jaar wethouder

was, zijn er inmiddels op zes scholen ‘onderwijszorgarrangementen’

in werking. “Door teams

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

7


Brede Coalitie

multifunctioneel te verbreden

met meer soorten deskundigheid,

afhankelijk van de behoefte, kun

je je onderwijs inclusiever maken

en de werkdruk verlichten. Je

merkt dat daar met elkaar wordt

gepraat en wordt samengewerkt.

Je verzamelt veel expertise onder

één dak. We moeten beginnen

om het begrip ‘normaal’ te

vergroten. Dan passen er vanzelf

meer kinderen op school.”

Samenwerken aan een integraal

aanbod

Het uitgangspunt is om onderwijs, jeugdzorg,

maatschappelijk werk en alle organisaties waar op een

bepaald moment behoefte aan is te laten samenwerken.

Het liefst op de plek waar kinderen het grootste

deel van de dag aanwezig zijn, de peuterspeelzaal,

kinderopvang en de school.

“Als een leerling voor een time-out of om een andere

reden uit de les gehaald wordt voor ondersteuning, gaat

dat niet per se ten koste van het onderwijs”, stelt René

“Door teams

multifunctioneel te

verbreden met meer

soorten deskundigheid,

afhankelijk van de

behoefte, kun je je

onderwijs inclusief

maken en de werkdruk

verlichten.”

Peeters. “Vaak kunnen ze zich

tijdens een ‘drukke bui’ toch

al niet concentreren op hun

sommen. Bovendien moeten

ze nu ook al dikwijls tijdens

de lessen of na school naar

een instantie voor jeugdzorg.

Alsof dat geen tijd kost. Geen

enkel kind leert elke minuut

van de dag, maar schoksgewijs.

Het omgekeerde effect van

onderwijs en zorg onder één

dak is juist dat er op school

veel meer rust heerst en

kinderen beter functioneren, omdat ze weten dat ze

heel nabij worden geholpen.”

Partnerschap en regievoering

Partnerschap zit volgens de kwartiermaker voor een

flink deel in het begrip ‘gunnen’. In feite is het een

kwestie van investeren in elkaar. Willen begrijpen wat

de ander doet en waarom. “Zo moet de leerkracht

willen snappen dat een ‘lastige’ ouder zich vaak zo

gedraagt vanuit een existentiële behoefte om goed te

zorgen voor zijn of haar kind. Dat investeren in elkaar

geldt ook voor mensen in onderwijs en zorg.” Daarbij

is uiteraard ook regie nodig. Zo moeten er goede

afspraken worden gemaakt tussen een schoolbestuur,

samenwerkingsverband en de directie van een jeugdzorgaanbieder.

Daar kan een gemeente een verbindende

rol spelen door partijen uit te nodigen om met een

gezamenlijk plan te komen en tot vormen van collectief

zorgaanbod in plaats van alles via individuele toeken-

ningen te willen reguleren.

Samen steeds beter worden

Vaak werken de participerende organisaties binnen

passend onderwijs uit hun eigen belang, vanuit hun

eigen territorium en in hun eigen taal. Dat komt mede

doordat ze zich naar hun eigen inspectie moeten

verantwoorden. De expertise blijft hierdoor exclusief

bij de orthopedagoog of bij de leerkracht. Daardoor

kunnen ze niet van elkaar leren. “Zodra je ze bij elkaar

8


Kwartiermaker

zet, lukt dat veel beter. De kunst van samenwerken

is namelijk dat je je grondig verdiept in het belang

en de doelstelling van de ander”, weet Peeters uit

zijn ervaring in Amsterdam en Almere. Belangrijk bij

samenwerking is de houding van de diverse partijen.

“Je moet altijd willen blijven leren, steeds beter

willen worden. En omdat je in geen enkel gremium

dingen alléén voor elkaar krijgt, kun je die dus het

beste samen doen. Leren van elkaar. Daar worden

uiteindelijk de kinderen op school beter van.”

Kwartiermaker René Peeters was eerder als wethouder

in Almere verantwoordelijk voor onder meer het

onderwijs- en jeugdbeleid. Hij was en is werkzaam

in het onderwijsbestuur Innovatie kinderopvangbasisonderwijs,

de Raad van Toezicht van Opvoeden.nl,

de Raad van Advies van Onderwijsinspectie en sinds

juni voorzitter hoofdbestuur bij Humanitas.

Auteur: Walter van de Calseyde

Hoofdredacteur Tijdschrift

Intern Begeleiders.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

9


Twents Model

Eelco Eerenberg

Linda Kuiper

Twents model:

jeugdhulp in de school

De regio Twente organiseert gezamenlijk de inkoop van jeugdhulp en maatschappelijke

ondersteuning. Vanaf 2019 wordt onderwijs en jeugdhulp samengebracht volgens het nieuwe

Twentse ondersteuningsmodel. Eelco Eerenberg, wethouder Jeugdhulp en Onderwijs in Enschede,

neemt ons mee door het traject waarin dit ‘Twentse model’ is ontstaan.

Twee werelden

In de regio waren onderwijs en jeugdzorg twee

gescheiden werelden. Het bleek moeilijk om jeugdhulp

snel beschikbaar te hebben; hulp kwam vaak te laat

op gang. Ook werd afstemming met het onderwijs

en de onderwijsondersteuning gemist. Alleen

door het samenbrengen van die twee werelden

kunnen kinderen gezond en veilig opgroeien en de

onderwijskansen maximaal benutten. Met die doelen

voor ogen is Eerenberg praktisch aan de slag gegaan.

Er werd in 2017 een conferentie georganiseerd

voor allerlei mensen in het veld: het onderwijs, de

kinderopvang, JGZ, de gemeenten, welzijnsorganisaties

en de wijkteams. Daaraan voorafgaand is er een

gezamenlijke reis naar Denemarken geweest.

Denemarken

Eerenberg: “We zijn om te beginnen in 2016 gaan

kijken in Denemarken, daar gaat dit namelijk al langer

goed. We huurden een bus waar alle betrokkenen in

konden: Alleen al tijdens die reis hebben we goede

stappen gezet om samen te komen. Na de reis was

er veel inspiratie opgedaan en lag er een basis. We

hebben een aantal dingen overgenomen. Bijvoorbeeld

dat dezelfde taal gesproken wordt, er is een gedeeld

begrippenkader. Maar ze hadden ook een gekanteld

piramidemodel, met in de top een stippellijn. Alles

onder die lijn wordt in de school georganiseerd.”

Behoefte

Preventief

Samenwerken ín de school

De regio wil via een goede samenwerking graag inzetten

op preventief signaleren. “De truc is om kinderen die

dreigen het moeilijk te gaan krijgen vroegtijdig op te

sporen”, zegt de wethouder. “Zowel het onderwijs, als de

jeugdhulp zijn daarbij essentieel. Als vindplaats, maar ook

als werkplaats. We zetten een grote beweging op touw

om de jeugdhulp naar het onderwijs te brengen.” Volgens

Eerenberg zijn er veel voordelen voor het samenbrengen

van jeugdhulp ín de school: “Er komen zo bijvoorbeeld

extra handen in de school. Die kunnen ook helpen als het

in een klas hard werken is. Leerlingen hoeven niet meer

met speciaal vervoer naar instellingen buiten school, maar

ze kunnen in de school geholpen worden. Ouders kunnen

beter worden betrokken en op termijn wordt het voor de

regio ook goedkoper.”

Omslagpunt

Lichte

ondersteuning

Noodzaak

Intensief

De bedoeling is dat een aanbieder in de school zit en een

klas helpt. Groepsarrangementen en collectieve inkoop

10


Jeugdhulp

pakken uiteindelijk goedkoper uit

dan dertig individuele indicaties,

zeker als er vroegtijdig en direct

gehandeld kan worden. De

hulp is immers al geregeld en

beschikbaar! Er gaat geen kind

de school uit voor ‘hulp’ die al

aanwezig is. De eigen school is

vaak al een veilige omgeving

waar vriendjes en vriendinnetjes

aanwezig zijn die kunnen helpen.

Pas in het allerbovenste puntje van de gekantelde driehoek

heb je gespecialiseerde hulp op een andere locatie nodig.

Eerenberg: “Er is hier in Twente dus een enorme focus op

het zo lang mogelijk samen oplossen binnen de community

van de school.” De gemeente heeft de wijkcoaches

ingezet als katalysator om organisaties samen te brengen.

Onderwijs en jeugdhulp worden meegenomen bij de

inkoop van jeugdhulp. Het gevolg is dat er afstand wordt

gedaan van ‘een woud’ aan kleine zorgaanbieders. Er zijn

in 2018 zes pilotscholen geselecteerd waar in de school een

jeugdhulpaanbieder komt, die de school ontzorgt.

Pilot ‘oja’

In Enschede zelf richt Linda Kuiper, senior adviseur

Sociaal Domein, zich op de verbinding tussen onderwijs

en jeugdhulp in de gemeente Enschede. Zij is van meet

af aan nauw betrokken bij de nieuwe werkwijze. Ook zij

noemt de Denemarkenreis als een goed begin. “Al veel

langere tijd is er samenwerking met het onderwijs, maar de

decentralisatie zagen wij als een kans om de samenwerking

verder te verstevigen. Onderwijs en gemeente willen

feitelijk hetzelfde. Samen in gesprek gaan geeft inzicht in

de struikelpunten, maar ook in elkaars opgave. De gekozen

werkwijze heeft ons ook veel energie en inzicht opgeleverd.”

Toen men elkaar had gevonden zijn er themagroepen

opgericht in Enschede binnen onderwijs en jeugdhulp.

In een volgend stadium zijn daar ook andere partners in

betrokken. Samen wordt bekeken welke thema’s opgepakt

en vormgegeven kunnen worden.

“De pilot waarbij de jeugdhulppartner in de school aanwezig

is noemen we ‘oja’, dat staat voor onderwijs-jeugdhulparrangement.

Hierbij zijn onderwijsorganisaties betrokken,

“Samen in gesprek

gaan geeft inzicht in de

struikelpunten, maar

ook in elkaars opgave.

De gekozen werkwijze

heeft ons ook veel energie

en inzicht opgeleverd.”

Toekomstdroom

jeugdhulporganisaties en de

wijkteams,” vertelt Kuiper. “We

willen zo vroeg en zo snel mogelijk

de kinderen de ondersteuning

geven die ze nodig hebben. De

school is een perfecte plaats om

vroeg te signaleren. Maar ook een

veilige plek om snel en effectief

hulp te bieden. Dat hopen we met

de pilot oja te bereiken.“

In schooljaar 2018-2019 is de pilot op zes scholen gestart.

De proef loopt drie jaar. In die tijd moet blijken wat goed

werkt en waar eventueel nog bijsturing nodig is. Op een

andere school loopt al langer een ander initiatief.

“Die loopt hierop vooruit, we noemen dat de alles-ineen-school”,

zegt Eerenberg. “Die is van 7 tot 7 open en

ouders kunnen er ook taalles krijgen. Enschede heeft

een aantal gemeenschappen waar taal een uitdaging

is, ook voor ouders. Met dat soort mooie combinaties

zijn we begonnen. Dit hebben we straks samen bij

elkaar gerealiseerd op de alles-in-een-school en de zes

pilotscholen. Mijn droom is om de zorgcombinatie naar

alle scholen te kunnen uitrollen. Het is tevens mooi

meegenomen als we op deze wijze de allergrootste

klachten op onze scholen – werkdruk en complexiteit –

kunnen wegnemen en hen zo ontzorgen. Dat is goed voor

het werkplezier van leraren en goed voor leerlingen. Als

we over twee jaar evalueren hoop ik dat we hierin zijn

geslaagd.”

Auteur: Jos Gerards

Redactie PO Magazine en

Adviseur Leeuwendaal.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

11


12 maart 2019

dag

Conferentie

DE IB’ER MAAKT HET VERSCHIL?!

over de toekomst van de intern begeleider

Het verschijnen van het boek ‘De toekomst van de

intern begeleider’ van Luc Greven was de aanleiding

voor de eerste IB dag in 2018. Bijna 1.600 IB’ers

bezochten deze inspirerende dag en beoordeelden

deze met een 8! In 2019 geven we een vervolg aan

deze dag met de uitslagen van de grote IB enquête en

uiteraard weer veel relevante sprekers.

WEGENS SUCCES

VERVOLGD!

DINSDAG 12 MAART 2019 - REEHORST EDE - NU NOG PLAATSEN BESCHIKBAAR

Met onder meer:

Luc Greven

De toekomst

van de intern

begeleider II

Sjef Drummen

Onderwijs,

maar dan anders

Dick Lieftink

Van IB’er naar

coördinator

passend onderwijs

René Peeters

Passend

onderwijs lukt

niet alleen

prof. dr.

Eliane Segers

De integratie van

school-thuis-ict

Jeroen Goes

Toekomstgericht

onderwijs, was dat

er niet altijd al?

UPDATE SPREKERSLIJST: ZIE WWW.IBDAG.NL/PROGRAMMA

Schrijf u nu in, ontvang

€50 ledenkorting én

ontvang het ‘enquêteboek’

t.w.v. €22,50 cadeau!

€50 korting

voor leden van

PO Magazine

en

oud-deelnemers!

Voor meer informatie en inschrijven ga naar: www.ibdag.nl


Samenwerking

Samenwerking van onderwijs

met jeugdhulpinstellingen

en gemeenten

Gemiddeld heeft een samenwerkingsverband in het po te maken met 5,7 gemeenten, 90 scholen

en 16,2 schoolbesturen. Wanneer er gezamenlijke afspraken gemaakt moeten worden, zijn er

dus veel verschillende partners om mee af te stemmen.

Veel samenwerkingsverbanden blijken trots op wat ze

tot nu toe bereikt hebben. Ze geven aan ‘dat er binnen

scholen en gemeenten hard gewerkt wordt aan verbinding,

aan het elkaar vinden en het opzetten van samenwerking.’

Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanpak, de gebouwde

structuur, de ontstane beweging, de systematische

opbouw, een prettige samenwerking tussen de scholen,

de aanpak van en het terugdringen van het aantal

thuiszitters en het aantal vrijstellingen.

Wanneer er gezamenlijke afspraken gemaakt moeten

worden, zijn er veel verschillende partners. Afspraken

maken vraagt daarom vaak veel. We bespreken de

reflectie van de bevraagden op het OOGO, op het

overleg met ambtenaren en op de uitwerking van de

beleidsafspraken op de werkvloer.

Het NJi nodigde alle samenwerkingsverbanden

uit voor een telefonisch interview van een halfuur.

Uit het po heeft 52 procent daarop gereageerd.

De interviewers zagen dat er een goede spreiding

is over het land en over grote steden, middelgrote

steden en meer plattelandsgebieden.

OOGO

Het grootste deel van de samenwerkingsverbanden voert

het OOGO een of twee keer per jaar. Een klein deel doet dit

eens per vier of eens per twee jaar. In de meeste gevallen

wordt het OOGO gevoerd door directeuren van zowel het

samenwerkingsverband po als vo en wethouders die het

onderwijs en jeugddomein in hun portefeuille hebben.

In enkele regio’s is niet de directeur aanwezig, maar

schuift de bestuurder van het samenwerkingsverband of

een schoolbestuurder aan. Andere variaties zijn dat de

wethouders onderwijs aanwezig zijn en de wethouders

sociaal domein op afroep komen of dat de wethouders

‘dubbele petten’ dragen. Bijna een kwart van de

samenwerkingsverbanden voert het OOGO met alleen de

wethouders. Uit de rondgang blijkt dat er grote verschillen

zitten in hoe de betrokkenheid en kennis van wethouders

door samenwerkingsverbanden wordt ervaren.

Gevraagd naar de waardering van het overleg komt een

wisselend beeld naar voren. Het wordt soms omschreven

als een ‘rituele dans’ en wordt door anderen ervaren als

‘een feestje’, waar een goede uitwisseling en vaststelling

plaatsvindt van ambities.

Overleg met ambtenaren

Behalve het OOGO wordt er gemiddeld door

samenwerkingsverbanden zo’n vijf tot zes keer per jaar

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

13


Samenwerkingsverbanden

overleg gevoerd met de ambtenaren. Bij ruim een derde

is dat vaker, soms zelfs wekelijks of tweewekelijks. Vaak

zijn deze overleggen thematisch. Ondanks de vele

overlegmomenten wordt slechts 26 procent van de

gesproken samenwerkingsverbanden betrokken bij de

inkoop van jeugdhulpaanbieders.

In de meeste gevallen is de samenwerking historisch

ontstaan. Voor de start van passend onderwijs was

er al een samenwerking in de vorm van WSNS of CJG,

doorgezet vanuit het landelijke thuiszitterspact of door de

verplichting tot het voeren van een OOGO. Er wordt vaker

genoemd dat de samenwerking gestart is op initiatief van

een samenwerkingsverband dan vanuit een gemeente.

Om te komen tot een goede samenwerking is volgens

veel bevraagden een kwestie van een lange adem.

Waar het ene samenwerkingsverband nog een hele

weg voor zich ziet, maar enthousiast is over de bereikte

resultaten, geeft het andere samenwerkingsverband

aan dat er nog geen sprake is van samenwerking of nog

niet met alle gemeenten. Factoren die ervoor zorgen

dat een samenwerking als ‘goed’ of ‘slecht’ wordt

ervaren liggen in elkaars verlengde. Bestuurders kunnen

goed opsommen welke factoren wat hen betreft de

ingrediënten vormen voor een ‘goede’ samenwerking. Als

een samenwerking als ‘slecht’ omschreven wordt, dan

gaat het om samenwerking waarbij diezelfde ingrediënten

of factoren missen. Wat opvalt is dat ‘goed’ of ‘slecht’ in

eerste instantie vooral gerelateerd wordt aan het proces

van samenwerking en dan vooral in termen van relationele

aspecten als vertrouwen, respect, ambitie, gezamenlijke

taal. Gevraagd naar een globaal cijfer voor de samenwerking,

splitsen bevraagden hun antwoorden vaak uit

naar de beleidsambtenaren en naar de wethouders, die

kunnen heel verschillend scoren. Over het algemeen is de

stemming hoopvol en geeft men ruime voldoendes voor

de samenwerking. Het overleg met de ambtenaren wordt

het hoogst gewaardeerd. Het minst positief is men over de

uitwerking van de afspraken in de praktijk van de scholen.

Beleidsafspraken op de werkvloer

De variatie in de uitwerking van de samenwerking

op de werkvloer is groot. Toch is het voor leerlingen

die het nodig hebben juist van belang dat daar goed

wordt samengewerkt. Ongeveer twee derde van de

samenwerkingsverbanden heeft te maken met een

wijkteam, anderen hebben een loket bij de gemeente

of een aparte organisatie waar alle zorgaanbieders

zijn ondergebracht. De wijkteamconstructie kan goed

werken, maar dat is wel van een aantal factoren

afhankelijk. Samenwerkingsverbanden hebben nogal

eens te maken met 200 zorgaanbieders. Voor scholen

kan het lastig zijn de juiste te vinden of specifiek die

zorgaanbieder te vinden die al bij de leerling of het

gezin betrokken is. Samenwerkingsverbanden op

hun beurt hebben vaak te maken met persoonlijke

‘bondjes’ tussen scholen een zorgaanbieders.

Samenwerkingsverbanden hebben in veel gevallen

zelf een contactpersoon jeugdhulp. Die rol wordt vaak

vervuld door een maatschappelijk werker of intern

begeleider.

Uit het rapport blijkt dat er op de werkvloer nog wat

verbeterd kan worden. Snelle, korte lijnen met jeugdhulp

worden slechts in 19 procent van de bevraagde

samenwerkingsverbanden ervaren. Dit is mogelijk in

samenwerkingsverbanden waar op elke school een

smw’er of jeugdhulpverlener vaste uren heeft voor

lichte hulp en advisering, een team vormt met de

coördinator van de school, ouders nauw betrokken

worden of waar bij verwijzing het wijkteam het advies

overneemt en zorgt voor uitvoering. Bij deze korte lijnen

treedt vaak ruis op vanwege grote verschillen tussen

meerdere gemeenten of wanneer gemeenten een eigen

traject willen opzetten. Opvallend bij de bevraging was

dat een aantal samenwerkingsverbanden aangaf geen

zicht te hebben op de samenwerking met jeugdhulp

vanwege het hanteren van een schoolmodel. Zij hebben

deze verantwoordelijkheid bij de schoolbesturen en hun

scholen gelegd. Ook hebben samenwerkingsverbanden

soms alleen zicht op onderwijsgerelateerde

problematiek en worden hun scholen of zijzelf niet

benaderd als er volgens inschatting van wijkteams

alleen jeugdhulp nodig is. Ook waren enkele

geïnterviewden nog te kort werkzaam om voldoende

zicht te hebben opgebouwd.

14


Samenwerking

Goede samenwerking

Landelijke cijfers ontbreken nog over de opbrengsten van

samenwerking voor leraren, ouders en leerlingen. Een

enkel samenwerkingsverband is zelf al bezig dit in kaart

te brengen. Ongeveer 42 procent van de bevraagde

samenwerkingsverbanden geeft aan dat de resultaten (nog)

niet of onvoldoende inzichtelijk zijn. Wel worden enkele

effecten van samenwerking door veel directeuren benoemd:

• De professionals en partners leren elkaar kennen. Dat

geldt ook voor scholen onderling. “Strategisch en

tactisch hebben we elkaar leren kennen en kunnen

we elkaar goed vinden; in de uitvoering is het nog

moeilijk.” Het vertrouwen dat de samenwerking tot een

goed resultaat gaat leiden blijft overeind: “De concrete

aanpak staat er nog niet, maar we werken goed samen.

Door met kleine klopjes op een spijker te slaan, komt

die er ook wel in.”

• Leerlingen, ouders en scholen worden steeds beter

tevredengesteld, voelen zich beter serieus genomen en

worden beter ondersteund.

• Leerlingen komen eerder in beeld, waardoor escalaties

worden voorkomen. “Er wordt meer maatwerk geleverd.

Er is meer inzet en er worden minder leerlingen ‘over de

schutting gegooid’.”

• Er is minder verzuim en het aantal thuiszitters is gedaald.

• Soms is er een bovenschools arrangement ontstaan.

ambtenaren en jeugdhulpverleners die geen

eigenaarschap aan durven gaan, weinig continuïteit bij

jeugdhulp en gemeenten, verschillen tussen gemeenten,

een uiteenlopende ambitie en elkaar beconcurrerende

jeugdhulporganisaties.

De toekomst

Veel samenwerkingsverbanden bespraken een wensen- lijstje

voor de toekomst. Enkele punten lichten we eruit.

• Ruimte om te kunnen handelen in het belang van het

kind.

• Tijd en rust om te overleggen en te ontwikkelen.

• Een cultuuromslag binnen onderwijs en jeugdhulp

waardoor geleefd wordt volgens 1+1=3 principe zodat ze

eerder en gemakkelijker elkaars hulp inroepen.

• De helft van de samenwerkingsverbanden geeft

aan graag gebruik te willen maken van een externe

neutrale partner met kennis en expertise op het gebied

van jeugdhulp, zorgverzekeraar, gemeente en ‘het

bestuurlijke’.

• Een soort databank of een persoon die op de hoogte

is van de pilots en nieuwe initiatieven in den lande,

die geconsulteerd kan worden en eventueel ook kan

ondersteunen bij het maken van een vertaalslag en een

soort intervisie overleg met andere directeuren.

• Er is behoefte aan ontschotting van de clusters in het so.

• Een eenduidige vraagstelling vanuit de overheid met

betrekking tot financiën.

Twee veel gedeelde ingrediënten van een goede

samenwerking zijn de gedeelde ambitie en het ook op

beleidsniveau gezamenlijk analyseren van praktijkcases.

“Door cases aan te dragen maak je duidelijk waarmee

onderwijs te maken heeft, hoe ons leven eruit ziet en

begrijpen ze wat er nodig is.” Ook het borgen van goede

afspraken en een overtuiging dat het samen beter

lukt zijn essentieel. Uiteraard zijn er ook factoren die

een goede samenwerking belemmeren. Veelgehoord

zijn een onduidelijke rolverdeling en communicatie,

Auteur: Guus Beenhakker

Eindredacteur PO Magazine.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

15


EVALUATIE PASSEND ONDERWIJS

Hoe staat het met de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp?

ER IS AL HEEL VEEL BEREIKT MAAR NOG VEEL MEER TE DOEN

01 VEEL KNELPUNTEN

02 VERSCHIL IN TEMPO

KOPLOPERS EN ACHTERBLIJVERS: NIET IEDEREEN IS EVEN VER

oriëntatie eerste stappen aansluiting is in opbouw bezig met

verankering

6% 24% samenwerkingsverbanden 52% 19%

7% 13% gemeenten 57% 26%

03 VERSCHIL IN BELEVING

GEMEENTEN ZIJN POSITIEVER OVER DE AANSLUITING DAN SAMENWERKINGSVERBANDEN

Samenwerkingsverbanden

Gemeenten

33%

40%

27%

(zeer) ontevreden

niet tevreden, niet ontevreden

(zeer) tevreden

23%

39%

39%

16


Hoe gaat het met de aansluiting tussen onderwijs en jeugdhulp?

De Ministeries van OCW en VWS hebben samen met de VNG een landelijk

onderzoek geïnitieerd naar de wijze waarop samenwerkingsverbanden

passend onderwijs en gemeenten de aansluiting vormgeven en ervaren.

Het consortium Evaluatie Passend Onderwijs voerde dit jaar de inventarisatie

uit. Een paar feiten uit de factsheet die naar aanleiding van het onderzoek

werd gepubliceerd. Er wordt veel gewerkt aan:








organiseren van jeugdhulp in de school

inrichting onderwijszorgarrangementen

thuiszitten voorkomen

leerlingen begeleiden naar een passende onderwijsplek

snellere interventies en kortere lijnen

vroegtijdig signaleren en preventie

regionale aanpak

Samenwerkingsverbanden

26%

17%

17%

13%

10%

HOE WERK JE SAMEN?

WAT LEVERT HET OP?

Samenwerkingsverbanden

52%

51%

46%

45%

42%

minder leerlingenvervoer

minder verwijzingen naar het speciaal onderwijs

minder administratieve lasten

minder verwijzingen naar gespecialiseerde zorg

vermindering van werkdruk

minder thuiszitters

thuisnabije hulp en ondersteuning

leerlingen worden geholpen met maatwerk

minder leerplichtvrijstellingen

tevreden ouders

Gemeenten

17%

35%

11%

23%

10%

Gemeenten

75%

59%

80%

59%

75%

04

05

EVALUATIE

PASSEND

ONDERWIJS

Totaal zijn er vanuit samenwerkingsverbanden meer dan 200 pilots

die de verbinding met jeugdhulp moeten bespoedigen of moeten laten ontstaan.

De hele evaluatie is te zien op www.evaluatiepassendonderwijs.nl >>

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

17


€50 korting

voor leden van PO Magazine!

Duo-cursus voor

directeur & IB’er:

vorm samen een krachtig team

Berndine de Wolff

3 dagen

Startdatum: 18 maart '19

Utrecht

Startende IB’er:

binnenkort starten of net gestart?

Vivian van Alem

3 dagen

Startdatum: 19 maart '19

Utrecht

Een lerende organisatie:

van idee tot praktijk

Berndine de Wolff

1 dag

Datum: 16 mei ‘19

Utrecht

« nieuw « nieuw « nieuw « nieuw « nieuw « nieuw « nieuw

NIEUW

Na deze dag:

• Weet u hoe een lerende organisatie werkt;

• Heeft u uw school in kaart gebracht en

zicht op hoe uw school een professionele

leergemeenschap kan zijn;

• Is uw eigen rol als procesbegeleider

duidelijk en kunt u beter sturen en

coachen;

• Kunt u het eigenaarschap bij het team

versterken.

Inschrijven en meer informatie: www.instondo-academy.nl

18 Instondo Academy - cursussen speciaal voor de onderwijsprofessional

T. 078 - 645 50 85 E. info@instondo-academy.nl


AVG

Striktere privacyregels: belemmering

voor uitwisseling leerlingengegevens

tussen partners?

Sommige leerlingen hebben door een beperking, een leerachterstand, een ziekte of problemen

thuis extra ondersteuning of zorg nodig op school. Scholen werken met verschillende zorgpartners

samen om in dergelijke ondersteunings- en zorgbehoefte(n) te voorzien; bijvoorbeeld met

jeugdzorg, gezinszorg, jeugdgezondheidszorg, CJG’s en gemeenten. Bij deze samenwerking is

uitwisseling van gegevens aan de orde. Dat stelt partners in staat om goed op elkaar afgestemde

ondersteuning en zorg te verlenen. De laatste tijd wordt vaker gesteld dat de (nieuwe) privacyregels

de onderlinge gegevensuitwisseling belemmeren. Maar zijn het inderdaad de striktere privacyregels

die aan de extra ondersteuning in de weg staan of wordt er een schijnprobleem gecreëerd door te

weinig kennis van de privacyregels en/of onduidelijkheid over de (eigen) taken en bevoegdheden?

Om te beginnen is het zorgvuldig omgaan met

privacygegevens niet iets nieuws. Er was al sinds

1989 een Wet Persoonsregistraties van kracht die

in 2001 werd vervangen door de Wet bescherming

persoonsgegevens (Wbp). Deze wet was grotendeels

gebaseerd op de Europese dataprotectierichtlijn, die in

2016 werd vervangen door de Algemene Verordening

Gegevensbescherming (AVG). Hoewel de AVG dus in

2016 al in werking is getreden, werd deze pas van

kracht op 25 mei 2018. Er zit dus een periode van twee

jaar tussen de inwerkingtreding en het moment dat de

AVG daadwerkelijk van toepassing is geworden. Dat

was nodig om organisaties in staat te stellen om hun

bedrijfsvoering aan te passen op de AVG. Toch hadden

lang niet alle organisaties dat op die datum (volledig)

op orde. Waar gaat het over?

Organisaties mogen niet langer zomaar

persoonsgegevens verwerken; daar is steeds een

(wettelijke) grondslag voor nodig. Ook mogen de

gegevens alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor

ze zijn verkregen. Voor de school zijn de doelen voor

het verwerken van persoonsgegevens in principe

gekoppeld aan de wettelijke taken die zij heeft. Dat zijn

kwalificatie, burgerschap en socialisatie: het bijdragen

aan de persoonlijke ontwikkeling van kinderen, het

zorgen voor de overdracht van maatschappelijke en

culturele verworvenheden en kinderen leren mee te

doen in de maatschappij. Verder moeten de scholen

ervoor zorgen dat er voor alle leerlingen passend

onderwijs is. Scholen werken daarvoor samen in

samenwerkingsverbanden.

Binnen een school, tussen leerkrachten, assistenten,

logopedisten, intern begeleiders enzovoort mogen

leerlingengegevens uitgewisseld worden als dit

functioneel nodig is bij overdracht van leerlingen of

om de leerlingen voor te bereiden op vervolgonderwijs

(of toekomstige arbeid) of op de deelname aan de

maatschappij (de wettelijke taken van de school). Dat

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

19


Privacyregels

geldt ook voor gegevens uit het leerlingendossier voor

duopartners of bij overgang naar een nieuwe groep. Dat

is in het belang van elk kind en heeft vanzelfsprekend

in zichzelf al een wettelijke grondslag. Hierbij dient

wel voldoende aandacht te zijn voor het veilig opslaan

en bewaren van de gegevens, de beveiliging van de

apparatuur en bijvoorbeeld het encrypten van het

mailverkeer. Overigens mogen de gezaghebbende

ouders te allen tijde het leerlingendossier van hun eigen

kind(eren) inzien en aanvullen (bijvoorbeeld een eigen

versie van het verslag van

een gesprek of aanvullende

gegevens zoals bijvoorbeeld

een rapportage van een

particuliere logopedist).

Als de school van mening

is dat een leerling extra

ondersteuning binnen

het reguliere onderwijs

nodig heeft, dan kan

de school daarvoor een

arrangement aanvragen bij

het samenwerkingsverband

(swv). Procedures voor het

beschikbaar krijgen van

middelen of expertise om te

kunnen arrangeren verschillen

overigens per swv. Als het

binnen de school zelf niet

meer lukt, kan de school een toelaatbaarheidsverklaring

(tlv) voor (voortgezet) speciaal onderwijs, speciaal

basisonderwijs, praktijkonderwijs of een aanwijzing

voor leerwegondersteuning (lwoo in het vmbo) bij het

swv aanvragen. Er moet dan gegevensuitwisseling

plaatsvinden tussen de school en het swv. Uiteraard

zullen in de meeste gevallen ouders in en na goed

overleg met de school het eens zijn met de aanvraag

en de aanvraag en het handelingsdeel van het

ontwikkelingsperspectief (opp) ondertekenen. Maar wat

nu als ouders het niet eens zijn met het opp of de tlv

aanvraag en hun handtekening of akkoord ontbreekt?

Vanuit de zorgplicht is het bieden van passend

“Binnen scholen,

schoolbesturen en binnen

samenwerkingsverbanden

mogen persoonsgegevens

wanneer relevant

gewisseld worden; ook

zonder toestemming

van de ouders of

verzorgers. Zorg wel voor

veilige opslag en let bij

uitwisseling op het gevaar

van data-lekkage.”

onderwijs een verantwoordelijkheid van de school c.q.

het schoolbestuur. Bij het indienen van deze aanvragen

is het daarom niet nodig dat de ouders de aanvraag

(mede)ondertekenen of toestemming geven voor het

uitwisselen van persoonsgegevens met het swv. Dus als

de ouders het niet eens zijn met de aanvraag mag en

moet de school daarbij toch de noodzakelijke gegevens

vermelden om de aanvraag te kunnen onderbouwen. Het

gaat dan bijvoorbeeld om het onderwijskundig rapport,

Cito- en toetsgegevens, het ontwikkelingsperspectiefplan

(opp) en eventuele informatie

die de school in het kader

van de verkenning en

het onderzoek naar de

ondersteuningsbehoeften

heeft verkregen. Deze

gegevens mogen overigens

ook gewisseld worden met de

twee deskundigen die advies

moeten geven bij een tlv

aanvraag. Het BSN-nummer

of het onderwijsnummer van

de leerling mag de school

echter niet in de aanvraag

naar het swv of aan de

deskundigen vermelden. Voor

de deskundigen en het swv

is er namelijk geen wettelijke

grondslag om deze nummers

te verwerken.

Naast de gegevensuitwisseling met het swv kan het

wenselijk zijn om gegevens van leerlingen uit te wisselen

in een multidisciplinair overleg. In de praktijk wordt dit

overleg ook wel het ondersteuningsteam, zorgteam, ZAT

of MDO genoemd. Het doel van het multidisciplinair

overleg is om vast te stellen welke extra ondersteunings-

en/of zorgbehoefte de leerling heeft om succesvol te

kunnen zijn in zijn of haar leerontwikkeling. Diverse

experts en zorgpartners (zowel van binnen als van

buiten het onderwijs) kunnen hieraan deelnemen. De

school heeft zoals reeds gezegd géén toestemming

van de ouders nodig om gegevens van de leerling uit te

20


AVG

behandelingsovereenkomst een beroepsgeheim. In

de praktijk leidt deze verscheidenheid aan regels tot

terughoudendheid bij het delen van informatie. Het

recht op privacy is een vrijheidsrecht dat uitgaat van

de bescherming van het individu op inbreuken van

buitenaf op zijn privéleven, dat als fundamenteel recht

terug te vinden is in onder meer artikel 10 van de

Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 16 van het

Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind.

Daar dient voorzichtig mee omgegaan te worden.

wisselen met de deskundigen die bínnen het onderwijs

werkzaam zijn. Wel doet de school er verstandig aan om

de ouders hierover te informeren en hen bij voorkeur uit

te nodigen om bij het overleg aanwezig zijn. Wanneer

de school echter informatie over de leerling wil delen

met andere hulpverleners/zorgpartners, is daartoe wél

de toestemming van de ouders voor nodig. Zonder deze

toestemming kunnen externe zorgverleners niet aan het

multidisciplinair overleg deelnemen. Wissel dus zonder

toestemming van ouders géén gegevens uit tussen

zorginstellingen (jeugdprofessionals) en (medewerkers

van) onderwijsinstellingen.

Hierop kan wel een uitzondering worden gemaakt als

er aanleiding is voor (een vermoeden van) zorgen over

de veiligheid van de leerling, bijvoorbeeld als sprake is

van een onstabiele of onveilige opvoedsituatie door

gedragsproblemen van de leerling of onmogelijkheden

bij de ouders. Wanneer scholen met externe

zorgpartners gegevens willen uitwisselen, zijn er

naast de AVG ook andere wetten van toepassing

die op onderdelen een nadere invulling geven op de

mogelijkheid om gegevens te (mogen) delen tussen

zorgpartners, zoals de Jeugdwet voor jeugdhulpverleners

en de WMO 2015 voor Veilig Thuis. Daarnaast hebben

hulpverleners op grond van de Wet geneeskundige

De veelgehoorde klacht dat de striktere privacyregels

goed op elkaar afgestemde ondersteuning en

jeugdhulp in de weg staan, behoeft dus duidelijk

nuancering. Binnen scholen, schoolbesturen en binnen

samenwerkingsverbanden mogen persoonsgegevens

wanneer relevant gewisseld worden; ook zonder

toestemming van de ouders of verzorgers. Zorg wel voor

veilige opslag en let bij uitwisseling op het gevaar van

data-lekkage. Gegevens of verslagen uit andere sectoren

mogen alleen mét toestemming of in aanwezigheid

van de ouders gewisseld worden. Wat overigens altijd

kan, is een casus anoniem bespreken. Op die manier kan

eenvoudig om advies worden gevraagd aan bijvoorbeeld

externe zorgpartners.

Auteur: Rilana de Vries

Jurist bij Leeuwendaal.

Auteur: Jos Gerards

Redacteur PO Magazine.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

21


ZORG VOOR DE JEUG

Jeugdhulp, zoals beschreven in de Jeugdwet, is hulp en zorg aan jongeren

en hun ouders bij psychische-, psychosociale- en/of gedragsproblemen,

een verstandelijke beperking van de jongere of opvoedingsproblemen van

de ouders. Volgens de Jeugdwet, die geldt sinds 1 januari 2015, valt dit

aanbod onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid.

jeugdigen met zorg

in nederland

jongens vs meisjes

In het speciaal basisonderwijs en

speciaal onderwijs zitten meer jongens

dan meisjes. In 2016-2017 waren dat:

11%

van de jeugdigen (0-18 jaar)

heeft in 2017 een vorm van

jeugdzorg ontvangen.

2 op de 3

leerlingen in SBO

zijn jongens

3 op de 4

leerlingen in SO

zijn jongens

In 2016 was dit

ook 11%

5%

1,5% 5% 12% 10%

0-3 jaar 4-8 jaar 8-12 jaar 12-18 jaar

jeugdHULP NAAR ONDERWIJSSOORT

Leerlingen in het speciaal

onderwijs ontvangen

veel vaker een vorm van

jeugdhulp dan leerlingen in

het regulier onderwijs.

Totaal

Zonder verblijf

Met verblijf

% 70

60

50

40

30

20

10

22

0

BAO SBO SO


D IN 2017

6%

12%

WELKE JEUGDHULP

ONTVANGEN JEUGDIGEN?

Het grootste deel van de jeugdigen die

ondersteuning krijgen, ontvangt vrijwillig

jeugdhulp zonder verblijf: 82% in 2017.

In 2016 was dit

ook 82%

82%

jeugdbescherming en/of jeugdreclassering (incl. jeugdhulp)

alleen jeugdhulp zonder verblijf

alleen jeugdhulp met verblijf (evt. icm ambulante jeugdhulp)

JEUGDBESCHERMING

In 2017 werden 48.045 jeugdigen begeleid

door een gecertificeerde instelling.

8% 3%

JB en JH

JR en JH

alleen JB

alleen JR

16%

JB en JH en JR

JB = jeugdbescherming

JB en JR

63%

10%

JH = jeugdhulp

JR = jeugdreclassering

0,47%

JEUGDHULP MET VERBLIJF

47% 47%

In 2017 hebben 46.260 jeugdigen jeugdhulp met

verblijf ontvangen. In de afgelopen jaren is een

duidelijke verschuiving zichtbaar van het aandeel

pleegzorg naar het aandeel (residentieel) verblijf

bij een zorgaanbieder. Dit verschuift van 41% in

2015, naar 45% in 2016 en in 2017 is het verder

gestegen naar 47%.

12%

6%

pleegzorg

residentieel verblijf met

jeugdhulpaanbieder

gesloten plaatsing

gezinsgericht

In 2015 was het

aandeel (residentieel)

verblijf bij een

zorgaanbieder nog

41%. In 2016 45%.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

23


Onderwijs-Jeugdhulp-Zorg

Coalitie passend onderwijs

Jeugdhulp-Zorg

Een ononderbroken ontwikkeling van alle kinderen staat hoog op de agenda van de brede

coalitie van onderwijspartijen, VNG, branches, cliënt- en ouderorganisaties en de ministeries

van VWS en Onderwijs. Gezamenlijk zetten zij de schouders eronder om deze maatschappelijke

opdracht waar te maken. Een goede samenwerking is daarbij onontbeerlijk. De sectorraad

samenwerkingsverbanden vo formuleerde hiervoor een basisdocument, met vijf uitgangspunten.

Ook voor po-scholen kan dit van belang zijn.

De coalitie formuleerde vijf leidende principes

om de samenwerking waar te maken:

1. De ononderbroken ontwikkeling van het kind

centraal.

2. Inclusief, passend en zo nabij mogelijk.

3. Samenwerken aan een integraal aanbod.

4. Partnerschap en regievoering.

5. Samen steeds beter worden.

De ononderbroken ontwikkeling van het kind

Om ervoor te zorgen dat kinderen zich op een goede

manier ontwikkelen zijn er een aantal zaken die aandacht

verdienen. Bovenaan de lijst staat de roep om vraaggericht

te werken en te denken vanuit het kind. Het streven is

om dit snel, preventief, op maat en in samenspraak met

partners en ouders te organiseren. Het kind en de ouders

zijn altijd betrokken bij de ondersteuningsvragen, doelen en

aanpak. Er is sprake van gezamenlijke besluitvorming. De

ondersteuning moet afgestemd zijn en elkaar versterken.

De leerrechten mogen centraal staan, net als het recht

op een schoolomgeving waarin sociale interactie met

leeftijdgenoten mogelijk is. Kinderen stromen in op

het onderwijsniveau dat aansluit bij een ambitieus

ontwikkelingsperspectief, waar mogelijk met uitzicht op

een diploma en loopbaanperspectief. Discussies over

financiering staan de uitvoering van de oplossing niet in

de weg. Organisaties voeren deze discussies zelf achter de

schermen.

Inclusief, passend en zo nabij mogelijk

In principe krijgt elk kind in de eigen leeromgeving

passende ondersteuning, en waar nodig ook de ouders.

Dan hoeft geen leerling de regio uit. Inclusief onderwijs

veronderstelt dat deelname aan het reguliere onderwijs

waar nodig wordt ondersteund met jeugdhulp, zorg en

onderwijsondersteuning vanuit het speciaal onderwijs. De

school fungeert als vind- en werkplaats. Jeugdhulp en zorg

in de school dragen bij aan het ontwikkelingsperspectief van

het kind.

Het uitgangspunt ‘regulier waar het kan en speciaal

waar het moet’ staat expliciet vermeld. Parallel aan de

beweging van de ambulantisering van de jeugdhulp

en zorg waarbij opname/verblijf in principe een korte,

intensieve episode is in een overwegend ambulante

behandeling, ambulantiseert ook het speciaal onderwijs.

Samenwerkingsverbanden passend onderwijs, gemeenten

en jeugdhulp- en zorgpartijen werken hiervoor passende

onderwijszorgarrangementen uit.

24


Samenwerken

Samenwerken aan een integraal aanbod

Onderwijs en jeugdhulp sluiten goed bij elkaar aan. Dat

betekent bijvoorbeeld dat de ene discipline niet boven

de andere staat. Bovendien versterken onderwijsdoelen

en behandeldoelen elkaar. Dit vraagt wel om erkenning

van eigen en elkaars expertise en de bereidheid van en

met elkaar te leren. Gemeenten, onderwijs, jeugdhulp en

zorg investeren in continuïteit in de werkrelatie. Ze leren

daarvoor elkaars taal en cultuur kennen. Bovendien doen

ze wat werkt. Dat vraagt om werken vanuit kennis, bij

voorkeur ondersteund door een aantal richtlijnen, aangevuld

met kennisdeling op casusniveau met collega’s geeft

professionals - leerkrachten, zorg- en jeugdhulpverleners

- een basis om te handelen en tegelijkertijd maatwerk te

bieden. Multidisciplinair overleg met school en wijkteam kan

hierop een waardevolle aanvulling zijn.

Partnerschap en regievoering

Het jeugdbeleid van gemeenten heeft aandacht voor

preventie, jeugdgezondheidszorg, jeugdhulp en jeugdbescherming,

zorg en passend onderwijs. Samenwerkingsverbanden

passend onderwijs stellen, in samenspraak

met gemeenten en partners, beleid ook beleid op. Beide

beleidsplannen zijn het best gericht op de bedoeling, de

ononderbroken ontwikkeling. Bij de uitwerking van de

afspraken in de praktijk, zijn kinderen en ouders betrokken.

Bij deze uitvoering is regie op maat mogelijk. Minimaal sluit

het lokale beleid aan bij dat van landelijk. Bijvoorbeeld dat

er in 2020 geen kind meer thuiszit zonder een goed aanbod

op school. De brede coalitie voegt aan deze ambitie toe dat

ieder kind binnen maximaal drie maanden zijn leerrechten

verzilveren.

Regionale samenwerking in beeld

Om de doelen van passend onderwijs te bereiken, werken

schoolbesturen samen in 77 samenwerkingsverbanden voor

het po en 75 samenwerkingsverbanden voor het vo. Om de

doelen van de Jeugdwet te bereiken, werken gemeenten

samen in 42 jeugdregio’s.

PO

VO

Jeugdhulp

Overzicht zorglandschap jeugdhulp

Hulp wordt zo nabij mogelijk geboden. De specialistische

jeugdhulp is een aanvulling op preventie en basisjeugdhulp.

Veel voorkomende specialistische jeugdhulp wordt in

de regio geleverd. Weinig voorkomende vormen van

specialistische hulp worden vaak bovenregionaal en waar

nodig landelijk georganiseerd. Het jeugdhulp-stelsel is

continu in ontwik- keling, inhoudelijk en organisatorisch:

(EBP=Evidence Based Practice: de goede jeugdhulpactiviteiten

van vandaag worden vervangen door betere als

daar wetenschappelijk onderbouwde aanwijzingen voor zijn).

Samen steeds beter worden

In de regio vindt verbinding en innovatie plaats. Dat is

gebaseerd op niet-vrijblijvende afspraken die bijdragen

aan wat de bedoeling is: de ononderbroken ontwikkeling

en het leerrecht van ieder kind centraal. De landelijke

partijen ondersteunen dit en bieden mogelijkheden voor

kansengelijkheid, kennisontwikkeling en zorgen voor ruimte

voor experimenten. Het lukt om samen steeds beter te worden

als van elkaar leren en ontwikkeling vanzelfsprekend is.

Vandaag leren we hoe we het morgen nog beter kunnen doen.

Auteur: Guus Beenhakker

Journalist.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

25


JAAR

SCHRIJF U IN

EN PROFITEER

VAN €50

LEDENKORTING!

THEMA: WANNEER ZIJN WE GESLAAGD?

In deze speciale lustrumeditie stellen wij ons de vraag: wanneer zijn we

geslaagd? Of liever: wanneer vìnden we dat passend onderwijs geslaagd is?

Een makkelijke vraag met een moeilijk antwoord, zo blijkt wel. En als we een

antwoord (kunnen) formuleren: wat moeten wijdan doen om dat te bereiken?

WAARVOOR GESLAAGD?

JOS GERARDS - DAGVOORZITTER

De vraag wanneer we geslaagd zijn,

kan alleen maar beantwoord worden

vanuit het besef waartoe we leerlingen

opgeleiden. In navolging van Biesta

(2014) betoogt Jos Gerards dat resultaten

niets zeggen over het waartoe leerlingen

opgeleid worden. In zijn lezing zet Jos

Gerards de doelen en functies van het

onderwijs(bestel) nog eens op een rij.

OVER DE IDIOTIE VAN ALLES WILLEN TOETSEN

IONICA SMEETS

Meten is weten, maar je kunt lang niet

alles vatten in een reeks getallen. Hoeveel

zegt het bijvoorbeeld als een leerling bij

een toets afwijkt van het gemiddelde?

Ionica Smeets kijkt met een wiskundige

blik naar toetsen en waarschuwt voor

wat daarbij allemaal mis kan gaan. Ze

geeft voorbeelden van onhandig gekozen

definities, maar ook van juist bijzonder

goed gekozen testen.

GEDIFFERENTIEERD ONDERWIJS VERGROOT ONGELIJKE KANSEN

EDDIE DENESSEN

Volgens Eddie Denessen kan differentiatie

de kansenongelijkheid van kinderen juist

vergroten in plaats van verkleinen. Hij

gaat in op factoren die binnen de school

van invloed zijn op de schoolloopbanen

van kinderen met verschillende sociaalculturele

achtergronden. Hij maakt

inzichtelijk welke factoren onderwerp

zouden moeten zijn van het

gelijkekansenbeleid op scholen.

26


Passend onderwijs in 1 dag!

12 FEBRUARI 2019 - JAARBEURS UTRECHT

Gebruik de antwoordkaart of ga direct naar www.pocongres.nl

10-14 ONDERWIJS

CAMYRE DE ADELHART TOOROP

Spring High in Amsterdam Nieuw-West

heeft een vernieuwend en actief onderwijsconcept

waarin jongeren zichzelf en

hun talenten ontdekken. De eindgroepen

van het po en de beginklassen van het vo

volgen samen onderwijs in één gebouw.

Er zijn doorlopende leerlijnen: pedagogisch-didactisch

en vakinhoudelijk. Hiermee

behoort ook het vroegtijdig selecteren

van leerlingen tot het verleden.

BEKWAME LERAREN EN TOETSDRUK

EMIEL VAN DOORN

Onze leraren zijn heel bekwaam in

het geven van instructie en in het

begeleiden van leerlingen. Ze worden

echter afgerekend op het toepassen

van instructiemodellen, toetsresultaten

en procedures. Laten we ons richten op

het bewust maken van leerlingen van

hun talenten en mogelijkheden, en hen

‘probleemeigenaar’ maken van hun

ontwikkelvragen.

PASSEND ONDERWIJS ZÓNDER SBO SCHOLEN!

BAS WESSELDIJK

Door de daling van het deelnamepercentage

van de sbo-scholen binnen het

swv PO de Meierij is uiteindelijk door de

schoolbesturen de keuze gemaakt om

definitief te stoppen met het aanbieden

van (apart) speciaal basisonderwijs. Wat

is het gevolg van deze beleidskeuze voor

het regulier en speciaal onderwijs in de

Meierij? Hoe beleven ouders, leraren en

kinderen de afbouw van het sbo?

IEDEREEN DOET MEE

BART VAN KESSEL

Iedereen doet mee. Dan pas zijn we

geslaagd. Van thuiszitten naar anders

leren. Om dit mogelijk te maken moeten

wij scholen anders organiseren. Onze

gedachten (bedachte constructen in

ons hoofd) en verworven routines zitten

echter in de weg; het moet vrijer en

flexibeler. Als creatief en flexibel mag,

wie is er dan nog handelingsverlegen?

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

27


Boeken en literatuur

Handboek professionele schoolcultuur

Henk Galenkamp & Jeanette Schut: Handboek professionele schoolcultuur. Focus op koers en gedrag.

Uitgeverij Pica, Huizen. 2018. 208 p. Prijs 24,95 euro ISBN 978942525000

De auteurs stellen dat ´in een

professionele cultuur leidt het

gedrag van mensen tot het

behalen van de doelen van

de school en tot toename

van het welbevinden van

jezelf en anderen’. Gedrag

dat niet aan deze criteria

voldoet, wordt op vriendelijke

en duidelijke wijze

effectief begrensd, zie ook kadermodel professionele

schoolcultuur. De opdracht van leidinggevenden is

ervoor zorgen dat een ongezonde cultuur omgebogen

wordt. Volgens de auteurs is een helder koerstraject

noodzakelijk en komt het aan op communicatie en

gedrag als leidinggevende. Ook staan er cases en

praktische handreikingen vermeld. Terecht wordt in

het boek aandacht gevraagd voor de ijsbergstructuur

van Vanbergenhenegouwen en Mooiman. Er zijn

vier niveaus waarop je naar een professional moet

kijken, te weten vakkennis en vaardigheden (1),

intermediaire vaardigheden (2), waarden, normen,

beroepsethiek (3) en tenslotte zelfbeeld, motieven,

gedrevenheid (4). Afgesloten wordt met ´Vragenlijst

bij de 100-dagen opdracht´, nawoord en literatuur. Het

is goed dat de auteurs aangeven dat de moeilijkheid

voor de leidinggevende zit in het vierde criterium: het

begrenzen van gedrag dat niet hiertoe leidt. Daar is

niet alleen lef voor nodig, het is ook een leerproces om

dit zorgvuldig, stevig en tegelijkertijd liefdevol, te doen.

Een inspirerend en uitdagend boek dat ik van harte

aanbeveel.

Hoe positieve psychologie jouw impact kan vergroten

Tal Ben-Shahar & Angus Ridgway: Positief leiderschap. Hoe positieve psychologie jouw impact kan vergroten.

Uitgeverij OMJS, Helmond. 2018. 270 p. Hardcover. Prijs: 29,95 euro. ISBN 9789079336272

De factor 10 wordt geïntroduceerd. Factor 10-leiders

laten alles moeiteloos lijken. Zij brengen het beste in

iedereen naar boven, waardoor teams en organisaties

beter worden. Dat vraagt om een nieuw paradigma

voor leiderschap. De kern, de essentie, van effectief

leiderschap is persoonlijke bloei. Het doel van dit boek is

lezers info aan te reiken over de gedragingen die goede

leiders maken tot wie we zijn en hoe anderen dit gedrag

in praktijk brengen. In dit boek komen telkens twee

vragen aan de orde:

• Hoe kan ik in mijn rol als leider de organisatie

helpen om gezamenlijke doelen te halen?

• Hoe kan ik mijn rol als leider mezelf en de mensen

om me heen laten floreren?

Het boek bestaat uit drie delen. In deel I introduceren

de auteurs hun visie op leiderschapsontwikkeling,

waarbij zij organisatiewetenschap en positieve

psychologie combineren en bestaande mythes

ontkrachten. In deel II bespreken de auteurs

hun onderzoek naar factor 10-leiders en factor

10-organisaties. In deel III beschrijven de auteurs de

moeilijkheid om duurzame veranderingen te realiseren.

Het leiderschapsprogramma is uitgevoerd, onderzocht

in verschillende contexten zoals zakenwereld, overheid,

wetenschap, de academische wereld en andere

domeinen. Het boek vraagt toch nog om een vertaalslag

naar de onderwijssector. Het biedt wél een goede

spiegel voor leidinggevenden.

28


BESPROKEN BOEKEN

DIRECT BESTELLEN?

GA NAAR:

WWW.INSTONDOBOEKEN.NL/NIEUW

Media

Nee, dan Finland

De kracht van ons onderwijs

René Leverink: Nee, dan Finland. De kracht van ons onderwijs.

Ten Brink Uitgevers, Meppel. 2018. 168 p. Prijs: 12,95 euro. ISBN 9789077866467

De auteur, een onderwijsjournalist, verbaast zich over

de voortdurende kritiek op het onderwijs. Het is nooit

goed of het deugt niet. Hoe zit het feitelijk? Daartoe is

hij het gesprek aangegaan met een aantal kenmerkende

personen in het onderwijsveld. Uit die interviews komen

interessante observaties naar voren. Zaken die de aandacht

vestigen op specifieke punten. Dan gaat het bijvoorbeeld

op langlopend onderwijsonderzoek dat maar moeilijk van

de grond komt. De stelling van Jos van Kemenade dat het

onderwijs dynamisch van aard dient te zijn gelet op de

maatschappelijke ontwikkelingen. Een ander vraagt om ‘het

vak teruggeven aan de

leraar’. Kan het onderwijs

alleen maar veranderd worden op basis van onderzoek?

Hebben we voldoende oog voor vakinhoudelijk onderwijs?

De waarde en de invulling van burgerschapsonderwijs.

De school moet meer zijn dan een leerfabriek. Komt het

persoonlijk contact tussen leraar en leerlingen niet in het

gedrang? En wordt er aandacht gevraagd voor het rapport

Schnabel. In een vlotte stijl geschreven boek, dat aandacht

vraagt en aardige beschouwingen aanreikt. Die kunnen een

aanzet vormen tot reflectie.

Materialen:

Het spel der ongeschreven regels. Verander op speelse wijze patronen in teams.

Firijn. 2018. Prijs: 24,95 euro. ISBN 9789082727722. Ongeschreven regels, bijbehorend boek kost 22 euro.

Dit teamspel gebruik je om patronen in de samenwerking scherp te krijgen, bespreekbaar te maken en te

veranderen. Dit spel helpt om:

• spannende zaken op een luchtige manier bespreekbaar te maken;

• van het probleem van enkelen het probleem van velen te maken;

• de urgentie van bepaalde patronen te versterken of te veranderen, te vergroten;

• elkaar in de dagelijkse praktijk scherp te houden op de ongeschreven regels.

Yolanda van Dongen: Bouwen aan vertrouwen. Bouwen aan het

vertrouwen bij jezelf en het team (spel). Talentengenerator. 2015.

Prijs: 17,50 euro. EAN 871795320574.

Het spel is in te zetten voor:

• versterken van samenwerking;

• intervisie;

• themadagen;

• eigen en-of teamreflectie;

• teamcoaching;

• individuele coaching.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

29


SWV In The Picture

Pierre den Hartog

Rien Strootman

Passend onderwijs

in de Hoeksche Waard:

eigenzinnig, maar het lukt

Het samenwerkingsverband Hoeksche Waard is met vijf schoolbesturen, veertig scholen

en ongeveer 6000 leerlingen een klein samenwerkingsverband. Maar wel eigenzinnig. Die

eigenzinnigheid heeft ervoor gezorgd dat de regio als een op zichzelf staand verband bleef

opereren en geen onderdeel werd van ‘het grote Rotterdam’, zoals Rien Strootman en Pierre

den Hartog het benoemen. Beide heren staan aan het roer van de Hoeksche Waard en schetsen

trots wat is bereikt.

“Hier slaagt passend onderwijs”, zegt Den Hartog. “Altijd

als er negatieve berichten in de media zijn over passend

onderwijs, dan kan ik met blijdschap naar onze regio

kijken.” De bedding op het eiland Hoeksche Waard

wordt belangrijk gevonden. Onder de geformuleerde

missie ‘Geen kind het dorp uit, geen kind het eiland

af’ zet het onderwijs zich in om kinderen thuisnabij en

passend een aanbod te geven. En dat werkt, zo wijzen

de cijfers uit. Er zijn geen thuiszitters en het aantal

leerlingen in so en sbo daalde de afgelopen jaren met

meer dan 20 procent. “En toch sturen we niet op de

getallen”, zegt Strootman. “In geen enkel plan hebben

we een target opgenomen. Daar zijn wij wars van.

Passend onderwijs is een zaak van vele knoppen en

dus van vele processen. De essentie is om voortdurend

de processen te optimaliseren.” Daarin beluisteren we

‘Rijnlands denken’ en schemert de eigenzinnigheid door

waardoor het eiland autonoom is gebleven en geen

onderdeel is geworden van een groter verband.

Autonomie

Autonoom is ook een goed woord voor het uitgezette

beleid. Onder autonoom wordt de vrijheid om vanuit

verlangen te leven verstaan. Dat schept reflectie en

intrinsieke motivatie. Het samenwerkingsverband

is in 2013 opgericht, dat is geruisloos gegaan. “We

zijn gestart met de inhoud, daarna hebben we de

organisatie eromheen geregeld”, blikt Den Hartog terug.

“Samen met de scholen hebben we een duidelijk beeld

gevormd van onze pedagogische opdracht. Daarbij

hebben we niet alleen de besturen betrokken, maar ook

zoveel mogelijk leraren, ib’ers en andere teamleden. Zij

moeten uiteindelijk ervoor zorgen dat de leerlingen het

beste onderwijs krijgen.”

Om leerlingen het beste onderwijs te geven, krijgen

de scholen in ruime mate de autonomie over de

besteding van middelen. Het swv hanteert een mix van

schoolmodel en expertisemodel. Voor 2019 staat €250

per kind in het regulier onderwijs en €1300 voor een

30


SWV

kind op het sbo begroot. In het samenwerkingsverband

wordt, afgezien van de arrangementen sbo en so, niet

gewerkt met arrangementen. “Dat staat haaks op

onze definitie van autonomie. Directeuren hebben

voldoende kennis en overzicht om zelf te arrangeren”,

vindt Den Hartog. “We vinden het belangrijk dat het

geld op de werkvloer terechtkomt en op adequate wijze

wordt besteed aan met name het optimaliseren van

het handelen van de leraar. Dat kunnen directeuren

goed zelf, die weten precies hoe zij vorm kunnen

geven aan onze ambities van passend onderwijs, zoals

geformuleerd in het ondersteuningsplan.” De scholen

zijn verplicht om in het schoolondersteuningsprofiel

ook een financiële paragraaf op

te nemen en deze te publiceren in

de schoolgids. Zo maken scholen

ook voor ouders inzichtelijk

waar het geld heen gaat en

welke financiële keuzes er zijn

gemaakt. “Vervolgens bezoeken

we de scholen om in gesprek te

gaan over hun ondersteuningsprofiel, hun besteding en

hun wensen en ideeën aangaande passend onderwijs.”

Let wel, die autonomie is niet oneindig. De vrijheid

is er binnen een duidelijk en gemeenschappelijk

referentiekader. We noemen het vrijheid in

gebondenheid. Iedereen moet wel dezelfde taal kunnen

spreken”, stelt Strootman. “Op die taal moet je gespitst

blijven en continu aandacht geven.”

Ouders

Het samenwerkingsverband kent ouders het recht toe

om net als de scholen hun kind aan te melden bij de

toelaatbaarheidscommissie. Dat is inherent aan vrijheid

van onderwijs. Ouders blijken ook veel gebruik te maken

van de helpdesk van het samenwerkingsverband. Den

Hartog: “Zo vergroot je de betrokkenheid van de ouders.

Bij iedere aanmelding is het standaard dat we de

ouders thuis bezoeken. Ouders ervaren dit als prettig.

Ze worden gehoord en kunnen vaak hun hart luchten.”

Strootman: “Omdat ouders zelf ook een beschikking

kunnen aanvragen, merken we dat scholen geneigd zijn

om eerder op een goede manier in gesprek te gaan met

ouders. Zodat contact met hen direct tot stand komt

en niet via het samenwerkingsverband. We proberen

ouders daarmee het woord terug te geven; en om ze om

eigenaarschap te laten behouden over de ontwikkeling

van hun eigen kind.”

Partners

Scholen kunnen dus zelf arrangeren en kopen daartoe

geregeld externe experts in om het handelen van de

leerkrachten te optimaliseren. Al deze mensen moeten

het ondersteuningsplan van harte onderschrijven.

“De toevoeging ‘van harte’ is het belangrijkst”, zegt

“In geen enkel plan

hebben we een target

opgenomen. Daar zijn

wij wars van.”

Strootman. “Structureel

voeren we met de experts

gezamenlijke overleg om

het ondersteuningsplan

te bespreken, zodat we

inderdaad allemaal dezelfde

taal (blijven) spreken. De

zzp’ers betalen we voor die

overleggen, we vinden het van belang dat ook zij precies

op de hoogte zijn. Vervolgens kunnen wij scholen een

lijst met mensen bieden waarvan we met zekerheid

kunnen zeggen dat ze volgens het gedachtegoed van

ons ondersteuningsplan werken. We hebben ze immers

meegenomen in ons denken.”

Passend onderwijs

Passend onderwijs is volgens Strootman en Den Hartog

dus aardig gelukt in de Hoeksche Waard. Ondanks dat

het hier gaat om een klein samenwerkingsverband

denkt de directie dat passend onderwijs in elke regio

kan slagen. “Ik merk dat het vaak wat groter gemaakt

wordt dan het is”, bekent Den Hartog. “Feitelijk praten

we alleen over de leerlingen waar je geen antwoord

op hebt. Dan begeleiden we een dergelijk kind naar

de juiste plek zodat het wel klikt. Meer is het niet. Het

gaat erom mensen te bewegen naar de juiste waarden,

zonder dat op te blazen. Het gaat om denken in kansen

en succes kan hem in heel kleine dingen zitten.”

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

31


Tweede Kamer

Passend onderwijs

in debat

Na het debat over passend onderwijs in juli, heeft de Tweede Kamer bij de behandeling

van de onderwijsbegroting opnieuw gesproken over passend onderwijs en de rol van de

samenwerkingsverbanden. Daarbij ging het in het bijzonder over het signaal dat er nogal veel

geld bij de samenwerkingsverbanden ‘op de plank’ ligt, terwijl dat geld eigenlijk bestemd

is voor het ondersteunen van leerlingen op scholen. Verder zijn vraagtekens gezet bij de

samenwerkingsverbanden als verplichte organisatievorm in de regio in de vorm van de motie

Westerveld (GroenLinks).

Vanzelfsprekend is het goed dat in de Tweede Kamer

regelmatig het debat gevoerd wordt over passend

onderwijs en de manier waarop dit in de praktijk vorm

krijgt. Ieder kind hoort toegang te hebben tot goed

onderwijs en voor die kinderen die dat nodig hebben,

moet extra ondersteuning ingezet kunnen worden.

Het is best begrijpelijk dat kritische vragen

gesteld worden over onnodig hoge reserves bij

samenwerkingsverbanden. Spijtig is dat de vraag niet

wordt gesteld waar die reserves precies vandaan komen.

In een recent onderzoek dat door het Netwerk LPO en

de Sectorraad Samenwerkingsverbanden VO bij alle

samenwerkingsverbanden is uitgezet, blijkt dat een groot

deel van de reserves te verklaren zijn vanuit een drietal

oorzaken. Ieder samenwerkingsverband krijgt aan het

eind van het jaar een nabetaling vanuit OCW vanwege

onder andere cao-verhogingen en indexeringen.

Daarnaast kampen veel samenwerkingsverbanden

met geld dat is gereserveerd voor projecten, waarvan

de uitvoering vertraagd is. Tot slot blijkt dat de

gereserveerde middelen voor arrangementen en

toelaatbaarheidsverklaringen niet volledig worden

benut. Als we deze verklaringen zetten tegen het beeld

dat samenwerkingsverbanden bewust geld op de plank

laten liggen, dan klinkt dat toch anders dan ‘geld op de

plank leggen’.

En zeker heeft de wetgever bedoeld dat samenwerkingsverbanden

de verbinding in de regio leggen en bedragen

tot een passende onderwijsplek voor elk kind.

En ja, niet in elke regio wordt die gezamenlijke

verantwoordelijkheid ook gezamenlijk vormgegeven.

Maar als Kamerleden zich baseren op onderzoeken,

waarin de eerste onderzoeksvraag luidt: om welke

redenen bent u niet tevreden over het samenwerkingsverband

van de school? Wat verwacht je dan dat leraren

gaan antwoorden, als ze toch al moeite hebben om

tegemoet te komen aan alle eisen die aan hen gesteld

worden. Dan kun je toch niet verwachten dat er een

genuanceerd beeld ontstaat van het functioneren van

samenwerkingsverbanden. Dan vertelt niemand het

verhaal van het kind dat eerst een vrijstelling van de

leerplicht had en nu in een gezamenlijke inspanning

32


Politiek

van onderwijs en jeugdzorg

een plek op een school heeft

gekregen. Niemand vertelt van

de verhuisleerling, die in het

nieuwe samenwerkingsverband

in plaats van op een sboschool

op een reguliere school

geplaatst kan worden met een

ondersteuningsarrangement

vanuit het

samenwerkingsverband.

Niemand vult dan spontaan

aan, dat medewerkers van het

samenwerkingsverband samen

met jeugdzorgmedewerkers

onderzoeken hoe thuiszitters

alsnog een onderwijsplek

kunnen krijgen.

Als voorzitter van het Netwerk Leidinggevenden Passend

Onderwijs (LPO) doe ik daarom een beroep op alle samen-

werkingsverbanden om actief Tweede Kamerleden uit

te nodigen in de regio om hen deelgenoot te maken

van wat er speelt in de regio. Hen te vertellen over de

mooie en soms minder mooie verhalen over hoe passend

onderwijs in de regio gestalte krijgt met alle stakeholders

die daarbij betrokken zijn: ouders, leerkrachten, ib’ers,

directeuren, schoolbesturen, gemeenten, zorgaanbieders,

enzovoorts. De samenwerkingsverbanden zijn de spin in

het web van alles wat van belang is om een passende

onderwijsplek voor kinderen te realiseren. En dat willen

“Als voorzitter van

het Netwerk LPO doe

ik een beroep op alle

samenwerkingsverbanden

om Tweede

Kamerleden uit te nodigen

in de regio om hen

deelgenoot te maken van

wat er speelt.”

we graag aan iedereen laten

zien en zeker aan de leden

van de vaste Kamercommissie

voor Onderwijs, Cultuur en

Wetenschappen. De motie

Westerveld heeft het overigens

in de Tweede Kamer niet

gehaald, maar het zou niet

nodig geweest moeten zijn

om de motie in te dienen,

omdat duidelijk had moeten

zijn wat de waarde van de

samenwerkingsverbanden

is. Laten we die handschoen

gezamenlijk oppakken en het

debat over passend onderwijs

samen voeren.

Auteur: Jack Biskop

Voorzitter Netwerk LPO.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

33


Onderzoek Passend Onderwijs

Onderzoek: Instroom bij het

speciaal basisonderwijs

In het kader van de Landelijke Evaluatie Passend Onderwijs is onderzoek gedaan naar de

instroom en de problemen van leerlingen in het sbo. De aanleiding was dat er geruchten gaan

dat leerlingen er steeds later instromen en dat de problematiek almaar toe zou nemen. Het

onderzoek is uitgewerkt door de NRO over een periode van 2008 tot 2018. Dit lange traject is

gekozen om goed uitspraak te kunnen doen over trends en loopbanen van leerlingen.

Inderdaad stromen leerlingen steeds later bij het sbo in

sinds 2015. Er werd verondersteld dat de invoering van

passend onderwijs hierin wel eens een rol zou kunnen

spelen. Reguliere scholen zouden de leerlingen die

ze voorheen zouden verwijzen immers langer bij zich

houden. Maar in de jaren ervoor vond een constante

daling van het aantal leerlingen plaats. Overigens

gaat het hierbij niet om leerlingen met een zwaardere

problematiek. Tevens hield het NRO het succes van

sbo-leerlingen in het vo tegen het licht. Vanuit het vo

klonk de verwachting dat deze leerlingen het vaker

goed doen. Dit blijkt volgens het rapport mee te vallen.

Sterker, de leerlingen uit het sbo zijn in het vmbo

minder succesvol.

Het probleem voor het sbo met later instromende

leerlingen was vooral dat het steeds lastiger wordt om

hun ontwikkeling op peil te krijgen. Ook de vermeende

zwaardere problematiek zou de goede ontwikkeling van

de leerlingen in de weg zitten. Sbo-scholen ervaren dat

het lastiger wordt om leerlingen goed voor te bereiden

op het voortgezet onderwijs.

Tegelijkertijd leeft in het sbo-veld de indruk dat het

hen niettemin lukt om hun leerlingen succesvol te laten

zijn in het vo. Dit succes is mogelijk nog groter bij de

leerlingen met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften

die uitstromen vanuit het regulier basisonderwijs.

Bron: Kenmerken van leerlingen in het speciaal

basisonderwijs – NRO 2018.

34


Column

127 keer meester

Mijn missie is om het onderwijs meer relatiegericht te laten zijn.

Mijn doel is om leerlingen thuisnabij onderwijs te bieden en te

voorkomen dat leerlingen uit ons onderwijssysteem vallen. Ik

observeerde de afgelopen vijf jaar in 250 lokalen. Mijn aanbeveling:

neem de tijd om te zien welke (psychologische) behoefte elke

leerling nodig heeft en leer zijn taal te spreken.

Auteur: Jelte van der Kooi

Bedenk eens op hoeveel manieren je het woord ‘meester’ kunt

uitspreken? Twaalf, zevenentachtig of misschien wel op honderdzevenentwintig manieren. Volgens mij heb

ik ze vanmiddag allemaal gehoord: zacht, hard, fluisterlispelend, enthousiast, fijntjes, boers, aardig, ……

Met groep 3 en 4 duik ik het bos in omdat we de herfst willen ruiken, proeven, horen, voelen, ondergaan.

‘Meester, paddenstoelen!,’ hoor ik op een schreeuwkermende toon. ‘Meester, kijk, een elfenbankje’, klinkt

het vlak daarna nieuwsgierig. ‘Meheheeester. Meheheeeester’, klinkt het zeurderig enthousiast als iemand

tamme kastanjes heeft gevonden.

‘Meester’, klinkt het op verschrikte toon. ‘Die paddenstoel heb ik per ongeluk omsteboven gelopen.’

‘Meessssterrrrrr, kom eens,’ gilt Paul tetterend hard vlak bij mijn oor. Hij heeft geweldig grote herfstige

bladeren in zijn hand. Elk blad lijkt op de hand van een reus, elk blad lijkt weggelopen uit het sprookjesbos

van kabouters en elfjes, uit het bos waar paddenstoelen huisjes zijn en elfenbankjes uitruststoelen. Hij

zwaait er trots mee in het rond en alle kinderen die vlak bij me staan willen ook van die reuzehanden

hebben. We zwerven en dwalen, we kijken en genieten, we botsen tegen takken en tegen elkaar.

‘Meester, kijk, een gracht’, klinkt verschrikt tussen de bomen over de mossige bodem. Ik besef dat we

deze gracht, deze gigantische kuil over moeten. Ik ga erin staan en zwaai alle kinderen zwevend door de

lucht naar de overkant. Alle? Nee, een paar allesdurvers overwinnen zelf de hindernis en springen naar de

overkant. We komen na de herfstboswandeling weer bij school en richten een herfsttafel in. ‘Meester’,

zegt Paul op de honderdzesentwintigste manier waarop je het woord ‘meester’ kunt uitspreken, de

manier die niet met woorden te omschrijven is: ‘Meester, bedankt voor deze mooie middag hè.’

‘Jij bedankt Paul. Ik vond het ook een geweldige middag met jullie allemaal.’

Trots gaan de kinderen naar huis. Met in een tas bladeren, kastanjes, beukennootjes en een gouden

herfst ervaring die niemand ze ooit meer afneemt.

En ik? Ik ga nagenietend naar huis met 127 keer “meester” in the pocket!

Taibi Kahler, Amerikaans klinisch psycholoog, ontdekte voorspelbare en meetbare patronen in de

interactie tussen mensen, zowel positieve als negatieve. Ook ontdekte hij de relatie tussen deze

communicatiepatronen en negatief stressgedrag. Hij ontwikkelde het ‘Process Communication Model’

(PCM), en zijn uitspraak: “Als je wilt dat ze horen wat je zegt, spreek dan hun taal” is mijn motto. Mijn

motto, missie en doel bereik ik wanneer ik ook geniet van onbevangenheid. En juist daar wil ik je

deelgenoot van maken, omdat onderwijs behoefte heeft aan persoonlijke verhalen die de relatie centraal

stellen; kleine geschiedenissen die je doen beseffen dat je ooit koos voor een baan in het onderwijs om

leerlingen te helpen groeien.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

35


De Wet Biedt Maatwerk

Variawet:

Maatwerk in onderwijstijd

Dit schooljaar is de zogenoemde Variawet in werking getreden. Deze wet geeft scholen ruimte

om een oplossing op maat te vinden voor leerlingen die vanwege psychische of lichamelijke

beperkingen tijdelijk niet het volledige dagprogramma volgen op school. Zij volgen dan een deel

van het lesprogramma op een andere onderwijslocatie of zitten op een vorm van dagbesteding bij

een zorginstantie.

Voor deze leerlingen moet in een ontwikkelingsperspectiefplan

(opp) beschreven staan welk alternatief

programma zij volgen en met welk doel. Tussen de twee

betrokken scholen moet er een ‘symbiose overeenkomst’

worden gesloten of een contract voor ‘het meetellen

onderwijstijd’. Symbiose geldt voor een kind uit het s(b)

o, dat onderwijs volgt op een reguliere school. Meetellen

van onderwijstijd geldt voor een kind uit het regulier

onderwijs dat tijdelijk een arrangement in het s(b)o volgt.

De Onderwijsinspectie hanteert in beide gevallen de regel

dat er maximaal 60 procent van het onderwijsprogramma

kan worden gevolgd op een andere school dan waar de

leerling staat ingeschreven. Er was tot voor kort eigenlijk

geen goede regeling voor arrangementen langer dan 3

maanden of meer dan 60 procent onderwijstijd. Daar is nu

verandering in gekomen. De Variawet stelt dat leerlingen,

die tijdelijk geen of onvolledig onderwijs volgen, geen

vrijstelling van (algehele) leerplicht meer hoeven te krijgen.

Daarmee is het nu mogelijk om leerlingen maatwerk in

onderwijstijd te kunnen aanbieden.

Samenvatting: Leerlingen

Categorie 1

Leerlingen in (V)SO

Categorie 2

Medisch of paramedische behandeling of ziekte

Categorie 3

Geïnstitutionaliseerde leerlingen

Categorie 4

Vanwege lichamelijke of psychische redenen

Aanvraag en vereisten

Geen aanvraag bij de inspectie als de behandeling onder schooltijd

noodzakelijk is. Behandeltijd is dan onderwijstijd.

Regelen via leerplicht conform artikel 11 onder d van de LPW.

Conform artikel 12 van de LPW registeren in de verzuimregistratie.

Er is sprake van geoorloofd verzuim.

Geen aanvraag bij de inspectie als aan voorwaarden is voldaan aan

de criteria van behandeling, verklaring en duur en planning.

Altijd een aanvraag indienen bij de inspectie onderbouwd aan de

hand van het ontwikkelingsperspectiefplan in het leerlingendossier.

36


Leidinggeven

Variawet

Vier categorieën

In vier situaties kan het voorkomen dat een leerling

structureel niet deelneemt aan het onderwijs van de klas

waarin hij is geplaatst.

1. Vanwege noodzakelijke behandeling ter ondersteuning

van het onderwijs aan een leerling in het speciaal

onderwijs. Voor deze leerlingen hoeft geen aanvraag

te worden ingediend wanneer:

a. Kan worden aangetoond dat de behandeling tijdens

schooltijd noodzakelijk is. Een aanvraag is in deze

gevallen niet nodig omdat de behandeltijd hiermee is

gekwalificeerd als onderwijstijd.

b. Het bevoegd gezag in het opp heeft vastgelegd op

welke wijze de behandeling ondersteunend is voor het

onderwijs.

2. Als het gaat om leerlingen in het speciaal - en het

regulier basisonderwijs.

a. Wanneer tijdens schooltijd een medische of

paramedische behandeling nodig is en een

leerling om die reden niet kan deelnemen aan de

onderwijsactiviteiten.

b. Wanneer een leerling als gevolg van een chronische

vermoeidheidsstoornis of een andere aandoening niet

in staat is de hele schooltijd op school aanwezig te zijn.

3. De situatie waarin leerlingen die een inrichting,

een gesloten instelling of een residentiële instelling

bezoeken, waarmee de school een samenwerkingsovereenkomst

heeft gesloten.

Deze leerling volgen maximaal 3 maanden het

onderwijsprogramma op een andere school

en zijn formeel afwezig op de eigen school. Voor

deze leerlingen moet bij de inspectie een aanvraag

worden ingediend wanneer het wettelijk voorgeschreven

minimum aantal uren onderwijs niet

wordt gehaald.

4. Voor alle andere leerlingen die zijn ingeschreven

op een so-school of een basisschool voor wie geldt

dat zij vanwege lichamelijke en/of psychische

redenen niet volledig aan het onderwijs deelnemen

moeten scholen een aanvraag indienen.

Beleidsregel inspectie

De toestemming om af te wijken geldt voor het lopende

schooljaar. Na een jaar wordt de situatie van de leerling

en de aanpak in het opp geëvalueerd. Wanneer het

binnen het schooljaar niet is gelukt om de leerling weer

het volledige onderwijsprogramma te laten volgen,

moet de school extra motiveren wat het er aan doet

om het jaar erna alsnog aan dat vereiste te voldoen.

Het besluit om af te wijken wordt onderbouwd door een

kinder- of jeugdpsycholoog, een (ortho)pedagoog, een

kinderpsychiater of een arts. De aanvraag voor afwijking

van het verplichte minimum aantal uren onderwijstijd

en de aanvraag voor een ontheffing bij de inspectie

van het onderwijs wordt ingediend door de school of

instelling. Scholen kunnen een ander mandaat verlenen

om de aanvraag in te dienen, dit moet wel in een

mandaatbesluit of managementstatuut zijn vastgelegd.

In deze aanvraag worden de volgende zaken vermeld:

• Het Brin-nummer, de naam en het adres van de

school.

• De naam en de geboortedatum van de leerling.

• Een afschrift van een document waaruit blijkt

dat de ouders instemmen met de aanvraag. In

voorkomende gevallen betreft dit de instemming

van de meerderjarige en handelingsbekwame

leerling.

• Een onderbouwing van de aanvraag:

a) voor hoeveel uren per week en gedurende welke

periode gedurende het schooljaar de afwijking

wordt aangevraagd;

b) dat voor de leerling een opp is opgesteld.

De inspectie controleert tijdens het reguliere toezicht

steekproefsgewijs of scholen terecht om afwijking

onderwijstijd hebben verzocht. Het gesprek met de

inspectie gaat over de aanvragen en over welk beleid

het bestuur voert om voor alle leerlingen een passende

oplossing binnen de school te vinden en te voorkomen

dat leerlingen uitvallen in het onderwijs.

Bron: RSV Breda e.o. Geïnteresseerd in een aanvraagformulier?

www.pomagazine.nl/variawet.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

37


Netwerk LPO

Samen gaat het beter

Auteur: Jack Biskop

Voorzitter Netwerk

Leidinggevende

Passend Onderwijs.

‘You are not alone’, zong Michael Jackson een hele tijd geleden. En

gelijk had hij. Het realiseren van passend onderwijs is niet iets dat

je alleen doet. De leraar staat er niet alleen voor, de school staat er

niet alleen voor, de schoolbesturen staan er niet alleen voor en ook

de samenwerkingsverbanden staan er niet alleen voor. Onderwijs

staat er niet alleen voor en jeugdzorg staat er niet alleen voor.

Iedereen die zich in Nederland met kinderen bezighoudt, staat niet

alleen, maar kan een beroep doen op ondersteuning om hem of

haar heen. Dat klinkt heel mooi en heel veel mensen zullen dat ook

beamen. De structuren en afspraken zijn nu veelal wel bekend; en

eigenlijk hebben we dat ook best al goed geregeld.

Toch komt uit veel onderzoeken naar passend onderwijs en naar jeugdzorg een ander beeld naar

voren. Namelijk het beeld dat de professional die op de werkvloer met het kind bezig is, zich vaak wél

alleen voelt staan. Die signalen komen niet alleen uit onderzoeken, maar die zien en horen we ook

terug als er op tv een programma is over passend onderwijs of over jeugdzorg en we horen het terug

als de Tweede Kamer hierover debatteert. Kennelijk slagen wij, als professionals en smaakmakers,

binnen het domein van passend onderwijs er niet voldoende in om de leraar duidelijk te maken én

te laten voelen dat zij er inderdaad niet alleen voor staat. Zoveel leraren werken dag met hart en

ziel aan het onderwijs voor onze jonge generatie. Iedere leraar doet haar uiterste best om het beste

uit kinderen te halen. Gaat het niet linksom dan rechtsom. En natuurlijk kent iedere school zijn

ondersteuningsstructuur. Er zijn op alle scholen mogelijkheden voor extra ondersteuning. Het geld

voor passend onderwijs is ook beschikbaar om die extra ondersteuning vorm te geven. En toch voelt de

leraar zich vaak alleen staan.

In de brief die minister Slob in de aanloop van het debat op 2 juli naar de Tweede Kamer stuurde

gaf hij aan dat hij leraren beter wil betrekken bij passend onderwijs. Hoewel ik me afvraag of dat

via bijvoorbeeld een nauwere betrokkenheid van MR wel gaat lukken, heeft hij een punt. Leraren

weten vaak onvoldoende dat extra ondersteuning beschikbaar is. Het geld voor facilitering van

passend onderwijs is niet duidelijk zichtbaar op school en in de klas. Daar zouden de leidinggevenden,

beleidsmakers én schoolbesturen een bijdrage aan kunnen leveren.

De communicatie over de ondersteuningsmogelijkheden kan en moet beter. Wij zullen met zijn allen

moeten zorgen dat die leraar op de werkvloer zich ook ondersteund en gefaciliteerd voelt en niet het

idee heeft dat zij degene is die er uiteindelijk alleen voor staat om het passend onderwijs te realiseren.

Een collega verwoordde het mooi: een school is een samenwerkingsverband van leraren, een bestuur is

een samenwerkingsverband van scholen en een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen

besturen. Als we dat ook nog kunnen verbinden op de werkvloer tussen onderwijs en jeugdzorg dan

maken we pas echt meters en kunnen we net als in het liedje zeggen: You are not alone, we are there

with you!

38


Doeldomeinen

Het onderwijs in drie

doeldomeinen

Het wordt erg belangrijk gevonden dat Nederland meekomt in de internationale ranglijsten op

het gebied van onderwijs. Onlangs (oktober 2018) verscheen er weer een dergelijk onderzoek:

Unicef: ‘an unfair start’. Iedereen moet een zo hoog mogelijk (opleidings)niveau halen; de

opwaartse druk daartoe vanuit maatschappij, overheid, inspectie en vooral ook ouders neemt

toe. Maar passend onderwijs en onderwijskwaliteit is toch ook méér dan louter cognitieve

output? Biesta wijst er op dat onderwijs wel gemeten kan worden in efficiëntie en effectiviteit,

bijvoorbeeld in de vorm van cijfers, maar dat deze resultaten niets zeggen over waartoe

leerlingen opgeleid worden. De overheid streeft naar een zo hoog mogelijke output van

leerlingen. Maar waarom? Betere aansluiting en kansen op hogere vervolgopleiding? Betere

kansen op de arbeidsmarkt?

‘AN UNFAIR START’

UNICEF vergeleek ongelijkheid in het onderwijs

in 41 rijke landen op drie punten: de deelname

aan voorschools onderwijs, het leesniveau van

10-jarige leerlingen in het primair onderwijs en

het leesniveau van 15-jarige leerlingen in het

voortgezet onderwijs. Nederlandse kinderen

staan op de voorschool op de 10 e plaats van

de ranglijst en in het primair onderwijs op de

1 e plaats! Opvallend is dat ze in het voortgezet

onderwijs dalen naar de 26 e plaats.

Maatschappelijk belang

De maatschappij vraagt om een systeem waarbij

verschillen zichtbaar zijn. Voornamelijk omdat de

economie vraagt om mensen met verschillende

vaardigheden. Mensen die goed zijn met de handen

of mensen met een groot analytisch vermogen. Als

iedereen een universitair diploma heeft, wie gaat dan

onze badkamer aanleggen? Wie haalt het vuilnis op? Het

systeem in de wereld is gebaseerd op verschillen in hoogen

laagopgeleide mensen. Zonder deze verschillen zou de

huidige wereldeconomie niet kunnen bestaan. Er moet

dus vastgesteld worden wat wenselijk is als het gaat om

output van het onderwijs.

Geluiden genoeg dat de output van het onderwijs

hoger, sneller en breder moet, maar hoe dat past in het

maatschappelijke plaatje wordt weinig toegelicht. Geen

leraar zal zeggen dat het onderwijs in Nederland hogere

output moet leveren omdat het moet concurreren met

het buitenland of hoger op de PISA-rankings moet

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

39


De Staat Van Het Onderwijs

komen. Een andere reden om verschillende (werk)niveaus

aan te bieden in het onderwijsbestel is de diversiteit van

de mens. Sommige mensen willen nou eenmaal met de

handen werken. Sommige mensen kunnen niet goed leren.

Sommige mensen hebben ambities op een niveau dat niet

universitair is. Om recht te doen aan deze verschillen is er

dus diversiteit in het onderwijsstelsel én in output nodig.

De doeldomeinen

Onderwijspedagoog en hoogleraar Gert Biesta en

de Onderwijsraad praten over drie doeldomeinen die

het onderwijs als opdracht in zich draagt: kwalificatie,

socialisatie en persoonsvorming. De drie doeldomeinen

illustreren dat de discussie over onderwijs meerdere

dimensies heeft. Laten we dus vooral aan alle drie

aandacht schenken!

DOELDOMEIN: KWALIFICATIE

Onder kwalificatie verstaat Biesta het

verwerven van kennis, vaardigheden en

houdingen die mensen in staat stellen

iets te doen, op een bepaalde manier te

handelen. Kennis, vaardigheden en houdingen

kunnen betrekking hebben op een specifiek beroepenveld,

maar ook op een breder thema, zoals functioneren in een

complexe maatschappij. Voorbeelden van kwalificatie

zijn kwalificatiedossiers, competentieprofielen, rapporten,

eindtoetsen, repetities, doorstroompercentages,

kerndoelen, eindtermen en plusdocumenten.

DOELDOMEIN: SOCIALISATIE &

BURGERSCHAP

Biesta en de Onderwijsraad omschrijven

socialisatie als een proces waarin leerlingen

kennisnemen en deel uitmaken van tradities

en praktijken. Deze kunnen betrekking hebben op

een bepaald beroep, maar ook op bredere thema’s, zoals

democratie. Het onderwijs heeft de taak jonge mensen

te leren respectvol met verschillen en elkaar om te gaan.

Leerlingen worden vanaf de basisschool gevormd tot

betrokken burgers. Hoe scholen aandacht besteden aan

burgerschap is aan de scholen zelf. Er zijn geen wettelijke

eindtermen of kerndoelen waaraan een school moet

voldoen. Veel scholen geven aan dit lastig te vinden.

De actualiteit laat zien dat het onderbelichten van

socialisatie in het onderwijs tot gebrekkig burgerschap

heeft geleid. Hierdoor staat het onderwerp burgerschap

politiek gezien opnieuw in de schijnwerpers en krijgt

het doeldomein socialisatie de laatste twee jaar meer

aandacht. Biesta wijst erop dat burgerschapsonderwijs

slechts een deel van het doeldomein socialisatie is. Het

omvat meer dan alleen de normen en waarden waarvan

de politiek zo graag wil dat het onderwijs die aan de man

brengt onder de noemer burgerschap.

DOELDOMEIN: SUBJECTIFICATIE EN

PERSOONSVORMING

De Onderwijsraad typeert

persoonsvorming als het proces van

individualisering van de leerling. De

leerling moet uiteindelijk in staat zijn

autonoom tot beslissingen te komen, los van docent, school,

heersende normen en tradities. Het pedagogisch begrip

‘Bildung’ geeft richting en vulling aan de manier waarop

er met persoonsvorming omgegaan kan worden in het

onderwijs. Het woord persoonsvorming doet vermoeden dat

het hier draait om het vormen van een persoon. Dat er een

bepaald streefdoel is waarnaar men toewerkt. Dat de school

weet tot welke persoon de leerling gevormd moet worden.

Integendeel, betoogt Biesta, het heeft vooral te maken

met identiteit. De mate waarin we ons identificeren

met bestaande tradities en praktijken of zelf nieuwe

creëren. Scholen dienen leerlingen kennis te laten maken

met vrijheid van meningsuiting, democratie, gelijkheid,

genderdiversiteit en meer. Biesta kiest daarom voor het

begrip subjectificatie. De essentie van subjectificatie

is volgens Biesta een persoon vrij, volwassen en

verantwoordelijk in de wereld te laten zijn. Identiteit gaat

om wie iemand is, subjectificatie geeft aan hoe een persoon

is. Hoe gedraag ik mij ten opzichte van anderen? Naar de

omgeving? Naar de wereld? Scholen en docenten zouden

beter kunnen definiëren wat zij daarbij wenselijke sociale

en persoonlijke eigenschappen vinden. Om vervolgens

bewust een leeromgeving te creëren waarin de leerling

de ruimte krijgt om zichzelf te vormen, in samenwerking

met medeleerlingen en de docent. Dit kan bijvoorbeeld

40


Doeldomeinen

door ruimte te creëren voor dialoog en samenwerking. De

dialoog met de docent, maar ook met medeleerlingen.

Interactie met anderen is van groot belang om te

ontdekken wie je bent en hoe je met anderen om wil

gaan. En dit voegt dan weer een extra dimensie toe aan

‘gepersonaliseerd leren’.

Vragen van leerlingen

Stel als docent bij ieder

onderwerp eens de vraag

‘Waartoe leidt het kennen van

dit hoofdstuk voor de leerling

bij een vervolgstudie of later in

de maatschappij?’ De docent

vindt vast voor zichzelf het

juiste antwoord. Maar is het

argument van de docent over

het waartoe ook steekhoudend

voor de leerling? Onbewust

stellen leerlingen vaker vragen over de drie doeldomeinen.

Vragen als: Waarom moet ik de stelling van Pythagoras

leren? Waarom krijgen we huiswerk? Waarom mag ik niet

zelf bepalen wat ik doe? Antwoorden op deze vragen

zouden betrekking moeten hebben op het waartoe. ‘Je

moet de stelling van Pythagoras kennen omdat zo leert de

oppervlakte van een driehoek te berekenen en als je later

in een piramide woont kan je precies uitrekenen hoeveel

behang je nodig hebt voor de muren.’ Veel docenten

worstelen met antwoorden op de waartoe-vragen. ‘Ik

heb dit vak toch niet nodig voor later’. Halve antwoorden

of antwoorden die dan uitblijven zijn niet acceptabel en

demotiverend voor leerlingen. Niet alles hoeft natuurlijk

nuttig te voelen voor een leerling. Sommige zaken

moeten nou eenmaal gebeuren. Een leerling moet kennis

hebben van democratie en vrijheid van meningsuiting.

Soms komt het besef van nuttigheid pas jaren later. In

dit geval is het niet wenselijk dat een docent toegeeft

aan gedemotiveerde signalen. Maar docenten moeten

de dialoog over de nuttigheidswaarde ook niet uit de

weg gaan. Winstpunt is dat de leerling kritisch naar de

wereld en/of onderwijs kijkt en vragen stelt. Kernpunt

is dat de docent regelmatig van perspectief wisselt; in

doeldomeinen en in het perspectief van de leerling.

Wisseling van perspectief

“De leerling moet

uiteindelijk in staat

zijn autonoom tot

beslissingen te komen,

los van docent, school,

heersende normen

en tradities.”

Kan de docent zich in het toekomstperspectief van de

leerling plaatsen of redeneert hij volledig vanuit eigen

ervaring en belevingswereld? Wat is wenselijk voor de

leerling? De school? Maatschappij en arbeidsmarkt?

Wenselijk betekent niet dat scholen nu volledig naar de

pijpen van de leerling moeten gaan dansen. Weerstand is

een belangrijk onderdeel van het

‘in de wereld komen’. De realiteit

van het leven zorgt ervoor dat

er dingen op ons pad komen

die we niet op ons pad willen

hebben. Toch komen we ze tegen

en proberen daar weerstand

tegen te bieden, soms voor ons

gevoel succesvol, soms niet. Wil

de school een plaats zijn waar

leerlingen worden voorbereid op

de ‘echte’ wereld en wil de school

de wereld zo realistisch mogelijk weergeven, dan moet er

ook weerstand zijn. De wenselijkheid zit dus vooral in het

zoeken van de balans tussen kwalificeren, socialiseren en

persoonsvorming. Om de doeldomeinen actueel, wenselijk

en menselijk te houden is het belangrijk om constant

de dialoog te blijven voeren over de inhoud en balans

van de drie doeldomeinen. Dit is een iteratief proces. De

maatschappij verandert, dus de doeldomeinen ook. En

er is dus wel degelijk meer van belang dan alleen maar

goede prestaties en kwalificatie. We vragen dus meer

aandacht voor passende socialisatie en vorming.

Dit artikel is een bewerking van het gelijknamige blog van

Thijmen Sprakel. www.edukitchen.nl.

Auteur: Thijmen Sprakel

Redacteur EduKitchen.nl.

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018

41


Michel Klijmij

“Eerst leren ze ons lopen en spreken,

als we dat kunnen moeten we

stilzitten en zwijgen”

Lesley Arens

“De wortels

van onderwijs

zijn bitter,

maar de

vrucht is

zoet.”

Aristoteles

Colofon

PO Magazine: een uitgave van Instondo B.V., Binnen Kalkhaven 263, 3311 JC Dordrecht

T +31 (0)78 645 50 85, info@instondo.nl, www.instondo.nl.

Hoofdredactie: Jos Gerards, hoofdredactie@pomagazine.nl.

Eindredactie/coördinatie: Guus Beenhakker, eindredactie@pomagazine.nl.

Redactie: Peter de Vries, Jack Biskop, Luuk van Aalst, Anne Dekkers, Henk van der Pas, Gonnie Boerma, Vincent Fafieanie.

Meedenkers: Jacques van den Born, Michiel Wigman, Elise Haarman, Sandra van Wersch, Ivo van Riel, Sandra van

Kolfschoten.

Vaste redactiebijdragen: Thieu Dollevoet en Jelte van der Kooi.

Uitgever: Marcel Mathijssen, T +31 (0)78 645 50 85, m.mathijssen@instondo.nl.

Adverteren: Voor het informatie over de advertentiemogelijkheden kunt u zich richten tot de uitgever.

Lidmaatschap: €108,- per jaar voor 5 nummers per lidmaatschap. Een tweede nummer op hetzelfde adres kost €52,- per

jaar extra. Prijzen zijn inclusief BTW en verzendkosten. Lidmaatschappen worden automatisch met een periode van een

jaar verlengd tenzij deze twee maanden voor de vervaldatum schriftelijk worden opgezegd bij de uitgever.

Vormgeving: Vormvreters, grafische vormgeving, www.vormvreters.nl.

Druk: Drukkerij Verloop, T 078 691 28 99, www.verloop.nl.

Fotografie: Rene Schotanus, (cover, pagina’s 3 en 9), Shutterstock (pagina’s 9, 18, 21, 33 en 34).

Illustratie: Annemiek Dilven, Studio Tok Tok (pagina’s 22 en 23).

ISSN 2352-0507

Zelf bijdragen aan PO Magazine? Uw voorstel(len) zien wij graag tegemoet en kunt u richten aan de eindredacteur

Guus Beenhakker: eindredactie@pomagazine.nl.

© Instondo B.V. Auteursrechten voorbehouden. Het is niet toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de uitgever artikelen, illustraties of schema’s geheel of

gedeeltelijk over te nemen. Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die nochtans onvolledig of onjuist is, aanvaarden

auteur(s), redactie en uitgever geen aansprakelijkheid. Voor eventuele verbeteringen en suggesties houden zij zich gaarne aanbevolen. Vanwege de aard van de

inhoud en het doel van dit vakblad, wordt de abonnee geacht het blad te ontvangen in verband met de uitvoering van een beroep of bedrijf.

42


Omgaan met

NIEUWE

SERIE

In deze nieuwe serie

behandelen diverse experts

veelvoorkomende ‘problemen’ van

leerlingen op school. We richten ons in eerste

instantie op leerkrachten, ervan uitgaande

dat die het boekje (of de informatie erin)

doorgeven aan ouders. Onderwerpen als

hoogbegaafdheid, dyslexie, echtscheiding,

rekenproblemen, autisme, pesten e.d. doen

zich immers niet alleen in het klaslokaal

voor. In deze boekjes vind je veel praktische

informatie, en tips & tools over het beschreven

onderwerp. Je hebt er meteen profijt van op

de werkvloer of thuis. Een bijkomend effect

zou kunnen zijn, dat deze informatie voor alle

betrokkenen tot meer kennis leidt en daardoor

tot betere communicatie tussen leerkrachten en

ouders. Daar wordt vooral het kind beter van.

Omgaan met HOOGBEGAAFDHEID op school

Renata Hamsikova & Joyce Luider-Veenstra

Hoogbegaafdheid is ‘in’. Her en der richt men

speciale klassen voor hoogbegaafde leerlingen

op. Wat vaak ontbreekt, is het besef dat

hoogbegaafdheid een bijzonder complex

fenomeen is.

BESTEL DIRECT VIA

www.instondoboeken.nl

Omgaan met HOOGBEGAAFDHEID op school

Hoogbegaafdheid is ‘in’. Her en der richt men speciale klassen voor

hoogbegaafde leerlingen op. Wat vaak ontbreekt, is het besef dat

hoogbegaafdheid een bijzonder complex fenomeen is. De enorme

verschillen in leerlingen binnen het hoogbegaafdheidsspectrum van 130 tot

210 IQ worden vaak niet herkend. Daarom is het belangrijk je eerst goed te

verdiepen in dit fenomeen, voordat er een verrijkingsprogramma, plusklas

of zelfs voltijd onderwijs voor hoogbegaafden wordt gestart.

In deze publicatie geven de auteurs in het kort weer wat nodig is om te

begrijpen wat hoogbegaafde leerlingen nodig hebben. Aan de hand van

praktische tools leren leerkrachten en IB’ers hoe je deze leerlingen kunt

onderwijzen en ondersteunen. Het is een eerste aanzet tot meer kennis over

het begeleiden van hoogbegaafde kinderen in je klas. Kwalitatief goed

onderwijs voor hoogbegaafde kinderen vraagt om het verder verdiepen

VERWACHT

vanuit deze basiskennis.

Renata Hamsikova is ECHA-specialist in Gifted

Education, counselor en eigenaar van IeKu

Advies. Zij is gespecialiseerd in uitzonderlijke

begaafdheid en adviseert scholen en ouders.

Renata heeft vele publicaties op haar naam

staan en is een veelgevraagde spreker.

Joyce Luider-Veenstra is ECHA-specialist in

Gifted Education en oprichter van Gewoon

Hoogbegaafd. Zij begeleidt en coacht

hoogbegaafde kinderen, ouders en leerkrachten.

Joyce is gespecialiseerd in het

analyseren van sociale en emotionele

processen bij hoogbegaafde kinderen.

In deze serie behandelen diverse experts

veelvoorkomende ‘problemen’ van leerlingen

in de klas. Leerkrachten (en ouders)

vinden veel praktische informatie, en tips &

tools over de behandelde onderwerpen.

Omgaan Autisme, met samen HOOGBEGAAFDHEID aan de slag! op school 9 aanraders

Omgaan met HOOGBEGAAFDHEID op school

Hoogbegaafdheid is ‘in’. Her en der richt men speciale klassen voor

hoogbegaafde leerlingen op. Wat vaak ontbreekt, is het besef dat

hoogbegaafdheid een bijzonder complex fenomeen is. De enorme

Omgaan verschillen in leerlingen binnen met het hoogbegaafdheidsspectrum van 130 tot

210 IQ worden vaak niet herkend. Daarom is het belangrijk je eerst goed te

verdiepen in dit fenomeen, voordat er een verrijkingsprogramma, plusklas

HOOG

of zelfs voltijd onderwijs voor hoogbegaafden wordt gestart.

In deze publicatie geven de auteurs in het kort weer wat nodig is om te

begrijpen wat hoogbegaafde leerlingen nodig hebben. Aan de hand van

praktische tools leren leerkrachten en IB’ers hoe je deze leerlingen kunt

onderwijzen en ondersteunen. Het is een eerste aanzet tot meer kennis over

het begeleiden van hoogbegaafde kinderen in je klas. Kwalitatief goed

onderwijs voor hoogbegaafde kinderen vraagt om het verder verdiepen

GEVOE

vanuit deze basiskennis.

Renata Hamsikova is ECHA-specialist in Gifted

Education, counselor en eigenaar van IeKu

Advies. Zij is gespecialiseerd in uitzonderlijke

begaafdheid en adviseert scholen en ouders.

LIGHEID

Renata heeft vele publicaties op haar naam

staan en is een veelgevraagde spreker.

Joyce Luider-Veenstra is ECHA-specialist in

Gifted Education en oprichter van Gewoon

Hoogbegaafd. Zij begeleidt en coacht

hoogbegaafde kinderen, ouders en leerkrachten.

Joyce is gespecialiseerd in het

analyseren van sociale en emotionele

processen bij hoogbegaafde kinderen.

op school

In deze serie behandelen diverse experts

veelvoorkomende ‘problemen’ van leerlingen

in de klas. Leerkrachten (en ouders)

vinden veel praktische informatie, en tips &

tools over de behandelde onderwerpen.

Omgaan Autisme, met samen HOOGBEGAAFDHEID aan de slag! op school9 aanraders

Omgaan met HOOGBEGAAFDHEID op school

Hoogbegaafdheid is ‘in’. Her en der richt men speciale klassen voor

hoogbegaafde leerlingen op. Wat vaak ontbreekt, is het besef dat

hoogbegaafdheid een bijzonder complex fenomeen is. De enorme

verschillen in leerlingen binnen het hoogbegaafdheidsspectrum van 130 tot

210 IQ worden vaak niet herkend. Daarom is het belangrijk je eerst goed te

verdiepen in dit fenomeen, voordat er een verrijkingsprogramma, plusklas

of zelfs voltijd onderwijs voor hoogbegaafden wordt gestart.

Omgaan met

DIGIT

ALISE

RING

In deze publicatie geven de auteurs in het kort weer wat nodig is om te

begrijpen wat hoogbegaafde leerlingen nodig hebben. Aan de hand van

praktische tools leren leerkrachten en IB’ers hoe je deze leerlingen kunt

onderwijzen en ondersteunen. Het is een eerste aanzet tot meer kennis over

het begeleiden van hoogbegaafde kinderen in je klas. Kwalitatief goed

onderwijs voor hoogbegaafde kinderen vraagt om het verder verdiepen

vanuit deze basiskennis.

Renata Hamsikova is ECHA-specialist in Gifted

Education, counselor en eigenaar van IeKu

Advies. Zij is gespecialiseerd in uitzonderlijke

begaafdheid en adviseert scholen en ouders.

Renata heeft vele publicaties op haar naam

staan en is een veelgevraagde spreker.

Joyce Luider-Veenstra is ECHA-specialist in

Gifted Education en oprichter van Gewoon

Hoogbegaafd. Zij begeleidt en coacht

hoogbegaafde kinderen, ouders en leerkrachten.

Joyce is gespecialiseerd in het

analyseren van sociale en emotionele

processen bij hoogbegaafde kinderen.

op school

In deze serie behandelen diverse experts

veelvoorkomende ‘problemen’ van leerlingen

in de klas. Leerkrachten (en ouders)

vinden veel praktische informatie, en tips &

tools over de behandelde onderwerpen.

Omgaan Autisme, met samen HOOGBEGAAFDHEID aan de slag! op school 9 aanraders

Omgaan met HOOGBEGAAFDHEID op school

Hoogbegaafdheid is ‘in’. Her en der richt men speciale klassen voor

hoogbegaafde leerlingen op. Wat vaak ontbreekt, is het besef dat

hoogbegaafdheid een bijzonder complex fenomeen is. De enorme

verschillen in leerlingen binnen het hoogbegaafdheidsspectrum van 130 tot

210 IQ worden vaak niet herkend. Daarom is het belangrijk je eerst goed te

verdiepen in dit fenomeen, voordat er een verrijkingsprogramma, plusklas

of zelfs voltijd onderwijs voor hoogbegaafden wordt gestart.

Omgaan met

SCHE

Renata Hamsikova is ECHA-specialist in Gifted

In deze publicatie geven de auteurs in het kort weer wat nodig is om te

begrijpen wat hoogbegaafde leerlingen nodig hebben. Aan de hand van

praktische tools leren leerkrachten en IB’ers hoe je deze leerlingen kunt

onderwijzen en ondersteunen. Het is een eerste aanzet tot meer kennis over

het begeleiden van hoogbegaafde kinderen in je klas. Kwalitatief goed

onderwijs voor hoogbegaafde kinderen vraagt om het verder verdiepen

vanuit deze basiskennis.

IDING

Education, counselor en eigenaar van IeKu

Advies. Zij is gespecialiseerd in uitzonderlijke

begaafdheid en adviseert scholen en ouders.

Renata heeft vele publicaties op haar naam

staan en is een veelgevraagde spreker.

Joyce Luider-Veenstra is ECHA-specialist in

Gifted Education en oprichter van Gewoon

Hoogbegaafd. Zij begeleidt en coacht

hoogbegaafde kinderen, ouders en leerkrachten.

Joyce is gespecialiseerd in het

analyseren van sociale en emotionele

processen bij hoogbegaafde kinderen.

In deze serie behandelen diverse experts

veelvoorkomende ‘problemen’ van leerlingen

in de klas. Leerkrachten (en ouders)

vinden veel praktische informatie, en tips &

tools over de behandelde onderwerpen.

op school

Omgaan Autisme, met samen DYSLEXIE aan op de school slag! 9 aanraders

Omgaan met

DYSL

EXIE

op school

www.instondo.nl - www.instondoboeken.nl

Suzanne van Assenbergh www.instondo.nl - www.instondoboeken.nl

Guus Beenhakker

www.instondo.nl - www.instondoboeken.nl

www.instondo.nl - www.instondoboeken.nl

Denise Kentie, Pieter Stoop, Marleen van de Ven

Mieke Urff

www.instondo.nl

www.pomagazine.nl - POM nummer 5 © Instondo 2018


Hoe trommel je snel een goede


onderwijsbegeleider of -adviseur op?

Heeft u op korte termijn een onderwijsadviseur of onderwijsbegeleider nodig? Bespaar uzelf veel tijd en

onzekerheid. Zet alleen aanbieders op uw shortlist die een Cedeo-erkenning hebben. Dat zijn bureaus met klanten

waarvan minimaal 80 procent recent heeft aangegeven ‘tevreden tot zeer tevreden’ te zijn over de kwaliteit,

de dienstverlening en de samenwerking. Dit oordeel is gebaseerd

op diepgaand klanttevredenheidsonderzoek onder collega’s van u.

Hieronder ziet u welke onderwijsbureaus zij aanbevelen.

Kijk gewoon of het bureau Cedeo-erkend is!

Onderstaande bureaus beschikken over de Cedeo-erkenning ‘Onderwijsadvies’ of ‘Onderwijsbegeleiding’:

• Stichting Bazalt, Vlissingen

• BCO Onderwijsadvies, Venlo

• Cedin educatieve

dienstverlening, Drachten

• Centraal Nederland,

Nunspeet

• Driestar Educatief, Gouda

• Edux Onderwijspartners,

Ulvenhout

• Stichting HCO, ‘s-Gravenhage

• IJsselgroep, Educatieve

Dienstverlening, Apeldoorn

• Innofun bv, Venlo

• KOC Diensten, Veenendaal

• Stichting Marant, Elst gld

• OAB Dekkers BV, Nuenen

• OBD Noordwest, Alkmaar

Onderwijs Maak Je Samen

(OMJS), Helmond

OnderwijsAdvies, Zoetermeer

• Stichting RPCZ, Vlissingen

• Sardes BV, Utrecht

• Stichting Schooladviesdienst

Wassenaar, Wassenaar

• Schoolbegeleiding

Zaanstreek Waterland

(SBZW), Purmerend

• Timpaan Onderwijs, Assen

K.P. van der Mandelelaan 41a, Rotterdam Postbus 701, 3000 AS Rotterdam T. 010 - 201 42 22 www.cedeo.eu info@cedeo.nl

* Cedeo is de onafhankelijke certificerende instantie voor organisaties actief op het gebied van de human resources improvement. Cedeo verleent en registreert het keurmerk ‘Cedeo-erkend’.

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!