VISIERAPPORT 2019

dewitte

SMART TOOLS EN TALENTEN
Voor slimme gebouwen, wijken, steden en infrastructuur

SMART TOOLS

EN TALENTEN

Voor slimme gebouwen, wijken, steden en infrastructuur

VISIERAPPORT 2019


SMART TOOLS

EN TALENTEN

Voor slimme gebouwen, wijken, steden en infrastructuur

VISIERAPPORT 2019

met medewerking van

Visierapport 2019 1


voorwoord

In zijn boek Digitalis schetst Thierry

Geerts, CEO van Google Belgium,

een positief beeld van de toenemende

digitalisering. Hij heeft dit

boek dan ook geschreven vanuit

zijn persoonlijke overtuiging dat

de digitalisering voor België en

haar inwoners kansen biedt en

vanuit zijn geloof in het belang

dat we die kansen nu grijpen.

Thierry Geerts verwoordt

het als volgt: “De vraag

is of we van Digitalis een

land maken van verwondering

en vooruitgang of

van duisternis, doemdenken

en status-quo. Ik kies voor

het eerste en neem burgers,

ondernemers en beleidsmakers

mee op een reis door Digitalis

om te laten zien wat er allemaal

mogelijk is. En waarom zou het

niet onze ambitie mogen zijn om

van België de hoofdplaats van Digitalis te

maken?”.

Dit visierapport wil de digitalisering

van en in de bouw met dezelfde

positieve ingesteldheid benaderen.

In dit rapport willen we de lezer

meenemen in een verhaal van de vele

reeds gemaakte vorderingen op het

vlak van digitalisering en van de nog

talrijkere mogelijkheden en kansen

voor de verre maar ook voor de

nabije toekomst.

Het is correct dat de bouw op

het vlak van digitalisering

nog steeds achterop hinkt

in vergelijking met andere

sectoren. Maar deze

situatie kan snel veranderen. Ter illustratie verwijs ik

naar de recente evolutie op het vlak van e-facturatie.

In januari 2017 ontving de Vlaamse overheid vanuit de

bouwsector amper voor 8,5% elektronische facturen.

Maar amper twee jaar later in april 2019 kon zij al

voor 61% elektronische facturen in ontvangst nemen.

Waarom zou de bouw voor andere digitale toepassingen

niet dezelfde snelle evolutie kunnen kennen?

Bij vele bouwbedrijven van meer dan 20 werknemers

zijn de bouwprocessen nu al grotendeels gedigitaliseerd.

Het gebruik van BIM (Building Information

Modelling), ERP (Enterprise Resource Planning) en

DMS (Document Management System) geraakt

er steeds meer ingeburgerd. Ook op dat vlak werd

in vergelijking met twee jaar geleden al heel wat

vooruitgang geboekt. Daarin ook al de kleinere

bouwbedrijven meekrijgen is nog een belangrijke

opgave. Maar met een aantal door de Vlaamse

overheid gesubsidieerde projecten kunnen de VCB en

de collectieve sectoriële onderzoekscentra WTCB en

OCW ertoe bijdragen dat ook de kleinere bouwbedrijven

mee kunnen evolueren.

Intussen kondigt zich een nieuwe uitdaging aan.

Het gaat om de toepassing van instrumenten die

binnen het bredere concept van de vierde industriële

revolutie (industrie 4.0) reeds volop worden toegepast,

zoals de inschakeling van robots en co-bots, het

gebruik van Virtual Reality, Augmented Reality en

3D-scanning, de inzet van drones, de toepassing van

‘additive manufacturing’ in de vorm van 3D-printing

en last but not least de inschakeling van artificiële

intelligentie bij de analyse van (big) data-gegevens.

Het gaat om instrumenten die in andere domeinen

van de industrie 4.0 hun nut al hebben bewezen. De

ontwikkelingsrisico’s zijn daardoor relatief beperkt.

Voor de bouw komt het erop aan vooral nieuwe toepassingsmogelijkheden

te zoeken. Dit betekent ook

dat de implementatie wellicht zeer snel kan gaan en

de impact van deze innovaties in de bouwsector wel

2


Bij de bouwbedrijven van

meer dan 20 werknemers

zijn de bouwprocessen nu al

grotendeels gedigitaliseerd.

eens groter zou kunnen worden dan in de industriële

bedrijven zelf.

Wij verwachten bovendien dat deze innovaties in

de bouw een belangrijke bijdrage tot duurzame

ontwikkeling zullen kunnen leveren. Zij zullen immers

in belangrijke mate bijdragen tot minder energieverbruik,

tot minder grondstofgebruik en een spaarzaam

ruimtegebruik, naast de voordelen op het vlak van

comfort en betaalbaarheid. Daardoor dragen zij niet

alleen bij tot economische groei als dusdanig maar

ook tot duurzame groei en meer bepaald tot een

koolstofarme economie.

Dit laatste zal ongetwijfeld een belangrijk streefdoel

van de nieuwe Vlaamse regering worden. Zij zal hier

ook op worden afgerekend. De talrijke klimaatacties

in 2019 hebben duidelijk gemaakt dat de jongeren

hiervoor bijzonder gevoelig zijn. De innovaties in de

bouw en hun bijdragen tot de klimaatverbetering

kunnen nog een bijkomend positief effect hebben: de

klimaatbewuste jongeren opnieuw warm maken voor

de bouw. Zoals de bouw als technologie-integrator

aansluiting zoekt en vindt bij de innovaties in de

industrie 4.0, zo moet ook het bouwonderwijs zich

kunnen inschrijven in de nieuwste tendensen van een

op duurzame ontwikkeling gericht STEM-onderwijs

waarbij STEM staat voor Science, Technology,

Engineering en Mathematics. Op die manier moet

het bouwonderwijs opnieuw aantrekkelijk worden

voor de jongeren.

Bouwen doen we immers nog altijd voor en door

mensen. De bouwsector zal nog altijd nood hebben

aan heel veel gepassioneerde en bekwame medewerkers

op alle niveaus. Maar de nieuwe tools die

hun worden aangereikt, zullen maken dat hun werk

nog kwalitatiever en efficiënter kan gebeuren en in

veiligere omstandigheden. Dit zal bijdragen tot meer

voldoening van alle betrokkenen bij het bouwproces.

Ook met dit visierapport zelf hebben wij een bijdrage

willen leveren tot een beter imago van de sector. Ik

dank dan ook de bedrijven die illustratiemateriaal

hebben geleverd. Om te laten zien dat wat we schrijven,

leeft binnen bedrijven en organisaties die nu al in

en voor de bouw actief zijn of dit in de toekomst nog

kunnen worden, hebben we in dit rapport ook ruimte

gelaten voor concrete getuigenissen. Ook deze

getuigen wil ik van harte danken voor hun bijdrage.

Tenslotte wil ik het WTCB (Wetenschappelijk en

Technisch Centrum van het Bouwbedrijf) en het OCW

(Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw) bedanken

voor hun inhoudelijke en redactionele inbreng in het

voorliggende visierapport.

Ik hoop dat iedereen die deze publicatie doorneemt,

stimulerende ideeën en inspirerende getuigenissen

zal vinden.

Jef Lembrechts

Voorzitter van de

Vlaamse Confederatie Bouw

Visierapport 2019 3


Inleiding

In oktober 2019 organiseren 9

grote Belgische en Vlaamse bouwbedrijven

een innovatiebeurs in

Technopolis te Mechelen. Het is

opvallend dat deze bedrijven

om jongeren tot de bouw aan

te trekken ervoor geopteerd

hebben om te werken met

doe-activiteiten op basis van

digitale technieken, zoals

3D-scanning, Virtual en

Augmented Reality (VR en

AR) en BIM. De jongeren

zullen er onder andere

kunnen werken met een

drone, een simulator en een

robot.

Op deze beurs willen bouwbedrijven

dus uitdrukkelijk uitpakken

met innovaties die vooruitlopen

op de toekomstige trends

in de bouw en die het traditionele

beeld van de sector tegenspreken. De VCB

wil hier eveneens op inspelen in haar

visierapport van 2019 met als titel

Smart tools en talenten voor slimme

gebouwen, wijken, steden en infrastructuur

en daarbij vooral de rol van

de bouw als technologie-integrator

beklemtonen.

Het eerste hoofdstuk van dit visierapport focust dan

ook op deze nieuwe digitale tools en op hun wereldwijde

toepassingsmogelijkheden in de industrie maar

ook in de bouw. De meeste van deze technieken

hebben in de industrie al een langere ontwikkelingsweg

afgelegd. Maar juist door hun integratie in de

bouw maken zij toepassingen mogelijk die ten volle

(ver)bouwers en burgers ten goede zullen komen.

In het tweede hoofdstuk gaan we specifiek na hoe

ver de toepassing van nieuwe (voornamelijk digitale)

technieken in de Vlaamse bouw is gevorderd. Wij hebben

onze leden daarover bevraagd via een enquête.

Uit een nationale enquête van de Confederatie Bouw

begin 2017 was gebleken dat over het algemeen toen

nog amper 5% van de aannemers aan digitalisering

toe waren. Maar omdat de sector zeer snel evolueert,

wilden we met een nieuwe enquête de vinger

opnieuw aan de pols houden.

Het sleutelwoord wordt ‘as a

service’, met gebouwen en

infrastructuren die steeds

betere diensten verlenen,

en bedrijven die naar hun

cliënten toe steeds meer als

dienstenverlener optreden.

4


De nieuwe enquête wees effectief een opmerkelijke

vooruitgang uit voor wat betreft de digitalisering

van de bedrijfsinterne processen. Zeker bij de grotere

bouwbedrijven zijn dergelijke digitale tools nu al

grotendeels ingeburgerd. Maar innovatieve technologieën

zoals VR en AR, 3D-scanning en de inzet

van robots, blijven vooralsnog voorbehouden tot een

beperkt aantal ‘early adopters’. Gezien de snelle verspreiding

van de eerste digitaliseringsgolf verwachten

wij dat de tweede innovatiegolf het komende jaar

eveneens een doorbraak zal kennen.

In het derde hoofdstuk verplaatsen we onze aandacht

van de bedrijven naar de gebouwen en de

infrastructuren en naar de wijken en steden waarvan

die deel uitmaken. In gebouwen en infrastructuren

komen alsmaar meer met het internet geconnecteerde

objecten voor. Daardoor komen ook steeds

meer data beschikbaar, niet alleen bij de oprichting

maar daarna ook bij de exploitatie van die constructies.

Al die data zullen, onder meer dankzij artificiële

intelligentie, ook alsmaar doelgerichter worden

ingezet: niet alleen om het bouwproces efficiënter te

laten verlopen maar ook om nadien gedurende de

volledige levenscyclus van het gebouw het comfort

van gebruikers en bewoners optimaal te garanderen.

Het sleutelwoord wordt ‘as a service’, met gebouwen

en infrastructuren die steeds betere diensten verlenen,

en bedrijven die naar hun cliënten toe steeds

meer als dienstenverlener optreden. Internetgiganten

kunnen over massa’s data beschikken over het

consumentengedrag en producenten wereldwijd over

de werking van hun geplaatste installaties. Toegang

tot die data wordt cruciaal. Aannemers moeten er

mee kunnen werken maar ook mogen werken. Wij zijn

immers van oordeel dat de aannemers vanuit hun

brede kijk op installaties, gebouwen en wijken het

best geplaatst zijn om op basis van data de beste

oplossing te bieden op maat van de opdrachtgevers.

Producenten bijvoorbeeld zullen enkel een deeloplossing

kunnen bieden vanuit hun specialisme.

Een belangrijke randvoorwaarde is dat de aannemers

die rol alleen maar kunnen vervullen, als zij hiervoor

de nodige talenten kunnen aantrekken, niet alleen

vanuit het secundair onderwijs maar zeker ook vanuit

het hoger en universitair onderwijs. Dit impliceert dan

weer dat de onderwijsinstellingen jongeren optimaal

op die rol hebben voorbereid. Slimme gebouwen en

infrastructuur, wijken en steden kunnen enkel gerealiseerd

worden als er ook slim talent beschikbaar is.

Hoe dit talent vinden en tot ontwikkeling brengen is

dan ook het thema van het vierde hoofdstuk.

Marc Dillen

Directeur-generaal van de

Vlaamse Confederatie Bouw

Visierapport 2019 5


INHOUD

Voorwoord Jef Lembrechts 2

Inleiding Marc Dillen 4

Inhoudstafel 6

01

Smart tools 9

1.1 Toenemende connectiviteit 11

1.2. Inschakeling van robots en 3D-printing 12

1.3. Nieuwe visualisatiemethoden: 3D-scanning, VR en AR en inzet van drones 18

1.4. Prefabricatie en modularisatie 27

Besluit33

Getuigenis - Johan De Vlieger en Joery Michiels / Bostoen 34

Getuigenis - Marijke Aerts / Kamp C 36

02

Smart enterprises 39

2.1. Gedigitaliseerde bedrijfsvoering 41

2.2. Toepassing van BIM 47

2.3. Toepassing van artificiële intelligentie 55

Besluit59

Getuigenis - Mieke De Ketelaere / Imec 60

Getuigenis - Vicky Dethier / Dethier 62

03

Van smart buildings tot smart cities 65

3.1. Toenemende digitalisering van de gebouwensector 67

3.2. Nieuwe, betere en duurzamere dienstverlening vanuit gebouwen 73

3.3. Uitbouw van slimme wijken 80

3.4. Digitalisering van de infrastructuur: smart infra 82

3.5. Bijdrage van de bouw tot de ontwikkeling van slimme steden 90

Besluit98

Getuigenis - Frank Vanbrabant / Fluvius 100

Getuigenis - Yves Lambert / Renson 102

Getuigenis - Bart Gentens / BESIX104

Getuigenis - Frederik Loeckx / Flux 50 106

Getuigenis - Tom Roelants / Agentschap Wegen en Verkeer 108

6


04

05

06

Talenten aantrekken en ontwikkelen 111

4.1. Krapte op de bouwarbeidsmarkt 113

4.2. Initiatieven vanuit de opleidingsinstellingen 122

4.3. Initiatieven vanuit de sector 128

Besluit133

Getuigenis - Ulrike Debels / Deloitte 134

Getuigenis - Olivier Vandooren / WTCB 136

Getuigenis - Annick De Swaef / OCW 138

Algemeen besluit 141

Doorbraak van slimme instrumenten 142

Gedigitaliseerde bedrijfsprocessen 142

Building as a service 143

Toenemende interconnectie 144

Toenemende arbeidsmarkttekorten 144

Aantrekkingskracht van de digitalisering 145

Getuigenis - Maarten Dutry / Maarten Dutry bvba 146

Getuigenis - Tom Fransen / Fransen bouwonderneming 147

Getuigenis - Cerina Marchetta / Marchetta Bouwgroep 148

Getuigenis - Kristof Papeleu / Kristof Papeleu bvba 149

Getuigenis - Tom Spapens / BATO 150

Activiteitenverslag 2018-2019 151

Samenstelling van de bestuursorganen 163

Structuur van de Confederatie Bouw in Vlaanderen 166

Visierapport 2019 7


8


HOOFDSTUK 01

SMART TOOLS


01

In de bouw doen momenteel

een aantal nieuwe technologieën

hun intrede zoals het

gebruik van robots en co-bots,

3D-printing, 3D-scanning, Virtual

en Augmented Reality, de inschakeling

van drones en sensoren. Zij

worden nu al aangewend om het

bouwproces te industrialiseren

en te optimaliseren en zo ook om

de bouw aantrekkelijker te maken.

Waar komen deze tools en

technologieën vandaan, welke

meerwaarde hebben zij elders al

bewezen en welke zijn de concrete

toepassingsmogelijkheden in de

bouw? Daarover gaat dit eerste

hoofdstuk van het visierapport.

10


HOOFDSTUK 01

1.1 Toenemende connectiviteit

Op 18 en 19 oktober 2019 organiseren 9 grote

Belgische en Vlaamse bouwbedrijven voor de tweede

keer een innovatiebeurs in Technopolis te Mechelen.

De doelgroep voor deze beurs zijn enerzijds leerlingen

van de eerste en de tweede graad van het

secundair onderwijs en anderzijds de laatstejaarsscholieren

van het lager onderwijs en hun ouders.

De betrokken bedrijven zijn Engie, Renotec, BESIX,

Eifffage, Willemen, DCA, B&R, Logi-Technics, Verwater

en Michielssen. Daarnaast nemen ook de VDAB en

de hogeschool Thomas More aan het evenement

deel samen met de HR-groep Accent die het event

coördineert.

Het is opvallend dat deze bedrijven om jongeren tot

de bouw aan te trekken ervoor geopteerd hebben om

te werken met allerlei doe-activiteiten juist op basis

van nieuwe (voornamelijk) digitale technieken, met

name op de toepassing van 3D-scanning en drones,

het gebruik van een exo-skeleton, het programmeren

van een robot, het gebruik van een bijzondere

lashelm, het leren metselen via Augmented Reality,

het besturen van een kraansimulator en een initiatie

in BIM (Building Information Modelling). Daarnaast

komt er ook een technologie aan bod die gericht is op

een duurzamer energiegebruik, met name de inzet

van waterstof als energiebron. Op deze beurs willen

bouwbedrijven en bouwverwante organisaties de

jongeren enthousiasmeren door uitdrukkelijk uit te

pakken met innovaties die ver staan van het traditionele

beeld van de sector.

De groeiende impact van de digitalisering, ook in

de bouw, wordt bevestigd door het succes van de

beurs Digital Construction. In 2017 trok de beurs een

duizendtal bezoekers aan. In 2018 kon deze beurs

al zo’n 2.500 bezoekers bekoren. Het aantal standhouders

nam toe van 60 tot meer dan 70. Het aantal

seminaries steeg van 30 tot 40. Op de beurs vonden

in 2018 ook een aantal demonstraties plaats, zoals

die nu ook op de innovatiebeurs zijn gepland, wat in

2017 nog niet het geval was.

De voorbije decennia is de toegang tot het internet

spectaculair geëvolueerd. Op het einde van de jaren

90 kon dit enkel via een pc en via een (nog vaak

tergend trage) modem. In zijn publicatie Digitalis

wijst Thierry Geerts, de CEO van Google Belgium, op

de cruciale vernieuwing die de smartphone heeft

geïntroduceerd. Dankzij de smartphone geraakten

gebruikers permanent met het internet verbonden.

De doorbraak van het mobiele internet dateert

volgens Thierry Geerts van 2007. Dat is amper 12 jaar

geleden. Toen bracht Apple zijn eerste iPhone op de

markt. De smartphone heeft intussen een groot aantal

toestellen vervangen: naast de pc ook het fototoestel,

de gps, de telefoon, de wekker, de radio enz.

Bovendien is de smartphone nu krachtiger dan de

kamervullende supercomputers van enkele decennia

geleden. Toepassingen in de bouw als afstandsmeter

en waterpas liggen in het verschiet.

In dit verband verwijst Thierry Geerts naar de domoticasystemen

die al tegen het einde van de jaren 70

opkwamen. Maar de toepassingen waren beperkt,

de technologie was peperduur en al de aangesloten

apparaten werden via kabels aangestuurd. Die zijn

dan ook nooit helemaal van de grond gekomen.

Maar dankzij de wifitechnologie zijn geen kabels

meer nodig. Het volstaat een eenvoudig apparaatje

aan de muur te bevestigen, energiebevoorrading te

verzekeren en daar dan via het draadloze internet

een heleboel andere apparaten aan te linken. Het is

dan ook relatief eenvoudig en intuïtief geworden om

domotica in bestaande oudere woningen te installeren

en de bewoners kunnen hun verlichting en verwarming

eenvoudig aansturen via hun smartphone.

Doordat domotica nu voor iedereen toegankelijk is

geworden, kent het een duidelijke revival.

Een tweede belangrijke evolutie volgens Thierry

Geerts betreft de vervanging in bedrijven van eigen

datacenters en eigen servers door de computerkracht

en de opslagcapaciteit die externe bedrijven leveren

via cloudapplicaties en -services. Google alleen al telt

over de hele wereld vijftien datacenters. Daardoor

krijgen ook bouwbedrijven op een laagdrempelige

en relatief goedkope manier toegang tot een bijna

ongelimiteerde opslagruimte en rekencapaciteit.

Door onder meer het groeiend gebruik van clouddiensten

en van Big Data analyses op basis van het

Internet of Things bij de bedrijven en tegelijk van

steeds uitgebreidere digitale diensten bij de particulieren,

gaat de vraag naar digitale connectiviteit nog

sterk toenemen. Een rapport van 2016 van TNO en

Dialoc voorspelt daarom voor Nederland de komende

jaren een gestage groei van het aantal Fiber-to-the-

Home aansluitingen en een nog sterkere groei in de

Fiber-to-the-Office aansluitingen.

Daarnaast maakt vanaf 2020 de 5G-technologie

zijn opwachting. Die wordt precies ontwikkeld om

grootschalige Internet of Things connectiviteit te

bieden en substantiële verbeteringen in pieksnelheid

en ‘latency’ mogelijk te maken. Een onmiddellijke

reactie zonder noemenswaardige vertraging (de

zogenaamde ‘latency’) op signalen die geregistreerd

worden in diverse sensoren, is inderdaad nodig in

tal van toepassingen, zeker als we aan ‘self driving’

Visierapport 2019 11


denken. In 5G herkennen we ook de verschuiving van

een specifiek naar een generiek connectiviteitsaanbod.

TNO en Dialoc zagen mobiele netwerken als

een essentiële aanvulling op de vaste infrastructuren

maar niet geschikt als een één-op-één alternatief

daarvoor.

Een specifiek probleem in moderne gebouwen voor

het interne gebruik van 5G is bijvoorbeeld de hogere

isolatiegraad. Vele isolatiematerialen en glaspanelen

zijn nu voorzien van een dunne reflecterende

metalen coating om warmteverliezen tegen te

gaan. Maar deze dunne metallische filmlaagjes

houden ook elektromagnetische golven tegen en

beïnvloeden (beperken) daardoor de mogelijkheden

van draadloze communicatie, zeker in het geval van

de 5G-signalen die door een zeer korte golflengte

worden gekenmerkt.

3D-printer aan

het werk

(ill. Kamp C)

1.2. Inschakeling van robots en

3D-printing

Volgens de International Federation of Robotics (IFR)

werden in 2017 381.335 robots verkocht waarvan

ongeveer 262.000 in Azië en Australië, 56.000 in

Europa en 46.000 in Amerika. Per 100.000 medewerkers

worden in Europa 106 robots ingeschakeld, in

Amerika 91 en in Azië en Australië 75, in Korea 710, in

Duitsland 322, in Japan 308 en in België 192. Europa

en ook België presteren dus niet slecht op het vlak

van robotisering. Tegelijk is met name China zijn

roboticapark fors aan het uitbreiden.

Bij de huidige robots stelt de IFR de volgende innovatieve

tendensen vast: de hogere intelligentie van

de onderdelen (met name slimmere grijparmen), de

grotere connectiviteit (via cloud computing) en het

toenemende gebruiksgemak (onder meer dankzij

programmatie door demonstratie). In de toekomst

zullen ook robots zich bekwamen in ‘machine learning’.

Zij zullen leren via ‘trial and error’ (met vallen

en opstaan) of dankzij video demonstratie en zo

hun eigen werking kunnen optimaliseren en kunnen

communiceren met andere machines om finaal het

volledige proces te kunnen verbeteren.

Grafiek 01

Aantal industriële robots per 100.000 werknemers in 2017

Bron: IFR, World Robotics 2018

0 100 200 300 400 500 600 700 800

Zuid-Korea

Singapore

Duitsland

Japan

Zweden

Denemarken

Verenigde Staten

Taiwan

België

Italië

Nederland

Spanje

Frankrijk

China

12


HOOFDSTUK 01

Grafiek 02

Van 2012 tot 2017 steeg de verkoop van robots

met ongeveer 19% per jaar. De veruit belangrijkste

afnemers zijn de automobiel- en de elektronicasector

gevolgd door de metaalverwerkende en de chemische

nijverheid. Buiten de traditionele gerobotiseerde

sectoren vinden robots steeds meer hun weg

in andere domeinen, onder meer in warenhuizen en

logistieke centra, in hospitalen en in de landbouw

(onder meer om koeien te melken), in huishoudens

(om het gras te maaien, te stofzuigen en vloeren te

kuisen) en in de entertainmentsector. Voor de bouw

telde de wereldfederatie voor 2017 niet meer dan een

duizendtal verkochte robots. Daar is de doorbraak

van robots dus nog niet opgetreden. Maar voor hoe

lang nog?

Medio 2018 was de metselrobot Hadrian X klaar om

aan de slag te gaan. Het Australische bedrijf Fastbrick

Robotics heeft de mechanische constructie ervan

afgerond en wordt hierbij gesteund door onder meer

Caterpillar. De machine kan ruim duizend bakstenen

per uur metselen en kan dus in ongeveer twee

dagen tijd een volledige woning metselen. Eind 2018

bouwde Hadrian X zijn eerste huis. De metselrobot zit

in een vrachtwagen die zo de bouwplaats op gereden

kan worden. Met een robotarm van dertig meter

lang kan Hadrian X vanuit één plek op de bouwplaats

op allerlei verschillende plekken metselen.

69

Logistiek

Verkoop van robotten in

dienstensectoren (in 1.000-tallen)

Bron: IRF, World Robotics 2018

485,3

12

43,7

Defensie

10,4

93,4

Public relations

6,4

32,7

Landbouw

6,1

39,5

Huishoudens

5,6

40,5

Exoskeletons

2,4

10,7

Entertainment

2017 2019 - 2021

1,7

22,1

Geneeskunde

0,9

4,2

Bouw

Exoskelet

Skel-Ex voor

schilders

(ill. Neuro-Bionics)

Visierapport 2019 13


SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 01

Videoreportage

3D-printen in opmars

Interview met coördinator van het 3D-printer-project in Kamp C,

Marijke Aerts. In de Kempen worden de studenten nauw betrokken

bij 3D-printen.

Visierapport 2019 15


SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 01

Videoreportage

Metselrobot in actie

Interview bij Danilith met Greta Himpe, operator van een metselrobot.

Een reportage over de enige metselrobotoperatrice in Vlaanderen.

Visierapport 2019 17


Robotarmen leggen

stenen in een

productie-eenheid

(ill. Danilith)

Intussen is ook een ruim gamma van sloopwerktuigen

en -robots beschikbaar, onder meer via de firma’s

Brokk en Husqvarna. Zij kunnen vanop afstand worden

bediend en maken het bijvoorbeeld mogelijk op

moeilijk te bereiken plaatsen en in zeer ongezonde

omstandigheden (bijvoorbeeld bij hoge omgevingstemperaturen

zoals in staalfabrieken en bij cementovens)

sloopwerkzaamheden uit te voeren zonder

uitlaatgassen. Zonder zware inspanning kan één

operator het werk uitvoeren van een compleet team.

Metselen doet de robot op basis van een 3D-ontwerp

in Solidworks waarna hij zonder verdere menselijke

bemoeienis aan de slag gaat. De robot maakt gebruik

van bakstenen die een stuk groter zijn dan reguliere

bakstenen: circa 12 keer zo groot. De blokken worden

aan elkaar vast gemaakt met behulp van een speciale

metselmortel en -lijm die in slechts 45 minuten hecht.

Volgens Fastbrick Robotics hebben deze blokken

betere thermische en akoestische eigenschappen dan

traditionele specie. In de Verenigde Staten wordt een

gelijkaardige robot ontwikkeld. Die heet SAM en kan

ook duizend bakstenen per uur metselen.

In Nederland en Vlaanderen worden op de meeste

bouwplaatsen nog geen robots ingeschakeld. Maar

robots worden bij ons wel al ingezet bij het prefabricatieproces.

Bij de Nederlandse bouwfirma Dijkstra

Draisma bijvoorbeeld is Robi-One actief. Drie robotarmen

voorzien daar de gevels van steenstrips. Eerst

wordt lijm aangebracht en vervolgens leggen de

armen de bakstenen kaarsrecht achter elkaar. Op een

uur tijd worden 840 stenen gezet. In het atelier van de

industriële bouwfirma Danilith functioneert intussen

een gelijkaardige robotinstallatie met 1 grote en 4

kleinere armen die stenen in alle maten kan plaatsen

en daarbij ook met deur- en raamopeningen rekening

kan houden.

Een andere trend betreft de toenemende samenwerking

tussen mens en robot. Illustratief in dit verband

zijn de vanop afstand bedienbare hefwerktuigen voor

bijvoorbeeld het plaatsen van ramen en het gebruik

van exoskeletten. Het gaat om draagbare, externe

structuren die het menselijke lichaam ondersteunen,

voor ergonomie zorgen en de kracht van de mens

versterken. Aanvankelijk werden zij vooral voor curatieve

doeleinden gebruikt (bijvoorbeeld om verlamde

personen opnieuw te leren stappen) maar momenteel

vervullen zij meer en meer een preventieve rol

(meer in het bijzonder om overbelastingsletsels te

voorkomen).

Niet alleen in de logistieke sector (bij pakjesdiensten)

worden zij gebruikt maar ook bij de automontage

zijn zij intussen ingeburgerd. In de bouw worden

exoskeletten al gebruikt om betonvloeren te effenen.

Zij zouden bijvoorbeeld ook nuttig kunnen zijn voor

schilders die vaak met hun armen boven borsthoogte

moeten werken. Zo biedt het Belgische bedrijf Neuro-

Bionics de Skel-Ex aan om de bovenarmen

te ondersteunen en de Strongarm voor

het herhaaldelijk tillen van lichte

en het heffen van zware lasten.

Beide exoskeletten werken zonder

batterijen.

Uitgebreide

robotinstallaties voor

het leggen van stenen

in de productiehal van

Danilith

(ill. Danilith)

Robots worden nu al langer ingezet voor camera-inspectie

in rioleringen. De robots worden vanop afstand

bestuurd en kunnen tot diep in het leidingstelsel

beelden maken van defecten in de leiding, zelfs in de

aftakkingen. Tegelijk worden bij rioleringswerken eveneens

freesrobotten ingezet, met name in rioleringen

die niet voor de mens toegankelijk zijn. Die robotten

worden bestuurd vanuit de cabine van de vrachtwagen

en zijn uitgerust met een camera om precisiewerk

mogelijk te maken. Zij kunnen taken uitvoeren zoals

het verwijderen van obstakels (wortels, instekende

inlaten en spoelbeton) en het openen van (huis)aansluitingen

na een relining via de kousmethode.

14


HOOFDSTUK 01

Illustratief in dit verband is ook de Exopush die

de wegenbouwgroep Colas heeft ontwikkeld in

samenwerking met de startup RB3D. Na een uitgebreide

testfase wordt het systeem nu internationaal

uitgerold. Het gaat om een exoskelet dat specifiek

voor de wegenbouw werd ontwikkeld. Het systeem

geeft extra kracht aan arbeiders die manueel asfalt

en beton aanbrengen. Deze activiteit is zeer belastend,

vereist veel kracht en uithouding en kan bij

wegenwerken in een stedelijke omgeving niet worden

geautomatiseerd met andere machines.

De Exopush wordt ook een ‘cobotized hark’ genoemd.

Een handvat detecteert de intentie van de gebruiker

en versterkt zijn gebaar. De arm van de hark brengt

de kracht over naar het oppervlak. De repetitieve

fysieke inspanning wordt veel lichter. Ook de ergonomie

verbetert. De houding van de gebruiker is veel

natuurlijker en minder belastend voor de rug. De

Exopush is voorzien van een lithiumbatterij die een

autonomie van 6 uur verzekert.

Nog een fenomeen betreft de ontwikkeling van hoogautomatische

vrachtwagens, zoals die nu al worden

40

35

30

25

20

15

10

Wereldwijde AM-markt (in miljard dollar)

Bron: Agoria, SmarTech Publishing

5

0

Grafiek 03

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

uitgetest bij onder meer Daimler en Volvo Trucks.

Producenten van bouwmachines evolueren voor de

toekomst bijna unaniem naar batterij-elektrische

oplossingen. In eerste instantie gaat het om oplossingen

waarbij de taak van de chauffeur steeds meer

vergemakkelijkt wordt. Een volgende stap zou kunnen

zijn dat alle vrachtwagenritten en alle handelingen

op een bouwplaats of in een groeve volledig worden

geautomatiseerd op basis van zelfrijdende systemen.

In Europa wordt volgens Thierry Geerts alvast geëxperimenteerd

met zelfrijdende vrachtwagens op grote

bedrijfssites.

Volgens Agoria is België een pionier en leider op het

vlak van ‘additive manufacturing’ (AM of 3D-printen

op industriële schaal). Wereldwijd zal de AM-markt

verschuiven van (kleinere) prototypes naar de massaproductie

van onderdelen voor eindproducten. In

2018 was de wereldwijde AM-markt 9,3 miljard dollar

waard. Tegen 2022 zou die markt 20 miljard dollar

waard worden en tegen 2027 bijna 42 miljard dollar.

In 2017 telden de Belgische AM-bedrijven 1.500 werknemers.

Agoria verwacht dat het aantal banen die

rechtstreeks met AM verband houden, in de volgende

drie tot vijf jaar zal verdubbelen. Tegelijk geeft Agoria

toe dat er nog veel moet worden gedaan om de

overgang te realiseren van 3D-printen van (kleinere)

prototypes naar een meer industriële toepassing van

additive manufacturing voor grotere reeksen van

complexe eindproducten.

Uit een enquête van Agoria blijkt dat aan de implementatie

van AM vijf technologische voordelen verbonden

zijn. Op de eerste plaats staat de vrijheid van

design die AM biedt. AM maakt het mogelijk vormen

en ontwerpen te produceren die met conventionele

technieken niet mogelijk zijn. Geprinte onderdelen

kunnen ook lichter zijn dan hun niet-geprinte

tegenhangers. Bovendien maakt de vormgeving met

AM nieuwe eigenschappen mogelijk zoals plaatselijke

sterkte en integratie van functies.

Ten tweede maakt AM het mogelijk het aantal

productiestappen te verminderen waardoor de

doorlooptijd wordt ingekort. Ten derde bevordert

AM massamaatwerk. Dankzij AM kunnen bijzonder

specifieke producten worden aangemaakt op maat

van de klant waar dit voorheen niet mogelijk was

(bijvoorbeeld bij implantaten) of erg arbeidsintensief

(bijvoorbeeld voor brillen en zolen). AM is met name

voor de productie van kleine series kostenefficiënter.

Doordat AM on demand productie mogelijk maakt,

liggen ook de inventaris- en opslagkosten lager.

Visierapport 2019 15


Grafiek 04

Drijvende krachten achter AM (in % van de antwoorden)

Bron: Agoria-enquête, De kracht van Additive Manufacturing

Vrijheid van design

Ingekorte doorlooptijd

Customisatie

Kostenefficiëntie bij kleine volumes

On demand producties

0 10 20 30 40 50 60

Een aantal van die overwegingen spelen bij het

succes van de 3D-printfabriek te Eindhoven, een

50/50-partnership tussen de bedrijven Saint-Gobain

Weber Beamix en BAM Infra. Voor grotere betonstukken

voor kolommen voor bruggen en wanden

van gebouwen is dan geen arbeidsintensief bekistingswerk

meer nodig. Bovendien kan de printer in

Eindhoven het beton automatisch wapenen. Op de

printkop kan een spoel worden gezet die de staaldraden

met behulp van een motor in de betonlaag

duwt. Zo wordt het mogelijk exact te bepalen waar

de bewapeningsdraden moeten komen en achteraf

digitaal te monitoren en te controleren of de bewapeningsdraad

goed geplaatst is.

Het is nu ook de bedoeling in Eindhoven

vier fietsbruggen te laten printen. Het

gaat om creatieve ontwerpen die

niet realiseerbaar zijn met klassieke bouwmethodes.

De bruggen kunnen dankzij het printen ook slanker

worden waardoor zij meer in het landschap kunnen

worden geïntegreerd. Daarnaast biedt de printer

nog een ecologisch voordeel door materiaalbesparingen:

de printer brengt alleen beton aan waar het

constructief nodig is en voorkomt bekistingsafval.

Tenslotte is 3D-printen volledig verzoenbaar met de

werkmethodiek van BIM.

Op wereldschaal zijn de belangrijkste industrieën voor

AM-toepassingen de gezondheidszorg, de lucht- en

ruimtevaart en de auto-industrie. Maar ook in de

bouw komen reële toepassingen op gang, zoals de

3D-printfabriek te Eindhoven al aantoont.

Reeds in 2015 bouwde het Chinese bedrijf Winsun 10

huizen met 3D-printers. Een jaar nadien printte het

Via een 3D-printer

opgebouwde wanden in

Kamp C te Westerlo

(ill. Kamp C)

16


HOOFDSTUK 01

in 24 uur een flatgebouw van vijf

verdiepingen en 1.100 m2. Daarvoor

maakte het een oud flatgebouw

met de grond gelijk en maalde de

brokstukken fijn. Met dat residu,

sneldrogende cement en een

speciale verharder maakten de

ingenieurs vervolgens een 'inkt' voor

de 3D-printers, machines van 6,6

De bruggen kunnen

dankzij het printen

ook slanker worden

waardoor zij meer in

het landschap kunnen

worden geïntegreerd.

3D-toepassingen bij restauratiewerken

De productie van complexe vormen in (relatief) kleine oplages met

bijzondere materialen komt vaak voor bij restauraties en wordt ook

doorgaans op een ambachtelijke wijze aangepakt. Moderne digitale

scan- en vormgevingstechnieken (3D-printen en geautomatiseerde

freestechnieken) kunnen daarbij een aanzienlijke meerwaarde bieden,

niet om het ambacht te vervangen maar wel om bepaalde etappes

in het productieproces te optimaliseren.

De mogelijke toepassingen zijn divers, zoals voor het vervaardigen van

inzetstukken voor beschadigde bouwelementen. Mits scan- en modelleringswerk

vervaardigt men in een handomdraai een computermodel

en vervolgens een écht stuk materiaal, dat als een puzzelstuk in het

beschadigde gebouw kan worden geplaatst. De productie van prototypes,

die als basis dienen voor het maken van voorwerpen in gietijzer,

messing, brons, keramiek, enz., kan ook snel gebeuren door digitale

vormgevingstechnieken te combineren met 3D-printen of frezen. De

term Rapid Prototyping vindt ingang in de restauratie.

m hoog, 10 m breed en 40 m lang.

WinSun printte de grote onderdelen

in zijn hoofdkwartier in Shanghai en

versterkte ze op de bouwsite met

stalen constructies. De muren werden

hol geprint zodat ze achteraf

kunnen worden gevuld met isolatie

of kabels.

Verschillende

etappes in het hermaken

van een precies passende

grafvaas ter vervanging

van een afgebroken vaas

(ill. WTCB)

Het Amerikaanse bedrijf Icon van

zijn kant is erin geslaagd in Texas

in 24 uur een huis te printen voor

ongeveer 8.000 euro. Het printingproces

verloopt hier ter plaatse

omdat de installatie uit aluminium

bestaat en dus gemakkelijk kan

worden opgevouwen en getransporteerd.

Het is de bedoeling op

die manier honderden kleinere

huisjes te bouwen, met name

om tegemoet te komen aan de

enorme bouwbehoeften in de

ontwikkelingslanden.

De Technische Universiteit

Eindhoven van haar kant

werkt aan een project van 5

3D-geprinte woningen voor een

Eindhovense nieuwbouwwijk. De

woningen moeten voldoen aan

Het wordt nog beter met het direct 3D-printen van zandmallen voor

grote gietijzeren elementen of het 3D-printen van wasmodellen voor

het verloren-wasgieten van elegant fijn deurbeslag: allemaal op basis

van een computermodel zodat met materiaalkrimp rekening gehouden

kan worden. Met 3D-printen of freestechnieken vervaardigt men

hoogkwaliteitsmallen waar de objecten klaar voor gebruik uitkomen.

Dat is mogelijk voor elke toepassing: van kleine elementjes in pleisterwerk

tot metersgrote constructieve elementen in kunststeen.

Wat het VIS-project aantoonde was de flexibiliteit waarmee digitale

technieken in de restauratie toegepast kunnen worden, hoe ze

bijdragen tot een kwaliteitsvolle restauratie, en vooral dat er nog een

wereld aan toepassingen klaarligt om ontgonnen

te worden.

Visierapport 2019 17


de bouwvoorschriften en aan de wensen van de

bewoners op het vlak van comfort én betaalbaarheid.

De grootste 3D-printer van de wereld staat intussen

klaar op de site van Kamp C, het Provinciaal Centrum

voor Duurzaamheid en Innovatie in Westerlo,

om een huis met twee verdiepingen te printen.

Geïnteresseerde bedrijven kunnen vanaf het najaar

van 2019 tot zeker nog 2020 met de printer experimenteren

(→ getuigenis op p. 36).

Daarnaast is doorgedreven wetenschappelijk onderzoek

over het 3D-printen gepland aan de UGent

in het kader van een European Research Council

Grant onder de benaming Smart Casting of Concrete

Structures by Archive Control of Reology.

Eerder al heeft het WTCB in het kader van een VISproject

in samenwerking met VCB en Sirris de actuele

en de potentieel toekomstige toepassingen van de

3D-technologieën in de restauratiesector onderzocht.

Het onderzoek focuste onder meer op natuursteenen

metaalbewerking en op de afwerking met pleister

en keramische decoraties (met name betegelingen).

Uit het onderzoek is gebleken dat het 3D-printen

het ambachtelijke proces niet aan de kant schuift

maar veeleer bepaalde intermediaire fasen van het

productieproces faciliteert. (→ WTCB-kaderstuk op

p. 17).

1.3. Nieuwe visualisatiemethoden:

3D-scanning, VR en AR en inzet van

drones

3D-scanning wordt vaak gebruikt als algemene term

voor alle technieken die toelaten om een digitaal

model van de bestaande toestand van een gebouw,

element of site te maken. De voordelen in vergelijking

met manueel opmeten zijn legio. Bij manueel opmeten

bestaat het risico zaken over het hoofd te zien of

fouten te maken. Scannen verloopt ook sneller dan

meten, zeker bij panden met veel hoekjes en kantjes.

3D-scanning maakt het ook mogelijk om de toestand

van gebouwen of elementen mee op te volgen,

wat opportuniteiten opent voor het onderhoud van

gebouwen (scheuren, zoutuitbloeiingen, mosgroei

enz.).

Bovendien is 3D-scanning nuttig voor de voorbereiding

van de werken (onder meer om de hoogteverschillen

en afmetingen van een site in kaart te

brengen en de vlakheid van gevels en de juiste positie

van de gevelopeningen te bepalen), om de werken

op te volgen en om aan de klanten te tonen hoe

het project evolueert. Voor prefabrenovaties wordt

3D-scanning volgens het WTCB zelfs een onontbeerlijke

tool. Bij renovatieprojecten is een accuraat en

exact beeld van de bestaande situatie immers enorm

belangrijk.

Het WTCB volgt vooral de evoluties op het vlak

van laserscanning en fotogrammetrie op. Bij laserscanning

gaat het om een toestel dat miljoenen

keren per seconde een laserstraal uitstuurt en meet

hoelang het duurt vooraleer deze wordt teruggekaatst.

Telkens wordt in een gekende richting een

XYZ-coördinaat van de straal opgeslagen, met als

resultaat een ‘raster’ van puntjes die telkens voor

een bepaalde locatie in de ruimte staan en dus een

exact beeld van de afmetingen en dieptes geven.

Bovendien krijgt het toestel met de laserstraal

AR-applicatie

van de VDAB die

cursisten ondersteunt

bij de uitvoering van

praktijkoefeningen

(ill. VDAB)

18


HOOFDSTUK 01

Concept Home

te Waregem als real

life testomgeving voor

ventilatie en zonwering

(ill. Renson)

‘red-green-blue’-informatie terug, waardoor de applicatie

dus ook de kleur van elk punt kan bepalen.

Deze techniek kent wel een aantal beperkingen.

Tussen het toestel en het gebouw of de site mogen

zich geen zichtbelemmeringen bevinden, zoals

bomen, andere gebouwen, kranen en wagens. Het

toestel kan immers enkel opmeten wat het echt kan

zien. Zeker voor daken en andere moeilijk(er) toegankelijke

plaatsen kan dit problemen opleveren. Het

inschakelen van drones kan hier oplossingen bieden

maar is in de praktijk niet altijd mogelijk. Bovendien

weegt een laserscanner nog vrij veel, wat een nadelige

impact op de vliegtijd van de drone heeft.

Vandaar dat fotogrammetrie momenteel erg in de lift

zit. Deze techniek gaat wel zeer goed hand in hand

met het gebruik van drones en is qua kostprijs en

gebruiksgemak bovendien toegankelijk voor de meest

uiteenlopende types van gebruikers. Om fotogrammetrie

te kunnen uitvoeren is enkel een goed digitaal

fototoestel nodig alsook bijhorende lenzen, een

krachtige pc en een specifiek softwareprogramma.

De techniek functioneert op basis van foto’s en driehoeksmeetkunde.

Het softwarepakket zal karakteristieke

punten op foto’s herkennen. Op basis hiervan

bepaalt het van welke posities de foto’s werden genomen.

Door dit voor vele punten op de foto’s te doen,

kan een puntenwolk worden samengesteld en zo een

driedimensionaal object worden gevormd.

Een nadeel is wel dat de techniek erg gevoelig is

voor weers- en lichtomstandigheden. De software

zal bepaalde punten niet herkennen als er op de

ene foto meer inval van zonlicht is dan op de andere

of als het plots stortregent. Ook het bepalen van

karakteristieke punten op grote, lichte en/of reflecterende

vlakken (zoals witte muren en glasvlakken) ligt

technisch nog wat moeilijk. Daartegenover staan wel

de beperktere investeringskost, het gebruiksgemak én

het feit dat fotogrammetrie met drones kan worden

gecombineerd.

Een belangrijke barrière voor een doorbraak in de

bouwsector is volgens het WTCB dat er vandaag geen

protocollen voor de resolutie en precisie van digitale

Visierapport 2019 19


Drones en

bouwwerken steeds

vaker onafscheidelijk

(ill. Willemen)

modellen bestaan waardoor andere partijen er moeilijk

op kunnen verder werken. Het digitaal model dat

een architect voor zijn offerte nodig heeft, voldoet op

het vlak van precisie meestal niet aan de modeleisen

die de aannemer stelt voor de uitvoering (bijvoorbeeld

voor een prefabrenovatie). Ook opdrachtgevers

weten door het gebrek van duidelijke handleidingen

en protocollen momenteel niet goed wat ze moeten

specifiëren als ze ‘een digitale opmeting’ wensen.

Maar het allergrootste probleem is dat nog maar

weinig spelers in de bouwsector weten hoe ze met

een puntenwolk moeten werken. Weliswaar zijn

3D-tekeningen in opmars maar over het algemeen

zijn die met lijnen en volumes opgemaakt en dus niet

met puntenwolken. Het omzetten van een puntenwolk

naar een 2D- en 3D-vectoriële tekening vraagt

bovendien nog vaak veel (handmatig) werk. Het is

alvast nog niet voor morgen dat uit de scanning van

een puntenwolk onmiddellijk een 3D-vectorieel model

(laat staan een BIM-model) tot stand komt. (→ WTCBkaderstuk

op p. 21)

Nog een markt in volle ontwikkeling is die van Virtual

Reality (VR) en Augmented Reality (AR). Uit de voorspellingen

van de in Silicon Valley gebaseerde technologieadviseur

Digi-Capital blijkt dat de betrokken

bedrijven in 2016 ‘slechts’ 7 miljard dollar investeerden,

in 2018 die investeringen tot 36 miljard dollar

opdreven om in 2020 wellicht aan een recordbedrag

van 120 miljard dollar uit te komen. Uit de cijfers blijkt

bovendien een duidelijke shift van VR naar AR.

Grafiek 05

Investeringen in Virtual en

Augmented Reality (in miljard dollar)

Bron: Digi-Capital

130

120

110

100

90

80

70

60

50

40

30

20

10

0

2016

2017

2018

2019

2020

Virtual Reality

Augmented Reality

20


HOOFDSTUK 01

ICARUS-project scant

mogelijkheden rond scanning

van gebouwen

3D-scanning-toepassingen met drones beginnen een

interessante rol te spelen in het bouwproces, voorbij het

stadium van experimenten. Scandata kunnen steeds meer

ingeschakeld worden in een gedigitaliseerd en geïndustrialiseerd

bouwproces, zowel bij de voorbereiding, fabricage

en montage als bij controles, visualisatie, opmetingen,

analyses en diagnoses, monitoring en onderhoud. In de

nabije toekomst zal de lijst van toepassingsmogelijkheden

enkel nog toenemen (inspectie, transport van materiaal

en materieel, beveiliging van de werf …). De bedrijven in

de bouwsector lijken echter nog moeite te hebben om

deze mogelijkheden te vatten en in te zetten in concrete

bouwsituaties.

Met het project ICARUS zet het WTCB volop in om de

Belgische bouwbedrijven hierin te ondersteunen door een

zeer goed inzicht te krijgen op het huidige gebruik, op de

mogelijkheden en beperkingen van drones en op de ervaringen

bij de Vlaamse voorlopers, bij zowel de drone-bedrijven

als de bouwbedrijven. Tevens zorgt het WTCB met

dit project ervoor dat het zelf eigen ervaring opdoet om

haar leden in deze snelle digitalisatie optimaal te kunnen

begeleiden, gidsen en ondersteunen (zowel qua onderzoek

als voor op de werf).

Het is essentieel dat het WTCB – zeker in het licht van zijn

huidige positionering en investeringen gelinkt aan BIM –

deelneemt aan de ontwikkelingen binnen dit belangrijke

innovatiedomein. Door actief in te zetten op dit thema

en bijbehorende spitstechnologieën (3D-fotogrammetrie,

het gebruik van drones en beeldvormingstechnieken in

het niet-zichtbare spectrum, IR en multispectraal) …) zal

het WTCB duidelijk en to-the-point ondersteuning kunnen

bieden bij de vragen van bouwprofessionelen en voor de

aannemers de mogelijkheden, voordelen en beperkingen

van deze digitale technieken kunnen duiden.

In het kader van ICARUS werd de monografie Drones ten

dienste van de bouwsector. Technologieën, uitdagingen

en vooruitzichten gepubliceerd en werd de technologische

werkgroep omtrent fotogrammetrie met drones opgestart

waarin onder andere een duidelijk en hanteerbaar

protocol rond deze technologie zal worden uitgewerkt om

een kwaliteitsvolle 3D-opmeting

met deze technologie aan onze

Belgische bouwaannemers te

kunnen garanderen.

Virtual Reality maakt een intense ‘customer

experience’ mogelijk. De klant bevindt zich

dan volledig in een in 3D geschapen wereld.

Het bedrijf kan die virtuele ruimte laten

bekijken op een computerscherm, projecteren

naar een TV-scherm of doorsturen naar

een VR-bril. De klant krijgt zo een optimaal

beeld van de toekomstige woning of van

eender welke digitale ruimte. Hij heeft die

ruimte ook volledig onder controle want elke

variabele in het beeld is aanpasbaar.

De residentiële ontwikkelaar Bostoen heeft

met zo’n tool in Londen een award gewonnen.

Bostoen maakt het haar klanten via

haar woonconfigurator in VR mogelijk om

middels een real time rendering de binnenafwerking

van de nieuwe woning te kiezen

en het huis of de flat te vergelijken en virtueel

te bekijken zonder de aanwezigheid van

een fysiek gebouw. De klant kan zelfs met

een VR-bril op door de toekomstige woning

lopen. (→ getuigenis op p. 34).

Reynaers Aluminum heeft in 2017 in haar

ontvangstruimte de VR-kamer Avalon voor

voorschrijvers, architecten en aannemers

opgericht. Opmerkelijk is wel dat de participanten

doorzichtige VR-brillen dragen

waardoor ze zichzelf en elkaar kunnen

blijven zien en zo met elkaar kunnen blijven

overleggen. Volgens Reynaers Aluminium

kunnen zo in een tijdspanne van een paar

uur evenveel beslissingen worden genomen

als anders in een paar weken. Vooral

de waarheidsgetrouwe visualisatie helpt

enorm: details kunnen worden uitvergroot,

clashes zijn onmiddellijk zichtbaar, het

effect van andere kleuren of producten kan

meteen worden besproken.

Projectontwikkelaar CAAAP die deel

uitmaakt van de Artes Group, ziet in haar

woonconfigurator een gelijkaardig voordeel.

De interieurcoördinator hoeft niet langer

met de klant langs toonzalen langs te gaan.

Terwijl de opmaak van de plannen voorheen

in drie fasen gebeurde, kan de klant

nu doorgaans op drie uur tijd kiezen op

maximaal twee bezoeken.

Een belangrijke toepassing in verband

met wegen en nutsleidingen betreft de

SiteVision van Trimble. Met het gebruik van

GPS en een koppeling met de database

van de ondergrondse leidingen wordt het

Visierapport 2019 21


mogelijk op een smartphone in VR aan te duiden

waar de leidingen zich bevinden.

Terwijl VR de gebruiker volledig in een virtuele 3D

wereld onderdompelt, voegt Augmented Reality (AR)

elementen toe aan de echte fysieke wereld om ons

heen. Een van de 10-top AR-applicaties betreft de

IKEA Place. Deze app scant het vloeroppervlak van

de ruimte waar de kandidaat-koper zich bevindt.

Gewoon via het scherm van zijn smartphone kan hij

in die ruimte de lamp, zetel of tafel van diens keuze

weergeven. Op basis van de keuzes die de potentiële

klanten maken, kan het bedrijf nog beter dan voorheen

hun voorkeuren detecteren.

AR kan ook beleidsmakers en stakeholders overtuigen

van een herbestemmingsproject. Zo werd in Gent

een AR-app ontwikkeld om het nieuwe skatepark

aan de Blaarmeersen te visualiseren. Nog relevanter

voor de bouw en de bouwplaats is de toepassing van

AR in het nieuwe gebouw van de Confederatie Bouw

Limburg. Met AR in combinatie met BIM (Building

Information Modelling) volstaat het in dat gebouw

een muur te scannen en dan als het ware een X-ray

van het gebouw te krijgen, met zicht op alle sanitaire

en ventilatieleidingen. Er is trouwens al veel software

beschikbaar om dit te doen op basis van een BIMmodel

en een 3D-ijkpunt in de ruimte.

Mixed reality (MR) heeft tot doel realistische 3D

beelden in de echte wereld te plaatsen waardoor

Impressie in

Augmented Reality van

een pand vanuit een

advertentie

(ill. Bostoen)

het lijkt alsof ze daar gewoon thuis

horen. Bouwbedrijf Vanhout en bouwmaterialenproducent

Xella hebben hieromtrent een

gezamenlijk project opgezet. De plannen van een

nieuwbouwproject werden in de ontwerpfase volledig

digitaal in een 3D-maquette gemaakt. Dankzij MR

kan deze digitale informatie in realtime op de bouwplaats

beschikbaar worden gesteld.

Bouwvakkers krijgen via een helm met holografische

lens exact te zien wat op de plannen staat. Ze zien

de echte werf aangevuld met de data van de plannen

voor hun ogen in 3D-hologrammen. MR scant de

volledige omgeving, herkent de bouwplaats op basis

van de digitale plannen en vult aan met computerbeelden.

Deze technologie maakt een traditioneel

werfboek overbodig. Het is niet meer nodig alles

via metingen op de werfvloer uit te tekenen. Dat

bespaart veel tijd en is veel nauwkeuriger. Vanhout en

Xella schatten dat op die manier 15 tot 25% tijd kan

worden bespaard.

Marktpotentieel voor drones

Grafiek 06

Bron: Agoria & PwC, A drone’s eye view

Energie en nutsvoorzieningen

Telecom

Landbouw

6% 5%

7%

Veiligheid

7%

43%

Infrastructuur

Verzekeringen

10%

11%

11%

Transport en logistiek

Entertainment en media

22


HOOFDSTUK 01

Uit het overzicht A drone’s eye

view dat Agoria en PwC in

mei 2018 samenstelden, blijkt

dat de infrastructuursector

een van de meest beloftevolle

domeinen voor de toepassing

van drones is. Van het jaarlijks

marktpotentieel van 410

miljoen euro is maar liefst 176

miljoen euro (43%) mogelijk bij infrastructuurwerken.

Op de derde plaats kwam het nauw aan de mobiliteit

verbonden domein van transport en logistiek (met

een aandeel van 11%).

Volgens dit overzicht kunnen drones op het vlak van

infrastructuur worden ingezet voor de inventarisatie

van materialen (zoals bijvoorbeeld grond- en afvalstoffen),

voor de inspectie van infrastructuur (meer in

het bijzonder van moeilijk bereikbare plekken), voor

de voorbereiding van werken (bij het in kaart brengen

van de huidige vervoersstromen en van het actuele

uitzicht van de site), voor de communicatie rond de

werken (door simulatie dankzij drone opnames) en

voor de opvolging van de werken (in welke mate

de werken vorderen en volgens de initiële plannen

verlopen). In dit verband primeert het verzamelen

van allerhande data via de meest diverse types van

sensoren. Drones fungeren daarbij voornamelijk als

vervoermiddel van sensoren.

Op het vlak van transport en logistiek zien Agoria en

PwC vooral een toekomst in de levering van superdringende

pakketten (bijvoorbeeld bij noodgevallen).

Voor energie en nutsvoorzieningen zijn drones nuttig

voor de opmaak van modellen voor nieuwe installaties

(bijvoorbeeld voor windmolens), voor de vereiste

inspecties in functie van het cruciale onderhoud van

nutsleidingen en masten (zonder dat het netwerk

moet worden afgesloten) en voor de evaluatie van

Op langere termijn is een 24/7-monitoring

denkbaar door middel van geautomatiseerde

drones vanuit een centraal controlecentrum.

de schade bij incidenten. Op langere termijn is een

24/7-monitoring denkbaar door middel van geautomatiseerde

drones vanuit een centraal controlecentrum.

Telecombedrijven kunnen drones inzetten voor

de inspectie van masten. Voor de verzekeringsmaatschappijen

kunnen drones tot een sneller en veiliger

onderzoek bij schadegevallen leiden.

In het kader van de bedrijvencluster EUKA werden

in samenwerking met het WTCB en met de steun

van het VLAIO (Vlaams Agentschap Innoveren en

Ondernemen) specifiek voor de bouw haalbaarheidsstudies

opgezet rond de volgende business cases voor

drones:

› als transportmiddel op de bouwplaats, bijvoorbeeld

voor het heffen van cementzakken;

› als inventarisinstrument, met name om de beschikbare

materialen op de bouwplaats te herkennen, in

te scannen en vervolgens te inventariseren;

› om grote technische installaties op de bouwplaats te

inspecteren, niet alleen outdoor maar ook indoor;

› om op moeilijk toegankelijke plekken snel, efficiënt

en vooral gelijkmatig vloeistof of verf aan te brengen;

› om op een efficiënte, automatische en goedkope

manier op de bouwplaatsen kostbare grondstoffen

en bouwmaterialen, grote machines en dure elektrische

apparaten te bewaken.

Deze haalbaarheidsstudies moeten tegen eind 2019

zijn afgerond. (→ WTCB-kaderstuk op p. 24)

Gebouwen

scannen met

drones

(ill. WTCB)

Visierapport 2019 23


SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 01

Videoreportage

VR en AR in de bouw

Interview met marketingverantwoordelijke Joery Michiels van

Bostoen over de toepassing van Virtual en Augmented Reality.

De VR-toepassing in de kijker waarmee Bostoen een award

heeft gewonnen in Londen in de categorie architectuur en

vastgoed.

Visierapport 2019 25


Op basis van

BIM leidingen en

schachten detecteren

in het gebouw van de

Limburgse bouwcampus

(ill. Confederatie Bouw

Limburg)

VIS-haalbaarheidsstudie over drones

als hulpmiddel in de bouw

Er wordt wel eens gezegd dat als morgen drones een zak cement

kunnen optillen en verplaatsen, de bouwsector op zijn kop

staat. Hoe dicht staan we vandaag bij de drone als alledaagse

bouwhelper? Het lijdt geen twijfel dat er wellicht een markt is

voor een robot (in casu een drone) die verschillende taken op een

bouwplaats op zich kan nemen zoals het oppikken van (vergeten)

gereedschap, het inschatten van workloads, het tillen van materialen

die met een kraan naar een hogere verdieping moeten

worden gebracht, het uitsparen van stellingenbouw enz.

Omdat we heel wat concrete toepassingen voor drones kunnen

bedenken in de bouw, is het belangrijk om deze te toetsen aan

een zekere haalbaarheid en noodzaak. Heeft de concrete toepassing

een meerwaarde voor de werfprocessen? Kan de huidige

technologie tegemoetkomen aan wat verwacht wordt? Weegt de

investering in een dergelijke werfdrone op tegen de (vermoedelijk)

verhoogde efficiëntie? Allemaal vragen die in een doorgedreven

haalbaarheidsstudie aan bod moeten komen om te weten te

komen of investeringen in een drone de bouwsector en hun werfmanagement

op een hoger niveau kunnen tillen.

Daarom hebben EUKA en het WTCB de handen in elkaar geslagen.

Voor vijf businesscases zullen de relevantie, toegevoegde

waarde, benodigde investeringen en actoren, technische noden

en lacunes, wensen en eisen worden bepaald en in een overzichtelijk

rapport worden gegoten. Deze kennisinzichten zullen de

bouwsector in staat stellen hun werfgerelateerde

processen te optimaliseren, al

dan niet door het gebruik van drones in

de bestaande workflows.

Uit de recentste cijfers van het

Directoraat-Generaal Luchtvaart

blijkt dat het aantal ingeschreven

drones de laatste paar jaar flink in

de lift zit. In 2016 werden 637 drones

aangemeld, in 2017 waren dat er 830

en tijdens de eerste 11 maanden van

2018 werden al 869 drones geregistreerd.

Er is ook een groei te zien in

het aantal professionele dronepiloten.

In de afgelopen drie jaar werden

ruim 450 klasse 2-brevetten verleend.

Daarmee mag een drone van

maximaal 5 kg tot een hoogte van 45

meter worden bestuurd. Het aantal

afgegeven klasse 1-licenties voor

drones tot 150 kg bedroeg in dezelfde

periode zelfs een kleine 900.

Van groot belang voor de verdere

expansie van toepassingen met drones

is de versoepeling van de huidige

nogal restrictieve Belgische wetgeving.

De Europese Unie heeft hiertoe

recentelijk een nieuw kader gecreëerd

dat op 11 juni 2019 in zijn definitieve

vorm werd gepubliceerd. De nieuwe

wetgeving zal heel wat opportuniteiten

met zich meebrengen, vooral

in de open categorie met de laagste

risicofactor. Na het invullen van een

online test kan een drone-eigenaar

enorm veel opdrachten uitvoeren tot

120 m hoogte. Zo kunnen schoorsteenvegers

gemakkelijker met een

drone de schouwen inspecteren.

24


HOOFDSTUK 01

De ontwikkeling van

allerhande sensoren

vormt een andere almaar

belangrijkere extra

digitale tool om bouwprocessen

en -projecten

nauwgezetter op te volgen.

Sensoren zijn kleine

apparaten die meetbare

gegevens en veranderingen

in de omgeving

detecteren en die omzetten

in de bijbehorende output. Het kan gaan om

uiteenlopende fysische grootheden zoals lichtsterkte,

temperatuur, straling, beweging, vocht en druk. Die

input wordt door de sensor omgezet in een digitaal

signaal dat onder meer via internet kan worden verstuurd

voor verdere bewerking in een regelsysteem.

Sensoren kunnen dus in heel wat monitoringsystemen

worden gebruikt, zoals bij de monitoring van waterniveaus

en leefmilieu, van verkeer en energiebesparing,

van machineparken en veestapels.

De wereldwijde markt van

sensoren neemt volgens het

recentste rapport van de

Allied Market Research fors

toe: van 139 miljoen dollar

in 2017 tot 287 miljoen in

2025.

De wereldwijde markt

van sensoren neemt

volgens het recentste

rapport van de Allied

Market Research fors toe:

van 139 miljoen dollar in

2017 tot 287 miljoen in

2025. Deze groei heeft

onder meer te maken

met de opkomst van

steeds meer high tech

‘wearables’ die diverse

gezondheidsparameters van mensen opvolgen, zoals

onder meer temperatuur, hartslag en zelfs bloeddruk.

Zij wordt ook beïnvloed door de forse vraag

vanuit de verder automatiserende industrie, vanuit

de automobielnijverheid die steeds meer sensoren in

wagens integreert, vanuit de consumentenelektronica

en door de integratie van steeds meer sensoren in

smartphones.

Voornaamste groeifactoren voor de globale sensorenmarkt

Grafiek 07

Bron: Allied Market Research

Toenemend gebruik bij

Internet of Things

Piek in de

automobielindustrie

Groeiende vraag wegens gebruik in

het kader van ‘smart cities’

Verhoogd gebruik in wearables

en innovatieve toepassingen in

de biomedische sector

Innovaties in sensoren en toenemend

gebruik in smartphones en andere

elektronische toepassingen

Toepassing van sensoren leidt tot

meerwaarde maar ook tot kortere

levensduur van instrumenten

Vooruitgang in de

automatisatiesector

Opkomend gebruik bij

teledetectie

2017 2025

Visierapport 2019 25


VCB-voorzitter Jef

Lembrechts leidt de

kick-off vergadering voor

de cluster Smart Buildings

in Use in

(ill. WTCB)

Maar tegelijk verklaart het rapport van Allied Market

Research de forse toename van sensoren door de

groeiende applicaties voor het Internet of Things

en in het kader van de smart cities. In dit laatste

geval gaat het onder meer om toepassingen voor

de realisatie van slimme energienetten, woningen

en transportsystemen. Slimme sensoren zijn ook al

in diverse toepassingen beschikbaar in kantoorgebouwen.

In Vlaanderen worden zij intussen verder

ontwikkeld door IMEC en in het Homelab van IMEC te

Gent uitgetest.

In het woonzorgcentrum Zilverlinde in Olen werden

slimme sensoren geïnstalleerd die in staat zijn om alle

bewegingen in een kamer te monitoren. Het systeem

werkt met zones. Als een bewoner bijvoorbeeld langer

dan normaal in de badkamer blijft, dan registreren

de sensoren dat. De sensoren reageren ook op geluid

(bijvoorbeeld wanneer de bewoner om hulp roept)

en op verdachte geluiden (bijvoorbeeld van een val).

Wanneer de sensoren aangeven dat een bepaalde

situatie kritiek zou kunnen zijn, genereren zij een

beeld. De verzorgers krijgen dat livebeeld dan te zien

op hun smartphone. Op die manier kunnen verzorgers

vlotter en gerichter ingrijpen in acute situaties.

Routinecontroles drie maal per nacht zijn niet langer

nodig. In een volgende fase zou het project kunnen

worden uitgebreid naar de assistentiewoningen en

nog later naar de private woningen van bejaarden.

Maar ook voor de dagelijkse bedrijfsvoering van

bouwbedrijven hebben sensoren al hun nut bewezen,

onder meer bij de werfopvolging. Bouwgroep

Willemen traceert met behulp van sensoren welk

bouwmaterieel zich op welke bouwplaats bevindt.

Voor een groep die over een 500-tal boormachines

beschikt, is dat ook nuttig om diefstal tegen te gaan.

Een opkomende speler op deze markt is zeker

het bedrijf Zensor. Deze scale-up bekijkt nu of het

mogelijk is om via sensoren de voortgang van de

werken aan de Oosterweelverbinding in real time

op te volgen. Hetzelfde bedrijf heeft in Nederland

een fietspad uitgerust met sensoren die de vervorming,

waterhuishouding en veroudering van het pad

kunnen opvolgen. In een volgende fase moet het

mogelijk worden om op basis van de verzamelde

gegevens tot een slimmere weg te komen met een

continu op conditie gebaseerde onderhoudsaanpak.

(→ WTCB-kaderstuk op p. 27)

26


HOOFDSTUK 01

Cluster over Smart

Buildings in Use

De cluster Smart Buildings in Use brengt

vooruitstrevende bedrijven samen om

innovatieve oplossingen te zoeken om het

onderhoud en het beheer van gebouwen

te digitaliseren. Gebouwen worden alsmaar

complexer om te onderhouden en

te beheren. Maar nieuwe technologieën

kunnen helpen om de steeds hogere

verwachtingen van de gebruiker in te

lossen en tegelijk de totale levenscycluskost

onder controle te houden. We denken

aan performante software (FMIS, BIM), de

integratie van sensoren, het Internet of

Things en nieuwe business modellen zoals

DBFM en product-dienst-systemen.

Om bedrijven te ondersteunen bij

hun digitaliseringsproces, wil de cluster

samenwerking en kennisuitwisseling

stimuleren. Hiervoor worden diverse

studiedagen en workshops georganiseerd.

Nieuwe toepassingen zullen worden ontwikkeld

via open innovatie. De cluster zal

de bedrijven begeleiden bij het vormen

van partnerships zodat dit kan uitmonden

in concrete demoprojecten en begeleide

innovatieprojecten.

Deze acties moeten leiden tot een verhoogde

kennis en een toegenomen

digitalisering van de onderhouds- en

beheersactiviteiten bij de leden, nieuwe

innovatieve samenwerkingsverbanden, en

een markt die zich sterker ontplooit. De

cluster Smart Buildings in Use wil bedrijven

en experten vanuit een verschillende achtergrond

met elkaar in contact brengen:

aannemers, professionele gebouwbeheerders

en -eigenaars, software en hardware

ontwikkelaars, materiaalproducenten en

-leveranciers, ontwerpers en studiebureaus,


Meer informatie staat op

www.smartbuildingsinuse.be.

1.4. Prefabricatie en modularisatie

Als de bouw steeds meer tools van industrie 4.0

integreert, gaat dit ongetwijfeld ook gepaard met

een grotere industrialisatie van het bouwproces.

Die tendens wordt momenteel opgevolgd vanuit

de cluster Bouwindustrialisatie, een cluster die het

WTCB heeft opgezet in samenwerking met wood.

be en 3E. De beroepsfederatie FEBE is eveneens een

partner in deze cluster. De betonprefabricatie is in

Vlaanderen immers al lang een gevestigde waarde

voor nieuwe bouwprojecten in de niet-residentiële

sector. Vooral in de industriebouw wordt massaal

geprefabriceerd.

In de woningbouw kende de prefab bouw zijn

ups en dows, zoals ook blijkt uit een rapport van

McKinsey van juni 2019 over Modular construction:

from projects to products. Prefab woningbouw

kende een voorlopig hoogtepunt vlak na de tweede

wereldoorlog omwille van de toenmalige acute

woningnood maar zakte nadien terug, onder meer

omwille van twijfels over de geleverde kwaliteit.

Maar intussen past in Vlaanderen bijvoorbeeld de

firma ETIB al enkele jaren met succes haar concept

Concrete House toe. Het gebruik van prefab

beton verleent aan huizen een hedendaagse soberheid

terwijl ze tegelijk over een enorm thermisch

comfort beschikken. Intussen bouwt ETIB met dit

concept zo’n 50 lage-energiewoningen, passiefhuizen

en handelspanden per jaar.

Nog een belangrijke evolutie in de bouwsector

betreft de toenemende toepassing van houtbouwwoningen.

Volgens de laatste enquête van

houtinfobois werden in 2018 in Vlaanderen 1.584

houtbouwwoningen gerealiseerd. Met name

in Vlaanderen produceerden de houtbouwbedrijven

gemiddeld 50 woningen per jaar, in

belangrijke mate volgens een geïndustrialiseerde

‘sleutel-op-de-deur’-systematiek.

Houtbouw en houtskeletbouw worden de laatste

jaren ook steeds meer uitgevoerd met CLT (Cross

Laminated Timber of gelamineerd kruislaags

hout). Deze techniek stoelt op panelen die zijn

opgebouwd uit drie tot elf lagen vurenhout die

onder hoge druk worden verlijmd. Bouwen met CLT

gebeurt bijna volledig op basis van prefabricatie.

De CLT-specialist zet het architecturaal ontwerp

om in een gedetailleerd plan op basis waarvan de

verschillende bouwelementen in de productieruimte

tot op de millimeter worden verzaagd. Specifiek

voor deze branche heeft het WTCB een innovatief

systeem bedacht dat een aantal mogelijke nadelen

tegengaat. (→ WTCB-kaderstuk op p. 28)

Visierapport 2019 27


Innovaties op het vlak van akoestiek en brandgevaar bij

houtskelet- en CLT-bouw

Eind september 2016 werd het VIS-traject DO-IT Houtbouw afgesloten. Het hygrothermische gedrag

van houtskeletbouwconstructies werd op werkelijke schaal uitgetest. 750 meetsondes in twee proefgebouwen

monitorden het hygrothermische gedrag en lieten toe om het hygrothermische comfort

en de duurzaamheidsrisico’s van oplossingen te evalueren. Er werd bovendien grote vooruitgang

geboekt op het vlak van akoestiek en brandgedrag van houtskeletbouw.

Zo ontwikkelde het WTCB een innoverend houtenvloersysteem met opmerkelijke akoestische prestaties.

Er werden verbeteringen doorgevoerd aan lichte houtgevels geïsoleerd met rotswol om het

risico op brandverspreiding te verkleinen en zo te beantwoorden aan de strengste voorgeschreven

eisen voor hoge gebouwen (van meer dan 25 meter). Dit culmineerde in innovatieve bouwsystemen

en -details voor de houtskeletbouw die niet alleen voldoen aan de brand-, stabiliteits- en thermische

vereisten, maar bovendien ook zorgen voor aanzienlijk betere akoestische prestaties.

Bouwen met grote CLT-panelen is een relatief recente innovatie, waarmee zelfs gebouwen met

meerdere verdiepingen opgetrokken kunnen worden. Vanuit het standpunt van akoestisch comfort

en brandveiligheid worden de mogelijkheden van dit bouwsysteem echter sterk ingeperkt. Door de

flankerende geluidtransmissie kan bouwen met grote gelamelleerde panelen akoestisch aanzienlijk

risicovoller zijn dan bijvoorbeeld bouwen met houtskeletbouw. Het probleem kan vaak opgelost

worden door akoestische voorzetwanden uit gipsplaten te plaatsen. Dit is echter een dure aanpak

die bovendien veel plaats inneemt en niet toelaat om het gebruikte hout zichtbaar te laten. Gelukkig

leverde de kennis uit het traject DO-IT Houtbouw een nieuw bouwsysteem op dat de flankerende

geluidtransmissie nagenoeg volledig onderdrukt, waardoor geluidisolaties die

superieur zijn aan die van traditionele bouwsystemen mogelijk zijn.

Houtskeletbouw

te Haacht

(ill. Arkana)

28


HOOFDSTUK 01

Innovatief

houtskeletbouwconcept

met bunkerfloor en een

innovatief gevelsysteem

met zeer performante

woningscheidende wand

(ill. WTCB)

Waarom zou de nieuwe industrialiseringstendens

in de woningbouw van blijvende duur zijn? Volgens

McKinsey hangt dit vooral (“first and foremost’)

samen met de digitalisering van de sector. Want

die faciliteert beter dan voorheen het ontwerp van

de modules, de coördinatie van de processen in de

productiehal en een just-in-time vervoer naar de

bouwplaats. In plaats van goedkope woonformules

gaan prefab bouwers nu meer ‘high end’-woningen

aanbieden met de klemtoon op strakke en tegelijk

duurzame realisaties, zelfs met meerdere verdiepingen.

Nieuwe technieken werden ontwikkeld om voor

de prefab gebouwen tegelijk tot een betrouwbare

brandwerendheid te komen en optimale akoestische

prestaties te verwezenlijken.

Projectontwikkelaar CAAAP die deel uitmaakt van

de Artes Group, heeft voor nieuwbouwprojecten het

concept van de SmartOne woningen uitgewerkt. Bij

SmartOne wordt anders en creatief omgegaan met

ruimte en materialen. Het concept biedt een slim

antwoord op de vraag naar compacte maar tegelijk

kwalitatieve woningen. Bij het contact met de klant

heeft de interieurcoördinator van CAAAP vooraf een

kwalitatief basispakket van afwerkingsmaterialen

geselecteerd binnen vier interieurstijlen. Het is dus

opvallend dat dit concept binnen de vier stijlen

gepaard gaat met een aantal standaardisaties.

In plaats van goedkope

woonformules gaan

prefab bouwers nu meer

‘high end’-woningen

aanbieden met de

klemtoon op strakke

en tegelijk duurzame

realisaties, zelfs met

meerdere verdiepingen.

Visierapport 2019 29


Med Repair

containerterminal te

Antwerpen gebouwd met

prefabelementen

van Van Maercke

(ill. Stadsbader)

Toch merkt de klant daar weinig van omdat het proces

toelaat aan ‘mass customisation’ te doen. Via een

digitale woonconfigurator kan de klant de woning

virtueel doorwandelen en met enkele klikken de look

en feel bepalen. Gemaakte keuzes worden onmiddellijk

aangepast in het 3D-model. Bij die keuzes

wordt meteen ook het kostenplaatje gegenereerd.

Nog een kenmerk van de SmartOne-appartementen

of woningen is dat zij van binnen naar buiten zijn

ontwikkeld waarbij alle technische ruimtes gecombineerd

worden rond één centrale koker. Zo wordt de

woonoppervlakte maximaal en efficiënt benut, wat

voor flexibiliteit en een groot ruimtegevoel zorgt.

Vervanging van een

bestaande gevel door

een staand Façabriksysteem

verlijmd op een

dikkere isolatielaag

(ill. Wienerberger, arch.

LDJ Architectuur)

Een vergelijkbare oplossing is de SAM (Slimme

Aanpasbare Module) die de Antwerpse start-up Bao

Living heeft ontwikkeld. De SAM bundelt verwarming,

water, elektriciteit, ventilatie, domotica, badkamer

en keuken in een vooraf geconfigureerd ‘meubelelement’.

Binnenmuren worden daardoor vervangen door

kasten. De integratie van een SAM in een woning

vermindert ook het bouwafval. Het systeem maakt

30


HOOFDSTUK 01

het mogelijk razend snel grotere bouwprojecten

te realiseren en is daardoor 30% goedkoper dan

klassieke constructiemethoden. Medio 2019 werden al

drie bouwprojecten met de SAM-oplossing afgerond

waaronder een residentiële woning in Gent die in

zeven dagen tijd kon worden gebouwd. Een toepassing

op nog grotere schaal ligt in het verschiet.

Renoveren met

prefabelementen

(ill. WTCB)

Tegelijk worden ook in de renovatiesector pogingen

tot prefabricatie ondernomen. In haar paper van

maart 2019 met als titel Duurzaam (ver)bouwen: hoe

van ons gebouwenpark een klimaattroef maken wijst

Voka op de indrukwekkende bedragen die nodig

zijn om het Vlaams woningpatrimonium grondig te

renoveren, en op de noodzaak om de kosten hiervoor

te verlagen, onder meer via een meer collectieve aanpak

(bouwblok- en wijkrenovaties) en via een meer

geïndustrialiseerde aanpak.

In het proefproject ECOREN heeft Machiels Building

Solutions op amper 20 dagen tijd vier woningen

gerenoveerd op basis van een 3D-tekenpakket

en een voorbereiding in een industriële hal. In het

kader van het project Mutatie + werden bestaande

woningen gerenoveerd tot BEN (bijna energieneutrale)-woningen

door een experimenteel gebruik van

Prefab betonstructuur

en wanden

voor het nieuw

distributiecentrum van

Aldi te Turnhout

(ill. Stadsbader)

Visierapport 2019 31


Onderzoek over geprefabriceerde

multifunctionele gevelsystemen

Appartementsgebouwen die gebouwd zijn in de tweede

helft van de 20ste eeuw en nog niet werden gerenoveerd,

vertonen tegenwoordig vaak veel gebreken: een slechte

thermische isolatie en luchtdichtheid van de gebouwschil,

de aanwezigheid van koudebruggen, het gebrek aan

een ventilatiestrategie, verouderde technische systemen,

enz. In deze context is met name de renovatie van het

onroerend patrimonium van huisvestingsmaatschappijen

een echte uitdaging. Het project Modul’Air heeft tot doel

om de toepassing van geïndustrialiseerde, multifunctionele

gevelrenovatiesystemen te bestuderen door ze te

combineren met geïntegreerde ventilatiesystemen. Dit

gebeurt nu voor het eerst in België aan de hand van een

innovatiepartnerschap.

Woning te Kortrijk

opgetrokken met

Façabrik, een

totaaloplossing voor

isolatie en renovatie van

gevels

(foto Wienerberger,

arc. Rik Reynaert)

uitwisselbare modules en door prefab

badkamer- en keukenrenovatie.

De firma Jade building company

bijvoorbeeld zorgt voor optoppingen

van moderne en oudere bestaande

woningen met staalskeletbouw: een

nuttige techniek in het kader van de

huidige tendens naar verdichting. Het

bedrijf beschikt over een geëigende

module om de draagkracht van het

bestaande gebouw te berekenen en

over een uniek softwareprogramma

om ieder architecturaal ontwerp

om te zetten in staalskeletbouw.

Met name de geïndustrialiseerde

renovatie van oudere appartementsgebouwen

vormt nog een belangrijke

uitdaging. (→ WTCB-kaderstuk op

p. 32)

De voorgestelde technische oplossing biedt een versnelling

van de in situ renovatiefase en een vermindering van

de overlast voor zowel bewoners als omwonenden (met

minder ingrepen aan de binnenzijde en een veel hogere

snelheid van uitvoering), terwijl een hoge kwaliteit van

uitvoering zal worden aangeboden. Het innovatiepartnerschap

betreft een innovatieve vorm van overheidsopdracht,

die ontwikkeld en geconcretiseerd werd door de

projectpartners, namelijk de Brusselse sociale huisvestingsmaatschappij

ABC en het WTCB. Via deze innovatieve

aanbestedingsmanier zal het aangewezen consortium,

dat minstens bestaat uit een architect, een aannemer

en een bureau speciale technieken, onderzoek voeren

naar een innovatieve én op grote schaal repliceerbare

oplossing.

Verschillende aspecten zullen daarbij door dat consortium

moeten worden bestudeerd, met inbegrip van architecturale

en ecologische compatibiliteit, veiligheidsgaranties in

termen van stabiliteit en brandrisico, voordelen in termen

van comfort en gebruik voor de bewoner, en natuurlijk de

behaalde energieprestaties. Tegelijkertijd zal dat consortium

een prototype van het systeem kunnen installeren

om de technische haalbaarheid van de beoogde oplossing

te valideren en om zoveel mogelijk problemen tijdens

de reële uitvoering te voorkomen. Wanneer dit prototype

goedgekeurd wordt, zal het consortium onmiddellijk

de volledige renovatie kunnen uitvoeren met hun eigen

ontwikkelde innovatief, geïndustrialiseerd en multifunctioneel

gevelrenovatiesysteem. Meer informatie hierover

staat in de WTCB-monografie

Geprefabriceerde multifunctionele

gevelsystemen. Een innovatieve

techniek voor renovaties.

32


Besluit I HOOFDSTUK 01

Besluit

We hebben in dit hoofdstuk diverse innovatieve

technologieën besproken: de inschakeling van robots,

het gebruik van 3D-printing, de inzet van nieuwe

visualisatiemethoden zoals 3D-scanning, Virtual,

Augmented en Mixed Reality, het gebruik van drones

en van sensoren. Voor al deze technieken merken we

wereldwijd exponentieel groeiende markten. We zien

ook dat omwille van technische verbeteringen hun

toepassingsmogelijkheden alsmaar verruimen. Robots

bijvoorbeeld worden steeds slimmer en kunnen steeds

complexere taken aan.

Bovendien stellen we vast dat deze nieuwe technologieën

in steeds meer domeinen worden ingeschakeld, ook buiten

het bereik van de industrie 4.0. Robots verspreiden zich nu

ook in logistieke centra en in huishoudens. Voor 3D-printing

is de gezondheidszorg een belangrijke afnemer geworden.

Sensoren worden in toenemende mate geïntegreerd in

‘wearables’.

Voor elk van deze nieuwe technologieën vonden we nu ook

al concrete toepassingen in de bouw en konden we hiervoor

beloftevolle toekomstperspectieven schetsen. Naast de

toenemende integratie van sensoren in wearables stellen

we een groeiende integratie in ‘home devices’ vast. De forse

toename van sensoren heeft te maken met de groeiende

applicaties voor het Internet of Things in gebouwen en voor

de uitbouw van slimme steden. De infrastructuursector blijkt

voor drones zelfs een potentieel van 47% van de markt te

bieden. Het WTCB en de VCB hebben trouwens al diverse

initiatieven genomen om deze evoluties op te volgen en hun

toepassing in de bouw te bevorderen.

Maar naarmate de bouw steeds meer tools van industrie

4.0 integreert, gaat dit ongetwijfeld gepaard met een

grotere industrialisatie van het bouwproces. Het is wel

opvallend dat bij deze modularisering juist gebruik wordt

gemaakt van digitale meet- en peilinstrumenten om tot

concepten te komen die het nauwst aansluiten bij de

desiderata van de klanten.

Visierapport 2019 33


Getuigenis

Via digitalisering

een uitzonderlijke

klantenbeleving

creëren

Johan De Vlieger en

Joery Michiels

Bostoen

Bostoen Group ontwikkelt en

bouwt ongeveer 400 woonentiteiten

per jaar. De verkoopstrategie

heeft als uitgangspunt

dat de klanten op zoek

zijn naar een woning maar

willen bouwen zonder stress.

Zij komen met een bepaald

budget voor ogen en willen dan

worden ontzorgd. ‘Thuiskomen’

is de slogan die dit perfect

samenvat. Twee jaar geleden

is Bostoen gestart met een

digitale omwenteling met een

dubbel doel: een uitzonderlijke

klantenbeleving creëren en op

die manier zich differentiëren

van de concurrentie.

segmentatie van de markt werkt

niet meer. The future is hybrid.

Mensen met een hoog inkomen

zijn niet meer automatisch op

zoek naar grotere woningen. Het

komt er dus op aan via leadqualificatie

te capteren wat de klant

precies wil en dan niet langer te

redeneren vanuit het product,

maar wel vanuit die klant. Nog

voor onze adviseurs de klanten

contacteren, weten zij wat de

klanten zoeken. De nieuwste

Wij moeten aanwezig zijn op het moment

dat mensen aan bouwen denken en met

kandidaat-bouwers 24 uur op 24 kunnen

dialogeren, onafhankelijk van plaats en ruimte

Om zich te differentiëren op

het vlak van klantenbenadering

heeft Bostoen gebruik gemaakt

van nieuwe technologieën. De

website van het bedrijf werd in

eerste instantie geconfigureerd als

mobiel compatibele site omdat

de meeste mensen nu vooral

via smartphones en tablets op

het internet zoeken. Twee jaar

geleden werd op de site gestart

met een marketing automation

platform dat vervolgens werd uitgebreid

met een sales automation

platform waaraan nu verder een

service automation platform wordt

toegevoegd.

Joery Michiels, de verantwoordelijke

voor verkoop en marketing

bij Bostoen Group, legt uit: “De

traditionele socio-demografische

aanvulling wordt de installatie van

een artificieel intelligente chatbot

op basis van veel gestelde vragen.

Wij moeten aanwezig zijn op het

moment dat mensen aan bouwen

denken en met kandidaat-bouwers

24 uur op 24 kunnen dialogeren,

onafhankelijk van plaats en

ruimte.”

34


Getuigenis I HOOFDSTUK 01

Smart

appartement in

De Panne

(ill. Bostoen)

VIRTUELE BEZOEKEN VIA

WOONCONFIGURATOREN

Bovendien heeft Bostoen een

jaar geleden ervoor geopteerd

om de woningen virtueel te laten

zien nog vooraleer ze worden

gebouwd. Joery Michiels: “Klanten

kunnen met hun toekomstige woning

al kennis maken door virtueel

in die te bouwen woning rond te

wandelen. Wij hebben daarvoor

woonconfiguratoren in virtual

reality ontwikkeld, in een eerste

stap voor het generieke aanbod

van Bostoen maar in een tweede

stap ook voor specifieke (vooral

grotere) woonprojecten. Via deze

configuratoren kunnen de kandidaat-kopers

voor de verschillende

kamers van de woning diverse

keuzes maken op het vlak van

vloeren, sanitair, binnenschrijnwerk

en schilderwerk. Bovendien

hebben we sinds kort aan onze

printadvertenties een augmented

reality toepassing toegevoegd.

Geïnteresseerden kunnen op die

manier een 3D-impressie van het

geplande project krijgen.”

Naar bouwbeurzen gaat Bostoen

niet meer. Maar tegelijk blijft

het bedrijf geloven in kijkwoningen

en -appartementen. Johan

De Vlieger, CEO van de Bostoen

Group: “In onze kijkproducten

bewijzen we onze afwerkingskwaliteit

naar kandidaat-kopers. Ze

kunnen er hun nieuwe thuis configureren

en bovendien kennismaken

met reële stalen van afwerkingsmaterialen.

Een woning of

appartement kopen en materialen

kiezen blijft heel tastbaar.”

MAXIMAAL GEPERSONALISEER-

DE AANPAK

Bostoen zet dus sterk in op de

digitalisering van het voortraject.

Marketing verloopt steeds meer

via machines en algoritmes. Maar

bij het afsluiten van een overeenkomst

wordt de dienstverlening

juist sterk gepersonaliseerd.

Volgens Joery Michiels moet

het bedrijf dan een maximale

meerwaarde kunnen bieden. De

adviseurs zullen dan minder focussen

op het commerciële maar veel

meer op het kunnen geven van het

fiscaal en financieel advies waar

de klanten meer en meer naar

vragen.

Bostoen streeft ook sterk naar

‘housing as a service’ en hecht

daarbij veel belang aan levensbestendig

wonen. Johan De Vlieger:

“De berging op de benedenverdieping

kan gemakkelijk tot een

tweede natte ruimte worden

omgebouwd. In badkamer en wc

laten wij de vloer doorlopen zodat

de tussenwand nadien gemakkelijk

kan worden afgebroken.”

Joery Michiels gelooft ook sterk

dat het bouwen de komende tien

jaar sterk zal veranderen. Bouwen

evolueert steeds meer naar assembleren

van in gecontroleerde

omstandigheden geproduceerde

bouwelementen.. Met de oprichting

van een eerste slim appartement

in De Panne speelt Bostoen

eveneens in op de evoluties op het

vlak van het Internet of Things en

Smart Buildings.

Visierapport 2019 35


Experimenteerruimte

voor 3D-printen

Getuigenis

Marijke Aerts

Kamp C

In Kamp C in Westerlo, het provinciaal

centrum voor duurzaamheid

en innovatie, werd de grootste

betonprinter van de wereld geïnstalleerd.

Het is de bedoeling met

deze printer de reeds in België

beschikbare theoretische kennis

rond 3D-printen in de praktijk

uit te testen via trial and error

en de Vlaamse bouwsector te

overtuigen van de mogelijkheden

van het 3D-printen. Het project

werd trouwens al van bij de start

geruggensteund door een aantal

toonaangevende bedrijven.

Naast aannemers zijn ook onderzoekers,

studenten en materiaalproducenten

erbij betrokken.

Marijke Aerts leidt momenteel

het project.

De partners uit het bedrijfsleven

zijn de bouwbedrijven Beneens,

ETIB/Concrete House en Groep

Van Roey. ViCre begeleidt het

innovatieproces. Daarnaast kan

het project rekenen op de steun

van het architectenbureau Trias

Architecten. De 3D-printer in Kamp

C biedt nu ruimte aan bedrijven

om te experimenteren en mogelijke

toepassingen uit te testen.

Marijke Aerts: “Bij Kamp C kiezen

we er uitdrukkelijk voor om het

3D-printen te integreren binnen

het traditionele concept van een

woning. In het najaar van 2019

wordt een huis met twee verdiepingen

opgetrokken. We wensten

dat de testen maximaal aansluiten

bij wat de aannemers normaliter

bouwen eerder dan te focussen

op speciale constructies. Bij het

3D-printen hebben we bijvoorbeeld

oog voor de uitwerking van

diverse bouwknopen en voor de

mogelijke funderingsmethoden.”

BEST BESCHIKBARE TECHNIEKEN

EN MATERIALEN

Het project startte al medio

2017. Voor de installatie van de

3D-printer werd eerst gekeken

naar de beschikbare technieken en

de bruikbare materialen. Printen in

kunststof bleek vooral interessant

voor de aanmaak van bekistingen.

Printen in klei is best bruikbaar

voor de constructie van noodwoningen.

Zo kwamen de initiatiefnemers

uit op beton als het meest

geschikte materiaal. Voor de techniek

werd uiteindelijk gekozen voor

een extrusiemethode met laagjes.

Deze techniek bleek de grootste

zekerheidsgraad te bieden. UGent

beschikt over een kleinere printer

met een robotarm. Maar voor

Kamp C werd geopteerd voor een

Gantry-systeem. Een hopper biedt

meer controlemogelijkheden dan

een robotarm. De 3D-printer van

Kamp C werd op maat besteld bij

de Deense fabrikant Cobod.

Gezien het belang van de materiaalkeuze

is materialenproducent

Saint-Gobain Weber bij het project

betrokken. Marijke Aerts: “We hebben

dus gekozen voor beton maar

3D-printen kan niet met traditioneel

beton. Hoe moet het beton

dan zijn samengesteld om zo efficiënt

mogelijk te printen? Dat zal

wellicht per toepassing verschillen

maar moeten we nog ondervinden.

Moeten we wapeningen in de

geprinte onderdelen integreren?

Indien wel, hoe kan dat op de

meest efficiënte manier gebeuren?”

Bij de 3D-printer in Kamp C

zal continu worden geëxperimenteerd

om zo de materiaalkeuze

almaar beter op punt stellen.

36


Getuigenis I HOOFDSTUK 01

Volgens Marijke Aerts is 3D-printen

wellicht niet concurrentieel met

prefabricatie voor de aanmaak

van rechte wanden. Zij verwacht

niet dat huizen in de toekomst

standaard zullen worden geprint.

Marijke Aerts: “De meerwaarde zal

vooral groot zijn bij constructies

die niet of moeilijk kunnen worden

bekist, zoals voor gewelven, schuine

en bolle en andere complexere

constructies. Bij het project in

Kamp C worden dus uitdrukkelijk

gebogen en hellende muren

geïntegreerd. En zo is het dan de

bedoeling te bekijken hoeveel tijd

voor het uittekenen en de productie

van de onderdelen nodig is en

waar de efficiëntiewinst ligt.

Voor de bouwbedrijven is het ook

belangrijk te weten dat zij bij

3D-printen niet hoeven te bekisten,

dus evenmin op zoek moeten

gaan naar bijna onvindbare

bekisters en minder materiaal

gaan verspillen doordat ze enkel

printen wat zij nodig hebben. Het

resultaat van al deze afwegingen

zullen we publiceren en zo hopen

wij dat de sector overstag zal

gaan wanneer er effectief efficiëntiewinst

blijkt te zijn.”

OPEN INNOVATIE

Het doel is open innovatie en

kennisuitwisseling, bijvoorbeeld

rond welke vorm met welk materiaal

werd geprint en hoe het

printproces dan telkens werd

aangepakt. Het project heet

trouwens C3PO of Co-creatie rond

3D-printen met ondernemingen.

De Kempische hogeschool Thomas

More met haar bacheloropleidingen

voor bouw en electromechanica

doet ook mee. De studenten

van Thomas More leren met de

3D-printer werken en kunnen er

testen mee uitvoeren. UGent is

betrokken bij het onderzoek naar

de meest geschikte materialen en

voert sterktetesten uit. Er bestaat

ook kennisuitwisseling met TU

Eindhoven.

Om de techniek marktconform

te maken pleit Marijke Aerts voor

normering en certificatie. In overleg

met deskundigen van bouwbedrijven

en met het WTCB gaat

Kamp C na hoe met 3D-printen

een structureel degelijke constructie

kan worden neergezet.

Partners van het

co-creatieproject

rond 3D-printen in

Kamp C

Visierapport 2019 37


38


HOOFDSTUK 02

SMART ENTERPRISES


02

In dit hoofdstuk ligt de focus op het

gebruik van digitale tools voor de optimalisering

van de bedrijfsprocessen

in de bouw. De Confederatie Bouw

heeft haar leden hierover bevraagd

in 2017 en de VCB heeft medio 2019

een gelijkaardige bevraging georganiseerd.

Dat maakt het mogelijk zicht

te krijgen op de evolutie van de digitaliseringsgraad

binnen de Vlaamse

bouwbedrijven. Een belangrijk deelaspect

hiervan is BIM dat fungeert

als een digitale samenwerkingstool

tussen bouwpartners. We zullen

nagaan hoe de toepassing van BIM

evolueert en in welke mate BIM ook

bijdraagt tot een verbetering van de

bedrijfsprocessen. Tenslotte is er het

nieuwe fenomeen van de artificiële

intelligentie (AI). Hoe kunnen bouwbedrijven

door gebruik te maken van

AI hun werking verder verbeteren?

40


HOOFDSTUK 02

2.1. Gedigitaliseerde bedrijfsvoering

Buiten de intussen reeds ingeburgerde bureau(‘office’)-toepassingen

zoals Word, Excel, Powerpoint en

Outlook, zijn intussen voor de bouw tal van nieuwe

digitale instrumenten opgekomen, onder meer op de

volgende domeinen:

> voor de planning en opvolging van bouwprojecten,

voor de continue update van de situatie door

middel van dashboards, voor de visualisatie van

projecten, voor mobiele communicatie en voor de

locatie van objecten;

> voor het tekenen van plannen in 2D maar ook in 3D;

> voor kostprijsberekening en facturatie, voor de

opmaak van meet- en vorderingsstaten en voor

tijdsregistratie;

> voor het opmeten van afstanden, hoogtes en

oppervlaktes;

> voor de navigatie en tracking van voertuigen, materieel

en medewerkers, meer in het bijzonder via

Track & Trace-systemen.

Een belangrijke tool is de ERP (Enterprise Resource

Planning). Een ERP stelt een bouwbedrijf in staat om

al de hulpmiddelen (resources) van de organisatie op

een gecoördineerde manier te beheren. ERP-software

maakt het mogelijk om financiën, relatiebeheer,

projectmanagement, voorraad-, materiaal- en personeelsbeheer

met elkaar te verbinden. De verschillende

modules zijn aan elkaar gelinkt. Informatie moet

slechts één keer worden ingevoerd en is onmiddellijk

beschikbaar voor alle betrokkenen en in andere

toepassingen. Daardoor verbetert de doorstroming.

De medewerkers kunnen sneller reageren op basis

van correcte gegevens. Sommige ERP-systemen

reiken vanaf de prijsaanvraag doorheen de volledige

realisatie van de werken tot en met het onderhoud

achteraf.

Andere overkoepelende instrumenten zijn CRM

(Customer Relations Management) en DMS

(Document Management System). DMS zorgt ervoor

dat de medewerkers op het juiste moment over de

meest recente informatie kunnen beschikken.

Met het project BouwRadar richtte de VCB zich

tot alle bouwgerelateerde vennootschappen mét

personeel in Vlaanderen die hun bedrijfsbeheer en

efficiëntie wilden verbeteren. Vooraleer een eerste

gesprek aan te gaan moesten zij een vragenlijst

invullen. Uit de antwoorden is gebleken dat 40% van

de respondenten een opmerkelijke toename van de

administratieve tijdsbesteding vaststelden. Bij 36%

was de kostprijsberekening nog niet gedigitaliseerd

terwijl 37% met een eigen Excel-bestand werkte, 17%

via een specifiek kostprijsberekeningspakket en 10%

via de integratie in een ERP-systeem.

Van de betrokken bedrijven controleerde 37% uren,

kosten, opbrengsten en cashflow per bouwplaats op

basis van losse bestanden terwijl amper 15% daarvoor

kon inloggen in een rapporteringstool en de

overige respondenten daar geen zicht op hadden.

Gepresteerde uren op de bouwplaats werden nog

grotendeels manueel geregistreerd. Bij slechts 25%

van de respondenten gebeurde dit digitaal (met

name via een specifieke Track & Trace-registratie) en

bij 15% vond geen uurregistratie plaats. De personeelsadministratie

gaf een gelijkaardig beeld: bij

17% niet georganiseerd, bij 41% per medewerker op

papier, bij 36% digitaal bewaard per medewerker en

slechts bij 6% overzichtelijk samengehouden via een

online toepassing. Ook de betaling van klanten werd

bij een klein derde van de respondenten manueel

opgevolgd, door 40% digitaal en bij 26% via een

module die bij niet-betaling een aanmaningsbrief of

-mail genereerde.

Grafiek 08 Mate van digitalisering bij de kandidaat-bouwbedrijven voor BouwRadar

(in % van antwoorden op vragenlijst)

Bron: VCB

Kostprijsberekening

Opvolging van cashflow per bouwplaats

Informatiedoorstroming

Werf- en voortgangsraportages

Opvolging van doelstellingen

Personeelsadministratie

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Geen registratie Registratie op papier Via eigen aparte digitale bestanden Via geïntegreerd digitaal beheerspakket/systeem

Visierapport 2019 41


Grafiek 09

Aantal begeleidingen per domein in het kader van BouwRadar

Bron: VCB

Strategie

Rapportering

Financiën

Digitalisering

Personeel

Juridisch

0 20 40 60 80 100 120

Bij 54% van de respondenten verliep de informatiedoorstroming

naar andere medewerkers en afdelingen

mondeling, bij 28% op papier, bij 9% via mails en

digitale folders en maar in 9% op basis van een centraal

document management systeem. Technische

communicatie met externe partijen gebeurde in 7%

van de bedrijven op papier, bij 91% via mail en amper

bij 1% via een webportaal waarop kan worden ingelogd.

Bij 54% van de respondenten werden werf- en

voortgangsverslagen opgemaakt waarvan een kleine

helft op papier, de andere helft in Excel of Word en bij

4% via een mobiele applicatie voor foto’s en digitale

aantekeningen.

Van de respondenten gaf 47% aan geen doelstellingen

op het vlak van omzet, verkopen, klachten en

uitstaande vorderingen op te volgen terwijl bij 15% de

opvolging op papier gebeurde, bij 17% via losse Excels

die via mail worden verspreid, en bij 18% via Excels

die centraal worden gedeeld op een server. Enkel 3%

werkte met een geïntegreerd systeem (met dashboards).

Niet meer dan 26% werkte voor professionele

doeleinden intensief met mobiele tools (zoals laptop,

tablet en smartphone) via uiteenlopende mobiele

applicaties. 20% had weinig of geen kennis van de

mogelijke risico’s van cyberaanvallen terwijl 34%

daarvan wel bewust was maar geen idee had of het

bedrijf hiertegen beschermd was.

Bedrijven die in het kader

van BouwRadar een begeleiding

aanvroegen, waren

vooral bedrijven die bij hun

bedrijfsvoering effectief

problemen ondervonden.

Bovendien ging het in

zeer belangrijke mate om

kleinere bouwbedrijven:

voor 37% om bedrijven van

1 tot 4 werknemers, voor

50% om bedrijven van 5 tot

19 werknemers en maar om

13% uit bedrijven met meer

De cijfers van BouwRadar

schetsen wel een goed

beeld van de beginsituatie

van waaruit een groot

aantal bouwbedrijven op

het vlak van digitalisering

starten.

dan 20 werknemers. De cijfers schetsen wel een goed

beeld van de beginsituatie van waaruit een groot

aantal bouwbedrijven op het vlak van digitalisering

starten.

Uit de aard van de ongeveer 400 begeleidingen die

in het kader van BouwRadar werden gegeven van

2017 tot medio juni 2019, blijkt dat rapportering en

strategie prioritaire aandachtspunten waren, met

telkens meer dan 100 begeleidingen. Gezien de

dalende marges in de sector gaan steeds meer (ook

kleinere) bouwbedrijven op zoek naar de marktniches

waarin zij sterker staan en meer kunnen verdienen.

De vraag naar begeleiding op het vlak van rapportering

houdt verband met de gebrekkige opvolging die

uit de ingevulde vragenlijsten is gebleken. Vermits de

bedrijfsleiders (zeker in kleinere bouwbedrijven) vooral

technisch geschoold zijn, was er ook veel belangstelling

voor financiële begeleiding.

Tijdens het derde werkjaar stelde de VCB een sterk

stijgende vraag naar digitale begeleiding vast.

Bedrijven vroegen vooral hulp bij het bepalen van hun

behoeften op het vlak van ERP. De VCB heeft dan ook

een behoeftebevraging georganiseerd en drie pakketten

geselecteerd die het best bij deze behoeften

aansloten. Tegelijk was er een fors gestegen behoefte

om de administratieve en operationele processen te

herbekijken in het licht van

een mogelijke digitalisering.

Medio 2019 heeft de VCB

dan onder haar Vlaamse

leden een korte enquête

over het gebruik van

digitale instrumenten

georganiseerd. Uiteindelijk

hebben 158 bedrijven op

deze enquête geantwoord.

Een derde telde 0 tot 5

werknemers, een derde 5

tot 19 werknemers en nog

een derde 20 en meer

42


HOOFDSTUK 02

werknemers. Bedrijven uit alle grootteklassen hebben

geantwoord maar grotere bedrijven waren oververtegenwoordigd

omdat de Vlaamse bouw voor 93% uit

zeer kleine bedrijven met minder dan 5 werknemers

bestaat.

De antwoorden kwamen bovendien uit alle subsectoren

van de bouw: voor 39% van ruwbouw-, voor

27% van voltooiings-, voor 22% van installatie- en

voor 10% van infrastructuurbedrijven. Maar terwijl bij

BouwRadar vooral bedrijven komen aankloppen die

hun situatie als problematisch ervaren, kunnen we

ervan uitgaan dat de enquête vooral werd beantwoord

door bedrijven die op het vlak van digitalisering

al een en ander verwezenlijkt hebben.

In 2017 heeft de nationale bouwconfederatie een

gelijkaardige enquête onder de leden verspreid. Maar

terwijl die nationale enquête zowel naar het gebruik

als naar de kennis van digitale instrumenten peilde,

heeft de VCB ervoor geopteerd in haar enquête te

focussen op de effectieve implementatie van digitale

instrumenten.

In de VCB-enquête van 2019 werden voor al de aspecten

die betrekking hebben op de bedrijfsprocessen,

relatief hoge scores behaald. Maar liefst twee derde

van de bouwbedrijven gaf aan mee te zijn op het vlak

van e-facturatie. De hoogste score voor de e-facturatie

heeft in belangrijke mate te maken met de intentie

van de Vlaamse overheid om deze betalingsmethode

geleidelijk aan haar opdrachtnemers op te leggen.

Grafiek 10

Beschikbaarheid van digitale tools voor bedrijfsprocessen

(in % van aantal bedrijven)

Bron: VCB, ledenenquête medio 2019

65,8% E-facturatie

53,8%

49,4%

47,5%

46,2%

Digitaal kostprijsberekeningspakket

Digitale opvolging kosten, opbrengsten

en cash flow per bouwplaats

Digitale opvolging personeelsinzet

Digitale beschikbaarheid van plannen en

documentatie op de bouwplaats

36,1%

35,4%

32,9%

20,3%

Centraal documentatie

management systeem

ERP-pakket

Opvolging van materieel en

materiaal via Track & Trace

Werken met BIM

Visierapport 2019 43


44

SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 02

Videoreportage

Cruciale rol van bouwbedrijven

voor slimme infrastructuur

Interview met de innovatiecoördinator Jan Buyle bij de BAM-groep.

Hij beklemtoont de innovatieve rol van zijn bouwbedrijf bij de

uitbouw van slimme infrastructuur.

Visierapport 2019 45


Uit de cijfers van diezelfde overheid blijkt dat zij in

april 2019 al voor 61% volwaardige e-facturen kon

ontvangen terwijl dit percentage in januari 2017

amper 8,5% bedroeg. De Vlaamse overheid werd

op dit vlak aangemoedigd door haar vorige succes

op het vlak van e-tendering. E-tendering werd al

opgelegd vanaf 2012. De Vlaamse overheid wil de

e-facturatie de komende jaren verder veralgemenen.

Tegelijk test zij intussen ook e-contracting uit.

Digitale tools om de interne bedrijfsprocessen te

optimaliseren bleken bij de VCB-enquête van medio

2019 eveneens relatief populair te zijn. Zo beschikte

54% van de bedrijven over een digitaal kostprijsberekeningspakket

en 49% over een pakket om kosten,

opbrengsten en cash flow per bouwplaats op te

volgen. Bouwbedrijven vinden het belangrijk dat

werfleiders buiten een degelijk technisch inzicht ook

een beter economisch inzicht in het verloop van hun

bouwplaatsen hebben. In ongeveer de helft van de

responderende bouwbedrijven krijgen zij daartoe

ook digitale instrumenten in handen. Bovendien

Aandeel van de e-facturen in het

totaal aantal facturen voor de

Vlaamse overheid (in %)

Bron: vlaanderen.be/intern

70

60

50

40

30

20

10

Grafiek 11

0

jan/17

apr/17

jul/17

okt/17

jan/18

apr/18

jul/18

okt/18

jan/19

apr/19

Calculatiepakket voor de

KMO-aannemer

Een correcte prijsofferte opstellen is een van de

belangrijkste taken van een aannemer. Al vele jaren

biedt het WTCB opleidingen aan, geeft het advies op

maat en stelt het de rekentool cpro ter beschikking

van zijn leden. Deze tool stelt de gebruiker in staat

om voor al zijn bouwprojecten offertes op te stellen,

vorderingsstaten aan te maken, facturen op te maken

en nacalculaties uit te voeren.

Deze tool biedt dus de luxe om alles in één programma

op te maken, waardoor de aannemer zijn

projecten snel en eenvoudig kan opvolgen van offerte

tot oplevering. Het pakket is overal beschikbaar (enkel

een internetconnectie is vereist), werkt zowel op PC

(Chrome) als op Mac (Safari), is gebruiksvriendelijk en

snel en werkt veilig (met databescherming). De tool is

volledig gratis voor WTCB-leden. Om ermee aan de

slag te gaan volstaat een eenmalige registratie via

cpro.wtcb.be.

zorgen 46% van de respondenten ervoor dat plannen

en documenten op een of andere manier digitaal

beschikbaar zijn op de bouwplaats. En bij 47% van

de bedrijven wordt de personeelsinzet digitaal

opgevolgd. Voor de stroomlijning van de bedrijfsprocessen

beschikt het WTCB trouwens over een handig

startpakket: het calculatiepakket cpro. (→ kaderstuk

van het WTCB op p. 44)

44


HOOFDSTUK 02

Grafiek 12

Beschikbaarheid van digitale tools uit industrie 4.0

(in % van de antwoorden)

Bron: VCB, ledenenquête medio 2019

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Robots in atelier of productiehal

3D-scanning

Inzet van drones

Toepassing van virtual reality

Toepassing van augmented reality

3D-printing

Artificiële intelligentie

Robots op bouwplaatsen

Voor meer doorgedreven informaticasystemen ligt

de toepassingsgraad al wat lager: op 36% voor een

DMS, op 35% voor een ERP-pakket en op 33% voor

een Track- & Trace-systeem. Op het vlak van bedrijfsvoering

hebben punctuele digitale toepassingen

nog duidelijk de bovenhand boven geïntegreerde

systemen. Tegelijk verklaren 20% van de bedrijven

dat zij met een geïntegreerde 3D-BIM-ontwerptool

kunnen werken. Het Limburgse bouwbedrijf Dethier

is een illustratief voorbeeld van een voorloper die zijn

processen grondig heeft gedigitaliseerd. (→ getuigenis

op p. 62)

Bovendien heeft de VCB bij haar leden gepolst naar

de toepassing van de digitale instrumenten die reeds

in het eerste hoofdstuk aan bod kwamen. Het gebruik

van deze tools is duidelijk nog het voorrecht van een

beperkt aantal voorlopers. Bij ongeveer 10% van de

bouwbedrijven komen al robots van pas in de ateliers

of in de productiehallen maar bij amper 1 bedrijf werd

een robot ingeschakeld op de bouwplaats, met name

bij een sleufloze herstelling van rioleringsbuizen.

Een tiental bedrijven gaven mee met 3D-scanning

te werken, onder meer om bestaande gebouwen op

te meten of de site na de sloop in kaart te brengen

en zo de structuur van het nieuwe gebouw te kunnen

prefabriceren. Acht bedrijven signaleerden gebruik

te maken van drones, onder andere om stocks op

te meten maar in belangrijke mate ook om sites en

projecten te fotograferen en te filmen met het oog

op verkoop- en marketingacties.

Vier bedrijven gaven aan gebruik te maken van

Virtual Reality, ook voor marketingredenen, om hun

klanten een beter inzicht te geven in het interieur

en exterieur van de woning of het appartement van

hun keuze. Een bedrijf maakte gebruik van Virtual

Reality voor educatieve doeleinden. 3D-printing

wordt gebruikt om maquettes te maken en onderdelen

te reproduceren die intussen uit de handel zijn

verdwenen.

Een tiental bedrijven gaven mee met

3D-scanning te werken, onder meer om

bestaande gebouwen op te meten of de

site na de sloop in kaart te brengen en zo

de structuur van het nieuwe gebouw te

kunnen prefabriceren.

Een andere opvallende vaststelling is dat 18% van

de respondenten bij de uitoefening van hun beroep

al te maken krijgen met gebouwen, infrastructuren

of installaties die gebruik maken van Internet of

Things-toepassingen.

Visierapport 2019 45


Grafiek 13

Gebruik van digitale tools in functie van de omvang van het bouwbedrijf

(in % van de antwoorden)

Bron: VCB, ledenenquête medio 2019

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90

Werken met e-facturatie

Digitaal

kostprijsberekeningspakket

Digitaal personeelsinzet

opvolgen

Digitaal pakket om cash flow per

bouwplaats op te volgen

ERP (enterprise resource

programme)-pakket

Centraal document

management systeem

Plannen en documentatie op de

bouwplaats digitaal beschikbaar

Track & Trace om materieel en

materiaal op te volgen

Werken met BIM

(Building Information Modelling)

Minder dan 5 werknemers 5 tot 20 werknemers Meer dan 20 werknemers

Wanneer we de resultaten opsplitsen naargelang

de omvang van de bouwbedrijven, merken we een

duidelijke constante: de bouwbedrijven met meer dan

20 werknemers presteren beter dan de bedrijven van

5 tot 20 werknemers en die zijn op hun beurt meer

gedigitaliseerd dan de bouwbedrijven met minder

dan 5 werknemers. Terwijl de acht meest gebruikte

digitale tools gemiddeld door 66% van de grotere

bedrijven worden benut, daalt het gemiddelde

gebruik bij de bedrijven van 5 tot 20 werknemers tot

45% en bij de kleinste bouwbedrijven tot 28%.

Wanneer we de resultaten van de enquête van de

VCB van medio 2019 vergelijken met die van de

nationale bouwconfederatie van begin 2017 valt op

dat de bouwbedrijven intussen een duidelijke vooruitgang

hebben gemaakt wat betreft het gebruik van

‘connected beheerstools’ zoals ERP. In 2017 werden

die door slechts 14% van de leden gebruikt. Intussen is

dit aandeel meer dan verdubbeld.

De toepassing van BIM bleef twee jaar geleden

beperkt tot een aantal voorlopers terwijl bij de VCBenquête

twee jaar later al 20% van de respondenten

het gebruik van BIM attesteerden. Dezelfde evolutie

stellen we vast bij het gebruik van geconnecteerde

machines en toestellen. Ook op dit vlak bleef de

implementatie in 2017 gelimiteerd tot een handvol

bedrijven terwijl in 2019 al een derde van de respondenten

aangaf Track- & Tracesystemen toe te passen.

In 2017 werd gevraagd naar het ruime gebruik van

‘connected installaties’ terwijl in 2019 de vraag werd

verengd tot het Internet of Things. Vandaar wellicht

dat de percentages op dit domein amper stegen.

Robotisering blijkt nu iets meer ingeburgerd maar

dan vooral omdat de VCB uitdrukkelijk vroeg naar de

inschakeling van robots in het productieproces.

Andere digitale tools die in 2017 in de bouw geen

of amper weerklank kenden, zoals 3D-scanning,

3D-printing, het gebruik van drones en slimme brillen,

kenden in 2019 evenmin een doorbraak. In haar jaarverslag

voor 2016-2017 kwam de Confederatie Bouw

op basis van haar enquête tot de conclusie dat in het

algemeen amper 5% van de bouwbedrijven gebruik

maakte van digitale technologieën.

Uit de dossiers van voornamelijk kleinere bedrijven

die zich in het kader van BouwRadar wilden laten

46


HOOFDSTUK 02

begeleiden, komt voor bepaalde toepassingen ook

nog zo’n laag cijfer naar voor maar zelfs bij die

bedrijven wordt de kostprijsberekening al bij 15% en

de opvolging van de cashflow al bij 27% door een

digitaal beheerspakket of -systeem ondersteund. Op

twee jaar tijd is de digitalisering van de bedrijfsprocessen

er bij de bouwbedrijven fors op vooruitgegaan.

Grafiek 14

Gebruik van digitale tools

in de bouw 2017-2019 (in % van de antwoorden)

Bron: Confederatie Bouw en VCB, ledenenquêtes 2017 en 2019

2.2. Toepassing van BIM

De site www.bimportal.be van het WTCB die volgens

de VCB-enquête onder de leden bij 22% van de

respondenten bekend is, geeft een degelijk overzicht

van de actuele voordelen van een BIM en van de

toekomstige evoluties. BIM is in essentie een methode

om gegevens tussen de verschillende partijen van een

bouwproject uit te wisselen. Het vergt dus een goed

omschreven samenwerkingsproces. De partijen bij het

BIM-model moeten goed afspreken wie verantwoordelijk

is voor welke informatie, hoe documenten en

modellen worden benoemd en welke eigenschappen

bij de objecten met welke graad van detaillering

moeten worden vermeld.

Terwijl een traditioneel CAD-systeem louter gebruik

maakt van lijnen en arceringen om een object voor

te stellen, werkt een BIM met bouwkundige objecten

(een raam, een deur, een radiator enz.). Aan die

objecten worden in het BIM relevante data gekoppeld:

bouwkundige (zoals het gebruikte materiaal),

geometrische (zoals hoogte en volume) en alfanumerieke

(zoals de productcode). Daarnaast zijn in het

BIM ook gegevens over hun aansluitingen en relaties

met andere bouwdelen beschikbaar.

35

30

25

20

15

10

5

0

Connected beheerstools

Connected machines en toestellen

BIM

Connected installaties

Robotisering

3D-scanning

3D-printing

2017 2019

Drones

Slimme brillen

De nieuwste ontwikkeling betreft de koppeling van

BIM-modellen aan centrale datasystemen zodat de

meest recente informatie over objecten en elementen

kan worden ingelezen. Eveneens in tegenstelling tot

een CAD-systeem biedt BIM-software de zekerheid

dat al de informatie onderling overeenstemt. Elke

wijziging aan een object wordt in het volledige model

doorgevoerd. Wanneer in het model in een grondplan

een kolom wordt verplaatst, gebeurt dit ook in de

doorsnede en in de 3D-voorstelling.

Een ander belangrijk voordeel van BIM betreft de

zogenaamde ‘clash detection’. Door de 3D-modellen

met elkaar te vergelijken kan men eventuele problemen

opsporen, zoals objecten die elkaar overlappen,

elkaar snijden of dubbel voorkomen. Op die manier

kunnen dergelijke problemen die vaak tot ‘faalkosten’

leiden, reeds vóór de uitvoeringsfase opgelost

worden. BIM-gegevens zijn ook nuttig om verschillende

scenario’s te simuleren, zoals daglicht- en

akoestische analyse, de analyse van energieverbruik

en brandveiligheid. Tenslotte is het mogelijk via

zogenaamde ‘model checker-toepassingen’ op basis

van ingestelde regels (bijvoorbeeld op het vlak van

toegankelijkheid en brandveiligheid) te bepalen of

het model voldoet aan bepaalde oplegde specificaties

en bouwvoorschriften.

Visierapport 2019 47


3D-layout voor het

project Stratos Mesos

met studentenkamers

te Leuven

(ill. Houben, arch.

Archipelago & Arte)

Voor de creatie van digitale bouwmodellen is

uiteenlopende BIM-software beschikbaar. Maar die

software is niet altijd in staat de formats van andere

systemen te lezen of aan te passen. Om dit probleem

te verhelpen werden open standaarden ontwikkeld,

zoals de Industry Foundation Classes (IFC). Deze open

standaard wordt door alle courante BIM-applicaties

ondersteund en heeft als doel om modellen van de

ene software naar de andere te vertalen. Dankzij

dergelijke ‘open BIM’ kunnen de verschillende partijen

dus kiezen met welke software ze werken zonder dat

de informatie-uitwisseling in het gedrang komt. Ook

bij de oplevering kan open BIM zeer nuttig blijken.

De data blijven dan voor iedereen toegankelijk,

zelfs indien men niet (meer) over de licentie voor de

oorspronkelijke software beschikt.

Bovendien wordt gestreefd naar een uniformere

definitie van de eigenschappen binnen een BIM.

(→ WTCB-kaderstuk op p. 49)

Bij het organiseren van BIM-projecten worden doorgaans

meerdere modellen opgebouwd (onder meer

op het vlak van architectuur, stabiliteit en uitrusting)

die elk een deel van het project omvatten. Deze

modellen moeten steeds goed op elkaar afgestemd

zijn. Zo moet het model van de stabiliteitsingenieur

BIM-model voor de

T2-campus te Genk

(ill. Houben)

48


HOOFDSTUK 02

Uniformere definitie van

eigenschappen in BIM

Circular Retrofit

Lab aan de VUB te

Brussel

(ill. VUB)

Het BIM-verhaal focust nu vooral op de

geometrische weergave van elementen.

Om in de toekomst verschillende controles

te kunnen uitvoeren, moet ook meer en

meer informatie aan de elementen worden

toegevoegd. De huidige BIM-software

bevat reeds een verzameling van eigenschappen

per element. Deze verzamelingen

verschillen van software tot software en

kunnen naar eigen wens uitgebreid worden.

Dit maakt het moeilijk bij uitwisseling van

modellen om te bepalen welke eigenschappen

moeten worden gebruikt.

Om deze problematiek deels op te lossen

werden verzamelingen van eigenschappen

voorgedefinieerd binnen de IFC-standaard.

Deze bevatten enkel generieke eigenschappen.

Project BIM 4.2 bouwt verder

op internationale en Europese initiatieven

(ISO/TC 59/SC 13 en CEN/TC 442) om in

het definiëren (naamgeving, meetmethode,

eenheid…) van nationale of Europese eigenschappen

uniformiteit te krijgen. Hierdoor

kunnen bijvoorbeeld

fabrikanten uniforme

BIM-objecten

aanleveren.

voor de structuur van het bouwwerk in overeenstemming

zijn met het architectuurmodel. De coördinatie

van deze modellen gebeurt door ze samen te voegen

in één controleomgeving (via een coördinatiemodel)

en door ze te vergelijken op hun onderlinge overeenkomst,

de juiste positionering van de elementen en

het optreden van eventuele fouten.

Het WTCB verwacht dat bouwprofessionelen in de

toekomst alsmaar vaker zelf digitale bouwinformatiemodellen

gaan uitwisselen in plaats van louter

afgeleide producten hiervan aan te leveren zoals

meetstaten met bijbehorende 2D-plannen. Om

dit proces te faciliteren zullen beroepsspecifieke

tools opkomen. Zo kan een onderaannemer voor de

staalstructuur een eigen deelmodel maken aan de

hand waarvan hij kan controleren of zijn ontwerp al

dan niet strijdig is met de andere elementen. Hiertoe

moet zijn deelmodel worden samengevoegd en

vergeleken met de andere deelmodellen. Maar juist

dankzij de voornoemde clash detection kan worden

voorkomen dat een voetplaat van een stalen kolom in

conflict is met de onderliggende betonnen balken.

De toepassing van BIM biedt trouwens nog een

aantal extra beloftevolle mogelijkheden:

Op het vlak van planning (4D BIM)

Ook de planning van de werken kan aan het digitale

model worden toegevoegd. Zo kan men het verloop

van het bouwproces in functie van de tijd grafisch

uitzetten aan de hand van visualisaties of animatiefilms.

Deze visuele ondersteuning kan de communicatie

met de bouwpartners bevorderen. Ze kan

bijvoorbeeld gebruikt worden om de invloed van de

werken op het verkeer te bepalen, om leveringen in te

plannen en stockageplaatsen (grafisch) in te richten,

om de werfinrichting (zoals de positie van de kraan)

tijdsgebonden en grafisch weer te geven en tijdelijke

constructies (zoals stellingen of schoringswerken) aan

te duiden. Bovendien is het mogelijk via 4D-clash

detection te controleren of de planning geen fouten

bevat.

BIM faciliteert onder meer de samenstelling van

materiaalpakketten. Bij het plaatsen van lichte

scheidingswanden kan men bijvoorbeeld per ruimte

een pakket maken met reeds op maat gesneden

platen en profielen om tot de beoogde wandopbouw

te komen. De uitvoerder moet dan louter het vooropgestelde

plan en de bijbehorende nummering volgen.

Doordat hij reeds over de juiste materialen beschikt

en weinig tot geen meet- en snijwerk meer heeft, kan

hij veel tijd besparen. Een gedetailleerde voorbereiding

op basis van digitale bouwmodellen resulteert

hier dan ook niet alleen in een kortere uitvoeringstijd

maar tevens in minder afval op de werf.

Visierapport 2019 49


BIM kan eveneens ingezet worden

voor het doorgeven van grafische

informatie aan de uitvoerders.

Zo zou voor de dagplanning een

poster met grafische aanduidingen

gegenereerd kunnen worden

waarop aangegeven staat welke

kolommen die dag moeten worden

gestort.

Digitalisatie en BIM kunnen ook op

logistiek vlak een belangrijke rol

gaan spelen en de realisatie van

bouwhubs voor toelevering van

materiaal, materieel en producten

aan de bouwplaatsen faciliteren.

Bouwhubs kunnen functioneren

als ontkoppel- en verzamelpunten

voor goederenstromen naar de

bouwplaatsen. Dankzij digitalisatie

kan in de bouw ‘value added

logistics’ met premontage en

prefabricage in combinatie met

het ‘just in time’ aanmaken van

werfpakketten een hoge vlucht

nemen. Een bouwhub heeft ook

tot doel meerdere bouwplaatsen

te bedienen. Op die manier kan

een slimme consolidatie tot stand

komen en worden ‘economies

of scale’ mogelijk. (→ WTCBkaderstuk

op p. 50)

Opvolging van het budget (5D BIM)

Ook voor de opvolging van

het budget opent BIM tal van

perspectieven. Denken we hierbij

maar even aan het digitaal up-todate

houden van de planning

tijdens de werken. Door de goede

opvolging van de reeds uitgevoerde

werfactiviteiten kan men

voor de opdrachtgever gemakkelijk

een visueel beeld van de

voortgang van de werken genereren

waaruit men de bijbehorende

hoeveelheden kan extraheren.

Deze kunnen dan weer als basis

dienen voor de opstelling van een

vorderingsstaat of voor de controle

van de vorderingsstaten van de

onderaannemers.

Bouwlogistiek via hubs vergt digitale

aanpak

Het WTCB startte samen met het Vlaams Instituut voor

Logistiek (VIL) het project Bouwhubs om het logistieke concept

van een bouwhub uit te werken en te testen. Dit gebeurde ook

samen met projectdeelnemers vanuit verschillende delen van

de bouwketen: aannemers, logistieke dienstverleners, overheid,

producenten en bouwmateriaalhandelaren.

Concreet beoogt het project oplossingen te bieden voor

hedendaagse logistieke problemen zoals de moeilijke bereikbaarheid

van stedelijke bouwwerven, de beperkte opslagruimte

op de werven zelf, de toename van renovatieprojecten

(met meer en kleinere logistieke stromen) en de hoge logistieke

kosten die gemiddeld 8 à 12% van de totale bouwkost

bedragen. In het concept bouwhub worden vrachtwagens

afkomstig van producenten en handelaars gelost op de hub.

Vervolgens worden geconsolideerde vrachten samengesteld

en geleverd op vraag van de werf. Op die manier dient de

bouwhub als een belangrijk ontkoppel- en verzamelpunt van

goederenstromen naar de werven.

Dit zorgt voor een efficiëntere logistiek met minder logistieke

handelingen op de bouwwerf, minder wachttijden, een sneller

transport buiten spitsuren en een hogere beladingsgraad door

‘melkrondes’. Het concept leidt tegelijk tot een reductie van

diefstal en schade ten gevolge van minder opslag op de werf.

Vanuit maatschappelijk oogpunt zal de efficiëntere logistiek

voor een gunstig effect op milieu en congestie zorgen. De

aanmaak van montagepakketten (bijvoorbeeld het bundelen

van gipsplaat, profielen, schroeven en voegmiddelen voor een

bepaalde ruimte) en prefabricage op de hublocatie brengen

een aanzienlijke verhoging van de arbeidsproductiviteit

teweeg. Het is duidelijk dat voor het beheren van deze processen

een digitaal platform essentieel is

en de sleutel tot een gebruiksvriendelijk

systeem.

Montagepakket

met gipsplaten

vanop een

bouwhub

(ill. WTCB)

Ook de wijzigingen doorheen de

uitvoering kunnen in de digitale

50


HOOFDSTUK 02

Initiatiefnemers en

deelnemers voor de

opleiding tot BIMmer via

het project LIMBIM

(ill. Confederatie Bouw

Limburg)

modellen opgeslagen worden. Dit stelt de gebruikers

in staat om aangepaste uitvoeringsplannen te

genereren aan de hand waarvan het kostenverloop

kan worden bijgehouden. Denk bijvoorbeeld aan

een situatie waarbij ter plaatse beslist wordt om de

aanvankelijk ongeïsoleerde lichte scheidingswanden

toch van een isolatie te voorzien. Door deze wijziging

in te geven in het digitale model kan men eenvoudig

afleiden dat de hoeveelheid voor de post ‘isolatie’

gestegen is. Het linken van

deze informatie aan een

eenheidsprijs laat bovendien

toe om het kostenverloop te

beheren.

Nut voor het as-built-dossier

en de LCA-analyse

Ook voor het as-built-dossier

is het belangrijk dat

de gebeurlijke wijzigingen

correct bijgehouden worden.

Een goed opgebouwd

dossier levert namelijk tal

van voordelen op voor het

beheer van het gebouw. Het

aangeleverde bouwinformatiemodel

zou dan ook zo

volledig mogelijk, up-todate

en goed gestructureerd

moeten zijn. Aan dit model

kan bovendien allerhande

Door de goede opvolging

van de reeds uitgevoerde

werfactiviteiten kan men

voor de opdrachtgever

gemakkelijk een visueel

beeld van de voortgang

van de werken genereren

waaruit men de

bijbehorende hoeveelheden

kan extraheren.

extra (al dan niet geometrische) informatie gekoppeld

zijn. Zo kan de verwarmingsketel gelinkt zijn met

zijn technische fiche, zijn onderhoudsfiche en zijn

factuur. Op die manier krijgt men een gestructureerd,

digitaal as-built-dossier dat de traditionele, onoverzichtelijke

mappen vol technische fiches vervangt. Op

die manier faciliteert BIM de latere exploitatie van

gebouwen.

Bovendien wordt momenteel

gewerkt aan het koppelen

van milieu- en milieugerelateerde

informatie

aan de elementen van een

BIM. Door deze informatie

correct te definiëren wordt

het mogelijk de levenscyclusanalyses

(LCA) van

projecten door te voeren.

Door deze integratie wordt

het gemakkelijker vanaf de

conceptfase met de cruciale

elementen voor een LCA

rekening te houden. Zo werd

op Belgisch niveau TOTEM

ontwikkeld als een nieuwe

tool om de milieuprestaties

van gebouwen te verbeteren.

Het letterwoord TOTEM

staat voor Tool to Optimise

the Total Environmental

Visierapport 2019 51


52

SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 02

Videoreportage

BIM in de bouw

Interview met Charlotte Euben, hoofdadviseur digitale bouw bij

WTCB. Zij duidt het grote belang van het BIM-protocol.

Visierapport 2019 53


Nieuw hoofdkantoor

van AXA dat het

BREEAM-certificaat

Excellent kreeg

(ill. Interbuild)

Modelleren in

3D BIM

(ill. ibens bouw en

ontwikkeling)

impact of Materials. TOTEM heeft een meerwaarde

vanaf de eerste krijtlijnen van het ontwerp. Om te

vermijden dat gebruikers gegevens dubbel moeten

invoeren, kan TOTEM ook IFC-bestanden importeren.

Het instrument heeft dus als voordeel dat het BIMcompatibel

is.

3D-scanning en BIM

Een van de vele digitale toepassingen die zeer nuttig

kunnen zijn in combinatie met BIM is het 3D-scannen.

Bij de voorbereiding van de werken kan men bijvoorbeeld

een 3D-scan maken van een bestaand gebouw

dat gerenoveerd moet worden, van een gebouw

waartegen men moet aansluiten of van bestaande

ramen die men moet namaken. Het resultaat van

een dergelijke scan (puntenwolk) kan dan omgezet

worden naar of ingegeven worden in een digitaal

bouwinformatiemodel.

BIM leent zich ook uitstekend voor een combinatie

met intelligente brillen. Een voorbeeld hiervan is

de augmented reality-bril die toelaat om de realiteit

te verrijken met informatie onder de vorm van virtuele

elementen. Een dergelijke bril zou bijvoorbeeld goed

van pas kunnen komen om de positie van de reeds

52


HOOFDSTUK 02

Algemene templates voor het BIM-proces

Wie organisatorische en praktische vragen heeft rond een BIM-proces, krijgt slechts zelden een eenduidig

antwoord. Elk BIM-proces is immers verschillend naargelang van het type van project, de BIMdoelstellingen

van de opdrachtgever en de projectpartners, de BIM-mogelijkheden en BIM-kennis

van de projectpartners, het contracttype, de grootte van het project en de opgelegde mijlpalen. De

BIM-gerelateerde afspraken tussen alle betrokken partijen zijn dus steeds projectspecifiek. Dit impliceert

dat het BIM-proces van het project altijd goed vooraf moet worden omschreven en gespecificeerd

en dat met de betrokken partijen duidelijke afspraken moeten worden gemaakt. Dit kan neergeschreven

worden in een projectspecifiek BIM-protocol en een bijbehorend BIM-uitvoeringsplan.

Om de bouwprofessionelen te ondersteunen bij het opstellen van deze documenten heeft het WTCB

het Belgische BIM-protocol en BIM-uitvoeringsplan uitgewerkt. Door bij het opstellen van een projectspecifiek

BIM-protocol en BIM-uitvoeringsplan gebruik te maken van deze algemene templates

met de bijbehorende handleidingen kan elk project starten vanaf dezelfde basis en kan er (ondanks

de vereiste projectspecifieke aanpassingen) toch een zekere uniformiteit in het verloop van het BIMproces

gebracht worden.

Het Belgische BIM-protocol en BIM-uitvoeringsplan kwamen tot stand met medewerking van vele

ervaren bouwprofessionelen uit verschillende domeinen en van de betrokken beroepsfederaties en

-organisaties. Zodoende werd ook reeds een eerste consensus rond het BIMsamenwerkingsproces

gevormd.

geplaatste technische leidingen te

vergelijken met die van de te plaatsen

lichte scheidingswanden.

Bovendien werden op het vlak van BIM

recentelijk nog belangrijke vorderingen

gemaakt. Zo heeft het WTCB in

samenwerking met de bedrijven van de

BIM-cluster een BIM-protocol opgesteld. De

implementatie van BIM vereist immers een vlotte

communicatie en duidelijke afspraken die per project

omschreven en gebundeld worden in een protocol en

een uitvoeringsplan. Het BIM-protocol dat het WTCB

heeft uitgewerkt, ondersteunt de projectpartners bij

het consequent opmaken van deze documenten. In

een eerste fase werd het Belgische BIM-protocol ter

beschikking gesteld in de vorm van een nationaal

ontwerpreferentieprotocol. Daarnaast heeft het

WTCB intussen ook een referentiedocument voor

BIM-uitvoeringsplannen uitgewerkt. Die moeten de

uniformiteit in de BIM-aanpak bevorderen. (→ WTCBkaderstuk

op p. 53)

Nieuwbouw voor

bakkerijspecialist Ranson

waarvoor Stadsbader de

BIM-award in de categorie

van industriële projecten

kreeg

(ill. Stadsbader)

Visierapport 2019 53


TABEL 01

Contractvormen en bijbehorend BIM-niveau

Bron: VCB-werkgroepen over de toepassing van BIM

Contractvorm

Design & Build met grote D

(F)(M)(O)

Design & Build met kleine d

(F)(M)(O)

Build (met eigen inbreng mogelijk)

Build (strikte definitie door

opdrachtgever/uitvoeringsdossier)

BIM-niveau

- Programma van eisen beschrijft waaraan de BIM-aanpak moet voldoen.

- Opdrachtgever hanteert objectieve criteria om na te gaan of inschrijver

BIM-competent is.

- Opdrachtgever definieert de voorwaarden

- Alternatieve uitvoeringsmethodes blijven mogelijk

- Opdrachtgever voorziet in referentieontwerp in BIM dat aan kwalitatieve

eisen voldoet (en waarvoor ontwerper wordt vergoed).

- Programma van eisen beschrijft waaraan de BIM-aanpak moet voldoen.

- Opdrachtgever hanteert objectieve criteria om na te gaan of de inschrijver

BIM-competent is.

- Opdrachtgever definieert de voorwaarden.

- Alternatieve uitvoeringsmethodes blijven mogelijk.

- Opdrachtgever voorziet in een ontwerp in BIM dat aan kwalitatieve eisen

voldoet en voldoende gedetailleerd is voor calculaties (en waarvoor ontwerper

wordt vergoed)

- Alternatieve uitvoeringsmethodes blijven mogelijk

- Opdrachtgever voorziet in een volledig uitgewerkt BIM-model

- Alternatieve uitvoeringsmethodes zijn niet mogelijk

De VCB van haar kant heeft in een werkgroep de concrete

toepassingsmogelijkheden van BIM in functie

van de diverse aanbestedingsformules onderzocht.

Cruciaal voor de aannemers is de mate waarin de

opdrachtgever al dan niet zelf in een BIM-model

voorziet. Indien niet zal de opdrachtgever zich beperken

tot een programma van eisen. Als de opdrachtgever

wel een BIM-model voorlegt, onderscheidt de

VCB nog drie mogelijkheden: het BIM-model van de

opdrachtgever is een referentiemodel dan wel een

ontwerp of een al volledig uitgewerkt document. In

dit verband is het ook belangrijk om weten of het

document van de opdrachtgever al dan niet varianten

toestaat.

De meerwaarde van BIM voor de aannemers stijgt

van beneden naar boven in de matrix. De Vlaamse

overheid hecht vooral belang aan BIM in functie van

haar eigen asset management. Maar daarnaast

moet zij ook oog hebben voor de impact op de

bijbehorende economische keten: van ontwerper

tot aannemer en onderaannemer. Een belangrijke

uitdaging in dit verband betreft de verbetering van

de ontwerpen. Het BIM-model dat de ontwerper

aanreikt, moet aan dezelfde kwalitatieve eisen voldoen

als wordt verwacht voor de uitvoering van een

D&B-project. De meetbaarheid van de kwaliteit is

trouwens gestegen dankzij de software. Ontwerpers

moeten dan ook billijk vergoed worden voor hun

bijdrage tot het BIM-model.

Om kleine ondernemingen te helpen in het BIMverhaal

te stappen werkt het WTCB aan de ontwikkeling

van BIMio: een eenvoudige, gratis tool die aan

kleine ondernemingen de hand reikt om met BIM aan

de slag te gaan. Het WTCB verwacht dat de BIMiotool

tegen eind 2020 verspreidingsklaar zal zijn.

54


HOOFDSTUK 02

2.3. Toepassing van artificiële

intelligentie

Uit een studie die Ernst & Young in 2018 in opdracht

van Microsoft heeft uitgevoerd, is gebleken dat

Belgische bedrijven erg actief zijn bij de implementatie

van artificiële intelligentie (AI). Tijdens het voorbije

decennium werd in Europa voor ruim 9 miljard

euro geïnvesteerd in AI. Duitsland, Frankrijk en het

Verenigd Koninkrijk zijn de marktleiders maar België

zit met een zevende plaats op de investeringsranglijst

mee in de kopgroep. In België werd de voorbije

tien jaar meer dan 100 miljoen euro geïnvesteerd in

start-ups die met AI werken. Dat is ruim twee maal

zo veel als bijvoorbeeld in Nederland en we laten

ook landen als Finland, Ierland, Italië, Noorwegen en

Zwitserland achter ons.

Belgische bedrijven die investeren in AI, zien vooral

heil in technologieën zoals machine learning dat

computers patronen laat ontdekken in grote aantallen

gegevens. Bijna alle bevraagde organisaties

willen met behulp van AI vooral operationeel efficiënter

werken door slimme voorspellingen te maken,

processen te automatiseren of gebruikerservaringen

te personaliseren. Daarnaast wordt AI in België vooral

ingezet om logistieke operaties te automatiseren,

de consumentenbehoeften beter te voorspellen en

voor ‘predictive maintenance’ waardoor defecten

maximaal kunnen worden voorkomen. In de bouw zijn

voor AI gelijkaardige toepassingen mogelijk, zoals ook

blijkt uit de getuigenis van IMEC (→ p. 60).

De budgettering van bouwprojecten is een complexe

rekenoefening. Met name bij grootschalige

en/of complexe projecten worden kostenramingen

nog vaak ruimschoots overschreden. Maar door de

toepassing van AI op ERP-pakketten kunnen prijsberekeningen

nauwkeuriger worden bepaald. De

beschikbaarheid van historische gedigitaliseerde

data is van groot belang en zal in de bouw toenemen

naarmate de bedrijfsvoering meer en meer wordt

gedigitaliseerd.

In het Concept

Home worden

drie verschillende

ventilatiesystemen

uitgetest

(ill. Renson)

Visierapport 2019 55


Momenteel wordt bij het

ontwerpen van gebouwen

en infrastructuren nog weinig

gebruik gemaakt van ervaringen

uit het verleden. Maar op

basis van data uit het verleden

over eerder gerealiseerde

projecten en de toepassing

van AI op deze data wordt het

mogelijk voor nieuwe ontwerpen

een 3D-modelleerpakket

uit te werken en keuzemogelijkheden

naar voor te

schuiven.

Voor nieuwe bruggen zouden

AI-systemen al een voorstel

van ontwerp kunnen klaarmaken

op basis van bijvoorbeeld

cijfers uit eerdere ontwerp- en

uitvoeringsfasen en van het gedrag van bestaande

bruggen. Ingenieurs kunnen zo cruciale beslissingen

nemen op basis van gegevens waarover zij voorheen

niet beschikten. Zo heeft het Belgische Bricsys

aan zijn BIM-pakket BricsCAD een functionaliteit

(Propagate) toegevoegd waarbij op basis van AI

repetitieve taken worden geautomatiseerd.

Voor oudere gebouwen zijn vaak geen digitale of

zelfs geen 2D-plannen beschikbaar. Bij renovatiewerken

dient men ze dan ook volledig opnieuw te

modelleren. Een alternatieve werkwijze bestaat

erin het gebouw te scannen door middel van

3D-laserapparatuur. Maar de puntenwolk die daaruit

voortvloeit, is weinig gebruiksvriendelijk. AI kan juist

worden ingezet om in de puntenwolken patronen te

herkennen en die dan om te zetten in bouwelementen

en parametrische objecten zoals die gebruikelijk

zijn in een BIM-model.

Op de bouwplaatsen zijn nu steeds meer camera’s

actief. Zij worden nu voornamelijk voor marketingen

communicatiedoeleinden gebruikt, bijvoorbeeld

om beelden in time-lapse te realiseren. Maar op de

talrijke beelddata die daardoor beschikbaar komen,

kan ook AI worden ingezet met het oog op een beter

beheer van materiaal, materieel en voertuigen op

de bouwplaatsen, om aanwezigheidsregistratie te

faciliteren en ‘performance tracking’ uit te voeren.

Zo kunnen slimme camera’s via object- en gezichtsherkenning

personen detecteren die de veiligheidsvoorschriften

niet naleven en bijvoorbeeld gevaarlijke

posities op ladders of stellingen innemen. Op de

eerste Hacathon Digital Construction van 2018

wonnen twee studenten van PXL de hoofdprijs met

Ook in

kantoorgebouwen

zien we dat AI het

mogelijk maakt het

comfort te verhogen

en tegelijk energie

te besparen door

optimaal in te spelen

op variabelen.

een toepassing van Safety

Automatic Management. Het

gaat om een robotcamera die

waakt over de veiligheid op de

bouwplaats. De toepassing gaat

uit van artificieel intelligente

algoritmes voor beeldherkenning

die getraind werden om

het dragen van een helm te

herkennen.

AI kan ook worden ingezet om

de bouwmaterialenvoorraad

beter te beheren, onder meer

door te voorspellen wanneer

die juist moet worden aangevuld,

en ook om enerzijds

de bewegingen en anderzijds

de vaste posities op de

bouwplaats te optimaliseren.

Gezichtsherkenning kan bovendien de aanwezigheidsregistratie

op de bouwplaatsen automatiseren.

Maar ook in zogenaamde ‘smart buildings’ is AI van

toepassing. Voor de aansturing van woningen zijn nu

steeds meer apps beschikbaar die werken op basis

van spraakcommando’s. Het recente incident met

Google Home maakte duidelijk dat deze apps dankzij

AI op basis van de analyse van geregistreerde reële

gesprekken steeds verder worden geperfectioneerd.

Dankzij AI kunnen de toepassingen thuis steeds meer

worden gepersonaliseerd. Dankzij AI leren smart

home systemen de gewoonten van de bewoners

kennen en daarop anticiperen. Verwarming, ventilatie,

verlichting en zonnewering kunnen daardoor

proactief in iedere kamer op de juiste positie worden

gebracht. Ook in kantoorgebouwen zien we dat

AI het mogelijk maakt het comfort te verhogen en

tegelijk energie te besparen door optimaal in te

spelen op variabelen, zoals het gebruikersgedrag, de

fluctuerende bezettingsgraad, de reële vraag naar

verwarming en/of koeling en de weersvoorspellingen.

Bovendien kunnen slimme gebouwen met behulp

van AI op de meest geschikte momenten elektriciteit

bufferen of afgeven aan het distributienet naargelang

op dit net veel of weinig energie beschikbaar is

in functie van zon en wind.

Tenslotte speelt ook in gebouwen de factor ‘predictive

maintenance’ een belangrijke rol. Zoals in een

industrieel productieproces kunnen ook in gebouwen

de gevolgen van een defecte installatie zeer groot

zijn. Maar proactieve onderhoudsbeurten kunnen

storingen vermijden. Neem het voorbeeld van liften

waarbij het systeem telkens als de lift wordt gebruikt,

56


HOOFDSTUK 02

Nieuw kinderdagverblijf

en hoofdzetel van Kind en

Gezin te Dendermonde,

een duurzaam en

energiezuinig project

uitgevoerd in BIM

(ill. STRABAG)

Visierapport 2019 57


verschillende parameters opslaat, zoals het gewicht

van de lading, het aantal stops, het aantal fouten en

de temperatuur. Door dan de data van bijvoorbeeld

alle liften samen te brengen, niet alleen in real time

maar ook van de voorbije jaren, kan een liftproducent

beter voorspellen op welk moment een onderhoud

aangewezen is. Naarmate er meer data worden verzameld,

kan het algoritme worden geoptimaliseerd.

De predicties zullen daardoor nog aan nauwkeurigheid

winnen.

Naargelang bouwprocessen en gebouwen meer en

meer worden gedigitaliseerd, komen steeds meer

data beschikbaar, dermate veel dat daarop dankzij

de toegenomen rekenkracht van de computers AI kan

worden toegepast. Maar momenteel zijn de meeste

bouwbedrijven nog niet toe aan ‘data harvesting’.

Data alleen volstaan niet. Het is immers cruciaal tot

gestructureerde ‘machine-readable’ data te komen.

Vandaar dat het WTCB, de VCB en de federatie

van grote bouwbedrijven VBA een nieuw project

indienen in het kader van COOCK (Collectieve O &

O en Collectieve Kennisdeling) met een drieledige

doelstelling: hoe door allerlei types van sensoren data

inzamelen, hoe deze data structureren en hoe ze

stockeren (via cloud- of eigen platformen).

niet zo verre toekomst, elke beslissing te nemen rond

investeringen en exploitatie van vastgoed.”

Zoals andere digitale concepten heeft de digitale

tweeling zijn meerwaarde al bewezen bij de monitoring

van industriële installaties. Recentelijk werd ook

een digitale tweeling ontworpen voor de peperdure

offshore installaties voor oliewinning en de offshore

windmolens in de Noordzee. Voor oudere offshore

olieplatformen is het belangrijk te weten in welke

mate zij moeten worden aangepast of versterkt om

hun werking te kunnen voortzetten. Voor offshore

windmolens is het belangrijk continu te meten in

welke mate zij blijven weerstaan aan de vaak harde

weersomstandigheden. Digitale modellen die continu

worden gevoed met real time informatie vanuit

sensoren, zijn een belangrijk instrument om de kosten

voor beheer en onderhoud te verlagen, met minder

operatoren op de platformen zelf, en om tegelijk de

levensduur van die platformen te verlengen. AI is juist

een belangrijk hulpmiddel om het digitale model met

real time informatie en beelden te combineren.

In zijn essay over Bouwen aan de toekomst noemt

Nicolas Vyncke, CEO van Ingenium, de ‘digital twin’

het alfa en omega van de gebouwde toekomst. Hij

definieert de digital twin als een 3D-model van een

gebouw waaraan een gigantische database met

alle specificaties over elk onderdeel is gekoppeld.

Nicolas Vyncke: “Eens het ontwerp klaar is en door

de opdrachtgever is goedgekeurd, zal de ‘digitale

architect’ met één druk op de knop het fysieke maakproces

activeren. Daarbij ontvangen diverse fabrikanten

en leveranciers een prijsvraag om specifieke

onderdelen te produceren. Wie daarna het effectieve

order ontvangt, produceert op maat, wat afval bij

de productie tot het absolute minimum beperkt. Het

maakproces verloopt bovendien op een veel snellere

en efficiëntere manier dan vandaag.”

Volgens hem zal met de digital twin niet alleen

tijdens de ontwerp- en bouwfase vanuit een digitale

basis worden vertrokken. De digitale tweelingen

zullen ook nuttig zijn voor vastgoedbeheerders (in

hun portfolio strategie), voor project managers die

tijd en geld moeten beheren (in het kader van project

planning), voor de uitbating van het gebouw en zijn

installaties (het zogenaamde ‘facility management’)

en voor de monitoring van de goede werking en de

afstemming op de behoeften van de gebruiker (het

building management). Nicolas Vyncke besluit: “De

digitale tweeling wordt de absolute basis om, in een

58


Besluit I HOOFDSTUK 02

Besluit

Medio 2019 heeft de VCB haar

leden over de toepassing van

nieuwe (voornamelijk digitale)

technologieën bevraagd. Uit deze

bevraging is gebleken dat nog slechts

een handvol bouwbedrijven de

innovatieve instrumenten gebruiken

die in het eerste hoofdstuk werden

beschreven, zoals 3D-scanning,

Virtual Reality, 3D-printing en de

inschakeling van robots. Maar de

aangesloten bouwbedrijven behaalden

daarentegen wel al relatief hoge

scores voor de digitalisering van hun

bedrijfsprocessen.

Maar liefst twee derde van de

bedrijven gaf aan mee te zijn op het

vlak van e-facturatie terwijl 54% over

een digitaal kostprijsberekeningspakket

beschikte, 49% over een pakket om

kosten, opbrengsten en cash flow per

bouwplaats op te volgen, 36% over

een Document Management Systeem

(DMS) en 35% over een ERP (Enterprise

Resource Planning). Maar terwijl de

acht meest gebruikte digitale tools

gemiddeld door 66% van de grotere

bedrijven worden gebruikt, daalt het

gemiddelde gebruik bij de bedrijven

van 5 tot 20 werknemers tot 45% en bij

de kleinste bouwbedrijven tot 28%.

Aan het project BouwRadar van

de VCB nemen vooral kleinere

bouwbedrijven deel. Uit de

vragenlijsten die deze bedrijven

invulden, bleek eveneens een nog

relatief lage digitaliseringsgraad. Uit

een nationale enquête van begin

2017 bleek dat gemiddeld amper 5%

van de bouwbedrijven van digitale

technologieën gebruik maakte. Uit de

huidige cijfers blijkt dat dit nu zelfs bij

de kleinere bouwbedrijven hoger ligt.

In de enquête van de VCB attesteerden

ook 20% van de responderende

aannemers het gebruik van BIM dat

intussen dus niet langer beperkt

blijft tot een aantal voorlopers. De

toepassing van open standaarden en

een BIM-protocol, beroepsspecifieke

BIM-tools, de integratie van planning

en budgettering in BIM, de combinatie

van BIM met 3D-scanning en LCAanalyses

en de openheid bij publieke

en private opdrachtgevers om

aannemers zelf een BIM te laten

ontwikkelen zullen in de nabije

toekomst voor de toepassing van BIM

bij de bouwbedrijven bijkomende

perspectieven bieden.

Naarmate bouwprocessen en

gebouwen meer en meer worden

gedigitaliseerd, komen ook steeds

meer data beschikbaar, dermate veel

dat daarop dankzij de toegenomen

rekenkracht van de computers

artificiële intelligentie kan worden

toegepast. Ook hiervoor ziet de VCB

tal van nuttige toepassingen met als

mogelijk sluitstuk de opmaak van

‘digitale tweelingen’ van gebouwen en

infrastructuren.

Visierapport 2019 59


Ook in bouw is tijd

rijp voor artificiële

Getuigenis

intelligentie

Mieke De Ketelaere

Imec

Elk systeem van artificiële intelligentie

(AI) gebruikt data en kennis

uit het verleden om automatisch

voorspellingen te doen naar

de toekomst. We kennen intussen

AI uit ons dagelijks leven, onder

meer via Spotify en Facebook. Nu

is de tijd gekomen daar ook in de

bouwwereld mee aan de slag te

gaan, met name omdat data in

de bouw eveneens meer en meer

beschikbaar komen. We kunnen

daarrond ecosystemen bouwen

en op basis van inzichten van het

verleden intelligentere voorspellingen

maken en zo vragen

beantwoorden voor de toekomst.

Dat betoogde Mieke De Ketelaere,

programmadirecteur voor artificiële

intelligentie bij Imec, op de

algemene vergadering van de federatie

van de grote bouwbedrijven

VBA. Al werd reeds in de jaren

50 uitgevonden en werd al in de

jaren 80 actief benut. In het kader

van haar studies werkte Mieke De

Ketelaere al rond neurale netwerken.

Aan de hand van allerhande

variabelen deed zij toen reeds onder

meer voorspellingen over het

toekomstige energieverbruik om

van daaruit de elektriciteitsprijzen

voor klanten te bepalen. Maar in

vergelijking met andere sectoren

loopt de bouw nog achterop bij de

integratie van AI.

Biedt AI echt potentieel of is het

maar een hype? Dat was de vraag

waarvan Mieke De Ketelaere

uitging : “De ene helft van de

bevolking denkt dat AI niet meer

is dan een hocus pocus. Maar

de andere helft is overtuigd van

de werking ervan. De grootste

onduidelijkheid betreft het begrip

‘algoritme’. AI verloopt eigenlijk

zoals een kookproces. De data zijn

de ingrediënten en de algoritmes

zijn het kookgerief. De AI-modellen

zijn vergelijkbaar met recepten.

De voorspelling is zoals de bereide

maaltijd. Op basis daarvan wordt

dan een beslissing genomen en

uiteindelijk gaat men dan over

tot actie, namelijk tot het eten

van de maaltijd. AI heeft voornamelijk

tot doel om in de data

systemen te ontdekken om zo de

toekomst te voorspellen. De AIinterpretator

wordt dus de job van

de toekomst.”

PATRONEN ONTDEKKEN

Het leerproces bij computers

verloopt uiteindelijk zoals bij

mensen. Dit proces kan verlopen

op basis van regels maar ook op

basis van ervaring. Leren kan met

een superviserende leraar, of op

basis van wat we zien, of met

vallen en opstaan. Een volgend

getal voorspellen op basis van een

gestructureerde reeks is nog relatief

eenvoudig. Maar bijvoorbeeld

een beest als kat herkennen op

basis van afbeeldingen van diverse

60


Getuigenis I HOOFDSTUK 02

Het AI-team als

restaurantequipe

(ill. Imec)

rassen van katten in verschillende

houdingen en groottes is al veel

moeilijker. Computers hebben dan

ook pas vanaf 2005 patronen

leren ontdekken.

Data zijn intussen het nieuwe

goud geworden. Momenteel

komen in de diverse fasen van het

bouwproces (ontwerp, werfvoorbereiding,

bouw en beheer) heel wat

datastromen vrij, zowel gestructureerde

als ongestructureerde,

onder meer via BIM en ERP. Data

kunnen dan leiden tot een optimalisatie

van de werking, zowel in

de back-office als op de bouwsite.

Daarnaast zien we ook in de bouw

een evolutie naar dataplatformen,

naar cloud technologieën waardoor

meer en goedkoper data

beschikbaar komen, en naar het

gebruik van het Internet of Things.

Het is juist op basis van al die data

dat AI zich verder kan ontwikkelen.

En dankzij AI zullen de bouwpartners

kunnen overgaan van een

louter reactief beleid naar een

meer proactief beleid. AI zal dan

een antwoord kunnen geven op

vragen zoals ‘wat als’ (bijvoorbeeld

bepaalde materialen niet

meer beschikbaar zijn). Mieke

De Ketelaere gaf concreet het

voorbeeld van de erkenning van

asfaltgebreken. Op basis van digitale

gegevens over de huidige toestand

van het wegdek in combinatie

met gegevens van bijvoorbeeld

Proximus rond het verkeer op de

wegen, kan AI helpen bepalen

wanneer herstel nodig zal zijn.

BELANG VAN AI-TEAM

Mieke de Ketelaere is niet blind

voor de mogelijke gevaren, zoals

het capteren van doorgestuurde

gegevens door derde partijen.

Zij hecht ook veel belang aan

de betrouwbaarheid, de transparantie

en uitlegbaarheid van

AI-systemen. Ook AI kan fouten

maken. Een bedrijf mag niet verwachten

dat de beschikbaarheid

van data en een data scientist

zomaar meerwaarde opleveren.

De toepassing van AI vergt teamwerk

tussen de AI-specialisten,

andere IT-medewerkers en zij

die het reilen en zeilen van het

bedrijf goed kennen. Ook deze

samenwerking vergeleek Mieke De

Ketelaere met de werking van een

restaurantequipe. Bij de analyse

van data komt het er bijvoorbeeld

op aan eerst de doelstellingen

van de zoektocht voorop te stellen

en de problemen te omschrijven

die moeten worden opgelost.

Bij ongestructureerde data is

het belangrijk om eerst de input

bruikbaar te maken voor analyses.

Tenslotte is een machine ook maar

zo slim als de data-input die zij

krijgt om te leren. Is die van slechte

kwaliteit, dan zal de machine

slechte beslissingen nemen.

In haar conclusie gaf Mieke De

Ketelaere nog mee dat artificiële

en menselijke intelligentie elkaar

kunnen aanvullen. AI is zeer goed

op het vlak van processnelheid en

accuraatheid. Maar daar staat

tegenover dat het menselijke

intellect nog altijd slimmer is bij

het nemen van de beslissing om

vernieuwende paden in te slaan,

bij de parallelle inschakeling van

alle zintuigen tegelijk en op het

vlak van creativiteit en empathie.

Visierapport 2019 61


Getuigenis

Digitalisering is een

investering die zichzelf

terugverdient

Vicky Dethier

Dethier

Steeds meer aannemers gebruiken

software voor ERP of

Enterprise Resource Planning.

Dat is een verstandige beslissing

volgens Vicky Dethier van

het gelijknamige bouwbedrijf.

Het wordt veel duidelijker waar

de winsten en verliezen zitten in

projecten. En ERP is zeker niet

alleen voor de grote bouwbedrijven

bestemd.

Vicky Dethier is gedelegeerd bestuurder

van bouwbedrijf Dethier,

net als haar broer Kevin. De onderneming

is al meer dan tien jaar

geleden begonnen met digitalisering.

De inspanningen werden een

jaar geleden nog beloond met een

Digital Construction Award. ERP

is software voor de ondersteuning

van alle processen in een bedrijf.

Vicky Dethier: “ERP is voor mij een

database voor het bedrijf waarin

alle gegevens verzameld en aan

elkaar gelinkt zijn. Niet alleen

financiële gegevens maar ook de

voor- en nacalculatie, de tijdsregistratie,

het voorraadbeheer en

de mobiliteit. Het voordeel is dat

al deze gegevens dan gecentraliseerd

zijn. Je werkt niet met

verschillende systemen waartussen

je dan gegevens manueel moet

overbrengen, iets wat vaak tot

fouten leidt. Bovendien zijn de

data altijd up-to-date. Er is maar

één waarheid.”

Dankzij ERP heeft bouwbedrijf

Dethier een beter zicht op het

verloop van projecten. Men kan

bijvoorbeeld onderzoeken of de

winst inderdaad gehaald wordt

waar iedereen denkt dat ze zit.

Vicky Dethier: “Je kunt bijsturen en

het de volgende keer beter doen.

Vroeger wisten we aan het einde

van de rit alleen of een project

winstgevend was. Maar waarom

was het winstgevend? Neem

de logistiek. We weten nu of we

bepaald materieel, zoals kranen

en stroomgroepen, beter kunnen

kopen dan huren of omgekeerd.”

DIGITALE TOOLS ALS

HULPMIDDEL

Vicky Dethier heeft een master

Kennistechnologie gehaald aan

de universiteit van Maastricht, een

diploma dat hier erkend wordt als

een master Informatica. Daarna

studeerde ze nog bedrijfsbeleid.

Maar het was niet deze achtergrond

die de doorslag gaf in het

digitaliseringsproces van de onderneming.

Vicky Dethier: “Het heeft

meer te maken met de persoonlijke

instelling: analytisch denken,

vooruitstrevend zijn, niet bang zijn

van technologie. Digitale tools zijn

een hulpmiddel. Ze bouwen niet.

Maar ze helpen wel met de processen

daarrond, en daardoor kan

er meer aandacht gaan naar het

bouwen zelf. En dat is uiteindelijk

waarvoor de klant wil betalen.”

Maar hoe duur is ERP eigenlijk?

Vicky Dethier: “Dankzij ERP kunnen

wij nu werken met een minimum

62


Getuigenis I HOOFDSTUK 02

aan personeel met typisch administratieve

taken. Op een totaal

van 130 mensen heb ik twee mensen

voor de boekhouding, één voor

de personeelsadministratie en ten

slotte een receptioniste, die zich

ook bezighoudt met administratieve

taken voor onze projectontwikkeling.

Dat is dus erg efficiënt.

ERP is een investering die zichzelf

terugverdient wanneer je ze ten

volle benut. Doe je dat niet, dan is

het wel duur.”

Voor wie met ERP wil beginnen,

heeft Vicky Dethier een advies:

probeer het niet meteen op

alle domeinen toe te passen,

maar begin met de eerste stap.

Vicky Dethier “Bij ons was dat

de voorcalculatie. Daarna kun

je de volgende stappen zetten:

uitvoering, nacalculatie, boekhouding,

logistiek beheer … Eens je

vertrokken bent, gaat het snel. Dat

is goed, want de introductie mag

niet te lang duren. Als een bedrijf

te lang op twee sporen rijdt, leidt

dat tot frustraties.”

SPECIFIEK EN STANDAARD

Heel wat aannemers vragen zich

af of ERP-systemen kunnen inspelen

op hun specifieke behoeften.

Voor hen heeft Vicky Dethier een

interessante stelling: blijf weg

van maatwerk. Vicky Dethier: ”Ik

geloof daar niet in. Zoek het meest

geschikte systeem en pas dan

de werkwijze in de onderneming

eventueel aan waar het nog nodig

is. Maatwerk is zeer duur, en daar

komen nog voortdurend ontwikkelingskosten

bij. Bij een standaardpakket

wordt de evolutie gedreven

door de kennis van alle aannemers

die het gebruiken. En bovendien

betalen die allemaal mee.”

Bedrijven moeten wel oppassen

voor de zogenaamde lock-in. Eens

een bedrijf een systeem gebruikt,

is het niet eenvoudig om over

te schakelen op een ander. Een

dergelijke verandering moet zeer

zorgvuldig voorbereid en begeleid

worden.

ERP is trouwens niet het enige

voorbeeld van digitalisering bij

bouwbedrijf Dethier. De onderneming

werkt ook met BIM en doet

vrijwel exclusief aan e-facturatie.

Tablets zijn standaard op de

bouwplaatsen. Voor de werf- en

veiligheidsverslagen is er Aproplan

en ArchiSnapper. Slack – een

soort professionele WhatsApp -

wordt gebruikt voor de interne

communicatie. Dethier bouwt

lean, een proces dat ondersteund

wordt door de tool KYP. Maar

de onderneming hoopt dat de

innovatie daarmee niet afgerond

is. Ze blijft ideeën verzamelen bij

haar mensen en elders, laat het

personeel daarover stemmen,

stelt prioriteiten … en doet dat

vanzelfsprekend met een digitale

tool, Trello.

Nieuwbouwproject

met 8 grondgebonden

woningen in

Heusden-Zolder

(ill. Dethier)

Visierapport 2019 63


64


HOOFDSTUK 03 VAN SMART BUILDINGS TOT SMART CITIES


03

Google Sidewalk Labs gaat langs

het waterfront in Toronto een stadsontwikkeling

voor ongeveer 80.000

mensen ontwikkelen. Concreet gaat

het om een mobiliteitssysteem

op basis van zelfrijdende technologie

in combinatie met digitale

navigatiehulpmiddelen voor

voetgangers, fietsers en openbaar

vervoer. Daarnaast gaat het ook

om efficiënter en betaalbaar wonen

dankzij nieuwe bouwmethoden en

flexibele bouwontwerpen op basis

van een forse mix van functies, om

datagestuurde beheertools voor

parken en pleinen en om een open

digitale infrastructuur die innovatie

stimuleert. In dit hoofdstuk gaan we

na in welke mate sommige van deze

elementen nu al in onze gebouwen,

wijken, infrastructuur en steden zijn

geïntegreerd.

66


HOOFDSTUK 03

3.1. Toenemende digitalisering van de

gebouwensector

In hoofdstuk 1.3. hebben we reeds gewezen op de

cruciale rol van het gebruik van sensoren om gegevens

te verzamelen om zo een betere bedrijfsvoering

en tegelijk een beter gebouwenbeheer te realiseren.

In de publicatie Smart Buildings for Smart Cities van

juli 2018 geeft het WTCB een aantal extra illustratieve

voorbeelden van geconnecteerde objecten in

gebouwen. Daaruit blijkt dat zij van nut zijn voor zeer

uiteenlopende bouwprofessionals, zoals het volgende

overzicht aantoont.

In de voltooiingssector

Elektrochromische beglazing bijvoorbeeld is een type

van meerlagige beglazing die wordt gestuurd via een

elektrische spanning die de energie- en de visuele

transmissie aanpast. De beglazing kan dus volledig

transparant dan wel ondoorschijnend worden aan de

hand van algoritmes die onder meer zijn gebaseerd

op weersvoorspellingen, de gebruikshistoriek van het

gebouw en het werkelijke gebruik van de voorgaande

dagen.

Bij gemotoriseerde opengaande schrijnwerkelementen

(zoals bijvoorbeeld raamkaders voor een dakvenster)

meten kleine sensoren de luchtkwaliteit en

-vochtigheid aan de hand van de CO2-concentratie.

Deze informatie wordt vervolgens doorgestuurd

naar het controlealgoritme dat besluit of de vensters

geopend dan wel gesloten moeten worden.

De helderheidssensor controleert op zijn beurt de

opening of sluiting van de rolluiken.

De zonwering kan eveneens worden uitgerust met

een geavanceerd beheerssysteem dat zowel van

thuis als vanop afstand kan worden bestuurd. De

besturing kan gebeuren op basis van één criterium

(bijvoorbeeld de zonwering sluit in geval van een

rechtstreekse bezonning) of op basis van meerdere

criteria (bijvoorbeeld een gesloten positie in aanwezigheid

van bezonning en bij afwezigheid van

wind). Daarbij is ook een gelijktijdige besturing van

meerdere uitrustingen mogelijk (zoals de sluiting van

zonwering in combinatie met de inschakeling van

verwarming).

Ook beveiligings- en controle-oplossingen van het

type ‘smart lock’ kennen een snelle ontwikkeling. Het

gaat om systemen voor virtuele toegangsautorisatie.

Deze maken het mogelijk om sloten vanop afstand

te openen of te sluiten. Hierdoor kan elke bewoner

zichzelf of eender wie toegang verlenen tot zijn

woning dankzij een eenvoudige identificatie met

zijn smartphone. Geconnecteerde camera’s zijn in

staat om een vertrouwd gezicht te signaleren en om

onbekenden te detecteren.

In de installatiesector

Geconnecteerde thermostaten van hun kant maken

het mogelijk de temperatuur continu te controleren.

Bovendien worden stappen gezet om thermostaten

autonoom te maken. Bij urinoirs in grotere

Kleuter- en basisschool

De Kleine Wereld met

koud-warmte opslag te

Ravels

(ill. THV Artem-Van Roey,

arch. Peeters, Van Gils en

Verdonck)

Visierapport 2019 67


Toenemende belangstelling

voor optische

vezelsensortechnologie

Integratie van

optische vezels bij

de realisatie van

diepwandelementen

(ill. WTCB)

Optische vezelsensortechnologie laat toe tal van

grootheden op te volgen. Een optische vezel wordt

dan op de structuur gekleefd die moet worden

opgevolgd. Uit de reflecties van de lichtgolf die door

de optische vezel wordt gestuurd, kunnen veranderingen

van fysische grootheden zoals bijvoorbeeld

rek, temperatuur en druk worden afgeleid. Afhankelijk

van de aangewende technologie vinden dergelijke

reflecties plaats op discrete locaties op een glasvezel

dan wel over de volledige lengte van de glasvezel,

tot zelfs over meerdere kilometers. Door de glasvezel

te integreren in of te bevestigen op een structuur of

structuurelement kan men dus de vervormingen en/of

temperaturen monitoren die de structuur ondergaat.

Een van de grote voordelen van optische vezelsensoren

is dat met behulp van een zeer kleine

drager zeer veel informatie beschikbaar komt. Dit

maakt de technologie uitermate geschikt voor het

instrumenteren en monitoren van structuren waar

klassieke sensortechnologieën moeilijk te integreren

zijn (bijvoorbeeld bij geotechnische elementen zoals

micro-palen, ankers, diepwanden en soilmix), en voor

toepassingen waar men zeer dense en uitgebreide

monitoringnetwerken wenst (bijvoorbeeld voor het

monitoren van bruggen, viaducten en tunnels in

het kader van de bewaking op lange termijn of als

early-warning systeem).

Het WTCB heeft sinds meer dan 10 jaar ervaring met

optische vezelsensortechnologie in zeer uiteenlopende

toepassingen. In eerste instantie spitste het

WTCB zich vooral toe op het instrumenteren van

allerhande types van diepfunderingen. De laatste

jaren wordt de technologie ook steeds meer aangewend

in en op allerhande structuurelementen

zoals beton- en staalstructuren, sandwichpanelen,

prefab metselwerksystemen, composietmaterialen

en geokunststoffen. Ook doordat heel wat infrastructuurwerken

het einde van hun voorziene levensduur

bereiken, zal deze geavanceerde meettechnologie

een belangrijke rol kunnen spelen, bijvoorbeeld in het

kader van de beoordeling van de resterende levensduur

van kunstwerken en als

bewakingssysteem op lange

termijn van gerenoveerde en

herstelde structuren.

gebouwen is het mogelijk om de Doppler-sensoren

zodanig te parametriseren dat de spoelingsduur

wordt vastgelegd en dat tegelijk informatie vrijkomt

over gebruiksfrequentie en -pieken. Een dergelijke

regeling maakt een betere organisatie van het

technische onderhoud mogelijk. Ook bij slimme

verlichtingsinstallaties worden de mogelijke functionaliteiten

steeds diverser.

In de ruwbouwsector

Zelfs bij de uitvoering van ruwbouwwerken kunnen

sensoren van nut zijn. Zij kunnen bijvoorbeeld in de

funderingen of de beschoeiingswanden worden geïntegreerd

om de uitvoering van de werken te controleren

(onder meer met betrekking tot de verzakking van

de funderingen wegens nabijgelegen grondwerken)

of om de doorgang van voertuigen op een bepaald

punt op te volgen (via telling en weging). (→ WTCBkaderstuk

op p. 68)

Bij de geconnecteerde objecten onderscheidt

het WTCB drie generaties. In de eerste generatie

gaat het om ‘smart islands’, d.w.z. om objecten die

onafhankelijk rechtstreeks met elkaar communiceren

(zoals een thermostaat met een stookketel). In

de tweede generatie gaat het om ‘fully integrated

smarters’, om slimme elementen die met elkaar communiceren

en interreageren op basis van gestructureerde

schema’s (zoals de temperatuursensor van de

stookketel met het brandalarm). De derde generatie

betreft geconnecteerde objecten die verbonden zijn

met de cloud, bijleren op grond van hun gebruik en

op de analyse van big data steunen.

Volgens het WTCB is het deze cognitieve versie van

het Internet of Things (IoT) die het merendeel van

68


HOOFDSTUK 03

De Vlaamse overheid heeft in

2014 aan nieuwe woningen

een verplicht aandeel van

hernieuwbare energie opgelegd.

Het aandeel van nieuwe

woningen met hernieuwbare

energie is sedertdien tot meer

dan 80% gestegen.

de nieuwe financiële modellen en van de nieuwe

diensten zal leveren. Ook volgens Techlink kan men

pas echt van een IoT spreken als meerdere IoT-devices

aan elkaar zijn gekoppeld. Zonder onderlinge koppeling

zijn IoT-devices niet meer dan gadgets.

De nieuwste tendens op het vlak van interconnectie

betreft de opkomst van spraakbesturingssystemen

zoals Sirri van Apple, Google Assistant, Microsoft

Cortana en Amazon Alexa. Van groot belang is dat

deze systemen compatibel zijn met duizenden smart

producten. Het aanbod van koppelbare smart producten

blijft trouwens bij elke update maar groeien.

Via dergelijke systemen is het mogelijk met de stem

slimme lampen en thermostaten, speakers en robotstofzuigers

aan te sturen. En via AI wordt het gebruik

van de stemcommando’s almaar verder verfijnd.

De Vlaamse overheid heeft in 2014 aan nieuwe

woningen een verplicht aandeel van hernieuwbare

energie opgelegd. Het aandeel van nieuwe woningen

met hernieuwbare energie is sedertdien tot meer dan

80% gestegen. Uit het EPB-cijferrapport van april

2019 blijkt dat bij de meeste woongebouwen één

maatregel van hernieuwbare energie wordt toegepast

met een duidelijk overwicht voor PV-panelen.

Een andere mogelijkheid waarvan de populariteit bij

nieuwe woongebouwen toeneemt, betreft de combinatie

van PV-panelen met een warmtepomp.

Ook in bedrijfsgebouwen heeft deze combinatie

al haar nut bewezen. Een warmtepomp kan zowel

verwarmen als verkoelen. Wanneer een bedrijfsgebouw

over zonnepanelen beschikt, zal samen met

80

75

70

65

60

55

50

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

Grafiek 15

Toepassing van hernieuwbare energie in aandeel

van EPB-aangiften voor woongebouwen

Bron: VEA, EPB-cijferrapport

2006

2007

2008

2009

Hernieuwbare energie

2010

2011

2012

2013

2014

2015

de temperatuur de energieproductie toenemen. Die

energie kan dan gratis de warmtepomp voeden.

Vermits de zon vooral schijnt tijdens de kantooruren,

kan die energie dan meteen worden verbruikt om

te verkoelen zonder die te moeten teruggeven aan

het distributienet. Dit verlaagt ook aanzienlijk de

payback-tijd van deze investering.

Na de stopzetting van de subsidies voor PV-panelen

is het extra vermogen dat per jaar werd geïnstalleerd,

er fors op achteruitgegaan. Maar in 2017 en

2018 sloot de groei bij de kleine installaties tot 10 kW

opnieuw aan bij het niveau van 2012. Tegelijk zijn ook

de grotere installaties van meer dan 10 kW opnieuw

2016

2017

Combinatie PV en warmtepomp

Visierapport 2019 69


Grafiek 16

Evolutie van het bijkomend vermogen aan

hernieuwbare energie (in MW)

Bron: VEA

450

400

350

300

250

200

150

100

50

0

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2017

Renovatie van

een smalle rijwoning te

Mechelen met grote licht

doorlatende glaspartijen

en traditionele dakpannen

(ill. Wienerberger,

arch. JES)

PV kleine installaties PV grote installaties

Onshore windmolens

aan het toenemen. Om de Vlaamse doelstellingen op

het vlak van zonne-energie te bereiken is trouwens

vooral een inhaalbeweging bij de grotere installaties

in bedrijfs- en openbare gebouwen nodig.

Diverse factoren gaan de toename van hernieuwbare

energie in gebouwen verder in de hand werken.

Zonnepanelen zijn de laatste tien jaar fors gedaald

in prijs. PV-panelen worden nu niet alleen op daken

geplaatst maar ook steeds meer op gevels aangebracht.

Building Integrated Photovoltaics waren een

paar jaar geleden nog uiterst zeldzaam. Tegelijk zijn

ook de mogelijkheden voor energieopslag toegenomen.

Zowel op het vlak van sensoren als op het vlak

van batterijen beschikt Vlaanderen met Imec over

een onderzoeksinstelling van wereldformaat.

Huisbatterijen zijn nog relatief duur maar zullen in de

toekomst in prijs dalen en aan efficiëntie winnen. Hun

opslagcapaciteit neemt toe. De Junelight batterij van

Siemens bijvoorbeeld is een slim toestel dat bij het

op- en ontladen rekening houdt met het weer en de

weersvoorspelling. Zij wordt alleen volledig opgeladen

als er veel zonne-energie beschikbaar is. Bovendien

heeft de Vlaamse regering voor huisbatterijen tot

2020 een premie van 250 euro per kW ingesteld.

Maar zolang de terugdraaiende teller in voege is, is

de installatie van een batterij weinig nuttig omdat

het energienetwerk dan nog gratis als batterij kan

worden gebruikt. Dat neemt niet weg dat batterijen

met de invoering van de slimme elektriciteitsmeter

almaar interessanter worden als bijkomende utiliteit

in gebouwen.

70


HOOFDSTUK 03

Batterijen kunnen zorgen voor de opslag van zonne-energie

in woningen waar er overdag weinig activiteit

is. Op haar website stelt Engie dat een gemiddeld

gezin zo’n 30% van zijn zonnepanelenproductie

rechtstreeks gebruikt en 70% op het net zet en er

terug afhaalt, maar een gezin met een batterij 60 tot

80% van de productie rechtstreeks gebruikt en dus

nog maar voor 20 tot 40% van het net gebruikt.

Bovendien is er het toenemend gebruik van elektrische

wagens. Grote elektrische voertuigen kunnen

op dit ogenblik tot 100 KWh aan elektrische energie

meedragen en ook elektriciteit voor de energievoorziening

van gebouwen aanleveren. Voor de opslag

van thermische energie is er dan nog het toenemend

gebruik van geothermie en zijn er de opkomende

opslagmogelijkheden van warmte in thermisch

geïsoleerde buffervaten met ‘fasechanging materials’.

Eerst in nieuwbouw en pas later in bestaande woningen

zal hernieuwbare energie verwarming door gasen

stookolieketels kunnen vervangen. Deze evolutie

staat zo goed als vast. Er is wel nog onduidelijkheid

over de (wenselijke) timing.

Steeds meer toestellen in een woning werken op

gelijkstroom, zoals LED-verlichting en laptops. Ook

PV-panelen produceren gelijkstroom. Die moet nu

worden omgezet in wisselstroom. Deze omzettingen

gaan gepaard met energieverlies. Vandaar dat nu de

vraag rijst of het niet zinvol is onze gebouwen uit te

rusten met een elektriciteitsnetwerk op gelijkstroom.

Bij Energyville te Genk werd alvast het eerste

gelijkspanningsnet in België uitgebouwd.

tegelijk energie bufferen om op een later tijdstip, bij

een lagere energieproductie, het net te bevoorraden.

Zo kunnen zij ertoe bijdragen te grote schommelingen

uit te vlakken.

De uitrol van slimme meters vanaf 2019 is daarbij cruciaal.

Vanaf juli 2019 plaatst distributienetbeheerder

Fluvius enkel nog digitale meters voor elektriciteit en

gas. Wie bouwt of verbouwt en een nieuwe elektriciteits-

of gasmeter aanvraagt, krijgt vanaf dan

automatisch een digitale meter. Het plan is om reeds

tegen eind 2022 aan een op drie Vlamingen een

digitale meter te bezorgen. Met name bij eigenaars

van zonnepanelen gebeurt de vervanging al tegen

eind 2022. Op langere termijn krijgen alle gezinnen

en kleinere bedrijven zo’n digitale meter.

Op de digitale elektriciteitsmeter zitten gebruikerspoorten

waarop slimme toepassingen kunnen

worden aangesloten. De eigenaar kan dan een app

op zijn smartphone kopen of een slimme thermostaat

laten installeren waarmee hij zijn verbruiksgegevens

opvolgt en het energieverbruik stuurt. Hij zit dan zélf

aan het stuur van zijn energieverbruik en -productie.

De gegevens uit de gebruikerspoorten zijn veel

gedetailleerder dan de informatie die het netbedrijf

bijhoudt. (→ getuigenis op p. 100)

Verwarming via

infraroodpaneel

(ill. Arkana)

Het concept ‘Power over Ethernet’ situeert zich

in dezelfde context. Dankzij dit concept is tussen

geconnecteerde toestellen niet alleen datacommunicatie

mogelijk maar ook vermogensoverdracht op

gelijkspanning. Die vermogensoverdracht gebeurt

dan via de ethernetkabel die ook al wordt gebruikt

voor datacommunicatie. De mogelijkheden op dit

vlak nemen toe omdat er steeds meer elektronische

componenten in een gebouw aanwezig zijn

in combinatie met het gebruik van toestellen op

een lager vermogen en de gestegen behoefte aan

data-uitwisseling.

Een neveneffect van de toename aan hernieuwbare

energie zijn de grotere schommelingen die zich in de

energieproductie gaan voordoen. Wind en zon zijn

geen constante maar wisselvallige energiebronnen.

Net-actieve gebouwen die hernieuwbare energie

produceren en consumeren, kunnen dankzij slimme

technieken de geproduceerde energie sturen naargelang

de vraag op het net. Zij kunnen meer energie

verbruiken bij een hogere energieproductie en

Visierapport 2019 71


eschikbare informatie over een woning bundelt en

ter beschikking stelt van de eigenaar. Daartoe werden

databanken van verschillende Vlaamse agentschappen

en departementen aan elkaar gekoppeld en gegevens

op een overzichtelijke manier voorgesteld via één centraal

platform. Bovendien is de woningpas eenvoudig

te consulteren met het persoonlijk token, de e-id of via

de it’s me-app.

Woonconfigurator

in actie binnen het

SmartOne-concept voor

appartementen

(ill. CAAAP)

Bij de waterdistributiemaatschappijen is het eveneens

de bedoeling de klassieke watermeters door digitale

te vervangen. Ook hier vormen gezinnen en kleine

bedrijven de prioritaire doelgroep. Als dan een abnormaal

hoog waterverbruik wordt vastgesteld, gaat er

een alarm af en wordt de klant verwittigd per sms. Uit

een pilootproject van Waterlink bij 1.000 proefpersonen

is gebleken dat 62% van de gebruikers daardoor

Als een EPC of een EPB-aangifte

beschikbaar is, kan de eigenaar

deze informatie via de woningpas

vergelijken met de gemiddelde

energiescores in de gemeente of

stad, provincie en Vlaanderen.

Eigenaars van eengezinswoningen zien momenteel

volgende domeinen in de woningpas: een dashboard

met een algemene score per thema (zoals

energie, bodem en zonnepotentieel), opgemaakte

EPC's of EPB-aangiftes van de woning of het vernieuwde

EPC (energieprestatiecertificaat) indien

opgemaakt na 4 april 2019, bodemgegevens uit het

Grondinformatieregister, het zonnepotentieel aan

de hand van de zonnekaart, de mobiscore (met de

milieu-impact van de verplaatsingen vanaf de woning),

de omgevingsinformatie omtrent de bestemming van

het gebied, de overstromingsgevoeligheid en de relatie

tot onroerend erfgoed.

Als een EPC of een EPB-aangifte beschikbaar is, kan de

eigenaar deze informatie via de woningpas vergelijken

met de gemiddelde energiescores in de gemeente of

stad, provincie en Vlaanderen. Deze vergelijking moet

de eigenaars aanzetten tot renovatie-opdrachten.

Op termijn zijn nog de volgende uitbreidingen

gepland:

> met meer informatie en functionaliteiten, onder

meer op het vlak van woningkwaliteit en eventuele

bodemverontreiniging;

> van eengezinswoningen en voor particulieren naar

appartementen of collectieve gebouwen;

> van de bundeling van reeds beschikbare informatie

naar het toevoegen van eigen informatie, bijvoorbeeld

over een uitgevoerde renovatie;

> van uitsluitend eigen gebruik naar het delen van

de informatie in de woningpas met anderen en het

raadplegen van de woningpas van andere eigenaars.

meer inzicht kregen in hun watergebruik, 18% zuiniger

met watergebruik is omgesprongen en 4% dankzij

de digitale meter een lek heeft kunnen opsporen en

daardoor waterschade kon vermijden.

Een ander belangrijk nieuw digitaal instrument is de

woningpas die eind 2018 werd ingevoerd. De woningpas

is een gratis digitaal paspoort dat een heleboel

72


HOOFDSTUK 03

3.2. Nieuwe, betere en duurzamere

dienstverlening vanuit gebouwen

Een opkomende trend is het aanbod van woon- en

kantoorgebouwen met extra diensten. In haar visierapport

van 2018 verwees de VCB al naar Upgrade

Estate dat vooral bekend is met het Upkot-concept

voor de huisvesting van studenten en intussen het

concept Upliving heeft ontwikkeld voor ‘young professionals’,

pas afgestudeerde jongeren die hun eerste

professionele stappen zetten. In Upliving gebouwen

vinden zij troeven zoals de energiezuinigheid en de

integratie van groen in combinatie met een aantal

gedeelde voorzieningen (zoals een wassalon en

bike sharing) en een optimale beheerservice en

klusjesdienst.

Een ander illustratief project op dat vlak is het

vastgoedproject Yust (Young Urban Style) met 97

instapklare citylofts dat ontwikkelaar Gands samen

met vastgoedmakelaar Realis heeft gelanceerd in

het centrum van Antwerpen. Zoals de naam van

het project aangeeft, richt het zich specifiek tot de

millenials en de generatie Z’ers die op jongere leeftijd

verkiezen een compacte woning te huren in een

stedelijke omgeving.

Het project Yust wil jongeren lokken met de duurzaamheid

van het concept in combinatie met ‘smart

services’ die beschikbaar zijn via een smartphone

app, en met ‘shared spaces’. De slimme diensten

omvatten onder meer de verhuur van elektrische

wagens en fietsen met gratis gebruik van laadpunten,

de mogelijkheid online bestellingen te ontvangen via

Bringme Box en het gebruik van wasmachines met

een laag verbruik. Als gemeenschappelijke ruimten

wordt voorzien in een rooftop-terras voor events, in

een rustige co-working ruimte, in een restaurant en in

polyvalente ruimten voor bijvoorbeeld seminaries of

meditatie.

Als in gebouwen meer diensten en meer slimme

toepassingen worden geïntegreerd, rijst de vraag wie

deze diensten best kan leveren. De grote technologiebedrijven

zien in deze disruptieve markt belangrijke

opportuniteiten maar ook producenten van

bouwmaterialen, -materieel en -systemen nemen

daarbij een almaar prominentere rol in.

Neem ventilatieproducent Renson. De nieuwe ventilatiesystemen

van Renson zijn uitgerust met sensoren

die het vocht-, CO2- en VOC-gehalte meten en hun

werking hierop afstemmen. Het ventilatieniveau kan

zo optimaal worden afgestemd op de aanwezigheid

en de behoeften van de bewoners. Belangrijk is ook

dat bij die toestellen apps beschikbaar zijn waardoor

de bewoner de binnenluchtkwaliteit kan monitoren

en de unit kan aansturen vanaf zijn smartphone.

Deze app meldt bovendien wanneer bijvoorbeeld

filters aan vervanging of nazicht toe zijn.

Dit impliceert ook dat bij Renson intussen informatie

over duizenden woningen is geregistreerd. Op basis

van de geregistreerde bewonersprofielen kan het

bedrijf Renson zijn systemen continu verbeteren.

Tegelijk kan Renson dan zeer gericht op basis van

de informatie waarover de fabrikant beschikt, de

installateurs aansturen zonder dat die op voorhand

de installatie moeten komen controleren. Maar welk

is dan in de toekomst nog de functie van de installateur?

(→ getuigenis op p. 102)

Appartement in

Minimal Chic-stijl

(ill. CAAAP)

Visierapport 2019 73


Collectieve

woonvormen in

project Triplettes te

Harelbeke

(ill. Bostoen)

Een ander illustratief voorbeeld is fabrikant Philips die

nu in de plaats van lampen en armaturen te verkopen

verlichting als dienst aanbiedt. Dat heeft Philips

Lighting onder meer gedaan voor de bibliotheek van

de stad Kortrijk. Tijdens een 10-jarig prestatiecontract

zorgt Philips Lighting ervoor dat het verlichtingssysteem

steeds wordt bijgewerkt met de nieuwste

updates zodra die beschikbaar zijn. Philips Lighting

verbindt zich er eveneens toe om na afloop van het

contract door middel van herinzet of hergebruik een

nieuwe bestemming te voorzien voor de armaturen.

De geïnstalleerde verlichting is intelligent: het is

mogelijk om verlichtingsschema's te programmeren,

om ze te beheren in functie van de sterkte van het

buitenlicht en aan te passen met aanwezigheidsdetectie.

Daardoor is een energiebesparing tot 80%

mogelijk.

De website van Philips Lighting toont een gediversifieerd

gamma van mogelijke service-overeenkomsten.

Die reiken verder dan regelmatig onderhoud ter

plaatse. Het gaat ook duidelijk om de opvolging van

de installatie vanop afstand en om zowel correctief

als preventief onderhoud en in het premiumpakket

bovendien om systeemoptimalisatie. Bovendien biedt

Philips Lighting een financieringssysteem aan op

basis van maandelijkse betalingen die volledig worden

gedekt door de besparing op de energiekosten.

vastgoedsector het overkoepelende concept van

‘living-as-a-service’ plaatsen. Dat is het uitgangspunt

van Thomas Vandenberghe van BESIX. Samen

met de A-Star Group bouwt BESIX nu 7.000 kleinere

appartementen in steden zoals Antwerpen, Brussel,

Berlijn en Boekarest. Ook in die appartementen zijn

de private vertrekken kleiner en zijn er meer gemeenschappelijke

delen maar tegelijk integreren zij allerhande

nieuwe technologieën, zowel in het ontwerp

en het beheer als voor de bewoners zelf. Volgens

Vandenberghe wordt na duurzaamheid ‘proptech’ de

nieuwe trend in de vastgoedsector.

In de niet-woongebouwensector stellen we

een gelijkaardige tendens vast, enerzijds

naar nieuwe kantoorconcepten met

Litobox als

combinatie van

warmtepomp, zonneboiler,

PV-installatie, batterijopslag,

regenwaterfiltering, ventilatie,

elekriciteit en internetwerk in

één toestel

(ill. Lito)

Volgens hetzelfde stramien sprak algemeen directeur

Patrick O van Viessmann in een interview voor De

Vlaamse Ondernemer zich uit voor de uitbouw van

heating-as-a-service. Met deze dienstverlening zou

Viessmann in ruil voor een maandelijks bedrag de

controle en het beheer van de verwarmingsinstallatie

volledig van de consument overnemen.

Tegenover deze productgebonden digitale oplossingen

voor de woningbouw kan de bouw- en

74


HOOFDSTUK 03

Litoboxen met

PV-installaties

(ill. Lito)

een ‘office-as-a-service’ aanpak en anderzijds naar

een doorgedreven digitaal beheer. Steeds meer

bedrijfsgebouwen zijn uitgerust met een Building

Management System (BMS) dat onder meer de

temperatuur, de verlichting, de luchtvochtigheid en

de ventilatie regelt in functie van het gebruik van de

ruimtes. Het BMS bewaakt daarnaast vaak ook het

interne elektriciteitsnetwerk en het energieverbruik.

Zo kan het de energie-efficiëntie en ook de duurzaamheid

van het gebouw verhogen.

Naast technologische middelen om het energieverbruik

in de dijken, wordt steeds vaker gekeken naar

manieren om het aantal werkplekken te beperken.

Werkplekken zijn immers duur, zowel door de bijbehorende

energiekosten als door de vastgoedprijzen. Wie

erin slaagt om de beschikbare ruimte in een gebouw

optimaal te benutten, doet dan ook een goede zaak.

Volgens een studie van Cushman & Wakefield wordt

50% van de beschikbare kantoorruimte onderbenut.

Doorgaans gaan smart workplaces ook gepaard met

smart design. In dit verband denken we onder meer

aan flex desks en alle mogelijke combinaties van stille

ruimtes voor taken die concentratie vereisen, ankerzones

voor nauw overleg en samenwerking in teams,

plekken om te telefoneren, ruimten om te brainstormen,

vergaderzalen voor videoconferenties enz.

In bedrijfsgebouwen is een BMS meestal ook een

BAS (Building Automation System) en kan met name

het Internet Of Things behulpzaam zijn. Dat blijkt uit

een recente getuigenis van Steven Lambert, Chief

Strategy Officer bij Spacewell, een bedrijf dat zich

toelegt op facility management en werkplekbeheer

met (mobiele) apps en analysetools. Zowel bewegings-

als beeldsensoren kunnen de bezetting en het

gebruik van de verschillende kantoor- en bedrijfsruimtes

bewaken, in combinatie met contactsensoren aan

deuropeningen en hoogtesensoren op aanpasbare

tafels. Zo kan worden weergegeven hoe de bezetting

per verdieping evolueert, zowel in time lapse’s als

gemiddeld.

Bovendien kan het internationaal opererende

Spacewell op basis van duizenden data per dag

ook een benchmark met andere kantoorgebouwen

uitvoeren. Zo kan Spacewell de ratio van ruimten

voor individueel werk en voor samenwerking, de ratio

van grote en kleine vergaderruimten, de gemiddelde

bezettingsgraad van de werkruimten, het aantal

plaatsen in vergaderruimten vergelijken met die van

gelijkaardige firma’s. Bij een bepaalde klant leverde

de vervanging van grotere vergaderruimten door

meerdere kleinere ruimten uiteindelijk een ruimtebesparing

van 15% op.

In kantoorgebouwen zijn digitale tools ook van

belang om vlotter beschikbare vergaderruimten te

vinden. Gemiddeld blijken 40% van de werknemers

10 minuten per dag te verliezen op zoek naar een

gezamenlijke plek om te overleggen. Data over

Visierapport 2019 75


gebruik en bezetting zijn ook nuttig voor de schoonmaakploeg.

Die kan zich daardoor meer en proactief

focussen op de ruimten waar schoonmaak het meest

nodig is. Via iconen krijgen zij daarvoor eenvoudig

te lezen instructies. Een dergelijke digitale aanpak is

niet alleen nuttig voor de herinrichting van bestaande

gebouwen maar ook voor de vormgeving van nieuwe

gebouwen. De slogan is dan ook: “make buildings

work for people”.

Een belangrijk nieuw concept voor de bevordering

van de digitalisering van het gebouwenpatrimonium

met een sterke focus op het energieverbruik wordt de

Smart Readiness Indicator (SRI) die is ingeschreven in

de herziene Europese richtlijn op de energieprestatie

van gebouwen en de energie-efficiëntie. De indicator

wordt in deze richtlijn als volgt omschreven:

De indicator van gereedheid voor slimme toepassingen

(„smart readiness indicator”) moet worden gebruikt om

na te gaan in welke mate gebouwen geschikt zijn om

door middel van informatie- en communicatietechnologieën

en elektronische systemen de werking van gebouwen

aan de behoeften van de bewoners en het net aan te

passen en de energie-efficiëntie en algehele prestatie van

gebouwen te verbeteren. De indicator van gereedheid voor

slimme toepassingen moet ervoor zorgen dat de eigenaars

en bewoners van gebouwen zich bewust worden van de

waarde van gebouwautomatisering en het elektronisch

toezicht op technische bouwsystemen, en moet bewoners

meer zekerheid geven over de werkelijke besparingen die

die nieuwe functieverbeteringen opleveren.

De Europese lidstaten zullen deze indicator vanaf

2020 op vrijwillige basis kunnen toepassen. De

indicator wil de meerwaarde van slimme woningen

tastbaar maken voor zowel gebruikers, eigenaars en

verhuurders van gebouwen als voor aanbieders van

slimme diensten. Het instrument gaat over de interactie

met de bewoners én met het net en beoogt zowel

een beter antwoord op de noden van de gebruikers en

een hogere efficiëntie voor werking en onderhoud als

een grotere flexibiliteit in functie van het energienet te

bieden.

Met name de VITO (Vlaamse Instelling voor

Technologisch Onderzoek) heeft in opdracht van de

Europese Commissie rond de uitwerking van een SRI

Omvorming van de

kantoortoren Antwerp

Tower tot woontoren met

enkel nog in de sokkel

retail en kantoren

(ill. Matexi, arch. Wiels

Arets & ELD)

76


HOOFDSTUK 03

Technische

installaties voor de

Bioversneller III te Gent

(ill. Denys)

baanbrekend werk verricht. WTCB en VCB waren

daarbij betrokken via de sturingscommissie. In de visie

van VITO start een SRI met een analyse van de slimme

services die beschikbaar zijn in een gebouw. Deze

worden onderverdeeld in 10 domeinen: verwarming,

koeling, sanitair water, ventilatie, verlichting, dynamische

bouwschil, eigen hernieuwbare energieproductie,

vraaggericht beheer, slim laden van elektrische

voertuigen en monitoring. Elk van deze diensten kan

geïmplementeerd worden in verschillende gradaties

van ‘smartness’ (beschreven als functionaliteitsniveaus).

Zo kan de verlichting gaan van manuele aan/

uit-controle over automatisch aan-/uitschakelen op

basis van het beschikbare daglicht tot automatisch

dimmen op basis van het beschikbare daglicht.

Wanneer de diensten in een gebouw bepaald zijn,

wordt de impactscore vastgesteld. De impact wordt

bepaald aan de hand van 8 criteria: energiebesparing,

verhoogd comfort en flexibiliteit maar ook

onafhankelijkheid ten opzichte van het elektriciteitsnet,

mate van gebruiksgemak, gezondheid en welzijn,

mate van (predictief) onderhoud en communicatie

met de gebruikers. Op basis van een checklist kunnen

de impact en functionaliteiten herwerkt worden tot

een SRI. Dat kan in de vorm van een globale score,

van een relatieve score (die bijvoorbeeld aantoont

dat een gebouw 65% van zijn potentiële impact op

het vlak van slimme applicaties benut) of als een label

(bijvoorbeeld een SRI-label klasse B).

Grotere bouwbedrijven, zoals BESIX (→ getuigenis op

p. 104), willen vanuit een multidisciplinaire aanpak

zowel op ecologisch als op economisch vlak uitdrukkelijk

voor hun klanten een meerwaarde betekenen.

Zij willen zich niet langer beperken tot de oprichting

van de ruwbouw en de eenmalige uitbouw van de

installaties maar ook betrokken zijn bij de diensten

achteraf in de vorm van energiemanagement,

predictief onderhoud en parkeerbeheer. De uitbouw

van een BIM en in de volgende fase van een digitale

tweeling is daarbij een cruciaal instrument.

Van cruciaal belang in het digitalisatieverhaal van

de bouw is dat uiteindelijk een optimale digitale

koppeling tot stand kan komen tussen de aannemers

en de toeleveringsindustrie. Deze koppeling zal tot

Grafiek 17

Building as a service via BIM

Bron: VCB

building as a service via BIM

inrichting lokalen

ventilation as a service

heating as a service

lighting as a serice

installaties

schikking

lokalen

bouwschil

ontwerp

planning &

uitvoering

oplevering

(as-built)

exploitatie

LCA

Visierapport 2019 77


Technische ruimte met

warmtepomp, boiler,

waterverzachter en

compacte ventilatie

(foto Arkana)

een belangrijke efficiëntieverhoging kunnen leiden. In

de technische data zullen minder fouten voorkomen.

De leveringstijden zullen kunnen worden ingekort. Per

(deel)project en zelfs per verdieping zullen aangepaste

pakketten kunnen worden bezorgd. Het WTCB

betrekt dan ook bij zijn nieuw technisch comité over

slimme en duurzame constructies naast de aannemers

ook de bouwmaterialenproducenten en zorgt

er tegelijk voor dat kleinere aannemers bij deze

problematiek eveneens hun rol kunnen blijven spelen.

(→ WTCB-kaderstuk op p. 78)

Nieuwste Technisch Comité

van WTCB over Smart en

Sustainable Constructions

Gezien de snelle evoluties op het vlak van communicatietechnologie,

intelligente systemen en behoeften

van de gebruiker, en de maatschappelijke uitdagingen

waar de Belgische bouwsector voor staat inzake

duurzame ontwikkeling en circulaire economie, heeft

het WTCB in 2018 onder impuls van voorzitter Johan

Willemen het Technisch Comité Smart & Sustainable

Constructions opgericht. Dit comité met Roan Van

Boeckel van BAM Contractors als voorzitter heeft als

doelstelling aannemers en bij uitbreiding de hele

bouwsector te informeren, te ondersteunen en te

mobiliseren bij de realisatie van duurzame en slimme

gebouwen.

Het technisch comité stelt alles in het werk om aan de

sector de nodige instrumenten aan te reiken om deze

evolutie vlot te kunnen doormaken. Dit vertaalt zich in

het uitwerken van relevante documenten en casestudies,

het identificeren van concrete en bruikbare

oplossingen en het creëren van nieuwe inzichten via

onderzoek en ontwikkeling. Dit moet de aannemer

helpen om zijn centrale rol in het bouwproces te

behouden.

Het comité bestaat uit een representatieve groep van

Belgische (grote en kleine) aannemers, aangevuld met

experten, architecten, bouwmaterialenproducenten

en integratoren. Het komt driemaal per jaar samen

en heeft de monografie Smart

Buildings for Smart Cities

gepubliceerd, een inleiding

op Smart Buildings voor de

bouwsector.

Een andere dienstverlenende rol waarbij bouw- en

installatiebedrijven hun meerwaarde optimaal

kunnen uitspelen, is die van ESCO (Energy Service

Company). Waar studie, implementatie en onderhoud

traditioneel door verschillende partijen gebeuren,

is een ESCO verantwoordelijk voor al die fasen. De

geplande besparing wordt daarbij contractueel

vastgelegd in een energieprestatiecontract (EPC).

Binnen de termijn van het contract (typisch voor 9

tot 15 jaar) betaalt de opdrachtgever de ESCO met

het budget dat hij uitspaart door de gerealiseerde

energiebesparing.

Om de besparing te garanderen implementeert de

ESCO een combinatie van energiebesparende maatregelen

en eigen energieproductie in de gebouw(en).

Na de termijn van het contract is elke winst en de

installatie voor de opdrachtgever. Aangezien onderhoud

een wezenlijk deel uitmaakt van energiebeheer,

valt een kostenefficiënt beheer van de gecontracteerde

installaties eveneens onder het contract.

De VCB en het VEB (Vlaams Energiebedrijf) sloegen

de handen in elkaar om een aantal leidende principes

te formuleren om in Vlaanderen tot succesvolle EPC’s

te komen. Het resultaat van deze samenwerking is

een ESCO-charter waarin de VCB en het VEB hun

visies over EPC’s hebben samengebracht.

78


HOOFDSTUK 03

De volgende zeven principes vormen de basis van het

charter:

1. Creëer draagvlak voor EPC’s. Een EPC-project kan

maar succesvol zijn als het goed voorbereid wordt

en gedragen is door alle betrokken partijen.

2. Besteed voldoende aandacht aan de wijze van

aanbesteding. Werk met een getrapte aanbesteding

en met voldoende trechtering.

3. Maak gebruik van een EPC-facilitator, die zowel

kan helpen bij de aanbestedingsprocedure als

advies kan geven tijdens de duur van het contract.

4. Hanteer een correcte risico-allocatie. Een ESCO kan

slechts slagen en resultaatsverbintenissen aangaan

als op voorhand de nodige informatie ter beschikking

gesteld wordt en de risico’s bij de juiste partij

gelegd worden.

5. Ga voor een slimme energiebesparingsgarantie

waarin de ESCO meedenkt en haar expertise kan

toepassen om tot een geïntegreerde ESCO-aanpak

te komen.

6. Zorg voor een interessant terugverdienpotentieel.

Een project moet beschikken over een voldoende

hoge jaarlijkse energiefactuur.

7. Streef naar standaardisatie bij de opmaak van

ESCO-bestekken en contracten.

Het charter werd op 1 maart 2019 door de Vlaamse

regering bekrachtigd en nadien door al de ministers

van de uittredende regering ondertekend. De

drie energieprestatiecontracten die het VEB op zijn

website vermeldt (voor het openbaar psychiatrisch

zorgcentrum te Rekem, voor de stad Geel en voor de

gebouwen van de Universiteit Antwerpen), werden

enerzijds door Cofely Services en anderzijds door

Honeywell uitgevoerd.

Binnenzicht in

het AZ Zeno te

Knokke-Heist

(ill. STRABAG)

Visierapport 2019 79


Zonnepanelen

verwerkt op garageboxen

in een residentieel

project te Destelbergen

(ill. Durabrik)

3.3. Uitbouw van slimme wijken

Door de toenemende mogelijkheden om in gebouwen

energie te produceren en te bufferen staan

gebouwen steeds meer centraal in de energievoorziening.

Zij vormen de basis voor de opwekking van

energie (bijvoorbeeld via zonnepanelen en warmtepompen

en de injectie van elektrische wagens)

en staan tegelijk in voor een belangrijk deel van het

verbruik. Bovendien verhoogt de stijgende hoeveelheid

aan decentraal opgewerkte energie de mogelijkheden

om gebouwen onderling energie te laten

uitwisselen. Deze onderlinge uitwisseling kan het centrale

distributienet ontlasten. Hernieuwbare energie

kan dan nog meer lokaal worden aangewend.

Op basis van de lokaal geproduceerde hernieuwbare

energie ontstaan nieuwe businessmodellen voor

de uitbouw van slimme wijken. Het gaat dan om

wijken waar woningen, kantoren en bedrijven veel

(hernieuwbare) energie produceren en deze energie

bij voorkeur lokaal verbruiken. Voor de tussentijdse

opslag wordt onder meer gebruik gemaakt van collectieve

batterijen of thermische buffervaten. Slimme

wijken hebben niet alleen betrekking op residentiële

sites maar kunnen even goed worden toegepast op

bedrijventerreinen. De uitwisseling van hernieuwbare

energie op wijk- en buurtniveau via slimme

micronetwerken heeft als bijkomend voordeel dat zo

buitensporige investeringen in het centrale distributienet

voor de opvang van productiepieken kunnen

worden vermeden en de distributienetbeheerders hun

tarieven daardoor niet extra moeten verhogen.

Op het research park te Zellik bijvoorbeeld komt,

volgens een persmededeling van januari 2018, “het

grootste CO 2

-neutrale smart grid van Europa”, met

enerzijds een elektrisch grid voor de 72 bestaande

bedrijven op basis van zon- en windenergie en anderzijds

een thermisch grid op basis van de restwarmte

van de supercomputers die daar zullen worden

ingeplant.

In het kader van de energiecluster Flux50 (→ getuigenis

op p. 106) voerde projectontwikkelaar Quares

een haalbaarheidsstudie naar een slimme energie-uitwisseling

en -sturing tussen de uiteenlopende

bedrijven(types) in de campus Mechelen Noord.

Voor het nieuwe brownfieldproject Komet in

Mechelen wil projectontwikkelaar Revive experimenteren

met een ESCO op wijkniveau. Revive is

van plan in deze wijk gedeelde warmte, elektriciteit

en luchtventilatie te verkopen en via slimme software

te verdelen onder de verschillende woningen

en kantoren. Het voordeel hiervan is dat bewoners

en gebruikers deze niet meer allemaal apart hoeven

in te kopen én dat de wijk grotendeels onafhankelijk

van het net functioneert. De wijk krijgt geen gasaansluitingen

en zal omzeggens als een op zichzelf

staand ecosysteem functioneren. De elektriciteit en

warmte worden zo veel mogelijk lokaal opgewekt

met onder andere zonnepanelen en zonneboilers.

In de Nieuwe Dokken te Gent wordt een derde van

de warmtevraag van de wijk lokaal opgewekt uit

afvalstromen en worden de overige twee derden

geleverd door de restwarmte van het nabijgelegen

chemiebedrijf Christeyns.

Van groot belang in dit verband is de implementatie

in Vlaanderen van de Europese richtlijn ter

80


HOOFDSTUK 03

bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare

bronnen die op 21 december 2018 werd

gepubliceerd. Deze richtlijn zal tegen 2021 in Belgisch

recht moeten worden omgezet. Artikel 22 van deze

richtlijn gaat uitdrukkelijk in op de zogenaamde ‘hernieuwbare-energiegemeenschappen’

(local energy

communities) en bepaalt hierover wat volgt:

De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers, met name

huishoudelijke afnemers, het recht hebben om deel te

nemen aan een hernieuwbare-energiegemeenschap met

behoud van hun rechten of verplichtingen als eindafnemers

en zonder te worden onderworpen aan ongegronde

of discriminerende voorwaarden of procedures die hun

deelname aan een hernieuwbare-energiegemeenschap

kunnen verhinderen, mits voor particuliere ondernemingen

geldt dat hun deelname niet hun belangrijkste

commerciële of professionele activiteit vormt.

De lidstaten zorgen ervoor dat hernieuwbare-energiegemeenschappen

het recht hebben:

a) hernieuwbare energie te produceren, te verbruiken,

op te slaan en te verkopen, ook via

hernieuwbare-stroomafnameovereenkomsten;

b) binnen de hernieuwbare-energiegemeenschap

hernieuwbare energie te delen die is geproduceerd

door de productie-eenheden die eigendom zijn van die

hernieuwbare-energiegemeenschap …;

c) op niet-discriminerende wijze toegang hebben tot alle

geschikte energiemarkten, zowel rechtstreeks als door

middel van aggregatie.

Voorts verplicht de richtlijn de lidstaten ertoe om de

bestaande belemmeringen voor en het potentieel

van de ontwikkeling van hernieuwbare-energiegemeenschappen

op hun grondgebied te evalueren en

een faciliterend kader ter bevordering en vergemakkelijking

van de ontwikkeling van

hernieuwbare-energiegemeenschappen te scheppen.

Het Vlaamse energiedecreet biedt intussen een kader

voor de erkenning van regelluwe zones op het vlak

energie. Dit maakt het mogelijk om in proeftuinen te

experimenteren met innovatieve technieken of praktijken

zonder hinder van de generieke regelgeving die

van toepassing is. Op 3 april 2019 heeft de Vlaamse

regering een besluit genomen om die erkenning zo

concreet mogelijk te maken en vanaf 29 april konden

geïnteresseerden een aanvraag indienen. Intussen

bereidt het departement Omgeving een toekomstgericht

kader voor microgrids en hernieuwbare-energiegemeenschappen

voor.

Dit kadert binnen een

klemtoonverschuiving van de

optimalisatie van gebouwen

naar de optimalisatie tussen

gebouwen.

geschikt voor PV-panelen op het dak. De eigenaar

van een woning die daar best voor geschikt is, kan

dus PV-panelen plaatsen en daarmee ook buren

met minder geschikte daken met energie voeden.

Schoolgebouwen kunnen veel hernieuwbare energie

produceren in de zomer maar zullen dan bijna geen

energie verbruiken. Zij kunnen dan wel de buurt

ermee bevoorraden.

Zoals Ronnie Belmans, CEO van Energyville, op het

11 de energiecongres van de VCB verklaarde, zal het

energiesysteem er in de toekomst helemaal anders

uitzien dan nu. Hij stelde concreet voor om alle diensten

samen te bundelen in een ‘internet of power’.

Iedereen produceert en gebruikt zijn eigen energie

en wisselt die uit met de buren, net zoals iedereen

nu gegevens uitwisselt op het informatie-internet.

Op termijn moeten we ook in staat zijn om onze

gebouwen te gebruiken als opslagelement en zal

Aardgasloze

woontoren Turnova in

Turnhout met passieve

koeling dankzij

geothermie

(ill. Van Roey-IFTech)

Dit kadert binnen een klemtoonverschuiving van de

optimalisatie van gebouwen naar de optimalisatie

tussen gebouwen. Niet alle woningen zijn even

Visierapport 2019 81


82

SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 03

Videoreportage

Energie-efficiëntie in slimme

wijken

Interview met bedrijfsleider Piet Van Poucke van installatiebedrijf

Linea Trovata over de toepassing van slimme wijken die bijna geen

energie van het net nodig hebben.

Visierapport 2019 83


ovendien de elektrische auto deel uitmaken van dit

energiepakket. Zo’n energiepakket waarin we lokaal

energie opwekken en opslaan, moeten we kunnen

loskoppelen van het grote energienet.

Tegelijk zullen we flexibeler moeten zijn. Ronnie

Belmans: “Vroeger stuurde onze vraag de energieopwekking.

Binnenkort stuurt de energieopwekking onze

vraag. De consument zal zijn vraag moeten aanpassen

aan wat er toevallig aanwezig is. Dat geldt ook

voor de auto en de slimme apparaten want in het

internet of power komt alles samen. Op termijn moet

ons verbruik overeenkomen met onze productie.”

De tendens naar een meer geïntegreerde aanpak

van energie, zowel op het niveau van de gebouwen

als op het niveau van wijken en buurten, biedt met

name aan de aannemer en ontwikkelaar kansen om

zich op te werpen als regisseur van het beheer van

lokale energiestromen. Het kan daarbij gaan om

uiteenlopende activiteiten: van productie en levering

over metering en opslag tot uitwisseling en distributie,

niet alleen van elektriciteit maar ook van warmte

via warmtenetten. Voor de geïnstalleerde laadinfrastructuur

kan hij bijvoorbeeld de rol van Charge Point

Operator op zich nemen. In dit verband is de VCB

voorstander van een beperkt Vlaams wettelijk kader

voor de hernieuwbare-energiegemeenschappen om

aan innovatieve gemeenschappen voluit de kans te

geven zich te bewijzen.

3.4. Digitalisering van de infrastructuur:

smart infra

Zoals in hoofdstuk 3.3. al is gebleken, spelen elektrische

auto’s een belangrijke rol in het kader van smart

grids. In een aantal proefprojecten, zoals dat van het

research park te Zellik, werd ook een studie over de

haalbaarheid van battery to grid uitgevoerd. Bij een

aantal innovatieve woonprojecten, zoals in het project

Komet te Aalst, experimenteren ontwikkelaars met het

concept van verkeersluwe wijken.

In het project Nieuwe Dokken te Gent geldt een

van de laagste parkeernormen van Vlaanderen met

een maximum van 0,8 parkeerplaatsen per woning.

Bovendien bevat het ondergrondse parkeerterrein van

dit project laadpalen die groene elektriciteit verdelen

die op de site zelf wordt geproduceerd. Die zullen

diverse elektrische voertuigen opladen, zowel elektrische

auto's van bewoners als elektrische deelauto’s,

fietsen en zelfs winkelkarren. Maar ook op kleinere

schaal komt de combinatie van groene energie en

laadpalen voor. Zo heeft het bedrijf WinWatt bij een

BMW-garage te Dilbeek laadpalen geconnecteerd

met zonnepalen. Als de zon schijnt verhoogt het vermogen

van de palen van (standaard) 7 kW tot 22 kW.

Het aantal elektrische wagens neemt nu gestaag toe.

Terwijl in 2016 in Vlaanderen 1.529 batterij elektrische

wagens werden ingeschreven, was dit aantal in 2018

Autoluwe wijk in Aalst die

aansluitbaar is op een

warmtenet, met compacte

woningen die worden

uitgerust met groendaken en

zonnepanelen

(ill. Huyzentruyt)

82


HOOFDSTUK 03

Nieuw

distributiecentrum te

Turnhout van Aldi dat als

Logistics Building of the

Year werd bekroond

(ill. Stadsbader)

tot 2.658 toegenomen. In 2018 bedroeg hun aandeel

bij de nieuwe inschrijvingen echter nog maar 0,6%

en hun aandeel in het totale wagenpark nog amper

0,2%, aldus de cijfers op de site www.milieuvriendelijkevoertuigen.be.

Maar iedereen verwacht nu toch

een doorbraak de komende jaren. Dat noopt tot de

aanleg van extra laadpunten.

België heeft begin 2019 de kaap van 10.000 laadpalen

gerond. Dat berekende AVERE, de Belgische federatie

voor elektromobiliteit, op basis van een bevraging

bij haar leden. Een kleine helft van de bestaande

laadpalen (4.500) staat bij bedrijven. Particulieren

bezitten 2.500 laadpalen. Tegelijk bleek uit cijfers van

de Europese Unie dat België over iets meer dan 3.000

publieke laadpalen op de openbare weg beschikte.

Een groot deel van de publieke laadpalen kwam er

door het 'Clean Power for Transport'-plan. Daarmee

wil de Vlaamse regering tegen eind 2020 5.000

publieke laadpunten bouwen.

Grafiek 18

Locaties van laadpalen in België

Bron: AVERE-enquête

30%

Op publieke

plaatsen

25%

Bij particulieren

45%

Bij bedrijven

In 80 à 90% van de gevallen worden elektrische

wagens thuis of op het werk opgeladen. Maar

daarnaast blijft de uitbouw van publieke laadinfrastructuur

nodig, met name in verstedelijkt gebied

waar minder gezinnen over een eigen parkeerplaats

beschikken. In andere Europese landen ligt de

beschikbaarheid van publieke laadpalen trouwens

al veel hoger. Maar in welke mate moet dan laadinfrastructuur

worden opgelegd in nieuwe gebouwen?

Volgens de VCB is het vooral belangrijk dat deze

infrastructuur in bestaande en nieuwe gebouwen kan

worden uitgerold en dat daarom vooral wordt ingezet

op de aanleg van wachtbuizen, kabelgoten en

bekabeling. Tegelijk is een toekomstvisie nodig rond

de integratie van laadinfrastructuur met de verdere

uitrol van hernieuwbare energie, zoals onder meer de

firma Winwatt al heeft uitgeprobeerd.

Visierapport 2019 83


Proef met nepwolk op

de water bufferende

asfaltlaag Drainphalt

(ill. Willemen)

Ook bij het slimmer maken van de openbare verlichting

dringt volgens Agoria een versnelling zich

op. Overschakelen op een niet-geconnecteerde

ledverlichting met een dimschema gedurende vaste

periodes kan volgens Agoria een besparing tot 50%

opleveren. Als wordt gekozen voor echt flexibel

aanstuurbare verlichtingsarmaturen, kan de besparing

zelfs oplopen tot 60%. Bovendien zijn slimme

verlichtingspalen multifunctioneel in die zin dat zij

naast onderdelen voor de verlichting bijvoorbeeld ook

sensoren voor het capteren van geluid of vervuiling,

een wifi-hotspot of een cctv-camera kunnen

bevatten.

Zoals voor slimme gebouwen staan voor slimme

straatverlichting bedrijven paraat die hier een

dienstverlening op lange termijn aan verbinden.

Philips Lighting bijvoorbeeld beperkt zich niet tot

de omschakeling van traditionele lichtpunten naar

LED maar voegt er het aspect ‘connected’ aan toe.

Onder meer door gebruik te maken van LiFi wordt het

mogelijk de verlichting beter op afstand te monitoren

en tegelijk data voor een optimaler gebruik

te verzamelen en daarnaast de verlichting ook als

informatiekanaal te gebruiken. Verlichtingsarmaturen

worden ‘future proof’ door ze nu al te voorzien van

de mogelijkheid om er in de toekomst geluids- en

bewegingssensoren te plaatsen. De dienstverlening is

ook financieel. In Wallonië loopt een groot project van

verledding van wegenverlichting waarbij de financiering

van de investering grotendeels gedekt wordt

door de daling van de energiekost.

Voor de verkeerslichten verwacht Agoria in een recent

rapport over Slimme mobiliteit een gelijkaardige

evolutie van een starre naar een mini-dynamische

en dynamische regeling en uiteindelijk naar een

voldynamisch verkeersbeheer dat Agoria ‘Talking

Traffic’ noemt. De verkeerslichten houden daarbij

steeds meer rekening met steeds meer factoren uit

hun omgeving.

In het kader van ‘Talking Traffic’ worden de groentijden

volledig automatisch aangepast op basis van

diverse factoren, zoals het aankomende verkeer en

de actuele drukte. De regeling gebeurt vanuit een

centrale en maakt gebruik van artificiële intelligentie

die zowel met realtime als met historische data rekening

houdt. Het systeem houdt eveneens rekening

met prioritair verkeer. Dat kunnen hulpdiensten zijn,

bussen en trams, fietsers en voetgangers.

84


HOOFDSTUK 03

Op de N80 tussen Hasselt en Sint-Truiden liet het

agentschap Wegen en Verkeer (AWV) vijf verkeersregelaars

met elkaar verbinden via een lokaal glasvezelnetwerk.

Detectielussen onder het wegdek tellen

de verkeersstromen. Een van de verkeersregelaars

treedt op als ‘master’, bepaalt op basis van deze

data welk voorgeprogrammeerd seinplan het beste is

en geeft dit door aan de andere regelaars. Optische

camera’s in de verkeerslichten zorgen voor een betere

detectie van fietsers en motors. Ook die informatie

wordt dan mee verwerkt. In mei 2018 startte te

Antwerpen de Verkeerslichtencoördinatiecomputer

die op termijn 373 verkeerslichten zal aansturen. Deze

computer telt meer voorgeprogrammeerde lichtregelingen

dan zijn voorganger maar monitort ook deze

programmaties en signaleert verbeterpunten.

De instorting van een autowegbrug te Genua in 2018

heeft de aandacht voor een degelijk asset management

en onderhoud van onze infrastructuur opnieuw

aangescherpt. De meeste bruggen in Vlaanderen zijn

op leeftijd en moeten de komende tien jaar grondig

worden gerenoveerd of vernieuwd. Maar hoe? Juist

de digitalisering van de infrastructuur in een intelligent

en dynamisch BIM-model moet toelaten om

de renovaties tot in de puntjes voor te bereiden en

onderhoud slimmer te organiseren. In oktober 2018

heeft het AWV Arcadis opgedragen om op die manier

het Vlaamse tunnelpatrimonium in kaart te brengen.

Ook voor de uitvoering van werken heeft AWV een

proefproject met BIM laten uitvoeren samen met

Willemen Infra. Bij dit proefproject konden problemen

tussen de objecten van de fietstunnels en van de rijweg

op voorhand worden gedetecteerd en opgelost.

In het nieuwe standaardbestek 250 voor de wegenbouw

dat vanaf januari 2020 in voege treedt, is een

bestekpost rond de uitvoering van BIM opgenomen

met een aantal standaardeisen voor opdrachtgevers

die BIM willen opnemen in hun opdracht.

De inzet van drones zou de inspectie van bruggen

sterk kunnen vergemakkelijken. In Nederland gebruikt

BAM Infra een door Sobolt ontwikkelde technologie

om met satellietdata gebieden te analyseren.

Hiermee is snel in kaart gebracht hoeveel asfalt,

groen en water er in een gebied is. Bij gebiedscontracten,

waar BAM Infra verantwoordelijk is voor het

onderhoud, levert dit BAM maar ook de opdrachtgever

snel inzicht in wat precies onderhouden moet

worden.

Daarnaast wordt gedacht aan de ontwikkeling van

een systeem van sensoren in bestaande wegen. Het

OCW (Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw)

werkt hieraan in het kader van het project Universal

Automatisering van de

visuele inspectie voor het

wegennetbeheer

In september 2018 is het OCW met de

steun van VLAIO en in samenwerking met

de Universiteit Antwerpen een eenjarig

onderzoeksproject gestart om technieken

voor een geautomatiseerde inspectie van

de kwaliteit van wegdekken te verfijnen

en te concretiseren. Dit project beoogt om

visuele weginspectie volgens de OCWmeetmethode

MN 89 met de gewenste

nauwkeurigheid te laten uitvoeren met

behulp van camera’s op vuilniswagens.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van een

Time-of-Flight-camera voor driedimensionale

beeldvorming, eventueel aangevuld

met gegevens van een CAN-bus. De

eerste aanzet hiervoor werd gegeven in

het VIM-project SENSOVO (Sensoren op

voertuigen) uit 2015 waaraan ook het OCW

heeft meegewerkt. Het leverde een proof

of concept op waarbij wegdekinformatie

wordt vergaard via de CAN-bus of een

camera op het voertuig en de gegevens tot

bruikbare informatie voor de automobilist

en de wegbeheerder worden verwerkt.

Het achterliggende doel is om het wegbeheer

te vereenvoudigen en kosten te

besparen door het wegdek op de juiste

momenten op de juiste plaatsen te renoveren

of te vernieuwen.

Light System for Stuctural Road Investigation. De idee

is dat bij elke kernboring ter voorbereiding van een

onderhoudsproject de wegbeheerder in het boorgat

een sensor inbrengt waarmee informatie uit de weg

kan worden verzameld. Maar ook met camera’s vanuit

vuilniswagens is visuele wegeninspectie mogelijk

(→ OCW-kaderstuk op p. 85).

In welke mate zijn de infrastructuur en de digitale

informatie daarover belangrijk voor de toekomstige

verkeersafwikkeling en meer in het bijzonder voor

Visierapport 2019 85


de zelfrijdende auto’s? Aanvankelijk dachten de

bedenkers van de zelfrijdende auto’s dat die geen

specifieke eisen aan de infrastructuur stelden en

volledig onafhankelijk van informatie over deze

infrastructuur zouden kunnen opereren. Maar op dit

ogenblik wint de idee veld dat juist de kwaliteit van

de infrastructuur en de harmonisering van wegsignalisatie

en verkeerslichten ‘key enablers’ zijn voor de

verdere ontwikkeling van de zelfrijdende voertuigen.

We verwijzen hiervoor ook naar de getuigenis van

Tom Roelants, administrateur-generaal van AWV (→

p. 108).

In haar rapport over Slimme Mobiliteit wijst ook

Agoria erop dat mobiliteitsdata vanuit verschillende

bronnen beschikbaar zijn: niet alleen vanuit smartphones,

sociale media en voertuigen maar ook vanuit

camera’s en sensoren op verkeerslichten en zelfs

in de wegeninfrastructuur. Agoria maakt daarbij

een onderscheid tussen slimme en geconnecteerde

voertuigen. Een slim voertuig neemt een beslissing

op basis van eigen camera’s en sensoren, bijvoorbeeld

een zelfparkerende auto om automatisch te

parkeren. Een geconnecteerd voertuig daarentegen

communiceert en wisselt real time informatie uit

met andere voertuigen (vehicle-to-vehicle) en met

personen (vehicle-to-person) maar ook met infrastructuur

(vehicle-to-infrastructure).

ITS (Intelligente Transport Systemen) worden aldus

C-ITS met de C van onderling communicerende

systemen. Agoria schat dat tegen 2030 voertuigen

autonoom zullen kunnen rijden en op en langs de weg

zullen kunnen rekening houden met alles en iedereen

(vehicle-to-everything). “Dat kan enkel als de weginfrastructuur

mee evolueert met accurate digitale

kaarten, voldynamisch verkeersbeheer, connectiviteit

(onder meer via 5G) en mobiliteitsdataplatformen met

accurate en realtime informatie”, aldus nog Agoria.

Illustratief in dit verband is het verkeersgegevensplatform

Mobili-data dat eind 2018 werd opgestart.

In een eerste beweging zal de databank gegevens

verzamelen waarover de overheid zelf beschikt, onder

meer via het Vlaams Verkeerscentrum, via stedelijke

verkeerscomputers en via sensoren aan verkeerslichten

of lussen in het wegdek. In een tweede beweging

moet het ook mogelijk zijn om de gegevens van

verschillende apps (zoals Waze, Coyote en Touring

Mobilis) in de databank te integreren. Op die manier

kan de sturing van verkeerswisselaars verder worden

verfijnd.

Tangent van

2,6 km rond Mechelen

moet huidige ring en

stationsomgeving

ontlasten en voor vlotter

doorgaand verkeer zorgen

(ill. Willemen)

86


HOOFDSTUK 03

Tot minimum

beperkte verhardingen

in natuurbuurt te

Scheldewindeke

(ill. Bostoen)

In Gent zullen de reizigers al vanaf eind 2019 gebruik

kunnen maken van een Traffic Management-as-aservice

systeem dat alle informatie uit verkeerslichten,

straatcamera’s en dynamische snelheidsborden maar

ook van het openbaar vervoer bundelt.

Multimodale trajecten op maat van de gebruikers

worden het uitgangspunt. Maar dit vergt ook een

infrastructurele aanpassing en met name de uitbouw

van multimodale mobiliteitshubs op alle niveaus:

zowel op internationaal en interstedelijk als op

tussengemeentelijk en plaatselijk niveau. Deze hubs

gaan verder dan de combinatie van een bus- en

treinstation. Zij moeten ook laadpunten voor elektrische

auto’s, verzekerde parkeerruimte en bereikbaarheid

voor (elektrische) fietsen en een aanbod van

deelauto’s en lokale taxi’s omvatten.

Het Waalse Gewest is van plan al tegen 2023 een

100-tal dergelijke hubs (‘mobipôles’) te organiseren.

De reacties van een aantal Vlaamse gemeenten op

de negatieve resultaten van de mobiscore tonen aan

dat heel wat gemeenten in Vlaanderen op het vlak

van mobiliteit nog zeer slecht

zijn bedeeld. In plaats van hen

op ruimtelijk en zelfs fiscaal

vlak af te straffen daarvoor

zou de Vlaamse overheid er

beter aan doen eveneens

bijkomende mobiliteitshubs te

creëren die rekening houden

met de toekomstige evolutie

van het verkeer.

Ook de nota van het departement

Mobiliteit en Openbare

Multimodale

trajecten op maat

van de gebruikers

worden het

uitgangspunt.

Werken (MOW) voor de nieuwe Vlaamse regering met

als titel Mobiliteit in beweging: 10 gamechangers

voor mens, economie en klimaat gaat uitdrukkelijk

uit van een gelaagd netwerk van mobipunten en

hubs. Een geïntegreerde beleidsvisie vanuit mobiliteit

én ruimte vormt daarbij de leidraad. Het komt

volgens deze nota erop aan reizigers vlotte deur

tot deur verplaatsingen aan te bieden. Die moeten

de vergelijking met de wagen kunnen doorstaan.

Efficiëntie staat voorop. Elk knooppunt moet de

verschillende netwerken en modi (inclusief deelsystemen)

met elkaar verbinden en maximaal op mekaar

afstemmen. Elke reiziger moet zo op elk moment

kunnen beschikken over een comfortabele en snelle

mobiliteitsoplossing. Voor het goederenvervoer geldt

volgens het departement dezelfde filosofie met

gedeelde opslagvoorzieningen, terminals en transportmiddelen

als uitgangspunt.

Tegelijk pleit het departement voor aantrekkelijke

mobiliteitsdiensten. Digitale, autonome, gedeelde en

geconnecteerde mobiliteit biedt uitzicht op nieuwe

businessmodellen. Het uitgangspunt hierbij is dat

reizigers in de toekomst veeleer

mobiliteitsdiensten gaan kopen

in plaats van zelf te investeren

in de aankoop van voertuigen.

Het departement wil samen

met de lokale besturen en met

private spelers werk maken van

de uitbouw van aantrekkelijke

mobiliteitsdiensten binnen het

mobility-as-a-service concept.

De rol van de overheid bestaat

er dan vooral in de transparantie

van de dataplatformen

Visierapport 2019 87


te garanderen en de

interoperabiliteit van de

verschillende dataplatformen

te bewaken.

Een illustratief voorbeeld

uit de bouwsector zelf hoe

een digitale oplossing de

huur van voertuigen kan

vergemakkelijken, is het

bedrijf en digitaal platform Smartyard dat bouwbedrijf

Aertssen heeft opgericht voor de huur en verhuur

van zware bouwmachines. Smartyard bezit zelf

geen enkele eigen machine maar ontzorgt zowel de

huurders als de verhuurders van dit materieel, enerzijds

door de flow om een deal te kunnen maken te

optimaliseren door digitalisering en anderzijds door

een inventief ‘find and match’ systeem dat huuraanvragen

uit de markt op een intelligente wijze koppelt

aan de juiste verhuurders. De tijdswinst op de planning

is na enkele honderden afgesloten huurdeals

alvast opgelopen tot 75 % van de tijd die voorheen

nodig was. Doordat alles gedigitaliseerd is (bijvoorbeeld

de precieze plaats waar een tuig geleverd

moet worden en het moment waarop een tuig wordt

afgemeld) gebeuren er ook 55 % minder fouten.

Naarmate de bevolkingsdichtheid stijgt, groeit ook

de intensiteit van de verplaatsingen. In dit verband

wordt nu ook gedacht aan een flexibeler gebruik

van de infrastructuur. Het gaat dan bijvoorbeeld

om parkeer- of pechstroken die tijdelijk voor bussen

worden gebruikt. De Franse wegenbouwfirma Colas

heeft daartoe een innovatief procédé uitgedacht dat

‘Flowell’ wordt genoemd. Het gaat om een markering

op de weg die uit LED bestaat en die kan worden

aangepast in functie van tijdelijke behoeften zoals

een passage voor voetgangers die oplicht als de

schooltijd voorbij is, een plaats voor leveringen die

parkeerplaats wordt, een weg die geopend of gesloten

wordt in functie van het verkeer.

Naast de multimodale inzetbaarheid wordt nu eveneens

geëxperimenteerd met het multifunctioneel

gebruik van het wegdek. Zo heeft de Belgische firma

Willemen de waterdoorlatende asfaltverharding

Drainphalt uitgedacht. Deze innovatieve asfaltverharding

slaat het regenwater tijdelijk op vooraleer

het af te geven aan de ondergrond. Daardoor worden

rioleringen, watergreppels, afvoerroosters, bufferbekkens

en grachten overbodig. Bovendien wordt het

asfaltmengsel op een lagere temperatuur geproduceerd.

Bij de productie komt dus minder CO2 vrij.

In Nederland onderzoekt de provincie Utrecht

gedurende twee jaar het effect van de toepassing

Volgens het departement

moet de nieuwe regering

Vlaanderen positioneren

als een proeftuin voor

geconnecteerde en

autonome voertuigen.

van zonnepanelen op een

druk bereden weg. Daar

wordt op een rijstrook

van 20 meter lang over

50 m 2 op het wegdek een

zonnepanelenmat met

beschermlaag aangebracht

die bestand is tegen zware

voertuigen en tegelijk tegen

druk verkeer. In de toekomst

kunnen misschien de wegen zelf de batterijen van de

elektrische wagens opladen.

De reeds eerder vermelde nota van het departement

MOW voor de nieuwe Vlaamse regering gaat uitdrukkelijk

in op de rol die mobiliteit kan vervullen om

van Vlaanderen een gangmaker inzake innovatie te

maken. Het departement signaleert dat in Vlaanderen

op het vlak van autonome voertuigen en geconnecteerde

mobiliteit al een aantal pilootprojecten lopen.

Het ging daarbij om testen met autonoom varen

en rijden, platooning bij vrachtwagens, zelfrijdende

pendelbusjes op Brussels Airport, enz. Ook het Vlaams

Instituut voor de Logistiek werkt hier intensief aan

mee vermits het inzet op de volgende vier thema’s:

Flanders gateways, duurzaamheid, omni-channel én

digitalisering.

Volgens het departement moet de nieuwe regering

Vlaanderen positioneren als een proeftuin voor geconnecteerde

en autonome voertuigen. Ontwikkelingen

op het vlak van geconnecteerde en autonoom rijdende

vervoermiddelen bieden immers mooie kansen:

op veiliger en vlotter verkeer (met minder ongevallen

en kortere volgafstanden) maar ook op duurzamere

en meer inclusieve mobiliteit. Ze vergemakkelijken

bovendien het gecombineerd gebruik van de verschillende

modi. Buiten de verdere uitbouw van het

dataplatform Mobili-data en de deling van gegevens

met ontwikkelaars van apps wil het departement

meewerken aan een omkaderende regelgeving. Om

specifieke testen uit te voeren is het mogelijk gebruik

te maken van de Vlaamse wetgeving op regelluwe

zones. In Nederland bestaat intussen al een experimenteerwet

voor zelfrijdende voertuigen.

Nog een beleidsvoorstel van het departement betreft

de uitrol van 5G-netwerken. Het komt erop aan

netwerken uit te bouwen die op een efficiënte en

effectieve manier zorgen voor datacommunicatie

tussen vervoermiddelen onderling en hun omgeving,

samen met de dataoperatoren. In dit verband denkt

het departement ook aan de mogelijke inschakeling

van het aanwezige glasvezelnetwerk van de Vlaamse

overheid om tot een open 5G-netwerk langsheen de

Vlaamse snelwegen te komen.

88


HOOFDSTUK 03

Naar een geïntegreerd en coherent IT-procesbeheersysteem

in de asfaltsector

Het ROAD_IT-project, gefinancierd door VLAIO en van 2015 tot 2017 uitgevoerd door de Universiteit

Antwerpen in partnerschap met het OCW, had tot doel voor de hele Vlaamse asfaltsector een geïntegreerd

en coherent IT-procesbeheersingssysteem te ontwikkelen en te demonstreren.

Concreet werden de volgende doelstellingen

nagestreefd:

> het ontwikkelen en demonstreren

van een geïntegreerd en coherent

IT-procesbeheersingssysteem voor de volledige

Vlaamse asfaltsector, waardoor alle bestaande

sensoren en actuatoren (elk met hun eigen

operationele informatica) op een werkbare

manier met elkaar kunnen communiceren en

archiveren;

> de ontwikkeling en implementatie van een

robuuste IT-architectuur met een digitaal portaal

dat communicatie tot stand brengt tussen

alle relevante bestaande (en, bij uitbreiding,

toekomstige) data-input- en -outputpunten

voor de processen in de productie en verwerking

van asfalt;

> de demonstratie van de werking van de

IT-architectuur en het portaal door middel van

vier gedocumenteerde ‘proofs of concept’ uit

de asfaltsector.

Op dit laatste punt werd gewerkt rond de volgende

vier use cases:

> de optimalisering van de logistiek tijdens de

werfuitvoeringsfase;

> de validering van een meetparameter (met

name de homogeniteit van de temperatuur na

de finisher);

> het rapporteren van een werf of van een uitvoeringsperiode

van een werf via app-functies;

> de detectie- en archiveringsmethodiek voor de

gebruikte materialen en processen voor een

wegconstructie-sectie met het oog op actuele

of toekomstige evaluatie en exploitatie.

De demonstraties toonden de werking en

de mogelijkheden van het systeem aan. Het

Road_IT-project gaf de aanzet tot toekomstige

gebruiksmogelijkheden van IT-toepassingen.

Het aanbod van nieuwe technologieën zal

blijven toenemen en de hele sector (aannemers,

opdrachtgevers en technologieleveranciers) staat

voor de uitdaging om ze toe te passen. Daarom

verbond het projectteam er zich toe ook in de

toekomst op het gebruik van deze technologieën

in te zetten en de branche bij te staan

bij de implementatie ervan. De eerste stappen

zijn al ondernomen voor de implementatie van

IT-systemen bij enkele leden van de gebruikersgroep.

Op die manier zijn de eerste ervaringen

opgedaan en blijven de partners van dit project

samen met de sector bouwen aan de technologie

van morgen. Het verdere verloop van dit

project is te volgen op

www.uantwerpen.be/road-it.

Verder moet Vlaanderen volgens het departement

MOW marktleider in ‘smart shipping’ worden. Het

beleidsvoorstel van het departement bestaat erin de

waterweginfrastructuur klaar te maken voor geautomatiseerde

en autonome schepen. De waterweginfrastructuur

wordt daarvoor verregaand geautomatiseerd

en in grote mate vanop afstand bediend.

Interactie tussen infrastructuur en schepen gebeurt

digitaal om op die manier het verkeer zo veilig

mogelijk te begeleiden. Wat wil het departement dan

concreet realiseren? Ze willen de infrastructuur zo

inrichten dat schepen er op een technologie-neutrale

wijze gebruik van kunnen maken. Ze zetten in op

slimme communicatie voor slimme schepen en stellen

kwaliteitsvolle waterwegdata op basis van correcte

en actuele informatie maximaal beschikbaar aan de

gebruikers. Zo kunnen ze veiliger en efficiënter varen.

Datadeling is een noodzakelijke voorwaarde voor

innovatie en maakt ook een efficiënte reisplanning

mogelijk.

Visierapport 2019 89


Wijk 4 Fonteinen

te Vilvoorde met

eerste mobipunt voor

deelfietsen en -auto’s,

laadpaal en bushalte

(ill. Matexi)

Tenslotte pleit het departement voor de transformatie

van Vlaanderen tot een digitale ‘supply highway’,

samen met de transport- en logistieke ondernemingen.

Zo kunnen logistieke dienstverleners beter sturen

op de verschillende flows (goederen, geld en informatie).

Zo kunnen ze hun logistieke ketens optimaliseren

en verduurzamen, d.w.z. meer gebruik maken van de

binnenvaart en het spoorvervoer en tot een betere

beladingsgraad van vrachtwagens komen.

Grotere datavolumes kunnen nu beter, sneller en

vooral goedkoper verzameld worden. Een almaar

uitdijend internet der dingen maakt het mogelijk om

die data optimaal te delen. Concreet stelt het departement

voor dat een onafhankelijke operator de

goederenstromen bundelt en de verschillende logistieke

spelers op de hoogte houdt van de status van

hun lading. Dat vergt wel nog een verdere uitklaring

van het verdienmodel achter een dergelijke samenwerking

(bijvoorbeeld over hoe bijkomende winsten

worden gedeeld) en nader onderzoek rond welke

bijkomende maatregelen nodig zijn om de bundeling

van goederenstromen aantrekkelijker te maken.

Naast de Vlaamse overheid denkt ook de sector zelf

over hoe IT-processen in de wegenbouw kunnen worden

geïntroduceerd en veralgemeend, zoals blijkt uit

het project ROAD_IT van het OCW en de Universiteit

Antwerpen (→ OCW-kaderstuk op p. 89).

3.5. Bijdrage van de bouw tot de

ontwikkeling van slimme steden

In de vorige hoofdstukken analyseerden we de bijdrage

van de bouw tot slimme gebouwen en wijken

en tot een slimmere infrastructuur. In dit hoofdstuk

gaan we nog een stap verder en bekijken we in welke

mate de bouw kan bijdragen tot de realisatie van

slimme steden. We baseerden ons op het overzicht

van slimme toepassingen die volgens McKinsey tegen

2025 relevant zullen zijn voor de steden. Het overzicht

komt uit het rapport van juni 2018 over Smart

Cities: Digital Solutions for a more Livable Future.

Minstens 25 van de vermelde 57 toepassingen houden

nauw verband met de bouw.

Op het vlak van energie werd in hoofdstuk 3.1. al

uitvoerig ingegaan op het toenemend gebruik van

hernieuwbare energie in woningen, in hoofdstuk 3.2.

op de opkomst van Building Management Systems

(BMS) in niet-woongebouwen, in hoofdstuk 3.3. op

de uitbouw van smart grids en in hoofdstuk 3.4. op

de slimme energiebesparingsmaatregelen voor de

publieke ruimte. Voor het energieluik van slimme

steden is de bouw dus cruciaal.

De bijdrage van de bouw tot de veiligheid betreft

eveneens zowel de veiligheidssystemen voor publieke

ruimten als die voor gebouwen. Op publieke ruimten

komt steeds vaker flexibel bedienbare verlichtingsapparatuur

in combinatie met allerhande sensoren

90


HOOFDSTUK 03

TABEL 02

Tabel 2: Overzicht van slimme toepassingen in slimme steden

(toepassingen met betrokkenheid van de bouw in donkerblauw gedrukt)

Bron: McKinsey, Smart Cities: Digital Solutions for a More Livable Future

Veiligheid

› Preventief misdaadbeleid

› Realtime misdaaddetectie

› Geweerschot detectie

› Slimme beveiliging

› Spoeddienst optimalisatie

› Camera’s op lichamen

› Vroegtijdige waarschuwing voor

calamatiteiten

› Persoonlijke alarmtoepassingen

› Beveiligingssystemen voor woningen

› Datagedreven gebouweninspecties

› Crowd management

Gezondheid

› Telegeneeskunde

› Monitoring van patiënten op

afstand

› Conditiemetende wearables

› EHBO-meldingen

› Real time

luchtverontreinigingsdetectie

› Toezicht op besmettelijke ziekten

› Datagedreven toezicht op

kinderen en moeders

› Datagedreven toezicht op sanitair

en hygiëne

› Online organisatie van

behandelingen

› Geïntegreerde volgsystemen voor

patiënten

Mobiliteit

› Real time informatie over

openbaar vervoer

› Digitale betaling voor openbaar

vervoer

› Zelfrijdende voertuigen

› Preventief onderhoud

transportinfrastructuur

› Slimme verkeerssignalisatie

› Rekeningrijden bij files

› Vraaggedreven microtransport

› Slim parkeren

› Slimme private en gebundelde

autostop

› Auto- en fietsdelen

› Geïntegreerde multimodale

informatie

› Real time navigatie

› Bundeling van en slimme lockers

voor pakjes

Energie

› Geautomatiseerde gebouwen

› Geautomatiseerde

woonenergiesystemen

› Energieverbruik tracking

› Slimme straatverlichting

› Dynamische elektriciteitsprijzen

› Geautomatiseerde

elektriciteitsdistributie

Water

› Waterverbruik tracking

› Lekdetectie en -controle

› Slimme irrigatie

› Opvolging van waterkwaliteit

Afval

› Digitale opvolging en betaling van

afvalstromen

› Optimalisatie van ophaalroutes voor

afval

Economie en wonen

› Gedigitaliseerde

bedrijfsvergunningen

› Gedigitaliseerd belastingsstelsel

› Online herscholingsproprogramma’s

› Gepersonaliseerde opleiding

› Lokale centra voor e-leren

› Gedigitaliseerd systeem voor

bouwvergunningen

› Open kadastrale databank

› Peer-to-peer verblijfsaccomodatie

Betrokkenheid

› Lokale toepassing voor

vrijwilligerswerk

› Lokale uitwisselingsplatformen

› Gedigitaliseerde diensten voor

burgers

Visierapport 2019 91


Appartementen met

zicht op een wijkpark

in de Nieuwe Dokken

te Gent

(ill. VanRoey, Maes en

Artes, arch. Onix)

92


HOOFDSTUK 03

en camera’s op die apparatuur. Gebouwen worden

steeds meer beschermd door zogenaamde ‘slimme

sloten’. Ook de continue monitoring van gebouwen

ontmoedigt de misdaad. Zelfs de beveiliging van de

bouwplaatsen zelf gebeurt nu met slimme systemen.

Het Heras Smart Acces bijvoorbeeld combineert de

beveiliging van de bouwplaats met toegangscontrole

én persoonsregistratie in één systeem.

Voor de bescherming tegen calamiteiten verwijzen

we naar het intelligent waterbeheersysteem dat

Vlaanderen gaat uitrollen. Het is de bedoeling 2.500

sensoren te installeren die data over de waterkwaliteit

en -kwantiteit verzamelen. Deze data worden

dan verwerkt in een zelflerend en voorspellend

systeem waardoor het Vlaamse gewest zich beter

kan wapenen tegen wateroverlast, -schaarste en

-verontreiniging. Op basis van actuele meetgegevens

in combinatie met zelflerende voorspellingen wordt

het mogelijk de waterreserves beter te benutten in

functie van de watervraag. Dit project laat toe om

verder vooruit te kijken en beter te anticiperen op

bijvoorbeeld een kritische daling van de waterkwaliteit

of een waterschaarste. Op het vlak van water is

naast dit ‘internet of water’ de geplande uitrol van de

slimme watermeter van belang.

Op het vlak van mobiliteit maakt Vlaanderen

vorderingen op het vlak van een slimmer preventief

onderhoud van infrastructuren en van een slimmere

verkeersignalisatie, zoals al is gebleken uit hoofdstuk

3.4. Ontwikkelaars ontwerpen hun projecten op zo’n

manier dat bijvoorbeeld parkeerplaatsen kunnen

worden omgebouwd naar andere functies (bijvoorbeeld

wonen). Op die manier worden zij ‘future proof’

en aanpasbaar aan toekomstige evoluties op het

vlak van mobiliteit. Bij woonprojecten wordt ook vaker

gedacht aan de integratie van slimme lockers om de

via internet gekochte pakjes te laten bezorgen.

In 2018 werd een ‘digital twin’ van de stad Antwerpen

gelanceerd. Deze digitale 3D-replica van de stad

combineert gegevens over geluidsoverlast met realtime

sensorinformatie over luchtkwaliteit en verkeer,

en computermodellen. Ze biedt een actuele en

tegelijk voorspellende kijk op de situatie in de stad,

waarmee de impact van geplande maatregelen kan

worden gesimuleerd en uitgetest.

Steden staan voor grote en complexe uitdagingen

om CO2-uitstoot, geluidshinder en verkeersoverlast in

de stadskern te verminderen en de stad aantrekkelijk,

Gebouwen worden steeds meer

beschermd door zogenaamde

‘slimme sloten’. Ook de continue

monitoring van gebouwen

ontmoedigt de misdaad.

Stadsvernieuwingsproject

te Eeklo

met openbaar

toegankelijke groene

zone

(ill. Huyzentruyt)

Visierapport 2019 93


leefbaar en gezond te

houden. Ingrepen om de

situatie te verbeteren in

een bepaalde wijk kunnen

een impact hebben op

meerdere factoren en/of

meerdere locaties in een

stad. Het autovrij maken

van een bepaalde straat

kan bijvoorbeeld een

positieve invloed hebben

op de luchtkwaliteit

en geluidsoverlast van

aanliggende wijken maar de mobiliteit en ook de

luchtkwaliteit op andere plaatsen verslechteren. In dit

kader bestaan er marktopportuniteiten voor aannemers

om de BIM-modellen van gebouwen als digitale

assets aan de overheid aan te bieden om zo alles te

integreren in een overkoepelend model.

Op het vlak van gezondheid kunnen we bijvoorbeeld

de al eerder in hoofdstuk 3.2. aangehaalde sensoren

vermelden waardoor oudere bewoners beter

vanop afstand kunnen worden opgevolgd, en het

toenemend gebruik van een BMS dat onder meer de

Werflink is het online

deelplatform waarop

bouwbedrijven onderling

materieel, equipment,

materiaaloverschotten,

vracht- en opslagruimte

kunnen delen.

gezondheidssituatie in een

gebouw opvolgt. Concreet

werd deze tendens in

België in 2016 versterkt

door een KB op de basiseisen

voor werkplaatsen

dat in mei 2019 nog werd

gewijzigd en wordt aangevuld

met een praktische

richtlijn.

Ruim 300 bedrijven en

organisaties hebben

intussen een engagementsverklaring in het kader

van de Green Deal Circulair Bouwen ondertekend.

Op het vlak van afval vinden nu in de Vlaamse bouw

eveneens digitale experimenten plaats. Zo experimenteert

Recupel momenteel met een sorteerproces

waarbij een machine elektrische en elektronische

apparaten in een oogopslag kan herkennen volgens

merk, type en bouwjaar. Het camera-oog

moest daarin worden geoefend op

basis van 1 miljoen foto’s van

e-waste van de voorbije vijf

jaar. Artificiële intelligentie

Centrumontwikkeling

van Wezenbeek-Oppem

met nieuw administratief

centrum, openbaar park

en woongelegenheden

(ill. Van Roey, arch. A2D,

Areal en BRUT)

94


HOOFDSTUK 03

Nieuwe wijk Lux en

Forum met duurzame

kantoren in combinatie

met wonen, publieke

parktuin en centraal

plein

(ill. Van Roey)

bleek dé oplossing om dit herkenningsproces mogelijk

te maken. Na de eerste testfase bleek de camera al

ruim 90% van de apparaten in de juiste categorie te

plaatsen. Om bedrijven aan te moedigen om e-waste

aan te bieden heeft Recupel het digitaal platform

Smartloop gecreëerd, een virtuele marktplaats voor

kmo’s en erkende verwerkers.

Werflink is het online deelplatform waarop bouwbedrijven

onderling materieel, equipment, materiaaloverschotten,

vracht- en opslagruimte kunnen

delen. Bouwbedrijven kunnen hun vraag en aanbod

op het deelplatform melden en dan delen,

huren, lenen of ruilen met andere bouwbedrijven

en bouwplaatsen in de buurt. Zo maken zij samen

beter gebruik van alles wat zij al hebben, gaan

overschotten niet verloren, voorkomen zij verspilling

en besparen zij kosten omdat de aankoop van nieuw

materiaal niet noodzakelijk is.

Op het vlak van wonen is het kadaster sedert 2013

in gans België online consulteerbaar. De digitale

omgevingsvergunning voor woningen en bedrijven

is in Vlaanderen sedert 2018 een feit, evenals de

digitale woningpas. Maar er is nog meer: sedert 2016

is het digitaal Kabel- en Leidinginformatieportaal

van start gegaan. Dat portaal geeft aannemers

informatie over de ligging van ondergrondse kabels

en leidingen. Op het vlak van betrokkenheid zien we,

zeker in cohousingprojecten, de creatie van digitale

uitwisselingsplatformen tussen de bewoners.

Van de 25 aan de bouw gerelateerde opportuniteiten

voor de uitbouw van smart cities zien we in

Vlaanderen telkens al een aantal illustratieve projecten

die proeflopen of reeds op grotere schaal worden

uitgerold. Steden en gemeenten kunnen daarvoor

rekenen op Vlaamse subsidies. Zij konden sedert

2018 intekenen op de jaarlijkse projectoproepen in

het kader van het City of Things-programma van de

Vlaamse minister van Innovatie Phlippe Muyters.

Daarnaast zijn er de financieringsmogelijkheden die

Belfius sedert 2014 aanbiedt samen met de Europese

Investeringsbank. Met het derde programma rond

Smart Cities, Climate Action & Circular Economy

stond de teller daarvoor ondertussen op 121 slimme

projecten voor meer dan 1 miljard euro ten voordele

van meer dan 2 miljoen inwoners.

Van groot belang voor de uitrol van slimme steden

zijn uiteindelijk de doelstellingen die daarmee kunnen

worden bereikt. Ook die heeft McKinsey berekend

in haar rapport van 2018 over slimme steden. Uit dit

Visierapport 2019 95


Grafiek 19

Effecten van smart city toepassingen (in %)

Bron: McKinsey, Smart Cities: Digital Solutions for a more Livable Future

-70 -60 -50 -40 -30 -20 -10 0 10 20 30

Contacttijd met (gezondheids)diensten

Misdaden

Drinkwaterverbruik

Ziektelast

Duurtijd van noodhulpinterventies

Pendeltijd

Onrecycleerd afval

Broeikasemissies

Dodelijke ongevallen

Levenskost

Officiële tewerkstelling

Samenhorigheidsgevoel

Verbondenheid met lokale overheden

Minimum

Maximum

overzicht blijkt duidelijk dat slimme toepassingen

voor slimme steden op belangrijke punten de levenskwaliteit

kunnen verbeteren. Slimme verkeerslichten

kunnen bij noodinterventies kostbare minuten doen

winnen en levens redden. Dankzij proactief onderhoud

kunnen problemen worden opgelost zonder

dat de werken tot ellenlange files moeten leiden.

Met een slimme monitoring wordt het mogelijk op

grote schaal lekken te detecteren en waterverlies in

te dijken. De contacten met de overheidsdiensten

kunnen sterk worden ingekort maar tegelijk winnen zij

aan diepgang.

McKinsey heeft de pluspunten van smart cities niet

enkel in percentages uitgedrukt maar ook in een aantal

sprekende cijfers. Door slimme toepassingen wordt

het mogelijk op wereldschaal (voor de ontwikkelde

en de ontwikkelingslanden samen) de pendeltijd

dagelijks met 15 tot 30 minuten in te korten, het niet

gerecycleerde vaste afval per persoon met 30 tot 130

kg per jaar te reduceren en 25 tot 80 liter mogelijk

watergebruik per persoon en per dag te besparen.

De effecten van slimme instrumenten vertellen uiteraard

niet het volledige verhaal. Zij maken het ook

mogelijk harde ingrepen (nieuwbouw en renovatie) zo

efficiënt mogelijk te laten verlopen, bouwstructuren

zo goed mogelijk te beheren en die structuren bij

het einde van de levenscyclus maximaal te hergebruiken.

De bouw staat in voor twee derde van al de

afvalstoffen en twee vijfde van het energieverbruik.

De mogelijke bijdrage van de bouw tot de realisatie

van leefbare steden is dus enorm. Bovendien biedt

die bijdrage voor de mensen een meerwaarde die

onmiddellijk zichtbaar en voelbaar is.

De inbreng van de aannemers (zowel grote als

kleine) zou dan ook anders moeten worden beoordeeld

door de opdrachtgevers. In het tijdschrift

Infrastructure verwoordde Jan Folens, de CEO van

BAM Contractors, het als volgt: “We zijn ons ten volle

bewust van onze rol als aannemer. Slimme steden

draaien om het verzamelen, uitwisselen en interpreteren

van data. Wij zitten vaak aan de bron van die

data en zijn zo een onmisbare partner in dit verhaal.

96


HOOFDSTUK 03

Genieten aan

het water in de

Quartier Bleu te

Hasselt

(ill. Matexi)

Als wij samen met de projectontwikkelaar een model

opstellen waarbij we niet alleen een gebouw maar

ook de bijbehorende services rond smart living

leveren, dan evolueren we ook weg van de prijs als

belangrijkste criterium bij de toekenning van projecten.

Dat is onze heilige graal, waar we al lang naar op

zoek zijn”.

Tegelijk zou de bouw omwille van haar gewijzigde rol

ook moeten kunnen rekenen op een positievere waardering

vanwege de maatschappij. Maar daarover

meer in het vierde en laatste hoofdstuk.

Als wij samen met de

projectontwikkelaar een

model opstellen waarbij we

niet alleen een gebouw maar

ook de bijbehorende services

rond smart living leveren,

dan evolueren we ook weg

van de prijs als belangrijkste

criterium bij de toekenning

van projecten.

Visierapport 2019 97


Besluit

In woningen merken we een

forse toename van het aantal

geconnecteerde objecten. Aanvankelijk

ging het nog om objecten die enkel

rechtstreeks met elkaar communiceren.

Maar in de nieuwste generatie gaat

het om objecten die verbonden zijn

met de cloud, bijleren op grond van

hun gebruik en op de analyse van

big data steunen, het zogenaamde

Internet of Things, met als nieuwste

tendens spraakbesturingssystemen

die door internetgiganten worden

beheerd.

Op het vlak van energie zien we met

de sterke groei van hernieuwbare

energie een gelijkaardige tendens

naar interconnectie, met enerzijds

uitgebreidere gecombineerde

toepassingen van PV-panelen en

warmtepompen en anderzijds

ruimere buffermogelijkheden, zowel

in huisbatterijen als in thermische

buffervaten. Dankzij slimme technieken

zullen gebouwen steeds beter de zelf

geproduceerde energie kunnen sturen

naargelang de vraag op het net, met

name meer energie kunnen verbruiken

bij een hoge energieproductie op

het net en meer energie kunnen

bufferen bij een lage energieproductie.

Digitale warmte- en watermeters

zullen in dit verband extra nieuwe

businessmodellen doen ontstaan.

In woningen en bedrijfsgebouwen

worden momenteel een aantal extra

cohousing- en coworking-diensten

aangeboden maar de klemtoon ligt

toch eerder op meer slimme diensten.

In bedrijfsgebouwen gaan die gepaard

met Building Management en Building

Automation Systems. Ook daar ligt het

Internet of Things aan de basis. Een

belangrijk nieuw concept in dit verband

wordt de binnen de Europese Unie

ingevoerde smart readiness indicator.

Het instrument beoogt zowel een beter

antwoord op de behoeften van de

gebruikers en een hogere efficiëntie

voor werking en onderhoud als een

grotere flexibiliteit in functie van het

energienet.

Grotere bouwbedrijven willen op

al deze vlakken een duidelijke

meerwaarde betekenen voor hun

klanten binnen het overkoepelende

concept van ‘building as a service’.

Een andere dienstverlenende rol

waarbij bouw- en installatiebedrijven

hun meerwaarde optimaal kunnen

uitspelen, is die van Energy Service

Companies. Maar daarnaast zien

we producenten zich steeds meer

profileren als dienstverleners op hun

specifiek domein met concepten zoals

‘lighting as a service’, ‘heating as a

service’ en ‘ventilation as a service’.

Op basis van de toenemend lokaal

geproduceerde hernieuwbare

energie ontstaan ook nieuwe

businessmodellen voor de uitbouw

van slimme wijken. Van groot belang

98


Besluit I HOOFDSTUK 03

in dit verband is het recente eveneens

door de Europese Unie ingevoerde

begrip van de ‘hernieuwbare

energiegemeenschappen’. Dit kadert

binnen een klemtoonverschuiving van

de optimalisatie van gebouwen naar

de optimalisatie tussen gebouwen.

Ontwikkelaars en aannemers

kunnen zich daarbij opwerpen als

regisseurs van het beheer van lokale

energiestromen.

Zoals de interconnectie in gebouwen

toeneemt, zo evolueren voor de

infrastructuur de ITS (Intelligente

Transport Systemen) naar C-ITS met

de C van onderling communicerende

systemen. Het gaat dan bijvoorbeeld

over voertuigen die in real time

informatie uitwisselen met andere

voertuigen (vehicle-to-vehicle), met

personen (vehicle-to-person) maar

ook met infrastructuur (vehicle-toinfrastructure).

Een andere tendens

betreft de toenemende klemtoon

op multimodaal verkeer en dito

mobiliteitshubs. Daartoe rekenen

we ook toepassingen die een

flexibeler gebruik van het wegdek

mogelijk maken (dankzij wisselende

markeringen) of extra functionaliteiten

toevoegen (dankzij de integratie van

PV-panelen in het wegdek).

haar rol bij de uitbouw van slimme

steden onderzocht. Bijna de helft

van de slimme toepassingen in de

zogenaamde ‘smart cities’ hebben

met de bouw te maken. De bouw kan

bij de uitbouw van slimme steden een

cruciale rol vervullen en die rol hangt

juist nauw samen met de digitalisering

die we nu in toenemende mate in

gebouwen, wijken en infrastructuren

vaststellen. Zo vormen BIM-modellen

van bouwprojecten belangrijke assets

om in de digitale twins van steden te

worden opgenomen. De bouwsector

vormt sowieso al een belangrijke

hefboom tot een duurzamere en meer

leefbare samenleving. De digitalisering

versterkt deze bijdrage nog.

Na de analyse van de rol van de

bouwsector bij de realisatie van

slimme gebouwen, slimme wijken en

slimme infrastructuur hebben we ook

Visierapport 2019 99


Getuigenis

Frank Vanbrabant

Fluvius

Digitalisering leidt tot

efficiënter beheer bij

multi-utility-bedrijf

Fluvius

Ook Fluvius, het netbedrijf dat

medio 2018 is ontstaan uit de

fusie van Eandis en Infrax, zet

volop in op digitalisering. Het

multi-utilitynetbedrijf startte op

1 juli 2019 met de uitrol van de

digitale energiemeters. Maar ook

andere projecten én de start van

een algemene ‘smart verledding’

van het openbare verlichtingsnetwerk

bewijzen dat Fluvius zichzelf

klaarstoomt voor de toekomst: een

digitale toekomst, waarin data

alsmaar belangrijker worden.

Met de digitale energiemeters

schrijft Fluvius als netbedrijf mee

aan een nieuw hoofdstuk in de

energietransitie. Op vijftien jaar

tijd zullen meer dan 6 miljoen meters

vervangen worden. De data

die Fluvius via de digitale meter

capteert zijn van vitaal belang om

zijn netten in de toekomst efficiënter

te beheren. Maar de digitale

meter biedt ook rechtstreekse

voordelen voor de consument.

Frank Vanbrabant, CEO van

Fluvius: “Meer dan ooit zitten onze

klanten zelf aan het stuur van hun

energieconsumptie- en productie.

App-ontwikkelaars en leveranciers

van energiediensten kunnen voor

slimme toepassingen zorgen die

klanten via de gebruikerspoorten

op de digitale meter kunnen

aansluiten. Die helpen hen energie

besparen en bieden op termijn

nieuwe mogelijkheden om op de

meest efficiënte manier met hun

groene stroom om te gaan.” De

komst van de digitale meter zorgt

ook voor meer veiligheid en stabiliteit

van de energienetten waarop

lokale productie meer en meer zal

toenemen. De digitale meter

laat Fluvius ook toe om maximaal

hernieuwbare energie te

integreren.

Ook intern verzamelt Fluvius

volop data om de werking

van het bedrijf te verbeteren.

Een organisatie aansturen op

basis van data vergt heel wat

aanpassingen van processen,

systemen en infrastructuur.

Maar die investering leidt tot

kostenbesparingen en efficiënter

beheer. Via Data Asset

Management zorgt Fluvius

ervoor dat zijn energienetten

en rioleringen beter worden

beheerd en gemonitord. Frank

Vanbrabant: “Slim en gericht

investeren kunnen we enkel via

Predictive Asset Management.

De verzamelde data geven ons

belangrijke en nauwkeurige

informatie over waar we preventief

investeringen moeten

doen op ons net om de werking

in de toekomst te verzekeren.

Anticiperen dus en zo steeds

meer kostenefficiënt werken.”

100


Getuigenis I HOOFDSTUK 03

Digitale meter met

gebruikerspoorten

SAMENWERKING VIA PROJECT

IO.ENERGY

Een goed beheer van de eigen assets

is bij Fluvius een noodzakelijke

voorwaarde. Maar Fluvius zal de

weg naar digitalisering niet alleen

afleggen. Samen met collega-netbeheerders

Elia, ORES, RESA en

Sibelga richtte Fluvius het project

IO.Energy op. Dit project verenigt

een 60-tal bedrijven, overheidsorganisaties

en academische

instellingen. Die werken samen

nieuwe ideeën en hypothesen uit

om aan de klant een centrale rol

te geven in het energielandschap

van morgen. Een centrale en realtime

data-uitwisseling tussen alle

spelers van de energiemarkt moet

dit mogelijk maken. In 2020 verwacht

Fluvius de eerste concrete

resultaten van het project.

Frank Vanbrabant : “Het energiesysteem

van de toekomst vorm

geven doe je onder meer door

projecten als IO.Energy. Fluvius wil

de uitdagingen van de energietransitie

ombuigen naar opportuniteiten,

vertrekkend vanuit

de behoefte van haar klanten.

Maar dat kunnen we niet alleen

en daarom zullen we dit samen

met andere marktspelers doen,

ook buiten de energiesector. Het

ongeziene succes en het grote

aantal deelnemers in de eerste

ideeënfase bewijst dat de

gedrevenheid groot is.” Uit alle

proefprojecten selecteerde een

professionele jury er acht die nu

uitgebreider worden getest. Als de

testen positief zijn en de technologie

op punt staat, dan leiden deze

proefprojecten, na aanpassing van

de reglementering, waarschijnlijk

tot nieuwe energiediensten op de

markt.

OPENBARE ‘VERLEDDING’ ALS

OPSTAP NAAR SMART CITIES

Een ander belangrijk actieplan

bestaat erin tegen uiterlijk 2030

alle 1,2 miljoen verlichtingspunten

in Vlaanderen door slimme

led-technologie te vervangen.

Frank Vanbrabant: “De slimme

aansturing en de ‘verledding’ van

ons openbare verlichtingsnetwerk

kan de steden en gemeenten

jaarlijks 54 miljoen euro opleveren

op het energieverbruik en 44.000

ton CO2 helpen besparen. We

kijken samen met onze steden en

gemeenten om de verlichtingspalen

te gebruiken voor nieuwe en

slimme toepassingen, zoals sensoren,

luchtmeters en camera’s, die

de leefbaarheid en de veiligheid

van de gemeenten verhogen. De

ideale opstap naar smart cities.”

Daarnaast startte Fluvius begin

2019 een proefproject in vijf

steden en gemeenten waarbij het

bedrijf de glasvezelkabel tot in

elke woning van het testgebied

brengt. Fluvius bouwt in elk van

de vijf steden en gemeenten een

aantal centrale ‘stopcontacten’

voor telecomoperatoren, en legt

van daaruit een glasvezelkabel

naar alle huizen in de buurt.

De klant beschikt hierdoor over

supersnelle data en is vrij in zijn

keuze voor een operator. Dubbel

voordeel dus. Fluvius wil naar de

toekomst toe – bij voorkeur samen

met de bestaande operatoren -

kijken hoe we deze supersnelle

dataverbindingen voor iedereen

kunnen realiseren.

Visierapport 2019 101


Getuigenis

Ontwikkeling van

ventilatie als dienst

Yves Lambert

Renson

‘Ventilation as a service’, dat is

waar Renson steeds meer de

focus op legt als leverancier en

trendsetter in ventilatie. Klanten

kunnen op hun smartphone

volgen wat hun ventilatiesysteem

voor hen doet. Zij krijgen

transparante informatie over de

luchtkwaliteit maar tegelijk is het

de bedoeling om hen te ontzorgen.

Ventilatie evolueert namelijk

steeds meer naar een slim systeem

dat maximaal is afgestemd

op de persoonlijke behoeften van

de bewoner en in de toekomst

zelfs zal kunnen leren uit zijn of

haar gedrag. Door alleen dan en

daar meer te ventileren waar en

wanneer dit echt noodzakelijk is,

wordt ventileren ook veel energiezuiniger.

Public Affairs Manager Yves

Lambert: “Eindklanten (bouwers

of verbouwers) zijn vaak niet geïnteresseerd

in hoe een installatie

precies functioneert, maar willen

wel het resultaat zien en dan gaat

het om een gezonde binnenluchtkwaliteit.

We bezorgen hun daarvoor

transparante data via de app

die bij ons slim ventilatiesysteem

hoort. Net als dit systeem zullen

meer en meer ventilatiesystemen

steeds autonomer functioneren op

basis van wat sensoren registreren.

De sturing wordt zelflerend.

Daardoor zullen de systemen zich

uiteindelijk flexibel kunnen aanpassen

in functie van de specifieke

noden van elke bewoner. Want dat

is net het probleem: bewoners en

gebruikers zijn zelf niet in staat

om luchtkwaliteit en vochtigheid

te detecteren, tenzij het al te laat

is. Het is dan niet de bedoeling

dat de klanten zelf draaiknoppen

moeten bedienen om daar iets

aan te doen. Installaties (niet alleen

van ventilatie trouwens) moeten

automatisch kunnen reageren

om de bewoner te ontzorgen en

hem een zo gezond en comfortabel

mogelijk binnenklimaat te

garanderen, zonder daar omkijken

naar te hebben.”

BEWONERS EN INSTALLATEURS

ONTZORGEN

Dat ontzorgen moet niet alleen

voor de bewoners maar ook voor

de installateurs het uitgangspunt

zijn. Installateurs krijgen

via slimme ventilatiesystemen

een melding van een fout in de

installatie. Die kan dan snel het

euvel komen herstellen zonder

nodeloos te moeten rondrijden en

kan misschien zelfs van op afstand

ingrijpen. De installatie kan hem

op voorhand al de nodige informatie

bezorgen, bijvoorbeeld over

welk onderdeel hersteld, gereinigd

of eventueel vervangen moet worden

zodat hij bij het bezoek al het

nodige bij heeft.

Cruciaal voor een gezonde binnenluchtkwaliteit

is de correcte

regeling van het ventilatiedebiet.

Dat wordt bijgestuurd op basis van

drie criteria die 24 uur op 7 dagen

gemonitord worden door sensoren:

het CO2-niveau dat in de woon- en

slaapkamer wordt gemeten, het

vochtniveau dat vooral een rol

speelt in de badkamer en tenslotte

de VOC’s (vluchtige organische

stoffen of “geurtjes”) in de toiletten.

Op basis van de metingen

die de sensoren opleveren, zal het

ventilatiesysteem door middel

van sturing en algoritmes kunnen

102


Getuigenis I HOOFDSTUK 03

bepalen wat moet gebeuren bij

elke meting per ruimte of zone in

huis: welke klep moet meer worden

geopend of waar het toerental hoger

moet. Of met andere woorden:

waar meer of minder moet worden

geventileerd om de binnenluchtkwaliteit

op een aanvaardbaar

peil te houden.

CONTINUE MONITORING VAN

INSTALLATIES

Yves Lambert: “Wij kunnen

momenteel vanuit Renson al

duizenden nieuw geïnstalleerde

ventilatiesystemen monitoren. De

conformiteit met de regelgeving

is uiteraard belangrijk maar voor

ons is vooral de verbetering van

de luchtkwaliteit in de woning prioritair.

Daartoe zijn wij bereid op

het vlak van ontwikkeling risico’s

te nemen en vooruit te lopen op

toekomstige tendensen. Omwille

van privacy-redenen worden de

monitoringresultaten geanonimiseerd

maar dan nog leveren die

gouden informatie op voor onderzoeksinstellingen

die diepgaand

onderzoek willen doen.

Zo beschikt Renson ondertussen

over representatieve informatie

omtrent uiteenlopende bewonersprofielen.

Om die gigantische

dataflow te analyseren werkt

Renson samen met verschillende

universiteiten. Dergelijk grootschalig

onderzoek levert veel nieuwe

inzichten op die bijvoorbeeld

kunnen worden gebruikt in regelgeving

op Vlaams, federaal en

Europees niveau. Die regelgeving

is vandaag veelal nog gebaseerd

op assumpties en niet op ‘real life’

ervaringen.” Momenteel bestaat

er een belangrijke discrepantie

tussen het energieverbruik dat uit

de EPB-berekeningen komt, en

het effectieve energieverbruik in

de praktijk. In de toekomst moeten

die cijfers volgens Yves Lambert

dichter bij elkaar komen.

Yves Lambert: “Een ander voorbeeld

van correctie betreft de

klimaatdata waarmee de EPBregeling

werkt. Die zijn grotendeels

gebaseerd op het verleden maar

zouden logischerwijze beter geënt

zijn op de weervoorspellingen voor

de toekomst van het KMI. Dan

zouden we het oververhittingsrisico

veel beter kunnen inschatten.

Bovendien is de EPB-berekening

nog steeds een 1-zonemodel

waarbij de woning als één geheel

aanzien wordt, terwijl nu vaker een

meerzone-model aan de orde is.

Dat is allemaal cruciale informatie

voor de ontwikkeling van de EPB

2.0.”

Ook met zonwering de

woning voorbereiden

op de toekomstige

klimaatomstandigheden

via het Concept Home

(ill. Renson)

Visierapport 2019 103


Beleving staat

Getuigenis

centraal

Bart Gentens

BESIX

BESIX Group is een vooraanstaande

Belgische groep die

actief is in de bouw-, vastgoedontwikkelings-

en concessiesector.

De groep is intussen geëvolueerd

tot een totaalleverancier

die toegevoegde waarde brengt

bij elk project. Aannemerij blijft

de kernactiviteit maar ook de

activiteiten Concessions & Assets

en Real Estate nemen een hoge

vlucht. Deze brede expertise

zorgt ervoor dat de groep elk

aspect van een project de baas

kan, van het financieren tot het

ontwerpen, van het bouwen tot

het opereren en onderhouden.

Om nog beter invulling te kunnen

geven aan de vragen van haar

klanten wereldwijd positioneert

de groep zich strategisch als

systeemintegrator waarbij het

maximaliseren van klantwaarde

centraal staat.

BESIX speelt daarmee in op de

ongeziene mogelijkheden die

digitale toepassingen bieden

voor de gebouwde wereld, niet

in het minst op het gebied van

verduurzaming. Technologie is

de manier bij uitstek om op de

meest optimale manier waarde

te creëren voor klanten. Vandaar

ook dat BESIX meer en meer

veelzijdige mensen aanwerft die

kennis hebben van bouw, installatie,

vastgoed én technologie. Bart

Gentens, senior manager smart

buildings, volgde na een ingenieursopleiding

een postgraduaat

in vastgoed en werkt nu aan de

digitale strategie van morgen bij

BESIX.

“Als gevolg van de vierde industriële

revolutie stevenen we af op

een fusie van de digitale en de

fysieke wereld” stelt Bart Gentens.

Hij maakt daarbij een eenvoudige

analogie met de telecomsector.

Voor de telefoon telde enkel de

hardware als waarde en voor de

gsm de hardware en de initieel geïnstalleerde

software. De waarde

van de smartphone zit vandaag

niet enkel in de hardware maar

bovenal in de applicaties (‘apps’)

en diensten die aangeboden worden

via onder meer Appstore en

Google Store en onafhankelijk zijn

van het toestel waarop ze draaien.

Eenzelfde evolutie zal zich volgens

Bart Gentens voordoen in de

gebouwen. De waarde zat eerst

enkel in de bakstenen. Daarna

in de bakstenen en de eenmalig

geïnstalleerde software voor

gebouwenbeheer, toegangscontrole

en brandveiligheid. Maar in

de toekomst zal de gebouwde

wereld, net als de smartphone,

in staat moeten zijn om efficiënt

verschillende toepassingen te

faciliteren en bovendien snel te

kunnen wisselen tussen verschillende

aanbieders ervan. Hij denkt

hierbij aan diensten zoals energie

management, facility management,

flexibele werkplekken en de

well being van de gebruikers.

TIPJE VAN DE IJSBERG

Bart Gentens: “Het belang van

data management zit hem voornamelijk

in de efficiëntiewinsten

die gerealiseerd kunnen worden

nadat een gebouw in gebruik is

genomen. Op dit moment zien

we nog maar het tipje van de

ijsberg van wat technologieën

zoals artificiële intelligentie en

blockchain ons kunnen brengen.

We moeten er wel over waken dat

deze technologieën de echte behoeften

van onze klanten en van

de maatschappij waarin we leven

oplossen en geen doel op zich

worden. Daarin wil en kan BESIX

haar klanten steeds beter ondersteunen.

De gebouwen van de

toekomst moeten er voor zorgen

dat deze technologieën kunnen

worden ingezet om de bedrijfsprocessen

te verbeteren en de impact

op onze leefomgeving te minimaliseren

en zelfs te verbeteren.

Daarom spreken we met verschillende

mensen bij onze klanten: de

facility manager om het comfort

te verhogen en het ruimtegebruik

104


Getuigenis I HOOFDSTUK 03

Schema van een

smart building

(ill. BESIX)

en de onderhoudsinterventies

te optimaliseren, de CFO om de

bezettingsgraad en de communicatiekanalen

te verbeteren, de ITdienst

om de toegang tot gebouw

en parking te faciliteren en de HRdienst

om het groepsgevoel onder

de medewerkers te versterken.

In zulke gesprekken spreken we

steevast over gebruikerservaringen

en niet per se meer over de stenen

of de software.”

Het kan onder meer gaan om

een betere organisatie van de

onderhoudsinterventies, de

verhoging van het comfort en de

vermindering van het energieverbruik,

het vergemakkelijken van de

toegangsrechten tot het gebouw,

het gemak om teleconferenties

te organiseren enz. BESIX droomt

van slimme gebouwen die de

luchtkwaliteit niet alleen binnen

maar ook extern verbeteren. Dat

lijkt een utopie maar er bestaat

fantastisch onderzoek op dit

gebied. Het komt er dan volgens

Bart Gentens op aan bij elke

keuze tegenover de investering

de meerwaarde en de impact te

evalueren. Voor elk gebouw zal die

evaluatie er anders uitzien.

DIGITAL TWIN

Data die in gebouwen gegenereerd

worden, moeten volgens

Bart Gentens tot het bezit van

de eigenaar van een gebouw

behoren. De eigenaar moet die

data kunnen gebruiken. Zij worden

gecreëerd door een variëteit aan

systemen zoals dat voor HVAC,

branddetectie en vergaderzalenmanagement.

Het is juist op basis

van deze data (rond bijvoorbeeld

vocht, energieverbruik en bezettingsgraad)

dat toepassingen (‘use

cases’) kunnen worden ontwikkeld.

Daarvoor is er nood aan een

data governance structuur en

een databank die bij het gebouw

hoort. Bart Gentens gelooft in dit

verband sterk in het concept van

de ‘digital twin’, een digitale kopie

van het gebouw. BIM vormt de

ideale basis hiervoor.

INTEGRATIE IN HET ENERGIENET

Dat BESIX de grenzen van de sector

verlegt, betekent ook dat het

innovatieve oplossingen opzoekt.

Bart Gentens: “Daarvoor zetten we

nu al onze eigen gebouwen in als

testlabo’s voor toekomstige technologieën

en lanceerden we een

accelerator die start-ups op het

vlak van Construction en Property

Technology helpt om te groeien.

We waken er wel over dat de toepassingen

zowel op ecologisch als

op economisch vlak duurzaam zijn

zodat we trouw blijven aan onze

BESIX doelstellingen.”

De rol van gebouwen in de transitie

naar een duurzaam energielandschap

wordt volgens Bart

Gentens nog onderschat en het

potentieel ervan wordt nog onderbenut.

Bart Gentens:”We kunnen

ervoor zorgen dat de gebouwen

slimmer worden, dat zij kunnen

inspelen op de toestand van het

energienet en zo vraag en aanbod

beter in balans kunnen brengen.

De potentiele impact is gigantisch.

Ook Europa en de VREG trekken

volop deze kaart. Dit wordt ook

een belangrijk onderdeel van de

‘smart readiness indicator’ die

binnenkort in Europa in kaart zal

brengen hoe slim de gebouwen

zijn. We verwachten dat dit een

gelijkaardige impact kan hebben

als de EPB-wetgeving een tiental

jaar geleden.”

Voor de toekomst gelooft Bart

Gentens sterk in open protocollen.

Niemand wil dat één applicatie de

andere zal domineren waardoor

opdrachtgevers meer en meer op

hun hoede zullen zijn voor vendor

locking. Het komt er dan wel op

aan af te stappen van hokjesdenken

en samen te werken, zowel

binnen onze sector als erbuiten.

Zo werkt BESIX nu intensief samen

met onder meer Proximus en

Elia. Bart Gentens hoopt dat de

toonaangevende ontwikkelaars

met veel passie mee op deze trein

springen zodat we als sector en

door middel van co-creatie onze

verantwoordelijkheid opnemen.

Visierapport 2019 105


Op wereldvlak

pionieren met

Getuigenis

hernieuwbare

Frederik Loeckx

Flux 50

energie

De Vlaamse energiecluster

Flux50 wil optimaal inspelen

op de groeikansen die voortvloeien

uit de wereldwijde

boom in de slimme energiesector.

Uitgaande van de sterktes

van de Vlaamse industrie, viel

de keuze op de volgende vijf

domeinen waarin Vlaanderen

kan uitblinken: energiehavens,

microgrids, multi-energiesystemen

op wijkniveau, energy

cloud toepassingen en intelligente

renovaties. Algemeen

directeur Frederik Loeckx

geeft meer uitleg over hoe dit

initiatief evolueert, over de

mogelijkheden en de knelpunten.

Aan de basis van hernieuwbare

energieprojecten ligt een

energie-efficiënt gebouw, met

zonnepanelen en opslagtechnologie

zoals batterijen en stuurbare

warmteboilers. Volgens Frederik

Loeckx is de technologie voor

PV-panelen intussen matuur en

kostenefficiënt. Ook omwille van

de EPB-regelgeving wordt steeds

meer geopteerd voor de combinatie

van PV-panelen met warmtepompen.

In 19% van de nieuwbouwwoningen

vindt men deze

combinatie terug. De technologie

voor batterijen daarentegen staat

nu nog maar op hetzelfde ontwikkelingsniveau

als de PV-panelen 5

jaar geleden. Batterijen zijn nog

niet geschikt om een grote hoeveelheid

energie over een lange

periode op te slaan en gelijkmatig

vrij te geven. Bovendien zijn aan

thuisbatterijen nog risico’s verbonden

wat in Frankrijk bijvoorbeeld

tot hogere verzekeringspremies

leidt. Ook de brandweer is alert.

Vandaar dat nu meer naar oplossingen

op wijkniveau wordt

gezocht.

ENERGIEGEMEENSCHAPPEN EN

MULTI-ENERGIE OPLOSSINGEN

Op basis van de toegekende

subsidiebedragen bleek tijdens

het eerste werkingsjaar van Flux50

de klemtoon vooral te liggen

op de realisatie van energiegemeenschappen

en multi-energie

oplossingen. Toonaangevende

projecten zijn bijvoorbeeld De

Staak in Opwijk (een bedrijventerrein

zonder gasaansluiting) en het

groene energiepark in Zellik (een

researchpark waar een datacenter

een groot deel van de warmte zal

leveren). Energiegemeenschappen

leven even sterk in industriële als in

residentiële wijken. Industriële sites

bieden het voordeel dat het aantal

stakeholders relatief beperkt is.

Frederik Loeckx: “Wanneer ik over

onze micronetwerken en groenestroomprojecten

spreek, krijg ik

wereldwijd verbaasde reacties. Op

wereldvlak zijn we immers pioniers

in groene energievoorziening en

de innoverende technologieën die

daarvoor nodig zijn”.

In vergelijking met de energiegemeenschappen

en de multi-energie

oplossingen ging bij Flux50 tot

nu toe slechts een beperkt bedrag

naar slimme renovaties terwijl

hier ook nog vele opportuniteiten

liggen. Wellicht is bij renovaties

een meer industriële aanpak nodig

om in de volgende jaren tegen een

betaalbare prijs de klimaatnormen

106


Getuigenis I HOOFDSTUK 03

Princiepschema

voor het Groen

Energiepark te

Zellik

(ill. Flux50)

INTERN

MICROGRID

INKOOP

VERKOOP

EILAND

te kunnen halen. Voor energiezuinige

woningen zal de digitale

meter een belangrijke rol spelen.

Binnen drie jaar, als de uitrol van

de meter bij prosumenten is afgerond,

moet die meter uiteindelijk

aanzetten tot meer zelfconsumptie

en het mogelijk maken dat

grotere PV-installaties kunnen

worden gerealiseerd zonder het

net te overbelasten. Voor de uitrol

van de digitale meter kennen we

de prioriteiten: in eerste instantie

woningen met PV-panelen,

grondige renovaties, nieuwbouw

en gezinnen in energie-armoede.

Maar per regio bepaalt een team

binnen Fluvius de uitvoeringssnelheid

van de uitrol. Dat maakt het

moeilijk voor leveranciers van diensten

om gericht mogelijke klanten

bereiken.

GEMEENSCHAPPELIJKE AANPAK

Frederik Loeckx: “Voor de gemeenschappelijke

aanpak van

hernieuwbare energie zien we in

Vlaanderen diverse initiatieven

ontstaan. Het kan bijvoorbeeld

gaan om de gezamenlijke aankoop

van energie. Een andere mogelijkheid

bestaat uit de aanleg

van een off site zonnepanelenpark

dat een volledige gemeenschap

voedt. De transmissie van de

energie naar de woningen moet

dan wel nog altijd via het distributienet

verlopen. Tegelijk moet dan

worden voorzien in een collectieve

opslagcapaciteit via batterijen.

Een bijkomend probleem voor dergelijke

installaties is de beschikbaarheid

van de nodige ruimte

voor het panelenpark. Bermen

van bijvoorbeeld autowegen en

spoorwegen zouden hiervoor

kunnen worden gebruikt. Maar op

die plekken zijn dan niet altijd de

nutsvoorzieningen voorhanden.

Nog een andere optie bestaat uit

zonnedelen in een appartementsgebouw.

De PV-panelen op het

dak beleveren dan collectief de

bewoners. Technisch kan dit maar

wettelijk zijn nu aparte zonnepanelen

met aparte verbindingen

per flat verplicht, wat uiteindelijk

een kostelijke zaak is. Ook de idee

van warmtenetten maakt meer en

meer opgang. Dan is het wel nodig

over een productie-eenheid te

beschikken die voldoende warmte

kan opleveren. Maar ook warmtenetten

op lage temperatuur

zijn mogelijk. Op plaatsen waar

hogere temperaturen nodig zijn,

kunnen kleinere warmtepompen

de temperatuur opdrijven.

Daarvoor is het belangrijk de COP

(het rendement) van warmtepompen

te verhogen.”

De Europese Unie heeft nu het

begrip van de energiegemeenschappen

gelanceerd. Om de wetgeving

voor te bereiden, biedt de

Vlaamse overheid de mogelijkheid

om een regelluwe zone te creëren.

De aanvraag voor dergelijke

zones is wel aan een heel aantal

randvoorwaarden en adviesvragen

verbonden: een duidelijk teken dat

de overheid streeft naar een beperkt

aantal regelluwe zones. Een

regelluwe zone aanvragen mag

dan ook geen doel op zich zijn.

Van groot belang in dit verband

is de rol van de distributiemaatschappijen

(Fluvius) en de positie

van de regulator (VREG). Zij zijn in

deze nieuwe materie nog volop

hun weg aan het zoeken. Hun

houding zal bepalend zijn voor het

welslagen van het concept van

lokale energiegemeenschappen.

Visierapport 2019 107


Op weg naar

een slimmere

Getuigenis

infrastructuur

Tom Roelants

Agentschap Wegen

en Verkeer

Volgens Tom Roelants, administrateur-generaal

van het Agentschap

Wegen en Verkeer, is een

slimme infrastructuur geen doel

op zich. De digitalisering van de

wegeninfrastructuur beschouwt

Tom Roelants integendeel als een

middel om andere doelstellingen

te bereiken. Slimme infrastructuur

moet de zelfrijdende auto

mogelijk maken, moet administratie

en wegenbouwers in staat

stellen om de infrastructuur beter

te onderhouden en moet een

veiligere en vlottere mobiliteit

mogelijk maken.

De toestand van de Vlaamse

autowegen wordt elk jaar en die

van de Vlaamse gewestwegen

om de twee jaar geïnspecteerd.

Maar de huidige inspectiemethode

is tijdsintensief. Tom Roelants:

“Momenteel gaan elke dag meetvoertuigen

de baan op. Behalve

voor onze autosnelwegen wordt

voor alle andere infrastructuur

enkel naar de actuele toestand

gekeken. We zouden een stap

verder moeten kunnen zetten en

moeten kunnen overgaan naar

voorspellingen. Op basis hiervan

zouden we dan kunnen inzetten

op ‘predictive maintenance’. We

kunnen het onderhoud dan in een

vroeger stadium laten plaatsvinden

in plaats van pas in te grijpen

als de infrastructuur grondig

versleten is.”

Sensoren die continu meten,

kunnen daarbij zeer nuttig zijn.

Die zouden onderhoudsbeurten

kunnen voorspellen. Momenteel

bevinden zich wel al sensoren bij

verkeerslichten en ledverlichting

maar nog niet in de harde infrastructuur.

Vandaag is dus nog te

weinig informatie beschikbaar voor

een dergelijke onderhoudsaanpak.

Voor bruggen en kunstwerken

zou de visuele inspectie ook best

worden aangevuld met sensoren.

Bijkomend zou de inzet van drones

mogelijk moeten zijn, vooral voor

de inspectie van moeilijker toegankelijk

plekken op bruggen over

water.

BELANG VAN BIM

Tom Roelants is ook overtuigd van

het nut van BIM. Het agentschap

heeft al aan Arcadis opgedragen

de tunnels in kaart te brengen

met BIM. BIM is daarvoor bijzonder

geschikt omdat tunnels naast

de harde infrastructuur ook heel

wat installaties bevatten. Tom

Roelants: “De brandweer kent

wel de scenario’s in noodgevallen

maar kan zelden in een reële

situatie oefenen. Bij brandweerinterventies

is snelheid cruciaal. Dit

vergt nu eenmaal oefening. Maar

op basis van een BIM wordt het

mogelijk virtuele oefeningen rond

calamiteiten te laten uitvoeren en

op die manier automatismen te

creëren rond het aansluiten van de

brandslangen en de werking van

de nooduitgangen.”

Voor het ontwerp van een weg

werd al een eerste proefproject

met BIM uitgevoerd. BIM moet ook

toelaten om het asset management

van het transportnet te

108


Getuigenis I HOOFDSTUK 03

verbeteren. Vanaf 1 januari 2020

maakt het recentelijk aangepaste

typebestek 250 voor de wegenbouw

de toepassing van BIM mogelijk.

Het agentschap is intussen

zelf bezig om BIM te implementeren

en gaat BIM meer en meer in

haar opdrachten opleggen. Ook

de wegenbouwers moeten volgens

Tom Roelants beseffen dat werken

met BIM de toekomst wordt.

ZELFRIJDENDE VOERTUIGEN

Volgens Tom Roelants zal de zelfrijdende

auto onvermijdelijk ook

informatie moeten binnenhalen

over de infrastructuur. Tegenover

de autonoom zelfrijdende auto

stelt hij de geconnecteerde auto.

Volgens hem zal de zelfrijdende

auto efficiënter functioneren als

hij ook geconnecteerd is met de

infrastructuur. Voor de connectie

met data van de infrastructuur is

BIM dan weer een nuttig instrument

in de vorm van een digitale

tweeling.

Een ander belangrijk project betreft

de ombouw van de verlichting

langs de autowegen met LED, een

project dat gespreid is over vier

jaar en intussen al met een kwart

is afgewerkt. Deze verledding gaat

tegelijk gepaard met een slimme

sturing van de verlichting. Nu

kan de verlichting enkel worden

aan- en uitgezet. Het voordeel

van LED-lampen is precies dat zij

dimbaar zijn. Het is nu effectief

de bedoeling voortaan flexibeler

met de verlichting om te gaan.

De LED-lampen kunnen daarvoor

bijvoorbeeld met een regensensor

worden uitgerust. Bovendien

kunnen sensoren beter (mogelijke)

defecten van verlichting opsporen.

Daardoor kan hun onderhoud efficiënter

worden georganiseerd.

Daarnaast wordt vanaf 2019 over

vijf jaar 30 miljoen euro geïnvesteerd

in het platform Mobilidata.

Private ontwikkelaars kunnen

hierop inspelen. Uiteindelijk is het

de bedoeling tot een tweerichtingscommunicatie

te komen. Zo

kunnen verkeerslichten bijvoorbeeld

sneller groen voor fietsers

en voetgangers geven bij regenweer.

Nu worden verkeerslichten

gestuurd op basis van het verkeer.

In de toekomst zou er ook info van

de verkeerslichten naar het verkeer

moeten gaan.

Het agentschap heeft de laatste

tien jaar ook al veel geïnvesteerd

in een dynamisch verkeersmanagement

en de laatste 3 à 4 jaar

in camera’s met ANPR (Automatic

Number Plate Recognition).

Liggers voor de nieuwe

brug van de E40 te

Merelbeke

(ill. Agentschap

Wegen en Verkeer)

Visierapport 2019 109


110


HOOFDSTUK 04 TALENTEN AANTREKKEN EN ONTWIKKELEN


04

De bouw staat voor enorme uitdagingen,

onder meer op het vlak

van energiezuinigheid en klimaatbeheersing.

Daarvoor zal zij een

beroep moeten kunnen doen op

de knapste koppen die bovenop

een belangrijke bouwtechnische

bagage ook ten volle mee zijn met

de verregaande digitalisering in

de bouw en met de toepassing

van digitale technieken. Maar in

welke mate vindt het smart talent

dat de bouw nodig heeft, ook zijn

weg naar de bouw en hoe kunnen

bouwbedrijven dit talent aantrekken

en verder tot ontwikkeling

brengen? Daarover gaat dit vierde

en laatste hoofdstuk.

112


HOOFDSTUK 04

4.1. Krapte op de bouwarbeidsmarkt

In januari 2019 publiceerde Randstad de resultaten

van een enquête over de aantrekkelijkheid van

beroepen die werd afgenomen bij ongeveer 2.000

Vlamingen. Tot de vijf aantrekkelijkste beroepen

behoorden de burgerlijk en industrieel ingenieur, de

apotheker en de dokter, de architect en de software

ingenieur. Voor de bouw zou dit positief moeten zijn

omdat zowel de ingenieur als de architect in en voor

de bouw werken.

Maar de werfleider deelde blijkbaar niet in het

prestige van de ingenieur want die kwam pas op de

62 ste plaats alhoewel hij vaak ingenieur is. Ook andere

bouwberoepen scoorden minder goed. Elektricien,

schrijnwerker en loodgieter konden nog meer dan

40% van de respondenten bekoren maar de beroepen

van schilder, metselaar en dakwerker minder dan

30%. Bij de beroepen met een score van minder dan

20% behoorde gelukkig geen enkel bouwberoep

Wat beroepen volgens de enquête van Randstad

aantrekkelijk maakt, zijn in eerste instantie het

aantrekkelijk loon (voor 73% van de respondenten),

de goede balans tussen werk en privé (voor 63%),

de goede arbeidsomstandigheden (voor 62%), de

werkzekerheid (voor 47%) en de afwisseling (voor

45%). Maatschappelijke relevantie zou maar 22% van

de respondenten aantrekken en werken in open lucht

amper 6%.

De bouw betaalt doorgaans goed tot zeer goed. De

alsmaar moeilijkere bereikbaarheid van de bouwplaatsen

door het steeds drukkere verkeer is wel een

negatief punt. Dat de bouw complexer wordt, is een

uitdaging die juist dankzij de toenemende digitalisering

het hoofd kan worden geboden. De relatief lage

waardering voor maatschappelijke relevantie die uit

de enquête bleek, lijkt nu wel te worden tegengesproken

door de recente manifestaties van de jongste

generaties. Dat de bouw dankzij de digitalisering

nog meer dan voorheen kan bijdragen tot minder

Grafiek 20

Aantrekkelijkheid van beroepen (% dat 4 of 5 op 5 gaf)

Bron: Randstad Research

Ingenieur

Apotheker

Dokter

Architect

Software ingenieur

Elektricien

Schrijnwerker

Landschapsarchitect

Loodgieter

Milieudeskundige

Vastgoedmakelaar

Werfleider

Lasser

Schilder

Metselaar

Aankoper

Dakwerker

Kelner

Portier

Callcentermedewerker

Taxichauffeur

0 10 20 30 40 50 60 70

Visierapport 2019 113


Machinaal plaatsen van

tonnenzware liggers

voor de tangent te

Mechelen

(ill. Willemen)

CO2-uitstoot en tot een circulaire economie, zou

in dit verband een belangrijke troef moeten zijn.

Universiteiten en hogescholen die deze jongeren nu

eerst binnen krijgen, bevestigen dit. De VCB wil die

troef dan ook ten volle uitspelen. Tenslotte is er nog

het argument van de werkzekerheid.

Een analyse van ING van 2015 liet uitschijnen dat

bijna de helft van de bestaande jobs door technologische

veranderingen zou kunnen worden bedreigd.

Voor de bouw zou dit risico minder gelden voor

bouwmanagers en -toezichters, voor elektriciens en

architecten en evenmin voor polyvalente bouwvakkers

maar in grotere mate voor tekenaars en landmeters

en voor afwerkingsberoepen.

Grafiek 21

Arbeidsvraag per sector van

2016 tot 2030

Bron: Agoria, Digitalisation and the Belgian

Labour Market

+ 510 000

Maar volgens het recentere onderzoek van Agoria

over de digitalisering van de Belgische arbeidsmarkt

met de titel Shaping the Future of Work zou de vraag

naar arbeid in de bouw van 2016 tot 2030 toch nog

met bijna 1% per jaar stijgen. De bouw zou zich daardoor

bevinden tussen de media-, chemie-, farma-,

metaal- en houtsector met een licht dalende vraag

en de gezondheids-, de onderwijs- en de dienstensector

met een sterk stijgende vraag naar arbeid.

0

-32 000

+ 151 000

Medio 2018 hebben de opleidingsfondsen Constructiv

en Cevora een grootschalig onderzoek uitgevoerd

waarop 1.727 Vlaamse bouwbedrijven met in totaal

20.760 arbeiders en 4.100 bedienden hebben geantwoord.

Met een responsgraad van 13% in Vlaanderen

was de enquête in hoge mate representatief. De

vorige grootschalige enquête dateerde nog van

Landbouw,

media, chemie,

farma, metaal,

elektronica,

hout, textiel,

voeding, overheid

Financiële

sector, nutsbedrijven,

catering,

ICT, (groot)handel,

logistiek,

bouw

Onderwijs,

diensten aan

bedrijven en

particulieren,

gezondheidszorg

114


HOOFDSTUK 04

1999 en was beperkt tot de bouwarbeiders. In 2018

werd naar 51 arbeiders- en 18 bediendenberoepen

gepeild. Op basis van de enquête konden Constructiv

en Cevora een extrapolatie naar het totaal aantal

beoefenaars maken.

Uit de nieuwe enquête is onder meer gebleken

dat de metselaar nog altijd het belangrijkste

bouwberoep is maar dat zijn aandeel bij de bouwarbeiders

in vergelijking met 1999 van 17% naar 12%

is gedaald. Daartegenover staat dat Vlaanderen

nu ongeveer 1.500 prefabmonteurs en bijna 800

houtskeletbouwers telt: een duidelijk gevolg van

de toenemende industrialisatie van de sector.

Het beroep van ijzervlechter werd in de nieuwste

enquête zelfs niet eens meer bevraagd. Daarnaast

kwam de extrapolatie voor Vlaanderen uit op 4.700

bekisters-betonneerders.

Bij de wegenbouwers valt op dat tegenover de circa

2.300 bestuurders van betonnerings- en asfalteringsmachines

circa 5.500 nog grotendeels manueel

werkende wegenwerkers en stratenmakers staan.

Tegenover de 2.400 uitvoerders van schilderwerken

staan nu 2.600 polyvalentere uitvoerders van decoratiewerken,

wand- en vloerbekledingen. Bij het beroep

van schrijnwerker-timmerman werd bij de nieuwste

enquête een meer gedetailleerd onderscheid

gemaakt. Daaruit is gebleken dat de schrijnwerksector

naast 3.300 buiten- en 2.400 binnenschrijnwerkers

en 1.600 interieurbouwers 2.100 schijnwerkers

tewerkstelt die in principe uitsluitend in de werkplaats

actief zijn.

Bij de installatietechnieken werd in 2018 nog uitsluitend

gevraagd naar de combinatie van installateur

van sanitair en verwarming en dus niet langer naar

loodgieters en cv-installateurs of -monteurs apart.

Van dit gecombineerde beroep zijn er momenteel in

Vlaanderen ongeveer 4.300 beoefenaars. Daarnaast

telt de Vlaamse bouw bijna 1.600 installateurs HVAC

die er dan nog de ventilatie bijnemen, en tegelijk

bijna 1.500 installateurs van hernieuwbare energiesystemen.

De enquête betrof wel enkel bedrijven die

onder het paritair comité bouw ressorteren. Heel wat

elektriciens die onder het paritair subcomité 149.01

vallen, zijn ook nog actief op dat vlak.

Bij de bouwarbeiders zien we dus wel enkele verschuivingen

naar bredere profielen, met name in

de HVAC-sector, bij de houtbewerking en bij de

decoratie. Maar tegelijk valt op dat de bouwsector

nog tal van zeer specifieke beroepen telt waarvoor

bovendien nog belangrijke toekomstperspectieven

bestaan, zoals die van asbestverwijderaar, sloopwerker,

uitvoerder van boor- en (diep)funderingswerken,

Machinale en manuele

arbeid bij het storten

van het beton voor de

tangent te Mechelen

(ill. Willemen)

Visierapport 2019 115


natuursteenbewerker, glaswerker

en restaurateur.

De enquête van Constructiv heeft

intussen duidelijk gemaakt dat

deze beroepen in Vlaanderen

toch nog altijd tussen 500 à

1.000 beoefenaars tellen. Door de

tendens naar een meer algemene

vorming in het secundair

onderwijs, dreigt het onmogelijk

te worden voor deze beroepen op

dit niveau nog een opleiding te

organiseren. De sector moet hier

samen met de betrokken bedrijven

zelf opleidingsinitiatieven kunnen

ontwikkelen. De nieuwste cao voor

de bouwsector voor 2019-2020

biedt hiertoe trouwens uitdrukkelijk

de mogelijkheid.

Wat betreft de profielen van de

Vlaamse bouwbedienden valt op

dat ongeveer de helft als technische

bediende en de andere helft

als algemene bediende functioneert.

Bij de technische bedienden

nemen project- en werfleiders traditioneel

een prominente positie in

met een totaal aandeel van 29%.

Naast de bijna 950 bouwkundig

tekenaars zijn er volgens de uitgevoerde

extrapolatie in Vlaanderen

bijna 150 BIM-professionals

werkzaam. Maar andere nieuwe

beroepen in de bouw, zoals VR- en

AR-ontwikkelaars en dronepiloten,

lijken toch eerder tot stand te

komen in gespecialiseerde firma’s

buiten de bouw.

Bij de niet-technische bouwbedienden

hebben er ongeveer

2.400 een duidelijk klantgerichte

functie (als toonzaalmedewerker,

medewerker van de klantendienst,

communicatie- of marketingmedewerker).

Nog een opvallend

cijfer zijn de circa 450 ICTmedewerkers

die in de Vlaamse

bouwbedrijven werken. In die zin is

het belangrijk dat bouwbedrijven

en bouwsector meer toenadering

zoeken tot niet-bouwgerichte

opleidingen. Zo kunnen bijvoorbeeld

ook bouwbedrijven aan

Grafiek 22

Selectie van bouwarbeidersberoepen in Vlaanderen

Bron: enquête van Constructiv en Cevora

Metselaar

Bekister-betonneerder

Prefabmonteur

Isolatiewerker

Betonhersteller

Voeger-gevelreiniger

Houtskeletbouwer

Bestuurder machines wegenwerken

Wegenwerker-stratenmaker

Uitvoerder decoratiewerken

Uitvoerder schilderwerken

Buitenschrijnwerker

Binnenschrijnwerker

Werkplaatsschrijnwerker

Installateur sanitair en verwarming

Installateur HVAC

Installateur hernieuwbare energie

Restauratievakman

Natuursteenbewerker

Glaswerker

Sloopwerker

Uitvoerder boor- en funderingswerken

Asbestverwijderaar

458

257

959

779

847

735

696

693

541

1427

1551

1436

1311

2569

2452

2405

2137

Restauratie van

schilderwerk in

de voormalige

handelsbeurs te

Antwerpen

(ill. Denys)

2286

3321

4671

4271

5522

11357

116


HOOFDSTUK 04

studenten van de economische faculteit van de KU

Leuven vragen een bedrijfsgericht advies te formuleren

over diverse onderwerpen op diverse domeinen

zoals marketing, milieubeleid, fiscaliteit, exportkansen,

strategie enz. Deze faculteit wil uitdrukkelijk aan

de bouw kansen bieden. Het loont de moeite met

andere niet bouwtechnische hogere en universitaire

opleidingen gelijkaardige samenwerkingsmogelijkheden

te zoeken.

Het is eveneens belangrijk dat jongeren de grote

diversiteit aan mogelijke functies in bouwbedrijven

beseffen. Vaak verengen zij de typische arbeidersfunctie

tot de metselaar en de typische bediendefunctie

tot de werfleider. De bouw heeft echter

zoveel meer te bieden. De door Constructiv en Cevora

uitgevoerde enquête is op dat vlak zeer verhelderend.

Hoger geschoolde jongeren kunnen in bouwbedrijven

bij de start van hun loopbaan vaak verschillende

functies doorlopen totdat zij de functie vinden die

het best bij hun specifieke competenties past. Bij het

agentschap Wegen en Verkeer wordt aan nieuwkomers

trouwens een gelijkaardige ruime kennismakingsronde

aangeboden.

Grafiek 23

Samenstelling van de Vlaamse bouwbediendenpopulatie

Bron: enquête van Constructiv en Cevora

Medewerker communicatie of marketing

535

Medewerker

klantendienst

699

Receptionist

567

Medewerker ICT

452

Medewerker kwaliteit

301

Projectleider

5056

Toonzaalmedewerker

1144

Management assistant

627

Preventieadviseur

815

Medewerker

personeelszaken

1547

Werfleider

2971

Financieelboekhoudkundig

medewerker

2460

Werkvoorbereider

1201

Technisch

administratief

bediende

2160

Administratief medewerker

4572

BIM-professional

139

Bouwkundig tekenaar

936

Calculator

1701

Visierapport 2019 117


Grafiek 24

Vereiste competenties bij jonge ingenieurs (in % van de antwoorden)

Bron: KU Leuven enquêtes

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Probleemoplossend vermogen

Technische kennis

Werken in team

Complexiteit beheersen

Praktische vaardigheden

Leiderschap

Bedrijfskundig en economisch inzicht

Vanuit het werkveld

Volgens de studenten

Bij een analyse van de arbeidsmarkt volstaat het niet

te onderzoeken welke functies in welke mate nog in

de bouw voorkomen, maar moet ook de inhoud van

die functies nader worden onderzocht. De VCBenquête

die in het tweede hoofdstuk aan bod kwam,

toonde al duidelijk aan dat de processen in de grotere

bedrijven waar ook meer hoger geschoolden terechtkomen,

reeds in hoge mate zijn gedigitaliseerd.

Digitale pakketten voor de opvolging van personeel

en werven, ERP en DMS, e-facturatie en BIM geraken

er steeds meer ingeburgerd. Aan het BIM-model zijn

ook steeds meer applicaties verbonden, zoals we in

hoofdstuk 2.2 al hebben aangegeven.

Tegelijk worden de bouwbedienden geconfronteerd

met een steeds grotere complexiteit: een uitgebreidere

normering, een groter aanbod van beschikbare

technieken en technologieën, complexere vormen van

samenwerking met opdrachtgevers en leveranciers,

de nauwere betrokkenheid van een groter aantal

stakeholders die ook beter dan voorheen geïnformeerd

zijn en daartoe over de nodige (eigen) data

beschikken. Daarenboven evolueren steeds meer

bouwbedrijven van louter uitvoerende naar meer

dienstverlenende organisaties, zoals we eerder in

hoofdstuk 3.2. hebben aangehaald. Buiten de B van

bouw maken steeds meer de D van ontwerp en de M

van onderhoud tot zelfs de F van financiering en de O

van exploitatie deel uit van hun takenpakket.

Wat impliceert dat voor jongeren die in de bouw

een leidinggevende functie willen vervullen? De

vraag naar de vereiste competenties voor startende

ingenieurs kwam eind april 2019 aan bod op

een debatavond van de KU Leuven te Gent. Twee

competenties kregen daarbij duidelijk de voorkeur:

een goede technische bagage in combinatie met een

gericht probleemoplossend vermogen. Een bedrijfsleider

verklaarde dat jonge ingenieurs zich daarbij niet

mogen beperken tot de enige oplossing. Zij moeten

leren meerdere oplossingen te bedenken en durven

innovatief te zijn. Vanuit de KU Leuven werd geantwoord

dat een eindwerk zich nu al niet beperkt tot

het schrijven van een paper en maar juist de attitude

om ruimer tegenover een bepaalde problematiek aan

te kijken wil aanscherpen.

Daarnaast beklemtoonde het bedrijfsleven het

belang om in de communicatie voldoende assertief

te zijn. Helder kunnen formuleren is ook een troef,

d.w.z. het probleem en de oplossing(en) hiervoor

summier kunnen samenvatten. Werken in team is

eveneens zeer belangrijk geworden, meer en meer

met niet-bouwkundigen. Ook in bouwbedrijven

ruimt de hiërarchie plaats ten voordele van zelfsturende

teams. Maar aan de universiteiten worden

nog voornamelijk de individuele prestaties van de

studenten gemeten. Met verschillende applicaties

leren werken is nuttig. Maar studenten moeten toch

vooral informatie leren vergaren en het pad naar de

118


HOOFDSTUK 04

diverse informatiebronnen leren bewandelen. Om

tot innovatieve ideeën te komen blijft een grondige

basiskennis noodzakelijk. Universiteiten moeten dus

de basisprincipes blijven aanleren.

Hoe evolueren nu de cijfers van leerlingen en studenten

in het licht van deze arbeidsmarktevoluties? Uit

de recentste statistieken van het aantal leerlingen

in het secundair bouwonderwijs van Constructiv en

van het aantal studenten in het hoger en universitair

bouwonderwijs van Ahovoks (het Agentschap voor

Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties

en Studietoelagen) blijkt kort samengevat het volgende.

Op alle niveaus en in alle opleidingsdomeinen

van het secundair bouwonderwijs blijven de aantallen

afnemen. Tegelijk stagneert het aantal professionele

bachelors. Het aantal afgestudeerde industriële

ingenieurs blijft dalen en het aantal gediplomeerde

burgerlijk ingenieurs blijft te laag. Intussen stijgt het

opleidingsniveau dat de bouwbedrijven in hun vacatures

vragen. Aanbod en vraag dreigen dus steeds

meer uit elkaar te liggen.

De cijfers van Ahovoks tonen aan dat het aantal

diploma’s in de professionele bacheloropleiding

voor de bouw zich in 2017-2018 stabiliseerde rond

de 300. Dit aantal is de laatste tien jaar meer

dan verdubbeld omdat het aantal organiserende

hogescholen van twee naar vijf evolueerde. Maar de

vijf scholen die deze opleiding nu organiseren (Vives

in West-Vlaanderen, Odisee in Aalst, Thomas More

in Geel, PXL in Diepenbeek en LUCA in Schaarbeek),

draaien intussen op kruissnelheid. Omwille van het

licht dalend aantal inschrijvingen in deze opleidingen

tijdens de laatste twee jaar zal het aantal gediplomeerden

de komende jaren zeker niet stijgen.

De cijfers van Ahovoks tonen aan

dat het aantal diploma’s in de

professionele bacheloropleiding

voor de bouw zich in 2017-2018

stabiliseerde rond de 300.

De daling van het aantal afgestudeerde industrieel

ingenieurs bouwkunde van de laatste jaren heeft

zich doorgezet. In het schooljaar 2017-2018 waren ze

met 270, ongeveer 20% minder dan in het schooljaar

2014-2015. Bovendien bleef het aantal inschrijvingen

hiervoor ook in 2018-2019 relatief gering in vergelijking

met de periode 2012-2015. Op korte termijn

Vlaamse bouw telde

in 2018 circa 150

BIM-professionals

(ill. Vanhout)

Visierapport 2019 119


Grafiek 25 Aantal diploma’s in hoger en universitair onderwijs

voor bouw en architectuur

Bron: AHOVOKS

350

300

250

200

150

100

50

0

Professionele bachelor bouw

Industrieel ingenieur bouw

Burgerlijk ingenieur bouw Architect Ingenieur-architect

Grafiek 26 Aantal inschrijvingen in hoger en universitair onderwijs

voor bouw en architectuur

Bron: AHOVOKS

1400

1200

1000

800

600

400

200

0

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

2017-2018

2018-2019

2008-2009

2009-2010

2010-2011

2011-2012

2012-2013

2013-2014

2014-2015

2015-2016

2016-2017

2017-2018

2018-2019

Professionele bachelor bouw

Industrieel ingenieur bouwkunde

Burgerlijk ingenieur bouw Architect Ingenieur-architect

120


HOOFDSTUK 04

valt ook op dit opleidingsniveau geen toename te

verwachten. Het aantal afgestudeerde burgerlijk

ingenieurs steeg licht in 2017-2018 maar bleef met

133 toch nog altijd zeer laag in verhouding met de

behoeften. Daarenboven bleven de inschrijvingen in

2017-2018 en in 2018-2019 op een laag peil. Dit feit

doet evenmin beterschap verhopen.

Het aantal inschrijvingen en ook het aantal gediplomeerden

in de opleidingen voor architect zijn

de laatste jaren zeer sterk gestegen met voor het

aantal diploma’s een record van 350 in 2014-2015.

Daarna was er een (zeer) lichte daling. Maar volgens

de arbeidsmarktgegevens van de VDAB behoort het

beroep van architect niet tot de knelpuntberoepen.

In de moeilijkere opleidingen voor ingenieur-architect

heeft zich daarentegen een daling voorgedaan met

de laatste jaren niet veel meer dan 150 afgestudeerden

per jaar terwijl het aantal inschrijvingen voor deze

opleidingen zich momenteel stabiliseert.

Tegelijk wordt de sector geconfronteerd met een

scherpe daling van het aantal leerlingen in het secundair

bouwonderwijs. Van het schooljaar 2014-2015 tot

het schooljaar 2018-2019 daalde het aantal leerlingen

dat voor een bouwberoep studeert, in alle studierichtingen:

met 8% in de houtopleidingen, met 10% in de

opleidingen rond koeling en warmte en eveneens met

10% in de opleidingen voor schilderen en decoratie en

zelfs met 21% in de (ruw)bouw. In absolute getallen

bedroeg de daling 536 leerlingen in de ruwbouwafdelingen,

368 leerlingen in de houtopleidingen, 148

leerlingen in de opleidingen rond koeling en warmte

en 96 leerlingen bij de opleidingen voor schilders en

decorateurs.

Voor ruwbouw en decoratie gaat het om een voortzetting

van eerdere dalingen. De opleidingen rond houtbewerking,

koeling en warmte bleven tot nu toe nog

relatief gespaard maar kenden vooral in het schooljaar

2018-2019 een forse achteruitgang. De achteruitgang

doet zich ook voor in al de onderwijsniveaus: met

5% in deeltijds onderwijs, met 11% in TSO, met 12% in

BSO en met 25% in BuSO. De steeds lagere instroom

van leerlingen heeft vaak tot gevolg dat het aanbod

wordt afgebouwd bij gebrek aan kandidaten. Als deze

daling aanhoudt en het aanbod van arbeidskrachten

daardoor verder slinkt, zullen bouwbedrijven uiteindelijk

steeds meer genoodzaakt zijn zich aan te passen

aan een krappe arbeidsmarkt en de ontoereikende

capaciteit oplossen door onder meer in toenemende

mate over te gaan tot prefabricatie.

Het dalend aantal leerlingen en studenten in de bouw

staat ook in schril contrast met de duidelijke verhoging

van de opleidingseisen van de bouwbedrijven.

5000

4000

3000

2000

1000

Evolutie van het aantal leerlingen

in het secundair bouwonderwijs

per domein

Bron: Constructiv

0

Grafiek 27

2014-2015

2015-2016

Bouw

Koeling en warmte

2016-2017

2017-2018

2018-2019

Hout

Schilderen en decoratie

In 26% van de vacatures voor bouwberoepen wordt

gevraagd naar hoger geschoolden en in 32% van die

vacatures naar middengeschoolden. Dat blijkt uit een

analyse door de VCB van de 20 momenteel meest

gevraagde bouwberoepen. Voor de hooggeschoolden

ging het in 2018 om 4.372 vacatures en voor de middengeschoolden

om 5.316 vacatures. De bouw is niet

langer een sector waar de werkgevers zich tevreden

Visierapport 2019 121


124

SMART TOOLS

EN TALENTEN


HOOFDSTUK 04

Videoreportage

Talent in de bouw

Interview met Dries Herremans, coördinator bouw van Stadsbader.

Een enthousiaste getuigenis over het carrièreverloop van een

ingenieur bouw.

Visierapport 2019 125


Grafiek 28

Scholingsniveau per knelpuntberoep in de bouw (in %)

Bron: VDAB, Beroepen in cijfers

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Technicus studiebureau bouw

Conducteur bouw

Calculator bouw

Werfleider

Bouwkundig tekenaar

Installateur communicatienetwerken

Sanitair installateur

Technicus koeling en klimatisatie

Residentieel elektrotechnisch installateur

Binnenschrijnwerker

Monteur van centrale verwarming

Monteur interieurinrichtingen

Buitenschrijnwerker

Metselaar

Hooggeschoold

Middengeschoold

stellen met laaggeschoolden of het hebben van een

voorafgaandelijke scholing niet belangrijk vinden.

Voor vijf knelpuntberoepen uit de bouw is de vraag

naar hooggeschoolde profielen nadrukkelijk aanwezig:

voor de beroepen van conducteur en calculator,

werfleider en bouwkundig tekenaar en technicus van

een studiebureau. Terwijl het aantal eigen bouwarbeiders

nu relatief stabiel blijft, stijgt in de Vlaamse

bouw het aantal bouwbedienden gestaag: met circa

40% of 8.500 in vergelijking met 2009. Voor installatieberoepen,

zoals voor installateurs van sanitair,

warmte, koeling en elektriciteit, en voor houtbewerkende

beroepen, zoals voor binnen- en buitenschrijnwerkers

en voor monteurs van interieurinrichtingen,

bestaat een belangrijke vraag naar middengeschoolden

uit het secundair onderwijs.

4.2. Initiatieven vanuit de

opleidingsinstellingen

De vraag is nu in welke mate we deze neerwaartse

trend kunnen keren. Uit dit visierapport is al gebleken

dat de bouwbedrijven de laatste jaren belangrijke

vooruitgang hebben geboekt op het vlak van

digitalisering en nu ook innovatieve technieken uit de

industrie 4.0 beginnen te integreren. Dit moet bijdragen

tot een positiever imago van de bouw. Maar in

welke mate zijn de opleidingsinstellingen mee met de

nieuwste technologische innovaties in de sector? De

VCB vroeg het medio 2019 aan de Vlaamse universiteiten

en hogescholen en ontving van de meeste een

antwoord.

Uit het antwoord van de KU Leuven is gebleken dat in

de opleiding tot burgerlijk ingenieur aldaar alvast BIM

ter sprake komt. Aan de VUB komt BIM voor 12 lesuren

aan bod in de cursus Innovation in Construction

122


HOOFDSTUK 04

Materials: enerzijds via gastcolleges

van bouwbedrijven en studiebureaus

en anderzijds middels een

groepsopdracht. Cursusbegeleider

Ruben Santos werkt trouwens aan

een doctoraat over de actuele

problematiek van de integratie

van LCA (life cycle analysis) en LCC

(life cycle costing) in BIM. In het

academiejaar 2018-2019 werkten

studenten aan het gebruik van

sensoren om het bekistingsproces

te optimaliseren. Tevens wordt

gedacht aan de oprichting van

een interuniversitair postgraduaat

over het Internet of Things.

Bij UGent krijgen de toekomstige

burgerlijk ingenieurs al in

bacheloropleiding een beknopte

kennismaking met BIM. Ook in het

verplicht mastervak over wegenbouw

en mobiliteit zit een gastles

over BIM en Mobili-data vervat.

Bovendien kunnen studenten aan

UGent sedert het academiejaar

2018-2019 een keuzevak over

informatiebeheer in architectuuren

bouwprojecten volgen met

daarin een grondige studie van

BIM. In het keuzevak over diagnose

en herstelling van bouwwerken

komen digitale meettechnieken

aan bod terwijl het keuzevak

over geprefabriceerde betonconstructies

uitdrukkelijk ingaat op

industrialisatie en modularisatie.

Het onderzoek aan UGent betreft

onder meer digitale meettechnieken,

BIM en 3D-printing.

Bovendien beschikt de universiteit

over een homelab en een

officelab. Het gaat dan om

demogebouwen vol met sensoren

voor toepassingen van het

Internet of Things. Momenteel

loopt een onderzoeksaanvraag

naar een draadloze betonsensor.

Recente masterproeven lopen

er onder meer over de optimale

3D-printstrategie en de toepassing

van BIM bij schadediagnoses.

(→ WTCB-kaderstuk op p. 123)

WTCB steunt doctoraat bij UGent

over 3D-geprinte betonnen

elementen

Het WTCB heeft recentelijk het initiatief genomen om jongeren

extra te stimuleren voor een (onderzoeks)carrière in de bouw

door doctoraatsbeurzen te ondersteunen. Een eerste case in

verband met 3D-printing is gepland in samenwerking met het

Magnel laboratorium van UGent.

Om voor het 3D-printen op grotere schaal tot echte toepassingen

binnen de bouwmarkt te komen, moeten nog

veel onderzoeksvragen worden opgelost, meer in het bijzonder

over het structurele gedrag en de duurzaamheid van

3D-geprinte betonconstructies. Het belangrijkste voordeel van

de 3D-printtechniek bij de productie van betonnen elementen

is het feit dat er geen tijdrovende bekistingen van op maat

gemaakte elementen met complexe geometrieën nodig zijn.

Maar momenteel wordt bij het 3D-printen niet met beton

gewerkt maar met fijne mortelmengsels. Ook bestaat er nog

geen eenvoudige oplossing om 3D-geprinte betonelementen

te wapenen. Het doel van dit door het WTCB gesteunde doctoraatsproject

met prof. Van Tittelboom en prof. De Schutter

als supervisors, bestaat erin om betonnen elementen te

realiseren door eerst via 3D-printen een bekisting in mortel te

vervaardigen, voor of na de plaatsing van een wapeningskooi,

en vervolgens de geprinte bekisting te vullen met traditioneel

beton.

Dit houdt in dat complexe vormen moeten worden

geprint, rekening houdend met de beperkingen van het

3D-printproces, met name de gelaagde structuur, de beperkte

helling van het geprinte oppervlak en de moeilijkheid om

openingen te overbruggen. Het onderzoek gaat dieper in op

methoden om de hechting tussen de opeenvolgende geprinte

lagen te verbeteren (bijvoorbeeld door het verzekeren van een

minimale oppervlakteruwheid) en het gebruik van verschillende

geometrieën voor de spuitmond en op de toepassing

van een spuitmondstuk uitgerust met zij- en bovenspatels om

de gladheid te bewerkstelligen van het buitenste geprinte

oppervlak dat dan zichtbaar kan blijven.

Aangezien het de bedoeling is dat de 3D-geprinte bekisting

permanent op zijn plaats zou blijven, moet uiteraard worden

onderzocht of deze in aanmerking kan worden genomen bij

het beoordelen van de duurzaamheid. Zo zal het gedrag van

deze elementen worden getest bij

blootstelling aan onder meer carbonatatie

en vorst-dooibelasting.

Visierapport 2019 123


Bachelorstudent van

Thomas More aan het

werk bij de 3D-printer

in Kamp C

(ill. Confederatie Bouw)

In de opleiding voor professionele bachelor bouw bij

VIVES in Oostende komt vanaf het academiejaar

2019-2020 een specifiek opleidingsonderdeel met

focus op ruimtelijk inzicht, 3D-tekenen en BIM. In het

vak over bouwadministratie worden e-procurement

en e-tendering belicht. Studenten krijgen er ook

onderzoeksopdrachten rond hedendaagse thema’s,

in het academiejaar 2018-2019 onder meer over drones

in de bouw, het ontwerp van het ultieme ‘smart

gebouw, over ‘supercomfort’ in een slim appartement

met de nieuwste technologische snufjes en over

betonsensoren.

In datzelfde academiejaar liep bij VIVES een

Praktijkgericht Wetenschappelijk Onderzoek over BIM

en Smart Buildings. De focus lag niet alleen op het

belang van BIM voor de ontwerpfase maar ook voor

de volledige cyclus van een gebouw met het BIMmodel

als digitale tweeling voor beheer en monitoring

en tegelijk als materiaalinventarisatie in het

kader van urban mining. Tegelijk startte VIVES samen

met WTCB en PXL een COOCK-project over digitale

onderhoudsplanning 4.0 met als hamvraag hoe een

BIM-model van een gebouw kan worden gebruikt als

basis voor het facility management.

Bij PXL te Diepenbeek komt BIM in elk jaar van de

opleiding tot professionele bachelor bouw aan bod:

in het eerste jaar voor 3 studiepunten, in het tweede

jaar voor 8 studiepunten en in het derde jaar voor

4 studiepunten. In de nieuwe graduaatsopleiding

voor bouwkundig tekenen zal elke student een BIMgerelateerde

graduaatsproef moeten uitwerken. In

samenspraak met bedrijven onderzoeken studenten

Groeiende belangstelling

voor werkplekleren zoals

bleek uit de opkomst voor

een event over dit thema

bij Odisee te Aalst

(ill. Confederatie Bouw

Oost-Vlaanderen)

124


HOOFDSTUK 04

Nieuwe kleuter- en lagere

school te Brussel met veel

sociale ruimtes tussen de

klaslokalen ten gunste

van een collaboratief

leerproces

(ill. Denys, arch. BURO II &

ARCHI+I)

tal van concrete toepassingen in BIM zoals valbeveiliging

in BIM, BIM voor meet- en vorderingsstaten en

de integratie van een boilerruimte of een elektrische

installatie in BIM. Bij het expertisecentrum van PXL

voor bouw en energie loopt een TETRA-project rond

lean plannen en bouw met BIM als versterkende factor.

Dit project verloopt in samenwerking met HoWest

te Brugge.

In de lessen over bouw- en werforganisatie komen bij

PXL ook digitale plannings- en communicatietools

aan bod. In 2018 onderzocht een student bijvoorbeeld

in welke mate mobiele apps interne processen

kunnen optimaliseren. In de lessen over topografie

zullen vanaf het academiejaar 2019-2020 fotogrammetrie-opmetingen

worden geïntegreerd.

Ook in de professionele

bacheloropleiding bij LUCA

te Brussel zit BIM voor

100% in de basisopleiding

en wordt dit model ook als

werk-, teken- en communicatiemiddel

gebruikt in

praktijkateliers en -lessen.

Met name bij aannemers

vanaf de erkenningsklasse

5 is er volgens LUCA vraag

naar studenten met

BIM-kennis.

Bij Thomas More in Geel

wordt de opleiding voor

In de nieuwe

graduaatsopleiding voor

bouwkundig tekenen

zal elke student een

BIM-gerelateerde

graduaatsproef moeten

uitwerken.

professionele bachelor bouw grondig vernieuwd. Het

nieuwe curriculum zal minder plichtvakken bevatten

zodat studenten zich diepgaander kunnen specialiseren

in een innovatie. De kernwoorden van de

vernieuwing zijn BIM, lean en circulair. Nu leren alle

studenten voor 4 studiepunten modelleren in Revit. In

het nieuwe curriculum zullen zij ook leren technische

en administratieve informatie uit een BIM-model

te genereren, te interpreteren en te gebruiken en

zullen laatstejaars zich kunnen specialiseren in de

optimalisering van een digitale administratieve

projectopvolging.

Momenteel krijgen alle studenten digitale meettechnieken.

De hogeschool beschikt daartoe over een

3D-scanner maar plant zo snel mogelijk opmetingen

via drones in de opleiding te kunnen integreren. Het

opleidingsonderdeel over

uitvoeringstechnieken focust

nu al sterk op de prefabricatie

en modularisering

van betonelementen. In het

toekomstige curriculum wil

Thomas More overgaan tot

het leren (virtueel) aansturen

van machines vanuit

een Topsolid-tekening.

Studenten van deze hogeschool

werden van bij de

start nauw betrokken bij het

project 3D-betonprinten van

Kamp C.

Visierapport 2019 125


3D-printinstallatie

in het Magnel

laboratorium van

UGent

(ill. WTCB)

Met name rond digitale technieken (zoals BIM en

3D-scanning) en andere innovatieve technieken

(werken met drones) verliepen heel wat master- en

bachelorproeven in samenwerking met bouwbedrijven

en kwamen vertegenwoordigers van bedrijven gastcolleges

geven. Daarnaast liepen de meeste studenten

bij bouwbedrijven een stage waarop zij met de

nieuwste technieken in de bouw kennis konden maken.

Op een interactief debat eind april 2019 bij de KU

Leuven te Gent over de diverse samenwerkingsvormen

tussen bedrijven en hoger onderwijs kwamen trouwens

nog andere vormen van samenwerking aan bod,

zoals bezoeken aan bedrijven, netwerkevenementen

en jobbeurzen, projectwerking rond een bedrijfscase

en korte observatieperiodes in bedrijven. Uit een

voorafgaande poll bij 256 nog studerende industriële

ingenieurs bij de KU Leuven bleek dat voor maar liefst

69% een stage nog de beste methode vormde om

met bouwbedrijven in contact te komen: een voorkeur

die op de debatavond ruimschoots werd beaamd

door het publiek dat grotendeels uit vertegenwoordigers

van bedrijven bestond.

Bij de opleiding voor burgerlijk ingenieur zijn bedrijfsstages

nog facultatief. Toch volgen bij UGent jaarlijks

een 30-tal kandidaat burgerlijk ingenieurs een stage

bij bedrijven. Voor kandidaat industrieel ingenieurs

vormt de bedrijfsstage een verplicht onderdeel van

het curriculum. Op de debatavond te Gent werd de

vraag gesteld of deze stageregeling tot drie maanden

kon of moest worden uitgebreid. Een eerste

bedenking was of daarvoor voldoende stageplaatsen

kunnen worden gevonden. Bij het duaal leren in het

secundair bouwonderwijs zijn er alvast meer bedrijven

met een erkenning dan bedrijven met een duale

leerling. Het aanbod van leerwerkplaatsen blijkt dus

niet zo problematisch als het aanbod van leerlingen.

In dit verband werd dan wel gepleit voor grondig

gecoachte trajecten met een intensieve interactie

tussen bedrijven en faculteiten. Zo kwam de idee van

co-investering op de proppen.

Grafiek 29

Interesse in vormen van betrokkenheid tussen onderwijs en

bedrijven (in % van antwoorden)

Bron: KU Leuven enquêtes

0 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100

Via bedrijfsstages

Via de uitvoering van een masterproef

Via gastcolleges

Via projectwerk rond bedrijfscases

Via bedrijfsbezoek

Via netwerkevent of jobbeurs

Via dag van observatie

Vanuit het werkveld

Volgens de studenten

126


HOOFDSTUK 04

Grafiek 30

Aantal scholen per duale bouwopleiding voor 2019-2020

Bron: Constructiv

3de graad ruwbouw

3de graad decoratie- en schilderwerken

3de graad afwerking

3de graad bouwplaatsmachinist

Sense ijzervlechter en bekister-betonneerder

Sense vloerder-tegelzetter

Sense dakwerker

Sense restauratievakman decoratie- en schilderwerken

Sense schrijnwerker houtbouw

Sense stukadoor

Sense daktimmerman

Sense steigerbouwer

0 5 10 15 20 25 30 35

Bij werkplekleren speelt de mentor in de bedrijven

immers een cruciale rol. De mentor moet een

duizendpoot zijn. Hij (of zij) moet de nieuwkomers

begeleiden, coachen én opleiden. Hij is de schakel

tussen de werkvloer en de zaakvoerder of de personeelsdienst.

Hij moet weten wat de job inhoudt

en dat ook kunnen overbrengen. Hij moet met de

nieuwkomer matchen, een vlotte prater zijn, geduldig

én geëngageerd. Bij de toepassing van het duaal

leren heeft de bouwsector als eis gesteld dat de

mentor een opleiding volgt. Constructiv biedt mentoropleidingen

aan. Die vinden onder meer bij de lokale

bouwconfederaties plaats. Bedrijven getuigen dat

die met interesse worden gevolgd. Werkplekleren is

zowel voor de leerling, de mentor als voor het bedrijf

een meerwaarde mits voldoende investering, inzet en

motivatie van alle partijen.

Daar staat ook enige overheidstussenkomst tegenover,

met name de start- en stagebonus en de

mentorkorting van 800 euro per kwartaal. Maar er

is maar 1 mentorkorting per 5 leerlingen terwijl een

mentor in bedrijven best 1 tot maximum 2 leerlingen

begeleidt. Elke steun vergt ook administratieve

verplichtingen. Vanuit de sector bestaat bijkomend

het systeem van de bouwingroeibanen. Bovendien

voorziet de nieuwste cao voor de bouw nog in extra

sectorale steun voor het mentorschap.

Dirk Herman, senior HR business partner bij Willemen

Infra, getuigde hierover op een evenement van de

Confederatie Bouw Oost-Vlaanderen in mei 2019, als

volgt: “In 2018 hebben wij 10 studenten uit stages

aangeworven. Stel dat wij die hadden moeten aanwerven

via selectie- en uitzendkantoren, dan had dit

ons voor 75.000 euro aan selectiefees gekost.” Gezien

de krapte op de arbeidsmarkt zijn ook selectie- en

uitzendkantoren intensief op zoek naar kandidaten.

Het aandeel van de uitzendactiviteit in de Vlaamse

bouw is intussen gestegen tot 4%. Aannemers klagen

dat zij nauwelijks nog ‘ongebonden’ arbeidskrachten

vinden. Zo vroeg mogelijk bij leerlingen en studenten

naambekendheid verwerven is dus de boodschap.

Nieuwe overheidsinitiatieven versterken nog de

belangstelling voor werkplekleren, zoals de definitieve

invoering van het duaal leren in het secundair

onderwijs vanaf september 2019. Volgens de huidige

planning bieden dan 60-opleidingsinstellingen

duaal leren aan voor diverse disciplines in de bouw,

van ruwbouw, afwerking tot schrijnwerk. Ook voor

centrale verwarming en sanitair is een duale opleiding

gepland. Maar die kon nog niet in het schooljaar

2019-2020 van start gaan.

Een andere belangrijke vernieuwing is de opkomst in

het hoger onderwijs van het graduaat dat voorziet in

minimaal een derde werkplekleren, eveneens vanaf

het schooljaar 2019-2020 in een aantal hogescholen,

met name bij Odisee te Aalst en bij Artesis Plantijn te

Antwerpen.

Bovendien heeft de Vlaamse regering medio 2019 op

de valreep nog een startnota over de invoering van

Visierapport 2019 127


Grafiek 31

Vormen van opleiding en werkplekleren bij de VDAB

(in aantal unieke werkzoekende klanten)

Bron: VDAB

0 250 500 1000 1500 2000 2500 3000

Beroepsgerichte opleiding

Oriënterende opleiding

Opleidingsstage in de onderneming

Individuele beroepsopleiding in de onderneming

2017 2018

duaal leren in het hoger onderwijs goedgekeurd. De

nota pleit voor minimaal een derde leren op de werkplek,

zoals in het graduaat. Het Managementcomité

Onderwijs, Vorming en Werk zal de komende maanden

op basis van deze startnota de invoering van

duaal leren in het hoger onderwijs voorbereiden.

Maar het zal de nieuwe Vlaamse regering zijn die op

een aantal punten de knoop zal moeten doorhakken.

Ook ten aanzien van de werkzoekenden bestaan er

in de bouw- en houtsector uitgebreide mogelijkheden

om in een vroeg stadium met hen kennis te maken. Bij

de VDAB stonden in 2018 tegenover de 1.997 werkzoekenden

in opleiding, 793 werkzoekenden die een

opleidingsstage volgden, en 2.790 werkzoekenden in

een IBO (individuele beroepsopleiding in de onderneming).

Het werkplekleren is er dus belangrijker dan het

leren in de opleidingscentra. De laatste cao die voor

de bouw werd afgesloten, heeft intussen duidelijk

bepaald welke looncategorie (I A) voor een IBO moet

worden toegepast. Voorheen bestond hierover nogal

wat onduidelijkheid.

4.3. Initiatieven vanuit de sector

Maar wat doet de sector zelf om de digitalisering te

ondersteunen? Op dit vlak zijn er initiatieven vanuit de

bouwbedrijven zelf, vanuit de Confederatie Bouw en

vanuit de collectieve onderzoekscentra WTCB en OCW

en vanuit de opleidingsfondsen Constructiv en Cevora.

Het onderzoeksrapport Coming of Age Digitally dat

het MIT in de zomer van 2018 in samenwerking met

Deloitte Insights publiceerde, vertrok van een grootschalige

enquête bij 4.300 managers, bedrijfsleiders

en analisten. Uit hun antwoorden bleek dat in 2018

reeds 30% van bedrijven zich als ‘digitally mature’

beschouwden tegenover nog maar 25% in 2017.

Tegelijk daalde het aandeel van de ‘early adopters’ van

34% tot 25%. Een gelijkaardige versnelling stellen we

nu ook in de bouwsector vast. Vandaar het nut van de

conclusies van dit onderzoeksrapport voor de bouwbedrijven

en in eerste instantie voor het leiderschap

van deze bedrijven. (→ getuigenis van Deloitte op

p. 134)

Een efficiënt digitaal leiderschap wordt volgens MIT

en Deloitte gekenmerkt door de volgende sleutelvaardigheden:

een duidelijke visie en missie, ruimte voor

experimenten en voor medewerkers om anders te denken

en openheid voor samenwerking over de grenzen

van bedrijf en sector heen. Bouwbedrijven moeten zich

bijvoorbeeld niet focussen op de Internet of Thingstoepassing

als dusdanig maar wel op de extra diensten

die zij daarmee aan kandidaat-bouwers en -verbouwers

kunnen bieden. Het heeft bijvoorbeeld geen zin

om zomaar een massa data te laten analyseren. Bij de

analyse moet een duidelijke doelstelling voorop staan.

128


HOOFDSTUK 04

Vooruitlopende bouwbedrijven staan ook meer open

voor de aanwerving van mensen met een minder

eenduidig bouwprofiel of zij gaan allianties aan met

of investeren in start-ups die een nieuwe aanpak ontwikkelen.

Zo heeft Renson voor de analyse van haar

databestand van ventilatiesystemen een vijftal wiskundigen

aangeworven, heeft Vanhout.pro besloten

te participeren in Bao Living en werkt het bouwbedrijf

Vanhout samen met LITO rond de Litobox.

Het beslissingsproces in digitaal gevorderde bedrijven

verloopt minder top down en meer vanuit de basis.

Deze aanpak sluit aan bij de huidige tendens in de

Vlaamse bouw naar ‘lean bouwen’. Momenteel wordt

trouwens onderzocht in welke mate een digitale tool

zoals BIM lean bouwen kan faciliteren. Bij het digitaliseringsproces

gaat het vaak ook om het nemen

van risico’s, om het leren omgaan met veranderingen

en een meer gespreid beslissingsproces. De positieve

maar ook de negatieve resultaten van de gevoerde

experimenten moeten dan wel worden gebruikt om

de organisatie te veranderen.

Meer in het bijzonder voor bouwbedrijven die

doorgaans op een al rijpe markt opereren, komt

het erop aan te experimenteren met het oog op de

concurrentieslagen van de toekomst en tegelijk hun

sterke positie op de huidige markten te behouden.

MIT en Deloitte raden hen concreet aan ‘pockets of

fresh thinking and innovation’ te creëren. In dit verband

valt op dat de grotere bouwgroepen, zoals de

groepen Willemen, BAM en Cordeel, op dit ogenblik

vaak een innovatiecoördinator aanduiden of een

innovatiestructuur opzetten die buiten de dagelijkse

werking staan maar wel actief op zoek gaan naar

mogelijke beloftevolle veranderingen en die helpen

implementeren.

Vooruitlopende bouwbedrijven staan

ook meer open voor de aanwerving

van mensen met een minder

eenduidig bouwprofiel of zij gaan

allianties aan met of investeren in

start-ups die een nieuwe aanpak

ontwikkelen.

Deelnemers aan de

Vlaamse Houtproef

bij het VTI van

Waregem

(ill. Confederatie

Bouw)

Visierapport 2019 129


Kinderen leren robotten

bouwen en programmeren

in de FIRST LEGO League,

een gezamenlijk initiatief

van de Limburgse

bouwfederatie en Voka

(ill. Confederatie Bouw

Limburg)

Tenslotte impliceert de digitalisering een belangrijke

opleidingsinspanning. Het onderzoeksrapport van MIT

en Deloitte toont aan dat 90% van de respondenten

nu minstens een jaarlijkse update van hun competenties

nodig achten om in een gedigitaliseerde

organisatie te kunnen werken maar dat slechts 34%

tevreden zijn met de mate waarin hun organisatie

de competentieontwikkeling ondersteunt. Vooral bij

de eerste digitaliseringsstappen investeren bedrijven

nog te weinig in opleiding. Maar het moet daarbij

niet noodzakelijk om formele opleidingen gaan.

On the job training kan soms veel efficiënter zijn,

temeer daar de medewerkers nu over veel meer data

beschikken om hun eigen prestaties te kunnen beoordelen

en verbeteren. Bouwbedrijven richten daarvoor

zelf opleidingsacademies op zoals bijvoorbeeld de

Willemen Academy. Zij richten zich ook vaker tot hun

lokale bouwconfederaties om hen te helpen bij de

samenstelling van opleidingsprogramma’s op maat.

Naast de VCB nemen ook lokale bouwconfederaties

drempelverlagende initiatieven om bedrijven op weg

te zetten naar digitalisering. In de BouwFlash live van

de Confederatie Bouw Oost-Vlaanderen op 13 september

2019 werden inspiratiesessies gepland rond

onder meer Track & Trace, BIM voor de bouw-kmo,

Virtual en Augmented Reality in de bouw en digitale

fraude. Want naarmate de bouw digitaliseert, wordt

cybersecurity een almaar belangrijker thema.

De Confederatie Bouw Limburg van haar kant heeft in

2019 digitaliseringsweken georganiseerd waarbij telkens

een nieuwe topic werd toegelicht met thema’s

zoals de toepassing van Augmented Reality, BIM en

drones. In 2019 heeft de Confederatie Bouw Limburg

met succes ook een eerste opleidingsprogramma voor

werknemers over BIM aangeboden. Met de steun van

Cevora werden in Vlaanderen ook al in 2017 en 2018

werkzoekenden tot BIM-modelleur opgeleid.

De VCB steunt de leden al langer bij de digitalisering

en de introductie van nieuwe technologieën, eertijds

bijvoorbeeld via het project ABC Digibouw. Deze

inspanningen worden nu in verschillende projecten

verdergezet. Drie vragen spelen een hoofdrol bij de

digitalisering en innovatie in de sector. De eerste en

misschien wel belangrijkste is: “What’s in it for me?

Waarom zou ik als aannemer eraan beginnen? Dat

leidt tot de tweede vraag: “Heb ik genoeg informatie”.

En onrechtstreeks leidt dat tot de derde vraag:

“Weten de providers wel wat ik nodig heb?” De VCB

speelt met haar projecten perfect in op deze vragen.

Het eerste voorbeeld is BRICS. Dit programma loopt

al enkele jaren en vertrekt van de idee dat een

aannemer best kan leren van collega-aannemers.

Oorspronkelijk lag de nadruk op bedrijfsbeheer in

de brede zin van het woord maar intussen is er ook

een BRICS-groep over werken in het buitenland

bijgekomen. In de voorbije jaren kregen de lokale

confederaties bovendien de vraag om iets te doen

rond innovatie. Daarom is de VCB begonnen met

een BRICS-groep Innovatie. De groep was meteen

succesvol met 26 deelnemers met een heel diverse

achtergrond, van installateur HVAC over houtskeletbouwer

tot grondwerker. De meerderheid bestaat uit

kleine of relatief kleine bedrijven die op zoek zijn naar

niches om in uit te blinken. Het zijn dus aannemers

130


HOOFDSTUK 04

die openstaan voor de integratie van innovatie in hun

onderneming, eerder trekkers dan volgers.

BRICS laat de deelnemers zelf meebeslissen over de

inhoud van een traject. Er werden zes topics gekozen:

BIM, 3D-printing, drones, 3D-laserscanning,

Augmented en Virtual Reality en ten slotte de

digitale bouwwerf. De aanpak is laagdrempelig.

BRICS laat aannemers kennismaken met innovatieve

technologieën en legt de nadruk op de potentiële

toepassingen eerder dan op de technische details.

Welke gevolgen heeft een doorbraak van 3D-printing

voor mijn businessmodel? Wat kan een bouwbedrijf

doen met drones en wat willen de deelnemers ermee

doen? Welk nut heeft 3D-laserscanning? De BRICSgroep

Innovatie licht telkens een tipje van de sluier

op. Tegelijk komen problemen aan het licht waarmee

de VCB aan de slag kan bij haar lobbywerk. Zo was

de Belgische wetgeving op de toepassing van drones

aanvankelijk zo restrictief dat ze het gebruik in de

bouwsector sterk bemoeilijkte.

De bevraging van de deelnemers aan de BRICSgroep

Innovatie gaf al aan dat BIM de meeste

interesse wekte. Dat is ook gebleken uit de enquête

die de VCB medio 2019 onder de leden organiseerde.

Op de vraag naar de nood aan bijkomende opleidingen

kwam de behoefte aan opleidingen over digitale

bedrijfsprocessen op de eerste plaats (bij 46% van de

bedrijven) en de behoefte aan bijscholing over BIM

op de tweede plaats (bij 42% van de bedrijven). Rond

toepassingen van het Internet of Things, digitale

meettechnieken en Virtual en Augmented Reality

registreerde de enquête een veel lagere belangstelling

bij respectievelijk maar 35%, 28% en 25% van de

respondenten.

De relatief grote belangstelling voor BIM heeft te

maken met de ongelijke spreiding van de kennis

over dit thema. De overtuiging leeft dat BIM een

meerwaarde heeft voor alle bouwbedrijven. Maar

sommige deelnemers zijn eerder op zoek naar een

inleiding. Andere hebben al zeer concrete vragen over

technische aspecten. BRICS Innovatie gaat dus sessies

aanbieden voor gevorderden en voor beginners.

Het is dus mogelijk dat er in de toekomst een BRICS

BIM komt.

BIM werd intussen ook al grondig bestudeerd in de

BIM-cluster. Deze cluster werd opgestart door het

WTCB in samenwerking met het bedrijfsleven en

met de steun van het VLAIO (Vlaams Agentschap

Innoveren en Ondernemen). De cluster startte in 2016.

Hij is georganiseerd rond verschillende werkgroepen

en verenigt betrokkenen uit de hele bouwketen: aannemers,

studiebureaus, architecten, facility managers,

Constructiv en VDAB. De cluster verricht belangrijk

werk, onder meer op het vlak van modelleer-afspraken,

de juridische aspecten en standaardisatie.

Belangrijke verwezenlijkingen van de BIM-cluster

zijn op dit moment het BIM-protocol en het BIMuitvoeringsplan.

Het protocol regelt de verantwoordelijkheden

en taken wanneer BIM voor een bouwproject

wordt gebruikt. Het uitvoeringsplan legt uit hoe

men het protocol in de praktijk moet omzetten.

Het zijn twee belangrijke documenten die ondertussen

door heel wat aannemers worden gebruikt. Ook

opdrachtgevers doen er een beroep op. Zo werd in

april 2019 een nieuwe versie van het standaardbestek

250 voor de wegenbouw gepubliceerd. Het bevat

een onderdeel gewijd aan ‘BIM-gericht’ werken.

Om te verduidelijken wat daarmee bedoeld wordt,

Grafiek 32

Belangstelling voor opleidingen over digitale technieken

(in % van de antwoorden)

Bron: VCB-ledenenquête medio 2019

Digitale bedrijfsprocessen

Toepassing van BIM

Toepassingen van Internet of Things

E-facturatie

Digitale meettechnieken zoals 3D-scanning

Virtual en augmented reality

0 10 20 30 40 50

Visierapport 2019 131


verwijst het bestek naar het BIM-protocol en BIMuitvoeringsplan.

Het VLAIO subsidieert de BIM-cluster

nog tot september. Maar wellicht betekent dat niet

het einde van dit project. Het is de uitdrukkelijke

bedoeling van het WTCB om het project verder te

zetten en de VCB er blijvend bij te betrekken om het

op te volgen.

De knowhow in de bouw is nu

versnipperd. Op middellange

termijn moet een volledig

ecosysteem tot stand komen,

met een stappenplan en

gezamenlijke acties om de

markt te ontwikkelen.

De recentelijk op initiatief van WTCB en VCB opgestarte

cluster Smart Buildings in Use concentreert

zich op de exploitatiefase van constructies en

gebouwen. Deze worden voortdurend complexer om

te onderhouden en te beheren. Bovendien hebben

de gebruikers steeds hogere verwachtingen maar

moeten tegelijk de kosten zo laag mogelijk liggen.

Nieuwe technologie kan een deel van de oplossing

zijn, zoals het gebruik van sensoren, het Internet of

Things en bouwen met BIM. Daarnaast zijn er ook

businessmodellen die op deze eisen inspelen, zoals

DBFM (Design, Build, Finance en Maintain).

Het blijkt evenwel niet simpel om dit alles te integreren.

De knowhow is versnipperd. Bedrijven werken

niet genoeg samen. Een plan van aanpak ontbreekt.

Algemene aannemers en (bouw)bedrijven die aan

facility management doen, worden vaak met deze

tekortkomingen geconfronteerd maar ook gebouweigenaars

en -beheerders, vastgoedontwikkelaars en

ten slotte de aanbieders van hardware en software.

Daarom brengt Smart Buildings in Use deze groepen

samen. Samenwerking, sensibilisering, kennisvergaring

en -uitwisseling zijn de ordewoorden. Het project

wil ook de ontwikkeling van nieuwe toepassingen

stimuleren. Op middellange termijn moet een volledig

ecosysteem tot stand komen, met een stappenplan

en gezamenlijke acties om de markt te ontwikkelen.

werkgroep Artificiële Intelligentie (AI) opgestart. De

weerslag van de bevindingen van deze werkgroep was

al opgenomen in hoofdstuk 2.3. De Vlaamse regering

heeft intussen een actieplan rond AI goedgekeurd.

Het was de bedoeling voor dit actieplan op jaarbasis

recurrent 30 miljoen euro uit te trekken. Daarvan is 12

miljoen euro voorbehouden voor topbasisonderzoek,

14 miljoen euro voor implementatie (met bijzondere

aandacht voor een algemene maturiteitsverhoging bij

de digitalisering van de Vlaamse economie en voor de

toepassing van AI in specifieke domeinen en sectoren)

en 4 miljoen euro voor opleiding, outreach en het

ethisch kader.

Uit de besprekingen op de AI-werkgroep van de VCB

is duidelijk gebleken dat ook de bouw prominent

aanwezig zou moeten zijn in het tweede deel van het

vooropgestelde actieplan, bijvoorbeeld via projecten

onder COOCK (Collectief O&O en Collectieve

Kennisverspreiding). WTCB, VCB en Imec hebben alvast

het initiatief genomen om hiervoor een projectvoorstel

in te dienen.

In haar bijdrage aan het regeerakkoord van de

Vlaamse regering voor 2019-2024 beveelt de Vlaamse

administratie aan dat de tot nu toe gevoerde gecoördineerde

aanpak en ondersteuning ten gunste van de

industrie nu best zou worden uitgebreid van de maakindustrie

naar de volledige economie. “We verwachten

dat de impact van onder andere de digitalisering op

bijvoorbeeld dienstenactiviteiten ook op eerder korte

termijn minstens zo groot of zelfs groter zou kunnen

zijn dan op maakactiviteiten”, zo luidt het nog in deze

bijdrage. Uit de vorige hoofdstukken is al duidelijk

gebleken dat deze impact met name voor de bouw

groot zal zijn, zeker nu de digitalisering zich meer en

meer zal uitbreiden van de bedrijfsorganisatie naar de

productie.

De Vlaamse administratie pleit in dit verband voor

een verbreding naar een ruimere groep van bedrijven.

Tegelijk stelt zij dat in aanvulling op het technologische

onderzoek ook onderzoek naar de economische

en bedrijfskundige aspecten van de transities nodig

is en in het bijzonder naar de langetermijneffecten

van de gecombineerde digitale, circulaire en energietransitie.

Ook op dit vlak is de bouw in hoge mate

illustratief vermits precies in deze sector de digitalisering

in belangrijke mate kan bijdragen tot een lagere

CO2-uitstoot van gebouwen en tegelijk kan helpen

om mee een circulaire bouweconomie te realiseren.

Wij verwijzen daarbij ook naar de getuigenissen van

WTCB (op p. 136) en OCW (op p. 138).

In samenwerking met een aantal vooral grotere

bouwbedrijven heeft de VCB recentelijk ook een

132


Besluit I HOOFDSTUK 04

Besluit

Het vierde hoofdstuk focuste op de bouwarbeidsmarkt

met vooreerst de vaststelling dat de

bouwberoepen momenteel niet tot de attractiefste

beroepen behoren behalve die van

ingenieur en architect. Maar het beroep van

ingenieur wordt blijkbaar niet geassocieerd met

dat van werfleider en het beroep van architect

vormt momenteel geen knelpuntberoep. Uit

een grootschalige enquête van Constructiv en

Cevora zijn vooralsnog geen grondige wijzigingen

in de beroepenstructuur van de bouw

gebleken.

Het bouwarbeidersbestand blijft bestaan uit

een mix van bredere profielen en zeer gespecialiseerde

functies. Bij de bouwbedienden zien

we twee tendensen: bij de technische bedienden

een gestegen vraag naar niet-bouwtechnische

competenties en tegelijk een toenemende

vraag naar niet-bouwtechnische profielen. In

het algemeen zien we ook een stijging van het

gevraagde opleidingsniveau terwijl de sector

geconfronteerd wordt met een fors dalend aantal

leerlingen in het secundair bouwonderwijs

in combinatie met een ondermaatse instroom

vanuit het hoger en universitair onderwijs.

Kwantitatief beantwoorden de scholen niet aan

de vraag van de sector. Op basis van een korte

bevraging merken we wel dat universiteiten en

hogescholen in belangrijke mate mee zijn met

de innovatieve tools die in de bouw beginnen

door te breken, vooral bij de toepassing van

BIM. Vanuit de opleidingsinstellingen bestaat

ook meer belangstelling om met de bouwbedrijven

samen te werken en informatie te

delen, meer in het bijzonder via bedrijfsstages.

De definitieve invoering van het duaal leren in

het secundair onderwijs en de opstart van de

graduaten in het hoger onderwijs zullen deze

tendens nog versterken.

MIT en Deloitte hebben de mindset onderzocht

van bedrijven die zich voluit wagen op het pad

van de digitalisering. Een aantal bouwbedrijven

gaan hierin ook mee door allianties met digitale

start-ups te sluiten, door binnen het bedrijf

innovatiespirit te promoten en een innovatiestructuur

op te zetten en vooral ook door extra

in te zetten op (bedrijfsinterne) opleidingen.

Maar vooral omwille van de kmo-structuur van

de sector is externe ondersteuning daarbij van

groot belang. VCB, WTCB en OCW hebben in

dit verband al tal van initiatieven ontwikkeld,

zoals de oprichting van een BRICS-groep rond

innovatie, de uitbouw van een BIM-cluster, de

opstart van de cluster Smart Buildings in Use en

het aanbod van een Digibouw-barometer in de

wegenbouwsector.

De VCB roept de nieuwe Vlaamse regering

op om dergelijke initiatieven vanuit en voor

de bouw verder te ondersteunen. De eerste

digitaliseringsgolf in de bouw is nog maar pas

opgekomen. Andere digitaliseringsgolven zullen

volgen. Zij zullen een belangrijke impact hebben

op het leven en werken van de Vlamingen,

meer nog dan de digitalisering in de industrie,

en tegelijk in belangrijke mate ons leefmilieu en

ons klimaat ten goede komen.

Bovendien zien wij de toenemende digitalisering

in de bouw ook als een belangrijke

hefboom voor een beter imago van de sector

en voor een grotere aantrekkelijkheid van de

bouwbedrijven. Dat bleek ook al duidelijk uit de

innovatiebeurzen die Vlaamse bouwbedrijven

voor jongeren organiseren en waar we in de

inleiding al naar verwezen. Innovatieve (voornamelijk

digitale) instrumenten staan daarbij

voorop.

Visierapport 2019 133


Getuigenis

Van data naar betere

processen en marges

Ulrike Debels

Deloitte

Deloitte biedt niet alleen diensten

op het vlak van auditing en

accounting, fiscaal en financieel

advies aan maar ook op het

vlak van bedrijfsprocessen, HR

en technologie. Van bij de start

van het project BouwRadar was

Deloitte hierbij betrokken als

consultant. Terwijl bouwbedrijven

met dit project aanvankelijk

vooral werden bijgestaan bij

de analyse van hun financiële

toestand, verbreedde de focus

naderhand naar strategie, rapportering

en HR en ook naar de

implementatie van de digitalisering.

Ulrike Debels is als director

Strategy & Performance gespecialiseerd

in de ondersteuning

van familiale bedrijven die hun

structuren willen optimaliseren,

de efficiëntie van hun financieel

beleid willen verbeteren en dit

onder meer met focus op technologische

oplossingen.

Ulrike Debels: “Bedrijven beschikken

over heel wat informatie maar

weten niet altijd hoe de beschikbare

informatie juist te gebruiken.

Zij beschikken over tal van data

maar slagen er niet in de puzzel

samen te leggen. Digitalisering

is geen doel op zich maar een

‘enabler’. De voornaamste vraag

is dus: wat doen we met al de

beschikbare data, hoe kunnen we

die structureren en op welke manier

kunnen we daardoor betere

diensten aan kandidaat-bouwers

en -verbouwers bieden?”

Gelukkig kunnen de bouwbedrijven

voor hun digitaliseringsproces

(onder meer bij de implementatie

van een ERP) al rekenen op een

aantal gevestigde waarden. Er

zijn momenteel ERP-pakketten

beschikbaar voor zowel kleinere

als middelgrote en grote

bedrijven. Ook per subsector in

de bouw (ruwbouw, installatie,

schijnwerk enz.) zijn aangepaste

ERP-pakketten beschikbaar. De

maturiteit van de software-aanbieders

is groot.

GEBRUIK VAN ECOSYSTEMEN

Vaak maken bouwbedrijven nu

gebruik van digitale ecosystemen

als IT-platform. Ze kunnen vertrekken

vanuit een vaste basis maar

daarnaast zijn ook zijpakketten

(of ‘apps’) mogelijk. Het komt er

dan op aan het basispakket en de

zijpakketten met elkaar te laten

communiceren. Het bouwbedrijf

hoeft trouwens niet zelf in te

staan voor de connecties. Dat kan

de dienstverlener voor hun doen.

Bovendien vergt digitalisering

niet langer grote investeringen.

Het is nu meer dan voorheen een

huurmarkt.

De digitalisering van het werk op

kantoor is intussen al verder gevorderd

dan de digitalisering van de

informatiestromen tussen kantoor

en bouwplaats. BIM is moeilijker

omdat bij het gebruik ervan

de verschillende partners een

consensus moeten kunnen vinden.

Maar voor Artificiële Intelligentie

volstaat het dat leveranciers platformen

creëren, zoals dat al voor

de toepassing van Virtual Reality is

gebeurd.

Ulrike Debels: “De gebrekkige

beschikbaarheid van digitale

programma’s is dus niet langer

het grootste probleem. Wanneer

een bouwbedrijf niet durft te

digitaliseren, gaat het vooral om

de vrees anders te moeten gaan

werken. Het is voornamelijk een

zaak van change management

134


Getuigenis I HOOFDSTUK 04

eerder dan van kosten en faciliteiten.”

Bij de keuze van een ERP

raadt Ulrike Debels aan vooral

aandacht te hebben voor wat

het bedrijf onderscheidt van de

andere bedrijven. Op basis hiervan

kan een bedrijf dan gemakkelijkst

uitmaken in welke mate maatwerk

nodig is.

PROJECT CONTROLLING

Een belangrijke nieuwe competentie

is die van project controlling.

Ulrike Debels: “De project controller

is iemand die een belangrijke

brugfunctie vervult. Hij moet uit

de beschikbare data de essentie

halen en daaruit tegelijk de gevolgen

voor de uitvoering kunnen

aangeven. Dat vergt een combinatie

van analytische en communicatieve

vaardigheden. Een ERP

kan wel een aantal anomalieën

aangeven maar het is aan de

controller om uit deze informatie

de precieze consequenties af te

leiden.” Bij grotere bedrijven kan

het om een aparte functie gaan.

Maar iemand in het bedrijf moet

uitdrukkelijk deze verbindingsrol

op zich nemen.

Ulrike Debels: “De uitdaging is niet

zozeer over data te beschikken

maar wel via de opvolging van

data het bedrijfsproces vorm te

geven en aan de data ook de

strategie van het bedrijf af te

toetsen. Het grootste gevaar zit

in data die niet worden gebruikt

en die niet naar het operationele

niveau worden vertaald. Wat bij de

digitalisering vaak ontbreekt, is de

mens als ‘liaison officer’. Cruciaal

bij de digitalisering van een bedrijf

is een voldoende betrokkenheid

van de medewerkers.”

HR-BELEID

Het HR-beleid speelt daarbij een

belangrijke rol maar bouwbedrijven

beschouwen de ontwikkeling

van een HR-beleid nog vaak als

een kost. Bij de ontwikkeling van

hun strategie zijn zij te weinig

bezig met de daarvoor vereiste

talentontwikkeling. Het is nochtans

belangrijk dat zij daarin zelf het

initiatief nemen om niet volledig

afhankelijk te zijn van uitzend- en

selectiebureaus. Ulrike Debels:

“Sommige bouwbedrijven zijn

daarin wel actief en gaan dan

bijvoorbeeld een eigen academie

oprichten. Dat is ook een positief

element in hun ‘employer branding’.

Ze maken daarmee duidelijk

dat er bij hen carrièremogelijkheden

bestaan. Bouwbedrijven hebben

er eveneens belang bij meer

samen te werken met de scholen

en hogescholen uit hun regio. Die

moeten trouwens zelf ook meer

inzetten op IT.”

Belang van de

project controller

(ill. Deloitte)

Investeer in data driven project controller die zelf marge gedreven dashboards

kan bouwen met een self service BI-oplossing. Koppel maximaal met

operationele data.

12 Unieke inzichten voor het bouwbedrijf van de toekomst

Visierapport 2019 135


Getuigenis

Bouwbedrijven en WTCB

drijvende krachten voor

diepgaande veranderingen

Olivier Vandooren

WTCB

Voor alle bouwberoepen en zeker

voor de bouwaannemers bestaan

er momenteel, onafhankelijk van

hun grootte, veel opportuniteiten.

Dankzij nieuwe methodes,

zoals lean construction en BIM,

ontstaan voor de bouwprofessionelen

meer dan ooit tevoren

kansen voor een betere samenwerking

die voor alle partijen

winstgevender kunnen zijn.

Daarnaast kunnen vandaag alle

beroepen over een massa op

maat gemaakte nieuwe technologieën

beschikken. Tenslotte

zijn de nieuwe generaties en met

name de jongeren nu vragende

partij voor een modernisering van

de bouwsector. Het is dus meer

dan ooit tijd voor een diepgaande

verandering in de bouwsector

en daarvoor moeten de bedrijven

zelf en het WTCB de drijvende

krachten zijn, aldus Olivier

Vandooren, de nieuwe directeurgeneraal

van het WTCB.

Wat bijvoorbeeld BIM betreft,

wijst hij erop dat onze buurlanden

al meer dan tien jaar werken

aan de invoering ervan: eerst in

de Scandinavische landen en

meer recentelijk ook in Nederland,

Engeland en Frankrijk. Olivier

Vandooren: “België moest dus

reageren om niet achter te blijven.

Het is de sector en de voorzitter

van het WTCB, Johan Willemen,

die het initiatief nam om in 2016

het Technisch Comité BIM & ICT

op te richten. Dit sectorale comité,

volstrekt uniek in Europa, heeft er

meteen voor gekozen om vertegenwoordigers

van alle beroepen

samen te brengen. Deze professionals

hebben er alles aan gedaan

om de eerste referentiedocumenten

zo snel mogelijk aan te

leveren. In slechts 3 jaar tijd zijn er

meer dan 110 werkbijeenkomsten

en bijna 1.900 professionele deelnemers

geweest. En het resultaat

mag er zijn: recentelijk werden

zo het Belgisch BIM-protocol

en een BIM uitvoeringsplanning

gepubliceerd.”

ECOSYSTEEM EN

DEMONSTRATIECENTRUM

Maar volgens Olivier Vandooren

staan we nog maar aan het begin

van de weg: “BIM is bovenal een

samenwerkingsmethode. Alleen

BIM werkt niet. Onze aandacht

gaat vandaag dan ook uit naar de

beste manier om de ontwikkeling

van digitale vaardigheden van

alle spelers te ondersteunen, met

inbegrip van ambachtslieden en

onderaannemers. Daarom werken

we nu aan de ontwikkeling van

een BIM-ecosysteem, genaamd

BIMio. Dit online ecosysteem zal

de uitwisseling van informatie uit

een digitaal model vergemakkelijken

door zich te richten op de

relevante gegevens voor elk van

de beroepen.”

Daarnaast zullen met de steun

van de gewesten ook twee demonstratiecentra

voor 4.0-technologieën

worden opgericht:

enerzijds op de site van het proefstation

van het WTCB in Limelette

en anderzijds in het toekomstige

WTCB-gebouw in Zaventem. Want

een demonstratie op maat is vaak

beter dan lange toespraken om te

overtuigen. Met dit in het achterhoofd

ontwikkelt het WTCB ook

een mobiele demonstrator die het

WTCB in staat zal stellen om naar

136


Getuigenis I HOOFDSTUK 04

Dronedemonstratie

in het nieuwe

gebouw van het

WTCB in Zaventem

(ill. WTCB)

de bouwplaatsen te gaan, waar

de technologie het dagelijkse

leven van de aannemer concreet

moet kunnen dienen.

Naast de vele opportuniteiten bestaan

er volgens Olivier Vandooren

ook een aantal uitdagingen: “Zo

worden we momenteel geconfronteerd

met een nooit eerder

geziene mobilisatie van burgers

voor het klimaat. Prijzen staan onder

sterke druk door buitenlandse

concurrentie. Door de sterke fragmentering

van het bouwproces

is onze productiviteit gemiddeld

30% lager dan in andere sectoren.

De bouwsector is nog altijd de

grootste grondstoffenverbruiker

en afvalproducent. Onze sector

blijft nog verantwoordelijk voor

30% van de CO2-uitstoot. Maar

dankzij onderzoek en innovatie

kunnen we deze maatschappelijke

uitdagingen ombuigen in nieuwe

mogelijkheden.”

TRANSFORMATIE NAAR WTCB

4.0.

Om de innovatie in de bouwsector

en de rol van het WTCB daarin

nieuw leven in te blazen, werd

een actieplan met vijf prioriteiten

opgesteld. Eerst en vooral wil het

WTCB op uitstekende wijze innoveren

met visie en openheid. Om

ervoor te zorgen dat deze innovatie

zinvol blijft voor zijn klanten en

partners moet het WTCB nog meer

aandacht besteden aan de toegevoegde

waarde ervan en moet het

ook meer en beter communiceren

en opleiden. Olivier Vandooren:

“Het WTCB moet bovendien zelf

transformeren in een WTCB 4.0.

We kunnen de sector niet helpen

zichzelf te transformeren en de

kansen van de vierde Industriële

Revolutie te grijpen als we niet zelf

transformeren. Prioriteit is daarom

een WTCB 4.0 voor een sector 4.0.”

Tenslotte wil het WTCB de samenwerkingen

en partnerships met

zijn stakeholders aanmoedigen.

Het actieplan van het WTCB vormt

een soort overeenkomst tussen

het WTCB en zijn leden. Dus koos

het WTCB er logischerwijs voor

om het Give Me Five te noemen.

Olivier Vandooren: “Met Give Me

Five willen we de sector helpen

zichzelf te transformeren, zodat

hij de opportuniteiten in verband

met technologische, economische

en maatschappelijke uitdagingen

enthousiast en pragmatisch kan

aangrijpen. We zijn ervan overtuigd

dat we zo met een sterk

WTCB een unieke ondersteuning

kunnen geven aan alle bouwbedrijven,

van klein tot groot en

ongeacht hun werkterrein.”

Visierapport 2019 137


Getuigenis

IT-roadmap voor het

opzoekingscentrum en

de wegenbouwsector

Annick De Swaef

OCW

Net zoals andere sectoren staat

ook de wegenbouw voor de

uitdagingen van de snel veranderende

maatschappelijke realiteit.

Een ervan is zeker digitalisering.

Dat is een complexe opgave,

gezien de specificiteit en complexiteit

van wegennetten en de

samenstelling van de sector die

overwegend uit kmo’s bestaat.

Aldus Annick De Swaef die sedert

medio 2018 directeur-generaal

van het OCW (Opzoekingscentrum

voor de Wegenbouw) is.

Big data, virtual reality, drones,

enz. lijken voor veel bedrijven

een ver-van-mijn-bed-show met

dure investeringen in complexe

programma’s en weinig zicht op

concreet rendement. Niettemin

bieden nieuwe toepassingen – van

ERP over BIM tot prestatieregistratie

op de bouwplaats en zo

veel meer – eindeloze mogelijkheden

voor een efficiënt proces- en

kostenbeheer, een troef in een snel

veranderende en sterk concurrentiële

markt.

Annick De Swaef: “Digitalisering

is inderdaad noodzakelijk om

efficiëntiewinsten te kunnen

realiseren. Diepgaande digitalisering

over organisatiegrenzen

kan ook een krachtige hefboom

zijn voor meer innovatie in de

wegenbouw. De mogelijkheden

om big data te capteren over de

weginfrastructuur zelf en deze te

combineren met mobiliteitsdata

en de beschikbare rekenkracht om

deze data te verwerken en om te

zetten naar nieuwe technische

oplossingen worden nog onvoldoende

benut. Als overlegplatform

tussen regio’s, tussen opdrachtgevers

en opdrachtnemers,

tussen de wegenbouw en andere

sectoren heeft het OCW voor de

digitalisering in de sector een

belangrijke rol te vervullen.”

DIGITALISERING VAN PROCES-

SEN EN WERKING

Daarom zet het OCW nu ook zelf

volop in op de digitalisering van

zijn interne processen en werking.

Dat is nodig om kwaliteitsvolle

diensten te kunnen blijven verlenen

en om zijn voortrekkersrol voor

de bedrijven te kunnen spelen. In

verband hiermee heeft het OCW

een IT Road-map met diverse

prioritaire projecten uitgewerkt.

Het doel is om de interne IT-dienst

van het OCW verder uit te bouwen

en meer data-gedreven te laten

functioneren. Tevens wil het OCW

zijn diensten meer klantgericht

profileren, onder meer met ITprojecten

rond transversaal werken,

rond inclusie van klanten, enz.

Door onze bevoorrechte positie

in de sector kunnen wij contacten

en kennisdeling onder vakmensen

bevorderen. Daarom zetten

we ten behoeve van de sector

projecten rond digitalisering op

of werken eraan mee. Annick De

Swaef illustreert dit met enkele

voorbeelden, die ook op de Smart

Cities & Smart Infrastructure-trend

aansluiten.

138


Getuigenis I HOOFDSTUK 04

ILLUSTRATIEVE PROJECTEN

In het kader van URBANWISE

Construction werd een prototype

van IT-platform ontwikkeld dat

de mogelijkheden laat zien om

de communicatie en planning van

leveringen in stadscentra en de

bevoorrading van bouwplaatsen

(gebouwen en wegen) optimaler

te laten verlopen. UrbanZen is

een project voor de ontwikkeling

van een computerplatform voor

centraal en coöperatief beheerde

mobiliteitsplannen voor een betere

doorstroming van het verkeer voor

leveringen in stadscentra.

Met het project Sensovo werd

onderzocht of met voertuigsensoren

en recente cameratechnologie

de kwaliteit van wegdekken kan

worden gemonitord. Op het einde

van het project werd een proof of

concept geleverd. Op termijn kan

een dergelijke aanpak de verkeersveiligheid

en -doorstroming

verhogen en wegbeheerders extra

informatie voor efficiënter wegenonderhoud

verschaffen.

Road_IT betreft de ontwikkeling

en demonstratie van een geïntegreerd,

coherent en onafhankelijk

data monitoring- en procesbeheersysteem

– van productie

over verwerking tot geschiedenis

van een wegconstructie – om de

efficiëntie van asfaltproductie en

-verwerking en bij uitbreiding ook

van wegonderhoud te verhogen.

Op de beurs Digital Construction

Brussels 2018 heeft het OCW het

Digi-Barometerproject gelanceerd.

Dit initiatief heeft als doel de digitaliseringsgraad

van de bedrijven

te meten. Op de editie van 2019

worden de resultaten van deze

benchmark voorgesteld en wellicht

kunnen er passende acties uit

worden gedistilleerd.

Annick De Swaef: “Het spreekt

vanzelf dat onze twee innovatiecoördinatoren

van ver of van dichtbij

aan dergelijke acties meewerken

of er initiatieven voor nemen.

Zij zijn recentelijk aangeduid en

staan garant voor een transversale

aanpak van technologie- en

trendbewaking en innovatiestimulering

en -ondersteuning binnen

en buiten het opzoekingscentrum.”

Schematische

voorstelling van

Road_IT

(ill. OCW)

Visierapport 2019 139


140


HOOFDSTUK 05 ALGEMEEN BESLUIT


Doorbraak van slimme instrumenten

In dit visierapport hebben we in een eerste hoofdstuk

diverse innovatieve technologieën onderzocht: de

inschakeling van robots, het gebruik van 3D-printing,

de inzet van nieuwe visualisatiemethoden zoals

3D-scanning, Virtual, Augmented en Mixed Reality,

het gebruik van drones en van sensoren. Voor al deze

technieken merken we wereldwijd exponentieel

groeiende markten. We zien ook dat omwille van

technische verbeteringen hun toepassingsmogelijkheden

alsmaar verruimen. Robots bijvoorbeeld worden

steeds slimmer en kunnen steeds complexere taken

aan.

Moderne uitbouw van een

bestaande woning in de

Antwerpse wijk Zurenborg

(ill. Wienerberger, arch.

P8-architecten)

Bovendien stellen we vast dat deze nieuwe technologieën

in steeds meer domeinen worden ingeschakeld.

Robots verspreiden zich nu ook in logistieke centra en

in huishoudens. Voor 3D-printing is de gezondheidszorg

een belangrijke afnemer geworden. Sensoren

worden in toenemende mate geïntegreerd in ‘wearables’.

Voor elk van deze nieuwe technologieën vonden

we nu ook al concrete toepassingen in de bouw en

konden we hiervoor beloftevolle toekomstperspectieven

schetsen. De infrastructuursector blijkt voor drones

zelfs een potentieel van 47% van de markt te bieden.

De forse toename van sensoren heeft te maken met

de groeiende applicaties voor het Internet of Things in

gebouwen en voor de uitbouw van slimme steden.

Maar naarmate de bouw steeds meer tools van

industrie 4.0 integreert, gaat dit gepaard met een

grotere industrialisatie van het bouwproces. Bij deze

modularisering wordt nu juist gebruik gemaakt van

digitale meet- en peilinstrumenten om tot concepten

te komen die het nauwst aansluiten bij de desiderata

van de klanten. Nog een bewijs hoezeer digitalisering

en industrialisatie in de bouw hand in hand gaan.

Gedigitaliseerde bedrijfsprocessen

Medio 2019 heeft de VCB haar leden over de toepassing

van nieuwe (voornamelijk digitale) technologieën

bevraagd. Uit deze bevraging is gebleken dat nog

slechts een handvol bouwbedrijven de innovatieve

instrumenten gebruiken die in het eerste hoofdstuk

werden beschreven, zoals 3D-scanning, Virtual Reality,

3D-printing en de inschakeling van robots. Maar de

aangesloten bouwbedrijven behaalden daarentegen

wel al relatief hoge scores voor de digitalisering van

hun bedrijfsprocessen.

Maar liefst twee derde van de bedrijven gaf aan mee

te zijn op het vlak van e-facturatie terwijl 54% over

een digitaal kostprijsberekeningspakket beschikte,

49% over een pakket om kosten, opbrengsten en

cash flow per bouwplaats op te volgen, 36% over een

Document Management Systeem (DMS) en 35% over

een ERP (Enterprise Resource Planning).

Maar terwijl de acht meest gebruikte digitale tools

gemiddeld door 66% van de grotere bedrijven

worden gebruikt, daalt het gemiddelde gebruik bij

de bedrijven van 5 tot 20 werknemers tot 45% en bij

de kleinste bouwbedrijven tot 28%. Uit een nationale

enquête van begin 2017 bleek evenwel dat gemiddeld

amper 5% van de bouwbedrijven van digitale

technologieën gebruik maakte. Uit de huidige cijfers

blijkt dat dit nu zelfs bij de kleinere bouwbedrijven

hoger ligt.

In de enquête van de VCB attesteerden ook 20% van

de responderende aannemers het gebruik van BIM

142


HOOFDSTUK 05

dat intussen dus niet langer beperkt blijft tot een

aantal voorlopers. De toepassing van open standaarden

en een BIM-protocol, beroepsspecifieke BIMtools,

de integratie van planning en budgettering

in BIM, de combinatie van BIM met 3D-scanning en

LCA-analyses en de openheid bij publieke en private

opdrachtgevers om aannemers zelf een BIM te laten

ontwikkelen zullen in de nabije toekomst op dit vlak

ongetwijfeld bijkomende perspectieven bieden.

Naargelang bouwprocessen en gebouwen meer en

meer worden gedigitaliseerd, komen ook steeds meer

data beschikbaar, dermate veel dat daarop artificiële

intelligentie kan worden toegepast. Ook hiervoor ziet

de VCB tal van nuttige toepassingen met als mogelijk

sluitstuk de opmaak van ‘digitale tweelingen’ van

gebouwen, infrastructuren en zelfs van steden.

Building as a service

In woningen merken we een forse toename van het

aantal geconnecteerde objecten. Aanvankelijk ging

het nog om objecten die enkel rechtstreeks met

elkaar communiceren. Maar in de nieuwste generatie

gaat het om objecten die verbonden zijn met

de cloud, bijleren op grond van hun gebruik en op

de analyse van big data steunen (het zogenaamde

Internet of Things), met als nieuwste tendens spraakbesturingsystemen

die door internetgiganten worden

beheerd.

Op het vlak van energie zien we met de sterke groei

van hernieuwbare energie een gelijkaardige tendens

naar interconnectie, met enerzijds uitgebreidere

gecombineerde toepassingen van PV-panelen en

warmtepompen en anderzijds een ruimere interesse

voor buffermogelijkheden, zowel in elektrische

huisbatterijen als in thermische buffervaten. Dankzij

slimme technieken zullen gebouwen steeds beter de

zelf geproduceerde energie kunnen sturen naargelang

de vraag op het net, met name meer energie

kunnen verbruiken bij een hoge energieproductie

op het net en energie kunnen bufferen bij een lage

energieproductie.

Een belangrijk nieuw concept in dit verband wordt de

binnen de Europese Unie ingevoerde ‘smart readiness

indicator’. Het instrument beoogt zowel een beter

antwoord op de behoeften van de gebruikers, een

hogere efficiëntie voor werking en onderhoud als een

grotere flexibiliteit in functie van het energienet.

Grotere bouwbedrijven willen op al deze vlakken

een duidelijke meerwaarde bieden voor hun klanten

binnen het overkoepelende concept van ‘building as

a service’. Een andere dienstverlenende rol waarbij

bouw- en installatiebedrijven hun meerwaarde

optimaal kunnen uitspelen, is die van Energy Service

Companies. Daarnaast zien we producenten zich

steeds meer profileren als dienstverleners op hun

specifiek domein met concepten zoals ‘lighting as

a service’, ‘heating as a service’ en ‘ventilation as a

service’. Maar van cruciaal belang in het digitalisatieverhaal

van de bouw is dat daardoor uiteindelijk

een optimale digitale koppeling tot stand kan komen

tussen de aannemers en de toeleveringsindustrie.

Deze koppeling zal tot belangrijke efficiëntieverhogingen

kunnen leiden.

Renovatie van

de gevel van een

rijwoning te Kessel-Lo

met Façabrik

(ill. Wienerberger,

arch. Krul Architecten)

Visierapport 2019 143


Woonerf te

Peutie

(ill. Durabrik)

Toenemende interconnectie

Op basis van de toenemend lokaal geproduceerde

hernieuwbare energie ontstaan ook nieuwe

business-modellen voor de uitbouw van slimme

wijken. Van groot belang in dit verband is het recente

eveneens door de Europese Unie ingevoerde begrip

van de ‘hernieuwbare energiegemeenschappen. Dit

kadert binnen een klemtoonverschuiving van de optimalisatie

van gebouwen naar de optimalisatie tussen

gebouwen. Ontwikkelaars en aannemers kunnen zich

daarbij opwerpen als regisseurs van het beheer van

lokale energiestromen.

Zoals de interconnectie in gebouwen toeneemt, zo

evolueren voor de infrastructuur de ITS (Intelligente

Transport Systemen) naar C-ITS met de C van onderling

communicerende systemen. Het gaat dan bijvoorbeeld

over voertuigen die in real time informatie

uitwisselen met andere voertuigen (vehicle-to-vehicle)

en met personen (vehicle-to-person) maar ook met

infrastructuur (vehicle-to-infrastructure). Een andere

tendens betreft de toenemende klemtoon op multimodaal

verkeer en dito mobiliteitshubs. Daartoe rekenen

we ook toepassingen die een flexibeler gebruik

van het wegdek mogelijk maken (dankzij wisselende

markeringen) of extra functionaliteiten toevoegen

(dankzij de integratie van PV-panelen in het wegdek).

Uiteindelijk hebben bijna de helft van de slimme

toepassingen in de zogenaamde ‘smart cities’ met

de bouw te maken. De bouw kan bij de uitbouw van

slimme steden een cruciale rol vervullen en die rol

hangt juist nauw samen met de digitalisering die

we nu in toenemende mate in gebouwen, wijken

en infrastructuren vaststellen. De bouwsector vormt

sowieso al een belangrijke hefboom tot een duurzamere

en meer leefbare samenleving. De digitalisering

versterkt deze bijdrage nog.

Toenemende arbeidsmarkttekorten

Het vierde hoofdstuk focuste op de bouwarbeidsmarkt

met vooreerst de vaststelling dat de bouwberoepen

momenteel niet tot de attractiefste beroepen

behoren behalve die van ingenieur en architect. Maar

het eerste beroep wordt niet geassocieerd met dat

van werfleider en het tweede beroep vormt geen

knelpuntberoep. Uit een grootschalige enquête van

Constructiv en Cevora zijn geen grondige wijzigingen

in de beroepenstructuur van de bouw gebleken.

Het bouwarbeidersbestand blijft bestaan uit een mix

van bredere profielen en zeer gespecialiseerde functies.

Bij de bouwbedienden zien we twee tendensen:

144


HOOFDSTUK 05

bij de technische bedienden een gestegen vraag

naar niet-bouwtechnische competenties en tegelijk

een toenemende vraag naar niet-bouwtechnische

profielen. In het algemeen zien we ook een stijging

van het gevraagde opleidingsniveau. Maar tegelijk

wordt de sector geconfronteerd met een fors dalend

aantal leerlingen in het secundair bouwonderwijs in

combinatie met een ondermaatse instroom vanuit

het hoger en universitair onderwijs.

Kwantitatief beantwoordt de output van de opleidingsinstellingen

niet aan de vraag van de sector.

Op basis van een korte bevraging merken we wel dat

universiteiten en hogescholen in belangrijke mate

mee zijn met de innovatieve tools die in de bouw

beginnen door te breken, vooral bij de toepassing van

BIM. Vanuit de scholen bestaat ook meer belangstelling

om met de bouwbedrijven samen te werken

en informatie te delen, meer in het bijzonder via

bedrijfsstages. De definitieve invoering van het duaal

leren in het secundair onderwijs en de start van de

graduaten in het hoger onderwijs zal deze tendens

nog versterken.

Aantrekkingskracht van de digitalisering

MIT en Deloitte hebben de mindset onderzocht van

bedrijven die zich voluit wagen op het pad van de

digitalisering. Een aantal bouwbedrijven gaan hierin

ook mee door allianties met digitale start-ups te sluiten,

door binnen het bedrijf innovatiespirit te promoten

en een innovatiestructuur op te zetten en vooral

door extra in te zetten op (bedrijfsinterne) opleidingen.

Omwille van de kmo-structuur van de sector

is externe ondersteuning daarbij van groot belang.

VCB, WTCB en OCW hebben in dit verband al tal van

initiatieven ontwikkeld, zoals de oprichting van een

BRICS-groep rond innovatie, de uitbouw van een

BIM-cluster, de opstart van de cluster Smart Buildings

in Use en het aanbod van een Digi-Barometer.

De VCB roept de nieuwe Vlaamse regering op om

dergelijke initiatieven vanuit en voor de bouw verder

te ondersteunen. De eerste digitaliseringsgolf in de

bouw is nog maar pas opgekomen. Andere digitaliseringsgolven

zullen volgen. Zij zullen een belangrijke

impact hebben op het leven en werken van de

Vlamingen, meer nog dan de digitalisering in de

industrie, en tegelijk in belangrijke mate ons leefmilieu

en ons klimaat ten goede komen. Bovendien

zien wij de toenemende digitalisering ook als een

belangrijke hefboom voor een beter imago van de

sector en voor een grotere aantrekkelijkheid van de

bouwbedrijven.

Herbestemming

van het

Augustinessenklooster

tot Hotel August te

Antwerpen

(ill. Verstraete &

Vanhecke, arch. Van

Duysen & Callebaut)

Visierapport 2019 145


JONGE

VLAAMSE

AANNEMER

2019

Getuigenis

Maarten Dutry

Maarten Dutry bvba

Inspelen op toenemende

interesse voor kwalitatieve

betonherstelling

De markt van de betonrenovatie is exponentieel aan het groeien. Klimatologische

omstandigheden (zoals zure regen) of vroeger veel gebruikte technieken zorgen

voor fenomenen zoals betonrot en de afbrokkeling van beton en gevels. 14 jaar

geleden heeft Maarten de firma Maarten Dutry bvba opgericht. Het bedrijf spitst

zich toe op gevelrenovaties, betonherstellingen, betoninjecties en betoncosmetica.

Maarten Dutry bvba is erg actief

aan de Belgische kust, waar de

combinatie van betonrot met de

balkonproblematiek goed gekend

is. Maarten Dutry: “Traditionele

gevelrestauraties voeren we

voornamelijk uit in West- en

Oost-Vlaanderen. Maar het besef

omtrent de ernst van betonrot is

nu ook in het binnenland aan het

toenemen, mede door de betonproblematiek

aan openbare

infrastructuur die recentelijk in de

media was. Ik denk dan aan de

tunnels in Brussel en het viaduct

van Gentbrugge. Op het vlak van

betoncosmetica, gelijmde wapeningen

en betoninjectie (zowel

constructief als vochtbestrijdend)

hebben wij een grote expertise

opgebouwd. Deze werkzaamheden

worden over het hele land

uitgevoerd.”

Betonherstellingswerken vergen

gespecialiseerde knowhow op het

vlak van uitvoeringstechnieken

maar ook een grondig inzicht

in de oorzaken van de schade.

Beton herstellen kan alleen op

een efficiënte manier gebeuren

als de oorzaak gekend is. Na een

bouwtechnische opleiding in het

secundair onderwijs heeft Maarten

Dutry dan ook een postacademische

opleiding over schadediagnose

en herstelling van beton aan de

Universiteit Gent voltooid. Maarten

Dutry: “Ook bij opdrachtgevers

groeit het besef dat betonherstelling

best wordt uitgevoerd door

opgeleide vakmannen. Architecten

en studiebureaus stellen in deze

branche een toename van het

aantal dossiers vast en ook zij

gaan zich hierin specialiseren.”

Maarten Dutry zet erg in op de

opleiding en begeleiding van zijn

personeel. Opleidingen via de

Confederatie Bouw en bedrijfsinterne

opleidingen in samenwerking

met producenten vinden dan

ook op regelmatige basis plaats.

Maarten Dutry betreurt wel de

geringe instroom van arbeiders uit

het secundair onderwijs.

Het bedrijf werkt met een team

van een 20-tal mensen. Maarten

Dutry staat in voor de dagelijkse

werfopvolging. Op die manier is

hij met zijn bedrijf perfect in staat

om de juiste diagnose te stellen

en tegelijk een duurzame oplossing

aan te reiken. Hij is lid van

FEREB, de Belgische Federatie van

specialisten in betonherstelling,

-versterking en -bescherming,

een overkoepelende organisatie

die buiten de aannemers ook

voorschrijvers, fabrikanten en

andere dienstverlenende bedrijven

verenigt. Daarnaast is hij ook lid

van het technische comité voor

plafonneer-, voeg- en gevelwerken

bij het WTCB en bestuurslid

van de Confederatie Bouw

West-Vlaanderen die hem als

Jonge Vlaamse Aannemer heeft

voorgedragen.

Betonherstelling