20171023_2_MLW_eindrapport_AWB_Simply community_Chris Kesteloot kopie

architectureworkroom

Onderzoek

mapping

van

levendigheid

in wijken

Antwerpen

Eindrapport

17 Oktober 2017


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

2

COLOFON

Deze studie is opgemaakt in opdracht van de Stad Antwerpen, in het kader van de herziening van het strategisch ruimtelijk

structuurplan Antwerpen (s-RSA).

AMBTELIJKE WERKGROEP

Trees Leroy - consulent Sociale Planning

Katrijn Apostel - projectregisseur s-RSA

Mieke Belmans - projectleider stadsregionale samenwerking

Gordan Cengic - (voormalig) projectleider sub>urban. Reinventing the fringe

Kristof Peeters - projectcoördinator publieke ruimte, Sociale Planning

Filip Smits - regisseur stadsprojecten

Tom Leenders - projectleider potentiekaart en bouwblokkenonderzoek

Reinhard Stoop - diensthoofd studiedienst stadsobservatie

Heidi Vandenbroecke - omgevingsonderzoeker stadsontwikkeling

Joost Schouppe - studiedienst stadobservatie

Virge Smets - analist Ruimtelijke Planning SW

Pieter Rotthier - studiedienst stadsobservatie

TEAM

Architecture Workroom Brussels vzw

Handelskaai 30

1000 Brussel

www.architectureworkroom.eu

contactpersonen:

Els Vervloesem

+32 (0)2 204 07 10 / +32 (0)494 76 12 48

evervloesem@architectureworkroom.eu

Carmen Van Maercke

+32 (0)2 204 07 10 / +32 (0)495445429

cvanmaercke@architectureworkroom.eu

Simply community

antropoloog-pedagoog Ruth Soenen

KULeuven

sociaal-geograaf Chris Kesteloot

FOTOGRAFEN

De foto’s op pagina’s 38, 39, 42, 43, 68 en 69 zijn van Ludo Mariën, gemaakt in het kader van het wijkrapport, waarvan de

resultaten zijn verschenen in Gazet van Antwerpen.

De foto’s op pagina’s 8, 9, 22, 23, 26, 27, 96, 97, 120, 121, 140 en 141 zijn van Fréderik Beyens, gemaakt tijdens het Stadsdebat

Levendige Wijken.

DANKWOORD

Wij wensen graag iedereen van harte te bedanken die de tijd heeft genomen om zijn of haar inzichten met ons te delen rond

‘levendigheid’. Een bijzondere dankjewel aan alle bewoners die hun verhalen over ‘het alledaagse leven’ hebben gedeeld in de drie

onderzochte wijken.

publicatiedatum: oktober 2017


3

Inhoud

Voorwoord

Waarom is levendigheid belangrijk?

Levendigheid: waar spreken we over?

Wat valt er te winnen?

Methode van het mappingsonderzoek

Wijkportretten

Sterke verhalen van de straat

De praktijk: wat gebeurt er vandaag al rond levendigheid?

Hoe kunnen we in de toekomst werk maken van levendige wijken?

Waar willen we naartoe?

Hoe kunnen we hieraan werken?

Bijlagen

4

6

11

16

20

32

68

96

120

124

135

145


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

4

VOORWOORD

De stad Antwerpen wil inzetten op een

vernieuwingsproces van de stad. Aan

de hand van drie thematische pijlers zal

het strategisch Ruimtelijk Structuurplan

Antwerpen (s-RSA) worden herzien:

Stromende stad, Samenwerkende stad, en

Levendige stad. Het onderdeel Levendige

stad bestaat uit een onderzoek naar

de randvoorwaarden en hefbomen om

levendigheid in wijken in kaart te brengen.

In het najaar van 2016 lanceerde de Stad

Antwerpen het ‘Onderzoek mapping

van levendigheid in wijken’. Voor de

uitvoering van deze studie werd via een

vereenvoudigde onderhandelingsprocedure

met bekendmaking gezocht naar een

multidisciplinair team met expertise

in stadsplanning, stadssociologie of

-antropologie en sociale geografie. Het

team van Architecture Workroom Brussels,

Simply Community en de KULeuven

werd geselecteerd voor deze opdracht.

Doorslaggevend voor deze keuze was onder

meer het creatieve plan van aanpak en de

geïntegreerde manier van samenwerken

binnen het team.

Het doel van de studie is drieledig. Ten eerste

is het de bedoeling om te komen tot een

beter inzicht in het concept ‘levendigheid’

en wat dit kan betekenen voor wijken in

toekomstige stadsontwikkelingsprocessen.

Ten tweede biedt een eerste

mappingsonderzoek in drie geselecteerde

Antwerpse wijken inzicht in de diverse

meerwaarden die kunnen voortvloeien

uit levendigheid. Tot slot wordt door het

onderzoeksteam een methode ontwikkeld

die toelaat om levendigheid in kaart te

brengen. Daarbij worden eerste krijtlijnen

uitgezet en aanbevelingen meegegeven voor

de manier waarop de Stad Antwerpen ook

in de toekomst verder werk kan maken van

‘levendige wijken’.

De Stad Antwerpen wil deze inzichten

inzetten in functie van “het verwerven van

de stad en het versterken van het sociaal

leven in de buurten en wijken. Met de te

verwachten bevolkingstoename en de

bijzonder diverse samenstelling van deze

groeiende bevolking, is een goede kennis

van zaken cruciaal om te kunnen werken

aan een gezonde mix aan voorzieningen en

dat telkens op maat van de verschillende

buurten en wijken.”

Centraal in dit onderzoek rond mapping van

levendigheid in wijken, staat de gebruiker

en een alledaags perspectief op de ruimte.

Levendigheid is in de eerste plaats een

ervaring, en situeert zich in het alledaagse

doen en laten van mensen. Deze sociale

dimensie van een straat, buurt, wijk of stad

is iets wat elk van ons dagelijks ervaart en

beleeft. Er heerst dan ook een algemeen

basisgevoel dat levendigheid iets waardevol

is. Tegelijk laat levendigheid zich moeilijk(er)

meten: naast ‘harde’ data, is het belangrijk

om voldoende oog te hebben voor ‘zachte’

data.

Deze studie ambieert niet om een kanten-klaar

receptenboek voor ‘levendigheid’

te zijn, met richtlijnen die één-op-één

toepasbaar zijn. Dat zou onrecht doen

aan de complexiteit van het onderwerp,

en voorbijgaan aan het feit dat er binnen

de Stad niet zozeer oplossingen maar

wel een andere organisatiecultuur en

werkwijze nodig zijn om het potentieel

van levendigheid in de toekomst beter te

benutten. Wel reikt deze studie een andere

bril aan om naar levendigheid te kijken

en biedt het ook een ruimer kader met

bijhorende handvaten om in Antwerpen in de

toekomst beter te anticiperen en te reageren

op verwachte en onverwachte sociale en

ruimtelijke veranderingsprocessen. Het

thema levendigheid raakt namelijk aan een

brede waaier van grootstedelijke fenomenen

zoals bevolkingstoename, migratie, sociale

veiligheid, economische ontwikkeling,

eenzaamheid, en samenleven.

Om een zicht te krijgen op wat levendigheid

in wijken concreet kan inhouden is in eerste

instantie gekeken naar de vele ruimtelijke

en sociale plannen, projecten en initiatieven

die vandaag al lopende zijn binnen de stad,

en die op een of andere manier kunnen

bijdragen aan levendigheid. Hiervoor gingen

we in gesprek met tientallen stads- en


5

wijkprofessionals die hierbij betrokken

zijn. Daarnaast is er via antropologisch

onderzoek in de drie wijken ook gefocust op

hoe levendigheid zich manifesteert in de

alledaagse ervaring van wijkbewoners en

-gebruikers. Sociaal-geografische analyse

van beschikbare data liet ons toe om de

resultaten van het empirisch onderzoek in

een ruimere context te plaatsen.

sterker worden uitgespeeld. De stad is te

groot. Het individuele project is te klein. Op

wijkniveau is het mogelijk om door middel

van een samenspel van sociaal-ruimtelijke

projecten en trajecten aan een cascade te

bouwen, waardoor levendigheid als positief

vliegwiel voor de wijk kan werken.

Deze inzichten werden bij mekaar

gebracht, om vervolgens te bekijken hoe

de afstand kan worden overbrugd tussen

beleidsintenties, implementatie in de

praktijk, en de alledaagse realiteit waarin

plannen en projecten terecht komen. Om

hier een antwoord op te bieden, schuiven

we verschillende handvaten naar voor. Deze

handvaten kaderen binnen een langere

termijnvisie over hoe in de toekomst op een

meer pro-actieve en structurele manier aan

levendigheid kan worden gewerkt. Tegelijk

koppelen we deze visie ook al aan eerste

aanbevelingen en aanzetten voor concrete

acties, die zowel op korte als langere termijn

kunnen worden opgestart.

De belangrijkste lessen uit deze studie zijn

de volgende. Voor levendigheid in wijken

bestaat niet één succesrecept, maar komt

het er net op aan om beter in te spelen op de

grote diversiteit en eigenheid van buurten en

wijken, door meer rekening te houden met

de vele schakeringen waarin levendigheid

zich laat ervaren. Daarbij is er vandaag in het

algemeen nog veel te weinig oog voor het

belang van het ‘kleine ontmoeten’. En dat

terwijl alledaagse contacten en connecties

tussen buren een zeer belangrijke rol spelen,

ondanks het feit dat ze voor buitenstaanders

vaak onzichtbaar zijn. Zo worden wijken in de

20e-eeuwse gordel, bijvoorbeeld in de brede

opinie vaak gepercipieerd als ‘doods’, terwijl

uit ons onderzoek blijkt dat er waardevolle

vormen van levendigheid aanwezig zijn, die

weliswaar van een andere orde zijn dan de

levendigheid in de binnenstad. Om op die

‘alledaagse’ levendigheid beter vat te krijgen,

en hier vanuit het beleid op te kunnen sturen,

kan de wijk als tussenschaal een sleutelrol

spelen. Het potentieel van de wijk- en

buurtschaal kan in de toekomst nog veel


Waarom is

levendigheid

belangrijk?


Een levendige wijk, is een

wijk waar de waarde die

gebruikers (individueel of

collectief) genereren ook

op een of andere manier

terugvloeit naar de wijk.

Om levendigheid in

kaart te brengen, is het

belangrijk om aandachtig

te zijn voor de volgende

drie dimensies: de relaties

tussen mensen, de ruimte,

en de tijd.

Levendigheid is in de

eerste plaats een ervaring,

en situeert zich in het

alledaagse doen en laten

van mensen. De sociale

dimensie van een straat,

buurt, wijk of stad is iets

wat elk van ons dagelijks

ervaart en beleeft.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

8

© Frederik Beyens


9


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

10

Bij het in kaart brengen van levendigheid is het belangrijk om rekening te houden met drie dimensies: mensen,

ruimte en tijd. We tonen de waarde van diverse soorten plekken en ruimtes, voor verschillende soorten gebruikers,

op diverse tijdstippen en gedurende verschillende periodes.


11

LEVENDIGHEID:

WAAR SPREKEN WE OVER?

Levendigheid is een ruim begrip. Daarom is

het zinvol om te kaderen op welke manier

we in deze studie levendigheid benaderd

hebben.

1. Levendigheid is een

ervaring en een effect

Levendigheid is een ervaring en

een effect. Levendigheid vormt

het resultaat van een kluwen van

lokale interacties en percepties.

Levendigheid situeert zich in het

alledaagse doen en laten van

bewoners en wordt niet enkel

en alleen bepaald door allerlei

georganiseerde initiatieven

gericht op levendigheid.

De ervaring van levendigheid situeert

zich in een kabbelende onderstroom in de

buurt. Het betreft de kleine reële contacten

tussen mensen, die kortstondig of langdurig

kunnen zijn. Dat gaat van een praatje aan

de voordeur, tot het verlenen van sociale

steun aan een buur over een langere periode.

Het betreft ook kleine gestes of minimale

erupties. Dat gaat van een vriendelijke knik,

tot zuchten van ergernis want de tak van de

boom van de buurman hangt over je tuin.

Vanuit het antropologisch onderzoek situeert

levendigheid als ervaring zich in het begrip

burenconnectie (zie verder) en hangt dit

nauw samen met het belang van ‘het kleine

ontmoeten’. De burenconnectie manifesteert

zich op de schaal van de straat, of zelfs vaak

slechts een stukje van de straat, maar is in

staat zich verder te vertakken.

De ervaring van

levendigheid situeert

zich in een kabbelende

onderstroom in de buurt.

Terwijl levendigheid vooral een effect is van

de alledaagse ervaring die we situeren in het

handelen, is levendigheid ook een begrip dat

bewoners verschillend interpreteren. In het

spreken is levendigheid voor de ene vooral

het wegnemen van overlast en conflict,

voor de ander het gezellig samen zijn met

gelijkgestemde buren, voor nog een andere

het ijveren voor veilig verkeer of voor een

multiculturele samenleving.

Overheden hebben vaak geen of

onvoldoende zicht op levendigheid als een

ervaring. Het schaalniveau is te klein en

bijgevolg niet zichtbaar. De vraag is dan

ook hoe we dit meer binnen het blikveld

van de overheid kunnen brengen en hoe we

ermee aan de slag kunnen gaan. Hoe een

beleid beter afstemmen op de spontane

alledaagse vormen van levendigheid en de

verschillende interpretaties met betrekking

tot levendigheid?

Terwijl levendigheid

vooral een effect is van de

alledaags ervaring die we

situeren in het alledaagse

handelen is levendigheid

ook een begrip dat

bewoners verschillend

interpreteren.

Overheden hebben vaak

geen of onvoldoende zicht

op levendigheid als een

ervaring.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

12

Wil dit dan zeggen dat we niets moeten

doen als overheid? Dit is een reactie

die soms voorkomt als het alledaagse

leven geanalyseerd wordt en daarbij een

aantal spontane en constructieve sociale

fenomenen naar de oppervlakte komen.

Deze conclusie trekken is zoals het maken

van een dodelijke salto. Integendeel, werken

rond de ervaring van levendigheid betekent

nooit ‘niks doen’. Als een straat als levendig

ervaren wordt, is het belangrijk dit als

overheid te kunnen zien. Indien de ervaring

er niet is, dient een overheid na te denken

over hoe ze levendigheid kan faciliteren.

En indien de ervaring van levendigheid aan

erosie onderhevig is, kan de overheid er

preventief op ingrijpen. Indien bewoners

hun woonwijk als levendig ervaren kan deze

ervaring verder versterkt worden zodat

levendigheid kan verduurzamen.

Het vertalen van resultaten uit kwalitatief

onderzoek (in dit geval het belang

levendigheid als ervaring die we situeren

binnen de burenconnectie) betreft geen

directe lineaire vertaling maar een indirecte.

In ons geval dienen de basisprincipes

die ten grondslag liggen aan het begrip

burenconnectie meegenomen te worden om

reeds bestaande initiatieven beter te kunnen

situeren en nieuwe initiatieven tot leven te

brengen. De overheid zal zo beter kunnen

inschatten welk type initiatieven zij dient te

faciliteren.

Het vertalen van

resultaten uit kwalitatief

onderzoek (in dit geval het

belang levendigheid als

ervaring die we situeren

binnen de burenconnectie)

betreft geen directe

lineaire vertaling maar een

indirecte.

2. Levendigheid is

multidimensioneel

Levendigheid is een

multidimensioneel concept. Dit

betekent dat levendigheid een

optelsom is van diverse dimensies

die van sociale, culturele, en

economische aard kunnen zijn,

en die zich ruimtelijk vertalen.

Bovendien is het nodig om hierbij

zowel ‘harde’ als ‘zachte’ data

mee in rekening te brengen. Het

is dus niet mogelijk om eenduidig

te bepalen wat een plek meer

of minder levendig zou maken.

In plaats van te spreken over

‘doodse’ of ‘levendige’ wijken, is

het daarom beter om te spreken

over verschillende schakeringen

van levendigheid.

Levendigheid in wijken meten is zonder

veldwerk (observaties en interviews)

in de wijken een onmogelijke zaak. Wel

kunnen beschikbare statistische gegevens

gebruikt worden om de mogelijkheden en

beperkingen die wijkkenmerken bieden voor

de levendigheid te meten. In dit onderzoek is

het levendigheidspotentieel gemeten, door

de diversiteit die aanwezig is in de wijk in

kaart te brengen, op het vlak van diploma’s,

leeftijd, afkomst, activiteit, woninggrootte

en woningmarkt. Deze aanpak gaat ervan

uit dat hoe veelvuldiger en rijker de sociale

relaties tussen mensen zijn, hoe groter de

levendigheid van de buurt.

Buurten en wijken worden gekenmerkt door

een grote diversiteit. Sociaal-geografische

analyse laat toe om deze diversiteit in een

ruimere context te plaatsen en wijken ten

opzichte van elkaar te vergelijken, maar

één-op-één conclusies kunnen hier niet uit

worden getrokken. Eerder dan te streven


13

naar een ‘algemene maat’ van levendigheid,

kunnen net de verschillen tussen wijken

potentieel op een positieve manier worden

uitgespeeld als kracht.

Hoe kan er vanuit de overheid in de toekomst

beter worden ingespeeld op de diversiteit en

eigenheid van wijken? Elke wijk heeft nood

aan een aanpak die aansluit bij ‘wat er leeft’,

zowel in positieve als in negatieve zin. Nu

Levendigheid in wijken

meten is zonder

veldwerk (observaties en

interviews) in de wijken

een onmogelijke zaak.

Buurten en wijken worden

gekenmerkt door een

grote diversiteit. Sociaalgeografische

analyse laat

toe om deze diversiteit

in een ruimere context

te plaatsen en wijken ten

opzichte van elkaar te

vergelijken, maar één-opéén

conclusies kunnen

hier niet uit worden

getrokken.

wordt er nog vaak teruggegrepen naar een

uniform beleid en generieke oplossingen.

Er is een beleid nodig dat meer divers is, en

beter aansluit bij de specificiteit van wijken

en de diverse opgaven die er spelen, zowel

op sociaal als op ruimtelijk vlak.

Vanuit het lokale beleid is er een toenemend

bewustzijn dat wijken in de 19e-eeuwse

en de 20e-eeuwse gordel verschillend

functioneren, en bijgevolg om andere

oplossingen vragen. Zo is de inrichting van

het publiek domein in een dichtbebouwde,

dense stedelijke omgeving niet zondermeer

vertaalbaar naar minder dens bebouwde

wijken, waar de nood aan kwalitatief publiek

domein even groot is.

Vanuit het lokale beleid

is er een toenemend

bewustzijn dat wijken

in de 19e-eeuwse en

de 20e-eeuwse gordel

verschillend functioneren,

en bijgevolg om andere

oplossingen vragen.

Maar ook binnen deze stadsdelen, kunnen

de aanwezige dynamieken in wijken en

buurten onderling sterk verschillen. Op

elk van deze plekken zijn er verschillende,

maar terugkerende opgaven aanwezig

met betrekking tot het verbeteren van

levendigheid. In Wilrijk Hoogte bijvoorbeeld

kan de ruimtelijke vormgeving in de nabijheid

van het huis aangepakt worden. In Deurne-

Noord zorgt een tekort aan parkeerplaatsen

voor een verhoogde druk op het samenleven

tussen buren en in Oud-Berchem vormt

de mainstreet, het economisch weefsel,

een mogelijk aandachtspunt. Het gaat

met andere woorden over het ontwikkelen

van een ruimer gamma van mogelijke

strategieën, die aangepast aan de

specificiteit van de context doelgericht

kunnen worden ingezet.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

14

Maar ook binnen

deze stadsdelen,

kunnen de aanwezige

dynamieken in wijken

en buurten onderling

sterk verschillen. Op elk

van deze plekken zijn

er verschillende, maar

terugkerende opgaven

aanwezig met betrekking

tot het verbeteren van

levendigheid.

3. Levendigheid is

dynamisch

De levendigheid van wijken kan

sterk schommelen. Een straat,

buurt of wijk kan op een bepaald

moment, of in een bepaalde

periode heel levendig zijn en op

een ander moment, of een paar

jaar later veel minder levendig.

Om tot een beter begrip van

levendigheid te komen, is het

daarom cruciaal om beter te

begrijpen met welke factoren

deze schommelingen kunnen

samenhangen.

De levendigheid van een plek, straat,

buurt of wijk kan wisselen tussen dag en

nacht, tussen week en weekend, tussen

verschillende seizoenen. Dit hangt

samen met een veelheid aan kleine, korte

veranderingscycli, met terugkerende

ritmes, rituelen en gebruikspatronen. Denk

bijvoorbeeld aan een bank in de straat of op

het plein die veel actiever wordt gebruikt,

op het moment dat ze in de zon staat. Maar

ook de aanwezigheid van (boven)lokale

voorzieningen die bijvoorbeeld een (tijdelijke)

parkeerdruk met zich meebrengen in de wijk,

bepalen mee het ritme en zijn van invloed op

de levendigheid van een wijk.

De levendigheid van een

plek, straat, buurt of wijk

kan wisselen tussen dag

en nacht, tussen week

en weekend, tussen

verschillende seizoenen.

Levendigheid hangt ook

nauw samen met allerlei

veranderingsprocessen

die zich op de langere

termijn afspelen in de wijk.

Levendigheid hangt ook nauw samen

met allerlei veranderingsprocessen die

zich op de langere termijn afspelen in

de wijk. Dat gaat van verschuivingen

in de bevolkingssamenstelling, over

veranderingen in de voorzieningen die

aanwezig zijn in de wijk, tot wisselingen in

het woningaanbod.

Sommige wijken kunnen beter om met

bepaalde wisselingen of veranderingen dan

andere. Dat geldt zowel voor de korte als

de lange termijn. Zo kan het vermogen van

buurten om piekmomenten op te vangen een

plafond bereiken. Een dynamische, levendige


15

winkelstraat wordt dan bijvoorbeeld plots

ervaren als overlast. Een ander voorbeeld is

de leeftijd van gebouwen. Gedurende hun

levensloop kunnen gebouwen of buurten

meer of minder populair, betaalbaar en

toegankelijk zijn voor bepaalde groepen.

De aanwezigheid van een heterogeen of

een homogeen gebouwenaanbod, is mee

bepalend voor de levendigheid.

Sommige wijken

kunnen beter om met

bepaalde wisselingen

of veranderingen dan

andere. Dat geldt zowel

voor de korte als de

lange termijn. Zo kan het

vermogen van buurten

om piekmomenten op

te vangen een plafond

bereiken.

Waarom is het voor een overheid belangrijk

om rekening te houden met het dynamisch

karakter van levendigheid? Het is van belang

dat overheden in hun beleid actiever inspelen

en anticiperen op de wisselende dynamiek

van levendigheid in buurten en wijken, omdat

bepaalde ontwikkelingen wenselijk zijn en

andere niet. Een sterker bewustzijn van de

dynamiek laat toe om de mogelijkheden

die in bepaalde buurten voorhanden zijn

op het vlak van transformatie (bv. opvang

bevolkingstoename, versterking lokale

economie, de zorg dichter bij huis brengen,

etc.) beter in te schatten, en actiever te

benutten. Tegelijk is het nodig om waakzaam

te zijn voor veranderingsprocessen die het

vermogen van de wijk te boven gaan, zodat

er indien nodig kan worden bijgestuurd.

Momenteel wordt teveel gewerkt en gedacht

vanuit een momentopname. Zo bestaat

er bijvoorbeeld bij burgerbevragingen een

risico op korte termijn denken, waardoor een

rechtstreeks toepassing van de resultaten

toekomstig gebruik kan hypothekeren. De

dynamiek van levendigheid vraagt om een

meer fijnmazige analyse én visie op de

toekomst, waarbij de tijdsfactor voldoende

mee in rekening wordt gebracht. Dat geldt

voor het etnografisch onderzoek (observaties

op verschillende momenten, interviews

waarbij wordt ingegaan op de wisselende

ervaringen m.b.t. levendigheid), maar ook

voor de sociaal-geografische en ruimtelijke

analyse (verhuisbewegingen, historische

ontwikkeling, ruimtelijke transformaties).

Momenteel wordt teveel gewerkt en gedacht

vanuit een momentopname. Zo bestaat

er bijvoorbeeld bij burgerbevragingen een

risico op korte termijn denken, waardoor een

rechtstreeks toepassing van de resultaten

toekomstig gebruik kan hypothekeren. De

dynamiek van levendigheid vraagt om een

meer fijnmazige analyse én visie op de

toekomst, waarbij de tijdsfactor voldoende

mee in rekening wordt gebracht. Dat

geldt voor het ethnografisch onderzoek

(observaties op verschillende momenten,

interviews waarbij wordt ingegaan op de

wisselende ervaringen m.b.t. levendigheid),

maar ook voor de sociaal-geografische en

ruimtelijke analyse (verhuisbewegingen,

historische ontwikkeling, ruimtelijke

transformaties).


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

16

LEVENDIGHEID:

WAT VALT ER TE WINNEN?

1. Meer oog voor het

alledaagse leven draagt bij

tot de levenskwaliteit van

de wijk, en dus ook van de

stad als geheel

Levendigheid als de ervaring

van ons alledaagse doen en

laten wordt gekenmerkt door

een eigen waardesysteem, dat

van een andere orde is dan

bijvoorbeeld financiële waarde

die vermarkt kan worden. Een

meer diepgaande kennis over

dit waardesysteem laat ons toe

om op een beter geïnformeerde

manier te anticiperen op

veranderingsprocessen

die een impact hebben op

de levenskwaliteit of het

‘welbevinden’ van stadsbewoners.

Een beter inzicht in levendigheid laat toe

om nauwer aan te sluiten bij ‘wat er leeft’.

Goedbedoelde beleidsinitiatieven botsen

soms op weerstand bij implementatie in

de praktijk. Door op voorhand een scherper

beeld te hebben van welke besognes er

lokaal leven, kan dit risico mee worden

gereduceerd. Dit hangt samen met het feit

dat conflictloze levendigheid niet bestaat.

Dat komt omdat tussen diverse groepen

vaak verschillende (overlappende of

tegenstrijdige) interpretaties bestaan over

levendigheid.

Een beter inzicht in

levendigheid laat toe om

nauwer aan te sluiten bij

‘wat er leeft’.

Dit hangt samen met

het feit dat conflictloze

levendigheid niet

bestaat. Dat komt omdat

tussen diverse groepen

vaak verschillende

(overlappende of

tegenstrijdige)

interpretaties bestaan

over levendigheid.

Hier ligt bij uitstek een

rol voor de overheid,

omdat investeren in

levenskwaliteit of

‘welbevinden’, zaken zijn

waar het vermogen van

burgers of marktpartijen

vaak tekort schiet.

Een beter inzicht in levendigheid als

alledaagse ervaring bij diverse groepen,

maakt het mogelijk om een preciezer

zicht te krijgen op welk soort condities of

randvoorwaarden in een bepaalde context

een positieve bijdrage kunnen genereren

met betrekking tot levendigheid. De vraag

‘levendigheid voor wie?’ is hierbij cruciaal om

in het achterhoofd te houden.

Hier ligt bij uitstek een rol voor de overheid,

omdat investeren in levenskwaliteit of

‘welbevinden’, zaken zijn waar het vermogen

van burgers of marktpartijen vaak tekort

schiet. Denk bijvoorbeeld aan kwesties als

de toename van ‘sociale eenzaamheid’ bij


17

verschillende generaties. Meer aandacht en

ruimte maken voor alledaagse contacten

kan hierbij een sleutelrol spelen.

huiselijke elementen wegnemen resulteert

in een anonieme, te mijden, en dus onveilige

plek.

2. Aandacht voor ‘het kleine

ontmoeten’ tussen bewoners

biedt mee een antwoord op

eenzijdige claiming van het

publiek domein.

De ‘claiming’ van het publiek domein

kan verschillende gedaantes

aannemen, waardoor ongewenste

vervreemding ontstaat. Dat kan

bijvoorbeeld gaan over de dominante

aanwezigheid van toerisme

die maakt dat een stadsdeel niet

meer als leefbaar of levendig

wordt ervaren door de bewoners.

Maar ook claiming van bepaalde

plekken door zeer specifieke groepen,

kan als bedreigend worden

ervaren, en draagt alleszins niet

bij tot de levendigheid. Tegelijk

vormt ook de terecht toegenomen

aandacht voor veiligheid en

toezicht een risico dat mensen

zich onvoldoende ‘thuis’ of welkom

voelen in het publieke domein.

Het actiever inzetten op levendigheid als

alledaagse ervaring, zou je dus in zekere

zin ook als een noodzakelijke, flankerende

maatregel kunnen zien. Een minimum

set aan regels kan nodig zijn om het

democratisch karakter te blijven garanderen

(zodat publieke ruimte niet geclaimd wordt

door één type gebruikers). Tegelijk mogen

we niet vergeten het thuisgevoel in het

publieke domein ook te bevorderen, want alle

Tegelijk draagt meer aandacht voor

levendigheid ook bij tot een beter inzicht

in mogelijke, latente conflicten, die

vaak samengaan met claimgedrag. Het

alledaagse wordt in het algemeen nooit

gezien als iets om beleid op in te zetten. Het

is pas wanneer kleine (meestal negatieve)

aspecten plots aan de oppervlakte komen,

en vervolgens vaak worden uitvergroot

(door media en politiek), dat er aandacht

voor is. Niet zelden gaat dit gepaard met

claiming door specifieke groepen, en het

projecteren van bepaalde ideologieën

op de gebeurtenissen. Maar deze kleine

aspecten maken altijd deel uit van een veel

complexere realiteit, waarvan abstractie

Het actiever inzetten

op levendigheid als

alledaagse ervaring, zou

je dus in zekere zin ook

als een noodzakelijke,

flankerende maatregel

kunnen zien.

Tegelijk draagt

meer aandacht voor

levendigheid ook bij

tot een beter inzicht

in mogelijke, latente

conflicten, die vaak

samengaan met

claimgedrag.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

18

wordt gemaakt. Het gevolg is dat deze kleine

aspecten dan worden aangegrepen om één

type beleid op te zetten, los van de ruimere

context.

3. Levendigheid als een

positief vliegwiel voor de

wijk

Inzicht in levendigheid als

alledaagse ervaring kan worden

ingezet om op een pro-actieve

manier positieve dynamieken

in wijken te versterken en

ondersteunen. Een vliegwiel

is in staat om de bestaande

energie van de vele ‘motortjes’

in de wijk op te vangen, samen

te brengen, en te versterken.

Door deze gebundelde energie

vervolgens terug vrij te geven, kan

er een zelfgenererend vermogen

ontstaan.

De praktijk leert dat vernieuwing of

transformatie vaak niet op de meest

zichtbare plekken ontstaat, maar eerder ‘in

de marge’ buiten de mainstream. Daarbij

komt het erop aan om deze ‘endogene’

vormen van stadsontwikkeling beter

zichtbaar te maken, om hier vervolgens

acties aan te koppelen en zo in te zetten op

een positief vliegwiel voor de wijk.

Aandacht voor de specificiteit van wijken

maakt dat er meer gericht kan worden

gewerkt, afgestemd op de context en in

samenspraak met de partijen die hier

al aanwezig zijn. Zo kan beter worden

ingeschat welk beleid of welke aanpak in

een bepaalde buurt of wijk wel of niet kan

aanslaan. Wanneer er vanuit een continue,

goed ingebedde werking geanticipeerd kan

worden op aanwezige lokale dynamieken,

dan kan op een constructieve manier worden

gewerkt aan bepaalde doelstellingen met

betrekking tot levendigheid. Het wordt veel

lastiger waneer moet worden overgaan

tot het ‘oplossen’, ‘activeren’, ‘bijsturen’, of

‘managen’. Meer nog, door oog te hebben

voor de alledaagse ervaring en de specifieke

context kunnen projecten of initiatieven mee

opgeladen worden en extra waarde krijgen.

De praktijk leert

dat vernieuwing of

transformatie vaak niet

op de meest zichtbare

plekken ontstaat, maar

eerder ‘in de marge’ buiten

de mainstream.

Aandacht voor de

specificiteit van wijken

maakt dat er meer gericht

kan worden gewerkt,

afgestemd op de context

en in samenspraak met

de partijen die hier al

aanwezig zijn.


19

Levendigheid als positief vliegwiel voor de wijk.


Methode van

het mappingsonderzoek


Het mappen van

levendigheid vraagt

om een gelaagde

onderzoeksbenadering.

De combinatie van

een antropologische,

ruimtelijke en sociaalgeografische

benadering

levert nieuwe inzichten

op, en laat toe om oog

te hebben voor zowel de

sociale als de ruimtelijk

dimensie.

Bij de uitvoering van

deze studie is er bewust

voor gekozen om niet

van een‘tabula rasa’ te

vertrekken, maar eerst en

vooral na te gaan welke

ideeën en projecten er

vandaag al bestaan om

(al dan niet expliciet) aan

levendigheid te werken.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

22

© Frederik Beyens


23


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

24

DRIE DOELSTELLINGEN

Het doel van deze studie is drieledig.

Een eerste doel van deze studie is om te

komen tot een beter inzicht in het CONCEPT

VAN LEVENDIGHEID in al zijn schakeringen,

rekening houdend met de sociale en

ruimtelijke diversiteit van wijken. Vandaag

duikt de term ‘levendigheid’ al regelmatig

op in visieteksten en projectbeschrijvingen.

Dat is positief, maar het risico bestaat dat

‘levendigheid’ als een containerbegrip wordt

gebruikt. In deze studie wordt levendigheid

beschouwd als een gelaagd begrip, waarbij

de dimensies mensen, tijd en ruimte

belangrijk zijn. Op die manier ontstaat er

een scherper beeld van hoe levendigheid

in wijken tot stand komt, en wat het kan

betekenen, vandaag en in de toekomst.

Een beter begrip van levendigheid laat toe

om in de toekomst tot acties, projecten en

maatregelen te komen die bij toepassing

in de praktijk een hogere kans van slagen

hebben omdat ze dichter aansluiten bij de

alledaagse realiteit.

Een tweede doel is om via een eerste

MAPPINGSONDERZOEK IN DRIE

ANTWERPSE WIJKEN inzicht te

krijgen in de diverse meerwaarden die

kunnen voortvloeien uit levendigheid.

Deze drie wijken zijn bepaald door het

onderzoeksteam, in overleg met de

opdrachtgever. Het gaat om Oud-Berchem,

Deurne-Noord en Wilrijk Hoogte. De selectie

van deze wijken is gebeurd in functie van:

- een zo groot mogelijke diversiteit, daarom

zijn bv. zowel wijken uit de 19e-eeuwse als de

20e-eeuwse gordel geselecteerd;

- de vertaalbaarheid van de inzichten naar

andere wijken waar gelijkaardige fenomenen

spelen;

- de beperkte onderzoekstijd, waardoor

de keuze mee bepaald is door de reeds

aanwezige netwerken van de teamleden;

- de recente opstart van het project

wijkgerichte werking binnen de Stad,

waaronder in Deurne-Noord.

Een derde doel is om via deze studie EEN

ANDERE BRIL aan te reiken om naar

levendigheid te kijken, en dit te koppelen aan

HANDVATEN die toelaten om levendigheid

in kaart te brengen en hier vervolgens mee

aan de slag te gaan. Daarbij worden eerste

krijtlijnen uitgezet en AANBEVELINGEN

meegegeven voor de manier waarop de Stad

Antwerpen ook in de toekomst verder werk

kan maken van ‘levendige wijken’.


25

MAPPING VANUIT

DE ‘HOOFDINGANG’

EN DE ‘ZIJ-INGANG’

Voor dit onderzoek werken we met een

hoofdingang en een zij-ingang.

De HOOFDINGANG staat voor de gangbare

opinies, de zichtbare en gekende mensen,

fenomenen en plekken, maar ook de

bestaande en raadpleegbare data.

De ZIJ-INGANG staat voor het typische

werkterrein van antropologen, en laat ons

toe om in beeld te brengen waar en hoe het

alledaagse leven plaatsvindt van bewoners,

professionals, passanten, enz.

We werken met een hoofd- en zij-ingang,

omwille van het feit dat:

- de stad, en bijgevolg ook de levendigheid

van de stad wordt beïnvloed, bepaald,

en gerealiseerd door een veelheid

aan ‘ruimtemakers’: dat gaat van

beleidsmakers, over ambtenaren

en stads- en wijkprofessionals, tot

middenveldorganisaties, bewoners en

gebruikers van de stad;

- de milieus waarin stadsbewoners

zich dagelijks bewegen en de rollen die

zij dagelijks vervullen niet alleen sterk

wisselen, maar ook erg divers van aard

zijn: van privaat tot publiek, van sterk

georganiseerd tot informeel, van dichtbij

huis tot verderaf gelegen, van algemeen

gekend tot eerder onzichtbaar.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

26

DE VERSCHILLENDE STAPPEN

IN HET ONDERZOEKSPROCES

Tijdens het onderzoek is op verschillende

manieren data verzameld. Naast het

verzamelen van ‘harde’ data, is er bijzonder

veel aandacht besteed aan het verzamelen

van ‘zachte data’ via interviews, gesprekken

en observaties. Daarbij zijn verschillende

werkvormen gehanteerd. Dat resulteert in

een gelaagde lezing van levendigheid in

het algemeen, en van de manier waarop

levendigheid zich manifesteert in de drie

onderzochte wijken in het bijzonder.

1. Een Stadsdebat

Op 1 december 2016 organiseerde de Stad

Antwerpen het stadsdebat ‘Levendige

wijken in Antwerpen’ in het Koninklijk

Atheneum van Deurne. Het stadsdebat

werd opgezet als startmoment waarbij het

onderzoeksteam de opzet van de studie

toelichtte en extern expert Joke van der

Zwaard een boeiende lezing gaf. Vervolgens

vonden er twee interactieve werksessies

plaats met de deelnemers.

Het stadsdebat telde ruim 70 deelnemers,

met zowel politieke vertegenwoordigers uit

Antwerpen en daarbuiten, ambtenaren

uit de ruimtelijke en sociale sector,

actievelingen uit het middenveld en burgers.

De deelnemers werden uitgenodigd omwille

van het specifieke kennis van één van de

geselecteerde wijken of omdat ze vanuit

hun dagelijkse persoonlijke of professionele

ervaring kunnen bijdragen aan de stedelijke

kennis over het leven in de wijken.

> Voor het verslag hiervan, zie:

https://assets.antwerpen.be/srv/assets/api/

download/9b0f2637-3ec6-4ec5-a4e5-

8fd3cdbc2844/verslag_stadsdebat_

levendigewijken_1dec2016.pdf

© Frederik Beyens

© Frederik Beyens

Stadsdebat: lezing van Joke Van Der Zwaard

Stadsdebat: sessie 1, verschillende relaties

Stadsdebat: sessie 1, verschillende relaties

Stadsdebat: sessie 2, mapping van initiatieven, plekken

ik zeg wijk x, u zegt y, Wat moeten we nog weten?


27

Stadsdebat: sessie 2, mapping van initiatieven, plekken

ik zeg wijk x, u zegt y, Wat moeten we nog weten?

2. Bilaterale gesprekken

met professionals en lokale

actoren

In het najaar van 2016 en het voorjaar van

2017 vond een reeks van 23 bilaterale

gesprekken plaats met professionals

en lokale actoren die actief zijn in de

drie onderzochte wijken. Dat ging van

wijkregisseurs, over vertegenwoordigers van

verenigingen, jeugdwerkers, sociaal werkers,

en schooldirecties tot werknemers van

culturele centra en verzorgingstehuizen.

Deelnemers aan de bilaterale gesprekken

met professionals en lokale actoren

Oud Berchem

Abdellatif Akhandaf - Beleidsmedewerker Stad

Antwerpen

Jan Blommaert - Taalantropoloog Oud Berchem

Jacques Caroen - pastoor Sint Willibrorduskerk

Oud Berchem

Kim Clincke - Coördinator dienstencentrum Huize

Berchem

Roel Dierickx-Visschers - Coördinator Kras

Erica Hylckema - Coördinator Posthof

Frank Gevaert - vrijwilliger voedselbedeling

Raf Verstrepen - Buurtregisseur Oud Berchem

Deurne Noord

Filip Balthau - Hoofdcoördinator JES

Chris Brock - vrijwilliger Vlaams Kruis en

Gezinsbond Deurne Noord

Filip Baeyens -Cultuurcoördinator District Deurne

Ignace Bruggeman - Buurtregisseur Deurne

Noord

Jasper Cleymans - Coördinator Dienstencentrum

de Bosuil

Christophe Kenis - Coördinator cc Deurne

Philip Livens - Centrumleider Dienstencentrum

de Bosuil

Wies Meeusen - Wijkmonitor Deurne Noord

Stadsdebat: sessie 2, mapping van initiatieven, plekken

ik zeg wijk x, u zegt y, Wat moeten we nog weten?

© Frederik Beyens

Wilrijk Hoogte

Joost Claesses - Communicatieverantwoordelijke

district Wilrijk Hoogte

Anke De Mulder - Uitbater Shyam India’s finest

flavours

Erik Henderickx - Commissaris,

diensthoofd regiopolitie Noord

Esther Hermans - Voorzitter Baseball club Wilrijk

Hoogte

Mariette Oeyen - Voorzitter Femma Wilrijk Hoogte

Johny Schrauwen - Wijkagent Wilrijk Hoogte

Guy Verstappen - Schooldirecteur school de

Rozenkrans


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

28

3. Groepsgesprekken met

vertegenwoordigers van

stedelijke diensten

Op 14 maart, 20 april, 2 mei en 9 mei 2017,

vonden drie groepsgesprekken en één

bilateraal gesprek plaats met telkens

vertegenwoordigers van stedelijke diensten,

afkomstig uit de ruimtelijke of sociale sector.

Twee van deze groepsgesprekken waren

gericht op stedelijke professionals die

vandaag actief zijn. Deze gesprekken vonden

plaats in een vergaderzaal in Den Bell.

De selectie van de deelnemers gebeurde

in afstemming met de opdrachtgever, en

het doel was om tot een zo divers mogelijk

samengestelde groep te komen. Om dat te

bereiken werden mensen van verschillende

diensten geselecteerd, die ook inhoudelijk

vanuit een verschillend perspectief naar

levendigheid kijken.

Deze gesprekken volgden een vast

stramien, waarbij op voorhand aan drie

deelnemers werd gevraagd om een

project of initiatief te selecteren en dit te

presenteren aan de groep. Het ging telkens

om projecten of initiatieven die zij zelf

linken aan levendigheid, en waar zij zelf in

de praktijk bij betrokken zijn of waren. Na de

presentaties volgde telkens een discussie

met de hele groep, die werd begeleid

door Architecture Workroom en Simply

Community.

Een derde gesprek vond plaats met enkele

lokale experten in wijkontwikkeling, die

een langere geschiedenis hebben, en

zodoende over een ruimere ervaring en

kennis beschikken. Hiervoor werden we

uitgenodigd bij een van de experten thuis.

Deelnemers aan de groepsgesprekken met

stedelijke professionals en experten

Groepsgesprek 1: de ruimtelijke dimensie

Katrijn Apostel - projectregisseur s-RSA

Joke Baelus - projectleider Woonhaven

Sarah Boschman - stadsbeheer, team strategie

Katrien Clukkers - AG VESPA

Michel Gerits - projectleider openbaar domein

Trees Leroy - consulent Sociale Planning

Filip Smits - regisseur stadsprojecten

Toon Vanobbergen - stedenbouwkundig

ontwerper Stad Antwerpen

Isabelle Verhaert - coördinator onderzoek,

afdeling ruimte en mobiliteit

Jan Wouters - Woonhaven

Groepsgesprek 2: de sociale dimensie

Kristof Baeyens - afdelingshoofd van Sociale

Interventie

Vanessa Callaert - leidinggevende bij

Stadsmakers

Marleen Cauwenberghs -projectcoördinator vzw

Samenlevingsopbouw Antwerpen-Stad

Trees Leroy - Consulent Sociale Planning

Annelies Segers - de Jeugddienst

Katrien Segers - diensthoofd van Stadsmakers

Wim Segers - de stedelijke Jeugddienst

Heleen Van den Bergh - cultuurcoördinator voor

District Antwerpen

Marianne Vercammen - verantwoordelijke voor de

stadsdienst maatschappelijke Integratie

Groepsgesprek 3: experten wijkontwikkeling

Martine Eloy - coördinator buurtwerk Posthof

Lut Schrevens - gepensioneerd coördinator

buurtwerk Dinamo

Eddy Vanpottelberghe - Lid Raad van bestuur

Buurtcentrum Posthof

Joke Verlaet - medewerker buurtwerk Dinamo

Extra gesprek: expert wijkontwikkeling

Stefan Niewinckel - voormalig verantwoordelijke

wijkontwikkeling en momenteel

districtsvoorzitter Borgerhout


29

4. Een uitgebreide reeks

keukentafelgesprekken met

wijkbewoners en -gebruikers

Voor het antropologische luik werden in

de drie onderzochte wijken een aantal

keukentafelgesprekken afgenomen.

Dit ging om individuele interviews en

groepsinterviews (2 tot 4 mensen) bij mensen

thuis of op plekken waar mensen vertrouwd

mee zijn: een café of buurthuis. Voor meer

informatie, zie het hoofdstuk ‘Sterke verhalen

van de straat’.

6. Desktoponderzoek

Voor deze studie gebeurde in de loop

van het traject ook desktop onderzoek,

om op die manier ook de nodige

beleidsdocumenten, en andere nuttige

achtergrondinformatie te verzamelen.

Voor de sociaal-geografische analyse werd

hoofdzakelijk gebruik gemaakt van https://

www.antwerpen.be/nl/overzicht/stad-incijfers/.

5. Ruimtelijke observaties

De keukentafelgesprekken werden aangevuld

met ruimtelijke observaties in de drie wijken.

In alle drie de wijken zijn telkens een vijftal

plekken geselecteerd, waar in tijdsblokken van

1,5 uur telkens twee à drie keer observaties

zijn gebeurd. Van deze ruimtelijke observaties

werd telkens een uitgebreid schriftelijk verslag

gemaakt. Het ruimtegebruik op deze plekken

werd zorgvuldig in kaart gebracht. Voor de

uitvoering van deze ruimtelijke observaties,

is door het team een beroep gedaan op

Shahrzad Faili, een jonge architect.

Ruimtelijke observatie, Bisthovenplein, Deurne Noord

Ruimtelijke observatie, Bischoppenhof, Deurne Noord


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

30

Levendig(e) wijkdebat: Sessie C, werken aan levendigheid

Levendig(e) wijkdebat

7. Het Levendig(e)

Wijkdebat

Op 22 september 2017 werd ter afsluiting

van het onderzoek het ‘Levendig(e)

Wijkdebat’ georganiseerd in de

Muziekacademie van Deurne. Het debat

telde ongeveer 35 deelnemers, met politieke

vertegenwoordigers uit Antwerpen, en

ambtenaren uit de ruimtelijke en sociale

sector. Om dialoog mogelijk te maken werd

er bewust voor gekozen om deze keer de

groep eerder beperkt te houden. De

deelnemerslijst bestond voor het grootste

deel uit mensen die in de loop van het

traject geïnterviewd zijn geweest door het

onderzoeksteam.

Het debat werd opgezet volgens het

‘wereldcafé-principe’. Dat betekent dat er

drie parallelle sessies met presentaties

waren, waarbij alle deelnemers

achtereenvolgens één van de drie sessies

meepikten en vervolgens doorschoven naar

de volgende sessie. Zo kreeg iedereen de

gelegenheid om met alle deelverhalen van

de studie kennis te maken, en telkens van

gedachten wisselen met de verschillende

onderzoekers.

Er vonden drie sessies plaats:

- sessie A levendigheid in cijfers

(presentatie door Chris Kesteloot)

Wat kan je m.b.t. levendigheid wel en niet uit

statistieken en cijfers halen?

- sessie B alledaagse levendigheid

(presentatie door Ruth Soenen)

Hoe koppel je levendigheid aan de ervaring

van bewoners?

- sessie C werken aan levendigheid

(presentatie door Els Vervloesem)

Hoe haken we aan bij projecten en

initiatieven bij partijen die vandaag al (willen)

werken aan levendigheid?


31

DE UITKOMSTEN

De resultaten van deze gelaagde lezing en de

bijhorende interpretaties van de uitkomsten

worden op een logische manier gebundeld in

de volgende hoofdstukken:

WIJKPORTRETTEN

De wijkportretten vormen een eerste

kennismaking met de wijk. Dit hoofdstuk is

gebaseerd op sociaal-geografische analyse,

ruimtelijke analyse en desktop onderzoek.

STERKE VERHALEN VAN DE STRAAT

De verhalen van de straat geven een

inkijk in het alledaagse leven in de drie

onderzochte wijken. Dit hoofdstuk is

gebaseerd op de antropologische analyse,

de keukentafelgesprekken en observaties in

de wijk.

DE PRAKTIJK: WAT GEBEURT ER VANDAAG

AL ROND LEVENDIGHEID?

Vandaag gebeuren al heel wat projecten en

initiatieven op het vlak van levendigheid,

zowel vanuit de ruimtelijke als de sociale

sector. Waar liggen de kansen? Wat zijn de

belangrijkste hindernissen of obstakels?

Welke mogelijkheden kunnen nog beter

worden benut in de toekomst? Dit hoofdstuk

is gebaseerd op de bilaterale interviews en

groepsgesprekken met professionals en

lokale actoren.

HOE KUNNEN WE IN DE TOEKOMST WERK

MAKEN VAN LEVENDIGE WIJKEN?

Op welke manier kunnen we met deze

inzichten aan de slag? In dit hoofdstuk

bouwen we verder op de geïntegreerde

analyse in voorgaande hoofdstukken, en

vertalen we de analyse vervolgens naar de

praktijk.


Wijkportretten


Het kader van Karl Polanyi

(1944) dat vertrekt van

drie integratiewijzen

– herverdeling via de

overheid, marktruil via de

markt, en wederkerigheid

via de civil society – biedt

een eerste houvast om het

levendigheidspotentieel

via sociaal-geografische

analyse in kaart te

brengen.

Uit deze studie blijkt

echter dat levendigheid

zich niet op een

eenduidige manier laat

meten. Zonder empirisch

onderzoek (interviews en

observaties in de wijk)

is het in kaart brengen

van levendigheid een

onmogelijke zaak.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

34

Wilrijk Hoogte


35

Deurne Noord

Oud Berchem


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

36

OUD BERCHEM


37

Bekend van onder meer

- de Statiestraat en Driekoningenstraat,

als winkelstraat

- het station van Berchem

- de Cogels Osylei: chique huizen in de stijl

van Art Nouveau, Jugendstill, enz.

- de ‘woonerfjes’, autovrije straten in het

westen van de wijk

Bevolking

- tussen de jaren ’70 en de jaren ’90:

instroom van (vooral Turkse) migranten in

combinatie met een oudere autochtone

arbeidersbevolking

- vanaf de jaren ’90: instroom van

autochtone jonge gezinnen, vaak

tweeverdieners met

een hoog opleidingsniveau, in combinatie

met een superdiverse instroom van

migranten

- combinatie van lagere en hogere

middenklasse

- diversiteit in middengroepen, zowel

sociaal als etnisch-cultureel

- diverse initiatieven, zowel vanuit

professionele hoek als burgerinitiatieven

Ruimtelijke ontwikkeling

- 19de eeuwse gordel, stedelijke wijk

- arbeiderswijk, met uitzondering van

‘Zurenborg’ (de buurt rond de Cogels

Osylei) en de buurt rond de Victor

Jacobslei met mooie patriciërswoningen

- beschikbaarheid van betaalbare

woningen

- veel voorzieningen, aanwezigheid van

een sterk gemengde infrastructuur

- goede bereikbaarheid, gelegen aan de

ring


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

38

© Ludo Mariën

© Ludo Mariën


39

© Ludo Mariën

© Ludo Mariën


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

40

DEURNE NOORD

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk


41

Bekend van onder meer

- de Bisschoppenhoflaan, drukke invalsweg

die de wijk doormidden snijdt

- het Bisschoppenhofpark

- het Bosuilstadion

- de Confortawijk

- Kasteel De Drie Torekens (omgevormd tot

collectief woonproject)

- Albertkanaal met de ‘Brug van den Azijn’

Bevolking

- zeer diverse etnisch-culturele bevolking

- relatief veel minder begoede,

laaggeschoolde groepen

- veel jonge gezinnen met kinderen

- geen ‘aankomstwijk’, eerder als tweede of

derde woonplaats: veel bewoners komen uit

2060, Kiel of Borgerhout

- diverse initiatieven naar bevolking

gedragen door verschillende instanties

Ruimtelijke ontwikkeling

- 20ste eeuwse gordel, dicht bebouwde wijk

- sterke vermenging van uiteenlopende

activiteiten: wonen, bedrijven, verkeer,…

- relatief veel woningen met een lage

woningkwaliteit en leegstand, wel veel

woningen met tuin beschikbaar

- vlakbij de stad gelegen en vlot bereikbaar


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

42

© Ludo Mariën

© Ludo Mariën


43

© Ludo Mariën


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

44

WILRIJK HOOGTE

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk

Initiatieven van buiten de wijk


45

Bekend van onder meer

- de Boomsesteenweg

- de villa’s

- bewoners met linken naar diamant, Joods

en Indisch

- de Indische tempel

- de Heistraat, centrale as doorheen de wijk

Bevolking

- mix van blanke middenklasse, en begoede

tot zeer begoede groepen (ook vaak van

Joodse of Indische nationaliteit)

- Wilrijk is één van de sterkst vergrijzende

districten, en zelfs naar Wilrijkse normen

heeft de wijk Hoogte een erg groot aantal

(toekomstige) senioren.

- Momenteel is er een beweging aan de gang

waarbij 55-plussers in gezinswoningen

plaats maken voor jonge gezinnen. De

statistieken tonen hoe een buurt met weinig

kinderen langzaamaan verjongt.

Deze generatiewissel brengt ook een

verbouwingsgolf

met zich mee.

Ruimtelijke ontwikkeling

- 20ste eeuwse gordel, voorstad met een

relatief lage dichtheid

- sterk gemengd woningaanbod: van

vrijstaande villa’s, over rijwoningen tot

appartementen

- grootschalige verkeersinfrastructuur

(Boomsesteenweg, Dokter

Veeckmanslaan,…)


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

46


47


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

48


49


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

50

Een overzicht van de verschillende gradaties van diversiteit per wijk. De radar chart is opgebouwd volgens

volgende thema’s: diploma’s, leeftijd, afkomst, activiteit, woninggrootte en woningmarkt. Hoe groter de diversiteit,

hoe groter de ‘piek’ op de radar chart voor dat thema. Zo is te zien dat er in Oud Berchem een hoge diversiteit

aan diploma’s en afkomst aanwezig is. In Wilrijk Hoogte is er hoge diversiteit aan activiteit en woningmarkt

en in Deurne Noord is het voornamelijk ook de activiteit, woningmarkt, maar ook afkomst die voor hoge

diversiteitswaarden zorgt.


51

DIVERSITEIT EN LEVENDIGHEID IN

ANTWERPSE BUURTEN

EEN CARTOGRAFISCHE VERKENNING

Levendigheid in wijken meten is zonder

observaties in de wijken een onmogelijke

zaak. Wel kunnen beschikbare gegevens

gebruikt worden om de mogelijkheden en

beperkingen die wijkkenmerken bieden voor

de levendigheid te meten.

Om dit de doen kiezen we voor een

deductieve aanpak. Eerder dan alle

beschikbare data af te toetsen op hun

eventuele relevantie voor levendigheid, wordt

vertrokken van een theoretisch kader, dat

alle dimensies van het fenomeen overkoepelt

en voor elk van deze dimensies gepaste

indicatoren zoekt. Dit kader wordt geboden

door de “economische integratiewijzen” van

Karl Polanyi (1944), een concept dat in het

sociaal-geografisch onderzoek aan de KU

Leuven veel gebruikt is.

Economische integratiewijzen behelzen de

sociale relaties die mensen rechtstreeks

of onrechtstreeks aangaan om aan hun

bestaansmiddelen te geraken.

Deze aanpak gaat er van uit dat hoe

veelvuldiger en rijker die relaties zijn, hoe

groter de levendigheid is van de buurt.

De meeste buurtrelaties spelen zich af in de

sferen van de wederkerigheid en in mindere

mate van de markt.

Wederkerigheid omvat de ruil van diensten

op basis van noden binnen een netwerk.

Elk lid van het netwerk moet er voor zorgen

dat hij/zij op lange termijn een evenwicht

realiseert tussen de verkregen diensten en

de wederdiensten die hij aan andere leden

kan aanbieden. Gezien elke ruil plaatsvindt

op basis van een (dikwijls onvoorziene) nood,

zijn de duurzaamheid van het netwerk, trouw

aan het netwerk en vertrouwen essentiële

kenmerken van efficiënte wederkerigheid.

Diversiteit van noden en van vaardigheden

in het netwerk bepalen de intensiteit van de

ruilactiviteiten.

Voor wederkerigheid is diversiteit van de

bevolking van belang. Onderzoek heeft

aangetoond dat wederkerigheid ook als

springplank gebruikt wordt om toegang

tot bestaansmiddelen via andere wegen

te vergemakkelijken. Deze diversiteit wordt

mee gedragen door een diversiteit aan

woonmilieus.

In dit hoofdstuk wordt de diversiteit in

buurten gemeten door ze te telkens te

koppelen aan een bepaalde maat. Voor

meer informatie over hoe deze maat

precies bepaald is, namelijk a.d.h.v. een

fractioneringsindex, verwijzen we u graag

naar de bijlage, voor een meer uitgebreide

uitleg. Deze maat is telkens toegepast op de

verschillende dimensies van levendigheid.

Vervolgens worden deze resultaten

geografisch geanalyseerd aan de hand van

een kaart van de stad. Dit laat toe om de drie

bestudeerde wijken te vergelijken met de

rest van de stad. De indeling van de wijken in

statistische buurten laten ook toe om interne

verschillen binnen wijken te vergelijken. In

de bijlage, vindt u bijkomend ook nog extra

grafieken terug waarbij, wanneer zinvol, de

resultaten van specifieke groepen worden

uitgelicht.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

52

Sociaal-economische diversiteit:

de diploma’s

De volgende drie groepen worden onderscheiden: bevolking met diploma

of lager onderwijs of geen diploma; met hoogstens diploma secundair

onderwijs; met diploma hoger onderwijs.

De diversiteit in sociaal-economische

status binnen een buurt wordt gemeten

aan de hand van behaalde diploma’s onder

de bevolking die niet meer studeert. Een

eenduidige relatie tussen levendigheid en

een grote verscheidenheid aan diploma’s

(en bij uitbreiding een grote differentiatie

van sociaal-economische posities) is er niet.

Men kan stellen dat een evenwichtig aandeel

hoger onderwijs voor sociaal kapitaal in de

wijk zorgt.

Levendigheid veronderstelt dan ook dat dit

sociaal kapitaal met andere bewoners van

de buurt gedeeld wordt. Maar bewoners met

een hoog diploma hebben meer kans dan

anderen op een druk beroepsleven en zijn

daardoor minder aanwezig in hun buurt.

De hoogste diversiteit wordt in 5 buurten

van Oud Berchem bereikt, de laagste in

Deurne Noord, waar het hoger onderwijs laag

scoort.


53

Demografische diversiteit:

de leeftijdsstructuur

De volgende leeftijdsklassen worden onderscheiden:

0-11; 12-16; 17-24; 25-39; 40-64 en 65+ jaren.

De gezinsstatus wordt hier met de diversiteit

van de leeftijdsgroepen gemeten. Kinderen

en jongeren leven samen met hun ouders

en een belangrijk aandeel van deze

groepen veronderstelt meteen een even

belangrijke aanwezigheid van volwassenen.

Diversiteit en de kans tot intergenerationele

levendigheid neemt toe wanneer kinderen,

jongeren en bejaarden in de buurten te

vinden zijn. Maar een hoge leeftijdsdiversiteit

mondt niet noodzakelijkerwijze uit op

levendige wijken: levendigheid kan

gemakkelijk een heel andere betekenis

gegeven worden door de verschillende

leeftijdsgroepen en deze verschillende

soorten levendigheid kunnen conflictueus

zijn.

De diversiteit aan leeftijdsgroepen in de drie

wijken is relatief goed. De verschillen tussen

de buurten zijn niet heel groot. Deurne

Noord vertoont de grootste verscheidenheid,

hoewel Bisschoppenhof sterk contrasteert

met de andere buurten door een hoger

aandeel senioren.

Wilrijk Hoogte en de meeste buurten van Oud

Berchem scoren iets lager.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

54

Etnische diversiteit:

de afkomst

De bevolking wordt volgens haar afkomst in 7 groepen ingedeeld:

autochtonen; vreemdelingen van rijke landen; Zuid-Europeanen; Oost-

Europeanen; Noord-Afrikanen; West-Aziaten (waaronder de Turken) en de

overige bevolking (waarin de Zuid- en Oost-Aziaten domineren).

Een grote diversiteit aan mensen van

verschillende afkomst houdt potentieel

voor levendigheid in. Wanneer groepen

groot genoeg zijn ontstaat er etnisch

ondernemerschap. De winkels, horeca

en diensten die ze voor hun eigen

groep opzetten vormen belangrijke

ontmoetingsplekken. De algemene

verwachting is dat dit lokale aanbod

minder wordt gedragen door de autochtone

bevolking die sterker beïnvloed is door

het massaconsumptiepatroon waarbij de

combinatie grootwarenhuizen-auto centraal

en staat. De vraag is echter hoe sterk het

aanbod in de wijken voor specifieke groepen

ook gepaard gaat met sociale segregatie,

waarbij elke groep zich uitsluitend beperkt

tot eigen aanbod. Opnieuw met uitzondering

van Bisschoppenhof, bereikt Deurne Noord

de grootste diversiteit en behoort tot de

meest diverse wijken van Antwerpen. De

buurten in het centrum van Oud Berchem

vertonen iets lagere waarden. Wilrijk Hoogte

en de perifere buurten van Oud-Berchem

worden door 60 à 70% autochtonen

bewoond, wat weinig ruimte laat voor

diversiteit.


55

Economische diversiteit:

de activiteit

De volgende 5 groepen worden onderscheiden in de bevolking van 18 tot

64 jaar: loontrekkenden; zelfstandigen; werklozen; niet beroepsactieven en

overige personen op actieve leeftijd.

Hier worden 5 groepen onderscheiden

in de bevolking van 18 tot 64 jaar:

loontrekkenden; zelfstandigen; werklozen;

niet beroepsactieven en overige personen

op actieve leeftijd. De laatste drie groepen

maken veel kans om tijdens de dag in de

buurt aanwezig te zijn en zijn bovendien niet

gebonden aan werkuren. Zelfstandigen zijn

meer dan de loontrekkenden ook in eigen

buurt actief, maar uiteraard wel gebonden

aan hun activiteit. Een hoog aandeel

loontrekkenden in een buurt zou volgens

deze logica kunnen wijzen op “slaapbuurten”.

Maar in vergelijking met de andere groepen

bezitten ze doorgaans meer sociaal kapitaal

en koopkracht, die op andere momenten

ingezet kunnen worden.

Zoals voor de afkomst bepaalt één enkele

groep, namelijk de loontrekkenden, de

diversiteit in de buurt: hoe hoger hun

aandeel in de buurtbevolking hoe lager de

diversiteit. Deurne Noord vertoont globaal

een relatief lage diversiteit, maar een grote

variatie tussen de buurten met Kronenburg

en Bisschoppenhof. Oud-Berchem scoort

iets hoger, met een iets kleinere variatie.

Wilrijk Hoogte scoort nog wat beter, met een

duidelijk verschil tussen beide buurten.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

56

Diversiteit aan woonmilieus:

de woninggrootte

De diversiteit in woninggrootte wordt door het aantal kamers gemeten. Deze

indicator werkt meestal beter om de gemiddelde grootte van de woningen

in een buurt te schatten dan de oppervlakte als deze door de inwoners zelf

moet aangegeven worden. Het woningenbestand wordt ingedeeld in zes

groepen naargelang het aantal kamers (6 en meer kamers wordt als één

groep beschouwd).

Diversiteit van woninggrootte bepaalt

de diversiteit aan huishoudengrootte,

maar gedeeltelijk ook de diversiteit aan

inkomens. De eerste heeft zijn weerslag op

de diversiteit van leeftijden, de tweede op de

sociaal-economische diversiteit. Nochtans

is het niet uitgesloten dat weinig diverse

wijken toch niet inboeten aan levendigheid

wegens het eentonig karakter van hun

woningenbestand. Deze homogeniteit kan

identiteit en uitstraling aan de wijk leveren

en deze gebondenheid kan ook levendigheid

ondersteunen.

De diversiteit aan woninggrootte binnen de

wijken is niet onbelangrijk. Opnieuw valt in

Deurne Noord Bisschoppenhof op met een

lage diversiteit.


57

Diversiteit aan woonmilieus:

de woningmarktsegmenten

De woningen worden ingedeeld in groepen naargelang het over

eengezinswoningen bewoond door de eigenaar gaat, appartementen

bewoond door de eigenaar, privé huurwoningen (waar leegstaande woningen

bijgeteld zijn) of sociale huurwoningen.

De diversiteit aan woningmarkt-segmenten

heeft eenzelfde relevantie als de diversiteit

aan woninggrootte. Maar hier speelt de

relatie met de sociaal-economische

diversiteit van de bewoners een veel grotere

rol. De woningmarksegmenten zijn in

grote mate selectief. Maar omwille van het

beperkt aantal sociale woningen in het totale

woningenbestand en de onmogelijkheid om

alle rechthebbenden ook een sociale woning

aan te bieden, zijn er delen van de privéhuursector

die nog minder kapitaalkrachtige

huishoudens huisvesten.

In de stad is de diversiteit groter in de

rand dan in het centrum.Deurne Noord,

behalve de gekende uitzondering van

Bisschoppenhof, en Wilrijk behoren tot die

tussenrand met een diverse woningmarkt.

Oud Berchem sluit eerder aan bij de lage

waarden van het centrumdeel, maar met een

groter aandeel eigenaar-bewoners.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

58

Dragen deze verschillende

maten van diversiteit bij tot

een algemeen

levendigheidspotentieel?

De correlaties tussen deze 6

fractioneringsindices tonen aan dat ze geen

verschillende facetten zijn van een algemene

maat van levendigheidspotentieel. Was dit wel

het geval, dan moesten ze allemaal een zekere

mate van correlatie met elkaar vertonen. De

correlaties zijn echter relatief laag tot zeer

laag. Sommige zijn zelfs negatief (wat

betekent dat meer diversiteit in een dimensie

(zeer lichtjes) samengaat met minder

diversiteit in een andere dimensie).

Uit deze tabel blijkt dat de hoogste correlatie

– tussen afkomst en activiteit – omgerekend

44% gemeenschappelijke variatie vertoont. Dit

betekent dat 56% van de verschillen tussen de

buurten in termen van diversiteit van afkomst

niets te maken heeft met diversiteit in

activiteiten (en omgekeerd). Twee relaties

komen nog in de buurt van 20% en de rest is

verwaarloosbaar. Er is dus duidelijk geen

sprake van een algemene maat van

levendigheidspotentieel waar alle dimensies in

mindere of grotere mate toe bijdragen. Of

anders gezegd: levendigheid is een multidimensioneel

verschijnsel en de verschillend

facetten ervan beïnvloeden elkaar nauwelijks

of helemaal niet.

Correlaties tussen de verschillende

fractioneringsindices

Om de correlaties tegen elkaar af te wegen is

het beter om hun kwadraten te beschouwen

(determinatiecoëfficiënten). Deze geven aan

welk aandeel van de verschillen tussen de

buurten in een dimensie bepaald is door de

verschillen tussen de buurten in de andere

dimensie.

Determinatiecoëfficiënten tussen de

verschillende fractioneringsindices


59

Besluit

Uit deze resultaten blijkt dat levendigheid

vanuit sociaal-geografisch oogpunt een zeer

problematisch begrip is dat niet vatbaar is

voor een eenduidige definitie. Voor zover

het gaat om diversiteit als potentieel voor

levendige wijken, vertonen de verschillende

facetten van diversiteit nagenoeg geen

overlap. Enkel de relatie tussen diversiteit

van afkomst en diversiteit van activiteit

is niet te verwaarlozen. En dat laatste

creëert potentieel voor de aanwezigheid

van verschillende groepen bewoners en

gebruikers in de wijken gedurende de dag.

Maar wat levendigheid voor de ene groep

bewoners of gebruikers is, kan voor andere

groepen overlast of verveling betekenen.

Bovendien is levendigheid geen stabiel

kenmerk van een wijk, maar een dynamisch

gegeven dat in verschillende tijdsschalen tot

stand komt en dan weer kan verdwijnen.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

60

LEVENDIGHEID EN VERHUISBEWEGINGEN

Hoe verhuisbewegingen

levendigheid kunnen

beïnvloeden

Verhuisbewegingen kunnen een dubbele

invloed hebben op levendigheid. Enerzijds

kan de diversiteit van de buurt, en dus

het potentieel voor levendigheid vergroot

worden, dankzij de inbreng van inwijkelingen,

voor zover die een ander sociaaldemografisch

profiel hebben dan de zittende

bevolking. Anderzijds kunnen veelvuldige

verhuisbewegingen de opbouw van sterke

sociale netwerken in de buurt bemoeilijken.

Wederkerigheidsrelaties bloeien op

basis van vertrouwen en trouw omdat de

uitwisseling van diensten en wederdiensten

niet onmiddellijk plaatsvindt, maar in

bewegingen die soms ver uit elkaar kunnen

staan in de tijd. Bovendien gaat het niet om

uitwisselingen tussen twee personen, maar

tussen een persoon en het sociaal netwerk

waar hij/zij deel van uit maakt. Het evenwicht

tussen verkregen diensten en geleverde

wederdiensten moet op lange termijn

bereikt worden en behelst telkens een lid

van het netwerk en alle andere leden van het

netwerk.

Men kan daaruit afleiden dat buurten die

een sterke woonmobiliteit kennen, minder

kans bieden tot duurzame levendigheid.

Daarnaast, maar dat is met de beschikbare

tijd niet na te gaan, zou ook bekeken

moeten worden of de verhuisbewegingen

bijdragen tot een grotere diversiteit van

de buurtbevolking, dan wel segregatie

in de hand werken en verschraling van

de diversiteit inhouden. Buurten met

weinig of geen verhuisbewegingen blijven

echter niet stabiel qua diversiteit. Het

verouderingsproces en de gezinscyclus

zorgen er voor dat de samenstelling van de

bevolking qua leeftijd en huishoudenvorm

volgens een relatief vast patroon

verandert. Bovendien zijn de meeste

verhuisbewegingen precies gebonden aan

de leeftijd en de positie van de personen in

de gezinscyclus. Bij het zelfstandig worden

verlaten de jongeren meestal het ouderlijk

huis en bij de midden- en hogere klasse

zijn ze niet in staat om in dezelfde buurt

een woning te betalen. Dat veroorzaakt een

vergrijzingsproces en een verschraling van

de buurtdiversiteit.

De verhuiskenmerken van

buurten

Om de buurten te kenmerken naargelang

van de verhuisdynamiek die ze tonen zijn

drie kenmerken uitgekozen uit de vele

mogelijkheden. Die kenmerkend zijn relevant

voor de levendigheid van de buurten:

- Woonstabiliteit: het aandeel van de

bevolking die tussen begin 2011 en begin

2016 niet verhuisd is. De bevolking van 2011

wordt als basis beschouwd. Personen die

in die periode overleden zijn zonder eerst

verhuisd te zijn, worden beschouwd als

niet verhuisd. De woonstabiliteit is sterk

verbonden met het aandeel eigenaarbewoners.

Dit statuut is in de meeste

gevallen de laatste stap in de wooncarrière

van een huishouden (tenminste als men de

verhuisbewegingen van bejaarden niet in

rekening brengt). Ook spelen de relatief hoge

transactiekosten bij de aankoop en verkoop

van woningen een rol in die stabiliteit.

Goedgelegen buurten met sociale woningen

van goede kwaliteit en lage woonkosten

vertonen ook een hoge stabiliteit, omdat

de kwaliteit/prijsverhouding moeilijk te

evenaren is. Dit zijn dus buurten waar de

kansen tot ontwikkeling van een sociaal

leven hoog liggen. Maar de stabiliteit kan

op termijn de diversiteit van de buurt

ondermijnen en de komst van nieuwkomers

belemmeren of vertragen.

- Verhuissaldo: het gemiddelde jaarlijkse

verhuissaldo over de periode 2011-2015. Deze

werd hier berekend door het gemiddelde

van de jaarlijkse verhuissaldi te delen door

de gemiddelde bevolking in die periode.

Positieve verhuissaldi drukken in grote

mate de aantrekkelijkheid van een buurt

weer – wat niet meteen gelijk gesteld


61

kan worden met levendigheid. Ze kunnen

echter ook het gevolg zijn van toename

van het woningaanbod. Bovendien kan de

bevolkingstoename door verhuisbewegingen

het resultaat zijn van verdringingsprocessen

op andere plekken. Niet de aantrekkelijkheid

van de buurt, maar de mogelijkheid om

er relatief goedkoop te wonen, bepaalt de

inwijking. De woonkosten zullen trouwens

niet alleen bepalend zijn voor wie uit duurder

geworden gebieden verdrongen werd,

maar ook voor nieuwkomers die aan het

begin van een wooncarrière in de stad zijn.

Zowel inwijkelingen van buiten de stad – en

dan vooral buitenlandse immigranten, als

jongeren die het ouderlijk huis verlaten en

een zelfstandig leven beginnen zitten in die

situatie. Jongeren uit de middenklasse zijn

niet in staat om in dezelfde buurten als hun

ouders te wonen en komen noodgedwongen

in goedkopere buurten terecht. Jongeren uit

armere milieus kunnen soms de stap naar

zelfstandig leven niet zetten en blijven langer

samenwonen met hun ouders, wat dan weer

de woonstabiliteit versterkt in die buurten.

Omgekeerd geldt dat buurten met een

negatief saldo zowel afstotende buurten

kunnen zijn, als buurten waar de zittende

bevolking uit verdrongen wordt, zonder

dat die verdringingsprocessen voor een

evenredige nieuwe bevolking zorgen.

Veranderingen in het woonaanbod

(renovatie- nieuwbouw- sloop) spelen een

rol in de cijfers van de buurten die daar het

voorwerp van zijn.

betreft, kunnen daarom toch relatief hogere

verhuisintensiteit kennen. Het omgekeerde

geldt voor buurten waarin na 2011 de

bevolking zich sterker stabiliseert.

- Verhuisintensiteit: eenzelfde verhuissaldo

– zeker als het geen hoge waarde betreft,

kan resulteren uit weinig verhuisbewegingen,

maar ook uit veel inwijkingen en uitwijkingen

die elkaar compenseren. Vandaar de

noodzaak om de verhuisintensiteit te

beschouwen. Het betreft het gemiddeld

jaarlijks aantal inwijkingen, uitwijkingen en

verhuizen binnen de buurt die als percentage

van de gemiddelde bevolking van de periode

worden uitgedrukt. Verhuisintensiteit is

grotendeels omgekeerd evenredig met

woonstabiliteit. Maar de stabiliteit is

gemeten ten opzichte van de bevolking van

2011. Buurten die daarna een grote dynamiek

kennen, zonder dat dit de stabiele bevolking


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

62

Woonstabiliteit

De woonstabiliteit toont een uitgesproken

concentrische structuur, met de hoogste

stabiliteit in Ekeren. De drie wijken vertonen

gemiddelde waarden en weinig intern

verschil.


63

Verhuissaldo

Het verhuissaldo vertoont een

gefragmenteerd kaartbeeld, met

contrasterende waarden voor nabijgelegen

buurten en uitzonderlijk hoge positieve

waarden voor enkele buurten. Maar

nagenoeg alle buurten van het oostelijk deel

van de binnenstad hebben een negatief

verhuissaldo en dit contrasteert met het

positieve saldo in het noordelijk deel van de

stad binnen de leien.

Deurne noord heeft overal een positief saldo.

Oud-Berchem is in twee gedeeld, met een

meer dynamisch westelijk en centraal deel.

Het noorden van de wijk verliest echter

bewoners door de verhuisbewegingen.

Een gelijkaardig sterk contrast is te vinden

tussen de twee buurten van Wilrijk Hoogte.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

64

Verhuisintensiteit

De verhuisintensiteit vertoont omgekeerde

waarden ten opzichte van de woonstabiliteit

(de kleuren werden hier omgedraaid),

met enkele buurten die vermoedelijk

wegens recente veranderingen in het

woonaanbod afwijkende waarden vertonen

(Nachtegalenpark). De kaart brengt geen

nieuwe informatie over de drie bestudeerde

wijken.


65

Afkomst en bestemming

Naast het effect van de verhuisbeweging op

de loop van de bevolking, kan ook gekeken

worden naar afkomst en bestemming van

de verhuizers. We onderscheiden interne

migraties (tussen buurten binnen het

grondgebied van Antwerpen) en externe

migraties (van en naar gebieden buiten de

stad Antwerpen – waarvan een groot deel

bewegingen met het buitenland zijn).

De kaarten tonen een uitgesproken

contrast tussen de binnenstad en de

andere stadsdelen. De binnenstad heeft

positieve externe migratiesaldi. Hoe

groter de verhuisintensiteit, hoe groter het

saldo, waardoor het westelijk deel van de

binnenstad hoger scoort dan de oostelijke

kant. Daarbuiten zijn ze negatief op enkele

buurten na, waaronder enkele sociale

woningbuurten. Dit wijst er dus op dat in

die buurten meer mensen de stad verlaten


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

66

dan binnenkomen. De verhuisintensiteit

toont aan dat die bewegingen ook minder

zijn. naar De interne migratiesaldi geven

het omgekeerd beeld, wat betekent dat de

buitenkant van Antwerpen het voornaamste

ontvangstgebied is voor de mensen die de

binnenstad verlaten.

aankomstgebied van nieuwkomers in de

stad. De andere twee wijken zijn eerder

ontvangers van mensen uit de binnenstad. In

Hoog Wilrijk is het externe migratiesaldo van

Hondsnest-Molenveld nipt positief.

De positie van de drie wijken ligt anders

binnen deze ruimtelijke structuur. Oud

Berchem maakt nog deel uit van het


67


Sterke verhalen

van de straat


De sterke verhalen vormen

de neerslag van het

antropologisch onderzoek

dat heeft plaatsgevonden

in Wilrijk Hoogte, Oud-

Berchem en Deurne Noord.

Op basis van

‘keukentafelgesprekken’

met bewoners krijgen we

een gedetailleerd beeld

van ‘het leven zoals het is’

in de drie wijken.

Via interpretatie en

analyse van deze verhalen

ontstaat een beter

inzicht in hoe ‘alledaagse’

levendigheid wordt

ervaren, en hoe hier in

de toekomst vanuit het

beleid op kan worden (bij)

gestuurd.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

70

© Ludo Mariën


71


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

72


73

INTRO

1. Focus en doel van de

antropologische studie

Binnen het antropologisch-etnografisch

onderzoeksluik wordt steevast een

onderscheid gemaakt tussen de hoofdingang

en de zij-ingang. Terwijl antropologisch

onderzoek beide perspectieven omvat staat

dit onderzoeksdeel vooral in het teken van de

zij-ingang. De focus ligt op alledaagse

gebruiken en op de beleving van bewoners uit

drie wijken (Oud-Berchem, Deurne-Noord,

Wilrijk Hoogte). Wat maakt dat mensen iets

als levendig benoemen? En naar welke

concrete en grijpbare fenomenen zowel

sociaal als ruimtelijk verwijst dit dan?

Daarnaast hebben we ook data verzameld bij

sociale en ruimtelijke professionals

(hoofdingang) via twee focusgroepen en

vanuit de antropologische dataverzameling

beseften we gaandeweg dat we aanvullend vijf

ervaren wijkprofessionals dienden te

bevragen.

De doelen van dit deelonderzoek zijn

(1) dat vanuit de zij-ingang levendigheid als

concept/begrip beter kan ingevuld worden.

Meer in het bijzonder worden een aantal

basisprincipes weerhouden.

(2) De zij-ingang zal het algemene concept

van levendigheid vanuit het hoofdingangonderzoek

meer fijnmazig kunnen maken door

o.a. de zachte data te contrasteren met de

harde data uit het sociaal-geografisch

gedeelte van dit onderzoek maar ook met

reeds bestaande invullingen van

levendigheid bij professionals.

(3) De zij-ingang draagt bij aan de opmaak van

het beleidsadvies om te werken aan

levendigheid.

2. De relevantie ligt in het

vertellen van een sterk

verhaal

In dit onderzoek wordt op een kleinschalige

manier gewerkt in de diepte en dus niet

volgens het principe van de representativiteit.

Wel is er oog voor een voldoende mate aan

diversiteit tussen de respondenten. We werken

aan de hand van het “sterk verhaal”, een

filosofisch format (Boomkens,1998) dat

antropologisch-etnografisch wordt uitgewerkt

(Soenen, 2009). Een sterk verhaal sluit aan bij

de onmiddellijke ervaring en wil die ervaringen

niet onderbrengen in grote verklaringen en

visies maar ze in hun sterkte laten. Over elke

wijk kunnen we een sterk verhaal vertellen

waarbij een aantal sprekende details en

cruciale ervaringen worden geselecteerd en

gecombineerd en dus op een nieuwe

(wetenschappelijke) manier samengebracht.

Door in drie wijken te werken, verzamelen we

een breed repertoire aan betekenissen van

levendigheid. Het betreft hier echter geen

opmaak van een typologie per wijk. Wel

vormen meerdere sociale en ruimtelijke

fenomenen opgeraapt in de drie wijken samen

een breder repertoire om anders te denken

over en anders te werken aan levendigheid. De

nieuwe inzichten uit de sterke verhalen zijn

plaatsgebonden, gedetailleerd en fijnmazig

maar, en dit is heel belangrijk, nietspecialistisch.

Het zijn met andere woorden

ook geen kleine verhalen. Sterke verhalen

kunnen geen hele wijk typeren om vervolgens

volgens een groot-verhaal-werkwijze uitgerold

te worden over bredere wijksegmenten. Sterke

verhalen overstijgen echter wel een

specialistisch lokaal verhaal omdat ze

aanknopingspunten of ook wel buitenlijnen

vormen om levendigheid ook in andere wijken

te kunnen herbekijken. Dit is een minder

gekende werkwijze voor overheden die

doorgaans vertrouwd zijn met welbepaalde

invullingen van generaliseerbaarheid, die vaak

op cijfers gebaseerd zijn.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

74

Een gevoeligheid voor details is onmisbaar.

Binnen het format van het sterke verhaal

dwingen details tot verdere verkenning.

Grootschalige studies zijn representatief maar

kunnen zich niet verfijnd uitspreken over wat

levendigheid nu echt betekent voor

buurtbewoners. De studie van de mens houdt

ook steeds interpretatie van gedrag in.

3. Het kleine ontmoeten als

breder kader

We vertrekken van het concept van ‘het kleine

ontmoeten’ (Soenen 2006) dat aansluit bij de

omschrijving van hyperdiversiteit door de

opdrachtgever. Het samen zijn van mensen is

niet enkel gebaseerd op de sociaal

wetenschappelijke concepten ‘class, race &

gender’ maar ook op de gewone, dagelijkse

ervaring. Gemeenschap tussen mensen

betekent dan niet enkel het creëren van een

nieuwe collectieve identiteit maar ook het

vertakken van onze sociale relaties over

diverse individuen en plekken. Deze laatste

meer mobiele versie van gemeenschap is

tevens ambivalent (Soenen, 2003; 2006).

Ontmoeten en conflict (dus ook samenleven

én veiligheid) gaan er hand in hand en

betrokkenheid gaat ook steeds gepaard met

afstand. Op basis van dit alledaagse

gemeenschapsconcept en een sociaalruimtelijk

accent waarbij we zowel aandacht

hebben voor de buurt (de ruimte) als de buren

(de mensen) zijn we de studie gestart.

4. Het rekruteren van

respondenten

De zij-ingang betekent ook dat we op zoek

gaan naar wat omschreven zou kunnen

worden als de meeste gewone bewoners.

Bewoners die niet per se tot een vereniging of

organisatie moeten horen en die minder

zichtbaar zijn. Daarnaast hebben we ook oog

voor die bewoners die buurtinitiatieven

ontwikkelen. Er wordt op een kleinschalige

manier gewerkt in de diepte en dus niet

volgens het principe van de representativiteit.

Wel is er oog voor een voldoende mate aan

diversiteit tussen de respondenten. Zoals het

de gewoonte is in zij-ingang-onderzoek wordt

er veel tijd en energie gestoken in het

rekruteren van respondenten. Dit gebeurde

grotendeels in januari 2017 maar bleef de

ganse veldwerkperiode doorlopen. Er wordt in

elke wijk gerekruteerd via professionele

netwerken (Stad Antwerpen, partners uit

vroegere samenwerkingsverbanden), via reeds

geïnterviewde bewoners en aan de start soms

ook via persoonlijke netwerken van het

onderzoeksteam maar dit kanaal werd

gaandeweg steeds verlaten. De

antropologische onderzoekservaring leert ons

dat respondenten die niet makkelijk te

bereiken zijn vaak de respondenten zijn waar

we het meest van kunnen leren. We dienen niet

enkel toegelaten te worden door onze

respondenten maar bij de selectie moet ook

rekening gehouden worden met een bepaalde

mate aan diversiteit (verspreid over de wijk en

verschillend qua leeftijd, sociaal-economische

positie, etnisch-culturele herkomst, hoog of

laag buurtgebruik,…).

Schets op de kaart van het alledaags ruimtegebruik, opgemaakt tijdens een van de interviews.


75

5. Keukentafelgesprekken

als instrument voor

dataverzameling

De klemtoon ligt op individuele interviews en

groepsinterviews (2 tot 4 mensen) bij mensen

thuis of eventueel in ruimtes waar mensen

vertrouwd mee zijn, zoals een café of

buurthuis. Het is heel belangrijk dat de sfeer er

één is van aan de keukentafel bij iemand

thuis.

Vooraleer de onderzoeker bij iemand thuis op

gesprek komt, wordt dat vaak voorafgegaan

door face-to-face contact of telefonisch

contact met het overhandigen van een

digitale of papieren versie van een

introductiebrief. De interviewer zorgt bij elk

gesprek voor koekjes.

Het betreft erg open interviews die proberen

aan te sluiten bij een goed gesprek. De topics

zijn breed en erg open. Zo komen we beter te

weten wat de bekommernissen en

betekenissen zijn van de respondenten zelf. De

respondent bepaalt heel sterk het verloop en

de topics van het gesprek. Tijdens het gesprek

wordt ook een kaart van de wijk op tafel gelegd

waar respondenten erg spontaan allerlei zaken

mogen op aanduiden en tekenen (plekken,

routes, winkels,….). De gesprekken worden

opgenomen en nadien uitgeschreven. In totaal

werden 59 personen geïnterviewd behorend

tot 40 huishoudens over de drie wijken heen.

6. Drie sterke verhalen

In wat volgt staan we stil bij de bijzondere

sociale en ruimtelijke fenomenen die we

ontdekten in de drie wijken. De volledig

uitgeschreven sterke verhalen van de wijken

Wilrijk Hoogte en Oud-Berchem, zijn te vinden

in bijlage. Hier vatten we ze samen voor de

lezer. Om levendigheid ten volle te kunnen

begrijpen, stellen we vanuit een

antropologische betekenisanalyse van de

verzamelde data vast dat we moeten denken

op het niveau van straten in plaats van wijken.

De wijk in zijn geheel vormt één van de

contexten die invloed heeft op het leven van

bewoners maar is op zich niet voldoende om

de levendigheid ervaren door bewoners zelf te

kunnen vatten. Levendigheid wordt door de

betrokken bewoners gesitueerd op het niveau

van de straat, zelfs maar een stukje van de

straat. Tegelijkertijd zien we dat levendigheid

zich ook kan vertakken over meerdere plekken

in en buiten de straat en de wijk. Indien we

aandacht hebben voor de daadwerkelijke

dagelijkse interacties dan springen tot dan

minder zichtbare, maar niet minder reële en

tastbare, sociale fenomenen in het oog.

In de drie verhalen die zo meteen volgen

gebruiken we pseudoniemen voor al de

betrokken bewoners. Indien de lezer toch

mensen zou kunnen identificeren vragen wij

hier discreet mee om te gaan. Het is onze

gezamenlijke verantwoordelijkheid dat de

betrokken respondenten op geen enkele

manier last mogen ondervinden van deze

opdracht.

- Wilrijk Hoogte: 24 personen / 16 huishoudens

/ 12 gesprekken + 1 telefoongesprek / 6 straten

- Oud-Berchem: 20 personen / 13 huishoudens

/ 11 gesprekken / 12 straten

- Deurne -Noord: 15 personen / 11 huishoudens

/ 8 gesprekken / 10 straten

Voor een overzicht van respondenten per wijk,

zie bijlage. Naast deze keukentafelgesprekken

verzamelden we ook data tijdens

groepsinterviews met professionals, zie

bijlage.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

76

THE STREETS OF ... WILRIJK HOOGTE

BUITENGEWONE BURENCONNECTIES

Tijdens het stadsdebat, het opstartmoment

van onze opdracht, was Wilrijk Hoogte een

wijk waar de aanwezige deelnemers niet

al te veel konden over vertellen. Bovendien

werd de wijk niet als een toonbeeld van

levendigheid gepercipieerd. Er leek niet

veel te doen te zijn. Via het verhaal dat we

opraapten in deze wijk bij vierentwintig

bewoners kunnen we dat beeld echter

bijsturen. Vooral het begrip burenconnectie

kunnen we op basis van onze gesprekken

goed ontrafelen, duiden en definiëren. Het

was in Wilrijk Hoogte, in een stukje Heistraat,

waar het bijzondere sociale fenomeen van de

burenconnectie zich duidelijk manifesteerde

tussen bewoners.

Onderling sterk verschillende bewoners

die behoren tot Vlaamse middengroepen

De bewoners uit dit stukje Heistraat

behoren tot Vlaamse middengroepen

maar onderling vertonen ze verschillen qua

leeftijd, opleidingsniveau, maatschappelijke

visie,…. Een aantal respondenten zijn

geboren in de wijk en zijn er sindsdien niet

meer weggegaan. Een gepensioneerde

fabrieksarbeidster woont er sinds de jaren

1960. Geheel toevallig verhuisden laat

jaren 1970 twee huishoudens, die reeds

buren waren in een andere Wilrijkse wijk,

naar de Heistraat. Tijdens de jaren 1980

en begin jaren 1990 betrokken nieuwe

gezinnen met jonge kinderen een aantal

arbeidershuizen die ze renoveerden. Ze

waren vooral werkzaam als arbeider,

winkelbediende of als kleine zelfstandige.

Minder bescheiden verbouwingen deden

een aantal (zeer) begoede gezinnen een

tijd later. Ze kochten minimum drie tot vijf

huisjes op voor de bouw van een villa. In

2000 kwamen er weer nieuwe bewoners bij

zoals huurders, die sneller wisselen, vooral

in de lage woonblokken. Maar er kwamen in

deze periode ook eigenaars van rijhuizen,

vooral jonge tweeverdienerzinnen met kleine

kinderen.

Een bijzondere appreciatie voor spontane,

niet-georganiseerde contacten

Tijdens de gesprekken wordt duidelijk dat

de betrokken mensen vooral het spontane,

niet georganiseerde contact dat ze met

elkaar hebben, appreciëren. Er worden

tussendoor op de stoep, aan de voordeur,

in de garagebox,… veel praatjes gemaakt.

Terwijl ze allemaal positief zijn over hun

burenrelaties weten ze maar al te goed

dat sommige buren minder gewaardeerde

karaktertrekjes hebben en er ook sprake kan

zijn van kleine ergernissen.

“Ge moet Yvonne pakken gelijk ze is. Ze

stoeft nogal geire, maar het is geen slecht

menske hé!” (Lies, interview 23 februari 2017)

Lies kent het standpunt van buurvrouw

Josiane over andere culturen en deelt

het niet. Toch heeft ze een bijzonder

warme burenrelatie met Josiane. Het is de

gemeenschappelijke dagelijkse ervaring

die overheerst waardoor de onderlinge

verschillen op de achtergrond geraken.

Een indicator voor de reële dagelijkse

connecties tussen de diverse buren zijn

de sleutels. Vele bewoners vertrouwen

hun huissleutel toe aan buren. Interessant

is dat de sleutel niet uitgewisseld wordt

tussen dezelfde buren. Maar dat buur A zijn

sleutel toevertrouwt aan buur B, maar dan

weer zelf de sleutel kan hebben van buur

C. Het doorgeven van sleutels is vooral een

pragmatisch gegeven. Een sleutel komt

bijvoorbeeld bij een buur terecht omwille van

het feit dat de buur vaak thuis is en in staat is

de taak daadwerkelijk uit te voeren.

Naast het uitwisselen van sleutels bieden de

buren elkaar ook hulp aan. Er zijn bewoners

die op praktische hulp kunnen rekenen

omdat hun leefsituatie daar aanleiding toe

geeft. Yvonne brengt Josiane ’s avonds vaak

warme maaltijden. Rita is een kankerpatiënt

die amper mobiel is en verzorgd wordt door

haar man Arnold. Als Arnold zelf ziek is,

brengen buurmannen Luk, Wouter, of de man

van Josie, Rita van en naar de dagkliniek.

Het verstrekken van hulp is ingebed in het

alledaagse leven en vormt geen sociale


77

verplichting. Het hangt af van wie er tijd kan

vrijmaken, soms lukt dat, soms ook weer

niet. Zo hebben Yvonne, een gepensioneerde

administratief bediende en Josie, een

gepensioneerde strijkster, overdag tijd voor

het verstrekken van hulp. Lies is dan weer

een huisvrouw die vaak thuis is waardoor

ze erg aanspreekbaar is. Tijd is dan ook

een cruciale factor naast het vaardig zijn in

sociale omgangsvormen. De burenconnectie

houdt geen sociale verplichtingen in maar

tevens ook niet teveel ‘togetherness’. Een

burenrelatie houdt hier ook altijd wat afstand

in. Illustratief is de uitdrukking die we horen

bij de respondenten: “We kennen elkaar maar

we lopen elkaars deur niet plat.” Toch kan

er ook sprake zijn van een meer diepgaande

wederkerige relatie. Dirk heeft doorheen de

tijd een goed contact opgebouwd met Rita

en Arnold. Zij hebben regelmatig gesprekken

die eerder intellectueel en existentieel getint

zijn. Dergelijke diepgaande wederkerigheid

die dus niet zozeer praktisch en materieel is,

vinden we ook tussen de jonge vrouw Helga

met kleine kinderen en buurvrouw Lies van

wie de kinderen bijna allemaal uit huis zijn.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

78

De voetsporen van Josie

Door mee te wandelen in de voetsporen van

Josie zien we dan weer hoe burenpraatjes

zich niet alleen afspelen in een stukje

Heistraat maar zich ook verder kunnen

vertakken in en buiten de wijk. De dagelijkse

sporen van Josie vormen een bijzondere

indicator voor de natuurlijke samenhang

tussen mens en ruimte. Josie gaat elke dag

meermaals naar “het dorp”. Deze wandeling

betekent veel meer dan het efficiënt

bewegen van punt a naar punt b. Opvallend

is dat ze heel wat variatie brengt in deze

routine. Op maandagochtend om 7u30

steekt ze de straat over en wandelt ze tot aan

de wasserette verderop in de Heistraat. Ze

kijkt of er volk zit dat ze kent. Ze zegt er nooit

te komen om te wassen of te drogen. Het

zijn vaak oudere mensen van het rusthuis

in de buurt met wie ze er converseert.

Ze heeft er ook een vriendschapsrelatie

ontwikkeld met een vrouw van haar leeftijd.

Dan gaat ze verder naar de krantenwinkel

voor een krant en wat small talk. Ze loopt

vervolgens voorbij de Bist naar de bakker

in de Oudestraat waar het brood én de

bediening in de smaak vallen. Op weg terug

naar huis komt ze om de veertien dagen

grootouders tegen die hun kleinkind naar

school brengen. Het kleine meisje herkent

haar meestal al van ver. Deze mensen heeft

ze leren kennen door deze route telkens

opnieuw te frequenteren op maandag. Terug

thuis ontbijt ze met haar man. Om 9u45,

nog steeds maandagochtend, wandelt ze

opnieuw naar het dorp, maar nu doet ze

een ommetje via een stuk groene ruimte

met hondenweide. Ook in de namiddag is

Josie op pad en maakt ze een wandeling

met haar vriendin van in de wasserette in de

buurt van het Fort. Als Josie snel thuis moet

zijn, wandelt ze in een rechte lijn naar huis

en langs de rechterzijde van de straat waar

geen parkeerplaatsen zijn. Toevallig bekende

passanten in hun auto kunnen haar dan niet

aanspreken en ophouden.

De burenconnecties gedijen goed in de

kleine ruimtelijke infrastructuur in en rond

het eigen huis. Maar ook talrijke tussenstops

zoals een hondenweide, een wasserette, een

taverne, een zaak van een kleine zelfstandige

maar ook een grootwarenhuis, of gewoon

de garagebox zijn intrigerende sociale en

ruimtelijke biotopen.

Het burencollectief zorgt voor polarisatie

In de laatste jaren werd een buurtcomité

opgericht in de straat maar daar maken

de door ons bevraagde bewoners heel wat

kanttekeningen bij.

“Het was wel leuk maar het buurtcomité

is dood gebloeid, geen overnemers, denk

ik. Het was wel leuk maar eigenlijk zijn de

contacten tussen de buren daardoor niet

minder geworden. We hadden die contacten

ook ervoor al. Maar eigenlijk als er een feestje

was dan praatte je toch ook reeds met die

mensen die je wel kende dus nieuwe mensen

leerde ik daar niet kennen.” (Helga, interview

13 maart 2017)

De betrokken respondenten minimaliseren

de sociale doelstellingen van collectieve

buurthappenings. De trekkers van het

gebeuren vormden een kliek en stonden

niet open voor praatjes met andere buren

volgens meerdere respondenten. Josie

vertelt dat de Heistraat in haar ogen vroeger

volkser was, meer van “de gewone mensen”

en dat net de trekkers van dat buurtcomité

de begoede gezinnen zijn (diegenen die

er destijds meerdere arbeidershuizen

opkochten om er een villa op te bouwen).

De wijk wordt immers getekend door een

tweedeling namelijk het deel met de rijhuizen

en het deel met de villa’s. Volgens Dirk die

in de wijk geboren en getogen is, hebben de

pastoors in het verleden meerdere pogingen

gedaan de twee delen dichter bij elkaar te

brengen maar dat bleek niet evident te zijn.

Dit lijkt tot vandaag door te werken. Yvonne

en Josiane verwoorden erg scherp wat ze

denken van het burencollectief en van de

villabewoners.

Yvonne: Het buurtcomité dat is niets

geworden hé. Dat is eigenlijk het verschil

tussen het gewone volk en die…

Josiane onderbreekt: Die DENKEN (met

klem) dat ze wat meer zijn!


79

Routes, plekken en ontmoetingen. De burenconnectie in Wilrijk Hoogte


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

80

Interviewer: Aan wat merk je dat dan?

Yvonne: Hun manier van doen… (denkt na)

Josiane: Allez ik zal het zeggen, gewoon

al hoe dat ze u bezien, dat zegt al genoeg.

Die kunnen u bezien gelijk ge zijt nen

vuile, vuile vis! En hem (een villabewoner)

boeoeoe (jakkes)!

Yvonne: Ze geven nen drink en da ga je

er naar toe en dan sta je daar te staan en

dan heb je die kliek van het buurtcomité,…

Die bezien u al op een manier van… en die

komen niet babbelen, neeje. (Yvonne en

Josiane, interview 21 februari 2017)

Het buurtcomité voerde op een gegeven

moment ook actie tegen een mogelijke

tramlijn in de straat. Arnold en Dirk gingen

niet akkoord met de anti-tram-houding

maar werden niet uitgenodigd op de

vergaderingen. Het gevolg: bij de trekkers

hingen er affiches voor het raam tegen

de tram en bij Dirk hing een hele grote

tekening voor zijn raam over de impact

van auto’s, bussen, trams en fietsers op de

leefbaarheid. Fietsers en trams waren op

de tekening de beste opties. Terwijl binnen

de burenconnecties de verschillen goed

beheerd worden, zet het burencollectief

in deze straat aan tot polarisaties tussen

bewoners en worden de verschillen

onverenigbaar.

Onzichtbare levendigheid?

Levendigheid betreft ook meer onzichtbare

fenomenen zoals een dagelijks informeel

netwerk tussen buren, de burenconnectie.

Het is niet zozeer iets waarover gesproken

wordt maar iets wat vooral gedaan wordt.

Levendigheid situeert zich dus in de

alledaagse gemeenschappelijk ervaring.

Levendigheid betreft de aanwezigheid

van bijzondere personen: mensen die

tijd hebben, mensen die sociaal vaardig

zijn maar ook de aanwezigheid van

kleine kinderen en van honden kan hierbij

helpen. Een ruimtelijke infrastructuur op

mensenmaat draagt ook bij aan de ervaring

van levendigheid. De burenconnecties

gedijen goed in de ruimte in de nabijheid van

het huis maar ook op andere plekken waar

mensen thuis zijn. Het gaat om plekken die

zowel in privaat of publiek beheer kunnen

zijn. De burenconnectie speelt zich af in

de Heistraat tussen bewoners die allemaal

behoren tot Vlaamse middengroepen maar

hun onderlinge verschillen zijn, bij een

meer diepgaande observatie, groot. De

burenconnectie, net omdat ze in teken van

het gewone staat, beheert deze verschillen

erg goed.


81

DE MAIN STREET VAN OUD-BERCHEM-DORP

COLLECTIEF BURENGEBEUREN ALS

NOODZAKELIJKE VOORWAARDE VOOR

LEVENDIGHEID?

Op het stadsdebat aan de start van onze

opdracht werd Oud-Berchem onmiddellijk

gepercipieerd als erg levendig, onder

andere omwille van de aanwezigheid van

bewonersgroepen. Via het verhaal van

Oud-Berchem staan we dan ook stil bij het

begrip burencollectief en de (neven)effecten

ervan op levendigheid. De eenentwintig

door ons geïnterviewde personen uit

twaalf verschillende straten omschreven

hun wijk bijna allemaal als een dorp. Als

mensen spreken over positieve sociale

fenomenen hanteren ze vaak de metafoor

van het dorp. In realiteit komt het er op

neer dat ze refereren aan het gegeven dat

ze in de nabijheid van hun huis toevallig

bekenden kunnen ontmoeten. Aan de start

van het onderzoek leek Oud-Berchem dus

het walhalla van de levendigheid zeker in

contrast met Wilrijk Hoogte, een wijk waar

zogenaamd niets te beleven was...

10 en 20 jaar in Oud-Berchem: de

liefhebbers van het burencollectief

Een aantal bewoners die sinds een

tiental jaren in de wijk wonen, nemen het

initiatief met betrekking tot het buurtleven

stevig in handen. Ze geloven sterk in

het burencollectief en verbinden daar

ook een maatschappelijke boodschap

aan. Ze willen bewijzen dat een warme,

open en multiculturele samenleving nog

steeds mogelijk is. Zonder een collectief

burengebeuren zijn de contacten tussen

buren niet diepgaand genoeg en blijft het

allemaal te oppervlakkig. De trekkers zijn

van origine Vlaams en zijn hoger of artistiek

opgeleid. Ze investeren enorm veel tijd in

het organiseren van het burencollectief

vaak met een orgelpunt in de zomer. Tijdens

de door hen georganiseerde evenementen

worden ze als trekkers soms wel overvraagd

en dienen ze ondertussen ook te bemiddelen

bij conflictjes. Sara, één van deze trekkers, is

dan ook bezorgd of ze altijd in staat zal zijn

om via bemiddeling mogelijke toekomstige

conflicten te blijven oplossen. Binnen hun

vooropgestelde maatschappijkritische

doelen streven deze respondenten naar

een gedeeld eigenaarschap van het

burencollectief. Professioneel bezig zijn met

de buurt heeft voor sommigen onder hen

een negatieve bijklank. Het zou een gedeeld

eigenaarschap in de weg staan.

Lieve, een andere hoger opgeleide en iets

oudere bewoonster die twintig jaar in de

wijk woont, was op de leeftijd van Sara en

de anderen ook erg actief in het buurtleven.

In die periode kreeg ze kinderen en bleef

ze thuis. Nu is ze een vijftiger en opnieuw

fulltime aan het werk. Het organiseren van

buurtfeestjes werd minder. Als trekker van

zo’n collectief moet je volgens Lieve durven

toegeven dat je dat niet alleen voor de

andere buurtbewoners doet maar ook voor

jezelf.

“Ik vind het belangrijk om te werken aan de

buurt en je moet dat doen voor uw straat en

uw buren maar als je eerlijk bent is dat ook

voor je eigen welbevinden op dat moment.

Het lijkt nu of ik een punt van verzadiging heb

bereikt. Na zovele jaren ken ik ze allemaal. Ik

wil nu ook wel eens iets anders doen in mijn

verlof. Ik wil nu ook wel eens een weekend

naar de Ardennen.” (Lieve, interview 29

maart 2017)

Het trekken van dergelijke initiatieven is

niet te onderschatten. Ook Lieve draagt

het collectief (maatschappijkritisch)

buurtgebeuren een warm hart toe, maar

ze vindt wel dat er grenzen zijn aan het

engagement en dat daarin ook niet moet

overdreven worden. Sommige vrijwilligers

gedragen zich eerder als professionals,

vindt ze. Lieve zegt nu vooral te genieten

van haar wekelijkse bezoek aan de markt. In

de garagebox babbelt ze met een buurman

met Marokkaanse roots. Met de directe

buurman, een huisman, keuvelt ze ook

graag. Haar alledaags buurtleven speelt

zich nu meer af in de burenconnectie.

Terwijl ze dit vertelt, vraagt ze zich echter

wat schuldig af of haar buurtplezier op

dit ogenblik misschien te oppervlakkig is

geworden. Het burencollectief lijkt voor al

deze respondenten een verheven vorm te

zijn ten opzichte van de burenconnectie


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

82

Oud-Berchem


83

en een noodzakelijke voorwaarde om aan

levendigheid te werken.

50 jaar Oud-Berchem: de liefhebbers van

de braderij

Terwijl de vorige respondenten zich inzetten

voor het bevorderen van interculturele

contacten tussen bewoners, is het opvallend

dat de door ons geïnterviewde respondenten

met een andere etnische-culturele herkomst

levendigheid in eerste instantie niet

associëren met een burencollectief maar

wel met het economisch weefsel. Zohra

en Dilek, dochters van de eerste generatie

migrantenfamilies in het Antwerpse, wonen

vijftig jaar in de wijk. Indien zij zelf of hun

familieleden verhuisden over de jaren heen,

was dat binnen de wijk. Oud-Berchem is voor

hen een dorp waar ze “de families” kennen

en waar de main street het kloppend hart

vormt. In tegenstelling tot de bovenstaande

respondenten zien zij vooral het verval van

de winkelstraat en vormt de winkelstraat

geen troef met betrekking tot diversiteit.

Zohra: Er zijn geen sjieke winkels meer

alleen maar groentes, groentes en nog

eens groentes…. Niks meer van kledij of zo.

Hakima: En dan vijf Turkse bakkers,

vijf Turkse frituren,… Het is goed dat er

Marokkaanse beenhouwers zijn, want dat

hebben wij nodig, maar daarom geen tien

in de straat hé.

Naima: Het zou aangenamer zijn als het

wat meer gecombineerd was en ook wat

diverser.

(Zohra en dochters, interview 1 mei 2017)

Dilek die twaalf jaar zaakvoerder was van

een kruidenier en nu een tweedehandswinkel

heeft in de main street, mist de braderij

van weleer enorm. De vele “straatfeestjes”

in Oud-Berchem lijken nu de gezellige

dorpssfeer in stand te moeten houden.

Zowel Zohra als Dilek denken echter dat

het verstandiger zou zijn om meer te

investeren in de winkelstraat en de braderij

want dat heeft een veel breder bereik dan

al die burengroepjes. Zohra zegt dat ze niet

welkom is in het burencollectief bij haar

om de hoek. Deze bewoners hebben het

moeilijk met haar Marokkaanse roots. In de

straat waar haar ouders wonen, is er een

comité dat haar en haar familie dan weer

wel met open armen ontvangt. Volgens

Dilek zijn die burencollectieven gewoon

familiefeestjes maar dan op de straat waar

buitenstaanders niet welkom zijn. Zohra en

Dilek kennen echter zeer veel mensen in

Oud-Berchem zonder dat daar een collectief

burengebeuren aan is vooraf gegaan. Ze

zijn vooral betrokken in burenconnecties

die goed gedijen in de centrale winkelstraat.

De wasserette is alvast de ‘place to be’,

maar ook de apotheek, de bakker en de

erg populaire Marokkaanse beenhouwer,…

Dilek vormt dan weer een draaischijf tussen

al haar erg verschillende klanten in haar

tweedehandswinkel.

De ‘Oude Belgen’ en de dreiging vanuit

Zurenborg

De Vlaamse Mieke, een vijftiger, is ook

opgegroeid in Oud-Berchem.

“Oud-Berchem was voor mij Marokkanen,

maar toch vooral Turken en een

bommagebied. Het was een volkse buurt met

veel oude Vlaamse mensen. De Turken waren

toen nieuw. Ik weet nog dat ze de gevels van

hun huizen schilderden in felle kleuren. Hun

kinderen, van mijn leeftijd, droegen kleren

die wij niet meer wilden dragen. Zo van die

groene neplederen frakskes enzo. Maar

met de bomma gingen wij toen ook al bij de

Marokkaan winkelen. En de Statiestraat, ja

dat was de Meir van Berchem hé.” (Mieke,

interview 29 maart 2017)

Tijdens de jaren 1990 woonden er ook

reeds jonge Vlaamse gezinnen met vooral

beroepen in de non-profitsector of in het

onderwijs. Mieke wijst op een stijlbreuk met

de jonge gezinnen die nu in Oud-Berchem

neerstrijken.

“Het zijn nu die met de bakfietsen. Het lijkt

wel of het publiek van Zurenborg naar opzij

schuift. Dat zie je ook aan de cafés. Eerst de

Sanseveria, dan Den Brel…. Nu is het hek van

de dam en zitten ze hier op het terras met

hun dure zonnebrillen en kunde niet meer


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

84

fietsen door die bakfietsen. Het wordt echt

ingepalmd!”

De dorpssfeer van Oud-Berchem vindt Mieke

ook terug in de winkelstraat. Ze vertelt onder

andere over de goede Belgische frituur

die werd overgenomen door een Chinese

Belg die van de vorige eigenaar alles had

geleerd. De frietjes bleven lekker en de zaken

draaiden erg goed. Toen plots een concurrent

opdook in het Groen Kwartier.

“Nu is daar de Frieterij aan het Groen

kwartier en dat is vlakbij ons frituur hé. Dat

heeft een sjieke look, daar ligt daar zo een

berg aardappelen in de etalage om het

ambachtelijke karakter te benadrukken. Veel

marketing. Het ziet er allemaal super uit. Het

zijn echt Yuppen hé. En onze frietchinees

waar het vroeger serieus aanschuiven was,

daar word ik nu snel bediend. En die frieten

zijn nog altijd goed hé? Het is goed dat er

deels een heropwaardering is van de buurt

met dat Groen Kwartier maar het brengt ook

andere zaken met zich mee.”

Mieke is op haar hoede voor de hippe

nieuwkomers en wat ze in hun slipstream

meebrengen. Ze kunnen het volkse karakter,

de spontane interculturele dorpssfeer en de

betaalbaarheid van de buurt bedreigen.

De ‘Oude Belgen’ als spoorzoekers van de

verborgen activiteiten in het dorp

De zestiger, Veerle en haar goede vriendin

Jacqueline, een zeventiger, wonen al heel

erg lang in de wijk. Ze leggen de nadruk in

eerste instantie op de negatieve evoluties.

Jacqueline en Veerle betreuren het

verval van hun main street. Ze sommen

alle winkels op die verdwenen zijn en

roepen herinneringen op. Ook zien ze

een grote toename van auto’s. Door het

eenrichtingsverkeer in de winkelstraat (in

het verleden was er tweerichtingsverkeer

mogelijk) maken de drugsdealers ‘s nachts

“tourkes” door meerdere straten. Als

hondenbaasjes ontdekken ze vaak sporen

van nachtelijke activiteiten. Zo verzamelde

de man van Veerle ooit 100 lege zakjes

waar softdrugs in verpakt waren geweest.

Maar toch zijn ze verknocht aan het dorp

Oud-Berchem.

“De sfeer is hier perfect, zoals van op den

buiten, dat is hier een dorp, iedereen zegt

goeiendag, de straatvegers… Door de sfeer

blijven we hier, ik zou het niet kunnen missen.

De winkelstraat is veranderd, maar we gaan

er winkelen want qua voeding zitten we goed.

Onze Marokkaanse beenhouwer, effenaf

dat is top. Dat is kakelvers en nog nen echte

beenhouwer hé. Iedereen komt daar.” (Veerle,

interview 3 mei 2017)

Op de hondenweide hebben ze met een

vijftal mensen een diepgaand contact

ontwikkeld. Als ze de hond uitlaten komen ze

steevast iemand tegen om mee te babbelen.

Ze zorgen ook voor elkaars honden als ze

boodschappen moeten doen of op vakantie

gaan. Ze hebben door de jaren heen tal van

informele contacten ontwikkeld met hun

buren. Het is in die spontane, in onze termen,

burenconnecties dat bij hen de gezellige

dorpssfeer tot stand komt. Opvallend is dat

Jacqueline en Veerle van mening verschillen

over hete maatschappelijke hangijzers zoals

migratie, maar als goede vrienden gaan ze

op dat punt niet te diep in. Doorheen hun

burenconnectie overheerst ook bij hen de

gewone dagelijkse ervaring en vooral hun

liefde voor dieren.

Die andere nieuwkomers in het dorp

Naast de jonge middenklasse gezinnen

die volgens de respondenten in de wijk

instromen zijn er ook nog tal van andere

nieuwkomers. Deze nieuwkomers hebben

niet gekozen voor de buurt. Ze komen

er terecht omdat voorzieningen hen er

brengen. De alleenstaande Mohammed,

zonder papieren, is acht maanden geleden

in Oud-Berchem terechtgekomen via zijn

begeleiding bij het CAW (centrum voor

algemeen welzijnswerk). De Vlaamse Cois

die in armoede leeft woont sinds drie jaar

in Oud-Berchem. Voordien leefde hij op een

camping maar dreigde dakloos te worden

en verzeilde vervolgens in Oud-Berchem.

Zowel Cois als Mohammed hebben minder

contacten dan de andere respondenten en


85

vaak betreft het ook diepgaande relaties

zoals we die hebben met familie en vrienden.

Voor hen zijn voorzieningen die tegemoet

komen aan hun situatie, namelijk met

betrekking tot verblijfspapieren of armoede,

zoals caw’s, buurtcentra, een kerk of moskee

van belang in de buurt. Cois heeft een

duidelijke connectie met de winkelstraat

waarvan een aantal winkels passen bij zijn

budget en financiële situatie. Mohammed

vindt het ook aangenaam toeven bij de

populaire Marokkaanse slager, maar

ervaart vaak wantrouwen en een tekort aan

gastvrijheid, vooral bij de administratieve

bediendes uit diverse sectoren. Cois is dan

weer verontwaardigd dat “zijn eigen volk”

niet betrokken is binnen zijn dagelijkse

burenconnecties. Gelukkig, zo stelt hij, kan

hij wel rekenen op de Berchemenaren van

Marokkaanse en Turkse origine die er al

vijftig jaar wonen. Het burencollectief bereikt

deze mannen niet.

doelen. Het burencollectief dat in het teken

staat van het leren kennen van buren krijgt er

extra doelen bovenop zoals hier het streven

naar een warme multiculturele samenleving.

In Wilrijk Hoogte was dat extra doel dan weer

de tram of beter de grootstedelijkheid weren.

Zichtbare levendigheid

In Oud-Berchem manifesteert het

burencollectief zich duidelijk en draagt het

bij aan levendigheid. Dit collectief gebeuren

vormt echter geen noodzakelijke voorwaarde

voor levendigheid. Het burencollectief wordt

verschillend geapprecieerd bij diverse

profielen van de hier betrokken bewoners.

Allerlei niet bedoelde effecten manifesteren

zich zoals het ontstaan van ingekapselde

groepen die moeilijk toegankelijk zijn.

Levendigheid wordt hier echter gegenereerd

via de gewone burenconnecties die goed

gedijen in de centrale winkelstraat. De

burenconnecties takken ook hier duidelijk

aan op de ruimte: de straat, de hondenweide,

de winkels,….De Oud-Berchemenaren die er

reeds lange tijd wonen verwijzen duidelijk

naar het economisch weefsel in hun dorp.

Ook beklemtonen zij meer de dagelijkse

dreigingen zoals de hippe nieuwkomers of

de nachtelijke activiteiten van drugsdealers,

dan de erg zichtbare trekkers van de

multiculturele burencollectieven. Diegenen

die vijftig jaar op de teller hebben staan,

zijn vooral betrokken bij de meer spontane

burenconnecties die niet gepaard gaan

met maatschappelijke visies en te bereiken


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

86

Deurne Noord


87

DEURNE NOORD

STREET TALK + STREET TACTICS

De sterke verhalen hebben vragen doen

rijzen bij al te eenzijdige beelden over

levendigheid in de drie betrokken wijken.

Het eenzijdige beeld van levendigheid in

Oud-Berchem waarbij het burencollectief

wat verheerlijkt wordt, hebben we kunnen

nuanceren. Ook de perceptie over Wilrijk

Hoogte als een wijk waar niets te beleven

valt, moet worden bijgestuurd. De algemene

perceptie van Deurne-Noord is dan weer een

wijk waar er misschien wat teveel gebeurd

lijkt te zijn. Het is een onaantrekkelijke wijk

waar het dorp zoals in Oud-Berchem lijkt

verdwenen te zijn.

Waar is het dorp?

De eerste bewoner die we ontmoeten in

de wijk is Sus een arbeider die geboren en

getogen is in Konenburg. Hij en zijn vrouw

Angèle, een dochter van schippers, missen

de sfeer van weleer.

Angèle: Vroeger woonden we in de straat

met allemaal Belgen, ge kende iedereen. We

wasten samen de auto’s op straat en dan

mekaar wat koeioneren met de waterspuit.

Dat was een plezant contact. We zaten met

de stoelen buiten aan de voordeur.

Sus: We kenden iedereen. Ge woont hier van

kleins af aan. Mijn vader was beroemd hier in

de wijk dat was zo nog met van die bijnamen.

Ze noemden hem Stan, de schijter. (Angèle

en Sus, interview 19 maart 2017)

Ze halen herinneringen op aan de viswinkel,

de kruidenier en de vele frituren en cafés in

de wijk. Die zijn echter allemaal verdwenen

net als de Belgen. Sus en Angèle hebben

een café uitgebaat waar ze pyjama-avonden

organiseerden. Op hun sluitingsdag trokken

zij zelf maar ook hun vaste klanten naar

een ander café in de wijk en zo deed elke

cafébaas dat op zijn/haar sluitingsdag. Sus

zegt dat er veel oudere mensen woonden

en toen die gestorven zijn dan kwamen “de

vremdelingen”. Angèle spreekt onverbloemd

over deze nieuwe bewoners “die denken dat

de hele wereld aan hun gat hangt” of “negers

die als een dief in de nacht weer verdwijnen”.

Angèle en Sus spreken de taal van de straat,

een directe en hardere stijl, vaak voorkomend

bij bewoners uit de arbeidersklasse

(Anderson, 1978). Ze betreuren ook

het feit dat de rommelmarkt niet meer

georganiseerd wordt. Vroeger stonden al

de buren op straat met hun oude spullen

en ook niet-bewoners frequenteerden de

rommelmarkt. De vele reglementen maakten

het echter onmogelijk om het nog verder

te organiseren. De stad Antwerpen wordt

hiervoor met de vinger gewezen.

Binnenshuis opgroeien?

Ook in deze wijk spreken we met een

gezin met Marokkaanse roots van wie de

vader en grootvader werkzaam waren in

de metallurgie in Hoboken en reeds vijftig

jaar in de wijk wonen. Al de kinderen van dit

gezin zijn blijven hangen in de wijk en zijn er

huiseigenaar. Ook Hafida, negenendertig jaar

oud en een administratief bediende, is net

als Sus geboren en getogen in de wijk. Ook

zij ervaarde het gebrek aan een dorpssfeer.

Als ze als dertienjarige van school kwam

met haar zus werden ze op de stoep door

een Vlaamse buurtbewoner uitgescholden

voor “makak”. De man liet zijn hond los en

stuurde de hond achter hen aan. De zussen

schuilden achter een auto, maar de hond

kreeg hen toch te pakken. Hafida zegt dat

ze er gaandeweg heeft mee leren omgaan

door er thuis over te praten met haar vader

maar dat ze als tiener doodsangsten heeft

uitgestaan. Haar vader drukte haar op

het hart dat al had ze een onaangename

ervaring ze Belgen als aparte individuen

moest blijven benaderen. Later was ze vooral

bezorgd over haar kinderen wanneer ze zich

buitenshuis begaven. Ze ging aanvankelijk

met haar twee kinderen naar speeltuintjes

in de buurt, het domein Rivierenhof en

naar pretparken buiten de buurt maar de

racistische opmerkingen bleven hen volgen.

Ze nam vervolgens de beslissing om haar

huis te verbouwen om meer speelruimte

binnenshuis te kunnen voorzien voor haar

toen nog jonge kinderen. Binnenshuis

waren ze veilig. Hafida merkt op dat de

racistische opmerkingen nu veel minder

voorkomen dan vroeger. Hafida is erg actief


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

88

in de oudervereniging van het Atheneum

van Deurne en in de sportverenigingen

van haar kinderen. Ze kent ondertussen

veel buurtbewoners met wie ze dagelijkse

positieve contacten onderhoudt. Af en toe

zijn er wel buren die haar mijden omwille van

haar Marokkaanse roots. Ze heeft geleerd

er niet te zwaar aan te tillen. Ook Sus heeft

ondertussen een positief contact met zijn

Poolse, Marokkaanse en Servische buren

en met de Thaise vrouw van de Vlaamse

buurman. Terwijl hij aan zijn motor prutst in

zijn kleine garage keuvelt hij met de buren.

Ook vormen de renovaties van de huizen

van zijn Poolse en Marokkaanse buren een

aanleiding voor aangename praatjes. En

de lentepoets wordt gedragen door een

Vlaamse dame die zorgt voor de pintjes en

een Marokkaanse man die zorgt voor de thee

en de koekjes. Zowel Hafida als Sus hebben

vandaag hun dorp teruggevonden in Deurne-

Noord.

Betaalbaar wonen

Deurne-Noord is een wijk waar mensen

in armoede terechtkomen zoals Willy en

Robert. Willy is alleenstaand en Robert is

gescheiden maar heeft nog een zoon. Ze

zijn elkaars buren op de Ten Eeckhovelei en

hebben elkaar leren kennen via het buurthuis

Dinamo. Willy woont sinds 1967 in de wijk

en schrijft voorafgaand aan ons gesprek,

een brief. Hij benadrukt de voorzieningen en

professionele organisaties die belangrijk zijn

voor zijn leefsituatie.

Robert woonde vroeger in de Antwerpse

volkswijken, net over de ring en heeft er nog

contacten. Beide mannen kunnen in de wijk

terecht voor goedkope maaltijden en gratis

activiteiten bij een aantal voorzieningen.

Opvallend is dat ook een aantal hoger

opgeleiden de weg naar de wijk vinden

omdat ze enkel daar nog betaalbaar

kunnen wonen. Alexandra is alleenstaand

en heeft reeds geruime tijd een huis in

de wijk gekocht. Katelijne werkzaam in

de non-profitsector en haar partner, een

muziekleraar, huurden vroeger in Borgerhout

en kochten recent een voor hen betaalbaar

huis in Deurne-Noord. Zowel Alexandra als

Katelijne hebben geen negatief beeld van

de wijk. Ze zijn erg betrokken op hun wijk en

hebben contacten met de diverse bewoners

die van hen verschillen, als Vlaming maar

ook als hoger opgeleide. Ze zijn beide

betrokken in alledaagse burenconnecties.

Ze nemen daarnaast deel aan de lentepoets

in hun respectievelijke straten. Ze werken

ook als vrijwilliger mee aan allerlei projecten

van wijkprofessionals van bijvoorbeeld

Buurthuis Dinamo, het cultureel centrum,…

Beide vrouwen zijn in hun bewegingen

vooral georiënteerd op Antwerpen stad. In

tegenstelling tot de andere respondenten

die eerder gericht zijn op het district Deurne.

Katelijne winkelt bijvoorbeeld meer in de

stad: in biowinkels en in Marokkaanse

speciaalzaken voor kruiden. Ook al zijn ze

betrokken op hun wijk en wonen ze er graag,

soms missen ze wel een paar voorzieningen

die meer op hun doelgroep gericht zijn.

Alexandra mist bijvoorbeeld een eigentijds

gezond en gezellig praatcafé waar ze

naast de diversiteit van bewoners ook wat

gelijkgestemden zou kunnen ontmoeten.

Inventieve bewonerstactieken met

betrekking tot mobiliteit

Alle respondenten wijzen op de

(toegenomen) verkeersdrukte en een

tekort aan parkeerplaatsen. Een tekort aan

bewonersparking was een verzuchting die

we ook hoorden bij respondenten uit de

twee andere wijken maar in deze wijk ligt dat

anders. De wijk ligt aan een drukke invalsweg

naar Antwerpen en het Sportpaleis als

grote evenementenhal ligt vlakbij. Hier komt

het thema verkeersdrukte snel naar boven

tijdens het interview. Bovendien praten de

betrokkenen er met een bepaalde intensiteit

over. Zo maakt bijvoorbeeld Alexandra

zich kwaad. Ze vindt het bijzonder lastig

dat ze amper bezoekers kan ontvangen en

als iemand wil blijven slapen is dat quasi

onmogelijk. Wanneer bewoners thuiskomen

van hun werk is het moeilijk om een

parkeerplaats te bemachtigen. Ze wijzen er

ook op dat vele bewoners met wagens rijden

die meerdere parkeerplaatsen innemen.

Er zijn de arbeiders, klusjesmannen,… met

bestelwagens of de truckchauffeurs met een


89


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

90

lange vrachtwagen. Bewoners beschikken

over meer dan één auto en vaak bezitten ze

ook aanhangwagens. Er is een schaarste

aan parkeerruimte voor bewoners.

Opvallend is dat ze vertellen over de

tactieken die hun buren beginnen te

ontplooien om zichzelf een plekje te

kunnen garanderen. Zo parkeren sommige

buurvrouwen hun kleinere wagen op zo’n

manier dat ze eigenlijk twee parkeerplaatsen

innemen. Later op de dag kunnen ze dan een

familielid een parkeerplaats aanbieden door

hun reeds geparkeerde auto een beetje te

verzetten. Ook aanhangwagens zijn geliefde

vehikels om twee plaatsen te bezetten. Dit

wekt veel wrevel en ergernis op bij andere

bewoners en kan de burenrelaties verzuren.

Het koppel Linda en Martin hebben vroeger in

een comité gezeten om de problematiek van

het parkeren aan te kaarten. Het is volgens

hen wel verbeterd ten opzichte van vroeger

omdat de buurt uiteindelijk toch een blauwe

zone is geworden. Buitenstaanders kunnen

er maar een beperkte tijd parkeren. Ook

gingen ze in gesprek met het Sportpaleis. Ze

krijgen nog steeds met kerstmis kerstrozen,

kaarsen en cava van het Sportpaleis. Toch

blijft de verkeersdrukte een probleem. Linda

heeft net op haar fiets een kinderstoeltje

laten plaatsen, want ze haalt sinds kort haar

kleindochter op met de fiets omdat ze met

de auto in de file terechtkomt. Ook Hafida

gebruikt haar fiets meer dan vroeger.

Irma, een zeventiger woonachtig in de De

Mansstraat en Godelieve, een tachtiger

die al haar hele leven in de wijk woont en

nu een appartement in de Bosuil betrekt,

klagen uitvoerig over de verkeersdrukte. Zij

nemen vaak de tram. Met tram 5 kunnen zij

makkelijk de vele supermarkten bereiken

die Deurne rijk is en dat vinden ze een

pluspunt. Het enige probleem is dat ook de

trams propvol zitten met mensen. Zij weten

erg goed op welke tijdstippen ze de tram

moeten nemen om de drukte te vermijden.

De autobestuurders onder de respondenten

zijn zich dan weer bewust van de tijdstippen

waarop ze moeten vermijden te vertrekken

of te arriveren in hun eigen buurt. Concreet

kan dat ook betekenen de kalender van het

Sportpaleis in het oog houden.

Alledaagse hiërarchieën en interculturele

vriendschap

Linda en Martin zijn geboren en getogen

in Deurne en wonen sinds 1982 in de buurt

Deurne-Noord in een beletage-woning. Ook

hun ondertussen drie volwassen kinderen

zijn er opgegroeid. Zij hebben net als andere

bewoners de wijk zien veranderen. Zij zijn erg

actief als koppel in het traditionele Vlaamse

verenigingsleven zoals in de jeugdbeweging,

in Femma, en vroeger in De Bond van Grote

en Jonge gezinnen,… Ook zijn ze actief in

het parochiecentrum en in het plaatselijke

schooltje. Ze wijzen in het gesprek op

overlast in de wijk op bepaalde pleintjes en

zeggen het moeilijk te hebben met de Romagroepen

die neerstrijken in de wijk. Kinderen

van twee jaar oud worden alleen gelaten

op de straat en vaak ook ’s avonds laat.

De ouders sturen hun kinderen niet altijd

naar school. In een straat zijn veel mensen

verhuisd omdat er Roma-groepen de huizen

hebben betrokken. Het samenleven met

hen is erg moeilijk. Ze houden van hun

buurt en zeggen nooit de neiging te hebben

gehad om te verhuizen, maar ze zijn niet

naïef en het nummer van ‘de blauwe lijn’ zit

opgeslagen in hun mobiele telefoon. Het is

opvallend dat ze erg positief spreken over de

geboren en getogen Marokkaanse gezinnen

van wie ze veel vriendschap ontvangen. Ook

bij andere geïnterviewde bewoners in deze

wijk ontdekken we een soort van alledaagse

hiërarchie die ze opmaken met betrekking

tot diverse etnisch-culturele groepen.


91

Marokkaanse bewoners vormen mee de

middenklasse en prijken helemaal bovenaan

de ladder. Roma staan helemaal onderaan

op de ladder.

Linda en Martin zijn verantwoordelijk voor het

parochiecentrum en verhuren de zaal voor

feestjes. Marokkaanse bewoners organiseren

er huwelijksfeesten. Martin is onder de indruk

van deze trouwfeesten en vooral van hoe

ze de zaal helemaal kunnen omtoveren en

inrichten. Hij toont er enthousiast foto’s van.

Hij zegt dat ze erg stipt en bijzonder goed

georganiseerd zijn. Vaak schenken ze hem

ook overgebleven lekkernijen. Het koppel

vertelt dat ze ooit wel op een probleem zijn

gestoten. De pastoor van de parochie moet

voor of na de mis gebruik kunnen maken

van het sanitaire blok in de parochiezaal.

De afspraak is dan ook dat de huurders

de pastoor moeten toelaten in de zaal.

Aangezien de vrouwen en mannen op het

huwelijksfeest opgesplitst worden, zijn er

in het geval van Marokkaanse huurders

enkel vrouwen in de zaal en een mannelijke

aanwezigheid is dan niet gewenst. Een

oplossing werd gevonden door een gang af

te bakenen met panelen zodat de pastoor

en de vrouwen niet zichtbaar zijn voor

elkaar. Ook zegt Linda dat ze reeds vijftien

jaar een samentuin hebben in de buurt, ‘de

pottentuin’ waar verschillende diensten

hebben samengewerkt onder andere

de school, het dienstencentrum en het

buurtcentrum Dinamo om dit te realiseren.

Zij is de vrijwilliger die de tuin opent en sluit,

en zegt dat de omgang tussen wijkbewoners

met verschillende herkomst er vlot verloopt.

Eenzelfde verhaal horen we bij de Bosnische

Azra, haar man en haar ex-buren. We

worden uitgenodigd in het appartement

van Azra op de Bisschoppenhoflaan

waar ze haar ex-buren, de Vlaamse Theo

en Suzanne, en de onderzoeker royaal

bedient van pannenkoeken met Nutella. In

geuren en kleuren vertellen de Bosnische

moslimfamilie, die in 1993 zijn gevlucht naar

België, en het Vlaamse katholieke gezin hoe

ze elkaar hebben leren kennen. Ze woonden

lange tijd in de Van Heetveldelei. Terwijl beide

gezinnen ondertussen verhuisd zijn, zien

ze elkaar nog frequent. Theo en Suzanne

verblijven nu in een verzorgingstehuis in de

wijk. Theo heeft het er niet altijd naar zijn zin.

“We mogen niks meer doen, alleen betalen!”

(Azra en echtgenoot, Theo en Suzanne,

interview 20 maart 2017)

Hij begeeft zich dan ook graag buitenshuis

en gaat graag naar de markt en de Turkse

winkel waar hij een koffietje drinkt en

een praatje slaat met de gerant. Azra en

haar gezin hebben geen familie in België

maar hun kinderen spreken het senioren

koppel aan als oma Suzanne en opa

Theo. Op school schreven ze destijds

nieuwjaarsbrieven voor hen. Beide gezinnen

hebben een hechte vriendschapsband

ontwikkeld. Theo zegt er stiekem van te

genieten wanneer hij sommige bewoners van

het rustoord kan choqueren met zijn “nieuwe

moslimfamilie”. In Deurne-Noord heeft een

heel gewone burenconnectie doorheen de

tijd geleid tot een geborgen thuisgevoel bij

een paar van haar oudste bewoners en een

paar van haar nieuwe bewoners.

Harde street talk én zachte small talk

Deurne-Noord is een wijk die onder

druk staat omwille van de hedendaagse

verkeerssituatie en van de aanwezigheid

van bepaalde bovenlokale voorzieningen.

Een wijk waar erg verschillende etnischculturele

groepen met elkaar dienen samen

te leven en waar ook mensen in armoede

terechtkomen. De realiteit in Deurne-Noord

kan dus hard zijn, de algemene perceptie van

levendigheid eerder negatief. Het is echter

opvallend dat de wijk als harde noot toch

gekraakt kan worden door haar bewoners en

lokale professionals. De betrokken bewoners

hebben er met vallen en opstaan een dorp

kunnen terugvinden. Een main street zoals

in Oud-Berchem hebben ze niet maar wel

het grootwarenhuis Colruyt. De supermarkt

vormt er “the place to be” om toevallig

bekenden tegen te komen. Een tip van

Martin: kom niet te laat op de dag naar het

grootwarenhuis, want dan zijn de proevertjes

zoals stukjes koek en bekertjes koffie reeds

op.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

92

WAT VALT ER TE LEREN UIT DE VERHALEN?

In wat volgt beperken we ons tot de

hoofdconclusie die getrokken kan worden

uit de drie sterke verhalen. Er zijn nog meer

zaken die we kunnen leren uit deze verhalen

maar die worden verder in dit rapport

uitgewerkt en geïntegreerd.

HET CRUCIAAL BETEKENISVERSCHIL

TUSSEN HET BURENCOLLECTIEF EN DE

BURENCONNECTIE

Doorheen de drie verhalen weerhouden

we het basisidee dat levendigheid een

ervaring is en een effect. Levendigheid

situeert zich in het alledaagse doen en

laten van bewoners en wordt niet enkel en

alleen bepaald door allerlei georganiseerde

initiatieven gericht op levendigheid.

Om levendigheid als ervaring te kunnen

begrijpen komt het onderscheid tussen

burencollectief en burenconnectie naar

de oppervlakte vanuit het onderzoek in

de drie wijken. Dit onderscheid vormt

een belangrijk kader binnen de volledige

onderzoeksopdracht.

Het burencollectief betreft zoals de

naam het zegt een collectieve identiteit.

Bewoners groeperen zich vrijwillig,

met een financiële ondersteuning van

de overheid. Er wordt een duidelijk

doel vooropgesteld: de buren leren

kennen. Alles staat in teken van de lijm

tussen mensen en van het idee van

herkenbaarheid. Vaak komt er nog een

extra doelstelling bovenop, zoals de tram

of grootstedelijkheid weren uit de buurt,

of laten zien dat een warme multiculturele

samenleving wel kan. De dagelijkse

contacten vormen vaak een middel om

een hoger doel te bereiken.

De burenconnectie speelt zich

daarentegen af tussen verschillende

individuen in de buurt. Er wordt geen

collectief gevormd en er worden geen

doelen vooropgesteld. De burenconnectie

kent een open einde. Er is een sterke

waardering voor spontaneïteit tussen

mensen en minder voor allerlei

organisatorische ingrepen. Er is lijm maar

die mag niet te plakkerig zijn. Het vormt

een meer ambivalente aangelegenheid.

Met ambivalentie bedoelen we een situatie

waarin tegenstellingen tegelijkertijd

kunnen voorkomen. In de burenconnectie

gaat connectie hand in hand met

disconnectie. De concrete alledaagse

ervaring staat erg centraal.

De essentie wordt niet alleen gevormd

door het betekenisverschil maar ook door

het statuut dat wordt toegekend aan de

twee begrippen. In wat volgt stellen we

dat er een scheefgetrokken verhouding

bestaat tussen het burencollectief en de

burenconnectie.

HET STATUUT VAN HET

BURENCOLLECTIEF

Levendigheid wordt zowel door sommige

insiders (bewoners zelf) als door outsiders

(niet-bewoners) gezien als het resultaat van

de aanwezigheid van een burencollectief.

Het burencollectief staat in teken van wat we

eerder omschreven als een vorm van samen

zijn gebaseerd op herkenbaarheid (Soenen,

2003). Anonimiteit moet daarbij doorbroken

worden. Buren moeten elkaar kunnen leren

kennen. Het sluit aan bij wat de betrokken

bewoners uit de drie wijken omschrijven als

een dorpssfeer. Het is opvallend dat wanneer

bewoners uit de betrokken wijken positief

zijn over de levendigheid in hun wijk zij

steevast gebruik maken van de metafoor van

het dorp. Wetenschappelijk gezien kunnen

we niet uitgaan van een simplistische

dichotomie waarbij de stad als bedreigend

wordt gezien voor een gezond sociaal

leven en het dorp als de ideale sociale

biotoop ervoor. We dienen deze uitspraken

niet letterlijk te interpreteren. Het verwijst

vooral naar een concreet sociaal fenomeen

namelijk dat we in de nabijheid van het eigen

huis toevallig bekenden tegen het lijf kunnen

lopen. Het inzetten op het burencollectief

beoogt in theorie deze doelstelling.

De straatverhalen tonen echter aan dat

het burencollectief niet de noodzakelijke

voorwaarde vormt voor levendigheid.

Ook zonder dit gegeven kan een buurt

als levendig ervaren worden en kunnen


93

Burencollectief

Burenconnectie

Vormen van een groep/collectieve

identiteit

Doel+optie tot extra doelen

Relatie tussen verschillende

individuen/vertakkingen

Open einde

Ingrijpen

Spontaniteit

Dagelijkse ervaring als middel

Dagelijkse ervaring als doel op zich

Lijm/herkenbaarheid

Lijm maar ... niet plakkering/

ambivalent


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

94

bewoners toevallig bekenden ontmoeten.

We stelden dit vast in Wilrijk Hoogte maar

ook bij een aantal bewoners in de andere

betrokken wijken/straten. We willen niet

zeggen dat het burencollectief niet relevant

is voor levendigheid maar wel dat het

geen geprivilegieerd statuut heeft om

aan levendigheid te werken. Vaak wordt

echter verondersteld dat de burenconnectie

enkel een middel is om het uiteindelijke

doel, het burencollectief, te bereiken. De

burenconnectie wordt ofwel niet gezien

(door de overheid) ofwel als te oppervlakkig

gepercipieerd (door sommige bewoners zelf

binnen een burencollectief).

Vanuit de overheid is het beleidsmatig

op het eerste zicht eenvoudig om het

burencollectief te faciliteren. Er wordt

reeds op ingezet. Het is daarom interessant

stil te staan bij de effecten of beter

neveneffecten ervan. De verhalen tonen

een erg genuanceerd beeld met betrekking

tot het burencollectief. Er bestaan erg

diverse versies van het burencollectief en

de doelen verschillen: van de tram, lees

grootstedelijkheid, weren uit de buurt, over

gewoon een feestje, naar het ijveren voor

een multiculturele samenleving. Door het

feit dat bepaalde bewonersgroepen een

boodschap uitdragen, komt het ook voor dat

dit leidt tot polarisaties tussen buren. Het

burencollectief kan zijn doel bereiken maar

evenzeer er ook helemaal naast schieten en

zelfs contraproductief werken. Terwijl alle

bewoners uitnodigen een criterium vormt

voor de financiële ondersteuning, betreft het

(zoals sommige respondenten verwoorden)

soms eerder een familie die een straatfeestje

organiseert, een kliek die ons, gewone

mensen, er niet bij wilt,… Bewoners voelen

zich niet altijd welkom in het burencollectief.

Sommige bewonersgroepjes zijn met

andere woorden ingekapseld.

De betrokkenheid van bewoners op hun

eigen buurt is uiteraard erg lovenswaardig

maar het engagement mag niet onderschat

worden. Het arbeidsintensieve karakter

ervan kan tot onderlinge conflicten

leiden door bijvoorbeeld vermoeidheid.

Sommige trekkers hebben erg veel

geïnvesteerd en voelen zich vervolgens in

de steek gelaten door andere bewoners

en ervaren een tekort aan erkenning. De

burenrelaties verzuren hierdoor, net het

omgekeerde van wat er beoogd wordt.

Bewoners die fulltime investeren in een

burencollectief roepen ook vragen op bij

andere bewoners namelijk dat er toch een

grens is met betrekking tot professionals

en vrijwilligers. Er lijkt een wat naïef geloof

te bestaan met betrekking tot de rol van

het burencollectief maar ook worden

er hoge verwachtingen geformuleerd

om levendigheid te bevorderen via een

burencollectief. Vrijwilligers kunnen deze

hoge verwachtingen niet helemaal vervullen

wat ook erg logisch is. Conflicten binnen de

groep bewoners kunnen oplossen vormt een

moeilijk gegeven en vereist professionele

know-how. Ook kunnen omgaan met alle

bewoners is geen evidentie voor vrijwilligers.

Burencollectieven vormen ook geen continu

gegeven. Vooral opgroeiende kinderen doen

het engagement afnemen.

DE “GEWONIGHEID” (DE WACHTER DIRK)

VAN DE BURENCONNECTIE

De burenconnectie daarentegen ontstaat

erg organisch en betreft dus connecties

tussen meerdere individuen waarbij er niet

gestreefd wordt naar een collectief. De

spontaneïteit is het meest gewaardeerde

facet van de burenconnectie. Ook de

authenticiteit is voor sommige betrokken

bewoners van belang, namelijk niet één keer

per jaar vriendelijk zijn maar doorheen het

hele jaar, ook al is het kortstondig, met elkaar

omgaan. De burenconnectie staat dus in het

teken van de gemeenschappelijke, concrete

ervaring, van het gewone. Het is net dit

aspect dat maakt dat onderlinge verschillen

tussen mensen vaak onbewust beheerd

kunnen worden (Soenen, 2006). Mensen zien

elkaar niet in hun brede publieke identiteit

zoals niet te vertrouwen Marokkaan,

verzuurde Vlaming, stedelijke bakfietser,..

maar als moeder die last heeft met haar

puber, als echtgenoot met een zieke vrouw,

als dieren- of tuinliefhebber,… Het werkt

eerder verbindend op basis van erg gewone

alledaagse dingen die mensen delen.


95

De burenconnectie is niet zozeer

gebaseerd op het begrip herkenbaarheid

maar op het door ons eerder omschreven

begrip ambivalentie met betrekking tot

gemeenschap (Soenen, 2003). Ambivalentie

betreft een situatie die zijn tegengestelden

kan omvatten. Dit wil zeggen dat

herkenbaarheid er zal samengaan met iets

nieuws, iets onbekend. Burenconnecties

stimuleren ontmoeting, maar houden dan

ook afstand in. “We lopen mekaars deur

niet plat” is een veelgehoorde uitspraak.

Sociale verplichtingen worden vermeden

maar indien hulp nodig is, wordt die

geboden. Er moet met andere woorden

een soort lijm zijn maar tegelijkertijd mag

het ook niet te plakkerig worden. Terwijl

er geen doelen worden vooropgesteld

zoals in het burencollectief genereert de

burenconnectie toch een aantal effecten.

De betrokken bewoners hebben er materieel

baat bij (spullen uitwisselen, sleutels

bijhouden) of ze kunnen op sociale steun

rekenen. Naast een meer praktisch nut

heeft de burenconnectie een impact op het

emotioneel welbevinden van de individuele

bewoner maar ook op het volledige sociale

klimaat in de straat. Het is net het kluwen

van meerdere kleine, gedeelde ervaringen

die een collectief effect hebben op de sfeer

in de straat (voor een verdere uitwerking

van het tot stand komen van een breed

beleefd en totaal ‘levendigheids- en

veiligheidsklimaat’ zie Soenen, 2009 en

2010). Maar ook de aanwezigheid van het

burencollectief (zonder de onbedoelde

neveneffecten) kan zo nog steeds bijdragen

aan het totale klimaat van levendigheid in

een wijk.

Referenties

Anderson, E. (1978). A place on the corner.

Chicago: University of Chicago Press.

Boomkens, R. (1998). Een drempelwereld.

Moderne ervaring en stedelijke openbaarheid.

Rotterdam: NAI-uitgevers.

In het hoofdstuk ‘Hoe kunnen we in de

toekomst werk maken van levendige

wijken’ worden de sociale en ruimtelijke

implicaties van een herpositionering van

het burencollectief verder uitgewerkt en

geïntegreerd.


De praktijk:

wat gebeurt

er vandaag al

rond

levendigheid?


Door ons oor te luisteren

te leggen bij meer dan

zeventig stads- en

wijkprofessionals krijgen

we inzicht in de manier

waarop vandaag al, zowel

uit ruimtelijke als sociale

hoek aan levendigheid

wordt gewerkt.

Zo komen we te weten wat

vandaag al door diverse

partijen onder het concept

levendigheid wordt

begrepen.

Praktijkvoorbeelden

tonen op welke manier dit

concreet wordt vertaald,

en wat de mogelijkheden,

maar ook de hindernissen

of obstakels zijn.

Tot slot zien we ook op

welke momenten aan

levendigheid wordt

gewerkt, en hoe hierbij

rekening wordt gehouden

met de tijdsdimensie en

het wisselende karakter

van levendigheid.


© Frederik Beyens


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

100

Levendigheid als positief vliegwiel voor de wijk


101

WAT ZIEN WE?

Wat wordt vandaag al onder levendigheid

begrepen?

Hoe wordt hiermee omgegaan?

Wanneer wordt hierop ingezet?

We legden ons oor te luisteren bij meer dan

zeventig stedelijke professionals. Dat ging

zowel om professionals die actief waren in de

drie geselecteerde onderzoekswijken, als in de

rest van Antwerpen. We spraken met mensen

die eerder vanuit een ruimtelijke bril naar

levendigheid kijken, en met mensen die eerder

vanuit een sociaal perspectief denken en

werken. We ontmoetten vertegenwoordigers

van stedelijke diensten, maar ook mensen die

actief in het veld werken. We namen contact op

met stedelijke professionals die vandaag aan

de slag zijn en vanuit hun huidige ervaringen

konden spreken, maar zochten ook vijf meer

ervaren wijkprofessionals op, die met ons hun

rijke ervaringen uit het verleden konden delen.

We namen ook verschillende

beleidsdocumenten door. Op die manier

kregen we inzicht in wat vandaag al onder

levendigheid wordt begrepen, hoe hier

momenteel al wordt op ingezet, en wanneer

levendigheid in het vizier verschijnt. Door te

bestuderen met welke bril stads- en

wijkprofessionals vandaag al naar

levendigheid kijken, kunnen we later

aandachtspunten formuleren die van belang

zijn om in de toekomst het ‘leven in de wijk’

actiever aan te zwengelen.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

102

Wat wordt vandaag al onder levendigheid begrepen?

Er bestaan veel ambitieuze

beleidsdoelstellingen rond

levendigheid. In verschillende

beleidsvisies wordt levendigheid

gehanteerd als een populair begrip,

waarmee een brede waaier aan

thema’s wordt aangekaart. Dat gaat

van veiligheid en sociale controle,

over de opwaardering van

winkelstraten of het samenleven in

buurten, tot het opnieuw

aantrekkelijk maken van de stad

voor de middenklasse. Maar hoe

wordt het concept levendigheid

ingevuld door stedelijke

professionals?

Vaststellingen

1. Uit onze interviews met professionals komt

in het algemeen een eerder smalle invulling

van levendigheid naar voor. Dat is op zich ook

logisch en normaal. Zo heeft een

jongerenwerker vooral zicht op welke plekken

in de wijk actief door jongeren worden gebruikt,

of kijkt iemand die als taak heeft om toezicht te

houden en de veiligheid te bewaken ook met

een zeer specifieke bril naar de wijk. Maar men

is zich nog onvoldoende bewust van dit sterk

gekleurde perspectief. Vaak worden deze

wijkprofessionals als belangrijkste en enige

bron van lokale kennis geraadpleegd wanneer

stadsdiensten zicht willen krijgen op ‘wat er

speelt’ in de wijk.

alledaagse ervaring van bewoners of andere

wijkgebruikers verdwijnen zo uit beeld.

3. De routes en verbindingen in wijken worden

doorgaans als een louter technische

aangelegenheid bekeken. Er is inzicht in de (al

dan niet vlotte) bereikbaarheid van de wijk en

hoe dit mee bepalend kan zijn voor de

aantrekkelijkheid van de wijk. Ook kwesties als

parkeergelegenheid (en het gebrek eraan),

laad- en losgelegenheid, en andere

verkeerskwesties zijn goed gekend. Daarnaast

is er meer inzicht nodig in hoe diverse

groepen zich doorheen de wijk bewegen, en in

hoe zij deze alledaagse routes en

verbindingen ervaren.

4. Het alledaagse ruimtegebruik van weinig

gedefinieerde ruimtes of ‘tussengebieden’,

die in aanmerking komen als toekomstig

transformatiegebied, valt standaard buiten

het blikveld. Voor deze gebieden bestaan

soms al ruimtelijke plannen, maar hierin wordt

vaak abstractie gemaakt van wat al aanwezig

is, en de bestaande en mogelijke betekenissen

van deze plekken voor de directe omgeving.

5. Publieke interieurs zijn minstens even

belangrijk als publieke exterieurs. Bij publieke

interieurs wordt vandaag vooral de nadruk

gelegd op formeel geplande instellingen,

waarbij nog sterk wordt gedacht in termen van

‘doelgroepen’. Er is meer oog nodig voor het

veelkleurige pallet van formele en informele

ontmoetingsruimte in de wijken, waar

mensen op zeer uiteenlopende manieren

kunnen samen komen.

2. Zeer opvallend is dat precieze kennis en

inzicht in de alledaagse ervaring van

bewoners of andere wijkgebruikers vaak

ontbreekt. De kennis over belangrijke

centraliteiten in de wijk en hoe deze

dagdagelijks functioneren beperkt zich in

veel gevallen tot die plaatsen waar hun

optreden als wijkprofessional noodzakelijk is,

in functie van toezicht, overlast, veiligheid of

hinder. Centraliteiten die belangrijk zijn in de


103

Centraliteiten

Verzamlpunten bekeken door de bril van ‘Profesionals en middenveld’ en door de bril van ‘Ruimtelijke en sociale kansen’


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

104

Routes

Routes bekeken door de bril van ‘Profesionals en middenveld’ en door de bril van ‘Ruimtelijke en sociale kansen’


105

Tussenzones

Tussenzones bekeken door de bril van ‘Profesionals en middenveld’ en door de bril van ‘Ruimtelijke en sociale kansen’


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

106

Voorbeelden

Voorbeeld #1 / Pilootproject Wilrijk, Ter

Hoogte

(illustratie van punt 3 en 4)

Het nieuwe woningbouwproject Wilrijk Ter

Hoogte is een ambitieus stadsproject, dat

kadert binnen het traject Pilootprojecten

Collectief Wonen dat door de Vlaams

Bouwmeester werd uitgezet. Het gaat om de

inpassing van een 150-tal nieuwe woningen, in

een vrijwel aaneengesloten bebouwing. Deze

bebouwing vormt een tweede perimeter

binnen het bestaande bouwblok. In dit

bestaande bouwblok bevindt zich vandaag

een grootschalig groen gebied, dat niet als een

formeel park is ingericht, maar wel actief wordt

gebruikt door de buurt. Ondanks het

interessante concept van de informele en

publiek toegankelijke ‘wegel’ aan de

buitenzijde van het nieuwe bouwblok, is er

momenteel weinig aandacht voor het reeds

bestaande ruimtegebruik in dit tussengebied.

En dat terwijl dit alledaagse gebruik de nieuw

aan te leggen ‘wegel’ en de naastgelegen

terreinen mee zou kunnen opladen. Dat gaat

van volkstuintjes, over wandelen met de hond,

het verzorgen van kleine dieren, het repareren

van brommers, tot het spelen van de

plaatselijke jeugdbeweging. Tegelijkertijd ligt

deze site op een belangrijke plek in de wijk,

waarlangs vele dagelijkse routes passeren. Zo

vormt dit mee een cruciale (maar vandaag

helaas zeer onveilige) route voor de

schoolkinderen die langs deze kant de school

binnenkomen. Daarnaast ligt de site ook op

het traject van buurtbewoners uit de directe

omgeving, die van en naar het centrum ‘de

Bist’ wandelen.

Voorbeeld #2 / Het plein aan de Vredestraat,

bij het WZC Sint Maria, Oud-Berchem

(illustratie bij punt 1)

Het plein aan de Vredestraat heeft in principe

veel potentieel om een levendig plein te zijn.

Het pas heraangelegde plein grenst aan het

Woonzorgcentrum Sint Maria dat gesitueerd is

in een prachtig historisch pand, waarvan de

toegang rechtstreeks uitgeeft op het plein.

Rondom het plein zijn verschillende cafés

gesitueerd, waar je bij mooi weer op een

terrasje kan zitten. Verschillende woningen in

de directe omgeving zijn recent gerenoveerd,

omwille van het feit dat de buurt recent ook

herontdekt is door jonge, kapitaalkrachtige

gezinnen. Bovendien is het plein gesitueerd op

het kruispunt van verschillende routes

doorheen de wijk. Toch wordt het plein door

velen als een ‘doods’ plein beschouwd. Dit

wordt ook bevestigd tijdens onze observaties

en informele straatgesprekken. Het gaat op het

eerste zicht om ‘kleine’ zaken die ontbreken: de

toegang tot het plein is niet rolstoelvriendelijk,

het ontbreekt aan banken waar je in de zon kan

zitten, en de auto’s die hierlangs passeren,

rijden vaak te snel. Het ovaalvormige plein is

bewust op een zeer open manier ingericht om

evenementen te kunnen organiseren. Maar het

aantal evenementen is zeer beperkt, en de rest

van de tijd voelt het plein vooral leeg en

ontoegankelijk aan. De optelsom van deze op

het eerste zicht ‘kleine’ zaken, maken dat het

potentieel van het plein vandaag niet optimaal

wordt benut.

Project Wilrijk Ter Hoogte, OFFICE

Vredesplein, Berchem


107

Voorbeeld #3 / Werken met plekken,

buurtcentrum Dinamo, Deurne Noord

(illustratie bij punt 5)

Sommige wijkprofessionals zetten de ruimte

vandaag al bewust mee in om zichtbaarheid

aan hun projecten te geven. Dat gebeurt

bijvoorbeeld door bepaalde activiteiten niet

enkel in het buurtcentrum, maar ook op andere

zichtbare en herkenbare locaties in de wijk te

organiseren. Deze plekken of publieke

interieurs worden strategisch bepaald. In de

werking van het buurtcentrum Dinamo wordt

zo bijvoorbeeld bewust gekozen voor plekken

“waar al wel een verhaal van vroeger was, maar

nog geen verhaal van nu”. Op die manier

worden ook mensen aangesproken, die nog

niet vertrouwd zijn met Buurtwerk, en die niet

geneigd zijn om het buurtcentrum binnen te

stappen. Zo werden er bijvoorbeeld (voor de

renovatie) evenementen georganiseerd in ‘de

Drei Torekens’.

Buurtcentrum Dinamo, Deurne


praktijk

onderstroom


DIAGNOSE 1

Uit gesprekken met professionals over levendigheid in

de wijk, blijkt dat slechts het topje van de ijsberg wordt

gezien. Vooral de zaken die er in positieve (bv. buurtfeesten)

of negatieve zin (bv. conflicten) uitspringen, worden

gepercipieerd.

Hierdoor ontstaat een blindheid voor ‘alledaagse’

levendigheid, die zich manifesteert in de vorm van

‘burenconnecties’, en die kan gezien worden als de

kabbelende onderstroom van de wijk.

Ondanks de relatieve onzichtbaarheid van deze

onderstroom bij het beleid, laten de ‘sterke verhalen’ in deze

studie zien dat het ‘thuisgevoel’ van bewoners in hun wijk

hier sterk mee samenhangt.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

110

Hoe wordt vandaag al aan levendigheid gewerkt?

Zowel uit sociale als ruimtelijke

hoek bestaan er veel positieve

intenties om te werken aan

levendigheid. Maar hoe laten deze

intenties zich vertalen in de

praktijk? Wat zijn de

mogelijkheden? Welke obstakels en

hindernissen zijn aanwezig?

Vaststellingen

1. Er is een gebrek aan handvaten om

‘levendigheid’ te koppelen aan de ruimte. Er

wordt veel verwacht van de ruimte om mee bij

te dragen aan de ‘levendigheid’ van wijken.

Ondanks positieve intenties blijkt de vertaling

in de praktijk niet eenvoudig. Voor architecten

en stedenbouwkundigen blijft de sociale

dimensie van de ruimte moeilijk om vat op te

krijgen. Hierdoor wordt er vaak teruggevallen

op standaardrecepten (mixen van functies,

doorwaadbaarheid) of een copy-paste van

‘best practices’ die elders succesvol waren,

waarbij wordt voorbijgegaan aan de

mogelijkheden of noden die in de wijk

aanwezig zijn.

“Als ontwerpers zijn we meer

en meer geïnteresseerd in het

sociale effect van architectuur en

ruimtelijke inrichting. Maar het is

en blijft voor ons heel moeilijk om

dat sociale ook ‘vast te krijgen’. We

willen allemaal liefst dynamische

en levendige plekken ontwerpen.

En we gebruiken het ook graag

als term in de plannen die we

maken, bv. ‘levendig kanaal’ in

Deurne-Noord. Maar het blijft nog

een zoektocht. Er zijn ook veel

verschillen tussen wijken. We

zouden nog manieren moeten

vinden om hier beter mee om te

gaan.”

(uitspraak van een stedelijke professional

tijdens het groepsgesprek over de ruimtelijke

dimensie)

“Vanuit ruimtelijke planning en

ontwerpend onderzoek proberen we

om in de eerste fase een aantal

maanden de tijd te nemen om de

opgave vanuit een breder

perspectief te kunnen bekijken,

zodat er wel ruimte is om dit te

bespreken met andere mensen. En

vervolgens, naar het

uitvoeringsproject toe wordt er

opnieuw versmald. En dat is

begrijpelijk als er bepaalde keuzes of

investeringen moeten gedaan

worden. Op dat moment proberen

we vooral de communicatie nog zo

goed mogelijk te doen. Maar soms is

er het probleem dat we er ook tijdens

de eerste fase niet altijd de tijd voor

krijgen. Of dat er iemand denkt: ‘mijn

budget staat op dat jaar en er moet

tegen dan een aantal resultaten

zijn.’”

(uitspraak van een stedelijke professional

tijdens het groepsgesprek over de ruimtelijke

dimensie)

2. Er is meer tijd en ruimte nodig om een

collectief proces te kunnen doorlopen, en

bepaalde opgaven in de wijk vanuit een

ruimer sociaal en ruimtelijk perspectief te

kunnen bekijken. Op die manier kunnen de

lokale kennis en de bestaande netwerken veel

actiever benut worden bij ruimtelijke

interventies. Nu worden bij ruimtelijke

planning en ontwerpend onderzoek wel diverse

partijen betrokken, maar de tijd die hiervoor

wordt uitgetrokken is minimaal. Omwille van

de tijdsdruk, die ook samenhangt met

budgetplanning en vastgestelde

uitvoeringstermijnen, ontstaat de angst dat

hoe meer mensen je betrekt bij een project, hoe


111

moeilijker het wordt om het project haalbaar te

maken.

3. Levendigheid is meer dan evenementen en

festiviteiten alleen. Ook minder zichtbare,

alledaagse levendigheid is van belang en

vraagt om investering. De algemene aanname

is dat festiviteiten en evenementen belangrijk

zijn voor levendigheid. Dit is ook merkbaar bij

het beleid, waarbij hier stevig op wordt ingezet,

bv. via ondersteuning van straatfeesten.

Tegelijk is er een tendens waarbij de

populariteit van initiatieven vanuit

burgers(collectieven) toeneemt. Dit is een

positieve evolutie en toont betrokkenheid bij

het leven in de wijk. Toch ontstaat hierdoor het

risico dat levendigheid in hoofdzaak wordt

gereduceerd tot wat zichtbaar is, tot formele

en geplande initiatieven, en tot wat zich

afspeelt in de publieke ruimte. Wanneer

levendigheid te eng wordt ingevuld, en zich

voornamelijk richt op een specifieke groep, dan

ontstaat er een risico op conflicten of

polarisering (cfr. het hoofdstuk ‘sterke

verhalen’). Tegelijk is het zo dat ook informele,

minder zichtbare vormen van levendigheid, de

zogenaamde ‘kabbelende onderstroom’,

bijdragen tot het samenleven in de wijk.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

112

Voorbeelden

Voorbeeld #1 / Project ‘Groene Sproeten’ in

Deurne

(illustratie van punt 1)

In Deurne is recent een project rond ‘Groene

sproeten’ gelanceerd, wat op zich een mooi en

waardevol initiatief is om op een fijnmazige

manier meer groen binnen te brengen in een

dichtbebouwde wijk, en om onder meer ook

binnengebieden te gaan activeren. Een

gelijkaardig initiatief werd enkele jaren

succesvol toegepast in Gent, in een

gelijkaardige wijk.

Tijdens onze interviews en gesprekken werd

duidelijk dat er momenteel in Deurne onder

bewoners vooral een sterk tekort aan

bewonersparking wordt ervaren. Het is dus

belangrijk om te realiseren dat het project rond

‘Groene Sproeten’ hierdoor bij lokale

implementatie in een spanningsveld zal

geraken. Er ontstaat m.a.w. een mogelijke

‘mismatch’ wanneer deze ‘best practice’ uit

Gent onvoldoende wordt afgestemd op de

specificiteit van de lokale (ervaren) context.

Voorbeeld #2 / het winkelpandenbeleid in de

Statiestraat - Driekoningenstraat,

Oud-Berchem

(illustratie van punt 2)

Recent is er in Berchem een rapport

opgemaakt in functie van de verdere aanpak

voor de winkelstraat Statiestraat -

Driekoningenstraat. Kort samengevat gaat het

om een uitgebreide inventarisatie van wat

gezien wordt als storend voor het beeld van de

winkelstraat. Dit gaat zowel om fysieke,

materiële zaken (inrichting van het winkelfront,

staat van de brievenbus, etc.), als leegstand,

als storend hanggedrag. Deze inventarisatie

wordt gekoppeld aan een reeks van acties. De

buurtregisseur licht toe dat er gesprekken met

winkeleigenaren worden gehouden, om hen te

wijzen op hun verantwoordelijkheid. Naast het

corrigeren en beboeten van winkeleigenaren,

blijk uit ons onderzoek (zie verhalen) dat er veel

kansen liggen om het (verborgen) potentieel

van de winkelstraat aan te grijpen om op een

constructieve manier aan de levendigheid in

de wijk te werken. In andere steden, zoals

bijvoorbeeld in Rotterdam, werd in een

gelijkaardige winkelstraat gedurende een

vijftal jaren een ‘Actieprogramma’ gelanceerd,

dat werd beleid door een ‘Programmateam’.

Naast fysieke ingrepen in de straat, en de

oprichting van een overkoepelende

winkeliersvereniging, was er bijvoorbeeld ook

een ‘laanmanager’ actief die als ‘matchmaker’

optrad om bepaalde (leegstaande of

vrijgekomen) winkelpanden te koppelen aan

nieuwe winkeluitbaters, en zowel nieuwe als

bestaande winkeliers ook adviseerde op het

vlak van investeringen om de kwaliteit van de

winkels te verbeteren. Bij dit soort aanpak is

procesbereidheid en onderlinge

samenwerking cruciaal.

Project ‘Groene Sproeten’, Deurne

Driekoningenstraat, Berchem


113

Voorbeeld #3 / oprichting buurtcomité naar

aanleiding van een mogelijke tramlijn, Wilrijk

(illustratie van punt 3)

Het verhaal over Wilrijk, waarbij het lokale

buurcomité op een gegeven moment ook actie

voerde tegen een mogelijk tramlijn, laat zien

dat sterk zichtbare (buurt)organisaties die

bijdragen tot het burencollectief, ook kunnen

aanzetten tot polarisatie tussen bewoners

onderling. Bewoners die niet akkoord gingen

met de anti-tram-houding werden niet meer

uitgenodigd op de vergaderingen. Dit

resulteerde in een tegencampagne, waarbij

één van de bewoners een zelfgemaakte affiche

maakte met een pleidooi voor een verbetering

voor het langzame verkeer en openbaar

vervoer in de wijk.

Affiche, geen tram in de Heistraat (bron: gva)


doen

business

as usual

doel

hoe?


DIAGNOSE 2

Zowel vanuit het beleid als bij de professionals die we

hebben geïnterviewd bestaat er over de hele lijn een grote

interesse om actiever werk te maken van levendigheid.

Momenteel is er nog een grote afstand tussen deze intenties

en het in de praktijk brengen van dit doel.

De ‘hoe-vraag’ vereist bijzondere aandacht, want de

huidige structuren en werkwijzen bieden onvoldoende

mogelijkheden, en vragen om een nieuwe aanpak.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

116

Wanneer wordt vandaag al ingezet op levendigheid?

Levendigheid is een dynamisch

gegeven. De tijdsdimensie is

cruciaal om mee te nemen bij het

werken aan levendigheid. Hoe gaan

professionals hier in de praktijk

mee om?

Vaststellingen

1. Er wordt vaak gewerkt en gedacht vanuit

een momentopname, en dat terwijl levendigheid

sterk kan fluctueren doorheen de tijd.

Evenementen of tijdelijke initiatieven kunnen

een kortstondige, maar zeer positieve dynamiek

in de wijk teweeg brengen. Daarnaast is

het ook belangrijk om te werken aan ‘de langere

lijn’. Zo zijn er verschillende professionals in de

onderzochte wijken aanwezig die al op een

zeer bewuste manier omgaan met de tijdsdimensie

(bv. buurtcentrum Dinamo en buurtcentrum

Posthof). Dat uit zich onder meer in

combinaties van projecten met een kortere en

langere looptijd.

“Belangrijk bij wijkontwikkeling

is dat je voldoende tijd steekt in

het leren kennen van de wijk. [...]

Ook voldoende continuïteit bij de

professionals die actief zijn in een

wijk is belangrijk, vooral bij het

opstarten van nieuwe projecten.

Je bent hiervoor afhankelijk van

contacten en sociale netwerken,

die enkel kunnen groeien

wanneer vertrouwen kan worden

opgebouwd.”

(interview wijkprofessional, Dinamo Deurne)

potentieel op het vlak van levendigheid, omdat

zo stap-voor-stap kan worden ingespeeld op

het ruimtelijke en sociale potentieel van wat al

aanwezig is. Tegelijk is het ook nodig om voorbij

de kleine korrel en het individuele project te

denken, en ook waakzaam te zijn voor meer

structurele veranderingsprocessen die potentieel

negatieve effecten op de levendigheid

kunnen hebben (bv. effecten van gentrificatie

of speculatie). Hier heeft het beleid ook een rol

te spelen, om hier via de ruimte nog actiever op

te anticiperen en indien nodig bij te sturen.

Voorbeelden

Voorbeeld #1 / De Pottentuin, een initiatief

van Samenlevingsopbouw Deurne-Noord

(illustratie van punt 1)

Door Samenlevingsopbouw Deurne-Noord

wordt gewerkt met een combinatie van ‘grote

momenten’ op een centrale locatie en ‘voelsprieten’

die verspreid zitten in de wijk. Zie

bijvoorbeeld de ‘vrienden van de Pottentuin’ in

Deurne. Op die manier worden ook de kleuterschool,

het dienstencentrum en andere

partijen betrokken in een lokaal netwerk dat op

regelmatige basis wordt geactiveerd en voor

een verspreid draagvlak zorgt in de buurt.

2. Geplande levendigheid versus ‘slow urbanism’.

Levendigheid laat zich moeilijk plannen

of ontwerpen. De kleine korrel en de incrementele

manier waarop stedenbouwkundige

projecten doorgaans tot stand komen (in

Antwerpen, maar ook in de rest van België),

maakt dat ‘slow urbanism’ als het ware ingebakken

zit in de huidige (ruimtelijke) stadsontwikkelingspraktijk.

Dit biedt in principe veel

Pottentuin, Deurne


117

Voorbeeld #2 / Biodroom, Linkeroever

(illustratie van punt 1)

Het Biodroomproject op Linkeroever, laat zien

dat de rol van de Stad als bemiddelaar cruciaal

is en in veel gevallen ook blijft. Het

Biodroomproject was bijzonder succesvol

gedurende de looptijd van het project, waarbij

het samen tuinieren samenging met het

smeden van burenconnecties. Toen het project

was afgelopen is beslist om de tuin toch te

laten voortbestaan, maar de begeleiding en

ondersteuning vanuit de Stad werd sterk

verminderd. Dit had als resultaat dat de tuin vrij

snel geclaimd werd door een beperkte groep,

waardoor andere buurtbewoners zich hier niet

meer welkom voelden. Projectmatig werken

kan het voordeel hebben dat er op korte tijd een

bijzonder positieve dynamiek kan ontstaan.

Maar om erover te waken dat er voldoende

initiatieven zijn die effectief iets (blijven)

teruggeven aan de wijk, blijft continuïteit en

professionele ondersteuning vaak noodzakelijk

om bepaalde doelstellingen te blijven garanderen,

en te vermijden dat er eenzijdige, exclusieve

toe-eigening ontstaat door specifieke

groepen.

Voorbeeld #3 / De ‘wissel van de wacht’ in de

Eglantierlaan en de blokken van de

Kruishofstraat in Wilrijk

(illustratie van punt 2)

Tijdens de jaren zeventig werden de huizen van

de Eglantierlaan verhuurd per kwartier aan

Marokkanen, Turken, Vlaamse arbeiders en

kotstudenten. Met andere woorden, ze maakten

deel uit van de onderkant van de woningmarkt.

Vervolgens kochten enkele Vlaamse

jonge koppels kochten deze huizen omwille

van de erfgoedwaarde. In diezelfde periode

waren de begoede Vlamingen vooral geïnteresseerd

in de residentiële appartementen in

de Kruishofstraat of in de rand. Zo herinneren

door ons geïnterviewde wijkbewoners zich nog

hoe er in de inkomhal van de appartementsblokken

dure Perzische tapijten lagen.

Vandaag worden de woningen in de

Eglantierlaan hoofdzakelijk bewoond door

Vlaamse middengroepen, en zijn ze populair bij

mensen met een artistieke beroep (bv’s,

acteurs, zangers,…), architecten, stadsambtenaren

en personen met een politieke functie.

De appartementen in de Kruishofstraat daarentegen

worden, dixit diezelfde wijkbewoner

bewoond door “rollators en de vremden”. Het

OCMW verhuurt er momenteel appartementen.

Een recente evolutie die de geïnterviewde

bewoners zien en waar ze angst voor hebben:

het huis aan de overkant van de respondent is

opgekocht om ze om te vormen tot moderne

appartementen. Met andere woorden, de

huizen worden opnieuw in kwartieren verdeeld,

maar dan in een moderne versie, omwille van

commerciële redenen. Nu worden deze huizen

geschat tussen 500.000 en 700.000 euro,

terwijl de twee respondenten ze kochten voor

ongeveer 40.000 euro.

Biodroom, Linkeroever

Eglantierlaan, Kruishofstraat, Wilrijk


Verleden

Toekomst


DIAGNOSE 3

Levendigheid is bij uitstek een weinig voorspelbaar en

doorheen de tijd sterk fluctuerend verschijnsel. Sommige

wijken zijn beter bestand tegen bepaalde veranderingen

dan andere.

Uit het Stadsdebat leren we dat er vandaag in de drie

wijken, weliswaar in verschillende mate, diverse initiatieven

en projecten zijn die bijdragen tot levendigheid. Dat is

positief. Maar naast de vele losse, vaak tijdelijke projecten,

liggen er nog veel kansen om op een meer, lokaal verankerde

en duurzame manier aan levendigheid te werken.

Daarnaast is het van belang om ook te anticiperen op

mogelijke veranderingen die verder in de toekomst liggen

(bv. bevolkingstoename, de vermaatschappelijking van de

zorg, economische ontwikkeling), en die levendigheid in

positieve of negatieve zin kunnen beïnvloeden.


Hoe kunnen

we in de

toekomst werk

maken van

levendige

wijken?


Voor levendigheid in

wijken bestaat niet één

succesrecept, maar komt

het er net op aan om beter

in te spelen op de grote

diversiteit en eigenheid

van buurten en wijken,

door meer rekening

te houden met de vele

schakeringen waarin

levendigheid zich laat

ervaren.

Vandaag is er in het

algemeen nog veel te

weinig oog voor het

belang van het ‘kleine

ontmoeten’, en dat terwijl

burenconnecties een zeer

belangrijke rol spelen,

ondanks het feit dat ze

voor buitenstaanders vaak

onzichtbaar zijn.

Om hier beter vat op te

krijgen, en vanuit het

beleid op te kunnen

sturen, kan de wijk

als tussenschaal een

sleutelrol spelen. Op

wijkniveau is het mogelijk

om door middel van een

samenspel van sociaalruimtelijke

projecten en

trajecten aan een cascade

te bouwen, waardoor

levendigheid als positief

vliegwiel voor de wijk kan

werken.


© Frederik Beyens

122


123


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

124

WAAR WILLEN WE NAARTOE?

De burenconnectie

centraal stellen

Levendigheid bevorderen via herkenbaarheid

(het burencollectief) kunnen we overlaten aan

bewoners zelf mits er wordt ingezet op het

reduceren van de neveneffecten ervan. De

straatverhalen tonen aan dat het

burencollectief een belangrijke, maar

onvoldoende voorwaarde is voor

levendigheid. Levendigheid wordt in

belangrijke mate mee bepaald door de

burenconnectie, die als de kabbelende

onderstroom van de wijk kan worden gezien.

Er bestaat vandaag een scheefgetrokken

verhouden tussen het burencollectief en de

burenconnectie, waardoor er nood is aan een

herpositionering. Het breder kader dient

gevormd te worden door een ambivalente

aanpak van levendigheid (het basisprincipe

van de burenconnectie). Dit vereist echter een

professionele aanpak die deels, en vaak

versnipperd in het praktijkveld kan

teruggevonden worden. Er dient meer

aandacht en ondersteuning te gaan naar een

professionele aanpak van levendigheid.

Om beter vat te krijgen op de ‘alledaagse’

levendigheid, en hier vanuit het beleid op te

kunnen sturen, kan de wijk als tussenschaal

een sleutelrol spelen. De herintroductie van de

wijkschaal, als een belangrijke intermediair

voor levendigheid, is cruciaal voor de

ontwikkeling van een sociaal-ruimtelijk beleid

en kan in de toekomst nog veel sterker worden

uitgespeeld. Via een wijkgeoriënteerde

benadering zijn er verschillende winsten te

boeken, zowel voor het ruimtelijke als voor het

sociale domein. In het ruimtelijk beleid dat de

afgelopen decennia werd gevoerd, is de

wijkschaal een ‘vergeten schaal’, een blinde

vlek. En dat terwijl ze diverse handvaten biedt

om het ambitieniveau van ruimtelijke en

sociale projecten hogerop te tillen, door beter

in te spelen op de burenconnectie, of wat in het

Engels ‘scoping up’ wordt genoemd.

Gelijktijdig sociaal én

ruimtelijk werken aan de

burenconnectie

Het is belangrijk om tegelijk, en op een

geïntegreerde manier sociale en ruimtelijke

hefbomen te activeren om te werken aan de

burenconnectie. Er bestaat een sterke relatie

tussen mensen en materiële plekken of

objecten. Het gebruik van plekken of objecten

kan mogelijke gedragingen of gebruik

beperken, of net mogelijk maken. De filosoof

Bruno Latour liet met zijn verhaal over de

‘Berlijnse sleutel’ al zien hoe een slim

ontworpen sleutel met twee ‘baarden’ aan de

uiteinden, ervoor kon zorgen dat de

samenlevingsproblemen die waren ontstaan

in Berlijnse appartementsgebouwen (na

opheffing van de huisconciërges), een halt

konden worden toegeroepen. Deze sleutel

zorgde ervoor dat de voordeur van de

collectieve hal, ‘s nachts voortaan altijd

gesloten was, omdat je zonder de sleutel op

een correcte manier in het slot te draaien, niet

meer in je eigen appartement kon.

Tegelijkertijd is levendigheid ook te grillig en

onvoorspelbaar om zich volledig te laten

sturen en controleren door middel van

technologie of de ruimte. Het is een relatie van

voortdurende wederzijdse uitwisseling, die

bijgevolg om ruimtelijke én sociale

antwoorden vraagt.


125

A) BUNDELING VAN DE KRACHTEN VOOR EN

DOOR EEN PROFESSIONELE WIJKWERKING

HET DOEL:

KOMEN TOT EEN BREED VERTAKT, CONTINU

EN DYNAMISCH NETWERK

1. Inbedden van het burencollectief als

partner in een breder samenwerkingsverband

Het burencollectief blijkt in praktijk een

sterkere bijdrage te leveren als er

samengewerkt wordt met een professionele

wijkwerking en vervolgens met de overheid

(district en stad). Dit laatste werd bijvoorbeeld

in het verleden tot op heden meermaals

gerealiseerd door Buurtcentrum Posthof (een

onafhankelijke vzw) actief in één van de door

ons onderzochte wijken. Het toevoegen van

een professionele wijkspeler zorgt er ervoor dat

de principes van de burenconnectie mee

worden genomen en er gewerkt wordt aan een

duurzaam product. Op deze manier kunnen

ook de opgesomde neveneffecten van het

burencollectief verminderd worden. Sowieso

dient de lokale overheid in te zetten op het

verminderen van de neveneffecten van het

burencollectief.

2. Faciliteren van initiatieven en projecten

gebaseerd op de basisprincipes van de

burenconnectie

De burenconnectie is een spontaan gegeven

waar de overheid niet direct kan op ingrijpen.

Dat zou zelfs niet wenselijk zijn. Wel kan er

voortgebouwd worden op de principes van de

burenconnectie. Het werken aan alledaagse

(ambivalente) levendigheid wil niet zozeer een

collectieve identiteit bewerkstelligen maar wel

multipele vertakkingen van sociale relaties en

van relaties tussen mens en ruimte stimuleren.

Op hun beurt dragen een serie van deze lokale

interacties tussen mens en ruimte bij tot een

collectief levendig klimaat in de ganse wijk. Het

collectieve effect wordt op een indirecte

manier bewerkstelligd.

3. Investeren in een geduldige opbouw van

contacten en netwerken in de wijk, om te

komen tot een sterk én duurzaam netwerk

van lokale connecties

Een professionele sturing is van belang om

succes te garanderen, ook tijdens het project

dienen immers conflicten beheerd te worden.

Dit type projecten zijn succesvol omdat ze

voldoen aan de noodzakelijke voorwaarde dat

er vooraf reeds gewerkt werd aan een

geduldige opbouw van contacten en

netwerken in de wijk. Een voldoende mate aan

lokale connecties vormt het startpunt. Het

eindpunt zal de lokale connectiviteit verhogen

en verduurzamen.

Dit type projecten vinden we tijdens het

onderzoek terug bij ervaren basiswerkers:

Buurtcentrum Dinamo bijvoorbeeld werd

opgestart in Deurne-Noord, een wijk waar

levendigheid in het verleden zwaar onder

spanning stond. Binnen de sector van de

samenlevingsopbouw werken ze traditioneel

via emancipatorische werkwijzen waar

bewonersgroepen en dus het vormen van

collectieve identiteiten erg centraal staat. De

situatie in Deurne-Noord zette de

professionals van dit buurtcentrum reeds

twintig jaar geleden aan tot het

experimenteren met andere methodieken die

een ambivalente aanpak van samenleven

weerspiegelde (zie o.a. ook project De

Pottentuin, Talentenbeurs door bewoners

koppelen aan ‘De Drie Torenkes’ als materieel

erfgoed, een fietsatelier,…).

Ook Buurtcentrum Posthof in Oud-Berchem,

een onafhankelijke vzw die nauw samenwerkt

met het district en personeelsmiddelen van de

stad krijgt voor een buurtwerker vertoont deze

aanpak. Oud-Berchem is zoals we gezien

hebben een district waar meerdere

burencollectieven het licht zien. Buurtcentrum

Posthof werkt dan ook samen met

bewonersgroepen. Ze zijn vooral

complementair aan wat vrijwilligers en de

overheid niet kunnen realiseren. Ze zijn gekend

voor hun expertise in tewerkstellingsprojecten

gekoppeld aan de buurt, maar ook werken ze

als professionals eerder aan de vertakkingen

tussen mensen.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

126

Voorbeelden

Voorbeeld #1 / Deurne breit, project door

Buurtcentrum Dinamo, 2008

(toepassing van punten 1, 2 en 3)

Dinamo in een van de onderzochte wijken. Het

thema betreft een zeer eenvoudig en alledaags

gegeven: breien. De traditioneel verzuilde

verenigingen en de buurthuizen hebben vaak

een crea-atelier of breiclub in huis. Deze

groepjes, die vaak gesloten kliekjes zijn

geworden in de loop van de tijd, worden in dit

project verbonden met een ander nichepubliek:

die van de hooggeschoolde en vooral

jongere stedelingen bij wie het herwaarderen

van het ambacht een trend is. Gaandeweg

breidt het project zich verder uit met nog veel

andere bewoners. Er wordt gewerkt aan de

vertakkingen van levendigheid en er is sprake

van een collectief effect op heel Deurne als

district. Het project kent concreet

verschillende lagen.

- De eerste laag betreft netwerk-breien. De

bedoeling is dat diverse bewoners bijdragen

aan het breien van een sjaal, een foto van

zichzelf nemen en eventueel ook een breianekdote

neerschrijven om vervolgens de

breizak met anekdote, foto en onafgewerkt

breiwerk door te geven aan iemand anders.

Op deze manier circuleerden de breizakjes

uit Deurne tussen erg diverse bewoners in de

wijk maar ook bij niet-bewoners uit

Boechout, de Ardennen en zelfs uit Florida.

- In een tweede laag worden breicursussen

georganiseerd in het eigen buurthuis maar

ook in verschillende organisaties in heel

Deurne-Noord waar doelbewust kleine

heterogene groepen van breiliefhebbers

worden samengebracht. Op het

programma onder andere: gsm-tasjes of

hippe handschoenen zonder vingers leren

breien.

- In een derde laag worden alle bewoners

van Deurne opgeroepen om sjaals te breien

voor de jaarlijkse winterstoet in het district.

Driehonderd sjaals en één reuze sjaal maken

is het streefdoel van de actie. Er worden

diverse initiatiemomenten georganiseerd

waarvan één extra large initiatiemoment

waarop alle organisaties en bewoners

worden uitgenodigd om het breien aan te

leren. Daarnaast worden zowel op de markt

als in scholen, vzw’s, dienstencentra en

andere locaties breihulppakketten verdeeld.

Dit hulppakket is een tas gevuld met wol, een

paar breinaalden, een breibadge en een

instructietekst. De sjaals dienen ingeleverd

te worden op verschillende inzamelpunten

in de buurt en elke indiener maakt kans op

een prijs. Tenslotte worden de sjaals

gedragen op de winterstoet en samen met

een kunstenaar wordt een tentoonstelling

ingericht in het Provinciaal Zilvermuseum.

De basis wordt gevormd door de

breiverhalen (de anekdotes en foto’s uit de

eerste laag) en een waaier aan kleurrijke

sjaals, ook het museumgebouw zelf wordt in

een reuze sjaal gewikkeld.

Deurne Breit Deurne Breit


127

Buur-tijd Buur-tijd

Voorbeeld #2 / Buur-tijd, lopend project door

Buurtcentrum Posthof

(toepassing van punten 1, 2 en 3)

Het recente project ‘Buur-tijd’ is een

ruilsysteem waar mensen uit de buurt een

beroep kunnen doen op elkaar om kleine

klusjes te klaren. Mensen vormen geen

nieuwe collectieve identiteit maar het betreft

vooral connecties tussen individuen en zelfs

tussen individuen en organisaties. Ook komen

mensen hierdoor op verschillende plekken in

de wijk zowel in private woningen als op

plekken waar meerder mensen samenkomen.

Zoals vastgesteld in de drie onderzochte

wijken wordt niet altijd iedereen bereikt of

betrokken in het burencollectief. Dit wordt

professioneel gecorrigeerd door in een

project zoals buur-tijd ook bewust mensen uit

kwetsbare groepen (alleenstaanden,

nieuwkomers, mensen in armoede,…) in een

breder netwerk van contacten te brengen. Via

gewone dingen (praktische klusjes) kunnen

deze bewoners op een spontane, niet

geforceerde manier andere bewoners

ontmoeten. Bij initiatieven waar buren

bijvoorbeeld huishoudelijke en tuinapparatuur

uitwisselen kunnen zij vaak veel minder

participeren. Buurtcentrum Posthof richt zich

op het stimuleren van connecties tussen erg

verschillende bewoners van Oud-Berchem en

laat deze vervolgens verder spontaan

vertakken.

Andere potentiële projecten of initiatieven in

de toekomst

Dergelijke ambivalente projecten kunnen

uiteraard ook voorkomen en gestimuleerd

worden in andere voorzieningen. In Deurne-

Noord en in Oud-Berchem maar ook in heel

Vlaanderen bijvoorbeeld zijn er interessante

dynamieken te zien op dit vlak in culturele

centra en in bibliotheken (Soenen, 2011).

Dergelijke projecten vormen echter nog geen

dominante stroming en moeten dus lokaal

ontdekt worden bij diverse voorzieningen. Om

dit in de toekomst te kunnen ontdekken

kunnen de hierboven geformuleerde criteria

gehanteerd worden.

DE RANDVOORWAARDEN VOOR

PROJECTEN EN INITIATIEVEN GERICHT OP

DE BURENCONNECTIE

ALGEMEEN

‘Het wat’ en ‘het hoe’

- De basis vormt een alledaagse en concreet

gegeven.

- De projectuitvoering bestaat uit meerdere

lagen.

CONCREET

‘Het hoe’ concreet: diverse acties om een

hoge lokale connectiviteit te garanderen

- Er wordt bewust gezocht naar

verbindingen tussen diverse bewoners en

(in mindere mate maar zeker ook mogelijk)

met niet-bewoners.

- Reeds bestaande ingekapselde groepen

worden in een nieuwe context gebracht.

- Die nieuwe context kan zowel gevormd

worden door een plek als door andere niet

gekende bewoners. Er worden dus niet

alleen mensen aan elkaar verbonden maar

ook plekken aan mensen.

- Aangezien erg diverse mensen deelnemen,

is het belangrijk dat er professionals

aanwezig zijn om mogelijke conflicten te

beheren. Ze zijn gevoelig voor kleine wrevels

en ergernissen en houden een vinger aan de

pols zodat conflicten niet escaleren.

- Er wordt gewerkt met betekenisvolle

plekken zowel in publiek als in privaat

beheer in de wijk zoals scholen, de markt,…


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

128

(bijvoorbeeld om te verdelen maar ook om in

te zamelen).

- Er wordt in het eigen huis gewerkt maar

ook veel buitenshuis.

- Samenwerking met diverse lokale

partners worden al dan niet in wisselende

coalities aangegaan. Deze samenwerking

hangt volledig samen met de inhoud van het

project.

- Lokaal en bovenlokaal worden verbonden.

SAMENGEVAT

Projecten die gebaseerd zijn op de

basisprincipes van de burenconnectie zijn

enerzijds eenvoudig en kunnen dus meerdere

mensen beroeren, maar anderzijds zijn ze erg

complex omdat ze erg gelaagd zijn en

veelvoudige vertakkingen toelaten. Het

kunnen werken aan projecten volgens het

principe ‘eenvoud-in-complexiteit’ vormt een

niet te onderschatten professionele

uitdaging.

B) DE WIJK ALS TUSSENSCHAAL

HET DOEL:

STREVEN NAAR EEN ‘CASCADE-EFFECT’

TUSSEN ELKAAR VERSTERKENDE EN

AANVULLENDE RUIMTELIJKE PLEKKEN EN

PROJECTEN IN EN BUITEN DE WIJK

1. Herintroduceren van de wijkschaal om

complementair aan het generiek beleid en

strategische projecten lokaal in te zetten op

een sterker samenspel tussen losse

projecten en trajecten

De projectmatige benadering die de ruimtelijke

planning en de stedenbouw gedurende de

afgelopen decennia heeft bepaald bezit een

aantal belangrijke troeven, om via

stadsontwikkeling een buurt te laten

heropleven. Tegelijk is er behoefte om ‘voorbij

het project’ te denken, en in de toekomst (nog)

meer oog te hebben voor zowel (1) de

meerwaarde van projecten voor de directe

omgeving, als (2) de relaties tussen projecten

onderling. De (her)introductie van de

wijkschaal biedt de mogelijkheid om voorbij de

(strategische) site, het perceel, het gebouw te

denken. Het meenemen van wat er speelt in de

wijk kan een belangrijke meerwaarde vormen

voor stadsprojecten. Er kan worden gewerkt

aan een beter onderlinge afstemming van

stadsprojecten, maar ook aan een ‘wijkagenda’

die de individuele stadsprojecten overstijgt,

waardoor stadsprojecten kunnen worden

aangegrepen als hefboom om ook aan het

samenleven in de wijk te werken. Ook op het

vlak van (publiek en privaat)

patrimoniumbeheer ontstaan er nieuwe

mogelijkheden door vanuit de wijkschaal te

denken.

In het ruimtelijke beleid van de afgelopen

decennia vormde de wijkschaal vaak een

blinde vlek. In het voorgaande ruimtelijk

structuurplan van Antwerpen, stond al een

‘pendelbeweging tussen ontwerpschalen’

centraal. Hierbij ging het om een combinatie

van generiek beleid en strategische projecten.

Toch bleef hierbij de tussenschaal van de wijk

grotendeels onbenoemd, waardoor ze uit het

blikveld verdween. De praktijk leert dat de

verwachte ‘trickling-down’ effecten van

grootschalige strategische projecten die vaak

gepaard gingen met forse publieke

investeringen in vele gevallen zijn uitgebleven.

Werken op wijkschaal betekent meer oog

hebben voor het collectieve effect van beter op

elkaar afgestemde sociaal-ruimtelijke

projecten.

2. Ruimtelijke interventies, projecten en

trajecten nog actiever inzetten als hefboom

om het leven in de wijk te activeren en lokale

dynamieken te versterken

Er is vandaag al meer en meer aandacht voor

de sociaal-ruimtelijke inbedding van

stadsprojecten. Dat is een positieve zaak. Maar

vaak beperkt dit zich nog tot eerder minimale

ingrepen, zoals het nadenken over de toegang

of het (publiek) doorwaadbaar maken van de

site. In het geval van een concrete ruimtevraag

wordt eventueel een partnerschap aangegaan

met (een) lokale partij(en). Het perspectief van

levendige wijken biedt de mogelijkheid om niet

alleen op ruimtelijk vlak een ruimer scala van

mogelijkheden aan te reiken, maar biedt ook

handvaten om via een programmering en

werking die nauwer aansluit bij ‘wat er leeft’ in

de wijk, de betekenis van het project voor de


129

ruimere omgeving mee op te laden. Er kunnen

over de muren heen reële samenwerkingen

worden aangegaan met lokale partijen (voorbij

de ruimtevraag), om zo lokale netwerken te

activeren en versterken, op voorwaarde dat er

win-winsituaties mogelijk zijn.

3. Het ruimtelijk blikveld verruimen door

aandachtig te zijn voor reeds bestaande

plekken waar burenconnecties aanwezig zijn

Zoals eerder beschreven, kan de

burenconnectie zich vertakken over

verschillende plekken in en buiten de wijk. In

het publieke beheerde (bv. de hondenweide) en

privaat beheerde domein (bv. Colruyt Deurne),

in de nabijheid van het huis (bv. de garagebox),

in en buiten de wijk (bv. met de buurvrouw naar

het zwembad buiten de wijk). Het zijn plekken

waar meerdere vaak ook van elkaar

verschillende mensen elkaar spontaan en

ongedwongen kunnen ontmoeten en waar

mensen zich thuis voelen. Deze plekken

dragen bij tot een ‘thuisgevoel’ in de wijk, en

dat vinden de bewoners die naar aanleiding

van deze studie geïnterviewd zijn erg

aantrekkelijk. Door meer aandacht te hebben

voor de manier waarop in een specifieke lokale

context, bepaalde plekken bijdragen tot de

burenconnectie, kunnen ook ideeën ontstaan

om deze plekken te versterken, maar ook om

complementair hieraan nieuwe plekken te

creëren.

Voorbeelden

Voorbeeld #1 / De Colruyt in Deurne en Wilrijk,

gekoppeld aan het ontwikkelingsscenario

voor de supermarkt in Wilrijk, door 51n4e

i.s.m. Connect&Transform in het kader van het

LABO XX onderzoek

De Colruyt in Deurne en Wilrijk

Burenconnecties spelen zich niet alleen af in

de traditionele publieke ruimte, maar vinden

ook plaats in ‘publieke interieurs’. Soms gaat

het zelf om ruimtes die privaat beheerd zijn,

maar toch als publiek ervaren worden. Manuel

de Solà-Morales, architect, verwijst hiernaar

als ‘collectieve ruimtes’. De grootwarenhuizen

Colruyt in Deurne en Wilrijk zijn hier een goede

voorbeeld van. Zie hiervoor het hoofdstuk

‘Sterke verhalen van de straat’. Het is geen

toeval dat dit soort plekken vaak behoren tot

het economisch weefsel. Uit onze studie blijkt

dat burenconnecties bijzonder goed lijken te

gedijen in de main street, maar bij afwezigheid

hiervan ook in het grootwarenhuis. Om in de

toekomst te werken aan levendigheid ligt hier

dan ook nog een zeer groot, voorlopig

onderbenut potentieel.

Ontwikkelingsscenario voor de supermarkt in

Wilrijk

Het belang van sommige (zeker niet alle)

grootwarenhuizen in bepaalde wijken voor de

burenconnectie is een interessant gegeven.

Hoe kan hier vanuit ontwerp, en via de inzet van

de ruimte nog sterker op worden ingespeeld?

Hoewel het ontwerpend onderzoek rond de

toekomstige transformatiemogelijkheden van

een supermarkt in Wilrijk door 51n4e i.s.m.

Connect&Transform eerder tot stand kwam

dan dit mappingsonderzoek, bieden de

resultaten hiervan toch al een eerste glimp van

hoe ruimtelijke projecten in de toekomst

zouden kunnen bijdragen tot het werken aan

de burenconnectie.

Naast supermarkten, identificeert het

ontwerpteam ook baanwinkels en

opslagplaatsen als plekken die in de

20e-eeuwse gordel over

verdichtingspotentieel beschikken, en in één

beweging ook kunnen bijdragen tot de

levendigheid van een buurt of wijk. Zij verwijzen

hiernaar als plekken die “vanuit de optiek van

verdichting veel capaciteit [hebben], niet enkel

in termen van extra oppervlakte, maar ook op

het vlak van de diversiteit van mogelijke

programma’s. Vandaag hebben ze een

economische efficiëntie vanuit de optiek van

Het ontwikkelingsscenario voor de supermarkt in

Wilrijk, door 51n4e i.s.m. Connect&Transform


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

130

de gebruiker, maar niet vanuit de optiek van de

stad. Ze liggen echter vlakbij bebouwing en

openbaar vervoer en kunnen dus op een

evidente manier beter aansluiten op de stad en

deze mee versterken.”

Het project kent verschillende lagen:

- De eerste laag bestaat uit een ruimtelijke

ontwerpingreep, gericht op verdichting en

het ‘openbreken’ of minder

monofunctioneel maken van de site. Het

ontwerpteam stelt voor om op het perceel

van de supermarkt plaats voor woningen en

kleinschalige aanvullende economische

functies in te passen.

De horizontale oppervlakken van het dak en

de parking van de supermarkt laten de

ontwikkeling van woningen toe.

- Naast ruimtelijke ingrepen lanceert het

ontwerpteam verschillende voorstellen

waarmee de supermarkt in interactie kan

treden met zijn omgeving: “Het

Schoonselhof vormt hierbij grootschalig

groen dat aan de randen een hogere

densiteit toelaat. De woonomgeving wordt

aangevuld met een nieuwe woonvorm

met een belangrijk accent op collectiviteit,

bijvoorbeeld door gedeelde

warmteproductie of afvalcollectie, diensten,

zoals een gym, crèche… Door de parking te

vergroenen en een doorsteek te creëren,

wordt ze een aangename verblijfplaats

met luw verkeer. Na de openingsuren van de

supermarkt kan ze getransformeerd worden

tot een sportveld of een groot terras.”

- In een derde, en laatste laag wordt ingezet

op het versterken van lokale dynamieken

door potentiële ‘ketens’ te identificeren:

“De impact van verdichting en vernieuwing

van de supermarktsite kan nog vergroot

worden vanuit de ketendynamiek. De

supermarktketen breidt hier zijn aanbod uit

met keteninitiatieven, al dan niet in

samenwerking met bewoners of

middenveldorganisaties. Bijvoorbeeld door

het delen van elektrische auto’s, waarbij de

auto’s ook als energiebron dienen voor de

supermarktsite. Zo beïnvloedt de zuigkracht

van de off-shorespeler niet langer enkel het

individuele maar zet ze aan tot

gemeenschapsvorming.”

1 + 1 = 3

Door een beter inzicht te ontwikkelen in de

manier waarop burenconnecties tot stand

komen in de wijk, en ook vanuit empirisch

onderzoek te toetsen hoe en in welke mate op

bepaalde plekken ambivalentie of uitwisseling

tussen zeer diverse groepen kan ontstaan,

kunnen intenties die vanuit de ontwerpwereld

worden geprojecteerd op bepaalde plekken

m.b.t. ‘gemeenschapsvorming’, ook op een

meer geïnformeerde manier worden

ontwikkeld. De kans op slagen van dergelijke

projecten en de mate waarin ze ook effectief

sociaal-ruimtelijk ingebed zijn in de wijk, wordt

zo aanzienlijk vergroot.

Omgekeerd kunnen plekken die uit empirisch

onderzoek naar boven komen drijven als

plekken waar burenconnecties tot stand

(kunnen) komen, ook door inzet van intelligent

en creatief ontwerpend onderzoek verder

worden opgeladen, zodat de mogelijkheden

hiervan nog sterker kunnen worden benut.

Voorbeeld #2 / Het fietsatelier en de

‘fietsvriendinnen’, een initiatief van

Buurtcentrum Dinamo, en een schets van het

‘scoping up’ potentieel door inzet van de

ruimte

Het fietsatelier en de fietsvriendinnen

In Deurne is door het buurtcentrum recent een

project rond fietsen opgestart, het ‘fietsatelier’.

De achterliggende gedachte hierbij is de

volgende: “Leren fietsen is één ding, blijven

fietsen is nog iets anders. Om te blijven fietsen

heb je een goeie fiets nodig en moet je die ook

kunnen onderhouden. Voor veel mensen is een

bezoekje aan de fietsenmaker een kostelijke

aangelegenheid. Je fiets laten herstellen is

meestal een onvoorziene en niet prioritaire

uitgave. Daardoor blijft de fiets al te vaak staan,

ook al gaat het om kleine mankementjes, zoals

een platte band, een kapotte remkabel of een

licht dat niet meer werkt.”

In Deurne is er om die reden recent een sociaal

herstelatelier opgericht. De basisregel is: jij

werkt zelf aan je fiets en de vrijwilligers bieden


131

Fietsvriendinnen, fietslessen

hulp. Het atelier verkoopt geen materiaal, je

moet zelf voor de stukken zorgen. Extra troef is

de sociale dimensie. In een fietsatelier

moeten mensen zelf aan de slag. Terwijl ze

met hun fiets bezig zijn, leggen ze nieuwe

sociale contacten.

In het project ‘fietsvriendinnen’ leren vrouwen

(maar ook mannen) gedurende een week

fietsen. Er worden duo ‘s gevormd om de

leerling-fietsers wegwijs te maken in het

verkeer. Een ervaren fietser spreekt af met een

beginnende om samen leuke fietstochten te

maken. Op die manier ontstaan ontmoetingen

tussen bekenden en onbekenden. Mensen

leren op die manier hun wijk op een andere

manier kennen, en komen terecht op plekken

waarmee ze nog niet vertrouwd waren. Zo

wint de beginnende fietser geleidelijk

zelfvertrouwen op de weg en beleven ze samen

gezellige momenten. Het buurtcentrum zorgt

voor de gepaste omkadering zoals een

kennismakingsmoment, een opfrissing van de

wegcode, vorming over fietsherstel en een

slotevenement.

Potentieel van ‘scoping up’ door inzet van de

ruimte

Initiatieven als het ‘fietsatelier’ of de

‘fietsvriendinnen’ zouden nog verder kunnen

worden versterkt door via de ruimte in te

spelen op het potentieel van (1) centraliteiten,

(2) paden en routes, (3)

transformatiegebieden:

- Door het ‘fietsatelier’ te bekijken als een

centraliteit in de wijk, en zodoende

ruimtelijk slim in te passen in de wijk, kan het

initiatief gevoelig aan zichtbaarheid en

belang winnen. Momenteel wordt het

fietsatelier omwille van praktische redenen

ingericht in de garage van de pastoor. Dat is

wellicht geen slechte keuze, aangezien

pastoors doorgaans centraal in de wijk

verblijven. Bijkomend is het voor een

fietsatelier als centraliteit van belang om te

letten op de volgende punten: de

beschikbaarheid van laagdrempelige en

betaalbare atelierruimte, de situering

gebeurt best op een plek van veel passage,

bij voorkeur in het straatbeeld zichtbaar

aanwezig door bv. een groot raam met zicht

op de fietswerkzaamheden, de relatie tot

andere centraliteiten in de wijk (bv.

uitwisselingsprojecten met scholen, het

cultureel centrum, etc.).

- Door het ‘fietsatelier’ en de

‘fietsvriendinnen’ te koppelen aan

interessante paden en routes in de wijk,

kunnen deze initiatieven nog actiever

bijdragen tot de burenconnectie. De

‘fietsvriendinnen’ volgen vandaag al

alledaagse routes doorheen de wijk

doordat ervaren fietsers en leerling-fietsers

samen afspreken en zelf een fietsroute

uitstippelen. De informatie over deze

alledaagse routes en het ruimtegebruik door

fietsers in de wijk is bijzonder waardevol i.f.v.

de inrichting van de verkeersruimte in

Deurne. Zeker gezien de huidige

mobiliteitsdruk in Deurne (nl. parkeren en

druk vanuit het Sportpaleis), die meer nog

dan in andere wijken een stempel drukt op

het leven in de wijk, is dat zeer relevant. Op

die manier kan bij de inrichting van de

verkeersruimte mee rekening gehouden

met veelgebruikte routes, mogelijke

obstakels en hindernissen, conflicten,

zones die gemeden worden, enz. Daarnaast

kan nog worden gedacht over manieren om

deze initiatieven op te schalen, door

bijvoorbeeld een evenement rond een

fietsparcours op te zetten in de wijk(en),

naar het voorbeeld van de ‘Zeswijkse’ in

Gent. Dit is een ludieke volkskoers waarin de

Gentse wijken het tegen elkaar opnemen om

zo de wisselbeker te kunnen veroveren. De

winnende wijk mag het volgende jaar de

wedstrijd organiseren. Op die manier kan


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

132

van onderuit en op een positieve,

constructieve manier stap-voor-stap

gewerkt worden aan de (her)toe-eigening

van het publiek domein door fietsers.

- Acties als het ‘fietsatelier’ en de

‘fietsvriendinnen’ bezitten ook potentieel in

de context van transformatiegebieden

binnen of in de directe omgeving van de

wijk. Deze transformatiegebieden

functioneren vaak als ‘terrain vague’ en

kennen een informeel ruimtegebruik. Dit

soort gebieden bieden in de tussenfase (voor

formele ontwikkeling) vaak al mogelijkheden

om te worden toegeëigend d.m.v. initiatieven

voor en door wijkbewoners. In dit geval zou

hier bijvoorbeeld in de zones ten noorden en

ten westen van Deurne-Noord kunnen

worden bekeken of hier evt. collectieve

fietsklassen kunnen worden georganiseerd.

Op die manier worden deze plekken mee

opgenomen in de ‘mentale kaart’ van

wijkbewoners, en is de kans groter dat ook in

latere fase, bij toekomstige ontwikkeling,

meer aandacht is voor de betekenis van dit

gebied voor de naastgelegen wijken, en hun

bewoners. Ook bieden bestaande

wijkactiviteiten mogelijkheden om de

toekomstige ruimtelijke transformatie mee

op te laden, bv. door inpassing van

bepaalde programma’s of functies. Tot slot

biedt de aanwezigheid van het kanaal ook

mogelijkheden om het ‘fietsatelier’ in te

passen in een ruimere keten van

activiteiten, bv. gericht op circulaire

economie.

RANDVOORWAARDEN VOOR PLEKKEN

GERICHT OP DE BURENCONNECTIE

ALGEMEEN

- De waarde die aanwezig is of gegenereerd

wordt op deze plek, vloeit op een of andere

manier ook terug naar de wijk als geheel. De

plek heeft met andere woorden een waarde

voor zeer diverse groepen, die perceels- of

projectoverstijgend is.

- Niet alleen het ontwerp en de inrichting,

maar ook het ruimtegebruik staat centraal.

Vanuit ruimtelijk perspectief betekent dit dat er

meer aandacht nodig is voor het voor- en

natraject, en kennis van het alledaagse

ruimtegebruik bij het ontwerpen en inrichten

van gebouwde omgevingen (op verschillende

schaalniveaus). Vanuit sociaal perspectief

betekent dit dat er meer inzicht nodig is in de

manier waarop de ruimte als hefboom kan

dienen om sociale initiatieven of projecten te

versterken.

CONCREET

- De burenconnectie die bijdraagt tot

alledaagse levendigheid wordt gezien als een

positieve waarde die een plek of ruimtelijk

project mee kan opladen. Alledaagse

levendigheid vertaalt zich vaak in informeel

ruimtegebruik. Eerder dan dit alledaagse

ruimtegebruik te zien als iets wat er niet toe

doet, of als iets dat dient te worden

gecorrigeerd of gecontroleerd, kan het mee

deel uitmaken van het ruimtelijk ontwerp (cfr.

het potentieel van bestaande supermarkten in

verdichtingsprojecten in de 20e-eeuwse

gordel).

- Het vertakte karakter van de burenconnectie

maakt dat er een veel ruimer pallet van ‘ruimte

voor het (grote en kleine) ontmoeten’

zichtbaar wordt, waar vanuit de ruimte kan

worden op ingespeeld.

Fietsvriendinnen, fietslessen

- Het zorgvuldig mappen van plekken die

betekenis toevoegen op wijkniveau op het

vlak van de burenconnectie is belangrijk. Er

moet nagegaan worden of mensen uit

verschillende groepen en gebruikersprofielen


133

er vertoeven en het dus collectief en publiek

gebruikt wordt. Bovendien moeten mensen

zich er thuis voelen en dus een betekenis

toekennen aan de plek. In deze ruimtes

gedijen burenconnecties. In veel gevallen,

vormen ze een neveneffect van de

hoofddoelstelling van de plek, bijvoorbeeld in

een levendige winkelstraat of supermarkt is

dat verkopen en winst maken.

- Enkel via regelmatig empirisch onderzoek,

wijk per wijk, kunnen dergelijke plekken

worden geïdentificeerd. Bijvoorbeeld niet elke

supermarkt, winkelstraat, cultureel centrum of

bibliotheek, benoemd als centraliteit, vormen

in andere wijken ook zo’n centraliteit. Dergelijke

plekken moeten telkens opnieuw empirisch

onderzocht worden. (Voor een uitvoerige

bespreking van het sociale leven in een winkel

met babyartikelen, een schoenenwinkel en een

grootwarenhuis met koffiebuffet in het

Antwerpse, zie Soenen, 2006 en het belang

van collectief gebruikte ruimtes voor educatie,

zie Soenen, 2004). Dergelijk empirisch

onderzoek is niet alleen zinvol om bestaande

centraliteiten te identificeren, maar leveren

ook lessen op die nuttig zijn voor het inpassen

voor nieuwe voorzieningen in een wijk.

bovenlokale netwerken van belang (bv. het

koppelen van het ‘fietsatelier’ binnen een

ruimer netwerk gericht op circulaire economie,

of het delen van electrische auto’s op de

supermarktsite)

SAMENGEVAT

Plekken die gebaseerd zijn op de

basisprincipes van de burenconnectie zijn

plekken die per definitie niet op zichzelf staan,

maar binnen een ruimer verband functioneren,

en daarbij zeer diverse gebruikersgroepen

kunnen aanspreken. Het identificeren,

ontwerpen, inrichten en beheren of ‘managen’

van deze plekken vereist een bijzondere

tandem van ontwerpexpertise en sociale

know-how, waarbij rekenschap wordt

gegeven van de sociale dimensie van

architectuur en stedenbouw.

De leefbaarheidsscan (opgemaakt door de

dienst Sociale Planning) kan hier gebruikt

worden als een mogelijk observatieinstrument.

Dit instrument dient dan wel

uitgebreid te worden naar ‘publieke interieurs’

in de brede zin van het woord. Het is hier dan

opnieuw zeer belangrijk om niet alleen te kijken

naar wat mensen er doen, maar ook te

luisteren naar wat ze zeggen over de plek.

Indien er enkel geobserveerd wordt, is de

betekenis die aan een plek wordt toegekend

moeilijker achterhalen.

- Het komt erop aan om plekken die gericht

zijn op de burenconnectie, letterlijk en

figuurlijk in een ruimer verband te plaatsen.

Dat kan door na te gaan wat de ruimtelijke

mogelijkheden zijn om de interactie met de

omgeving te bevorderen (bv. toevoeging van

extra functies, verhogen van de zichtbaarheid

naar de straat, situering op een plek van

passage, etc.). Daarnaast is ook het ontwerpen

van ‘ketens’ tussen diverse lokale en


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

134

3.

2.

1.

Dit schema toont hoe op drie sporen kan worden gewerkt, om telkens via concrete aanbevelingen de burenconnectie in

de toekomst te versterken:

1. de onderste laag toont de ruimtelijke basisinfrastructuur of de ‘ruimte rondom het huis’

2. de tussenlaag gaat over het activeren van bestaande en nieuwe centraliteiten i.f.v. het ‘thuis zijn in de wijk’, gekoppeld

aan het installeren van antennes

3. de bovenste laag toont de noodzaak van een complementair beleidsniveau op de tussenschaal van de wijk, met

daaraan verbonden het ontwikkelen van een actieprogramma


135

HOE KUNNEN WE HIERAAN WERKEN?

Op welke manier kunnen we met

deze inzichten aan de slag? In dit

hoofdstuk bouwen we verder op de

analyses in de voorgaande

hoofdstukken, en vertalen we dit

vervolgens op een geïntegreerde

manier naar de praktijk. Hierbij

wordt telkens ingezet op een

tandem van sociaal-ruimtelijke

voorstellen.

1. Starten met de basis

Er worden prachtige ontwerpen en plannen

bedacht voor representatieve ruimtes en

gebouwen in de stad, zoals pleinen en parken,

culturele centra of musea. Als diezelfde

ontwerpcapaciteit zou kunnen worden ingezet

om ook de inrichting van onze dagdagelijkse

leefomgeving te verbeteren, zou dat een groot

verschil maken. Dit wordt momenteel nog te

eenzijdig gezien als een technische

aangelegenheid. De ‘ruimte rondom het huis’

die in het hoofdstuk met de ‘sterke verhalen’

sterk naar voor kwam als cruciaal voor de

burenconnectie, wordt vandaag nog vaak

genegeerd. De aandacht voor het ‘klein

comfort’ is hierbij cruciaal. Niet alleen de

ruimte, maar ook de mensen in de ruimte

kunnen helpen om de ‘kleine ontmoeting’ te

faciliteren. Het beleid kan hierbij ondersteunen

door zelf het goede voorbeeld te geven en de

publieke competenties van het eigen

stadspersoneel te vergroten.

HOE?

EEN ZORGZAME INRICHTING VAN DE

RUIMTELIJKE BASISINFRASRUCTUUR

Dit gaat over de basis, wat betekent dat het

leven in een wijk aangenaam is, en dat de wijk

dagdagelijks goed functioneert. Bijvoorbeeld

de deurpomp die maakt dat de voordeur van

het collectieve appartementsgebouw ‘s

nachts in het slot valt, zodat bewoners zich

veilig kunnen voelen (cfr. Chicagotorens);

voldoende parkeerplaats voor de buurt, zodat

mensen niet volgens de klok van het

sportpaleis hun leven met organiseren;

voldoende buitenbanken plaatsen in een

omgeving waar veel ouderen wonen zodat ‘een

blokje omlopen’ wordt gestimuleerd, etc.

Tegelijk blijft het noodzakelijk om de

ruimtelijke basisinfrastructuur te blijven

koppelen aan een goed sociaal beheer van de

ruimte en van het ruimtegebruik. Het is een

én-én verhaal.

De kleine ruimtelijke infrastructuur van

paden, plekjes, trottoirs, pleintjes, rust- en

stopplaatsen wordt opgeladen met sociale

betekenissen van bewoners.

Burenconnecties kunnen gefaciliteerd

worden door de overheid door meer zorg en

aandacht te besteden aan de inrichting van

het publieke domein in de nabijheid van het

huis. Dat gaat over eenvoudige zaken of ‘klein

comfort’. Denk daarbij aan een bankje, een

hondenweide, een bushalte, een stoeprand

gericht op de toegankelijkheid voor rol- en

kinderwagens, een fietspomp of

waterfonteintje nabij een fietspad, een

shortcut om sneller op je bestemming te

geraken, enz.

Zo kan er aandacht gaan naar de ‘walkability’

van de wijk, door bijvoorbeeld een combinatie

van kronkelende paden om op te struinen en

shortcuts om snel te je bestemming te

bereiken. Of kunnen hondenweides als erg

populaire sociale biotopen eens herdacht

worden. De publieke ruimte staat vandaag de

dag vaak in het teken van veiligheid onder

invloed van terreuraanslagen en de bijhorende

angst daarvoor. Het blijft zeker van belang het

publiek domein te blijven claimen als plek voor

de vele vredelievende bewoners. Zoals William

Whyte (1988) ook stelde resulteert het

wegnemen van banken of ingrepen ‘op

mensenmaat’ in meer onveiligheid.

Vaak is ook niet bekend welke ruimtes net een

sociale betekenis hebben voor lokale

bewoners. Dit moet telkens opnieuw

empirisch vastgesteld worden. Ruimtelijke

projecten houden niet altijd rekening met deze

‘place-attachments’ zoals het eerder


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

136

genoemde pilootproject ‘collectief wonen’,

met de nieuw te bouwen appartementen in

Wilrijk Hoogte.

Tot slot is het ook belangrijk om hierbij het

draagvermogen van de ruimtelijke

basisinfrastructuur in rekening te brengen. In

Deurne-Noord, meer in het bijzonder in

Kronenburg zijn er ergernissen tussen

bewoners omwille van een tekort aan

parkeerruimte. De wijk staat extra onder druk

door het sportpaleis als grote

evenementruimte met een bovenlokale

functie. Er wonen ook veel arbeiders die een

klein busje hebben, een aanhangwagen, ofwel

zijn ze truckchauffeur. Al deze vehikels moeten

ergens kunnen staan. Ingrepen zoals het

project ‘Groene Sproeten’ zijn goed bedoeld

maar zullen dus in een spanningsveld geraken

met een tekort aan bewonersparking.

niet zeggen dat professionals hun specialisme

moeten opgeven, maar dat ze in de rand van

hun taak ook aandacht kunnen hebben voor de

bredere publieke horizon.

Het trainen van deze meer publieke

competenties zorgt ervoor dat er meer

voeling is met levendigheid als ervaring en is

dus ook een manier om die ervaring meer

zichtbaar te maken. Tegelijkertijd dragen zij

zelf, indien een grote groep aan

stadspersoneel (vooral diegenen die in

rechtstreeks contact staan met bewoners)

hieraan deelneemt, bij aan een levendig

klimaat. Zij vormen het gezicht van de

levendige stad of wijk. Tot slot vormt dit een

pr-strategie die allerlei marketinginitiatieven

van de stad meer geloofwaardig kunnen

maken, of anders gezegd, city-marketing beter

kunnen doen landen.

VERSTERKEN VAN DE PUBLIEKE

COMPETENTIES VAN HET

STADSPERSONEEL

Een bredere groep aan stadspersoneel kan ook

baat hebben bij een opleiding in wat wij

omschrijven als publieke competenties

(Soenen, 2011). Dankzij een verregaande

professionalisering zijn vele

personeelsprofielen gebaseerd op het werken

met een specifieke doelgroep of op kennis over

één bepaald thema of op vertrouwd zijn met

een bepaald wijksegment. Doel van deze

verregaande specialisatie is uiteraard meer

efficiëntie. Deze professionalisering levert

vooral veel specialisten op.

Werken aan levendigheid volgens de principes

van de burenconnectie heeft echter ook

professionals nodig die draaischrijven

kunnen vormen tussen diverse groepen,

thema’s en plekken. Het neveneffect van

specialisatie is dat er te weinig

verbindingsfiguren voorhanden zijn. Er is

nood aan meer generalistische profielen die

we ook terugvinden bij wat we omschrijven als

publieke figuren. Denk hierbij aan het idyllische

beeld van de cafébaas in het dorp die een

draaischijf vormt tussen diverse bewoners of

aan de oude tv-serie Cheers over de rol van een

lokale pub in het buurtleven in Boston. Dit wil

The Incomplete city_Designing with elements

The Incomplete city_Atlas of elements


137

2. Centraliteiten en

antennes

Bij centraliteiten in de wijk, wordt er nog

steeds vaak gedacht vanuit klassieke

voorzieningen en vanuit distributie. Op stadsof

wijkniveau gaat het er dan om dat per aantal

inwoners een gegeven aantal vierkante meters

aan diverse voorzieningen (groen, scholen,

dokters,...) worden ingepast. Uit onze studie is

gebleken dat burenconnecties daarentegen

sterk gestoeld zijn op lokale dynamieken van

‘wederkerigheid’ en ‘entraider’ (iets doen

zonder hier per se iets voor in de plaats terug te

verwachten). Het komt er dus op aan om het

toekomstpotentieel hiervan te leren lezen

(zowel de kansen, als mogelijke problemen),

om zo tot acties te komen. Distributie blijft nog

steeds noodzakelijk, maar het is tegelijk ook

belangrijk om (ook gezien de veranderende rol

van de overheid, en het betrekken van burgers

en markt) distributie beter af te stemmen op

de specificiteit en de sociale en ruimtelijke

mogelijkheden die voorhanden zijn in de

lokale context. Centraliteiten kunnen een

belangrijke rol spelen bij het ‘thuis zijn in de

wijk’, en tegelijk op verschillende lokale en

bovenlokale niveaus werken. Het installeren

van ‘antennes’ gaat om het toevoegen van een

overkoepelende (herkenbare en tegelijk

dynamische) organisatiestructuur om zo een

receptieve, actieve en verbindende rol te

kunnen opnemen, gericht op georganiseerde

en niet georganiseerde bewoners en andere

relevante partijen.

HOE?

THUIS ZIJN IN DE WIJK

Dit gaat om ‘thuis in de wijk’ plekken of

centraliteiten. Sommige van deze

centraliteiten kunnen uitgroeien tot (of reeds

functioneren als) draaischijf in de wijk, omdat

er door bepaalde professionele actoren

voortdurend lokale kennis en netwerken

worden gesprokkeld, beheerd en

gedistribueerd. Dit ‘thuis zijn in de wijk’ kan

zowel plaatsvinden in publieke exterieurs als

in publieke interieurs. Voorbeelden van

publieke interieurs zijn de tearooms op de Bist

in Wilrijk, het grootwarenhuis Colruyt in Deurne

en in Wilrijk, de Marokkaanse beenhouwer in

Oud-Berchem, de Indische winkel in Wilrijk, of

de wasserette in Oud-Berchem en in Wilrijk.

Deze ruimtes worden vaak privaat beheerd

maar worden toch publiek ervaren door

bewoners. Ze vormen centraliteiten, en maken

deel uit van de dagelijkse routes en routines

van bewoners.

Het komt erop aan om niet alleen meer oog te

ontwikkelen voor het diverse gamma van

centraliteiten in de wijk, en de functies die ze

vervullen in het alledaagse leven van

bewoners. Maar ook om vervolgens te bekijken

wat het (sociaal en ruimtelijk) potentieel is van

deze centraliteiten, en hoe ze ook binnen een

ruimer (sociaal en ruimtelijk) verband kunnen

worden geplaatst. Eerder aangehaalde en

reeds uitgewerkte voorbeelden in dit

hoofdstuk, zoals de ruimtelijke ‘scoping up’ van

het sociale initiatief van het ‘fietsatelier’, en de

eerste denkpistes i.f.v. de sociale verankering

van een lokale supermarkt, tonen de

mogelijkheden hiervan.

PROFESSIONELE ANTENNES

Een professionele antenne betreft een

organisatiestructuur waar professionals de

tijd nemen om lokale netwerken op te bouwen

bij georganiseerde én niet-georganiseerde

bewoners, en dit op meerdere plekken in de

wijk en bij diverse lokale maar ook

bovenlokale voorzieningen en diensten. Dit is

een arbeidsintensieve aangelegenheid maar

ook een onontbeerlijke activiteit. De ervaring

met betrekking tot levendigheid rapen ze op

doorheen hun lokale interacties. Vervolgens

gaan zij hier als professionals mee aan de slag.

Het betreft hier geen volledig kunnen

controleren van lokale interacties maar wel het

leren hanteren ervan.

Het gaat hier niet zozeer over een

academische kwalitatieve dataverzameling,

alhoewel professionals soms vertrouwd

kunnen zijn met aspecten ervan. Lokale

kennisopbouw gebeurt via dingen doen.

Lokale kennis wordt opgebouwd door zelf en

op regelmatige basis betrokken te zijn in


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

138

Werken aan de burenconnectie start met het opsporen van centraliteiten in de wijk, om vervolgens hun ruimtelijk en

sociaal potentieel in beeld te brengen, en ze in een ruimer verband te plaatsen. Daarvoor zijn verschillende strategieën

mogelijk, die hierboven staan afgebeeld.


139

lokale interacties en van daaruit onmiddellijk

projecten op te starten die gaandeweg

bijgestuurd worden, stopgezet worden of

aanleiding geven tot nieuwe andere

projecten. Het is doorheen de betrokkenheid in

meerdere projecten die elkaar opvolgen in de

tijd dat hun lokale kennis wordt opgebouwd en

ze dus een hoge lokale connectiviteit vertonen.

Dit is sterk verschillend van de traditionele

academische logica met zijn lineaire sequens

waarbij eerst data worden verzameld om dan

projecten te plannen en uit te voeren.

Niet alle professionele werkers beschikken

over dezelfde expertise. Sommige

professionele werkers zijn meer ervaren dan

andere. Binnen de geest van ‘learning-bydoing’

is het van belang om op regelmatige

tijdstippen meer en minder ervaren

professionele werkers met elkaar in contact

te brengen, i.f.v. het leren van mekaar. Dat

gebeurt vandaag al vaak binnen de wijken zelf,

maar vooral ook tussen wijken onderling kan

hier nog een veel betere kennisuitwisseling

gebeuren.

Hoewel burenconnecties gekenmerkt worden

door sterke vertakkingen, waarin verschillende

georganiseerde en niet georganiseerde

bewoners een rol kunnen spelen, blijft het van

belang om in wijken ook een of enkele

duidelijke ‘trekker(s)’ aan te duiden, die het

overzicht bewaren, en als aanspreekpunt

kunnen dienen.

Er zijn reeds vele ogen en oren aanwezig in de

wijk. Het komt er op aan om de grote

hoeveelheid lokale kennis die aanwezig is beter

zichtbaar te maken en te bundelen. Uit de

praktijk blijkt dat dit soort van

kennisuitwisseling het sterkst gebeurt,

wanneer er concrete projecten zijn die een

aanleiding vormen om deze kennis te

bundelen (m.a.w. eerder ‘bottom-up dan

‘top-down’). Uiteraard werkt dit het best als

daarbij een topic wordt geselecteerd dat door

diverse partijen wordt ervaren als iets wat er

toe doet.

3. Het ontwikkelen van een

actieprogramma:

levendigheid als positief

vliegwiel

Deze studie ambieert niet om een kant-enklaar

receptenboek voor ‘levendigheid’ te zijn,

met richtlijnen die één-op-één toepasbaar zijn.

Er zijn niet zozeer oplossingen maar wel een

andere organisatiecultuur en werkwijze nodig

zijn om het potentieel van levendigheid in de

toekomst beter te benutten. Daarbij is het

belangrijk om te kunnen schakelen van denken

naar doen. Op basis van deze studie is het niet

mogelijk (en wenselijk) om in deze fase al een

reeks van generieke, algemeen inzetbare

acties te formuleren. Wel kunnen we op basis

van onze inzichten, een eerste aanzet doen

voor het opzetten van een proces met een

aantal concrete aanbevelingen voor hoe dit

proces kan worden vormgegeven. Welk soort

werkwijze is nodig? Wat zijn hierbij de

aandachtspunten? Dit gaat over het

ontwikkelen van een langetermijn visie die

aansluit bij het toekomstpotentieel en de

specificiteit van de wijk, waarbij het van belang

is om deze visie vervolgens te koppelen aan

een actieprogramma, met onder meer ook

aandacht voor zichtbare, korte termijn acties.

Ook hier opnieuw onder het motto ‘learningby-doing’,

zodat het actieprogramma

voortdurend vernieuwd en bijgesteld kan

worden, en op een dynamische manier kan

inspelen op veranderingen doorheen de tijd en

nieuwe opportuniteiten die zich voordoen.

Hierbij is een professionele wijkwerking met

antennes een cruciaal gegeven, omdat ze

noodzakelijk is om op een duurzame manier te

werken aan levendigheid. Ook de wijkschaal is

een cruciaal gegeven. Het potentieel van de

wijk- en buurtschaal kan in de toekomst nog

veel sterker worden uitgespeeld. De stad is te


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

140

groot. Het individuele project is te klein. Op

wijkniveau is het mogelijk om door middel van

een samenspel van sociaal-ruimtelijke

projecten en trajecten aan een cascade te

bouwen, waardoor levendigheid als positief

vliegwiel voor de wijk kan werken.

HOE?

ANTENNES GERICHT OP DYNAMISCHE

CONTINUÏTEIT

Een professionele antenne werkt best volgens

het principe van ‘dynamische continuïteit’. In

dit principe wordt de nadruk gelegd op het feit

dat zowel de continuïteit van een werking zeer

belangrijk is, als dat er ook voldoende

veerkracht aanwezig is om op de telkens

veranderende omstandigheden waarbinnen

de werking actief is te kunnen inspelen. De

antenne vormt dus een herkenbaar en

vertrouwd gegeven in de wijk. Wil de antenne

echter veerkrachtig blijven, dan zal ze tegelijk

op bepaald momenten ook bv. projecten

moeten afstoten of oude paden verlaten en

zichzelf voortdurend blijven vernieuwen. In de

bibliotheek bijvoorbeeld gaat dat vandaag de

dag over durven experimenteren met

belevingsactiviteiten in plaats van enkel en

alleen te blijven werken vanuit de boekerij van

weleer. Een ander goed voorbeeld is

buurtcentrum Posthof, dat pionierde met

betrekking tot buurtdiensten. Het door hen

opgerichte ‘buurtbeheerbedrijf’ werd

afgestoten en doorgegeven aan de stedelijke

overheid en werd daar vervolgens omgedoopt

tot Manus. Zo creëerden zij nieuwe ruimte

voor andere projecten. Ook moet er bekeken

worden of er nieuwe vragen leven in de buurt/

bredere maatschappij en daar hoort ook het

aanboren van een ander, nieuw profiel van

bewoners en andere wijkgebruikers bij. Dit kan

dus betekenen dat een ‘oude’ groep wordt

losgelaten.

ONTWERPEND ONDERZOEK INSCHAKELEN

ALS HEFBOOM VOOR VERANDERING

Het ontwikkelen van het actieprogramma is

gericht op het clusteren, opschalen en

versterken van lokale dynamieken, via

projecten en initiatieven. Het gaat dus over

het creatief en slim connecteren van de

diverse ‘thuis in de wijk’ plekken of

centraliteiten, om zo de burenconnecties te

bevorderen. Bijzonder geschikt om de

mogelijkheden hiervan te verkennen,

zichtbaar te maken en te verbeelden is

ontwerpend onderzoek. Typerend voor deze

onderzoekers is het kunnen bricoleren met

elementen uit erg diverse domeinen. Hun

kennis omtrent een goed ontwerp wordt

opgebouwd via iets doen, namelijk via het

telkens opnieuw en anders ontwerpen

(tekenen). Het betreft een vorm van ‘trial &

error’. De ontwerpend onderzoeker zal via een

heen-en-weer beweging tussen

ontwerpvoorstellen en diverse bronnen

(concepten, disciplines, sectoren,

stakeholders) uiteindelijk een ontwerpvoorstel

of ontwikkelingsscenario voorstellen. Door

abstracte ideeën of intenties op een zeer

concrete manier te vertalen naar de ruimte,

wordt het mogelijke effect van bepaalde

acties zichtbaar gemaakt, wat doorgaans als

stimulerend en wervend wordt ervaren door

diverse partijen die hierbij betrokken zijn of

kunnen worden. Als ontwerpers zijn ze

vertrouwd met artistieke processen en zijn ze

in staat vernieuwde inzichten aan te bieden, en

via hun verbeeldingskracht niet enkel het

bestaande te valideren en versterken, maar

ook oog te hebben voor mogelijke toekomstige

ontwikkelingen en transformaties. Bij het

installeren van antennes, maar ook bij het

uitzetten van de verdere werking ervan, zijn

ontwerpend onderzoekers dan ook erg

geschikt als partners bij de continue werking

van een antenne, zeker op momenten dat er

nood is aan vernieuwing.


141


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

142

© Frederik Beyens


143


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

144


145

Bijlagen


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

146

BIJLAGE: DIVERSITEIT EN LEVENDIGHEID

IN ANTWERPSE BUURTEN

EEN CARTOGRAFISCHE VERKENNING

1. Inleiding

Levendigheid in wijken meten is zonder

observaties in de wijken een onmogelijke zaak.

Wel kunnen beschikbare gegevens gebruikt

worden om de mogelijkheden en beperkingen

die wijkkenmerken bieden voor de

levendigheid te meten.

Om dit de doen kiezen we voor een deductieve

aanpak. Eerder dan alle beschikbare data af te

toetsen op hun eventuele relevantie voor

levendigheid, wordt vertrokken van een

theoretisch kader, dat alle dimensies van het

fenomeen overkoepelt en voor elk van deze

dimensies gepaste indicatoren zoekt. Dit

kader wordt geboden door de “economische

integratiewijzen” van Karl Polanyi (1944), een

concept dat in het sociaal-geografisch

onderzoek aan de KU Leuven veel gebruikt is.

Economische integratiewijzen behelzen de

sociale relaties die mensen rechtstreeks of

onrechtstreeks aangaan om aan hun

bestaansmiddelen te geraken.

Deze aanpak gaat ervan uit dat hoe

veelvuldiger en rijker die relaties, hoe groter de

levendigheid van de buurt.

De meeste buurtrelaties spelen zich af in de

sferen van de wederkerigheid en in mindere

mate van de markt.

Wederkerigheid omvat de ruil van diensten op

basis van noden binnen een netwerk. Elk lid

van het netwerk moet ervoor zorgen dat hij/zij

op lange termijn een evenwicht realiseert

tussen de verkregen diensten en de

wederdiensten die hij aan andere leden kan

aanbieden. Gezien elke ruil plaatsvindt op

basis van een (dikwijls onvoorziene) nood, zijn

de duurzaamheid van het netwerk, trouw aan

het netwerk en vertrouwen essentiële

kenmerken van efficiënte wederkerigheid.

Diversiteit van noden en van vaardigheden in

het netwerk bepalen de intensiteit van de

ruilactiviteiten.

Voor wederkerigheid is diversiteit van de

bevolking van belang. Onderzoek heeft

aangetoond dat wederkerigheid ook als

springplank gebruikt wordt om toegang tot

bestaansmiddelen via andere wegen te

vergemakkelijken. Deze diversiteit wordt mee

gedragen door een diversiteit aan

woonmilieus. We zullen in dit stuk een maat

aanbieden die de diversiteit in de buurten

meet. Eerst wordt de maat grondig uitgelegd.

Daarna wordt ze toegepast op verschillende

reeksen variabelen telkens diversiteit binnen

een bepaalde dimensie meten. De reden

waarom die dimensies van diversiteit relevant

zijn voor de levendigheid in de wijken wordt kort

geanalyseerd op basis van deductieve

redeneringen en ervaring. Het kwalitatief luik

van het onderzoek moet onder meer duidelijk

maken of deze veronderstellingen ook

kloppen.

2. Het meten van

diversiteit: de

fractioneringsindex

De diversiteit binnen een buurt kan gemeten

worden aan de hand van de

fractioneringsindex. Deze index berekent

hoeveel de verdeling van een bevolking over

verschillende groepen (bijvoorbeeld

leeftijdsgroepen) afwijkt van een gelijke

verdeling (als er bijvoorbeeld 5 groepen zijn,

dan wordt verwacht dat elke groep 20% van de

bevolking vertegenwoordigt).

De formule voor deze index is als volgt:

F= 1 - ∑pi²

Waarbij pi het aandeel is van groep i in de totale

bevolking. De index wordt dus berekend door

de aandelen van elke groep eerst te

kwadrateren, dan op te tellen en tenslotte deze

som af te trekken van 1.

Een hoge index wijst op een bevolking

samengesteld uit verschillende groepen van

gelijkmatige omvang. Hoe meer één enkele

groep dominant is in de buurt, hoe lager de

index.

De index varieert niet zomaar tussen 0 en 1. Dit

zal afhangen van het aantal groepen die

onderscheiden worden.


147

Bij twee groepen is het minimum 0 als een van

beide groepen 100% van de bevolking in de

buurt uitmaakt en het maximum 0,5, als beide

groepen precies de helft van de buurtbevolking

vertegenwoordigen. Alle andere waarden zijn

precies bepaald door het aandeel van één van

beide groepen omdat het aandeel van de

andere groep daarmee ook bepaald is als

complement. Het verloop van de waarden met

stijgend aandeel van een groep is, zoals

getoond op figuur 1, symmetrisch

Beschouwt men een bevolking ingedeeld in

meer dan twee groepen, dan kan de

fractioneringsindex ook nog variëren

naargelang van de aandelen van de andere

groepen. Stel dat in een buurt toevallig maar

één groep aanwezig is en alle andere afwezig,

dan is het aandeel van die groep gelijk aan 1 en

is de fractioneringsindex gelijk aan 0. Zijn er

toevallig maar twee van de groepen aanwezig,

dan is het verloop van de functie naargelang

het aandeel van elke groep (die elkaars

complement zijn) hetzelfde als in het

voorgaande geval met twee groepen. Deze

waarden van de fractioneringsindex zijn ook de

minimale waarden want de bijdrage van de

andere groepen tot de index is

noodzakelijkerwijze gelijk aan nul.

De maximale waarde bij een gegeven waarde

voor groep 1 wordt bereikt als de overige

groepen in gelijke aandelen verdeeld zijn

(bijvoorbeeld: als, in het geval van vier groepen,

de eerste groep een aandeel heeft van 0,4, dan

moeten beide andere groepen elk een aandeel

van 0,2 vertonen). Deze situatie bepaalt de

maximale waarde van de index bij een gegeven

aandeel voor de eerste groep . Bij een gegeven

aantal groepen zullen alle mogelijke waarden

van de fractioneringsindex tussen deze

minimale en maximale waarde liggen. Hoe

dichter het aandeel van de beschouwde groep

de waarde 1 benadert, hoe kleiner de mogelijke

variatie van de index. Hoe meer het aandeel de

waarde 0 benadert, hoe groter deze mogelijke

variatie. De maximale fractioneringsindex

wordt bekomen als alle groepen een gelijk

aandeel hebben in de bevolking (bijvoorbeeld:

in het geval van vier groepen, moeten ze elk een

kwart of 0,25 van de bevolking tellen). Hoe

groter de positieve of negatieve afwijking van

dit gelijke aandeel, hoe meer een groep

bijdraagt tot de verlaging van de index.

Deze logica wordt geïllustreerd met het verloop

van de minimale en maximale index voor 4

groepen. De oppervlakte tussen beide curven

geeft het bereik van de fractioneringsindex aan

We kunnen nu de fractioneringsindex voor een

reeks dimensies van sociale differentiatie

bestuderen. In de sociale stadsgeografie (en

de stadssociologie) wordt uitgegaan van drie

fundamentele dimensies die de differentiatie

van de bevolking bepalen: de sociaaleconomische

status, de gezinsstatus (of de

demografische structuur) en de etniciteit. De

eerste wordt gemeten door de behaalde

diploma’s onder de bevolking die geen

onderwijs meer volgt; de tweede door de

leeftijdsstructuur en de derde door de afkomst.

Gezien hun relevantie voor levendigheid

bekijken we ook nog de activiteit en de

diversiteit aan woninggrootte en aan

woningmarktsegmenten. We kunnen voor elke

dimensie een of meerdere indicatoren

uitkiezen en daarmee de bevolking in

subgroepen indelen. Het aandeel van elke


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

148

groep wordt voor elke buurt bepaald en

daarmee kan de fractioneringsindex voor elke

buurt berekend worden. Die resultaten worden

geografisch geanalyseerd aan de hand van

een kaart van de stad, maar ook wanneer

zinvol, door de waarden uit te zetten op

grafieken waar de fractioneringsindex in

functie van het aandeel van telkens één van de

groepen bestudeerd kan worden. Beide

oefeningen laten toe om de drie bestudeerde

wijken te vergelijken met de rest van de stad.

De indeling van de wijken in statistische

buurten laten ook toe om interne verschillen

binnen de wijken te bepalen.

buurten, met hoog aandeel secundair

onderwijs, de laagste diversiteit vertonen

(waartoe Deurne-Noord hoort). De waarden

zijn ook lager in het centrum zelf waar de groep

met de laagste opleiding slecht

vertegenwoordigd is.

Sociaal-economische

diversiteit: de diploma’s

De diversiteit in sociaal-economische status

binnen een buurt wordt gemeten aan de hand

van behaalde diploma’s onder de bevolking die

niet meer studeert. De volgende drie groepen

worden onderscheiden: bevolking met

diploma lager onderwijs of geen diploma; met

hoogstens diploma secundair onderwijs; met

diploma hoger onderwijs. Een eenduidige

relatie tussen levendigheid en een grote

verscheidenheid aan diploma’s (en bij

uitbreiding een grote differentiatie van sociaaleconomische

posities) is er niet. Men kan

stellen dat een evenwichtig aandeel hoger

onderwijs voor sociaal kapitaal in de wijk zorgt.

Gezien er drie groepen beschouwd worden,

verkrijgt men de potentieel maximale

fractioneringsindex bij één derde diploma’s

hoger onderwijs (dit vereist echter een zekere

mate van concentratie van deze groep, want hij

vertegenwoordigd maar een kwart van het

totaal op stadsniveau). Levendigheid

veronderstelt dan ook dat dit sociaal kapitaal

met andere bewoners van de buurt gedeeld

wordt. Maar bewoners met een hoog diploma

hebben meer kans dan anderen op een druk

beroepsleven en zijn daardoor minder

aanwezig in hun buurt.

De hoogste diversiteit wordt in 5 buurten van

Oud Berchem bereikt, de laagste in Deurne

Noord, waar het hoger onderwijs laag scoort.

In Antwerpen stad is er een globale centrumperiferie

structuur te zien waar perifere


149


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

150

Demografische diversiteit:

de leeftijdsstructuur

De gezinsstatus wordt hier met de diversiteit

van de leeftijdsgroepen gemeten. Kinderen en

jongeren leven samen met hun ouders en een

belangrijk aandeel van deze groepen

veronderstelt meteen een even belangrijke

aanwezigheid van volwassenen. We

onderscheiden zes leeftijdsklassen: 0-11; 12-16;

17-24; 25-39; 40-64 en 65+ jaren. Diversiteit en

de kans tot intergenerationele levendigheid

neemt dus toe wanneer kinderen, jongeren en

bejaarden in de buurten te vinden zijn. Maar

een hoge leeftijdsdiversiteit mondt niet

noodzakelijkerwijze uit op levendige wijken:

levendigheid kan gemakkelijk een heel andere

betekenis gegeven worden door de

verschillende leeftijdsgroepen en deze

verschillende soorten levendigheid kunnen

conflictueus zijn.

De diversiteit aan leeftijdsgroepen in de drie

wijken is relatief goed. De verschillen tussen de

buurten zijn niet heel groot. Deurne Noord

vertoont de grootste verscheidenheid, hoewel

Bisschoppenhof sterk contrasteert met de

andere buurten door een hoger aandeel

bejaarden.

Wilrijk Hoogte en de meeste buurten van Oud

Berchem scoren iets lager.

In de stad wordt de hoogste diversiteit bereikt

in een brede band rond het centrum. De

waarden zijn lager wegens een overwicht aan

jonge mensen in de rand van de stad en het

laagste in het centrum binnen de leien waar

jongvolwassenen (25-39 jaar) overheersen.


151


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

152

Etnische diversiteit:

de afkomst

De bevolking wordt volgens haar afkomst in 7

groepen ingedeeld: autochtonen;

vreemdelingen van rijke landen; Zuid-

Europeanen; Oost-Europeanen; Noord-

Afrikanen; West-Aziaten (waaronder de

Turken) en de overige bevolking (waarin de

Zuid- en Oost-Aziaten domineren).

Een grote diversiteit aan mensen van

verschillende afkomst houdt potentieel voor

levendigheid in. Wanneer groepen groot

genoeg zijn ontstaat er etnisch

ondernemerschap en dat zorgt voor bewoners

die ook in de buurt werken. De winkels, horeca

en diensten die ze voor hun eigen groep

opzetten vormen belangrijke

ontmoetingsplekken voor gebruikers van eigen

groep – en voor zover er sprake is van een

zekere aanpassing van de aangeboden

goederen en diensten enerzijds en van

nieuwsgierigheid voor een “exotische” aanbod

anderzijds, geldt dit ook voor gebruikers van

buiten de groep. Dit lokaal aanbod wordt

minder gedragen door de autochtone

bevolking die sterker beïnvloed is door het

massaconsumptiepatroon waarbij de

combinatie grootwarenhuizen-auto centraal

en staat. De vraag is echter hoe sterk het

aanbod in de wijken voor specifieke groepen

ook gepaard gaat met sociale segregatie,

waarbij elke groep zich uitsluitend beperkt tot

eigen aanbod (en de autochtonen dus in hun

auto stappen).

iets te talrijk om de diversiteit in Deurne Noord

nog hoger te plaatsen. De grafiek toont dat

eens de 30% Noord-Afrikanen overschreden

worden, de diversiteit afneemt. Dat is zeer

precies ook het geval met de autochtone

bevolking.

In de stad zijn de meest diverse buurten qua

afkomst terug te vinden in de 19de eeuwse

arbeidersbuurten in het noordelijk deel van het

centrum, met uitlopers naar Deurne en

Berchem. De arbeidersbuurten in Hoboken

vormen een tweede kern. Ten slotte is er sprake

van hoge diversiteit in de sociale

woningbuurten van Luchtbal en Linkeroever.

De laagste diversiteit wordt in de betere

perifere buurten met een bijna uitsluitend

autochtone bevolking bereikt.

Het aandeel autochtonen bepaalt in sterke

mate de diversiteit van afkomst in de buurten.

Opnieuw met uitzondering van

Bisschoppenhof, bereikt Deurne Noord de

grootste diversiteit en behoort tot de meest

diverse wijken van Antwerpen. De buurten in

het centrum van Oud Berchem (Op ten Bergh

en Posthof) vertonen iets lagere waarden.

Wilrijk Hoogte en de perifere buurten van

Oud-Berchem (ten westen van de Grote

Steenweg en Zurenborg) worden door 60 à

70% autochtonen bewoond, wat weinig ruimte

laat voor diversiteit.

Bewoners van Noord-Afrikaanse afkomst zijn


153


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

154

Economische diversiteit:

de activiteit

Hier worden 5 groepen onderscheiden in de

bevolking van 18 tot 64 jaar: loontrekkenden;

zelfstandigen; werklozen; niet beroepsactieven

(arbeidsongeschiktheid, leefloon,

brugpensioen, gehandicapten en studenten)

en overige personen op actieve leeftijd (vooral

huismannen en -vrouwen).

De laatste drie groepen maken veel kans om

tijdens de dag in de buurt aanwezig te zijn en

zijn bovendien niet gebonden aan werkuren.

Zelfstandigen zijn meer dan de loontrekkenden

ook in eigen woning of buurt actief, maar

uiteraard wel gebonden aan hun activiteit. Een

hoog aandeel loontrekkenden in een buurt zou

volgens deze logica kunnen wijzen op

“slaapbuurten”. Maar in vergelijking met de

andere groepen bezitten ze doorgaans meer

sociaal kapitaal en koopkracht, die op andere

momenten ingezet kunnen worden.

Deze bedenkingen wijzen er op dat

levendigheid verschillende temporaliteiten

heeft. De levendigheid van buurten kan dus

veranderen naargelang van de beschouwde

periode. Hier zijn verschillende tijdschalen mee

gemoeid: de 24 uren van de dag; de 7 dagen

van de week (met de betekenis van vrijdag voor

moslims en zondag voor christenen en joden);

de seizoenen en de vakantieperiodes in het jaar

en ten slotte ook nog de trage dynamiek van de

verandering van de buurtbevolking. Voor de

zittende bevolking zijn dat de geboorten, de

veroudering en de gezinslevenscyclus die de

leeftijds- en de huishoudenstructuren

veranderen. Het gecumuleerd effect van de

verhuisbewegingen (aankomst en vertrek)

levert een tweede bron van relatief trage

verandering van de bevolking.

verschil tussen beide buurten.

In Antwerpen stad vertoont de diversiteit aan

activiteiten een spreiding die gelijkenissen

vertoont met de spreiding van de diversiteit

aan afkomst: de centrale stad, Hoboken en de

sociale woningbuurten vertonen een hogere

diversiteit. Maar er zijn ook verschillen: in

Deurne blijft de index relatief laag; in Hoboken

en Berchem is de zone met hoge diversiteit

minder uitgebreid en er zijn nog plekken met

hoge diversiteit in de periferie. In het centrum is

het contrast tussen de noordelijke rand en de

Oostwijk met de rest van het centrum sterker.

Zoals voor de afkomst bepaalt één enkele

groep, namelijk de loontrekkenden, de

diversiteit in de buurt: hoe hoger hun aandeel in

de buurtbevolking van actieve leeftijd hoe lager

de diversiteit. De diversiteit van de buurten uit

de drie wijken wordt ook nagenoeg uitsluitend

door het aandeel van deze groep bepaald.

Deurne Noord vertoont globaal een relatief

lage diversiteit, maar een grote variatie tussen

de buurten met Kroneburg en Bisschoppenhof

aan de twee uitersten. Oud- Berchem scoort

iets hoger, met een iets kleinere variatie. Wilrijk

Hoogte scoort nog wat beter, met een duidelijk


155


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

156

Diversiteit aan woonmilieus:

de woninggrootte

De diversiteit in woninggrootte wordt door het

aantal kamers gemeten. Deze indicator werkt

meestal beter om de gemiddelde grootte van

de woningen in een buurt te schatten dan de

oppervlakte als deze door de inwoners zelf

moet aangegeven worden. Het

woningenbestand wordt ingedeeld in zes

groepen naargelang het aantal kamers (6 en

meer kamers wordt als één groep beschouwd).

Diversiteit van woninggrootte bepaalt de

diversiteit aan huishoudengrootte, maar

gedeeltelijk ook de diversiteit aan inkomens.

De eerste heeft zijn weerslag op de diversiteit

van leeftijden, de tweede op de sociaaleconomische

diversiteit. Nochtans is het niet

uitgesloten dat weinig diverse wijken toch niet

inboeten aan levendigheid wegens het

eentonig karakter van hun woningenbestand.

Deze homogeniteit kan identiteit, symboliek en

uitstraling aan de wijk leveren en deze

gebondenheid kan ook levendigheid

ondersteunen.

De diversiteit aan woninggrootte binnen de

wijken is niet onbelangrijk. Opnieuw valt in

Deurne Noord Bisschoppenhof op met een

lage diversiteit. De variatie in het aandeel grote

woningen (6 of meer kamers) is groot en

bepaalt daarmee ook veel van de verschillen in

de fractioneringsindex: hoe hoger het aandeel

grote woningen, hoe lager de diversiteit (met

Bisschoppenhof als uitzondering). De relatie is

omgekeerd met woningen van 3 kamers, met

uiteraard dezelfde uitzondering.

Op het niveau van de stad blinkt het centrum

uit met de hoogste diversiteit aan

woninggrootte. Enkele plekken in de periferie,

waaronder vroegere dorpskernen vertonen een

middelmatige diversiteit. De laagste diversiteit

is in verspreide slagorde terug te vinden in de

periferie en in sommige sociale

woningbuurten.


157


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

158

Diversiteit aan woonmilieus:

de woningmarktsegmenten

De woningen worden ingedeeld in groepen

naargelang het over eengezinswoningen

bewoond door de eigenaar gaat,

appartementen bewoond door de eigenaar,

privé huurwoningen (waar leegstaande

woningen bijgeteld zijn) of sociale

huurwoningen.

De diversiteit aan woningmarktsegmenten

heeft logischerwijze eenzelfde relevantie als

de diversiteit aan woninggrootte. Maar hier

speelt de relatie met de sociaal-economische

diversiteit van de bewoners een veel grotere rol

en is de relatie met huishoudengrootte veel

zwakker. De woningmarksegmenten zijn

inderdaad in grote mate selectief. Ze staan hier

geklasseerd in dalende orde van (financiële)

selectiviteit. Maar omwille van het relatief

beperkt aantal sociale woningen in het totale

woningenbestand en de onmogelijkheid om

alle rechthebbenden ook een sociale woning

aan te bieden, zijn er onderdelen van de privéhuursector

die nog minder kapitaalkrachtige

huishoudens huisvesten.

Zolang het aandeel sociale huurwoningen

onder de 25% blijft, is er een grove positieve

relatie tussen diversiteit van woningmarkt en

aandeel sociale huisvesting. Bij hogere

aandelen daalt de diversiteit. Die hogere

aandelen vertalen de dominantie van

groepsbouw in de sociale huisvesting, bedoeld

om de productiekosten van de woningen te

beperken. Onder de bestudeerde wijken wordt

de hoogste diversiteit bereikt in de buurten

waar sociale huisvesting aanwezig is, in Oud

Berchem en Deurne Noord. Naarmate haar

aandeel daalt, is de diversiteit ook lager.

De privé-huurwoningen vormen het

belangrijkste segment op de Antwerpse

woningmarkt (woningen bewoond door hun

eigenaar vormen 51% van het

woningenbestand, maar ze zijn hier in twee

categorieën onderverdeeld). De wijken zijn

minder divers naargelang er meer privéhuurwoningen

zijn. Dat is grofweg ook het

geval voor de buurten van de drie wijken.

In Deurne Noord is de variatie in

eigenaarswoningen groot tussen Conforma en

Bisschoppenhof. In de eerste buurt

overheersen appartementen bewoond door de

eigenaar, in de tweede eengezinswoningen in

eigendom.

In de stad is de diversiteit groter in de rand dan

in het centrum. Daar overheerst de privéhuurmarkt.

Andere plekken met lage diversiteit

zijn de homogene sociale woningbuurten. In de

periferie vertalen lage waarden de

overheersing van villa’s bewoond door hun

eigenaar. Deurne Noord, behalve de gekende

uitzondering van Bisschoppenhof, en Wilrijk

behoren tot die tussenrand met een diverse

woningmarkt, hoewel de cijfers in Wilrijk vanuit

die vaststelling wat laag uitvallen. Oud

Berchem sluit eerder aan bij de lage waarden

van het centrumdeel, maar met iets hogere

waarden wegens de een iets groter aandeel

eigenaar-bewoners (waaronder eigenaars van

appartementen in Oude Justitie


159


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

160

Dragen deze verschillende

maten van diversiteit bij tot

een algemeen

levendigheidspotentieel?

De correlaties tussen deze 6

fractioneringsindices tonen aan dat ze geen

verschillende facetten zijn van een algemene

maat van levendigheidspotentieel. Was dit wel

het geval, dan moesten ze allemaal een zekere

mate van correlatie met elkaar vertonen. De

correlaties zijn echter relatief laag tot zeer

laag. Sommige zijn zelfs negatief (wat

betekent dat meer diversiteit in een dimensie

(zeer lichtjes) samengaat met minder

diversiteit in een andere dimensie).

Uit deze tabel blijkt dat de hoogste correlatie

– tussen afkomst en activiteit – omgerekend

44% gemeenschappelijke variatie vertoont. Dit

betekent dat 56% van de verschillen tussen de

buurten in termen van diversiteit van afkomst

niets te maken heeft met diversiteit in

activiteiten (en omgekeerd). Twee relaties

komen nog in de buurt van 20% en de rest is

verwaarloosbaar. Er is dus duidelijk geen

sprake van een algemene maat van

levendigheidspotentieel waar alle dimensies in

mindere of grotere mate toe bijdragen. Of

anders gezegd: levendigheid is een multidimensioneel

verschijnsel en de verschillend

facetten ervan beïnvloeden elkaar nauwelijks

of helemaal niet.

Correlaties tussen de verschillende

fractioneringsindices

Om de correlaties tegen elkaar af te wegen is

het beter om hun kwadraten te beschouwen

(determinatiecoëfficiënten). Deze geven aan

welk aandeel van de verschillen tussen de

buurten in een dimensie bepaald is door de

verschillen tussen de buurten in de andere

dimensie.

Determinatiecoëfficiënten tussen de

verschillende fractioneringsindices


161

Besluit

Uit deze resultaten blijkt dat levendigheid een

zeer problematisch begrip is dat niet vatbaar is

voor een eenduidige definitie. Voor zover het

gaat om diversiteit als potentieel voor

levendige wijken, vertonen de verschillende

facetten van diversiteit nagenoeg geen

overlap. Enkel de relatie tussen diversiteit van

afkomst en diversiteit van activiteit is niet te

verwaarlozen. En dat laatste creëert potentieel

voor de aanwezigheid van verschillende

groepen bewoners en gebruikers in de wijken

gedurende de dag. Maar wat levendigheid voor

de ene groep bewoners of gebruikers is, kan

voor andere groepen overlast of verveling

betekenen. Bovendien is levendigheid geen

stabiel kenmerk van een wijk, maar een

dynamisch gegeven dat in verschillende

tijdsschalen tot stand komt en dan weer kan

verdwijnen.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

162

BIJLAGE: LEVENDIGHEID EN

VERHUISBEWEGINGEN

Hoe verhuisbewegingen

levendigheid kunnen

beïnvloeden

Verhuisbewegingen kunnen een dubbele

invloed hebben op levendigheid. Enerzijds kan

de diversiteit van de buurt, en dus het

potentieel voor levendigheid vergroot worden,

dankzij de inbreng van inwijkelingen, voor zover

die een ander sociaal-demografisch profiel

hebben dan de zittende bevolking. Anderzijds

kunnen veelvuldige verhuisbewegingen de

opbouw van sterke sociale netwerken in de

buurt bemoeilijken. Wederkerigheidsrelaties

bloeien op basis van vertrouwen en trouw

omdat de uitwisseling van diensten en

wederdiensten niet onmiddellijk plaatsvindt,

maar in bewegingen die soms ver uit elkaar

kunnen staan in de tijd. Bovendien gaat het

niet om uitwisselingen tussen twee personen,

maar tussen een persoon en het sociaal

netwerk waar hij/zij deel van uit maakt. Het

evenwicht tussen verkregen diensten en

geleverde wederdiensten moet op lange

termijn bereikt worden en behelst telkens een

lid van het netwerk en alle andere leden van het

netwerk.

Men kan daaruit afleiden dat buurten die een

sterke woonmobiliteit kennen, minder kans

bieden tot duurzame levendigheid. Daarnaast,

maar dat is met de beschikbare tijd niet na te

gaan, zou ook bekeken moeten worden of de

verhuisbewegingen bijdragen tot een grotere

diversiteit van de buurtbevolking, dan wel

segregatie in de hand werken en verschraling

van de diversiteit inhouden. Buurten met

weinig of geen verhuisbewegingen blijven

echter niet stabiel qua diversiteit. Het

verouderingsproces en de gezinscyclus

zorgen er voor dat de samenstelling van de

bevolking qua leeftijd en huishoudenvorm

volgens een relatief vast patroon verandert.

Bovendien zijn de meeste verhuisbewegingen

precies gebonden aan de leeftijd en de positie

van de personen in de gezinscyclus. Bij het

zelfstandig worden verlaten de jongeren

meestal het ouderlijk huis en bij de midden- en

hogere klasse zijn ze niet in staat om in

dezelfde buurt een woning te betalen. Dat

veroorzaakt een vergrijzingsproces en een

verschraling van de buurtdiversiteit.

De beschikbare cijfers

Accurate gegevens over verhuisbewegingen

zijn nagenoeg onmogelijk op te bouwen. Dat

komt omdat vertrekken niet aangegeven

worden in de gemeente van vertrek, maar in de

gemeente van aankomst. Vooral vertrek naar

het buitenland wordt soms moeilijk

opgespoord. Ook kunnen mensen voor een

relatief lange periode vertrekken, maar daarna

terugkomen, zonder melding te maken van de

beweging. Bij inwijking is er dikwijls een groot

tijdsverschil tussen aankomst en inschrijving.

En uiteraard kunnen er ook fouten in de

registratie voorkomen. Het gevolg hiervan is

dat de gegevens naargelang van de gebruikte

bron kunnen verschillen. Die verschillen blijven

klein (maximum enkele personen per jaar).

Maar een cartografie waarbij een onderscheid

gemaakt wordt tussen positieve en negatieve

saldi (toe- en afname van de bevolking op basis

van verhuisbewegingen) kan daardoor wel voor

enkele buurten tegengestelde resultaten

geven.

We bekijken de evolutie van de bevolking

tussen 2011 en 2015 en berekenen gemiddelde

jaarlijkse veranderingen om toevallige

jaarlijkse verschillen uit te vlakken. Bij accurate

gegevens kan gesteld worden dat het verschil

in totale bevolking tussen twee jaren bepaald

is door het verhuissaldo (inwijking – uitwijking)

en het natuurlijk saldo (verschil tussen

geboorten en sterftegevallen). De

bovengenoemde registratiemoeilijkheden

hebben echter als gevolg dat er geen relatie

kan gelegd worden tussen de

bevolkingsaantallen (die op een precies tijdstip

worden gemeten) en de bevolkingsloop (de

hoger vermelde saldi, die over een periode van

een jaar gemeten worden). Er kunnen daardoor

verschillen optreden tussen het gemeten

bevolkingsaantal en het berekende

bevolkingsaantal (door verhuis- en natuurlijk

saldo (plus eventuele statistische correcties)

bij het gemeten bevolkingsaantal van het

vorige jaar op te tellen). De verschillen tussen

die gemeten en berekende aantallen kunnen

over vijf jaren tot meerdere honderdtallen


163

inwoners oplopen. Het probleem kan niet

ontweken worden door zich te beperken tot

één van beide cijferreeksen. Om de buurten

onderling te vergelijken moet er inderdaad

gewerkt worden met produizenden. De

bevolkingsbewegingen moeten dan gedeeld

worden door de bevolkingsaantallen, waarbij

de gemeten aantallen het meest betrouwbaar

zijn. In dit geval gebruiken we de gemiddelde

bevolking voor de periode 2011-2015 . Beide

gegevensbronnen moeten dus gecombineerd

worden. Bijgevolg moeten de resultaten met

de nodige voorzichtigheid behandeld worden.

Dat betekent dat individuele buurtcijfers als

benaderingen moeten beschouwd worden en

dat de aandacht zich vooral moet toespitsen

op de veralgemeende ruimtelijke structuren

die de kaarten weergeven. In bijlage wordt een

lijst toegevoegd met de berekende verschillen

in bevolkingsloop (vergelijking gegevens

verkrijgbaar op https://stadincijfers.

antwerpen.be/databank/ en cijfers geleverd

door de studiedienst van de stad) en het

verschil in bevolkingsaantallen berekend met

de bevolkingsloop en met de

bevolkingsaantallen.

De verhuiskenmerken van

buurten

Om de buurten te kenmerken naargelang van

de verhuisdynamiek die ze tonen zijn drie

kenmerken uitgekozen uit de vele

mogelijkheden. Die kenmerken zijn relevant

voor de levendigheid van de buurten:


die tussen begin 2011 en begin 2016 niet

verhuisd is. De bevolking van 2011 wordt als

basis beschouwd. Personen die in die periode

overleden zijn zonder eerst verhuisd te zijn,

worden beschouwd als niet verhuisd. De

woonstabiliteit is sterk verbonden met het

aandeel eigenaar-bewoners. Dit statuut is in

de meeste gevallen de laatste stap in de

wooncarrière van een huishouden (tenminste

als men de verhuisbewegingen van bejaarden

niet in rekening brengt). Ook spelen de relatief

hoge transactiekosten bij de aankoop en

verkoop van woningen een rol in die stabiliteit.

Goedgelegen buurten met sociale woningen

van goede kwaliteit en lage woonkosten

vertonen ook een hoge stabiliteit, omdat de

kwaliteit/prijsverhouding moeilijk te evenaren

is. Dit zijn dus buurten waar de kansen tot

ontwikkeling van een sociaal leven hoog

liggen. Maar de stabiliteit kan op termijn de

diversiteit van de buurt ondermijnen en de

komst van nieuwkomers belemmeren of

vertragen.


verhuissaldo over de periode 2011-2015. Deze

werd hier berekend door het gemiddelde van

de jaarlijkse verhuissaldi te delen door de

gemiddelde bevolking in die periode. Positieve

verhuissaldi drukken in grote mate de

aantrekkelijkheid van een buurt weer – wat niet

meteen gelijk gesteld kan worden met

levendigheid. Ze kunnen echter ook het gevolg

zijn van toename van het woningaanbod.

Bovendien kan de bevolkingstoename door

verhuisbewegingen het resultaat zijn van

verdringingsprocessen op andere plekken.

Niet de aantrekkelijkheid van de buurt, maar de

mogelijkheid om er relatief goedkoop te

wonen, bepaalt de inwijking. De woonkosten

zullen trouwens niet alleen bepalend zijn voor

wie uit duurder geworden gebieden

verdrongen werd, maar ook voor nieuwkomers

die aan het begin van een wooncarrière in de

stad zijn. Zowel inwijkelingen van buiten de

stad – en dan vooral buitenlandse

immigranten, als jongeren die het ouderlijk

huis verlaten en een zelfstandig leven

beginnen zitten in die situatie. Jongeren uit de

middenklasse zijn niet in staat om in dezelfde

buurten als hun ouders te wonen en komen

noodgedwongen in goedkopere buurten

terecht. Jongeren uit armere milieus kunnen

soms de stap naar zelfstandig leven niet

zetten en blijven langer samenwonen met hun

ouders, wat dan weer de woonstabiliteit

versterkt in die buurten.

Omgekeerd geldt dat buurten met een

negatief saldo zowel afstotende buurten

kunnen zijn, als buurten waar de zittende

bevolking uit verdrongen wordt, zonder dat die

verdringingsprocessen voor een evenredige

nieuwe bevolking zorgen.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

164

Veranderingen in het woonaanbod (renovatienieuwbouw-

sloop) spelen een rol in de cijfers

van de buurten die daar het voorwerp van zijn.


– zeker als het geen hoge waarde betreft, kan

resulteren uit weinig verhuisbewegingen, maar

ook uit veel inwijkingen en uitwijkingen die

elkaar compenseren. Vandaar de noodzaak

om de verhuisintensiteit te beschouwen. Het

betreft het gemiddeld jaarlijks aantal

inwijkingen, uitwijkingen en verhuizen binnen

de buurt die als percentage van de gemiddelde

bevolking van de periode worden uitgedrukt.

Verhuisintensiteit is grotendeels omgekeerd

evenredig met woonstabiliteit. Maar de

stabiliteit is gemeten ten opzichte van de

bevolking van 2011. Buurten die daarna een

grote dynamiek kennen, zonder dat dit de

stabiele bevolking betreft, kunnen daarom

toch relatief hogere verhuisintensiteit kennen.

Het omgekeerde geldt voor buurten waarin na

2011 de bevolking zich sterker stabiliseert.


165

Woonstabiliteit

De woonstabiliteit toont een uitgesproken

concentrische structuur, me de hoogste

stabiliteit in Ekeren. De drie wijken vertonen

gemiddelde waarden en weinig intern verschil.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

166

Verhuissaldo

Het verhuissaldo vertoont een gefragmenteerd

kaartbeeld, met contrasterende waarden voor

nabijgelegen buurten en uitzonderlijk hoge

positieve waarden voor enkele buurten. Maar

nagenoeg alle buurten van het oostelijk deel

van de binnenstad hebben een negatief

verhuissaldo en dit contrasteert met het

positieve saldo in het noordelijk deel van de

stad binnen de leien.

Deurne noord heeft overal een positief saldo.

Oud-Berchem is in twee gedeeld, met een

meer dynamisch westelijk en centraal deel.

Het noorden van de wijk verliest echter

bewoners door de verhuisbewegingen. Een

gelijkaardig sterk contrast is te vinden tussen

de twee buurten van Wilrijk Hoogte.


167

Verhuisintensiteit

De verhuisintensiteit vertoont omgekeerde

waarden ten opzichte van de woonstabiliteit

(de kleuren werden hier omgedraaid), met

enkele buurten die vermoedelijk wegens

recente veranderingen in het woonaanbod

afwijkende waarden vertonen

(Nachtegalenpark). De kaart brengt geen

nieuwe informatie over de drie bestudeerde

wijken.


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

168

Afkomst en bestemming

Naast het effect van de verhuisbeweging op de

loop van de bevolking, kan ook gekeken worden

naar afkomst en bestemming van de

verhuizers. We onderscheiden interne

migraties (tussen buurten binnen het

grondgebied van Antwerpen) en externe

migraties (van en naar gebieden buiten de stad

Antwerpen – waarvan een groot deel

bewegingen met het buitenland zijn).

De kaarten tonen een uitgesproken contrast

tussen de binnenstad en de andere

stadsdelen. De binnenstad heeft positieve

externe migratiesaldi. Hoe groter de

verhuisintensiteit, hoe groter het saldo,

waardoor het westelijk deel van de binnenstad

hoger scoort dan de oostelijke kant.

Daarbuiten zijn ze negatief op enkele buurten

na, waaronder enkele sociale woningbuurten.

Dit wijst er dus op dat in die buurten meer

mensen de stad verlaten dan binnenkomen.

De verhuisintensiteit toont aan dat die

bewegingen ook minder zijn. naar De interne

migratiesaldi geven het omgekeerd beeld, wat

betekent dat de buitenkant van Antwerpen het

voornaamste ontvangstgebied is voor de

mensen die de binnenstad verlaten.

De positie van de drie wijken ligt anders binnen

deze ruimtelijke structuur. Oud Berchem

maakt nog deel uit van het aankomstgebied

van nieuwkomers in de stad. De andere twee

wijken zijn eerder ontvangers van mensen uit

de binnenstad. In Hoog Wilrijk is het externe

migratiesaldo van Hondsnest-Molenveld nipt

positief.


169

BIJLAGE: DE MAIN STREET VAN OUD-

BERCHEM-DORP

Collectief burengebeuren als noodzakelijke

voorwaarde voor levendigheid?

Inhoud

1. Tien jaar Oud-Berchem

1. Tien jaar Oud-Berchem

2. Twintig jaar Oud-Berchem

3. Vijftig of meer

3.1.Dochters van de eerste generatie





3.2. Opgroeien in “bommagebied”


meer in de winkelstraat


4. Die andere nieuwkomers

5. Oud-Berchemse levendigheid

Respondenten zoeken in Oud-Berchem leek

aanvankelijk niet erg moeilijk. Helemaal anders

dan in Wilrijk zijn sommige bewoners erg

zichtbaar. Ze waren reeds aanwezig op het

stadsdebat georganiseerd aan de start van het

onderzoek. Deze bewoners nemen het initiatief

met betrekking tot het buurtleven stevig in

handen. We praten met Sara en Mark. Ze

hebben elkaar leren kennen net omdat ze

beide in hun eigen straat actief waren. Twee

straten bij elkaar brengen, zagen ze helemaal

zitten. Mark en Sara zijn dertigers en hoger

opgeleid. Beiden hebben een gezin met

kinderen op de basisschool.

Ze geloven sterk in het burencollectief en

verbinden daar ook een maatschappelijke

boodschap aan. Of zoals Mark benadrukt: ze

werken vanuit een “maatschappijkritische

ideologie”. Hij vertelt dat ze willen bewijzen dat

een warme, open en multiculturele

samenleving nog steeds mogelijk is. Bewoners

maken wel praatjes met elkaar maar zonder

een collectief burengebeuren zijn de

contacten niet diepgaand genoeg en blijft het

allemaal te oppervlakkig. Er wordt gestreefd

naar een hechte, dynamische gemeenschap.

Sara stelt dat door hun initiatieven er “een

gezellige nieuwsgierigheid naar elkaar

ontstaat”. Een collectief gebeuren is bij hen

een voorwaarde om te kunnen werken aan

levendigheid. In Oud-Berchem zijn er nog van

dergelijke initiatieven aanwezig waar buurt,

samenleven en diversiteit centraal staan. Ook

meer creatief-artistieke initiatieven zijn er te

vinden. Vaak zijn al deze initiatieven al dan niet

via sociale media bekend bij meerdere

bewoners en ook bij lokale overheden. De

trekkers zijn net zoals Mark en Sara van

Vlaamse origine en hoger of artistiek opgeleid

en bijvoorbeeld ook actief in allerlei

drukkingsgroepen zoals Ringland.

Sara is fulltime huisvrouw en Mark werkt niet

voltijds maar heeft een vier vijfde baan. Sara is

daarnaast onder andere ook actief in een

oudercomité en in een creatief initiatief in

Berchem. Vrijwilligerswerk beheerst haar


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

170

agenda. Mark en Sara investeren veel van hun

tijd in het organiseren van burenactiviteiten

met een orgelpunt in de zomer. De auto’s

worden geweerd uit de straat om de bewoners

aan den lijve te laten ondervinden dat minder

ruimte voor auto’s meer leefbaarheid met zich

mee brengt. Ze rekruteren erg actief door bij

buurtbewoners aan te bellen. Ook al verzetten

zij met hun twee tonnen werk toch is het hun

intentie geen gesloten kliek te vormen. Ze

willen dat hun initiatieven gedragen wordt door

meerdere mensen. Zo weten ze dat ze

sommige bewoners niet makkelijk naar een

vergadering krijgen maar dat lossen ze op door

hen op de buurtactiviteiten persoonlijk aan te

spreken. Tijdens deze evenementen worden ze

als trekkers soms wat overvraagd en dienen ze

ondertussen ook te bemiddelen bij conflictjes.

Toch wringt dat soms een beetje. Zij kunnen zo

zelf vaak niet genieten van de

buurtfestiviteiten. En Sara is soms bezorgd of

ze altijd in staat zal zijn om via bemiddeling

mogelijke toekomstige conflicten te blijven

oplossen.

Sara is als huisvrouw makkelijk aanspreekbaar

en stelt dat ze goed op de hoogte is van wat ze

zelf omschrijft als het dagelijkse “straatleven”.

Dit komt ook omdat ze een buurtkeuken

oprichtte met een paar Marokkaanse vrouwen

uit haar straat. Ze was vroeger echter

werkzaam in het sociale werkveld. Als

professional diende ze ook buurtprojecten te

realiseren. Vanuit deze werkervaring stelt ze

dat werken aan een buurt veel productiever is

als je er zelf woont.

“Ik stond daar met mijn bakfiets voor

woonblokken waar ik een project moest doen,

en ik dacht die zien mij hier toch als

buitenstaander, dat is niet mogelijk. Nu lukt dat

wel in mijn eigen buurt en word ik daarvoor

beloond.” (Sara, interview 14 maart 2017)

Aangezien Sara erg veel van haar tijd

spendeert aan het burencollectief vraagt de

onderzoeker haar of het een professionele

bezigheid zou kunnen worden. Er een

professionele activiteit van maken zou volgens

Sara maar ook volgens Mark de spontaniteit

kapot maken en vooral het na te streven

gedeeld eigenaarschap van hun initiatief in het

gedrang brengen. Professioneel bezig zijn met

de buurt lijkt voor hen dan ook een contradictie.

Het staat een gedeeld eigenaarschap in de

weg.

2. Twintig jaar

Oud-Berchem

Lieve, een andere hoger opgeleide maar iets

oudere bewoonster die 20 jaar in de wijk woont,

was op de leeftijd van Sara en Mark erg actief in

het buurtleven. Ook zij slaagde erin om erg

diverse buurtbewoners bij elkaar te brengen.

Ze denkt er met veel plezier aan terug.

“Het was een fenomenaal succes, heel veel

volk, de hele straat was aanwezig. We deden

dan een groot buffet en iedereen bracht iets

mee. De bejaarde Vlaamse madammekes

naast de Turkse mensen, … dat was echt tof.”

(Lieve, interview 29 maart 2017)

Nu is Lieve een vijftiger en is ze minder actief in

de buurt. Er zijn ondertussen andere hoger

geschoolde bewoners met jonge kinderen

komen wonen die nu het buurtgebeuren

trekken. Toch is het niet meer zoals vroeger.

Lieve stelt dat hun straat meer jonge Vlaamse

gezinnen telt dan voorheen. Vroeger woonden

er ook jonge Vlaamse koppels maar die

verhuisden wanneer ze een gezin wilden

stichten. Nu echter blijven ze in de buurt

wonen. Tegelijkertijd zijn er in haar straat een

aantal minder aantrekkelijke woningen zonder

tuin waar de bewoners vaak wisselen.

Toen zij twintig jaar geleden in de wijk kwamen

wonen, stelden ze hun huis open. Het huis was

nog niet verbouwd en ook niet helemaal

ingericht maar toch hielden ze een

fototentoonstelling van hun verre reizen. Alle

buren werden uitgenodigd. Haar man begon

mensen persoonlijk aan te spreken en

huisbezoeken te doen om diverse bewoners te

betrekken in straatfeestjes en andere

buurtactiviteiten.

“Wij vonden het belangrijk om mensen uit hun

kot te trekken! Om de buurt en elkaar te leren

kennen.”

In die periode kreeg het koppel kinderen en

bleef Lieve ook even thuis. Ze engageerde zich


171

in de buurtschool om de hoek waar vooral

kinderen met een andere etnisch-culturele

herkomst schoolliepen. Ze haalde ook andere

Vlaamse ouders over de streep om toch te

kiezen voor deze school, omschreven in

Vlaanderen als een zogenaamde

concentratieschool. De contacten die dat met

zich meebracht ,kwamen ook van pas om

mensen te activeren voor het collectief

buurtgebeuren.

Nu is ze echter opnieuw fulltime aan het werk.

De kinderen groeiden op en het organiseren

van buurtfeestjes werd minder. Lieve denkt

hardop na over hoe dat eigenlijk komt. Naast

de verandering van de populatie in de straat en

het opgroeien van de kinderen denkt ze dat je

als trekker van zo’n collectief buurtgebeuren

ook moet toegeven dat je dat niet alleen voor

de andere buurtbewoners doet maar ook voor

jezelf.

“Ik vind het belangrijk om te werken aan de

buurt en je moet dat doen voor uw straat en uw

buren maar als je eerlijk bent is dat ook voor je

eigen welbevinden op dat moment. Het lijkt nu

of ik een punt van verzadiging heb bereikt. Na

zo vele jaren ken ik ze allemaal. Ik wil nu ook wel

eens iets anders doen in mijn verlof. Ik wil nu

ook wel eens een weekend naar de Ardennen.”

Het trekken van dergelijke initiatieven is niet te

onderschatten. Het is erg arbeidsintensief

zoals we ook zagen in het verhaal van Sara en

Mark. Lieve somt op wat er komt bij kijken. Al de

voorbereidingen, het rekruteren van buren, de

administratie vooraf en op het moment zelf

moet je ook oog hebben voor de diverse

buurtbewoners en dus ook met iedereen een

praatje maken en daarnaast kleine brandjes

blussen.

“We deden dat vroeger zelfs twee weken aan

één stuk onze buurtfeesten. We deden het niet

alleen, meerdere bewoners deden mee. We

werkten ook steeds aan een breder draagvlak.

Twee buurvrouwen die zich enorm hadden

ingezet, kregen slaande ruzie gewoon omdat

ze te moe waren. Je moet dan ook in het oog

houden dat mensen hun grenzen kunnen

bewaken. Nadien hebben we het dan ingekort.”

Lieve heeft recent ook kennis gemaakt met de

initiatieven van Mark en Sara en herkent

zichzelf in dat type engagement. Ze vindt dat

ze “een fijne dynamiek hebben op gang

gebracht”. Haar ideeën sluiten ook aan bij de

door hun omschreven maatschappijkritische

houding. Tegelijkertijd maakt ze een aantal

kanttekeningen.

“ik had zoiets van, die zijn daar precies als

professionals bezig. Ik vind dat er eigenlijk wat

over… ik vraag me dan af… is het zo dat het

moet zijn? En vooral hoe lang gaan die dat

volhouden? ”

De grens tussen professionalisme en

vrijwilligerswerk dient volgens Lieve iets meer

bewaakt te worden, ook al draagt ze het

collectief (maatschappijkritisch)

buurtgebeuren een warm hart toe. Lieve en

haar man zijn nog steeds betrokken bij de

buurt. Ze zegt nu vooral te genieten van naar de

markt te gaan. In de garagebox is het ook altijd

aangenaam om er een babbeltje te slaan. Met

de directe buurman, een huisman, praat ze ook

graag. Terwijl ze dit vertelt vraagt ze zich wat

schuldig af of haar buurtplezier misschien wat

oppervlakkig is geworden. Het burencollectief

lijkt dan ook meer gewaardeerd te worden dan

de gewone burenconnectie. Aan de burendag

nemen ze elk jaar zeker deel. Als twee fulltime

werkers vinden ze het belangrijk om op de

hoogte te blijven van het wel en wee in de buurt

want nu hebben ze er niet zoveel tijd meer voor.

De man van Lieve heeft nu met een vriendin uit

de buurt toch besloten zich nog eens te

engageren en de jonge trekkers opnieuw mee

te ondersteunen.

De hierboven besproken hoger opgeleide

gezinnen, alsook een aantal andere

respondenten met een gelijkaardig profiel,

hechten veel waarde aan het burencollectief.

Door respondenten met een gelijkaardig

buurtprofiel te vergelijken zien we dat bij het

burencollectief de factor tijd van belang is. Het

aantal jaren dat je in de buurt woont, de leeftijd

van je kinderen,… hebben impact op dit

gebeuren. Om het samenleven te bevorderen

heeft het burencollectief een geprivilegieerde

status tegenover burenconnecties bij deze

respondenten. Burenconnecties zijn te


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

172

oppervlakkig. Naast het belang dat ze hechten

aan het collectief burengebeuren houden ze

ook erg van de centrale winkelstraat met de

vele Turkse en Marokkaanse handelaars. In een

aantal van deze winkels komt een divers

publiek over de vloer. Daarnaast zijn er ook een

aantal alternatieve cafeetjes, hippe bars en

gezonde eethuisjes op maat van deze

bewoners bijgekomen. De nabijheid van het

station is bovendien ideaal voor hen om vlot te

kunnen pendelen van en naar het werk. Het

historisch migratiegegeven (de migratie van

Turken en Marokkanen naar België in de jaren

1960) dat doorwerkt tot vandaag is voor hen

een troef en dus niet iets om van weg te

vluchten.

3.Vijftig jaar en meer

3.1.Dochters van de eerste generatie


De vijftigers Zohra en Dilek, zijn producten van

deze migratiegeschiedenis. De ouders van

Zohra en Dilek behoren tot de eerste generatie

migrantenfamilies in het Antwerpse. De

familie van de Turkse Dilek vestigde zich in 1972

in Oud-Berchem. De meeste familieleden

wonen er nu nog. Sinds 1964 is de vader van de

Marokkaanse Zohra aan het werk in België. In

1971 kwamen ook haar moeder en de zeven

kinderen via gezinshereniging over van

Marokko. Zowel Zohra als Dilek zijn nog net

geboren in hun herkomstland. Ze herinneren

zich dat ze tijdens de Belgische beginjaren met

open armen werden ontvangen. Zohra was drie

jaar en Dilek zes jaar toen ze in de buurt

terechtkwamen. Ze gingen er ook naar de

basisschool en hadden het niet makkelijk op

de middelbare school als tweede generatie

kinderen. Verhalen van pestgedrag komen naar

de oppervlakte. Zowel Dilek als Zohra zijn lager

geschoold maar hebben altijd gewerkt. De

dochters van Zohra hebben beide wel een

masterdiploma behaald. De ene is aan het

werk, de andere combineert haar laatste

studiejaar met een halftijdse job. Zohra’s

moeder is bijna honderd en volgens de huisarts

de oudste bewoner van Oud-Berchem. Zowel

Zohra en Dilek zeggen dat al die families in

Oud-Berchem gebleven zijn. Het zijn

huiseigenaars. Velen wonen nog in hetzelfde

huis, anderen verhuisden binnen

Oud-Berchem. Vooral de Turkse families zijn

ondernemers. Zij kochten en verkochten ook

vaak huizen. Deze families vormen de vaste

waarden in Oud-Berchem. Ze hebben

gaandeweg ook eigen verenigingen,

moskeeën,…. opgericht. Ze wonen er

ondertussen 50 jaar. De families kennen elkaar

ook onderling. Oud-Berchem is voor Dilek en

Zohra dan ook vertrouwd terrein.


Opvallend is dat het eerste waarop ze wijzen in

het interview het verval van de centrale

winkelstraat is. In tegenstelling tot de hoger

opgeleide respondenten die we spraken (zie

boven) zien zij de straat niet als een troef met

betrekking tot diversiteit. Zo benadrukken

Zohra en haar twee dochters Hakima en Naima

net een tekort aan diversiteit, in mensen maar

ook in koopwaar.

Zohra: Er zijn geen sjieke winkels meer alleen

maar groentes, groentes en nog eens

groentes…. Niks meer van kledij of zo.

Hakima: En dan vijf Turkse bakkers, vijf

Turkse frituren,… Het is goed dat er

Marokkaanse beenhouwers zijn, want dat

hebben wij nodig, maar daarom geen tien in

de straat hé.

Naima: Het zou aangenamer zijn als het wat

meer gecombineerd was en ook wat

diverser.

Hakima: Voor de Belg is het ook

achteruitgegaan hé. De meeste Belgische

winkels zijn weg. Allez, ik ben al blij dat de

belwinkels weg zijn… We hebben wel

tegenwoordig meer van die hippere

koffiehuisjes, dat is al beter. (Zohra en

dochters, Interview 1 mei 2017)

Dilek is twaalf jaar zaakvoerder geweest van

een kruidenier maar financieel was dat niet

houdbaar. Ze is nu zelfstandige in bijberoep.

Naast haar werk als arbeidster tijdens de week

houdt ze een tweedehandswinkel open op

zaterdag en zondag. In 1992 kocht ze samen

met haar toenmalige echtgenoot een huis in

de Statiestraat. Daarna zijn de prijzen van de

huizen erg gezakt en is haar huis in waarde

gedaald. Ze verhuurt het gelijkvloers als winkel


173

en één verdiep als appartement. Op het andere

verdiep woont zij zelf met haar kinderen. De

ruimte van haar tweedehandswinkel huurt ze

van een andere Turkse familie De levendigheid

van de buurt verwijst bij hen in eerste plaats

naar de centrale winkelstraat, met andere

woorden naar het economisch weefsel. Dilek

stelt dan ook :

“Gaat de middenstand omhoog dan gaat ook

de buurt omhoog.” (Dilek, interview 30 april

2017)

Dilek vindt dat de pop-up-stores weinig

bijdragen aan het structureel probleem van de

winkelstraat. Ook zijn er volgens haar teveel

reglementen om bijvoorbeeld iets te kunnen

uitstallen op de stoep. Ze mist ook de braderij

van weleer net zoals Zohra en haar twee

dochters.

“Het is zo achteruit gegaan met

Driekoningenstraat en de Statiestraat. Vroeger

de braderij dat was meerdere dagen. We keken

daar enorm naar uit. Nu is dat echt niet meer te

vergelijken. En wij gingen elke dag hé! Dat was

elke dag de braderij op en af lopen!” (Naima,

interview 1 mei 2017)

Zohra gaat naar de populaire Marokkaanse

beenhouwer en in de winkel aan de overkant

koopt ze dan ook wel eens groenten en fruit.

Omdat ze weinig tijd heeft, gaat ze vooral naar

de Delhaize en de bakker op het Groen Kwartier

of naar de Carrefour wanneer ze er passeert

met de auto. Haar dochters gaan enkel naar de

Marokkaanse beenhouwer en voor andere

voedingsmiddelen gaan ze naar Delhaize of

Albert Heyn. Dilek beseft ook dat niet alle

buurtbewoners winkelen in hun ‘main street’

maar stelt dat mensen moeten beseffen dat ze

hun buurt moeten onderhouden ( te lezen als

winkelen in de centrale winkelstraat) want als

ze ouder worden en minder mobiel zijn zullen

ze die nabijheid nodig hebben.


Zohra beseft dat de gezelligheid die vroeger te

vinden was in de winkelstraat en tijdens de

braderij nu misschien eerder terug te vinden is

op die straatfeestjes. Zowel Zohra als Dilek

denken dat het verstandiger zou zijn om meer

te investeren in de winkelstraat en de braderij

want dat heeft een veel breder bereik dan al die

straatfeestjes. De bewoners van de straat

achter de hoek van het huis van Zohra

organiseren ook buurtactiviteiten.

“Die straat is redelijk Belgisch hé, dat is daar

een witte kliek waar we niet welkom zijn. Wij

kunnen dat ondertussen zeer goed inschatten,

we weten zeer snel met wie we te maken

hebben.” (Zohra, interview 1 mei 2017)

Deze bewoners hebben het moeilijk met de

Marokkaanse roots van Zohra en haar

dochters. Toch heeft Zohra ook een andere

ervaring. In de straat waar haar ouders wonen

en waar ze erg veel over de vloer komt, is er een

comité dat anders is:

“Daar zijn het zo… je kent dat wel… van die

jonge alternatieve mensen, de bakfietsers

zoals ze zeggen. Zij nodigen iedereen uit. Ik

haal dan ons moeder naar buiten. De

Marokkaanse buurvrouw van naast mijn

ouders bakt koekskes en die vinden dat echt

fantastisch!”

Dilek zegt een erg dubbel gevoel te hebben bij

die straatfeestjes.

“Die krijgen dan geld voor kleine dinges, cava,

fruitsap,… maar dat is vaak een familiefeest

dat ze op straat doen! Allez, bij wijze van

spreken hé. Het is natuurlijk met buren. Ik ben

er ook een paar keer geweest maar je kent daar

niemand, ze spreken je niet aan. Ze denken dan

misschien dat je gewoon nen tafelafschuimer

bent. Nee echt, dat is niet tof. Bovendien brengt

dat afsluiten van de straat nog meer

parkeerproblemen mee en het is al zo moeilijk.”

(Dilek, interview 30 april 2017)


Zohra en Dilek kennen veel mensen in

Berchem zonder dat een collectief

burengebeuren daar is aan vooraf gegaan. Ze

zijn dan ook geregeld in gesprek met diverse

bewoners uit Oud-Berchem. Zohra doet dat op

verschillende plekken. Wanneer ze daarover

begint te vertellen zegt dochter Hakima al

lachend tegen de onderzoeker “hoeveel tijd

hebde!?” De wasserette is alvast de ‘place to


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

174

be’, een drukke ontmoetingsplaats. Ook Dilek

vernoemt deze plek. Zohra zegt dat daar altijd

een “hele kliek is om mee te praten”. Zohra

heeft de apothekeres ook heel goed leren

kennen. Ze komt vaak in de apotheek omdat ze

voor haar ouders medicatie nodig heeft. Ze

heeft diepgaande gesprekken met deze vrouw

die ook lange tijd de zorg voor haar moeder op

zich nam. Elke morgen wandelt Zohra naar de

bakker en daar drinkt ze een fruitsap en een

koffietjes en slaat ze een praatje met “de

madam” die er achter de bedieningstoog

staat. Haar dochters zeggen dat wanneer ze de

deur uitstapt ze gemakkelijk drie à vier mensen

tegenkomt die ze kent. Zohra zegt dat er ook

oudere mensen zijn die eenzaam zijn in haar

straat. Veel hebben die vaak niet te vertellen

maar ze geeft hen ook altijd wat aandacht. Zij

kan zelf dan weer een beroep doen op het

Turkse gezin aan de overkant. Aangezien Zohra

gescheiden is, heeft ze geen man meer in huis.

De vader van het Turks gezin komt bij haar de

klusjes doen. Bij een ouder Vlaams koppel in de

straat gaat ze iedere maand op de koffie en

eten ze samen een taartje zodat de dag van

deze oudjes wat gebroken is. De Belgen die ze

kent in de buurt daar weet ze van dat een

aantal “tegen de vreemdelingen zijn.”

Dilek wandelt graag de winkelstraat op en af en

gaat ook met plezier naar de markt. Ze vormt

echter vooral een draaischijf tussen al haar

verschillende klanten. Haar

tweedehandswinkel is volgestouwd met

spullen, te vergelijken met een zolder waar je

allerlei ontdekkingen kan doen. De Turkse

mensen brengen er vaak spullen heen maar

tijdens het interview komt ook een Vlaamse

man vragen of ze iets kan doen met zijn oude

spulletjes, een antieke lamp en een schaal en

kleine kommetjes van de designer Alessi (die

Dilek zelf niet kent). Een Kosovaarse vrouw

komt er kledij kopen maar ook een vrouw met

een Hollandse tongval. Een man afkomstig van

het Oostblok is op zoek naar een jeans en

vraagt Dilek om de jeans die erg hoog op een

rek ligt voor hem te nemen. Aangezien de

winkel tjokvol zit en er net genoeg ruimte is om

je te verplaatsen mogen de klanten de kledij

altijd thuis passen. Dilek doet dat in vertrouwen

en dat werkt goed. Tieners zowel Marokkaanse,

Turkse als Belgische, komen er vooral voor de

dvd’s, 1 euro per stuk. De cd’s en dvd’s worden

dan weer geleverd door Belgische bewoners.

Een Vlaamse man komt de winkel binnen en

koopt de grote herbruikbare winkeltas vol met

cd’s. Ook komt een oudere Turkse vrouw die al

heel haar leven in Oud-Berchem woont even

keuvelen met Dilek in hun moedertaal. Ze

praten over een trouwfeest. Dilek vertelt me dat

huwelijksfeesten een groot sociaal gebeuren

vormen. Bijna iedereen van de Turkse families

wordt uitgenodigd. Het gaat door in grote zalen

waar duizend genodigden kunnen feesten en

waar dus ook een hele organisatie aan vooraf

gaat. Een tijdje later komt een oudere Vlaamse

vrouw een cd van K3 ophalen voor haar

kleindochter. Dilek heeft de cd opzij gelegd

voor deze dame die in armoede leeft. Ook

minder kapitaalkrachtige mensen komen bij

haar omdat het zo goedkoop is. Een

Latinokoppel komt vragen naar de prijs van een

valies en probeert af te dingen. Ook een Frans

sprekende dame vraagt of alles goed gaat met

Dilek. Tijdens het interview komen er dus veel

mensen binnen met verschillende leeftijden en

met verschillende etnisch-culturele origines.

Dilek zegt al lachend dat “ze wereldberoemd is

in Oud-Berchem.”

De dochters van de eerste generatie situeren

levendigheid meer in het economisch weefsel

van de buurt. Ze zijn meer genuanceerd over de

kracht van het burencollectief voor een

levendige wijk. In burenconnecties zijn deze

respondenten erg sterk. De winkelstraat als

ruimte draagt daar sterk tot bij. Doorheen de

tijd zien zij het verval van de winkelstraat en

benoemen dat. Ze missen de Belgische

zelfstandigen.

3.2.Opgroeien in “bommagebied”

Ook de Vlaamse Mieke komt over de vloer bij

Dilek. Ze is erg creatief en haakt en breit erop

los. Ze werk deeltijds en is hoger geschoold. Als

kind is ze opgegroeid bij haar grootmoeder die

in Oud-Berchem woonde. Haar moeder kocht

een tijd later ook een huis in de buurt. Ze is van

dezelfde leeftijd als Zohra en Dilek.

“Oud-Berchem was voor mij Marokkanen,

maar toch vooral Turken en een bommagebied.

Het was een volkse buurt met veel oude

Vlaamse mensen. De Turken waren toen nieuw.

Ik weet nog dat ze de gevels van hun huizen


175

schilderden in felle kleuren. Hun kinderen, van

mijn leeftijd, droegen kleren die wij niet meer

wilden dragen. Zo van die groene neplederen

frakskes enzo. Maar met de bomma gingen wij

toen ook al bij de Marokkaan winkelen. En de

Statiestraat, ja dat was de Meir van Berchem

hé. “(Mieke, interview 29 maart 2017)

Voor Mieke zijn de geboren en getogen

Oud-Berchemenaren “de oude Belgen en de

migranten”. Tijdens de jaren 1990 woonden er

ook jonge Vlaamse gezinnen met vooral

beroepen in de non-profitsector of in het

onderwijs. Ze wijst op een stijlbreuk met de

jonge gezinnen die nu in Oud-Berchem

neerstrijken.

“Het zijn nu die met de bakfietsen. Het lijkt wel

of het publiek van Zurenborg naar opzijschuift.

Dat zie je ook aan de cafés. Eerst de

Sanseveria, dan Den Brel…. Nu is het hek van de

dam en zitten ze hier op het terras met hun

dure zonnebrillen en kunde niet meer fietsen

door die bakfietsen. Het wordt echt ingepalmd.

Hetzelfde met het Groen Kwartier, ja dat zijn

prachtige woningen. Ik wandel daar ook wel

met mijn hond ’s avonds en dan kijk je binnen

en dan denk je dat is precies een zaal voor

evenementen maar dan is dat iemand zijn

keuken, waar een feestje is!”

Mieke en haar partner hebben destijds een huis

gekocht; iets wat nu voor hen niet meer

betaalbaar zou zijn in de buurt. Tegelijkertijd

zegt Mieke dat er in hun buurt ook minder

begoede mensen met een andere etnischculturele

herkomst boven de winkels wonen. Er

is daar een groot verloop en ook armoede. Ook

wordt er wel wat geroddeld over criminele

activiteiten die overdag verborgen blijven. Net

als haar buren hoort Mieke ‘s nachts vaak

racende auto’s.

“Er lijkt hier toch ook een tweede leven te

bestaan waar je als gewone burger niks van

ziet.”

Bang heeft Mieke nooit gehad. Wanneer haar

twee dochters opgroeiden in de buurt dan

werden zij niet lastiggevallen op straat. De zes

Marokkaanse jongens die altijd op de hoek

stonden, kenden haar dochters en zouden hen

beschermen mocht er iets gebeuren. Er is

sociale controle omwille van het feit dat ze er

allemaal lang wonen en iedereen elkaar kent.

“Het is hier zoals in een dorp” stelt Mieke

regelmatig.


meer in de winkelstraat

De straatfeestjes en de vele speelstraten lijken

vaak niet echt de diversiteit van Oud-Berchem

te weerspiegelen volgens Mieke. Er zijn wel

uitzonderingen. In de straat van Mieke neemt

de Turkse moskee het initiatief. Zij doen veel

moeite voor de buurt en zetten elk jaar een

groot pittakraam buiten en openen hun deuren

voor iedereen. De moeder van Mieke woont al

heel lang in de straat waar Sara en Mark actief

zijn. De organisatoren komen bij haar moeder

altijd erg vriendelijk bellen. In de ogen van

Mieke zeurt haar moeder enkel tegen de

organisatoren over haar parkeerplaats die ze

mist tijdens deze festiviteiten. Mieke kent Sara

en Mark niet maar wel een aantal oudere

Vlaamse, Marokkaanse en Turkse bewoners

die er reeds langer wonen. Mieke vertelt dat een

aantal van de daar woonachtige Marokkaanse

en Turkse gezinnen zich altijd hebben gericht

op Belgen. Eén van hen is bijvoorbeeld

afkomstig van Istanboel en voelt zich eerder

een stedeling en minder verwant met

sommige andere Turken die van Emirdag

afkomstig zijn. Die mensen waren in het

verleden ook al erg bereidwillig mee te werken

aan allerlei initiatieven.

Het sociale leven speelt zich voor Mieke vooral

af in de winkelstraat. Ze koopt er al haar

voedingsproducten. Ze komt er altijd mensen

tegen die ze kent. De dorpssfeer van

Oud-Berchem vind je vooral daar terug. Er zijn

winkels waar het aanschuiven is zoals bij de

Marokkaanse beenhouwer. De stoffenwinkel en

de tweedehandswinkel van Dilek frequenteert

Mieke ook vaak. Een van Miekes buurvrouwen,

een Vietnamese dame, is een eethuisje

begonnen in de winkelstraat. Om haar te

ondersteunen halen ze daar elke week een

maaltijd. Een aantal buren bij hen in de straat

fungeerden als testpubliek vooraleer de zaak

openging. Ze hebben geen groot kapitaal ter

beschikking en Mieke probeert hen zo goed als

mogelijk te ondersteunen. Ook hadden ze een

goede Belgische frituur die werd overgenomen


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

176

door een Chinese Belg die van de vorige

eigenaar alles heeft geleerd. De frietjes bleven

lekker en de zaken draaiden erg goed. Toen

plots een concurrent opdook in het Groen

Kwartier.

“Nu is daar de Frieterij aan het Groen kwartier

en dat is vlakbij ons frituur hé. Dat heeft een

sjieke look, daar ligt daar zo een berg

aardappelen in de etalage om het

ambachtelijke karakter te benadrukken. Veel

marketing. Het ziet er allemaal super uit. Het

zijn echt Yuppen hé. En onze frietchinees waar

het vroeger serieus aanschuiven was daar

word ik nu snel bediend. En die frieten zijn nog

altijd goed hé? Het is goed dat er deels een

heropwaardering is van de buurt met dat Groen

Kwartier maar het brengt ook andere zaken

met zich mee.”

Mieke geeft workshops in haken en breien en

verkoopt ook af en toe wat handwerk. Ze werd

aangesproken om mee te participeren in een

pop-up winkel met als bedoeling daar het werk

te tonen van creatievelingen in Berchem. Mieke

stelt dat dat initiatieven zijn waar je financieel

moet aan bijdragen en dat ze daarvoor geen

geld heeft. Bovendien is het volgens haar een

te artistiek niveau waar ze niet kan aan tippen.

“Ik voel me beter bij de bomma’s in het

woonzorgcentrum dan bij die hippe jonge

mensen die een Berlijngehalte naar Berchem

willen brengen. Trouwens ik heb sokken leren

breien van mijn overbuurvrouw. Toen ik thuis

zat met een burn out en af en toe mijn oude

buurvrouw aan de overkant gezelschap hield,

heb ik het geleerd.“

Wel vindt ze het leuk dat er in de winkelstraat

nog steeds een actieve winkelvereniging is die

haar best doet en er blijft voor gaan. Tijdens de

braderij kunnen nu ook buurtbewoners

deelnemen. Zij heeft haar eigen kraam waar ze

haar handwerk etaleert. Vooral bij jonge

Marokkaanse vrouwen zijn haar sjaals populair

deels omdat het de vrouwen herinnert aan hun

moeders die ook zo konden breien.

Net als de dochters van de eerste generatie is

Mieke betrokken in burenconnecties en vormt

de winkelstraat als ruimte daarbinnen een

belangrijk gegeven. Ze wantrouwt wel een

aantal van deze hippe nieuwkomers die het

volkse karakter, de spontane interculturele

dorpssfeer en de betaalbaarheid van de buurt

ook kunnen bedreigen. Ze is eerder

genuanceerd over het burencollectief en ziet

dat sommigen er niet in slagen een spontane

omgang met diverse bewoners te bevorderen

anderen dan weer wel.


Via Mieke en haar hond leren we ook een aantal

oudere Vlaamse bewoners op de hondenweide

kennen. De zestiger, Veerle en haar goede

vriendin Jacqueline een zeventiger. Jacqueline

woont heel haar leven in Oud-Berchem. Veerle

woonde altijd in Berchem en dertig jaar in

Oud-Berchem. Oud-Berchem was voor Veerle

in die tijd betaalbaar. Naar de groene rand

verhuizen, zoals vele generatiegenoten dat

deden, konden zij financieel niet waarmaken.

Veerle zet de toon en legt eerst de nadruk op de

in haar ogen negatieve evoluties in de wijk:

“Als mijn zoon klein was, hierachter de

speeltuin, alle kinderen speelden samen:

zwart, wit groen en dan kwam Mieke Vogels, die

ging dat eens veranderen en dan was het

gedaan, en dan mochten de witte kinderen er

niet meer op (het Villegaspark). Het stond in de

krant hé: “waar zijn de witte kinderen!?”. Mijne

zoon, die was toen nog klein, nu is die 28 jaar, en

hier konde voetballen op straat hé, maar nu

met die auto’s dat gaat ook niet meer hé. Veel

teveel auto’s….” (Veerle, interview 3 mei 2017)

Vriendin Jacqueline ziet het anders. Als jong

meisje voelde ze zich heel onveilig in de

Statiestraat. Op elke hoek was een café.

“Ik heb geen problemen met allochtonen maar

wel met die zatte mannen van toen! Als jong

meisje werd ik altijd lastiggevallen door die

zatte mannen uit die cafés. De Statiestraat is

achteruit gegaan; alleen maar groentewinkels

nu. Maar liever dat dan die cafés met zatte

mannen.” (Jacqueline, interview 3 mei 2017)

Jacqueline en Veerle sommen alle winkels op

die verdwenen zijn en roepen herinneringen op.

Ook zien ze alle twee een grote toename van

auto’s. Veerle sliep vroeger met het raam open

maar dat gaat al een hele tijd niet meer.


177

Veerle zegt ‘s avonds niet buiten te gaan. Ze

mijdt het Villegaspark (plek die gezien wordt

als een plek voor jongeren met een andere dan

de Vlaamse herkomst). Veerle zegt dat door het

eenrichtingsverkeer in de winkelstraat de

drugsdealers ‘s nachts “tourkes” maken door

meerdere straten. Als hondenbaasjes

ontdekken ze vaak sporen van nachtelijke

activiteiten. Zo verzamelde de man van Veerle

ooit 100 lege zakjes waar softdrugs in verpakt

waren geweest.

“Jacqueline: ook fleskes vind je hier, zo om te

snuiven, met dat gas,… dat zie je hier ook. Jaa je

ziet die buskes liggen.

Veerle: en vroeger hebben we ook is naalden

gevonden maar nu wel niet meer. Maar dieje

politieman vraagt dan om te wijzen maar ik ga

niet mee om dat ‘en plein public’ te wijzen, want

ik loop hier alleen rond en als die mannen (de

dealers) dat zien…”

Migratie is en thema waarover Veerle wil over

spreken. Veerle weet van haar Marokkaanse

dakwerker uit de buurt dat al zijn nonkels,

neven en nichten, grootouders enzoverder ook

in de buurt wonen. En dat ze op straat ook al

eens een brutale Marokkaanse tiener tegen het

lijf is gelopen maar dat die zich de volgende

dag kwam verontschuldigen. Ze zijn volgens

haar wel goed opgevoed die kinderen van de

migrantenfamilies die hier al lang wonen. Ze

toont een foto van haar zoon toen die klein was

samen met zijn vrienden.

“je ziet hij (haar zoon) ne witte met zijn vriend

van in de buurt, ne neger.” (Veerle, interview 3

mei 2017)

Veerle heeft echter toen haar kinderen klein

waren speciaal een auto aangeschaft om de

kinderen naar een school ver uit de buurt te

brengen.

Veerle: In de buurt was er geen mengeling,

dat is hier helemaal verkeerd, alleen

vremden, ik ging mijn kinderen niet naar een

school doen waar slechts vier witte kinderen

zaten en die andere kinderen kunnen geen

Vlaams, nee! (richt zich naar Jacqueline) Er

moet toch een mengeling zijn hé, ik doe dat

niet.

Jacqueline: ja mijn kleinkinderen gaan wel

hier naar school en dat gaat goed. Maar ja,

dan moette ze (de Vlaamse bewoners) maar

meer kinderen maken hé!”

Jacqueline maakt vervolgens duidelijk dat er in

Oud-Berchem veel migrantengezinnen wonen

waarvan de vaders destijds als arbeider

werkten in de Metallurgie van Hoboken. Ze zegt

met klem dat er in Emirdag, de streek waar de

Turkse Berchemenaren vaak van afkomstig

zijn, een bureau was waar arbeiders geronseld

werden en alles voor hen geregeld werd om te

komen werken in België, net zoals in de mijnen

in Limburg.

“Jacqueline: “Die kozen dat niet zelf hé,

Veerle, wij draaien dat altijd om hé, die deden

dat niet uit hun eigen hé!

Veerle (al de hele tijd erg stil): “ja, dat weet ik

niet, maar dat zullen we best aan de

politiekers vragen hé.”

Het is een onderwerp dat gesloten wordt. De

topic wordt verder vermeden door de twee

vriendinnen omdat ze hun vriendschap niet in

gevaar willen brengen. Gemeenschappelijk

tussen Veerle en Jacqueline is wel dat ze eerst

benadrukken wat er fout gaat in hun ogen.

Maar toch wonen ze erg graag in Oud-Berchem

“De sfeer is hier perfect, zoals van op den

buiten, dat is hier een dorp, iedereen zegt

goeiendag, de straatvegers…. Door de sfeer

blijven we hier, ik zou het niet kunnen missen.

De winkelstraat is veranderd maar we gaan er

winkelen want qua voeding zitten we goed.

Onze Marokkaanse beenhouwer, effenaf dat is

top. Dat is kakelvers nog nen echte

beenhouwer hé, iedereen komt daar. (Veerle,

interview 3 mei 2017)

Op de hondenweide hebben ze met een vijftal

mensen een diepgaand contact ontwikkeld.

Als ze de hond uitlaten komen ze steevast

iemand tegen om mee te babbelen. Ze zorgen

ook voor elkaars honden als ze boodschappen

moeten doen of op vakantie gaan. Jacqueline

bezoekt haar zieke buur in het ziekenhuis. Met

oudere Vlaamse buren drinkt ze elke week een

koffie om hun eenzaamheid te breken. Ze

brengt twee van de vier kinderen van een


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

178

alleenstaande Vietnamese vrouw naar school

in de ochtend. Ze hebben tal van informele

contacten met hun buren. Het is in die

spontane, in onze termen, burenconnecties

dat volgens hen de gezellige dorpssfeer tot

stand komt. Interessant is ook dat nieuwe

buren leren kennen erg informeel gebeurd.

“Ik verwelkom altijd nieuwe buren, ik spreek ze

altijd direct aan. Allez ge moet de juiste

moment hebben. Ik zie dat de nieuwe

buurvrouw haar auto is gaan parkeren. Ik zie

dat en dan ga ik snel naar buiten. Het is dan de

juiste moment, ge moet dat pakken hé. Ze

nodigt me uit om ’s avonds iets te drinken maar

ik verjaarde die dag en had dus een feestje; dan

ging die direct naar binnen en die had een

bloem snel geplukt uit haar vaas en die gaf dat

aan mij (lacht).” (Jacqueline, Interview 3 mei

2017).

Ook Veerle en Jacqueline houden van die

spontane informele burencontacten maar

staan ook niet negatief tegenover het

burencollectief. Ze worden ook wel eens

uitgenodigd en vinden dat wel gezellig en fijn.

Toch keren ze de volgende maal niet terug

omdat ze er niemand kennen. Jacqueline

organiseerde het vroeger ook zelf in haar straat

“Maar dat verwatert als de kinderen ouder

worden en iedereen heeft het te druk en een

datum vinden is altijd een probleem, den ene

heeft examen, den andere is op congé,…. Ja, je

stopt daar dan mee.”

Maar al die straatfeestjes alsook socioculturele

initiatieven vinden ze aangenaam. Zo

lijkt er altijd iets te doen. Vooral omdat deze

activiteiten ook kunnen bijdragen aan de door

hen omschreven dorpssfeer. Die dorpssfeer

betreft vooral dat ze tijdens hun dagelijkse

bewegingen doorheen de wijk toevallig

bekenden kunnen ontmoeten. Beide vrouwen

zeggen regelmatig dat je dat niet hebt in de

stad. Alle andere betrokken respondenten

associëren Oud-Berchem ook vaak met een

dorp. Opvallend bij Veerle en Jacqueline is dat

zij in eerste instantie de overlast en conflict in

hun buurt benoemen. Voor Veerle zijn deze

negatieve elementen uit het buurtleven ook te

wijten aan groepen met een andere etnische

herkomst.

Net als de anderen stellen Veerle en Jacqueline

vast dat er een jonge generatie in

Oud-Berchem komt wonen. Ze benoemen

deze generatie als “die van de Dageraadplaats”

(plein gelegen in de hippe en creatief

gepercipieerde wijk Zurenborg). Ze vallen hen

op omdat ze hun huizen volledig strippen.

Jacqueline vindt het heel fijn omdat ze dan

informeel contact heeft omdat ze materiaal

komen lenen bij haar voor hun verbouwingen.

Veerle ziet het voordeel anders. Ze zegt dat

door deze bewoners hun huizen in waarde

zullen stijgen.

4. Die andere nieuwkomers

Naast de jonge middenklasse gezinnen die

volgens de respondenten in de wijk instromen

en die door diegenen die al lang in

Oud-Berchem wonen bijnamen krijgen zoals

de “Dageraadsplaatsmensen” en “de

bakfietsers met dure zonnebrillen” zijn er ook

nog tal van andere nieuwkomers. Het verschil

met die andere nieuwkomers is dat ze niet

hebben gekozen voor de buurt. De weduwe,

Nina, vijftiger met drie kinderen is in

Oud-Berchem terechtgekomen omdat ze er

een sociale koopwoning kon krijgen. Ze komt

van de Antwerpse binnenstad en het gezin

richt zich nog steeds veel op de stad. We staan

in wat volgt vooral stil bij het verhaal van

Mohammed en Cois.

De alleenstaande Mohammed, zonder

papieren, is acht maanden geleden in

Oud-Berchem terechtgekomen via zijn

begeleiding bij het CAW (centrum voor

algemeen welzijnswerk). Voordien leefde deze

vijvenveertigjarige man noodgedwongen

samen met meerdere jonge mannen op één

kamer. Nu woont hij alleen op een kamer in een

hoekpand. Mohammed heeft net ook een

nieuwe pro deo advocaat voor zijn aanvraag tot

regularisatie. De buurt is voor hem een goede

buurt omdat er voorzieningen zijn op maat van

zijn situatie. Zo is er het CAW maar ook de kerk

(Sint Hubertus) waar er om de vijftien dagen

voedselbedelingen worden georganiseerd. Als

moslim gaat hij zijn vlees halen bij de populaire


179

Marokkaanse beenhouwer waar onder andere

ook Veerle, Jacqueline en Zohra komen. Hij

verbetert zijn Nederlands door deel te nemen

aan ‘buurtbabbels’ (een conversatiegroep

Nederlands) in het buurtcentrum Posthof. Hij

gaat ook iets drinken in de cafés en vzw’s van

bewoners met Marokkaanse roots. Ook al zijn

het Marokkanen van origine toch heeft hij er

niet altijd affiniteit mee. Ze spreken allemaal

Berbers en dat begrijpt hij niet. Hij is geboren in

Casablanca en spreekt Arabisch en heeft er

“de basisschool, het college en het lycé

doorlopen”. De aanwezigheid van de moskee in

de buurt is van belang voor hem, als moslim. Hij

zegt dat hij het gewoon is om met diverse

mensen om te gaan. In Casablanca woonden

ook veel verschillende etnisch-culturele

groepen. Zijn buren daarentegen lijken soms

wat bang om contact te maken met hem. Er is

volgens hem niet veel vertrouwen. Iedereen

blijft in de eigen groep, de Berbers, de

Arabieren, de Belgen,… maar ook binnen de

Marokkaanse families zijn er veel interne

problemen. Iedereen leeft meer op zichzelf. Bij

de Marokkaanse beenhouwer kan je wel eens

toevallig een bekende tegen het lijf lopen en

dan is het aangenaam om een praatje te

maken. Maar toch heeft hij meer nood aan

diepgaand contact en daar heeft hij een tekort

aan. En mensen die werken hebben het vaak te

druk om diepgaande contacten te ontwikkelen.

Kunnen werken is een prioriteit voor hem.

Hij is wel erg teleurgesteld over “de

administratie in België”. Hij komt zelf over de

vloer bij allerlei administratieve diensten maar

tolkt ook vaak voor bijvoorbeeld Spaanse en

Italiaanse mensen. Mohammed komt zo op

veel plekken zoals ziekenhuizen, postkantoren,

districtshuizen, Proximuswinkels, diensten van

Electrabel,… Volgens Mohammed denken vele

van deze bediendes dat alle buitenlanders

dom zijn. De loketbediendes geven daarnaast

ook tegenstrijdige informatie. In Nederland

waar hij ook een tijd verbleef werd er meer tijd

genomen voor mensen en werd informatie erg

duidelijk verspreid. Hij begrijpt niet dat deze

administratieve professionals zich zo

gedragen. Het is hun beroep wat kost het nu

om iets vriendelijker te zijn.

“ Ze denken dat we terroristen zijn, dat onze

kinderen naar Syrië trekken,… maar ze hebben

geen echt contact met ons. Ze kennen ons niet.

Op welke basis zeggen ze dat!”

De buurt is voor hem vooral belangrijk voor

diensten en voorzieningen. Bij de populaire

Marokkaanse beenhouwer, in het

buurtcentrum en het caw en in de vzw’s heeft

hij informele en aangename contacten. Dit in

tegenstelling tot allerlei andere diensten waar

hij zich, en samen met hem andere

“buitenlanders”, niet gerespecteerd voelt. De

ervaringen die hij heeft met deze diensten

vormen mee het beeld dat hij heeft van België

en dat beeld is “weinig gastvrij tegenover

buitenlanders”.

Ook de Vlaamse Cois, die in armoede leeft,

heeft niet kunnen kiezen voor Oud-Berchem.

Cois is geboren in Wommelgem maar in 1960

verhuisden zijn ouders van Wommelgem naar

de stad Antwerpen waar hij opgroeide in

diverse volksbuurten. Cois woont sinds drie

jaar in Oud-Berchem. Voordien leefde hij op

een camping. Nadat hij het staangeld voor zijn

bungalow niet meer kon betalen, werd hij

gedwongen de camping te verlaten. Een dame

van op de camping heeft hem een tijd

onderdak gegeven en vervolgens met hem

naar een caw gegaan die op hun beurt hebben

gezorgd dat hij niet dakloos werd. Hij huurt nu

een goedkoop appartement van een pastoor.

Cois zegt niet veel buiten te komen en dus ook

niet veel contacten te hebben. Maar tijdens het

gesprek komen toch heel wat contacten naar

de oppervlakte. Cois heeft een hele goede

vriendin, Renata, die aan de andere kant van de

wijk woont en er een appartement betrekt van

het OCMW. Hij wandelt bijna dagelijks naar

haar woning. Ook samen doen ze de route

tussen elkaars appartementen frequent. De

winkelstraat is daarbij een belangrijke as, zowel

op sociaal als op financieel vlak. Voeding kan je

er goedkoop krijgen en Cois kan er zelfs uit eten

gaan. Ze eten er bij de Turkse pizzeria. Cois is er

gekend omdat hij ooit vroeg of hij ook een pizza

kon krijgen waar kippenvlees en lamsvlees

gemengd werd. Vanaf dan werd zijn pizza door

de eigenaar “de zebra” gedoopt. Als Cois de

zaak binnenstapt moet hij zelfs niets meer

bestellen en zegt de Turkse zaakvoerder

onmiddellijk: “een zebra voor Cois!?” Ook bij de

“frietchinees” waar ook Mieke komt, is Cois


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

180

een klant. Hij frequenteert de

tweedehandswinkel van Dilek voor

tweedehands dvd’s.

Cois zegt dat het een tiental minuten wandelen

is van het appartement van Renata naar dat

van hemzelf maar vaak doet hij er een uur over.

Gaandeweg heeft hij veel mensen leren kennen

in de winkelstraat, vooral Marokkanen en

Turken.

“Ik wandel erdoor (de winkelstraat), ge komt

nen Belg tegen en ge knikt en dat die u dan zo

bezien van wat heeft den dieje!? Maar ne

vremde zegt gewoon goeiemiddag,

goeienavond. Allez uw eigen volk dat u zo vies

beziet als je nen goeiendag zegt!

(verontwaardigd)”

In een Marokkaanse winkel leerde hij de gérant

kennen en kreeg er een tas koffie. De man

vroeg hem na een tijd of hij een klusje voor hem

wilde doen zoals een wasmachine met hun

kleine vrachtwagen vervoeren. Hij doet nu ook

klusjes voor anderen. Zijn contacten in de

winkelstraat weten dat hij cataract heeft

waarvoor hij in behandeling is. Het zijn dan ook

die Marokkanen en Turken die bekommert zijn

om hem en regelmatig informeren naar zijn

operaties.

Met zijn directe buren heeft hij weinig contact.

De buurt is interessant voor hem omdat

mensen wel eens iets voor hun deur zetten met

een affiche ‘gratis mee te nemen’. Zo heeft hij

ooit een mooie verzameling strips gevonden,

netjes geordend op een vensterbank met een

bordje erbij ‘om mee te nemen’. Ook gaat hij wel

eens naar de bib. Alleen maar ook samen met

zijn vriendin Renata komen ze regelmatig over

de vloer in buurtcentrum Posthof om een

maaltijd te nuttigen, een praatje te maken of te

participeren in andere door Posthof

aangeboden activiteiten.

Zowel Cois als Mohammed hebben minder

contacten dan de andere respondenten en

vaak ook met betrekking tot meer diepgaande

relaties zoals we die hebben met familie en

vrienden. Voor hen zijn voorzieningen die hun

situatie begrijpen, namelijk met betrekking tot

verblijfspapieren of armoede, zoals caw’s,

buurtcentra, een kerk of moskee van belang in

de buurt. Ook Cois heeft een duidelijke

connectie met de winkelstraat waarvan een

aantal winkels passen bij zijn budget en

financiële situatie. Mohammed vindt het

aangenaam bij de Marokkaanse slager maar

ervaart vaak wantrouwen en een tekort aan

gastvrijheid, vooral bij de administratieve

bediendes uit diverse sectoren. Cois is dan

weer verontwaardigd dat “zijn eigen volk” niet

betrokken is binnen zijn dagelijkse

burenconnecties. Gelukkig, zo stelt hij, kan hij

wel rekenen op de Berchemenaren van

Marokkaanse en Turkse origine die er al 50 jaar

wonen. Het burencollectief lijkt deze mannen

niet te bereiken.

5. Oud-Berchemse

levendigheid

In Oud-Berchem manifesteert het

burencollectief zich duidelijk en draagt het bij

aan levendigheid. Dit collectief gebeuren

vormt echter geen noodzakelijke voorwaarde

voor levendigheid. Het burencollectief wordt

verschillend geapprecieerd bij diverse

profielen van de hier betrokken bewoners.

Allerlei niet bedoelde effecten manifesteren

zich zoals het ontstaan van ingekapselde

groepen die moeilijk toegankelijk zijn.

Levendigheid wordt hier echter ook

gegenereerd via de gewone burenconnecties

die goed gedijen in de centrale winkelstraat. De

burenconnecties takken ook hier duidelijk aan

op de ruimte: de straat, de hondenweide, de

winkels,….De Oud-Berchemenaren die er reeds

lange tijd wonen verwijzen duidelijk naar het

economisch weefsel in hun dorp. Ook

beklemtonen zij meer de dagelijkse dreigingen

zoals de hippe nieuwkomers of de nachtelijke

activiteiten van drugsdealers dan de erg

zichtbare trekkers van de multiculturele

burencollectieven. Diegenen die vijftig jaar op

de teller hebben staan, zijn vooral betrokken bij

de meer spontane burenconnecties die niet

gepaard gaan met maatschappelijke visies en

te bereiken doelen. Het burencollectief dat in

het teken staat van het leren kennen van buren

krijgt er extra doelen bovenop zoals hier het

streven naar een warme multiculturele

samenleving. In Wilrijk Hoogte was dat extra

doel dan weer de tram of beter de

grootstedelijkheid weren.


181


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

182

BIJLAGE: THE STREETS OF…WILRIJK HOOGTE

Buitengewone burenconnecties

Inhoud

1.Street versus wijk

2. Uitgelicht: burenconnecties in een stukje

Heistraat

2.1. Wanneer zijn ze er komen wonen?

2.2. Een positief burencontact zonder het

verbergen van de kleine kantjes

2.3. Burenconnecties en diversiteit

2.4. Burenconnecties via huissleutels

2.5. Burenhulp in kaart

2.6. Burenconnecties op vertrouwde paden

en plekken

2.7. Het burencollectief onder kritiek

3. Het kleine ontmoeten op de breuklijn

3.1. Buurt zonder buren?

3.2. Park Den Brandt als ruimtelijke

bindmiddel

3.3. Het privilege van materiaal erfgoed ten

aanzien van het buurtleven

4. Het repertoire van levendigheid in Wilrijk

Hoogte

4.1.Burenconnecties per straat telkens

opnieuw ontdekken

4.2. Sociale verplichtingen?

4.3. Het belang van collectief gebruikte

plekken en van het wandelen

4.4. Schakeringen van levendigheid

1.Street versus wijk

Om levendigheid ten volle te kunnen begrijpen,

stellen we vanuit onze analyse van de

verzamelde data vast dat we moeten denken

op het niveau van straten in plaats van wijken.

De wijk in zijn geheel vormt één van de

contexten die invloed heeft op het leven van

bewoners maar is op zich niet voldoende om

de levendigheid ervaren door bewoners zelf te

kunnen vatten. Indien we aandacht hebben

voor de daadwerkelijke dagelijkse interacties

(hier in de zin van het alledaagse concept ‘het

kleine ontmoeten’ van Soenen, 2006) dan

springen tot dan minder zichtbare, maar niet

minder reële en tastbare, sociale fenomenen in

het oog. In Wilrijk spraken we bewoners uit

volgende straten: Eglantierlaan, Heistraat,

Acacialaan, Groenenborgerlaan, Sorbenlaan

en Jozef Kenneslei. We interviewden in totaal

24 mensen tijdens 12 gespreksmomenten. In

de Heistraat interviewden we ongeveer de helft

van onze respondenten (aantal 14) omdat we

daar een erg relevant sociaal fenomeen

ontdekten.

2. Uitgelicht:

burenconnecties in een

stukje Heistraat

2.1 Wanneer zijn ze er komen wonen?

In een stukje van de lange Heistraat ontdekten

we een interessant alledaags netwerk tussen

tientallen buren. De meeste bewoners zijn van

Vlaamse origine en behoren tot de brede

waaier van socio-economische

middengroepen. Ze verschillen weliswaar

onderling in genoten opleiding, in cultureel

kapitaal, in socio-economische status, in

leeftijd en in maatschappijvisie. Een deel van

deze buren woont reeds een tijd in de Heistraat.

Dirk die er in 1955 geboren is, woont nu in het

huis van zijn tante dat vlak naast dat van zijn

ouders stond. Deze huizen werden in de jaren

1950 gebouwd door zijn familie. Hij vertelt dat

toen hij klein was Wilrijk nog een boerendorp

was. Naar “het dorp” gaan (nu Bist) betekende


183

langs de weiden lopen met koeien en dan de

spoorweg over (nu expresweg in de

volksmond). Een beetje voorbij de Jules

Moretuslei keken ze dan naar de hoefsmid in

zijn atelier terwijl moeder inkopen deed op de

markt. Ook één van zijn klasgenootjes van de

lagere school woont nog in de straat. Josiane,

een tachtiger en gepensioneerde

fabrieksarbeidsters is geboren en getogen in

Wilrijk en woont sinds 1960 in de Heistraat.

Geheel toevallig verhuisden kort na elkaar twee

huishoudens, die reeds buren waren in een

andere Wilrijkse wijk, naar de Heistraat in de

laat jaren 1970. Een vriendschapsrelatie

ontwikkelde zich tussen deze twee gezinnen.

Tijdens de jaren 1980 en begin jaren 1990

betrokken een aantal nieuwe gezinnen met

jonge kinderen de arbeidershuizen. Tijdens de

verbouwing stelden ze vast dat de

plafondbalken van de huisjes doorliepen tot bij

hun buren. Er lag en ligt nog, weliswaar niet

meer over de volledige lengte, een servitude

achter de huizen in dit stuk Heistraat. In het

arbeidershuis van Luk en Lies kwamen

mensen vroeger water pompen uit de

grondwaterput. De waterpomp is nu

geïntegreerd in hun woonkamer als authentiek

historisch object. Ze gebruiken de pomp nog

wel om hun planten water te geven. Deze

bewoners die instroomden in de jaren 1980 en

1990 waren vooral werkzaam als arbeider,

winkelbediende of als kleine zelfstandige

(bijvoorbeeld het openhouden van een

krantenwinkel). Minder bescheiden

verbouwingen deden een aantal (zeer)

begoede gezinnen een tijd later. Ze kochten

minimum drie tot vijf huisjes op, meestal voor

de bouw van een villa, met twee garages. In

2000 kwamen er weer nieuwe bewoners bij.

Een aantal huurders die sneller wisselen in lage

woonblokken maar ook eigenaars, vooral jonge

tweeverdienergezinnen met kleine kinderen.

De meest recente bewoners, binnen onze

groep respondenten, zijn er komen wonen in

2011, een jong gezin, hoger geschoold en

werkzaam op de universiteit.

De Heistraat is een straat met, voor de

meesten onder ons, weinig architecturale

kenmerken. Het is een langgerekte straat met

vooral rijhuizen maar ook woonblokken. De

ruimtelijke omgeving wordt hier niet snel

geassocieerd met levendigheid. Sommige

bewoners zeggen expliciet dat ze de straat erg

lelijk vinden. Maar zowel achter als voor de

gevels ontplooien zich buitengewone

burenconnecties.

2.2. Een positief burencontact zonder het

verbergen van de kleine kantjes

Tijdens de vele gesprekken die we hadden met

de bewoners uit dit stuk Heistraat wordt

duidelijk dat ze er graag wonen en dat ze hun

buren goed kennen.

“Veel mensen doen nog iets voor elkaar hier,

allez iets klein of zo hé.” (Lies, interview 23

februari 2017)

Ze appreciëren, en dit is erg belangrijk, vooral

het spontane, niet georganiseerde contact dat

ze met elkaar hebben. Er worden tussendoor

op de stoep, aan de voordeur, in de

garagebox,… veel burenpraatjes gemaakt.

Terwijl ze allemaal positief zijn over hun

burenrelaties weten ze maar al te goed dat

sommige buren minder gewaardeerde

karaktertrekjes hebben en er ook sprake kan

zijn van kleine ergernissen. In de gesprekken

wordt dit niet verdoezeld. Zo komen we te

weten van meerdere respondenten dat ze

Yvonne waarderen maar er is wel ‘een

handleiding’ bij:

“Ge moet ze pakken gelijk het is, ze stoeft nogal

geire, maar het is geen slecht menske hé!”

(Lies, interview 23 februari 2017)

De meesten weten ook en daar wordt ook wat

mee gelachen dat de combinatie van

buurvrouw Josiane en buurvrouw Brenda niet

altijd ideaal is:

“Als we in groep zijn moet Josiane het woord

kunnen voeren en Brenda die kan daar niet mee

om. Brenda is eigenlijk just hetzelfde als

Josiane en dat botst hé! En dan geeft Brenda

een sneer als Josiane teveel aan het woord is: “

het gaat altijd over ‘t zelfde als die klapt!”. Maar

toch helpen ze elkaar als het nodig is.” (Luk, 23

februari 2017)


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

184

Ook al gaan sommigen niet akkoord met elkaar

het staat het verlenen van hulp niet in de weg.

Er zijn bewoners die zich ergeren aan de

manier waarop Josiane, een fanatieke

dierenliefhebber, omgaat met haar

gekoesterde duiven. De zakken graan staan

open en bloot en ze gooit broodkruim in de tuin

voor vogels met als neveneffect dat er veel

ongedierte zoals muizen en ratten worden

aangetrokken. Toen we samen met haar een

kijkje namen in haar duiventil zagen we de

muizen lopen over de graanzakken heen en zei

ze al lachend: “je hebt toch gene schrik van

muizekes hé?” Arnold bijvoorbeeld ergert zich

eraan en reageert er soms op. Toch bood hij

Josiane, tevens een oudere dame, hulp aan

met betrekking tot het onderhoud van haar

tuin.

Er is slechts één buurman, die verhuisd is, waar

iedereen in negatieve termen over sprak. De

man bleek vaak te klagen over allerlei

pietluttigheden. Deze man, een heer op leeftijd,

mist nu echter zijn oude buurt en komt

regelmatig terug naar de buurt. Josiane

ontvangt hem nu bij haar thuis.

“We hadden altijd ambras en ik zeg altijd tegen

hem “goe dat ge verhuisd zijt want anders

zoudde hier niet binnen gemogen hebben!”

(Josiane, interview 21 februari 2017)

Ze beseffen dat ze verschillen van elkaar maar

gaan ermee om. De logica die gevolgd wordt is

dat de verschillen ‘des mensen’ zijn.

2.3 Burenconnecties en verschillen

Lies spreekt zich erg expliciet uit over de

volgens haar bestaande verschillen in de buurt

en vergelijkt haar woonomgeving met een

typische Vlaamse verkavelingswijk die

opgetrokken wordt met allemaal startende

gezinnen van dezelfde leeftijd.

“ Das hier plezant. Een nieuwe wijk met

allemaal jonge mensen da’s niks voor ons. Je

kan van de ouderen leren, jongeren brengen

nieuw leven in huis, niet allemaal hetzelfde hé.

Dat is plezant dat er hier ook jong volk

bijkomt.”(Lies, interview 23 februari 2017)

Er is niet alleen verscheidenheid in leeftijd

maar ook in genoten opleiding. Rita en Arnold

zijn dan weer erg goed bevriend met Josie en

haar man. In genoten opleiding verschillen de

gezinnen echter zeer sterk.

De buren verschillen onderling met betrekking

tot hun standpunt en dagelijkse houding ten

aanzien van diversiteit in de enge zin van het

woord, namelijk ten aanzien van de

aanwezigheid van mensen met een ander

etnisch-culturele herkomst dan de Vlaamse in

onze samenleving. Yvonne woonde vroeger op

het Antwerpse Kiel en zegt dat ze niets tegen

andere culturen heeft omdat ze “fosterkindjes”

heeft. Toch werd één van de redenen om van

het Antwerpse Kiel naar Wilrijk te verhuizen,

ingegeven door de aanwezigheid van andere

etnisch-culturele groepen en vooral omdat er

“geen eigen-volk-winkels” meer waren. Ook

Josiane stelt dat de Abdijstraat van de

nabijgelegen wijk Kiel helemaal achteruit is

gegaan:

“Als ge naar de Abdijstraat gaat, dan moette u

ogen toe doen (om geen mensen met een

andere etnisch-culturele herkomst te moeten

aankijken). Voor nen echte Belg is daar niks

meer!”.

In de Colruyt krijgt Yvonne het op haar heupen

van de rijke Indiërs die, zo stelt ze, haar

voorbijsteken in de rij aan de kassa. Yvonne en

Josiane zijn het roerend eens dat dit niet ligt

aan hun huispersoneel want die worden slecht

behandeld, “middeleeuws”. Ze weten ook dat

er elke dag een Joodse jongen door de

Heistraat wandelt. Hij valt op want hij mankt

maar de meeste joodse kinderen zie je net

voorbij de Bist aan de Joodse school en dus

niet in hun straat.

Andere buren zoals het koppel Helga en

Wouter hebben recent en Albanees gezin,

huurders, als buren en vinden dat zeer

aangenaam. Ze contrasteren deze buren met

hun vorige Vlaamse buurman, de eerder

vermelde oude, klagende man die hen het

leven zuur maakte. Ze hebben via de school

van hun kinderen ook contact met ouders met

een ander etnisch-culturele origine. Lies die

veel wandelt met de hond komt op haar route

vaak een Indische huisbediende tegen die de

hond van zijn werkgever uit laat en waar ze een


185

aangenaam kort contact mee heeft. Op de

hondenweide ontmoet ze regelmatig een

Albanese en Zwitserse dame. In de Oxfam

winkel praat ze dan weer met een Syriër. Ze

kent het standpunt van Josiane over andere

culturen en deelt het niet. Toch heeft ze een

bijzonder warme burenrelatie met Josiane. De

zoon van Lies komt zelfs zijn nieuwe liefde aan

Josiane voorstellen. Leen leeft dan weer

samen met een Rus en in een vorige relatie met

een Marokkaanse man. Het Turks restaurant op

de Bist is bij veel respondenten populair. De

jongste kinderen van Arnold en Rita gingen in

de jaren 1980 naar de school in de Heistraat

waar ze bevriend geraakten met hun

Marokkaanse medeleerlingen. Arnold gaat

steevast naar de volgens hem uitstekende

Marokkaanse viswinkel op het Kiel.

Er zijn dus heel wat verschillen maar in het

burennetwerk wordt hier dagelijks mee

omgegaan. Soms worden hete hangijzers

vermeden, op andere tijdstippen worden ze net

benoemd en bediscussieerd. Vaak overheerst

echter de gemeenschappelijke dagelijkse

ervaring waardoor de onderlinge verschillen op

de achtergrond geraken. Bij die

gemeenschappelijke dagelijkse ervaringen

staan we in wat volgt stil.

2.4 Burenconnecties via huissleutels

Een indicator voor de reële dagelijkse

connecties tussen de diverse buren zijn de

sleutels. Vele bewoners vertrouwen hun

huissleutel toe aan buren. Interessant is dat de

sleutel niet uitgewisseld wordt tussen dezelfde

buren. Maar dat buur A zijn sleutel toevertrouwt

aan buur B maar dan weer zelf de sleutel kan

hebben van buur C. Het doorgeven van sleutels

is vooral een pragmatisch gegeven. Het is

echter, zoals soms te snel wordt aangenomen,

geen sociale indicator voor een zogenaamde

warme burenrelatie. Zo geven mensen die

dieren hebben de sleutel aan buren die ook

dieren hebben. Een sleutel kan ook bij een buur

terechtkomen omwille van het feit dat de buur

vaak thuis is en in staat is de taak

daadwerkelijk uit te voeren. In andere gevallen

is het omdat ze vlak naast elkaar wonen en dat

is gewoon praktischer. Het kan uiteraard ook

voorkomen dat ze de sleutel geven aan buren

met wie ze een diepgaandere sociale relatie

hebben ontwikkeld maar dat is vaak niet het

geval. Een burenrelatie houdt immers altijd

afstand in. Illustratief is de populaire

uitdrukking die we vaak horen bij de

respondenten: “We kennen elkaar maar we

lopen elkaars deur niet plat.” Een sleutel wordt

permanent in bewaring gegeven maar soms

ook tijdelijk, enkel voor bijvoorbeeld de

vakantieperiode.

2.5 Burenhulp in kaart

Naast het uitwisselen van sleutels bieden de

buren elkaar ook hulp aan. Die hulp wordt

spontaan geboden. Ze lopen er niet te koop

mee. Het betreft vaak kleine, alledaagse

dingen. Het betreft de post uit de brievenbus

nemen of de plantjes water geven en de dieren

verzorgen als mensen op vakantie zijn.

Daarnaast zijn er ook bewoners die op

praktische hulp kunnen rekenen omdat hun

leefsituatie daar duidelijk aanleiding toegeeft.

Zo wordt er voor de tachtiger Josiane

boodschappen gedaan door enkele buren.

Yvonne brengt haar ’s avonds vaak warme

maaltijden en ook door Lies wordt ze af en toe

uitgenodigd om mee aan tafel te schuiven. Rita

is een kankerpatiënt die amper mobiel is en

verzorgd wordt door haar man Arnold. Maar

ook hij heeft een tijd last gehad van huidkanker.

Als Arnold zelf in het ziekenhuis ligt, brengen

buurmannen Luk, Wouter, of de man van Josie,

al naargelang wie vrij is, Rita van en naar de

dagkliniek in het ziekenhuis. Overbuurvrouw

Leen nodigt het koppel ook regelmatig uit om

samen een warme maaltijd te nuttigen om

Arnold wat te ontlasten. Het jonge gezin van

Helga en Wouter heeft drie kinderen van wie

een kindje overleden is en een ander kind een

beperking heeft. Voor hun honden wordt

bijvoorbeeld gezorgd als ze in het ziekenhuis

moeten zijn met de kinderen. Josiane kon

vroeger rekenen op de hulp van Arnold maar nu

hij zelf zijn handen vol heeft met zijn zieke

vrouw helpen de man van Yvonne en ook Luk

haar in de tuin. Dirk woont al geruime tijd in

Wilrijk en heeft een goed contact opgebouwd

met Rita en Arnold. Zij hebben ook regelmatig

diepgaande gesprekken die eerder

intellectueel, maatschappijkritisch en

existentieel getint zijn. Dergelijke diepgaande

wederkerigheid die dus niet zozeer praktisch


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

186

en materieel is, vinden we ook tussen de jonge

vrouw Helga met kleine kinderen en buurvrouw

Lies van wie de kinderen bijna allemaal uit huis

zijn. Dat is ook zo tussen het koppel Arnold en

Rita en buurvrouw Josie. In de laatste twee

gevallen werkt deze sociale wederkerigheid

vooral emotioneel ondersteunend.

Het verstrekken van hulp is helemaal ingebed

in het alledaagse leven. Het vormt geen sociale

verplichting. Hulp wordt zowel vrijblijvend

gevraagd door buren als spontaan

aangeboden door buren. Het hangt ook af van

wie er tijd kan vrijmaken, soms lukt dat, soms

ook weer niet. Zo hebben Yvonne, een

gepensioneerde administratief bediende en

Josie, een gepensioneerde strijkster, overdag

tijd voor het verstrekken van hulp. Lies is dan

weer een huisvrouw en dus vaak thuis

waardoor ze erg aanspreekbaar is. Tijd is dan

ook een cruciale factor naast het capabel zijn

in sociale omgangsvormen en het tonen van

empathie.

2.6 Burenconnecties via vertrouwde paden en

plekken

Ondanks de niet op mensenmaat

vormgegeven Heistraat heeft zich een sterk

alledaags burennetwerk ontwikkeld. Hiermee

tonen we nogmaals aan dat de ruimte het

menselijke gedrag niet kan determineren. Dit

wil echter niet zeggen dat de ruimte niet van

belang zou zijn, integendeel zelfs. De ruimte

kan sociale interacties belemmeren of

stimuleren. Door mee te wandelen in de

voetsporen van Josie zien we hoe

burenpraatjes zich voltrekken op vertrouwde

routes en ontmoetingsplekken. De sporen van

Josie vormen een bijzondere indicator voor de

natuurlijke samenhang tussen mens en

ruimte. Josie gaat elke dag naar “het dorp”

zoals oudere bewoners van Wilrijk dat

uitdrukken. Deze wandeling is veel meer dan

enkel het efficiënt bewegen van punt a naar

punt b.

De dagelijkse route van Josie gaat heen en

weer tussen haar woning en “het dorp”.

Opvallend is dat ze heel wat variatie brengt in

deze routine. Op maandagochtend 7u30

steekt ze de straat over en wandelt ze tot aan

de wasserette verderop in de Heistraat. Ze kijkt

of er volk zit dat ze kent om een praatje te slaan.

Ze zegt er nooit te komen om te wassen of te

drogen. Het zijn vaak oudere mensen van het

rusthuis in de buurt met wie ze er converseert.

Ze heeft er ook een vriendschapsrelatie

ontwikkelt met een vrouw van haar leeftijd. Dan

gaat ze verder naar de krantenwinkel voor een

krant en wat small talk. Ze loopt vervolgens

voorbij de Bist naar de bakker in de Oudestraat

waar het brood én de bediening in de smaak

vallen. Op weg terug naar huis komt ze om de

14 dagen grootouders tegen die hun kleinkind

naar school brengen. Het kleine meisje herkent

haar meestal al van ver en vervolgens keuvelen

ze even met elkaar. Deze mensen heeft ze leren

kennen door deze route telkens opnieuw te

frequenteren op maandag. Terug thuis ontbijt

ze met haar man. Om 9u45, nog steeds

maandagochtend, wandelt ze opnieuw naar

het dorp maar nu doet ze een ommetje via een

stuk groene ruimte met hondenwei en de Jozef

Kenneslei. Ze knikt ook vaak naar de

vertrouwde gezichten in de hondenwei. Vlakbij,

maar via een tunnel onder de

Boomsesteenweg te bereiken, ligt een

Delhaize. In de tunnel heeft ze schrik en vormt

daarom een no-go zone. Ze doet wel inkopen in

het grootwarenhuis GB op de Bist, een vaste

waarde in Wilrijk, waar ze praat met de

kassiersters. Eén van hen is immers buurvrouw

Brenda. Vervolgens gaat ze een koffie drinken

in broodjeszaak Panos op de Bist of in een

taverne aan het Masplein. Ook daar heeft ze

andere stamgasten leren kennen. Vervolgens

gaat ze naar huis via dezelfde route.

Op de andere dagen van de week pendelt ze

heen en weer tussen haar huis en het dorp

maar wisselt ze het zijpad via de Jozef

Kenneslei af met het voet- en fietspad dat

tussen de huizen kronkelt en uitloopt op de

Laarstraat. Op de stoep praat ze geregeld met

bekenden die ze toevallig passeert. Ook heeft

ze een aantal dames leren kennen die graag

met haar praten aan hun voordeur o.a. in de

Jozef Kenneslei. Wanneer ze het te druk heeft

met andere activiteiten (bijvoorbeeld zorg voor

kleinkinderen en andere familieleden of hulp

aan buren) dan maakt ze geen gebruik van de

zijpaden en loopt ze niet op de stoep aan de

overzijde van haar woning maar aan de andere

kant. Aan die zijde van de straat is geen

parkeerruimte en kunnen auto’s (met


187

bekenden) minder gemakkelijk halt houden om

even te kletsen met haar waardoor ze haar

kunnen ophouden.

In tegenovergestelde richting van het dorp

wandelde ze vroeger ook naar de bakker in de

Kruishofstraat. Op het pad daarnaar toe

ontmoette ze vroeger een verpleegster

wanneer die thuiskomt van haar nachtshift.

Een beetje verderop knikte ze altijd goeiedag

naar een man die de voordeur uitkomt om

vroeg naar zijn werk te vertrekken. Nu doet ze

de route enkel nog om naar de apotheker te

gaan. Op dit ogenblik praat ze er geregeld aan

de voordeur met een vrouw die een spierziekte

heeft en tevens rolstoelgebruiker is en

geholpen wordt door haar vriendin van in de

wasserette. Opvallend is dat ze de

krantenwinkel aan de Beukenlaan, die

nochtans dichter bij huis is dan die in het dorp,

niet frequenteert. Een vriendelijke bediening is

erg belangrijk voor Josie. Ze kiest dan ook heel

bewust welke zaken ze bezoekt.

In de namiddag gaat Josie vaak op stap met

haar vriendin die ze heeft leren kennen in de

wasserette. Wandelen staat onder andere op

hun programma. Ze vertrekken in de geliefde

richting van Josie naar het dorp en wandelen

vervolgens verder in de straten rond het fort

waar meer groen is. Ze hebben er ook

hondenbaasjes leren kennen. Een tussenstop

maken ze steevast in taverne “Den Uil”, ook

zeer gekend bij meerdere bewoners. Zoals

Josie het omschrijft is het erg belangrijk om

tussendoor “te kunnen tanken”. De taverne van

het Steytelinck park vermijden ze dan weer

vanwege de in hun ogen onvriendelijke

bediening. In tegenstelling tot de andere buren

in de Heistraat gaat Josie niet wandelen in park

Den Brandt. Het is daar te druk. En ze ontmoet

daar te weinig bekenden om een praatje mee

te slaan. Met buurvrouw Rita ging Josie

vroeger ook naar de aquagym in het zwembad

van Wilrijk. Ook daar heeft Josie nieuwe

mensen leren kennen, ook al is Rita er nu niet

meer bij vanwege haar ziekte. In het weekend

gaat ze tenslotte om pistolets bij de bakker in

de Oudestraat en brengt ze er tegelijkertijd

mee voor een oudere dame die woont in de

Heistraat.

Josie, is een eerder verlegen en stil type maar

erg beslagen in het dagelijkse kleine

ontmoeten. Het kleine ontmoeten vormt een

kabbelende stroom doorheen haar vertrouwde

paden en plekken. Aparte wandelpaden,

kronkelweggetjes, een aangename stoep,… in

de eigen woonomgeving zijn onlosmakelijk

verbonden met small talk en burenpraatjes.

Maar ook tussenstops zoals een hondenweide,

een wasserette, een taverne, een zaak van een

kleine zelfstandige maar ook een

grootwarenhuis, of gewoon de garagebox zijn

intrigerende sociale biotopen.

2.7. Het burencollectief onder kritiek

Dit stukje Heistraat vormt een relevante case

om het minder zichtbare maar sociaal

betekenisvolle concept van de

burenconnecties te duiden. Het

burencollectief is hier minder aan de orde. Toch

kende de Heistraat eind jaren 1980 tijdelijk een

buurtcomité dat ijverde voor de

verkeersveiligheid. De Heistraat werd toen nog

als sluipweg gebruikt door vele automobilisten.

In de laatste jaren werd er opnieuw een

buurtcomité opgericht maar daar maken de

door ons bevraagde bewoners heel wat

kanttekeningen bij.

“Het was wel leuk maar het buurtcomité is

dood gebloeid, geen overnemers, denk ik. Het

was wel leuk maar eigenlijk zijn de contacten

tussen de buren daardoor niet minder

geworden We hadden die contacten ook ervoor

al. Maar eigenlijk als er een feestje was dan

praatte je toch ook reeds met die mensen die

je wel kende dus nieuwe mensen leerde ik daar

niet kennen…”(Helga, interview 13 maart 2017)

Zoals reeds gesteld geloven deze bewoners

meer in spontane burenconnecties. Ze

minimaliseren dan ook de sociale

doelstellingen van dergelijke collectieve

buurthappenings. Josie vertelt dat ze de

buurtfeestjes niet aangenaam vond. De

trekkers van het gebeuren vormden een kliek

en stonden niet open voor praatjes met andere

buren. Deze trekkers zeggen doorgaans ook

geen goeiendag op straat en zijn niet

betrokken bij de gewone burenconnecties.

Voor Josie voelt het helemaal verkeerd aan om

doorheen het jaar dagelijks geen contact te

hebben (enkel goeiedag zeggen zou voor haar


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

188

al voldoende zijn) en dan één keer op het jaar

ineens te feesten met elkaar. Josie vertelt dat

de Heistraat in haar ogen vroeger volkser was,

meer van “de gewone mensen” en dat net de

trekkers van dat buurtcomité de begoede

gezinnen zijn (diegenen die er destijds

meerdere arbeidershuizen opkochten om er

een villa op te bouwen). Yvonne en Josiane

verwoorden dit erg scherp.

Yvonne: het buurtcomité dat is niets

geworden hé. Dat is eigenlijk het verschil

tussen het gewone volk en die…

Josiane onderbreekt: die DENKEN (met

klem) dat ze wat meer zijn!

Interviewer: Aan wat merk je dat dan?

Yvone: hun manier van doen… (denkt na)

Josiane: allez ik zal het zeggen, gewoon al

hoe dat ze u bezien, dat zegt al genoeg. Die

kunnen u bezien gelijk ge zijt nen vuile, vuile

vis! En hem (een villabewoner) boeoeoe

(jakkes)!

Yvonne: ze geven nen drink en da ga je er

naar toe en dan sta je daar te staan en dan

heb je die kliek van het buurtcomité,…. Die

bezien u al op een manier van….en die komen

niet babbelen, neeje. (Yvonne en Josiane,

interview 21 februari 2017)

Het buurtcomité voerde op een gegeven

moment ook actie tegen de mogelijke tramlijn

in de straat. Arnold en Dirk gingen niet akkoord

met de anti-tram-houding maar werden niet

uitgenodigd op de vergaderingen. Het gevolg:

bij de trekkers hingen er affiches voor het raam

tegen de tram en bij Dirk hing een hele grote

tekening voor zijn raam over de impact van

auto’s, bussen, trams en fietsers op de

leefbaarheid. Fietsers en trams waren op de

tekening duidelijk de beste opties.

Terwijl in de burenconnecties de verschillen

goed beheerd worden, zet het burencollectief

in deze straat aan tot polarisaties tussen

bewoners en worden de verschillen

onverenigbaar.

3. Het kleine ontmoeten op

de breuklijn

Dirk wiens vader erg actief was in de parochie

weet dat er in de wijk Hoogte tussen “het

gewone volk” van de Heistraat en de bewoners

van achterliggende villawijken altijd een

breuklijn heeft gelopen. Op school zat Dirk nog

samen met de erg begoede kinderen van

ouders die aan het hoofd stonden van bekende

grote bedrijven of werkzaam waren als chirurg.

De pastoors deden hun best om de wijk samen

te houden maar slaagden daar niet altijd in.

Naar de jeugdbeweging bijvoorbeeld kwamen

de kinderen uit de villawijken niet. Er was een

meisjeschiro gelegen achter de tuinen van de

huizen van de Heistraat. De lokalen waren te

bereiken via een zijweggetje aan de kerk. De

jongenschiro was en is nog steeds gelegen aan

het pleintje op de hoek, achter de parochiezaal.

Ook vandaag zien we dat de Franstalige

scouts, Unité Prince Baudouin, die sinds de

beginjaren van 1970 een rijhuis in de

Eglantierlaan als lokalen gebruikt, zich

exclusief richt tot de jeugd in de villawijken.

3.1. Buurt zonder buren?

De levendigheid van de Heistraat zit in de

burenconnecties en in de alledaagse ruimte.

Hoe zit dat bijvoorbeeld in de Acacialaan, de

Sorbenlaan en Groenenborgerlaan? De

levendigheid van de buurt verwijst bij de hier

geïnterviewde bewoners vooral naar de unieke

groene geografische locatie, Park Den Brandt

maar ook naar het materieel erfgoed zoals de

vele cottages. De eerste villabewoner met wie

we kennismaken is de Joodse Edith, een

zeventiger die in een villa op de

Groenenborgerlaan woont. Via een goede

Joodse vriendin van Edith hebben we haar

telefonisch kunnen contacteren. Tijdens het

telefoongesprek vraagt Edith zich af of de

onderzoeker wel is voor wie ze zich uitgeeft. Na

een tijdje lijkt ze het te geloven. Maar dan

vraagt ze prompt of de onderzoeker vandaag

twee heren in kostuum naar haar heeft

gestuurd. Ze heeft ze gespot aan haar voordeur

(zonder met hen te spreken). Ondanks een

ontkennend antwoord blijft ze erop terug

komen. Ze weet niet zeker of ze wel tijd voor ons

kan maken want ze is net terug uit Israël en

moet veel boodschappen doen. Binnenkort

komt haar zoon met zijn nieuwe vrouw op

bezoek en heeft ze het druk met hen te

ontvangen. Maar bovenal zegt ze ons dat ze


189

geen contacten heeft met haar buren en ze

dus geen geschikte kandidaat is voor het

interview. Het enige contact dat ze gehad heeft

met een buur vond plaats omdat zijn boom

overhelde in haar tuin. Het was een niet erg

aangenaam contact.

3.2 Park Den Brandt als ruimtelijke

bindmiddel

Dit beeld van een buurt zonder buren van Edith

wordt genuanceerd door een andere Joodse

vrouw Rachel in de Sorbenlaan. Dochter,

Acquitaine (een dertiger) woont opnieuw bij

Rachel in met haar zoon, de kleuter Jules.

Jules loopt geen school in de buurt maar gaat

naar de Hebreeuwse school in de stad omdat

zijn vader die niet meer samenwoont met

Acquitaine, dat wenst. Rachel brengt hem elke

dag met de auto, haar belangrijkste

vervoersmiddel, naar de stad. Ze neemt de

zorg voor Jules dagelijks op terwijl haar

dochter aan het werk is. Haar man is werkzaam

in de Antwerpse diamantsector.

Acquitaine zegt dat haar moeder via de

wandelingen die ze doet met Jules opnieuw

mensen heeft leren kennen in de buurt.

Burenpraatjes gebeuren vooral in park Den

Brandt. Omwille van de ouderdom zijn een

aantal buurtbewoners gestorven of verhuisd

naar rusthuizen, serviceflats,… Jonge mensen

kunnen zich de villawoningen vaak niet

veroorloven zo concludeert Acquitaine. De

Indiërs daarentegen wel. Ze zijn volgens

Acquitaine gekend om “alles plat te gooien en

een zeer grote woning neer te planten in de

wijk, helemaal buiten proportie”. Ze hebben er

weinig tot geen contact mee.

Tijdens haar korte uitjes in de buurt met Jules

maakt Rachel ook al eens een praatje met het

huispersoneel van één van de buren, een

Marokkaanse vrouw die er reeds 20 jaar

werkzaam is. Deze Marokkaanse vrouw blijkt in

Oud-Berchem te wonen, de andere wijk die we

onderzoeken. Tijdens het interview met haar

over haar buurt Oud-Berchem bevestigt ze dat

ze Rachel kent en dat ze ook de soldaten aan

het consulaat van koffie voorziet. Ze lijkt een

soort draaischijf geworden te zijn tussen

enkele buurtbewoners en hun personeel.

Rachel zegt dat wanneer haar twee dochters

klein waren de kleinkinderen van het ouder

koppel dat naast hen woonde vaak bij hen in de

tuin kwam spelen. Soms nodigde ze ook een

aantal buren uit bij hen thuis maar dat waren

vaak ook vrienden die ze van elders kenden en

die gelijkenissen vertoonden in leeftijd,

interesses,….

3.3 Het privilege van materiaal erfgoed ten

aanzien van het buurtleven

Ook bij André een gepensioneerde

gespecialiseerde arts en zijn vrouw Rosa

merken we dat er vooral burencontacten waren

toen hun kinderen klein waren. Rosa heeft een

tijdje gewerkt maar omwille van het drukke

beroep van Andre bleef ze thuis. Ook financieel

hadden ze het niet nodig. André kent geen

huwelijken waar zowel vrouw als man een

bloeiende carrière uitbouwen zonder dat dat

tot een scheiding leidt.

Vroeger werden ze dus ook door buren al eens

uitgenodigd voor een receptie bijvoorbeeld ter

gelegenheid van het nieuwe jaar. Dat bracht

een onuitgesproken sociale verplichting met

zich mee waardoor ook zij een aantal keren de

buren uitnodigden voor een drankje. De

genodigde gasten woonden in hun straat, in de

Acacialaan maar ook om de hoek in de Pastoor

De Conincklaan. André zegt dat het zich altijd

beperkte tot de villabewoners. Het waren

mensen met gelijkaardige beroepen zoals

juristen en artsen. André en Rosa maakten er

wel een punt van de Franssprekende

buurtbewoners niet uit te nodigen op hun

feestje. Maar wanneer de kinderen opgroeiden

is het contact stilaan verwatert. Op dit ogenblik

zeggen ze nog weinig mensen in hun straat te

kennen, ook al wonen ze er al meer dan 30 jaar.

Ze praten wel over een aantal buurtbewoners

zoals over wat hun beroep is, over hoe hun

wagenpark eruitziet en over het al dan niet

hebben van respect voor de erfgoedwaarde

van hun woning tijdens renovaties. Maar echt

praten met de buren, zo stelt André, beperkt

zich tot af en toe goeiedag knikken. Het is in

hun straat vooral een verouderde bevolking die

stilaan verdwijnt en de nieuwe bewoners

kennen ze veel minder. Zelf zijn ze niet zo

betrokken op de buurt omdat ze naar eigen

zeggen vaak op reis zijn. Als ze op reis zijn

letten hun kinderen op hun huis. Het huis is

vanaf de straatkant goed omheind. De voortuin


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

190

wordt afgesloten met een toegangspoort met

een cijfercode. André heeft mettertijd ook

hekken voor de ramen laten plaatsen.

Net als Acquitaine heeft Rosa het niet

begrepen op de, in haar ogen protserige,

Indische achterburen. Ze vindt het ook een

zonde dat ze, eenmaal de historische cottages

wat verouderd zijn, de gebouwen met de grond

gelijk maken. Ze ergert zich bovendien aan de

lawaaioverlast die hun personeel maakt

tijdens het jaarlijks onderhoud van een grote

tuinkiosk, opgetrokken in een bijzondere type

steen. Dit gebeurt aan het begin van de zomer,

net wanneer André en Rita graag in de tuin

zitten.

André en Rosa zijn tevreden over de

voorzieningen in de buurt. Rosa doet al haar

boodschappen in grootwarenhuizen en niet in

speciaalzaken. Ze doet de ronde van de

supermarkten in Wilrijk met haar auto. Ze gaat

naar de Colruyt in de Laarstraat, de Lidl en

Delhaize op de Boomsesteenweg, de GB

Carrefour op de Bist en tegenwoordig ook naar

de nieuwe Albert Heyn. Daar voert ze wel korte

praatjes met andere klanten die ze gaandeweg

heeft leren kennen. Vooral het wandelen in de

buurt of beter in een deel van de wijk Hoogte

waarderen ze. Het park vinden ze weliswaar

aangenaam maar het liefst wandelen ze

tussen de villawoningen om te genieten van de

cottages als bijzonder erfgoed. Zelf wonen ze

in een cottage die gebouwd werd in 1927.

Maar tijdens het gesprek vraagt André zich

plots af of we buren eigenlijk nodig hebben. In

essentie heb je dat niet nodig als mens is zijn

conclusie. André en Rosa zijn erg gesteld op

hun privacy. Als ze ouder worden zullen ze niet

naar een appartement verhuizen. Per definitie

zit je dan met teveel mensen op één ruimte.

“dat geeft altijd ruzie” zegt Rosa. De wereld is

sterk in verandering. Mensen worden teveel

lastiggevallen door allerlei regelgevingen. Ze

hebben veel geïnvesteerd in de nodige

renovaties van hun woning en nu zouden ze

opnieuw moeten beginnen omwille van allerlei

nieuwe vereisten en regeltjes. Ze bezitten ook

een vakantieappartement in Knokke waar ze

het dak moeten vernieuwen om aan de

gestelde normen te voldoen. Rosa vindt al die

nieuwe regeltjes sterk overdreven en hinderlijk.

Ondertussen is ook Wilrijk in verandering. De

wereld kun je tegenwoordig ook zien in Wilrijk

stelt André. De Indiërs zijn o.a. neergestreken

in de villawijken maar in de Heistraat vind je

tegenwoordig minder begoede mensen met

een andere etnisch-culturele herkomst

volgens André.

“De zwarte gemeenschap heeft het niet

begrepen hé, er zijn teveel mensen op de

wereld dat gaat niet meer. Gewoon minder

kindergeld en het zal rap gedaan zijn.(…) en dan

die dubbele nationaliteit. Wel als het hier oorlog

is dan hebben zij een keuze om hier weg te

gaan en ik, ik kan dat niet, awel dat is zeer

onrechtvaardig hé!” (Rosa, interview 8 mei

2017)

Integratie daar gelooft André niet in. Hij spreekt

uit ervaring. Tijdens hun eerst huwelijksjaren

woonden ze in Duitsland. Hij weet wat het is om

een buitenstaander te zijn namelijk als Belg

onder de Duitsers. Eens een groep gevestigd is

geraak je daar niet in volgens hem. Het is een

soort van gegeven waar we niet kunnen aan

ontsnappen. Ook hier in Vlaanderen is dat

volgens hem onmogelijk.

4. Het repertoire van

levendigheid in Wilrijk

hoogte

4.1 Burenconnecties per straat telkens

opnieuw ontdekken

Terwijl we bij de bewoners in een stukje van de

Heistraat een vibrerend netwerk van dagelijkse

burenpraatjes kunnen terugvinden, is dat niet

het geval bij Edith, André en Rosa. Zij hebben

geen ervaring met dagelijkse burenconnecties.

Dit wil niet zeggen dat in het zogenaamde

‘gewone-mensen-gedeelte’ van de wijk Hoogte

overal buitengewone burenconnecties zijn

terug te vinden. Dit moet telkens opnieuw

straat per straat empirisch vastgesteld

worden. Martine en haar 18-jarige zoon Kobe

die wonen in de Jozef Kenneslei ervaren hun

straat als een heel koude straat met weinig

betrokkenheid van buren op elkaar. Zij

oriënteren zich dan ook niet op hun buurt voor

hun sociale leven maar eerder op het


191

Antwerpse Zuid en het stadscentrum. Enkel de

Indische kruidenier is voor hen een leuke, lokale

ontmoetingsplek. In de Sorbenlaan zien we

dan wel weer een paar glimpsen van dagelijkse

burenconnecties waarbij het park, kleine

kinderen en huispersoneel van belang zijn.

4.2 Sociale verplichtingen?

De aanwezigheid van kleine kinderen lijkt

levendigheid in meerdere straten te

bevorderen. Hun aanwezigheid stimuleert het

contact tussen buren. Wel uit zich dat op

verschillende manieren in de Heistraat en in de

villa’s. Burencontacten in de straten van de

respondenten uit de villa’s vinden vooral plaats

bij mensen thuis. De buren worden als gasten

ontvangen in de privacy van de woning. Doet

één buur het dan is er de onuitgesproken

sociale verplichting dat de volgende keer een

andere buur het overneemt. In de Heistraat

nodigen Lies en Luk soms ook de buren in de

tuin uit. Iedereen kan dan de ganse dag, de dag

dat Lies verjaart, binnenlopen. Ook Arnold

nodigde met zijn zestigste verjaardag zijn

vrienden, familie en buren uit op een boottocht

op de schelde. De buren genoten ervan maar

niemand voelt zich verplicht een ‘wederfeestje’

te organiseren. Het informele karakter

primeert hier. Het burencontact is alledaags

ingebed en verloopt spontaan. Dit betekent

geen sociale verplichtingen en geen

formaliteiten.

4.3 Het belang van collectief gebruikte

plekken en van het wandelen

Ondanks de breuklijn in de wijk Hoogte vormen

park Den Brandt maar ook de

grootwarenhuizen plekken waar de erg diverse

bewoners graag vertoeven en korte contacten

zich kunnen ontwikkelen. Levendigheid zit in

collectief gebruikte plekken in de nabijheid

waar een diversiteit aan wijkbewoners elkaar

(soms met vallen en opstaan) kunnen

ontmoeten. Levendigheid zit ook in de

mogelijk om te kunnen wandelen in de nabije

omgeving.

4.4. Schakeringen van levendigheid

hebben we in de straten van Wilrijk Hoogte heel

wat kunnen ontdekken. Levendigheid kan

geassocieerd worden met de aanwezigheid

van materiaal erfgoed in de eigen straat. Dat

zien we bij André met zijn voorliefde voor

cottages maar ook bij een aantal bewoners in

de Eglantierlaan waar een buurtcomité is

ontstaan onder andere vanuit het zoeken naar

erkenning voor deze bijzondere cluster van

historische huizen. Levendigheid kan

gerelateerd worden aan de aanwezigheid van

een unieke geografische, locatie zoals hier

park Den Brandt. In de Sorbenlaan, een straat

vlakbij het park Den Brandt is het minder

gelegitimeerd spontaan bij elkaar aan te bellen

maar wel legitiem om buren aan te spreken in

het park. Het park fungeert als een soort

ontmoetingsplek voor buren. Het

Nachtegalenpark, vlak naast park Den Brandt,

heeft die connotatie niet.

Levendigheid betreft ook meer onzichtbare

fenomenen zoals een dagelijks netwerk tussen

buren. Het is niet iets waarover gesproken

wordt maar wat vooral gedaan wordt.

Levendigheid situeert zich in gewone

burenconnecties. Deze dimensie van

levendigheid hebben we er uitgelicht.


bijzondere personen: mensen die tijd hebben,

mensen die sociaal vaardig zijn en de

aanwezigheid van kleine kinderen en van

honden.


ruimtelijke infrastructuur op mensenmaat. Er

dient aandacht besteed te worden aan de

mens-ruimte interacties. De manier waarop

vertrouwde routes en plekken ontstaan hangt

samen met het vertakken van lokale interacties

tussen mensen.


Heistraat tussen bewoners die allemaal

behoren tot Vlaamse middengroepen maar

hun onderlinge verschillen zijn, bij een meer

diepgaande observatie, groot. De

burenconnectie, net omdat ze in teken van het

gewone staat, beheert deze verschillen erg

goed.

Wat de schakeringen van levendigheid betreft,


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

192


193


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

194

BIJLAGE: LIJSTEN MET RESPONDENTEN

KEUKENTAFELGESPREKKEN

(ANTROPOLOGISCH

BIJLAGE: Lijsten met respondenten keukentafelgesprekken

ONDERZOEK)

(antropologisch onderzoek)

1.Overzicht

Wilrijk Hoogte: 24 personen/ 16 huishoudens/ 12 gesprekken + 1 telefoongesprek/ 6 straten

Oud-­‐Berchem: 20 personen/13 huishoudens/ 11gesprekken / 12 straten

Deurne -­‐Noord : 15 personen/ 11 huishoudens/ 8 gesprekken/10 straten

è 59 personen/39 huishoudens/ 31 gesprekken/29 straten

2. Lijst per wijk

Wilrijk Hoogte: 24 personen/ 16 huishoudens/ 12 + 1 gesprekken/ 6 straten

Dirk Heistraat 16-­‐02-­‐2017 Bediende

Josie Heistraat 17-­‐02-­‐2017 Gepensioneerde

arbeidster

Brenda Heistraat 17-­‐02-­‐2017 Bediende

Buren

Yvonne en

Josiane

Heistraat 21-­‐02-­‐2017 Gepensioneerd

administratief

bediende +

gepensioneerde

arbeidster

Heistraat 23-­‐02-­‐2017 Arbeider + huisvrouw

Koppel Luk +

Lies

Leen Heistraat 23-­‐02-­‐2017 Docent Hoger

onderwijs

Fien en Heistraat 13-­‐03-­‐2017 Projectmanager en

koppel Helga

verpleegster/ IT-­en

Wouter

bediende

Martine en

zoon Kobe

Jozef Kenneslei 16-­‐03-­‐2017 Museumgids en

Student

Koppel Rita

en Arnold

Koppel

Suzanne en

Koen en

buur

Veronique

Rachel en

inwonende

dochter

Acquitaine

met zoontje

Jules

Heistraat

Gepensioneerd

bediendes

Eglantierlaan 29-­‐03-­‐2017 Koppel werkzaam als

zelfstandige

consulenten, bediende

Sorbenlaan 1-­‐05-­‐2017 Huisvrouw en dochter

werkzaam in

onderwijssector

Koppel

André en

Rosa

Acacialaan 08-­‐05-­‐2017 Gepensioneerde arts

en huisvrouw

Edith Groenenborgerlaan Telefoongesprek

27-­‐04-­‐2017

Huisvrouw


195

Oud-­‐Berchem: 20 personen/ 13 huishoudens/ 11 gesprekken/ 12 straten

Buren Sara

en Mark

Van Vaerenbergh-­straat


van

Marsinellestraat

14-­‐03-­‐2017

Huisvrouw en bediende

Roel

Willem Van 22-­‐03-­‐2017 Vrij beroep

Laarstraat

Lieve Weidestraat 29-­‐03-­‐2017 Werkzaam in,

onderwijssector en…

Mohammed Daenenstraat 8-­‐05-­‐2017 Sans-­‐papier

Cois

Mieke

Willem van

Laarstraat

Generaal

Drubbelstraat

8-­‐05-­‐2017

29-­‐03-­‐2017

steuntrekker

Werkzaam in

onderwijssector

Dilek Statiestraat 30-­‐04-­‐2017 Arbeidster en

winkeluitbater

Buren Veerle en

Jaqueline

Vredestraat

Arthur Sterkxstraat

3-­‐05-­‐2017 Gepensioneerd

arbiedster

Huisvoruw

Zohra en twee

dochters

Hakima en

Naima

Generaal

Drubbelstraat

1-­‐05-­‐2017

Huisbediende en

werkzaam in

profitsector/manager

en student

Het gezin

Manon en

Bruno en zoon

en dochter

Agnes en zonen

Bas en Jef

Terlinckstraat 28-­‐03-­‐2017 Werkzaam als jurist en

IT-­‐bediende, leerlingen

basis-­‐ en secundair

onderwijs

Van

Campenhoutstraat

15-­‐05-­‐2017

Leerkracht, student

hoger onderwijs en

leerling secundair

onderwijs

Deurne-­‐Noord: 15 personen / 11 huishoudens/ 8 gesprekken/ 10 straten

Irma en

Godelieve

Willy en

Robert

Alexandra

Koppel Sus

en Angéle

De Mansstraat

Bosuil

09-­‐03-­‐2017 Beide gepensioneerd

Buren op Ten 16-­‐03-­‐2017 Steuntrekkers/

Eeckhovelei

gepensioneerd

Albert

16-­‐03-­‐2017 Vrij beroep

Bevernagelei

Van Hallestraat 18-­‐03-­‐2017 Arbeider en invalide


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

196

Azra en

echtgenoot,

koppel Theo

en Suzanne.

Linda en

Martin

Bischoppenhoflaan

Lakborslei

20-­‐03-­‐2017 Huisvrouw en arbeider

in de bouw

Gepensioneerde

arbeider en huisvrouw

Van Amstelstraat 21-­‐03-­‐2017 Werkzaam in de zorg en

gepensioneerd

bediende

Hafida Van Heetveldelei 14-­‐04-­‐2017 Administratief bediende

Katelijne De Francqueslei 22-­‐03-­‐2017 Werkzaam in non-­‐profit


197

BIJLAGE: PROFESIONELE EN RUIMTELIJKE

BRILLEN + WIJKPORTRETTEN


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

198


199


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

200


201


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

202


203


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

204


205


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

206


207


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

208


209


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

210


211


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

212


213


Onderzoek mapping van levendigheid in wijken

214


215

More magazines by this user